Een literatuurstudie naar de gevolgen van kanker

advertisement
Een literatuurstudie naar de gevolgen van kanker
drs. E. van der Peet, projectmedewerker Integraal Kankercentrum Limburg
Inleiding
Signalen uit de praktijk en een groeiend aantal onderzoeken tonen aan dat kankerpatiënten na de
vaak intensieve behandelingen voor kanker klachten overhouden die hen belemmeren in het
lichamelijke, psychische en sociale functioneren. Beschreven wordt wat deze belemmeringen
betekenen voor de kwaliteit van leven van mensen met kanker en wat de maatschappelijke
consequenties kunnen zijn. Bij de revalidatie na kanker zal met deze gevolgen rekening gehouden
moeten worden met als doel de klachten van patiënten te verminderen.
Lichamelijk functioneren
Veel tumoren geven in eerste instantie a-specifieke klachten zoals vermoeidheid en futloosheid. De
meeste tumoren geven pas in een laat stadium meer specifieke klachten. De mate waarin
kankerpatiënten beperkingen ten gevolge van de kanker ondervinden, hangt af van de
beschadigingen als gevolg van de tumor en metastasen.
Operatie, bestraling en chemotherapie zijn de meest gebruikelijke behandelmethoden bij kanker. Bij
bepaalde soorten kanker wordt soms ook hormonale therapie, immunotherapie of hyperthermie
gegeven. Hierna wordt verder ingegaan op de gevolgen van chirurgie, chemotherapie en
radiotherapie voor het lichamelijke functioneren. Daarnaast wordt specifiek ingegaan op vermoeidheid,
pijn en lymfoedeem.
Chirurgie
Op de langere termijn zijn vooral de functionele en de cosmetische gevolgen van chirurgie van belang.
Voorbeelden van functionele gevolgen zijn spraakverlies na het verwijderen van de stembanden bij
een patiënt met een larynxcarcinoom, een verstoorde stoelgang na het aanleggen van een stoma bij
een patiënt met darmkanker en het verlies van vruchtbaarheid na een radicale verwijdering van de
baarmoeder (Sprangers et al., 2001). Cosmetische gevolgen hebben betrekking op de veranderingen
van het uiterlijk na een chirurgische ingreep. Bijvoorbeeld het verlies van een borst na een
borstamputatie.
Chemotherapie & radiotherapie
Vroege gevolgen
De meeste chemokuren bestaan uit een combinatie van verschillende cytostatica. De vroege
bijwerkingen zijn afhankelijk van de soort en de hoeveelheid cytostatica en de duur van de therapie.
Voorbeelden van veel voorkomende directe bijwerkingen zijn: remming van de aanmaak van cellen in
het beenmerg, vermoeidheid, misselijkheid, braken, kaalheid, gewichtsverlies en irritatie van het
mondslijmvlies.
De vroege gevolgen die tijdens of direct na de radiotherapie optreden, zijn afhankelijk van het
bestralingsgebied, de totale dosis en de gebruikte techniek. Voorbeelden van directe bijwerkingen zijn:
algehele malaise, vermoeidheid, misselijkheid en braken, huidveranderingen, haarverlies (bestraling
hoofdhuid), en veranderingen van het slijmvlies (Sprangers et al., 2001).
Latere gevolgen
Chemotherapie en radiotherapie kunnen schade aanrichten aan verschillende orgaansystemen zoals:
de huid, het hart en bloedvatenstelsel, de longen, het centrale zenuwstelsel (Schneider, Dennehy &
Carter, 2003). Daarnaast kan onvruchtbaarheid optreden bij beide vormen van behandeling. Verder
kunnen beide therapieën leiden tot een vermindering van spierdichtheid. Kankerpatiënten kunnen
hierdoor extreme spierzwakte en vermoeidheid ervaren. In de praktijk betekent dit dat mensen
praktische alledaagse dingen niet meer of moeilijk kunnen uitvoeren. (Schneider et al., 2003).
Gevolgen van kanker / literatuursearch / drs. E. van der Peet, projectmedewerker Integraal
Kankercentrum Limburg / mei 2005
Vermoeidheid
Vermoeidheid is een veelvoorkomende klacht na kanker. De mate van vermoeidheid die (ex-)
kankerpatiënten ervaren is ongewoon hoog, de symptomen zijn langdurig en doordringend van aard
en de gevolgen voor het dagelijkse leven zijn groot (Mock, 2001). Een recent overzicht in de Lancet
rapporteert dat 70-100% van alle behandelde kankerpatiënten te maken heeft met ernstige
kankergerelateerde vermoeidheid (Ahlberg e.a., 2003). Deze vermoeidheid kan lang duren. Uit een
lange termijn onderzoek onder vrouwen met borstkanker (n=1957) bleek dat een derde van deze
patiënten drie jaar na diagnose nog steeds te maken had met ernstige vermoeidheid (Bower e.a.,
2000). Sterke vermoeidheid leidt tot significante reductie in fysiek, sociaal en emotioneel functioneren
(Mock e.a., 2002) en heeft invloed op de arbeidsreïntegratie (Verbeek et al., 2003). Als aanbevolen
behandeling tegen kankergerelateerde vermoeidheid wordt een combinatie van een fysiek en
psychosociaal revalidatieprogramma het meest effectief geacht (Ahlberg e.a., 2003).
Pijn
Pijn wordt gezien als een veelvoorkomend probleem bij kanker. Hoewel moeilijk onderling
vergelijkbaar, laten recente studieresultaten uit verschillende landen een pijnprobleem zien met een
spreiding van 31-71% (Pijn en Kenniscentrum AZM, 2004). De resultaten laten zien dat patiënten in
een vergevorderd stadium aanzienlijk meer pijnklachten ervaren. De pijnbeleving van een patiënt met
kanker wordt niet alleen bepaald door de lichamelijke situatie, maar ook door emotionele en sociale
factoren. Pijn heeft grote invloed op de kwaliteit van leven van patiënten en gaat vaak gepaard met
angst, depressie en verlies van hoop en het beïnvloedt iemands stemming, slaap, eetlust en werk (De
Haes et al.,2001).
Lymfoedeem
Lymfoedeem is een aandoening die wordt veroorzaakt door het niet goed functioneren van het
lymfesysteem. Lymfoedeem kan ontstaan na chirurgie, maar ook na chemotherapie en na
radiotherapie op klierstations. Na de behandeling voor borstkanker treedt bij 8-32% van de vrouwen
lymfoedeem op. Bij vulvakanker is dit percentage 40-60% en bij baarmoederhalskanker, afhankelijk
van de therapie, 30-50%. Ook bij de behandeling van prostaat- en blaaskanker kan lymfoedeem
ontstaan. Lymfoedeem grijpt ernstig in op de kwaliteit van leven. De aandoening kan zowel psychisch
als fysiek een zware belasting vormen. (Woods & Mortimer, 1995; Carter, 1997; Tobin, Lacey, Meyer,
& Mortimer, 1993; Passik & McDonald, 1998).
Psychologisch functioneren
De diagnose kanker is een enorme schok voor mensen en kan gepaard gaan met heftige emoties
zoals depressieve gevoelens, wanhoop, woede, verdriet en angst. Dit zijn normale reacties na het
vernemen van de diagnose kanker. Men krijgt met moeilijke situaties te maken, zoals angst voor de
dood, fysieke veranderingen na een chirurgische ingreep. In de periode na de behandeling zijn
patiënten meestal opgelucht dat de belastende therapie voorbij is. Toch worden ook in deze fase
negatieve gevoelens ervaren, zoals angst voor de terugkeer van de ziekte en onzekerheid over de
toekomst. Patiënten kunnen bovendien het houvast missen van de regelmatige medische controles en
het contact met de inmiddels vertrouwde behandelaar. Ze vallen als het ware in een gat. De tijd na de
afronding van de behandeling is daarom spanningsvol (Sprangers et al., 2001). De ernst van de
psychologische problemen wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin de patiënt controle
meent te hebben over zijn of haar leven in het algemeen en over de ziekte in het bijzonder (Sprangers
et al., 2001).
Depressie en angst
Ongeveer 15-25% van de kankerpatiënten heeft te maken met een klinische depressie (Derogatis,
1983). Daarnaast ervaart ongeveer 44% van de kankerpatiënten een zekere mate van angst en 23%
een ernstige mate van angst (Stark, Kiely & Smith, 2002). In het onderzoek van Van ’t Spijker (1997)
is geen verband gevonden tussen ziektestadium, type behandeling en psychologische problemen.
Wel neemt angst in de loop van de tijd af, terwijl depressie min of meer blijft bestaan (Van ’t Spijker et
al., 1997).
Problemen na uiterlijke veranderingen (body image problems)
Kanker en de kankertherapie kunnen verregaande gevolgen hebben voor de uiterlijke kenmerken van
mensen. Wanneer bijvoorbeeld een lichaamsdeel is verwijderd, moeten patiënten leren omgaan met
de veranderingen van het eigen lichaam. Het bezorgd zijn over littekens, zich niet seksueel
Gevolgen van kanker / literatuursearch / drs. E. van der Peet, projectmedewerker Integraal
Kankercentrum Limburg / mei 2005
aantrekkelijk voelen, zich ongemakkelijk voelen in meer onthullende kleding zijn uitingen van ‘body
image problems. ‘Deze problemen staan in verband met een verminderde psychosociale aanpassing
(Hopwood & Maguire, 1988).
Sociaal en maatschappelijk functioneren
Een ziekte zoals kanker grijpt in op verschillende aspecten van het leven. Zo heeft het bijvoorbeeld
consequenties voor de sociale en maatschappelijke omgeving van de patiënt. De patiënt is voor
langere tijd niet of minder in staat om zijn normale, alledaagse rollen te vervullen. Tegelijkertijd vormen
gezinsleden, familie, vrienden, collega’s op het werk belangrijke hulpbronnen voor de patiënten bij zijn
verwerking van de ziekte. (De Haes, 2001). Maar de rollen die mensen in de sociale omgeving
innamen voor de ziekte veranderen ook door de ziekte. Het evenwicht binnen een relatie en sociale
omgeving kan hierdoor verstoord raken. Daarnaast zal de ziekte en de behandeling invloed hebben
op onder andere de arbeidssituatie, vrijetijdsbesteding en huishoudelijke taken.
Werkhervatting
Direct na de diagnose is de betaalde baan meestal niet het belangrijkste aspect waarbij de patiënt stil
staat. Na de behandeling gaat de terugkeer naar werk weer een belangrijke rol spelen. Werkhervatting
blijkt een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van leven van kankerpatiënten (Peteet, 2000). Uit
onderzoek van Spelten et al. blijkt de helft van de kankerpatiënten een jaar na de ziekmelding weer
aan het werk zijn. Na anderhalf jaar blijkt 67% weer aan het werk te zijn (Verbeek et al., 2003). Uit
andere studies blijkt dat de percentages met betrekking tot de terugkeer naar werk variëren van 44%
tot 100% (Sharp, 1999). Uit onderzoek blijken diagnose en behandeling de belangrijkste voorspellers
voor de termijn van werkhervatting, gevolgd door vooral vermoeidheidsklachten (Verbeek et al., 2003).
Uit het onderzoek van Kremer et al. blijkt dat voor 78% van de niet werkende kankerpatiënten hun
gezondheid een reden is om niet te werken: 46% vanwege de gevolgen van kanker, 20% vanwege
kanker en de gevolgen van een andere ziekte of aandoening. Een goede begeleiding bij
werkhervatting helpt om de werkhervattingproblemen die mensen ondervinden na te zijn behandeld
voor kanker, op te lossen.
Gevolgen van kanker / literatuursearch / drs. E. van der Peet, projectmedewerker Integraal
Kankercentrum Limburg / mei 2005
Literatuur
Ahlberg, K., Ekman, T., Gaston-Johansson, F., & Mock, V. (2003). Assessment and management of
cancer-related fatigue in adults. Lancet, 362, 640–650.
Beisecker, A.E., Cook, M.R., Ashworth, J., et al. (1997). Side effects of adjuvant chemotherapy:
perceptions of node-negative breast cancer patients (1997). Psycho Oncology, 6 (2), 85-93.
Bower, JE; Ganz, PA; Desmond, KA; Rowland, J.H. & Meyerowitz, BE. (2000). Fatigue in breastcancer survivors:
Occurrence, correlates, and impact on quality of life. Journal of Clinical Oncology. 18(4), 743-753.
Carter, B.J. (1997). Woman’s experiences of lympfedema. Oncol Nurse Forum, 24, 875-82.
Derogatis, L. R., Morrow, G. R., Fetting, J., Penman, D., Piasetsky, S., Schmale, A. M., Henrichs, M.,
& Carnicke, C. L., Jr. (1983). The prevalence of psychiatric disorders among cancer patients. Jama, 249(6), 751757.
Fatigue Coalition (1998). Cancer and Fatigue: A survey among physicians, patients and
caregivers. Beschikbaar op http:// www.cancercare.org.
Fobair, P. Hoppe, R.T., Bloom, J., Cox, R., Varghese, A., & Spiegel, D. (1986). Psychosocial problems among
survivors of Hodgkin’s disease. Journal of Clinical Oncology, 4.
Hawthorne, J., Management van pijn bij kanker.
Haes J.C.J.M. de, Gualthérie van Weezel LM, Sanderman R & Wiel HBM van de (2001). Psychologische
patiëntenzorg in de oncologie. Handboek voor de professional. Assen: van Gorcum.
Hendriks, M.G., Van-Beysterveldt, B.C., & Schouten, H.C. (1998). Kwaliteit van leven
na stamceltransplantatie: problemen na vermoeidheid, seksualiteit, financiële en werkhervatting. Nederlands
tijdschrift voor Geneeskunde, 142, 1152-1155. 805-814.
Hopwood, P. & Maguire G.P. (1988). Body image problems in cancer patients. J. Psychiatry Suppl. (2), 47-50.
Jacobsen, P.B., & Stein, K. (2000). Is fatigue a long-term side effect of breast cancer
treatment? Cancer Control, 6 (3).
Kremer, A., Chorus & Wevels, C. (2002). Kanker en werk: TNO-rapport.
Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO (2002). Richtlijn Lymfoedeem. Alphen aan de
Rijn: Van Zuiden.
Lindley, C., Vasa, S., Sawyer, W.T., Winer, E.P. (1998). Quality of Life and preferences for treatments
following systematic adjuvant therapy for early-stage breast cancer. J Clin Oncol, 16 (4), 1380-1387.
Mock, V. (2001). Fatigue managements: evidence and guidelines for practice. Cancer,92
(6 Suppl), 1699-707.
Okuyama, T., Akechi, T., Kugaya, A., et al., (2000). Factors correlated with fatigue in disease-free
breast cancer patients: application of the Cancer Fatigue Scale. Supp in Cancer Care, 8 (3), 215-222.
Passik, S.D., Mc Donald, M.V. (1998). Psychological aspects of upper extremity lympfedema in
women treated for breast carcinoma. Cancer, 83, 2817-20.
Peteet, J.R. (2000). Cancer and the meaning of work. General Hospital Psychiatry, 22, 200-205.
Rijke, M., de & Beuken, M., van den. (2004). Prevalentie van pijn en andere symptomen bij patiënten
met kanker. Pijn Kennis Centrum Maastricht, Academisch Ziekenhuis Maastricht.
Rhodes, V., Watson, P., & Hanson, B. (1988). Patients’ descriptions of the influence of
tiredness and weakness on self care abilities. Cancer Nursing, 11, 186-194.
Servaes, P., Verhagen, & S., Bleyenberg, G. (2001). Determinants of Chronic fatigue in
disease free breast cancer patients: a cross sectional study. Annals of Oncology, 13, 389-589.
Schneider, C.M., Dennehy, C.A., & Carter, S.D. (2003). Exercise and Cancer Recovery.
United States of Amerika: Human Kinetics Publishers.
Gevolgen van kanker / literatuursearch / drs. E. van der Peet, projectmedewerker Integraal
Kankercentrum Limburg / mei 2005
Sharp, D. (1999). Trends in cancer survival in England and Wales. Lancet, 353, 1437-8.
Sloot, L., van der, Pijn bij kanker. Almere: Versluys Uitgeverij bv.
Van ’t Spijker A., Trijsburg R.W., Duivenvoorden H.J. (1997) Psychological sequalae of cancer
diagnosis: a meta-analytical review of 58 studies after 1980. Psychosomatic medicine, 59, 280-293.
Sprangers, M.A.G., Aaronson, N.K., & Van Dam, F.S.A.M. (1993). Onderzoek naar
kwaliteit van Leven. Tijdschrift Kanker, 6, 245-247.
Sprangers, M.A.G., Smets, E.M.A.,& Stiegelis, H. (2001). Gevolgen van de ziekte. In Haes, J.C.J.M.
de, Gualthérie van weezel, L.M., Sanderman, R. & van de Wiel, H.B.M. Psychologische patiëntenzorg in de
oncologie. Handboek voor de professional (pp. 34-59). Assen: van Gorcum.
Stark, D, Kiely, M & Smith, A. (2002). Anxiety disorders in cancer patients: their nature, associations,
and relation to quality of life. Journal Clinical Oncology, 20(14), 3137-48
Tobin, M.B., Lacey, M.D., Meyer, L., Mortimer, P.S. (1993). The psychological morbidity of breast
cancer-related arm swelling. Cancer, 72, 3248-52.
Tóth-van den Berg, J.J.A. & van Rees, T. (2001). De kankerpatiënt. Houtem/Diegem: Bohn Stafleu
Van Loghum.
Verbeek, J., Spelten E. & Sprangers M. (2003). Return to work of cancer survivors: a prospective cohort study
into the quality of rehabilitation by occupational physicians. Occup Environ Med, 60, 325-357.
Woods, M., Tobin, M. & Mortimer, P. (1995). The psychosocial morbidity of breast cancer patients with
lymfhoedema. Cancer Nursing, 18, 467-71.
Gevolgen van kanker / literatuursearch / drs. E. van der Peet, projectmedewerker Integraal
Kankercentrum Limburg / mei 2005
Download