Uploaded by User3364

biologie examen -1

advertisement
SAMENVATTING BIOLOGIE: EXAMENSTOF
INHOUD
1.STOFWISSELING VAN DE CEL ................................................................................................................................2
2.TRANSPORT VAN CELLEN ......................................................................................................................................3
3.ASSIMILATIE EN DISSIMILATIE….………………………………………………………………………………………..……………………………4
4.STOFWISSELING VAN HET ORGANISME…………………………………………………………………………….…………………………….5
5.VERTERING…………………………………………………………………………………………………………………………………………...…..……6
6.BESTANDDELEN VAN VOEDSEL………………………………………………………………………………………………………………….…….8
7.UITSCHEIDING…………………………………………………………………………………………………………………………………………………9
8.TRANSPORT……………………………………………………………………………………………………………………………………………………10
9.WEEFSELVLOEISTOF EN LYMFESTELSEL………………………………………………………………………………………………………….11
10.BOUW VAN PLANTEN………………………………………………………………………………………………………………………………….11
11.HOMEOSTASE………………………………………………………………………………………………………………………………………………12
12.NEURALE REGULATIE…………………………………………………………………………………………………………………………………..13
13.HORMONALE REGULATIE…………………………………………………………………………………………………………………………….15
14.AFWEER VAN HET ORGANISME……………………………………………………………………………………………………………………16
15.DE WERKING VAN HET MENSELIJK OOG………………………………………………………………………………………………………17
16.DYNAMIEK EN EVENWICHT VAN HET ECOSYSTEEM……………………………………………………………………………………..19
17.ENERGIESTROOM………………………………………………………………………………………………………………………………………..20
18.KRINGLOOP……………………………………………………………………………………………………………………………………………….…21
19.GENEXPRESSIE………………………………………………………………………………………………………………………………………….….22
20.CELDIFFERENTIATIE………………………………………………………………………………………………………………………………….….23
21.VOEDSELRELATIES……………………………………………………………………………………………………………………………………….23
22.INTERACTIE MET (A)BIOTISCHE FACTOREN………………………………………………………………………………………………….24
23.ERFELIJKE EIGENSCHAPPEN…………………………………………………………………………………………………………………………25
24.DNA…………………………………………………………………………………………………………………………………………………….………27
25.MUTATIE……………………………………………………………………………………………………………………………………………………..27
26.RECOMBINATIE EN VARIATIE……………………………………………………………………………………………………………………….27
27.POPULATIE…………………………………………………………………………………………………………………………………………………..28
28.VARIATIE……………………………………………………………………………………………………………………………………………………..28
29.SELECTIE………………………………………………………………………………………………………………………………………………………29
30.SOORTVORMING…………………………………………………………………………………………………………………………………………29
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
1.STOFWISSELING VAN DE CEL
Organismen= alle levende organismen.
Organismen worden ingedeeld in 4 rijken:
-Planten
-Dieren
-Schimmels
-Bacteriën
Alle levende organismen bestaan uit cellen (= kleinste bouwsteen van een organisme dat alle genetische
informatie van dat organisme bevat). De inhoud van een cel bestaat uit cytoplasma waarin de celkern zich
bevindt. Daarnaast is elke cel omgeven door een celmembraan (= het beschermend omhulsel van een cel).
Cellen van planten, schimmels en bacteriën hebben ook nog een celwand(=beschermende laag om het cel
membraan heen). Cellen van dieren hebben geen celwand, maar enkel een celmembraan.
Elk organisme bestaat uit minimaal één cel.
Cellen kunnen worden ingedeeld in:
- Een prokaryoot is een eencellig organisme zonder celkern. Het DNA van een prokaryoot ligt vrij in het
cytoplasma van de cel. Naast een groot DNA-molecuul in het cytoplasma hebben prokaryoten nog veel kleinere
DNA-moleculen in de cel. Dit zijn de plasmiden (=een stuk DNA dat codeert voor ‘extra’ eigenschappen).
Plasmiden kunnen worden gebruikt om genetische informatie uit te wisselen.
- Een eukaryoot is een organisme waarvan de cellen een celkern bezitten. Naast een celkern hebben de meeste
eukaryoten ook andere organellen(= een deel van de cel, met een specifieke bouw en functie). Je kunt
organellen zien als de organen van de cel. Organellen liggen in het cytoplasma en zijn elk omgeven door een
eigen membraan. Vrijwel alle meercellige organismen zijn eukaryoten.
Alle eukaryoten hebben de volgende organellen (Tabel 79B t/m D):
-Een celkern. In deze celkern bevinden zich chromosomen (=drager van een deel van het erfelijk materiaal van
een organisme). Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten.
-Een endoplasmatisch reticulum (ER). Dit is een netwerk van membranen en speelt een rol het aanmaken en
transporteren van eiwitten. Daarnaast herbergt het ER een deel van de ribosomen(= kleine bolletjes die de
informatie van het RNA lezen en zorgen voor de opbouw van eiwitten).
-Een golgisysteem. Hier worden eiwitten en vetten uit het endoplasmatisch reticulum verder bewerkt
opgeslagen en getransporteerd.
-Kleine vacuolen (=kleine holten in een cel). In de vacuolen slaat de cel zijn voorraad bouwstenen op. Zo
fungeren vacuolen als de opslagplaats voor bouwstenen van de cel.
-Mitochondriën. Deze onttrekken energie uit voedingsstoffen en leveren de cel zo energie. Een mitochondrion
functioneert als de energiecentrale van de cel.
Daarnaast hebben cellen van planten plastiden en een grote centrale vacuole. Een plastide is een korrel in het
cytoplasma van planten. Voorbeelden van plastiden zijn kleurstofkorrels, zetmeelkorrels en bladgroenkorrels.
-kleurstofkorrels krijgen bloemen en vruchten hun kleur;
-in bladgroenkorrels vindt de fotosynthese plaats;
-In zetmeelkorrels is zetmeel opgeslagen.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Dierlijke cellen hebben lysosomen en trilharen. Een lysosoom is een onderdeel van een cel dat enzymen bevat.
Deze enzymen kunnen eiwitten, koolhydraten en vetten afbreken.
Ribosomen helpen dus bij de opbouw van de cel en lysosomen breken de afvalstoffen van de cel af.
Trilharen vervullen specifieke functies in een cel, zoals het waarnemen van omgevingssignalen.
Een bacterie is een micro-organisme dat uit 1 cel bestaat. Bacteriën hebben geen celkern en zijn dus
prokaryoot. Ze zijn zo klein dat ze alleen te zien zijn onder een microscoop. Bacteriën hebben een stofwisseling
en planten zich voort via celdeling. Hierbij maakt een bacterie een extra celwand en deelt hij zich doormidden.
Bij eencellige organismen is celdeling gelijk aan voortplanting.
Een virus bestaat uit een kern van DNA of RNA, omgeven door een eiwitmembraan. Een virus heeft dus geen
cel. Virussen verschillen van andere levensvormen doordat ze geen eigen stofwisseling hebben. Hierdoor
worden virussen meestal niet als een levend organisme beschouwd. Virussen koppelen zich aan een levende
cel van een ander organisme en injecteren daarin het eigen erfelijk materiaal. Hierdoor zal het virus de
stofwisseling van de andere cel gaan bepalen, ten koste van de normale stofwisseling van die cel. Dit kan leiden
tot ziekte bij de gastheer. Virussen zijn niet in staat om zich voort te planten buiten de gastheercel: ze kunnen
zich enkel in een levende cel vermeerderen.
Er bestaan zogenoemde ‘goede bacteriën’. Er bestaan echter geen goede virussen. Virussen maken organismen
ziek. Het menselijk lichaam kan virussen onschadelijk maken met antistoffen. Een virusziekte is niet te
bestrijden met antibiotica. Antibiotica werken alleen tegen bacteriën. Een belangrijk nadeel van het veelvuldig
gebruik van antibiotica is echter dat bacteriën er ongevoelig (resistent) voor kunnen worden.
Cellen delen zich voortdurend om oude cellen te vervangen/herstellen of om nieuwe cellen te maken. Door het
uitvoeren van chemische reacties kunnen cellen zich in stand houden. Dit is het zelfregulerende vermogen van
een cel. Homeostase is het vermogen van een cel om alle functies in evenwicht te houden, ondanks
veranderingen in de externe omgeving. In het lichaam zorgen receptoren ervoor dat alle functies in evenwicht
zijn (= eiwitten die signalen van binnen of buiten een cel kunnen waarnemen). Ze meten een bepaalde
grootheid en vergelijken deze met een interne norm (= de waarde die normaal is voor een bepaalde factor).
Wanneer de waarde afwijkt van de norm (hoger of lager is dan de norm), vindt er (negatieve) terugkoppeling
plaats. Zodoende is er altijd sprake van een dynamisch evenwicht.
2.TRANSPORT VAN CELLEN
Verschillende stoffen moeten in en uit cellen worden getransporteerd. Celmembranen zijn semi-permeabel.
Dit houdt in dat cel membranen water en kleine moleculen doorlaten, maar geen grote moleculen of opgeloste
stoffen. Het is dus half doorlaatbaar. Doordat celmembranen semi-permeabel zijn, vervullen ze een
transportfunctie. Een permeabel membraan is volledig doorlaatbaar en laat dus alles door. De celwand in
planten en schimmels is bijvoorbeeld volledig permeabel. Sommige stoffen kunnen membranen passeren door
passief transport en anderen door actief transport.
Diffusie = passief transport van moleculen die klein genoeg zijn om door een membraan heen te gaan (zoals
zuurstof en koolstofdioxide). Hierbij gaan de moleculen van een plaats met een hoge concentratie naar een
lage concentratie. Passief transport kost geen energie. Water stroomt de cel in door osmose.
Osmose = de diffusie van water dooreen semi-permeabel membraan. Deze laat wel het water door, maar niet
de opgeloste stoffen. Hierbij gaan watermoleculen door het membraan heen en verplaatsen ze zich naar een
plek met een hoge concentratie opgeloste stoffen.
Osmotische waarde= het aantal opgeloste deeltjes per volume eenheid. Bij osmose gaat water dus naar de
kant met de hoogste osmotische waarde. Hierdoor gaat het celmembraan uitzetten en ontstaat er druk van de
cel op de celwand.
Osmotische druk= de druk die door osmose wordt veroorzaakt. De druk van het cytoplasma op de celwand bij
plantencellen wordt turgor genoemd.
Hypertonisch= De plaats waar de osmotische waarde het hoogst is.
Hypotonisch= de plaats met de laagste osmotische waarde hypotonisch genoemd.
In het geval dat beide kanten van het membraan een gelijke osmotische waarde hebben, wordt de situatie
isotonisch genoemd.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Plasmolyse= Wanneer de osmotische waarde van de omgeving hoger is dan die van de celinhoud, zal water de
cel verlaten en de cel kleiner worden. Hierdoor laat het celmembraan de celwand los.
Bij actief transport vervult de cel een zeer actieve taak om stoffen te vervoeren. Actief transport vindt plaats
met behulp van transporteiwitten in het membraan en vereist energie. Middelgrote moleculen en ionen
kunnen op deze manier worden opgenomen. Dit kost energie grote moleculen, zoals eiwitten en zetmeel,
kunnen niet door het celmembraan heen. Twee vormen van actief transport zijn endocytose en exocytose.
Endocytose = het transport door het cel membraan van buiten de cel naar binnen de cel waarbij de cel stoffen
opneemt.
Exocytose = de uitscheiding van stoffen (zoals eiwitten en lipiden) uit de cel (van binnen de cel naar buiten de
deze stoffen worden door het golgi-systeem verpakt in blaasjes en getransporteerd.
Cytoplasmastroming= de beweging van het cytoplasma in plantencellen. Dit bevordert de uitwisseling van
stoffen in de cel.
3.ASSIMILATIE EN DISSIMILATIE
Cellen hebben chemische reacties nodig om te overleven.
Chemische reacties = botsingen en bewegingen van moleculen. Hierbij kunnen bindingen tussen de atomen
ontstaan of juist worden verbroken.
Alle chemische processen in de cellen van een organisme vormen samen de stofwisseling (ook wel
metabolisme genoemd). Stofwisselingsprocessen spelen zich dus af in de cellen van organismen. Er is sprake
van assimilatie wanneer er organische moleculen worden gevormd uit kleinere moleculen. Het is de opbouw
en vorming van organische stoffen in een organisme. Assimilatieprocessen in planten en dieren leiden tot de
aanmaak van bouwstoffen, brandstoffen reservestoffen en enzymen. Wanneer organische moleculen worden
afgebroken is er sprake van dissimilatie.
In planten vindt koolstofassimilatie plaats. Voor de opbouw (assimilatie) van organische stoffen wordt er
energie vastgelegd. Als dit gebeurt onder de invloed van zon licht, dan spreekt men over fotosynthese. Hierbij
wordt energie vastgelegd in de vorm van ATP. Deze ATP wordt vervolgens gebruikt om organische moleculen
zoals glucose te maken. In bladgroenkorrels (ook wel chloroplasten genoemd) bevinden zich fotosynthetische
pigmenten, zoals chlorofyl. Wanneer hier zon licht op valt dan absorbeert het bladgroen alle golflengten. Het
groene licht wordt gereflecteerd. De energie van het geabsorbeerde licht wordt gebruikt bij de fotosynthese.
Fotosynthese komt alleen voor bij autotrofe organismen.
Autotrofe organismen kunnen uit anorganische stoffen organische stoffen bouwen, mits ze hiervoor een
energiebron hebben. Autotrofe organismen zijn planten en enkele bacteriën. De reactievergelijking van
fotosynthese is als volgt:
6 CO2 + 12 H2O + E (energie) → C6H12O6 + 6 H2O + 6 O2
In alle cellen vindt ook nog voortgezette assimilatie plaats. Hierbij worden grotere moleculen opgebouwd uit
glucose en andere stoffen. Voorbeelden van stoffen die ontstaan uit voortgezette assimilatie zijn aminozuren,
vetten en koolhydraten.
Heterotrofe organismen maken organische stoffen uit andere organische stoffen (dus niet uit anorganische
stoffen). Ze kunnen op deze manier ook eiwitten maken. Het cel materiaal van heterotrofe organismen is
opgebouwd uit organische stoffen, gemaakt door andere organismen. Bij planten worden nucleotiden en
aminozuren gevormd uit glucose en De voortgezette assimilatie kost energie (ATP) die wordt geleverd door de
dissimilatie.
Dissimilatie levert vaak energie op. Deze energie wordt vervolgens gebruikt voor de processen in cellen. Het
menselijk lichaam heeft deze energie nodig voor biologische processen. In het menselijk lichaam wordt energie
gebruikt in de vorm van ATP (adenosinetrifosfaat).
ATP stelt cellen van mensen en dieren in staat om energie om te zetten in spieroefeningen. ATP is de
voornaamste energiebron van het lichaam. Het wordt gebruikt bij de synthese van stoffen, bij het actief
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
transport en voor de beweging. ATP wordt gevormd in de mitochondriën. ATP wordt gevormd uit ADP. Het
enzym dat ATP maakt heet ATP-synthase. De reactievergelijking hiervoor is als volgt: ADP + Pi + E → ATP.
Er zijn verschillende vormen van energie:
-Kinetische energie, de energie die een voorwerp heeft doordat het beweegt
-Lichtenergie, energie die wordt gehaald uit licht
-Chemische energie, energie die is opgeslagen in een stof. Deze energie kan vrijkomen als warmte en
stralingsenergie.
Het is mogelijk om energie van de ene vorm om te zetten naar een andere vorm (=energieomzetting).
Bij dissimilatie wordt chemische energie omgezet in andere vormen van energie. Er zijn twee vormen van
dissimilatie:
-Aerobe dissimilatie = de verbranding van organische moleculen. Hiervoor dient er zuurstof aanwezig te zijn..
Het doel van aerobe dissimilatie is om energie vrij te maken voor alle mogelijke levensprocessen. Meestal
wordt er hierbij glucose verbrand. Bij de aerobe dissimilatie van glucose worden glucosemoleculen volledig
afgebroken tot koolstofdioxide en watermoleculen. Deze reactie ziet er als volgt uit: C 6H12O6 + 6 H2O + 6 O2 → 6
CO2 + 12 H2O + E.
-Anaerobe dissimilatie worden stoffen afgebroken zonder zuurstof. Dissimilatie van koolhydraten zonder
zuurstof wordt gisting genoemd. Twee typen van gisting zijn alcoholgisting en melkzuurgisting, waarbij de
energierijke eindproducten alcohol en melkzuur ontstaan. Als je in een korte tijd veel energie moet vrijmaken
(zoals bij het trekken van een sprint), dan komt er door melkzuurgisting melkzuur vrij. Zo krijg je verzuurde
(vermoeide) spieren. Na de inspanning wordt het melkzuur afgevoerd naar de lever, waarna de lever de
melkzuur weer omzet tot glucose. Bij alcoholgisting ontstaat behalve alcohol ook koolstofdioxide (de belletjes
in het bier).
Bij aerobe dissimilatie ontstaat uit een glucosemolecuul totaal 38 ATP, maar doordat er 2 ATP verloren gaat aan
transportprocessen in de cel blijft er netto 36 ATP over. Bij anaerobe dissimilatie ontstaat er veel minder ATP
per molecuul.
Cellen kunnen stoffen opnemen, transporteren, omzetten en afgeven met behulp van energie. Dit wordt mede
mogelijk gemaakt door enzymen.
Enzymen = eiwitten die ervoor zorgen dat processen in het lichaam sneller verlopen, zonder dat deze daar zelf
bij worden verbruikt. Het zijn biologische katalysatoren: ze maken een reactie mogelijk of versnellen een
reactie. Enzymen bevinden zich in voedsel en worden door ons lichaam aangemaakt.
De enzymactiviteit = de snelheid waarmee een enzym een reactie versnelt. Er is een verband tussen de
temperatuur en de enzymactiviteit.
Dit verband kan worden weergegeven in een optimumkromme. Deze kromme is het nettoresultaat van de
toename van de activiteit van individuele moleculen en de afname van het aantal actieve moleculen. Ook het
verband tussen de pH en de enzymactiviteit kan worden weergegeven in een optimumkromme. Elk enzym
werkt optimaal bij een bepaalde pH-waarde. Wordt deze waarde overschreden, dan zal het enzym niet meer
werken.
Biotechnologie is een verzamelnaam voor technieken waarbij organismen worden gebruikt wordt bier
gebrouwen met gisten, die de aanwezige suikers omzetten in alcohol. Zo wordt ook yoghurt gemaakt door
melkzuurbacteriën toe te voegen aan melk.
4.STOFWISSELING VAN HET ORGANISME
Cellen in meercellige organismen zijn vaak gegroepeerd in weefsels (=een groep cellen met dezelfde vorm en
functie). Weefsels bestaan uit cellen en tussencelstof, dat de cellen in een weefsel bij elkaar houdt.
Orgaan = een groep van weefsels met een bepaalde functie. Organen hangen met elkaar samen. Het
functioneren van een orgaan kan dan ook de samenwerking tussen organen beïnvloeden.
De opname van stoffen gaat bij de mens via de luchtwegen of via de mond en slokdarm. Het transport van
stoffen door het lichaam vindt plaats met behulp van het bloed. Voordat deze stoffen door de wand van een
haarvat kunnen, moeten de stoffen kleiner worden gemaakt. Dit gebeurt door het verteringsstelsel. De lever
verwijdert schadelijke stoffen uit het bloed en voegt gal toe aan het verteringstelsel. De nieren zorgen voor de
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
verdere uitscheiding van schadelijke stoffen uit het bloed.
Vervolgens vindt er uitscheiding plaats. Ook kunnen stoffen in het lichaam worden opgeslagen. De opslag van
stoffen kan plaatsvinden in de vorm van vet, maar er kunnen ook stoffen in spieren worden opgeslagen. Het
ademhalingsstelsel zorgt voor de gaswisseling. Het bloed wordt met behulp van het hart en bloedvatenstelsel
door het lichaam verspreid, waardoor de organen kunnen blijven werken.
De hersenstam regelt enkele belangrijke inwendige functies van het lichaam (zoals de hartslag, de
temperatuur, de bloedomloop, de spijsvertering en de ademhaling).
Ademhalen= het ventileren van de lucht in je longen.
Bij de ademhaling wordt er via de neus of mond lucht de longen ingezogen en vervolgens weer uitgeblazen.
Hierbij wordt zuurstof opgenomen en koolstofdioxide afgegeven (=gaswisseling).
Hierbij spelen de longblaasjes een belangrijke rol. Die zorgen ervoor dat de opname van zuurstof uit de
ingeademde lucht op een zo effectief mogelijke wijze verloopt. Wanneer de ingeademde lucht in het
longblaasje aankomt wordt de zuurstof door diffusie afgegeven aan het bloed, terwijl koolstofdioxide het
longblaasjes in diffundeert vanuit het bloed. Deze koolstofdioxide ademen we vervolgens weer uit.
Door te ademen wordt de lucht in de longen telkens ververst. Dit gebeurt door middel van longventilatie (= de
bewegingen die nodig zijn om lucht naar binnen en buiten te krijgen).
Bij iedere inademing neemt het zuurstofgehalte toe en bij iedere uitademing neemt het koolstofdioxide
gehalte af. De voornaamste ademprikkel voor de hersenstam is het koolstofdioxidegehalte van het bloed. Dit
gehalte wordt waargenomen door zintuigcellen in de wand van de halsslagaders en aorta. De zintuigcellen
sturen via de zenuwen impulsen naar het ademcentrum in de hersenstam. Vanuit het ademcentrum gaan
impulsen via de zenuwen naar de ademhalingsspieren. Als het koolstofdioxidegehalte in het bloed hoog is, ga
je bijvoorbeeld sneller ademen.
De luchtpijp heeft een wand die bestaat uit
hoefijzervormige kraakbeenringen. De luchtpijp
splitst zich in twee bronchiën, welke ook een wand
van kraakbeenringen hebben. In dit gedeelte van de
luchtwegen vindt zelf geen gaswisseling plaats (= de
dode ruimte)
De bronchiën splitsen zich vervolgens in steeds
kleinere zijtakken, de bronchiolen. De wanden van
de bronchiolen bevatten spierweefsel i.p.v.
kraakbeenringen. Door deze spieren aan te spannen
of te ontspannen, kunnen de bronchiolen zich vernauwen of verwijden. Dit bepaalt de hoeveelheid lucht die
wordt in- en uitgeademd.
Longcapaciteit = de hoeveelheid lucht die in de longen kan. Deze bestaat uit de vitale capaciteit (= de
hoeveelheid lucht die na maximale inademing kan worden uitgeademd).
en het restvolume van de longen.
Inademen →De belangrijkste spieren bij het inademen zijn het middenrif, de buitenste tussenribspieren en de
halsspieren.
Uitademen → Bij het uitademen zijn dit de spieren van de buikwand en de binnenste tussenribspieren. Door
het ontspannen en samentrekken van de betrokken spiergroepen wordt het volume van de borstkas groter en
kleiner bij het ademen.
Bij borstademhaling bewegen de ribben en het borstbeen. Bij buikademhaling beweegt ook het middenrif.
5.VERTERING
Bij de spijsvertering werken de organen samen om het voedsel te vertering. Voedingsmiddelen worden
bewerkt, zodat eiwitten, koolhydraten en vetten bereikbaar worden voor enzymen en na afbraak opgenomen
kunnen worden in het bloed.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
De spijsvertering bestaat uit 2 onderdelen:
-Mechanische vertering (= het kauwen van voedsel, het mixen van voedsel met speeksel en de peristaltische
bewegingen van de darmen).
-Chemische vertering (= enzymen die ervoor zorgen dat de verschillende stoffen uit het voedsel worden
afgebroken).
Wanneer je iets eet, wordt het als volgt verteerd:
Mondholte: eten komt in de mond binnen en wordt fijngekauwd door het gebit. De mondholte bevat
speekselklieren. Speeksel bevat amylase dat zetmeel afbreekt. Hierdoor wordt het eten zacht genoeg om door
te slikken. Een andere belangrijke functie van speeksel is het doden van bacteriën en het bevat ook enkele
enzymen.
↓
Slokdarm: door de spieren van keel en slokdarm wordt het
voedsel in de slokdarm gebracht. Door de spiersamentrekkingen
van het spijsverteringskanaal komt het voedsel vervolgens in de
maag terecht. Hier wordt het voedsel tijdelijk opgeslagen.
↓
Maag: de maag bevat maagsap, dat wordt geproduceerd door de
maagsapklieren in de wand van de maag. Maagsap bevordert de
spijsvertering in de maag door voedsel af te breken tot kleinere
deeltjes. Ook bevat maagsap maagzuur, waarmee bacteriën
worden gedood. Pepsine breekt eiwitten af in de maag.
↓
Twaalfvingerige darm: Het eerste deel van de dunne darm.
↓
Dunne darm: Het samentrekken van de darmwand, zodat het voedsel door de darmen wordt bewogen, wordt
de darmperistaltiek genoemd. In de dunne darm wordt de voedselbrij gemengd met gal en alvleessap. Gal
bevat stoffen die ervoor zorgen dat vetten emulgeren, zodat enzymen er beter op in kunnen werken. Gal wordt
geproduceerd door de lever en opgeslagen in de galblaas. Alvleessap bevat enzymen die nodig zijn voor de
spijsvertering van suikers, eiwitten en vetten. Ook verhoogt het de pH van de voedselbrij. Alvleessap is
afkomstig van de alvleesklier. In de dunne darm wordt er darmsap toegevoegd. Deze bevat allerlei enzymen.
Het voedsel wordt zo afgebroken tot voedingsstoffen, die via de dunne darmwand in het bloed worden
opgenomen. In de dunne darm bevinden zich veel goede bacteriën. Deze helpen mee met de afbraak van
koolhydraten waar ons lichaam zelf moeite mee heeft, vergtoten de natuurlijke weerstand en zorgen ervoor
dat schadelijke bacteriën niet in ons bloed terechtkomen, waar ze infecties kunnen veroorzaken.
↓
Dikke darm: Onverteerbare voedselresten komen hier recht. Er vindt terugresorptie van water plaats en
worden de voedselresten bewerkt door darmbacteriën. Onverteerde voedselresten worden vervolgens tijdelijk
opgeslagen in de endeldarm.
↓
Endeldarm: Als de endeldarm vol is, gaat er een signaal naar onze hersenen.
↓
Anus: Onverteerbare resten verlaten het lichaam.
Het eten wordt in de ingewanden afgebroken en omgezet in nuttige stoffen voor het lichaam. Deze stoffen
worden vervolgens in het bloed en lymfe opgenomen en doorgegeven aan afzonderlijke cellen. Zodoende blijft
het voortbestaan en functioneren van de cellen mogelijk.
Resorptie = De opname van voedingsstoffen in het bloed door middel van spijsvertering. Dit gebeurt dus in de
dunne darm.
Aminozuren en koolhydraten worden in het bloed opgenomen. De bloedvaten in de dunne darm staan via de
poortader in direct contact met de lever. Op deze manier kan de lever voedingsstoffen opslaan of omzetten in
andere stoffen die belangrijk zijn voor ons lichaam. Ook worden hier schadelijke stoffen uit het bloed
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
verwijderd. Vetten komen in het lymfestelsel terecht. Het lymfestelsel mondt uiteindelijk uit in de bloedbaan,
zodat de vetten via een omweg in de lever komen. Onder andere water, vet oplosbare stoffen en
wateroplosbare stoffen kunnen worden geresorbeerd. Ook genotsmiddelen, geneesmiddelen en gifstoffen
kunnen op deze manier worden geresorbeerd.
6.BESTANDDELEN VAN VOEDSEL.
Brandstoffen zorgen ervoor dat het lichaam energie heeft en bouwstoffen zorgen ervoor dat het lichaam
zichzelf kan onderhouden en opbouwen. De belangrijkste bestanddelen van voedsel zijn koolhydraten, eiwitten
en vetten. Daarnaast bevat voedsel nog mineralen en vitamines.
Eiwitten → zijn opgebouwd uit aminozuren. Eiwitten zijn bouwstoffen die worden gebruikt voor het opbouwen
van cellen. Ze kunnen echter ook functioneren als brandstoffen. Eiwitten uit voeding worden in de maag bij de
spijsvertering afgebroken tot aminozuren. Aminozuren worden in het bloed opgenomen en vervolgens door
het hele lichaam gebruikt als de bouwstenen van eiwitten in lichaamscellen. Het menselijk lichaam kan de
meeste aminozuren zelf maken.
Niet-essentiële aminozuren = Aminozuren die door het lichaam kunnen worden aangemaakt. Maar niet alle
aminozuren kunnen door het lichaam worden aangemaakt. Deze moeten door het lichaam worden opgenomen
door middel van voedsel.
Essentiële aminozuren = Aminozuren die niet door het menselijk lichaam worden aangemaakt.
Koolhydraten → zijn brandstoffen en leveren daardoor energie aan het lichaam. Koolhydraten bestaan uit
sachariden. Koolhydraten zijn in te delen naar aantal suikermoleculen waaruit ze bestaan:
-Monosachariden (=koolhydraten die bestaan uit 1 sacharide).
-Disachariden (=koolhydraten die bestaan uit 2 aan elkaar verbonden monosachariden).
-Polysachariden (=koolhydraten die bestaan uit lange ketens van sachariden.
Wanneer een mens teveel koolhydraten binnen krijgt, dan zullen deze worden opgeslagen als vet. Ook vetten
zijn brandstoffen voor het lichaam en leveren energie.
Vetten → bestaan uit glycerol en vetzuren. Vetten zijn voor mensen en warmbloedige dieren een reservestof.
Vitamines → spelen een rol bij de groei, het herstel en het algemeen goed functioneren van ons lichaam. Er
zijn 13 vitamines, waarvan 4 vet oplosbaar en 9 wateroplosbaar. Vitamines kunnen niet door het lichaam
worden aangemaakt. Vitamines worden niet verbruikt door ons lichaam. Hierdoor hebben we relatief weinig
vitamines nodig.
Mineralen → zijn belangrijk voor de groei, ontwikkeling en stofwisseling van het menselijk lichaam. Mineralen
zijn, in tegenstelling tot vitamines, niet gevormd door een levend organisme. Ze komen voor in de natuur en
worden opgenomen door planten en dieren. Belangrijke mineralen zijn calcium, natrium, ijzer, magnesium,
fosfor en zink.
7.UITSCHEIDING
De nieren zijn 2 organen die achterin de buikholte tegen de rug aan liggen.
Een nier krijgt zuurstofrijk bloed aangeleverd van een slagader en het
zuurstofarme bloed wordt terug vervoerd door een ader. Er gaat veel bloed
naar de nieren: ongeveer een kwart van al het bloed dat het hart uitpompt
komt in de nieren terecht.
De nieren hebben meerdere functies. De belangrijkste functie van de nieren
is het filteren van afvalstoffen uit het bloed. Als de nieren dit niet zouden
doen, zouden we door ons eigen lichaam worden vergiftigd. Daarnaast
regelen de nieren de vocht- en zoutbalans en regelen hiermee het zuurbase evenwicht van het lichaam. De nieren zorgen dus voor de
waterhuishouding. Hierbij produceren de nieren urine. Deze wordt
verzameld in het nierbekken, voor het via de urineleider naar de blaas en uiteindelijk uit het lichaam wordt
getransporteerd. Urine bestaat uit afvalstoffen, lichaamsvreemde stoffen, overtollig water en overtollige
zouten. De hoeveelheid en de kleur van de urine is afhankelijk van de vochtbalans. Als het lichaam vocht nodig
heeft, dan krijg je donkere urine. Als je lichaam genoeg of teveel vocht heeft, dan krijg je lichtgekleurde urine.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Ten slotte maken nieren hormonen. Zoals het hormoon EPO, dat het beenmerg stimuleert om rode bloedcellen
te maken. Een hormoon dat de terugresorptie van water in de nieren stimuleert is ADH (antidiuretisch
hormoon). Ook houden de nieren de bloeddruk in de gaten. Bij nieren die minder goed functioneren is de
aanmaak van het hormoon dat de bloeddruk regelt (renine) verhoogd, waardoor de bloeddruk hoger wordt
Hierdoor is er kans dat de nierfilters beschadigd raken.
Het kapsel van Bowman is een onderdeel van een niereenheid en bestaat uit een bekervormig membraan met
een heel dunne wand. Door de bloeddruk komt er bloedvloeistof in het kapsel van Bowman door kleine
spleten. Deze spleten laten filtratie toe en het bloed wordt als het ware gefilterd.
Voorurine de gefilterde bloedvloeistof in het kapsel van Bowman. Het bestaat uit water, glucose, aminozuren,
zouten en afvalstoffen (zoals ureum). Er zitten dus geen bloedcellen of eiwitmoleculen in voorurine; die zijn te
groot om mee te filteren.
Ultrafiltratie =Het proces van de vorming van voorurine in het kapsel van Bowman. De energie voor
ultrafiltratie wordt geleverd door de bloeddruk en komt dus van het hart. Voor het kapsel van Bowman
stroomt de voorurine dan door nierbuisjes naar de urineblaas. In de nierbuisjes vindt dan nog terugresorptie
plaats(= enkele nuttige stoffen worden aan de voorurine onttrokken).
Deze stoffen worden door actief transport door de wandcellen van het nierkanaaltje in de bloedbaan
opgenomen. Ook gaat er water terug naar het bloed. Dit gebeurt door middel van osmose. Hetgeen overblijft
nadat de nuttige stoffen zijn onttrokken, is urine.
De lever is een belangrijk orgaan in het menselijk lichaam. Zonder lever kan het lichaam niet goed
functioneren. De lever bevindt zich in de buikholte en is een veelzijdig orgaan. De belangrijkste functies van de
lever zijn:
-De lever produceert gal (=een geelgroene vloeistof die wordt uitgescheiden door de lever, opgeslagen in de
galblaas en via de galwegen uitkomt in de twaalfvingerige darm).
-De lever verwerkt voedingsstoffen uit de darmen. Zo zet de lever vetten en suikers uit worden
getransporteerd. De grondstoffen die de lever krijgt te verwerken komen binnen via de poortader. Daarnaast
kunnen zowel lichaamseigen stoffen als opgenomen stoffen zoals geneesmiddelen, alcohol en drugs worden
omgezet.
-De lever is de belangrijkste producent van eiwitten in het lichaam. Deze eiwitten geeft de lever af aan het
bloed, die de eiwitten door het lichaam verspreid.
-Bij de vertering van vetten in de dunne darm ontstaan vetzuren, welke via het bloed naar de lever worden
getransporteerd. De lever verandert de structuur van de vetzuren: verzadigde vetten worden omgezet in
onverzadigde vetten, welke beter bruikbaar zijn voor de stofwisseling. Dit is het proces van vetstofwisseling
-Afbraak van afval- en gifstoffen. De lever filtert afvalstoffen en schadelijke stoffen uit het bloed. Onschadelijk
gemaakte stoffen kunnen hierbij direct naar de darmen worden afgevoerd en uitgescheiden via het bloed.
Daarnaast wordt in de lever hemoglobine afgebroken en omgezet tot bilirubine. Dit wordt vervolgens in gal
uitgescheiden en naar de galblaas afgevoerd. Ook worden overtollige aminozuren afgebroken. Hierbij ontstaat
onder andere ureum. Ureum wordt afgegeven aan het bloed en uiteindelijk door de nieren uitgescheiden.
-De lever heeft ook een opslagfunctie. Het slaat een gedeelte van de suikers, aminozuren, vitamines en vetten
zelf op. Zo slaat de lever altijd glycogeen op. Wanneer het lichaam het nodig heeft, zet het lichaam glycogeen
om in glucose. Glucose wordt vervolgens afgegeven aan het bloed en dit levert energie. Het is een makkelijk
aanspreekbare energievoorraad. Op deze manier zorgt de lever ook voor het constant houden van de
bloedsuikerspiegel.
8.TRANSPORT
Bloedsomloop = de stroming van het bloed door het lichaam in de slagaderen, aderen en haarvaten. De
stroming is bedoeld voor de toevoer van voedingsstoffen en zuurstof en de afvoer van afvalstoffen van de
stofwisseling.
Deze stroming wordt onderhouden door het hart, welke met een ritmische samentrekking het bloed in de
slagaders pompt. Na het vervoeren van de voedingsstoffen naar de organen en het lichaam wordt het bloed
terug vervoerd naar het hart. Het bloedvatenstelsel zorgt voor transport van stoffen via het bloed.
Er zijn drie typen bloedvaten:
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Slagaders
Dit zijn belangrijke vaten die het
bloed van het hart naar het
lichaam vervoeren. De grootste
slagader is de aorta, die van het
hart naar de buik loopt. De
kransslagaders zijn twee
slagaders die het hart zelf van
bloed voorzien. De bloeddruk in
slagaders is hoog. De wanden van
slagaders zijn glad, zodat het
bloed snel kan stromen. Ook zijn
de wanden stevig en elastisch, om
de slagaders te beschermen.
Aders
Een ader zorgt voor de terugvoer
van het bloed naar het hart. Het
bloed stroomt in aders onder lage
druk en rustiger dan in een
slagader. Aders liggen vaak aan de
oppervlakte van het lichaam,
terwijl slagaders veel dieper
liggen. Het bloed dat aders
terugbrengen naar het hart is
zuurstofarm en rijk aan
afvalstoffen. Veel aders hebben
kleppen. Deze zorgen ervoor dat
het bloed niet de verkeerde kant
op stroomt.
Haarvaten
De slagaders worden steeds
kleiner en vertakken zich tot een
kleiner netwerk van haarvaten.
Het bloed stroomt in haarvaten
onder lage druk. In haarvaten
vindt de uitwisseling plaats van
zuurstof en voedingsstoffen naar
het weefsel en worden
afvalstoffen opgenomen en
afgevoerd. Deze uitwisseling van
stoffen tussen bloed en weefsel is
mogelijk door een verschil in
zuurstofspanning. Hierbij laat het
hemoglobine de
zuurstofmoleculen los in de
haarvaten, waardoor deze in de
cellen komen. Dit is mogelijk
omdat de wand van een haarvat
erg dun is.
Er wordt onderscheid gemaakt in de kleine en de grote bloedsomloop:
-De kleine bloedsomloop → van het hart naar de longen en terug naar het hart. Specifiek gaat de kleine
bloedsomloop van de rechterkamer naar de longen en terug naar de linkerboezem. Hierbij haalt het bloed
zuurstof op uit de longen en wordt er koolstofdioxide uit het bloed afgegeven.
-De grote bloedsomloop → van het hart naar alle andere cellen in het menselijk lichaam en weer terug naar
het hart. Specifiek gaat het grote bloedsomloop vanuit de linkerkamer naar alle organen in het lichaam en
terug naar de rechterboezem. Hierbij wordt het zuurstof naar de organen en het lichaam vervoerd en wordt er
koolstofdioxide in het bloed opgenomen.
Deze gaswisseling van zuurstof en koolstofdioxide in de haarvaten ontstaat door diffusie.
Bloed is een vloeistof die door het lichaam stroomt. De functie is de verspreiding van zuurstof (vanuit de
longen) en voedingsstoffen (vanuit de darmen en de lever) naar de cellen in het lichaam. Ook transporteert
bloed afvalstoffen uit de weefsels naar de longen.
Bloed bestaat voor 55% uit bloedplasma en voor 45% uit bloedcellen. Bloedplasma bestaat voornamelijk uit
water en zorgt ervoor dat bloed vloeibaar is. Het bevat tevens ruim honderd verschillende eiwitten, die
allemaal een andere functie hebben. Een groep eiwitten in het bloedplasma zijn de antistoffen. Deze hechten
zich aan binnengedrongen virussen en bacteriën, zodat het lichaam wordt beschermd tegen infecties.
Bloedcellen worden aangemaakt in rood beenmerg in de koppen van
pijpbeenderen.
Hier bevinden zich de stamcellen waaruit de drie soorten bloedcellen
ontstaan:
1. Rode bloedcellen zorgen voor het transport van zuurstof en
kooldioxide door het bloed. Dit gebeurt met behulp van hemoglobine
(=een eiwit dat via ijzer zuurstof aan zich kan binden. Hierdoor is het een
ideaal transportmiddel voor zuurstof). Een tekort aan hemoglobine
wordt bloedarmoede genoemd. Hemoglobine maakt het bloed rood.
Rode bloedcellen hebben geen celkern, waardoor ze zich niet kunnen
delen en vermeerderen. Hierdoor moeten rode bloedcellen telkens
opnieuw worden aangemaakt. Rode bloedcellen bevatten dan ook geen
DNA.
2. Witte bloedcellen spelen een rol bij de verdediging tegen infecties en de opbouw van immuniteit. Het zijn de
enige bloedcellen met een celkern en met DNA
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
3. Bloedplaatjes zorgen ervoor dat het bloed stolt. Als je een wond hebt, worden er bloed plaatjes
aangetrokken en deze zullen de wond stollen (=Bloedstolling). Bloedstolling vindt plaats onder invloed van
fibrinogeen (=een plasma-eiwit dat voorkomt in het bloedplasma). Bloedplaatjes zijn geen echte cellen en
hebben dus geen celkern of andere organellen. Het zijn kleine afsplitsingen van grote cellen in het beenmerg.
Het hart pompt het bloed door het lichaam. De hartslag is de
pompbeweging van het hart.
Hartslagfrequentie =het aantal hartslagen per minuut.
Slagvolume =hoeveelheid bloed die bij iedere hartslag het lichaam
wordt rondgepompt.
De pompwerking van het hart berust op het vermogen om samen te
trekken en vervolgens te ontspannen. Het hart is eigenlijk een grote
spier.
Het hart bestaat uit 4 ruimten: de linkerkamer, de rechterkamer, de
linkerboezem en de rechterboezem. De boezems vormen een
reservoir: ze vangen het bloed op uit het lichaam. De kamers pompen
bloed rond. Tussen de boezems en kamers zijn er hartkleppen, die ervoor zorgen dat het bloed niet
terugstroomt van een kamer naar een boezem.
In de rechterboezem bevindt zich de sinusknoop. In de sinusknoop ontstaat de prikkel die het hart aanzet tot
samentrekken. De sinusknoop regelt op deze manier de snelheid waarmee het hart klopt. Het zuurstofarme
bloed wordt door de aders naar de rechterboezem vervoerd. Deze vult zich met dit zuurstofarme bloed en
vervolgens stroomt het bloed door naar de rechterkamer door middel van een hartklep. Vanuit de
rechterkamer wordt het zuurstof arme bloed de longslagader ingepompt. Hier gaat de grote bloedsomloop
over in de kleine bloedsomloop.
Het zuurstofrijke bloed gaat vervolgens via de longader naar de linkerboezem. Als de linkerboezem vol is,
stroomt het bloed via een hartklep naar de linkerkamer. Vanuit de linkerkamer gaat het zuurstofrijke bloed via
de aortaklep de aorta in. Hierdoor heeft de linkerkamer de belangrijkste taak: vanuit hier wordt het bloed door
het lichaam gepompt. Nadat het bloed door het lichaam is gepompt wordt het zuurstofarme bloed door de
aders weer naar de rechterboezem vervoerd.
Bloeddruk = de druk die bloed op de wand van een bloedvat uitoefent.
De bloeddruk is het hoogste wanneer het hart samenknijpt (=bovendruk). Wanneer het hart zich ontspant is de
bloeddruk het laagst (=onderdruk). Bij een verhoogde bloeddruk zijn zowel de bovendruk als de onderdruk
verhoogd. Wanneer bij iemand een hoge bloeddruk is vastgesteld, betekent het dat diegene een verhoogde
kans heeft op hart- en vaatziekten. Dit kan onder andere ontstaan door een overmaat cholesterol in de
voeding. Hierbij vormt zich een plaque op de vaatwanden, waardoor deze minder elastisch worden en de
bloeddoorgang nauwer wordt.
9.WEEFSELVLOEISTOF EN LYMFESTELESEL
Door de bloeddruk in de haarvaten wordt er vocht door de wanden van cellen en haarvaten naar buiten
geperst. Dit vocht buiten de cellen en haarvaten wordt ook wel weefselvloeistof genoemd. Het bevat zuurstof,
voedingsstoffen, hormonen en kleine plasma-eiwitten. Vanuit de weefselvloeistof diffundeert zuurstof naar
cellen. De diffusie van koolstofdioxide vindt in tegengestelde richting plaats.
Naast het bloedvatenstelsel heeft het lichaam een tweede vaatstelsel: het lymfestelsel. Het lymfestelsel
transporteert lymfe door het menselijk lichaam. Het deel van de weefselvloeistof dat niet meer in de haarvaten
wordt opgenomen, komt terecht in de lymfevaten (=lymfe). Lymfe is een vloeistof die weefselvocht en enkele
witte bloedcellen. Witte bloedcellen worden door middel van lymfe vervoerd naar alle delen van het lichaam.
Het lymfestelsel is een afvoersysteem: er wordt lymfe en overtollig vloeistof afgevoerd.
Het lymfestelsel is een netwerk van lymfeklieren die met elkaar zijn verbonden door middel van lymfevaten.
Onder andere in de hals, oksels en de liezen heeft een mens concentraties van lymfeklieren.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Lymfevaten = de afvoerbuizen van organen en weefsels en zorgen voor vetresorptie uit de dunne darm. Het
lymfestelsel staat in contact met het bloedvatenstelsel en hierdoor komt lymfe uiteindelijk weer in de
bloedbaan terecht.
10.BOUW VAN PLANTEN
Wortel =het ondergrondse deel van een plant. De wortel neemt met
behulp van wortelharen water en mineralen (voedingszouten) op uit
de bodem. Daarnaast worden reservestoffen (zoals zetmeel)
opgeslagen in de wortels van de plant.
De stengel zorgt voor het transport van water en mineralen van de
wortel naar de bladeren en terug. Houtvaten transporteren water en
voedingszouten vanuit de wortels naar de bladeren en de bastvaten
transporteren energierijke stoffen in de tegenovergestelde richting.
De stengel geeft de plant stevigheid. Aan de buitenkant van de
stengel zit de opperhuid. De bladeren zorgen voor de fotosynthese
en de verdamping van water. Soms zijn de bladeren van een plant
bedekt met een waslaagje, voor bescherming tegen uitdroging en
beschadiging. De verdamping van water wordt geregeld door de
huidmondjes van bladeren. Via de huidmondjes van de bladeren
komen stoffen de bladeren van de plant in en verlaten stoffen de
bladeren van de plant. Huidmondjes openen in het licht en sluiten in
het donker.
11.HOMEOSTASE
Homeostase =het in stand houden van evenwicht in het lichaam.
Door veranderingen in de externe of interne omgeving kunnen waardes zoals lichaamstemperatuur
veranderen. Als deze te hoog of te laag wordt, kunnen processen in het lichaam niet goed verlopen.
Regelkring = het totale systeem waardoor iets constant wordt gehouden. Een regelkring heeft te maken met
een bepaalde grootheid. Deze grootheid heeft een waarde, welke kan veranderen als gevolg van een
verandering in het interne of externe milieu. Deze waarde wordt gemeten door een receptor (zoals zintuig) en
in een regelcentrum vergeleken met een interne norm door het centrale zenuwstelsel.
Interne norm =de waarde die normaal is voor een bepaalde factor, zoals een lichaamstemperatuur van
ongeveer 37 graden Celsius. Wanneer deze waarde afwijkt van de norm (hoger of lager is dan de norm), vindt
er negatieve terugkoppeling plaats. Deze terugkoppeling zorgt ervoor dat een effector (zoals een spier of klier)
iets gaat doen, wat effect heeft op de waarde van de grootheid. Hierdoor gaat de waarde van de grootheid
terug naar de norm. Dit kan er toe leiden dat het lichaam nu niet meer afwijkt van de interne norm.
Prikkel =een waarneming waarop je vervolgens reageert. Er zijn inwendige en uitwendige prikkels. Een
inwendige prikkel is bijvoorbeeld je lichaam die je laat weten dat je honger hebt. Ook is je biologische klok een
inwendige prikkel, die je lichaam bijvoorbeeld verteld dat je moe bent. Een uitwendige prikkel komt uit je
omgeving. Ook spelen motiverende factoren een belangrijke rol. Deze bepalen of je het gedrag ook werkelijk
gaat uitvoeren.
Gedragselement = Een afzonderlijke handeling van een mens of dier.
Zintuig= een orgaan dat een mens de mogelijkheid geeft een waarneming te doen.
Zintuigen zijn:
-het gezichtsvermogen (zien);
-het gehoor (horen);
-reukzin (ruiken;
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
-smaakzin (proeven);
-tastzin (voelen).
Een zintuig neemt dus een prikkel op. Een mens heeft zintuigen voor het waarnemen van veranderingen in het
inwendige en uitwendige milieu.
Adequate prikkel= een prikkel die bij een bepaald zintuig hoort.
Je kunt niet op alle prikkels die op je afkomen reageren. Je hersenen filteren veel prikkels weg, waardoor je niet
op alle prikkels reageert. Er zijn echter ook prikkels waar je wel op moet reageren.
Impuls= een elektrisch signaal dat door de zenuwen wordt geleid. Impulsen ontstaan onder invloed van een
prikkel. Echter, er ontstaat niet voor elke prikkel een impuls. Een zintuig heeft een bepaalde prikkeldrempel
(de prikkel moet een bepaalde sterkte hebben) anders reageert het zintuig niet en ontstaat er geen impuls (=
de alles-of-niets-wet). De prikkeldrempel kan hoger worden door gewenning (wanneer je gewend bent aan
een bepaalde prikkel, is er een hogere prikkeldrempel nodig).
De sterkte van de zintuigelijke gewaarwording hangt af van de intensiteit van de prikkel. Wanneer de prikkel
boven de prikkeldrempel ligt, gaan er impulsen naar de hersenen. De hersenen verwerken de impulsen en
reageren door een andere impuls te geven. Deze impuls wordt door andere zenuwen naar spieren of klieren
gestuurd waardoor je vervolgens op iets reageert.
Reflex= een automatische, onbewuste reactie op een prikkel.
Reflexboog= Wanneer een impuls niet eerst bewust wordt verwerkt maar van de sensor direct wordt
doorgegeven naar de effector (spier of klier) Hierbij komt de bewuste gewaarwording later.
12.NEURALE REGULATIE
Het zenuwstelsel= het gehele systeem van zenuwen in het menselijk lichaam.
Het coördineert handelingen, zoals het aansturen van de spieren of het verwerken van de prikkels die zintuigen
hebben waargenomen. Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale- en het perifere zenuwstelsel.
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen (grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam) en het
ruggenmerg.
Het perifere zenuwstelsel bestaat uit de zenuwen in het lichaam. Het stuurt de opdrachten van het centraal
zenuwstelsel naar de spieren en organen. Zodoende vormt het de verbinding tussen de organen, ledematen en
het centrale zenuwstelsel.
De onderdelen van het centrale zenuwstelsel hebben allemaal een specifieke functie:
1) Grote hersenen
De grote hersenen bestaan uit de linker- en rechter hersenhelft. De grote
hersenen bevatten de hersenschors waar informatie wordt ontvangen,
geanalyseerd en geïnterpreteerd. Hier vinden de cognitieve en emotionele
processen plaats, waaronder geheugen, plannen en logisch redeneren. De
grote hersenen verwerken daarnaast impulsen. Bewust gedrag wordt ook
vanuit de grote hersenen gestuurd.
2) Kleine hersenen
De kleine hersenen coördineren de bewegingen en het evenwicht.
3) Hersenstam
De hersenstam regelt autonome functies, waaronder bloeddruk, hartslag en
ademhaling. De hersenstam verbindt de grote hersenen met de kleine hersenen en het ruggenmerg. Zo geleidt
de hersenstam de impulsen van het ruggenmerg naar de grote en de kleine hersenen en omgekeerd
4) Ruggenmerg
Het ruggenmerg geeft impulsen door tussen de hersenen en het perifere zenuwstelsel. Ook vinden in het
ruggenmerg de reflexen van spieren plaats. Het ruggenmerg bevindt zich in een kanaal in de wervelkolom.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Het onderscheid tussen het centrale en perifere zenuwstelsel is gebaseerd op de bouw van het zenuwstelsel.
Het zenuwstelsel kan ook worden gecategoriseerd op grond van de functies: het animale zenuwstelsel en het
autonome zenuwstelsel:
1) Animale zenuwstelsel regelt de bewuste reacties en reflexen. Het bestaat uit het centrale zenuwstelsel en
een deel van het perifere zenuwstelsel (de zenuwen van hoofd, romp en ledematen).
2) Autonome zenuwstelsel regelt de werking van inwendige organen. Denk hierbij organen benodigd voor de
spijsvertering ademhaling en uitscheiding van afvalstoffen.
Zenuwcel= een cel die prikkels en impulsen opvangt geleidt en doorgeeft aan het centrale zenuwstelsel.
De meeste zenuwcellen liggen in het centrale zenuwstelsel. Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam en cel
uitlopers.
Er zijn drie typen zenuwcellen:
1) Sensorische zenuwcellen. Deze geleiden impulsen van
zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel. De cellichamen liggen
vlakbij het centrale zenuwstelsel.
2) Motorische zenuwcellen. Deze geleiden impulsen van het
centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren. De cellichamen
liggen in het centrale zenuwstelsel.
3) Schakelcellen. Deze bevinden zich in de hersenen en het
ruggenmerg. Ze zijn naar beide einden verbonden met andere
zenuwcellen en zorgen ervoor dat impulsen worden doorgegeven
binnen het centrale zenuwstelsel. Ze krijgen informatie van
sensorische zenuwcellen (of andere schakelcellen) en geven deze
informatie door aan motorische zenuwcellen (of andere
schakelcellen). Zo geven ze impulsen van en naar de hersenen door.
Sommige zenuwcellen bevatten uitlopers met een myelineschede. Hierdoor hebben ze
een snelle sprongsgewijze impulsgeleiding:
Sommige zenuwcellen bevatten uitlopers zonder myelineschede, waardoor ze een
langzame impulsgeleiding hebben. Zenuwcellen bevatten ook synapsen, waar impulsen
met behulp van neurotransmitters worden doorgegeven van de ene naar de andere cel.
Hypothalamus= een onderdeel van de hersenen en is een belangrijk centrum van regulerende functies voor de
verschillende organen in het lichaam. De hypothalamus controleert het autonome zenuwstelsel en het
hormoonstelsel. De hypothalamus meet of er voldoende van een bepaald hormoon in het bloed aanwezig is.
Wanneer het lichaam meer of minder van een bepaald hormoon nodig heeft geeft de hypothalamus een
signaal aan de hypofyse. Sommige van deze signalen stimuleren de hormoonafgifte van de hypofyse en
anderen remmen de afgifte van hormonen door de hypofyse.
Het zenuwstelsel is een snelwerkend regelsysteem. Het werkt snel door middel van impulsen. Daarnaast
bestaat er het endocrien systeem (ook wel hormoonstelsel genoemd). Dit wordt gevormd door de klieren die
hormonen produceren en afscheiden. Het endocrien systeem werkt relatief langzaam en werkt in
samenwerking met het autonome zenuwstelsel. Het endocrien systeem en het zenuwstelsel controleert
gezamenlijk de activiteit van alle organen en systemen in het menselijk lichaam. Tegengesteld aan het
endocrien systeem is het exocrien systeem, wat zorgt voor uitscheiding. Het exocrien systeem bestaat uit
klieren met afvoerbuizen.
13.HORMONALE REGULATIE
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Hormonen= stoffen in je lichaam die lichaamsprocessen regelen door deze te stimuleren of af te remmen. Ze
beïnvloeden meerdere functies van het menselijk lichaam. Ze worden geproduceerd door hormoonklieren en
zijn al in lage concentraties werkzaam. Een belangrijke hormoonklier is de hypofyse. Deze bevindt zich onder
aan de hersenen en scheidt o.a. stimulerende hormonen af.
Voorbeelden van hormonen zijn:
-Adrenaline, een hormoon dat vrijkomt bij angst of stress. Het wordt aangemaakt in de bijnieren. Adrenaline is
een hormoon met een snelle en kortdurende werking- Het verhoogt de alertheid en geeft energie. Adrenaline
versnelt de activiteit van spieren, de ademhaling en de bloedsomloop. Ook wordt er meer glycogeen omgezet
in glucose. Adrenaline leidt tot een hogere hartslagfrequentie, waardoor de bloeddruk toeneemt.
-De geslachtshormonen. Deze worden afgegeven door de geslachtsklieren en oefenen invloed uit op de
geslachtsorganen.
-Schildklierhormoon. Dit wordt gemaakt in de schildklier en stimuleert de stofwisseling in cellen. De productie
wordt geregeld door TSH: dit wordt gemaakt in de hypofyse. Voor de productie is jood nodig.
Hormonen worden afgegeven aan het bloed en verspreid via de bloedbaan. Hierdoor komen hormonen overal
in het lichaam terecht Ze worden uiteindelijk afgebroken in de lever. Hormonen hebben invloed op de werking
van bepaalde organen(doelwitorganen). Ze beïnvloeden de doelwitorganen door het op gang brengen,
versnellen of afremmen van bepaalde processen in deze organen.
De concentratie van een hormoon is niet altijd constant. Sommige hormonen hebben een piek op een bepaald
moment (bijvoorbeeld net na het wakker worden) of hebben een cyclisch ritme (zoals het maandritme van de
menstruatiecyclus). De hormoonconcentratie in het bloed is bepalend voor de mate van reactie van de
doelwitorganen.
Doordat hormonen een specifieke molecuulstructuur hebben, kunnen alleen de receptormoleculen van het
doelwitorgaan het hormoon herkennen. Het hormoon heeft dus uitsluitend invloed op het doelwitorgaan. Een
wijziging van de hormoonconcentratie kan zorgen voor een verandering van het humeur. Emoties en
stemmingen hangen dus samen met de processen van de homeostase. Naast versnellen kunnen hormonen ook
bepaalde processen afremmen. Verschillende circulerende hormonen (in hoge concentraties) kunnen ervoor
zorgen dat de verdere hormoonafgifte van de hypofyse wordt geremd. Dit gebeurt aan de hand van feedback
mechanismen. De hoge concentratie van het ene hormoon geeft een seintje dat een ander hormoon niet meer
nodig is.
Het glucosegehalte in het bloed wordt geregeld met behulp van een regelkring glucoseconcentratie in het
bloed wordt in stand gehouden door hormonen uit de eilandjes van Langerhans (in de alvleesklier). Het is
belangrijk dat de glucoseconcentratie in het bloed constant blijft. De doelwitorganen van deze hormonen zijn
de lever en de skeletspieren. Onder invloed van insuline wordt de glucoseconcentratie in het bloed lager. Dit
komt doordat er glucose uit het bloed wordt opgenomen en wordt omgezet tot glycogeen. Het komt doordat
er glucose uit het bloed wordt opgenomen en wordt omgezet tot glycogeen. Het glycogeen wordt vervolgens
opgeslagen. Daarnaast zorgt insuline ook voor een verhoogde glucoseopname door andere lichaamscellen.
Onder invloed van glucagon wordt glucose wordt vervolgens afgegeven aan het bloed. De eilandjes van
Langerhans nemen de glucoseconcentratie waar. Aan de hand van deze gegevens wordt er meer insuline of
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
meer glucagon geproduceerd. Hier is er sprake van negatieve terugkoppeling. Insuline verlaagt de
bloedsuikerspiegel, terwijl glucagon de bloedsuikerspiegel verhoogt.
14.AFWEER VAN HET ORGANISME
Het afweersysteem (ook wel het immuunsysteem genoemd) van het menselijk lichaam is gericht op het
onschadelijk maken van binnendringers en ziekteverwekkers, zoals bacteriën en virussen.
Er zijn verschillende organen en cellen betrokken bij het afweersysteem.
-De huid behoort tot de fysieke barrière van het afweersysteem. De slijmvliezen in je luchtwegen en darmen
ook een onderdeel hiervan, net zoals bacteriedodende enzymen in je speeksel en traanvocht.
Antigeen= een lichaamsvreemde stof, die aanzet tot de vorming van antistoffen.
Antistof= een eiwit dat een belangrijke rol speelt in de afweer tegen ziekteverwekkers.
Wanneer er antistoffen in het bloed worden aangetroffen, kan dit aangeven dat er sprake is van een
besmetting. De antistoffen worden immers alleen gevormd als er antigenen aanwezig zijn.
Antigeen presenterende cellen = Cellen die een antigeen presenteren aan T-lymfocyten.
Fagocytose= het proces van vernietiging van lichaamsvreemd stoffen zoals bacteriën of virussen, dit
vernietigen gebeurt door fagocyten. Het zijn witte bloedcellen.
Sommige fagocyten verplaatsen zich naar weefsel en veranderen daar van vorm. Er is dan een macrofaag (een
soort witte bloedcel) ontstaan. Macrofagen zijn antigeen-presenterende cellen: ze presenteren het antigeen
aan de antistof-producerende cel.
Dit is een voorbeeld van aspecifieke afweer, omdat verschillende lichaamsvreemde stoffen en
ziekteverwekkers op deze manier kunnen worden aangevallen. Er is sprake van aspecifieke afweer wanneer de
afweer zich niet specifiek richt tegen één ziekteverwekker. Er is sprake van specifieke afweer wanneer de
afweer specifiek is gericht op één ziekteverwekker (antigeen).
Witte bloedcellen (ook wel leukocyten) beschermen het lichaam tegen infecties en lichaamsvreemde stoffen.
Er zijn verschillende typen witte bloedcellen. De belangrijkste witte bloedcellen van het afweersysteem zijn
lymfocyten. Lymfocyten zijn onderdeel van het specifieke afweersysteem. Dit houdt in dat een lymfocyt alleen
actie onderneemt als hij een specifieke ziekteverwekker tegenkomt waarvan het de antigeen herkent.
Lymfocyten worden onderverdeeld in B-lymfocyten en T-lymfocyten.
B-lymfocyten spelen een belangrijke rol in het humorale afweersysteem en T-lymfocyten spelen een
belangrijke rol in het cellulaire afweersysteem. Het verschil tussen deze twee is gebaseerd op de locatie van de
ziekteverwekker. B-lymfocyten reageren op ziekteverwekkers in lichaamsvloeistoffen en T-lymfocyten reageren
op ziekteverwekkers in lichaamscellen. Na de vorming in het rode beenmerg ontwikkelen B-lymfocyten zich
verder in het beenmerg, terwijl T-lymfocyten zich verplaatsen naar de thymus (een klier) om zich daar verder te
ontwikkelen. Een groot deel van de gevormde lymfocyten komt uiteindelijk in de lymfeknopen en in de milt
terecht. De milt is onderdeel van het lymfesysteem en is eigenlijk de lymfeklier van het bloed.
Er zijn verschillende soorten T-lymfocyten:
-T-Helpercellen. De T-helpercellen worden het meeste gevormd. Deze cellen geven cytokinen (eiwitten) af, die
een regulerende functie hebben. Ze kunnen cytotoxisch T-cellen aanzetten tot vernietiging van geïnfecteerde
lichaamscellen. Daarnaast stimuleren cytokinen de ontwikkeling van B-lymfocyten tot plasmacellen.
-Cytotoxische T-cellen. Deze cellen vernietigen de geïnfecteerde lichaamscellen. Virussen gaan hierdoor ook
dood. Er is dan sprake van cellulaire afweer.
-T-geheugencellen. Dit is eigenlijk geen apart type T-cel, maar een niet-geactiveerde T-helpercel of
cytotoxische T-cel. T-geheugencellen worden gevormd bij een eerste infectie. Wanneer deze infectie nog een
keer optreedt, dan herkennen ze het antigeen, waardoor er een snellere afweerreactie kan optreden. Zo
ontstaat immuniteit voor een specifiek antigeen.
Een daling van het aantal lymfocyten kan een gevolg zijn van bijvoorbeeld besmetting met HIV. HIV infecteert
en doodt T-helpercellen en die je nodig hebt om het immuunsysteem aan te sturen. Zonder deze cellen valt
een groot deel van het afweersysteem weg, waardoor je lichaam vatbaar is voor andere infecties die normaal
geen probleem vormen.
Onder invloed van cytokinen van T-helpercellen worden er ook verschillende soorten B-lymfocyten gevormd:
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
plasmacellen en B-geheugencellen. De plasmacellen vormen de antistoffen tegen antigenen. De antistoffen
zijn eiwitten en heten ook wel immunoglobinen. Elke plasmacel kan één type antistof vormen. Dit kunnen
bacteriën, virussen, lichaamsvreemde cellen of lichaamsvreemde stoffen zijn. De B-geheugencellen hebben
dezelfde functie als de T-geheugencellen. Hierdoor kan het zijn dat je niet meer ziek wordt van deze infectie. Je
bent dan immuun geworden voor die infectie. Bij natuurlijke immuniteit maakt het lichaam zelf antistoffen aan
voor een ziekteverwekker. Bij kunstmatige immuniteit wordt het lichaam geholpen bij het aanmaken van
antistoffen. Er zijn twee soorten kunstmatige immunisatie: actief en passief.
Kunstmatig actieve immunisatie is er sprake van vaccinatie (inenting). Men krijgt antigenen of een verzwakte
of dode ziekteverwekker ingespoten. Hierdoor wordt het afweersysteem geactiveerd. Door de geheugencellen
ontstaat er immuniteit bij een latere besmetting.
Het binnendringen van een ziekteverwekker in het lichaam is een natuurlijke vorm van actieve immunisatie bij
kunstmatig passieve immunisatie wordt er een serum ingespoten. Een serum bevat de antistof tegen het
antigeen waarmee de patiënt besmet is. Baby’s worden door het drinken van moedermelk op natuurlijke wijze
passief geïmmuniseerd.
Rode bloedcellen dragen antigenen. Daar moet rekening mee worden gehouden bij bloedtransfusies. Daarom
worden er bloedgroepen onderscheiden. Dit is het AB0-systeem, waarbij menselijk bloed is ingedeeld in vier
typen: A, B, AB en 0. Verder is de resusfactor een kenmerkend antigeen van rode bloedcellen. Bloed met dit
antigeen wordt resuspositief genoemd en bloed zonder dit antigeen wordt resusnegatief genoemd. In het
bloed zijn antistoffen aanwezig tegen de antigenen die niet op de rode bloedcellen zitten.
Afstoting= een orgaan dat is getransplanteerd wordt niet door het lichaam geaccepteerd.
Het afweermechanisme van de persoon die het orgaan ontvangt (de acceptor) herkent het orgaan als
lichaamsvreemd en zo wordt het afweermechanisme geactiveerd, dit kan vervolgens leiden tot
afstotingsreacties.
Ook planten hebben afweermechanismen om zich te beschermen, er zijn twee afweermechanismen:
-Mechanische afweer. Dit zijn de afweermechanismen op de oppervlakte van de plant. Denk aan de doornen
of stekels op de stengel van een roos of aan de prikkelende haartjes op de bladeren van een brandnetel.
-Chemische afweer. Dit zijn de afweermechanismen op basis van stoffen. Hierdoor smaakt een plant niet
lekker of kan hij zelfs giftig zijn.
15.DE WERKING VAN HET MENSELIJK OOG
Het menselijk oog is een waarnemingsorgaan waarmee men licht kan waarnemen. Objecten weerkaatsen
lichtstralen. Het licht wordt in een beeld doorgegeven aan de hersenen, waardoor je deze objecten ziet.
Het menselijk oog bestaat uit de volgende
onderdelen:
-Hoornvlies. Dit is het doorzichtige deel van de
buitenkant van het oog. Hierdoor kan licht het oog
binnenvallen. Het hoornvlies werkt als een lens en
zorgt voor breking van het licht.
-Iris. Dit is het gekleurde vlies rondom de pupil van
het oog. Als iemand veel pigment heeft in de ogen
dan is de iris bruin. Bij weinig pigment zijn de ogen
blauw of grijs.
-Pupil. De pupil is een opening in de iris waardoor
het licht het oog in komt. Pupillen vangen het licht op en regelen
de hoeveelheid licht die het oog binnen kan komen. De pupil
wordt in het donker groter om meer licht op te kunnen van vangen (dan trekken de lengtespieren in de iris
samen). En bij fel licht wordt de pupil kleiner, doordat de kringspieren in de iris samentrekken. Dit is de
pupilreflex. De pupilreflex zorgt ervoor dat de zintuigcellen in het netvlies worden beschermd tegen een te
hoge lichtintensiteit.
-Netvlies. Het netvlies is het vlies aan de binnenkant van het oog waarop beelden worden gevormd. Het
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
bestaat uit miljoenen zintuigcellen en is de meest gevoelige laag van het oog. Deze zintuigcellen bestaan uit
staafjes en kegeltjes. Ze zetten lichtstralen om in zenuwimpulsen die via de oogzenuw naar de kunnen maken
en bevinden zich over het hele netvlies behalve in de gele vlek. In het centrum van het netvlies bevindt zich de
gele vlek. De gele vlek bestaat uit kegeltjes en zorgt ervoor dat we kleuren en details kunnen onderscheiden,
-Ooglens. De oog lens bevindt zich achter de iris. De ooglens heeft de eigenschap dat hij vervormbaar is en van
sterkte kan veranderen. Hierdoor kunnen we zowel dichtbij als ver weg zien.
-Glasachtig lichaam dit is het doorzichtige deel van het oog dat tussen de lens en het netvlies ligt. Het is
voornamelijk opgebouwd uit water.
-Blinde vlek. Dit is het begin van de oogzenuw. Het bevat geen lichtgevoelige cellen.
-Oogzenuw. De oogzenuw stuurt impulsen van wat het oog ziet naar de hersenen. De oogzenuw is dan ook de
verbinding tussen het oog en de hersenen.
-Vaatvlies. Hierin liggen bloedvaten die zorgen voor de aan- en afvoer van stoffen voor het oog.
Daarnaast zijn eromheen liggende structuren rond het oog die invloed hebben op het oog:
-Oogspieren. Met deze spieren draai je je oog de gewenste richting op. Ze zorgen voor de beweeglijkheid van
de oogbol.
-Traanklier dit is de klier die traanvocht produceert. Zo blijft het oog vochtig en droogt het niet uit. Traanvocht
zorgt er ook voor dat stoffen uitje oog spoelen.
-Ooglid. Het ooglid beschermt de ogen en verdeelt het traanvocht over het oog door te knipperen.
De ooglens kan van sterkte veranderen door boller of platter te worden. Hierdoor kunnen we wordt de ooglens
bol, de accommodatiespier trekt samen en de lensbandjes zijn minder strak gespannen. Om veraf te kijken
wordt de oog plat. De accommodatiespier ontspant zich en de lensbandjes zijn strak gespannen.
Bijziend= slechtziend op verre afstanden. Je kunt alleen voorwerpen van dichtbij scherp waarnemen. Bij
bijziendheid is de oogbol te lang of het hoornvlies teveel gebold. Daardoor valt de projectie voor het netvlies in
plaats van erop. Het gevolg is dat er in de verte een wazig beeld ontstaat.
Verziend= slechtziend op korte afstanden. Je kunt alleen voorwerpen ver weg goed waarnemen. Bij
verziendheid is de oogbol te kort of het hoornvlies te vlak, daardoor valt de projectie achter het netvlies in
plaats van erop. Het gevolg is dat er dichtbij een wazig beeld ontstaat.
Staar= De ooglens troebel is waardoor de lichtstralen het netvlies niet goed meer bereiken. Het beeld wordt
wazig. Dit leidt tot een verlies van het gezichtsvermogen. Staar ontstaat meestal door veroudering van het
weefsel van de lens. Je ooglens wordt namelijk dikker naarmate je ouder wordt en kan zo vertroebelen.
16.DYNAMIEK EN EVENWICHT VAN HET ECOSYSTEEM
Ecosysteem= het geheel van alle organismen in een bepaald gebied, hun onderlinge wisselwerkingen en hun
leefomgeving aangeduid. Voorbeelden van ecosystemen zijn een duingebied, een bos, een sloot, een
heideveld, maar ook de gehele aarde.
Ecosystemen bestaan uit twee hoofdcomponenten:
-Biotische factoren zijn alle levende organismen in een ecosysteem, dit zijn planten en dieren, maar ook de
schimmels en bacteriën die dode organismen weer afbreken tot elementaire bouwstoffen.
-Abiotische factoren dit zijn levenloze, externe factoren in een ecosysteem. Voorbeelden van abiotische
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
factoren zijn het klimaat (de temperatuur, de neerslag). De bodem (grondsoort, grondwaterstand, zuurgraad,
nitraat), water (zoutgehalte, waterdiepte), de lucht (zuurstof, koolstofdioxide), het licht en de wind.
De abiotische factoren bepalen deels de biotische factoren in een ecosysteem. Zo bepaald o.a. de temperatuur
welke organismen ergens kunnen leven. Organismen in een bepaald ecosysteem hebben zich soms dan ook
aangepast aan abiotische factoren. Zo kunnen planten in drogere omgevingen bijvoorbeeld dikkere en kleinere
bladeren hebben. Organismen hebben echter ook invloed op sommige abiotische factor organismen kunnen
bijvoorbeeld de structuur van de bodem of de lichtinval veranderen kwaliteit van een ecosysteem wordt
bepaald aan de hand van de biodiversiteit, de activiteit, de energiestromen en de stressgevoeligheid.
Wanneer 1 factor in het ecosysteem verandert, dan kan dat gevolgen hebben voor het gehele ecosysteem. Dit
kan natuurlijke oorzaken hebben, maar ecosystemen kunnen ook door de mens worden aangetast. Uiteindelijk
zal er echter meestal weer een evenwicht ontstaan in het ecosysteem. Er is sprake van een dynamisch
evenwicht.
Leefgemeenschap= alle organismen in een ecosysteem. Deze leefgemeenschap bestaat uit meerdere
populaties.
Populatie= een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied. De organismen binnen een
populatie kunnen zich dus onderling voortplanten.
Exoot= een organisme dat leeft in een gebied waar het oorspronkelijk niet vandaan komt. Het organisme kan
bijvoorbeeld in dat gebied zijn gebracht door mensen. Als een exoot zich in een gebied vestigt, heeft deze vaak
geen natuurlijke vijanden en een overmaat aan voedsel, waardoor een plaag kan ontstaan.
Populatiegrootte= de grootte van de populatie.
Populatiedichtheid= het aantal individuen van een bepaalde soort per ruimtelijke eenheid. Het is de
populatiegrootte gedeeld door de oppervlakte of het volume.
De populatiegrootte is afhankelijk van geboorte, sterfte en migratie, maar ook van de aanwezigheid van
voedsel, abiotische factoren en predatoren. Wanneer de populatie te klein wordt, is er een gevaar voor het
uitsterven van de populatie. Wanneer de populatiegrootte groeit, kan dit ook zorgen voor een toename van de
populatiedichtheid. Wanneer de populatiedichtheid te groot wordt, bestaat het gevaar dat er niet genoeg
voedsel is voor elk individu van de populatie In dat geval veranderen andere biotische of abiotische factoren,
waardoor de populatiedichtheid weer afneemt. Zo is er altijd sprake van een biologisch evenwicht.
De populatiegrootte van een soort is afhankelijk van het geboortecijfer, sterftecijfer, immigratie emigratie en
de populatiedichtheid. De populatiegrootte hangt ook af van de aanwezigheid van voedsel en van predatoren.
De grootte en dichtheid van een populatie schommelt echter over de tijd. Dit heet populatiedynamiek.
17.ENERGIESTROOM
De aanwezigheid van voedsel heeft een grote invloed op een populatie. Als er veel voedsel is zal een populatie
toenemen en bij een tekort aan voedsel zal een populatie afnemen.
Voedselweb= het geheel van voedselrelaties in een levensgemeenschap. Hierin zijn voedselketens te
onderscheiden, waarbij de pijl gaat in de richting van de energiestroom, dus van de plant of prooi naar het
organisme dat de plant of prooi eet.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
In het voedselweb spelen drie groepen een rol:
-Producenten. Deze organismen produceren de organische stoffen die andere organismen nodig hebben om te
kunnen overleven. Hierdoor staan producenten aan de basis van een ecosysteem. Het zijn voornamelijk
planten, algen en sommige bacteriën.
-Consumenten. Dit zijn organismen die leven van andere organismen. Dit is grofweg onder te verdelen in
herbivoren, carnivoren en omnivoren. Predatoren en afvaleters zijn ook consumenten.
-Reducenten. Deze organismen zorgen ervoor dat niet-geconsumeerd, dood materiaal wordt afgebroken naar
de basisbouwstoffen, om deze te hergebruiken. Zo zetten reducenten organische stoffen om in anorganische
stoffen, welke producenten weer voor hun groei kunnen gebruiken. Reducenten zijn voornamelijk schimmels
en bacteriën.
Organische stoffen zijn afkomstig van organismen of delen daarvan. Het zijn energierijke, grote moleculen met
altijd C, H en O. voorbeelden hiervan suikers, glucose, zetmeel, cellulose, eiwitten, vetten en vitamines.
Anorganische stoffen zijn afkomstig uit de levenloze natuur. Het zijn energiearme, relatief kleine moleculen.
Voorbeelden hiervan zijn zuurstof, koolstofdioxide, water, metalen en mineralen.
Als organismen elkaar eten, kan dit worden weergeven in een voedselketen. Elk dier is voedsel voor het
volgende dier in de keten. Consumenten van de eerste orde zijn planteneters. Consumenten van de tweede
orde eten consumenten van de eerste orde. Consumenten van de derde orde eten consumenten van de
tweede orde, enzovoort. Dit zijn de trofische niveaus.
Voedselpiramide= een diagram waarin de biomassa van elk trofisch
niveau is uitgezet.
Biomassa= het totale gewicht van organisch materiaal in een bepaald
gebied.
Doordat niet alle biomassa in het volgende trofisch niveau terechtkomt, heeft een voedsel piramide van
biomassa altijd de vorm van een piramide. Hoe meer je naar boven gaat in de piramide, hoe minder biomassa
je tegenkomt.
In een voedselketen wordt niet alle biomassa omgezet in nieuwe biomassa, gezien voedingstoffen ook worden
gebruikt voor energie en huishouding. Een groot deel wordt bij verbranding verbruikt of is onverteerbaar. Ook
in de trofische niveaus van de voedselpiramide is er een sterke afname van de biomassa naar een hoger
trofisch niveau. Dit komt doordat de totale biomassa bij elke schakel afneemt. Het totale gewicht van alle
energierijke stoffen in organismen neemt dus per trofisch niveau. Er vindt bij elke schakel energieverlies plaats.
Naast een voedsel piramide van biomassa is er ook een piramide van aantallen. Hierin wordt weergegeven
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
hoeveel organismen elke schakel van een voedselketen heeft. Het hoeft niet altijd een piramidevorm te
hebben.
Een piramide van energie= een weergave van de energie-inhoud van een ecosysteem over de trofische
niveaus. De energie van reducenten wordt meestal weggelaten.
Stoffen voor de opbouw van organismen komen uit het abiotische milieu of van een ander organisme.
Autotrofe organismen kunnen uit anorganische stoffen organische stoffen bouwen, mits ze hiervoor een
energiebron hebben. Autotrofe organismen zijn planten en sommige bacteriën.
Heterotrofe organismen maken organische stoffen uit andere organische stoffen (en dus niet uit anorganische
stoffen). Ze kunnen op deze manier ook eiwitten maken. Het celmateriaal van heterotrofe organismen is
opgebouwd uit organische stoffen, gemaakt door andere organismen. Door middel van voedsel krijgen
heterotrofe organismen kleine organische stoffen binnen.
18.KRINGLOOP
Kringloop= een proces waarbij een aantal stadia elkaar opvolgen, maar waar uiteindelijk weer de
begintoestand wordt bereikt. Je kunt een kringloop zien als een geheel van voorraden en stromen van materie.
Er zijn verschillende elementen die een kringloop doorgaan.
Belangrijke kringlopen zijn stilstofkringloop en de koolstofkringloop.
Stikstofkringloop= de kringloop van stikstof. Onder andere aminozuren eiwitten, DNA en een groot deel van de
lucht bestaan uit stikstof. Planten halen met hun wortels nitraat uit de grond. Dit hebben ze nodig om
organische stoffen te maken die stikstof bevatten, zoals aminozuren (en dus eiwitten).
Stikstofassimilatie= het proces waarbij planten nitraationen uit de bodem opnemen en aminozuren vormen.
Wanneer een plant wordt opgegeten door een dier, krijgt het dier via eiwitten stikstof binnen. Wanneer het
dier dood gaat, breken bacteriën de eiwitten af tot ammonium. Ook de afvalstoffen van dieren en planten
worden afgebroken tot o.a. ammonium door reducenten. Planten nemen een deel van dit ammonium direct
op. Het overige deel wordt in het grondwater omgezet in ammoniak. Deze ammoniak wordt door bacteriën
omgezet in nitriet, dat vervolgens weer door andere bacteriën wordt omgezet in nitraat(= nitrificerende
bacteriën).Het nitraat dient dan weer als voedsel voor planten. Het proces begint vervolgens weer opnieuw.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
De koolstofkringloop beschrijft de kringloop van het element koolstof op aarde. Een plant neemt met zijn
bladeren koolstofdioxide uit de lucht op. D.m.v. fotosynthese vormen planten CO2 om tot glucose.
Fotosynthese= een proces waarin lichtenergie wordt gebruikt om CO2 en water om te zetten in zuurstof en
glucose. De glucose wordt door planten vervolgens omgezet in andere stoffen. Wanneer de plant door een dier
(consument 1e orde) wordt opgegeten, worden de organische stoffen van de plant in het dieren lichaam
omgezet tot dierlijke organische stoffen. Wanneer dit dier dood gaat, is het dode lichaam van het dier voedsel
voor bacteriën en schimmels. Bacteriën en schimmels organische stoffen om in anorganische stoffen (zoals
koolstofdioxide). Vervolgens geven ze de koolstofdioxide weer af als afvalstof. Deze komt dan weer in de lucht
en wordt door planten opgenomen. Dan begint het gehele proces weer opnieuw. Koolstofdioxide is tevens een
belangrijk broeikasgas.
Eutrofiëring= Wanneer stikstof en fosfaat in te hoge concentraties in de natuur voorkomen, kunnen ze
ongewenste effecten veroorzaken. Dit komt bijvoorbeeld door overbemesting in de landbouw of het gebruik
van kunstmest.
Door menselijk ingrijpen kunnen kringlopen binnen een ecosysteem worden verstoord onderbroken. Zo
gebruikt de mens veel fossiele brandstoffen (=brandstoffen die zijn ontstaan uit resten van biologisch
materiaal in het verre verleden). De algemene toename van broeikasgassen leidt tot het versterkte
broeikaseffect. Hierdoor kunnen er allerlei klimaatveranderingen optreden.
Door de grote behoefte aan energie maken wij de fossiele brandstoffen in betrekkelijk korte tijd op. In plaats
van fossiele brandstoffen worden tegenwoordig ook veel alternatieve biobrandstoffen gebruikt.
19.GENEXPRESSIE
Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen voor cellen. Binnen een cel worden eiwitten aangemaakt door het aflezen
van de DNA code. Eiwitten bestaan uit ketens van aminozuren.
Er zijn verschillende typen eiwitten, elk met een specifieke functie:
-Structuureiwitten → bouwstof en geven cellen en weefsels vorm.
-Transporteiwitten → het vervoer van stoffen. Ze zitten in het bloed en binden oplosbare stoffen zodanig dat
de stof elders weer kan worden afgegeven.
-Receptoreiwitten → reageren op aanwezige stoffen zoals hormonen. Ze bevinden zich in het celmembraan en
moleculen kunnen zich hieraan binden.
-Enzymen → processen in het lichaam sneller verlopen. Het zijn biologische katalysatoren: ze maken een
reactie mogelijk of versnellen een reactie.
-Plasma-eiwitten → in het bloed en zorgen voor de colloïd-osmotische druk. Ook werken ze als
transportmiddel, antilichaam, stollingsfactor, enzym en reserve-eiwit. Antistoffen spelen een belangrijke rol in
de afweer en het uitschakelen van ziektekiemen. Zowel plasma-eiwitten als antistoffen zijn een bestanddeel
van het bloedplasma.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
In het menselijk lichaam komen ook veel nucleïnezuren voor. Een
nucleïnezuur is opgebouwd uit verschillende nucleotides. Deze bestaan uit
een suikergroep (desoxyribose in DNA en ribose in RNA), een fosfaatgroep
en een stikstofbase. Er zijn twee soorten nucleïnezuren: het DNA en het
RNA.
DNA= eigenlijk de opslag van de erfelijke informatie.
RNA= een soort kopietje is dat wordt gebruikt om erfelijke gegevens te
vertalen in eiwitten.
Eiwitsynthese= het proces waarbij eiwitten worden gemaakt op basis van de
informatie in het DNA. Het RNA speelt een belangrijke rol in de
eiwitsynthese. RNA brengt de erfelijke informatie (het DNA) van de celkern
over naar het eiwit producerende deel van de cel. Zo fungeert het RNA als
intermediair tussen het DNA (informatie / instructies) en het eiwit (de
uitvoerder). Hierdoor zorgt het RNA ervoor dat de juiste eiwitten in de
correcte hoeveelheden en op het juiste moment worden aangemaakt.
De volgorde van de stikstofbasen in de nucleotides de genetische code,
bepaalt de aminozuren die in het eiwit worden ingebouwd. Het aflezen van
deze code door de ribosomen begint altijd met bij het startcodon (AUG) en
het proces stopt als een stopcodon gelezen wordt.
Genexpressie= de mate waarin het gen in een eiwit tot uiting komt. Hiervoor
moet het gen worden afgelezen en vertaald in een eiwit. Dit gebeurt met
transcriptie en translatie.
Transcriptie= het proces waarbij de DNA-streng wordt afgelezen en er RNA
wordt gevormd. Dit proces vindt plaats in de celkern. De vorming van het
RNA lijkt op de DNA-replicatie. Er wordt RNA gevormd dat complementair is aan het overgeschreven stuk DNA.
Het RNA verlaat de celkern via een porie en belandt in het cytoplasma. Het RNA is klaar om vertaald te worden
naar een eiwit. Dit gebeurt door middel van translatie.
Translatie= de RNA-streng wordt afgelezen en worden er eiwitten gevormd. Translatie vindt plaats in het
cytoplasma.
20.CELDIFFERENTIATIE
Celdifferentiatie= het proces waarbij een cel verandert in een meer gespecialiseerde cel. De cel past zich aan,
aan zijn specifieke taak. Celdifferentiatie ontstaat doordat niet in elke cel dezelfde genen tot uiting komen. Het
DNA is dus in alle cellen gelijk, maar de cellen kunnen wel verschillende fysische eigenschappen hebben. Door
celdifferentiatie ontstaan cellen die een verschillende vorm en functie hebben.
Celspecialisatie= proces waardoor cellen een specifieke functie krijgen.
Stamcel= een cel die zich kan ontwikkelen tot één of meerdere celtypen. Een stamcel is dus niet
gespecialiseerd maar heeft de mogelijkheid om zich te specialiseren in de functies en eigenschappen van
verschillende cellen.
21.VOEDSELREALTIES
Een biologische eenheid, van welk organisatieniveau dan ook, is voortdurend in interactie met de omgeving.
Binnen een leefgemeenschap speelt concurrentie (ook wel competitie) een belangrijke rol.
Intraspecifieke competitie= concurrentie tussen soortgenoten.
Interspecifieke competitie= concurrentie tussen individuen van verschillende soorten.
Tussen soortgenoten in een populatie is er concurrentie om de beschikbare hulpbronnen, zoals voedsel, ruimte
en water. Dit wordt tegengegaan door het vormen van een territorium. Ook is er concurrentie op het gebied
van voortplanting. Bij planten kan er ook concurrentie zijn om het zonlicht. De individuen binnen een populatie
die het best zijn aangepast aan hun omgeving hebben de meeste overlevingskans. Zo zullen op termijn de
organismen die het best zijn aangepast aan hun omgeving overleven en steeds meer de overhand nemen in
een populatie.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Tussen verschillende soorten is er ook concurrentie om de bronnen uit de natuur, zoals het beschikbare
voedsel, de beschikbare ruimte of om voortplanting, dit wordt tegengegaan door specialisatie: organismen
gaan zich specialiseren. Op deze manier krijgt elke soort een eigen plek (habitat) en functie (niche) in het
ecosysteem.
Naast concurrentie kan er ook sprake zijn van coöperatie binnen of tussen verschillende soorten. De
voortplantingsrelatie betekent dat een bepaalde soort hulp nodig heeft van een andere soort bij de
voortplanting. Wanneer een organisme een ander organisme doodt om op te eten, is er sprake van predatie.
Predatoren eten altijd organismen van een lager trofisch niveau. Sommige planten beschermen zich tegen
dierlijke vraat door middel van bijvoorbeeld giftige stoffen of stekels. Daarnaast zijn er bomen die
signaalstoffen uitzenden wanneer ze bijvoorbeeld worden aangevreten door rupsen. Ten slotte kan er sprake
zijn van symbiose.
Symbiose= het langdurig samenleven van twee verschillende soorten. Er zijn drie vormen van symbiose:
-Mutualisme. Hierbij leeft een organisme op of in een gastheer, waardoor de soorten voordeel hebben.
-Commensalisme. Hierbij leeft een organisme op of in een gastheer, waardoor de gastheer geen voordeel,
maar ook geen nadeel heeft.
-Parasitisme. Hierbij leeft een organisme op of in een gastheer waardoor de gastheer nadeel heeft. Er is enkel
voordeel voor de gast, die hier voedsel aan onttrekt.
In het milieu kunnen zich schadelijke of giftige stoffen bevinden. Deze stoffen zijn vaak niet afbreekbaar
(=persistent). Organismen kunnen deze stoffen binnen krijgen door opname via het voedsel. Soms worden
deze stoffen uitgescheiden, maar vaak worden ze in het lichaam van een organisme opgeslagen. Deze stoffen
kunnen dan worden doorgegeven aan het volgende niveau in de voedselketen wanneer dit organisme wordt
opgegeten. Zo kunnen schadelijke stoffen zich in een voedselketen ophopen(=accumulatie).
22.INTERACTIE MET (A)BIOTISCHE FACTOREN
Tolerantie= het vermogen van organismen om veranderingen in een abiotische factor te kunnen verdragen. De
tolerantie die een soort heeft voor een bepaalde abiotische factor bepaalt het verspreidingsgebied(=het
gebied op aarde waar een bepaalde soort voorkomt). Tolerantie geldt voor vrijwel elke abiotische factor.
De optimale externe leefomstandigheden (abiotische factoren) verschillen per soort. Voor elke soort kun je per
abiotische factor een optimumkromme (ook wel tolerantiecurve genoemd) maken. Deze geeft het
tolerantiegebied van een abiotische factor weer. Elke soort heeft bij elke abiotische factor weer een ander
tolerantiegebied. De optimumkromme bevat ook de tolerantiegrenzen(=dit zijn de uiterste minimum en
maximum waarden van een abiotische factor waarbij een individu van een soort kan overleven). Bij het
optimum zijn de overlevingskansen van de soort het grootst.
Beperkende factor= de abiotische factor die het minst gunstig is voor een bepaalde soort. Deze ligt het verst
van het optimum af. Door de aanwezigheid van een beperkende factor kan een bepaalde soort niet meer of
minder succesvol op een bepaalde plaats overleven.
Er is een verschil tussen ecologische en niet-ecologische voedselproductie. Bij niet-ecologische
voedselproductie worden er chemische bestrijdingsmiddelen (pesticiden, gewasbeschermingsmiddelen)
gebruikt om schadelijke organismen, zoals ongedierte en onkruid, te bestrijden, dit wordt vooral toegepast bij
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
een monocultuur, omdat er bij een monocultuur een grotere kans is op plagen(= een groot gebied waar
hetzelfde gewas wordt verbouwd). Een teveel aan chemische bestrijdingsmiddelen kan schadelijk zijn voor de
gezondheid van organismen hoger in de voedselpiramide, zoals de mens. Hierdoor zijn er regels opgesteld om
het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen reguleren. Daarnaast kan er gebruik worden gemaakt van
biologische bestrijdingsmiddelen. Dit zijn de natuurlijke vijanden van de dieren die planten aantasten.
Bij ecologische voedselproductie wordt zoveel mogelijk de natuurlijke kringloop in stand gehouden. Zo worden
er minder dieren op een bepaalde oppervlakte gehouden. Er worden hierbij geen kunstmest of chemische
bestrijdingsmiddelen gebruikt. Er kan in de biologische tuinbouw wel klimaatcontrole, in de vorm van
betichting beluchting of verwarming worden toegepast. Er wordt veel biotechnologie toegepast bij de
voedselproductie. Hierbij worden organismen gebruikt om producten te ontwikkelen voor de mens.
Tegenwoordig wordt er bij gewassen soms genetische modificatie of DNA-recombinanttechnieken toegepast
Hierbij worden de eigenschappen van de gewassen veranderd die gewenst zijn.
23.ERFELIJKE EIGENSCHAPPEN
Organismen erven bepaalde eigenschappen van hun ouders. De wetenschap die dit bestudeert heet de
genetica. Binnen de genetica is de epigenetica een subdomein dat kijkt
naar overerfbare veranderingen in de genfunctie zonder dat
veranderingen in de DNA-sequentie optreden.
Een chromosoom bevat een deel van het erfelijk materiaal van een
organisme. Chromosomen bevinden zich in de kern van een cel. Het zijn
DNA-moleculen en bestaan voornamelijk uit DNA.
DNA= de code waarin al het erfelijk materiaal van organismen is
vastgelegd. DNA bevindt zich in cellen in de vorm van chromosomen.
Genoom= het geheel van erfelijke informatie in een cel.
DNA bestaat uit twee strengen van nucleotiden. Deze hebben de vorm
van een soort wenteltrap, ook wel bekend als de dubbele helix. Een gen
bevat informatie over de vorming van een bepaald eiwit. Binnen een cel worden eiwitten aangemaakt door het
aflezen van de DNA code.
Gen= een stukje afgebakend DNA op een chromosoom en alle genen bij elkaar vormen het DNA. Genen komen
in verschillende varianten voor. Een variant van een gen wordt een allel genoemd.
Chromosomen komen meestal in paren voor. Hierbij is één set afkomstig van de vader en één van de moeder.
Er zijn autosomen, Y-chromosomen en X-chromosomen. In totaal heeft een mens 23 paar chromosomen (dus
46 in totaal). Hiervan zijn er 12 paar hetzelfde (autosome chromosomen) bij een man en een vrouw. Het laatste
paar zijn de geslachtschromosomen en bepalen het geslacht. Dit paar bestaat bij een man uit een Xchromosoom en een Y-chromosoom (XY) en bij een vrouw uit twee X-chromosomen (XX).
Genotype= de verzameling van alle erfelijke informatie.
Fenotype= de verzameling alle waarneembare eigenschappen van een individu (het uiterlijk). Het fenotype
wordt bepaald door het genotype en de externe milieufactoren.
Eeneiige tweelingen hebben hetzelfde genotype en twee-eiige tweelingen hebben een verschillend genotype.
Bij kruisingen wordt alles met een letter aangegeven, welke staat voor een bepaalde eigenschap. Voor de
meeste erfelijke eigenschappen bestaan er twee verschillende allelen. Voor sommige erfelijke eigenschappen
zijn er drie (of meer) verschillende allelen(=multipele allelen).
Er zijn grofweg twee soorten allelen: dominante en recessieve allelen.
Dominant allel= een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype.
Recessief allel= een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant allel aanwezig is.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Als je twee recessieve allelen hebt voor blauwe ogen komt het allel voor
blauwe wel tot uiting in het fenotype.
Een dominant allel schrijf je met een hoofdletter (A) en een recessief allel
met een kleine letter (a).
Een organisme is homozygoot als het twee gelijke allelen heeft van een
bepaald gen (AA of aa). En organisme is heterozygoot wanneer het
allelenpaar bestaat uit twee verschillende allelen van een bepaald gen (Aa).
Bij een heterozygoot is een recessief allel niet zichtbaar in het fenotype en is
alleen het dominante allel zichtbaar.
Daarnaast bestaan er ook onvolledig dominante allelen. Hierbij komt het
recessieve allel in een heterozygoot genotype ook tot uiting. Het resulterende fenotype is daarom een
mengvorm tussen dominant en recessief(=intermediair fenotype).
Bij een monohybride kruising wordt er gelet op de
overerving van één eigenschap. Er is enkel één genenpaar bij
betrokken. Bij een dihybride kruising gaat het om de
overerving van twee erfelijke eigenschappen. Er zijn dan ook
twee genenparen bij betrokken.
Een X-chromosomale kruising gaat op dezelfde manier. Het
is hierbij echter belangrijk of het gaat om mannen of
vrouwen, want een man kan een X of een Y hebben en een
vrouw alleen een X-chromosoom. De Y die door een man
wordt doorgegeven bevat geen erfelijke informatie.
Menselijk bloed kan worden ingedeeld in de bloedgroepen A, B, AB en 0. Bloedgroepen zijn erfelijk. Bij
bloedgroepen gebruiken we de letter I of i. Bloedgroep A wordt aangeduid met IAIA of IAi. B wordt aangeduid
met IBIB of IBi. Bloedgroep AB wordt aangeduid met IAIB en bloedgroep 0 met ii.
Bij sommige erfelijke eigenschappen verloopt de overerving op een speciale manier. Zo komen bij sommige
erfelijke eigenschappen letale factoren voor. Er is dan een allel bij de overerving betrokken die in homozygote
toestand geen levensvatbaar individu oplevert.
Bij onafhankelijke overerving liggen twee genenparen in verschillende chromosomenparen. De genenparen
kunnen echter ook op hetzelfde chromosomenpaar liggen. Er is dan slechts één chromosomenpaar bij
betrokken. De allelen in hetzelfde chromosoom erven gezamenlijk over(=gekoppelde overerving).
Stamboom= een schema met de familierelaties van verschillende generaties.
TIPS:
-Als twee ouders met hetzelfde fenotype een kind krijgen met een ander fenotype, dan zijn beide ouders
heterozygoot. Het kind is dan homozygoot recessief voor die bepaalde eigenschap.
-Twee homozygoot recessieve ouders krijgen nooit dominante kinderen.
-Als een gen op het X-chromosoom ligt, dan geldt dominante vaders hebben altijd dominante dochters.
-Dominante zoons hebben altijd een dominante moeder.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
-Recessieve moeders hebben altijd recessieve zonen.
-Anders kun je met zekerheid zeggen dat de eigenschap niet op het X-chromosoom ligt.
Een karyogram (ook wel een chromosomenportret genoemd) is een microscoopfoto van de chromosomen van
een organisme tijdens de celdeling. Chromosomen zijn tenslotte zichtbaar tijdens de celdeling.
24.DNA
DNA= de code waarin al het erfelijk materiaal van organismen is vastgelegd. Het functioneert als de universele
drager van genetische informatie.
Er zijn grote overeenkomsten in de bouw van het DNA en de bouw van organismen. Dezelfde genetische
informatie kan voorkomen in verschillende organismen. Door DNA-analyse kan men de graad van
verwantschap van verschillende soorten vaststellen. Zo hebben zoogdieren die op land leven allemaal
hemoglobine, maar vissen en zeezoogdieren een ander type bloed pigment.
25.MUTATIE
Mutatie= een verandering in het erfelijk materiaal (genotype). Door mutaties ontstaan nieuwe variaties van
genen, waardoor de erfelijke eigenschappen van een organisme kunnen veranderen. Zo kan ook het fenotype
worden beïnvloed. Mutaties komen spontaan voor, maar kunnen ook worden veroorzaakt door externe
invloeden. Zo kan DNA bijvoorbeeld veranderen wanneer je met bepaalde stoffen in aanraking komt. Een
mutagene stof kan het DNA van cellen beschadigen en zo erfelijke mutaties veroorzaken. Carcinogeen=
Mutagene stoffen die kanker kunnen veroorzaken.
Mutaties:
-Chromosoommutaties. Hierbij is er sprake van een verandering in de structuur van een chromosoom.
-Genmutaties. Hierbij is er sprake van een verandering in de nucleotidenvolgorde van een gen. Een voorbeeld
hiervan is een puntmutatie. Bij een puntmutatie is er één nucleotide in het DNA gewijzigd.
-Genoommutaties. Hierbij is er sprake van een verandering in het totaal aantal chromosomen. Er zijn dan geen
46 chromosomen meer, maar meer of minder.
26.RECOMBINATIE EN VARIATIE
Er zijn twee vormen van voortplanting. Erfelijkheid speelt hierbij een verschillende rol.
1) Geslachtelijke voortplanting, vindt bij de meeste dieren en planten plaats. Hierbij zijn twee ouders
betrokken. Een nakomeling krijgt een combinatie van de genen van beide ouders. Na de samensmelting van
een zaadcel en een eicel ontstaat een organisme met een ander genotype dan dat van de ouders. Er ontstaat
dus een nieuwe combinatie van erfelijk materiaal.
Meiose= het proces van celdeling waarbij geslachtscellen worden gevormd.
2) Bij ongeslachtelijke voortplanting is slechts één ouder betrokken. Er vindt geen bevruchting plaats. Denk
hierbij bijvoorbeeld aan de deling van eencellige organismen. De nakomelingen hebben hetzelfde genotype als
de ouder. Ongeslachtelijke voortplanting vindt plaats bij vrijwel alle eencellige organismen en planten.
Ongeslachtelijke voortplanting wordt veel toegepast in de landbouw om planten te klonen:
-Stekken. Hierbij wordt een stuk van een stengel of blad afgesneden. Op het snijvlak ontwikkelen zich dan
wortels.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
-Enten. Hierbij worden takken vastgezet op een afgeknipte onderstam. Zo ontstaat er een boom met dezelfde
vruchten als waarvan de ent takken afkomstig zijn.
-Weefselkweektechniek. Hierbij wordt een stukje weefsel uit een plant gesneden en onder steriele
omstandigheden gekweekt tot een nieuwe plant.
Ook dieren kunnen worden gekloond, d.m.v. embryosplitsing of celkerntransplantatie. Klonen valt onder
ongeslachtelijke voortplanting en is een kunstmatige wijze van reproductie. Hierbij wordt een genetische kopie
van een organisme geproduceerd. Een kloon is genetisch identiek aan één ouder.
De mens maakt gebruik van bepaalde technieken om de erfelijke informatie in genen te veranderen en zo
bepaalde eigenschappen te veranderen of te verkrijgen:
-Mutatie= een verandering van het DNA van een organisme. Mutaties kunnen ontstaan door externe
invloeden, zoals radioactieve straling. Echter kunnen mutaties ook worden gebruikt om gunstige
eigenschappen te verkrijgen. Hierdoor mutanten beter aangepast aan externe invloeden.
-Selectie. Hierbij selecteert men twee soorten met gunstige eigenschappen. Vervolgens laat men deze
onderling voortplanten, waardoor er nakomelingen ontstaan met gunstige eigenschappen.
-DNA-recombinant, DNA-techniek hierbij wordt een stuk DNA van een organisme overgeplaatst in een ander
organisme. Dit heet ook wel genetische modificatie. Genetische modificatie krijgt het organisme
eigenschappen die het van nature niet heeft. Een genetisch gemodificeerd organisme wordt ook transgeen
genoemd.
De laatste techniek geeft in de maatschappij vaak ophef, omdat het o.a. wordt toegepast bij het genetisch
modificeren van voedselbronnen. Hierbij worden genen kunstmatig toegevoegd of gewijzigd om een hogere of
betere opbrengst te verkrijgen. Argumenten voor het genetisch manipuleren van voedsel zijn dat producten
sneller en goedkoper kunnen worden geproduceerd, dat hiermee het voedselprobleem wereldwijd kan worden
opgelost en dat het kan helpen bij het bestrijden van bepaalde ziektes. Argumenten tegen het genetisch
manipuleren van voedsel komen vooral neer op: de mens mag de natuur niet veranderen en genetisch
manipuleren van voedsel kan wellicht schade aan natuur brengen.
Men probeert daarnaast ook gewenste eigenschappen te verkrijgen bij planten (door veredelen) en dieren
(door fokken). Zo kan men d.m.v. kruising en selectie een combinatie van gunstige eigenschappen in één
nakomeling krijgen. Hierdoor raakt de genetische variatie verloren.
27.POPULATIE
Populatie= een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied.
De organismen binnen een populatie kunnen zich onderling voortplanten waarbij het nageslacht een
combinatie van het genotype van beide ouders heeft wat tot uitdrukking kan komen in het fenotype. Doordat
individuen met gunstigere fenotypes een betere overleving- en voortplantingskans hebben, past een soort zich
aan. Hierdoor zullen de frequenties van genotypen en fenotypen van een populatie continu veranderen.
28.VARIATIE
Er zijn altijd erfelijke verschillen tussen individuen in een populatie. De genetische variatie in een populatie is
essentieel voor de instandhouding van de populatie. Hierdoor is er meer kans dat er individuen zijn met
geschikte eigenschappen om te overleven wanneer er een verandering optreedt in het milieu. Zo blijft de
populatie in stand, ondanks veranderingen in de omgeving.
Door mutaties ontstaan nieuwe allelen, waardoor de erfelijke eigenschappen van een organisme kunnen
veranderen. Zodoende zorgen mutaties voor genetische variatie en is er altijd een variatie van erfelijke
informatie in een populatie.
De individuen binnen een populatie die het best zijn aangepast aan hun omgeving hebben de meeste
overlevingskans, dit werd door Darwin ‘survival of the fittest’ genoemd.
Fitness= het relatieve voortplantingssucces bedoeld. Een grotere fitness houdt in dat een organisme een
grotere kans heeft op het doorgeven van de eigen genen aan de volgende generatie. Op deze manier selecteert
de natuur wie zich voortplanten wie niet(=natuurlijke selectie). Wanneer de genetische samenstelling binnen
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
een groep verandert zonder dat daar selectie aan te pas komt, is er sprake van genetische drift. Hierbij worden
genen willekeurig verspreid. Hoe groter de rol van natuurlijke selectie, hoe kleiner de rol van genetische drift,
door genetische drift kunnen allelfrequenties in een populatie toenemen of afnemen.
29.SELECTIE
Adaptatie van een populatie aan de externe omstandigheden komt tot stand door selectie. Niet alle individuen
van een populatie planten zich succesvol voort. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen natuurlijke selectie
en seksuele selectie.
1)Natuurlijke selectie, de individuen die het best zijn aangepast aan de externe omgeving hebben de beste
overlevingskansen en voortplantingskansen. Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat bepaalde organismen een
hogere kans zullen hebben om zich voort te planten dan andere organismen en de gunstige eigenschap door te
geven. Door natuurlijke selectie zullen gunstige mutaties zich door een populatie verspreiden en zal de
verspreiding van ongunstige mutaties worden tegengegaan. Hierdoor zullen de best aangepaste individuen
overleven en op termijn de overhand in een populatie nemen. Zullen soorten voortdurend veranderen. Het
voortdurend veranderen van soorten wordt evolutie genoemd.
Selectiedruk= Het effect dat natuurlijke selectie uitoefent op de genetische variatie binnen een populatie.
2)Seksuele selectie, is de selectie van partners op grond van eigenschappen die als seksueel aantrekkelijk
worden ervaren. Het gaat niet om eigenschappen om goed te kunnen overleven, zoals veiligheid en voedsel.
De eilandtheorie een theorie die de biodiversiteit aan planten en dieren op eilanden probeert te verklaren. De
eilandtheorie stelt dat hoe groter de afstand is een eiland tot het vasteland hoe minder soorten erop het eiland
voorkomen.
30.SOORTVORMING
Volgens de evolutietheorie is het leven in de loop van miljarden jaren geleidelijk ingewikkelder geworden.
Eenvoudig gebouwde organismen (bacteriën) zijn geëvolueerd in ingewikkelder gebouwde organismen.
Men gaat er vanuit dat bestaande diersoorten niet altijd hebben bestaan en dat evolutie op verschillende
continenten onafhankelijk van elkaar verloopt.
Twee structuren zijn analoog wanneer ze dezelfde functie dienen, maar evolutionair gezien afzonderlijk tot
stand zijn gekomen. Twee structuren zijn homoloog wanneer ze hetzelfde bouwplan hebben, maar een
afzonderlijke functie dienen.
Volgens de evolutietheorie hebben de mens en apen een gemeenschappelijke voorouder. Deze gedachte
wordt onder ondersteund door het feit dat er grote overeenkomsten zijn in het DNA van mensen en apen. De
grondlegger van de evolutietheorie is DNA van mensen en apen. De grondlegger van de evolutietheorie Charles
Darwin en de evolutietheorie wordt als één van de belangrijkste theorieën in de biologie beschouwd. Darwin
concludeerde dat er een strijd is tussen soortgenoten om het bestaan en dat de sterkste (best aangepaste)
individuen overleven (survival of the fittest).
Soorten= groepen individuen die reproductief van elkaar geïsoleerd zijn.
Darwin zag in dat natuurlijke selectie alleen geen verklaring is voor het ontstaan van nieuwe soorten. Hierdoor
kwam Darwin met de theorie van reproductieve isolatie. Er is sprake van isolatie wanneer een populatie
gescheiden raakt van de oorspronkelijke populatie. Wanneer twee populaties lang genoeg van elkaar
geïsoleerd zijn, kunnen ze steeds meer van elkaar gaan verschillen. Er vindt tenslotte geen uitwisseling meer
plaats van genetische informatie. De verschillen die in de ene populatie ontstaan zullen door isolatie niet bij de
andere populatie ontstaan. Op termijn zullen er nieuwe soorten ontstaan en is eventuele voortplanting tussen
de oorspronkelijk gescheiden geraakte populaties niet meer mogelijk. Soorten ontstaan dus door reproductieve
isolatie.
Gedownload van Knoowy - Alle hulp voor je studie
Download