proefkatern E, groep 8

advertisement
Proefkatern Zin in taal Nieuw
In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Zin in taal, groep 8:
1. Handleiding e1: het algemene gedeelte en eenheid 4
2. Taalboek e1: eenheid 4
3. Werkboek e1: eenheid 4
4. Kopieermap e: eenheid 4
5. Toetsmap e: het algemene gedeelte en de controletaken na eenheid 4.
Met dit katern krijgt u zicht op hoe Zin in taal werkt. De materialen stellen u in staat
lessen van eenheid 4 uit te proberen in uw groep. Zwijsen geeft u toestemming om
voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern.
Meer informatie over Zin in taal en bijbehorende materialen, zoals de
Woordenschatboekjes en het Computerprogramma Woordenschat vindt u op
www.zinintaal.nl.
Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: 013-583 88 88
of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Zin in
taal!
Maakt deel uit van WPG Uitgevers BV
algemene informatie
z i n
i n
1 In één oogopslag: Zin in taal
t a a l
Het is niet eenvoudig om met een nieuwe methode te gaan werken.
Nieuwe materialen moeten worden verkend, u moet een planning maken
voor het geven van de lessen in het nieuwe schooljaar, en u moet vaak
dikke handleidingen van A tot Z bestuderen.
Met deze nieuwe versie van Zin in taal hebben wij geprobeerd om dat
alles voor u eenvoudiger te maken: De materialen zijn duidelijk
gestructureerd en overzichtelijk vormgegeven, de jaarplanningen zijn
voor u gemaakt, en er is veel aandacht besteed aan de hanteerbaarheid
van de handleiding.
In dit eerste hoofdstuk geven wij in het kort de belangrijkste informatie
over de methode. Dit is de informatie die u in elk geval gelezen dient te
hebben alvorens met de methode te starten. Vanuit dit hoofdstuk wordt
u verwezen naar uitgebreidere informatie die u op een later tijdstip kunt
raadplegen.
1.1 Zin in taal en Zin in spelling
Voor u ligt de handleiding van Zin in taal. In deze methode wordt
aandacht besteed aan de volgende leerlijnen voor taal: spreken/luisteren,
woordenschat, woordbouw, zinsbouw, schrijven. Voor het taalaspect
spelling kunt u gebruikmaken van een afzonderlijke leergang, die
uitgegeven is onder de titel Zin in spelling. Wat betreft opbouw en
structuur zijn deze twee methodes op elkaar afgestemd.
Voor meer informatie over de leerlijn voor spelling verwijzen wij u naar de
handleiding van Zin in spelling.
1.2 Kerndoelen voor taal
Voor het basisonderwijs zijn door de overheid zogenoemde kerndoelen
vastgesteld. Kerndoelen zijn streefdoelen voor wat een leerling moet
kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven het
onderwijsaanbod op de basisschool in grote lijnen. Niet alles wat op
school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. De kerndoelen gaan
over wat in elk geval aan de orde moet komen. Daarnaast hebben scholen
ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod.
Om de kerndoelen daadwerkelijk in het onderwijs te gebruiken, moeten
ze uitgewerkt worden in methodes. Dat kan op veel verschillende manieren. Hóé leerlingen het niveau van de kerndoelen behalen, bepaalt de
school zelf. Bijvoorbeeld door de keuze van een bepaalde methode.
Bij de ontwikkeling van Zin in taal is uitdrukkelijk rekening gehouden met
de kerndoelen voor taal. Een school die ervoor kiest om te werken met
deze taalmethode is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van
de methode voldoet aan de kerndoelen.
4
Handleiding E1
1.3 Flexibele methode: werkmodellen
De ontwikkelingen in onze hedendaagse maatschappij gaan razendsnel.
Dat geldt uiteraard ook voor de ontwikkelingen waarmee de school te
maken krijgt. Flexibiliteit is daarom een belangrijke eis die aan een taalmethode dient te worden gesteld. De methode moet de mogelijkheden
bieden om uw onderwijs af te stemmen op de behoeften van de leerlingen in uw groep en die behoeften kunnen dit jaar anders zijn dan volgend
jaar.
Daarom wordt in Zin in taal gewerkt met drie werkmodellen waaruit u
kunt kiezen: het kernmodel, het woordenschatmodel, en het taalbeschouwingsmodel.
K Het kernmodel bevat per eenheid zeven taallessen, verdeeld over de
verschillende leerlijnen voor taal: spreken/luisteren, woordenschat,
woordbouw, zinsbouw en schrijven. De leerstof die in het kernmodel aan de orde komt, is dekkend voor de kerndoelen.
W Hebben uw leerlingen behoefte aan extra aandacht voor woordenschat, dan is er het woordenschatmodel. Via dit model breidt u het
kernmodel uit met maximaal vier extra lessen voor woordenschatontwikkeling.
T Scholen die meer willen dan enkel en alleen voldoen aan de kerndoelen maar geen behoefte hebben aan extra lessen voor woordenschatontwikkeling, kunnen hun taalaanbod door middel van het
taalbeschouwingsmodel verbreden en verdiepen. Via dit model
wordt het kernmodel uitgebreid met maximaal vier extra taalbeschouwingslessen.
Voordat u begint met het geven van de taallessen, dient u dus een keuze
te maken uit deze drie werkmodellen: kernmodel, woordenschatmodel of
taalbeschouwingsmodel.
Meer informatie over dit onderwerp kunt u lezen in het hoofdstuk ‘Structuur
van de methode’.
1.4 Hoeveel tijd voor taal?
Zin in taal bestaat per jaargroep uit tien eenheden. Voor elke eenheid
worden vier, een enkele keer drie, onderwijsweken uitgetrokken. Met
andere woorden: u kunt het jaarprogramma van Zin in taal afwerken in
minder dan 40 schoolweken.
Als u met de methode werkt volgens het kernmodel, dan geeft u in een
periode van 4 weken (20 schooldagen) in totaal 7 taallessen. Een enkele
keer geeft u deze 7 taallessen in een periode van 3 weken (15 schooldagen).
Als u een van de twee andere werkmodellen toepast, dan geeft u 11 taallessen in een periode van 4 weken of een enkele keer in een periode van 3
weken. Met andere woorden: U hoeft zich geen zorgen te maken over de
haalbaarheid van de methode.
Om de planning van de methode verder te concretiseren is in deze handleiding een algemene jaarplanning opgenomen. Deze algemene jaarplanning wordt elk jaar specifiek afgestemd op het nieuwe schooljaar. Deze
specifieke jaarplanningen kunt u vinden op de website bij de methode:
www.zinintaal.nl.
Meer informatie over dit onderwerp kunt u lezen in paragraaf 2.3: ‘Werken
met een jaarplanning’.
1.5 Materialen
Zin in taal kent een zeer overzichtelijk materialenpakket. Voor jaargroep 8
zijn de volgende materialen ontwikkeld:
Materialen voor de leerkracht
handleiding E1 (eenheid 1 t/m 5)
handleiding E2 (eenheid 6 t/m 10)
audio-cd E1 (eenheid 1 t/m 5)
audio-cd E2 (eenheid 6 t/m 10)
kopieermap E (eenheid 1 t/m 10)
toetsmap E (eenheid 1 t/m 10)
klassikale kiesschijf (additioneel)
Materialen voor de leerlingen
taalboek E1 (eenheid 1 t/m 5)
taalboek E2 (eenheid 6 t/m 10)
werkboek E1 (eenheid 1 t/m 5)
werkboek E2 (eenheid 6 t/m 10)
antwoordenboek E1 (eenheid 1 t/m 5)
antwoordenboek E2 (eenheid 6 t/m 10)
kiesschijf woordenschat (additioneel)
hulpschijf persoonsvorm (additioneel)
computerprogramma Woordenschat
Zin in taal (additioneel)
Meer informatie over dit onderwerp kunt u lezen in het hoofdstuk
‘Materialen’.
1.6 Software bij Zin in taal
Software is een bestanddeel geworden van bijna elke moderne onderwijs­
methode. Door de ontwikkeling van een computerprogramma wordt het vaak
beter mogelijk om aan te sluiten bij de behoeften van individuele leerlingen.
De computer kan door middel van methodegebonden software de begeleiding
van individuele leerlingen bij bepaalde aspecten gedeeltelijk overnemen van de
leerkracht.
Bij Zin in taal kunt u gebruikmaken van het computerprogramma Woorden­
schat Zin in taal. Dat programma sluit volledig aan bij de leerlijn woordenschat
van Zin in taal. Met behulp van dit computerprogramma kunt u leerlingen met
een beperkte woordenschat extra laten oefenen met de woorden die in de
woordenschatlijn van de methode worden aangeboden. Het programma
Woordenschat Zin in taal maakt geen deel uit van het basispakket van de
methode. Het is additioneel materiaal dat naar eigen behoefte kan worden
ingezet.
1.7 Digitale schoolbord
Op steeds meer scholen heeft het digitale schoolbord zijn intrede gedaan.
Het is mogelijk om bij het werken met de nieuwe versie van Zin in taal, via
www.leerkrachtassistent.nl gebruik te maken van het digitale schoolbord.
Deze ondersteuning is mogelijk tijdens alle vier de fasen van een les (introductie, instructie, verwerking en reflectie) door pagina’s uit het taal- of werkboek
op te roepen. Uiteraard gaat het om die pagina’s waarbij sprake is van meerwaarde van het gebruik van het digitale bord. Hier volgen enkele voorbeelden.
Zo kunt u bijvoorbeeld de eerste dubbele pagina van het taalboek van elke eenheid oproepen die hoort bij de audio-cd met opnames van gesprekken met
kinderen. Op deze pagina staan tekeningen die aansluiten bij de gespreksfragmenten. Met elkaar vormen de tekeningen de luisterroute. Door het icoontje
met de luidspreker bij een tekening aan te klikken, kunt u met de leerlingen
het bijbehorende geluidsfragment beluisteren. Bovendien kunt u de betekenis
van de moeilijke woorden die op de pagina staan, oproepen en bespreken.
Bij de woordenschatlessen kunt u eveneens de taalboekpagina’s oproepen.
Door op de woorden in de linkerkolom te klikken, verschijnt de betekenis van
een woord. U beschikt over drie mogelijkheden: de omschrijving van het woord
(1), een voorbeeldzin waarin het woord in context voorkomt (2) en de
presentatie van een relatieschema met het woord (3).
Wat betreft het werkboek kunt u alle pagina’s oproepen (zowel die van de
lessen als van de taken). Met behulp hiervan kunt u kort en helder de
bedoeling van een opdracht uitleggen. Bovendien kunt u bij de afronding van
de les, in de lesfase ‘reflectie’, de pagina’s gebruiken om de gemaakte
opdrachten met de leerlingen te bespreken.
1.8 Methodesite
Zin in taal is een moderne methode die ontwikkeld is om te functioneren in
een dynamische school. Om leerkrachten optimaal te ondersteunen hoort bij
deze methode een methodesite: www.zinintaal.nl.
Via deze methodesite is het mogelijk om u snel en persoonlijk te voorzien van
actuele informatie die van belang is in verband met uw taalonderwijs. Zo kunt
u op de methodesite van Zin in taal bijvoorbeeld een jaarplanning vinden die
specifiek is afgestemd op het schooljaar en de schoolvakanties in uw regio.
1.9 Aan de slag: lesbeschrijvingen
Bij het werken met de methode maakt u gebruik van de lesbeschrijvingen zoals
die in de handleiding zijn opgenomen. De lesbeschrijvingen in Zin in taal
kennen een vaste structuur:
• Twee pagina’s per les: Elke les in Zin in taal heeft een duidelijke, vaste plek.
De lesbeschrijving beslaat steeds twee naast elkaar gelegen pagina’s met
een duidelijke structuur.
• Lesfasen: Bij elke les worden de volgende vier lesfasen onderscheiden:
introductie (5 minuten), instructie (10 minuten), verwerking (15 minuten),
reflectie (15 minuten). Bij de genoemde lesfasen wordt het verloop van die
lesfase in heldere taal beschreven.
• Informatie in de marges: In de marges bij elke les kunt u de volgende kopjes
aantreffen: Doel, Materialen, Vooraf, Woordenschat, Activiteiten. Onder deze
kopjes staat puntsgewijs informatie die van belang is bij het organiseren van
de les. Het gaat hierbij om informatie over: Welke doelen worden met deze les
nagestreefd? Welke materialen heb ik nodig bij het geven van de les? Welke
voorbereidingen moet ik treffen om de les goed te kunnen geven? Welke woorden
in de les kunnen moeilijk zijn voor de leerlingen? Uit welke activiteiten is de les
opgebouwd?
• Informatie in kaders: Bij de lesbeschrijvingen staan ook kaders met
aanvullende informatie, bijvoorbeeld bij spreken/luisteren over het houden
van spreekbeurten en het maken van werkstukken, of – bij woordbouw en
zinsbouw in het kader Zin in taalkunde – informatie over taalkunde die voor
u als leerkracht de moeite waard is, en bij de lessen woordenschat staat
beschreven hoe u de betekenis van woorden kunt aangeven.
Handleiding E1
5
algemene informatie
z i n
i n
2 Structuur van de methode
t a a l
Zin in taal bestaat uit vijf delen. Deel A is bestemd voor jaargroep 4, deel
B voor jaargroep 5, et cetera.
Ieder deel bestaat uit tien eenheden, waarmee u gedurende een periode
van vier of drie weken werkt. Dit betekent dat u in elk schooljaar 30 tot
40 schoolweken nodig hebt om de methode voor die jaargroep door te
werken.
In elke eenheid zijn veertien taallessen opgenomen, die echter niet alle
veertien moeten worden gegeven.
In dit hoofdstuk gaan we nader in op de opbouw en het gebruik van de
methode. Achtereenvolgens komen aan de orde: de verdeling van de
lessen over de verschillende taalaspecten, werkmodellen waarmee u uw
taalonderwijs kunt afstemmen op de behoeften van de leerlingen, werken met een jaarplanning en het lesrooster voor een eenheid.
2.1 Taallessen en taalaspecten
Zin in taal kent per jaargroep tien eenheden. In elke eenheid zijn in totaal
veertien taallessen opgenomen, verdeeld over de volgende vijf taalaspecten: spreken/luisteren (SL), woordenschat (WS), woordbouw (WB),
zinsbouw (ZB), schrijven (S). In deze paragraaf gaan we nader in op de
verdeling van de veertien taallessen per eenheid over de vijf verschillende
taalaspecten. Niet alle 14 lessen van een eenheid hoeven te worden
gegeven. Per eenheid geeft u 7 of (maximaal) 11 taallessen.
Overzicht taallessen
De methode Zin in taal biedt per eenheid veertien taallessen aan.
Dit betekent dat u voor een heel schooljaar de beschikking hebt over in
totaal 140 taallessen, die u, zoals gezegd nooit allemaal geeft.
De verdeling van de veertien taallessen per eenheid over de verschillende
taalaspecten ziet er als volgt uit:
Les 1:
Les 2:
Les 3:
Les 4:
Les 5:
Les 6:
Les 7:
Les 8:
Les 9:
Les 10:
Les 11:
Les 12:
Les 13:
Les 14:
Spreken/luisteren (SL)
Woordenschat (WS)
Zinsbouw (ZB)
Zinsbouw (ZB)
**
Woordenschat (WS)
Schrijven (S)
Woordenschat (WS)
Spreken/luisteren (SL)
Woordenschat (WS)
Woordbouw (WB)
**
Woordenschat (WS)
Schrijven (S)
Woordenschat (WS)
Spreken/luisteren (SL)
Aan de lessen die gemarkeerd zijn met ** zijn elk drie taken verbonden.
Deze kunnen door de leerlingen zelfstandig worden gemaakt.
Taken
Aan twee lessen per eenheid (een les zinsbouw en een les woordbouw)
zijn taken verbonden. In die taken wordt lesstof door de leerlingen zelf-
6
Handleiding E1
standig verder verwerkt en (in)geoefend. Ze worden verdeeld over een
aantal dagen gemaakt. De leerlingen kunnen er zelfstandig, individueel
of in tweetallen, aan werken. Alle taken zijn opgenomen in het werkboek.
Gemiddeld kost het maken van een taak ongeveer 15 minuten. De taken
vormen een verplicht onderdeel van de methode.
Spreekbeurten en werkstukken
Het houden van spreekbeurten en het maken van werkstukken is een
geschikte manier om de verworven taalvaardigheden in praktijk te brengen. Alle taalaspecten die in de methode aan de orde komen (spreken/
luisteren, woordenschat, woordbouw, zinsbouw en schrijven) kunnen
door het houden van spreekbeurten en het maken en presenteren van
werkstukken worden toegepast.
In elke eenheid van de methode is de mogelijkheid opgenomen om
leerlingen met een tweetal teksten als uitgangspunt te laten werken aan
het voorbereiden en houden van spreekbeurten en het maken en
presenteren van werkstukken. Het onderdeel spreekbeurten en werkstuk­
ken is een facultatief onderdeel van de methode Zin in taal. U bepaalt zelf
of en in welke mate u het houden van spreekbeurten en het maken van
werkstukken in uw taalonderwijs integreert.
2.2 Werkmodellen: K, W, T
Er bestaan enorme verschillen tussen leerlingengroepen in het basisonderwijs en datzelfde geldt voor leerlingen onderling, ook al zitten die
leerlingen in dezelfde groep bij dezelfde leerkracht. Bij de ontwikkeling
van een methode dient met dit gegeven rekening te worden gehouden,
zodat de leerkracht het gebruik van de methode kan aanpassen aan de
eigen leerlingengroep en kan afstemmen op de behoeften van kleine
groepjes leerlingen of zelfs van individuele leerlingen.
Om deze afstemming mogelijk te maken, biedt Zin in taal u de keuze uit
drie modellen voor het werken met de methode: het Kernmodel (K), het
Woordenschatmodel (W), en het Taalbeschouwingsmodel (T).
Drie werkmodellen
Zin in taal biedt per eenheid veertien taallessen aan. Het is echter niet
noodzakelijk alle veertien lessen van een eenheid te geven. Door een
keuze te maken uit drie werkmodellen kunt u accenten aanbrengen in uw
taalonderwijs. Op deze wijze kunt u het taalonderwijs afstemmen op de
behoeften van uw leerlingen.
K Kernmodel
Het kernmodel bestaat per eenheid uit zeven lessen. Kenmerkend voor
deze verzameling lessen is dat ze samen dekkend zijn voor de kerndoelen
die gelden voor het taalonderwijs op de basisschool.
Het onderdeel spreekbeurten en werkstukken kunt u eventueel aan de
lessen toevoegen. (zie pagina 18).
W Woordenschatmodel
In het woordenschatmodel worden de zeven lessen van het kernmodel
aangevuld met (maximaal) vier extra woordenschatlessen. Op deze wijze
kunt u het taalaspect woordenschat binnen het taalonderwijs aan uw
groep een krachtige impuls geven. Ook bij dit model kunt u eventueel het
onderdeel spreekbeurten en werkstukken toevoegen.
T Taalbeschouwingsmodel
De zeven lessen van het kernmodel vormen ook de basis voor het
taalbeschouwingsmodel. In dit model kunt u uw taalonderwijs uitbreiden
met vier extra taallessen waarin veel aandacht besteed wordt aan
taalbeschouwing. Ook bij het taalbeschouwingsmodel kunt u het
onderdeel spreekbeurten en werkstukken toevoegen.
Overzicht werkmodellen
Hiernaast zijn de drie werkmodellen in een schema geplaatst. Het
kernmodel vormt met de zeven kernlessen de basis van de drie verschillende modellen. In het woordenschatmodel worden aan deze
basis vier extra woordenschatlessen toegevoegd; in het taalbeschouwingsmodel worden aan de basislessen van het kernmodel vier taalbeschouwinglessen toegevoegd.
Werkmodel kiezen
Door het kiezen van een werkmodel kunt u het taalonderwijs afstemmen op de behoeften van uw leerlingen. Wij adviseren u om deze
keuze al te maken voordat u met het geven van de lessen begint.
Wanneer kiest u voor welk model? Voor wat betreft het woordenschat­
model is dat heel duidelijk: Als de leerlingen op uw school over een
beperkte woordenschat beschikken, is het verstandig om het woordenschatmodel toe te passen. Via dit model kunt u meer aandacht geven aan
woordenschatontwikkeling. Veel leerkrachten weten door ervaring en
observatie hoe het gesteld is met de woordenschat van de leerlingen.
Daarnaast kunt u ook gebruikmaken van toetsresultaten. Als veel
leerlingen zwak of matig scoren op de Taaltoets Alle Kinderen (Cito), dan is
toepassing van het woordenschatmodel op zijn plaats.
Hebben de leerlingen op uw school geen behoefte aan extra lessen woordenschat, dan kunt u in principe uitgaan van het kernmodel. Via dit
kernmodel besteedt u aandacht aan alle taalaspecten en aan de kern­
doelen voor taal. U geeft dan per eenheid twee lessen spreken/luisteren,
twee lessen woordenschat, een les woordbouw, een les zinsbouw en een
les schrijven.
Maar u kunt uw taalonderwijs ook verdiepen door toepassing van het
taalbeschouwingsmodel. Via dit model voegt u aan de kernlessen (maximaal) vier extra lessen met een taalbeschouwingkarakter toe: een les
voor spreken/luisteren, een les voor woordenschat, een les voor zinsbouw
en een les voor schrijven. Deze extra taalbeschouwinglessen maken het
taalonderwijs rijker. Door deze lessen leren de leerlingen na te denken
over taal, over taalgebruik en over het leren van taal.
Flexibel toepassen
Voor het kernmodel geldt dat alle zeven lessen van dit model gegeven
moeten worden. Als u kernlessen overslaat, kunnen er hiaten ontstaan in
de taalontwikkeling van uw leerlingen en is uw taalonderwijs niet meer
dekkend voor de kerndoelen. Voor het overige kunt u de modellen flexibel
toepassen.
Ook bij het woordenschatmodel en taalbeschouwingsmodel geeft u in elk
geval de zeven kernlessen. Mocht u tijd tekort komen, of om andere
redenen minder dan elf taallessen willen geven, dan kunt u een of meer
van de vier toegevoegde lessen laten vervallen.
Het is ook mogelijk om bepaalde extra lessen niet aan de hele groep te
geven. In dat geval geeft u de extra les aan een kleiner groepje leerlingen
en werken de overige leerlingen zelfstandig aan andere leertaken.
Bij alle modellen bepaalt u zelf of u het onderdeel spreekbeurten en
werkstukken al dan niet toevoegt.
woordenschat
kernmodel
Les 1: SL
Les 2: WS
Les 4: ZB
Les 5: WS
Les 6: SCH
Les 7: WS
Les 9: WS
Les 10: WB
Les 11: WS
Les 13: WS
Les 14: SL
taalbeschouwing
Les 3: ZB
Les 8: SL
Les 11: WS
Les 12: SCH
Handleiding E1
7
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
2.3 Werken met een jaarplanning
Zin in taal is opgebouwd uit eenheden; per jaargroep bestaat de methode
uit tien eenheden. Voor de planning van het taalonderwijs in een
schooljaar betekent dit dat u deze tien eenheden moet inplannen in het
schooljaar en dat u daarbij natuurlijk rekening moet houden met
schoolvakanties, vrije dagen, en eventuele andere omstandigheden, zoals
bijvoorbeeld een feestweek vanwege de viering van het jubileum van de
school.
In principe besteedt u vier onderwijsweken aan een eenheid, maar het is
ook mogelijk om een eenheid in drie onderwijsweken af te ronden. Hoe u
een eenheid in vier of in drie weken kunt plannen, kunt u lezen in de
paragraaf Lesrooster voor een eenheid.
Waarom een jaarplanning?
Het werken met een jaarplanning voor de methode is zeer aan te bevelen.
Door met een jaarplanning te werken kunt u het hele jaar door de vinger
aan de pols houden in verband met het doorwerken van de methode.
U kunt altijd nagaan of u met uw taalonderwijs in de pas loopt met het
schooljaar en eventueel uw planning bijstellen. Op deze wijze kunt u
voorkomen dat aan het eind van het jaar blijkt dat u niet alle lessen hebt
afgekregen. Ook kan zo voorkomen worden dat belangrijke leerstof bij
gebrek aan tijd wordt overgeslagen en dat uw school daardoor niet voldoet aan de kerndoelen voor taal.
Om vakantiespreiding te realiseren is Nederland verdeeld in een drietal
regio’s: noord, midden en zuid. Voor de drie regio’s vallen de vakanties in
verschillende weken. Bovendien duurt het schooljaar in de drie regio’s
niet even lang. In de ene regio telt een schooljaar bijvoorbeeld 39 effectieve schoolweken, in een andere regio 40, en in de derde regio misschien
wel 42 weken. Bij het maken van jaarplanningen dient daarmee rekening
te worden gehouden. Voor elk schooljaar kunt u de specifieke jaarplan-
8
Handleiding E1
ningen voor de drie verschillende regio’s vinden op de website van de
methode: www.zinintaal.nl.
Voorbeeld van een jaarplanning
Hiernaast is ter illustratie een voorbeeld van een jaarplanning uitgewerkt.
In dit voorbeeld begint het nieuwe schooljaar in week 34 op maandag 22
augustus en eindigt het schooljaar in week 26 van het volgende jaar op
vrijdag 30 juni. Het schooljaar in dit voorbeeld bestaat uit 40 effectieve
onderwijsweken. In deze jaarplanning zijn de tien eenheden van de
methode ingepland en is een tweetal roostervrije weken opgenomen
waarin eventueel toetsen kunnen worden afgenomen, bijvoorbeeld die
uit het Cito Leerlingvolgsysteem.
In deze voorbeeldplanning zijn de tien eenheden van de methode
ingepland in een schooljaar. Het volgende valt op bij deze planning:
Er is rekening gehouden met de volgende vakanties:
• Herfstvakantie: 1 week
• Kerstvakantie: 2 weken
• Voorjaarsvakantie: 1 week
• Meivakantie: 1 week
Verder zijn er twee roostervrije weken ingepland:
• Week 47 (21 - 25 november)
• Week 14 (3 - 7 april)
Voor acht van de tien eenheden zijn in de voorbeeldplanning vier schoolweken opgenomen; voor twee eenheden zijn drie schoolweken opgenomen.
Informatie over de planning van een eenheid in 4 of in 3 schoolweken kunt u
vinden op pagina 10.
Week
Data
Eenheid
Week
Data
Eenheid
33
15 - 19 augustus
zomervakantie
1
2 - 6 januari
kerstvakantie
34
22 - 26 augustus
Eenheid 1
2
9 - 13 januari
Eenheid 5
35
29 aug. - 2 sept.
Eenheid 1
3
16 - 20 januari
Eenheid 5
36
5 - 9 september
Eenheid 1
4
23 - 27 januari
Eenheid 5
37
12 - 16 september
Eenheid 1
5
30 jan. - 3 febr.
Eenheid 5
38
19 - 23 september
Eenheid 2
6
6 - 10 februari
Eenheid 6
39
26 - 30 september
Eenheid 2
7
13 - 17 februari
Eenheid 6
40
3 - 7 oktober
Eenheid 2
8
20 - 24 februari
Eenheid 6
41
10 - 14 oktober
Eenheid 2
9
27 feb. - 3 maart
voorjaarsvakantie
42
17 - 21 oktober herfstvakantie
10
6 - 10 maart
Eenheid 7
43
24 - 28 oktober
Eenheid 3
11
13 - 17 maart
Eenheid 7
44
31 okt. - 4 nov.
Eenheid 3
12
20 - 24 maart
Eenheid 7
45
7 - 11 november
Eenheid 3
13
27 - 31 maart
Eenheid 7
46
14 - 18 november
Eenheid 3
14
3 - 7 april
Roostervrije week
47
21 - 25 november
Roostervrije week
15
10 - 14 april
Eenheid 8
48
28 nov. - 2 dec.
Eenheid 4
16
17 - 21 april
Eenheid 8
49
5 - 9 december
Eenheid 4
17
24 - 28 april
Eenheid 8
50
12 - 16 december
Eenheid 4
51
19 - 23 december
Eenheid 4
18
1 - 5 mei
meivakantie
52
26 - 30 december kerstvakantie
19
8 - 12 mei
Eenheid 9
20
15 - 19 mei
Eenheid 9
21
22 - 26 mei
Eenheid 9
22
29 mei - 2 juni
Eenheid 9
23
5 - 9 juni
Eenheid 10
24
12 - 16 juni
Eenheid 10
25
19 - 23 juni
Eenheid 10
26
26 - 30 juni
Eenheid 10
27
vanaf 3 juli
zomervakantie
Handleiding E1
9
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
2.4 Lesrooster voor een eenheid
De methode Zin in taal biedt per eenheid veertien taallessen aan
voor een periode van vier weken. Van deze veertien lessen worden
er maximaal elf gegeven. De methode kan volgens drie verschillende werkmodellen worden gebruikt: het kernmodel (7 lessen per
eenheid), het woordenschatmodel (11 lessen per eenheid), of het
taalbeschouwingsmodel (11 lessen per eenheid). Behalve taallessen
zijn er in elk werkmodel ook zes taken opgenomen. Kenmerkend
voor die taken is dat de leerlingen deze zelfstandig kunnen maken.
Met een taak is een leerling ongeveer 15 minuten bezig. De methode
Zin in taal biedt u ook de mogelijkheid om leerlingen aan
spreekbeurten en werkstukken te laten werken. Dit onderdeel is
niet in de uitgewerkte lesroosters opgenomen en wel om twee
Dag 1
Dag 2
Dag 3
Dag 4
Dag 5
Dag 6
Dag 7
Dag 8
Dag 9
Dag 10
Dag 11
Dag 12
Dag 13
Dag 14
Dag 15
Dag 16
Dag 17
Dag 18
Dag 19
Dag 20
Lesrooster woordenschatmodel
Lessen
Taken
Les 1: SL
Les 2: WS
Lessen
Les 1: SL
Les 4: ZB
Les 4: ZB
Les 5: WS
Les 6: S
Les 7: WS
Les 9: WS
Les 10: WB
Les 11: WS
Les 13: WS
Les 14: SL
Taak 1: ZB
Taak 2: ZB
Taak 3: ZB
Lesrooster kernmodel
Taken
Les 5: WS
Les 6: S
Les 7: WS
Taak 2: ZB
Taak 3: ZB
Les 10: WB
Taak 4: WB
Taak 5: WB
Taak 5: WB
Taak 6: WB
Les 14: SL
Taak 6: WB
In het kernmodel geeft u in een periode van vier weken (20 schooldagen) 7 taallessen en werken de leerlingen aan 6 taken.
In het woordenschatmodel of taalbeschouwingsmodel geeft u in
een periode van vier weken (20 schooldagen) maximaal 11 taallessen en werken de leerlingen aan 6 taken.
Handleiding E1
Taak 1: ZB
Taak 4: WB
Uit bovenstaand schema blijkt dat u ook bij het uitvallen van
enkele schooldagen niet in tijdnood hoeft te komen bij het geven
van de taallessen.
10
redenen. Op de eerste plaats omdat het onderdeel spreekbeurten en
werkstukken in alle werkmodellen facultatief is. En in de tweede
plaats omdat er telkens slechts enkele leerlingen werken met het
onderdeel en ze dit buiten de taallessen en taken om kunnen doen.
Waarschijnlijk gaven leerlingen in andere jaren al spreekbeurten en
maakten ze werkstukken. Nu sluit de inhoud daarvan aan op de
taallessen.
In deze paragraaf laten we zien hoe u de lessen en taken van de
verschillende werkmodellen kunt plannen in een periode van vier
schoolweken (twintig schooldagen). Ook zullen we aangeven hoe u
een eenheid desgewenst kunt beperken tot drie schoolweken (vijftien schooldagen).
Lesrooster taalbeschouwingsmodel
Lessen
Taken
Les 1: SL
Les 3: ZB
Les 4: ZB
Les 5: WS
Les 6: S
Les 7: WS
Les 8: SL
Les 10: WB
Les 11: WS
Les 12: S
Les 14: SL
Taak 1: ZB
Taak 2: ZB
Taak 3: ZB
Taak 4: WB
Taak 5: WB
Taak 6: WB
Van 4 weken naar 3 weken
De voorgaande schema’s maken duidelijk dat er bij Zin in taal geen
tijdproblemen ontstaan als er eens een schooldag om welke reden dan ook
uitvalt. Maar wat kunt u doen als u eens een hele week moet winnen in uw
planning? Als u een eenheid in 3 weken in plaats van in 4 weken moet
afwerken? Voor die situatie worden hieronder enkele tips gegeven:
• De eerste mogelijkheid is het intensiveren van het taalonderwijs. U
plant dan alle taallessen en taken in een periode van 3 weken in plaats
van 4 weken. Voor het kernmodel is dat geen enkel probleem; dan
moeten de 7 taallessen en 6 taaltaken in plaats van in 20 schooldagen
in 15 schooldagen worden gegeven. Voor de twee andere modellen, het
woordenschatmodel en het taalbeschouwingsmodel, is dat moeilijker.
Bij die twee modellen geldt dan namelijk dat 11 taallessen en 6
taaltaken moeten worden gegeven in een periode van 15 dagen. Dat kan
wel, maar het is behoorlijk intensief.
• Voor het woordenschatmodel en voor het taalbeschouwingsmodel is er
echter nog een tweede mogelijkheid om een eenheid in 3 weken af te
kunnen werken. Die tweede mogelijkheid wordt gegeven door het
kunnen laten vervallen van maximaal 4 lessen, namelijk de extra lessen
uit het woordenschatmodel respectievelijk het taalbeschouwings­model.
Met andere woorden: Voor een eenheid die in een periode van 3 weken
moet worden afgerond, kan men terugvallen op het kernmodel,
eventueel aangevuld met een of meerdere lessen uit het woordenschatmodel respectievelijk uit het taalbeschouwingsmodel.
Handleiding E1
11
algemene informatie
z i n
i n
3 Materialen
t a a l
Taalboek
Het taalboek verankert de taalactiviteiten voor de leerlingen in zinvolle
contexten. Het maakt leerlingen nieuwsgierig, helpt de leerkracht bij het
creëren van betekenisvolle leersituaties, laat zien welk taalaspect in de
les centraal staat, en nodigt leerlingen uit tot talige activiteiten.
Hier staat de titel van de les.
Rechtsboven is aangegeven binnen welke eenheid en welk thema de les valt.
Er staat een nummer, een titel en een pictogram.
Linksboven staat
duidelijk binnen welke
leerlijn de les past.
Bijna elke les wordt het
taalboek gebruikt. Les 13
(herhalingsles woorden­
schat) vormt hierop de
enige uitzondering.
Aan de inhoud
van de kaders
(woordenschat of
lesdoel) ziet de
leerling waar het
in de les om gaat.
Door gebruik van verschillende kleuren en verschillende illustratoren wordt het verband tussen de lessen
onderling zichtbaar gemaakt. Hierdoor ontstaat een heldere structuur en toch veel variatie.
Elke eenheid heeft in het taalboek ook twee pagina’s ‘presentatie’. Deze
pagina’s zijn bedoeld om kinderen op het spoor te zetten bij het maken
van een werkstuk of het voorbereiden van een spreekbeurt.
U wijst per eenheid een
groepje leerlingen aan
die een spreekbeurt of
werkstuk gaan maken
en presenteren in les 14.
Ze kiezen hiervoor elk
een tekst uit.
In een kader bij elke
tekst staat de
bijbehorende
opdracht.
12
Handleiding E1
Hiermee worden de verschillende leerlijnen geïntegreerd in een zinvolle,
talige activiteit.
De afwijkende
kleurstelling maakt
duidelijk dat deze
pagina’s niet bij een les
horen. Door de
illustratorkeuze is wel
weer te zien dat ze
aansluiten bij de lessen
spreken/luisteren.
Werkboek
Naast het taalboek maken de leerlingen vaak gebruik van het werkboek.
Het bevat oefenstof voor de leerlijnen spreken/luisteren, woordenschat,
Leerlijn, les en eenheid staan boven elk werkblad genoemd.
zinsbouw en woordbouw. Het werkboek bevat geen werkbladen voor het
taalaspect schrijven. Schrijfopdrachten worden door de leerlingen in hun
schrift gemaakt.
Leerlijn, nummer en eenheid staan boven elke taak.
Via werkbladen verwer­
ken de leerlingen
leerstof die eerder in de
instructie is aangebo­
den. De werkbladen
zijn zo gemaakt dat de
leerlingen er zelfstan­
dig mee kunnen
werken, individueel of
in tweetallen.
Naast werkbladen bevat
het werkboekje ook
taken. Deze worden los
van een taalles gebruikt.
Er zijn taakbladen voor
de leerlijnen ‘zinsbouw’
en ‘woordbouw’.
Boven elke taak staat het
leerlingdoel vermeld.
De pictogrammen bij
de opdrachten helpen
de leerlingen bij
zelfstandige verwer­
king van oefenstof.
Na de opdrachten volgt
een differentiatieopdracht
voor vlotte leerlingen.
Afwijkende kleurstelling benadrukt het verschil
tussen werkbladen en taken nog eens extra.
Elk werkboek begint met een registratieblad. Zo houden leerlingen goed
overzicht over welke werkbladen en taken ze al gemaakt hebben en welke
ze nog moeten doen. Op deze manier ervaren de leerlingen de vorderingen
die ze maken.
Als een leerling een
werkblad af heeft, kleurt
hij het bijbehorende
vakje.
Het onderscheid tussen
werkbladen en taken is
gemaakt door middel
van de kleur van de
pagina’s.
Voor de betekenis van de
pictogrammen bij de
opdrachten, kunnen
leerlingen teruggrijpen
naar de eerste pagina.
Handleiding E1
13
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
Antwoordenboek
De meeste opdrachten in Zin in taal kunnen door de leerlingen
zelfstandig worden gemaakt. Hierdoor krijgt de leerkracht de handen vrij
om bijvoorbeeld bepaalde leerlingen te begeleiden bij het maken van hun
opdrachten of om bijvoorbeeld in een combinatiegroep instructie te
kunnen geven aan de andere groep. In zo’n situatie is het praktisch om te
kunnen beschikken over antwoordenboeken waarmee de leerlingen hun
eigen werk kunnen nakijken.
Het antwoordenboek bevat antwoorden bij de opdrachten uit het
taalboek, het werkboek en de kopieerbladen. Deze zijn te vinden achter
het tabblad van het betreffende deel.
Antwoorden bij
opdrachten uit
het taalboek
worden weerge­
geven zoals ze in
het schrift van
een leerling
zullen staan.
Bij meer crea­
tieve opdrach­
ten, zoals de
schrijfles,
worden geen
antwoorden
gegeven.
Antwoorden bij
opdrachten in
het werkboek of
op een kopieer­
blad worden
ingevuld op de
betreffende
pagina’s.
Als bij een
opdracht meer
dan een ant­
woord mogelijk
is, wordt een
voorbeeldant­
woord gegeven
dat wordt
voorafgegaan
door ‘Bijvoor­
beeld’.
Kiesschijf woordenschat
Er zijn verschillende manieren om de betekenis
van een woord duidelijk te maken:
• voordoen
• voorbeeld geven
• aanwijzen
• tekenen
• iets erover vertellen
• andere woorden gebruiken.
Met behulp van de kiesschijf woordenschat
kunnen de leerlingen zo’n manier uitkiezen.
De kiesschijf is verkrijgbaar in
twee varianten: een kleintje voor
leerlingen en een grote voor
klassikaal gebruik.
Door aan de kiesschijf te draaien,
verschijnt achter het venster steeds
een andere ‘truc’.
14
Handleiding E1
Hulpschijf persoonsvorm
Door aan de hulpschijf te draaien,
verschijnen de verschillende
proefjes beurtelings voor de
vensters.
Er zijn drie handige hulpjes om de persoonsvorm
van het werkwoord in een zin te vinden:
• de tijdproef
• de getalproef
• de vraagproef.
De hulpschijf persoonsvorm helpt leerlingen bij
het doen van deze proefjes.
In het onderste venster wordt
elke proef toegepast op de
voorbeeldzin.
Computerprogramma Woordenschat Zin in taal
Bij Zin in taal kunt u gebruikmaken van het computerprogramma
Woordenschat Zin in taal. Dit computerprogramma sluit volledig aan op
de leerlijn woordenschat. Per thema komen alle 80 woorden aan de orde
die ook in het taalboek worden aangeboden. Hierdoor biedt het
computerprogramma ideale mogelijkheden om de woorden die in de
methode worden geleerd in voldoende mate te herhalen.
De leerling gaat actief met de woorden aan het werk door
bekende woorden in de categorie ken ik al en onbekende
woorden in de categorie ken ik niet te plaatsen.
Met woorden uit de
categorie ken ik niet
worden semantiserende
spelletjes gedaan.
Woorden die op deze
wijze een aantal keren
zijn gesemantiseerd,
verhuizen naar de
categorie ken ik al en
worden vervolgens ook
getoetst.
Woorden uit de
categorie ken ik al
worden in spelvormen
getoetst om na te
gaan of de leerling die
woorden daadwerke­
lijk kent.
Als in de toets blijkt
dat de leerling een
bepaald woord
inderdaad kent,
verhuist dit woord
naar de OK-woorden.
Het is voor de
leerlingen een
uitdaging te proberen
zoveel mogelijk
woorden in de zak met
OK-woorden te
krijgen. Kortom, om
zoveel mogelijk
woorden te leren.
Handleiding E1
15
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
Handleiding
Het grootste gedeelte van de handleiding bestaat uit lesbeschrijvingen.
Achter elk tabblad van een eenheid vindt u uitgewerkte lessen.
Boven aan de linker­
pagina staat aangegeven
tot welke leerlijn die les
behoort: spreken/luiste­
ren, woordenschat,
zinsbouw, woordbouw, of
schrijven.
De lessen zijn per eenheid genummerd van 1 tot en met 14. Bovendien
heeft elke les een titel, die overeenkomt met de titel in het taalboek.
Elke les beslaat twee naast
elkaar liggende pagina’s.
Op de rechterpagina staat
het thema aangegeven,
zowel met een pictogram
als met een titel.
Hier treft u informatie
aan over het doel van de
les, over de materialen die
bij deze les worden
gebruikt, over zaken die u
voor de les moet voorbe­
reiden (onder het kopje:
vooraf), over woorden die
misschien moeilijk
kunnen zijn voor bepaal­
de leerlingen, of over
hetgeen u voor het geven
van de les op het bord
moet schrijven.
Bij elke les staat aangege­
ven in welke werkmodel de
betreffende les moet
worden gegeven. De letters
K, W, T staan voor kernmo­
del, woordenschatmodel en
taalbeschouwingsmodel.
Het kan zijn dat meerdere
letters vet zijn gedrukt. In
dat geval wordt de les in
meerdere werkmodellen
gegeven.
Regelmatig treft u hier
ook een handige tip aan.
Hier staat kernachtig
aangegeven uit welke
activiteiten de les bestaat.
De concrete lesbeschrij­
vingen bestaan uit telkens
vier lesfasen: introductie,
instructie, verwerking,
reflectie. Achter de kopjes
van de lesfasen staat een
indicatie van hoe lang het
onderdeel zal duren.
In de lesbeschrijvingen zijn ook kaderteksten opgenomen. Bij de lessen woordenschat vindt u in een kader
bijvoorbeeld de uitleg bij de woorden die in de les aan de orde komen.
Bij de lessen spreken/luisteren treft u regelmatig informatie aan over het houden van spreekbeurten en het
maken van werkstukken, of vindt u suggesties om met de leerlingen over een bepaald onderwerp te praten.
In de lessen voor woordbouw en zinsbouw treft u het kader Zin in taalkunde aan. In dat kader staat infor­
matie over taalkunde die voor u als leerkracht de moeite waard is. Dergelijke kaders met achtergrondinfor­
matie gaan in op het hoe en waarom van de activiteiten van de leerkracht tijdens de les. U doet wat in de
lopende tekst staat en hou daarbij in het achterhoofd wat u in de kaders hebt gelezen.
Met name bij de lessen
woordenschat vindt u in de
rechtermarge suggesties
voor herhalingsactiviteiten
(herhaling) en mogelijkhe­
den om de woordenschat
van de leerlingen tijdens de
les te toetsen (evaluatie).
Audio-cd
Elke eenheid van Zin in taal begint met een les spreken/luisteren. In deze
les wordt het nieuwe thema geïntroduceerd. Bij de introductie van het
thema hoort een audio-cd met opnames van gesprekken van kinderen.
Elk gesprek bestaat uit ver­
schillende onderwerpen. Bij
elke les zijn de onderwerpen op
de cd gescheiden in tracks.
Zo kunt u de cd met de leerlin­
gen per onderwerp terugluiste­
ren. De verschillende onderwer­
pen zijn te herkennen aan de
tekeningen in het taalboek.
In het cd-doosje vindt u be­
halve de audio-cd ook een
tekstboekje. In dit boekje staan
de gesprekken volledig uitge­
schreven. U kunt hiermee al een
goede indruk krijgen van het
gesprek zonder het gesprek
eerst volledig te beluisteren.
16
Handleiding E1
In het taalboek staan tekeningen die aansluiten bij de gespreksfragmen­
ten. Terwijl de leerlingen luisteren naar het gesprek volgen ze de route die
in het taalboek door middel van de tekeningen staat afgebeeld.
Kopieermap
De kopieermap bevat bladen die niet in alle werkmodellen van de
methode aan de orde komen en bladen waaruit u kaartjes moet knippen.
De kopieerbladen zijn in de map geordend per eenheid. Als u bij een les
een kopieerblad nodig hebt, staat dat bij de lesbeschrijvingen onder het
kopje Materialen aangegeven.
Op de kopieerbladen vindt u dezelfde vignetten als in de handleiding, die
de verschillende werkmodellen aanduiden: K (kernmodel), W (woordenschatmodel) en T (taalbeschouwingsmodel). Daaraan kunt u ook zien
welke kopieerbladen u nodig heeft.
In elke eenheid vindt u drie soorten kopieerbladen. Een bij de taalbeschouwingsles van spreken/luisteren (les 8), een bij de herhalingsles
woordenschat (les 13) en negen bladen met woordkaartjes (bij les 1 en de
verschillende woordenschatlessen).
De kopieerbladen met de lessen lijken op de pagina’s uit het werkboek.
Ze zijn ook geschikt voor zelfstandig gebruik door de leerlingen en kunnen met behulp van het antwoordenboek worden nagekeken.
Daarnaast zijn er kopieerbladen met woordkaartjes van alle woorden die
in de leerlijn woordenschat aan de orde komen. Met behulp van deze
woordkaartjes kunnen in de woordenschatlessen herhalingsactiviteiten
worden gedaan.
Toetsmap
Om de vorderingen van de leerlingen te kunnen volgen, bevat Zin in taal
controletaken die na een of enkele eenheden kunnen worden afgenomen.
Er zijn controletaken voor spreken/luisteren, woordenschat, zinsbouw en
woordbouw. De controletaken zijn als kopieerbladen opgenomen in de
toetsmap.
Voor de leerlijn schrijven kent de methode geen controletaken. In de
toetsmap staat wel beschreven hoe u de vorderingen van de leerlingen bij
het schrijven kunt volgen.
In de toetsmap zitten allereerst aanwijzingen voor het afnemen van de
controletaken. Daarnaast vindt u een toetskalender, die aangeeft wanneer welke toetsen kunnen worden afgenomen.
Vervolgens treft u, gegroepeerd per leerlijn, de controletaken aan, met
daarbij steeds een vorderingenoverzicht. De juiste antwoorden op de
toetsitems vindt u op de antwoordbladen. Ook staan daar suggesties
voor het gebruik van de toetsresultaten.
Handleiding E1
17
algemene informatie
z i n
i n
4 Leerdoelen en leerlijnen
t a a l
4.1 De leerlijn spreken/luisteren
Het directe doel van de leerlijn spreken/luisteren is het systematisch
stimuleren van de ontwikkeling van een tiental mondelinge taalfuncties
bij de leerlingen. Het gaat daarbij om zaken als vragen en antwoorden,
iets uitleggen, iets beschrijven, of ergens verslag van doen. In elk leerjaar
komen dezelfde tien taalfuncties op een steeds hoger niveau in de
parallelle eenheden aan bod. Concreet gezegd: In de eerste eenheid van
elke jaargroep gaat het steeds om de taalfunctie omgaan met vragen en
antwoorden. De leerlingen ervaren en ze leren begrijpen welke rol de
verschillende taalfuncties spelen en hoe ze die kunnen gebruiken.
Het verder gelegen doel van de leerlijn spreken/luisteren is dat de leerlingen door het verwerven van inzicht in de taalfuncties en het toepassen
ervan een open, persoonlijke en veelzijdige gesprekshouding ontwikkelen.
De tien taalfuncties van de leerlijn spreken/luisteren
1. omgaan met vragen en antwoorden;
2. uitleggen;
3. delen van ervaringen, meningen en emoties;
4. omgaan met elkaar (interesse en respect);
5. vertellen en spelen;
6. gesprekken voeren;
7. beschrijven;
8. mededelingen doen en berichten;
9. verslag doen;
10. voorlezen en voordragen.
Spreken/luisteren in het kernmodel en het woordenschatmodel
Het kernmodel en het woordenschatmodel bevatten twee lessen spreken/
luisteren (de eerste en de laatste les van elke eenheid). De eerste les is een
introductie- en instructieles naar aanleiding van wat kinderen op de
audio-cd vertellen over het thema dat in de eenheid centraal staat. De
laatste les van elke eenheid is een toepassings- en integratieles naar
aanleiding van een of meer teksten in het taalboek.
Introductie- en instructieles
Tijdens de eerste les van elke eenheid, de introductie- en instructieles,
luisteren de leerlingen naar wat kinderen uit verschillende plaatsen in
Nederland en Vlaanderen vertellen op de audio-cd. De uitspraken van
deze kinderen gaan over het thema van de eenheid. Maar ze laten ook
horen hoe de taalfunctie van die eenheid in spontaan taalgebruik door
leeftijdgenoten wordt toegepast.
Tijdens het luisteren volgen de leerlingen de luisterroute in hun taalboek.
Elk onderwerp dat in het gesprek aan de orde komt, heeft een eigen
illustratie in de luisterroute en een apart nummer (track) op de audio-cd.
Dit laatste maakt het mogelijk om op een eenvoudige wijze een bepaald
onderwerp tijdens het luisteren te herhalen of na afloop nogmaals te
beluisteren.
Na het luisteren maken de leerlingen twee of drie opdrachten in hun
werkboek. De derde opdracht is een differentiatieopdracht. De drie opdrachten hebben door de methode heen een vaste structuur:
18
Handleiding E1
Opdracht 1 controleert of de leerlingen met aandacht hebben geluisterd;
Opdracht 2 richt zich specifiek op de taalfunctie die in de betreffende
eenheid aan de orde is;
De differentiatieopdracht vraagt leerlingen iets voor te bereiden voor de
reflectie aan het einde van de les.
Opdracht 1 en 2 kunnen de leerlingen nakijken met behulp van het antwoordenboek. De differentiatieopdracht staat centraal tijdens de reflectiefase. Leerlingen die deze opdracht schriftelijk hebben voorbereid,
presenteren hun bevindingen. Door de aard van de differentiatieopdracht
biedt deze presentatie vervolgens gelegenheid om leerlingen die de
opdracht niet hebben voorbereid erbij te betrekken.
Toepassings- en integratieles
In de laatste les van elke eenheid (les 14) leren de leerlingen de taalfunctie
van die eenheid toe te passen. Ze doen dit naar aanleiding van een informatieve tekst in het taalboek. Op de pagina ernaast staat een aantal
vragen en opmerkingen van kinderen naar aanleiding van de tekst. De les
kan worden uitgevoerd in groepjes, maar ook met de hele groep. Afgesloten wordt met een gezamenlijke reflectie.
In deze les kunnen presentaties van leerlingen, die naar aanleiding van de
spreekbeurten- en werkstukkenpagina’s van de eenheid iets hebben
voorbereid, worden geïntegreerd. De integratie maakt de les levendiger,
maar ook complexer. Het is dan ook verstandig deze integratie pas toe te
passen als de basis van de integratielessen goed verloopt.
Wat de leerlingen leren in deze lessen is, naast het toepassen van de
taalfunctie van de eenheid, met elkaar praten naar aanleiding van een
tekst. Het gaat daarbij om de ontwikkeling van een open, persoonlijke en
veelzijdige gesprekshouding.
Bij het selecteren en formuleren van de vragen en opmerkingen van de
kinderen in het taalboek is uitgegaan van twee manieren van reageren op
een tekst: iets willen weten en iets willen vertellen. Elk van deze twee
manieren is ingevuld vanuit drie verschillende invalshoeken. Door deze
indeling wordt de veelzijdigheid van het erop volgende gesprek op een
vanzelfsprekende manier gestimuleerd. Op de volgende pagina wordt
elke invalshoek toegelicht met een voorbeeld dat voortkomt uit de tekst
die u nu aan het lezen bent.
Iets willen weten
• Willen weten wat je niet begrijpt (bijvoorbeeld: Wanneer
moeten die leerlingen hun spreekbeurt voorbereiden?);
• Willen weten wat anderen vinden (bijvoorbeeld: In hoeveel
procent van alle klassen wordt er in de integratieles met de hele
groep gewerkt?);
• Méér willen weten (bijvoorbeeld: Sluiten die spreekbeurt- en
werkstukteksten aan op de tekst van les 14 of staan ze er
helemaal los van?).
Iets willen vertellen
• Willen vertellen wat je hebt geleerd (bijvoorbeeld: Het is
verstandig om zo eenvoudig mogelijk te beginnen met deze
integratieles.);
• Willen vertellen wat je al wist (bijvoorbeeld: Met elkaar praten
over een tekst is een vaardigheid die veel moet worden
geoefend.);
• Willen vertellen wat je nog meer weet (bijvoorbeeld: Veel
leerlingen vinden het moeilijk om in hun eigen woorden te
vertellen wat ze hebben gelezen.).
Spreken/luisteren in het taalbeschouwingsmodel
Via het taalbeschouwingsmodel kan een extra les voor spreken/luisteren
worden toegevoegd (les 8 van elke eenheid). In deze verrijkings- en taalbeschouwingsles wordt de taalfunctie van de eenheid gepresenteerd in
de context van een verhaal over een jongen, Milan, die samen met zijn
moeder in Australië woont. Behalve de taalfunctie komt in deze lessen
ook taalbeschouwing expliciet aan de orde.
Verrijking
De verhaaltjes over Milan uit Australië staan in het taalboek. Er staan
twee versies van het verhaal in het boek. Op de linkerpagina staat de
tekst als voorleesverhaal, met handelingen en dialogen, dat door de
leerkracht wordt voorgelezen. Op de rechterpagina staat het verhaal als
hoorspel, met de rollen en de dialogen, die door de leerlingen worden
gelezen. Na het voorlezen van het verhaal en het zelf lezen van het verhaal als hoorspel gaan de leerlingen met behulp van een derde versie op
zoek naar de taalfunctie van de eenheid. Deze derde versie van het verhaal is een stripverhaal (op een kopieerblad) waarin een deel van de
dialogen ontbreekt.
De negen taalperspectieven:
• taal en fantasie: je kunt door taal je fantasie gebruiken;
• taal en macht: je kunt door taal het gedrag van anderen
beïnvloeden;
• taal en informatie: je kunt door taal leren;
• taal en pluriformiteit: taal heeft allerlei vormen;
• taal en spel: je kunt met taal spelen;
• taal en filosofie: je kunt over taal nadenken;
• taal en beeld: taal en beeld kunnen elkaar aanvullen;
• taal en transformatie: je kunt door taal de werkelijkheid anders
benaderen;
• taal en expressie: je kunt je door taal uiten.
Evaluatie van spreken/luisteren
Spreken/luisteren (mondeling taalgebruik) doet een beroep op veel vaardigheden en kennis tegelijk. Het evalueren van vorderingen van leerlingen
op dit gebied is niet eenvoudig. Spreken/luisteren is, net als schrijven
(stellen), zo veelomvattend dat het zich in zijn totaliteit niet eenvoudig
laat toetsen.
Per leerjaar zijn er drie momenten waarop spreken/luisteren wordt geëvalueerd door middel van controletaken: na de eenheden 3, 6 en 9. In de
controletaken voor spreken/luisteren wordt getoetst of de leerlingen
begrijpen welke rol de taalfuncties spelen die in de leerlijn aan de orde
zijn gekomen.
De evaluatie van spreken/luisteren kan echter niet beperkt blijven tot het
afnemen van deze controletaken. Daarnaast dient u het spreken en
luisteren van de leerlingen tijdens de taallessen te observeren om zodoende een vollediger beeld te krijgen van de mate waarin de leerling zijn
of haar vaardigheid in spreken en luisteren ontwikkelt.
Meer informatie over het onderwerp evaluatie treft u aan in de toetsmap.
Daarin zijn ook de controletaken voor spreken/luisteren als kopieer­
bladen opgenomen.
Taalbeschouwing
Taalbeschouwing komt in deze lessen aan bod met behulp van negen
taalperspectieven. De leerlingen verwerven kennis en inzicht en denken
na over de betekenis, het gebruik en de vorm van taal. In een les is er
steeds aandacht voor drie van de negen taalperspectieven.
Handleiding E1
19
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
4.2 De leerlijn woordenschat
Het doel van de leerlijn woordenschat is het systematisch uitbreiden van
de woordenschat van de leerlingen. Daartoe omvat de leerlijn twee deel­
gebieden:
• woorden leren (woordbetekenissen en relaties tussen woorden);
• woorden leren leren (strategieën en taalbeschouwing).
Woorden leren
In de woordenschatlessen leren de leerlingen de betekenis van een flink
aantal woorden. Daardoor verbreden ze hun woordenschat. Ook leren de
leerlingen relaties tussen woorden te leggen, waardoor ze hun woorden­
schat verdiepen.
De keuze van de woorden komt in de eerste plaats voort uit de thema’s
en uit de teksten die daarin aangeboden worden. Daarnaast is gebruikge­
maakt van de woordenlijst Woorden in het basisonderwijs (Schrooten en
Vermeer, 1994). Er worden niet alleen losse woorden behandeld, maar ook
combinaties van woorden (bijvoorbeeld een rechtszaak aanspannen) en
uitdrukkingen (bijvoorbeeld Je ogen zijn groter dan je maag.). Bij elke
eenheid is na de lesbeschrijvingen in de handleiding (achter les 14) een
lijst opgenomen waarop vermeld wordt welke woorden er in die eenheid
behandeld worden en in welke les. Een alfabetische lijst met alle woorden
die in groep 8 behandeld worden vindt u op pagina 33 t/m 38.
Er wordt veel aandacht besteed aan het leggen van relaties tussen
woorden. Door samen met de leerlingen te bedenken met welke woorden
een nieuw geleerd woord verbonden kan worden, wordt het nieuwe
woord opgenomen in het netwerk van woorden in de hoofden van de
leerlingen. Typen relaties die aan de orde komen zijn: associaties,
verzameltermen, categorieën, tegenstellingen, synoniemen, homoniemen
(woorden met twee of meer betekenissen), gradaties en collocaties
(woorden die vaak samen voorkomen). De relaties worden visueel
gemaakt in schema’s. We geven hier een paar voorbeelden. Homoniemen
worden in beeld gebracht met het schema van de vlaggenstok.
oplichten
1. bedriegen
2. een beetje licht geven
3. optillen
Verzameltermen worden visueel gemaakt met het schema van de parasol.
specerijen
kaneel
nootmuskaat
20
Handleiding E1
kruidnagel
peper
Woorden leren leren
In de woordenschatlessen wordt niet alleen aandacht besteed aan de
betekenis van woorden en aan relaties tussen woorden, maar ook aan
strategieën om woorden te leren. Met deze strategieën vergroten de
leerlingen hun vaardigheid om zelfstandig de betekenis van woorden te
leren, ook buiten de woordenschatles.
De volgende strategieën komen aan de orde.
Strategieën om de betekenis van onbekende woorden te achterhalen:
• de betekenis afleiden uit de context;
• het woordenboek gebruiken;
• hulp vragen;
• woorden analyseren;
• vooraf voorspellen waar de les over gaat;
Strategieën om de betekenis duidelijk te maken:
• de betekenis van een woord omschrijven;
• verschillende manieren om de betekenis van woorden aan anderen uit
te leggen;
Strategieën om woorden te onthouden:
• woorden groeperen;
• associaties maken;
• woorden noteren (in een woordenschrift).
Het leren gebruiken van een woordenboek krijgt speciale aandacht door­
dat er bij de delen A, B en C van de methode een woordenschatboekje is
opgenomen. Met dit woordenschatboekje zijn de leerlingen al vanaf
jaargroep 4 begonnen zich de gewoonte en vaardigheid eigen te maken
om onbekende woorden op te zoeken. In de jaargroepen 7 en 8 zijn de
leerlingen in staat om bestaande woordenboeken te raadplegen. Het is
van belang dat in de klas één of meerdere exemplaren van een woorden­
boek aanwezig is of van verschillende woordenboeken. Een geschikt
woordenboek voor leerlingen in groep 7 en 8 is Van Dale Basiswoordenboek
Nederlands. Ook kan Van Dale Juniorwoordenboek Nederlands nog
bruikbaar zijn, omdat het eenvoudiger is en plaatjes bevat. En met name
in een klas met veel allochtone leerlingen kan Van Dale Pocketwoorden­
boek Nederlands als tweede taal (NT2) goede diensten bewijzen.
De leerlijn woordenschat bevat ook lessen met een taalbeschouwelijk
karakter. Doel van deze lessen is dat de leerlingen nadenken over taal en
kennis opdoen over taal, in het bijzonder over woorden. In jaargroep 8
leren de leerlingen nadenken over hun eigen leerproces bij het woorden
leren.
Woordenschat in het kernmodel
Twee van de zeven lessen van het kernmodel passen in de leerlijn
woordenschat: les 5 en les 7. In deze lessen wordt de betekenis van
woorden behandeld in de context van een verhaal. In les 5 komen vijftien
woorden aan de orde naar aanleiding van een serieverhaal in het taalboek
over de belevenissen van een groepje kinderen: Guilly, Milena, Daaf en
anderen. Het zijn verhalen die dicht bij de leefwereld van de leerlingen
staan. Behalve de woordbetekenissen komt in deze lessen ook steeds een
strategie voor het leren van woorden aan de orde.
In les 7 van elke eenheid worden vijftien woorden behandeld naar aanlei­
ding van een volksverhaal, een klassiek verhaal uit de literatuur of een
verhaal met veel fantasie. Dit verhaal wordt door de leerkracht voorgele­
zen. Er zijn verhalen gekozen uit verschillende culturen. Naast de beteke­
nis van woorden staat in deze lessen ook steeds een bepaald type relatie
tussen woorden centraal. Bij beide lessen hoort een werkboekpagina met
opdrachten, waarin onder meer relaties tussen woorden visueel worden
gemaakt.
Per eenheid zijn er zes woorden uit les 1 (spreken en luisteren) die terug­
komen in bepaalde woordenschatactiviteiten. Deze woorden zijn gekozen
uit de fragmenten van kinderen op de audio-cd en zijn vaak terug te
vinden op de illustraties van les 1 in het taalboek. In het kernmodel
worden per eenheid 36 woorden aangeleerd.
Woordenschat in het taalbeschouwingsmodel
Via het taalbeschouwingsmodel wordt één les woordenschat toegevoegd.
In het taalbeschouwingsmodel worden de volgende drie woordenschat­
lessen gegeven: les 5, 7 en 11.
In les 11 van elke eenheid ligt het accent op een strategie voor woorden
leren. In de leestekst, die een gesprek weergeeft tussen Cas en Klaar,
wordt een bepaalde strategie door deze personages gedemonstreerd.
Vervolgens gaan de leerlingen zelf met de strategie oefenen aan de hand
van concrete opdrachten. Tevens wordt in deze lessen de betekenis van
vijftien woorden behandeld. In het taalbeschouwingsmodel worden per
eenheid 51 woorden aangeleerd.
Woordenschat in het woordenschatmodel
In het woordenschatmodel worden aan de twee lessen van het kernmodel
nog vier extra woordenschatlessen toegevoegd. In het woordenschat­
model zijn de volgende woordenschatlessen opgenomen: les 2, 5, 7, 9, 11
en 13. Hierna treft u informatie aan over de extra lessen van het woorden­
schatmodel.
Les 2 van elke eenheid gaat over een tekst die ontleend is aan een website
van het internet. Aan de hand van deze tekst en de illustraties in het
taalboek wordt de betekenis van vijftien woorden behandeld. De desbe­
treffende websites zijn te bereiken via Kennisnet. Het adres van de web­
site staat bij de lesbeschrijving in de handleiding vermeld. Het werkt
motiverend voor de leerlingen als de leerkracht de desbetreffende web­
site laat zien of, als die niet meer te vinden is, een website over hetzelfde
onderwerp. De leerlingen zien dan dat ze de woorden uit de les ook
buiten de les tegenkomen. Maar ook zonder internet in de klas kan de les
heel goed gegeven worden.
In les 9 van elke eenheid staat een tekstfragment uit een informatief
jeugdboek centraal. Ook in deze les worden vijftien woorden behandeld
aan de hand van de tekst en de illustraties in het taalboek. Ook bij deze
les is het motiverend als het boek waaraan de tekst ontleend is in de klas
aanwezig is of een ander geschikt boek over hetzelfde onderwerp, maar
het is niet noodzakelijk.
De inhoud van les 11 is hiervoor bij het taalbeschouwingsmodel beschre­
ven.
Les 13 is een herhalingsles. In een groepsactiviteit met de woordkaartjes
wordt een aantal woorden van de eenheid nog eens doorgenomen. Op
een kopieerblad kunnen de leerlingen nog individueel met de woorden
oefenen.
In het woordenschatmodel worden per eenheid in totaal 81 woorden
aangeleerd.
Evaluatie woordenschat
Bij veel woordenschatlessen worden mogelijkheden aangegeven voor het
evalueren van de woordenschat van de leerlingen. Hierbij observeert u de
leerlingen tijdens de woordenschatlessen. Daarnaast is het ook mogelijk
om door middel van controletaken na te gaan of de leerlingen de nieuwe
woorden werkelijk kennen. Aan het einde van elke eenheid, dus telkens
na drie of vier weken taalonderwijs, kunt u een controletaak woorden­
schat afnemen waarin 20 woorden worden getoetst die in de betreffende
eenheid aan de orde zijn geweest.
Meer informatie over het onderwerp evaluatie treft u aan in de toetsmap.
Daarin zijn ook de controletaken voor woordenschat als kopieerbladen
opgenomen.
Handleiding E1
21
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
4.3 De leerlijn zinsbouw
Het directe doel van de leerlijn zinsbouw is dat de leerlingen leren hoe
zinnen in elkaar zitten. Een verderliggend doel is dat de taalvaardigheid
van de leerlingen verbetert, meer in het bijzonder hun schriftelijke
taalvaardigheid. Denk bijvoorbeeld aan minder interpunctiefouten, meer
variatie in de bouw van zinnen, en ook eens een ander voegwoord dan en
en maar.
Spellingvaardigheid en leesvaardigheid kunnen door inzicht in taalstructuur ook wel verbeteren, maar op het bereiken van die doelen zijn de
lessen in de leerlijn zinsbouw niet toegesneden.
De leerstof wordt altijd eerst in de lesfase instructie met de hele groep
behandeld en vervolgens verwerkt. Deze verwerking geschiedt grotendeels zelfstandig met behulp van werkbladen en taken in het werkboek.
De leerlingen kunnen hun werk zelf nakijken met behulp van het antwoordenboek.
Zinsbouw in het kernmodel en woordenschatmodel
Het kernmodel en het woordenschatmodel bevatten één les zinsbouw
(les 4 van elke eenheid) en drie bijbehorende taken, die verspreid over de
eenheid worden gemaakt. Hierin leren de leerlingen dat er veel soorten
woorden zijn en ook veel soorten zinnen. Twee van de in totaal tien
lessen in elke jaargroep zijn geheel gewijd aan de zogeheten woorden voor
mensen, dieren en dingen, twee andere aan de woorden voor hoe mensen,
dieren en dingen kunnen zijn, drie aan woorden voor wat mensen, dieren en
dingen kunnen doen. Die stof komt elk jaar op een hoger niveau terug en
in groep 6 leren de leerlingen in dit verband de termen zelfstandig
naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en werkwoord.
De resterende drie van de tien zinsbouwlessen per jaargroep zijn steeds
geheel gewijd aan de verschillende soorten zinnen die je kunt bouwen
met woorden voor mensen, dieren en dingen, met woorden voor wat ze doen
en met woorden voor hoe ze zijn. Ook het gebruik van de leestekens en
van de hoofdletter aan het begin van een zin wordt in deze lessen
22
Handleiding E1
behandeld, evenals het gebruik van voegwoorden. Ook deze stof komt elk
jaar op een steeds hoger niveau terug. In groep 7 en 8 leren de leerlingen
uit welke zinsdelen (gezegde, onderwerp) een zin opgebouwd kan
worden.
Zinsbouw in het taalbeschouwingsmodel
Via het taalbeschouwingsmodel kan een extra les voor zinsbouw worden
toegevoegd (les 3 van elke eenheid). In deze les leren de leerlingen dat je
kunt nadenken over de inhoud en over de vorm van zinnen. De les biedt
de leerlingen ruimte om te experimenteren met formuleringen, met
verschillende manieren om hetzelfde te zeggen. Zo’n experiment is
bescheiden van omvang. Het betreft observaties van twee tot vijf woorden, twee- of drieregelige vraag- en antwoordcombinaties, een poëtische
beschouwing van ten hoogste vier of zes regels, en in de bovenbouw ook
eens een alinea. Er is ruimte voor minder alledaagse, meer kunstige
taalvormen, en voor de zeg maar muzische aspecten van woorden en
woordgehelen, zoals klank en ritme.
De leerlingen leren in deze les wat je met zinnen kunt doen. In die zin
heeft de les zeker raakvlakken met les 4, zinsbouw in het kernmodel,
maar verder staat hij er los van. De leerlingen leren ook dat ze kunnen
nadenken over wat ze willen vertellen, en dat ze kunnen nadenken over
hoe ze dat vertellen. In dat opzicht heeft de les ook raakvlakken met de
schrijflessen. In deze les 3 staat plezier in het experimenteren met taal
voorop. Dat betekent dat deze lessen voor iedereen te doen zijn.
Evaluatie zinsbouw
Om de vorderingen van de leerlingen op de leerlijn zinsbouw te evalueren
kunt u gebruikmaken van drie controletaken zinsbouw. Deze worden
afgenomen na eenheid 4, 6 en 9.
Meer informatie over het onderwerp evaluatie treft u aan in de toetsmap.
Daarin zijn ook de controletaken voor zinsbouw als kopieerbladen
opgenomen.
4.4 De leerlijn woordbouw
Voor de leerlijn woordbouw geldt eigenlijk hetzelfde als voor de leerlijn
zinsbouw. Het directe doel van deze leerlijn is leerlingen te laten ervaren
hoe woorden in elkaar zitten.
Ook nu is de verbetering van de taalvaardigheid van de leerlingen, in het
bijzonder hun schriftelijk formuleervaardigheid, een verdergelegen doel.
Denk bijvoorbeeld aan minder fouten in de vervoeging van de onregelmatige werkwoorden, in het gebruik van de voornaamwoorden, en in de
verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord.
De leerstof wordt weer altijd eerst in de lesfase instructie met de hele
groep behandeld en vervolgens verwerkt. De verwerking geschiedt weer
grotendeels zelfstandig met behulp van werkbladen en taakbladen in het
werkboek. De leerlingen kunnen hun werk zelf nakijken met behulp van
het antwoordenboek.
Woordbouw in de verschillende modellen
Het kernmodel bevat één les woordbouw (les 10 van elke eenheid) en drie
bijbehorende taken, die verspreid over de eenheid worden gemaakt. Voor
woordbouw is geen extra les opgenomen in het woordenschat- of taal­
beschouwingsmodel.
In deze les leren de leerlingen dat woorden van vorm kunnen veranderen,
en soms niet zo’n beetje ook. Dit geldt bij uitstek voor werkwoorden, en
daaraan zijn dan ook zes van de tien lessen in elke jaargroep gewijd. In de
vier andere lessen komt aan bod hoe woorden in elkaar zitten.
In drie van de zes lessen over de vormen van het werkwoord draait het
om de zogeheten woordenboekvorm, persoonsvormen en deelwoord­
vormen. In twee andere lessen staan de verledentijdsvormen centraal,
en het gebruik ervan. Eén les, ten slotte, is elk jaar weer gewijd aan de
werkwoorden die in een zin in twee stukjes uiteen kunnen vallen, de
scheidbaar samengestelde werkwoorden, zoals: stilzitten, opletten,
doorwerken.
In drie van de vier lessen over de structuur van woorden (hoe woorden in
elkaar zitten) leren de leerlingen dat woorden kunnen bestaan uit een
woord met een los stukje. De woorden waardeloos en verhaaltje bestaan
bijvoorbeeld uit de woorden waarde en verhaal en uit de losse stukjes loos
en tje. Woorden die samengesteld zijn uit twee bestaande woorden
(waardevol, bijvoorbeeld, of woordenboek) komen eens per jaar aan bod.
Alle stof komt elk jaar weer op een hoger niveau terug. In groep 5 leren de
leerlingen onder meer de termen verkleinwoord, tegenwoordige tijd en
verleden tijd, in groep 6 leren ze de term persoonsvorm, en in groep 7 de
term deelwoordvorm.
Evaluatie woordbouw
Om de vorderingen van de leerlingen op de leerlijn woordbouw te evalueren kunt u gebruik maken van een drietal controletaken woordbouw.
Deze worden afgenomen na de eenheden 2, 5 en 8.
Meer informatie over het onderwerp evaluatie treft u aan in de toetsmap.
Daarin zijn ook de controletaken voor woordbouw als kopieerbladen
opgenomen.
Handleiding E1
23
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
4.5 De leerlijn schrijven
Het doel van de leerlijn schrijven (stellen) is dat leerlingen leren om hun
gedachten en gevoelens geordend op papier te zetten en daarin ook
plezier krijgen. In de bovenbouw leren ze ook om informatie en meningen
te ordenen. De opdrachten liggen dicht bij huis en steeds in het verlengde
van de thema’s die in de taallessen aangesneden worden. Dat maakt dat
de leerlingen schrijven ook als betekenisvol kunnen ervaren.
Schrijven in het kernmodel en woordenschatmodel
Het kernmodel en woordenschatmodel bevatten één schrijfles (les 6 van
elke eenheid). Via teksten in het taalboek worden de leerlingen aangezet
tot het schrijven van hun eigen teksten. De teksten die in het taalboek als
voorbeeld opgenomen zijn, maken duidelijk wat er van de leerlingen
verwacht wordt. In de helft van de lessen zijn die teksten geschreven door
leeftijdgenoten of door leerlingen die één of twee jaar ouder zijn dan
zijzelf. Bovendien kunnen de zogeheten aandachtspunten, bijeengezet in
een apart tekstkadertje, houvast bieden.
De leerlingen schrijven persoonlijke notities of verslagen over bijvoorbeeld
hun huis, hun huisdieren, hun speelgoed en hun toekomstplannen. Ook
werken ze aan opzegversjes, korte monologen (toneelstukjes voor één
persoon) en gedichten. En ze vertellen verhalen, zelfverzonnen of bestaand.
In het laatste geval vertellen ze zo’n verhaal dus na. Aan teksten met
specifieke functies zoals instrueren en overtuigen wordt in de onderbouw
nog geen systematische aandacht geschonken, net zo min als aan
bijvoorbeeld brieven. Ook termen en begrippen komen pas in de
bovenbouw aan bod. Denk daarbij aan namen van tekstsoorten en verder
aan zaken zoals alinea, citaat en dialoog.
Schrijven in het taalbeschouwingsmodel
Het doel van de leerlijn schrijven is dat leerlingen leren om hun
gedachten en gevoelens geordend op papier te zetten en daarin ook
plezier krijgen. Aan het bereiken van dat doel wordt gewerkt in les 6 van
elke eenheid. Via les 12 van elke eenheid, een les uit het taalbeschou-
24
Handleiding E1
wingsmodel, kan daar een schepje bovenop worden gedaan. De
opdrachten zijn wat uitdagender. Leerlingen schrijven bijvoorbeeld een
brief aan een geliefd voorwerp en een folder die uitnodigt tot een
bezoekje aan Luilekkerland. Ze zetten ook geregeld hun oordeel uiteen,
leggen uit wat ze weten en maken bijschriften bij tekeningen. Dergelijke
opdrachten vergen bij de uitvoering meestal een fractie meer denkwerk;
ook, en misschien wel juist, talig denkwerk. Het uiteindelijke doel van de
lessen is dat de leerlingen in hun schriftelijk taalgebruik rekening leren
houden met het publiek waarvoor ze schrijven (de lezer).
Allerlei termen en begrippen komen pas in de bovenbouw aan bod. Denk
daarbij aan namen van tekstsoorten en verder aan zaken zoals de retorische vraag en aan structuursignalen en signaalwoorden.
De opdrachten liggen overigens wel dicht bij huis en in het verlengde van
de thema’s die in de taallessen aangesneden worden. En net als in de
schrijflessen in het kernmodel maken de teksten die in het taalboek als
voorbeeld opgenomen zijn, duidelijk wat er van de leerlingen verwacht
wordt. Ook hier zijn die teksten in de helft van de lessen geschreven door
leeftijdgenoten of door leerlingen die één of twee jaar ouder zijn dan de
leerlingen zelf.
Evaluatie schrijven
Schrijven doet, evenals spreken en luisteren, een beroep op veel vaardigheden en kennis tegelijkertijd. Om iets in helder en foutloos Nederlands
te schrijven – en dat bovendien zo overzichtelijk te presenteren en te
doseren dat lezers begrijpen wat je bedoelt zonder dat ze zich daarvoor al
te veel hoeven inspannen – is ingewikkeld. En het evalueren van de vorderingen van leerlingen op dit gebied is eveneens ingewikkeld. Schrijfvaardigheid is zo veelomvattend, dat het zich niet rechttoe rechtaan laat
toetsen door middel van controletaken. Maar in plaats daarvan is het
natuurlijk wel mogelijk om met leerlingen te praten over hun werk en
zodoende hun schrijfwerk te evalueren.
Meer informatie over het onderwerp evaluatie treft u aan in de toetsmap.
5 Uitgangspunten van de methode
Bij de ontwikkeling van de methode Zin in taal heeft een aantal uitgangspunten een belangrijke rol gespeeld. Ze komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan de orde: interactie, betekenisvol leren, procesgerichte benadering,
het belang van reflectie, mogelijkheden voor zelfstandig werken, werken in
combinatiegroepen, mogelijkheden voor differentiatie, het belang van evaluatie.
5.1 Interactie
Een belangrijk uitgangspunt van Zin in taal is interactie. In de lessen is veel
interactie tussen leerkracht en leerlingen, maar ook tussen leerlingen
onderling. Interactie is van belang vanwege het taalaanbod dat de leerlingen
daardoor krijgen. Goed taalonderwijs vraagt om communi­catie, op elkaar
reageren en uitwisseling van gedachten. Dat geldt voor alle leerlijnen.
Interactie is nodig in de lessen woordenschat, schrijven, woordbouw en
zinsbouw. Maar uiteraard is interactie zeker noodzakelijk in de lessen van de
leerlijn spreken/luisteren. In lessen van deze leerlijn wordt bijvoorbeeld van
de leerlingen gevraagd te reageren op een tekst in het taalboek. Ze praten
daarover in tweetallen of met de hele groep en de leerkracht.
5.2 Betekenisvol leren
Een ander belangrijk uitgangspunt van Zin in taal is het aanbieden van
leerstof in voor de leerlingen herkenbare en zinvolle contexten. Leren moet
voor kinderen betekenis hebben, relevant en functioneel zijn. Door uit te
gaan van betekenisvolle leersituaties, wordt de motivatie van kinderen om te
ontdekken en te leren gestimuleerd. In de lessen van Zin in taal gaat het
daarom nooit over taal alleen, maar ook altijd – en voor de leerlingen niet
zelden zelfs in de eerste plaats – over de boodschap die je met taal kunt
overbrengen.
Een belangrijk hulpmiddel bij het realiseren van betekenisvol leren is het
werken met thema’s. Elke eenheid van Zin in taal is gewijd aan een inhou-delijk thema. Het thema krijgt in de verschillende lessen van een eenheid een
gevarieerde invulling. Zo komt in sommige lessen vooral ter sprake wat
kinderen zelf meemaken of wat ze vertellen over het thema van de eenheid.
Andere lessen blijven wat minder dicht bij huis. Er wordt daarin bijvoorbeeld
informatie gegeven over iets dat met het thema te maken heeft of de les
bevat een verhaal waarin fantasie een grote rol speelt.
In Zin in taal zijn tien hoofdonderwerpen onderscheiden, die elk jaar op een
specifieke manier terugkomen.
Hoofdonderwerpen
Groep 4
1. Omgeving
2. Natuur
5.3 Procesgerichte benadering
Bij taalmethodes wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen productgerichte methodes enerzijds en procesgerichte methodes anderzijds. Bij
productgerichte taalmethodes ligt het accent op het door de kinderen
gemaakte product. Bij procesgerichte methodes – en Zin in taal is daar
een voorbeeld van – ligt het accent op het onderwijzen van manieren
waarop taaltaken of taalproblemen het beste kunnen worden aangepakt
of opgelost. Uitleggen, hardop denkend voordoen, elkaar onderwijzen in
tweetallen, discussiëren in kleine groepjes zijn manieren om taalvaardigheden te onderwijzen.
Uiteraard wordt in de methode ook de nodige tijd besteed aan het
oefenen en integreren van de vaardigheden. Maar dit gebeurt pas nadat
de leerlingen de oplossingsmethoden hebben ontdekt of geleerd. In Zin in
taal leren de leerlingen hoe ze taal kunnen verwerven. Daarnaast geeft
het taalaanbod tijdens de lessen de leerlingen de gelegenheid om hun
taal uit te breiden.
In de leerlijn schrijven bijvoorbeeld, krijgt het proces van selecteren en
ordenen van inhoud aandacht. Door hardop met elkaar te denken en te
werken, ontdekken de leerlingen hoe je een tekst kunt maken met een
pakkend begin, een schitterend einde en een boeiend middenstuk.
5.4 Reflectie
In Zin in taal wordt veel belang toegekend aan reflectie als een middel om
over taal te leren en optimaal in te kunnen spelen op de verschillen
tussen leerlingen. Aan reflectie kunnen de leerlingen elk op hun eigen
niveau deelnemen. Reflectie betekent dat leerlingen uitgenodigd worden
na te denken over:
• Wat ze al weten;
• Wat er aan nieuwe kennis of kunde aan de orde is;
• Hoe nieuwe kennis of kunde kan worden ingepast en toegepast.
Reflectie is in essentie een activiteit van de leerling. Maar de leerkracht
heeft hierbij wel een vooraanstaande rol. De leerkracht nodigt de leerlingen uit te reflecteren. Hij of zij geeft structuur aan de denkactiviteiten
van de leerling en ziet erop toe dat alle leerlingen actief betrokken worden bij deze activiteit.
In Zin in taal komt reflectie in elke les voor; vaak al bij de start van de les
als de voorkennis van de leerlingen wordt geactiveerd, maar zeker aan het
Groep 5
Groep 6
Groep 7
Groep 8
wonen
spelen
clubs
clubs
school
huisdieren
dieren
weer
het weer
milieu
3. Reizen
op reis
vakantie
culturen
culturen
avontuurreizen
4. Gevoel
alleen
wensen
onvrede
onvrede
gevoelens
5. Verhalen
sprookjesfiguren
volks- en cultuursprookjes
fantasieverhalen
fantasieverhalen
genres
6. Samenleven
ruzie
weglopen
vriendschap
binnen een groep
indianen
7. Cultuur
speelgoed
toneelspelen
verzamelen
kunst en handwerk
creativiteit
8. Andere tijden
later
vroeger
andere tijden
riddertijd
sciencefiction
9. Avontuur
geheim
spanning
gevaar
ontdekkingstochten
detective
10. Taal
spelen met taal
vertellen
schrijven
media
taalspel
Handleiding E1
25
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
einde van de les in de reflectiefase als met de leerlingen het resultaat van
de les geëvalueerd wordt. Duidelijke voorbeelden hiervan vindt u
bijvoorbeeld in de lessen schrijven. In de reflectie presenteren leerlingen
het resultaat van hun schrijfactiviteit en vervolgens wordt daarover
gepraat. Wat ging goed? Waarmee had het kind moeite? Wat vindt het zelf
van het resultaat? Waarmee is de schrijver zelf tevreden?
In de reflectiefase van de lessen uit de leerlijn schrijven bijvoorbeeld,
lezen de leerlingen die dat willen hun teksten voor en bespreekt u met
alle schrijvers wat moeilijk was, wat eenvoudig was, waarover zij tevreden
zijn en wat zij in tweede instantie liever anders zouden doen. Juist in deze
reflectiefase leren de leerlingen veel over taal. De reflectie is daarom dan
ook een onmisbaar onderdeel van elke taalles.
5.5 Evaluatie
Evalueren of beoordelen is een wezenlijk onderdeel van het onderwijsleerproces. Het betekent voor het taalonderwijs dat de leerkracht de taalactiviteiten en taalvorderingen van de leerlingen regelmatig volgt en beoordeelt en tijdig maatregelen neemt ter verbetering. Dit is mogelijk door te
observeren, door methodegebonden controletaken af te nemen, of door
de afname van genormeerde toetsen.
In Zin in taal onderscheiden we drie vormen van evaluatie, namelijk
evaluatie op korte termijn, evaluatie op middellange termijn en evaluatie
op lange termijn.
Met evaluatie op korte termijn bedoelen we het observeren en registreren
van de activiteiten van de leerlingen tijdens de taalles. Door het stellen
van vragen, het hardop denken van de leerlingen, het in de reflectiefase
bespreken van het gemaakte werk, en het nakijken en bespreken van het
schriftelijk werk, krijgt de leerkracht een goed beeld van de vorderingen
van de leerlingen.
Voor de leerkracht en de leerlingen is het van belang om regelmatig na te
gaan of de doelen van een aantal eenheden zijn bereikt. Voor deze
evaluatie op middellange termijn bevat Zin in taal controletaken voor de
verschillende leerlijnen: spreken en luisteren, woordenschat, woordbouw,
zinsbouw. Deze doelstellinggerichte controletaken bestaan uit een reeks
opdrachten die een nadere uitwerking zijn van de doelen die na een
aantal eenheden moeten zijn bereikt. Hiermee kan worden nagegaan in
hoeverre de leerlingen de doelstellingen hebben bereikt. De leerlijn
schrijven vormt hierop een uitzondering. De evaluatie vindt hierbij
namelijk niet plaats op basis van controletaken, maar door het bespreken
en beoordelen van gemaakte schrijfproducten.
Onder evaluatie op lange termijn verstaan we het vaststellen van de
leerresultaten over een langere periode van bijvoorbeeld vijf of zes
maanden. Toetsen voor de lange termijn zijn niet in de methode
opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar methode onafhankelijke,
gestandaardiseerde en genormeerde toetsen. Bijvoorbeeld de toetsen van
het Cito Leerlingvolgsysteem.
26
Handleiding E1
5.6 Differentiatie
Differentiatie is een zeer belangrijk uitgangspunt van Zin in taal. Het
betekent dat de methode rekening houdt met de grote verschillen tussen
de leerlingen wat betreft hun taalachtergrond en leermogelijkheden.
In Zin in taal wordt differentiatie of adaptief taalonderwijs op verschillende manieren gerealiseerd. Zo is het op de eerste plaats mogelijk om de
inhoud van uw taalonderwijs af te stemmen op de behoeften van uw
leerlingengroep. Door een bepaald werkmodel te kiezen kunt u zorgen
voor bepaalde accenten in uw taalonderwijs. Via het kernmodel zorgt u
ervoor dat alle kerndoelen voor taal aan de orde komen. Door te kiezen
voor het woordenschatmodel zorgt u voor een duidelijke impuls bij het
onderdeel woordenschatontwikkeling. U breidt de kernlessen dan
namelijk uit met vier extra lessen voor woordenschat. En het taalbeschou­
wingsmodel biedt de mogelijkheid om de kernlessen uit te breiden met
maximaal vier lessen waarin taalbeschouwing centraal staat. Op deze
wijze kunt u al vanaf het begin rekening houden met de behoeften van de
leerlingen in uw groep.
Een tweede differentiatiemogelijkheid is gelegen in het feit dat u niet alle
lessen aan alle leerlingen hoeft te geven. De kernlessen zijn voor alle
leerlingen bedoeld, maar extra lessen uit het woordenschatmodel of extra
lessen uit het taalbeschouwingsmodel kunt u eventueel aan een kleiner
groepje leerlingen geven. U moet er dan wel voor zorgen dat de overige
leerlingen aan de slag kunnen met leertaken die zelfstandig verwerkt
kunnen worden.
Een derde mogelijkheid voor differentiatie kunt u vinden in de mate
waarin u begeleiding geeft bij het maken van opdrachten. De werkbladen
van Zin in taal zijn zo gemaakt, dat leerlingen er zelfstandig mee kunnen
werken. Alleen of bijvoorbeeld in tweetallen. Ook zijn er antwoordboeken
waarmee de leerlingen zelf hun werk kunnen nakijken. Dit alles biedt u de
gelegenheid om een klein groepje van leerlingen die moeite hebben met
de leerstof te begeleiden bij het maken van hun opdrachten (begeleide
verwerking).
Ook kunt u bij de methode Zin in taal gebruik maken van het computerprogramma Woordenschat Zin in taal. Dit programma bevat voor alle
eenheden de doelwoorden die in de methode systematisch aan de orde
komen (80 woorden per eenheid). Door middel van dit programma kunt u
leerlingen de gelegenheid geven om veel te oefenen met de aangeboden
woorden. Ze worden in het computerprogramma veelvuldig herhaald in
semantiserende spellen en regelmatig gecontroleerd door middel van
toetsende spellen. Zo kunt u de woordenschatontwikkeling van
leerlingen met een beperkte woordenschat krachtig stimuleren zonder
andere leerlingen daarmee te belasten.
5.7 Zelfstandig werken
5.8 Combinatiegroepen
Voor het gebruik van een methode, in zijn algemeenheid maar zeker in
combinatiegroepen, is het prettig als leerlingen regelmatig zelfstandig aan
het werk kunnen. Bij de methode Zin in taal is dat het geval. In elke les
kunnen de leerlingen zelfstandig aan de slag met opdrachten in het
taalboek, op werkbladen en taken, of op het kopieerbladen. In de lesfase
instructie wordt eerst de bedoeling van een opdracht in het kort besproken.
Daarna kunnen de leerlingen die opdrachten zelfstandig, individueel of in
tweetallen, verwerken. De leerlingen kunnen hun eigen werk ook nakijken.
Hierbij maken ze gebruik van de antwoordenboeken bij de methode.
Alle lessen van Zin in taal zijn opgebouwd volgens hetzelfde model:
introductie en instructie (samen 15 minuten), verwerking (15 minuten), en
reflectie (15 minuten). Omdat alle verwerkingsopdrachten geschikt zijn
voor zelfstandig werken, is het mogelijk de lesfase verwerking (15
minuten) van de ene groep te combineren met de lesfasen introductie en
instructie (15 minuten) van de andere groep. Terwijl de kinderen van de
ene groep dus zelfstandig werken aan hun verwerkingsopdrachten,
verzorgt u de introductie en instructie voor de andere groep. Na die
introductie en instructie gaan deze leerlingen zelfstandig verder met hun
verwerkingsopdrachten (15 minuten) en verzorgt u de reflectie (15
minuten) voor de eerste groep. Schematisch ziet dit er als volgt uit:
Introductie/Instructie
15 minuten
leerkrachtgebonden
Taak
15 minuten werken met
zelfstandig te verwerken taken
Verwerking
15 minuten
leerkrachtvrij
Introductie/Instructie
15 minuten
leerkrachtgebonden
Reflectie
15 minuten
leerkrachtgebonden
Verwerking
15 minuten
leerkrachtvrij
Taak
15 minuten werken met zelfstandig te verwerken taken
Reflectie
15 minuten
leerkrachtgebonden
Lesopbouw in combinatiegroep
In bovenstaande tabel is te zien dat u in een combinatiegroep kunt
werken met combinaties van zelfstandig werken in de ene groep (leerkracht vrij) en een leerkrachtgebonden lesfase in de andere groep.
Natuurlijk vraagt het werken met de methode in een combinatiegroep
meer van de leerkracht dan het gebruik van die methode in een
enkelvoudige groep. Maar de methode is wel zodanig opgebouwd dat
gebruik in combinatiegroepen organisatorisch goed mogelijk is. Wel
moet nog aan de volgende twee voorwaarden worden voldaan: (1) de
kinderen moeten gedurende een periode van 15 minuten zelfstandig
kunnen werken zonder u te storen en (2) u moet in uw klas kunnen
beschikken over taken waarmee leerlingen zelfstandig kunnen werken.
Als ook aan deze twee voorwaarden is voldaan, dan is de methode Zin in
taal goed uitvoerbaar in combinatiegroepen.
5.9 Aansluiting bij andere methodes
Bij de ontwikkeling van Zin in taal is rekening gehouden met andere
methodes die voorafgaand of in combinatie met Zin in taal worden
gebruikt. Dit heeft bijvoorbeeld consequenties voor het niveau van de
leesteksten in het taalboek. Leesteksten zijn teksten die door de
leerlingen zelf moeten worden gelezen. Leerlingen die het einddoel
hebben bereikt van de methode Veilig leren lezen ondervinden geen
problemen bij het lezen van de leesteksten in Zin in taal. Bepaalde
teksten in Zin in taal zijn geen leesteksten, maar voorleesteksten.
Handleiding E1
27
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
Deze voorleesteksten worden voorgelezen door de leerkracht of door een
goede lezer. De moeilijkheidsgraad van voorleesteksten kan daarom wat
hoger zijn dan die van leesteksten.
De methode Zin in taal kan probleemloos worden gecombineerd met
methodes voor voortgezet lezen. Ideaal is de combinatie van Zin in taal
met de leesmethode Ondersteboven van lezen. In beide methodes wordt
namelijk met dezelfde thema’s gewerkt. Hierdoor kunnen de leerlingen
bij de leesmethode profiteren van de woordenschatkennis die zij met Zin
in taal hebben verworven, hetgeen een groot voordeel is. Het begrijpend
lezen van teksten is immers in hoge mate afhankelijk van een tweetal
factoren, namelijk technisch lezen en woordenschat.
De combinatie van Zin in taal met Ondersteboven van lezen levert ook
28
Handleiding E1
winst op bij het gebruik van het computerprogramma Woordenschat Zin
in taal. Door bij de installatie van deze software aan te geven dat u naast
Zin in taal ook werkt met Ondersteboven van lezen worden de oefeningen
in het computerprogramma gevuld met de woordenschat die in beide
methodes aan de orde komt.
Vergelijkbare voordelen, maar dan in iets mindere mate, kunt u realiseren
door Zin in taal te combineren met de leesmethode Tussen de regels. Die
methode heeft namelijk dezelfde overkoepelende thema’s als Zin in taal.
De jaargroepthema’s van die twee methodes zijn weliswaar niet exact
hetzelfde, maar liggen wel in elkaars verlengde. In het computerprogramma kunt u ook aangeven dat u Tussen de regels gebruikt. Op dat moment
worden de doelwoorden uit Zin in taal en Tussen de regels gecombineerd.
6 Woordenschat: didactiek en woordenlijst
Aandacht voor woordenschat krijgt in Zin in taal gestalte door middel van
minimaal twee en maximaal zes woordenschatlessen per eenheid. De
woordenschatlijn van Zin in taal is zorgvuldig opgebouwd door de keuze
van woorden binnen bepaalde thema’s, waarbij uitdrukkelijk gelet is op
het belang van de gekozen woorden voor de leerlingen. Ook krijgt de
woordenschatlijn gestalte in diverse onderdelen van de methode, zoals
bijvoorbeeld de taalboeklessen en het computerprogramma Woorden­
schat Zin in taal. Informatie over de leerlijn woordenschat treft u aan in
hoofdstuk 4 (zie pagina 20 en 21).
Hier gaan we wat nader in op de didactiek die in de leerlijn woordenschat
wordt gevolgd en geven we een overzicht van alle woorden die in jaar­
groep 8 aan de orde komen.
6. 1 Vier stappen om woorden te leren
Voor het leren van een nieuw woord worden in de woordenschatdidactiek
vier stappen onderscheiden: voorbewerken, semantiseren, consolideren
en evalueren. Deze stappen ziet u terug in de lesbeschrijvingen van de
woordenschatlessen.
Voorbewerken
Het voorbewerken dient om de voorkennis van de leerlingen te activeren
en hun betrokkenheid bij het onderwerp en het woorden leren te stimule­
ren. In de introductiefase van de les bekijkt u met de leerlingen de afbeel­
dingen in het taalboek en oriënteert hen op de woorden die in de les
geleerd gaan worden. Voorwerpen die voor de les verzameld zijn, kunnen
hierbij de betrokkenheid van de leerlingen verhogen.
Semantiseren
Door middel van semantiseren moet de betekenis van nieuwe woorden
aan de leerlingen duidelijk worden gemaakt. Directe instructie, waarbij
de leerkracht de betekenis van de woorden geeft, is zondermeer de meest
effectieve manier om woorden te semantiseren. Maar om de aandacht
van de leerlingen vast te houden mag die instructie niet te lang duren. In
de lesbeschrijvingen wordt daarom aangegeven dat de leerkracht in de
instructiefase van een les de betekenis geeft van een deel van de woorden
die in die les aan de orde komen. Voor een ander deel van de woorden
gaan de leerlingen eerst bij het maken van de opdrachten zelf op zoek
naar de betekenis. Daarbij leren ze strategieën gebruiken zoals de beteke­
nis afleiden uit plaatjes in het taalboek en de betekenis opzoeken in het
woordenboek. Van belang is dat de leerkracht in de reflectiefase van de
les nog de betekenis behandelt van de woorden die door de leerlingen
zelf zijn opgezocht. Aanwijzingen voor manieren van semantiseren zijn
bij elke lesbeschrijving opgenomen.
Consolideren
Consolideren is nodig om de leerlingen de woorden te laten inoefenen,
zodat ze in hun geheugen worden vastgelegd. Het consolideren begint al
tijdens de verwerkingsfase van de les, als de leerlingen werken aan op­
drachten in het taalboek of het werkboek. In de reflectiefase van de les
komen de meeste woorden nogmaals aan de orde. Consolideren moet
verder plaatsvinden in herhalingsactiviteiten. Het is wenselijk om op de
dagen na de les korte herhalingsmomenten van vijf à tien minuten in te
plannen. Hoe vaak zulke herhalingsmomenten nodig zijn, is afhankelijk
Handleiding E1
29
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
van het woordenschatniveau van de leerlingen. Een suggestie voor een
herhalingsactiviteit is bij elke les opgenomen. Een overzicht van
herhalingsactiviteiten is te vinden in de volgende paragraaf.
Consolideren is ook heel goed mogelijk door gebruik te maken van het
computerprogramma Woordenschat Zin in taal. Leerlingen die met dit
programma werken, herhalen de woorden in verschillende contexten en
oefenvormen. Voordeel van een computerprogramma is dat de leerlingen
er zelfstandig mee kunnen werken en dat de leerkracht in het leerkracht­
deel van het programma precies kan zien wat de leerlingen hebben
gedaan, wat goed ging, en waar ze moeite mee hadden.
Evalueren
Het evalueren ten slotte dient om na te gaan of de leerlingen de nieuwe
woorden werkelijk kennen. Aan het einde van elke eenheid, dus telkens
na drie of vier weken taalonderwijs, kan de leerkracht een controletaak
afnemen waarin 20 woorden worden getoetst die in de betreffende
eenheid aan de orde zijn geweest.
30
Handleiding E1
6.2 Herhaling
Herhalingsactiviteiten zijn van groot belang om ervoor te zorgen dat de
leerlingen pasgeleerde woorden onthouden. Hier volgt een reeks
suggesties voor herhalingsactiviteiten en materialen die daarbij gebruikt
kunnen worden.
Woordkaartjes
In de kopieermap zijn woordkaartjes opgenomen van alle woorden die in
de methode worden aangeleerd. De woordkaartjes kunnen op veel
manieren voor herhalingsactiviteiten ingezet worden. Enkele suggesties:
• Gebruik de woordkaartjes als etiket voor voorwerpen die u voor een les
hebt verzameld. Af en toe richt u de aandacht van de leerlingen op de
tentoongestelde voorwerpen en laat u de woorden noemen. De
woordkaartjes kunt u los van de beschrijving knippen, of deze na enige
tijd wegvouwen naar de achterkant.
• Deel de woordkaartjes zonder omschrijving uit aan individuele
leerlingen of aan groepjes. De leerlingen maken aan de anderen
duidelijk welk woord er op hun kaartje staat door iets uit te beelden, te
tekenen of te omschrijven.
• Deel de woordkaartjes uit en houd zelf de omschrijvingen. Lees een
omschrijving voor. De leerlingen zeggen welk woord erbij hoort.
• Knip de woordkaartjes en omschrijvingen los van elkaar en laat de
leerlingen memory spelen met woordkaartjes en omschrijvingen.
• Laat de leerlingen de woordkaartjes (zonder omschrijving) sorteren in
groepen, bijvoorbeeld woorden voor dieren of woorden die te maken
hebben met het weer. Of woorden met het lidwoord de en met het
lidwoord het.
Woordenschathoek
Maak van een prikbord en een tafel een woordenschathoek in uw klas.
Hier krijgen de woorden uit de lessen een plek. U hangt de woordkaartjes
op het prikbord, zo mogelijk met plaatjes of tekeningen erbij. Voorwerpen
kunnen worden tentoongesteld op de tafel, met woordkaartjes erbij. Ook
schema’s (parasollen, woordenspinnen, et cetera) die u met de leerlingen
hebt gemaakt, kunnen in de woordenschathoek opgehangen worden.
Zo nu en dan besteedt u vijf minuten aan de betekenis van een paar
woorden.
Kiesschijf woordenschat
Er zijn verschillende manieren om de betekenis van een woord duidelijk
te maken: voordoen, een voorbeeld geven, aanwijzen, tekenen, iets erover
vertellen, andere woorden gebruiken. Met behulp van de kiesschijf
woordenschat kunnen de leerlingen zo’n manier uitkiezen. Laat de
leerlingen bijvoorbeeld om de beurt een woordkaartje pakken van een
stapel. Met behulp van de kiesschijf woordenschat kiezen ze een manier
om de betekenis van dat woord aan de anderen uit te leggen en passen
die vervolgens toe.
Luisterhoek
Maak een audiocassette bij de lessen 5 en 7. Spreek het verhaal in of doe
dat samen met een paar leerlingen als hoorspel. In een luisterhoek, waar
een cassetterecorder met koptelefoon staat, kunnen leerlingen die
cassette beluisteren terwijl ze de plaatjes in het taalboek erbij bekijken.
Handleiding E1
31
algemene informatie
z i n
i n
t a a l
Dramatiseren
Dramatiseren is een geschikte werkvorm in het kader van woordenschat­
ontwikkeling. Het is bovendien voor veel kinderen een motiverende
herhalingsactiviteit. Enkele suggesties:
• Laat de leerlingen de betekenis van woorden uitbeelden.
• Lees het verhaal uit een les nog eens voor en laat de leerlingen
uitbeelden wat u voorleest. Geef eventueel leerlingen met een bepaalde
rol vooraf een paar regels tekst die ze bij het uitbeelden kunnen zeggen.
Let erop dat de betekenis van woorden uit de les in het spel goed uit de
verf komt.
• Laat leerlingen een situatie of scène uit een verhaal naspelen. Geef ze
elk een woordkaartje met een woord dat in die scène past. Dat woord
moeten ze in het toneelspel gebruiken.
Het woord van de dag
Kies met de leerlingen elke dag een woord uit als ‘woord van de dag’. Laat
bijvoorbeeld iemand een woordkaartje trekken uit de kaartjes van behan­
32
Handleiding E1
delde woorden. Of kies zelf een woord waarvan u weet dat de leerlingen
het moeilijk vinden. Geef het woordkaartje een opvallende plek in de klas
en besteed die dag een paar keer aandacht aan de betekenis ervan.
Woordenspelletjes
Doe met de leerlingen spelletjes zoals galgje, een woord doorfluisteren,
en liplezen. Zorg ervoor dat niet alleen het woord zelf, maar ook de
betekenis ervan aan de orde komt.
Computerprogramma
In het computerprogramma Woordenschat Zin in taal komen de woorden
aan de orde die in de methode worden aangeleerd. In het programma
oefenen de leerlingen met de woorden die ze nog niet kennen. Die
woorden worden op verschillende manieren gesemantiseerd. Ook toetst
het programma of de leerling de betekenis van het woord heeft geleerd.
Het computerprogramma is bij uitstek geschikt om herhaling te
realiseren. Leerlingen kunnen er immers zelfstandig mee werken.
Alfabetische woordenlijst groep 8
woord
eenheid
a
aanblik
aanklacht
b
in aanmerking komen voor iets
iets aanschouwen
aanslag (moord)
c
iemand aanspreken
iets aantonen
d
aanwinst
iemand aanzien voor...
Nu komt de aap uit de
e mouw.
aard
abonnee
f
abrikoos
accent (tongval)
achteloos
g
achtereen
actievoerder
h
adembenemend mooi
administratie
af en aan
i
een woord afbreken
iets afdoen (afhandelen)
afgelegen
j
afgrond
afgunstig
k
afhankelijk zijn van iets
afkeer
iemand aflossen
l
iets afpassen
iets afronden
de tafel afruimen m
afscheiding (wand)
iemand afschilderen als
n
iemand afschudden
iemand afvaardigen
o
afvalgas
afvuren
afwisseling
p
ajuus
akkoord gaan
alledaags
q
amandel
amulet
r
anemoon
anoniem
antiek
s
appartement
een appeltje voor de dorst
t
arbeid
argument
4
4
9
2
8
6
8
1
5
10
10
7
5
6
1
2
2
4
3
2
6
9
3
3
7
1
4
8
5
1
1
6
4
3
4
2
9
1
1
9
10
5
6
10
8
1
7
5
1
2
woord
asjemenou
asociaal
atelier
atmosfeer
attractie
aula
avonddienst
eenheid
a
9
6
7
2
1
7
9
b
bacterie
balanceren
c
geld over de balk gooien
ballade
bandiet
d
bangerik
basis (raketten)
e
bazaar
iets beamen
bedeesd
f
bedenkelijk
iets bedienen
g
bedreven
iemand iets beduiden
zich bedwingen
h
begaan zijn met iemand
een moord begaan
behouden (veilig) i
Het is bekeken.
bekleden
j
iets bekonkelen
belemmeren
bereid zijn om...
k
berisping
beroerd
l
berucht
beschaafd
beschouwen als m
besluiten (afsluiten)
bespottelijk
het bestaan (leven) n
tegen iets bestand zijn
betreffen
o
betrekken
bevatten (begrijpen)
p
iets bevatten
bever
bewonderaar
q
bewustzijn
bezaaid met...
zich ergens op bezinnen
r
bezwering
8
2
5
6
3
4
9
7
5
6
2
9
6
3
6
6
7
8
2
2
4
1
9
9
2
3
3
6
6
4
6
8
1
2
9
2
6
7
4
7
1
5
woord
eenheid
bijkomen
bijnaam
iemand bijvallen
biologisch
bitter
bizon
bladerdak
blank zetten
bloemenstalletje
boeket
bolide
bonbon
bordes
boventand
breakdancen
het niet breed hebben
briljant
bubbelbad
buitenaards
a
buitenkans
bundel (boek)
bundel (pak)
b
buskruit
6
7
2
2
2
6
6
9
7
7
5
5
2
4
10
5
10
4
8
10
10
9
3
c
camoufleren
ceremonie
chatten
chemicaliën
chloor
collega
combinatie
commando voeren
commercieel
communicatie
concluderen
concurrentie
condor
confronteren
container
context
controle
corrigeren
creatie
creatief
creëren
d
e
f
g
h
ai
bj
ck
dl
de daad bij het woord voegen
dadel
e
m
dampkring
u
s
nf
v
t
og
w
u
h
p
6
6
4
2
4
3
7
3
2
3
1
7
7
5
3
3
4
1
7
7
7
10
5
8
Handleiding E1
33
a
algemene informatie
z i n
i n
woord
b
t a a l
c
eenheid
iemand deelgenoot maken van iets
aan iets deelnemen
defensie
delfstof
delven
iets demonstreren
desondanks
deuntje
Dat ligt naast de deur.
iets dicteren
discussie
docent
iets uit de doeken doen
dominee
je van de domme houden
iets doorhalen
dosering
een dot van een...
downloaden
waar het om draait
draf
drama (droevige gebeurtenis)
drama (toneel)
dramatisch
op dreef zijn
a
iemand uit de droom helpen
drug
dubbelganger
b
duf
dupe zijn
c
durfal
dwaas
dwars zijn
d
Dat zit hem dwars.
7
6
9
6
6
9
6
10
5
7
3
10
2
5
5
10
9
5
8
8
3
9
10
9
7
3
4
7
10
9
1
5
5
4
e
ecoproducten
eenhoorn
f
Het ei is gelegd.
het ei van Columbus
g
eigendunk
eindproduct
eksteroog
h
elders
elektra
elektriciteit opwekken
i
elektriciteitscentrale
element
j
embryo
emigratie
emotie
k
34
l
Handleiding E1
m
2
2
10
10
4
1
1
6
9
2
2
8
8
2
3
woord
eenheid
energiebron
enthousiasme
a
et cetera
etappe
b
ex-kampioen
ex-leerling
experiment
c
experimenteren
explosie
da
extreem
Een ezel stoot zich in het gemeen niet
tweemaal aan dezelfde
eb steen.
Wat ben ik toch een ezel!
2
9
1
8
4
4
8
7
3
8
5
5
cf
fabel
fat
dg
in feite
figuur (verhaal)
e weten
ergens het fijne van willen
h
flexibel
flikkeren (licht)
fi
framboos
gj
galg
gamen
h
k
iemand in de gaten houden
gebeente
gebergte
il
gegevens
gelaat mj
eraan moeten geloven
het op iets gemunt hebben
genadebrood eten k
n
genot
genre
gering
ol
gerst
geslacht
m
p
op iemand gesteld zijn
gevoelens
gewelddadig
qn
gewelf
gewillig
or
gezegend
op het eerste gezicht
giebelen
ps
glorieus
iemand goed bekomen
q
zo goed en zo kwaad tals het gaat
ur
vs
t
5
5
5
8
1
10
9
5
10
4
8
2
6
8
4
3
3
10
5
5
8
5
2
6
4
8
2
3
5
1
4
1
5
3
woord
d
eenheid
grabbelen
grillig
groen
het groen (park)
groots
gul
gunstig
e
1
8
2
2
2
2
5
f
g
h
haardos
je eigen hachje
i
haken
iets achter de hand hebben
iets bij de hand hebben
j
handel (winkel)
de hele handel
k
handeling
handen te kort komen
handicap
l
handleiding
een happy end
m
harpoen
iemand een hart onder de riem steken
naar hartenlust
n
hartstochtelijk
hasjiesj
o
hatelijk
hecht
heden
p
helderziende
henna
herkansing
q
herkomst
heupwiegen
r
hoen
honen
aan het hoofd van s
iets uit je hoofd zetten
hoofdkwartier
t
hoofdtooi
het hoog in de bol hebben
hooggespannen (verwachtingen)
u
hoogmoed
hoogst ergerlijk
hoogstens
v
iets voor je houden
iemand de huid vol schelden
w
huiswaarts
husselen
x
ij
z
8
6
7
1
9
7
9
9
10
4
9
3
2
10
6
7
4
4
9
10
8
7
4
6
10
6
6
10
5
8
6
1
8
4
7
2
9
5
4
3
d
c
e
Alfabetische
woordenlijst groep 8
f
d
e
g
woord
h
f
eenheid
i
a
icoon
ietwat
j
ijskap
b
het IJzeren Gordijn
inbraak
k
ca
indringend
ingrijpen (bemoeien)
l
ingrijpend
db
inhalig
inleiding
m
iemand inschakelen c
e
erbij inschieten
n
inspiratie
f
d
installatie
iets instellen
o
integendeel
eg
intens
p
interactief
hf
internationaal
internetten
q
invalide
gi
zich inzetten
r
hj
9
5
2
7
9
9
8
9
6
1
1
1
10
1
2
3
7
9
1
4
6
2
jachthaven
s
jazz
ki
jengelen
jongeling
t
jongleur
lj
Ik snap er geen jota van.
9
5
7
3
7
3
kadaver
v
kaneel
nl
kannibaal
kas (broeikas)
w
o
als kat en hond leven
m
de kat uit de boom kijken
x
kernexplosie
p
n
keten
keukengerei
ij
qo
kiezel
in de kijker lopen
z
kindertal
r
p
kiwi
klapsigaar
klassieke muziek qs
klederdracht
klef
tr
je klep houden
6
3
3
2
10
4
8
5
1
5
8
5
5
1
5
7
10
7
u
m
k
woord
eenheid
klimaat
klonen
knapperen
Het is knudde met een rietje.
a
Je kunt nooit weten hoe een koe
een haas vangt.
Dat is andere koek! b
Dat is gesneden koek.
iemand een koekje van eigen deeg geven
c
koers
over koetjes en kalfjes praten
kolonie
d
komiek
kompas
e
in koor
kortsluiting
ten koste gaan van
f
Daarmee is de kous af.
iemand in de kraag grijpen
g
kraaien (plezier)
kralensnoer
krat
h
kriskras
kritisch
kuieren
i
tegen iemand op kunnen
kunstacademie
j
kunstig
kunstzinnig
kwekerij
k
iets ergens over kwijt willen
10
3
10
10
3
10
8
8
3
2
8
4
9
9
10
6
9
7
3
3
8
7
7
4
1
1
l
laaggelegen
landarbeider
m
’s Lands wijs, ’s lands eer.
last (vracht)
lastdier
n
ledematen
leefbaar
o
leem
leenwoord
leerzaam
p
leeszaal
level
q
levensecht
levenslang
leverancier
r
liaan
in lichterlaaie staan
s
lidmaatschap
us
t
vt
u
w
2
8
9
10
2
1
6
3
3
8
8
1
5
1
2
4
8
9
7
6
9
2
woord
eenheid
g
iemand liefkozen
in levenden lijve
limoen
h
linde
lobbes
i
loden
loep
logboek
j
logement
loodgieter
k
alles wat los en vast zit
iemand loven
gebakken lucht
l
uit de lucht komen vallen
3
7
5
10
3
1
9
3
5
1
9
6
10
7
m
macho
magisch
n
magnifiek
mango
medewerker
o
medewerking
onder meer
p
Hij is een meester in...
meewarig
melkbus
q
mentaal
door merg en been gaan
r
merrie
een dier mesten
mijn (delfstof)
s
milieu
mimiek
t
minachten
miniatuur
ministerie
u
misdrijf
mocassin
model (fotomodel) v
modeontwerper
moederschip
w
mokken
momenteel
iemand monddood maken
x
monteur
mosterd na de maaltijd
ij
iets uit je mouw schudden
van een mug een olifant maken
muilezel
z
muskiet
5
6
8
5
9
5
10
1
10
1
4
3
10
5
6
2
8
4
8
9
9
6
7
7
8
5
3
7
1
10
8
10
3
7
Handleiding E1
35
ci
b
dj
algemene informatie
ek
z i n
woord
c
d
i nfl t a a l
g
m
e
eenheid
4
5
4
10
1
10
8
5
4
4
8
5
6
3
10
3
uo
oergezellig
oeroud
vp
officier van justitie
Je ogen zijn groter dan je maag.
ogenblikkelijk
q
w
omdraaien als een blad aan een boom
iets omgeven
xr
omhulsel
in een ommezien
omsingelen
ijs
omzet
onbeleefd
zt
onbemand
onderhouden
onderkoeld zijn
u
onderkruipsel
onderneming
v
ondersteunen
ongedeerd
ongehoord
w
ongelijkmatig
ongemakkelijk
onheil
x
onheilspellend
online
ij
onmisbaar
onnavolgbaar
je over iemand ontfermen
z
ontginnen
ontkiemen
iets ontlenen
eenheid
4
4
9
1
7
5
2
5
10
6
7
4
8
1
3
3
6
2
3
3
2
4
9
9
4
5
4
2
6
10
5
ontoegankelijk
iets ontraadselen
licht ontvlambaar
ontwerpen
a
ontzagwekkend
ontzet
b
onverstoorbaar
oogappel
een oogje op iemand hebben
c
oorlel
op oorlogspad
eten opdienen
d
opeengepakt
iets opheffen
e
opklimmen
opkrabbelen
oplichten 1 (bedriegen)
f
oplichten 2 (licht geven)
iets oplopen
g
oplossen
oppervlakte
oprecht
h
oprijzen
iemand oproepen
i
opschrift
opslagplaats
iets opsteken
j
opvatting
opwaarts
opwekken
k
zijn oren spitsen
orgaan
l
overdaad
Overdaad schaadt.
overdragen
m
iemand overhalen
overheid
n
overlevende
iemand overrompelen
oververhit
o
overzichtelijk
Handleiding E1
6
6
9
7
8
8
9
1
1
4
6
1
7
3
3
3
1
1
9
2
6
4
3
5
5
1
5
8
7
4
7
8
8
8
9
2
6
3
9
2
2
p
Je moet een gegeven paard
niet in de bek kijken.
q
pakkend
pal staan voor
panisch
r
paren
paspop
s
t
36
woord
eenheid
f
nh
nadruk
met name
oi
navolgen
iemand ertussen nemen
nep
pj
je ergens nestelen
netwerk
qk zitten
met je neus in de boeken
neusbrug
nicotine
rl
nietig
nietsnut
m
s
nomaden
een noodzakelijk kwaad
noodzaken
nt
nootmuskaat
woord
u
v
10
7
10
3
2
7
passend
pees
g
pendule
penvriend
perk
h
pijnboom
plaatsnemen
i
plannen
ter plekke
te pletter slaan
j
poema
poëzie
k
poging
polen (aardbol)
poncho
l
porselein
een gezonde portie tegenzin
Het is één pot nat. m
praatjesmaker
prairie
n
praktijk
privacy
iets produceren
o
programmeren
prompt
p
pronken
proportie
publiceren
q
pupil
4
6
9
8
2
2
5
3
7
3
6
10
3
8
3
3
10
4
7
6
1
8
8
4
10
2
3
10
4
r
racist
racket
s
radar
rampzalig
rap (muziek)
t
ratel
Ik lust je rauw!
u
razende honger
realistisch
recent
v
rechercheur
rechtsomkeert maken
w
een rechtszaak aanspannen
reconstrueren
recreatie
x
recyclen
redeneren
ij
regelrecht
registreren
z
5
10
9
2
10
6
10
3
9
10
1
3
2
9
2
2
7
5
8
e
a
h
b
b
i
c
c
j
d
d
k
e
f
Alfabetische
woordenlijst groep 8
g
h
woord
i
j
rein
relaxed
reserveren
k
resoluut
revolutie
l
richel
riskant
ritsen
m
roc
roken (vlees)
uit je rol vallen
n
romantiek
romantisch
o
ergens rondhangen
rondkomen
ronduit
p
rouwen
rozengeur en maneschijn
rozig 1 (lichtrood) q
rozig 2 (slaperig)
ruimtesonde
r
rumoer
eenheid
10
8
9
1
8
3
3
1
1
6
6
8
10
1
1
2
2
10
1
1
8
3
s
sage
salaris
t
salon
scannen
op grote schaal
u
iemand schaken
schap
v
scheel
scheepsjongen
scheikunde
w
scherpschutter
schetsen
x
schijnbaar
in je schik zijn
iets in je schild voeren
ij
schildersezel
schim
z
naast je schoenen lopen
schuld (geld)
sciencefiction
seksisme
sensatie
serveren
show (mode)
Het laat mij Siberisch.
slaap (hoofd)
sluik haar
5
1
7
8
6
4
2
4
3
8
6
7
10
5
4
7
6
4
10
8
5
10
10
7
5
4
6
woord
e
smalen
f
sms’je
er geen snars van begrijpen
snerpen
g
soap
sociaal
soezerig
h
span
specerijen
i
speeksel
spichtig
sprekend lijken op iemand
j
spring-in-’t-veld
erop staan dat
k
staat (toestand)
stabiel
stadioncomplex
l
stage
met een stalen gezicht
m
station (radar)
steekspel
stek (plant)
n
je sterk maken voor iets
stewardess
stilleven
o
streek (kwast)
de strijdbijl begraven
p
structuur
student
studiereis
q
stuiten
stuiter
r
suikerbiet
suikerriet
supergoed
s
sympathiek
eenheid
5
4
9
10
5
6
4
10
3
10
4
9
8
4
6
3
9
7
7
9
10
1
2
1
7
7
6
7
1
5
10
1
5
5
4
8
t
taaitaai
taboe
u
tactiek
tafereel
tandartsassistente v
op de tast
tatoeage
w
teisteren
telefoonmaatschappij
tergend langzaam x
de tering naar de nering zetten
term
ij
terroristisch
5
5
6
8
1
3
6
9
8
9
5
8
8
woord
l
f
iemand terugfluitenm
ter zake komen
g
iets teweegbrengen
n
tijdstip
h
een tikje
tin
o
tipi
i
ergens over tobben
toekomstmuziek p
j
iets toestaan
toestemming
q
ton (gewicht)
k
totempaal
zo traag als een slak r
tragiek
l
transplanteren
s
tred
m
treffend
tuinder
t
twisten
n
eenheid
7
9
8
5
1
6
6
3
8
10
10
6
6
10
8
8
10
10
9
9
u
Elk meent zijn uil eenovalk te zijn.
uitblazen
v
iemand uitbuiten
p
uiterst belangrijk
uitgebloeid
w
q
uitgeput (leeg)
uithoudingsvermogen
x
iets uitklappen
r
iemand uitschakelen
uitslaande brand ij
uitsluitend
s
uitspraak
z
iets uitvissen
t
iets uitwerken
uitzonderlijk
ultraviolet licht
u
universiteit
10
4
1
7
7
6
5
9
7
9
1
6
4
7
4
8
1
v
vak (beroep)
zijn vak verstaan
vakwerk
vallei
vastberaden
je vastklampen
iets vaststellen
vatten (pakken)
veerpont
vel over been zijn
w
x
ij
z
7
7
2
3
4
3
6
10
3
3
z
Handleiding E1
37
p
h
q
algemene informatie
z i n
i n
verbeelding
verbijsterd
zich verbijten
verblindend
verbod
iemand verdenken
verdiensten
verdoven
verdraaid
de Verenigde Naties
verenpracht
verflauwen
vergelding
iets vergoeden
verleiding
verlopen
het verlossende woord spreken
vermaak
vernauwen
verontrustend
verplichting
in het verschiet liggen
versie
verslaafd
versterken
in iets verstrikt raken
vervaarlijk
vervangen
vervormd
verwoed
vinnig
virtueel
vitrage
vlam vatten
vleien
vloek
vmbo
volkstuin
volmaakt
voltooien
volume (geluid)
voorbarig
voorgevoel
de voorstelling van zaken
voortbestaan
zich voortplanten
voortreffelijk
voorwaarts
iemand voorzien van...
iets naar voren brengen
Handleiding E1
j
s
t a a l
woord
38
i
r
eenheid
3
1
9
2
2
9
10
4
8
1
2
2
6
9
4
3
7
9
4
2
1
8
10
4
2
2
4
1
4
2
8
7
7
3
4
2
1
9
4
9
7
1
9
7
8
2
10
4
6
7
k
t
woord
l
u
eenheid
de vraag naar...
vrijwel
m
in vuur en vlam staan
v
vwo
6
8
6
1
n
w
waardering
o
waarlijk
x
waas
wachtlopen
p
van wal steken
ij
walgelijk
q
wallen
z
wandaad
wanorde
r
watje
weemoedig
s
weerschijn
weerzien
wegzakken
t
van je welste
werkgever
iets in werking zetten
u
werkzaamheden
wervelen
v
wijkcentrum
ergens geen wijs uit kunnen worden
het wild
w
wissen
iemand op zijn woord vertrouwen
x hebben
het laatste woord willen
woordenboekvorm
woordspeling
ij
worp
5
3
8
3
4
3
4
4
4
5
10
9
10
1
5
1
9
7
7
2
1
6
9
10
7
5
10
1
z
zaak (winkel)
zachtaardig
zeespiegel
zelfportret
zendmast
Die zit!
ergens mee zitten
zonnepaneel
Er zwaait wat.
zwalken
zwijgen in alle talen
2
2
2
7
8
5
5
9
6
9
6
Eenheid 4 gevoelens
Informatie vooraf
Eenheid 4 heeft als thema ‘gevoelens’. Dit thema komt in alle lessen
terug, steeds op een andere manier.
spreken/luisteren
Het thema ‘gevoelens’ wordt geïntroduceerd aan de hand van de luistercd, waarop kinderen uit Alkmaar en Brussel praten over het omgaan met
mensen die anders zijn. Op de bijbehorende pagina’s in het taalboek, in
de luisterroute, zien de leerlingen per onderwerp (dat op de cd steeds een
eigen track heeft) een afbeelding die begrip van het gesprek ondersteunt.
Deze afbeeldingen laten ook al veel zien over wat het thema inhoudt en
activeren de voorkennis van de leerlingen.
Een deel van de leerlingen kan gedurende de eenheid werken aan een
spreekbeurt of werkstuk naar aanleiding van de twee teksten in het
taalboek. Op basis van de tekst Kleine mens proberen de leerlingen zich in
te leven in hoe het in het dagelijkse leven is om klein te zijn, en welke
obstakels ze dan tegen zullen komen. De leerlingen kunnen er ook voor
kiezen zelf een uitvinding te bedenken om het leven van een klein mens
gemakkelijker en plezieriger te maken.
In de laatste les spreken/luisteren, de slotles van de eenheid, leest de hele
groep een tekst over het tentoonstellen van mensen met een afwijkend
lichaam op kermissen in de negentiende eeuw. Uitspraken van andere
kinderen, die in het taalboek staan, vormen het uitgangspunt van een
gesprek over deze tekst. Tijdens deze les presenteren de leerlingen die dit
hebben voorbereid bovendien hun spreekbeurten of werkstukken.
woordenschat
Manuela en... Milena, op wie hij verliefd is. Milena nodigt hem meteen uit
om voor haar verjaardag mee te gaan naar het tropisch zwemparadijs,
waar de twee verkering krijgen.
In les 7 wordt een verhaal uit de Griekse mythologie verteld. De negen
verwaande dochters van koning Pieros vinden dat ze zo prachtig zingen,
dat ze een zangwedstrijd tegen de Muzen opeisen. De Muzen stemmen
uiteindelijk toe en winnen de wedstrijd. De zussen krijsen en tetteren om
een herkansing, die ze niet krijgen. In plaats daarvan veranderen de
Muzen hen alle negen in eksters, zodat ze de rest van hun leven verder
kunnen krassen en kwetteren.
zinsbouw en woordbouw
Bij de lessen zinsbouw en woordbouw is het thema ‘gevoelens’ weer op
een andere manier uitgewerkt. In les 4 (zinsbouw) is Sofie gefascineerd
door een vrouw op tv die haar nek achterover gooit en een man zoent.
Hoe doen die vrouwen dat toch?
In les 10 (woordbouw) is het koud in Mompelen. Zó koud, dat er ’s ochtends ijsbloemen op de ramen staan en Muskaat met zijn tong vastgeplakt zit aan het zolderraam.
schrijven
In de les schrijven komt het thema terug in de tekst van Enzo, die schrijft
over het leukste gedicht dat hij dat jaar gelezen heeft. De leerlingen
schrijven ook over wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe in een uiteenzetting of een beschouwing van twee of drie alinea’s.
In les 5 worden nieuwe tafelgroepjes gemaakt. Guilly, de nieuwe jongen,
heeft moeite een plek te vinden en belandt uiteindelijk bij Hatice,
jaargroep 8 | eenheid 4
135
spreken | luisteren
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen leren dat sommige mensen zo
anders zijn dat je soms niet zo goed weet
hoe je met ze moet omgaan.
De leerlingen maken kennis met enkele
minder bekende woorden rond het thema
‘gevoelens’.
Materialen
• taalboek E1, pagina 86 en 87
• werkboek E1, pagina 39
• antwoordenboek E1, werkboek pagina 39
• woordkaartjes van de woorden uit de les
(kopieerblad 48)
• cd E1, track 16 t/m 19
• losse blaadjes voor de differentiatie­
opdracht
Vooraf
Zet de cd-speler klaar.
Woordenschat
woorden in de luisterroute
• de gevoelens
• scheel
• onbeleefd
• de handicap
• vervormd
• mentaal
andere woorden
• concentreren
• de imbeciel
• de mongool
• geestelijk
• de smoel
• glunderen
Les 1: Frekie
5 minuten
De leerlingen nemen hun taalboek voor zich op pagina
86 en 87. Laat ze eerst kort reageren op de titel Frekie.
Geef daarna opdracht de illustraties van de luisterroute
in het taalboek te bekijken. Vraag of ze iets opvalt. Wat
is er op het eerste plaatje aan de hand? Heb jij zoiets wel
eens meegemaakt? Kun je vertellen hoe de drie personen
op het tweede plaatje zich voelen? Waarom zouden alle
spelers op het laatste plaatje juichen?
Instructie
10 minuten
Lees de leerlingdoelen boven aan pagina 86 van het
taalboek voor en wijs de leerlingen erop dat ze tijdens
het luisteren de route in het taalboek kunnen volgen.
Meer over spreken | luisteren
Omgaan met elkaar
Ongewone mensen
In deze eenheid gaat het om de taalfunctie omgaan
met elkaar. In jaargroep 8 gaat het er daarbij om hoe
je kunt omgaan met mensen die ongewoon zijn. Hier
volgt, per onderwerp, een aantal mogelijke vragen
om, naar aanleiding van wat de kinderen op de cd
zeggen, de leerlingen over zichzelf te laten vertellen.
• over gewoon doen als je ongewone mensen
ontmoet (track 17): Heb jij weleens meegemaakt dat
je niet zo goed wist hoe je moest doen, omdat je
jaargroep 8 | eenheid 4
iemand een beetje gek of eng vond? Hoe ging dat
toen verder? Hoe zou die ander dat hebben gevonden?
• over mensen met een handicap (track 18): Ken jij
mensen met een handicap? Vertel daar eens wat meer
over.
• omgaan met geestelijk gehandicapten (track 19):
Hoe zou jij het vinden als geestelijk gehandicapte
kinderen naar een gewone basisschool zouden gaan?
Moeten ze daar dan hetzelfde of anders worden
behandeld? Zou je met zo’n kind bevriend kunnen
raken? Waarom wel of niet?
Spreekbeurten/werkstukken
Naar aanleiding van en ondersteund door de teksten
op pagina 96 en 97 van het taalboek kan een aantal
leerlingen een presentatie voorbereiden voor de
afsluitende les van de eenheid (les 14). Het léren
houden van spreekbeurten en het léren maken van
werkstukken krijgt hierdoor een plek binnen de
methode.
De introductie en instructie van deze activiteit (15
minuten) geeft u in de week waarin u met de eenheid
bent gestart, bijvoorbeeld tijdens het zelfstandig
werken van de overige leerlingen of kort na schooltijd. Nadat de leerlingen de teksten Kleine mens en
Uitvindertjes gevraagd zelfstandig hebben gelezen,
leest u de instructie bij de teksten voor en geeft u
een korte toelichting op de opdrachten. Op basis
hiervan kiezen de leerlingen voor één van de twee
teksten.
136
Laat de cd horen. Kinderen uit Alkmaar en Brussel praten
over hoe je gewoon kunt doen als je ongewone mensen
ontmoet, over mensen met een handicap en over omgaan met geestelijk gehandicapten. Deze onderwerpen
worden afgewisseld met fragmenten van het lied Frekie
van Willem Wilmink. Elk onderwerp wordt ingeleid en
toegelicht door een commentaarstem. Als u dat wilt,
kunt u de cd stopzetten en een onderwerp (track 17 t/m
19) herhalen. In het tekstboekje bij de cd kunt u de tekst
nalezen.
Loop na afloop met de leerlingen de luisterroute na en
geef ze de gelegenheid kort te reageren. Stel zo nodig
gerichte vragen. U kunt daarbij gebruikmaken van de
suggesties in het kader Meer over spreken | luisteren. Ga,
waar nodig, kort in op de woorden in het kader Woordenschat. Verwijs ten slotte naar de leerlingdoelen onder
aan pagina 87 in het taalboek en constateer:
De tekst op pagina 96, Kleine mens, geeft vanuit het
perspectief van Mila, een meisje van twaalf dat één
meter dertig lang is, een kijk op het leven van kleine
mensen. De tekst Uitvindertjes gevraagd stimuleert
de leerlingen een (grote of kleine) uitvinding te doen
die in het belang is van kleine mensen. Als u de
leerlingen in tweetallen laat samenwerken, kan het
verstandig zijn een zwakkere leerling te koppelen
aan een betere leerling. Zie voor verdere begeleiding
van deze activiteit het kader Spreekbeurten/werkstukken in de lessen 6 en 14.
Voor leerlingen die een geringe woordenschat hebben, is het belangrijk dat u kort aandacht besteedt
aan de moeilijke woorden en uitdrukkingen in de
teksten. Dat zijn in dit geval: de groeistoornis – de
lilliputter – aanstaren – alledaags.
gevoelens
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden.
Bijvoorbeeld: Bas vertelt over een mevrouw die heel
erg scheel keek. Zoiets had hij nog nooit gezien.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
Bijvoorbeeld: Emily vertelt dat ze heeft gezien dat
volwassenen een mevrouw met een vervormd gezicht
uitlachten.
• Alle mensen hebben gevoelens. Bijvoorbeeld: Frekie
wist niet bij welke partij hij hoorde, maar hij was
dolblij als hij scoorde.
Verwerking
15 minuten
Bij opdracht 1 in het werkboek bepalen de leerlingen bij
zes uitspraken van de kinderen op de cd of ze het er wel
of niet mee eens zijn. De leerlingen kunnen opdracht 1
controleren met behulp van het antwoordenboek (werkboekdeel). Bij opdracht 2 mogen ze, met steekwoorden,
reageren op drie uitspraken uit het liedje over Frekie:
mongool, ernstig smoel en zielig.
Bij de differentiatieopdracht mogen de leerlingen proberen om de zaak van de andere kant te bekijken. Hoe
zouden ze, als geestelijk gehandicapte, willen dat andere
mensen met hen om zouden gaan? Om ze op het spoor
van deze opdracht te zetten, kunt u eventueel verwijzen
naar de uitspraken van de kinderen op de cd bij de eerste
K
opdracht. De leerlingen noteren in steekwoorden op een
blaadje (ideeënbriefje) wat hun ideeën zijn.
Reflectie
15 minuten
Geef de leerlingen de gelegenheid te reageren op de
Frekiewoorden: mongool, ernstig smoel en zielig. Bespreek kort de verschillen en de overeenkomsten. Stel
ook aan de orde dat woorden als imbeciel en mongool
tegenwoordig beschouwd worden als scheldwoorden.
Vraag aan de leerlingen of deze woorden in het liedje ook
als zodanig worden gebruikt. Bespreek daarna de differentiatieopdracht. Verzamel de ideeënbriefjes en laat
één van de leerlingen die de opdracht niet heeft voorbereid een briefje trekken. Nadat een leerling zijn ideeën
over omgaan met geestelijk gehandicapten heeft gegeven en toegelicht, reageren de anderen. Concludeer ten
slotte samen met de leerlingen:
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden.
Bijvoorbeeld: omdat je nog nooit iemand gezien hebt
die er zo uitziet.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
Bijvoorbeeld: je moet heel erg naar iemand kijken, of je
schiet steeds in de lach.
• Alle mensen hebben gevoelens. Bijvoorbeeld: alle
mensen kunnen blij of verdrietig zijn.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- luisterroute bekijken
•Instructie:
- luisteren naar cd
- koppeling naar lesdoel
•Verwerking:
- opdrachten in het werkboek
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
- koppeling naar lesdoel
Voortgang leerlijn spreken | luisteren
groep 4: D
e leerlingen praten over gevoelens
als eenzaamheid, verdriet en mede­
leven.
groep 5: D
e leerlingen leren beseffen dat je
vaak makkelijker en beter met iemand kunt praten als je dezelfde
interesses of emoties hebt.
groep 6: De leerlingen leren beseffen dat je
soms moeite moet doen om een
ander te begrijpen.
groep 7: De leerlingen leren beseffen dat het
je kan opluchten als je praat over een
gevoel of een probleem waar je mee
zit.
jaargroep 8 | eenheid 4
137
Les 2: Verslaving
woordenschat
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen breiden hun woordenschat uit
met woorden rond het thema ‘gevoelens’.
Materialen
• taalboek E1, pagina 88 en 89
• antwoordenboek E1, taalboek pagina 4
• woordkaartjes van de woorden uit de les
(kopieerblad 49 en 50)
• schrift
Vooraf
Als u een computer in de klas hebt, zet u de
website waaraan de tekst van deze les
ontleend is alvast op het scherm: www.uvt.
nl/kinderuniversiteit/kUVT_programma/.
5 minuten
Bekijk samen met de leerlingen pagina 88 en 89 van het
taalboek. Laat ze reageren op de titel en de illustraties
aan de hand van de vragen: Waar zou de les over gaan? en
Wat weet je er al van?
Vertel de leerlingen dat de tekst van de les van een
website komt en laat zo mogelijk de website zien. Stimuleer de leerlingen om deze website na de les eens te
bekijken.
Vestig de aandacht op het vignet voor woordenschat en
op de woorden in de blokjes links op de pagina. Vertel de
leerlingen dat ze in deze les gaan leren wat die woorden
betekenen.
Geef alvast aan de hand van de illustraties de betekenis
van een paar woorden uit de les, bijvoorbeeld verslaafd
en de nicotine.
Maak de woordkaartjes voor deze les klaar.
Instructie
10 minuten
Lees de tekst voor en laat de leerlingen meelezen.
Behandel daarna de betekenis van de woorden in het
eerste blokje op de linkerpagina in het taalboek. Geef
zelf de betekenis van de woorden. Vraag dus nog niet
138
jaargroep 8 | eenheid 4
drugs
hasjiesj
cocaïne
heroïne
ecstasy
aan de leerlingen om uit te leggen wat deze woorden
betekenen. U kunt gebruikmaken van de uitleg in het
kader Woorden semantiseren.
De woorden in het tweede blokje behandelt u nog niet.
De leerlingen kunnen de betekenis van deze woorden
afleiden of opzoeken bij het maken van de opdrachten.
In de reflectiefase van de les komt u op deze woorden
terug.
Maak samen met de leerlingen een paar schema’s met
woorden uit de les erin, bijvoorbeeld een parasolschema.
Teken op het bord het schema van de parasol en schrijf
het woord drugs erboven. Verzamel samen met de leerlingen woorden die onder de parasol thuishoren. Maak
eventueel ook een woordenspin rondom het woord
verslaafd. Associaties kunnen zijn: alcohol, drugs, nico-
gevoelens
K
tine, sigaretten, afkicken, et cetera.
U kunt de leerlingen deze les eventueel ook zelfstandig
laten werken. Laat hen dan na de introductie zelf de
tekst lezen en de betekenis van de woorden afleiden of
opzoeken. Maak de reflectiefase van de les dan langer en
besteed daarin aandacht aan de betekenis van alle
woorden van de les.
Verwerking
15 minuten
Lees de opdrachten voor. De leerlingen kunnen de opdrachten zelfstandig maken. U kunt ze ook samen met
de leerlingen doen of hen in tweetallen laten werken. De
leerlingen kunnen hun werk zelfstandig nakijken met
behulp van het antwoordenboek (taalboekdeel). Als u
vindt dat het schriftelijk maken van de opdrachten te
veel tijd kost, kunt u ze ook mondeling met de leerlingen doen.
De laatste opdracht (met ster) is een differentiatieopdracht voor leerlingen die snel klaar zijn met opdracht 1
en 2. Aan het mondelinge gedeelte van deze opdracht in
de reflectiefase kunnen alle leerlingen meedoen. In deze
opdracht worden de leerlingen ertoe aangezet om woorden die ze kennen actief te gebruiken. De opdracht
bouwt voort op les 1 (spreken/luisteren). Zeg tegen de
leerlingen dat ze later in de les – als ze dat willen –
mogen vertellen of ze aan iets verslaafd zijn en wat ze
daaraan doen. Houd er rekening mee dat verslaving voor
sommige leerlingen een beladen onderwerp kan zijn.
Reflectie
15 minuten
Bespreek opdracht 1 kort. Noem nog even de gekleurde
woorden en laat de leerlingen vertellen wat ze betekenen. Ga uitgebreid in op de betekenis van de woorden in
het tweede blokje op de linkerpagina in het taalboek.
Misschien zijn het dit keer woorden die de leerlingen zelf
goed aan u kunnen uitleggen. U vult, indien nodig, hun
uitleg aan (zie kader Woorden semantiseren).
Leerlingen die de differentiatieopdracht gemaakt hebben, vraagt u of ze willen vertellen over hun eventuele
verslaving en wat ze daaraan doen. Laat de leerlingen
eventueel op internet nadere informatie over verslaving
zoeken. Indien nodig geeft u deze leerlingen aanwijzingen voor het zoeken op Kennisnet of internet, of doet u
dat samen met hen. Denk aan het intypen van zoekwoorden en het zoeken van bepaalde informatie op een
website. U kunt de leerlingen verslag laten doen op een
later tijdstip, bijvoorbeeld aan het eind van de dag.
Woorden semantiseren
Met andere woorden zeggen en voorbeelden geven
het bewustzijn – De toestand waarin je wakker bent en kunt denken. Je beseft wat er om je heen is en wat er
gebeurt. Als je flauwgevallen bent, ben je niet bij bewustzijn. Tekst: Hasjiesj en ecstasy zijn middelen die je
bewustzijn veranderen.
chatten – Een soort praten via de computer door tekst in te typen. Tekst: Je kunt verslaafd raken aan chatten.
de drug – Middel dat je geest verdooft of waardoor je dingen ziet die er in werkelijkheid niet zijn. Bijvoorbeeld:
hasjiesj, heroïne, cocaïne, ecstasy.
gamen – Computerspellen spelen.
de hasjiesj – Een drug die gemaakt is van hennepplanten. Hasjiesj wordt door tabak gemengd en opgerookt.
internetten – Surfen op het internet. Iets zoeken op websites op internet.
ten koste gaan van – Daar moet iets anders onder lijden. Tekst: Het is een probleem als het internetten ten
koste gaat van huiswerk maken of spelen.
het level – Het niveau in een computerspel. Hoever je bent in dat spel.
de nicotine – Een giftige stof in tabak. Tekst: Nicotine is een middel waardoor je aangespoord wordt om dingen
te doen.
online – Direct verbonden met het internet. Tekst: Het is niet goed als je denkt dat het leven online beter is dan
het leven buiten de computer.
opwekken – Actiever maken of aansporen. Tekst: Cocaïne en nicotine zijn middelen die iemand opwekken.
het sms’je – Een kort bericht dat je op je mobiele telefoon verstuurt.
verdoven – Suf maken. Zorgen dat je minder gevoel hebt. Tekst: Slaappillen, heroïne en alcohol zijn verdovende
middelen.
de verleiding – Iets wat ontzettend leuk lijkt. Je wilt het doen, terwijl je het eigenlijk niet wilt of niet mag.
Gamen, chatten en sms’en zijn nieuwe verleidingen.
verslaafd – Niet zonder iets kunnen, geestelijk of lichamelijk. Je kunt het niet missen. Tekst: Er zijn verschillende
middelen waaraan iemand verslaafd kan raken.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- woorden leren voorbereiden
•Instructie:
- de tekst voorlezen
- woorden semantiseren
- woorden in een schema (parasol)
•Verwerking:
- opdrachten in het taalboek maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
- woorden semantiseren en consolideren
•Herhaling:
- woorden consolideren
Herhaling
Het computerprogramma Woordenschat Zin
in taal kan een belangrijke rol vervullen bij
het herhalen van de woorden. Laat de leerlingen er geregeld mee werken.
Evaluatie
U kunt tevreden zijn als de leerlingen de
woorden begrijpen. Laat hen geen omschrijvingen uit het hoofd leren. U kunt nagaan of
de leerlingen de woorden uit les 1 en 2
begrijpen door opdrachten te geven of
vragen te stellen, zoals:
chatten – Is dat een soort praten via de
computer of telefoneren?
mentaal (gehandicapt) – Betekent dat:
geestelijk (gehandicapt), of: niet kunnen
praten?
de verleiding – Is dat iemand die de baas wil
spelen of iets wat heel leuk lijkt?
Noteer de woorden die de leerlingen nog
niet kennen en laat die woorden nog eens in
een herhalingsactiviteit aan de orde komen.
jaargroep 8 | eenheid 4
139
Les 3: Kort en lang
zinsbouw
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen lezen een tekst met een taalbeschouwelijk onderwerp.
De leerlingen werken aan hun schriftelijke
formuleervaardigheid door te schrijven, te
schrappen en te schaven.
Materialen
• taalboek E1, pagina 90 en 91
• kladblaadjes
• schrift
5 minuten
Laat de leerlingen pagina 90 en 91 in het taalboek voor
zich nemen. Lees de titel van de les voor, bekijk samen
de pagina’s en laat de leerlingen reageren. Of wijs ze
erop dat op pagina 90 weer drie keuzeopdrachten staan,
en op pagina 91 weer een leestekst over iets wat met taal
te maken heeft, met een speciale opdracht erbij.
Lees ook het doel van de les voor, boven aan pagina 91: Je
leert dat je met taal alle kanten op kunt. Laat ze liefst ook
daarop reageren. Of laat ze voorbeelden geven van de
kanten die je zoal op kunt.
Instructie
10 minuten
Vertel de leerlingen dat ze straks de tekst op pagina 91
gaan lezen, en dat ze daarna één van de opdrachten
gaan maken: de speciale die bij de tekst hoort, of een
van de drie op pagina 90. (Als ze met één opdracht snel
klaar zijn, mogen ze er natuurlijk ook twee maken.)
Op de speciale opdracht kunnen de leerlingen verder niet
voorbereid worden, op het werk aan een van de andere
drie (op pagina 90) wel. Lees die drie opdrachten dan ook
voor, of laat de leerlingen dat doen, en laat de leerlingen
reageren. Bespreek ze liefst ook stuk voor stuk, de een
misschien wat uitvoeriger dan de ander.
• Bespreek bijvoorbeeld naar aanleiding van de eerste
opdracht (Bouw twee zinnen. Eéntje met...) waarover die
twee zinnen zouden kunnen gaan of wat ze zouden
kunnen vertellen. (De korte zin zou bijvoorbeeld één
opvallend kenmerk van een van de figuren uit de
illustratie kunnen noemen, en de lange zin zou
daarover meer kunnen vertellen.)
140
jaargroep 8 | eenheid 4
• Vraag bijvoorbeeld naar aanleiding van de volgende
opdracht (Gebruik die woorden...) hoe die opdracht nog
een beetje moeilijker gemaakt kan worden. (Bijvoorbeeld door de eis te stellen dat die alinea uit zes
zinnen bestaat, en dat in elke zin één van de woorden
moet staan.)
• Bespreek bijvoorbeeld naar aanleiding van de laatste
opdracht op pagina 90 (Bouw zelf ook zo’n geheel...) uit
welke drie zinnen dat ene geheel bestaat, met welke
woorden die zinnen zijn samengevoegd en eventueel
ook wat voor soort woorden dat zijn. (Drie zinnen:
Rozen verwelken. Scheepjes vergaan. Of: En scheepjes
vergaan. Onze vriendschap blijft altijd bestaan. Of: Maar
onze vriendschap blijft altijd bestaan. Woorden
waarmee de zinnen zijn samengevoegd: en en maar.
Soort woorden: voegwoorden.) Laat de leerlingen zelf
bepalen of het uiteindelijke geheel wel of niet rijmt.
Wijs de leerlingen tot besluit op het kader onder aan
pagina 91 in het taalboek (Wat je schrijft...) en lees het
voor, de leerlingen lezen mee.
Verwerking
15 minuten
De leerlingen lezen de tekst op pagina 91 in het taalboek
en voeren daarna een opdracht naar keuze uit: de ‘speciale’ opdracht die volgt op de leestekst, of een van de drie
opdrachten op pagina 90. Ze kunnen, als ze dat willen,
de opdrachten op de linkerpagina ook combineren.
Ze werken zelfstandig, alleen of, als ze dat liever doen en
ook goed kunnen, in tweetallen of drietallen. Ze experimenteren op kladblaadjes en schrijven het eindresultaat
in hun schrift. Dat kan ook na de reflectie.
Als u tijdens de verwerking uw handen vrij hebt, kunt u
gevoelens
K
met de leerlingen die vast zouden kunnen lopen in de
leestekst, die tekst samen lezen. En laat eventueel een
goede voorlezer die vlot klaar is met het werk zich voorbereiden op het voorlezen van de leestekst op pagina 91.
Reflectie
15 minuten
Lees de tekst op pagina 91 voor of laat dat doen door een
goede voorlezer. Laat de leerlingen reageren op de leestekst. Wie wil nog meer weten over samengestelde en
enkelvoudige zinnen? Wie weet er iets extra’s over te vertellen?
Laat vervolgens liefst alle leerlingen hun formuleerwerk
presenteren en bespreek het opdrachtsgewijs. Geef zo
nodig zelf ook voorbeelden van uitgewerkte opdrachten,
zoals, bij de extra opdracht: Een zin begint altijd met een
hoofdletter, maar hij eindigt met een punt of een vraagteken of een uitroepteken. Bij de eerste keuzeopdracht: Een
zin, kort of lang, begint altijd met een hoofdletter, maar hij
eindigt met een punt, een vraagteken of een uitroepteken.
Makkelijk zat, dat. (De lange zin is tevens te gebruiken bij
de opdracht die volgt op de leestekst.) Bij de tweede
keuzeopdracht: Er zijn drie leestekens waarmee je een zin
kunt afsluiten. Een daarvan is het uitroepteken. Dat is
heftig. Vergeleken daarmee zijn de andere twee slap, vooral
de punt, omdat die maar weinig zegt, terwijl het vraagteken tenminste nog iets aparts heeft. Bij de derde keuze­
opdracht: Een zin begint met een hoofdletter en een zin
eindigt met een punt, hoewel je ook een vraag- of uitroep­
teken gebruiken kunt. (Ook dit geheel van drie zinnen in
één is te gebruiken bij de opdracht die volgt op de leestekst.)
Beoordeel gezamenlijk of het werk voldoet aan de opdracht. Laat de leerlingen, niet per se allemaal, ook
vertellen wat moeilijk was, en wat gemakkelijk was. Zijn
ze tevreden over het resultaat of is het nog niet ‘helemaal af’? Herinner de leerlingen er zo nodig nog aan dat
ze het eindresultaat in hun schrift moeten overnemen.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- pagina’s in het taalboek bekijken
•Instructie:
- opdrachten voorbereiden
•Verwerking:
- tekst lezen
- opdracht naar keuze uitvoeren
•Reflectie:
- leestekst voorlezen en bespreken
- formuleerwerk presenteren
Meer over zinsbouw
Een zin is een betekenisvol geheel van één of meer
woorden dat ‘af’ klinkt. In een onverkorte hele zin (in
vakjargon: een zinsconstructie) staan altijd een
gezegde en een onderwerp. Als er van beide zinsdelen maar één exemplaar in een zin staat (Rozen
verwelken.), is de zin enkelvoudig. Staan er meer in,
dan is de zin samengesteld – samengesteld uit meer
dan één zin, welteverstaan: Rozen verwelken en
scheepjes vergaan, maar onze vriendschap blijft altijd
bestaan. De voegwoorden en en maar maken van die
drie zinnen één samengestelde zin.
Memo
jaargroep 8 | eenheid 4
141
Les 4: O, dat...
zinsbouw
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen repeteren het herkennen en
benoemen van zelfstandig naamwoorden en
voornaamwoorden.
Materialen
• taalboek E1, pagina 92 en 93
• werkboek E1, pagina 40
• antwoordenboek E1, werkboek pagina 40
• schrift
Bekijk met de leerlingen pagina 92 en 93 van het taalboek. Lees de titel van de les voor, O, dat..., en laat de
leerlingen reageren. Lees ook het doel van de les voor op
pagina 92 van het taalboek, Je repeteert zelfstandig naamwoorden en voornaamwoorden. Laat de leerlingen reageren. Kunnen ze zeggen wat voor soort woorden dat zijn?
Zijn dat woorden die noemen hoe iets of iemand eruitziet?
(Nee, het zijn woorden voor mensen, dieren en dingen.)
Vooraf
Als u na afloop van deze les de indruk hebt
dat de leerlingen weinig moeite hebben met
de behandelde stof, en die indruk wordt na
afname van controletaak 1 voor zinsbouw
bevestigd, dan kunt u in eenheid 8 de instructiefase van les 4 beperken. (In de
linkermarge van de beschrijving van die les
is onder Vooraf een herinnering opgenomen.)
142
jaargroep 8 | eenheid 4
5 minuten
Instructie
10 minuten
Herinner de leerlingen eraan dat ze al weten dat er
allerlei woorden zijn voor mensen, dieren en dingen.
Vertel ze dat je over mensen, dieren en dingen op wel
drie verschillende manieren kunt vertellen. Lees de tekst
direct onder het lesdoel op pagina 92 voor, laat de leerlingen meelezen, en gebruik de tekst om die drie manieren te bespreken.
• De eerste manier is: namen gebruiken. Schrijf namen
op het bord. Gebeurt dat ook in de zinnen op pagina 92
van het taalboek? (Ja, in de eerste zin: Sofie; dat er een
naam in de zin staat, staat eronder.) Schrijf eventueel
Sofie op het bord en laat de leerlingen nog een paar
andere voorbeelden van namen noemen. Bespreek, als
dat zo uitkomt, of het ook bij dingen kan, namen
gebruiken. (Het is niet gebruikelijk, maar soort-, merken serienamen van bijvoorbeeld poppen en auto’s
kunnen wel opgevat worden als namen.)
• De tweede manier is: zelfstandig naamwoorden
gebruiken. Schrijf zelfstandig naamwoorden op het
bord. Staan er zelfstandig naamwoorden in de zinnen?
Of: Wat zijn ook alweer zelfstandig naamwoorden? (De
namen: Sofie
zelfstandig naamwoorden: pa, dochter, tv
voornaamwoorden: zijn, die, ze, het, jij, dat, hem,
hij, haar
leerlingen hebben geleerd dat een zelfstandig
naamwoord één woord voor een mens of mensen, voor
een dier of dieren, voor een ding of dingen is.) Zoek
samen de twee zelfstandig naamwoorden in de eerste
zin op pagina 92 van het taalboek (dat het er twee zijn,
staat in de zin eronder): pa, dochter. Vraag door: Staan
er ook zelfstandig naamwoorden in de volgende zin? (Ja,
tv is er ook één.) Schrijf de voorbeelden eventueel op
het bord en laat de leerlingen nog andere voorbeelden
van zelfstandig naamwoorden noemen.
• De derde manier. Herhaal dat er wel drie manieren zijn
om over mensen, dieren of dingen te vertellen en vraag
aan de leerlingen wat de derde manier is of vertel het
zelf. (Voornaamwoorden gebruiken.) Schrijf voornaamwoorden op het bord en zoek met de leerlingen alle
voornaamwoorden in het tekstje. (Het zijn de volgende
elf gecursiveerde woorden: De pa van Sofie praat tegen
zijn dochter. Maar die kijkt tv, dus ze hoort het niet.
‘Deed jij dat vroeger ook?’ vraagt ze aan hem. ‘Hè? O,
dat…’ zegt hij, haar pa.) Bespreek ook naar wie of
waarnaar enkele van de voornaamwoorden verwijzen.
Vraag bijvoorbeeld wie bedoeld wordt met die in de zin
‘Maar die kijkt tv, dus ze hoort het niet.’, en wat in
dezelfde zin bedoeld wordt met het. (Die: zijn dochter,
Sofie; het: dat haar vader tegen haar praat, zijn
gepraat, wat hij zegt.) Schrijf eventueel ook de negen
verschillende voornaamwoorden op het bord.
gevoelens
K
Sluit af door samen het tekstje onder aan pagina 93 te
lezen (Vader en dochter...) en vertel de leerlingen dat ze
hiermee gaan oefenen.
Verwerking
15 minuten
Bekijk met de leerlingen de opdrachten in het werkboek
en herinner ze eraan dat ze eerst het verhaal op pagina
93 van het taalboek moeten lezen. Geef zo nodig de
betekenis van moeilijke woorden. De leerlingen werken
zelfstandig (alleen of in tweetallen) en kijken hun werk
na met behulp van het antwoordenboek (werkboekdeel).
De laatste opdracht op pagina 40 van het werkboek, een
opdracht voor snelle leerlingen, wordt in het schrift
gemaakt. De opdracht kan niet nagekeken worden in het
antwoordenboek, maar wordt besproken in de reflectie.
Reflectie
15 minuten
Vraag aan de leerlingen welke moeilijkheden ze tegenkwamen bij het maken van de opdrachten. Hebben ze bij
het nakijken veel moeten verbeteren? Welke opdracht
vonden ze moeilijk, maar hebben ze toch helemaal
foutloos gemaakt?
Laat de leerlingen de voornaamwoorden uit opdracht 1
nog eens opnoemen.
Bespreek van opdracht 3 en 4 de twee aankruisvragen
(Waar of niet waar?) wat nader, bijvoorbeeld door de
leerlingen te laten vertellen welke uitspraak over het
voornaamwoord hem wel waar is. (Wel waar is dat dat
voornaamwoord in een zin het lijdend voorwerp kan
zijn.) En welke uitspraak over het is wel waar? (Er zijn
twee woorden het: het voornaamwoord het en het lidwoord het.)
Bespreek naar aanleiding van opdracht 5 eventueel ook
de woorden in de vierde kolom van opdracht 2. Doorzettingsvermogen, moed, onbetrouwbaarheid, wil, wat voor
soort dingen zijn dat? Kun je die zien? Horen? Het goede
antwoord is minder belangrijk dan de gedachtewisseling.
Laat tot besluit de leerlingen die de differentiatieopdracht voorbereid hebben, iets vertellen over de betekenis en de vorm van de zin Sofie wil weten hoe het moet,
dat met die nek... Laat de leerlingen op elkaar reageren.
Ook de leerlingen die de opdracht niet voorbereid hebben, doen mee. Suggesties voor als de leerlingen weinig
te vertellen hebben: laat de leerlingen vertellen op welke
manieren (of: met wat voor soort woorden) die zin
vertelt over mensen, dieren en dingen (op de drie besproken manieren; zie instructie), en waarnaar bijvoorbeeld de voornaamwoorden het en dat verwijzen.
Vertel de leerlingen dat ze in de dagen hierna nog meer
zullen oefenen met deze stof, en wel door de taken 1, 2
en 3 te maken op pagina 41, 42 en 43 in het werkboek.
Laat die desgewenst zien en maak eventueel nu al afspraken over het werk.
Drie taken • 3 x 15 minuten
De lesstof wordt door de leerlingen verder zelfstandig verwerkt in drie taken. Laat de leerlingen met
tussenpozen van ten minste één dag en hooguit drie
dagen aan één taak per dag werken. De taken bij
deze les staan op pagina 41, 42 en 43 in werkboek E1.
Laat de leerlingen de juiste pagina voor zich nemen,
lees voor wat erboven staat en geef zo nodig de
betekenis van moeilijke woorden. De leerlingen
werken zelfstandig (alleen of in tweetallen) en kijken
hun werk na met behulp van het antwoordenboek.
Neem enkele zwakke leerlingen in een groepje apart
en maak de opdrachten samen, hardop werkend.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- illustratie in het taalboek bekijken
- praten over het doel van de les
•Instructie:
- verzamelen van en praten over verschillende soorten woorden voor mensen
•Verwerking:
- verhaal in het taalboek lezen
- opdrachten in het werkboek maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
Evaluatie
Als de leerlingen zowel deze les als bijbehorende taken gemaakt hebben, kunt u controletaak 1 van zinsbouw afnemen. De
controletaak, aanwijzingen hiervoor en de
antwoorden erbij vindt u in de toetsmap.
Voortgang leerlijn zinsbouw
Doorgaande lijn woorden voor mensen, dieren
en dingen (eenheid 4 en 8).
groep 4: D
e leerlingen leren dat er lidwoorden zijn en dat die bij woorden voor
mensen, dieren en dingen horen.
groep 5: D
e leerlingen leren dat er telwoorden zijn en dat die bij woorden voor
mensen, dieren en dingen horen.
groep 6: De leerlingen leren wat zelfstandig
naamwoorden voor soort woorden
zijn.
groep 7: De leerlingen leren voornaamwoorden herkennen en benoemen.
Zin in taalkunde
Voornaamwoorden duiden zelfstandigheden aan
zonder ze te noemen. Ze verwijzen ernaar. Woorden
zoals ik, jij, hij, hem, jou en haar zijn voornaamwoorden en in de zin Het is een heel goeie serie. is ook het
een voornaamwoord. Ook de woorden die, deze, dit
en dat zijn voornaamwoorden, en wel zogeheten
aanwijzende voornaamwoorden. Soms horen die bij
een zelfstandig naamwoord: Die vrouw heeft een
lange nek. Dat programma is saai. Als ze zo gebruikt
worden, kunnen ze altijd vervangen worden door een
lidwoord: dit (of dat) door het lidwoord het, die (of
deze) door het lidwoord de. In Zin in taal spreken we
in zo’n geval van aanwijswoorden.
Van voornaamwoorden spreken we alleen (in Zin in
taal) als die, deze, dit en dat zelfstandig gebruikt
worden, zonder zelfstandig naamwoord erachter: O,
dat... ‘Die heb ik.’ We laten nu gemakshalve in het
midden waar die voornaamwoorden precies naar
verwijzen.
jaargroep 8 | eenheid 4
143
Les 5: Tropisch paradijs
woordenschat
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
Woordbetekenissen:
De leerlingen breiden hun woordenschat uit
met woorden rond het thema ‘gevoelens’.
Strategie:
De leerlingen leren in een tekst naar aanwijzingen te zoeken voor de betekenis van een
onbekend woord en ze leren dat het soms
nuttig is de afgeleide betekenis te controleren.
Materialen
• taalboek E1, pagina 94 en 95
• werkboek E1, pagina 44
• antwoordenboek E1, werkboek pagina 44
• woordkaartjes van de woorden uit de les
(kopieerblad 51 en 52)
• woordenschrift
Vooraf
Als u het verhaal met de leerlingen als
hoorspel wilt lezen, maakt u vier kopieën
van de taalboekpagina’s en markeert u in
elke kopie de tekst van een rol: Guilly, Milena, Daaf en meester Piet. Voor de les laat u
vier leerlingen elk de tekst van een rol
doorlezen.
Maak de woordkaartjes voor deze les klaar.
Herhaling uit deel D
5 minuten
Bekijk samen met de leerlingen pagina 94 en 95 van het
taalboek. Laat ze reageren op de titel en de illustraties
aan de hand van de vragen: Waar zou de les over gaan? en
Wat weet je er al van?
Lees de onderschriften bij de illustraties voor en geef
alvast de betekenis van een paar moeilijke woorden
daaruit. Vestig de aandacht op het vignet voor woordenschat en op de woorden in de blokjes links op de pagina.
Vertel de leerlingen dat ze in deze les gaan leren wat die
woorden betekenen.
Instructie
10 minuten
Lees het verhaal Tropisch paradijs voor of lees het verhaal
samen met een paar leerlingen als hoorspel (zie Vooraf).
De overige leerlingen lezen het verhaal mee in het taalboek.
U kunt een woord uit deel D herhalen (zie kader Herhaling uit deel D).
Behandel de betekenis van de woorden in het eerste
blokje op de linkerpagina in het taalboek. Laat daarbij
(vanwege het strategiedoel van de les) deze keer de
leerlingen proberen de betekenis van de eerste vier woorden af te leiden uit de context van het verhaal. Geef dus
niet meteen de betekenis, maar ga samen met de leerlingen op zoek naar aanwijzingen voor de betekenis.
Laat hen van een paar woorden ook controleren of ze de
betekenis goed hebben afgeleid door die woorden op te
zoeken in het woordenboek. Indien nodig, vult u de
gevonden betekenis aan. Van de laatste drie woorden
geeft u zelf de betekenis. Betrek bij uw uitleg zo veel
mogelijk het verhaal, de plaatjes en de onderschriften
daarbij (zie kader Woorden semantiseren).
De woorden uit het tweede blokje behandelt u nog niet.
De leerlingen kunnen de betekenis van deze woorden
afleiden of opzoeken bij het maken van de opdrachten.
In de reflectiefase komt u op deze woorden terug.
• het paradijs
Laat de leerlingen één of twee woorden uit het eerste
blokje kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Vertel dat ze woorden moeten kiezen die ze nog niet
goed kennen. Zorg ervoor dat de betekenis van de woorden correct in de woordenschriften komt te staan. Laat
de leerlingen de omschrijvingen overnemen van de
woordkaartjes of uit het woordenboek. Of dicteer de
omschrijvingen.
U kunt de leerlingen deze les eventueel ook zelfstandig
laten werken. Laat hen dan na de introductie zelf de
tekst lezen en de betekenis van de woorden afleiden of
opzoeken. Maak de reflectiefase van de les dan langer en
besteed daarin aandacht aan de betekenis van alle
woorden van de les.
Verwerking
Lees de opdrachten voor van pagina 44 in het werkboek.
De leerlingen kunnen de opdrachten zelfstandig maken.
U kunt de opdrachten ook samen met de leerlingen doen
of hen in tweetallen laten werken. De leerlingen kunnen
hun werk zelfstandig nakijken met behulp van het
antwoordenboek (werkboekdeel).
De laatste opdracht (met ster) is een differentiatieopdracht voor leerlingen die snel klaar zijn met opdracht 1,
2 en 3.
Reflectie
jaargroep 8 | eenheid 4
15 minuten
Vraag de leerlingen hoe ze de opdrachten hebben gemaakt. Wat waren de problemen?
Behandel de betekenis van de woorden in het tweede
blokje in het taalboek (zie kader Woorden semantiseren).
Betrek daarbij de antwoorden van de leerlingen op de
Memo
144
15 minuten
gevoelens
K
opdrachten. Laat de leerlingen weer één of twee woorden kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Bespreek bij opdracht 3 uit welke woorden de betekenis
afgeleid kon worden:
• uitblazen – Af te leiden uit: ze hebben lang gezwommen
en gespeeld, ze zijn dus moe.
• ongemakkelijk – Af te leiden uit: een onprettig gevoel.
• Dat zit hem dwars. – Af te leiden uit: Wat vervelend!
• met nadruk – Af te leiden uit de grote letters, die
aangeven dat hij het heel duidelijk zegt en uit het
woord duidelijk.
• giebelen – Af te leiden uit: uitlachen.
Leerlingen die ook de differentiatieopdracht gemaakt
hebben, vraagt u de betekenisomschrijving uit het
woordenboek voor te lezen. Vraag of die klopt met de
betekenis die ze hebben afgeleid.
Concludeer met de leerlingen dat je soms in de context
aanwijzingen kunt vinden voor de betekenis van een
onbekend woord. Als je eraan twijfelt of je de betekenis
goed hebt afgeleid, kun je die controleren in het woordenboek.
Woorden semantiseren
De betekenis afleiden en omschrijven
iets bekonkelen – Verhaal: De kinderen hebben van tevoren al bekonkeld hoe de groepjes worden. Je kunt
afleiden wat ‘bekonkeld’ betekent uit de woorden ‘van tevoren’ en uit het feit dat de kinderen niets tegen elkaar
zeggen, maar meteen op hun nieuwe plaats gaan zitten. Het betekent: iets stiekem afspreken.
hatelijk – Verhaal: Daaf lacht hatelijk. Hij zegt gemene dingen, dus ‘hatelijk’ zal wel ‘niet aardig’ betekenen. Je
kunt de betekenis ook afleiden door het woord uit elkaar te halen: je ziet het woord ‘haat’ erin. Het betekent:
expres gemeen en beledigend. Om iemand met opzet pijn te doen.
minachten – Verhaal: Guilly draait zich minachtend om, als Milena zegt dat ze naar het tropisch paradijs gaan.
Je kunt afleiden wat het betekent door hoe hij kijkt op het plaatje. Hij vindt het maar niks wat ze zegt.
Het betekent: op iemand of iets neerkijken. Je vindt iemand of iets niet veel waard.
soezerig – Verhaal: Guilly en Milena zijn soezerig van het zwemmen. Je kunt afleiden wat het betekent door wat
je zelf weet over hoe je je vaak voelt na het zwemmen: een beetje moe en slaperig, Misschien kun je het ook op
het plaatje zien. Het betekent: half slapend. Slaperig.
Voordoen of uitbeelden en verwoorden
giebelen – Giechelen. Zachtjes en hoog lachen.
de nadruk – De kracht waarmee je iets zegt. Je wilt het extra duidelijk maken. Je laat daardoor merken dat het
belangrijk is. Verhaal: Guilly vraagt met nadruk waarom Milena hem heeft uitgenodigd.
Iets erover vertellen
het bubbelbad – Een bad met luchtbelletjes erin. De belletjes ontstaan doordat er met een apparaat lucht in het
zwembad geblazen wordt.
de chloor – Een stof die schadelijke bacteriën doodt. (Bacteriën zijn piepkleine beestjes. Van sommige bacteriën
kun je ziek worden.) Chloor zit in sommige schoonmaakmiddelen en het wordt gebruikt om het water van
zwembaden te zuiveren. Verhaal: Na het zwemmen ruikt Milena naar chloor.
Met andere woorden zeggen en voorbeelden geven
Dat zit hem dwars. – Hij vindt het vervelend. Verhaal: Guilly denkt: Misschien vindt Milena me zielig. Dat zit
hem dwars.
de kat uit de boom kijken – De situatie eerst eens rustig bekijken. Even afwachten. Niet meteen iets doen.
Verhaal: Guilly is nieuw in de klas. De kinderen gaan niet veel met hem om. Ze kijken de kat uit de boom.
ongemakkelijk – Niet op zijn gemak. Met een onprettig gevoel.
Het is één pot nat. – Het is allemaal hetzelfde. Verhaal: Milena vindt het normaler zoals het vroeger was: jongen, meisjes, één pot nat.
iets in je schild voeren – Een geheim plan hebben. Verhaal: Guilly denkt dat Milena iets in haar schild voert, als
ze hem uitnodigt voor haar verjaardag.
uitblazen – Uitrusten na een grote inspanning. Op adem komen. Verhaal: Ze hebben lang gezwommen en
gespeeld. Nu zitten ze even uit te blazen.
van wal steken – Beginnen te praten of te vertellen. Verhaal: Milena wil nog iets vragen. Guilly zegt: ‘Steek maar
van wal.’
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- woorden leren voorbereiden
•Instructie:
- Tropisch paradijs voorlezen of lezen als
hoorspel
- de betekenis van woorden afleiden
- woorden semantiseren
•Verwerking:
- opdrachten in het werkboek maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
- woorden semantiseren en consolideren
•Herhaling:
- woorden consolideren
Herhaling
Besteed de komende dagen af en toe vijf of
tien minuten aan het herhalen van de
woorden van les 5. Kies bijvoorbeeld samen
met de leerlingen een woord als ‘woord van
de dag’. Geef het woordkaartje van dat
woord een opvallende plaats in de klas en
besteed er een paar keer aandacht aan.
Evaluatie
U kunt tevreden zijn als de leerlingen de
woorden begrijpen. Laat hen geen omschrijvingen uit het hoofd leren. U kunt nagaan of
de leerlingen de woorden uit les 5 begrijpen
door opdrachten te geven en vragen te
stellen, zoals:
de nadruk – Doe eens voor hoe je iets met
nadruk zegt.
soezerig – Is dat slaperig of heel lief?
van wal steken – Betekent dat: beginnen te
vertellen, of: iemand uitschelden?
Noteer de woorden die de leerlingen nog
niet kennen en laat die woorden nog eens in
een herhalingsactiviteit aan de orde komen.
jaargroep 8 | eenheid 4
145
Les 6: Raak
schrijven
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen leren dat en waarom het
plezierig en belangrijk is om je kennis en
gedachten op papier te ordenen en te herordenen.
De leerlingen leren zes vaste inhoudselementen in teksten herkennen en gebruiken:
wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe (de
vijf W’s en de H).
De leerlingen schrijven een uiteenzetting of
een beschouwing van twee of drie alinea’s.
Materialen
5 minuten
Bekijk samen met de leerlingen pagina 98 en 99 van het
taalboek. Laat ze kort reageren op de illustratie en op de
titel van de les, Raak. Wat kan dat te maken hebben met
het thema van de eenheid, ‘gevoelens’? (Bijvoorbeeld: als
je vindt dat iets heel goed gezegd is, dan is het raak. Of:
iets kan zo gezegd worden, dat het iets met je doet. Dan
raakt het jou.)
Lees ook het doel van de les voor, tevens de schrijfopdracht, boven aan pagina 98: Je schrijft over wat je weet of
wat je vindt van iets wat je gelezen hebt. Net als Enzo. Die
schrijft over een gedicht dat hij geleerd heeft.
• taalboek E1, pagina 98 en 99
• schrijfpapier
Instructie
10 minuten
Vooraf
Schrijf de ‘term’ De vijf W’s en de H op het
bord.
Van het gedicht Het evenwicht van Totò
bestaat voor zover wij konden nagaan geen
Nederlandstalige versie.
Laat de leerlingen zeggen hoeveel alinea’s Enzo geschreven heeft (twee) of laat een leerling het eerste en het
laatste woord van de eerste alinea van Enzo’s tekst
noemen. (Van, geweest.) Vraag even door, bijvoorbeeld
zo: Passen allebei die alinea’s tussen duim en wijsvinger?
(Ja.) Hoeveel zinnen staan er in de laatste alinea van Enzo?
(Eén.) Mag dat zomaar, een alinea van één zin? (Tuurlijk,
waarom zou dat niet mogen?)
Genoeg hierover, nu eens lezen wat Enzo schrijft. Lees de
tekst voor of laat dat doen door een leerling. Laat de
leerlingen reageren, liever een wat groter aantal leerlingen kort dan maar twee of drie uitvoerig. Gebruik, als
dat zo uitkomt, een reactie van een leerling als overstapje naar de bespreking van de tekst, bijvoorbeeld als
een leerling opmerkt dat hij weten wil of Het evenwicht
een oud of een modern gedicht is. Vraag anders gewoon
aan de leerlingen of er iets is wat Enzo niet schrijft,
terwijl ze dat wel graag nog zouden weten. Vraag ook of
er iets is wat zij beslist in een tekst als deze zouden
schrijven: Als jij zoiets zou schrijven, wat zou jij er dan
absoluut nog bij zetten? Vraag door: Zou je dat in een
nieuwe alinea schrijven? Of: Zou je dat nog in de eerste
alinea erbij schrijven en er dan twee alinea’s van maken?
En: Hoe zou je zin worden? (Of: Hoe zou je zin beginnen?)
Besteed ook aandacht aan wat Enzo wel schrijft, meer in
het bijzonder aan zijn laatste alinea, waarin hij de diepere betekenislaag van het gedicht verklaart. Vraag
bijvoorbeeld of de leerlingen begrijpen waarom het
gedicht Het evenwicht heet. Als je leest wat de dichter Totò
zegt in zijn gedicht, in de eerste alinea, vind je dan dat die
titel goed past? En als je leest wat het gedicht betekent?
Leg tijdens de hele bespreking telkens als dat mogelijk is
een verband met de vijf W’s en de H. Weten de leerlingen
wat hiermee bedoeld wordt? Of: Welke vijf vraagwoorden
die beginnen met de letter W ken je? Welk vraagwoord dat
met de letter H begint? Laat ze gerust spieken in het
kadertje met aandachtspunten op pagina 99 van het
taalboek. Informatie over de manier waarop Enzo de zes
vaste inhoudselementen in zijn tekst verwerkt heeft, is
te vinden in het kader De vijf W’s, de H en Enzo.
Sluit af door nogmaals het doel van de les voor te lezen,
tevens de schrijfopdracht, boven aan pagina 98 en wijs
de leerlingen op het kader met aandachtspunten op
pagina 99 in het taalboek. Lees het voor, de leerlingen
lezen mee.
Verwerking
15 minuten
De leerlingen werken aan een uiteenzetting of een
beschouwing van twee of drie alinea’s. De tekst in het
taalboek kan een inspiratiebron zijn, maar ook andere
bronnen kunnen aangeboord worden. Ze mogen ook een
eigen versie van de tekst van Enzo schrijven, of iets
soortgelijks over een gedicht in les 12 uit eenheid 1, 2 of
3. Ook moeten ze tijdens het schrijven de vijf W’s en de
H in hun achterhoofd houden.
Ze werken alleen, maar kunnen, als ze dat zo gewend
zijn, wel tussendoor overleggen met een of twee andere
leerlingen met wie ze goed kunnen samenwerken.
Als u tijdens de verwerking uw handen vrij hebt, kunt u
Tekst en uitleg
De teksten die de leerlingen in les 6 schrijven, zijn
niet specifiek voor lezers bedoeld. Maar dat hoeft
niet te betekenen dat de teksten in een la verdwijnen. In plaats daarvan kunt u in overleg met de
leerlingen een bundel met eigen werk samenstellen,
bijvoorbeeld een waarin aan het einde van het
schooljaar de twee of drie beste teksten van elke
leerling zitten. Het selecteren van teksten voor zo’n
bundel kan nu al beginnen. Het is ook een mooie
aanleiding om met individuele of kleine groepjes
leerlingen over het schrijfwerk te praten. Bespreek de
schrijfproducten: Welke teksten vind je goed? Waar-
146
jaargroep 8 | eenheid 4
om? (Wie van de anderen vindt dat ook? Wie niet?
Waarom niet?) Bespreek liefst ook de ontwikkeling:
Wat vond je eerst moeilijk, maar nu eigenlijk niet meer?
Wat vind je nog steeds ingewikkeld? Waardoor kan dat
komen? (Wie van de anderen heeft dat ook?). En bespreek de verzorging van de teksten. Hoe kan het dat
je tekst net zo veel alinea’s als zinnen heeft? Of: Aan
welke zinnen lijkt maar geen eind te komen? En, ten
slotte: Staan er helemaal geen spelfouten meer in?
Zeker weten? Zie voor de evaluatie van het schrijfwerk ook Toetsmap E, pagina 105.
gevoelens
K
extra aandacht geven aan de leerlingen die moeite
hebben met de opdracht. Weten ze niet waarover ze
moeten schrijven? Help ze op weg door samen te zoeken
naar de leukste pagina uit het taalboek die ze gezien
hebben. Wat is daarop afgebeeld? Wat maakt dat ze daar
graag naar kijken? Wat heeft het met henzelf te maken?
Kunnen ze dat in drie alinea’s onder woorden brengen?
Reflectie
15 minuten
Laat de leerlingen die dat willen hun tekst voorlezen. En
laat ze, als ze klaar zijn, twee leerlingen kiezen om over
die tekst een opmerking te maken of een vraag te stel-
len. Of begin de reflectie met een inventarisatie van
vragen die je zou kunnen stellen naar aanleiding van het
schrijfwerk. Laat leerlingen voorbeelden van zulke vragen geven, en noteer die in steekwoorden op het bord.
Mogelijke vragen zijn: Over welke van de vijf W’s en de H
schrijf je in de eerste alinea? En over welke in de laatste?
Waarover schrijf je veel? Waarover weinig? Waarover niks?
Waarom?
Bombardeer de voorlezers niet met vragen, maar maak
bijvoorbeeld vooraf met elkaar een afspraak over welke
drie vragen er aan elke voorlezer gesteld gaan worden.
Geef de voorlezers ook de gelegenheid om iets extra’s te
vertellen of laat ze alsnog iemand aanwijzen om een
andere vraag te stellen.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- oriëntatie op de taak
•Instructie:
- praten over de tekst van Enzo
•Verwerking:
- schrijven
•Reflectie:
- werk voorlezen en bespreken
De vijf W’s, de H en Enzo
Wie? • Over wie schrijft Enzo? Over de dichter Totò,
meer in het bijzonder over twee van zijn personages:
een overleden arme straatveger en een overleden
rijke edelman.
Wat? • Wat schrijft Enzo daarover? Dat hij het gedicht
dat Totò aan hen gewijd heeft, leuk vindt, leuker dan
alle andere gedichten die ze ‘dit jaar’ geleerd hebben.
Hij vertelt ook de inhoud en verklaart die.
Waar? • Waar speelt het zich af? Op het kerkhof.
Wanneer? • Wanneer speelt het zich af? Enzo vertelt
niet wanneer de gebeurtenissen uit het gedicht zich
afspelen, zelfs niet of het ’s nachts of overdag is. En
wat doet het er ook toe.
Waarom? • De waaromvraag kan betrekking hebben
op het waarom van het gedicht: waarom heeft Totò
het gedicht geschreven? Dat legt Enzo uit in zijn
laatste alinea. De waaromvraag kan ook betrekking
hebben op Enzo’s keuze: Waarom vindt hij nou juist
dit gedicht het leukste? Dat maakt Enzo nergens
helemaal duidelijk. Vraag door: Is dat jammer? Daarover hoeven de leerlingen het niet met elkaar eens te
zijn.
Hoe? • De hoevraag kan bijvoorbeeld opgevat worden
als een vraag naar het verloop van het gesprek tussen de dode straatveger en de dode edelman. Hoe
verloopt dat gesprek? Of als een vraag naar het hele
gedicht: Hoe gaat dat gedicht? Het eerste werkt Enzo
nauwelijks uit, het tweede helemaal niet. Vraag door:
Had Enzo dat wel moeten doen? Nee, want wat hij
schrijft, gaat daar helemaal niet over. Het zou maar
afleiden als hij dat ook allemaal geschreven had.
Spreekbeurten/werkstukken
Naar aanleiding van en met behulp van de teksten
Kleine mens en Uitvindertjes gevraagd op pagina 96
en 97 in het taalboek bereidt een aantal leerlingen
een presentatie voor les 14 voor (zie ook kader
Spreekbeurten/werkstukken in les 1 en 14).
Houd halverwege de eenheid, in de tweede week, een
korte werkbespreking. Wanneer u de leerlingen die
met dezelfde tekst werken bij elkaar neemt, zal het
gaan om tweemaal tien minuten. Dit kan als de
overige leerlingen zelfstandig werken en anders, op
twee dagen, even na schooltijd. Als het nodig is, kunt
u tijdens de werkbespreking de betekenis herhalen
van de moeilijke woorden (in dit geval: de groeistoornis, de lilliputter, aanstaren, alledaags).
Suggesties voor vragen tijdens de bespreking.
• Kleine mens – Heb je weleens een kleine mens
ontmoet? Hoe ging dat? Vind je het moeilijk je in te
leven in Mila? Wat lijkt je het meest vervelend?
Heeft het ook voordelen, denk je? Wat voor
situaties heb je geprobeerd je voor te stellen?
• Uitvindertjes gevraagd – Heb je al een uitvinding
bedacht? Wordt het een grote of kleine uitvinding?
Kun je je ontwerp ook tekenen?
jaargroep 8 | eenheid 4
147
Les 7: De zangwedstrijd
woordenschat
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
Woordbetekenissen:
De leerlingen breiden hun woordenschat uit
met woorden rond het thema ‘gevoelens’.
Relaties tussen woorden:
De leerlingen leren een relatie te leggen
tussen woorden waarvan de betekenissen
een tegenstelling vormen.
Materialen
• taalboek E1, pagina 100 en 101
• werkboek E1, pagina 45
• antwoordenboek E1, werkboek pagina 45
• woordkaartjes van de woorden uit de les
(kopieerblad 53 en 54)
• woordenschrift
• voorleesverhaal (handleiding pagina 167)
Bekijk samen met de leerlingen pagina 100 en 101 van het
taalboek. Laat ze reageren op de titel en de illustraties
aan de hand van de vragen: Waar zou de les over gaan? en
Wat weet je er al van? Vertel dat het verhaal in deze les
een verhaal is van de oude Grieken. Vertel eventueel kort
iets over de goden uit de Griekse mythologie, maar dat
is niet noodzakelijk. De leerlingen kunnen het verhaal
begrijpen zonder de namen van de goden die erin voorkomen te kennen.
Lees de onderschriften bij de illustraties voor en geef
alvast de betekenis van een paar moeilijke woorden
daaruit. Vestig de aandacht op het vignet voor woordenschat en op de woorden in de blokjes links op de pagina.
Vertel de leerlingen dat ze in deze les gaan leren wat die
woorden betekenen.
Vooraf
Als u het verhaal met de leerlingen als
hoorspel wilt lezen, maakt u achttien kopieën van de voorleestekst en markeert u in
elke kopie de tekst van een rol: de negen
zusters en de negen Muzen. Er is aparte
tekst voor de jongste en de oudste zus, de
Muzen spreken steeds alle negen tegelijk.
Voor de les laat u achttien leerlingen elk de
tekst van een rol doorlezen.
De uitspraak van een paar namen uit het
verhaal: Kalliope (Kalliopee), Demeter (Deemeeter), Persephone (Perseefonee).
Maak de woordkaartjes voor deze les klaar.
5 minuten
Instructie
10 minuten
Lees het verhaal De zangwedstrijd voor. De leerlingen
volgen het verhaal aan de hand van de illustraties. Noem
volmaakt
gebrekkig
Herhaling uit deel D
• buitengewoon
• de rang
• het treffen
steeds het nummer dat in de tekst tussen haakjes vermeld staat en vertel de leerlingen dat ze naar het plaatje
met dat nummer moeten kijken. De zinnen uit het
verhaal die op het nummer volgen, hebben betrekking
op dat plaatje.
Na het voorlezen kunt u een paar woorden uit deel D
herhalen (zie kader Herhaling uit deel D). Niet alle woorden hoeven herhaald te worden, kies er een paar uit.
Behandel daarna de betekenis van de woorden in het
eerste blokje op de linkerpagina in het taalboek. Geef
zelf de betekenis van de woorden. Vraag dus nog niet
Woorden semantiseren
Voordoen of uitbeelden en verwoorden
vastberaden – Vast van plan om te doen wat je besloten hebt. Resoluut. Verhaal: De middelste zuster stapte
vastberaden naar voren en begon te zingen.
vervaarlijk – Woest en angstaanjagend. Verhaal: Het lied ging over een gevecht met een stel vervaarlijke reuzen.
vleien – Overdreven vriendelijk of lief tegen iemand doen. Meestal om iets van hem of haar gedaan te krijgen of
omdat je wilt dat hij of zij jou aardig vindt. Vleiende woorden zijn woorden die je strelen, die je een prettig
gevoel geven. Verhaal: Het lied was niet bepaald vleiend voor de goden.
Met andere woorden zeggen en voorbeelden geven
de aanklacht – Een beschuldiging. Verhaal: De Muzen vinden het lied van de zusters een aanklacht tegen de
goden.
adembenemend mooi – Heel erg mooi. Prachtig. Verhaal: Het lied van Kalliope klonk adembenemend mooi.
iemand afschilderen als – Op een bepaalde manier over iemand vertellen of iemand op een bepaalde manier
beschrijven. Verhaal: In het lied van de zusters werden de goden afgeschilderd als bangeriken.
iemand afvaardigen – Iemand sturen om een groep mensen te vertegenwoordigen. Verhaal: Beide partijen
mochten iemand afvaardigen.
bespottelijk – Belachelijk. Gek. Verhaal: De Muzen vonden het idee voor de wedstrijd bespottelijk.
de herkansing – Een nieuwe kans die je krijgt kort nadat je de eerste keer geen succes hebt gehad. Verhaal: Toen
de zusters de wedstrijd verloren hadden, wilden ze een herkansing.
kunstzinnig – Met gevoel voor kunst. Artistiek.
iemand schaken – Iemand uit liefde ontvoeren. Verhaal: Kalliope zingt over Hades, die een meisje had geschaakt.
naast je schoenen lopen – Erg verwaand zijn. Verhaal: De dochters van Pieros liepen naast hun schoenen van
verwaandheid.
spichtig – Lang en dun. Verhaal: De eksters hadden spichtige poten.
erop staan dat – Per se willen dat iets gebeurt. Verhaal: De Muzen stonden erop dat zij de regels voor de wedstrijd mochten bepalen.
volmaakt – Als iets niet beter kan. Het is perfect. Verhaal: De dochters van Pieros vonden zichzelf volmaakt.
148
jaargroep 8 | eenheid 4
gevoelens
K
aan de leerlingen om uit te leggen wat de woorden
betekenen. Betrek bij uw uitleg zo veel mogelijk het
verhaal, de plaatjes en de onderschriften daarbij (zie
kader Woorden semantiseren).
Laat de leerlingen één of twee woorden uit het eerste
blokje kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Vertel dat ze woorden moeten kiezen die ze nog niet
goed kennen. Zorg ervoor dat de betekenis van de woorden correct in de woordenschriften komt te staan. Laat
de leerlingen de omschrijvingen overnemen van de
woordkaartjes of uit het woordenboek. Of dicteer de
omschrijvingen.
De woorden uit het tweede blokje behandelt u nog niet.
De leerlingen kunnen de betekenis van deze woorden
afleiden of opzoeken bij het maken van de opdrachten.
In de reflectiefase komt u op deze woorden terug.
Besteed vervolgens aandacht aan tegenstellingen. Herinner de leerlingen eraan dat ze al vaak tegenstellingen
zijn tegengekomen. Zoek samen met hen naar het
tegenovergestelde van een paar woorden in het verhaal,
bijvoorbeeld: volmaakt – gebrekkig, vastberaden – onzeker, vervaarlijk – schattig.
U kunt de tegenstellingen visueel maken met het schema van de wegwijzer met twee bordjes naar verschillende richtingen. Teken het schema op het bord en
schrijf woorden die een tegenstelling vormen op de
bordjes.
Verwerking
15 minuten
Lees de opdrachten voor van pagina 45 in het werkboek.
De leerlingen kunnen de opdrachten zelfstandig maken.
U kunt de opdrachten ook samen met de leerlingen doen
of hen in tweetallen laten werken. De leerlingen kunnen
hun werk zelfstandig nakijken met behulp van het
antwoordenboek (werkboekdeel).
Bespreek, indien nog nodig, met de leerlingen op welke
manier ze de opdrachten gaan maken. Vertel dat het
heel goed is als ze eerst proberen om zonder hulp de
antwoorden te vinden. Soms kunnen ze het antwoord
afleiden uit plaatjes of uit andere woorden in de opdracht. Maar het is niet erg als ze een antwoord niet
meteen weten. Ze mogen die zin of dat woord dan best
even overslaan en eerst de andere opdrachten maken.
Herinner de leerlingen eraan dat er verschillende manieren zijn om achter het juiste antwoord te komen. Ze
kunnen de betekenis van woorden opzoeken in het
woordenboek, aan u of aan een medeleerling vragen, of
ze kunnen de goede oplossing vinden in het antwoordenboek.
De laatste opdracht (met ster) is een differentiatieopdracht voor leerlingen die snel klaar zijn met opdracht 1
en 2.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- woorden leren voorbereiden
•Instructie:
- De zangwedstrijd voorlezen
- woorden semantiseren
- praten over tegenstellingen
•Verwerking:
- opdrachten in het werkboek maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
- woorden semantiseren en consolideren
•Herhaling:
- woorden consolideren
Herhaling
Reflectie
15 minuten
Vraag de leerlingen hoe ze de opdrachten hebben gemaakt. Wat waren de problemen?
Behandel de betekenis van de woorden in het tweede
blokje in het taalboek (zie kader Woorden semantiseren).
Laat de leerlingen ook één of twee van deze woorden
kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Neem daarna kort de antwoorden op de opdrachten met
de leerlingen door. Leerlingen die ook de laatste opdracht gemaakt hebben, vraagt u hun wegwijzers te
laten zien. Laat de andere leerlingen vertellen of ze
vinden dat er echte tegenstellingen op staan.
Concludeer met de leerlingen dat je woorden met elkaar
kunt verbinden als ze tegenovergestelde betekenissen
hebben. Door woorden aan elkaar te verbinden, kun je ze
beter begrijpen en onthouden.
Memo
Besteed de komende dagen af en toe vijf of
tien minuten aan het herhalen van de
woorden van les 7. Laat de leerlingen bijvoorbeeld om de beurt een woordkaartje
kiezen en het woord uitbeelden, omschrijven of tekenen. De andere leerlingen raden
welk woord het is.
Evaluatie
U kunt tevreden zijn als de leerlingen de
woorden begrijpen. Laat hen geen omschrijvingen uit het hoofd leren. U kunt nagaan of
de leerlingen de woorden uit les 7 begrijpen
door opdrachten te geven of vragen te
stellen, zoals:
naast je schoenen lopen – Betekent dat: erg
verwaand zijn, of: zere voeten hebben?
spichtig – Is dat lang en dun, of bang en
schuw?
vleien – Doe eens voor hoe je dan praat.
Noteer de woorden die de leerlingen nog
niet kennen en laat die woorden nog eens in
een herhalingsactiviteit aan de orde komen.
jaargroep 8 | eenheid 4
149
spreken | luisteren
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen leren dat sommige mensen zo
anders zijn dat je soms niet zo goed weet
hoe je met ze moet omgaan.
De leerlingen ervaren dat taal allerlei vormen kent, dat je met taal kunt spelen en dat
je je door taal kunt uiten.
Les 8: Droomtijd
5 minuten
De leerlingen nemen hun taalboek voor zich op pagina
102 en 103. Laat ze kort reageren op de titel Droomtijd en
op de illustratie bij het verhaal. Zeg dat de schooltijd
voorbij is en dat Milan naar de fietsenstalling loopt om
zijn fiets te pakken. Lees de voorleesversie van het verhaal op pagina 102 voor.
Materialen
• taalboek E1, pagina 102 en 103
• kopieerblad 45 en 46
• antwoordenboek E1, kopieerblad 45 en 46
Vooraf
Zorg voor voldoende exemplaren van
kopieerblad 45 en 46.
Moeilijke woorden
• dagdromen
• de nachtmerrie
bang zijn dat ze jou gek, raar of vreemd vinden).
Bijvoorbeeld: Milan is bang dat hij te veel vertelt.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
Bijvoorbeeld: Milan durft Emily bijna niet aan te kijken.
• Alle mensen hebben gevoelens. Bijvoorbeeld: Milan
vindt Emily heel erg leuk.
Verwerking
Instructie
10 minuten
Laat de leerlingen kort op het verhaal reageren. Ga
eventueel kort in op de woorden in het kader Moeilijke
woorden. Bespreek met de leerlingen wat Milan en Emily
tegen elkaar zeggen en bereid ze daardoor voor op de
opdracht die ze tijdens de verwerking zelfstandig gaan
uitvoeren. U kunt bij de bespreking gebruikmaken van
de aanwijzingen in het kader Zelfstandig leren. Verwijs
ten slotte naar de leerlingdoelen onder aan pagina 103 en
concludeer samen met de leerlingen:
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden (of
15 minuten
De leerlingen lezen in tweetallen de dialoogversie van
het verhaal op pagina 103. Ze doen dit tweemaal, zodat
iedere leerling beide rollen leest. Daarna vullen ze, het
liefst samenwerkend, de dialogen op hun kopieerblad in
en bereiden, als daar tijd voor is, het hoorspel voor.
Reflectie
15 minuten
Lees eerst als introductie nogmaals de verhaalversie voor
op pagina 102 van het taalboek. Vertel de leerlingen dat
ze met behulp van het kopieerblad de dialogen van Emily
Meer over spreken | luisteren
In deze tweede les van de leerlijn spreken/luisteren is
er, behalve aandacht voor de taalfunctie omgaan met
elkaar, veel ruimte voor taalbeschouwing. Dit wil
zeggen dat de leerlingen kennis en inzicht verwerven
over betekenis, gebruik en vorm van taal en dat ze
plezier hebben of houden in het gebruiken van en
150
jaargroep 8 | eenheid 4
nadenken over taal. In deze les gaat het om de volgende drie accenten van taalbeschouwing:
• taal en pluriformiteit (taal kent allerlei vormen);
• taal en spel (je kunt door taal je fantasie
gebruiken);
• taal en expressie (je kunt je door taal uiten).
gevoelens
K
en Milan als hoorspel mogen voorlezen. Wijs een tweetal
aan en vraag twee leerlingen de rollen op de eerste drie
plaatjes te lezen. Laat vervolgens de overige leerlingen
op het hoorspel reageren. Herhaal deze procedure bij de
plaatjes 4 en 5 en daarna ook met 6, 7 en 8. Bij de bespreking kunt u gebruikmaken van de aanwijzingen in
het kader Meer over spreken | luisteren. Vraag de leerlingen ook naar hun eigen invulling van wat de personages
zeggen en constateer afsluitend:
• Taal is meer dan woorden. Bijvoorbeeld: Milan knijpt
zijn lippen stijf dicht.
• Je kunt met taal spelen. Bijvoorbeeld: iets een
dromenvanger noemen.
• Je kunt door taal aan anderen laten merken wat je
denkt of voelt. Bijvoorbeeld: Milan roept: ‘Natuurlijk
wel!’ als Emily vraagt of hij geen tijd of zin heeft om
met haar mee te gaan.
Zelfstandig leren
Bij de lessen van de leerlijn spreken/luisteren werken
de leerlingen zo veel mogelijk zelfstandig aan hun
taak. Het is belangrijk dat er tijdens het zelfstandig
werken niet alleen sprake is van zelfstandig werken,
maar ook van zelfstandig léren. Dit kan worden
bevorderd door vooraf aandacht te besteden aan de
volgende zaken:
• Oriëntatie van de leerlingen op de taak. Vindt
Milan het leuk dat hij Emily bij de fietsenstalling
tegenkomt? En vindt Emily het leuk dat ze Milan
daar ziet? Waarom denk je dat?
• Aangeven dat de taak niet te moeilijk is. Je kunt je
taalboek gebruiken om op te zoeken wat Milan en
Emily zeggen.
• Ruimte bieden voor de eigen inbreng van de leerlingen. Natuurlijk mag je ook zelf bedenken wat ze
zeggen.
• Als je samenwerkt, moet je ook samen beslissen.
Overleg met elkaar wat er wordt gezegd. Het moet
wel bij het verhaal blijven passen.
• Stimuleer de leerlingen het resultaat van hun
samenwerking te presenteren. Bereid de ingevulde
tekst met elkaar voor, want aan het eind van de les
gaan jullie het verhaal weer als hoorspel lezen.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- oriëntatie op het verhaal
- verhaal voorlezen
•Instructie:
- dialogen bespreken
- zelfstandig leren voorbereiden
- koppeling naar lesdoel
•Verwerking:
- dialoogversie lezen
- dialogen op het kopieerblad invullen
•Reflectie:
- presentatie (hoorspel)
- koppeling naar lesdoel
Memo
jaargroep 8 | eenheid 4
151
Les 9: Emoties
woordenschat
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen breiden hun woordenschat uit
met woorden rond het thema ‘gevoelens’.
Materialen
• taalboek E1, pagina 104 en 105
• antwoordenboek E1, taalboek pagina 4
• woordkaartjes van de woorden uit de les
(kopieerblad 55 en 56)
• schrift
• woordenschrift
Vooraf
Zorg dat het boek waar de tekst uit komt in
de klas is. Of zoek een ander geschikt boek
over gevoelens. De tekst is ontleend aan:
Robert Winston (2004). Waarom lust ik geen
spruitjes? Tielt: Lannoo.
5 minuten
Bekijk samen met de leerlingen pagina 104 en 105 van
het taalboek. Laat ze reageren op de titel en de illustraties aan de hand van de vragen: Waar zou de les over
gaan? en Wat weet je er al van?
Vertel de leerlingen dat de tekst van de les uit een boek
komt en laat zo mogelijk het boek zien of een ander
geschikt boek over de mens en gevoelens. Stimuleer de
leerlingen om dat boek na de les eens te gaan lezen.
Vestig de aandacht op het vignet voor woordenschat en
op de woorden in de blokjes links op de pagina. Vertel de
leerlingen dat ze in deze les gaan leren wat die woorden
betekenen. Geef alvast aan de hand van de illustraties de
betekenis van een paar woorden uit de les, bijvoorbeeld
het gelaat en de afkeer.
Instructie
10 minuten
Maak de woordkaartjes voor deze les klaar.
Lees de tekst van beide pagina’s voor en laat de leerlingen meelezen. U kunt een paar woorden uit voorgaande
oprecht
vals
Herhaling uit voorgaande lessen
Uit eenheid 3:
• de emotie
Uit voorgaande delen:
• herlezen
• de neusvleugels
• overdrijven
• het signaal
• typisch
• de uitdrukking
• de vreugde
lessen herhalen (zie kader Herhaling uit voorgaande
lessen).
Behandel daarna de betekenis van de woorden in het
eerste blokje op de linkerpagina in het taalboek. Geef
zelf de betekenis van de woorden. Vraag dus nog niet
aan de leerlingen om uit te leggen wat deze woorden
betekenen. U kunt gebruikmaken van de uitleg in het
Woorden semantiseren
Aanwijzen of tekenen en omschrijven
het gelaat – Het gezicht. Tekst: Bij elke emotie hoort een gelaatsuitdrukking. Je kunt die emotie op iemands
gezicht zien.
de boventand – Een tand in de bovenste helft van je gebit. In je bovenkaak. Tekst: Als je lacht, krult je bovenlip
omhoog en worden je boventanden zichtbaar.
de neusbrug – Het bovenste deel van je neus, dat de neusvleugels verbindt. Tekst: Als je afkeer voelt, ontstaan
er op je neusbrug diepe rimpels.
de oorlel – Het onderste stukje van je oor.
de pupil – Het zwarte rondje midden in je oog. Het wordt kleiner als het lichter is en groter als het donkerder is.
Het wordt ook groter als je opgewonden bent.
de slaap – Het stukje aan de zijkant van je hoofd tussen je ogen en je oren.
de wallen – Verdikkingen of donkere kringen onder je ogen. Die krijg je als je lacht en als je te weinig slaapt.
Voordoen en verwoorden
vernauwen – Nauwer worden. Smaller worden. Als ogen vernauwen, gaan ze een beetje dicht. Tekst: Als je
afkeer voelt, vernauwen je ogen.
Met andere woorden zeggen en voorbeelden geven
de aanblik – Het zien van iets. Het kijken naar iets. Tekst: Door de aanblik van een gezicht dat afkeer uitdrukt,
ga je zelf ook afkeer voelen.
de afkeer – Het gevoel dat je iets heel vies of vervelend vindt of het helemaal niet wilt.
de controle – De macht over iets. Het beheersen. Tekst: Heb je controle over je emoties?
oprecht – Eerlijk, je meent het echt. Tekst: Een oprechte lach. (Mensen lachen immers soms ook zonder dat ze
het echt menen.)
passend – Geschikt voor een bepaalde situatie. Op zijn plaats.
programmeren – Een programma maken voor de computer en dat erin stoppen. Tekst: Gezichtsuitdrukkingen
zitten in onze hersenen geprogrammeerd. Onze hersenen worden dus vergeleken met een computer.
iets uitvissen – Iets te weten komen door het op een slimme manier te onderzoeken. Tekst: Als je een sterke
emotie voelt, probeer dan uit te vissen wat je precies voelt en waardoor het komt.
152
jaargroep 8 | eenheid 4
gevoelens
K
kader Woorden semantiseren.
Laat de leerlingen één of twee woorden uit het eerste
blokje kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Vertel dat ze woorden moeten kiezen die ze nog niet
goed kennen. Zorg ervoor dat de betekenis van de woorden correct in de woordenschriften komt te staan. Laat
de leerlingen de omschrijvingen overnemen van de
woordkaartjes of uit het woordenboek. Of dicteer de
omschrijvingen.
De woorden in het tweede blokje behandelt u nog niet.
De leerlingen kunnen de betekenis van deze woorden
afleiden of opzoeken bij het maken van opdracht 2. In de
reflectiefase van de les komt u op deze woorden terug.
Maak samen met de leerlingen een paar schema’s met
woorden uit de les, bijvoorbeeld wegwijzers met tegenstellingen. Teken op het bord het schema van de wegwijzer met twee bordjes naar verschillende richtingen.
Schrijf op het ene bordje het woord oprecht en op het
andere het woord vals. Vertel dat die woorden elkaars
tegenovergestelde zijn. Maak ook zulke wegwijzers met
de tegenstellingen betrouwbaar – onbetrouwbaar, vernauwen – verwijden.
U kunt de leerlingen deze les eventueel ook zelfstandig
laten werken. Laat hen dan na de introductie zelf de
tekst lezen en de betekenis van de woorden afleiden of
opzoeken. Maak de reflectiefase van de les dan langer en
besteed daarin aandacht aan de betekenis van alle
woorden van de les.
Verwerking
15 minuten
Lees de opdrachten voor. De leerlingen kunnen de opdrachten zelfstandig maken. U kunt ze ook samen met
de leerlingen doen of hen in tweetallen laten werken. De
leerlingen kunnen hun werk zelfstandig nakijken met
behulp van het antwoordenboek (taalboekdeel). Als u
vindt dat het schriftelijk maken van de opdrachten te
veel tijd kost, kunt u ze ook mondeling met de leerlingen doen.
De laatste opdracht (met ster) is een differentiatieopdracht voor leerlingen die snel klaar zijn met opdracht 1
en 2. Aan het mondelinge gedeelte van deze opdracht in
de reflectiefase kunnen alle leerlingen meedoen. In deze
opdracht worden de leerlingen ertoe aangezet om woorden die ze kennen actief te gebruiken. De opdracht
bouwt voort op les 1 (spreken/luisteren). Zeg tegen de
leerlingen dat ze later in de les mogen beschrijven en
demonstreren wat je ziet aan het gezicht van iemand die
angstig, verbaasd, verdrietig of woedend is.
Reflectie
15 minuten
Bespreek opdracht 1 kort. Noem nog even de gekleurde
woorden en laat de leerlingen vertellen wat ze betekenen. Ga uitgebreid in op de betekenis van de woorden in
opdracht 2. Betrek daarbij de antwoorden van de leerlingen. U vult de korte omschrijvingen uit de opdracht aan
met meer uitleg (zie kader Woorden semantiseren). Laat
de leerlingen ook één of twee van deze woorden kiezen
om in hun woordenschrift te schrijven. Lees daarna
eventueel de tekst nog een keer voor en vraag de leerlingen of ze nu alles uit de tekst begrijpen.
Leerlingen die de differentiatieopdracht gemaakt hebben, vraagt u te beschrijven en voor te doen wat je ziet
aan iemands gezicht bij één van de genoemde emoties.
Laat de andere leerlingen vertellen welke emotie het is.
Memo
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- woorden leren voorbereiden
•Instructie:
- de tekst voorlezen
- woorden semantiseren
- woorden in een schema (wegwijzer)
•Verwerking:
- opdrachten in het taalboek maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
- woorden semantiseren en consolideren
•Herhaling:
- woorden consolideren
Herhaling
Besteed de komende dagen af en toe vijf of
tien minuten aan het herhalen van de
woorden van les 9. Lees bijvoorbeeld de
omschrijvingen voor van de woordkaartjes.
De leerlingen raden om welk woord het
gaat. U kunt de leerlingen dit ook in tweetallen laten doen.
Evaluatie
U kunt tevreden zijn als de leerlingen de
woorden begrijpen. Laat hen geen omschrijvingen uit het hoofd leren. U kunt nagaan of
de leerlingen de woorden begrijpen door
opdrachten te geven of vragen te stellen.
Bijvoorbeeld:
de afkeer – Doe eens voor hoe je dan kijkt.
oprecht – Betekent dat: eerlijk, of: rechtop?
je slaap – Wijs die eens aan.
Noteer de woorden die de leerlingen nog
niet kennen en laat die woorden nog eens in
een herhalingsactiviteit aan de orde komen.
jaargroep 8 | eenheid 4
153
Les 10: IJsbloemen
woordbouw
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen leren hoe afleidingen in elkaar
zitten.
De leerlingen leren voorvoegsels en achtervoegsels herkennen en benoemen.
Materialen
• taalboek E1, pagina 106 en 107
• werkboek E1, pagina 46
• antwoordenboek E1, werkboek pagina 46
• schrift
5 minuten
afleidingen
Bekijk samen met de leerlingen pagina 106 en 107 van
het taalboek. Lees de titel van de les voor en laat de
leerlingen reageren. Het kan nodig zijn om uit te leggen
dat in heel koude huizen (zonder cv) in heel koude winters het vocht binnen en buiten op de ramen kon bevriezen, en dat dat eruitzag als bloemen.
Lees ook het doel op pagina 106 van het taalboek, Je
repeteert hoe afleidingen in elkaar zitten. Laat de leerlingen vertellen wat ze weten van afleidingen. Wat zijn dat?
Hoe zitten ze in elkaar? Kun je een voorbeeld geven?
Vooraf
Als u na afloop van deze les de indruk hebt
dat de leerlingen weinig moeite hebben met
de behandelde stof, en die indruk wordt na
afname van controletaak 2 voor woordbouw
bevestigd, dan kunt u in eenheid 6 de instructiefase van les 10 overslaan. (In de
linkermarge van de beschrijving van die les
is onder Vooraf een herinnering opgenomen.)
Moeilijk woord
• de vlerk
Instructie
10 minuten
Lees de tekst onder het lesdoel op pagina 106 van het
taalboek voor, of laat dat doen door een leerling. Laat de
leerlingen reageren, bijvoorbeeld door ze te laten vertellen
welke van de vier afleidingen ze kennen of herkennen. Of
laat ze vertellen hoe een van de vier afleidingen in elkaar
zit. Zijn ze gemaakt van een woord en een voorvoegsel? Of
zijn ze met een achtervoegsel van een woord afgeleid? (Dat
met het achtervoegsel sel zelfstandig naamwoorden van
werkwoorden afgeleid kunnen worden, hebben de leerlingen in groep 5 geleerd. Aan het voorvoegsel ont is in groep
7 aandacht besteed. Het voorvoegsel be is niet eerder
behandeld.)
Behandel de betekenisstructuur van de vier afleidingen
door ze uit elkaar te halen en de betekenis te omschrijven.
Maak aantekeningen op het bord.
• ontwaken – Voorvoegsel ont plus het werkwoord waken,
dat betekent: wakker zijn, oplettend zijn. Ontwaken
betekent: wakker worden, ofwel: beginnen met wakker
zijn. Het voorvoegsel ont betekent hier dus zoiets als
‘beginnen met’.
• ontdekken – Voorvoegsel ont plus woord dekken, dat
ook zit in toedekken, overdekken en bedekken, en ook in
dekbed en tafel dekken. Het kan interessant zijn om met
de leerlingen te bespreken wat voor soort woord dek of
dekken is, een zelfstandig naamwoord of een werkwoord? Nodig is het niet.
Bespreek wel wat ontdekken betekent. Beginnen met
toedekken? (Nee, juist niet! Het betekent zoiets als iets
voorvoegsels: ont, be
achtervoegsel: sel
ontwaken, ontbranden
ontdekken, onthoofden
versiersel, mengsel
bekijken, bewaken, bedekken
zien, vinden of uitvinden.) Sta er beslist met de
leerlingen bij stil dat het voorvoegsel ont in de afleiding
ontdekken dus niet hetzelfde betekent als in de afleiding
ontwaken. Hoe zou je de betekenis van ‘ont’ in ontdekken
kunnen omschrijven? (Bijvoorbeeld met ‘weghalen van’
het dek.) Stel vast dat de afleiding ontdekken dus een
figuurlijke betekenis heeft.
Kunnen de leerlingen zelf nog voorbeelden geven van
werkwoorden zoals ontwaken en/of zoals ontdekken? Of
geef er zelf een paar, en laat de leerlingen bepalen of ont
daar de betekenis heeft zoals in ontwaken of zoals in
ontdekken. Voorbeelden van afleidingen waarin ont
‘beginnen met’ betekent: ontbranden, ontploffen;
eventueel ook ontvlammen en ontbloten, maar die zijn
niet van een werkwoord afgeleid. Voorbeelden waarin
ont ‘weghalen van’ betekent: onthoofden, ontwapenen,
ontraadselen, ontvellen – allemaal afgeleid van een
zelfstandig naamwoord.
• versiersel – Achtervoegsel sel plus de ik-persoonsvorm
versier van het werkwoord versieren, dat betekent: mooi
maken. Een versiersel is een ding waarmee je iets mooi
maakt, het achtervoegsel sel betekent hier iets als: ‘iets
wat je nodig hebt voor’. Andere voorbeelden: kleursel,
deksel, voedsel. (Het achtervoegsel kan ook betekenen:
‘iets wat het resultaat is van’: zaagsel, mengsel,
braaksel.) Schenk eventueel ook aandacht aan het woord
raamversiersel in de eerste zin van de tekst onder het
lesdoel. Is dat geen afleiding? (Nee.) Hoe weet je dat?
(Doordat het woord niet gemaakt is van een woord en
een voor- of een achtervoegsel, maar van twee woorden:
raam en versiersel.) Hoe heet ook alweer een woord dat zo
in elkaar zit? (Een samenstelling; samenstellingen zijn
behandeld in les 10 van de vorige eenheid.)
Zin in taalkunde
Het voorvoegsel ont heeft verschillende betekenissen. Een daarvan is losjes te omschrijven als ‘bewerkstellingen van de tegenovergestelde toestand’, een
ander als ‘beginnen met’, nog een ander als ‘er afhalen’. Het voorvoegsel kan zich hechten aan werkwoorden (spannen – ontspannen, branden – ontbranden), aan zelfstandig naamwoorden (vlam –
154
jaargroep 8 | eenheid 4
ontvlammen, hoofd – onthoofden) en aan bijvoeglijk
naamwoorden (groen – ontgroenen, bloot – ontbloten). En dan zijn er ook nog de zogeheten ongelede
werkwoorden die met ont beginnen, zoals ontmoeten
– geen afleiding, en ont is in dat werkwoord geen
voorvoegsel.
gevoelens
K
• bekijken – Voorvoegsel be plus het werkwoord kijken. De
twee woorden betekenen hetzelfde, maar worden anders
gebruikt: je bekijkt namelijk altijd iets of iemand. Anders
gezegd: bekijken is een werkwoord dat altijd een lijdend
voorwerp bij zich heeft, kijken niet. (Het lijdend
voorwerp hebben de leerlingen leren herkennen en
benoemen in les 4 uit eenheid 3.) Laat de leerlingen
meer van dergelijke woordparen noemen, of geef zelf
één lid van zo’n paar en laat de leerlingen het andere lid
noemen. (Waken – bewaken; plakken – beplakken;
sturen – besturen; strijden – bestrijden; denken –
bedenken.)
Bespreek eventueel ook de in twee stukjes uiteengevallen persoonsvorm staat op van het werkwoord opstaan
in de derde zin van de tekst onder het lesdoel. Dat is net
als raamversiersel geen afleiding, maar een samenstelling, meer in het bijzonder een scheidbaar werkwoord.
(Scheidbaar samengestelde werkwoorden komen in les
10 van eenheid 8 aan bod.)
Wijs de leerlingen ten slotte op het kader op pagina 107
van het taalboek (Heel verschillende woorden...). Lees de
tekst in het kader voor, laat de leerlingen meelezen en
vertel dat ze hiermee nu gaan oefenen.
Verwerking
15 minuten
Bekijk met de leerlingen de opdrachten in het werkboek
en herinner ze eraan dat ze eerst het verhaal op pagina
107 van het taalboek moeten lezen. De leerlingen werken
zelfstandig (alleen of in tweetallen) en kijken hun werk
na met behulp van het antwoordenboek (werkboekdeel).
De laatste opdracht op pagina 46 van het werkboek, een
differentiatieopdracht voor snelle leerlingen, wordt in
het schrift gemaakt. De opdracht kan niet nagekeken
worden in het antwoordenboek, maar wordt besproken
in de reflectie. Lees eventueel het verhaal op pagina 107
in het taalboek voor en maak de eerste opdracht samen.
Reflectie
15 minuten
Vraag aan de leerlingen welke moeilijkheden ze tegenkwamen bij het maken van de opdrachten. Welke opdracht vonden ze moeilijk, maar hebben ze toch helemaal goed gemaakt?
Bespreek opdracht 3 wat nader. Hoe heten de gekleurde
afleidingen in de zinnen? (Verkleinwoorden.) Van wat voor
soort woorden zijn die verkleinwoorden gemaakt? (Ommetje van een voorzetsel; praatje en kijkje van werkwoorden;
nieuwtje, rotje en kleintje van bijvoeglijk naamwoorden;
eentje van een telwoord; tussendoor van nog weer een
ander soort woord; tikje van een zelfstandig naamwoord.)
Laat de leerlingen die de differentiatieopdracht gemaakt
hebben iets vertellen over de afgeleide werkwoorden
bestaan, bekennen, ontstaan en ontkennen. Of vraag hoe
die werkwoorden in elkaar zitten. (Afleidingen met be en
ont van staan en kennen.) Hoe zou je de betekenis van de
werkwoorden omschrijven? Of bespreek met elkaar wat
het voorvoegsel ont betekent in ontkennen. Betekent het
in ontstaan net zoiets?
Vertel de leerlingen dat ze in de dagen hierna nog meer
zullen oefenen met deze stof, en wel door de taken 4, 5
en 6 te maken op pagina 47, 48 en 49 in het werkboek.
Laat die desgewenst zien aan de leerlingen, en maak
eventueel nu al afspraken over het werk.
Drie taken • 3 x 15 minuten
De lesstof wordt door de leerlingen verder zelfstandig verwerkt in drie taken. Laat de leerlingen met
tussenpozen van ten minste één dag en hooguit drie
dagen aan één taak per dag werken. De taken bij
deze les staan op pagina 47, 48 en 49 van werkboek
E1. Laat de leerlingen de juiste pagina voor zich
nemen en lees voor wat erboven staat. Bekijk samen
de opdrachten en geef zo nodig de betekenis van
minder bekende woorden. De leerlingen werken
zelfstandig (alleen of in tweetallen) en kijken hun
werk na met behulp van het antwoordenboek. Neem
enkele zwakke leerlingen in een groepje apart en
maak de opdrachten samen, hardop werkend.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- praten over hoe woorden in elkaar zitten
•Instructie:
- verzamelen van en praten over afleidingen
•Verwerking:
- verhaal in het taalboek lezen
- opdrachten in het werkboek maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
Voortgang leerlijn woordbouw
Doorgaande lijn afleidingen (eenheid 4 en 6).
groep 4: D
e leerlingen leren meer over vormen van woorden, en de achtervoegsels:
- en: katoenen
- er, st: langer, langst
- er, ster: springer, springster
- in: heldin
- je, tje, pje, kje, etje: hondje,
touwtje, boompje, harinkje,
dingetje
groep 5: D
e leerlingen leren hoe afleidingen
in elkaar zitten, waaronder verkleinwoorden en de trappen van vergelijking, de achtervoegsels:
- baar: breekbaar
- ig: moedig
- sel: maaksel
en de voorvoegsels:
- ge: gefladder
- on: ongevaarlijk
groep 6: De leerlingen leren de achtervoegsels:
- aar: bewonderaar
- heid: gezelligheid
- loos: bladloos
- te: warmte
groep 7: De leerlingen leren de termen voor
de trappen van vergelijking: stellende trap, vergrotende trap, overtreffende trap en de termen voorvoegsel en achtervoegsel.
Memo
jaargroep 8 | eenheid 4
155
Les 11: Ik
woordenschat
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
Strategie:
De leerlingen leren de betekenis van woorden af te leiden door ze uit elkaar te halen in
een woord en een voor- of achtervoegsel.
Woordbetekenissen:
De leerlingen breiden hun woordenschat uit
met woorden rond het thema ‘gevoelens’.
Bekijk samen met de leerlingen pagina 108 en 109 van
het taalboek. Laat ze reageren op de titel en de illustraties. Lees de twee zinnen onder de titel voor. Herinner de
leerlingen aan voor- en achtervoegsels die al in voorgaande lessen behandeld zijn, bijvoorbeeld achtig, baar,
loos, schap, eling, her en on.
Materialen
• taalboek E1, pagina 108 en 109
• werkboek E1, pagina 50
• antwoordenboek E1, werkboek pagina 50
• woordkaartjes van de woorden uit de les
(kopieerblad 57 en 58)
Vooraf
Laat twee leerlingen de tekst in het taalboek
stil voor zichzelf lezen als voorbereiding op
het hardop lezen.
Maak de woordkaartjes voor deze les klaar.
Herhaling uit voorgaande delen
5 minuten
Instructie
Uit deel D:
• het achtervoegsel
• het voorvoegsel
• de samenstelling
• buitengewoon
• indrukwekkend
• de roem
10 minuten
Laat twee leerlingen die de tekst hebben voorbereid elk
een rol hardop voorlezen (of neem zelf een rol voor uw
rekening). U kunt een paar woorden uit voorgaande delen
herhalen (zie kader Herhaling uit voorgaande delen).
Lees de conclusie voor die in het kader op de rechterpagina in het taalboek staat en stel de vragen.
Wat betekent slimmerik? (Iemand die slim is.) Welk woord
zie je erin? (Slim.)
Wat is het achtervoegsel? (erik. Niet: merik. De m verdubbelt na de korte i-klank.)
Welke betekenis geeft het achtervoegsel aan het woord?
(Iemand die... is.) Probeer samen met de leerlingen nog
een paar voorbeelden van woorden met dat achtervoegsel te bedenken, bijvoorbeeld bangerik, gemenerik, slechterik, stouterik, viezerik. Maak de leerlingen erop attent
dat de spelling van het grondwoord soms een beetje
verandert: in viezerik is de s een z geworden, in gemenerik
is een e verdwenen.
Behandel de betekenis van de woorden in het eerste
blokje op de linkerpagina in het taalboek. Geef zelf de
betekenis van de woorden. De eerste vier woorden legt u
uit door ze met andere woorden te omschrijven, de
overige woorden kunt u op dezelfde manier analyseren
als het voorbeeld slimmerik. U kunt gebruikmaken van
de uitleg in het kader Woorden semantiseren.
Laat de leerlingen één of twee woorden uit het eerste
blokje kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Vertel dat ze woorden moeten kiezen die ze nog niet
goed kennen. Zorg ervoor dat de betekenis van de woorden correct in de woordenschriften komt te staan. Laat
de leerlingen de omschrijvingen overnemen van de
woordkaartjes of uit het woordenboek. Of dicteer de
omschrijvingen.
De woorden uit het tweede blokje behandelt u nog niet.
De leerlingen kunnen de betekenis van deze woorden
afleiden bij het maken van de opdrachten in het werkboek. In de reflectiefase komt u op deze woorden terug.
Verwerking
jaargroep 8 | eenheid 4
15 minuten
Lees de opdrachten voor van pagina 50 in het werkboek.
De leerlingen kunnen de opdrachten zelfstandig maken.
U kunt de opdrachten ook samen met de leerlingen doen
of hen in tweetallen laten werken. De leerlingen kunnen
hun werk zelfstandig nakijken met behulp van het
antwoordenboek (werkboekdeel).
Memo
156
Uit deel A:
• de slimmerik
• superslim
gevoelens
K
De laatste opdracht (met ster) is een differentiatieopdracht
voor leerlingen die snel klaar zijn met opdracht 1 en 2.
Reflectie
15 minuten
Vraag de leerlingen hoe ze de opdrachten hebben gemaakt. Wat waren de problemen?
Behandel de betekenis van de woorden in het tweede
blokje in het taalboek (zie kader Woorden semantiseren).
Betrek daarbij de antwoorden van de leerlingen op de
opdrachten. Laat de leerlingen weer één of twee woorden kiezen om in hun woordenschrift te schrijven.
Besteed even speciale aandacht aan de woorden leeuwerik, expeditie en wandeling in de opdrachten.
Een leeuwerik is een vogel. Het betekent dus niet: iemand
die leeuw is. Een expeditie is een reis om iets te onderzoeken. Het is geen woord met een voorvoegsel. (De betekenis
van beide woorden is behandeld in deel C.) Een wandeling is een keer dat je wandelt. Het is geen woord met een
voorvoegsel. (Maar wel met een achtervoegsel, namelijk
ing.)
Leerlingen die de differentiatieopdracht gemaakt hebben, vraagt u te vertellen wat de woorden uit de opdracht betekenen.
Concludeer met de leerlingen dat je soms de betekenis
van een woord kunt afleiden door het uit elkaar te halen
in een woord en een voor- of achtervoegsel. Maar dat
lukt niet altijd, omdat sommige woorden met voor- of
achtervoegsels niet zo doorzichtig zijn. En soms lijkt het
of een woord een voor- of achtervoegsel heeft, maar dan
is het niet zo.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- woorden leren voorbereiden
•Instructie:
- samen de tekst lezen
- conclusie en vragen bespreken
- woorden semantiseren
•Verwerking:
- opdrachten in het werkboek maken
•Reflectie:
- woorden semantiseren en consolideren
- opdrachten bespreken
•Herhaling:
- woorden consolideren
Herhaling
Woorden semantiseren
Analyseren en omschrijven
de bangerik – Iemand die bang is of gauw bang is. Een woord dat je erin ziet is: bang. Het achtervoegsel is: erik.
Het achtervoegsel betekent: iemand die... is.
de ex-kampioen – Iemand die vroeger kampioen was, maar nu niet meer. Het woord dat je erin ziet is: kam­
pioen. Het voorvoegsel is: ex-. Het voorvoegsel betekent: is niet meer... of: is geen... meer.
de ex-leerling – Iemand die vroeger leerling was, bijvoorbeeld van een bepaalde school, maar nu niet meer. Het
woord dat je erin ziet is: leerling. Het voorvoegsel is: ex-. Het voorvoegsel betekent: is niet meer... of: is geen...
meer.
huiswaarts – Naar huis. Het woord dat je erin ziet is: huis. Het achtervoegsel is: waarts. Het achtervoegsel
betekent: naar..., in de richting van...
oergezellig – Heel erg gezellig. Het woord dat je erin ziet is: gezellig. Het voorvoegsel is: oer. Het voorvoegsel
betekent: heel erg...
oeroud – Heel erg oud. Het woord dat je erin ziet is: oud. Het voorvoegsel is: oer. Het voorvoegsel betekent hier:
heel erg... (Het voorvoegsel oer kan ook betekenen: eerst, van heel vroeger. Zoals in de woorden oertijd, oermens, oerbos.)
onnavolgbaar – Zo goed dat niemand het na kan doen. Het woord dat je erin ziet is: navolgen. Het achtervoegsel is: baar. Het achtervoegsel betekent: kun je... of: kan goed.... Dus navolgbaar betekent: kun je nadoen. Het
voorvoegsel is on. Het voorvoegsel betekent: niet...
supergoed – Heel erg goed. Het woord dat je erin ziet is: goed. Het voorvoegsel is: super. Het voorvoegsel betekent hier: heel erg... (Het voorvoegsel super kan ook betekenen: heel groot of geweldig, zoals in de woorden
supertanker, superbenzine, supervakantie.)
voorwaarts – Naar voren. Vooruit. Het woord dat je erin ziet is: voor. Het achtervoegsel is: waarts. Het achtervoegsel betekent: naar...
de wandaad – Een slechte daad. Het woord dat je erin ziet is: daad. Het voorvoegsel is: wan. Het voorvoegsel
betekent: slecht... of geen...
de wanorde – Gebrek aan orde. Rommel. Het woord dat je erin ziet is: orde. Het voorvoegsel is: wan. Het voorvoegsel betekent: slecht... of geen...
Schrijf de behandelde voor- en achtervoegsels op kaartjes. De leerlingen pakken om de
beurt een kaartje en verzinnen een woord
met het desbetreffende voor- of achtervoegsel. Maak lijsten van die woorden. Laat
de leerlingen daarna weer een kaartje pakken en dan een woord kiezen om een stukje
van een verhaal mee te maken.
Evaluatie
U kunt tevreden zijn als de leerlingen de
woorden begrijpen. Laat hen geen omschrijvingen uit het hoofd leren. U kunt nagaan of
de leerlingen de woorden uit les 11 begrijpen
door opdrachten te geven of vragen te
stellen. Bijvoorbeeld:
uitzonderlijk – Betekent dat: heel gewoon, of:
heel bijzonder?
voorwaarts – Doe eens voor hoe je voorwaarts loopt.
de wandaad – Is dat een slechte daad of een
gek idee?
Noteer de woorden die de leerlingen nog
niet kennen en laat die woorden nog eens in
een herhalingsactiviteit aan de orde komen.
Met andere woorden zeggen en voorbeelden geven
de eigendunk – Het idee van jezelf dat je goed bent, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Verwaandheid.
Verhaal: Klaar vindt ‘eigendunk’ een woord dat bij Cas hoort.
de hoogmoed – Het gevoel dat je jezelf beter vindt dan anderen.
uitzonderlijk – Heel bijzonder, het komt weinig voor. (Dus superuitzonderlijk betekent: heel erg heel bijzonder.)
navolgen – Hetzelfde doen als iemand anders. Of iets op dezelfde manier doen. Iemand nadoen.
jaargroep 8 | eenheid 4
157
Les 12: Ontwricht
schrijven
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen leren dat en waarom het
plezierig en belangrijk is om je kennis en
gedachten op papier te ordenen en te her­
ordenen.
De leerlingen schrijven op een knettergekke
manier over de werkelijkheid.
Materialen
• taalboek E1, pagina 110 en 111
• schrijfpapier
Vooraf
Zorg eventueel voor een cd waarop Brigitte
Kaandorp de chachacha Brommer zingt,
bijvoorbeeld de cd Brigitte Kaandorp 2.
5 minuten
Bekijk met de leerlingen pagina 110 en 111 van het taalboek. Laat ze kort reageren op de illustratie en op de
titel van de les, Ontwricht. Weten de leerlingen wat dat
woord betekent? (Letterlijk betekent het: losgemaakt uit
het gewricht, ledematen bijvoorbeeld. Meer algemeen
gebruikt betekent het: verwond.)
Lees ook het doel van de les voor, Schrijf op een knettergekke manier over de werkelijkheid. Bijvoorbeeld zoals
Brigitte Kaandorp. Weten de leerlingen wie Brigitte Kaandorp is? Vertel dat ze cabaretière is, dus een mevrouw die
gek doet in de schouwburg. Of laat de leerlingen Kaandorp googelen.
Instructie
10 minuten
Lees het lied Brommer van Brigitte Kaandorp voor, of
verdeel het voorleeswerk over drie goede lezers. Of laat
Kaandorp zelf horen, van cd. Vinden de leerlingen het
een gek lied? En waaraan kunnen ze horen dat het een
lied is? (Aan het refrein, het stukje dat meerdere keren
gezongen wordt.)
Ga vervolgens in op de knettergekke manier waarop
Brigitte Kaandorp over de werkelijkheid zingt. Wat is er
zo gek aan? Wat voor knettergekke dingen staan erin? Of
vraag aan de leerlingen wat je verwacht van een lied dat
gaat over een ontmoeting die op een regenachtige
avond misgaat. Geef hints: Verwacht je dan bijvoorbeeld
iets over heel erge liefde? Verwacht je iets spannends en
romantisch? Of verwacht je een brommer? (Iets over heel
erge liefde en spannende romantiek, en niet iets over
een brommer.) Voeg eraan toe dat het natuurlijk wel in
het echt zo zou kunnen gebeuren, dat je zelf helemaal
klaar bent voor iets romantisch, en dat je dan omver
gereden wordt door een brommer. Vraag door: Ga je daar
dan een liedje of een gedicht over schrijven? (Alleen als je
Brigitte Kaandorp bent, anders niet.)
Constateer dat het onderwerp van het liedje dus al tamelijk gek is. Ga vervolgens na waar in het liedje ze over die
brommer begint:
• Aan het einde van het eerste couplet: Mijn hart ging
sneller slaan / Ik liep tegen die brommer aan.
• Halverwege en aan het einde van het refrein: Waarom
bleef jij niet voor me staan? / En waar kwam die
brommer vandaan? (...) Nu is niet alleen mijn hart / Maar
ook mijn linkerbeen ontwricht.
• Halverwege en aan het einde van het tweede couplet:
Jij liep in gedachten voort / Jij hebt niet eens die klap
gehoord (...) Jij bent voorbij, alleen / Ik sleep nog altijd
met dat linkerbeen.
Wat blijkt? Na een paar zinnen over dingen die gelijk zijn
aan elkaar, zoals liefde en romantische gevoelens, volgt
steeds een zin over iets ongelijks, en wel die brommer en
wat die aangericht heeft.
Rond deze bespreking af door te concluderen dat je met
taal knettergekke dingen kunt doen, bijvoorbeeld: alsmaar ongelijke dingen met elkaar combineren. Brigitte
Kaandorp schrijft bijvoorbeeld niet alleen over haar hart,
maar ook over haar linkerbeen. Wijs de leerlingen op het
kadertje met die conclusie onder aan pagina 111 in het
taalboek. Lees ook het doel van de les nog eens voor,
tevens de schrijfopdracht, boven aan pagina 110.
Verwerking
15 minuten
De leerlingen schrijven op een knettergekke manier over
de werkelijkheid, bijvoorbeeld door ongelijke dingen met
elkaar te combineren. Het onderwerp waarover ze schrijven is vrij, en het is niet bezwaarlijk als het direct ontleend wordt aan de liedtekst in het taalboek. Ze kunnen
ook een andere bestaande tekst als uitgangspunt ne-
Tekst en uitleg
In alle schrijflessen uit het taalbeschouwingsmodel
voor groep 8 vormt een gedicht het uitgangspunt.
Eén kenmerk van dat gedicht wordt er uitgelicht, en
in de verwerking proberen de leerlingen dat kenmerk
in hun eigen schrijfwerk toe te passen. Klankherhaling, rijm bijvoorbeeld, hoort daar niet expliciet bij,
maar wordt wel aangestipt. Het is met andere vormen van herhaling namelijk wel een belangrijk
element in een gedicht. Er is niet alleen eindrijm
(negen/regen; gebogen/ogen; slaan/aan), maar ook
beginrijm of alliteratie en middenrijm of klinkerrijm
of assonantie. Voorbeelden daarvan uit het lied
Brommer zijn: Ik stond te schuilen; Mijn hart ging
sneller slaan; die glimp van jouw gezicht (beginrijm of
158
jaargroep 8 | eenheid 4
alliteratie); naar huis toe gaan, Maar toen is het; Wat
heb jij mij aangedaan (middenrijm, klinkerrijm of
assonantie).
Woorden op een regeleinde kunnen op verschillende
manieren rijmen op andere woorden op een regeleinde. Vooral om-en-omrijm en twee-aan-tweerijm
komen veel voor. Brigitte Kaandorp maakt in haar
lied gebruik van twee-aan-tweerijm, dat officieel
gepaard rijm heet en schematisch weergegeven
wordt als aabbcc. Ook zogeheten ‘omarmend rijm’
past zij toe, en wel in de tweede helft van het refrein:
Ik zag die glimp van jouw gezicht / Nu is niet alleen
mijn hart / Maar ook mijn linkerbeen ontwricht.
gevoelens
K
men, of eerder gemaakt schrijfwerk omwerken, bijvoorbeeld dat uit les 6. Het is misschien verstandig om de
leerlingen die dit doen een seintje te geven kort voordat
u aan de reflectie begint, zodat ze zich kunnen voorbereiden op de presentatie van hun werk.
Leerlingen die moeite hebben met de opdracht, kunnen
in twee- of drietallen een ‘knettergekke’ poster maken
met het lied erop. Moedig de leerlingen ook aan om de
liedtekst uit hun hoofd te leren.
Reflectie
15 minuten
Begin de reflectie met een voordracht. Laat een leerling
die Kaandorps Brommer uit zijn hoofd geleerd heeft, het
lied voordragen. Als hij samengewerkt heeft met iemand
anders, kan die als souffleur optreden. Als niemand
Brommer uit zijn hoofd geleerd heeft, leest u het zelf nog
eens voor, of laat dat doen door een goede lezer.
Laat vervolgens de leerlingen die op een knettergekke
manier over de werkelijkheid geschreven hebben, hun
werk presenteren. Bijvoorbeeld drie na elkaar zonder
onderbreking, waarna de andere leerlingen kunnen
reageren. Herkennen ze de knettergekke dingen? Horen
ze de gelijkenis met wat Brigitte Kaandorp geschreven
heeft? Is er iets wat ze aan de schrijvers willen vragen?
Laat daarna weer drie leerlingen presenteren wat ze
geschreven hebben, waarop de andere leerlingen weer
kunnen reageren.
De leerlingen die een gedichtposter gemaakt hebben,
tonen hun werk en lichten dat het liefst ook toe.
Sluit af met de conclusie uit het taalboek: dat je met taal
knettergekke dingen kunt doen.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- oriëntatie op de taak
•Instructie (optioneel):
- praten over het gedicht
•Verwerking:
- schrijven of het gedicht in het taalboek
overschrijven en/of uit het hoofd leren
•Reflectie:
- werk presenteren en bespreken
Memo
jaargroep 8 | eenheid 4
159
Les 13: Herhalingsles
woordenschat
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen onthouden de woorden van
eenheid 4. (Zie het overzicht van woorden in
eenheid 4 op pagina 166.)
Materialen
• woordkaartjes van eenheid 4 (kopieerblad
48 t/m 58)
• kopieerblad 47
• antwoordenboek E1, kopieerblad 47
Vooraf
Beperk eventueel het aantal woorden in de
les door vooraf een selectie te maken uit de
woordkaartjes. De woorden waarvan u zeker
weet dat alle leerlingen ze kennen, kunt u
weglaten.
Zorg voor een exemplaar van kopieerblad 47
voor iedere leerling.
5 minuten
Vestig de aandacht van de leerlingen erop dat ze weer
heel veel woorden geleerd hebben in deze eenheid.
Vertel dat ze in deze les nog eens gaan oefenen met de
woorden van eenheid 4 om te zorgen dat ze die goed
onthouden.
Instructie
duidelijk maken door iets te tekenen. Omdat u eerst de
eigen groepsleden laat raden, motiveert u de leerlingen
om goed hun best te doen bij het uitbeelden en raden.
Eventueel kunt u nog als spelregel toevoegen dat, als
een andere groep het woord raadt, die groep een kaartje
van een ander woord mag inleveren.
In plaats van een gezamenlijk spel kunt u de leerlingen
eventueel ook in groepjes of tweetallen laten oefenen
met de woordkaartjes.
10 minuten
Laat de leerlingen in groepjes zitten en deel daarna de
woordkaartjes uit. De kaartjes met omschrijvingen
houdt u zelf. Vertel de leerlingen dat ze ervoor moeten
zorgen dat alle kinderen in het groepje de betekenis van
de woorden op de kaartjes van hun groep kennen. Geef
ze even de tijd om woorden aan elkaar uit te leggen en
woorden op te zoeken in het woordenboek.
Vervolgens kunt u een spel doen met de woordkaartjes,
bijvoorbeeld een pantomimespel. De leerlingen leggen
de kaartjes van hun groepje op een stapeltje. Eén lid van
het groepje pakt een kaartje en laat dit niet aan de
anderen zien. Hij moet door middel van pantomime aan
zijn groepsleden duidelijk maken welk woord het is. Als
dat lukt, mag het kaartje ingeleverd worden. Als het niet
lukt, mogen de andere groepen raden. Het kaartje mag
dan niet ingeleverd worden. Spreek af hoeveel keren de
eigen groepsleden mogen raden. Daarmee kunt u het
spel makkelijker of moeilijker maken. De groep die het
eerst zijn kaartjes kwijt is, heeft gewonnen.
In plaats van één leerling kunnen ook twee groepsleden
gezamenlijk de woorden uitbeelden. En in plaats van
door pantomime kunnen de leerlingen de woorden ook
Verwerking
15 minuten
Deel het kopieerblad uit en lees de opdracht voor. De
leerlingen moeten uit een omschrijving afleiden welk
woord bedoeld wordt. Dat woord vullen ze in de puzzel
in.
De leerlingen kunnen de opdrachten zelfstandig maken.
U kunt ze ook samen met de leerlingen doen of hen in
tweetallen laten werken. De leerlingen kunnen hun werk
zelfstandig nakijken met het antwoordenboek.
De laatste opdracht (met ster) is een differentiatieopdracht voor leerlingen die snel klaar zijn met opdracht 1.
Maak hen erop attent dat ze omschrijvingen voor de
puzzel kunnen vinden in het woordenboek.
Reflectie
15 minuten
Bespreek met de leerlingen met welke woorden ze moeite hadden en herhaal de betekenis daarvan nog eens.
Van een leerling die de tweede opdracht gemaakt heeft,
neemt u de puzzelhokjes over op het bord. Vul de puzzel
Meer over de leerlijn woordenschat
Betekenis afleiden
Directe instructie door de leerkracht is de meest
efficiënte manier om de leerlingen woorden te leren.
De leerkracht legt daarbij uit wat een woord betekent. De leerlingen hebben echter niet altijd een
leerkracht bij de hand als ze een nieuw woord tegenkomen. Nieuwe woorden duiken voortdurend op
buiten de woordenschatles, bij andere vakken en
buiten school. De leerlingen zijn er daarom ook bij
gebaat als ze strategieën leren om de betekenis van
onbekende woorden zelf te ontdekken. Eén zo’n
strategie is het afleiden van de betekenis uit de
context. Die context kan bestaan uit illustraties of
uit andere woorden in een tekst, zoals synoniemen
of omschrijvingen. Bij gesproken taal zijn er ook
gebaren en gezichtsuitdrukkingen waaruit iets af te
160
jaargroep 8 | eenheid 4
leiden is over wat iemand bedoelt.
In de woordenschatlessen is het de bedoeling dat u
de betekenissen van een aantal woorden geeft in de
instructiefase van de les. Van een aantal andere
woorden kunnen de leerlingen zelf de betekenis
ontdekken bij het maken van de opdrachten. Ze
kunnen die betekenissen afleiden uit de illustraties
en de tekst bij de opdrachten in het taalboek en het
werkboek. Als het afleiden niet lukt, kunnen de
leerlingen de betekenis opzoeken in het woordenboek. Het is belangrijk om in de reflectiefase van de
les de afgeleide of opgezochte betekenissen met de
leerlingen door te nemen om er zeker van te zijn dat
ze zich een juist beeld van de betekenis van deze
woorden gevormd hebben.
gevoelens
K
samen met de andere leerlingen in. Andere leerlingen die
een puzzel gemaakt hebben, kunnen die door een klasgenoot laten invullen. Bouw eventueel met alle leerlin-
gen gezamenlijk nog een puzzel van woorden die u nog
eens wilt herhalen.
Memo
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- woorden herhalen voorbereiden
•Instructie:
- in groepjes woorden herhalen
- spel met woordkaartjes
•Verwerking:
- opdrachten op het kopieerblad maken
•Reflectie:
- opdrachten bespreken
•Herhaling:
- indien nog nodig
Evaluatie
Als u de indruk hebt dat de leerlingen
genoeg geoefend hebben met de woorden
van eenheid 4, kunt u controletaak 4 van
woordenschat afnemen. De controletaak,
aanwijzingen ervoor en de antwoorden erbij
vindt u in de toetsmap.
jaargroep 8 | eenheid 4
161
spreken | luisteren
z i n
i n
Doel
t a a l
Introductie
De leerlingen leren dat sommige mensen zo
anders zijn dat je soms niet zo goed weet
hoe je met ze moet omgaan.
De leerlingen ontwikkelen een open, persoonlijke en veelzijdige gesprekshouding
naar aanleiding van informatie over het
thema ‘gevoelens’.
Vooraf
U kunt deze les op twee manieren uitvoeren. Bij de eerste manier praten de leerlingen eerst in twee-, drie- of viertallen en
daarna, onder uw leiding, met de hele groep
over de reacties van de kinderen op pagina
113 op de tekst van pagina 112. Bij de tweede
mogelijkheid maakt u, tijdens dit laatste,
ruimte voor de presentaties van de leerlingen die dat hebben voorbereid naar aanleiding van de teksten op pagina 100 en 101 van
het taalboek.
Moeilijke woorden
• de Siamese tweeling
• de madame
• de negentiende eeuw
• aanprijzen
• mensonwaardig
• vernederend
5 minuten
De leerlingen nemen hun taalboek voor zich op pagina
112. Laat ze kort reageren op de titel Met open mond en
de illustraties naar aanleiding van de vragen: Waar zou
het over gaan? en Wat weet je er al van? De tekst gaat over
het tentoonstellen van mensen met een afwijkend
lichaam op kermissen in de negentiende eeuw.
Materialen
• taalboek E1, pagina 112 en 113
Les 14: Met open mond
Instructie
10 minuten
Lees de tekst op pagina 112 voor of laat die voorlezen
door één of meer leerlingen. Verklaar, zo nodig, de moeilijke woorden. Geef na afloop de leerlingen kort de
gelegenheid te reageren. Begrijpen ze dat het eerst
vernederend en daarna afstompend moet zijn geweest
voor mensen om zo als rariteit tentoongesteld te worden? Begrijpen ze ook dat het publiek niet beter wist en
zich uit onwetendheid zo gedroeg? Lees de leerlingdoelen op pagina 112 voor en zoek samen met de leerlingen
naar voorbeelden in de tekst die dit illustreren. Constateer in samenspraak met de leerlingen:
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden (of
bang zijn dat ze jou gek, raar of vreemd vinden).
Bijvoorbeeld: in de negentiende eeuw werden mensen
met een afwijking op de kermis tentoongesteld.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
Bijvoorbeeld: het publiek staarde de mensen aan of
lachte ze uit.
• Alle mensen hebben gevoelens. Bijvoorbeeld: dat was
voor die mensen mensonwaardig en vernederend.
Verwerking
15 minuten
Wijs op de vragen en opmerkingen van de kinderen op
pagina 113 en vertel dat de leerlingen in twee rondes,
eerst in groepjes (twee-, drie- of viertallen) en daarna
met de hele groep, gaan praten over de reacties van die
kinderen. Leg uit dat elk groepje met elkaar de volgorde
van het gesprek kan bepalen door steeds te kiezen over
welke vraag of opmerking ze het willen hebben. Wijs ook
op de gekleurde woorden in de vragen en opmerkingen
en leg uit dat dit steekwoorden zijn, waarin het onderwerp van de vraag of opmerking wordt genoemd. Een
steekwoord is handig, omdat je dan meteen weet waar
het over gaat.
Als u denkt dat uw leerlingen eraan toe zijn, kunt u
aangeven dat ze ook zelf gesprekspunten kunnen formuleren (inclusief steekwoord) en daarover met elkaar
mogen praten.
Als de leerlingen hun gesprekken voeren, kunt u aandacht geven aan groepjes voor wie dit zelfstandig lastig
Combineren les 14 en spreekbeurten/werkstukken
U kunt de presentaties van spreekbeurten en werkstukken integreren in de reflectiefase van les 14. Bij
het opstellen van de agenda voor het groepsgesprek
van les 14 vertelt u dan dat er leerlingen zijn die een
spreekbeurt hebben voorbereid of een werkstukje
gemaakt. Noteer de titels Kleine mens en Uitvindertjes gevraagd onder aan het lijstje steekwoorden.
Zoek voor de presentaties, in overleg met de leerlingen, een geschikte plaats in de agenda door voor de
titels een cijfer met de letter te plaatsen (bijvoorbeeld 3a). Zie voor verdere aanwijzingen het kader
Spreekbeurten/werkstukken.
Aan de hand van de agenda op het bord inventariseert u tijdens het groepsgesprek wat er in de gesprekken in groepjes is besproken. De leerlingen
reageren op elkaar. Op de in de agenda opgenomen
momenten is er ruimte voor de presentaties van de
leerlingen die iets hebben voorbereid.
Spreekbeurten/werkstukken
Als leerlingen naar aanleiding van de teksten op
pagina 96 en 97 in het taalboek iets hebben voorbereid, kunnen ze dit tijdens deze les presenteren aan
de andere leerlingen. In dit geval is het misschien het
leukst om voor het groepsgesprek te laten vertellen
over het leven van Mila (naar aanleiding van de tekst
Kleine mens) en na afloop van het gesprek (naar
aanleiding van de tekst Uitvindertjes gevraagd) de
leerlingen hun uitvindingen voor kleine mensen te
162
jaargroep 8 | eenheid 4
laten presenteren. Als u de leerlingen tijdens de
voorbereiding in tweetallen hebt laten samenwerken, kunt u hier met dezelfde tweetallen werken.
Geef bij beide onderwerpen een tweetal het woord
en laat dit halverwege overnemen door het tweede
tweetal. Op die manier komen de leerlingen die iets
hebben voorbereid ook allemaal voldoende aan bod.
Na de presentaties reageren de overige leerlingen.
gevoelens
K
is. Eventueel kunt u, als het er te veel zijn, die leerlingen
bij elkaar nemen en het gesprek in groepsverband voeren. Daarbij kunt u gebruikmaken van de toelichting op
de manieren van reageren in het kader Meer over spreken
| luisteren. Het is níet noodzakelijk dat alle vragen en
uitspraken van pagina 113 aan bod komen.
Reflectie
- behandelen
- bekijken
- rijk
- vroeger
- Siamese tweeling
- doktoren
15 minuten
Voorafgaand aan de tweede gespreksronde (het groepsgesprek) noteert u de gekleurde steekwoorden op pagina
113 van het taalboek onder elkaar op het bord.
Bepaal vervolgens hardop redenerend de volgorde waarin
de onderwerpen besproken gaan worden door voor elk
steekwoord een cijfer (1 t/m 6) te zetten. (Bijvoorbeeld:
Het lijkt me goed om te beginnen met de vraag waarom die
gehandicapte mensen zich zo te kijk lieten zetten en daar-
na dan die Siamese tweeling en daarna...) De leerlingen
zien zo dat je over de volgorde waarin je iets bespreekt
(de agenda) vooraf kunt nadenken. De leerlingen zijn
hiermee in de loop van de vorige jaargroepen vertrouwd
gemaakt en geraakt. Bied ze zo veel mogelijk de gelegenheid met elkaar de agenda vast te stellen. Als leerlingen
met eigen onderwerpen (inclusief steekwoord) komen,
kunnen die ook een plekje in de agenda krijgen.
W
T
Activiteiten
•Introductie:
- voorkennis verzamelen
•Instructie:
- informatieve tekst lezen
- koppeling naar lesdoel
•Verwerking:
- gesprek in twee-, drie- of viertallen
•Reflectie:
- groepsgesprek
- spreekbeurten/werkstukken
- koppeling naar lesdoel
Evaluatie
Neem na het afronden van de eenheid
controletaak 1 van zinsbouw en controletaak 4 van woordenschat af.
Meer over spreken | luisteren
Manieren van reageren
In de laatste les van elke eenheid werkt u met de
leerlingen aan de ontwikkeling van een open, persoonlijke en veelzijdige gesprekshouding. De leerlingen leren een gesprek voeren naar aanleiding van een
tekst.
Op pagina 113 staat een aantal reacties van kinderen
op de tekst over het uitstallen van mensen met
lichamelijke afwijkingen op de negentiende-eeuwse
kermis. Deze reacties, die bestaan uit vragen en
opmerkingen, vormen opstapjes naar een gesprek.
Het is de bedoeling dat de leerlingen in de les doorgaan op deze vragen en opmerkingen om te komen
tot een gesprek, eerst in twee-, drie- of viertallen en
daarna in een afsluitend groepsgesprek. Doordat de
taalfunctie van de eenheid (omgaan met elkaar) in de
tekst een rol speelt, passen de leerlingen dit tijdens
het gesprek toe.
Bij het selecteren en formuleren van de vragen en
opmerkingen in het taalboek is uitgegaan van twee
manieren van reageren op een tekst: iets willen weten
en iets willen vertellen. Elk van deze twee manieren is
ingevuld vanuit drie verschillende invalshoeken.
Door deze indeling wordt de veelzijdigheid van de
twee-, drie- of viergesprekken en het groepsgesprek
op een eenvoudige en vanzelfsprekende manier
gestimuleerd.
• iets willen weten:
- willen weten wat je niet begrijpt: Waarom lieten
die gehandicapte mensen zich zo behandelen?
- willen weten wat anderen vinden: Zouden jullie
naar binnen gaan om die mensen te bekijken?
- méér willen weten: Werden die gehandicapte
mensen daar rijk van?
• iets willen vertellen:
- willen vertellen wat je hebt geleerd: Vroeger
werden mensen met een lichamelijke afwijking
slecht behandeld.
- willen vertellen wat je al wist: Een Siamese
tweeling bestaat uit twee mensen die aan elkaar
vast zijn geboren.
- willen vertellen wat je nog meer weet: Tegenwoordig kunnen doktoren veel mensen met een
lichamelijke afwijking helpen.
Tijdens de begeleiding van de twee-, drie- of viergesprekken en later tijdens het groepsgesprek kunt u,
met behulp van de reacties van de kinderen in het
taalboek, de leerlingen stimuleren om met elkaar te
praten en gesprekken te voeren door ze vragen te
laten beantwoorden, ze ergens op door te laten gaan
of ze hun mening te laten geven. Zo kan een leerling,
naar aanleiding van de vraag: Waarom lieten die
gehandicapte mensen zich zo behandelen? zeggen dat
niemand ze op een andere manier hielp. Een andere
leerling reageert op de opmerking: Tegenwoordig
kunnen doktoren veel mensen met een lichamelijke
afwijking helpen. door te zeggen dat er medicijnen
zijn en protheses. En een derde leerling vertelt dat hij
uit nieuwsgierigheid wel naar binnen zou gaan om
die mensen te bekijken, maar dat hij ze niet zou
aanstaren en zeker niet zou uitlachen. Waar het bij
dit gesprek om gaat, is dat als u een sfeer van ruimte
en veiligheid schept vaak uit het gewone het bijzondere en uit het algemene het persoonlijke voortkomt.
jaargroep 8 | eenheid 4
163
woordenlijst
z i n
i n
t a a l
Overzicht van woorden in eenheid 4
les 1
les 5
les 9
de gevoelens
de handicap
mentaal
onbeleefd
scheel
vervormd
iets bekonkelen
het bubbelbad
de chloor
Dat zit hem dwars.
giebelen
hatelijk
de kat uit de boom kijken
minachten
de nadruk
ongemakkelijk
Het is één pot nat.
iets in je schild voeren
soezerig
uitblazen
van wal steken
de aanblik
de afkeer
de boventand
de controle
het gelaat
de neusbrug
de oorlel
oprecht
passend
programmeren
de pupil
de slaap
iets uitvissen
vernauwen
de wallen
les 7
les 11
de aanklacht
adembenemend mooi
iemand afschilderen als
iemand afvaardigen
bespottelijk
de herkansing
kunstzinnig
iemand schaken
naast je schoenen lopen
spichtig
erop staan dat
vastberaden
vervaarlijk
vleien
volmaakt
de bangerik
de eigendunk
de ex-kampioen
de ex-leerling
de hoogmoed
huiswaarts
navolgen
oergezellig
oeroud
onnavolgbaar
supergoed
uitzonderlijk
voorwaarts
de wandaad
de wanorde
les 2
het bewustzijn
chatten
de drug
gamen
de hasjiesj
internetten
ten koste gaan van
het level
de nicotine
online
opwekken
het sms’je
verdoven
de verleiding
verslaafd
164
jaargroep 8 | eenheid 4
gevoelens
voorleesverhaal | les 7
z i n
i n
t a a l
De zangwedstrijd
De oude Grieken hadden veel goden. De Muzen waren de godinnen die de
kunsten en de wetenschappen beschermden. In het verhaal hoor je ook nog
namen van andere goden.
(1) In de landstreek Macedonië (in Griekenland) woonden negen zusters.
Negen dochters van koning Pieros, prinsessen dus, die het buitengewoon
goed met zichzelf hadden getroffen. Ze waren lief, kunstzinnig, slim,
handig... Ze waren volmaakt, vonden ze zelf.
De dochters van Pieros liepen, om het maar eerlijk te zeggen, naast hun
schoenen van verwaandheid. Het allertrotst waren ze op hun zangkunst.
Ze zongen liederen over goden en helden, met zijn allen tegelijk of een
voor een, en ze deden dat mooier dan ieder ander – vonden ze dus.
Op een zomeravond, toen ze in de paleistuin het ene lied na het andere
hadden gezongen, zei de jongste zuster:
‘Weet je wat ik denk? Ik denk dat wij beter kunnen zingen dan de Muzen.’
‘De Muzen?’ zei de oudste. ‘Die hebben anders wel erg veel verstand van
muziek.’
‘Ja,’ zei de jongste, ‘ze weten alles van de zangkunst, maar echt goed
zingen, zoals wij, kunnen ze dat?’
‘Vast niet.’
‘Vast wel.’
‘Misschien.’
‘Geen idee.’
De negen zusters konden het niet met elkaar eens worden. Maar toen ze
er een nachtje over hadden geslapen, kwamen ze tot een goed plan. Ze
zouden naar de berg Helikon gaan, waar de Muzen woonden, en aan hen
voorstellen een wedstrijd te houden.
Toen de negen Muzen van de negen zusters hoorden wat de bedoeling
was, barstten ze in lachen uit. Ze vonden het idee van een zangwedstrijd
tussen deze meisjes en henzelf, de beschermgodinnen van kunsten en
wetenschappen, volstrekt bespottelijk.
‘Ga toch naar huis,’ zeiden ze. ‘Wedstrijden houden jullie maar met je
eigen soort.’
Maar de zusters gingen niet naar huis. Ze bleven weken achtereen op de
Helikon en elke dag kwamen ze weer vragen of de Muzen toch alsjeblieft,
alsjeblieft...!
(2) Ten slotte gaven de godinnen toe. Ze stonden er echter op dat zij de
regels voor de wedstrijd mochten bepalen. Beide partijen zouden één
zanger afvaardigen, anders ging het veel te lang duren. En de jury moest
worden gevormd door drie bergnimfen [meisjes die in de bergen woonden].
De zusters spraken af dat de middelste van hen het tegen de afgevaardigde van de Muzen zou opnemen. Zij zong niet te hoog en niet te laag,
niet te hard en niet te zacht, niet te kort en niet te lang. Zij zong altijd
precies goed, vonden ze.
De Muzen kozen voor het optreden Kalliope uit, die bij hen de eerste was
in rang.
De wedstrijd vond plaats op een plek tussen de dennenbomen. De middelste zuster trad vastberaden naar voren en begon aan een lied over het
gevecht van de goden tegen een stel vervaarlijke reuzen. Tot stomme
verbazing van de Muzen werden de goden hierin niet afgeschilderd als
dappere strijders, maar als bangeriken die zich vermomden om uit handen van de vijand te blijven.
Het zingen klonk niet goed en niet slecht, niet hoog en niet laag, niet
hard en niet zacht. Maar volgens de Muzen was het wel veel te lang.
Het eerste couplet ging over Zeus, die zich vermomde als een ram. Het
tweede ging over Dionysos, die een bok werd. Het derde over Hera, die
zich veranderde in een koe. Het vierde over Artemis, die de gedaante van
een kat aannam en het vijfde... het vijfde ging over Apollo. Apollo, de god
van de muziek en de dichtkunst, die de Muzen het meest na stond. Hij
zou zich volgens dit weinig vleiende lied hebben veranderd in een raaf,
zodat hij makkelijk op de vlucht kon slaan.
‘Hou op, hou op!’ riepen de Muzen. ‘Deze valse aanklacht heeft lang
genoeg geduurd. Nu zijn wij aan de beurt.’
De zangeres deed verontwaardigd een stap terug om plaats te maken
voor Kalliope.
(3) Het werd doodstil tussen de dennenbomen. Kalliope zong. Ze zong
over de godin Demeter, die haar dochter Persephone was kwijtgeraakt
aan de god van de onderwereld. Die god, Hades, had het meisje geschaakt
en was met haar naar het dodenrijk verdwenen. In lange gevoelvolle
tonen vertelde het lied van de wanhopige zoektocht van Demeter naar
haar kind. Het klonk adembenemend mooi!
Toen Kalliope was uitgezongen, hoefden de drie bergnimfen niet eens te
overleggen. Ze stonden op en riepen tegelijk: ‘De Muzen! De Muzen
hebben gewonnen.’
(4) De negen zusters waren razend. ‘Die nimfen wonen hier op de berg. Ze
willen jullie natuurlijk te vriend houden,’ riepen ze tegen de Muzen. ‘Het
is niet eerlijk gegaan. Het is een schande! We willen een herkansing, met
een andere jury. En dan niet meer tegen die Kalliope, maar...’
‘Wees toch stil,’ zeiden de Muzen. ‘Jullie hebben gewoon verloren en als
dat gemopper niet ophoudt, volgt er straf.’
Maar de zusters waren zo kwaad, dat ze het niet konden laten om door te
gaan met foeteren en schelden. Opgewonden liepen ze rond, kwetterend
en tetterend van woede, snappend en babbelend, krassend en tjakkerend
en...
Wat waren dat nou voor geluiden? Ze keken elkaar zenuwachtig aan en
zagen dat ze geen monden meer hadden, maar snavels. Geen benen,
maar dunne, spichtige poten. Geen armen, maar vleugels, waarmee de
een na de ander nu opsteeg met een angstig gekrijs.
De negen dochters van Pieros waren door de Muzen veranderd in eksters.
Klapwiekend vlogen ze terug naar huis. Ze hebben in de bomen van de
paleistuin nog veel gesnapt en gebabbeld, maar gezongen hebben ze
nooit meer!
Uit: Simone Kramer (2003). De negen eksters. In: Mensen, draken en dolfijnen. Amsterdam: Ploegsma.
jaargroep 8 | eenheid 4
165
spreken | luisteren
z i n
i n
Freki
t a a l
Het gaat over omgaan met elkaar.
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
• Alle mensen hebben gevoelens.
scheel
onbeleefd
mentaal
86
zite_tb_bw_e04.indd 1
19-2-2008 15:49:13
Eenheid 4 • gevoelens | les 1
de handicap
vervormd
Omgaan met elkaar:
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden.
Bas vertelt over een vrouw die heel erg scheel keek. Zoiets had hij
nog nooit meegemaakt.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
Emily vertelt dat ze heeft gezien dat volwassenen een mevrouw
met een vervormd gezicht uitlachten.
• Alle mensen hebben gevoelens.
Frekie wist niet bij welke partij hij hoorde, maar hij was wel
dolblij als hij scoorde.
87
zite_tb_bw_e04.indd 2
19-2-2008 15:49:15
woordenschat
z i n
verslaafd
verdoven
opwekken
de nicotine
het bewustzijn
de hasjiesj
de verleiding
ten koste gaan van
de drug
chatten
gamen
internetten
het level
online
het sms’je
i n
Verslaving
t a a l
Verslaving
Elk najaar organiseert de Universiteit van
Tilburg de Kinderuniversiteit: zes colleges*
op maandagmiddag, gegeven door een echte
professor. Bijvoorbeeld een college over
verslaving.
De professor vertelt dat mensen aan
verschillende soorten middelen verslaafd
kunnen raken. De eerste soort zijn de
verdovende middelen. Slaappillen zijn
verdovende middelen – je wordt er heel erg suf
van. Ook heroïne en alcohol zijn verdovende
middelen.
De tweede soort zijn opwekkende middelen: je
wordt er heel actief van. Cocaïne, pepmiddelen
en nicotine – de stof in sigaretten – zijn
opwekkende middelen.
De derde, en meest lastige soort, zijn de
bewustzijnsveranderende middelen. Wanneer je
deze gebruikt, dan ga je dingen zien die er niet
zijn. Je kunt ook heel erg angstig worden. Tot
deze middelen horen hasjiesj en ecstasy.
Je kunt ook verslaafd raken aan gamen en
chatten. Of wat te denken van sms’en? In
Nieuw-Zeeland was een vrouw die 8000 sms’jes
per maand verstuurde. Aan deze nieuwe
verleidingen kunnen ook jongeren verslaafd
raken. Volgens onderzoek is bijna 1 op de 25
kinderen internetverslaafd.
 Opdracht 1
Schrijf de paarse woorden uit de tekst in je schrift.
Ook van de rechterpagina.
Schrijf ernaast wat ze betekenen.
Doe het zo:
verdovende – waar je suf van wordt
Kies uit:
drug gemaakt van hennepplanten
dingen die ontzettend leuk lijken
toestand waarin je kunt denken
waar je actiever van wordt
waar je suf van wordt
stof in tabak
middelen waardoor je in een andere stemming komt
waar andere dingen onder lijden
dat je niet zonder iets kunt
88
zite_tb_bw_e04.indd 3
* lessen op een universiteit
19-2-2008 15:49:17
Eenheid 4 • gevoelens | les 2
Verslaafde kinderen?
Steeds meer kinderen zitten vaak en lang achter de
computer. Misschien herken je het wel: je wilt per se
doorspelen tot het volgende level van de computergame, of
je kunt niet genoeg krijgen van het chatten met je vrienden.
Dat betekent nog niet meteen dat je verslaafd bent. Het
wordt pas een probleem wanneer het internetten
ten koste gaat van andere dingen, zoals huiswerk maken en
spelen met andere kinderen. Wanneer je het gevoel hebt dat
het leven ‘online’ beter is dan het leven buiten de computer,
dan is er iets mis.
Veel gevaarlijker dan internetten is het roken van een sigaret.
Kinderen en tieners zijn heel snel rookverslaafd. Sommige
onderzoeken laten zien dat kinderen al verslaafd kunnen
raken van minder dan tien sigaretten! Eén sigaretje, gewoon
om het te proberen, is dan ook veel gevaarlijker dan je denkt.
Het beste is om er gewoon niet mee te beginnen.
Luuk (11) was bij het college. Hij vertelt:
‘De professor legde het goed uit, al gebruikte hij soms wel
moeilijke woorden. We hadden het op school al eens over
verslaving gehad. Iemand van Bureau Halt vertelde over
drugs, roken en alcohol. Zelf doe ik weleens aan internetten,
maar niet zo heel erg vaak. Of ik eraan verslaafd zou kunnen
raken? Als ik zo doorga als nu, dan ben ik daar niet bang
voor.’
[zite_tb1_p4-5_b]
[illustraties bij de tekst op de rechterpagina: Aletta aan het werk als
tandarts, met een assistente en een patiënt in de stoel. Het mag er niet
eng uitzien! Ook graag een patiënt die al klaar is, met prachtige tanden!]
[zite_tb1_p4-5_c]
[illustraties bij opdracht 2:
- de loodgieter (bezig een waterleidingbuis aan te leggen)
- de monteur (bezig aan een auto of ander apparaat)
- de rechercheur
- de stewardess
 Opdracht 2
- de tandartsassistente]
Wat betekent het?
Lees wat er staat bij a.
[vormgever:
illustraties
Zoek
op watnummeren:
het is.
11. de loodgieter
een waterleidingbuis
Schrijf(bezig
het woord
in je schrift. aan te leggen)
12. de monteur (bezig aan een auto of ander apparaat)
13. de rechercheur
Doe het zo:
14. de stewardess
a. chatten
15. de tandartsassistente]
a. praten via de computer door tekst in te typen
b. kort bericht dat je verstuurt met je mobiele telefoon
c. direct verbonden met het internet
d. het niveau in een computerspel
e. iets zoeken op het internet
f. computerspellen spelen
 Ben jij ook verslaafd?
Waaraan? En wat doe je eraan?
Schrijf steekwoorden in je schrift.
89
zite_tb_bw_e04.indd 4
19-2-2008 15:49:20
Kort en lang
zinsbouw
z i n
i n
t a a l
Je leert dat je met taal alle kanten op kunt.
Kijk, een clown. Hij springt een gat in de lucht van blijdschap, maar hij houdt
zijn ware gezicht verborgen achter een dikke laag schmink.
Bouw twee zinnen. Eéntje met drie woorden, en eentje die zeven keer langer is,
en waarin dus, net als in deze, eenentwintig woorden staan.
Dat – drie – heftig – omdat – slap – terwijl.
Gebruik die woorden precies één keer in een tekst van één alinea.
(Je mag de volgorde veranderen.)
Rozen verwelken en scheepjes vergaan,
maar onze vriendschap blijft altijd bestaan.
Bouw zelf ook zo’n geheel van drie zinnen in één.
90
zite_tb_bw_e04.indd 5
19-2-2008 15:49:22
Eenheid 4 • gevoelens | les 3
Combineer de twee mededelingen
in de eerste zin met elkaar op twee
andere manieren.
Een zin en nog een zin
Een zin begint met een hoofdletter en een zin eindigt met een punt, een vraagteken of
uitroepteken. Dat is lekker makkelijk. Is het ook waar? Hoeveel vertelzinnen heb je nu
bijvoorbeeld gelezen, de titel niet meegerekend?
Een zin begint met een hoofdletter en een zin eindigt met een punt,
een vraagteken of uitroepteken. Dat is lekker makkelijk.
Twee? Of toch drie?
Twee! Een lange en een korte. Preciezer: een samengestelde vertelzin en een
enkelvoudige vertelzin. In de samengestelde zin staan 17 woorden, in de enkelvoudige
vier. In de samengestelde zin staan twee gezegdes, in de enkelvoudige één.
Een zin begint met een hoofdletter en een zin eindigt met een punt,
een vraagteken of uitroepteken.
Dat is lekker makkelijk.
De enkelvoudige zin vertelt hoe iets is: lekker makkelijk. De samengestelde zin
legt uit hoe iets begint: met een hoofdletter, en hoe het eindigt: met een punt,
een vraagteken of uitroepteken.
Die twee dingen, begin en einde, horen zo erg bij elkaar dat je ze bijna niet los
van elkaar kunt denken. Ze vormen als het ware één geheel, dat je in één adem noemt,
in twee zinnen die met en aan elkaar gemaakt zijn.
Er zijn veel manieren om dingen met elkaar te combineren in één zin. En elke keer als
je dat doet (of leest) moet je je afvragen: klopt het? Deugt die combinatie? Dat is niet
makkelijk. Dat is moeilijk.
Wat je schrijft, kan altijd beter.
Tot het af is, helemaal af.
zite_tb_bw_e04.indd 6
91
19-2-2008 15:49:25
O, dat...
zinsbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert zelfstandig naamwoorden en
voornaamwoorden.
De pa van Sofie praat tegen zijn dochter.
Dat is een zin met één naam, twee zelfstandig naamwoorden en één voornaamwoord.
Maar die kijkt tv, dus ze hoort het niet.
Eén zin, negen woorden, drie voornaamwoorden.
‘Deed jij dat vroeger ook?’ vraagt ze aan hem.
‘Hè? O, dat…’ zegt hij, haar pa.
92
zite_tb_bw_e04.indd 7
19-2-2008 15:49:28
Eenheid 4 • gevoelens | les 4
‘Ben ik in beeld?’
‘We eten een beetje vroeger dan anders,’ zegt de vader van Sofie.
‘O,’ zegt Sofie. Ze zit tv te kijken.
‘Ja,’ zegt haar vader, ‘want we hebben club hier, vanavond.’
‘O, dat,’ zegt Sofie. Er wordt hevig gezoend op tv.
‘Ja - Hallo! Ben ik in beeld?’
Sofie hoort hem niet. Het zoenen eist al haar aandacht op. Een
vrouw met een grote rode mond en van die natte lippen heeft zojuist,
met haar ogen dicht, haar hoofd achterover gegooid, zo, hup, helemaal
achter in haar nek, zodat de man er goed bij kan, en nu zoenen ze.
Sofie kijkt ernaar. Ze wil weten hoe het moet. Ze wil weten hoe
die vrouwen het voor mekaar krijgen. Dat met die nek, bijvoorbeeld.
Ze heeft het een paar keer geoefend, maar het was verdraaid pijnlijk
en ze kreeg het er ook benauwd van. Eén keer kukelde ze zelfs bijna
achterover. Maar ja, ze had er geen man bij, dat scheelt.
Vader en dochter.
Dat zijn twee zelfstandig naamwoorden.
Hij en zij, haar en hem.
Dat zijn vier voornaamwoorden.
93
zite_tb_bw_e04.indd 8
19-2-2008 15:49:31
woordenschat
z i n
iets bekonkelen
hatelijk
minachten
soezerig
het bubbelbad
de chloor
de kat uit de boom kijken
iets in je schild voeren
uitblazen
ongemakkelijk
Dat zit hem dwars.
de nadruk
Het is één pot nat.
giebelen
van wal steken
i n
Tropisch paradijs
t a a l
Tropisch paradijs
‘Het is zover!’ zegt meester Piet. ‘Vandaag
maken we nieuwe tafelgroepjes.’
Gestommel en geschuif en gebonk.
Niemand hoeft iets te zeggen. Ze hebben het
allemaal van tevoren bekonkeld.
Guilly wist van niets. En niemand heeft hem
gevraagd, want hij is nieuw. De klas kijkt de kat
uit de boom en dat duurt al een halfjaar. Het is
zeker een hoge boom.
Noblet is aardig, maar Noblet zit bij Daaf en
die legt zijn been op de stoel zodra Guilly een
stap in hun richting zet.
En dan ziet hij het. Naast Milena is een stoel
vrij. Bij Manuela en Hatice. Hij mag Manuela en
Hatice wel. En Milena... Guilly is op Milena. En
nu, pats boem, zit hij naast haar.
‘Hè bah, bij de meiden!’ gilt Daaf.
Guilly kleurt. ‘Meisjes zijn ook mensen.’
Daaf lacht hatelijk. ‘Hoezo ook? Jij ook dan?’
‘Een mens moet je zijn om een mens te
zien,’ roept Milena achterom. Daaf wordt rood.
Guilly wordt warm. Hij ruimt zijn nieuwe laatje
in. Rustig, zegt hij tegen zichzelf. Ga niet zitten
stralen. Dit stelt niks voor.
Maar het wordt nog gekker.
‘Ik ben bijna jarig,’ zegt Milena ’s middags
tegen hem. ‘Kom je op mijn feestje?’
Ze voert iets in haar schild, dat is zeker,
denkt Guilly. Hij is hier nog nooit op iemands
feestje geweest.
‘We gaan naar het tropisch paradijs,’
fluistert ze.
Minachtend draait hij zich om. Straks begint
ze over kokosnoten. Hij is meteen niet meer op
haar.
‘We gaan naar het zwembad,’ fluistert ze,
‘rare!’
1
‘Hè bah, bij de meiden!’ gilt Daaf.
2
Minachtend draait hij zich om.
94
zite_tb_bw_e04.indd 9
19-2-2008 15:49:33
Eenheid 4 • gevoelens | les 5
Het is al in de namiddag. Ze hebben het vlot gehad, de hoge
duikplank, de wildwaterbaan en het bubbelbad. Nu zitten ze
soezerig uit te blazen. Milena’s vriendinnen zwemmen om het
hardst. Dit is het moment om verkering te vragen.
‘Wil je...’ begint hij ongemakkelijk. Nee, eerst moet hij iets
anders weten. Dat zit hem de hele dag al dwars. Als Milena
nu eens medelijden met hem heeft? Omdat niemand hem
vraagt? Omdat ze hem zielig vindt?
‘Waarom heb je me uitgenodigd?’ vraagt hij met nadruk.
‘Omdat je normaal doet,’ zegt ze meteen.
‘Normaal?’
‘Zoals vroeger. Jongens, meisjes, één pot nat. Nu is het
altijd verkering zus en meiden zo, en giebelen en uitlachen en
in de kleedhokjes gluren. Jij zit tenminste gewoon naast me
en zo en jij vindt verkering ook onzin, net als ik.’
‘O. Ja. Daarom dus.’
‘En wat wou je nou eigenlijk vragen? Of was dat het?’
‘Dat was het.’
‘Dan heb ik nog een vraag,’ zegt Milena.
‘Steek maar van wal.’
‘Wil je verkering met me?’
‘Hè?’
‘Omdat we het allebei zo’n onzin vinden, dus passen we bij
elkaar.’
‘Goed,’ zegt Guilly.
Ze drukt een natte zoen op zijn wang. Ze ruikt naar chloor.
3
Nu zitten ze soezerig uit te blazen.
4
‘Wil je verkering met me?’
95
zite_tb_bw_e04.indd 10
19-2-2008 15:49:35
Spreekbeurten | Werkstukken
p r e s e n t a t i e
Kleine mens
Mila is twaalf jaar oud en één meter dertig lang.
Ze vertelt hoe dat in elkaar zit.
Groter dan ik nu ben, word ik niet. Wat ik heb, is een
groeistoornis, achondroplasie. Mijn romp is van ‘normale’
grootte, maar mijn armen en benen zijn veel korter dan die
van de meeste anderen. Mensen noemen mij soms lilliputter
of dwerg. Dat vind ik niet prettig.
Ik heb het zelf altijd over ‘kleine mens’. Kleine mensen
worden het liefst ‘kleine mens’ genoemd. Ja, niet de hele
dag natuurlijk! Je begrijpt wel wat ik bedoel.
Kleine mensen worden gemiddeld 1 meter 20. Ik ben dus aan
de lange kant, zou je kunnen zeggen. Behalve mijn lengte
ben ik verder helemaal normaal. Ik kan net zo oud worden
als ieder ander. Ik hou van geschiedenisboeken lezen,
schaken en ik heb een snelle fiets. Die is wel speciaal voor
mij gemaakt.
Volgend jaar ga ik naar de brugklas, daar zie ik een beetje
tegenop. Dan word ik vast de eerste tijd aangestaard. Ik ben
ondertussen gewend dat mensen mij bekijken. Niet even
kijken, maar je echt belachelijk brutaal aanstaren. Daar baal
ik weleens van.
Leef je in in het leven van Mila en probeer je voor te
stellen hoe het is om boodschappen te doen of met
de trein te reizen, of aan sport te doen, of naar de
film te gaan.
96
zite_tb_bw_e04.indd 11
19-2-2008 15:49:38
Eenheid 4 • gevoelens
Verzin een grote of kleine uitvinding die het leven van
kleine mensen makkelijker en plezieriger maakt. Maak van
je uitvinding ook een ontwerptekening.
Uitvindertjes gevraagd
Als je klein bent, kun je moeilijk een brief posten.
Geld pinnen uit een geldautomaat gaat ook niet makkelijk. Als je erop gaat
letten, zie je dat heel veel voor kleine mensen te hoog zit. Denk maar aan van
die alledaagse dingen als een deurbel of een deurkruk.
Ook stoelen zijn vaak te hoog of te groot voor kleine mensen. Je benen
bungelen dan maar wat. Voor je het weet, vallen ze in slaap. Vaak zo zitten is
slecht voor je spieren. En het zit ook gewoon niet lekker.
97
zite_tb_bw_e04.indd 12
19-2-2008 15:49:41
schrijven
z i n
i n
Raak
t a a l
Je schrijft wat je weet of wat je vindt van
iets wat je gelezen hebt.
Net als Enzo. Die schrijft over een gedicht
dat hij geleerd heeft.
Van alle gedichten die we dit jaar hebben geleerd
vond ik Het Evenwicht van Totò het leukst.
In dit gedicht zegt Totò dat hij twee lijken
gezien had die op het kerkhof met elkaar lagen
te praten. Heel voorzichtig had hij zich verstopt
in een greppel en hij had ze bespied. Lijk nummer
één was van een arme straatveger, lijk nummer
twee was van een rijke edelman. Toen zei de rijke
man tegen de arme: ‘Hoe heb je het gedurfd om
je te laten begraven vlak bij mij die zoveel geld
had?’, en de arme man zei dat het de schuld van
zijn vrouw was geweest.
Dit gedicht betekent dat de dood voor alles en
iedereen gelijk is, en dat wij broeders van elkaar
moeten zijn, ook als we lijken zijn.
Enzo, groep 8
[zite_tb1_p14-15_a]
[illustratie: één grote, fantasierijke illustratie. N
daarna: veel geblakerds, zowel aan de buitenka
klaslokaal: bankjes, boeken en schriften, event
lokaal (tekeningen, educatieve posters van het
werelddeel); ook verloren lopende leerlingen la
wellicht dachten te zullen zijn bij het afbrande
pitloos te tennissen (Jules). En liefst ook nog ie
achtergelaten hebben: bluswaterplassen, een l
98
zite_tb_bw_e04.indd 13
19-2-2008 15:49:44
Eenheid 4 • gevoelens | les 6
Schrijf over wie, wat, waar,
wanneer, waarom en hoe.
Maak twee of drie alinea’s.
Die hoeven niet even groot te zijn,
met evenveel zinnen erin.
erijke illustratie. Niet de brand laten zien, maar de situatie
el aan de buitenkant van een school, als binnen, in een
n schriften, eventueel ook opgehangen dingen in het
e posters van het een of ander, een kaart van een of ander
ende leerlingen laten zien, die toch niet zo blij zijn als ze
n bij het afbranden van de school; eentje staat een beetje
n liefst ook nog iets van de brandweer laten zien, alsof ze dat
aterplassen, een losse slang, een helm, zoiets.]
99
zite_tb_bw_e04.indd 14
19-2-2008 15:49:46
woordenschat
z i n
kunstzinnig
volmaakt
naast je schoenen
lopen
bespottelijk
erop staan dat
iemand afvaardigen
vastberaden
vervaarlijk
i n
De zangwedstrijd
t a a l
1
iemand
afschilderen als
vleien
de aanklacht
iemand schaken
adembenemend
mooi
de herkansing
spichtig
Ze waren lief, kunstzinnig, slim, handig... Ze waren volmaakt, vonden ze zelf.
2
De zusters spraken af dat de middelste van hen het tegen de afgevaardigde van de
Muzen zou opnemen.
100
zite_tb_bw_e04.indd 15
19-2-2008 15:49:48
Eenheid 4 • gevoelens | les 7
3
Het klonk adembenemend mooi!
4
‘Het is niet eerlijk gegaan. Het is een schande! We willen een herkansing, met een andere jury.’
101
zite_tb_bw_e04.indd 16
19-2-2008 15:49:50
spreken | luisteren
z i n
i n
Droomtijd
t a a l
Als Milan na schooltijd bij de fietsenstalling komt,
ziet hij daar Emily. Wat is ze toch leuk. Milan durft
niet naar haar te kijken.
‘Interessante les, hè?’ hoort hij.
‘Ja,’ knikt hij. Wat moet hij anders zeggen.
‘Eerlijk gezegd weet ik het niet,’ zegt hij. ‘Ik heb er
niet zo heel erg veel van gehoord. Ik zat meer een
beetje te dagdromen.’
‘Waarover?’
‘Het kwam door jouw spreekbeurt. Ik stelde me
voor hoe het zou zijn om zo’n walkabout te doen.’
‘Leuk idee,’ lacht Emily. ‘En hoe was het?’
Waarom ben ik zo stom om dit te vertellen, denkt
Milan. Straks zeg ik nog dat ik geen kleren aanhad.
Hij klemt zijn lippen op elkaar.
‘Ik vind het niet gek hoor,’ zegt Emily. ‘Ik droom
er weleens echt van, ’s nachts in mijn bed. Dan loop
ik op mijn blote voeten door de woestijn. Ik maak
enorm grote sprongen. Het is bijna alsof ik vlieg.’
‘Wordt het dan geen nachtmerrie?’ vraagt Milan.
‘In mijn dagdroom kwam ik een bergduivel tegen,
maar dan wel één die vijftien meter lang was.’
‘Voor nachtmerries en bergduivels ben ik niet
bang,’ lacht Emily. ‘Mijn grootvader heeft een
dromenvanger boven mijn bed gehangen. Het web
vangt alle slechte of boze dromen en als de zon
opkomt, verbranden ze. Alleen de fijne dromen laat
hij door.’
‘Geef mij zo’n grootvader,’ zucht Milan.
‘Nee, ik houd hem zelf,’ lacht Emily. ‘Maar ik wil
hem wel aan je voorstellen. Hij woont bij ons in
huis.’
‘Bedoel je?’ begint Milan. ‘Bedoel je dat je mij
uitnodigt om met je mee te gaan naar huis?’
‘Ja,’ lacht Emily. ‘Dat bedoel ik.’
Ik droom, denkt Milan. Dit kan niet waar zijn. Zijn
hart springt op en neer in zijn borst.
‘Of heb je geen tijd of geen zin?’
‘Natuurlijk wel!’ roept Milan. ‘Graag, bedoel ik.’
102
zite_tb_bw_e04.indd 17
19-2-2008 15:49:53
Eenheid 4 • gevoelens | les 8
Emily: Interessante les, hè?
Milan: Ja.
Milan: Eerlijk gezegd weet ik het niet. Ik heb er niet zo heel erg veel
van gehoord. Ik zat meer een beetje te dagdromen.
Emily: Waarover?
Milan: Het kwam door jouw spreekbeurt. Ik stelde me voor hoe het
zou zijn om zo’n walkabout te doen.
Emily: (lachend) Leuk idee. En hoe was het?
Emily:
Ik vind het niet gek hoor. Ik droom er weleens echt van,
’s nachts in mijn bed. Dan loop ik op mijn blote voeten door
de woestijn. Ik maak enorm grote sprongen. Het is bijna
alsof ik vlieg.
Milan: Wordt het dan geen nachtmerrie? In mijn dagdroom kwam ik
een bergduivel tegen, maar dan wel één die vijftien meter
lang was.
Emily:
(lachend) Voor nachtmerries en bergduivels ben ik niet bang.
Mijn grootvader heeft een dromenvanger boven mijn bed
gehangen. Het web vangt alle slechte of boze dromen en als
de zon opkomt, verbranden ze.
Emily:
Milan:
Emily:
Alleen de fijne dromen laat hij door.
(zuchtend) Geef mij zo’n grootvader.
(lachend) Nee, ik houd hem zelf. Maar ik wil hem wel aan je
voorstellen. Hij woont bij ons in huis.
Milan:
Emily:
Milan:
Milan:
Bedoel je? Bedoel je dat je mij uitnodigt om met je mee te
gaan naar huis?
(lachend) Ja. Dat bedoel ik.
Of heb je geen tijd of geen zin?
(roepend) Natuurlijk wel!
(zachter) Graag, bedoel ik.
Omgaan met elkaar:
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden
(of bang zijn dat ze jou gek, raar of vreemd vinden).
Milan is bang dat hij te veel vertelt.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
Milan durft Emily bijna niet aan te kijken.
• Alle mensen hebben gevoelens.
Milan vindt Emily heel erg leuk.
103
zite_tb_bw_e04.indd 18
19-2-2008 15:49:54
woordenschat
z i n
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
de afkeer
het gelaat
programmeren
oprecht
vernauwen
de aanblik
de controle
passend
iets uitvissen
10.
11.
12.
13.
14.
15.
de boventand
de neusbrug
de pupil
de oorlel
de slaap
de wallen
i n
Emoties
t a a l
Emoties
De manier waarop onze gezichten emoties laten zien, is in de hele
wereld gelijk. Een lach van iemand in de Saharawoestijn betekent
hetzelfde als een lach van iemand in het Amazonewoud. De
bekendste emoties zijn: angst, woede, vreugde, verbazing, verdriet en
afkeer. Bij elk van die emoties hoort een typische gelaatsuitdrukking.
Die gelaatsuitdrukkingen zijn in onze hersenen geprogrammeerd.
Vreugde bijvoorbeeld. Een oprechte lach verandert heel je gezicht. De
kaken gaan omhoog, naast je ogen verschijnen rimpeltjes en eronder
krijg je wallen. De mond opent zich en de bovenlip krult omhoog en
maakt de boventanden zichtbaar. Een lach stuurt ook signalen naar
de hersenen en die vergroten het gevoel van vreugde.
Of afkeer. Wanneer iemand afkeer voelt, ontstaan er op de
neusbrug en het voorhoofd diepe rimpels. De ogen vernauwen, de
wenkbrauwen zakken en de kaken gaan omhoog. De aanblik van een
gezicht waarop diepe afkeer zichtbaar is, kan ook een gevoel van
afkeer opwekken bij iemand die dat gezicht ziet.
 Opdracht 1
Schrijf de paarse woorden uit de tekst in je schrift.
Ook van de rechterpagina.
Schrijf ernaast wat ze betekenen.
Doe het zo:
afkeer – het gevoel dat je iets heel vervelend vindt
zitten erin als een soort computerprogramma
het gevoel dat je iets heel vervelend vindt
uitdrukking van het gezicht
gaan een beetje dicht
het zien
eerlijke
geschikt voor de situatie
te weten te komen
heb je macht
104
zite_tb_bw_e04.indd 19
19-2-2008 15:49:56
Eenheid 4 • gevoelens | les 9
Een gevoelsdagboek
Heb je controle over je emoties? Je emoties passen misschien niet
altijd bij een bepaalde situatie: als je erg gespannen bent, kun je soms
overdreven reageren. Doe deze oefening om iets te weten te komen
over je emoties.
- Als je nog eens iets heel sterk voelt, probeer dan uit te vissen wat je
precies voelt en waardoor het veroorzaakt is. Schrijf je conclusie op in
een ‘gevoelsdagboek’. Blijf dat doen telkens als je iets sterks voelt.
- Na een paar dagen kijk je wat je geschreven hebt. Waren er goede
redenen voor je gevoelens? Schrijf je opmerkingen erbij.
- Na twee of drie weken herlees je je dagboek. Waren je gevoelens
passend of heb je overdreven gereageerd? Waren sommige gevoelens
beter op hun plaats dan andere? Zo leer je hoe je in de toekomst op je
gevoelens kunt vertrouwen.
11
12
14
15
13
10
 Opdracht 2
Waar zit het op je gezicht?
Lees wat er staat bij a.
Zoek het op het plaatje.
Schrijf het woord in je schrift.
Doe het zo:
a. de wallen
a. verdikkingen of donkere kringen onder je ogen
b. een tand in de bovenste helft van je gebit
c. het stukje tussen je ogen en je oren
d. het zwarte rondje midden in je oog
e. het bovenste deel van je neus
f. het onderste stukje van je oor
 Wat zie je aan het gezicht van iemand die angstig, verbaasd,
verdrietig of woedend is?
Schrijf steekwoorden in je schrift.
105
zite_tb_bw_e04.indd 20
19-2-2008 15:49:58
woordbouw
z i n
i n
IJsbloemen
t a a l
Je repeteert hoe afleidingen in elkaar zitten.
Muskaat ontwaakt en ontdekt een raamversiersel.
Ontwaken en ontdekken zijn afleidingen.
Hij staat op en gaat het versiersel van dichtbij bekijken.
Bekijken en versiersel zijn ook afleidingen.
106
zite_tb_bw_e04.indd 21
19-2-2008 15:50:02
Eenheid 4 • gevoelens | les 10
Oostenwind
Het is koud in Mompelen. De oostenwind heeft zijn vlerken
uitgeslagen. Iedereen verstijft, alles bevriest, de frisgewassen
hemden hangen als plankjes aan de waslijn en aan de neus
van Berend Wasbeer bungelt een pracht van een ijspegel. Lola
wil eraan likken, maar net als ze wil vragen of dat mag, komen
Musket en Muskiet opgewonden de trap af gedenderd.
‘Kom gauw,’ roepen ze, ‘kom gauw! Muskaat zit met zijn
tong aan het zolderraam vastgevroren!’
Heel verschillende woorden kunnen best hetzelfde in elkaar zitten.
Afleidingen bijvoorbeeld.
ijzig
wazig
onvoorspelbaar
onvoorstelbaar
107
zite_tb_bw_e04.indd 22
19-2-2008 15:50:05
woordenschat
z i n
i n
Ik
t a a l
de eigendunk
de hoogmoed
uitzonderlijk
navolgen
onnavolgbaar
oeroud
de ex-kampioen
voorwaarts
de wandaad
Ik
Cas en Klaar spelen vaak en graag met woorden. Vandaag spelen ze met
samenstellingen, én met voor- en achtervoegsels van woorden.
supergoed
oergezellig
de ex-leerling
de bangerik
huiswaarts
de wanorde
Klaar:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Wat ben je stil, Cas.
Ik zoek een woord, Klaar.
Welk woord?
Dát weet ik nog niet. (Cas zwijgt diepzinnig, wel zeven tellen,
en gaat daarna bedachtzaam verder.) Ik zoek namelijk niet
zomaar een woord. Ik zoek een woord dat bij mij hoort.
Ingewikkeld hoor. (Klaar denkt even na.) Zal je ik helpen
zoeken?
Het moet wel een woord zijn dat klinkt als een klok. En niet
te klein. Minstens een samenstelling.
(lachend) Wat dacht je van eigendunk?
(reageert niet) Mét een voorvoegsel; een indrukwekkend
voorvoegsel!
Uiteraard! Ik heb ex-, oer-, en super- in de aanbieding.
Het lijkt wel benzine, hihi. Super! Da’s een goeie, Klaar. Super!
Nu nog het achtervoegsel.
Is -erik niets voor je? Dan krijg je bijvoorbeeld
superslimmerik.
(schudt zijn hoofd) Nee. Slim past natuurlijk wel heel goed bij
mij. Dat spreekt voor zich. Maar nee, ik vind superslimmerik
toch te gewoontjes.
Dit doet me zo langzamerhand denken aan het bekende
sprookje van de kleren van de keizer. Die ging uiteindelijk ook
ten onder aan zijn grootheidswaan.
(nijdig) Wat bedoel je daarmee?
Dat eigen roem stinkt, Cas. En dat hoogmoed niet zelden
vóór de val komt.
[zitd_tb
[illustra
het woo
108
zite_tb_bw_e04.indd 23
19-2-2008 15:50:09
Eenheid 4 • gevoelens | les 11
Door een woord uit elkaar te halen,
kun je soms iets afleiden over de
betekenis.
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
[zitd_tb1_p24-25_a]
[illustratie: Cas en Klaar doen een spel met
het woordenboek.]
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Klaar:
Cas:
Je bent gewoon jaloers. Stinkend jaloers dat je niet zo superuitzonderlijk
bent als ik.
(ook nijdig) Wat een kletskoek! Weet je welk woord goed bij jou past?
Zelfgenoegzaam!
Zelfgenoegzaam?
En je krijgt er ook nog een achtervoegsel bij: zelfgenoegzaamheid;
mét een uitroepteken!
Zelfgenoegzaamheid mét een uitroepteken! Dat klinkt indrukwekkend.
Wat betekent het?
(raast door) Dat je zo tevreden bent met jezelf dat iedereen, behalve jijzelf,
doodziek van je wordt. Je bent een misselijk kereltje met je ikke-ikke-ikke!
Dat is het, Klaar! Hartelijk bedankt!
(buitengewoon verbaasd) Bedankt? Waarvoor?
Dat je het woord hebt gevonden?
Welk woord?
Mijn woord.
Jouw woord?
IK.
(zucht) Je bent onnavolgbaar, Cas.
(lacht) Onnavolgbaar is ook een mooi woord, Klaar. Maar ik vind IK geloof
ik toch nóg mooier. Want dat kleine woordje past meer bij mij dan welk of
elk ander woord. Luister maar.
Hoe ga ik open als een boek?
Ik wil mezelf eens lezen,
bladeren en kijken
hoeveel pagina’s ik tel.
Of ik een sprookje ben
of meer een studieboek.
Zou ik mij kopen?
Lenen bij de bieb?
Alleen stiekem lezen
hoe ik afloop en zachtjes
terugzetten in de kast?
Wat betekent slimmerik?
Welk woord zie je erin?
Wat is het achtervoegsel?
Welke betekenis geeft het
achtervoegsel aan het woord?
109
zite_tb_bw_e04.indd 24
19-2-2008 15:50:12
schrijven
z i n
i n
Ontwricht
t a a l
Schrijf op een knettergekke manier over de werkelijkheid.
Bijvoorbeeld zoals Brigitte Kaandorp.
Brommer
’t Was hallef negen
Ik stond te schuilen voor de regen
Ik zou naar huis toe gaan
Maar toen is het misgegaan
Jij liep wat gebogen
Maar toch zag ik je ogen
Mijn hart ging sneller slaan
Ik liep tegen die brommer aan
(Refrein:)
O liefde
Wat heb jij mij aangedaan?
Waarom bleef jij niet voor mij staan?
En waar kwam die brommer vandaan?
O liefde
Ik zag die glimp van jouw gezicht
Nu is niet alleen mijn hart
Maar ook mijn linkerbeen ontwricht
110
zite_tb_bw_e04.indd 25
19-2-2008 15:50:14
Eenheid 4 • gevoelens | les 12
Jij hebt het nooit geweten
Jij bent die dag allang vergeten
Jij liep in gedachten voort
Jij hebt niet eens die klap gehoord
Nu jaren later doet mijn hart soms nog zeer
Maar ik leg me erbij neer
Jij bent voorbij, alleen
Ik sleep nog altijd met dat linkerbeen
Brigitte Kaandorp
Met taal kun je knettergekke dingen doen.
Bijvoorbeeld: ongelijke dingen met elkaar combineren.
Niet alleen mijn hart, maar ook mijn linkerbeen.
111
zite_tb_bw_e04.indd 26
19-2-2008 15:50:15
spreken | luisteren
z i n
i n
Met open mond
t a a l
Met open mond
‘Komt dat zien! Komt dat zien!
Wij tonen u hier Madame Coffullia.
Ja mensen, haar baard is echt echt!
Ook in onze collectie: een Siamese tweeling.
U mag ze van heel dichtbij komen bekijken!
Komt dat zien! Komt dat zien!
Een halve stuiver voor de dwerg Gruwel.
Vijf cent voor Madame Coffullia.
En tien cent voor de Siamese tweeling.’
In de negentiende eeuw werd het publiek op de kermis op
die manier de tent in gelokt. Schreeuwende mannen die
bijzondere mensen aanprezen. Binnen kon je naar ze kijken als
naar dieren in een dierentuin:
- een reusachtig dikke man;
- heel grote of heel kleine mensen;
- een overbehaarde vrouw;
- een jongen met één been.
Veel mensen gingen naar binnen om zo’n bijzondere
medemens met open mond aan te staren of, nog erger, uit te
lachen. Maar het allergekste daarvan was dat iedereen dat nog
heel gewoon vond ook.
Uitleggen:
• Je kunt mensen soms gek, raar of vreemd vinden.
• Je weet dan vaak niet hoe je je moet gedragen.
• Alle mensen hebben gevoelens.
112
zite_tb_bw_e04.indd 27
19-2-2008 15:50:18
Eenheid 4 • gevoelens | les 14
zeggen
kinderen.
DitDit
zeggen
dede
kinderen.
Wat
zeggen
jullie?
Wat
zeggen
jullie?
Wat ik niet snap.
Waarom lieten die gehandicapte
mensen zich zo behandelen?
Wat vinden jullie?
Zouden jullie naar binnen gaan om die
mensen te bekijken?
Ik wil méér weten.
Wat ik heb geleerd.
Werden die gehandicapte
mensen daar rijk van?
Vroeger werden mensen met
een lichamelijke afwijking slecht
behandeld.
Ik weet nog meer!
Wat ik al wist.
Tegenwoordig kunnen doktoren
veel mensen met een lichamelijke
afwijking helpen.
Een Siamese tweeling bestaat uit
twee mensen die aan elkaar vast
geboren zijn.
113
zite_tb_bw_e04.indd 28
19-2-2008 15:50:19
spreken | luisteren
z i n
1
i n
les 1: Frekie
t a a l
Ben jij het eens of oneens met wat de kinderen vertellen?
Dit zeggen de kinderen:
Maar bijvoorbeeld met deze man kan ik heel goed praten, want hij zegt altijd vriendelijk
goedendag.
De zoon van de vriend van mijn vader is gehandicapt. Hij weet nog niet goed de spelregels van
de spellen die wij spelen. Dus moeten we met hem meespelen hoe dat hij het wilt.
Als iemand scheel kijkt, doe ik gewoon net of ze er gewoon uitzien.
Je probeert gewoon te praten, maar zij zegt niets. Ze gaat heel raar doen. Dan weet ik ook niet,
wat ik moet doen.
En die waren dus compleet voor haar gezicht aan het lachen. En ik zei in mijn eigen: ‘Als de
wereld zo blijft voortduren, dan heeft het geen zin om te leven.’
Die kinderen of die mensen die gehandicapt zijn, die zijn met veel minder tevreden dan wij.
2
mee eens
mee oneens
Maak van je hart geen moordkuil.
Reageer met steekwoorden op de Frekiewoorden.
mongool:
ernstig smoel:
zielig:
Bekijk de zaak van de andere kant.
Stel je voor: jij bent geestelijk gehandicapt.
Hoe wil je dat andere mensen met je omgaan?
Noteer je naam en – in steekwoorden – jouw ideeën
op een ideeënbriefje.
eenheid 4 | les 1
39
zinsbouw
z i n
1
les 4: O, dat...
i n
t a a l
Een vrouw met rode lippen, lang haar en een dunne nek gooit op tv haar hoofd achterover.
De paarse woorden, wat voor soort woorden zijn dat?
Maar haar vriend die maakt het uit omdat hij zijn vrijheid terug wil, dus ze kussen elkaar niet.
De paarse woorden, wat voor soort woorden zijn dat?
2
In elk rijtje staan vier zelfstandig naamwoorden.
Welk woord is tegelijkertijd ook een ander soort woord?
mond
armen
zij
neus
handen
lip
kin
kussen
oog
haar
tanden
oor
▫
▫
▫
▫
3
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
Ontleed de zinnen in drie zinsdelen.
Volgt Sofie een tv-serie?
Ziet ze alle afleveringen?
Haar vader wil een ander kanaal.
Sofie verstopt de afstandsbediening.
doorzettingsvermogen
moed
onbetrouwbaarheid
wil
‘Ik zoek de zapper.’
‘Die heb ik.’
‘Ik wil hem .’
Kreeg hij hem?
Waar of niet waar?
Het voornaamwoord hij kan in een zin onderwerp zijn.
Het voornaamwoord hem kan in een zin onderwerp zijn.
4
▫
▫
▫
▫
Zoek in elke zin het naamwoordelijk gezegde.
Het | is een heel goeie serie.
De mooiste vrouwen | zijn de hoofdrolspeelsters.
Eéntje | was ontzettend gemeen.
waar
niet waar
▫
▫
▫
▫
Eén man | is Sofie d’r favoriet.
Zijn haar | is dik en zwart.
Zijn tanden | zijn parelwit.
Waar of niet waar?
Er zijn twee woorden zijn: het werkwoord zijn en het voornaamwoord zijn.
Er zijn twee woorden het: het zelfstandig naamwoord het en het lidwoord het.
5
Vreemde omschrijvingen van gewone dingen.
Zoek de paarse zelfstandig naamwoorden erbij.
Dit spul kun je aanwijzen, maar niet tellen.
Dit kun je niet aanwijzen of zien, maar wel horen.
Dit kun je niet aanwijzen of zien, maar wel voelen.
Dit kun je niet aanwijzen, niet zien, niet horen en niet voelen.
Dit ding kun je aanwijzen, zien, horen, haten, uitzetten...
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
waar
▫
▫
dorst
gelach
tijd
tv
water
Sofie wil weten hoe het moet, dat met die nek...
Wat kun je vertellen over de betekenis en de vorm van die zin? Schrijf steekwoorden op.
40
eenheid 4 | les 4
niet waar
▫
▫
taak 1
zinsbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert zelfstandig naamwoorden en voornaamwoorden. En zinsdelen!
1
Kijk en vergelijk.
Wat is anders?
Op de radio is een gevoelig lied dat Katleen rillingen bezorgt .
Op de radio is het gevoelige liedje dat Katleen rillingen bezorgt .
Het heeft een eenvoudige melodie die ze maar even hoeft te horen .
Het heeft een eenvoudig melodietje dat ze maar even hoeft te horen .
En een kort refrein dat haar altijd aan het huilen maakt .
En een kort refreintje dat haar altijd aan het huilen maakt .
Waar of niet waar?
Liedje, melodietje en refreintje zijn de-woorden.
Verkleinwoorden in het enkelvoud zijn altijd het-woorden.
De voornaamwoorden bij een het-woord zijn dit en deze.
Het is een eenvoudige melodie, want melodie is een de-woord.
2
Drie zinnen beschrijven het liedje.
Die zinnen lijken op elkaar.
Welke zin hoort er niet bij?
Het is een slaapliedje.
Het is Duits.
Het was een oud gedicht.
Katleen neuriet mee.
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
waar
▫
▫
▫
▫
niet waar
▫
▫
▫
▫
Ze zingt ‘laizelaize’.
Dat zijn de refreinwoorden.
Die zijn gemakkelijk.
De rest is moeilijk.
Wat voor gezegde staat er in de zinnen die op elkaar lijken?
een naamwoordelijk gezegde
een werkwoordelijk gezegde
▫
▫
3
In de ene zin is één zinsdeel paars.
Zoek datzelfde soort zinsdeel in de andere zin.
De deejay geeft veel overbodige informatie. Katleen haat dat gepraat.
Hij vertelt saaie en domme dingen.
Het irriteert haar.
Heb jij dat ook?
Irriteert het jou ook?
Om welk zinsdeel gaat het?
4
Vreemde omschrijvingen van gewone dingen.
Zoek de paarse zelfstandig naamwoorden erbij.
Dit kun je niet aanwijzen, maar wel horen.
Dit kun je ook niet aanwijzen, maar wel voelen.
Dit kun je proeven.
Hier kun je altijd alleen maar naar wijzen.
En dit kun je alleen maar bedenken, verder kun je er niks mee.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
kalmte
zoetigheid
stilte
verzinsel
verte
eenheid 4 | taak 1
41
taak 2
zinsbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert zelfstandig naamwoorden en voornaamwoorden. En ontleden!
1
Drie zinnen zitten hetzelfde in elkaar.
Welke is anders?
Zijn dat Pepijns schoenen?
Zijn suffe, zwarte rugzak?
Zijn nette, gestreken kleren?
Zijn kleine, saaie vissenboek?
▫
▫
▫
▫
2
3
▫
▫
▫
▫
Die twee vrolijke ogen.
Die vele aardige woorden.
Die ene lieve lach.
Die schonk hij Katinka.
Ontleed de zinnen in drie zinsdelen.
Pepijn ziet Katinka.
Katinka verafschuwt zijn rugzak.
Hij begroet haar.
Vertelt ze leuke mopjes?
Negeert zij hem?
Ze beledigt Pepijn z’n vissen!
Hoort zij zijn woorden ?
Haat ze Pepijn?
Regen!
Welk voornaamwoord verwijst naar de paarse woorden?
De mensen op straat pakken een paraplu en ze steken die omhoog .
Ook Katinka grijpt een plu , die kordaat door haar wordt uitgeklapt .
Pepijn krijgt bijna het puntje in zijn oog, maar hij kan het nog net ontwijken .
Pepijn doet toch aardig tegen Katinka , dus waarom doet zij zo tegen hem ?
Zoek de andere voornaamwoorden.
Naar welke woorden verwijzen ze?
4
Vul passende voornaamwoorden in.
Je mag de woorden vaker gebruiken.
Kies uit: haar – hem – het – hij – ze – zij – zijn
Katinka hoort Pepijn wel gedag zeggen, maar
Pepijn kijkt naar
Zal
naar
Nou ja, en ook een beetje zielig voor
42
hoofd gooien?
.
.
Vreemde omschrijvingen van gewone dingen.
Zoek de paarse zelfstandig naamwoorden erbij.
Van jezelf kun je dit alleen zien via spiegels en foto’s.
Dit kun zien, en voelen op je huid.
Dit kun je niet zien, maar wel voelen, vanbinnen.
Dit kun je niet zien, niet beetpakken, maar wel inademen.
Dit kun je wel zien, maar niet beetpakken.
eenheid 4 | taak 2
niet terug.
vissenboek.
Nee, zonde van het boek, denkt
5
groet
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
liefde
lucht
oog
regen
wolk
▫
▫
▫
▫
Het weer valt tegen.
Het boek valt open.
Het is best dik.
Het kapsel valt op.
taak 3
zinsbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert zelfstandig naamwoorden en voornaamwoorden. En zinsdelen!
1
Drie woorden zijn zelfstandig naamwoorden.
Welk woord is geen zelfstandig naamwoord?
bekijken
foto
familie
vader
album
lief
bladzijde
kind
▫
▫
▫
▫
2
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
tussen
moeder
baby
liefde
Welke zinnen zitten hetzelfde in elkaar?
Joep is heel uitbundig. •
De tussenbladen schijnen door. •
Een gespierde opa. •
Gelige foto’s. •
•
•
•
•
De fotohoekjes laten los.
Een meisjesachtige oma.
Jonge mensen.
Yip is nogal stilletjes.
•
•
•
•
Hoort hij haar?
Zullen ze elkaar krijgen?
Zij buigt.
Zij lacht je toe.
Hij kijkt je aan.
Hij zwaait.
Ziet ze hem?
Willen ze elkaar ontmoeten?
•
•
•
•
▫
▫
▫
▫
gezin
gezellig
geboorte
gevoel
Waar of niet waar?
De paarse woorden zijn voornaamwoorden.
waar
niet waar
▫
▫
Zoek de zelfstandig naamwoorden in de andere zinnen.
3
4
In de ene zin is één zinsdeel paars.
Zoek hetzelfde zinsdeel in de andere zin.
Joep zijn ma wordt jonger.
Z’n opa en oma worden minder grijs.
Zijn grootouders zijn kinderen.
Zijn opa is de vader van zijn vader.
‘Dit is mijn overgrootpa.’
‘Dat is zijn broertje.’
Vul passende voornaamwoorden in.
Je hoeft niet alle woorden te gebruiken, en je mag ook woorden vaker gebruiken.
Kies uit: die – hem – het – hij – ik – je – jij – jou – me – zijn
‘Wat een mooi fotoalbum heb
Joep bekijkt
vriend eens goed, want
‘Wat is er met
‘
,’ zegt Yip tegen Joep.
klinkt zo sip!
aan de hand?’ vraagt
verbaasd.
weet het niet,’ antwoordt Yip. ‘Ik voel
Joep knikt. Maar begrijpt
een beetje raar.’
echt?
eenheid 4 | taak 3
43
woordenschat
z i n
1
2
3
i n
les 5: Tropisch paradijs
t a a l
Welk woord past in de zin?
De groepjes zijn van tevoren ...
De kinderen kijken de kat uit ...
Daaf lacht niet vriendelijk, maar ...
Zou Milena iets in haar schild ...
•
•
•
•
•
•
•
•
voeren?
hatelijk.
de boom.
bekonkeld.
•
•
•
•
•
•
•
•
het bubbelbad.
minachtend.
chloor.
soezerig.
Guilly kijkt niet bewonderend, maar ...
Er zitten veel luchtbellen in ...
Na het zwemmen zijn ze moe en ...
Het water in het zwembad ruikt naar ...
Maak de uitdrukking af.
Wat betekenen de uitdrukkingen?
De kat uit de boom
.
•
•
een geheim plan hebben
Iets in je schild
.
•
•
Het is allemaal hetzelfde.
Van wal
.
•
•
beginnen te praten
Het is één pot
.
•
•
even afwachten
Wat betekenen de paarse woorden? Probeer het af te leiden.
Ze hebben lang gezwommen en gespeeld.
Nu zitten ze even uit te blazen.
Guilly heeft een onprettig gevoel.
Hij voelt zich ongemakkelijk.
Zou Milena hem zielig vinden?
Wat vervelend! Dat zit hem dwars.
‘WAAROM HEB JE ME UITGENODIGD?’
vraagt hij duidelijk en met nadruk.
Milena zegt: ‘Omdat jij normaal doet.
Zonder uitlachen en giebelen.’
Uit welke woorden kon je het afleiden?
Zoek deze woorden op in het woordenboek. Schrijf de betekenis op.
dat zit me dwars – giebelen – de nadruk – uitblazen
44
eenheid 4 | les 5
woordenschat
z i n
1
2
i n
les 7: De zangwedstrijd
t a a l
Wat betekenen de paarse woorden?
De Muzen hadden geen zin in een wedstrijd.
Ze vonden het idee bespottelijk.
Ze stonden erop de regels te bepalen.
De meisjes waren kunstzinnig.
Ze vonden zichzelf volmaakt.
Ze liepen naast hun schoenen.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
hadden gevoel voor kunst
waren erg verwaand
wilden per se
belachelijk
perfect
Eén van de meisjes werd afgevaardigd.
Ze stapte vastberaden naar voren.
Ze zong over vervaarlijke reuzen.
Het lied was niet vleiend voor de goden.
Ze werden afgeschilderd als bangeriken.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
gestuurd als vertegenwoordiger
woeste en angstaanjagende
beschreven als
vast van plan
vriendelijk
De Muzen vonden het een valse aanklacht.
Kalliope zong adembenemend mooi.
Over Hades die een meisje had geschaakt.
De meisjes wilden een herkansing.
Ze werden eksters met spichtige poten.
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
uit liefde ontvoerd
een nieuwe kans
beschuldiging
heel erg mooi
lange, dunne
Wat is het tegenovergestelde?
Kies uit: adembenemend mooi – spichtig – vastberaden – vervaarlijk – vleien – volmaakt
gebrekkig
kort en dik
onzeker
vreselijk lelijk
schattig
uitschelden
Maak wegwijzers voor deze woorden. Bedenk zelf het tegenovergestelde.
hatelijk – liefkozen – minachten – soezerig
eenheid 4 | les 7
45
woordbouw
z i n
1
i n
les 10: IJsbloemen
t a a l
Lees het verhaaltje:
Als Muskaat ontwaakt, hoort hij de ijzige oostenwind gieren.
Op zolder is het onvoorstelbaar koud. En, zo bemerkt hij, er staan bloemen op het raam.
Eigenaardig verschijnsel is dat. Muskaat aanschouwt het ademloos.
Hoe heten de paarse woorden?
2
Drie woorden lijken op elkaar.
Welke is anders?
bedenken
bekijken
bemerken
bewonderen
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
waakzaam
voelbaar
merkbaar
hoorbaar
▫
▫
▫
▫
bedenker
bewaker
ontdekker
verschijnsel
ijzig
wazig
weinig
wittig
Hoezo zijn die woorden anders?
Omdat het geen afleidingen zijn.
Omdat ze anders in elkaar zitten.
▫
▫
3
4
Waar komen de paarse afleidingen vandaan?
Berend Wasbeer maakte in alle vroegte een ommetje.
Onderweg maakte hij een praatje met havenmeester Meeuw.
Vertelde die hem nog een nieuwtje?
•
•
•
•
•
•
nieuw
om
praten
Moederdier neemt gauw een kijkje op zolder.
Ze schrikt zich een rotje.
Die Muskaat, dat is me d’r eentje!
•
•
•
•
•
•
een
kijken
rot
Voor de schrik mag Muskaat een extra lekker tussendoortje.
Hij kiest na lang aarzelen een heel kleintje.
Want z’n tong doet nog een tikje zeer!
•
•
•
•
•
•
tik
klein
tussendoor
Kijk en vergelijk.
Welk voorvoegsel of achtervoegsel komt erbij?
beweeglijk – o n b e w ee g l ij k •
kijken – b e k ij k e n •
weet – w ee t j e •
•
•
•
denken – b e d e n k e n
kijk – k ij k j e
voorstelbaar – o n v oo r s t e l b aa r
•
•
•
dom – d o m h ei d
pijn – p ij n l oo s
vroeg – v r oe g t e
adem – a d e m l oo s
eigenaardig – ei g e n aa r d i g h ei d
warm – w a r m t e
•
•
•
Zoek de afleidingen met hetzelfde voorvoegsel of achtervoegsel bij elkaar.
Bestaan, bekennen, ontstaan, ontkennen.
Wat betekenen die afleidingen? Welke woorden haal je eruit? Welke voorvoegsels?
46
eenheid 4 | les 10
taak 4
woordbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert afleidingen, voorvoegsels en achtervoegsels.
1
2
Welk woord in de zin is afgeleid van het paarse woord?
droef
Het nieuws in de krant kan Mier soms bedroeven.
bouwen
Een bedrijf wil Miers voetbalveldje bebouwen.
volk
Gaan de rijkelui van Mompelen dan zijn veldje bevolken?
moedig
zuinig
zwaar
Waardoor laat Mier zich nog meer ontmoedigen?
De krant gaat bezuinigen op de bezorgers!
Ze gaan de lonen verlagen en de tassen verzwaren.
begrijpen
raden
lezen
Dat er niet alleen goed nieuws kan zijn, is begrijpelijk.
Maar iets minder ellende is wel raadzaam.
Dan zou de krant een stuk beter leesbaar worden.
Maak de zinnen af.
Moedig en zwaar zijn
Bemoedigen en verzwaren zijn
•
•
•
•
werkwoorden.
bijvoeglijk naamwoorden.
•
•
•
•
werkwoorden.
bijvoeglijk naamwoorden.
Begrijpen en raden zijn
Begrijpelijk en raadzaam zijn
Kijk en vergelijk.
Welk voorvoegsel of achtervoegsel komt erbij?
denken – b e d e n k e n •
• pruts – p r u t s e r
dooien – o n t d ooi e n •
• schrijven – b e sch r ij v e n
bezorg – b e z o r g e r •
• vluchten – o n t v lu ch t e n
breek – b r ee k b aa r
leven – b e l e v e n
melden – v e r m e l d e n
•
•
•
•
•
•
leef – l ee f b aa r
bouwen – v e r b ouw e n
tasten – b e t a s t e n
Zoek de afleidingen met hetzelfde voorvoegsel of achtervoegsel bij elkaar.
3
Waar of niet waar?
Een verbouwde school is helemaal opnieuw gebouwd.
Een prutser verprutst veel dingen die hij doet.
Wie iets ontdooit, maakt het warmer dan het was.
4
waar
▫
▫
▫
niet waar
▫
▫
▫
Geef de afleidingen die hetzelfde in elkaar zitten dezelfde kleur.
verkleinen
bebaard
aanvaller
afwasser
bezweet
uitblinker
verblinden
verzwaren
bebloed
hardloper
belicht
vergrijzen
eenheid 4 | taak 4
47
taak 5
woordbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert afleidingen, voorvoegsels en achtervoegsels.
1
2
Wat betekenen de paarse afleidingen?
Nol, Nardje en Nico zijn vandaag zo onrustig.
Maxima wordt er helemaal kriebelig van!
Maar ze staat machteloos tegenover dit gedrag.
Wat kunnen die ventjes toch naar doen, denkt ze bij zichzelf.
•
•
•
•
•
•
•
•
hulpeloos
druk
jongens
bozig
Neeltje, Nel en Nina daarentegen zijn vandaag heel lusteloos.
En dat vindt Max juist ongelooflijk irritant.
‘Doe nou eens nuttig werk!’ heeft hij al een paar keer geroepen.
Die dametjes groeien op voor galg en rad, denkt hij sip.
•
•
•
•
•
•
•
•
meisjes
zinvol
sloom
ontzettend
Vergelijk de paarse afleidingen van werkwoorden.
Welke horen er niet bij?
werken – bewerken
verzorgen – verzorger
springen – bespringen
vervangen – vervanger
graven – begraven
verbeteren – verbetering
opstaan – bestaan
vertellen – verteller
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
3
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
drukken – drukker
plakken – plaksel
behangen – behangsel
beginnen – beginsel
beginnen – beginneling
mislukken – mislukkeling
uitblinken – uitblinker
afstammen – afstammeling
Hoe heten de drie trappen van vergelijking precies?
Kies uit: overtreffende, stellende en vergrotende trap.
trap
trap
minder
rustig
trap
vervelendst
drukker
gezellig
Maak het schema af met de juiste woordvormen.
4
Zes woorden, drie afleidingen.
Welke drie zijn de afleidingen?
48
molletje
eenheid 4 | taak 5
plaaggeest
plager
getreiter
pestkop
uitdagen
taak 6
woordbouw
z i n
i n
t a a l
Je repeteert afleidingen, voorvoegsels en achtervoegsels.
1
Welk woord in de zin is afgeleid van het paarse woord?
monster
Een monsterlijk figuur heeft Mona in zijn greep.
klagen
Hoor haar eens klaaglijk huilen!
jammer
Zal zij jammerlijk en ellendig aan haar einde komen?
bewegen
geloven
voorstellen
Maar wat hangt daar zo onbeweeglijk, hoog in de lucht?
Mona staart er ongelovig naar.
Een vogel? Zo hoog? Ze vindt het onvoorstelbaar.
lief
laf
eng
Het is Meerkoetman, haar grote lieveling!
Mona’s ontvoerder, de lafaard, gaat er als een haas vandoor.
Samen lachen ze hem uit, die engerd.
Monsterlijk, klaaglijk, jammerlijk. Het achtervoegsel is
.
Onbeweeglijk, ongelovig, onvoorstelbaar. Het voorvoegsel is
.
Lieveling, lafaard, engerd. Hoeveel verschillende achtervoegsels zie je?
2
Waar of niet waar?
Wie zwijgzaam is, zit alsmaar te kletsen.
Onafscheidelijke vrienden zijn heel af en toe samen.
Een genadeloze woesteling kent geen genade.
Ontwaken, ontvoeren. Het voorvoegsel is ont.
Bangerd en engerd zijn afgeleid van werkwoorden.
Lievelingetje. Dat is een afleiding.
3
waar
niet waar
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
Hoe zitten de paarse afleidingen in elkaar?
Onbuigzaam is met het voorvoegsel
afgeleid van
Ontdekker is met het
.
afgeleid van
Lieverdje is met het achtervoegsel
4
▫
▫
▫
er afgeleid van
.
.
Geef de afleidingen die hetzelfde in elkaar zitten dezelfde kleur.
onbeweeglijk
onbuigzaam
dommerdje
gelovig
glibberig
huiverig
leugenaartje
lievelingetje
opschepper
overvaller
uitblinker
onvoorspelbaar
eenheid 4 | taak 6
49
woordenschat
z i n
1
2
i n
les 11: Ik
t a a l
Haal de woorden uit elkaar en maak de zin af.
Een slimmerik is iemand die
is.
Een bangerik is iemand die
is.
Een gemenerik is iemand die
is.
En deze? Let op! Een leeuwerik is
.
Als je huiswaarts gaat, dan ga je naar
.
Als je voorwaarts gaat, dan ga je naar
.
Als je achterwaarts gaat, dan ga je naar
.
Haal de woorden uit elkaar en maak de zin af.
Superuitzonderlijk is heel erg
.
Supergoed is heel erg
.
Oeroud is heel erg
.
Oergezellig is heel erg
.
Een ex-kampioen is nu geen
meer.
Een ex-leerling van een school is daar nu geen
meer.
En deze? Let op! Een expeditie is
.
Een wandaad is een slechte
.
Wanorde is gebrek aan
.
En deze? Let op! Een wandeling is
.
Wat betekenen deze woorden?
je ex-vriend – oersterk – supergeheim – wangedrag – zijwaarts
50
eenheid 4 | les 11
eenheid 4 • les 8
z i n
i n
t a a l
Droomtijd
K
1
W
T
Ja.
2
Eerlijk gezegd weet ik het niet.
Ik heb er niet zo heel erg veel van gehoord.
3
Waarover?
Leuk idee.
Het kwam door jouw spreekbeurt.
Ik stelde me voor hoe het zou zijn
om zo’n walkabout te doen.
4
Ik droom er wel eens echt van, ’s nachts in mijn bed.
Dan loop ik op mijn blote voeten door de woestijn.
Ik maak enorm grote sprongen. Het is bijna alsof ik vlieg.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 45
kopieerblad 45
4-4-2008 7:22:05
eenheid 4 • les 8
z i n
i n
t a a l
Droomtijd
K
W
T
5
In mijn dagdroom kwam ik een bergduivel tegen,
maar dan wel één die vijftien meter lang was.
6
Mijn grootvader heeft een dromenvanger boven mijn bed gehangen.
Het web vangt alle slechte of boze dromen en als de zon opkomt,
verbranden ze.
7
Alleen de fijne dromen
laat hij door.
Nee, ik houd hem zelf. Maar ik wil hem wel
aan je voorstellen. Hij woont bij ons in huis.
8
Bedoel je? Bedoel je dat je mij
uitnodigt om met je mee te gaan
naar huis?
Of heb je geen tijd of geen zin?
Natuurlijk wel!
Graag, bedoel ik.
kopieerblad 46
ZIT_kopieermap_E.indd 46
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:07
eenheid 4 • les 13
z i n
i n
K
t a a l
W
T
Welke woorden moeten in de puzzel? Laat het lidwoord weg.
scheel
soezerig
spichtig
uitblazen
verdoven
verslaafd
vleien
volmaakt
voorwaarts
de wandaad
mentaal
de nadruk
de nicotine
oeroud
onbeleefd
online
de oorlel
oprecht
de pupil
schaken
de aanklacht
de afkeer
de eigendunk
gamen
het gelaat
giebelen
de handicap
hatelijk
de hoogmoed
het level
1
2
3
5
4
6
7
9
8
10
11
12
13
14
15
16
17
18
horizontaal
1. iemand uit liefde ontvoeren
8. verbonden met internet
9. heel erg oud
11. je ogen kijken niet dezelfde kant op
12. je vindt jezelf beter dan anderen
15. je vindt iets heel vervelend
16. giftige stof in tabak
17. niveau in een computerspel
18. gezicht
19. zwart rondje midden in je oog
19
verticaal
2. kracht waarmee je iets zegt
3. overdreven lief doen
4. eerlijk
5. zachtjes en hoog lachen
6. perfect
7. suf maken
10. slechte daad
11. slaperig
13. geestelijk
14. onderste stukje van je oor
Welke woorden heb je niet gebruikt?
Kies er vier uit. Of meer. Maak er zelf een puzzel van.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 47
kopieerblad 47
4-4-2008 7:22:10
eenheid 4 • les 1
z i n
i n
de gevoelens
Dingen die je voelt. Het
meervoud van gevoel.
onbeleefd
Als je geen goede manieren
hebt.
kopieerblad 48
ZIT_kopieermap_E.indd 48
K
t a a l
de handicap
Iets wat je belemmert bij
wat je wilt doen, lichamelijk
of geestelijk.
W
T
mentaal
Geestelijk.
scheel
vervormd
Met ogen die niet precies in
dezelfde richting kijken.
Als iets een andere vorm
gekregen heeft, die niet goed
is.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:10
eenheid 4 • les 2
z i n
i n
het bewustzijn
De toestand waarin je kunt
denken.
gamen
Computerspellen spelen.
ten koste gaan van
Iets anders moet er onder
lijden.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 49
K
t a a l
chatten
Een soort praten via de
computer door tekst in te
typen.
de hasjiesj
Een drug die gemaakt wordt
van hennepplanten.
het level
Het niveau in een computer­
spel. Hoever je bent in dat
spel.
W
T
de drug
Middel dat je geest verdooft
of waardoor je dingen ziet
die er in werkelijkheid niet
zijn.
internetten
Iets zoeken op het internet.
de nicotine
Een giftige stof in tabak.
kopieerblad 49
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 2
z i n
i n
online
Direct verbonden met het
internet.
verdoven
Suf maken. Zorgen dat je
minder gevoel hebt.
kopieerblad 50
ZIT_kopieermap_E.indd 50
K
t a a l
opwekken
Aansporen. Actief maken.
de verleiding
Iets wat ontzettend leuk
lijkt.
W
T
het sms’je
Een kort bericht dat je
verstuurt op je mobiele
telefoon.
verslaafd
Als je niet zonder iets kunt.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 5
z i n
i n
iets bekonkelen
Iets stiekem afspreken.
Dat zit hem dwars.
Dat vindt hij vervelend.
de kat uit de boom
kijken
Even afwachten. Niet
meteen iets doen.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 51
K
t a a l
het bubbelbad
Een bad met luchtbelletjes
erin.
giebelen
Giechelen.
minachten
Op iemand neerkijken. Je
vindt hem niet veel waard.
W
T
de chloor
Een stof die gebruikt wordt
om zwembaden te zuiveren.
hatelijk
Expres gemeen en beledi­
gend.
de nadruk
De kracht waarmee je iets
zegt. Om het extra duidelijk
te maken.
kopieerblad 51
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 5
z i n
i n
ongemakkelijk
Niet op je gemak.
soezerig
Slaperig.
kopieerblad 52
ZIT_kopieermap_E.indd 52
K
t a a l
Het is één pot nat.
Het is allemaal hetzelfde.
uitblazen
Uitrusten na een grote
inspanning.
W
T
iets in je schild voeren
Een geheim plan hebben.
van wal steken
Beginnen te praten.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 7
z i n
i n
de aanklacht
Een beschuldiging.
iemand afvaardigen
Iemand als vertegenwoordi­
ger sturen.
kunstzinnig
Met gevoel voor kunst.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 53
K
t a a l
adembenemend mooi
Heel erg mooi.
bespottelijk
Belachelijk.
iemand schaken
Iemand uit liefde ontvoeren.
W
T
iemand afschilderen
als...
Iemand op een bepaalde
manier beschrijven.
de herkansing
Een nieuwe kans.
naast je schoenen
lopen
Erg verwaand zijn.
kopieerblad 53
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 7
z i n
i n
spichtig
Lang en dun.
vervaarlijk
Woest en angstaanjagend.
kopieerblad 54
ZIT_kopieermap_E.indd 54
K
t a a l
erop staan dat
Per se willen dat iets
gebeurt.
T
vastberaden
Vast van plan om te doen
wat je besloten hebt.
vleien
Overdreven vriendelijk tegen
iemand doen.
W
volmaakt
Perfect.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 9
z i n
i n
K
t a a l
de aanblik
Het kijken of het zien.
de afkeer
Het gevoel dat je iets heel
vies of vervelend vindt.
de controle
De macht over iets.
het gelaat
Het gezicht.
de oorlel
Het onderste stukje van je
oor.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 55
oprecht
Eerlijk.
W
T
de boventand
Een tand in de bovenste helft
van je gebit.
de neusbrug
Het bovenste deel van je
neus. Het verbindt de
neusvleugels.
passend
Geschikt voor een bepaalde
situatie.
kopieerblad 55
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 9
z i n
i n
K
t a a l
programmeren
de pupil
de slaap
Een programma maken voor
de computer en dat erin
stoppen.
Het zwarte rondje midden in
je oog.
Het stukje aan de zijkant van
je hoofd tussen je ogen en je
oren.
iets uitvissen
vernauwen
de wallen
Iets te weten komen door
het op een slimme manier te
onderzoeken.
kopieerblad 56
ZIT_kopieermap_E.indd 56
Smaller worden. Een beetje
dicht gaan.
W
T
Verdikkingen of donkere
kringen onder de ogen.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 11
z i n
i n
de bangerik
Iemand die bang is of gauw
bang is.
de eigendunk
Het idee van jezelf dat je
goed bent, terwijl dat niet zo
hoeft te zijn.
de ex-leerling
de hoogmoed
Iemand die vroeger leerling
was van een school, maar nu
niet meer.
Het gevoel dat je jezelf beter
vindt dan anderen. Trots.
iemand navolgen
oergezellig
Hetzelfde doen als iemand
anders.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
ZIT_kopieermap_E.indd 57
K
t a a l
Heel erg gezellig.
W
T
de ex-kampioen
Iemand die vroeger kampioen was, maar nu niet
meer.
huiswaarts
Naar huis.
oeroud
Heel erg oud.
kopieerblad 57
4-4-2008 7:22:11
eenheid 4 • les 11
z i n
i n
onnavolgbaar
Zo goed dat niemand het na
kan doen.
voorwaarts
Naar voren. Vooruit.
kopieerblad 58
ZIT_kopieermap_E.indd 58
K
t a a l
supergoed
Heel erg goed.
de wandaad
Een slechte daad.
W
T
uitzonderlijk
Heel bijzonder.
de wanorde
Gebrek aan orde. Een
rommeltje.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
4-4-2008 7:22:11
Zwijsen
zin in taal
toetsmap E
Jannemieke van de Gein
Carry van de Guchte
Bert Kouwenberg
Toetsmap_E.indd 1
22-4-2008 7:49:46
evaluatie van het onderwijs
Handleiding evaluatie van het onderwijs
zin in taal
1. Evaluatie van het onderwijs
Evalueren of beoordelen is een wezenlijk onderdeel
van het onderwijsleerproces. Het betekent voor het
taalonderwijs dat de leerkracht de taalactiviteiten en
taalvorderingen van de leerlingen regelmatig volgt en
beoordeelt. Dit is mogelijk door te observeren, door
methodegebonden controletaken af te nemen en door
de afname van genormeerde toetsen.
1.1 Evaluatie in ‘Zin in taal’
In Zin in taal onderscheiden we drie vormen van
evaluatie, namelijk evaluatie op korte termijn, evaluatie
op middellange termijn en evaluatie op lange termijn.
Met evaluatie op korte termijn bedoelen we het
observeren en registreren van de activiteiten van de
leerlingen tijdens de taalles. Door het stellen van
vragen, het hardop denken van de leerlingen, het in de
reflectiefase bespreken van het gemaakte werk en het
nakijken en bespreken van het schriftelijk werk, krijgt
de leerkracht een goed beeld van de vorderingen van de
leerlingen.
Evaluatie op korte termijn is van onmiddellijk belang
voor het geven van goed onderwijs. Observaties kunnen
immers aanleiding zijn om het onderwijs aan de hele
groep op bepaalde punten aan te passen of om extra
aandacht te besteden aan bepaalde leerlingen.
Evaluatiemogelijkheden ‘Zin in taal’
Evaluatie op korte termijn
Observatie bij de lessen
Reflectie aan eind van elke les
Evaluatie op middellange termijn
Methodegebonden controletaken
Bespreken portfolio voor schrijven
Evaluatie op lange termijn
Methodeonafhankelijke toetsen
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 5
Voor de leerkracht en de leerlingen is het verder van
belang om regelmatig na te gaan of de doelen van een
aantal eenheden zijn bereikt. Voor deze evaluatie op
middellange termijn bevat Zin in taal controletaken
voor de verschillende leerlijnen: spreken/luisteren,
woordenschat, woordbouw en zinsbouw. Deze
doelstellinggerichte controletaken bestaan uit een
reeks opdrachten die een nadere uitwerking zijn van
de doelen die na een aantal eenheden moeten zijn
bereikt. Hiermee kan worden nagegaan in hoeverre
leerlingen de doelstellingen die in de methode aan de
orde zijn geweest, hebben bereikt. De leerlijn schrijven
vormt hierop een uitzondering. De evaluatie vindt
daarbij namelijk niet plaats op basis van controletaken,
maar door het bespreken en beoordelen van gemaakte
schrijfproducten.
Onder evaluatie op lange termijn verstaan we het
vaststellen van de leerresultaten over een langere
periode van bijvoorbeeld vijf of zes maanden.
Toetsen voor de lange termijn zijn niet in de
methode opgenomen. Hiervoor wordt verwezen
naar methodeonafhankelijke, gestandaardiseerde en
genormeerde toetsen. Bijvoorbeeld de toetsen van
het Cito Leerlingvolgsysteem. Dergelijke genormeerde
toetsen geven u informatie over de vraag hoe uw
leerlingen presteren in vergelijking met een landelijke
normgroep.
5
22-4-2008 7:49:47
evaluatie van het onderwijs
zin in taal
Handleiding evaluatie van het onderwijs
1.2 Controletaken
Zin in taal bestaat uit tien eenheden per leerjaar en
bevat vijf leerlijnen: spreken/luisteren, woordenschat,
woordbouw, zinsbouw en schrijven.
Het zou teveel gevraagd zijn om na elke eenheid voor
elke leerlijn een controletaak af te nemen. Dat zou
onevenredig veel tijd kosten, maar het is bovendien
niet nodig. Alleen voor de leerlijn woordenschat is er
een controletaak na elke eenheid (in totaal 10); voor de
andere leerlijnen zijn er minder (3 per leerlijn).
Toetskalender voor de controletaken ‘Zin in taal’
eenheid 1
• woordenschat
eenheid 2
• woordenschat
• woordbouw
eenheid 3
• woordenschat
• spreken/luisteren
eenheid 4
• woordenschat
• zinsbouw
eenheid 5
• woordenschat
• woordbouw
• woordenschatstrategieën
Na de meeste eenheden kunt u twee controletaken
afnemen; altijd een controletaak voor woordenschat
en een controletaak voor een van de overige leerlijnen.
Er zijn twee eenheden met één controletaak (eenheid 1
en 7) en drie eenheden met drie controletaken (eenheid
5, 6 en 9). Het is niet absoluut noodzakelijk om alle
controletaken af te nemen. Als u drie controletaken na
een eenheid teveel van het goede vindt, kunt u het beste
de controletaak voor woordenschat laten vervallen. Voor
6
Toetsmap_E.indd 6
eenheid 6
• woordenschat
• spreken/luisteren
• zinsbouw
eenheid 7
• woordenschat
eenheid 8
• woordenschat
• woordbouw
eenheid 9
• woordenschat
• spreken/luisteren
• zinsbouw
eenheid 10
• woordenschat
• woordenschatstrategieën
die leerlijn is er immers een controletaak na elke
eenheid.
1.3 Rapporten schrijven
Bij het evalueren van het taalonderwijs verzamelt u
informatie over de vorderingen van de individuele
leerlingen en van uw groep als geheel. Het doel van het
verzamelen van deze gegevens is het aanpassen van
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:49:47
evaluatie van het onderwijs
zin in taal
Handleiding evaluatie van het onderwijs
uw taalonderwijs aan de behoeften van de leerlingen.
Het geven van rapportcijfers is in principe een ander
onderwerp. Daar kunt u uw evaluatiegegevens natuurlijk
wel bij betrekken.
Bij het schrijven van de rapporten kunt u op verschillende
manieren te werk gaan. U kunt er bijvoorbeeld voor
kiezen om daarbij de nadruk te leggen op het leerproces
(de ontwikkeling van een bepaalde taalfunctie bij een
leerling). Een tweede mogelijkheid is het benadrukken
van het product (het resultaat van het leerproces).
Rapporten op basis van het proces
Als u ervoor kiest om rapporten te schrijven op basis
van het proces, dan probeert u op het rapport een goede
indruk te geven van de manier waarop een bepaald
taalaspect zich bij een leerling ontwikkelt. Hierbij kunt u
gebruikmaken van de formulering van de lesdoelen zoals
die bij de lessen staat weergegeven. Als voorbeeld volgen
hier de lesdoelen voor spreken/luisteren van de eerste
drie eenheden:
• eenheid 1: De leerlingen leren dat in gesprekken van
meer dan twee personen vragen, antwoorden en
onderwerpen sneller verspringen;
• eenheid 2: De leerlingen leren dat een uitleg
duidelijker wordt als je verbanden legt;
• eenheid 3: De leerlingen leren dat er verschil is tussen
een oordeel en een vooroordeel.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 7
Door gebruik te maken van de formulering van dergelijke
tussendoelen, kunt u op het rapport van de leerlingen
een duidelijk beeld schetsen van hetgeen de leerling in
de afgelopen periode heeft geleerd.
Rapporten op basis van het product
Als u ervoor kiest om rapporten te schrijven op basis
van het product, kunt u gebruikmaken van de feitelijke
scores op de controletaken. Bij de controletaken voor
de verschillende leerlijnen worden hiervoor richtlijnen
gegeven in de paragraaf Beoordelen en registreren.
Behalve criteria voor de beoordeling van de prestatie,
vindt u daar ook kwalificaties waarmee een waardering
aan de prestatie kan worden gekoppeld. Deze waardering
gebeurt meestal in de volgende drie bewoordingen:
goed, voldoende, onvoldoende. In cijfers uitgedrukt,
komt goed overeen met het cijfer 8 of 9, voldoende met
het cijfer 6 of 7, onvoldoende met het cijfer 5 of 4.
Wij adviseren u om bij het schrijven van rapporten niet
alleen af te gaan op de scores op de controletaken,
maar er ook uw observatiegegevens bij te betrekken.
Scores op controletaken zijn namelijk niet meer dan
een momentopname. Door ook uw observaties erbij
te betrekken, baseert u de rapporten op een steviger
fundament.
7
22-4-2008 7:49:48
woordenschat
zin in taal
Handleiding controletaken woordenschat
2 Woordenschat
Het is van belang om gedurende de periode waarin u aan
een eenheid werkt steeds in de gaten te houden of de
leerlingen de behandelde woorden ook werkelijk geleerd
hebben. Al tijdens de lessen en de herhalingsactiviteiten
zult u merken met welke woorden de leerlingen nog
moeite hebben en welke woorden ze al vlot beheersen.
Ook kunt u op een terloopse manier, door middel van af
en toe een vraag of een opdrachtje, mondeling nagaan
of de leerlingen de woorden kennen. Suggesties voor
zulke vragen en opdrachten zijn bij elke woordenschatles
opgenomen onder het kopje Evaluatie. Woorden waarvan
u merkt dat (sommige) leerlingen ze nog niet beheersen,
kunt u nog eens aan de orde laten komen in een herhalingsactiviteit. Als u uw leerlingen laat werken met het
computerprogramma Woordenschat Zin in taal kunt u via
het leerkrachtprogramma eveneens evaluatiegegevens
voor woordenschat opvragen. In dit computerprogramma zijn de woorden van elke eenheid opgenomen. In
het leerkrachtprogramma kunt u op een overzichtelijke
wijze zien hoe de leerlingen met het programma hebben
gewerkt en in welke mate zij de woorden van die eenheid
kennen. Daar kunt u ook precies zien met welke woorden
een kind moeite heeft.
2.1 Controletaken
Bij elke eenheid is een controletaak voor woordenschat
ontwikkeld. Het is de bedoeling dat de controletaak
steeds wordt gemaakt nadat alle woordenschatlessen
(van het werkmodel dat u volgt) zijn behandeld en er
herhalingsmomenten zijn geweest. Op grond van de
score op de controletaak kunt u beoordelen of elke individuele leerling de woorden uit die eenheid begrijpt.
De controletaak is een steekproef uit de woorden die
in de betreffende eenheid aan de orde komen; niet alle
woorden worden dus bevraagd. Elke controletaak voor
jaargroep 8 bevat twintig meerkeuzevragen, waarvan de
eerste tien gekozen zijn uit woorden die in de lessen van
het kernmodel worden behandeld en de overige tien uit
de extra lessen van het woordenschatmodel. Het is de
bedoeling dat alle leerlingen de hele controletaak maken,
dus ook als u het kernmodel of het taalbeschouwingsmodel volgt. Om de vragen te beantwoorden, moeten
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 9
de leerlingen kiezen welk alternatief dezelfde betekenis
heeft als het onderstreepte woord in de gegeven zin. De
afname van de controletaak verloopt bij elke eenheid op
dezelfde wijze.
Afname
De controletaken voor woordenschat worden klassikaal afgenomen. Belangrijk hierbij is dat u de afname
begeleidt door de opdrachten in een rustig tempo voor
te lezen, terwijl de leerlingen ieder voor zich meelezen.
Als u de leerlingen zelfstandig aan de controletaak laat
werken, bestaat het gevaar dat u eerder de leesvaardigheid van de leerling meet dan de kennis van de woorden. Voordat u met de afname begint, vertelt u de leerlingen dat ze een controletaak gaan maken. Aan de hand
van onderstaande voorbeeldopgave maakt u de leerlingen duidelijk hoe ze de controletaak moeten maken.
Zet de voorbeeldopgave op het bord, zodat u tijdens de
instructie visuele ondersteuning kunt geven.
Ik ben verbijsterd.
▪ erg teleurgesteld
▪ heel erg verdrietig
▪ heel erg verbaasd
Vertel de leerlingen dat ze moeten aangeven wat het
onderstreepte woord in de zin betekent. In dit geval is de
vraag dus Wat betekent verbijsterd?
De leerlingen kruisen het goede antwoord aan. Er is
steeds maar één antwoord goed. Als een leerling merkt
dat hij een fout heeft gemaakt, kan het antwoord verbeterd worden door het vakje in te kleuren en daarna het
goede vakje aan te kruisen.
Als u er zeker van bent dat alle leerlingen de werkwijze
begrijpen, geeft u elke leerling een kopie van de controletaak en een potlood. Daarna geeft u de instructie als
volgt:
• Bij de eerste opdracht staat:
Die trui is een aanwinst.
Wat betekent ‘aanwinst’?
9
22-4-2008 7:49:48
woordenschat
zin in taal
Handleiding controletaken woordenschat
• Betekent dat: ‘iets nieuws wat je erbij krijgt’?
Of betekent het: ‘iets waar je aan gewend bent’?
Of betekent het misschien: ‘iets wat je wilt gaan kopen’?
• Wat betekent een aanwinst?
Pak je potlood en kruis het goede antwoord aan.
Beoordelen en registreren
Voor het nakijken van de controletaak kunt u gebruikmaken van nakijksleutels. Voor de oneven controletaken
geldt nakijksleutel A en voor de even controletaken
nakijksleutel B. Daarnaast is er een nakijksleutel voor de
controletaken strategieën (zie pagina 41).
U telt de goede antwoorden van elke leerling op en u
noteert deze score vervolgens op het Groepsoverzicht
woordenschat. Dit overzicht kunt u vinden op pagina
14 en 15. Bij de beoordeling van de scores gebruikt u
onderstaande criteria:
• 19 of 20 goede antwoorden: goed
• 17 of 18 goede antwoorden: voldoende
• 16 of minder goede antwoorden:
onvoldoende
Markeer op het groepsoverzicht de scores 16 en lager met
een gekleurde stift, zodat u meteen kunt zien welke leerlingen extra hulp nodig hebben.
2.2 Extra hulp
Een lage score op de controletaak kan betekenen dat de
leerling een deel van de woorden van die eenheid niet
kent. Ga bij leerlingen met een lage score eventueel na
of ze inderdaad de betekenis van veel doelwoorden niet
kennen. U kunt dat doen aan de hand van de vragen en
opdrachten onder het kopje Evaluatie bij elke woordenschatles. Als u gebruikmaakt van het computerprogramma Woordenschat Zin in taal kunt u de gegevens
van de leerlingen bekijken in het leerkrachtdeel van het
programma. Leerlingen die inderdaad weinig woorden
van die eenheid blijken te kennen, kunt u als volgt extra
hulp geven:
10
Toetsmap_E.indd 10
Bij de betreffende eenheid
• Als u werkt met het kernmodel:
Als leerlingen veel fouten gemaakt hebben bij de items
1 tot en met 10 van de controletaak, beheersen ze de
woorden die in de lessen behandeld zijn nog onvoldoende. Herhaal met deze leerlingen dan een aantal
woorden nog eens. Als er veel fouten gemaakt zijn bij
de items 11 tot en met 20, wil dat zeggen dat leerlingen
de woorden uit de niet-behandelde lessen (de extra
woordenschatlessen uit het woordenschatmodel) niet
vanzelf al in hun woordenschat hebben. Voor de behandelde eenheid kunt u die leerlingen eventueel gelegenheid geven om nog met het computerprogramma
Woordenschat Zin in taal van die betreffende eenheid te
werken. Dit is niet strikt noodzakelijk.
• Als u werkt met het taalbeschouwingsmodel:
Als leerlingen veel fouten gemaakt hebben bij de items 1
tot en met 13, beheersen ze de woorden die in de lessen
behandeld zijn nog niet voldoende. Herhaal dan met
deze leerlingen een aantal van deze woorden nog eens.
Als er veel fouten gemaakt zijn bij de items 14 tot en met
20, wil dat zeggen dat de leerlingen de woorden uit de
niet-behandelde woordenschatlessen niet vanzelf al in
hun woordenschat hebben. Voor de behandelde eenheid
kunt u die leerlingen eventueel gelegenheid geven om
nog met het computerprogramma Woordenschat Zin in
taal van die betreffende eenheid te werken. Dit is niet
strikt noodzakelijk.
• Als u werkt met het woordenschatmodel:
Het zal niet mogelijk zijn om alle 81 doelwoorden van een
eenheid nog eens te herhalen met leerlingen die een lage
score hebben. Toch is het goed om deze leerlingen nog
wat woorden van de betreffende eenheid te laten
bijleren. Kies daarom een deel van de woorden uit,
bijvoorbeeld de woorden van de eerste twee woordenschatlessen van die eenheid, en laat de leerlingen
deze nog eens herhalen. Suggesties voor herhalingsactiviteiten vindt u op pagina 30 van het algemene deel
in handleiding E1.
Als u met het computerprogramma Woordenschat Zin in
taal werkt, kunt u leerlingen met een lage score veel tijd
geven om met dit programma te werken. De woorden
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:49:49
woordenschat
zin in taal
Handleiding controletaken woordenschat
van een eenheid komen in het computerprogramma aan
de orde.
Bij de volgende eenheden
Bij de eenheden die nog volgen kunt u een keuze maken
uit verschillende mogelijkheden: kiezen voor een ander
werkmodel, hanteren van een intensievere aanpak, of
meer herhaling inbouwen.
• Als u werkt met het kernmodel:
Als de leerlingen veel fouten maken bij de items 11 tot
en met 20, wil dat zeggen dat de leerlingen de woorden
uit de niet-behandelde lessen niet vanzelf al in hun
woordenschat hebben. Het is dan aan te bevelen om bij
de volgende eenheden het woordenschatmodel te gaan
volgen, waarmee u vier extra woordenschatlessen kunt
realiseren.
Als de leerlingen veel fouten hebben bij de items 1 tot
en met 10, hebben ze niet genoeg van de gegeven lessen
geleerd. U kunt nu kiezen voor een meer intensieve aanpak bij de woordenschatlessen. Hoe u dit kunt realiseren,
staat aangeven onder Als u werkt met het woordenschatmodel.
•
• Als u werkt met het taalbeschouwingsmodel:
Als de leerlingen veel fouten hebben bij de items 14 tot
en met 20, wil dat zeggen dat de leerlingen de woorden
uit de niet-behandelde lessen niet vanzelf al in hun
woordenschat hebben. Overweeg om in volgende eenheden het woordenschatmodel te gaan volgen of lessen
uit het woordenschatmodel erbij te doen.
•
Als de leerlingen veel fouten hebben bij de items 1 tot
en met 13, hebben ze niet genoeg van de gegeven lessen
geleerd. U kunt nu kiezen voor een meer intensieve aanpak bij de woordenschatlessen. Hoe u dit kunt realiseren,
staat aangeven onder Als u werkt met het woordenschatmodel.
•
• Als u werkt met het woordenschatmodel:
Als u werkt met het woordenschatmodel, kunt u niet
kiezen voor het gaan toepassen van een uitgebreider
werkmodel. U geeft immers reeds het maximale aantal
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 11
woordenschatlessen. In dit geval kunt u de leerlingen
intensief laten werken met het computerprogramma
Woordenschat Zin in taal. In het computerprogramma
worden de doelwoorden van een eenheid aangeboden,
waarbij zowel semantiserende spelvormen als toetsende
spelvormen aan de orde komen.
Als de leerlingen een score van 16 of lager hebben, hebben ze niet genoeg van de lessen geleerd. Dat kan zo zijn
omdat een leerling bijvoorbeeld een aantal lessen heeft
gemist. Maar als de leerling alle lessen heeft gevolgd en
toch weinig woorden kent, is het aan te bevelen om de
woordenschatlessen in de volgende eenheden op een
meer intensieve manier te behandelen met die leerlingen.
Als veel leerlingen in de groep lage scores hebben, is het
aan te raden om voor de hele groep de woordenschatlessen te intensiveren. Een meer intensieve manier van
behandelen bereikt u door meer uitbreiding en meer herhaling, bijvoorbeeld door de volgende maatregelen:
•
•
U maakt de woorden die behandeld worden meer
zichtbaar in de klas. Dit kan bijvoorbeeld door concrete voorwerpen erbij te halen, of een woordenprikbord of -hoek in te richten waar de woorden van de
les blijven hangen gedurende de periode waarin aan
die eenheid wordt gewerkt.
U begeleidt de leerlingen bij het maken van de
woordenschatopdrachten. Op deze wijze komen de
woorden nog explicieter en vaker aan de orde.
Als leerlingen de woordenschatopdrachten zelfstandig maken, bespreekt u die in ieder geval uitvoerig
na zoals aangegeven in de reflectiefase van de lesbeschrijvingen. U behandelt daarbij de betekenis van
een deel van de doelwoorden uit de opdrachten.
U zorgt voor meer herhaling van de woorden die in de
lessen behandeld zijn. U plant dan bijvoorbeeld elke
dag één of twee korte herhalingsactiviteiten. (Zie
voor suggesties pagina 30 van het algemene deel in
handleiding E1.)
U splitst woordenschatlessen in twee delen. In het
eerste deel behandelt u de introductiefase en de instructiefase en u sluit af met een herhalingsactiviteit
met de woorden die dan behandeld zijn (dat zijn de
woorden uit het eerste blokje). In het tweede deel
behandelt u de verwerkingsfase en de reflectiefase
11
22-4-2008 7:49:49
woordenschat
zin in taal
•
Handleiding controletaken woordenschat
van de les. Het voordeel hiervan is, dat de leerstof in
kleinere porties wordt verdeeld en dat u eerder begint
met herhalen. Zo kunt u meer tijdbesteden aan het
semantiseren van de woorden voordat de leerlingen
de opdrachten gaan maken.
U geeft de leerlingen meer tijd om met het computerprogramma Woordenschat Zin in taal te werken.
Dit is een zeer praktische manier om de aandacht
voor woordenschat te intensiveren. In dit programma komen namelijk de doelwoorden van een
eenheid aan de orde, zowel in semantiserende als in
toetsende spelvormen. Bovendien kunt u in het leerkrachtdeel van het programma precies zien hoe goed
een leerling de woorden kent en wordt precies aangegeven met welke woorden een leerling nog moeite
heeft.
2.3 Controletaken strategieën
Met de twee controletaken strategieën gaat u na of de
leerlingen enkele strategieën voor het leren van woorden
kunnen toepassen. De strategieën zijn behandeld in de
eenheden voorafgaand aan de controletaak. Per controletaak worden drie strategieën bevraagd met elk vier
vragen. Een controletaak omvat twaalf meerkeuzevragen.
De leerlingen moeten uit drie alternatieven kiezen met
welk alternatief de zin erboven correct afgemaakt kan
worden.
Afname
Vertel de leerlingen dat ze een nieuw soort controletaak
gaan maken, namelijk een controletaak over trucjes om
woorden te leren. Aan de hand van onderstaande voorbeeldopgave legt u hen uit hoe ze de controletaak moeten maken. Zet de voorbeeldopgave op het bord.
Als je de betekenis van een woord niet weet,
kun je die opzoeken in een leesboek.
kun je die opzoeken in De Lijsterbij.
kun je die opzoeken in het woordenboek.
12
Toetsmap_E.indd 12
Vertel de leerlingen dat ze de zin moeten afmaken. Ze
kunnen kiezen uit drie mogelijkheden die onder de zin
staan. Met één van die drie antwoorden wordt de zin
waar, dat wil zeggen dat het klopt wat er in de zin gezegd
wordt. U leest de zin in het voorbeeld en de antwoordmogelijkheden voor. U vraagt de leerlingen welk antwoord goed is (het derde) en u kruist dat aan. Controleer
of alle leerlingen het begrepen hebben. Lees vervolgens
de zinnen van de controletaak en de antwoordmogelijkheden in een rustig tempo voor, terwijl de leerlingen
meelezen. Vertel dat ze het goede antwoord moeten aankruisen. Er is steeds maar één antwoord goed.
Beoordelen en registreren
De sleutel voor de goede antwoorden vindt u bij de
overige nakijksleutels op pagina 41. U telt de goede antwoorden van elke leerling op en noteert deze score op
het Groepsoverzicht woordenschat. Dit overzicht staat
op pagina 14. Als een leerling van de 12 opgaven er 10
of meer goed heeft, is dat een voldoende resultaat. Als
een leerling minder dan 10 opgaven goed heeft, is er reden om extra aandacht aan de strategieën te besteden.
Markeer op het overzicht de scores lager dan 10 met een
gekleurde stift, zodat u meteen kunt zien voor welke
leerlingen die extra aandacht nodig is.
Extra hulp
Ga van leerlingen met een score lager dan 10 na in welk
gedeelte van de controletaak de fouten gemaakt zijn. Als
een leerling twee of meer fouten heeft in het gedeelte
van een bepaalde strategie, heeft die leerling extra aandacht nodig bij de desbetreffende strategie. Noteer die
strategie naast de score van de leerling op het
Groepsoverzicht woordenschat.
Bij een score van 6 of lager is het raadzaam de leerling
extra aandacht te geven bij alle strategieën, ook wat
betreft de strategieën die nog niet in de controletaak
zijn voorgekomen. Op het Groepsoverzicht woordenschat
noteert u in dat geval naast de naam van de leerling: alle
strategieën.
Extra hulp bij strategieën kunt u bij volgende eenheden
als volgt geven.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:49:49
woordenschat
zin in taal
Handleiding controletaken woordenschat
• Als u werkt met het kernmodel:
In les 11 van elke eenheid komt een strategie uitvoerig
aan de orde. Als uw leerlingen veel fouten maken in de
controletaken strategieën is het aan te bevelen om ook
les 11 met hen te behandelen.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 13
• Als u werkt met het taalbeschouwingsmodel of het
woordenschatmodel:
U kunt niet kiezen voor meer lessen, want u behandelt
reeds alle lessen waarin strategieën centraal staan (les
5 en les 11). Extra hulp bij strategieën kunt u geven door
een intensievere aanpak. Geef de leerlingen met een lage
score extra aandacht in de instructie- en reflectiefase
van de les en begeleid hen zo mogelijk intensief bij het
maken van de opdrachten.
13
22-4-2008 7:49:49
woordenschat
zin in taal
leerlingen
14
Toetsmap_E.indd 14
eenheid 1
Groepsoverzicht woordenschat E1
eenheid 2
eenheid 3
eenheid 4
eenheid 5
strategieën 1
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:49:49
woordenschat
zin in taal
Naam:
4
1.
Wat is de aanklacht?
pijn en moeite
verdediging
beschuldiging
6.
Wie zou er iets in zijn schild voeren?
een geheim plan hebben
iets ongezien wegbrengen
een geheime oorlog voeren
2.
Dat zit me dwars.
dat vind ik niet nodig
dat vind ik vervelend
dat past niet bij me
7.
Hij loopt naast zijn schoenen.
is erg verwaand
loopt heel snel
is erg vrolijk
3.
Ze zitten te giebelen.
giechelen
wiebelen
schateren
8.
Wie is hier soezerig?
zweverig
schattig
slaperig
4.
Dat is een mentaal probleem.
van de taal
geestelijk
lichamelijk
9.
Wat is zij spichtig.
gauw bang
lang en dun
kort en dik
5.
Hij is onbeleefd.
heeft nog niets meegemaakt
heeft geen mooie kleren aan
heeft geen goede manieren
10. Dat plan is volmaakt.
▪ uitgevoerd
▪ te groot
▪ perfect
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
vervolg op pag. 24
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 23
controletaak 4 | na eenheid 4
23
22-4-2008 7:49:51
woordenschat
zin in taal
11.
Dat ding is oeroud.
nog niet oud
heel erg oud
een beetje oud
16.
Dat gaat ten koste van je werk.
dan krijg je meer loon
dan kun je beter werken
daar lijdt je werk onder
12.
Dat is uitzonderlijk.
heel verkeerd
heel verdrietig
heel bijzonder
17.
Er zit nicotine in.
giftige stof in tabak
medicijn tegen pijn
as van sigaretten
13.
Wat een wanorde!
gebrek aan orde
strenge regels
werk dat in orde is
18.
Hij is oprecht.
wakker
eerlijk
vrolijk
14. Dat zit in je bewustzijn.
▪ houding waarin je kunt slapen
▪ toestand waarin je kunt denken
▪ humeur dat je meestal hebt
19.
Dat zal ik nog wel uitvissen.
op gaan halen
leuk gaan vinden
te weten komen
15.
20. Zij heeft wallen onder de ogen.
▪ donkere kringen
▪ bolle wangen
▪ lange wimpers
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
24
Toetsmap_E.indd 24
Naam:
Zie je haar gelaat?
gezicht
gebit
gebaar
controletaak 4 | na eenheid 4
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:49:51
zinsbouw
zin in taal
Handleiding controletaken zinsbouw
5. Zinsbouw
Het directe doel van de leerlijn zinsbouw is dat de leerlingen leren hoe zinnen in elkaar zitten. Een verder liggend
doel is dat de taalvaardigheid van de leerlingen verbetert,
meer in het bijzonder hun schriftelijke taalvaardigheid.
Spellingvaardigheid en leesvaardigheid kunnen door
inzicht in zinstructuur ook wel verbeteren, maar op het
bereiken van die doelen zijn de lessen in de leerlijn zinsbouw niet toegesneden.
De leerstof voor zinsbouw is in de Instructie met de hele
groep behandeld en vervolgens verwerkt. Deze verwerking verloopt grotendeels of helemaal zelfstandig met
behulp van werkbladen en taken in het werkboek.
De controletaken voor zinsbouw zijn voor de leerlingen
vertrouwd. De manier waarop zinsbouw wordt getoetst,
komt namelijk overeen met de manier waarop zinsbouw
in het werkboek is verwerkt.
5.1 Controletaken
Voor de leerlijn zinsbouw zijn er drie controletaken per
leerjaar. Deze worden afgenomen na eenheid 4, 6 en 9
(zie ook de Toetskalender). In de controletaken wordt
getoetst wat in de voorafgaande eenheden aan de orde
is geweest. Bijvoorbeeld: In de controletaak zinsbouw
die afgenomen wordt aan het einde van eenheid 4 wordt
de leerstof getoetst die in eenheid 1 tot en met 4 aan de
orde is geweest; in de controletaak die afgenomen wordt
aan het einde van eenheid 6 wordt de leerstof getoetst
van eenheid 5 en 6.
Afname
Vertel de leerlingen dat ze een controletaak gaan maken
die gaat over wat ze geleerd hebben. Laat de toetsbladen
zien en vertel dat er net zulke opdrachten op staan als in
het werkboek. Vertel ook welke personages optreden in
de toetsopdrachten: Sofie, Katleen, Katinka, Pepijn, Joep
en Yip. Voor de leerlingen zijn dit vertrouwde personages
uit de lessen zinsbouw.
Deel de toetsbladen uit. Vertel de leerlingen dat ze de
tijd krijgen om alle opdrachten te maken, dat ze alleen
moeten werken, en dat ze met potlood moeten werken
zodat ze fouten netjes kunnen verbeteren. Vertel ook wat
ze kunnen gaan doen als ze klaar zijn met het maken
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 89
van de opdrachten. Bijvoorbeeld: Leg je werk op de hoek
van je tafeltje en ga rustig voor je zelf lezen in je leesboek.
Voor de leerlingen moet duidelijk zijn dat ze de andere
leerlingen niet mogen storen bij het maken van de toetsopdrachten.
Beoordelen en registreren
Voor het nakijken van de controletaken kunt u gebruikmaken van de antwoordbladen (vanaf pagina 99).
Controletaak 1 en 2 bestaan uit 7 opdrachten. Controletaak 3 bestaat uit 6 opdrachten. Met elke opdracht kunnen de leerlingen 1 punt scoren. De maximale score bij
controletaak 1 en 2 bedraagt dus 7.
De maximale score bij controletaak 3 is 6 punten. Een
leerling scoort een punt bij een opdracht als hij in die opdracht niet meer dan 1 fout heeft gemaakt. Hierbij gaat
het niet om spelfouten of fouten die te maken hebben
met de schrijftechniek. Het gaat om fouten die verband
houden met de doelstellingen die getoetst worden. Op
deze wijze bepaalt u de totaalscore voor de controletaak.
Bij de beoordeling van het werk maakt u gebruik van onderstaande criteria:
Bij controletaak 1
• 8, 9 of 10 goede opdrachten: goed
• 6 of 7 goede opdrachten: voldoende
• 5 of minder goede opdrachten: onvoldoende
Bij controletaak 2 en 3
• 7 of 8 goede opdrachten: goed
• 5 of 6 goede opdrachten: voldoende
• 4 of minder goede opdrachten: onvoldoende
U kunt de gegevens van de leerlingen noteren op het
Groepsoverzicht zinsbouw. Markeer op het groepsoverzicht de scores met de kwalificatie ‘onvoldoende’ met
een gekleurde stift, zodat u meteen kunt zien welke leerlingen extra hulp nodig hebben.
89
22-4-2008 7:50:36
zinsbouw
zin in taal
Handleiding controletaken zinsbouw
5.2 Extra hulp
Voor extra hulp komen in elk geval de leerlingen in
aanmerking die een onvoldoende score behalen. Van
leerlingen beoordeelt u zelf of zij in aanmerking komen
voor extra hulp. Betrek hierbij eventueel observatiegegevens. Het is altijd verstandig om na te gaan wat de
oorzaak is van tegenvallende prestaties van individuele
leerlingen of van de hele groep. Hierna volgen enkele
suggesties voor extra hulp:
• Bekijk op de eerste plaats de gemaakte controletaak wat intensiever. Zijn er misschien opdrachten
bij waarmee veel leerlingen moeite hadden?
Besteed daaraan dan nog een keer uitdrukkelijk
aandacht. Dit kan bijvoorbeeld door het nabespreken van de gemaakte controletaak. Zo kunt u herhaling van die betreffende leerstof realiseren.
• Controleer het werkboek van de leerlingen met een
lage score. Let daarbij met name op de zinsbouwtaken. Zijn alle opdrachten gemaakt? Is het werk
naar behoren gecorrigeerd? Dit levert u zinvolle
informatie op.
• Leerlingen die onvoldoende scoren, kunt u bege-
90
Toetsmap_E.indd 90
•
•
leiden bij het maken van werkbladen tijdens de
verwerkingsfase van de lessen zinsbouw. Datzelfde
kunt u doen bij het maken van de taken. Deze leerlingen laat u dan niet zelfstandig aan deze taken
werken, maar u begeleidt hun bij dit werk. Maak
daarbij de opdrachten samen, hardop werkend en
denkend, zodat denkfouten en kennisgebreken aan
het licht kunnen komen.
Als u de resultaten van de hele groep teleurstellend
vindt, kunt u er ook voor kiezen om werkbladen
en taken met de hele groep te maken. U begeleidt
dan hardop werkend en denkend het maken van de
opdrachten.
Bij tegenvallende resultaten is het verstandig om
veel werk te maken van de nabespreking van het
werk in de reflectiefase van de lessen. Kies er in
zo’n geval voor om de leerlingen niet zelf hun werk
te laten nakijken met behulp van het antwoordenboek, maar bespreek het werk met uw leerlingen.
Op deze wijze zorgt u ervoor dat de leerstof enkele
keren expliciet wordt herhaald.
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:50:36
zinsbouw
Groepsoverzicht zinsbouw controletaak 1
zin in taal
leerlingen
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 91
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
totaal
max. 10
91
22-4-2008 7:50:36
zinsbouw
zin in taal
1
Naam:
Lees de zinnen:
Pepijn is geen goede voetballer.
Zijn rechtervoet wordt snel moe.
Maar zijn kopballen worden steeds beter.
Pepijn zijn vrienden zijn erg enthousiast.
Hoe heet het vette zinsdeel in die zinnen?
Naamwoordelijk gezegde.
Werkwoordelijk gezegde.
▫
▫
In welke zin of zinnen is hetzelfde zinsdeel vet?
De leren voetbal was een duur verjaardagscadeau.
Pepijn pakt zijn bal.
Hij oefent balletje hooghouden.
De bal wordt zwaarder en zwaarder.
2
In de ene zin is één zinsdeel vet.
Zoek hetzelfde soort zinsdeel in de andere zin.
Pepijn schopt hard.
De bal rolt naar de sloot.
De bal draait mooi.
Pepijn rent over het grasveld.
Plotseling struikelt hij.
Hij baalt ontzettend.
Met een ploemp verdwijnt de bal.
Pepijn kreunt hoorbaar.
Om welk zinsdeel gaat het?
3
Onderwerp, werkwoordelijk gezegde en lijdend voorwerp.
In welke zinnen staan alleen die drie zinsdelen en verder niets?
De bal ploempt zachtjes.
Pepijn is te laat.
Hij pakt een tak.
▫
▫
▫
4
▫
▫
▫
De tak is wel twee meter lang.
De bal drijft af.
Pepijn gooit de tak.
▫
▫
▫
De tak omarmt de drijvende bal.
Pepijn z’n voeten worden een beetje nat.
Te ver, te diep, dag bal…
Veel zinnen, veel woorden, acht voornaamwoorden.
Welke acht woorden zijn voornaamwoorden?
‘Ik pak je!’ Zijn bal drijft naar hem toe. Hij ziet het. Dat is handig! ‘Kom maar bij mij!’
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
Toetsmap_E.indd 93
controletaak 1 | na eenheid 4
93
22-4-2008 7:50:37
zinsbouw
zin in taal
5
Naam:
Lees het verhaaltje:
Hup, voeten over de stang van het klimrek.
Holle rug, en tada... een vogelnestje!
Doet Sofie dit wel vaker?
Nou, daar lijkt het wel op.
Met een salto springt ze op de grond.
Waar of niet waar?
waar
In het verhaaltje staan vijf vertelzinnen.
In het verhaaltje staat een vraagzin.
In het verhaal staan meer leestekens dan zinnen.
Een leesteken staat altijd aan het einde van een zin.
In daar lijkt het wel op is het een voornaamwoord.
In het verhaaltje staan twee zinnen zonder werkwoord.
niet waar
▫
▫
▫
▫
▫
▫
6
7
Vul de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord in.
hoger
Sofie klimt nu in een nog
stevig
De
bloot
Sofie zwaait een
lang
Haar
uitbundig
Sofie ziet alleen nog de
slim
Met een rok klimmen… dat was misschien niet zo’n
94
Toetsmap_E.indd 94
rek.
spijlen van het rek staan verder uit elkaar.
been omhoog.
haren hangen nu recht naar beneden.
figuurtjes van haar rok.
Drie zinnen zitten hetzelfde in elkaar.
Welke is anders?
Sofie wordt geholpen.
Ze wordt beter.
Haar benen worden gespierd.
Haar armen worden sterker.
▫
▫
▫
▫
8
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
▫
Maakt Sofie een koprol?
Ze ziet sterretjes.
Is ze gewond?
Ze schudt haar hoofd.
idee!
▫
▫
▫
▫
Sofie staat te trillen.
Ze wil doorgaan.
Ze is de beste.
Ze klimt.
Maak de zinnen af.
Het klimrek is mooi, maar oud en gammel. Het krulhaar van Sofie hangt op de grond.
Mooi, oud, gammel. Dat zijn •
• zelfstandig naamwoorden.
• voorzetsels.
Maar, en. Dat zijn •
• voegwoorden.
Op, van. Dat zijn •
Klimrek, krulhaar, grond. Dat zijn •
• bijvoeglijk naamwoorden.
controletaak 1 | na eenheid 4
© Uitgeverij Zwijsen B.V., Tilburg
22-4-2008 7:50:38
Download