Dikke darm operatie - Albert Schweitzer ziekenhuis

advertisement
Dikke darm
operatie
Naar het ziekenhuis? Lees eerst de informatie op www.asz.nl/brmo.
Inleiding
U heeft een afwijking in uw dikke darm. U wordt daarom binnenkort
geopereerd. In deze folder leest u meer over de behandeling.
De dikke darm
Eten komt via uw mond, slokdarm en maag in de dunne darm en
daarna in de dikke darm terecht. Vanuit de dunne darm gaat het
naar de dikke darm. Vanuit de darmen worden voedingsstoffen in de
bloedbaan opgenomen.
De dikke darm haalt vocht uit de ontlasting. Hierdoor wordt de
ontlasting dikker. Ook als een groot deel van de dikke darm is
verwijderd, blijft de dikke darm de ontlasting indikken.
De dikke darm is ongeveer 150 cm lang en wordt ingedeeld in vijf
stukken (zie afbeelding 1; de letters A t/m E). De endeldarm eindigt
in de anus.
Afwijkingen in de dikke darm
In de dikke darm kunnen twee soorten afwijkingen voorkomen: een
ontsteking en een gezwel. De klachten bij ontstekingen en bij
gezwellen kunnen hetzelfde zijn. Veel voorkomende klachten zijn:
 verandering in de regelmaat van de stoelgang;
 afwisselend dunne en dikkere ontlasting gedurende langere tijd;
 slijm en/of bloedverlies bij de ontlasting;
 zeer donkere tot zwarte ontlasting.
Vaak wordt bij deze klachten eerst een colonoscopie gedaan
(kijkonderzoek in de darmen). Daarmee kan meestal een diagnose
worden gesteld.
1
A: opstijgende dikke darm (= colon ascendens)
B: dwarse dikke darm (= colon transversum)
C: afdalende dikke darm (= colon descendens)
D: S-darm of kronkeldarm (= sigmoïd)
E: endeldarm (= rectum).
Afbeelding 1: de buik met de darmen (*).
2
Welk soort operatie?
Er zijn veel soorten operaties aan de dikke darm mogelijk.
Bij een ontsteking hangt het van de ernst en het soort ontsteking af
welke operatie nodig is. Bij een (kwaadaardig) gezwel is dit vooral
afhankelijk van de plaats van het gezwel in de dikke darm. De
chirurg bespreekt met u wat de reden is van uw operatie en welk
soort operatie bij u waarschijnlijk gedaan wordt. In de tekening op
blz 4 kan de arts de situatie in uw darmen tekenen.
Voor de operatie worden veel onderzoeken gedaan. De chirurg
heeft met u besproken of u een stoma krijgt. Hij heeft u ook verteld
of dit stoma tijdelijk of blijvend is.
Tijdens de operatie is het soms nodig om toch een ander soort
operatie uit te voeren. Ook kan de chirurg alsnog besluiten dat het
aanleggen van een stoma toch nodig is. Het is goed dat u zich dat
vooraf realiseert. Bij alle operaties waarbij (misschien) een stoma
wordt aangelegd, heeft u al voor de opname een gesprek met de
stomaverpleegkundige.
3
Afbeelding 2: uw situatie (*)
Een stoma
Bij een stoma wordt het uiteinde van de darm gehecht in de
buikwand. Dit wordt een enkelloops stoma genoemd. Er kan ook
een stoma worden aangelegd waarbij een stukje darm in de
lengterichting wordt geopend. Deze opening wordt dan in de
buikwand gehecht. Dit heet een dubbelloops stoma.
4
Afbeelding 3: een enkelloops stoma (*)
Afbeelding 4: een dubbelloops stoma (*)
5
De ontlasting verlaat het lichaam dan via deze uitgang en wordt
opgevangen in een kunststof zakje. Andere benamingen voor dit
stoma zijn colostoma of AP (anus praeternaturalis).
Wanneer is een tijdelijk stoma nodig?
 Als er tijdens de operatie niet direct een aansluiting tussen
twee darmstukken kan worden gemaakt;
 of als de gemaakte aansluiting tussen twee darmstukken de
eerste periode niet mag worden gebruikt. Het aanleggen van
de stoma is dan een veiligheidsmaatregel om te voorkomen
dat er lekkage bij de aansluiting optreedt. Dit voorkomt dat er
ontlasting in de buikholte terecht komt.
Een stoma is blijvend als het laatste deel van de dikke darm
verwijderd wordt en de overgebleven darm niet aan de anus
gehecht kan worden.
Indien mogelijk informeert de stomaverpleegkundige u voor de
operatie uitgebreid en bepaalt de plaats van de stoma. Soms is dit
tijdens een bezoek aan de polikliniek, maar dit gesprek kan ook
plaatsvinden op de verpleegafdeling.
De stomaverpleegkundige en de afdelingsverpleegkundige leren u
tijdens uw opname hoe u uw stoma verzorgt.
Als er een tijdelijk stoma wordt aangelegd dan bespreekt de
chirurg met u wanneer de stoma weer opgeheven wordt. Meestal
is dat na drie maanden mogelijk. Het opheffen van een stoma
gebeurt tijdens een (kleinere) operatie.
ERAS programma
U volgt tijdens de ziekenhuisopname het ERAS programma.
Dit programma zorgt ervoor dat u na de operatie sneller herstelt.
ERAS is een afkorting van de Engelse woorden: Enhanced
Recovery After Surgery. In het Nederlands betekent dit “versneld
herstel na operatie”.
6
Mensen herstellen na een operatie sneller als:
 De wond zo klein mogelijk is. Er is dan minder schade aan het
weefsel. Het weefsel herstelt sneller.
 U een goede pijnbestrijding krijgt. U krijgt speciale medicijnen
tegen de pijn die zo min mogelijk bijwerkingen hebben op uw
maag- en darmwerking.
 U zo snel mogelijk na de operatie weer uit bed komt. Bij langer
op bed liggen verliest u namelijk spierkracht.
 U zo snel mogelijk weer gaat eten na de operatie. Hierdoor
verliest u zo min mogelijk gewicht. Ook blijven uw spieren beter
in conditie.
In deze folder staan de algemene richtlijnen van het ERAS
programma beschreven. De chirurg kan besluiten om van dit
programma af te wijken. Dit wordt dan met u besproken.
Pré-operatieve screening
Om er zeker van te zijn dat u de operatie lichamelijk aankunt, heeft
u enige tijd voor de operatie een afspraak bij de anesthesioloog voor
een pré-operatieve screening. De anesthesioloog bespreekt de
mogelijkheden van anesthesie en pijnbestrijding met u.
Het onderzoek kan uitgebreid worden met aanvullend onderzoek
zoals bloedonderzoek, ecg (hartfilmpje) en een longfoto of
onderzoek door een andere specialist, zoals de internist of de
cardioloog.
Als alles akkoord is kunt u een oproep voor de operatie verwachten.
Overgevoeligheid / allergie
Als u overgevoelig bent voor medicijnen, bijvoorbeeld antibiotica
meldt u dit aan de chirurg, anesthesioloog en verpleegkundige. Als u
niet precies weet voor welke medicijnen u overgevoelig bent, kunt u
dit via uw huisarts of apotheek proberen te achterhalen.
7
Medicijngebruik
Als u medicijnen gebruikt, moet u dit altijd doorgeven aan de chirurg
en anesthesioloog. Misschien moet u een aantal dagen voor de
operatie moet stoppen met bepaalde medicijnen. Als u bloedverdunnende medicijnen gebruikt en er is niet met u besproken of u
moet stoppen, neem dan zelf contact op met de pré-operatieve
polikliniek om dit door te geven.
Het intakegesprek
U heeft ook een gesprek met een verpleegkundige van de
verpleegafdeling. De verpleegkundige stelt u vragen over uw
ziektevoorgeschiedenis, medicijngebruik etc. Verder vertelt de
verpleegkundige hoe de opname in het ziekenhuis verloopt.
Als de afwijking in uw darm kwaadaardig is, krijgt u een
intakegesprek bij de oncologieverpleegkundige. Zij is
gespecialiseerd op het gebied van kanker aan het maagdarmstelsel
en zal u begeleiden tijdens het traject van de operatie.
Huishoudelijke hulp
Na de operatie mag u een aantal weken geen zwaar huishoudelijk
werk doen. Als u geen partner of huisgenoten heeft die dit kunnen
doen, dan kunt u huishoudelijke hulp aanvragen. Deze aanvraag
moet u zelf doen bij het WMO-loket van uw woonplaats. WMO
betekent Wet Maatschappelijke ondersteuning.
Als u in de regio Drechtsteden woont kunt u daarvoor tijdens
kantooruren bellen met tel. (078) 770 89 10. Woont u buiten deze
regio, dan belt u met het gemeentehuis in uw woonplaats.
De aanvraag van huishoudelijke hulp kan een paar weken duren.
We raden u daarom aan om dit al voor uw opname in het ziekenhuis
aan te vragen. Voor huishoudelijke hulp moet u een
inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen.
8
Opname in het ziekenhuis
De dag van opname en het tijdstip dat u zich moet melden zijn
afhankelijk van de voorbereidingen die u nodig heeft voor de
operatie.
Van bureau opname krijgt u te horen wanneer u wordt verwacht.
 Als u één dag voor de operatie wordt opgenomen dan meldt u
zich om 19.00 op afdeling A2. U krijgt bij de opname te horen
hoe laat de operatie de volgende dag gaat plaatsvinden.
 Als u op de dag van de operatie wordt opgenomen, dan belt u de
dag ervoor tussen 15.00-16.00 naar afdeling A2. U krijgt dan te
horen hoe laat u wordt verwacht en het tijdstip dat u wordt
geopereerd.
U neemt alle medicijnen die u gebruikt, in originele verpakking, mee
naar het ziekenhuis.
Darmvoorbereiding
Afhankelijk van de soort operatie die u gaat krijgen, wordt er
gekeken of en op welke manier u moet worden voorbereid.
Slaap- en kalmeringstabletten
Na de operatie moet u zo snel mogelijk weer uit bed komen. Als u
suf of slaperig bent, lukt dat niet. Daarom krijgt u geen slaap- of
kalmeringstabletten rondom de operatie. Bent u erg nerveus voor de
operatie, dan kunt u dit tijdens de pré-operatieve screening met de
anesthesioloog bespreken.
Als u dagelijks een slaap- of kalmeringstablet gebruikt, mag u deze
blijven nemen. Sufheid komt veel minder voor als u aan deze
tabletten gewend bent.
Verdere voorbereidingen
Soms wordt voor de operatie al een infuus ingebracht om vocht of
antibiotica te geven.
9
Naar de operatiekamer
Ongeveer een half uur voor de operatie vraagt de verpleegkundige u
om uit te plassen. U krijgt een operatiejasje aan. Tijdens de operatie
mag u geen sieraden, piercings, nagellak, kunstnagels, make-up,
contactlenzen, brillen, gebitsprothese en hoorapparaten dragen.
De verpleegkundige brengt u naar de operatieafdeling.
Pijnbestrijding
Meestal wordt voor de operatie een slangetje (epidurale catheter)
tussen uw wervels ingebracht. Via deze catheter wordt de plaats
van de operatie plaatselijke verdoofd. Hierdoor heeft u na de
operatie minder of geen pijnstilling nodig. Dit voorkomt bijwerkingen
zoals sufheid of maag- en darmklachten. Uw darmen liggen hierdoor
na de operatie niet stil. U kunt snel weer eten en drinken.
Geef tijdig aan dat u pijn heeft. De pijn kan dan makkelijker worden
bestreden.
Verder krijgt u vier keer per dag twee tabletten paracetamol. Ook als
u geen pijn heeft, moet u deze tabletten innemen. Dit zorgt voor een
sneller herstel.
Anesthesie
De epidurale catheter zorgt voor een plaatselijke verdoving.
Daarnaast krijgt u algehele anesthesie (narcose). De algehele
anesthesie is zo afgestemd, dat u niets merkt van de operatie.
Binnen een half uur na de operatie bent u weer bij bewustzijn.
De operatie
De chirurg bespreekt met u op de polikliniek of de operatie
laparoscopisch (via kijkoperatie) of via een open wordt gedaan. Bij
de laparoscopische operatie worden er een aantal sneetjes in de
buikwand gemaakt. Bij de open operatie maakt de chirurg meestal
een snede in het midden van uw buik tussen uw borstbeen en uw
schaambeen.
De lengte van deze snede hangt af van de soort operatie die wordt
uitgevoerd. De chirurg heeft vooraf het soort operatie met u
besproken.
10
Als er tijdens de operatie complicaties optreden, kan het zijn dat een
ander soort operatie wordt gedaan. De chirurg vertelt u na afloop
van de operatie hoe deze is verlopen.
De operatie duurt ongeveer tussen 1½ - 4 uur.
Na de operatie
U ligt nog een paar uur op de verkoeverkamer (uitslaapkamer). Hier
worden uw bloeddruk, hartslag en wond regelmatig gecontroleerd.
Na de operatie heeft u:
 Een catheter in uw blaas. Dit is een dun slangetje dat de urine
afvoert naar een opvangzak.
 Een infuus in uw arm. Via dit infuus krijgt u vocht toegediend.
 Een epidurale catheter in uw rug voor pijnstilling.
 Bij de laparoscopische operatie wordt gas in de buik gespoten,
dit kan een pijnlijk gevoel bij de schouders geven. Dit trekt
vanzelf weg.
Soms heeft u:
 Een maagsonde. Dit is een slangetje dat via uw neus in uw
maag ligt. De maagsonde houdt uw maag leeg. Pas als uw
darmen weer goed werken wordt de maagsonde verwijderd.
 Eén of meer drains in uw buik. Een drain is een dun slangetje
dat wondvocht afvoert. De drains worden een aantal dagen na
de operatie verwijderd.
Zodra de controles stabiel zijn en de pijn houdbaar is, wordt u naar
de verpleegafdeling teruggebracht.
U krijgt tijdens de ziekenhuisopname iedere avond een injectie met
een medicijn dat de kans op trombose vermindert. Als er een
kwaadaardig gezwel is verwijderd, dan moet u de injecties
gedurende drie weken doorgebruiken. Soms kan de chirurg om
andere redenen besluiten ook de injecties drie weken door te laten
gebruiken. Dit wordt met u besproken.
11
Tijdens de opname oefent de verpleegkundige het injecteren met u.
Eten en drinken
Na de operatie mag u al weer snel wat gaan drinken. Aan het einde
van de operatie heeft u via het infuus medicijnen gekregen die
misselijkheid zoveel mogelijk moeten voorkomen. Als u niet misselijk
bent, probeer dan minstens een halve liter te drinken.
Als avondeten krijgt u een vloeibare maaltijd. U voelt zelf of u in
staat bent om te eten. Meestal bent u de eerste dagen niet in staat
om een normale hoeveelheid te eten. De diëtiste adviseert u en
schrijft eventueel drinkvoeding voor.
Soms mag u direct na de operatie niet gelijk weer eten en drinken. U
mag dan alleen slokjes water drinken. Gedurende de dagen na de
operatie wordt uw dieet uitgebreid.
Beweging
Bewegen is belangrijk om de kans op trombose (bloedstolsels) te
voorkomen maar ook om verlies van spierkracht tegen te gaan. Als
u rechtop zit, is uw ademhaling beter. U heeft minder kans op
luchtweginfecties.
Na de operatie gaat u zo snel mogelijk weer bewegen. De dag van
de operatie moet u proberen eventjes rechtop in bed of in een stoel
te zitten. De eerste keer komt u onder begeleiding van een
verpleegkundige uit bed. U kunt wat duizelig zijn, bijvoorbeeld door
een lage bloeddruk. De verpleegkundige blijft daarom bij u in de
buurt.
De fysiotherapeut zal u ook gedurende de opname begeleiden bij
het bewegen en geeft ademhalingsoefeningen.
De eerste dag na de operatie
De verpleegkundige helpt u bij het wassen. Daarna gaat u in een
stoel zitten. U probeert een paar keer per dag een poosje in een
stoel te zitten en bij voorkeur ook rond te lopen.
Tenzij de chirurg anders met u heeft afgesproken mag u weer
normale voeding.
12
Om de spijsvertering te bevorderen kunt u een aantal keer per dag
op kauwgom kauwen.
Uw voelt dat uw darmen weer op gang komen. In uw darmen zit veel
lucht. Daarom moet u ook windjes laten. Probeer deze windjes niet
op te houden.
U krijgt gedurende de rest van de opname twee keer per dag een
laxeermiddel in de vorm van kauwtabletten. Dit laxeermiddel zorgt
ervoor dat uw darmen weer goed gaan werken en dat u binnen drie
dagen ontlasting heeft.
Uw ontlasting is de eerste dagen dunner en anders van kleur. Dit is
normaal na deze operatie.
U krijgt vier keer per dag paracetamol. Ook als u geen pijn heeft,
moet u deze pijnstillers toch gebruiken.
Als u via een kijkoperatie (laparoscopisch) bent geopereerd, wordt
de epiduraalcatheter en blaascatheter verwijderd.
De tweede dag na de operatie
Als u via een open wond bent geopereerd wordt in overleg met het
pijnteam de epiduraalcatheter verwijderd. Daarna wordt ook de
blaascatheter verwijderd. U probeert binnen zes uur te plassen. Als
dat niet lukt, kan het nodig zijn om uw blaas nogmaals met een
catheter leeg te maken.
U krijgt nog vier keer per dag paracetamol.
Zodra u 1½ liter kunt drinken, wordt het infuus verwijderd.
U kunt uzelf met misschien wat hulp van de verpleegkundige weer
wassen en aankleden. Het is belangrijk om meer in beweging te
komen. U gaat een paar keer per dag een stukje op de gang lopen.
Daarnaast zit u zoveel mogelijk in de stoel.
13
Derde dag tot aan ontslag
Zodra u voldoende hersteld bent mag u het ziekenhuis verlaten. Dit
kan vanaf de derde dag na de operatie als:
 U voelt zich staat om naar huis te gaan.
 U heeft ontlasting gehad.
 U weer normaal eet.
 U goede pijnstilling heeft.
De chirurg bespreekt met u wanneer u het ziekenhuis mag verlaten.
Als u naar huis gaat met niet-oplosbare hechtingen, dan worden de
hechtingen verwijderd tijdens de afspraak op de polikliniek.
Het verwijderde deel van de darm wordt na de operatie opgestuurd
naar de patholoog-anatoom, waarbij het microscopisch wordt
onderzocht en beoordeeld. Deze uitslag wordt de PA-uitslag
genoemd. Deze uitslag is ongeveer 10 dagen na de operatie
bekend. Als het een kwaadaardig gezwel is, wordt dit besproken in
de oncologiebespreking waarbij er een behandelplan wordt
opgesteld. Daarna bespreekt de chirurg en/of de Verpleegkundig
Specialist dit behandelplan met u tijdens het controlebezoek op de
polikliniek.
Tijdens de opname wordt er met u besproken of er verpleegkundige
zorg (thuiszorg) nodig is in de thuissituatie. Verpleegkundige zorg
zoals; stomazorg, wondzorg, enz. wordt vanuit het ziekenhuis voor u
geregeld. U moet voor thuiszorg een inkomensafhankelijke eigen
bijdrage betalen.
Leefregels
Om de kans op complicaties te verminderen adviseren wij u:
 De eerste twee weken na de operatie niet zwaar tillen. Dit
betekent dat u maximaal 1 kilo mag tillen.
 Geen zwaar huishoudelijk werk doen zoals ramen zemen,
stofzuigen etc. gedurende de eerste vier tot zes weken. Daarna
mag u geleidelijk weer wat zwaarder huishoudelijk werk gaan
doen.
14

Gewoon douchen. U mag pas weer in bad als de hechtingen
verwijderd zijn.
 Alles te eten en drinken wat u voor de operatie gewend was.
U merkt het vanzelf als iets te zwaar valt voor u. Als de diëtiste u
advies heeft gegeven, volgt u dat advies.
 Fietsen en autorijden op geleide van de pijn.
 U mag weer gaan werken na overleg met de chirurg.
Complicaties
Na elke operatie kunnen complicaties optreden zoals een
nabloeding, longontsteking, nabloeding of blaasontsteking. De
belangrijkste complicaties na een dikke darmoperatie zijn:
 Wondinfectie. Dit is een ontsteking van de huid op de plaats van
de hechtingen. De symptomen zijn roodheid van de huid of
lekken van wondvocht. Bij een wondinfectie worden de
hechtingen verwijderd, zodat pus uit de wond gespoeld kan
worden. U hoeft voor een wondinfectie niet in het ziekenhuis te
blijven.
 Naadlekkage. Dit is een lek op de plaats waar de darm weer aan
elkaar is gemaakt. De inhoud van de darm lekt weg in de buik en
kan voor ontsteking van het buikvlies zorgen. De symptomen zijn:
bolle, gespannen buik, misselijkheid en braken, koorts, buikpijn.
Als er een naadlekkage ontstaat is de kans groot dat u opnieuw
geopereerd moet worden.
 Abces. Een abces is een holte in de buik gevuld met
geïnfecteerd vocht/pus. Een abces kan zich vormen in het
operatie gebied. Een abces kan diverse klachten geven. Meest
voorkomende klachten zijn: koorts, toename van pijnklachten en
algehele malaise. Een abces kan worden behandeld met
antibiotica en/of het plaatsen van een drain om het geïnfecteerde
vocht af te voeren.
 Urineweginfectie. Bij een catheter in de blaas is de kans op een
infectie van de urinewegen of blaas iets groter. Dit kan behandeld
worden met medicijnen.
15
 Gastroparese is een vertraagde maagontlediging. Dit kan
ontstaan als gevolg van de operatie. In een gezond spijsverteringssysteem wordt het voedsel door krachtige
spiersamen-trekkingen vanuit de maag naar de darmen
verplaatst. Bij een gastroparese werken de maagspieren
(tijdelijk) slecht of helemaal niet. Daardoor kan de maag niet
normaal geleegd worden en maagsappen en voeding blijven
in de maag staan. De meest voorkomende symptomen van
een vertraagde maag-ontlediging zijn: misselijkheid, braken en
een opgeblazen gevoel in de buik. Om deze klachten te
verlichten wordt vaak een maagsonde ingebracht. Dit
slangetje loopt via de neus door de keelholte en de slokdarm
tot in de maag. Via dit slangetje kan maagsap, dat anders in
de maag zou blijven staan, aflopen in het zakje dat aan de
andere kant van de maagslang hangt. Het doel hiervan is om
de klachten van misselijkheid, braken en een opgeblazen
gevoel in de buik te verlichten. Meestal spreekt de arts ook af
dat u niks mag eten en drinken. Als er geen maagsappen
meer in het zakje aan de maagsonde lopen, betekent dit dat
de maag weer op gang is. De maagsonde mag er dan uit. Als
de gastroparese lang duurt en ondervoeding dreigt, kan in
overleg met u besloten worden om een voedingssonde in te
brengen. Informatie hierover is te lezen in de folder ‘3-lumen
sonde’.
 Vertraagde darmlediging, ook wel paralytische ileus genoemd.
De beweging van de darmen is vertraagd of niet aanwezig. Het
voedsel hoopt dan op en kan het lichaam niet verlaten. U heeft
dan een aantal dagen geen ontlasting, een bolle gespannen buik,
vol gevoel, misselijkheid en braken. Er zal een maagsonde
worden ingebracht om de maag leeg te ouden en de darmen te
laten rusten. U mag tijdelijk niet eten en drinken. Om u toch
voeding te geven, zal u op een andere manier gevoed gaan
worden. De mogelijkheden zullen dan door de chirurg met u
worden besproken. Soms kunnen klysma’s via de anus (of
stoma) helpen om de ontlasting op gang te helpen. Zodra de
darmen weer actief zijn kunt u weer langzaam gaan opbouwen
met eten en drinken.
16
Belangrijk is dat u zelf blijft bewegen. Dit bevordert uw herstel.
Informatie hierover is te lezen in de folder ‘darmafsluiting’.
 Bij operaties via de buik, bestaat er een kleine kans dat de wond
niet goed geneest. De hechtingen kunnen de wondranden dan
niet meer bij elkaar houden en wond gaat uit zichzelf open. Dit
wordt een platzbauch genoemd. De chirurg bekijkt dan of het
nodig is om de wond opnieuw te hechten. Dit gebeurt op de
operatiekamer. Met een speciaal ‘matje’ kan de wond worden
gehecht. Deze wordt later weer verwijderd of blijft zitten. Soms is
dat niet mogelijk en wordt de wond opengelaten. De wond
geneest dan uit zichzelf. Meer informatie hierover leest u in de
folder ‘Platzbauch’. Bij een Platzbauch wordt een breukband
aangemeten ter bescherming van de wond. Deze draagt u als u
uit bed bent en vaak ook in bed
Herstel na de opname
De pijnklachten zijn vaak nog niet weg als u met ontslag gaat. Als u
zich weer wat meer gaat inspannen thuis, zult u merken dat de
pijnklachten toe kunnen nemen. Het is daarom goed om de eerste
periode thuis nog 3-4 keer per dag 1 of 2 tabletten Paracetamol te
gebruiken. Daarnaast mag u zo nodig de pijnstillers gebruiken, die u
van de arts heeft voorgeschreven gekregen.
Soms zitten er nog hechtpleisters op de wond. Deze mag u 10
dagen na de operatie zelf verwijderen. Tijdens het eerste
controlebezoek op de polikliniek Chirurgie worden de hechtpleisters
verwijderd (als u dit zelf nog niet heeft gedaan) en het herstel van de
wond wordt gecontroleerd. Als er nog hechtingen in de wond zitten,
worden ook deze verwijderd.
17
Een arts waarschuwen
Als u binnen twee weken na ontslag uit het ziekenhuis last krijgt van:
 aanhoudende koorts;
 geen ontlasting;
 toenemende buikpijn;
 braken;
 hevige rugpijn
neemt u contact op met het ziekenhuis. Tijdens kantooruren belt u
naar de polikliniek Chirurgie, tel.(078) 652 32 50. Buiten kantooruren
belt u met afdeling A2, tel. (078) 652 34 43.
U vertelt:
 Wanneer bent u geopereerd en wanneer met ontslag gegaan.
 Welke klachten heeft u nu en hoe lang al.
 Wat heeft u zelf eventueel al aan de klachten gedaan.
Tot slot
In deze folder leest u hoe het verloop van de opname en de operatie
meestal is. Het kan zijn dat uw opname anders verloopt dan hier
beschreven.
Als u na het lezen van deze folder nog vragen heeft, dan kunt u
deze stellen aan de intakeverpleegkundige tijdens het intakegesprek
of aan de afdelingsverpleegkundige als u opgenomen wordt.
Wilt u uw mening geven over deze folder? Dat kan hier:
www.asz.nl/foldertest/
De afbeeldingen in deze folder die gemerkt zijn met een (*) zijn
afkomstig van Shutterstock en via een licentieovereenkomst door ons
verkregen. Het is derhalve aan derden niet toegestaan om deze
afbeeldingen op welke wijze dan ook, te gebruiken of te kopiëren. Voor
het eigen gebruik van deze afbeeldingen verwijzen wij naar
www.shutterstock.com
18
Albert Schweitzer ziekenhuis
april 2017
pavo 0697
Download