Uploaded by Janny Knappers

cito 3.0 E3 oefeningen docx

advertisement
Hoeveel minder?
1.Ik heb 8 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
2. Ik heb 9 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
3. Ik heb 10 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
4. Ik heb 11 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
5. Ik heb 12 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
6. Ik heb 13 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
7. Ik heb 8 ballen. Jij hebt 5 ballen.
Hoeveel ballen heb jij minder?
Hoeveel meer?
1.Ik heb 3 knikkers. Jij hebt 5 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
2. Ik heb 5 knikkers. Jij hebt 8 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
3. Ik heb 7 knikkers. Jij hebt 10 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
4. Ik heb 9 knikkers. Jij hebt 12 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
5. Ik heb 11 knikkers. Jij hebt 13 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
6. Ik heb 8 knikkers. Jij hebt 12 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
7. Ik heb 6 knikkers. Jij hebt 10 knikkers.
Hoeveel knikkers heb jij meer?
tweeling sommen/dubbel sommen
1+1=
2+1=
3+3=
4+4=
5+5=
6+6=
7+7=
8+8=
9+9=
10+10=
20-10=
18-9=
16-8=
14-7=
12-6=
10-5=
8-4=
6-3=
4-2=
2-1=
verhaaltjes sommen met de tweeling sommen
1.ik heb 3 poppen en ik krijg er nog 3 bij
Hoeveel poppen heb ik dan?
2. ik heb 12 snoepjes. 6 snoepjes eet ik op.
Hoeveel snoepjes heb ik nog?
Zet een rondje om het meeste?
1.
12
23
33
34
2.
55
11
87
78
3
67
76
35
53
4.
34
43
32
28
5.
56
65
72
27
6.
99
96
69
66
7.
10
21
31
13
Zet een rondje om het minste?
1.
12
23
33
34
2.
55
11
87
78
3
67
76
35
53
4.
34
43
32
28
5.
56
65
72
27
6.
99
96
69
66
7.
10
21
31
13
Puntjes sommen
10=4+…
10=14+…
10=3+…
10=13+…
8=4+…
18=14+…
20=10+…
20=11+…
20=12+…
20=13+…
8=10-…..
6=10-….
10-…=9
10-…=8
11-…=7
11-…=6
12-…=6
12-…=8
20-…=12
20-…=11
10-…=6
10-…=8
10-…=7
13-…=8
meer puntjes sommen
1+…=2
1+…=3
2+…=4
3+…=6
4+…=10
1+…=8
2+…=7
3+…=9
4+…=11
5+…=15
5+…=14
5+…=16
Hoeveel totaal? Hoeveel samen?
1.Ik gooi 6 meter met de bal. ik gooi nog een keer 6
meter.
Hoeveel meter heb ik totaal gegooid?
2. Groep 3 krijgt eitjes. Piet krijgt er 9, Ali krijgt er 6 en
Lot krijgt er 1.
Hoeveel eitjes hebben ze samen?
3. Op de sportdag kun je punten krijgen. Lies krijgt er 7,
Piet krijgt er 7 en Miriam krijgt er 3.
Hoeveel punten hebben ze samen?
4. 6 kinderen zitten al in de draaimolen. 12 kinderen
moeten nog instappen.
Hoeveel kinderen zijn dat in totaal?
5. 4 kinderen zitten al in de bus. 10 kinderen moeten
nog instappen.
Hoeveel kinderen zijn dat in totaal?
6. 1 doos weegt 7 kilo. De andere doos weegt 9 kilo.
Hoeveel kilo wegen de dozen samen?
7. Mijn knuffel weegt 3 kilo. De knuffel van mijn zus
weegt 5 kilo.
Hoeveel kilo wegen de knuffels samen?
Welk getal wijst de pijl aan?
10
20
30
40
50
60
70
80
90
1.
10
20
30
40
50
60
70
80
90
20
30
40
50
60
70
80
90
2.
10
3.
sprongen maken.
Eerst kijken wat de sprong is.
Dan verder of terug springen.
1.
9
11
2.
12
14
3.
19
4.
10
15
21
5.
22
24
35
40
6.
Download
Random flashcards
Rekenen

3 Cards Patricia van Oirschot

Test

2 Cards oauth2_google_0682e24b-4e3a-44be-9bca-59ad7a2e66a4

Create flashcards