Zin en onzin van ontwikkelingshulp

advertisement
11.dossier
Zin en onzin van
ontwikkelingshulp
Inhoudstafel
Inleiding
2
1. Waarom hulp geven?
3
1.1. Drijfveren om aan ontwikkelingssamenwerking te doen
3
1.2. Vooruitgang maar onvoldoende
4
1.2.1 Vooruitgang…
1.2.2 … maar de noden blijven hoog
4
5
1.3. Hoeveel hulp wordt er gegeven?
7
1.4. Hulp als katalysator voor ontwikkeling
8
1.4.1 Deelname aan sociale en economische leven
1.4.2 Bijdrage tot economische groei
1.4.3 Verschil tussen net niet uit de boot vallen en totale uitsluiting
1.4.4 Capaciteitsversterking overheidsinstellingen
1.4.5 Versterken rechtsstaat en democratisering
1.4.6 Actie- en lobbywerk in het Noorden
1.5. Kritiek op hulp weerlegd
10
1.5.1 “Door hulp te geven ontwikkelen landen zich niet”
1.5.2 “Ontwikkelingslanden zijn te afhankelijk van hulp”
1.5.3 “Al het geld verdwijnt in de zakken van corrupte regimes”
1.5.4 “Hulp kan niet op tegen natuur en cultuur”
1.5.5 “Hulp bereikt de armsten toch niet”
1.5.6 “Al het geld blijft plakken bij ngo’s in het Noorden”
1.5.7 “Er zijn voldoende alternatieven voor hulp”
2. Hoe hulp geven?
10
11
12
12
13
13
13
17
2.1. Korte geschiedenis van hulp
18
2.1.1 Van de jaren ’60 tot nu
2.1.2 Belangrijke geschiedenislessen
18
19
2.2. Principes van goede hulp
19
2.2.1 De bevolking moet eigenaar zijn
2.2.2 Hulp geef je niet uit geopolitiek belang
2.2.3 Hulp geef je niet uit economisch belang
2.2.4 Goede hulp zorgt niet voor administratieve overlast
2.2.5 Hulp legt geen economisch beleid op
2.2.6 Transparante hulp is open voor controle
2.2.7 Noord en Zuid leggen aan elkaar verantwoording af
2.2.8 Voorspelbaarheid
2.2.9 Diversiteit in instrumenten
2.3. Zin van hulp in fragiele staten en middeninkomenslanden
2.3.1 Fragiele staten
2.3.2 Middeninkomenslanden
19
20
20
20
21
22
22
23
23
23
23
24
2.4. Teveel koks in een drukke donorkeuken?
25
2.4.1. Samenwerking van overheid tot overheid (bilaterale hulp)
2.4.2 Multilaterale organisaties
2.4.3 Niet-Gouvernementele Organisaties
25
26
28
Besluit: Voorbij hulp
30
Colofon
Redactie Eline Strik, Els Hertogen, Griet Ysewyn, Koen Detavernier
Met dank aan Bogdan Vanden Berghe, Rudy De Meyer en de landenkantoren van 11.11.11
Lay-outt Yichalal
Foto coverr Dirk Peeters, 11.11.11
Maart 2011
1
8
8
9
9
9
10
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Inhoudstafel
Inleiding
Wie zich bezighoudt met ontwikkelingshulp,
krijgt vroeg of laat vragen over zilverpapier. Wat
is er eigenlijk gebeurd met al die zilverpapiertjes die we vroeger moesten verzamelen? Wat
is er eigenlijk gebeurd met de opbrengsten
hiervan? Want inderdaad, we doen al decennia aan ontwikkelingshulp. Toch is het contrast
tussen ons rijke leven hier en de armoede in het
Zuiden scherper dan ooit. De vraag of het dus
allemaal wel zin heeft, is dus heel begrijpelijk.
Mozambique – dat twintig jaar geleden nog het
armste land ter wereld was – zijn de uitgaven
voor gezondheidszorg met meer dan de helft
gestegen. En de afgelopen tien jaar nam het
aantal kinderen die stierven voor hun vijfde
verjaardag af met bijna twintig procent.
Jammer genoeg kan je bij het opmaken van
een algemene balans niet per definitie alle
ontwikkelingssamenwerking aan de batenkant
zetten. Een deel van het geld verdween immers in bodemloze putten. Zo werden in het
Vaak wordt met een zeker wantrouwen gepraat verleden veel te lang dictators zoals Mobutu in
over ontwikkelingshulp. Doen we het niet om Congo gesteund, omdat ze westerse belangen
ons geweten te sussen met simpele liefda- dienden. Belgische hulp diende in het verleden
digheid, om een bestaande bureaucratie in soms eerder de belangen van Belgische bestand te houden, om onszelf te verrijken? De drijven dan deze van de lokale bevolking. Hulp
echte reden dat hulp noodzakelijk is, is dat het werd ook misbruikt als glijmiddel voor schadesimpelweg onaanvaardbaar is dat miljarden lijke economische en politieke interventies. Het
mensen een mensonwaardig bestaan leven. beeld is dus genuanceerd. Als je ziek bent, is
Vandaag sterft nog steeds 1 op 8 kinderen voor niet eender welk medicijn goed. Op dezelfde
hun vijfde levensjaar in sub-Sahara Afrika, wat manier werkt ook niet alle hulp. Met dit dos20 keer meer is dan het gemiddelde (1 op 167) sier willen wij aantonen dat hulp wel degelijk
in ontwikkelde landen. Ook in Zuid-Azië, met kan helpen. Hierbij houden we rekening met
1 op 14 kinderen, blijft de toestand meer dan terechte kritiek, maar proberen we ook de –
zorgwekkend. Ook op vlak van moedersterfte volgens ons – onterechte kritiek te weerleggen.
is de toestand in heel wat landen schrijnend.
Op 100.000 geboortes stierven in 2008 290 In dit dossier zullen we duidelijk maken dat
moeders in ontwikkelingslanden tegenover 14 hulp veel meer is dan zilverpapiertjes sturen.
in ontwikkelde landen. Vandaag lijdt 60 % van We zullen enkele experimenten uit het verleden
de Burundese bevolking honger en 75 % van kritisch onderzoeken en het kaf van het koren
proberen te scheiden. We zullen duidelijk
de Congolese bevolking.
maken welke hulp volgens ons een bijdrage
kan leveren aan een wereld zonder armoede
Vanuit het principe dat iedereen recht heeft op en onrecht. Maar het zal ook duidelijk worden
ontwikkeling, is het duidelijk dat we iets moe- dat hulp bescheiden ambities moet hebben.
ten doen om deze ongelijkheid weg te werken. Hulp moet zichzelf immers overbodig maken,
Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of maar kan dat niet alleen. Daarmee bedoelen
ontwikkelingshulp geven zinvol is om hier iets we dat hulp alleen niet genoeg is. In een geaan te veranderen. Als we er niets aan kun- globaliseerde wereld maakt hulp maar een
nen doen, heeft het geen zin om ons geld te minimaal deel uit van alle financiële en andere
verspillen. Maar ontwikkelingssamenwerking bewegingen die een diepgaande invloed hebkan ondertussen wel een aantal schitterende ben op het dagelijks leven van de allerarmsten.
resultaten voorleggen. De ontwikkelingsindex Hulp kan niet op tegen financiële crises, tegen
klimaatverandering of tegen handelsverdragen
van de VN geeft aan dat de ontwikkeling in
Sub-Sahara Afrika, de armste regio van de die mensen het mes op de keel zetten. Daarom
wereld, de afgelopen tien jaar in stijgende lijn moet hulp altijd deel uitmaken van een cohezat. De gemiddelde levensduur van mensen rent beleid. Binnen een eerlijk, globaal beleid
in ontwikkelingslanden is de afgelopen vier kan hulp een katalysator zijn die net dat duwtje
decennia gestegen van 48 naar 68 jaar. Alleen geeft om structurele verbetering mogelijk te
al in de laatste tien jaar zijn 36 miljoen kinde- maken. Als zo’n beleid er niet komt, kan hulp
ren extra naar school kunnen gaan dankzij hooguit het stootkussen zijn dat de allerergste
ontwikkelingssamenwerking. In een land als klappen opvangt en verzacht.
2
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Inleiding
1. Waarom hulp geven?
1.1. Drijfveren om aan ontwikkelingssamenwerking te doen
We vinden het evident dat we ons wassen met
schoon water bij het opstaan, vervolgens naar
het werk of naar school gaan, als we ziek worden naar de dokter gaan en kunnen gaan slapen onder een veilig dak zonder een hongerige
maag. Als we dat evident vinden voor onszelf
en voor de mensen om ons heen, waarom
zou dat dan niet voor iedereen ter wereld
gelden? Toch worden de basisrechten van de
mens systematisch geschonden, doordat de
welvaart wereldwijd ongelijk verdeeld is. Het is
vanzelfsprekend dat we daar vanuit ons gevoel
voor solidariteit iets aan willen veranderen.
Die solidariteit is niet vrijblijvend. In veel gevallen heeft armoede elders immers haar wortels
bij ons. De schuld die we hebben in te lossen is
deels historisch. De meeste kolonies in Afrika
zijn pas in de afgelopen vijftig jaar onafhankelijk
geworden. In het perspectief van de geschiedenis is dat een heel korte tijd. Vijftig jaar is
soms onvoldoende om de enorme maatschappelijke ontwrichting die wij teweeg hebben gebracht ongedaan te maken. Maar ook nadien is
onze schuld blijven groeien. We hebben volop
geprofiteerd van de goedkope grondstoffen
en arbeidskrachten in de allerarmste landen.
Om die te krijgen, aarzelden we niet om foute
regimes te installeren, om bodemprijzen te
betalen en om het leefmilieu blijvende schade
aan te richten. We zijn daar nog altijd niet mee
gestopt. We dragen allemaal t-shirts die onder
erbarmelijke omstandigheden in Oost-Azië zijn
gemaakt, we bellen met een gsm met coltan
dat voor een spotprijs uit DR Congo is gehaald
en we wassen onze handen met palmoliezeep
waarvoor tropisch woud is omgehakt. In een
geglobaliseerde wereld is onze rijkdom gelinkt
aan de armoede van anderen. Het minste wat
we kunnen doen, is pogen die armoede te
verlichten.
Gelukkig is herverdeling niet noodzakelijk
nadelig voor onszelf. Problemen als epidemiën
en klimaatverandering stoppen niet aan de
grens. Andere landen helpen met zaken als
gezondheidszorg en behoud van het leefmilieu
levert dus ook voor ons voordelen op. Wie arm
blijft in een wereld waar rijkdom in overvloed
aanwezig is, zal zich daar niet makkelijk bij
neerliggen. In een wereld vol armoede mogen
we ons dus verwachten aan grote migratiestromen en meer geweld. Natuurlijk kan welbegrepen eigenbelang nooit alleen de reden zijn om
aan ontwikkelingshulp te doen: mensen laten
creperen van armoede is niet goed te praten
als we daar zelf beter van worden. Maar het
kan wel een bijkomende aanmoediging zijn om
echt werk te maken van een betere wereld.
Wat is hulp?
De breedste definitie van hulp is de transfer
van middelen van donoren naar ontvangende landen of actoren. In de context van
internationale ontwikkelingssamenwerking,
gaat deze hulp van welvarendere landen
naar minder ontwikkelde landen. De officiële ontwikkelingshulp (Official Development
Assistance of ODA), zijn die bestedingen
die voldoen aan de criteria van het comité
voor ontwikkelingssamenwerking van de
OESO.1 Er zijn drie grote types van hulp:
1 Official Development Assistance (ODA)
is defined as those flows to developing
countries and multilateral institutions
provided by official agencies, including
state and local governments, or by their
executive agencies, each transaction
of which meets the following tests: i) it
is administered with the promotion of
the economic development and welfare
of developing countries as its main
3
1. Bilaterale hulp: dit is hulp van de overheid van een land naar de overheid van een
ander land die wordt beschouwd als ODA.
Dit omvat het grootste percentage van hulp,
namelijk 102,99 miljard dollar in 2008;2
2. Multilaterale hulp: dit is hulp gegeven
door overheden aan multinationale
organisaties, zoals de VN, Wereldbank en
de Europese Commissie. Dit is ook ODA en
bedroeg in 2008 36,32 miljard dollar;
3. Indirecte hulp: dit is de transfer van
middelen via ngo’s (niet-gouvernementele
organisaties). Wanneer overheden middelen
geven aan ngo’s om hiermee programma’s
en projecten te financieren in het Zuiden,
objective; and ii) it is concessional in
character and conveys a grant element
of at least 25 per cent.
2 http://stats.oecd.org/Index.
aspx?DatasetCode=TABLE1.
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
wordt dit ook beschouwd als ODA. In 2008
bedroeg dit 2,57 miljard dollar. Aangezien
er ook heel wat individuele giften zijn aan
deze ngo’s, ligt het totale bedrag besteed
via ngo’s hoger.
De termen ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking worden vaak door
elkaar gebruikt. 11.11.11 spreekt liever over
ontwikkelingssamenwerking, omdat dit
toelaat de samenwerking en de dialoog
met de partnerlanden te benadrukken en
niet alleen de geldstroom naar deze landen.
We zullen in dit dossier meer dan eens
benadrukken dat goede hulp samenwerking impliceert. In dit dossier spreken we
naast ontwikkelingssamenwerking echter
ook over ontwikkelingshulp, omdat het net
vaak deze geldstroom is die in vraag wordt
gesteld.
Waarom hulp geven
1.2. Vooruitgang maar onvoldoende
1.2.1 Vooruitgang…
Hulp ligt de laatste jaren onder vuur. Deze
kritische houding is niet onbegrijpelijk als je
stil staat bij het feit dat een land als DR Congo
reeds decennia hulp ontvangt en vandaag
toch nog steeds helemaal onderaan de Wereld Honger Index1 bungelt. In Congo lijdt
driekwart van de bevolking honger, dit is het
slechtste resultaat wereldwijd2. Maar wie
hieruit concludeert dat er de afgelopen jaren
geen sprake is van ontwikkeling in – zelfs de
allerarmste – ontwikkelingslanden, gaat voorbij aan de realiteit. We zien namelijk, naast
de pijnlijke cijfers en verhalen over de aanhoudende kloof tussen Noord en Zuid en de
gevolgen hiervan voor miljoenen mensen, dat
er de laatste jaren ook veel positieve verhalen
te vertellen zijn. In deze positieve verhalen
heeft hulp vaak een belangrijke rol gespeeld,
naast beleidsbeslissingen en gebeurtenissen
op vele andere domeinen.
In Ethiopië daalde het aantal mensen dat moet
overleven met minder dan 1,25 dollar per dag
van 61 % tot 29 % in achttien jaar tijd. Het aantal inschrijvingen in de basisschool nam toe
van 22 % tot 72 % in de afgelopen 16 jaar. Ook
Benin bewijst dat vooruitgang boeken op het
Afrikaanse continent mogelijk is. Tussen 1991
en 2007 zijn de inschrijvingen in de basisscholen toegenomen van 43 % naar 83 %. Benin
staat daarmee in de top 10 van verbetering op
1 De Wereldhongerindex is gebaseerd op drie factoren: het aandeel van ondervoede mensen in een
bevolking, de aanwezigheid van ondergewicht bij
kinderen jongeren dan vijf jaar, en de sterftecijfers
bij kinderen jonger dan vijf jaar.
2 Wereldhongerindex, 2010.
vlak van onderwijs. Dit land scoort trouwens
ook goed op gendergelijkheid en verbetering
op vlak van gezondheidszorg voor moeders 3.
In Tanzania daalde kindersterfte bij de geboorte met 40 % tussen 1999 en 2008. Na
het conflict in 1994 betrad Rwanda de 21ste
eeuw met één van de zwakste gezondheidssystemen wereldwijd. Maar vandaag toont
Rwanda erg sterke resultaten op vlak van
gezondheidszorg: het aantal geassisteerde
bevallingen steeg van 39 % in 2005 tot 52 %
in 2008, terwijl de kindersterfte (onder 5 jaar)
daalde van 152 sterfgevallen per 1000 in 2005
tot 103 in 2008. Tevens steeg het gebruik van
moderne anticonceptie van 10 % tot 27 % in
amper drie jaar4.
3 Bron: Overseas Development Institute (2010).
Millennium Development Goals Report Card:
Measuring progress across countries. Londen:
ODI Publications. 08.11.10, ODI, http://www.odi.
org.uk/resources/download/5027.pdf.
4 Bron: The World Bank (23.07.2010). Learning from
Maternal and Child Health Successes in Africa.
[08.11.10, The World Bank, http://go.worldbank.
org/QU1D01GRD0.
Enkele positieve cijfers op wereldschaal1
3 1,6 miljard mensen kregen toegang tot zuiver drinkwater sinds 1990, het proportionele aandeel van de wereldbevolking steeg hierdoor van 76 % naar 86 % tussen 1990 en 2006;
3 Kindersterfte is gehalveerd gedurende de laatste decennia door betere voeding, gezondheidszorg en verhoging
van de levensstandaard. In 1990 stierven 13 miljoen kinderen in ontwikkelingslanden voor hun vijfde
verjaardag aan ondervoeding, malaria, AIDS, tuberculose etc. In 2006 waren dat er nog 10 miljoen;
3 31 miljoen meer meisjes zijn ingeschreven in het onderwijs in vergelijking met 1999;
3 18 % stijging van inschrijvingen in algemeen basisonderwijs in Afrika de afgelopen 10 jaar;
3 15-20 jaar verhoging van de levensverwachting van vrouwen sinds 1970;
3 4 miljoen mensen in lage- en middeninkomenslanden ontvingen anti-retrovirale medicatie sinds 2008.
1
4
The World Bank (2010). How’s the World Doing? 08.11.10, The World Bank,
http://www.worldbank.org/mdgs/.
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Waarom hulp geven
1.2.2 … maar de noden blijven groot
Ondanks de positieve cijfers, blijven de noden
echter erg groot. Vandaag sterft nog steeds
1 op 8 kinderen voor hun vijfde levensjaar in
sub-Sahara Afrika, wat 20 keer meer is dan
het gemiddelde (1 op 167) in ontwikkelde landen. Ook in Zuid-Azië, met 1 op 14 kinderen,
blijft de toestand meer dan zorgwekkend5. Op
vlak van moedersterfte is de toestand in heel
wat landen schrijnend. Op 100.000 geboortes
stierven in 2008 290 moeders in ontwikkelingslanden tegenover 14 in ontwikkelde
landen. In bepaalde regio’s ligt dat cijfer nog
veel hoger, zoals in sub-Sahara Afrika waar
op 100.000 geboortes, 640 moeders het leven
lieten6. Vandaag lijdt 60 % van de Burundese
bevolking honger en 75 % van de Congolese
bevolking.
Tien jaar na de ondertekening van de Millenniumverklaring en het opstellen van de
5 UN Inter-agency Group for Child Mortality Estimation (2010). Levels and Trends in Child Mortality.
Report 2010. Estimates Developed by the UN
Inter-agency Group for Child Mortality Estimation.
New York: United Nations Children’s Fund.
[08.11.10, UNICEF, http://www.unicef.org/media/
files/UNICEF_Child_mortality_for_web_0831.pdf.
6 WHO, UNICEF, UNFPA and The World Bank
(2010). Trends in Maternal Mortality: 1990-2008.
Geneva: World Health Organization. [08.11.10,
World Health Organization, http://whqlibdoc.who.
int/publications/2010/9789241500265_eng.pdf.
Millenniumdoelstellingen (MDG’s), lijkt het
einddoel dus nog niet in zicht. Het vooruitgangsproces verloopt erg ongelijk – tussen
regio’s, tussen landen, binnen landen en zelfs
tussen de doelstellingen onderling. Bovendien
werd heel wat vooruitgang getemperd door de
verschillende crisissen waar we de afgelopen
jaren mee te kampen kregen: een energiecrisis, een voedselcrisis, een financiële crisis,
maar ook een snel opdoemende klimaatcrisis.
Naast al dat crisisgeweld blijft een gebrek aan
politieke wil een doorslaggevende factor voor
het gebrek aan vooruitgang. Het nakomen van
de gemaakte beloftes laat op zich wachten.
Vooral in sub-Sahara Afrika moet er nog heel
wat werk verricht worden om de MDG’s te
kunnen halen. Dat een deel van de MDG’s
globaal gehaald zullen worden tegen 2015 zal
vooral te danken zijn aan de grote sprongen
voorwaarts van enkele Aziatische groeilanden.
Maar er zijn ook MDG’s die zelfs globaal nog
ver buiten het bereik liggen tegen 2015. Zo
gaat het erg slecht met MDG5 (moedersterfte)
en MDG7 (duurzame ontwikkeling) wat sanitaire voorzieningen betreft. Ook om kindersterfte
(MDG4) met twee derde terug te dringen is er
nog heel wat werk voor de boeg7.
7 11.11.11/2015 De Tijd Loopt , « De wereld in
verwachting » Dossier Millenniumdoelstellingen,
2010 .
Wat zijn ook al weer de MDG’s?
Met het aannemen van de Millenniumverklaring in
2000 werden de objectieven van de internationale
conferenties van de jaren ’90 samengebald tot een
beperkt aantal meetbare en in de tijd geplande
doelstellingen die gelden als een richt- en uitgangspunt voor de 21ste eeuw. Een aantal belangrijke
principes en waarden die fundamenteel zijn voor de
internationale betrekkingen staan er in beschreven:
vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verdraagzaamheid,
respect voor het milieu en gedeelde verantwoordelijkheid. In de tekst wordt ondermeer ook aandacht
besteed aan de specifieke noden in Afrika, goed
bestuur en de versterking van de VN. Ook wordt
er bepleit dat de globalisering ten goede komt van
iedereen. De 8 Millenniumdoelstellingen (Millennium Development Goals of MDG’s) te realiseren
tegen 2015, zijn afgeleid van deze Millenniumverklaring. De Verklaring is dus ruimer dan de concrete
doelstellingen die er in vervat zijn. Daarom kunnen
ook andere thema’s gelinkt worden aan de MDG’s,
breder dan diegene die letterlijk vermeld worden
in de 8 doelstellingen. Waardig werk is hiervan een
goed voorbeeld.
5
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
De 8 Millenniumdoelstellingen tegen 2015:
1. Het aantal mensen dat honger lijdt en in armoede
leeft, is gehalveerd. Iedereen heeft waardig werk.
2. Alle kinderen in de wereld krijgen basisonderwijs.
3. Meisjes mogen net zo vaak naar school als
jongens. De kloof in het onderwijs is verdwenen.
4. In 1990 stierven 12,5 miljoen kinderen voor hun
vijfde verjaardag, vaak door makkelijk te genezen
ziektes. In 2015 moet dit aantal met twee derde
verminderd zijn.
5. De moedersterfte moet in 2015 met driekwart zijn
teruggebracht ten opzichte van 1990.
6. Voor 2015 wordt een halt toegeroepen aan de
verspreiding van aids, malaria en andere ziektes.
7. Het aantal mensen dat geen schoon drinkwater
en sanitair heeft is gehalveerd. Met een duurzaam
milieubeleid gaan we onder andere ontbossing,
klimaatverandering en het verdwijnen van soorten
tegen.
8. Niet alleen het Zuiden werkt aan de Millenniumdoelen, ook de rijke landen zetten hun beste
beentje voor. Dat doen we niet alleen door geld te
geven. We voeren ook eerlijke handel, we zorgen
voor betaalbare medicijnen en we schelden oude
schulden kwijt.
Waarom hulp geven
Vele nationale en internationale ngo’s hebben
er bovendien nooit een geheim van gemaakt
dat de millenniumdoelen als doelstelling niet
volstaan. Want wat doe je met die andere helft
armen, die niet binnen de doelstelling van de
strijd tegen de armoede valt? Dit maakt de
vaststelling dat de MDG’s niet gehaald zullen
worden in 2015 des te zuurder.
In de MDG’s zelf zaten ook grote leemtes, die
zelfs door het opnemen van arbeid in MDG1
niet werden opgevangen. De indicatoren waren ook te eng om echte vooruitgang naar de
doelstellingen te meten. Een voorbeeld: een
duurzaam milieu is niet enkel af te meten aan
het percentage van de bevolking dat drinkbaar
water ter beschikking heeft.
De jongste jaren erkennen ook donoren en internationale instellingen, zoals de Wereldbank,
ongelijkheid als een belangrijk probleem. Voor
ngo’s wordt onderontwikkeling grotendeels
veroorzaakt door een slechte verdeling van
macht. Echt duurzame remedies zijn dan ook
gebaseerd op een scherpe analyse van nationale en internationale machtsverhoudingen.
Dat gebeurt in het internationale debat rond
de MDG’s weinig of niet.
Het MDG-kader houdt ook weinig of geen
rekening met ongelijkheid. In theorie is het
mogelijk om op globaal niveau de MDG’s te
halen ondanks een groeiende ongelijkheid
binnen en tussen landen. Als je verder kijkt dan
2015 is ontwikkeling op basis van groeiende
ongelijkheid nochtans geen duurzame optie.
Nu meer dan ooit
Uit de cijfers blijkt dat hulp nodig is omdat
het nu levens redt en kansen biedt aan bevolkingsgroepen en ontwikkelingslanden.
De nood aan “goede” (cfr. infra) hulp wordt
verscherpt door verschillende globale crisissen die mensen wereldwijd raakt in hun
ontwikkeling. Sinds september 2008 is de
financiële crisis uitgegroeid tot een globale
economische recessie. Ook in de ontwikkelingslanden zorgde ze voor een daling
van de exportinkomsten en het opdrogen
van de inkomende financiële stromen. Dit
heeft geleid tot een verslechtering van
de sociale en economische toestand. De
kans dat de millenniumdoelstellingen voor
ontwikkeling tegen 2015 worden bereikt,
komt ernstig in het gedrang. Volgens de
ramingen van de Wereldbank zou de crisis
zo een 64 miljoen bijkomende mensen in
extreme armoede duwen voor eind 20101.
Het percentage ondervoede mensen in
1 The World Bank (2010). Global Monitoring Report 2010. The MDGs after
the crisis. Washington, DC: The World
6
ontwikkelingslanden daalde van 20 %
in 1990-92 naar 16 % in 2004-06, maar
de internationale economische recessie
en de voedselcrisis hebben de trend
gekeerd2. In de komende maanden dreigt
een nieuwe schuldencrisis als gevolg van
de wereldcrisis deze verpaupering nog te
versnellen. Door het gebrek aan sociale
beschermingssystemen vallen zij die reeds
zo kwetsbaar zijn volledig overboord, nu er
minder tewerkstelling is en de voedsel- en
olieprijzen de lucht in schoten3. DaarenBank. 08.11.10, The World Bank, http://
www.worldbank.org/gmr2010.
2 UNITED NATIONS., The Millennium
Development Goals Report 2009. New
York, 2009. United Nations Department
of Economic and Social Affairs. ISBN
978-92-1-10119 http://www.un.org/millenniumgoals/pdf/MDG %20Report %20
2009 %20ENG.pdf.
3 Oxfam International, “21st Century
Aid : Recognising success and tackling
failure”, Oxfam Briefing Paper 137, april
2010, p.9.
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
boven worden vooral ontwikkelingslanden
geconfronteerd met de klimaatcrisis. Zo
zorgen smeltende gletsjers tijdelijk voor
meer water, maar daarna voor uitdroging
van rivieren. Dit is onder andere een
probleem in veel Aziatische gebieden en
in de Andesregio. Tegen 2080 zouden 1,8
miljard mensen méér een gebrek aan zoet
water ervaren. In andere gebieden zal het
dan weer té nat worden. Doordat het warmer wordt, zet het zeewater uit en smelten
de poolkappen, waardoor de zeespiegel
stijgt. Een temperatuurstijging van 3°C
zal 330 miljoen mensen permanent op de
vlucht jagen. Kleine eilandstaten zullen
verdwijnen. Eén miljard mensen lopen
gevaar omdat ze in sloppenwijken aan
rivieren wonen.
Waarom hulp geven
1.3. Hoeveel hulp wordt er gegeven?
Reeds in 1970 8 beloofden alle rijke landen om
vanaf 1975 0,7 % van hun rijkdom te besteden
aan ontwikkelingssamenwerking.9 Deze belofte werd ondertussen verschillende keren
herbevestigd in internationale overeenkomsten, zoals in 2002 op de internationale conferentie over financiering voor ontwikkeling
in Monterrey, Mexico. In 2009 gaven alle rijke
industrielanden (OESO-DAC leden) samen
119,5 miljard dollar aan ODA.10 Die 119,5 miljard dollar vertegenwoordigde slechts 0,31 %
van het gezamenlijke Bruto Nationaal Inkomen
van alle OESO-DAC lidstaten.
Als we bekijken hoeveel hulp de voorbije jaren
beloofd werd, maar niet gegeven, stellen we
vast dat de ontwikkelingslanden de voorbije
tien jaar in totaal maar liefst 1.378,076 miljard
dollar minder ontvingen dan ze hadden moeten krijgen als alle rijke landen hun belofte
waren nagekomen. Sinds 1970 loopt het verschil volgens Oxfam op tot ongeveer 3 biljoen
dollar.11
Op dit moment komen slechts een handvol
landen hun belofte na om minstens 0,7 % van
hun BNI aan ontwikkelingssamenwerking te
besteden.12 België beloofde stellig om tot de
“club 0,7 %” toe te treden in 2010. In 2009 stond
België op de 6e plaats in de lijst van donoren,
met 0,55 % van het BNI en er werden ook heel
wat extra middelen voorzien op de begroting.
Het blijft afwachten of alle beloofde middelen
ook effectief worden besteed in 2010. Volgens
onze berekeningen overschat de Belgische
regering alvast bepaalde uitgaven, waardoor
het doel ook in 2010 (net) gemist zal worden
en dit ondanks het meetellen van een omvangrijke schuldkwijtschelding aan de DR Congo.13
De kwijtschelding van dit grote bedrag (320
miljoen euro) werd totnogtoe telkens opnieuw
uitgesteld omdat DR Congo niet voldeed aan
een aantal door het IMF bepaalde criteria nodig om in aanmerking te komen voor schuldkwijtschelding. 11.11.11 pleit er al lang voor
dergelijke schuldkwijtscheldingen niet te laten
meetellen als officiële hulp, gezien het eigenlijk
een vervuiling van het budget voor ontwikkelingssamenwerking is. Het kost België immers
8 De resolutie hierover is in 1970 door de Algemene
Vergadering van de VN aangenomen.
9 UN 1970, paragraph 43.
10 Organisation for Economic Co-operation and
Development – Development Assistance Committee, www.oecd.org/dac/stats/data.
11 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam Briefing
Paper 137, april 2010, p. 5.
12 Zweden, Noorwegen, Luxemburg, Denemarken
en Nederland.
13 11.11.11, Jaarrapport: de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in 2009, april 2010.
7
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
in de realiteit zo goed als niets en bovendien
kan dit bedrag hoe dan ook slechts eenmaal
worden ingeschreven. Om de Belgische hulp
ook na 2011 op peil te houden is er dus veel
meer “echt” geld nodig.
Bovendien tellen de donoren nog heel wat andere uitgaven mee als officiële ontwikkelingshulp die op het terrein weinig verschil maken.
Het gaat dan bijvoorbeeld om de opvang van
asielzoekers en de kosten van buitenlandse
studenten aan Belgische scholen. In 2009
gaven we op die manier 163 miljoen euro aan
‘vervuilde’ hulp. De ‘echte’ ontwikkelingshulp
klokte daardoor af op 0,5 % van het BNI in
plaats van de officiële 0,55 %.
Helaas zijn de donoren niet van plan de definitie van hulp in de correcte zin aan te passen.
Sterker nog, ze zoeken naar nieuwe manieren
om het budget te vertekenen. Zo zijn er plannen om ook de kosten van het bestrijden van
klimaatverandering en bepaalde militaire
interventies erbij te tellen.
Interessant is ook om de officiële ontwikkelingshulp te vergelijken met andere financiële
stromen. Natuurlijk is 119,5 miljard dollar veel
geld, maar in vergelijking met bijvoorbeeld de
1531 miljard dollar die in 2009 wereldwijd werd
uitgegeven voor militaire doeleinden (7,8 %)14,
is het een peulschil. Het is ook heel wat
minder dan de bedragen die jaarlijks van het
zuiden naar het noorden vloeien in de vorm
van schuldaflossingen. Lage inkomenslanden
betalen jaarlijks nog 35 miljard dollar schulden
terug. Alle ontwikkelingslanden samen betalen jaarlijks maar liefst 540 miljard dollar terug.
Een nog grotere geldstroom van zuid naar
noord bestaat uit kapitaalvlucht. Soms ronduit illegaal (belastingontduiking), soms op het
randje van de legaliteit (belastingontwijking),
maar steeds met de bedoeling minder bij te
moeten dragen aan de gemeenschap. Dit
wordt geschat op tussen 500 en 800 miljard
dollar per jaar.15 En dan is er nog de gigantische kost van de ‘reddingsoperaties’ voor
de banken tijdens de financiële crisis: alle
leningen aan banken, overheidsgaranties voor
bankkredieten, participaties, overname van
aandelen enzovoort. Wereldwijd werd er in
2009 meer dan 3000 miljard dollar gepompt
in dat soort operaties16. Wat aantoont dat er
14 Stockholm International Peace Research Institute
(SIPRI), “Yearbook 2010”, http://www.sipri.org/
yearbook.
15 Eurodad Fact Sheet, “Capital Flight diverts
development finance”.
16 De Meyer Rudy, “11.11.11 over de financiële crisis.
Van dieptepunt naar keerpunt”, maart 2009.
Waarom hulp geven
Tabel: ODA 2000-2009 in Courante prijzen (miljard $) voor DAC-donoren
Jaar
2000
2001
2002
2003
2004
Totale ODA
53,961
52,687
58,575
69,43
79,854 107,83
2005
ODA-BNI %
0,22
0,22
0,23
0,24
0,7 %
171,69
167,64
178,27
Verschil
117,73
114,953 119,695 133,074 143,736 128,05
0,25
0,32
202,504 223,59
235,88
– mits politieke wil – op korte termijn erg veel
middelen vrijgemaakt kunnen worden.
De vaststelling dat de overheden een belofte
niet nakomen, die nochtans haalbaar is en
2006
2007
2008
2009
Totaal
104,823 104,181 122,295 119,573 873,209
0,3
244,59
0,27
271,76
0,3
285,36
0,31
270
2251,284
139,767 167,579 163,065 150,427 1378,076
vooral van politieke wil afhangt, is des te pijnlijker omdat onze generatie wellicht de eerste
generatie ooit is die de extreme armoede zou
kunnen halveren (MDG 1) met slechts 0,7 %
van het BNI.
1.4. Hulp als katalysator voor ontwikkeling
In ontwikkeling speelt ontwikkelingssamenwerking een reële maar bescheiden rol. Het is
niet de drijvende kracht achter grote bewegingen in de wereldgeschiedenis. Het is ook nauwelijks een verklarende factor voor de grote
pieken en dalen in economische en sociale
ontwikkeling de voorbije decennia, ook niet in
ontwikkelingslanden. De grote verschuivingen
hangen veel meer vast aan onderliggende
zwaardere economische, sociale en culturele
trends en gebeurtenissen.
Hulp is met andere woorden geen wondermiddel en is zeker niet de enige noodzakelijke
voorwaarde om tot ontwikkeling te komen.
Maar daaruit concluderen dat ontwikkelingshulp helemaal niet nodig is, zou te kort
door de bocht zijn. Hulp kan immers wél een
belangrijke katalysator zijn om tot de nodige
ontwikkeling te komen.
1.4.1 Deelname aan sociale
en economische leven
Zo kan hulp een erg belangrijke bijdrage leveren tot het verlenen van essentiële publieke
diensten, zoals onderwijs of gezondheidszorg.
Dit betekent voor vele individuen vaak de kans
om deel te nemen aan het sociale en economische leven en niet uit de ontwikkelingsboot
te vallen. Dit betekent natuurlijk ook dat de
samenleving deze capaciteiten kan benutten
en zo tot een betere ontwikkeling kan komen.
Bijna de helft van de bevolking van Ghana
moet het stellen met minder dan 1 dollar per
dag en tot voor kort ging slechts 62 % van
de kinderen naar de lagere school. In 2003
kondigde de Ghanese overheid aan dat ze
het schoolgeld zouden afschaffen en dat ze
daarenboven de scholen financieel zouden
tegemoet komen in de gemaakte kosten per
kind. Ze voorzag één vijfde van haar budget
voor onderwijs. Maar die sommen waren te
8
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
beperkt om de plannen gerealiseerd te krijgen. De hulp van donoren was dus meer dan
welkom. Ghana heeft daarom samen met de
hulp van een aantal donoren actie ondernomen. Binnen het eerste jaar steeg het aantal
kinderen in het basisonderwijs van 62 % naar
69 %. Het aantal ingeschreven meisjes, reeds
jarenlang gestagneerd, steeg opeens sneller
dan het aantal ingeschreven jongens. Erg
belangrijk als je weet dat geschoolde meisjes
minder snel besmet raken met het HIV-virus
en dat ze een groter inkomen halen uit hun
job17. Meer meisjes op de schoolbanken krijgen kan bijdragen tot een verbetering van de
globale gezondheid van de bevolking, wat op
termijn dan weer de kansen van die bevolking
op deelname aan het sociale en economische
leven versterkt.
1.4.2 Bijdrage tot
economische groei
Economische groei leidt op zichzelf niet tot
duurzame ontwikkeling voor iedereen. Vaak
komt de opbrengst van deze groei uitsluitend
terecht bij een toplaag van de bevolking, omdat niet elke economische groei automatisch
meer waardige jobs creëert of een verbetering
van de sociale en economische situatie van de
armste lagen van de bevolking met zich meebrengt. Toch is economische groei wel degelijk
nodig voor ontwikkeling. Maar die moet dan
wel duurzaam zijn in alle betekenissen van het
woord en ten goede komen aan iedereen. Op
zichzelf kan ontwikkelingssamenwerking geen
groeiproces op lange termijn realiseren, maar
ze kan er wel op verschillende manieren toe
bijdragen.
Toegang tot gezondheidszorg redt niet enkel
levens en laat mensen niet enkel toe om deel
te nemen aan het sociale leven, maar draagt
17 Aid Watch report 2009 Concord, Case Study
2008 Oxfam International, p.5.
Waarom hulp geven
ook bij tot de economische groei van een
land. Voorkomen dat mensen inactief zijn
door ziekte is essentieel voor de economische
groei van een land. Zo werd in 2006 gezondheidszorg gratis aangeboden in Zambia, met
internationale financiële hulp. Vandaag krijgen
in Zambia 200.000 HIV-patiënten een levensreddende anti-retrovirale behandeling, meer
dan 60 keer meer mensen dan in 2003. Schattingen schuiven een BNP-verlies van 1 % naar
voor in sub-Sahara Afrika ten gevolge van HIV.
Door deze HIV-behandeling toegankelijk te
maken, draag je dus bij tot een duurzamere
economische groei18. Een ander voorbeeld
is malaria, dat Afrika elk jaar 12 miljard dollar
kost. Het verdrijven van malaria zou voor 1,3 %
BNI groei kunnen zorgen19.
Daarnaast kan via ontwikkelingshulp ook de
lokale economie rechtstreeks ondersteund
worden. Dit kan o.a. door het verlenen van
microkredieten, capaciteitsversterking van
lokale ondernemers of het verstrekken van
risicokapitaal, waar conventionele investeerders wegblijven.
1.4.3 Verschil tussen net niet uit de
boot vallen en totale uitsluiting
Veel mensen in de Minst Ontwikkelde landen
bevinden zich in een erg kwetsbare situatie:
elke kleine, onverwachte gebeurtenis – ziekte,
slechte oogst, etc. – kan ervoor zorgen dat
een gezin terecht komt in een situatie van
extreme armoede. Het aanbieden van systemen van sociale bescherming om dergelijke
kleine, maar levensbelangrijke schokken op te
vangen, kan voorkomen dat mensen terecht
komen in schrijnende armoede. Hulp kan een
rol spelen in het ondersteunen van arme landen om dergelijke sociale beschermingsmaatregelen te nemen. Zo biedt het Hunger Safety
Net Program, gesponsord door DFID (Britse
ministerie van ontwikkelingssamenwerking)
en de Keniaanse overheid, een maandelijkse
gift van 15 dollar aan gezinnen die leven in extreme armoede. Deze 15 dollar betekent vaak
het verschil tussen net niet uit de boot vallen
en totale uitsluiting20.
De Belgische samenwerking heeft in het
vorige samenwerkingsprogramma met Peru
(2005-2009) financiële ondersteuning gegeven
aan de inspanningen om meer mensen een
18 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam Briefing
Paper 137, april 2010, p 10.
19 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam Briefing
Paper 137, april 2010, p 4.
20 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam Briefing
Paper 137, april 2010, p.11.
9
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
ziekteverzekering toe te kennen. Het aantal
mensen dat hier recht op had, was immers erg
beperkt: enkel de actieve bevolking met een
vaste job kon een bijdrage leveren en aldus
aangesloten zijn bij de officiële ziekteverzekering. Gezien het grote aantal niet-werkenden,
mensen die in de informele sector actief zijn
en rurale bevolking, was dit slechts een minimaal percentage van de bevolking. Het programma SIS (Sistema Integral de Salud - een
uitgebreide ziekteverzekering) heeft gezorgd
voor een enorme uitbreiding van personen die
toegang hebben tot de ziekteverzekering. Bij
aansluiting hebben ze recht op gratis gezondheidszorg voor de meest voorkomende ziekten in het publieke gezondheidssysteem. De
Belgische regering heeft een deel van de middelen gegeven voor deze ziekteverzekering.
1.4.4 Capaciteitsversterking
overheidsinstellingen
Hulp kan ook een belangrijke bijdrage leveren
tot de versterking van de capaciteiten van
een overheid om op termijn een op duurzame
ontwikkeling gericht beleid te bepalen en uit te
voeren. Zo ondersteunde de Belgische overheid het Congolese Ministerie van Landbouw
door de aanwezigheid van een BTC-expert in
het ministerie te financieren. Dit met de bedoeling om de Congolese overheid te ondersteunen in het ontwikkelen van een degelijk
gedecentraliseerd landbouwbeleid. Dit ondersteuningsprogramma leidde tot positieve
resultaten. Om tot beleid en decentralisatie
te komen in een land met een institutionele
leegte werden o.a. dialoogplatformen opgezet,
namelijk de CARG’s (Conseil Agricole Rural de
Gestion). Op deze platformen kunnen boeren,
boerinnen en lokale ngo’s dialogeren met
lokale overheden. Dit kan gaan over dagdagelijkse problemen, zoals aanklachten tegen
“les tracasseries” (illegale boetes en afpersing),
maar ook over beleidsaspecten zoals prijzen,
kredieten, belastingen, wegenonderhoud, etc.
In de helft van de districten en provincies zijn er
nu in totaal meer dan 120 CARG’s. Binnen dit
project was er ook aandacht voor vormingen,
een tijdschrift en communicatie naar meer dan
100 plattelandsradios. Een veelbelovend project met een sterk team van Congolese kaders
en een bekwame BTC-expert. Deze aanpak
kreeg positieve evaluaties, steun van het
ministerie van Landbouw, de FAO en de Wereldbank en vooral van de boerenorganisaties.
1.4.5 Versterken rechtsstaat
en democratisering
Zo kan hulp ook bijdragen tot het versterken
van een rechtsstaat. De Belgische ngo’s
Waarom hulp geven
hebben er in Peru eind jaren ’90 voor gepleit
dat de Belgische overheid het enige echt
onafhankelijke overheidsorgaan zou steunen dat er nog overbleef: de Defensoría del
Pueblo (ombudsdienst). Die stond nog in de
kinderschoenen, maar had bewezen stevig in
zijn schoenen te staan en niet te plooien voor
President Fujimori die alle macht naar zich had
toegetrokken. De Belgische overheid heeft dan
ook de afgelopen 10 jaar deze ombudsdienst
gesteund. De defensoría is nog steeds een onafhankelijke dienst die zeer goed werk levert.
Bovendien wordt ze door de organisaties van
de civiele maatschappij in Peru beschouwd
als één van de weinige overheidsinstanties die
hen au sérieux neemt en hen ondersteunt. De
defensoría evolueert mee met de behoeften
en met de nieuwe thema’s op de agenda. Zo is
zij nu één van de steunpilaren rond de rechten
van inheemse volkeren en milieurechten. Dit is
zeer belangrijk in de context van vaak explosieve conflicten die voor de helft veroorzaakt
zijn door extractieve industrieën en problemen
met mijn- en petroleumbedrijven.
Maar ook de bijdrage die donoren leveren
aan democratiseringsprocessen kan erg
belangrijk zijn. Zo werden de verkiezingen
in DR Congo in 2006 ondersteund door verschillende donoren, waaronder de Belgische
overheid. Zonder deze internationale hulp, zou
de organisatie van verkiezingen onmogelijk
geweest zijn. Ondanks het feit dat de organisatie van verkiezingen geen garantie biedt dat
er ook effectief sprake is van een democratiseringsproces in een land, is het belangrijk dat
dergelijke verkiezingsprocessen plaatsvinden.
In het kader van dergelijke democratisering is
het ook erg belangrijk dat hulp bijdraagt tot
de capaciteitsversterking van de lokale bevolking en de civiele maatschappij om actief
te participeren aan het beleid in hun land. Zij
moeten sterk genoeg staan om hun overheid
tot verantwoording te kunnen roepen. Het
is door de mix van effectieve staten en een
actief burgerschap dat ontwikkeling kan
bereikt worden. Een voorbeeld hiervan is de
ondersteuning die 11.11.11 geeft aan de civiele
organisaties in Burundi om het beleid van de
Burundese overheid en donoren op vlak van
landbouw op te volgen. Door de ondersteuning en capaciteitsversterking die 11.11.11
heeft gegeven, werden de Burundese civiele
organisaties gestimuleerd om de politieke verantwoordelijken voor dit beleid te benaderen.
Zo vond in oktober 2010 een historisch moment plaats, waarbij voor de eerste maal de
civiele organisaties hun boodschap rond het
landbouwbeleid mochten verkondigen in het
Burundese Parlement. Het Burundese parlement beloofde tijdens dit bezoek de eigen
budgettaire inspanningen voor landbouw te
verdubbelen en zelfs te verdrievoudigen. Een
belofte die ook door de media werd opgepikt
en verspreid.
1.4.6 Actie- en lobbywerk
in het Noorden
Bovendien kan ontwikkelingssamenwerking
ook ideeën aanleveren die tijd nodig hebben
om te rijpen, die dan opeens een verandering kunnen versnellen of de stroom wat van
richting doen veranderen. Daarom is, naast
het meefinancieren van ontwikkelingsprogramma’s in het Zuiden ook publieke actie
en lobbywerk in het Noorden, minstens even
belangrijk. Een goed voorbeeld hiervan is de
campagne die 11.11.11 – samen met andere
civiele organisaties en netwerken - rond de
zogenaamde Tobintaks of Munttransactietaks
voerde. De ngo-wereld werd voor haar eis
om zo’n taks in te voeren lange tijd smalend
bekeken, maar langzaamaan is dit ook in de
politieke wereld doorgesijpeld en behoort
België vandaag tot de trekkersgroep voor dergelijke financiële transactietaksen in Europa.
Ook op vlak van schuldkwijtschelding hebben de ngo’s na jarenlange strijd vooruitgang
geboekt.
1.5. Kritiek op hulp weerlegd
Dat we teveel geld naar ontwikkelingslanden
zouden sturen hebben we hierboven reeds
genuanceerd, alsook de opvatting dat hulp tot
nog toe tot niets heeft geleid blijkt niet correct. Maar er blijven nog heel wat mogelijke
kritieken die we hieronder even aanhalen en
hier telkens bij vermelden waarom dit volgens
ons geen argumenten zijn om te pleiten voor
de afschaffing van hulp.
1.5.1 “Door hulp te geven
ontwikkelen landen zich niet”
In een recent boek dat nogal wat ophef
maakte in de sector van de Ontwikkelingssamenwerking beweerde Dambisa Moyo21
dat ontwikkelingshulp er net voor zorgt dat
landen zich niet ontwikkelen. Het geven van
hulp zou regeringen er toe aanzetten om
minder verantwoordelijkheid tegenover de
21 Dambisa Moyo, Dead Aid: Why Aid is Not Working
and How There is a Better Way For Africa, 2009.
10
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Waarom hulp geven
eigen arme bevolking op te nemen. Er gaat
inderdaad soms één en ander fout met de
manier waarop hulp gegeven wordt. Maar de
conclusie dat het dan maar beter is alle hulp
te stoppen en middelen te halen op de private
kapitaalmarkten delen we niet.
even opmerkelijk. Uiteraard spelen ook hier
factoren zoals handel, economie of de kwaliteit van het algemene overheidsbeleid een
veel grotere rol dan louter de financiële ondersteuning. Maar wanneer die factoren gunstig
zijn en de kwaliteit van het overheidsbeleid
goed is, maakt steun van buitenaf meer en
sneller een aantal, soms cruciale investeringen mogelijk.
Landen als Zuid-Korea of Taiwan kregen
jarenlang grote bedragen aan ondersteuning,
tot ze het zelf konden rooien. Zuid-Korea is
ondertussen zelf een donorland en lid van
de OESO-DAC geworden, maar het ontving 1.5.2 “Ontwikkelingslanden zijn
tussen 1953 to 1974 ongeveer 4 miljard dolte afhankelijk van hulp”
lar aan giften, waarvan drie vierde vóór 1968.
Buitenlandse hulp was één derde van het Sommigen keren het adagium “no taxation
nationale budget in 1954, steeg tot 58,4 % in without representation” om en maken er van:
1956, en was ongeveer 38 % van het budget “no representation without taxation.” Een overin 1960. In de jaren ’70 nam de buitenlandse heid die niet van haar bevolking afhankelijk
hulp en de afhankelijkheid ervan snel af. Maar is voor haar inkomsten, maar van externe
ze was wel essentieel voor het herstel van het donoren, zal geen verantwoording afleggen
land na de Koreaanse oorlog in de jaren ’50 aan haar eigen burgers, maar aan die externe
en voor de groei vanaf de jaren ’60, omdat het donoren. Dit klopt zeker voor een deel. Waar
voorkwam dat Seoul schaarse buitenlandse de helft van de overheidsinkomsten bestaan
deviezen moest besteden aan de import van uit hulp uit het buitenland, is iets aan de
voedsel of andere noodzakelijke goederen als hand. Zo zal de internationale hulp in 2011
cement. Het bevrijdde Zuid-Korea ook van de ongeveer 46 % van de totale inkomsten van de
last van zware internationale schulden tijdens Congolese begroting betekenen en niet eens
deze initiële fase van groei, waardoor de rege- alle buitenlandse hulp wordt in de begroting
ring middelen kon voorzien in lijn met de eigen weerspiegeld. Die hulp is echter heel vaak
planningsdoelstellingen.22
noodzakelijk om essentiële publieke dienstverlening (onderwijs, gezondheidszorg) te
In Taiwan droeg een stevig economisch kunnen verzorgen. Dit plots wegnemen, ontregeringsbeleid met opeenvolgende vierjaren- neemt onmiddellijk ontwikkelingskansen voor
plannen bij tot economische vooruitgang. gehele bevolkingsgroepen. HulpafhankelijkEerst in de landbouw (jaren ’50) en dan in heid werk je dus niet weg door van de ene dag
de industrie (jaren ’60). Met hulp en advies op de andere te stoppen met hulp. Wel door
van VS, voerde de “Republic of China”, zoals betere hulp te geven, die zichzelf op termijn
Taiwan toen heette, een succesvol landher- overbodig maakt. Deze goede hulp is gericht
vormingsprogramma door, Japan bouwde op de capaciteitsopbouw van de overheid, de
mee aan de infrastructuur en de Chinese lokale bevolking en de civiele maatschappij.
nationalisten van het vasteland zorgden voor Belangrijk is dat de ontvangende overheden
vaardigheden en kapitaal. De hulp van de hun verantwoordelijkheid nemen voor de beVS werd vanaf 1965 afgebouwd, maar tegen paling van het beleid – op basis van participa1968 had de VSA meer dan 2 miljard dollar tie van de bevolking – en dat ze van hieruit ook
streven naar hulponafhankelijkheid op termijn.
aan hulp gegeven.23
Maar de donoren van hun kant moeten deze
Dichter bij huis zorgde het Marshallplan na de ruimte ook bieden aan de ontvangende overtweede wereldoorlog ervoor dat West-Europa heden en hen hierin ondersteunen.
er veel sneller economisch terug bovenop geraakte. Recenter bewijzen de structuurfond- Zo droeg België de voorbije jaren bij aan een
sen van de EU dat, wanneer goed besteed, programma om de capaciteit van de overheid
steun van buitenaf wel degelijk kan bijdragen in Mozambique te verhogen om zelf beter betot een snellere sociaal-economische ontwik- lastingen te kunnen innen en om het financieel
keling. Bij de oudere lidstaten heeft dit Spanje beheer van de overheid te verbeteren. Op het
geholpen om de achterstand ten opzichte van niveau van de centrale overheid zijn onderde rest van de EU bij te benen en bij de jongste tussen een aantal belangrijke stappen vooren toekomstige EU-lidstaten is de vooruitgang waarts gezet en de bedoeling is nu om deze
ook te herhalen bij de diverse ministeries. Op
22 Encyclopedia of the Nations, Republic of Korea
die manier draagt hulp er toe bij dat de eigen
(ROK). http://www.country-data.com/cgi-bin/
inkomsten van partnerlanden toenemen, wat
query/r-12334.html.
op termijn de afhankelijkheid van buitenlandse
23 http://www.nationsencyclopedia.com/Asia-andhulp vermindert.
Oceania/Taiwan-HISTORY.html.
11
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Waarom hulp geven
1.5.3 “Al het geld verdwijnt in de
zakken van corrupte regimes”
Dat corruptie een rem op ontwikkeling is, kan
niemand ontkennen. Veel landen die ontwikkelingshulp kregen, kampen met corruptie.
Maar hieruit concluderen dat ontwikkelingshulp hier de oorzaak van is, gaat echter te kort
door de bocht. Uit de cijfers blijkt dat er geen
eenduidige correlatie is tussen het ontvangen
van ontwikkelingshulp en corruptie. China en
voormalige sovjetlanden, geen ontvangers
van hulp, scoren systematisch slecht op de
corruptie-indexen. Andere landen scoren dan
weer relatief goed, ondanks het ontvangen
van hulp. Zo doen Namibië en Ghana het beter
dan Bulgarije, Roemenië en Italië 24.
Verder zwijgen degenen die deze kritiek geven
vaak in alle talen over de rol van het Noorden.
Veel bedrijven van hier spelen het spelletje
maar al te graag mee. En in heel wat kluizen
van landen met een sterk bankgeheim ligt de
vrucht van corrupte activiteiten.
gevallen leidde dit tot ontslag of andere bestraffing. Bovendien kwam er mede dankzij
ICW een commissie voor corruptiebestrijding
met verregaande onderzoeksbevoegdheid in
Indonesië. Dit voorbeeld toont aan dat ontwikkelingshulp juist een middel tegen corruptie
kan zijn, in plaats van de oorzaak ervan.
1.5.4 “Hulp kan niet op tegen
natuur en cultuur”
Volgens sommige critici is de situatie van
arme landen onveranderlijk en moeten we ons
maar bij de feiten neerleggen. Ze geven de
schuld aan de lokale cultuur of natuur. Cultuur
is dynamisch en erg afhankelijk van perceptie.
Zo schreef men in de 19e eeuw de primitieve
toestanden in Aziatische landen als Japan toe
aan de luiheid van de Japanners. De eeuw
daarop werd de economische vooruitgang
in hetzelfde land dan weer verklaard door de
vlijtige volksaard25.
Ook geografische omstandigheden worden vaak aangehaald. Het is waar dat ons
gematigde klimaat, waar planten makkelijk
groeien en waar we geen hinder ondervinden
van malariamuggen, ideaal lijkt voor ontwikkeling. Maar laten we niet vergeten dat ook
heel wat rijke landen een extreem klimaat
kennen. Australië en het zuiden van de VS
werden rijk ondanks de woestijnen, terwijl de
Scandinavische landen ondanks bittere kou
de sociaal-economische wereldtop uitmaken.
Eén van de partners van 11.11.11, Indonesian Andersom zijn er ook heel wat arme landen
Corruption Watch (ICW), is al jaren de luis in waar de natuur lang niet zo onvriendelijk is. Zo
de pels van de Indonesische overheid. Werk- behoort DR Congo tot de allerarmste landen,
nemers van ICW belandden in de gevangenis terwijl het natte, warme klimaat heel gunstig
of worden regelmatig onder druk gezet. Maar is voor de landbouw. Al bij al is het zowel onde organisatie bracht diverse corruptiezaken nodig als oneerlijk om ons neer te leggen bij
aan het licht, waarbij politici, bedrijfsmensen ‘vaststaande feiten’.
of ambtenaren betrokken waren. In sommige
Reden te meer om ten strijde te trekken tegen
corruptie. In veel landen gebeurt dat juist met
steun van ontwikkelingshulp. Dat kan zijn door
initiatieven vanuit overheden of de ngo-wereld.
Ze helpen overheden om hun bestedingen
transparanter te maken en corruptie te bestrijden op alle niveaus en ze helpen burgers
om hun kritische stem te laten horen tegen
corruptie.
24 Transparancy international , Corruption Perception index 2010, http://www.transparency.org/
policy_research/surveys_indices/cpi/2010.
25 Sachs Jeffrey, “Het einde van de armoede: Hoe
we dit doel binnen twintig jaar kunnen bereiken”,
2005, p.316.
Rol ontvangende overheden op vlak van goed bestuur 1
Ook partnerlanden moeten hun verantwoordelijkheden nemen. Enkele aanbevelingen op een rijtje:
3 Partnerlanden hebben de verantwoordelijkheid om een nationaal plan uit te werken voor armoedebestrijding dat onder meer voorziet
in publieke dienstverlening voor alle inwoners;
3 Partnerlanden moeten mensenrechtenstandaarden hooghouden zodat voor elke inwoner democratische rechten in het algemeen en
die op vrije meningsuiting in het bijzonder gegarandeerd zijn;
3 Ze moeten de corruptiecultuur een halt toe roepen door zo transparant, open en democratisch mogelijk te werken en dus ook ruimte
te laten voor kritische stemmen. Het respecteren van democratische rechten betekent dat ontwikkelingslanden ruimte moeten laten
voor parlementen om het beleid van de overheid te controleren;
3 Ze moeten zorgen voor een wettelijk kader waarbinnen de civiele maatschappij de activiteiten van de overheid kan monitoren en
respect hebben voor hun onafhankelijkheid, net zoals die van audit-bureaus, de media en het rechtswezen.
1 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam Briefing Paper 137, april 2010, p 6 & p.24.
12
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Waarom hulp geven
1.5.5 “Hulp bereikt de
armsten toch niet”
Deze kritiek is gedeeltelijk terecht. Zo is hulp
gegeven aan bevriende regimes om hen in het
zadel te houden, zoals bijvoorbeeld ten tijde
van Mobutu in Zaïre, inderdaad hulp die de
armsten niet bereikt.
We zien echter ook veel voorbeelden van waar
hulp de allerarmsten wel bereikt (cfr. supra).
Het is echter de opdracht om ervoor te zorgen
dat de hulp daadwerkelijk op de noden van
de armsten gericht is en dat de besteding
ook transparant verloopt. Hiervoor is o.a. een
sterke civiele maatschappij belangrijk, zodat
deze de besteding van de middelen kan controleren. Daarom zetten ngo’s steeds meer in
om het ondersteunen en versterken van de
capaciteit van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, de zogenaamde civiele
maatschappij.
Een ander deel van het geld dat besteed
wordt in het Noorden draagt wel op directe
wijze bij aan de doelstellingen. Een belangrijk
deel van het probleem ligt immers bij ons:
oneerlijke handelrelaties, onrechtvaardige
investeringsakkoorden, ongelijke verdeling
van capaciteiten en kennis… Om hier iets aan
te doen is actie in het Noorden nodig. Ngo’s
willen overheid en publiek hier in het Noorden
mobiliseren om zich ook in te zetten voor de
problemen in het Zuiden. Het publiek heeft de
boodschap ondertussen goed begrepen: volgens het laatste Eurobarometeronderzoek zijn
negen op de tien Europeanen voorstander van
het nakomen van onze beloften op het gebied
van ontwikkelingssamenwerking.
In Peru ligt 11.11.11 mee aan de basis van
CONACAMI, de krachtenbundeling van de
slachtoffers van de mijnbouw. De enorme expansie van de mijnbouw veroorzaakt namelijk
grote problemen. Enorme milieuvervuiling bedreigt de gezondheid en het inkomen van de
campesinos in de Andes en maakt duizenden
hectaren land voorgoed onvruchtbaar. Leiders van de boerengemeenschappen sloegen
de handen in elkaar om samen hun rechten te
verdedigen. Door gemeenschappelijke protestacties hebben al enkele mijnbedrijven hun
plannen moeten intrekken. Een enorm succes
als je weet hoe machtig deze bedrijven zijn.
Daarom is het erg nuttig om ook hier in het
Noorden acties te organiseren om de politici
bewust te maken. Dat kost ook geld. Zo hebben organisaties zoals 11.11.11, Broederlijk Delen en Oxfam hard gewerkt om het probleem
van de schulden van ontwikkelingslanden op
de politieke agenda te plaatsen. Uiteindelijk
hebben onze politici ingezien dat schuldafbetalingen beter gebruikt konden worden om te
investeren in onderwijs of gezondheid en hebben zij besloten om heel wat schulden kwijt te
schelden. Ons werk hier in het Noorden bracht
op die manier veel geld op voor het Zuiden.
1.5.6 “Al het geld blijft plakken
bij ngo’s in het Noorden”
1.5.7 “Er zijn voldoende
alternatieven voor hulp”
De voornaamste ‘doelgroep’ van ontwikkelingshulp zijn de armste bevolkingsgroepen,
meestal te vinden in het Zuiden. Dat maakt dat
velen veronderstellen dat de meeste middelen
voor ontwikkelingshulp ook rechtstreeks
naar het Zuiden gaan. Of dat dit toch in ieder
geval zo zou moeten zijn. In realiteit blijft een
deel van het ontwikkelingsgeld echter in het
Noorden. Zeker als het om financiering van
noordelijke ngo’s gaat, wordt het nut hiervan
voor het Zuiden wel eens in vraag gesteld. Wie
gul geeft, rekent er terecht op dat de armsten
in het Zuiden daar iets aan hebben.
Er zijn inderdaad nog andere geldstromen
van Noord naar Zuid naast de ODA-stromen.
Gelukkig maar. En ook die andere financiële
stromen kunnen een bijdrage leveren aan ontwikkeling. Probleem bij veel pleitbezorgers
van die alternatieven is dat ze tegelijk pleiten
voor de afschaffing van de ontwikkelingshulp
en hun alternatief naar voor schuiven als dé
perfecte blauwdruk voor ontwikkeling. Maar
net zoals hulp geen wondermiddel is, zijn ook
deze alternatieven dat niet. We moeten net
zoeken naar een complementariteit tussen
deze verschillende instrumenten en vooral
bewaken dat ze allen bijdragen tot dezelfde
ontwikkelingsdoelen.
Toch is het logisch dat ngo’s niet al hun geld
naar het Zuiden sturen. Een deel van de middelen gaat naar werkingskosten. Dat betekent
nog niet dat ngo’s met dat geld aan zelfverrijking doen. Maar net als andere bedrijven en
organisaties hebben ook ngo’s boekhouders,
receptionisten en ICT-specialisten nodig. Dat
13
geld gaat niet direct naar de kerndoelstellingen, maar op de werking besparen zou niet
efficiënt zijn. In tegendeel, efficiënt werken
veronderstelt kwaliteitscontrole. Het organiseren van audits en andere evaluaties kost
echter ook geld.
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
1.5.7.1 Foreign Direct Investments (Directe
Buitenlandse Investeringen, DBI)
Niemand zal ontkennen dat investeringen
belangrijk zijn voor de ontwikkeling in een
Waarom hulp geven
land, voor het creëren van jobs en economische groei. Ze zijn wel een noodzakelijke
voorwaarde voor ontwikkeling, maar niet voldoende op zichzelf. In verhouding tot de totale
wereldwijde DBI is het aandeel van de ontwikkelingslanden de voorbije decennia sterk
toegenomen, zeker als je China meerekent.
Je moet er wel rekening mee houden dat de
investeringen zeer sterk geconcentreerd zitten in een tiental landen, en dat lang niet alle
investeringen ‘nieuw’ zijn. Een belangrijk deel
van de DBI zit in fusies en overnames.
De stijging ging voorbij aan de Minst Ontwikkelde Landen (MOL). In die groep van landen
vertegenwoordigen ze nog steeds een veel
kleiner volume dan ontwikkelingshulp. De
MOL ontvangen ongeveer twee procent van
de wereldwijde DBI. Van die twee procent
gaat het grootste deel naar slechts vier MOL,
tientallen andere landen moeten het samen
met nog geen 0,7 procent van alle DBI doen.
De investeringen gaan bovendien vrijwel
uitsluitend naar de exploitatie van natuurlijke
rijkdommen (olie en mineralen). Vaak is de
manier waarop deze ontginning gebeurt heel
destructief. Andere natuurlijke hulpbronnen,
zoals landbouwgrond en water worden vaak
ernstig vervuild, waardoor de belangrijkste
inkomstenbron van grote bevolkingsgroepen
op de helling komt te staan. De contracten die
mijnbouw- en oliemaatschappijen afsluiten
met de landen waar ze opereren, zijn ook
vooral gunstig voor de betrokken bedrijven,
waardoor maar heel weinig van de potentiële
rijkdom terechtkomt bij de lokale bevolking.
Kortom, alle heil verwachten van privéinvesteringen, is niet realistisch, zeker niet
voor Afrika en de minst ontwikkelde landen.
Meer investeringen zijn zeker nodig, maar
het moet gaan om investeringen die waardig
werk creëren, die de lokale economie helpen
diversifiëren, die de lokale markten versterken
en die rekening houden met de noden en belangen van de lokale bevolking.
Hiervoor is het heel belangrijk dat de lokale
bevolking haar rechten goed kent zodat ze
zich kunnen groeperen om verzet aan te tekenen tegen destructieve praktijken. Daarom
steunt 11.11.11 in Azië, Latijns-Amerika en
Centraal-Afrika maatschappelijke organisaties die het opnemen voor de lokale bevolking.
Daar wordt gewerkt aan meer transparantie
in de mijnbouwsector, opdat de lokale
bevolking weet hoeveel mijnbouwbedrijven
precies betalen en aan wie. Op die manier
kan niet alleen gecontroleerd worden of een
eerlijke deel van de opbrengst in het land
blijft, maar ook of de regering de middelen
die ze uit ontginning van natuurlijke rijkdommen ontvangt ook goed besteedt. Tenslotte
14
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
ijveren deze partnerorganisaties ook voor
een betere ruimtelijke planning, waarbij niet
zomaar overal concessies gegeven worden
aan mijnbouwbedrijven.
1.5.7.2 Financiële transfers van
migranten naar achtergebleven
familie (Remittances)
Financiële transfers van migranten naar hun
familie in het zuiden, de “remittances”, zijn pas
recenter in beeld gekomen als zogenaamd
alternatief voor ontwikkelingssamenwerking.
Ook deze geldstromen nemen de laatste jaren
sterk toe, tot 307 miljard dollar in 2009. Maar
ook hier zien we dat het gros van deze middelen terechtkomt bij een klein aantal landen
en opnieuw blijven de armste landen, op een
enkele uitzondering na, grotendeels buiten
beeld. De vier belangrijkste ontvangers van
remittances zijn India, China, Mexico en de
Filippijnen. Dat hoeft niet te verwonderen,
gezien het grote aantal migranten uit deze
landen. Recent onderzoek naar de effecten
van remittances voor bijvoorbeeld migranten
uit Bangladesh in Maleisië, toont echter aan
dat de balans hier eerder negatief is dan
positief. Dat houdt rechtstreeks verband met
de extreem lage lonen die aan migranten in
Maleisië betaald worden.26
Remittances kunnen een verschil maken.
Er komt, in een aantal, vooral middeninkomenslanden, wel geld binnen, wat de lokale
consumptie aanzwengelt en dus meer belastinginkomsten (BTW) oplevert. Omdat het om
buitenlandse deviezen gaat, helpt het ook de
betalingsbalans in evenwicht te houden. Maar
door de stijgende vraag hebben ze vaak ook
een opwaarts effect op de prijzen van goederen, wat het voor mensen zonder “sponsor” in
het buitenland moeilijker maakt de eindjes aan
elkaar te knopen. Het belangrijkste positieve
effect is dan ook voor de families die ze krijgen, want het zijn in de eerste plaats private
giften aan privépersonen.
Maar er zijn geen voorbeelden bekend van
landen waar deze (grote) instroom van geld
uit het buitenland heeft bijgedragen tot een
duurzame ontwikkeling op langere termijn.
Remittances naar voor schuiven als het middel bij uitstek om tot ontwikkeling te komen
is ook heel cynisch. Waar men er niet in
slaagt voldoende waardige jobs, voldoende
perspectief te creëren in eigen land, kan men
in die redenering maar beter zoveel mogelijk
mensen aanmoedigen om naar het buitenland
te trekken. Maar precies omdat het vooral om
privégiften gaat, dragen de remittances ook
heel weinig bij aan het creëren van waardige
26 Caram Asia - Report: Remittances: impact on
Migrant Workers’ quality of life, October 2010.
Waarom hulp geven
jobs. Vaak zijn ze een noodzakelijk alternatief
voor een ontbrekende sociale zekerheid of
een falend overheidsbeleid dat er niet in slaagt
om kwaliteitsvolle diensten zoals onderwijs en
gezondheidszorg toegankelijk (betaalbaar) te
maken voor de eigen bevolking. Migrantenorganisaties wereldwijd willen ook helemaal niet
dat de last voor de ontwikkeling van hun thuisland op hun schouders wordt gelegd. Voor
een duurzaam ontwikkelingsbeleid kijken zij
in de eerste plaats naar hun regeringen, zodat
ze niet langer gedwongen zouden worden te
migreren en migratie een echt vrije keuze kan
worden.27
einde van een meer holistische aanpak van
ontwikkeling. Zo is een degelijke en voor iedereen toegankelijke basisgezondheidszorg
essentieel om een doeltreffend beleid inzake
aidsbestrijding en anti-retrovirale behandeling
te kunnen realiseren.
In plaats van deze initiatieven aan te grijpen
om te stellen dat de ‘traditionele’ manier van
hulp geven moet stop gezet worden, pleiten
we ervoor dat dergelijke ‘nieuwe’ donoren
meestappen in de discussie over waarvoor en
vooral hoe hulp best gegeven wordt.
1.5.7.4 Leningen
1.5.7.3 Nieuwe en opkomende donoren
28
Een belangrijk nieuw element in de internationale verhoudingen is dat ook China, India,
Brazilië en andere opkomende landen hulp
geven aan het Zuiden. Volgens ons kan uit
de vaststelling dat de internationale donorgemeenschap de voorbije jaren diverser is
geworden en niet langer alleen bestaat uit de
westerse, geïndustrialiseerde, landen, niet
worden geconcludeerd dat hulp overbodig is
of dat het westen zijn hulp gerust zou mogen
afbouwen.
Zo is de Chinese hulp van 0,5 miljard dollar
in 1996 opgelopen tot 3,5 miljard in 2007. Dat
is meer dan de kleine 2 miljard die België besteedde, maar het blijft bescheiden tegenover
de 120 miljard dollar die de OESO-landen
allemaal samen uitgaven aan hulp, de 21 miljard van de VS of de 12 miljard van Duitsland.
De betekenis van de activiteiten van nieuwe
donoren is meer dan alleen de omvang van
het geld dat ze er naar versluizen. China lokt
vooral reactie uit omdat ze hulp geven volgens
een eigen logica en zich dus niet schaart achter mondiale standaarden van goed bestuur of
transparantie.
Ook andere nieuwe geldschieters, zoals
de “Bill and Melinda Gates Foundation”, verschijnen op het toneel. Dergelijke stichtingen
geven onder meer grote bedragen aan onderzoek naar een vaccin tegen malaria en aan
AIDS-bestrijding. Een groot deel van het geld
gaat dus naar verticale fondsen die gericht op
één thema bezig zijn. Zij concentreren zich
daarmee op één probleem, bijvoorbeeld AIDS,
en laten de daaromheen liggende problemen
buiten beschouwing. Alle eieren in het mandje
van dergelijke fondsen leggen, betekent het
27 Joint Civil Society Declaration, PGA 2009, Athene:
http://pga.mfasia.org/statements/Joint %20
Civil %20Society %20Declaration %20Athens_without %20signatories.pdf.
28 WRR, “Minder pretentie, meer ambitie”, Amsterdam University Press, 2010, p. 126; Vandaele
John en Vandepitte Marc, “Wat doet China in
Afrika en Latijns-Amerkika?”, Mo*paper 2010.
15
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Leningen kunnen erg nuttig zijn voor bepaalde
landen en sectoren. Dat geldt zeker voor
productieve sectoren waar leningen vrij snel
kunnen worden ‘terugverdiend’. Voor sociale sectoren zoals onderwijs ligt dat een stuk
moeilijker. Voor echt arme landen zijn leningen doorgaans geen goede optie. Het risico
bestaat dat de huidige recessie (ten gevolge
van de financiële crisis) tot een nieuwe schuldenlast zal leiden bij de ontwikkelingslanden.
De arme landen mogen echter niet ten onder
gaan aan een recessie die zij niet hebben veroorzaakt. Daarom moeten er bijkomende middelen vrijgemaakt worden die geen schulden
creëren. We kennen genoeg kwalijke voorbeelden uit de geschiedenis waarbij bevriende
dictators in het zadel gehouden werden door
politieke steun en financiële hulp vanuit het
Westen. Dit gebeurde, onder andere, door het
verlenen van grote leningen waarbij de arme
inwoners doorgaans weinig baat hadden. Nu
nog betalen de armsten hiervoor het gelag.
Ook landen die getroffen worden door humanitaire rampen zoals Pakistan en Haïti moeten
geholpen worden, niet door het geven van
leningen wel door de hulp onder de vorm van
giften ter beschikking te stellen. Bovendien
kunnen er juist extra middelen vrijgemaakt
worden door de terugbetaling van lopende
schulden onmiddellijk op te schorten.
1.5.7.5 Microkredieten
In de buitenwijken van de Congolese hoofdstad Kinshasa toont een groep alleenstaande
vrouwen het potentieel van microkredieten
aan. In 2002 importeerde een kleine vrouwenorganisatie enkele Belgische raskippen.
Intussen lopen er honderden van deze kippen
rond. Vrouwen die in het project stappen, kunnen via microkredieten één kip kopen. Na hard
werken wordt dat een volière met dertig kippen. Die leveren dagelijks een plateau eieren
op dat voor vijf dollar verkocht kan worden.
Dat is niet veel, maar het is genoeg om het
hoofd boven water te houden. Microkredieten
zijn het afgelopen decennium een ware hype
Waarom hulp geven
geworden. Succesverhalen zoals dat van AGI
in Kinshasa zijn talrijk. Al gauw werden microkredieten uitgeroepen tot hét alternatief voor
ontwikkelingssamenwerking.
Microkredieten zijn echter geen alternatief
voor ontwikkelingssamenwerking. Ze zijn
een andere vorm ervan. De ngo-wereld heeft
vanaf het begin een grote rol gespeeld bij het
uitwerken van het concept. Zo financierde
11.11.11 via haar partner Conafed mee de kippen van Agnès. Eén van de leden die 11.11.11
financiert, namelijk Alterfin, is zelfs een bank
die zich enkel bezighoudt met microkredieten.
Ook zijn microkredieten niet hét antwoord
op alle uitdagingen. Voor een vrij specifieke
groep kunnen microkredieten een wereld van
verschil maken. Vaak gaat het om vrouwen.
Deze vrouwen leven vaak in specifieke, gemarginaliseerde omstandigheden. Als ze hier
eenmaal zijn uitgekropen, bieden microkredieten geen mogelijkheden meer voor verdere
ontwikkeling. Een Congolese boerin die al een
wei koeien heeft en krediet nodig heeft om
haar activiteiten verder te commercialiseren,
zal niet in aanmerking komen voor microkredieten, maar ook niet kunnen aankloppen bij
een grootbank. Op macroniveau lijken microkredieten geen structureel verschil te maken.
Tot die tijd blijven ngo’s en de andere actoren
in de ontwikkelingssamenwerking inzetten op
microkredieten, want de succesvoorbeelden
zijn er. Maar deze kredieten uitroepen tot het
enige middel is nog zeer voorbarig.
16
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Waarom hulp geven
2. Hoe hulp geven?
In het vorige hoofdstuk stellen we dat er, ondanks de vele positieve verhalen, nog steeds
erg veel werk aan de winkel is om te komen tot
een wereld waarin armoede geen plaats meer
heeft en iedereen gelijke ontwikkelingskansen
heeft. Om tot een betere en gelijkwaardige
verdeling van middelen en kansen te komen,
zijn er dringend inspanningen nodig op
verschillende domeinen. Hoewel louter hulp
absoluut niet tot dergelijke duurzame ontwikkeling zal leiden, kan hulp wel een belangrijke
rol spelen als katalysator voor ontwikkeling.
Hulp kan de meest kwetsbaren uit de meest
precaire situaties houden, kan een overheid versterken om daarna op eigen benen
financiële middelen te innen, kan een civiele
maatschappij versterken die bijdraagt tot de
democratiseringsprocessen in een land, kan
bijdrage leveren tot de economische groei van
een land door gezonde en opgeleide burgers
op de arbeidsmarkt ‘af te leveren’, etc.
Hulp is dus nodig en nuttig. Er zijn zelfs
vormen van hulp die eeuwig zullen nodig zijn,
vanuit de solidariteit die volkeren met elkaar
moeten betonen in tijden van crisis en rampen.
We denken daarbij vooral aan noodhulp, wat
belangrijk blijft doordat het tijdelijk soelaas
biedt aan een getroffen bevolking en gaten
dicht zodat de gevolgen van een ramp niet
uitdeinen. We onderschatten de rol van noodhulp niet, maar we gaan er in het bestek van
dit dossier niet dieper op in.
Het is de structurele hulp waarover we het
hier hebben, die zichzelf op termijn overbodig
moet maken. Dit zal echter enkel gebeuren
wanneer deze hulp op een goede manier besteed wordt. In dit hoofdstuk gaan we dan ook
dieper in op de vraag “Wat is goede hulp?”.
Wanneer doekt 11.11.11 zichzelf op?
Zoals we zeiden, maakt goede hulp zichzelf
overbodig. De vraag is wanneer we dit punt
zullen bereiken. Veel hangt af van het doel
wat we voor ogen hebben met hulp.
In het verleden brachten veel ngo’s affiches
met een hongerig kind, vergezeld van een
bedrag, met een duidelijke boodschap:
voor een klein bedrag kunt u een leven
redden. Levens redden is natuurlijk erg
belangrijk, maar enkel een zeer specifieke
vorm van hulp heeft dit als direct en enig
doel, namelijk de noodhulp. Bij rampen en
oorlogen is levens redden vaak de eerste
bekommernis. Daarom geven we als er een
grote ramp plaatsvindt gul, met als doel
medicijnen, eten en dekens te brengen.
Deze hulp zal nooit overbodig worden.
Alhoewel rijke landen er beter tegen
opgewassen zijn dan arme landen, zullen
er altijd rampen zijn. Maar met enkel levens
redden als doel zal er weinig structureel
veranderen.
Vaak hoor je daarom dat het stimuleren
van economische groei een beter doel
is. Vooral overheden en privé-actoren
17
benadrukken deze doelstelling. Of hulp
kan leiden tot economische groei, valt met
weinig zekerheid te zeggen. Belangrijker
is de vaststelling dat economische groei
niet automatisch leidt tot ontwikkeling voor
de hele bevolking. Een goed voorbeeld
is Rwanda. Het land kende de afgelopen
jaren spectaculaire groeicijfers, maar deze
economische groei leidde niet noodzakelijk
tot een verkleining van de ongelijkheid
tussen rijk en arm.
Een ander doel dat vaak naar voren wordt
geschoven is armoedebestrijding. Dit is al
een logischer doel, met een meer structurele kant. Toch legt het nog veel de nadruk
op liefdadigheid en te weinig op onze
eigen verantwoordelijkheid. Want hoeveel
aandacht we ook hebben voor de situatie
van de armsten, als we ons eigen gedrag
niet onder de loep nemen zal er weinig
veranderen. Bovendien is een toename van
de welvaart in veel landen niet duurzaam
als er geen immateriële verbeteringen geboekt worden, bijvoorbeeld op het gebied
van democratisering. Goede hulp heeft
dus meer dan armoedebestrijding alleen
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
op het oog. Goede hulp is ook gericht op
herverdeling van middelen en op duurzame
ontwikkeling.
Hoe zou dat eruit zien, een wereld zonder
armoede en onrecht? Wanneer kunnen
we zeggen dat het genoeg is geweest,
dat 11.11.11 zichzelf kan opheffen en de
minister van Ontwikkelingssamenwerking
voorgoed ontslag kan nemen? In ieder
geval is dat niet wanneer iedereen op
de wereld er onze huidige levensstijl op
nahoudt. Al was het maar omdat onze
planeet dat niet aankan. De vraag is nog
maar of iedereen daar ook daadwerkelijk
gelukkiger van wordt. We mogen het Zuiden niet het recht op ontwikkeling ontzeggen om ecologische redenen: we kunnen
wel samen de uitdaging aangaan om een
beter ontwikkelingsmodel te vinden dan de
weg die wij hebben afgelegd. Een model
dat ervoor zorgt dat iedereen ter wereld
een menswaardig bestaan kan leiden.
Hoe hulp geven
2.1.Korte geschiedenis van hulp
2.1.1 Van de jaren ’60 tot nu29
In de jaren ’60 heerste het algemene geloof dat
de optelsom van losse projecten van tal van
verschillende donoren uiteindelijk algemene
ontwikkeling op gang zou brengen. Waterputten werden geboord, scholen en ziekenhuizen
gebouwd. Erg concrete projecten spraken
tot de onmiddellijke verbeelding en leidden
tot grootse engagementen en enthousiasme.
Maar deze vaak “goedbedoelde” projecten
kenden een grote schaduwzijde. Er was weinig
oog voor duurzaamheid en nazorg. Projecten
werden meestal van bovenaf opgelegd en
zodra de donor weg was, zakte alles als een
pudding in elkaar. Er was voornamelijk een rol
weggelegd voor de donor, die sturend optrad
en zowaar over de lokale overheid heen liep.
Van eigenaarschap voor de lokale bevolking of
overheid was geen sprake. Het gaf de lokale
overheid bovendien het perfecte alibi om eigen
middelen op andere manieren in te zetten.
Langzaam maar zeker groeide het besef
dat een dergelijke projectaanpak niet veel
duurzame resultaten opleverde. De officiële
donoren, met de Wereldbank en het IMF op
kop, zochten in de jaren ’80 en ’90 hun heil in
structurele aanpassingsprogramma’s. Donoren gaven geld op voorwaarde dat de landen
hun begrotingen in evenwicht brachten, de
overheidsuitgaven beperkten, overheidsdiensten privatiseerden, hun markten vrijmaakten
en sterk inzetten op exportgerichte sectoren.
Deze programma’s werden volledig van buiten
uit opgelegd. Het waren eenzijdige macroeconomische hervormingen, vaak met desastreuze gevolgen (ineenstorting van de publieke
sector, verminderde voedselzekerheid omdat
voedselproductie voor de eigen bevolking
vervangen werd door exportgewassen). Er
was met andere woorden ook hier geen sprake
van ‘ownership’: vanuit Washington werden
dezelfde beleidsmaatregelen opgelegd, of het
nu aan Vietnam of aan Oeganda was. Ngo’s en
andere maatschappelijke organisaties hadden
van bij het begin heel wat kritiek op dat beleid.
Die aanpassingsprogramma’s zijn intussen
ook door het IMF en de Wereldbank zelf geëvalueerd als een totale flop, gezien ze gebaseerd
29 Over de geschiedenis van de ontwikkelingssamenwerking bestaat er meer dan voldoende
literatuur. We geven hier een kort overzicht met
de belangrijkste elementen om de discussie te
stofferen, goed wetende dat volledigheid ons hier
te ver zou leiden. We baseren ons hiervoor op
11.11.11., « Feiten over de ontwikkelingssamenwerking », 2004, 160 p. ; DEVELTERE « De Belgische
ontwikkelingssamenwerking », 2005, 316 p. en
MOLENAERS N., RENARD R., « Ontwikkelingshulp faalt », 2007, 238 p.
18
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
waren op vernietigende voorwaarden: de
armoede is toegenomen, de schuldenlast ook.
Naast de negatieve trends heeft ontwikkelingssamenwerking gelukkig ook gezorgd voor sociale correcties en ademruimte. Ze kan ruimte
scheppen voor experimenten en alternatieven,
ideeën leveren die gaan gisten, verandering
versnellen of een beetje van richting doen
veranderen. Zo hebben de ngo’s na het falen
in de jaren negentig alternatieven voorgesteld :
de ontwikkelingslanden moeten hun ontwikkeling zelf in handen nemen, en moeten daarbij
de juiste ondersteuning krijgen.
Vanaf eind jaren ’90 zijn dan ook participatie
en eigenaarschap van de landen in het Zuiden
dé toverwoorden. Het is ook door vele studies
bewezen dat wanneer een partnerland achter
de (zelf opgestelde) prioriteiten staat, de effecten van het ontwikkelingsbeleid veel groter
zijn. Eenzelfde aanpak voor iedereen is vanaf
nu dan ook uit den boze: elk land is verschillend en elk land moet zelf kunnen beslissen
welke richting het wil uitgaan door een eigen
plan van armoedebestrijding op te stellen. De
zogenaamde PRSP’s werden uitgevonden.
Dat zijn nationale plannen om armoede terug
te dringen. De verantwoordelijkheid voor het
opstellen ervan ligt volledig bij de nationale
overheid in het Zuiden. Op basis van een PRSP
kunnen donoren beslissen om hulp te geven.
De verhouding tussen donor en partnerland
verschuift dus: het zijn niet langer de donorlanden die diensten moeten verlenen aan de
bevolking in het partnerland. De capaciteit en
verantwoordelijkheid ligt bij de overheid in het
Zuiden. Die kan dan zelf de nodige diensten
verlenen aan haar bevolking. Het besef groeide
dan ook dat je niet zomaar om het overheidsapparaat van het partnerland heen kunt, maar
dat je ermee moet samenwerken. Daarvoor is
wel vaak nodig wat met een mooi woord capaciteitsondersteuning genoemd wordt: hulp
om de overheid te versterken en goed te laten
werken. Bovendien kreeg participatie ook een
ruimere invulling: andere actoren, waaronder
de civiele maatschappij, moeten een rol krijgen
bij het opstellen van een dergelijk plan.
Het zijn toverwoorden met veel potentieel,
maar anderzijds ook een vlag die een brede
lading dekt en die naar eigen goeddunken kan
worden ingevuld. De invloed van de donoren,
zeker van het IMF en de Wereldbank, blijft vaak
nog erg groot, met nog al te vaak een accent
op macro-economische belangen. Joseph
Stiglitz – voormalig topeconoom bij de Wereldbank – geeft zelf aan dat de PRSP’s soms
Hoe hulp geven
letterlijke kopieën van elkaar zijn, waardoor
men niet echt kan spreken van een beleid
aangepast aan de eigen context van het ontwikkelingsland. De participatie van de civiele
maatschappij stelt vaak weinig voor.
Naast eigenaarschap zit er nog een hoop andere principes in de trukendoos van de 21ste
eeuwse hulp. Als je uit gaat van eigenaarschap
vloeit daar immers uit voort dat je je als donor
ook gaat afstemmen op de prioriteiten die een
partnerland naar voorschuift. Eigenaarschap
betekent daarenboven niet dat het volledige
gewicht op de schouders van de partnerlanden
gelegd wordt. Wederzijdse verantwoordelijkheid, waarbij donoren en partners aan elkaar
verantwoording afleggen, staat centraal. Zowel
donoren als partners stellen het behalen van
resultaten centraal in hun planning. Het is ook
noodzakelijk dat donoren onderling goed samenwerken en hun onderlinge procedures en
eisen maximaal afstemmen (harmoniseren) 30.
In het volgende hoofdstuk geven we aan onder
welke voorwaarden deze principes daadwerkelijk kunnen bijdragen tot “goede” hulp.
2.1.2 Belangrijke
geschiedenislessen
Een eerste les die we moeten leren uit de
geschiedenis van hulp is níet dat hulp nergens
30 Dit zijn de vijf principes van de « Verklaring van Parijs »
die onder auspiciën van de OESO in 2005 tussen
donoren werden afgesproken met als doel ontwikkelingshulp doeltreffender te maken en de impact
ervan te vergroten. Deze doelen moeten in 2010
zijn behaald, maar zoals wel vaker haalt ook hier de
praktijk de theorie en de gedane beloftes weer in.
toe heeft bijgedragen en dus geen zin meer
heeft, maar wél dat er geen blauwdruk voor
hulp bestaat. Doorheen de geschiedenis zien
we dat de visie op hulp erg geëvolueerd is.
Dit is enerzijds jammer, omdat dit voor heel
wat instabiliteit zorgde voor de ontvangende
landen door de steeds veranderende kaders
waaraan ze zich steeds moesten aanpassen.
Anderzijds is dit ook een positieve zaak, aangezien er heel wat stappen vooruit zijn gezet.
Daardoor kan hulp meer betekenen voor de
bevolking in het Zuiden. De belangrijkste conclusie, zeker voor de ngo’s, is dat er vertrokken moet worden vanuit de specifieke context
van een land en dat hét basisprincipe hierbij
democratisch eigenaarschap is. Ontwikkeling
van bovenaf opgelegd is gedoemd om te mislukken. Ontwikkeling gedragen door een land
en haar bevolking heeft des te meer kans op
slagen.
Belangrijk hierbij is ook dat efficiëntie steeds
belangrijker is. We moeten er uiteraard naar
streven om de hulpmiddelen zorgvuldig en
resultaatgericht in te zetten. Maar de geschiedenis leert ook dat hulp geven altijd een
bepaald risico zal inhouden. De risicograad
varieert naargelang de context van het ontvangende land. Zo zal hulp in fragiele staten
meer risico’s inhouden dan hulp geven aan
middeninkomenslanden. Aan ontwikkelingssamenwerking doen, betekent nu eenmaal risico’s nemen. Ontwikkelingssamenwerking is
dus geen louter technische bezigheid, waarbij
geld geven een gegarandeerde uitkomst heeft
op basis van een technische analyse. Hoewel
we de obstakels zoveel mogelijk moeten
inschatten en beperken, zal ontwikkelingssamenwerking altijd een bochtig proces zijn.
2.2. Principes van goede hulp
Criticasters halen voorbeelden van slechte
hulp aan om te concluderen dat alle hulp
slecht is en daarom moet verminderd of zelf
afgeschaft worden. Het is inderdaad waar
dat niet alle hulp werkt en dat er veel voor
verbetering vastbaar is. Maar dit is eerder een
argument om hulp te optimaliseren dan om
het kind met het badwater weg te gooien.
Zoals we hierboven aangaven kan goede hulp
een katalysator zijn voor ontwikkeling. Goede
hulp redt niet alleen levens, maar is onmisbaar om deuren te openen zodat mensen in
staat zijn uit de armoede te geraken. Daarom
moet hulp burgers en regeringen van ontwikkelingslanden in staat stellen hun eigen strijd
tegen armoede en ongelijkheid te leveren.
Duurzame ontwikkeling is immers een recht
19
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
voor iedereen. Alleen dan kan hulp zichzelf op
termijn overbodig maken.
Met andere woorden: hóe hulp wordt gegeven
is zeker zo belangrijk als waarom men hulp
geeft. Zonder volledigheid te willen nastreven,
zetten we hieronder een aantal belangrijke
principes op een rijtje waaraan hulp moet voldoen om van goede hulp te kunnen spreken.
2.2.1 De bevolking moet
eigenaar zijn
Hulp geven doen we niet voor onszelf, maar
voor het ontvangende land. Het is dan ook
logisch dat goede hulp inspeelt op de noden,
prioriteiten en plannen die het ontvangende
land zelf aangeeft. Met ‘het ontvangende land’
Hoe hulp geven
bedoelen we in dit geval de bevolking, niet
enkel de regering. Dat betekent dat armoedebestrijdingsplannen het resultaat moeten
zijn van een ruime consultatie, waarbij onder
andere het parlement, de lokale bevolking en
civiele organisaties betrokken zijn.
Het door de EU gefinancierde project ‘Steun
aan de voedselzekerheid in de provincie
Karusi’ in Burundi liep van 2006 tot 2008. De
belangrijkste doelstelling van het project was
de promotie van basisorganisaties die instaan
voor microprojecten rond een keten van de
aardappelteelt. Dit gebeurde onder meer via
vormingen, onderlinge uitwisseling en technische en financiële ondersteuning van de microprojecten. 11.11.11 bezocht het EU-project
in januari 2010, bijna 2 jaar na het afsluiten
ervan. Toch was de dynamiek nog steeds
levendig: op de bezochte site konden de lokale boeren via hun opbrengst het project zelf
verder financieren – een zeldzaam voorbeeld.
Het succes kan worden verklaard door het
feit dat er veel belang werd gehecht aan eigenaarschap van het project. Réseau Burundi
2000, de lokale uitvoerder van het project had
vooraf uitgebreide consultaties opgezet om
de noden van de bevolking te identificeren en
om haar de kans te geven om mee te denken
over mogelijke oplossingen. Door de bevolking van bij het begin mee verantwoordelijk
te maken voor een deel van het financiële
beheer, de aankoop van zaai- en mestgoed
en het zoeken naar markten voor hun oogst,
creëerde Réseau Burundi 2000 een belangrijk
psychologisch effect: de lokale bevolking had
het over ‘ons project’.
2.2.2 Hulp geef je niet uit
geopolitiek belang
Een volledig terechte kritiek op sommige
vormen van hulp is dat te veel hulp gaat naar
landen waar het westen zijn eigen belangen
veilig wil stellen. Bijvoorbeeld in Afghanistan
maakte een aantal donoren zich schuldig
aan het misbruiken van hulpgeld voor andere
doelstellingen dan ontwikkeling. Afghanistan
ontvangt al enkele jaren het meeste hulp van
alle ontwikkelingslanden. En toch zien we heel
weinig resultaat. Dat komt omdat een groot
deel van de hulp ingezet is voor kleine “quick
win” projecten in die gebieden waar de NAVOtroepen de veiligheidssituatie niet onder controle kregen. De kwaliteit of de duurzaamheid
van deze projecten was daarbij ondergeschikt
aan het echte doel, namelijk de bevolking
overtuigen van de goede bedoelingen van
de westerse bezettingsmacht. Niet alleen liet
de kwaliteit van veel van die projecten veel
te wensen over, ze kaderden ook niet in een
20
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
ontwikkelingslogica of in een omvattend ontwikkelingsplan voor Afghanistan.
Elders in Centraal-Azië ontvangen landen
kritiekloos grote bedragen hulp in ruil voor
het toestaan van militaire bases of om mee te
werken aan de realisatie van oliepijpleidingen.
Wanneer het eigenbelang overheerst, verdwijnt meestal elke vorm van kritiek op respect
voor de mensenrechten en wordt ook geen
volwaardige dialoog gevoerd met het partnerland over de besteding van de hulpmiddelen.
2.2.3 Hulp geef je niet uit
economisch belang
Gebonden hulp betekent dat een ontwikkelingsland een gegeven euro of dollar verplicht
moet besteden in het land dat de hulp heeft
toegezegd. Op die manier doet niet alleen het
ontvangende land, maar ook het donorland
zijn voordeel met ontwikkelingshulp. Dat klinkt
als een win-win situatie, maar dat is het niet.
Dergelijke gebonden hulp is minder voordelig
voor ontwikkelingslanden dan ongebonden
hulp, omdat import vanuit rijke donorlanden
haast altijd boven de marktprijs ligt. Daardoor
verliest gebonden hulp een kwart tot veertig
procent van haar waarde. Bovendien stimuleer
je met gebonden hulp de lokale productie niet,
wat schadelijk kan zijn voor de lokale markt.
En het is nog maar de vraag of deze gebonden
hulp altijd past in het prioriteitenlijstje van de
ontvangende landen.
Zo deed Italië in 2006 een schenking aan
het Wereldvoedselprogramma, met de vraag
om met dat geld Italiaanse rijst aan te kopen
voor Oeganda en Burkina Faso. In die periode
kostte een ton rijst in Italië 527 dollar terwijl
Thaise rijst slechts 200 dollar per ton kostte.
Met andere woorden, met dezelfde hoeveelheid geld wordt minder voedsel aangekocht.
De kosten voor gebonden hulp lopen in het
algemeen op tot 15 % tot 30 %, voor voedselhulp zelfs tot 40 %31.
2.2.4 Goede hulp zorgt niet voor
administratieve overlast
Veel gevende landen zijn aanwezig in veel
ontvangende landen. Dat heeft de nodige
versnippering tot gevolg. In 1960 had een ontvangend land nog ‘maar’ met 12 donoren te
maken, in 2005 waren dat er gemiddeld al 3332.
Dat zorgt voor veel kosten aan beide kanten.
Donoren maken veel indirecte kosten voor het
identificeren van problemen, onderhandelen,
31 Aid Watch Report 2009 “Lighten the load”, p.15.
32 WRR, “Minder pretentie, meer ambitie”, Amsterdam University Press, 2010, p. 127.
Hoe hulp geven
afspraken vastleggen, implementatie, monitoring, evaluatie en afstemming. Maar ook voor
de ontvangende landen brengt dit onnodige
kosten met zich mee. In Tanzania blijkt dat
het rapporteren aan al die donoren 40 à 50 %
van de tijd in beslag nemen van de medische
districts-verantwoordelijken. Het ontvangen
van die donoren neemt 10 à 20 % van hun tijd
in beslag33.
Daarom proberen steeds meer donoren zich te
organiseren en te coördineren, zodat de ontvangende overheid minder gesprekspartners
heeft. Een keerzijde van deze medaille is dat
de ontvangende overheid tegenover een erg
sterk blok van donoren komt te staan, waarbij
het risico bestaat dat deze ontvangende overheid weinig ruimte krijgt om de prioriteiten van
het beleid zelf in te vullen. Donoren moeten
dus oog blijven hebben voor eigenaarsschap.
Niet alleen door goede organisatie kun je
versnippering voorkomen. Een donorland kan
door in minder landen actief te zijn, meer hulp
per land geven. Dat verhoogt de efficiëntie.
De donoren moeten dan wel goede afspraken
maken om te vermijden dat iedereen in die
landen actief is waar doorgaans sneller betere
resultaten worden gehaald, zoals in de zogenaamde “donor darlings” (bv. Tanzania) ten
nadele van de “donor orphans” (bv. Burundi).
Hetzelfde gaat op voor bepaalde sectoren.
samenwerking is veel meer dan de som van
de delen.
2.2.5 Hulp legt geen
economisch beleid op
Eerder stelden we al dat het IMF en de Wereldbank met de structurele aanpassingsprogramma heel wat strenge voorwaarden oplegden aan landen in het Zuiden om een lening te
krijgen. Deze economische conditionaliteiten
hebben vooral negatieve gevolgen gehad voor
de ontwikkeling. Het bekendste voorbeeld is
de verplichting tot privatisering. Zo heeft de
Wereldbank in de jaren negentig Zambia verplicht om het door de staat beheerde “Zambia
Consolidated Copper Mines” te privatiseren,
als voorwaarde voor het afsluiten van een
lening. Dit gebeurde door de splitsing van
het bedrijf in tal van private ondernemingen.
Deze betaalden op een winst van 4 miljard
dollar slechts 300 miljoen dollar belasting.
Met andere woorden, de rijkdom vloeide door
de privatisering het land uit, maar kwam niet
ten goede aan de Zambiaanse bevolking.
Daar heeft de overheid van dit land in 2008
verandering in gebracht. De bedrijven worden
nu zwaarder belast op hun inkomsten34.
Publiekelijk hebben donoren zich uitgesproken over de inefficiëntie van economische
conditionaliteit, maar achter gesloten deuren
worden dergelijke voorwaarden nog steeds
gebruikt. De Europese Commissie rapporteerde dat in 2009 slechts 5 Europese overheden
van de 27 minder economische voorwaarden
oplegden35.
Ook ngo’s beseffen dat een betere samenwerking noodzakelijk is om versnippering tegen
te gaan, ook tussen de ontwikkelingsorganisaties onderling. Zowel Vredeseilanden als
Trias zijn al vele jaren actief bij de boeren in
Tanzania en krijgen daar ook financiële steun
voor van 11.11.11. Lange tijd werkten de twee In plaats van strikte conditionaliteit pleit de
Vlaamse ngo’s letterlijk naast elkaar. Niet als Noord-Zuidbeweging voor een model van
concurrenten, maar ze deden elk ‘hun ding’ in ‘benchmarking’. Daarbij stellen het donorland
een ander district. Hun doelgroep is dezelfde en het ontvangende land samen een aantal
– boeren en veetelers – maar hun expertise doelstellingen voor het beleid op. Ze maken
hebben ze de voorbije jaren wel aangescherpt duidelijke afspraken over de minimale resultatot specialisaties. Vredeseilanden richt zich ten van de evaluaties, zowel van de hulp als
vooral op de ‘markttoegang’ van de kleine van de inspanningen die het ontvangende
boeren. Trias legt zich toe op vorming voor on- land levert om de doelstellingen te bereiken.
dernemers en kredietprogramma’s. Nu de bei- Die ijkpunten moeten het product zijn van
de organisaties elkaars werking beter hebben een dialoog tussen donor- en partnerland.
leren kennen, beseffen ze dat ze elkaars werk Het verschil met eenzijdige ‘bestraffende’
in grote mate kunnen bevruchten. Ze werken conditionaliteiten ligt in het onderhandelde
nu samen plannen uit. De inzichten van Trias en wederzijdse karakter. Ook het hulpontvanover ondernemerschap en kredietverlening gende land kan donorlanden aanspreken over
komen nu ook de boeren waar Vredeseilanden engagementen die ze zijn aangegaan.
mee werkt ten goede. En omgekeerd krijgen
de boeren ‘van Trias’ uitzicht op een betere
verkoop. Bovendien ondersteunt de Belgische officiële ontwikkelingssamenwerking de
Tanzaniaanse overheid bij het opstellen van 34 Eurodad, “The World Bank and IMF’s long shadow in Zambia’s copper mines”, 20 februari 2008.
een kadaster in de regio. Het resultaat van die
33 Aid Watch Report 2010 “Penalty Against Poverty”,
p.14.
21
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
35 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam Briefing
Paper 137, april 2010, p.23.
Hoe hulp geven
2.2.6 Transparante hulp is
open voor controle
Een groot deel van de kritiek op hulp heeft te
maken met het gebrek aan transparantie. Zowel donoren als ontvangende landen leggen
te weinig verantwoording af aan de eigenlijke
doelgroep: de bevolking.
Te vaak is het niet duidelijk hoeveel middelen
waarvoor aan wie gegeven worden. Hoewel
er al een hele weg is afgelegd, onder druk
van kritische “waakhonden” die aandringen
op snelle en duidelijke rapportering over begrotingen en beloofde bedragen, is hier nog
veel ruimte voor vooruitgang. Nog steeds is
het in heel wat landen niet of heel moeilijk te
achterhalen waar de middelen van de lokale
overheid vandaan komen, van welke donoren
ze hoeveel steun ontvangen of waarvoor die
steun zal worden aangewend. Dit blijft een
permanente uitdaging voor alle betrrokken
overheden. Zonder publiek toegankelijke en
begrijpelijke documenten is het voor burgers
en hun organisaties onmogelijk om hun beleidsmakers ter verantwoording te roepen.
Ook in ontwikkelingslanden zijn sterke vakbonden, vrouwenbewegingen, boerenorganisaties
en verdedigers van de mensenrechten onontbeerlijk. Zij kunnen op basis van transparante
besluitvorming en publiek toegankelijke begrotingen beoordelen of hun overheid goed
werk levert. Zo zijn er veel organisaties waarvan de leden – dikwijls met gevaar voor eigen
leven – opkomen voor essentiële rechten voor
de bevolking en slecht bestuur aanklagen.
11.11.11 steunt die organisaties dan ook volop.
In de eerste plaats financieel, maar ook met
knowhow of technische bijstand rond erg
concrete dossiers. In vele landen speelde een
sterke civiele maatschappij een belangrijke
rol in het afdwingen van veranderingen bij de
lokale verantwoordelijken.
Ook de Belgische ngo’s hebben stappen gezet in het vergroten van hun transparantie. In
het najaar van 2008 lanceerden ze de website
www.ngo-openboek.be officieel. De website
is een initiatief van de Vlaamse en Franstalige
ngo-federaties Coprogram en ACODEV en alle
erkende ngo’s verleenden er hun medewerking
aan. Ngo-openboek biedt transparantie op de
terreinen waarop ngo’s actief zijn, maar ook
op hoe de organisaties hun middelen beheren.
2.2.7 Noord en Zuid leggen aan
elkaar verantwoording af
Tot voor kort was de vraag naar verantwoording een heel eenzijdige zaak, waarbij donoren
Begrotingshulp als instrument van “goede” hulp?
Begrotingshulp of budgetsteun wordt
vaak naar voren geschoven als dé manier
om het eigenaarschap van de ontwikkelingslanden te verhogen. Het is een vorm
van hulp waarbij het geld rechtstreeks
naar de algemene begroting van een
ontvangend land vloeit, of naar een
specifiek departement vloeit. Dit maakt
dat het onvangende land meer eigenaar is
van de hulp.
Wil dit dan zeggen dat donoren hun
verantwoordelijkheid volledig aan de
kant schuiven? Zijn ze dan geen verantwoording meer verschuldigd aan hun
belastingbetalers over waar het geld dan
wel naar toe gaat ? Uiteraard niet: het is
geen blanco cheque voor het partnerland.
De beide landen sluiten een resultaatsverbintenis: de ontvanger krijgt de vrije
beschikking over al dat donorgeld, maar
moet op het einde van de rit wel kunnen
aantonen dat dit zinvol besteed is. De
budgetsteun de overheid van een ontvangend land aanzetten haar prioriteiten
beter te kiezen en die op een bekwame
manier uit te voeren. De budgetsteun kan
leiden tot minder administratie overlast,
22
meer versterking van de capaciteiten van
de overheid en meer voorspelbaarheid.
Maar er kunnen ook problemen opduiken.
Zo zet begrotingshulp de deur wagenwijd
open voor het opleggen van (o.a. macroeconomische) conditionaliteiten door de
donoren. Ook voor België hanteert enkele
basiscriteria over de macro-economische
situatie in het partnerland. Bovendien kan
dergelijk voorwaardenbeleid de impact
van donoren (“donorbemoeienis” en
“donordominantie”) ook vergroten doordat
de greep op de begroting van het partnerland versterkt wordt. Daarnaast zijn de
bestaande structuren niet altijd aangepast
aan budgetsteun. Het blijkt uit de praktijk
dat het daarenboven ook niet eenvoudig
is om tussen donoren een consensus te
vinden over de criteria om budgetsteun
te geven. Dat geldt in het bijzonder voor
fragiele staten of conflictgebieden.
Budgetsteun kan volgens donoren alleen
in landen die ‘goed besturen’, waarvan de
kwaliteit van de staatsinstellingen enige garantie biedt op succes, en enige waarborg
dat geld niet verdwijnt. Goed bestuur heeft
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
betrekking op de manier waarop overheden en publieke instellingen hun macht
verwerven en uitoefenen om publieke
goederen en diensten te beheren en te
verlenen. Dat kan gaan over het verlenen
van basisvoorzieningen, tot het uitvoeren
van infrastructuurwerken, of het creëren
van een gunstig investeringsklimaat. Vooral
de Wereldbank bepaalt in de praktijk wat
‘goed bestuur’ is en wie goed bestuurt,
wat er op neer komt dat het een veel te
vaag begrip is dat verschillend wordt ingevuld naargelang wie het in de mond neemt.
Voor 11.11.11 bieden mensenrechten zeker
en vast een aanknopingspunt.
Budgetsteun, en de politieke beleidsdialoog die ermee gepaard gaat, kunnen
dus een hefboom zijn voor ontwikkeling,
goed bestuur en mensenrechten, als de
discussie niet gemonopoliseerd wordt
door de Wereldbank en het IMF. Bovendien
betekent eigenaarschap van de regering
daarom nog niet dat er ook sprake is van
eigenaarschap voor de bevolking. Daarom
is het noodzakelijk dat er ook wordt ingezet
op de versterking van parlementen en de
civiele samenleving.
Hoe hulp geven
aan de partners allerlei bewijs vroegen dat de
gegeven hulp goed was besteed. Dat ook de
donor zelf een verantwoordelijkheid te dragen
heeft werd grotendeels genegeerd. Sinds
kort maakt het principe van de wederzijdse
verantwoording integraal deel uit van een moderne hulpaanpak. Ontvangende landen zijn
verantwoording verschuldigd aan de donoren,
andersom geldt hetzelfde.
Donoren moeten bijvoorbeeld duidelijk en op
tijd aangeven hoeveel hulp ze vrij willen maken,
zodat deze bedragen opgenomen kunnen
worden in de begroting en de beleidsplannen
van de partnerlanden. Ze moeten deze bedragen daarenboven tijdig storten. Partnerlanden
moeten donoren tot de orde kunnen roepen
als die hun beloften niet nakomen.
Vlaanderen heeft met de Zuid-Afrikaanse
regering afgesproken om de tussentijdse
evaluaties van de samenwerking gezamenlijk
te doen. Hierbij hebben de beide partners elk
een evaluator aangesteld die tot gezamenlijke
conclusies moesten komen. Dit is reeds een
enorme stap vooruit ten opzichte van de doorsnee gang van zaken, waarbij de evaluatie
door de donoren gebeurt, die dan zelf beslist
de samenwerking al dan niet voort te zetten.
Door een gezamenlijke evaluatie te organiseren, creëer je de mogelijkheid om elkaar te
evalueren en tot de orde te roepen.
2.2.8 Voorspelbaarheid
Een goede begroting opstellen kan pas als je
weet hoeveel geld je zult hebben. Een punt
waar de donoren in het algemeen niet goed op
scoren is hun voorspelbaarheid. Ontvangende
overheden moeten op tijd weten of er nog hulp
volgt of niet, en niet pas uitsluitsel krijgen aan
het einde van een financieringsperiode. De
onvoorspelbaarheid van hulp doet de waarde
ervan zakken met ongeveer 20 %. In 2008
stelde de OESO dat slechts 46 % van de hulp
verdeeld werd volgens het vooropgestelde
tijdschema36. Dit maakt het natuurlijk erg
moeilijk voor het partnerland om een langetermijnbeleid uit te stippelen, wat bijvoorbeeld
van cruciaal belang is in de aanpak van de
MDG’s.
2.2.9 Diversiteit in instrumenten
Er zijn donorlanden die zweren bij één bepaald
hulpinstrument, zoals begrotingssteun (zie
onder). Projecthulp lijkt dan wel uit den boze.
11.11.11 pleit echter voor een goede verdeling
van verschillende soorten hulp, afhankelijk
van de context. Daarbij moeten steeds ook de
andere de principes van goede hulp worden
mee in rekening gebracht.
België streeft naar een zogenaamde “portefeuillebenadering”. Dat wil zeggen dat een donor ervoor kiest om op verschillende manieren
ontwikkelingssamenwerking in een land te
financieren. Werken met een portefeuillebenadering betekent ook het risico spreiden, door
niet alle eieren in één mand te leggen. Maar
een nadeel is dat er over al deze types van
hulpmodaliteiten expertise moet worden opgebouwd in Brussel en op het terrein.
36 Oxfam International, “21st Century Aid : Recognising success and tackling failure”, Oxfam
Briefing Paper 137, april 2010, p.17.
2.3. Zin van hulp in fragiele staten
en middeninkomenslanden
Wat moeten we met al die nieuwe toverwoorden zoals eigenaarschap in Afghanistan en
DR Congo? En moeten we nog ontwikkelingshulp blijven geven aan een land zoals ZuidAfrika? Er rijzen nogal wat vragen bij het geven
hulp aan landen die zich situeren aan de uitersten van het scala van ontwikkelingslanden.
Dit zowel in de ene richting, de zogenaamde
“fragiele staten” als in de andere richting “de
middeninkomenslanden”. Daarom gaan we
hier wat dieper in op de hulp aan beide groepen landen, wetende dat de verscheidenheid
binnen elk groep bijzonder groot is en we
op onze hoede moeten zijn voor al te sterke
veralgemeningen.
23
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
2.3.1 Fragiele staten
Fragiele staten zijn staten die kwetsbaar zijn
onder meer door conflictsituaties, een specifieke milieucontext, onveiligheid, armoede,
aanwezigheid of ontbreken van natuurlijke rijkdommen, zwak bestuur, elites zonder legitimiteit etc. Stort je ook zomaar geld in pakweg de
staatskas van DR Congo of Afghanistan? Zijn
fragiele staten geen bodemloze vaten waar je
onmogelijk het verschil kan maken?
Veel van wat in fragiele staten aan de gang is,
ligt inderdaad buiten de controle van donoren.
Maar de beslissingen van wat er al dan niet
gefinancierd wordt en hoe dat moet gebeuren,
Hoe hulp geven
kan wel beïnvloeden hoe het conflict verloopt.
Denk maar aan een land als Afghanistan. Hulp
is immers veel meer dan een stroom aan
middelen: het beïnvloedt gedrag. De manier
waarop hulp wordt gegeven, brengt nieuwe
ideeën, macht, invloed, prioriteiten en ontwikkelingscapaciteiten. De keuzes die gemaakt
worden zijn dus allesbehalve neutraal.
Teveel hulp besteden we alvast niet in de
meeste fragiele staten37. De officiële hulp voor
deze staten neemt weliswaar toe in reële termen, maar deze hulp is sterk geconcentreerd
in slechts een aantal landen waaronder Irak
en Afghanistan. Vele van de fragiele staten
zien hun hulp echter dalen, zeker in subSahara Afrika. Het is absoluut geen optie om
deze landen links te laten liggen, zeker als
je weet dat maar liefst 36 % van het totaal
aantal mensen in fragiele staten in extreme
armoede leeft. Eén inwoner op drie is er ondervoed, dat is twee keer zoveel als in andere
ontwikkelingslanden38.
Toch is de weinige hulp die deze landen krijgen
vaak geen goede hulp. De donorgemeenschap
reageert dikwijls onder het motto “we moeten
iets doen”, wat leidt tot kortetermijnacties
die buiten de staatsstructuren om worden
gegeven. De steun is dan ook zelden proactief,
weinig voorstelbaar en erg volatiel.
Wat wel als een paal boven water staat is dat
fragiele staten de meest moeilijke landen zijn
om aan ontwikkelingssamenwerking te doen.
Het impliceert sowieso risico’s en politieke
dilemma’s. Net zoals er geen consensus is
over de definitie en het lijstje van welke staten
fragiel zijn39, is ook de aanpak van donoren al
even verscheiden en slecht gedefinieerd. België is één van de weinige donoren die actief
is in fragiele staten. Maar liefst 1/3 van de 18
landen waar we aanwezig zijn, is een fragiele
staat. Maar ook ons land heeft geen duidelijke
strategie over hoe ze wenst op te treden in
fragiele staten.
Er heerst wel internationaal een consensus
over het feit dat fragiele staten andere antwoorden vereisen dan de beter presterende
landen. Er moet daarbij een middenweg gezocht worden tussen enerzijds de nieuwe
aanpak van de 21ste eeuw, zoals hierboven
37 DFID, “Why we need to work more effectively in
fragile states”, 2005.
38 OESO/DAC, “Ensuring fragile states are not left
behind”, Suppary report, february 2010.
39 Volgens de OESO zijn er 43 fragiele staten,
waaronder Afghanistan, Irak, de Democratische
Republiek Congo, Rwanda, Burundi en Somalië.
De meeste donoren, zoals de Wereldbank en
het Departement Ontwikkelingssamenwerking
van het Verenigd Koninkrijk, hanteren echter hun
eigen lijstjes.
24
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
beschreven en meer traditionele nood- en
projecthulp. Blauwdrukken voor oplossing bestaan niet, geen one-size-fits-all. Realisme is
het codewoord. Het gaat om het bescheiden
zoeken om te komen tot oplossingen, niet om
het stellen van onhaalbare doelen. Het komt er
op aan een goede balans te vinden tussen het
streven naar resultaten, de bereidheid risico’s
te accepteren en de capaciteit om deze te
beperken.
Zo is het duidelijk weinig evident om begrotingshulp te besteden in fragiele staten. De
risico’s zijn er te groot. Bij budgetsteun gebruiken donoren de kwaliteit van het bestuur
onder meer als parameter om te beoordelen
of deze hulpvorm al dan niet zinvol is. En
daar knelt juist het schoentje wat betreft de
fragiele staten. Maar men mag niet vergeten
dat begrotingshulp ook een vorm van capaciteitsversterking betekent. In dat opzicht zijn
risicobeheer en capaciteitsontwikkeling twee
keerzijden van dezelfde medaille. De vraag
is niet: hoe alle risico’s elimineren? Maar wel:
welke risicograad is aanvaardbaar?40 Alternatieven moeten daarom gezocht worden. Zo is
er bijvoorbeeld in 2008 in Burundi een Fonds
Communs opgezet rond onderwijs, waarbij
een groep donoren samen ‘doet alsof’ ze begrotingshulp geven. Ze maken gebruik van het
overheidssysteem om duidelijk te maken waar
er problemen zijn en deze ‘lekken’ samen met
de Burundese overheid ‘op te lappen’. In zo’n
geval spreken donoren over shadow alignment: werken met een systeem dat geheel of
gedeeltelijk is opgezet door donoren, maar
met de bedoeling om dit systeem op termijn te
integreren in de nationale systemen.
Een dergelijke versterking van de staatscapaciteit mag niet ten koste gaan van de steun
aan de civiele samenleving. De kwaliteit van
het bestuur staat of valt immers met de mogelijkheden voor de civiele samenleving om de
bewindvoerders ter verantwoording te kunnen
roepen.
2.3.2 Middeninkomenslanden41
Moeten we nog ontwikkelingshulp geven
aan middeninkomenslanden zoals Vietnam,
Ecuador of Zuid-Afrika? Moeten we niet vooral
investeren in “the bottom billion”, de allerarmsten in de wereld en daar alle hulpgelden
naar toe sturen? Afgaand op het aandeel van
hulp in de begroting van middeninkomenslanden zou men inderdaad kunnen besluiten dat
het maar een kleine bijdrage is. Maar als je
40 DFID, “Working Effectively in Conflict-affected and
Fragile Situations”, Summary Note, 2010, 15 p.
41 FENTON Nina, “International Finance: Aid and
Middle-Income Countries”, Oxfam, 2008, 36 p.
Hoe hulp geven
landen. Er is ook een groot verschil tussen de
middeninkomenslanden onderling op vlak van
gemiddeld inkomen.
weet dat ongeveer drie kwart van de wereldbevolking vandaag in middeninkomenslanden
(MIL) leeft en dat er in deze landen, ondanks
een groeiend gemiddeld inkomen, nog steeds
wijdverspreide armoede heerst en de ongelijkheid sterk toeneemt, dan gaat het niet op om
te zeggen dat donoren zich volledig moeten terugtrekken uit deze landen. Het gaat evenmin
op om eerst kritiek te geven op de hulpafhankelijkheid van sommige landen om dan het argument gewoon om te keren en daar waar men
minder afhankelijk is van de hulp meteen te beslissen niet meer samen te werken. Gezien de
hardnekkige sociale uitsluiting en ongelijkheid
in middeninkomenslanden, wordt de rijkdom
immers niet gelijk verdeeld. Het grootste deel
van de armsten in de wereld woont vandaag
de dag in middeninkomenslanden.
Bovendien blijven deze landen erg gevoelig
voor economische en politieke schokken. Ook
de klimaatswijzigingen stoppen niet aan de
grenzen van de middeninkomenslanden. Hun
binnenlandse politieke klimaat (diepgewortelde corruptie, politieke elites, inadequaat
belastingssysteem…) stelt hen niet altijd in
staat om op deze problemen een antwoord
te bieden. Anderzijds zijn deze landen niet
langer passieve ontvangers van hulp en eisen
ze een actieve rol op in het bepalen van de
juiste hulpinstrumenten. Meer nog, middeninkomenslanden zijn soms zelf donoren binnen
een Zuid-Zuid samenwerking.
Middeninkomenslanden staat ook niet voor
het gemiddelde tussen rijke landen en armste landen, maar gewoon voor de groep van
landen die in de rangschikking tussen rijke en
arme landen staan. Op enkele uitzonderingen
na, vaak met een gemiddeld inkomen dat
niet eens zo veel hoger is dan in de armste
Dit vereist dat de Westerse donoren op
zoek gaan naar specifieke strategieën van
ontwikkelingssamenwerking met de MIL. Om
dergelijke, vaak diepgewortelde institutionele
problemen aan te pakken, is het bijvoorbeeld
interessant om in te zetten op de versterking
van de civiele maatschappij en ngo’s.
2.4. Teveel koks in een drukke donorkeuken?
In wat voorafging hadden we het al over doeltreffende hulp, over verschillende soorten hulp
en over de specifieke aanpak in fragiele staten
en landen met een midden-inkomen. In dit
deeltje gaan we iets dieper in op de verschillende spelers binnen de ontwikkelingssamenwerking: overheden, ngo’s, organisaties als
VN, IMF en Wereldbank, particulieren…
Zijn er teveel koks in de keuken en lopen ze
elkaar voor de voeten? Soms wel, en de recente afspraken over meer doeltreffende hulp
proberen hier een antwoord op te geven. Maar
volstaat dit?
Net als in een sterrenrestaurant kan de ontwikkelingssamenwerking best wat verschillende handen gebruiken om zijn doelstellingen
te behalen. Maar als iedereen tegelijk chef wil
spelen of als iedereen dezelfde specialisatie
heeft, loopt het natuurlijk verkeerd. Daarom
moeten de verschillende actoren, meer dan
vroeger, consequente keuzes maken. Ze moeten zich concentreren op die aspecten van de
samenwerking waar ze voor de partners in
het zuiden de grootste meerwaarde kunnen
bieden. Die meerwaarde wordt grotendeels
bepaald door de aard van de vraag van het
ontvangende land, door de eigen sterke punten en specialisaties van de donor, en door
wat andere donoren te bieden hebben. Donoren moeten dus hun hulp afstemmen op het
25
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
onvangende land, én het werk (her)verdelen
met de andere donoren.
2.4.1. Samenwerking van overheid
tot overheid (bilaterale hulp)
Mede op vraag of onder druk van eigen burgers en middenveldorganisaties besteden rijke
landen geld aan ontwikkelingshulp. Omdat er
tot op vandaag geen belastingen geïnd worden door internationale instellingen, vertrekt
zo goed als alle officiële ontwikkelingshulp op
de een of andere manier uit de begrotingen
van overheden in rijke landen. Een deel daarvan besteden ze rechtstreeks, in de vorm van
samenwerking van land tot land. Een tweede
deel daarvan besteden overheden via internationale (multilaterale) organisaties zoals de VN
of IMF en Wereldbank. Voor Europa moeten
we ook de Europese commissie hierbij tellen.
De meeste donorlanden voorzien daarnaast
ook budgetten voor medefinanciering van
initiatieven van autonome organisaties uit hun
land (ngo’s en andere). Op de internationale
organisaties en de ngo’s gaan we verder in dit
hoofdstuk in.
Hulp van land tot land heeft het voordeel dat
ze voor de bevolking hier herkenbaarder is
dan hulp via multilaterale organisaties, wat het
draagvlak voor internationale solidariteit kan
Hoe hulp geven
versterken. Idealiter verdedigt een minister van
ontwikkelingssamenwerking ook de belangen
van het zuiden binnen een regering, maar dat
is niet altijd even vanzelfsprekend. Ontwikkelingssamenwerking maakt ook deel uit van
het ruimere buitenlandse beleid van landen en
dan loert eigenbelang steeds om de hoek. Dat
dit vaak tot slechte vormen van samenwerking
leidt werd eerder al uiteengezet.
Er is ook democratische controle op de besteding van de middelen, omdat regeringen
verantwoording moeten afleggen in het parlement over hoe ze belastinggeld uitgeven.
Een ander sterk punt ligt in de uitwisseling
van expertise onder ‘gelijken’, omdat een land
besturen vaak om vergelijkbare vaardigheden
vraagt. Een divers aanbod van mogelijke ontwikkelingspartners biedt ontwikkelingslanden
ook een zekere vrijheid om hun partners te
kiezen. Afhankelijkheid van één donor, of van
zeer grote donoren als IMF en Wereldbank,
maakt het heel moeilijk om eigenaarschap te
behouden.
Het grote nadeel van veel overheden die ‘zelf’
aan ontwikkelingshulp doen, is de grote versnippering die we eerder al aanhaalden. Heel
wat klassieke bilaterale donoren willen zich
met elk thema en elke sector bezig houden.
Dit moest onvermijdelijk tot efficientieproblemen leiden. Over de internationale afspraken
om hier iets aan te proberen doen hadden we
het al in hoofdstuk 2.2. Bilaterale donoren en
hun agentschappen moeten zich dus meer
specialiseren, hun interventies meer concentreren op die aspecten waar ze de grootste
meerwaarde kunnen bieden en desnoods hun
interventies in andere domeinen terugschroeven of delegeren aan anderen.
2.4.2 Multilaterale organisaties
De Verenigde Naties (VN )
De VN werden opgericht in 1945 met als hoofddoelstelling het bewaren van de internationale
vrede en veiligheid. Ondertussen zijn bijna alle
landen ter wereld er lid van en schenkt de VN
ook bijzonder veel aandacht aan mensenrechten en aan ontwikkeling. De achterliggende
gedachte is dat armoedebestrijding en een
verhoging van de levensstandaard noodzakelijke voorwaarden zijn voor een duurzame wereldvrede. Alle lidstaten betalen een verplichte
bijdrage voor de werking van de VN, berekend
op basis van hun nationale inkomsten. Daarnaast kunnen ze ook vrijwillige bijdragen doen.
Om specifieke problemen aan te pakken die
de hele mensheid aangaan, bestaat de VN
uit tientallen kleinere en grotere organisaties.
Samen vormen ze de VN-familie of het VNsysteem. De familie telt 2 takken.
Ten eerste zijn er de gespecialiseerde VNorganisaties, een groep onafhankelijke organen die ontstaan zijn uit intergouvernementele
verdragen en die door speciale samenwerkingsakkoorden met de VN verbonden zijn.
Enkele van de belangrijkste organisaties in
deze groep, vanuit ontwikkelingsperspectief,
zijn: de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO),
de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), de
Voedsel en Landbouworganisatie (FAO), de
VN organisatie voor onderwijs, wetenschap en
Cultuur (Unesco), de Wereldbank (WB) en het
Internationaal Monetair fonds (IMF). De band
tussen de VN enerzijds en de Wereldbank en
het Internationaal muntfonds anderzijds is niet
erg sterk.
Ten tweede zijn er de fondsen en programma’s
om de economische en sociale situatie van de
wereldbevolking te verbeteren. Zij vallen rechtstreeks onder de Economische en Sociale
Decentrale overheden
Internationaal groeide de voorbije jaren een
consensus dat ook decentrale overheden
(gaande van gemeenten tot regio’s met
wetgevende bevoegdheden) een positieve
rol kunnen spelen in ontwikkelingssamenwerking. Dit houdt natuurlijk wel een groot
risico op nog meer versnippering in. Regionale overheden moeten daarom des te
meer hun eigen bijdrage in de donorkeuken
sterk specialiseren en afbakenen.
gelijkwaardige overheden. Deze kunnen
ertoe bijdragen dat regio’s, provincies of gemeenten in het Zuiden beter hun opdrachten
voor openbare dienstverlening en lokaal of
regionaal ontwikkelingsbeleid kunnen waarmaken. Vaak kregen decentrale overheden
in het zuiden wel bepaalde bevoegdheden
toegewezen, maar ontbreekt het op die
niveau’s aan capaciteit en middelen om tot
duurzame resultaten te kunnen komen.
De grootste potentiële meerwaarde zit in
rechtstreekse partnerschappen en uitwisseling van expertise tussen min of meer
Ook decentrale overheden die zich op het
pad van de ontwikkelingssamenwerking
wagen moeten zich houden aan de
26
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
wereldwijde afspraken over meer doeltreffende ontwikkelingssamenwerking. Binnen
België betekent dit dat de federale overheid
en de gemeenschappen en gewesten,
provincies en gemeentebesturen goede
afspraken moeten maken. Dat geldt in
het bijzonder voor landen waar meerdere
van onze overheden actief zijn. De recente
evaluatie van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking door de OESO beveelt ook
nadrukkelijk aan om tot een gemeenschappelijke visie op ontwikkelingssamenwerking
voor de verschillende overheden binnen de
Belgische federatie te komen.
Hoe hulp geven
Raad van de VN (ECOSOC), die onder het gezag van de algemene vergadering van de VN
werkt. Ze formuleren beleidsaanbevelingen
en coördineren de sociale en economische
activiteiten van veel VN-organisaties.
De belangrijkste zijn: het ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP), de VN-conferentie
voor handel en ontwikkeling (UNCTAD), het
VN-noodfonds voor kinderen (UNICEF),
het Wereldvoedselprogramma (WFP), de
VN-conferentie voor Milieu en Ontwikkeling
(UNCED), het VN-bureau van de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen (UNHCR) en de
VN Mensenrechtencommissie (UNHRC).
Al deze organisaties voeren eigen actieprograma’s uit, maar proberen onderling hun
beleid in zekere mate op elkaar af te stemmen.
Op die manier kunnen ze het hoofd bieden aan
complexe problemen die de deskundigheid
van verschillende organisaties en de middelen
van de individuele staten ver overstijgen. Deze
afstemming is meteen ook een groot pluspunt
van ontwikkelingssamenwerking via de VN,
hoewel er nog veel ruimte is voor verbetering.
Dat blijkt uit het eigen initiatief van de VN met
als titel “One UN” of “Delivering as one”. Daarnaast blijft de VN, waar elk land een stem heeft,
de meest representatieve mondiale instelling.
Wereldbank (WB) en Internationaal
Monetair Fonds (IMF)
Het IMF en de Wereldbank zijn ook ontstaan
in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog.
In 1944 kwamen vertegenwoordigers van 45
landen samen in het Amerikaanse Bretton
Woods om afspraken te maken over de economische ordening van de wereld. In de jaren
dertig hadden landen met importbeperkingen
en eenzijdige devaluaties geprobeerd om hun
concurrentiepositie te behouden en de crisis
af te wentelen op de anderen, waardoor de
wereldeconomie in een neerwaartse spiraal
was terechtgekomen.
Het IMF is eind ’45 opgericht om toezicht te
houden op het internationaal monetair systeem, om te zorgen voor stabiele wisselkoersen en om handelsverstorende beperkingen
op het betalingsverkeer weg te werken.
De oorspronkelijke taakverdeling was scherp
afgelijnd. Het IMF moest de monetaire orde
handhaven, tijdelijke betalingsbalansproblemen van leden opvangen met kredieten op
korte termijn gefinancierd met ledenbijdragen
en het macro economisch beleid van de
betrokken landen bijstellen. De Wereldbank
ondersteunde de ontwikkeling van de leden
met langlopende kredieten voor projecten
of sectorale programma’s. Het geld kwam
grotendeels uit de kapitaalmarkt, behalve voor
leningen aan lage inkomenslanden, die door
ledenbijdragen worden gefinancierd.
Intussen is de scheidingslijn tussen beide instellingen vervaagd. De grootste kritiek op de
instellingen is echter dat ze allebei hun mandaat te buiten zijn gegaan en vaak op een heel
eenzijdige manier kozen voor een doorgedreven
versie van de kapitalistische markteconomie,
met een voorwaardenbeleid dat privatisering,
deregulering en handelsliberalisering opdrong
aan ontwikkelingslanden.
De Wereldbank richt zich in haar denkwerk
en financiering op zowat alle aspecten van de
economie en de maatschappij: handel, goed
bestuur, ecologie, dienstverlening, gezondheidszorg, aids, corruptie, water, onderwijs,
armoedebestrijding, de rol van de staat in
ontwikkeling, versterking van de privésector,
enz… Die honger naar meer thema’s is volgens critici niet altijd positief. In de loop van de
voorbije twee decennia heeft de Wereldbank
heel wat VN-instellingen van de baan gereden.
De laatste jaren probeert de Wereldbank ook
op het beheer van de fondsen voor de strijd
tegen de klimaatveranderring naar zich toe
te trekken. Ook al blijft de bank, tegen beter
weten in, zwaar investeren in fossiele energie.
Beide instellingen kunnen een eigen meerwaarde en specifieke rol in ontwikkeling
hebben. Maar door de eenzijdige, soms zelfs
dogmatische kijk op economie en maatschappij en door het steeds uitbreiden van het actieterrein deden ze soms ook meer kwaad dan
goed. In de toekomst zou hun mandaat strikter
moeten worden afgebakend. Ze zouden veel
meer dan nu in het VN kader moeten worden
ingeschakeld.
De Wereldbank, officieel de Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD), heeft hetzelfde
geboortejaar. Hij is opgericht om via langetermijnfinanciering ledenlanden te helpen bij de
wederopbouw na de massale puinhoop van de
tweede Wereldoorlog. Beide instellingen hebben een band met de VN, maar moeten geen
verantwoording afleggen aan de Algemene
Vergadering of de Secretaris Generaal.
27
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Hoe hulp geven
2.4.3 Niet-Gouvernementele
Organisaties
Behalve nationale overheden en internationale
organisaties zetten ook talloze organisaties uit
het maatschappelijk middenveld allerlei ontwikkelingsinitiatieven op. De meest bekende
groep zijn de niet-gouvernementele organisaties of ngo’s. In het zuiden wordt deze noemer
gebruikt voor een brede waaier aan autonome
maatschappelijke organisaties. Bij ons bedoelen we er meestal enkel organisaties mee die
gespecialiseerd zijn in ontwikkelingssamenwerking. Wij zullen de naam ook enkel in die
betekenis gebruiken.
De eerste ngo’s, of hun voorlopers, zijn
ontstaan in de periode kort na de dekolonisatie. Vaak ontstonden ze vanuit bestaande
maatschappelijke organisaties, zoals de kerk
of de arbeidersbeweging. Aanvankelijk leek
de belangrijkste drijfveer liefdadigheid en in
de geest van de tijd werden talloze concrete
projecten opgezet of ondersteund.
Die pioniers richtten zich allemaal naar hun
traditionele achterban, of naar het brede
publiek (of beide) om de nodige fondsen bij
elkaar te brengen voor “de derde wereld”.
Anno 2010 zijn de meeste ngo’s professionele
organisaties geworden. De overheid draagt
een belangrijk deel van de middelen bij.
Met het aantal ngo’s groeide ook de verscheidenheid. Elk heeft een eigen specifieke
invalshoek en aanpak.
De aanpak veranderde van liefdadigheid en
eerder paternalistische ontwikkelingshulp,
waarbij de noordelijke ngo’s alles beslisten
en uitvoerden, naar de hedendaagse partnerschappen tussen gelijkgestemde organisaties
in Noord en Zuid.
De heel uiteenlopende activiteiten van ngo’s
zijn niet onder één noemer te vatten. Meestal
worden drie belangrijke functies van ngo’s
naar voor geschoven. In elk van die domeinen
hebben ngo’s een eigen specifieke rol te vervullen die moeilijk of niet op dezelfde manier
vervuld kan worden door overheden of door
internationale organisaties. Twee daarvan
spelen zich af in het Noorden. Hier maken
ngo’s enerzijds het publiek bewust van de
ongelijke verhoudingen tussen Noord en Zuid.
Anderzijds doen ze beleidswerk, waar ze als
waakhond het beleid van de overheid (en het
bedrijfsleven) naar het Zuiden in de gaten
houden.
De derde functie speelt zich af in het Zuiden.
Daar versterken ze het lokale middenveld.
Deze rol is de afgelopen vijftig jaar sterk geevolueerd. Ngo’s zijn niet zomaar leveranciers
van goederen en diensten meer. Ze spelen
vooral een ondersteunende rol bij het werk
De vierde pijler van de ontwikkelingssamenwerking
De drie groepen bovenstaande groepen,
overheid, internationale organisaties en
ngo’s, worden ook wel de pijlers van de
ontwikkelingssamenwerking genoemd.
Sinds enkele jaren spreken we in Vlaanderen ook vaak van een vierde pijler. De
Vierde pijler is een naam voor een enorm
diverse groep van verenigingen, organisaties en spontane burgerinitiatieven, die
zich ook op het pad van de ontwikkelingssamenwerking begeven. Het spreekt voor
zich dat er een groot verschil is tussen
bijvoorbeeld samenwerkingsinitiatieven van
mutualiteiten en de steun voor het bouwen
van een waterpunt door een groepje
rugzaktoeristen die na hun wereldreis de
microbe te pakken kregen en ook iets
willen doen.
De aard van de organisaties, hun aanpak
en motieven verschillen dus nog veel
sterker dan bij de “derde pijler”, de ngo’s
voor ontwikkelingssamenwerking. Ontwikkelingssamenwerking is niet langer enkel
iets is voor specialisten, maar van een
heel breed gamma van maatschappelijke
28
actoren. Terwijl de eerste drie partners
steeds meer de nadruk leggen op structurele hulp eigenaarsschap in het Zuiden,
dreigt ontwikkelingssamenwerking voor
velen een ver-van-mijn-bed-show te worden. Daarom willen meer en meer mensen
opnieuw zelf de handen uit de mouwen
steken, voor heel concrete projecten.
Dit heeft voor en nadelen. Critici waarschuwen voor een nog veel ergere versnippering van middelen en capaciteit, voor
een terugkeer naar, soms paternalistische,
liefdadigheid zonder de oorzaken van
blijvende onderontwikkeling aan te pakken.
Vaak wordt ook gewezen op beginnersfouten die deze verenigingen maken.
Fouten die ook de ngo’s in hun beginjaren
maakten, maar waar ze dankzij jarenlange
ervaring overheen geraakt zijn. Waarom
moeten we opnieuw van vooraf aan beginnen? Voorstanders wijzen op het bredere
draagvlak voor internationale solidariteit
dat op deze manier ontstaan is. Niet
iedereen vindt zijn gading in de werking en
de, soms complexe, boodschap van de
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
gevestigde ngo’s. Het lijkt ook onmogelijk
en contraproductief om te proberen mensen te verbieden zelf initiatief te nemen.
In alle argumenten zit een stuk van de
waarheid. De kwaliteit van de hulp verschilt
ook sterk van groep tot groep. Grote maatschappelijk actoren, zoals mutualiteiten,
die partnerschappen uitbouwen met vergelijkbare organisaties weten meestal goed
genoeg waar ze mee bezig zijn. Kleine
groepjes “doe het zelvers” proberen af en
toe wel om zelf het warm water opnieuw uit
te vinden.
De Vlaamse overheid en 11.11.11 hebben
het “Steunpunt 4e pijler” opgericht. Dit
steunpunt probeert ‘beginnersfouten’
zoveel mogelijk te vermijden, door het
bundelen van expertise en door het
organiseren van vorming. Bovendien biedt
het steunpunt een ontmoetingsforum, waar
nuttige vormen van samenwerking kunnen
ontstaan.
Hoe hulp geven
dat het middenveld in het Zuiden zelf levert. Ze
helpen mee om de capaciteiten in het Zuiden
op te bouwen.
De enorme variatie aan middenveldorganisaties in het Zuiden, vertaalt zich hier in heel wat
partnerngo’s. In België alleen zijn er honderden
organisaties op de één of andere manier met
ontwikkelingssamenwerking bezig. Op zich is
er niets mis met veelheid en verscheidenheid.
Rijkdom en diversiteit op het middenveld is en
blijft een belangrijke democratische waarde
op zich. Het gaat steeds om groepen mensen
die hun krachten bundelen om zelf te werken
aan verandering, om zelf het heft in handen
te nemen. Ook de klein- of grootschaligheid
is niet per definitie een criterium. In het palmares dat de ngo’s kunnen voorleggen hebben kleine, sterk inhoudelijk of geografisch
gespecialiseerde organisaties een meer dan
behoorlijk aandeel.
Zuiden. Wat winnen we erbij om bijvoorbeeld
een organisatie met veel expertise en stevige
partnerschappen in bvb. rurale ontwikkeling
in Tanzania, te dwingen die sector te verlaten
omdat de bilaterale samenwerking om allerlei
redenen zou willen concentreren op andere
sectoren in dat land?
Ngo’s moeten inzetten op efficiëntie, zonder
hun specifieke en onafhankelijke rol in de ontwikkelingssamenwerking te verliezen.
De schaduwkant van deze bonte verscheidenheid is een versnippering van krachten waarin
vaak veel energie verloren gaat. Het verlies zit
hem dan vooral in te weinig afstemming, in
gebrek aan goed afgesproken taakverdeling,
in een wat kortzichtige verdediging van institutionele belangen, in gebrek aan continuiteit
van de acties, in individueel opboksen tegen
toenemende bureaucratische druk van de
overheid.
De kunst is dus om krachten te bundelen
zonder te stranden in te complexe en logge
stucturen. Een toverformule bestaat hiervoor
niet, en het blijft dus een permanent aandachtspunt. De verscheidenheid maakt de
nood aan een gezamenlijke visie sterker. Die
visie moet open en flexibel genoeg zijn, maar
zou toch een toetsbare richtlijn voor acties en
initiatieven moeten leveren.
Behalve goed samenwerken ligt er ook een
opdracht om de eigen werking te specialiseren, af te bakenen en te concentreren. Ook
grote ngo’s kunnen niet alles doen. Zowel
individuele schenkers als de subsidiërende
overheid verwachten duidelijke doelstellingen
die gehaald worden. Ze verwachten dat ngo’s
verantwoording afleggen voor de gekregen
middelen.
Maar we moeten even goed voorkomen dat
de slinger al te ver doorslaat naar de andere
kant. Tegenstanders van een sterk en onafhankelijk middenveld pleiten te makkelijk voor
het volledig inschakelen van de ngo’s in het
overheidsbeleid. Niet alleen ondermijnt dit
een essentiële rol van het middenveld, als
onafhankelijke “waakhond” van het overheidsbeleid. Het maakt het ook moeilijker om onafhankelijke partnerschappen aan te gaan in het
29
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Hoe hulp geven
Besluit: Voorbij hulp
Met dit dossier willen we aantonen dat goede
hulp helpt. We hebben gezien dat de nood
nog altijd zeer hoog is, ondanks de vooruitgang die al geboekt werd. Zeker na de financiële crisis, die een mondiale kater achterliet,
verwacht het Zuiden meer dan ooit onze
solidariteit. De afgelopen decennia vergaten
we steevast onze beloftes op het gebied van
hulp na te komen. Daar moet verandering in
komen en er moet dringend méér hulp gegeven worden.
Tegenstanders daarvan halen vaak dezelfde
kritiekpunten aan. Zo menen ze dat hulp landen ervan weerhoudt privékapitaal te zoeken,
dat landen afhankelijk worden van hulp, dat
het geld verdwijnt door corruptie, dat er toch
niets te doen valt aan armoede door vaststaande feiten als cultuur en geografische
omstandigheden, dat het geld de armsten
toch niet bereikt en dat het geld blijft plakken
in het Noorden. We bekeken waar deze kritiek vandaan komt. Een deel ervan bleek zeer
onterecht, andere punten bevatten een grond
van waarheid. Maar we trokken de conclusie
dat geen van deze kritieken daadwerkelijk
een argument zijn om met hulp te stoppen.
Sterker nog, zaken als aanhoudende corruptie in een deel van de armste landen moet
juist bestreden worden, onder andere door
ontwikkelingssamenwerking.
We bekeken ook de alternatieven die tegenstanders bieden. Een deel ervan bleek geen
waardig alternatief te zijn voor hulp, zoals het
aantrekken van buitenlandse investeringen
en leningen en het ontvangen van geld dat
migranten naar het land van herkomst sturen.
Een andere deel bleek geen alternatief voor
hulp, maar eerder een andere vorm ervan, zoals opkomende donoren en microkredieten.
Vervolgens trokken we onze lessen uit de
geschiedenis van de hulp. We benadrukten
dat de ontvanger altijd de eigenaar is van
goede hulp. Met ontvanger bedoelen we hier
zowel de ontvangende overheid als de bevolking aan wie de hulp ten goede moet komen.
Goede hulp is ongebonden, wordt niet gegeven op basis van geografische belangen en
hangt niet vast aan verstikkende conditionaliteiten. Goede donoren zorgen ervoor dat
hun hulp geconcentreerd, niet versnipperd
en transparant is. Dat is het soort hulp dat
zich volgens ons op termijn overbodig kan
maken. Speciale aandacht moet daarbij
gaan naar de situatie van fragiele staten en
middeninkomenslanden.
30
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
De prangende vraag hoe het kan dat arme
landen nog steeds arm zijn, ondanks decennia ontwikkelingssamenwerking, hebben we
daarmee deels beantwoord. We gaven veel
minder hulp dan we denken en wat we gaven
werd niet altijd goed besteed. Toch verklaart
dit nog niet alles. We zagen immers dat er wel
degelijk successen werden geboekt.
Het antwoord is dat hulp een katalysator kan
zijn voor ontwikkeling, maar alleen hulp geven
is veruit onvoldoende om tot een duurzame
ontwikkeling te komen. Ons gedrag beïnvloedt
op heel veel manieren het dagelijks leven in
het Zuiden. Ontwikkelingssamenwerking is
daar maar één aspect van. Wie beweert dat de
vooruitgang in het Zuiden staat of valt met hulp,
doet de ontwikkelingssector teveel eer aan.
We geven hulp, omdat we het belangrijk vinden ons solidair te tonen met het Zuiden. Maar
wie naar het totaalplaatje van het beleid kijkt,
kan moeilijk om de conclusie heen dat we die
solidariteit nu ook weer niet zo heel belangrijk
vinden. Vaak wordt er met de ene hand gegeven, en met de andere hand ontnomen. We
steunen kleine Afrikaanse boeren bij de productie, maar zorgen er met oneerlijke handelsverdragen voor dat ze geen geld krijgen voor
hun werk. We geven hulp aan de Palestijnen,
maar laten de pasgebouwde huizen omver
gooien als het conflict met Israël weer oplaait.
We schelden schulden kwijt, maar we blijven
landen budgettaire autonomie ontnemen door
het beleid van het IMF. We geven noodhulp
bij rampen, maar door volop CO2 te blijven
uitstoten zorgen we ervoor dat het aantal
natuurrampen in de toekomst flink zal stijgen.
We stellen ons dus licht schizofreen op als het
om onze bekommernis met het Zuiden gaat.
Als we willen dat onze hulp echt zin heeft,
moet het Noorden dringend een coherenter
beleid voeren, met name een beleid waarbij
de beleidsbeslissingen in alle beleidsdomeinen die een invloed hebben op ontwikkeling
(landbouw, handel, klimaat, migratie, etc.) een
bijdrage leveren tot een duurzame ontwikkeling voor iedereen, wereldwijd.
11.11.11 probeert net dat verhaal dag in dag uit
op de politieke agenda te plaatsen. We zetten
de gevolgen van een inconsequent ontwikkelingsbeleid in de kijker. Zo maakten we een
affiche met een boer die dreigde te stikken
omdat hij een ui in zijn mond gepropt kreeg.
De West-Afrikaanse man die er op poseerde,
beeldde een boer uit die niet meer kon leven
van de landbouw. Hij werd het gezicht van de
onmacht ten opzicht van de EPA’s, Europese
Besluit: Voorbij hulp
vrijhandelsakkoorden die boeren in het Zuiden
het mes op de keel zetten. Na een jarenlange
strijd van ngo’s en anderen tegen de EPA’s
lijkt Europa het ondertussen op te geven.
Europees commissaris voor Handel Karel De
Gucht gaf onlangs aan dat de onderhandelingen in het slop zitten en dat het tijd wordt om
naar alternatieven uit te kijken.
Het is maar één van de vele manieren waarop
ngo’s hier in het Noorden verandering proberen te brengen in incoherent beleid. Maar
hoewel we hier en daar successen boeken op
het gebied van specifieke gevallen van incoherent beleid, blijft de zorg voor een coherent
beleid in zijn geheel bij de beleidsmakers achterwege. Hoe overheden er systematisch voor
kunnen zorgen een coherent beleid te voeren,
maakt geen deel uit van dit dossier. Wie er
meer over wil weten, kan het ‘Jaarrapport van
de Belgische ontwikkelingssamenwerking’ dat
11.11.11 uitbracht, raadplegen.
Wel willen we hier de grenzen van hulp duidelijk maken. Daarmee komen we opnieuw
bij de vraag of het dan wel zin heeft om hulp
te blijven geven, als we toch tegen de stroom
in moeten roeien. De voorbeelden die we net
gaven, zijn maar een kleine greep uit de vele
voorbeelden die aantonen dat we er nog altijd
in slagen onze eigen hulp zoveel mogelijk te
ondermijnen. Dat is de belangrijkste reden dat
na vele decennia de nood nog altijd zo groot is
en we nog altijd oproepen tot solidariteit met
het Zuiden.
Juist in een wereld waar de armsten het op
alle vlakken moeten ontgelden door ons beleid, waar ze te maken krijgen met crises rond
klimaat, voedsel en geld, is hulp meer dan
ooit nodig én zinvol. In een wereld waar we
een incoherent ontwikkelingsbeleid voeren, is
hulp het stootkussen dat de ergste klappen
ontvangt. Hulp voorkomt dagelijks menselijke
tragedies en bouwt dagelijks succesverhalen.
Daarvan gaven we genoeg voorbeelden in dit
dossier om aan te tonen dat hulp zin heeft,
ondanks een incoherent beleid.
We zijn echter ambitieuzer dan dat. In het
beste geval is hulp een onderdeel van een coherent beleid. Dan kan het de katalysator voor
een blijvende vooruitgang zijn. Wanneer we
dan positieve ontwikkelingen aanmoedigen
en versterken door hulp, kunnen we er zeker
van zijn dat we blijvende resultaten boeken.
Daar blijven we als Noord-Zuid beweging op
hameren. Want in dat geval zullen we bij ons
einddoel terecht komen: het overbodig maken
van ontwikkelingshulp.
31
Zin en onzin van ontwikkelingshulp
Besluit: Voorbij hulp
Contact :
11.11.11
Koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging
Vlasfabriekstraat 11
1060 Brussel
(+32) (0)2 536 11 11
[email protected]
www.11.be/11
191 landen ondertekenden een akkoord om tegen 2015 de armoede in de wereld te halveren.
Voer samen met de Vlaamse Noord-Zuidbeweging actie om de politici aan hun belofte te
herinneren én de lat hoger te leggen. Armoede moet de wereld uit!
www.detijdloopt.be
Download