Herex. Bio VWO 2012

advertisement
CELLEN
1.
Afbeelding 1
In afbeelding 1 is een amoebe weergegeven. Een amoebe is een voorbeeld van een
ééncellige. Met schijnvoetjes kan een amoebe voedsel inkapselen.
 a. Is een amoebe een ééncellig diertje of een ééncellig plantje?
b. Hoe noemt men het proces waardoor de amoebe vaste voedseldeeltjes
opneemt/inkapselt?
2.
Door leerlingen wordt de werking van het enzym amylase bij een bepaalde
temperatuur bestudeerd. Hiertoe wordt aan zetmeel in water een bepaalde hoeveelheid van
het enzym amylase toegevoegd (experiment p). Door inwerking van amylase op zetmeel
wordt maltose gevormd. In het diagram van afbeelding 2 geeft grafiek P het resultaat weer
van experiment p bij een temperatuur van 250C.
Afbeelding 2
Een leerlinge overweegt de volgende wijzigingen van experiment p:
- een verhoging van de enzymconcentratie (1)
- een verhoging van de zetmeelconcentratie (2)
- of een combinatie van deze beide wijzigingen (1 en 2).
Andere omstandigheden, zoals temperatuur en pH laat zij gelijk.
Zij doet een nieuw experiment (experiment q) en krijgt als uitkomst grafiek Q.
 a. Welke van de wijzigingen (1), (2) en (1 en 2) heeft zij gekozen?
Leg je antwoord uit.
b. Waardoor neemt op tijdstip t de hoeveelheid gevormde maltose in de experimenten
p en q niet meer toe?
1
VOCHTVERLIES BIJ SPORTERS
Onderstaande informatie kan gebruikt worden bij het beantwoorden van de vragen 3 en 4.
Bij langdurig zweten bij sporten verlies je veel vocht. Drinken kan dit vochtverlies opheffen.
Het zweet dat je verliest, bevat in vergelijking met het lichaamsvocht minder zouten.
Een isotone sportdrank heeft dezelfde osmotische waarde als ons lichaamsvocht.
3. □ Leg uit dat deze osmotische waarden (sportdrank en lichaamsvocht) niet meer gelijk zijn na
zo een inspanning, waarbij men 1,8 % van het lichaamsgewicht aan vocht heeft verloren.
4.
Na een sportevenement diende men vocht toe aan een groep sporters. De hoeveelheid
vocht die zij te drinken kregen, was steeds 150% van de verloren hoeveelheid vocht. Maar
5 uur na inspanning werd bij hun een hogere urinehoeveelheid gemeten als er water of
sportdrank gedronken was en een lagere urinehoeveelheid bij het drinken van melk al dan
niet met de toevoeging van NaCl (zie tabel hieronder). Hierdoor was de vochtbalans in het
lichaam van de melkdrinker hersteld.
Drank
Hoeveelheid urine (ml)
magere melk
magere melk + NaCI
water
sportdrank
593
611
1184
1205
Tabel: Urinehoeveelheid na het sporten bij gebruik van een bepaalde drank
▪
A.
B.
C.
D.
Over deze resultaten worden de volgende beweringen gedaan:
1. water en sportdrank veranderen de samenstelling van het bloed zodanig
dat hierdoor de urineproductie gestimuleerd wordt.
2. het toevoegen van NaCl aan de melk versterkt het effect van het vasthouden van vocht.
Welke van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?
Alleen bewering 1 is juist.
Alleen bewering 2 is juist.
De beweringen 1 en 2 zijn juist.
De beweringen 1 en 2 zijn niet juist.
AFVAL IN ZEE
Onderstaande informatie kan gebruikt worden bij het beantwoorden van de vragen 5 en 6.
Een groot deel van het organisch afval zinkt in de zee naar de zeebodem.
Die bodem speelt een belangrijke rol in de stikstofkringloop.
Organische stikstofverbindingen kunnen worden omgezet in onder andere ammonium.
Dit ammonium kan in het water terechtkomen. Een andere mogelijkheid is dat ammonium wordt
omgezet in nitraat. Dit nitraat kan in het water terechtkomen maar ook gebruikt worden door
anaërobe bacteriën diep in de zeebodem.
5. ▪
A.
B.
C.
Welk proces zorgt ervoor dat ammonium vanuit de zeebodem in het zeewater
terechtkomt?
Actief transport.
Diffusie.
Osmose.
2
6. a.
Leg uit dat diep in de bodem veelal anaërobe bacteriën leven.
b.
In welke vorm van stikstof zetten deze anaërobe bacteriën nitraat om?
De kustzones van de zee hebben te maken met een overmatige aanvoer van
stikstofverbindingen uit de rivieren en uit de atmosfeer (zie tabel hieronder).
Aanvoer van N2 verbindingen
via rivieren
via de atmosfeer
via de Atlantische
Oceaan
Jaar
1950
202
38
742
Jaar
1980
918
114
742
Tabel: Aanvoer van stikstofverbindingen naar de kustzone van de zee (in 1000 kg per jaar).
c.
Overmatige aanvoer van stikstofverbindingen leidt tot sterke algengroei.
Door deze sterke algengroei ontstaat een zuurstoftekort in het water.
Leg uit hoe dit zuurstoftekort ontstaat.
STOFWISSELING
7.
In een experiment wordt bij een plant de opname van CO2 bij verschillende
verlichtingssterkten gemeten. De resultaten van deze metingen zijn in het
diagram van afbeelding 3 weergegeven. De plant staat in een omgeving met een
hoge luchtvochtigheid en heeft de beschikking over voldoende water.
Afbeelding 3

A.
B.
C.
D.
E.
F.
Aangenomen wordt dat de intensiteit van de dissimilatie bij dit experiment niet
door de verlichtingssterkte wordt beïnvloed.
Naar aanleiding van de resultaten worden de volgende beweringen gedaan:
1. bij verlichtingssterkte P is per tijdseenheid de diffusie van CO2 uit de cellen
naar de intercellulaire ruimten groter dan die in de omgekeerde richting.
2. bij verlichtingssterkte R zijn de huidmondjes van het blad gesloten.
3. bij verlichtingssterkte R wordt per tijdseenheid meer ATP gevormd dan bij
verlichtingssterkte P.
Welke van deze beweringen is juist of welke van deze beweringen zijn juist?
Alleen bewering 1 is juist.
Alleen bewering 2 is juist.
Alleen bewering 3 is juist.
Alleen de beweringen 1 en 3 zijn juist.
Alleen de beweringen 2 en 3 zijn juist.
Zowel de beweringen 1, 2 en 3 zijn juist.
3
8.
Een docent geeft de volgende informatie over het respiratoir quotiënt :
het respiratoir quotiënt (RQ) van een organisme is de hoeveelheid per
tijdseenheid afgegeven CO2 gedeeld door de hoeveelheid in diezelfde tijd
opgenomen O2.
Het RQ geeft informatie over de aard van de stoffen die tijdens
de dissimilatie worden verbruikt. Bij de mens schommelt het RO meestal tussen
0,7 en 1. Bij de dissimilatie van uitsluitend vetten is het RQ ongeveer 0,7.
Wanneer een proefpersoon in rust wordt onderzocht, blijkt zijn RQ.
ongeveer 0,8 te zijn. Als deze proefpersoon zware arbeid gaat verrichten, neemt
zijn RQ snel toe en bereikt gedurende een korte tijd de waarde van ongeveer 1.
Naar aanleiding van de stijging van het RQ tot ongeveer 1 worden de volgende
beweringen gedaan.
1. Bij zware arbeid neemt de intensiteit van de aërobe dissimilatie van glucose zeer sterk
toe en daalt de intensiteit van de aërobe dissimilatie van vetten tot nagenoeg nul.
2. Bij zware arbeid neemt de intensiteit van de aërobe dissimilatie van glucose toe en blijft
de intensiteit van de aërobe dissimilatie van vetten gelijk.
3. Bij zware arbeid blijft de verhouding tussen de aërobe dissimilatie van glucose en de
aërobe dissimilatie van vetten gelijk maar de intensiteit van beide processen neemt sterk
toe.
4. Bij zware arbeid is de toename van de intensiteit van de aërobe dissimilatie van vetten
groter dan die van de aërobe dissimilatie van glucose.
De eventuele invloed van de aërobe dissimilatie van eiwitten op het RQ wordt in
deze opgave verwaarloosd.

A.
B.
C.
D.
Welke van deze beweringen is op basis van de beschreven toename van het RQ juist?
Bewering 1.
Bewering 2.
Bewering 3.
Bewering 4.
VOEDING EN VERTERING
9.

A.
B.
C.
D.
Sommige voedingsstoffen worden vanuit de dunne darm eerst in de lymfevaten
opgenomen en vervolgens afgevoerd naar de grote bloedsomloop.
In welke van onderstaande bloedvaten worden deze voedingsstoffen het eerst
aangetroffen?
In de bovenste holle ader.
In de leverader.
In de onderste holle ader.
In de poortader.
4
10.
Afbeelding 4 geeft een vereenvoudigd overzicht weer, van de vertering van voedsel en
van de opname van een aantal verteringsproducten in bloed- en lymfevaten.
Niet alle namen van voedingsstoffen en hun verteringsproducten zijn ingevuld.
Afbeelding 4

11.
Niet ingevuld zijn onder andere de volgende twaalf namen van voedingsstoffen en
verteringsproducten fructose, galactose, glucose, glycerol, lactose, maltose,
monoglyceride, linolzuur, lipiden, palmitinezuur, saccharose en zetmeel.
Bij welk getal zou je glucose kunnen invullen?
Onderstaande histogrammen van afbeelding 5 geven aan hoeveel energie en hoeveel eiwit
bepaalde voedingsmiddelen verhoudingsgewijs bevatten.
Afbeelding 5
5

A.
B.
C.
D.
12.
Indien slechts van één van de vier hieronder genoemde voedingsmiddelen
eenzelfde gewichtshoeveelheid gebruikt mag worden, wat zou dan een jonge, groeiende en
actieve persoon het best kunnen eten?
Chocolade.
Bonen.
Boter.
Amandelen.
Afbeelding 6 geeft schematisch enkele organen van de mens weer.
Vier plaatsen in het spijsverteringskanaal zijn met de letters P,Q, R en S aangegeven.
Afbeelding 6
De voedselbrij beweegt zich van de mond door het spijsverteringskanaal naar de anus.
 a. Geef de juiste volgorde waarin het voedsel op weg van de mond naar de anus langs
de plaatsen P, Q, R en S komt.
b. Op welke plaats (en) P, Q, R en S is er resorptie van water?
c. Op welke plaats (en) P, Q, R en S wordt het enzym saccharase geproduceerd?
d. En op welke plaats (en) P, Q, R en S het enzym cellulase?
6
GASWISSELING
13.
De diffusiesnelheid van een stof die bij een mens het bloed binnendringt kan men
met de volgende vergelijking aangeven:

A.
B.
C.
D.
14.
diffusiesnelheid
waarin
k = diffusieconstante, o.a. afhankelijk van het milieu;
O = grootte van het oppervlak waardoorheen diffusie plaatsvindt;
P1 = gasdruk buiten het bloed;
P2 = gasdruk in het bloed;
d = lengte diffusieweg/ diffusieafstand.
De direkte oorzaak waardoor mensen kunnen verdrinken is dat
O te klein wordt door het aaneenplakken van de longblaasjes.
P1 te klein wordt, doordat water in de longen nauwelijks ververst kan worden.
P2 te groot wordt, doordat koolstofdioxide zich ophoopt in het bloed.
P1 te klein wordt, doordat de gasdruk van zuurstof in water kleiner is dan in lucht.
Bij een klaplong in afbeelding 7 is er sprake van een gaatje of scheurtje in het longweefsel.
Dit weefsel trekt zich vervolgens door zijn elasticiteit samen.
Er stroomt lucht vanuit de long in de ruimte tussen longvlies en borstvlies.
Afbeelding 7

A.
B.
C.
D.
Iemand die een klaplong heeft, gaat al bij geringe inspanning hijgen.
Waardoor wordt dit hijgen vooral veroorzaakt?
Doordat de concentratie koolstofdioxide in het bloed hoger wordt.
Doordat de concentratie zuurstof in het bloed lager wordt.
Doordat de dissimilatie in de tussenribspieren wordt gestimuleerd.
Doordat de dissimilatie in de hartspier wordt gestimuleerd.
TRANSPORT
15.

A.
B.
C.
D.
Bij een kind en bij een volwassene worden onder gelijke omstandigheden de warmteafgifte
per minuut en de hartslagfrequentie vergeleken.
Welke verschillen kan men waarnemen wat betreft het warmteverlies per kg
lichaamsgewicht en de hartslagfrequentie bij kind en volwassene?
Het kind zal per kg lichaamsgewicht
meer warmte verliezen en zijn hartslagfrequentie zal hoger zijn.
minder warmte verliezen en zijn hartslagfrequentie zal hoger zijn.
meer warmte verliezen en zijn hartslagfrequentie zal lager zijn.
minder warmte verliezen en zijn hartslagfrequentie zal lager zijn.
7
16.
Door de afzetting van kalk en vetachtige stoffen, waaronder cholesterol wordt de
binnenkant van bloedvaten stijf en ruw. Op een ruwe bloedvatwand kunnen zich
bloedstolsels vormen. Soms raakt zo’n stolsel los.
Op een plaats waar de bloedvaten nauwer worden, kan dit stolsel een verstopping
veroorzaken.
In afbeelding 8 is de bloedsomloop van de mens schematisch weergegeven.
Op plaats P raakt een stolsel los.
Het stolsel wordt meegevoerd met de bloedstroom en veroorzaakt een verstopping.

A.
B.
C.
D.
E.
F.
Waar veroorzaakt dit stolsel in eerste instantie een verstopping?
In een arm.
In een been.
In de darm.
In het hart.
In de lever.
In een long.
P
Afbeelding 8
HOMEOSTASE
17.
In het menselijk lichaam worden door cellen van het afweersysteem immunoglobulinen
(= antistoffen) gemaakt.

A.
B.
C.
Waar in het lichaam bevinden zich de minst gespecialiseerde cellen waaruit
immunoglobuline-producerende cellen zich ontwikkelen?
In het beenmerg.
In het bloed.
In de thymus.
8
18.
Een analiste heeft een aantal metingen verricht aan verschillende vloeistoffen van een
proefpersoon. De vloeistoffen die ze gebruikte, waren bloedplasma, voorurine en urine.
In de tabel hieronder zijn de resultaten weergegeven.
Concentratie (g/100 ml) in :
bloedplasma voorurine
eiwitten 7,5
0,0
glucose 0,1
0,1
natrium 0,4
0,4
chloride 0,36
0,36
calcium 0,01
0,01
ureum
0,03
0,03
urine
0,0
0,0
0,35
0,6
0,03
2,0
Tabel: Stoffenconcentratie in bepaalde lichaamsvochten

A.
B.
C.
Uit de tabel blijkt dat zich in de voorurine geen eiwitten bevinden maar wel glucose.
Welke van de volgende verklaringen hiervoor is juist?
De cellen van het nierweefsel hebben wel glucose nodig maar geen eiwitten.
Eiwitmoleculen zijn veel groter dan glucosemoleculen.
Eiwitten worden in de cellen van het nierweefsel opgenomen, glucose niet.
In het lichaam wordt hemoglobine van ‘versleten’ rode bloedcellen afgebroken. Uit het nieteiwitdeel van hemoglobine wordt ijzer onttrokken ; wat overblijft wordt bilirubine, een
geelbruine stof die in de lever verder wordt verwerkt.
Het eiwitdeel kan door de lever worden afgebroken tot ureum.
19.

A.
B.
C.
D.
20.
Langs welke weg verlaten de afbraakproducten van hemoglobine het lichaam?
Bilirubine voornamelijk via de darm en ureum via de nieren.
Bilirubine voornamelijk via de nieren en ureum via de darm.
Zowel bilirubine als ureum alleen via de darm.
Zowel bilirubine als ureum alleen via de nieren.
In afbeelding 9 is een wenkbrauw-piercing te zien.
Dit is een metalen naaldje dat bij het aanbrengen door de lederhuid wordt geschoten.
De afbeelding geeft ook een deel van de huid van de mens weer.
Afbeelding 9

A.
B.
C.
Met welke letter is de lederhuid aangegeven?
Met letter P.
Met letter Q.
Met letter R.
9
PLANTEN
21.
Afbeelding 10 geeft twee stadia weer van de ontwikkeling van een stuifmeelbuis.
Afbeelding 10
Bladmoescellen van de plant waarvan de stuifmeelkorrel afkomstig is, bevatten 12
chromosomen per kern.

Hoeveel chromosomen bevat kern 1?
En hoeveel kern 2?
Kern 1
6
6
12
12
A.
B.
C.
D.
22.

Kern 2
4
6
4
6
De eicel ontwikkelt zich bij zaadplanten uit een diploïde (2n) embryozakmoedercel.
Bij de lelie treedt een meiotische deling op van de embryozakmoedercel.
Drie van de vier kernen vormen samen één nieuwe kern. Er zijn nu twee kernen.
Daarna ondergaan beide kernen een mitose.
De hierbij gevormde kernen ondergaan eveneens een mitose.
Hoeveel kernen zijn er nu en hoeveel chromosomen heeft iedere kern?
A.
B.
C.
D.
4 kernen, elk met n chromosomen
4 kernen, waarvan 2 kernen elk met n chromosomen en 2 kernen elk met 3n chromosomen
8 kernen, elk met n chromosomen
8 kernen, waarvan 4 kernen elk met n chromosomen en 4 kernen elk met 3n chromosomen
23.
Bij bomen vindt er transport van stoffen plaats.
Vier beweringen over dit transport zijn:
1. in bastvaten vindt vooral transport plaats van water met daarin opgeloste
stoffen die in de bladeren gevormd zijn.
2. in bastvaten vindt vooral transport plaats van water met zouten.
3. in houtvaten vindt vooral transport plaats vanaf de bladeren naar de wortels
4. in houtvaten vindt vooral transport plaats van water met zouten.

A.
B.
C.
D.
Welke beweringen zijn juist?
De beweringen 1 en 2.
De beweringen 1 en 3.
De beweringen 1 en 4.
De beweringen 2 en 3.
10
GROEI EN ONTWIKKELING
24. ▪ Waar bevinden zich tijdens een gevorderde zwangerschap van 4 maanden, bloedvaten van
zowel de moeder als van het ongeboren kind?
A.
Alleen in de placenta.
B.
Alleen in de navelstreng.
C.
Alleen in de uteruswand.
D.
Zowel in de placenta als in de navelstreng.
25.
A.
B.
C.
D.
26.
Wanneer de testes zich in de buikholte bevinden, waar de temperatuur 37 0C is, wordt een
normale hoeveelheid testosteron gevormd, doch de vorming van spermacellen vindt dan
niet of nauwelijks plaats.
Wanneer de testes zich in de balzak bevinden, waar de temperatuur 350C is, worden zowel
een normale hoeveelheid testosteron als spermacellen gevormd.
Op grond van het bovenstaande worden de volgende uitspraken gedaan:
1. alleen de temperatuur beïnvloedt de vorming van testosteron en daardoor de vorming
van spermacellen.
2. alleen de vorming van spermacellen is temperatuurafhankelijk.
 Is uitspraak 1 juist ?
En uitspraak 2?
Uitspraak 1
ja
ja
nee
nee
Uitspraak 2
ja
nee
ja
nee
In afbeelding 11 staan zes ontwikkelingsstadia (1 t/m 6) in de ovulatiecyclus bij de mens
aangegeven.
Afbeelding 11
▪ De juiste volgorde in de ontwikkelingsstadia van de ovulatiecyclus is
A.
1- 2- 3 – 4 – 6 - 5
B.
2-3-4- 1–5 -6
C.
2-4-3–1- 6- 5
D.
2-4-3 -1- 5- 6
11
MOLECULAIRE GENETICA
27.
Een deel van een bestaande genetische code is:
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze nucleotide-volgorde wordt een polypeptide gevormd. Over deze code en
de wijze waarop de polypeptide wordt gevormd, wordt de volgende combinatievraag
gesteld.
□ Combineer het cijfer van elke zin met de letter van het begrip of het getal dat in
de zin moet worden ingevuld.
Er zijn vier zinnen 1, 2, 3 en 4 en tien begrippen /getallen a tot en met k.
Zin: 1. Deze nucleotide-volgorde wordt .... genoemd.
2. Voor de translatie worden minimaal ... tRNA moleculen gebruikt.
3. De drie nucleotiden die het DNA-startcodon van de keten waarlangs transcriptie
plaatsvindt vormen, zijn........
4. Als de zevende nucleotide uit het gegeven molecuul verdubbelt, ontstaat na translatie
een polypeptide met .... verschillende aminozuursoorten.
Begrip/getal:
a. TAC
b. UAC
c. AUG
d. ATG
e. DNA
f. tRNA
g. mRNA
h. vier
i. vijf
k. zes
Tabel: Genetische code
12
HEMOFILIE EN DE TALMOED.
Onderstaande informatie kan gebruikt worden bij het beantwoorden van de vragen 28 en 29.
In afbeelding 12 staat een stamboom van een familie waarin hemofilie (= bloederziekte)
voorkomt.
Afbeelding 12
Het gen voor hemofilie is X-chromosomaal.
Joodse jongens worden vlak na de geboorte besneden. Hierbij treedt enig bloedverlies op.
Maar als een jongetje lijdt aan hemofilie kan dit bloedverlies zo ernstig zijn dat het kind
hieraan overlijdt. De Talmoed is een belangrijk religieus wetboek met veel voorschriften. De
Talmoed schrijft voor dat de zonen (17 en 18) van een ouderpaar (6 en 7) waarvan al twee
zonen (12 en 15) door bloedverlies na de besnijdenis overleden zijn, niet besneden mogen
worden. Ook de zonen (10 en 11) mogen in dat geval niet meer besneden worden.
Voor de zonen (19 en 20) die vader (7) bij een tweede vrouw (8) heeft, geldt de ontheffing
van de besnijdenis niet.
Deze voorschriften tonen aan dat er al lang geleden, in de tijd dat de Talmoed geschreven
werd, een gedetailleerde kennis over de erfelijkheid van hemofilie bestond.
28. □
Leg met behulp van de stamboom uit dat het gen voor hemofilie recessief is.
29.  a. Leg met behulp van een kruisingsschema uit hoe groot de kans is dat zoon 17 aan
hemofilie lijdt.
b. Is de kans dat zoon 19 aan hemofilie lijdt groter dan, gelijk aan of kleiner dan de
kans dat zoon 17 aan hemofilie lijdt of is deze kans niet te bepalen?
Leg je antwoord uit.
30.
We onderzoeken het gedrag van twee homologe chromosomen met de allelen E, e, F, f.
E is gekoppeld aan f en e is gekoppeld aan F.

Hoe zal ná meiose I, de verdeling van de chromosomen eruit zien, er van uitgaande dat er
éénmaal crossing-over optreedt tussen beide genen (afbeelding 13)?
Afbeelding 13
A.
B.
C.
D.
Als in figuur 1.
Als in figuur 2.
Als in figuur 3.
Als in figuur 4.
13
31.
Men kruist een plant met paarse bloemen en lange, dunne bladeren met een plant met
witte bloemen en korte, dikke bladeren. Beide planten zijn voor alle eigenschappen die op
verschillende chromosomen zitten, homozygoot . De F1 heeft witte bloemen en lange, dikke
bladeren.
De F2 ontstaat door zelfbestuiving van de F1.
 Hoe groot is in de F2 de kans op een nakomeling met paarse bloemen en korte, dunne
bladeren?
32.
Bij Drosophila zijn letale allelen bekend, gelegen op het X- chromosoom.
Van welke ouder kan zo’n letaal allel in een bevruchte eicel afkomstig zijn?
Is dit allel dominant of recessief?

A.
B.
C.
D.
Allel kan afkomstig zijn van
het vrouwtje
het vrouwtje
het mannetje
het mannetje
Het allel is
dominant
recessief
dominant
recessief
______
33.
Bij maïs zijn de genen P, Q en R gekoppeld (dus ook de allelen p, q en r). Bij
kruisingsproeven treedt crossing-over op (en zelfs dubbele crossing-over).
De genen-combinatie in de gameten van de individuen met genotype PpQqRr en hun
frequentie was alsvolgt:
genen-combinatie
frequentie (aantal gameten)
PQR
340
pq r
355
pq R
85
Pq R
55
Pq r
6
pQ r
66
pQR
10
PQr
83
Totaal
1000

Welke is de juiste ligging van de genen op het chromosoom en wat is de juiste afstand
tussen de genen?
A.
B.
C.
D.
P
Q
R
P
13,7 ME Q
13,7 ME P
13,7 ME P
18,4 ME
R
18,4 ME
18,4 ME
18,4 ME
13,7 ME
R
R
Q
Q
REGELING
34.

A.
B.
C.
Vóór het toedienen van een bepaalde transmitterstof aan een neuron is het rustpotentiaal -- 60mV
Direct na toediening van deze transmitterstof is het potentiaalverschil tussen de buiten- en
binnenzijde van de membraan van dit neuron -70mV.
Deze transmitterstof veroorzaakt in dit geval
depolarisatie met als gevolg excitatie.
hyperpolarisatie met als gevolg inhibitie.
depolarisatie met als gevolg inhibitie.
14
D.
35.
hyperpolarisatie met als gevolg excitatie.
In afbeelding 14 staat een schema van een dwarsdoorsnede door het ruggemerg met
uittredende zenuwen.
De doorsnede is van bovenaf gezien.
A
Afbeelding 14

A.
B.
C.
D.
36.
De zenuwcellichamen die in deel X van het gegeven schema liggen behoren tot het
motorisch deel van het zenuwstelsel en sturen impulsen naar de linkerlichaamshelft.
sensorisch deel van het zenuwstelsel en ontvangen impulsen van de linkerlichaamshelft.
motorisch deel van het zenuwstelsel en sturen impulsen naar de rechterlichaamshelft.
sensorisch deel van het zenuwstelsel en ontvangen impulsen van de rechterlichaamshelft.
In afbeelding 15 is schematisch een deel van de schakeling tussen het centrale
zenuwstelsel en de buigspier en de strekspier in de rechterbovenarm weergegeven.
Een spierspoeltje is een zintuig dat op spanningsveranderingen in de spier reageert.
De cijfers 1 t/m 5 geven synapsen aan en de cijfers 6 en 7 schakelingen.
Bij een korte, krachtige, reflexmatige samentrekking van de buigspier wordt de strekspier
sterk uitgerekt. In reactie daarop trekt de strekspier zich samen: dit wordt de ‘herstelreflex’
genoemd.
Afbeelding 15
15

A.
B.
C.
37.
Op welke van de aangegeven plaatsen 1 t/m 7 komen bij deze herstelreflex stimulerende
neurotransmitters vrij?
Alleen op de plaatsen 4, 5 en 7.
Alleen op de plaatsen 1, 2 en 3.
Op alle aangegeven plaatsen.
In afbeelding 16 zijn schematisch de hypofyse en de hypothalamus van een mens
weergegeven. De hypothalamus is een gedeelte van de hersenstam.
In de hypothalamus bevinden zich neurosecretorische cellen waarin onder andere ADH
wordt gevormd, dat via de axonen wordt getransporteerd naar de hypofyse.
In de hypofyse wordt ADH aan het bloed afgegeven.
Als gevolg van een actiepotentiaal in neuron P ontstaat een actiepotentiaal in
neurosecretorische cel Q waardoor in de hypofyse ADH aan het bloed wordt afgegeven.
Afbeelding 16
In afbeelding 17 zijn drie diagrammen getekend.
Afbeelding 17

A.
B.
C.
Welke van de diagrammen van afbeelding 17 kan afkomstig zijn van een registratie van
neuron P (afbeelding 16) in deze situatie?
Diagram 1.
Diagram 2.
Diagram 3.
16
38.
In het schema van afbeelding 18 zijn 1, 2 en 3 hormonen die het glucosegehalte van het
bloed beïnvloeden.
Afbeelding 18

Welke is de juiste plaats in dit schema van adrenaline en welke van glucagon?
Adrenaline
1.
1.
2.
2.
A.
B.
C.
D.
39.
Glucagon
2.
3.
1.
3.
In het diagram van afbeelding 19 geeft:
- grafiek I de gewichtstoename weer van een normale rat.
- grafiek II weer hoe de gewichtstoename verloopt bij een rat die met hypofyse-extract
is ingespoten.
- grafiek III de gewichtstoename weer van een hypofyseloze rat.
- grafiek IV de gewichtstoename van een schildklierloze rat weer.
Afbeelding 19

A.
B.
C.
D.
Wat mag uit deze grafieken geconcludeerd worden?
Wegnemen van de schildklier heeft grotere gevolgen voor de gewichtstoename
bij een jonge rat dan het wegnemen van de hypofyse.
Een jonge rat groeit het hardst onder normale omstandigheden.
Jonge dieren zonder schildklier groeien harder dan hypofyseloze maar minder hard dan
normale dieren met een schildklier.
Het wegnemen van de hypofyse en de schildklier hebben een tegengesteld effect.
17
ZINTUIGEN
40.
De proefpersoon in afbeelding 20 kijkt met beide ogen naar een luciferdoosje dat in het
verlengde van zijn neus op een afstand van 30 cm staat.
Afbeelding 20

A.
B.
C.
D.
41.
Is het beeld van het lucifersdoosje op het netvlies van het rechteroog hetzelfde als het
beeld op het netvlies van het linkeroog?
Zo ja, wat is daarvoor de verklaring?
Zo nee, hoe komt het dan dat hij niet dubbel ziet?
Ja, het beeld is hetzelfde want de afstand van het lucifersdoosje tot het linker - en tot het
rechteroog is gelijk.
Ja, het beeld is hetzelfde want op deze korte afstand valt het beeld van het lucifersdoosje in
beide ogen op de gele vlek.
Nee, het beeld is niet hetzelfde maar hij ziet niet dubbel door processen in de grote
hersenen.
Nee, het beeld is niet hetzelfde maar hij ziet niet dubbel doordat afwisselend impulsen van
het linker - en van het rechteroog naar de grote hersenen gaan.
Amerikaanse oogartsen hebben met succes een capsule aangebracht in de ogen van tien
patiënten met een aangetast netvlies (zie afbeelding 21 ).
Afbeelding 21
De tien patiënten leden aan de erfelijke oogziekte retinitis pigmentosa, een aandoening
waarbij lichtgevoelige cellen van het netvlies langzaam afsterven.
Voor de ziekte was nog geen therapie beschikbaar. Wel was al jaren een eiwit bekend dat
het netvlies bij proefdieren herstelt. Maar dit eiwit werkt alleen als het continu in lage
concentraties het netvlies bereikt. Via de bloedbaan lukt dat niet, dus patiënten zouden
voortdurend moeten oogdruppelen. Dat is onpraktisch en daarom is deze capsule
ontwikkeld.
De ingebrachte capsule, zo groot als een lange rijstkorrel zat vol met genetisch
gemodificeerde cellen. Dankzij een extra gen in het DNA gaven de ingebrachte cellen zes
maanden lang een eiwit af, dat bij vijf van de tien patiënten het netvlies gedeeltelijk weer
herstelde.
Mensen die lijden aan de ziekte pigmentosa merken dat in eerste instantie doordat zij last
krijgen van nachtblindheid.
 Leg uit welk type lichtgevoelige cellen bij deze ziekte afsterft.
18
42.

A.
B.
C.
D.
Een voorwerp wordt verplaatst van 1 meter voor het oog tot 6 meter van het oog.
Teneinde een scherp beeld te behouden zal in dit oog
de kringspieren in de straalvormige lichamen samentrekken zodat de lensbandjes minder
spanning op de lens uitoefenen zodat deze boller wordt.
de kringspieren in de straalvormige lichamen zich ontspannen zodat de lensbandjes de
lens platter trekken.
de kringspieren in de straalvormige lichamen samentrekken zodat de lensbandjes de lens
platter trekken.
de kringspieren in de straalvormige lichamen zich ontspannen zodat de lensbandjes minder
spanning op de lens uitoefenen zodat deze boller wordt.
ECOLOGIE
43.
1.
2.
3.
4.
5.

A.
B.
C.
D.
44.
In de natuur bestaat tussen schimmels en bomen vaak een samenleving met wederzijds
voordeel.
De schimmel bevindt zich dan in en om de wortels van de boom.
Hieronder staan een aantal mogelijkheden vermeld over de bron waaruit schimmel en
boom organische en anorganische voedingsstoffen voor hun stofwisseling kunnen
betrekken.
Organische stoffen zijn uit de boom afkomstig.
Organische stoffen zijn uit de schimmel afkomstig.
Anorganische stoffen zijn uit de boom afkomstig.
Anorganische stoffen zijn uit de schimmel afkomstig.
Anorganische stoffen zijn uit de grond afkomstig.
Welke van onderstaande combinaties kan men verwachten bij de samenleving van de
schimmel en de boom?
Voedingsstoffen
voor de schimmel
alleen 1
alleen 3
3 en 5
1 en 5
Voedingsstoffen
voor de boom
alleen 4
2 en 4
4 en 5
2, 4 en 5
Een veganist eet geen dierlijke producten zoals vlees, vis, melk en eieren. Daardoor
kan een veganist een tekort krijgen aan bepaalde voedingsstoffen. Dit tekort kan
voorkomen worden door bepaalde zaden in het voedingspakket op te nemen.
Sommige veganisten geven voor hun voedingswijze een argumentatie die verband houdt
met een dreigend tekort aan voedsel voor de mensheid.
 Geef met behulp van biologische begrippen een argumentatie, waaruit blijkt dat een
veganistische leefwijze het wereldvoedselprobleem zou kunnen verminderen.
45.
Bij de opbouw en afbraak van stikstofhoudende stoffen spelen onder andere bacteriën
een rol.
□ a. Noem een proces waarbij stikstofhoudende stoffen door bacteriën anaëroob
worden omgezet.
b. Noem een proces waarbij stikstofhoudende stoffen door bacteriën aëroob worden
omgezet.
------------------- Succes ----------------------Score: 90 punten + 10 basispunten/10
19
20
Download