Meten aan fotosynthese

advertisement
Meten aan biologische systemen
3 practica
Docentenhandleiding
Juli 2005
Meten aan biologische systemen: 3 practica
Inhoud
Woord vooraf
Blz
3
1 - Inleiding
Optimale groei van gist
Meten aan fotosynthese
Modelleren van vieze groene meren
5
9
12
2 - Het practicum en de lesplanning
Optimale groei van gist
Meten aan fotosynthese
Modelleren van vieze groene meren
6
10
13
3 - Achtergrondinformatie
Optimale groei van gist
Meten aan fotosynthese
Modelleren van vieze groene meren
7
11
14
4 - Resultaten en antwoorden op de vragen
Optimale groei van gist
Meten aan fotosynthese
Modelleren van vieze groene meren
7
11
14
5 - Bestelinformatie & Colofon
19
2
Meten aan biologische systemen: 3 practica
Woord vooraf
Medio 2004 hebben het Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI) en de firma Texas
Instruments (TI) het initiatief genomen om een aantal practica uit te werken waarin
het meten aan biologische systemen en het vormen van modellen centraal staat.
Modelvorming is in de wetenschap niet weg te denken. Maar ook in het
bedrijfsleven of in het beleid - denk aan milieubeleid - worden bergen gegevens
omgesmeedt tot modellen met een voorspellende waarde. Aan de hand van het
model wordt dan de opbrengst geschat of worden normen gesteld voor
mileubeleid. Het is een uitdaging om dit proces ook voor de leerling inzichtelijk te
maken.
In het huidige biologieonderwijs is het meten aan bijvoorbeeld fotosynthese,
vergisting of ecologische problematiek zeer goed in te passen. Het leren modelleren
is een van de onderwerpen in de wiskunde waarbij een praktisch voorbeeld heel
verhelderend kan werken. Scholen hebben vaak voldoende instrumenten om te
meten aan relevante biologische proeven. Leerlingen hebben allemaal een
grafische rekenmachine. Met behulp van een CBL2 datalogger en wat sensoren
erbij zijn prima resultaten te behalen.
Het NIBI laat graag zien dat biologieonderwijs leuk, praktisch en actueel kan worden
ingevuld. TI maakt graag duidelijk dat er meer kan met de toch al aanwezige
grafische rekenmachine, tot het doen van metingen in ecosystemen toe. NIBI en TI
geven u met drie practicumvoorbeelden een handreiking om aan de slag te gaan.
Context en concept
In de vernieuwing van het bèta-onderwijs in het algemeen wordt uitgegaan van de
context-concept benadering. Het is daarbij de verwachting dat het onderwijs voor
de leerling herkenbaar en beter toepasbaar wordt. In het basisdocument van de
Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs (CVBO) worden drie typen van contexten
onderscheiden namelijk: leefwereld, beroeps, en wetenschappelijke contexten.
Het practicum 'optimale groei van gist' kan als praktisch onderdeel worden ingepast
in de uitwerking van een beroepscontext waar het gaat om het meten van de
vergisting en de te verwachten opbrengst van het eindproduct onder verschillende
omstandigheden. Denk hierbij aan de aerobe vergisting met het doel om gist te
maken voor bijvoorbeeld de verkoop aan bakkerijen, maar ook aan de anaerobe
vergisting bij het maken van bijvoorbeeld bier en wijn. Het beschreven practicum
gaat om de omstandigheden waarbij gist optimaal groeit. Voor een producent van
gist is een optimale groei belangrijk voor een goede opbrengst. Voor de bierbrouwer
is het ook heel belangrijk te weten hoe hij op optimale wijze aan het gewenste
resultaat komt. In deze context kunnen veel biologische concepten actueel en
praktisch worden behandeld. De wiskunde docent heeft een sprekende omgeveing
om te werken aan logistische curves of asymptoten.
Het practicum 'meten aan fotosynthese' kan in een wetenschappelijke context
(orientatie op ecologisch of plantfysiologisch onderzoek) worden geplaatst, maar
ook in de beroepscontext van de agrarische productie. Modellen over licht toevoer,
CO2 opnamen etc zijn uit te werken tot een model voor optimale productie van
bijvoorbeeld suiker in de suikerbiet. Diverse omstandigheden kunnen worden
gesimuleerd en de opbrengst kan worden voorspeld. In de praktijk wordt al gewerkt
met toevoer van verbrandingsgassen in de kas om productie te verhogen De
biologische concepten plant, fotosythese, assimilatie, verbranding, voeding kunnen
3
Meten aan biologische systemen: 3 practica
op natuurlijke wijze praktisch aan de orde komen. De uiteindelijke formules kunnen
zelfs bij de lessen economie worden gebruikt in haalbaarheids- analyse van
investeringen.
Als verdieping op het thema ecologie is het practicum 'modelleren van vieze groene
meren' ontworpen. Hierin komen de complexe relaties van een zoetwater
ecosysteem aan bod en wordt er veldwerk verricht om een brede dataset samen te
stellen. Dit practicum is te plaatsen in de wetenschappelijke context limnologie
(zoetwaterbiologie). Nieuw onderzoek en recente verrassende resultaten geven een
nieuwe kijk op veranderende ecosytemen. In meren in de omgeving kunnen
metingen worden gedaan die het model gaan vormen. Uiteindelijk kunnen de
resultaten worden gebruikt om in een orientatie op een beroepscontext de rol van
de beheerder van water/ecosystemen te laten zien. Het spreekt voor zich dat in
deze contexten een bijzonder grote hoeveelheid biologische contexten en
activiteiten aan de orde komen.
De hier uitgewerkte practica zijn nadrukkelijk bedoeld als deel van de uitwerking van
een context of een aantal contexten. Om het een en ander snel geschikt te kunnen
maken voor in de school hebben we relevante recente publicaties samengevat en
een heldere omschrijving gegeven van benodigde materialen. Daarnaast laten we
door middel van screen dumps zien hoe een en ander kan worden verwerkt met de
grafische rekenmachine.
Het NIBI en TI wensen u veel succes met het vormgeven van een mooi stuk onderwijs
rond de genoemde thema’s. Uiteraard zijn wij benieuwd naar uw uitwerking van
deze of andere contexten. Mail ze gerust naar [email protected], op dit adres kunt u ook
terecht met vragen.
Informatie over de grafische rekenmachines en aanverwante producten van Texas
Instruments vind u op: http://education.ti.com/nederland/index.html
Voor nadere informatie over context-concept benadering zie de informatie van de
Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs (www.nibi.nl knop CVBO)
4
Optimale groei van gist
1 - Inleiding
a. Hoe is dit practicum te gebruiken?
Het onderzoeken van de groeisnelheid van gist is te plaatsen in een context van
orientatie op wetenschap of beroep.
Leerlingen variëren de omstandigheden van het groeimedium en bekijken wat de
productie is van CO2 of de afname van zuurstof. Leerlingen gebruiken hiervoor
verschillende suikerconcentraties en variëren de temperatuur. In de extra tips in deze
handleiding staan nog wat suggesties om de proef te variëren. Het practicum sluit
goed aan op het thema verbranding en het hoofdstuk biotechnologie. Het is dan
ook zowel bij ANW te gebruiken als bij biologie voor leerlingen van de bovenbouw
Havo en Vwo.
De wiskundige verwerking gaat over oppervlakte onder de curve als maat voor
productie in tijd en logistische groei bij diverse omstandigheden. Het verband tussen
de concentratie suiker en productie is te bepalen, maar ook de invloed van
temperatuur op uiteindelijke productie per tijd. Verschillen tussen diverse
temperaturen zijnook te bepalen. Er kan een vraag worden geformuleerd over de
afweging tussen groeisnelheid/opbrengst en extra energie toevoer/kosten.
b. Wat gaan de leerlingen doen?
Leerlingen voeren een experiment uit waarbij ze het groeimedium van gist varieren
en meten vervolgens de groeisnelheid door de productie van CO2 te meten of de
afname van zuurstof. Door een verdunningsreeks van suikeroplossingen te maken
zoeken ze uit bij welke concentratie de groei van gist optimaal is. Ook kunnen er nog
wat andere stofjes aan het medium worden toegevoegd. Ze verzamelen de
gegevens met behulp van een datalogger (CBL2) en een grafische rekenmachine.
Met de grafische rekenmachine berekenen ze vervolgens bij welke
suikerconcentratie de groeisnelheid het grootst is.
c. Benodigde materialen
Basisdeel fotosynthese
○ Gist
○ 3 plastic 250 ml flesjes die worden meegeleverd met de zuurstofsensor
○ Zuurstofsensor die gas meet
○ Suiker
○ Weegschaal
○ Datalogger CBL2
○ Grafische rekenmachine TI-83 Plus of TI-84 Plus
○ Temperatuursensor
d. Concepten die aan de orde komen
Gist (inclusief toepassingen in bijvoorbeeld voedselbereiding of witte biotechnologie)
Dissimilatie
Groeisnelheid/Delingssnelheid
5
Optimale groei van gist
2 - Het practicum
a. De verschillende onderdelen van dit Practicum met tijdsplanning
Onderdeel
Tijdsduur
1. voorbereiding experiment
15 minuten
2. groeisnelheid meten van gist
4 uur
3. verwerking van de resultaten
45 minuten
4. schrijven van verslag
2 uur
Om de verschillen zo goed mogelijk in kaart te brengen dient de groei-snelheid niet
te kort gemeten te worden. Wij raden aan om het experiment 6 uur te laten duren.
Met 1 datalogger kunnen 3 verschillende groei-omstandigheden tegelijkertijd
gemeten worden. Hoe meer verschillende omstandigheden je wilt laten meten. Hoe
langer de duur van het totale experiment. In deze handleiding beschrijven we het
varieren van 3 verschillende groeimedia.
Gist als producent
1. inleidende les (20 minuten)
Tijdens de inleidende les is het handig als de leerlingen vertrouwd raken met het
begrip dissmilatie. Gist wordt in dit practicum als productie-systeem gebruikt. In de
industrie wordt gist ook gebruikt voor de productie van enzymen. De basis voor de
groei is de omzetting van suiker naar energie.
2. Gistproef (4 uur)
De groei van gist wordt indirect gemeten door te kijken bij welke omstandheden de
zuurstof het snelst opgebruikt wordt.
3. verwerken resultaten
a. Optimale groeisnelheid bepalen met behulp van de grafische rekenmachine. (30
minuten)
b. verslag schrijven
(2 uur)
b. Werken in groepjes
De leerling kan alleen of in tweetallen werken.
c. Tijd en lesplannen
De leerling kan het experiment inzetten en hoeft daarna niet meer bij de opstelling
te blijven. De opgeslagen data in de CBL2 kan later worden opgehaald met de
grafische rekenmachine en kan dan worden verwerkt.
Tips
Het is leuk als leerlingen zelf nog groeiomstandigheden bedenken waardoor de
vergisting harder zal gaan (licht/donker, temperatuur (ook te meten met de
datalogger etc). Ze kunnen ook bijvoorbeeld werken met honing in plaats van suiker.
Of verschillende soorten suiker zoals de monosachariden glucose, fructose gebruiken
in plaats van gewoon sucrose. Of rietsuiker in plaats van bietsuiker. Of nog wat
andere stofjes (bijvoorbeeld mineralen) toevoegen die gist gebruikt om te groeien.
NB! Let bij anaëroob werken op de overdruk die kan ontstaan
6
Optimale groei van gist
3 - Achtergrondinformatie
De belangrijkste gistsoort in de industrie is bakkergist Saccharomyces cerevisiae.
Bakkergist is een eukaryoot micro-organisme die hoort bij de groep van de
eencellige schimmels (zakjeszwammen of Ascomycetes). Het meest bijzondere is dat
gist zowel onder aerobe als anaerobe omstandigheden kan leven. Gist is belangrijk
voor bierbrouwerijen en bakkerijen vanwege de alcohol en de kooldioxide die zij bij
de anaerobe ademhaling produceren. Voortplanting geschiedt meestal
ongeslachtelijk door knopvorming. Gist heeft bij optimale groeicondities een
vermenigvuldigingstijd van ongeveer 90 minuten. Iedere gistcel kan zo'n 35-40 keer
delen voordat hij doodgaat. Gistcellen zijn heel klein, zo'n 0,005-0,020 mm.
Op de website van het NIBI bij het expertise centrum kun je een leuke strip
downloaden over de geschiedenis van Gist. Deze strip is gemaakt voor het
European Institute of Biotechnology Education (EIBE).
Op deze website vindt je nog meer uitgebreidere info over gist
http://www.classofoods.com/pagina1_3.html
Over DSM gist en de producten die ze maken (Engels)
http://www.dsm.com/en_US/html/dfs/fermentation-home.htm
Kennislink artikel over biotechnologie in de Bakkerij. Hier worden voorbeelden
gegeven van industriele enzymen die in gist worden geproduceerd om de productie
en smaak van brood te verbeteren.
http://www.kennislink.nl/web/show?id=100009
4 - Resultaten
De 3 curves laten de groei zien van 1 gram gist opgelost in 25 ml
suikeroplossing met een concentratie van 20% (gele lijn), 8% (roze lijn) en
4%(blauw). De witte lijn geeft aan dat de experiment is onderbroken voor 4
uur. De totale duur van het experiment was 12 uur.
7
Optimale groei van gist
a. antwoorden op de vragen uit de leerlingenhandleidng
1
Bestudeer de reactievergelijkingen hier boven. Bedenk wat er gaat gebeuren
als je de zuurstofconcentratie gaat meten in een afgesloten vat met lucht en
groeiend gist. Schrijf in woorden op wat er gebeurd met de gistcellen en de
zuurstofconcentratie in de lucht.
In een afgesloten vat met lucht zit zuurstof. De gistcellen zullen gaan groeien en
de zuurstof in de lucht verbruiken als ze de suikers verbranden. Op een
gegeven moment zal de zuurstof in de lucht op zijn. Als er dan nog suiker is
zullen de gistcellen overgaan op anaërobe dissimilatie.
Schets een grafiek van het aantal gistcellen in de tijd en daarnaast een grafiek
van de zuurstofconcentratie in de tijd. Dit is wat je verwacht dat er gaat
gebeuren. Na afloop van de proef kun je kijken of je verwachting klopt met je
gevonden resultaat.
zuurstofgehalte
aantal gistcellen
2
tijd
3
4
5
6
7
8
8
tijd
Het aantal aantal gistcellen zal waarschijnlijk in het begin exponentieel
toenemen. Zodra er te weinig suiker komt dan neemt het aantal af. Eerst moet
de deling op gang komen en dan zal het zuurstofverbruik ook exponentieel
toenemen. Het O2 gehalte zal dan exponentieel afnemen totdat het op is. Dan
schakelt gist over van aërobe naar anaërobe dissimilatie.
Bij welk percentage suiker denk je dat gist het beste zal groeien?
In principe kan de leerling dit niet weten, maar misschien weten ze dat een te
hoge concentratie osmotische problemen geeft voor micro-organismen.
Welke stoffen naast suiker heeft gist nog meer nodig om goed te groeien?
Dezelfde mineralen als andere organismen. Stikstof voor het maken van
eiwitten.
Teken de curve na en beschrijf het resultaat? Geef aan wat er in het begin
gebeurt, in het middenstuk, en op het eind.
In het begin moet de gist nog op gang komen. De delingssnelheid is 90 minuten
onder optimale omstandigheden bij 37 graden Celcius. De assimilatie start
natuurlijk wel meteen. Bij normale groei kom je dan in logaritmische fase
waarbij er steeds meer gistcellen bij komen en er dus ook steeds meer zuurstof
wordt verbruikt. Uiteindelijk is het suiker op en neemt de reactie weer af. Dit is
een beetje te zien bij de grafiek op blz. 7 bij 20% suikerconcentratie curve.
Wat is de biologische betekenis van de oppervlakte onder de curve?
De hoeveelheid verbruikte zuurstof. Deze staat gelijk aan de hoeveelheid
verbruikte suikers. Onder aërobe omstandigheden mag je er vanuit gaan dat
de suikers worden gebruikt om nieuwe gistcellen te maken. Het potje dat het
meeste zuurstof heeft verbruikt heeft de meest optimale groei voor gist.
Bereken nu voor de 3 verschillende grafieken de oppervlakte onder de curve.
Volg de stappen zoals je hierboven net geoefend hebt. Je gebruikt nu de lijsten
van je experiment. Volg de stappen in leerlingenhandleiding op blz. 5.
Bij welke omstandigheden (suikerconcentratie) groeit gist het beste?
In dit voorbeeld is 20% meer optimaal dan 8% of 4%.
Meten aan fotosynthese
1 - Inleiding
a. Hoe is dit practicum te gebruiken?
Het meten van fotosynthese kan in een wetenschappelijke context (oriëntatie op
ecologisch of plantfysiologisch onderzoek) worden geplaatst, maar ook in de
beroepscontext van de agrarische productie.
Leerlingen voeren tijdens het practicum een experiment uit met waterpest en
bekijken wat de invloed is van lichtkleur op de fotosynthese. Ook andere factoren
kunnen worden gevarieerd denk aan temperatuur, CO2-gehalte van het water
(vergelijk bronwater en gekookt water. Dit practicum sluit goed aan op het thema
fotosynthese en is geschikt voor leerlingen van 4 en 5 havo en 4, 5 en 6 vwo.
b. Wat gaan de leerlingen doen?
Leerlingen voeren een experiment uit waarbij ze de lichtkleur varieren door
verschillende lichtfilters te gebruiken. Ieder groepje leerlingen meet de fotosynthesesnelheid bij verschillende kleuren licht. Ze verzamelen de gegevens met behulp van
een datalogger (CBL2) en een grafische rekenmachine. Met de grafische
rekenmachine berekenen ze vervolgens bij welke kleur de fotosynthese-activiteit het
grootst is.
c. Benodigde materialen
○
○
○
○
○
○
○
○
○
○
○
Waterpest
3 Cilinders van ongeveer 40 cm hoog
3 afsluitbare plastic deksels met gat waar zuurstofsensor in past
Bronwater met koolzuurgas
Zuurstofsensor die gas meet
Cellofaan in de kleuren rood, groen, geel en blauw
3 afsluitbare plastic deksels met gat waar zuurstofsensor in past
Plakband
weegschaal
Datalogger CBL2
Grafische rekenmachine TI-83 Plus of TI-84 Plus
d. Concepten die behandeld worden
Plant
Fotosynthese
9
Meten aan fotosynthese
2 - Het practicum
a. De verschillende onderdelen van dit Practicum met tijdsplanning
Onderdeel
Tijdsduur
1. voorbereiding experiment
15 minuten
2. fotosynthese-experiment met kleurenfilters
2 uur
3. controle-experiment zonder kleurenfilters
2 uur
4. schrijven van verslag
45 minuten
Om de verschillen zo goed mogelijk in kaart te brengen dient de fotosynthesesnelheid niet te kort gemeten te worden. Wij raden aan om het experiment 2 uur te
laten duren. Het experiment bestaat dan uit een fotosynthese-snelheid meting van 2
uur met kleurenfilter en een controle-experiment van 2 uur zonder kleuren-filter.
b. Werken in groepjes
De leerling kan alleen of in tweetallen werken.
c. Tijd en lesplannen
De leerling kan het experiment inzetten en hoeft daarna niet meer bij de opstelling
te blijven. De opgeslagen data in de CBL2 kan later worden opgehaald met de
grafische rekenmachine en kan dan worden verwerkt.
d. Tips
Zorg ervoor dat je een lichtbron gebruikt met wit licht (opgebouwd uit het hele
spectrum). Een tl-balk is handig omdat je zo de lichtsterkte goed kan verdelen over
het oppervlak en de cilinders allemaal evenveel licht krijgen.
Dan is het nog noodzakelijk om de goede kleurenfilters te gebruiken. Of je de goede
filters hebt kun je testen met een spectrofotometer maar deze zijn wel duur. Goede
lichtfilters van het merk "Lee" zijn te koop bij J&H Licht en Geluid
(http://www.shop.licht-geluid.nl/).
Waterpest verouderd snel is is niet makkelijk lang houdbaar. Gebruik daarom altijd
verse waterpest voordat je met de proeven begint. In plaats van waterpest kan ook
de tropische waterplant Cabomba worden gebruikt. Dit is ook een aquariumplant
en dus makkelijk verkrijgbaar bij tuincentrum of aquariumhandel.
e. Veiligheid
Tijdens het experiment zijn er geen bijzondere veiligheids aspecten die in acht
genomen dienen te worden.
10
Meten aan fotosynthese
3 - Achtergrondinformatie
Hieronder een verzameling van links waar nuttige informatie is te vinden op het
internet over het onderwerp fotosynthese.
Flash animatie over de licht en donker reactie (Bioplek.org)
http://www.digischool.nl/bioplek/animaties/fotosynthese/fotosynthmodel.html
Over bladgroenkorrels
http://www.digischool.nl/bioplek/animaties/celtotaal/bladgroenkorrel.html
4 - Resultaten
a
Antwoorden op de vragen
De 3 curves laten zien dat bij
groen
licht
de
laagste
fotosynthese-activiteit is. De
rode en de blauwe lijn lopen
bijna even stijl. Op de x-as
staat de tijd in minuten. Op de
y-as het zuurstofgehalte (in
procenten).
1
2
3
4
5
6
Bij welke kleur verwacht je dat de meeste zuurstof geproduceerd wordt?
De absorptiegrafiek van chlorofyl laat twee pieken zien. De eerste piek ligt
ongeveer bij 430 nm (blauw/paars) en de tweede bij 670 nm (rood). De
fotosynteseactiviteit volgt ongeveer de lijn van de absorptie. Je verwacht dus
dat de meeste zuurstof wordt geproduceerd bij blauw en rood licht en dat de
cilinder met de groene lichtfilter de minste fotosynthese-activiteit heeft.
Waarom zijn groene planten eigenlijk groen?
Omdat ze alle kleuren uit het lichtspectrum absorberen behalve groen licht.
Groen licht wordt juist doorgelaten. Dat kun je ook goed zien als je aan de
onderkant van een blad kijkt waar wit licht doorheen valt.
Teken de curve na en beschrijf het resultaat? Geef aan wat er in het begin
gebeurt, in het middenstuk, en op het eind.
De curve is vrijwel recht dus de fotosynthese-activiteit is constant en er zijn geen
beperkende factoren (zie bovenstaande grafiek).
Wat is de biologische betekenis van de oppervlakte onder de curve?
De hoeveelheid geproduceerde zuurstof. De fotosynthese-activiteit kun je hier
in uitdrukken.
Bereken de oppervlakte onder de curve voor de 3 verschillende grafieken.
Volg de stappen uit de leerlingenhandleiding op bladzijde 6.
Bij welke kleur licht wordt het meeste zuurstof geproduceerd? En bij welke kleur
de minste? Komt dat ook overeen met wat je verwacht had. Vergelijk je
resultaat met de absorptiecurve op bladzijde 1 en je antwoord op vraag 1.
Zie de grafiek. De groene lijn heeft loopt het minst stijl en krijgt dus ook de
kleinse opppervlakte. Bij groen licht is de fotosyntheseactiviteit dus het laagst.
Dit komt overeen met het absorptiespectrum van chloryfyl.
11
Modelleren van vieze groene meren
1 - Inleiding
a. Hoe is dit practicum te gebruiken?
Het meten en modelleren van een zoetwaterecosysteem kan in een
wetenschappelijke context (oriëntatie op ecologisch of milieubiologisch
onderzoek) worden geplaatst, maar ook in de beroepscontext van de
natuurbeheerder of de beheerder van een waterschap. Het practicum sluit goed
aan op de thema's ecologie en mens & mileu. Daarnaast wordt er in het
verdiepingsdeel gewerkt met wiskundige modellen. Aangezien het theoretische
gedeelte best pittig is, is het practicum meer geschikt voor leerlingen van klas 5 en 6
vwo dan voor de bovenbouw havo.
b. Wat gaan de leerlingen doen?
In dit practicum zit een theoretisch deel waarin kennis gemaakt wordt met een
wiskundig model en een practisch deel waarbij veldwerk wordt verricht. Tijdens het
veldwerk verzamelen de leerlingen gegevens over de 'ecologische toestand' van
een watertje bij hun in de buurt. Met behulp van de datalogger meten ze
bijvoorbeeld de zuurstofconcentratie en temperatuur van het water. Naast het
opnemen van fysiologische gegevens (pH, temperatuur, zuurstofconcentratie,
stikstofconcentratie etcetera) beschrijven de leerlingen de troebelheid van het
water, of het water stroomt, en schatten ze de diepte en de oppervlakte. Al deze
gegevens worden in een model gestopt en met dit model wordt een voorspelling
gedaan over de ecologische toestand van het water. Met andere woorden of het
meertje ecologisch gezond (helder water, grote biodiversiteit) is of dat het misschien
wel op het punt staat om om te klappen in een troebele groene algensoep waar
alleen nog maar wat bloedzuigers en brasems kunnen leven.
c. Benodigde materialen
Secchi-schijf om troebelheid (zichtdiepte) te meten
Zuurstofsensor die in water opgelost zuurstofgas meet
pH-papier
temperatuursensor
Stikstofmeetkit (nitraat en nitriet)
Fosfaatmeetkit
Datalogger CBL2
○ Grafische rekenmachine TI-83 Plus of TI-84 Plus
○
○
○
○
○
○
○
d. Concepten die behandeld worden
Eutrofiëring
Algenbloei
Ecosysteem
Voedselweb
12
Modelleren van vieze groene meren
2 - Het practicum
a. De verschillende onderdelen van dit Practicum met tijdsplanning
Onderdeel
Tijdsduur
1. inleidende les
45 minuten
2. veldwerk
2 uur
3. verwerken resultaten en schrijven verslag
4 uur
1. inleidende les (45 minuten)
Tijdens de inleidende les is het handig als de leerlingen vertrouwd raken met het
begrip eutrofiëring en de gevolgen daarvan. De leerlingen moeten ook besef
hebben dat een ecosysteem in een bepaalde evenwichtstoestand verkeerd. Door
veranderende milieu-omstandigheden kan zo'n ecosysteem plotseling omklappen in
een andere evenwichtstoestand. Voor het gemak praten we in dit practicum van
een gezonde situatie en een ongezonde situatie. Ecologen beginnen nog maar net
te begrijpen hoe het kan dat zo'n gezonde evenwichtssituatie om kan slaan in een
ongezonde evenwichtssituatie. En nog belangrijker ze proberen te voorspellen
wanneer zo'n ecosysteem op het punt staat om om te klappen. In dit practicum
staat het zoetwaterecosysteem - bijvoorbeeld onze Nederlandse wateren zoals de
Veluwmeren - centraal. Maar de theorie gaat ook op voor zoutwater-ecosystemen
zoals koraalriffen of landecosystemen zoals droge graslanden.
Verder behandeld de inleidende les in het kort wat de leerlingen allemaal gaan
doen tijdens het practicum en hoe lang dit ongeveer gaat duren.
2. veldwerk (3 uur)
a. Tijdens het veldwerk moeten de leerlingen de biotische en abiotische factoren
van het watertje opnemen.
Beschrijf de ligging, soort water (kanaal, sloot, meer etc.), toestand (helder, vies,
schoon etc.) Voorspel of je hier te maken hebt met een gezond (veel biodiversiteit)
of ongezond (soortenarm, veel algen) ecosysteem te maken hebt. (10 minuten)
b. schatting wateroppervlakte (2 minuten)
c. temperatuur meten (2 minuten)
d. troebelheid meten (5 minuten)
e. zuurgraad meten (5 minuten)
f. zuurstofconcentratie meten (zonder ijking 15 minuten, met ijking 25 minuten)
g. fosfaat en nitraatgehalte meten (20 minuten)
3. verwerken resultaten (4 uur)
a. resultaten verwerken in het wiskundig model (2 uur)
b. verslag schrijven (2 uur)
b. Werken in groepjes
Dit practicum is het beste uit te voeren in een groepje van 2-4 personen. Een groepje
van 4 personen kan tijdens het veldwerk de op te nemen gegevens onderling
verdelen waardoor het minder tijd kost.
c. Tips
Op internet zijn veel bronnen te vinden met waterkwaliteit-gegevens van
Nederlandse wateren. Via onderstaande link kunnen leerlingen hun gegevens
vergelijken met gegevens van 3 meertjes in de gemeente Leidschendam:
'Starrevaart', 'Meeslouwersplas en 'Vliet'.
http://www.xs4all.nl/~sjaak/vwgvl/rapporten/waterkwaliteit01/index.html
13
Modelleren van vieze groene meren
3 - Achtergrondinformatie
Waterkwaliteit en algenbloei: zwemmen in een groene soep?
De mens heeft nogal een grote invloed op zijn omgeving. Zo ook op het water om
hem heen. Denk maar aan de scheepvaart, visserij en recreatie (zwemmen en
pleziervaart). Door toedoen van de mens wordt er afvalwater geloosd in rivieren en
sijpelen er meststoffen in onze sloten en watertjes. Eén van de meeste zichtbare
gevolgen van die toename aan meststoffen in het water is vertroebeling. Onder
invloed van de aanvoer van een overmaat aan mineralen neemt de
algenbiomassa toe en wordt het water groen en troebel. Door dit proces kan het
zicht in het water beperkt worden van gemiddeld 1 meter tot maar 20 cm.
Vertroebeling van het oppervlaktewater heeft verschillende gevolgen op het
biologisch, maar ook op het maatschappelijk vlak. Waterplanten verdwijnen
doordat er geen zonlicht meer doordringt, vissoorten verdwijnen doordat zonlicht en
waterplanten verdwijnen en later verdwijnen ook de eventuele recreanten omdat
vissen, waterplanten en helderheid zijn verdwenen. Immers, wie wil er nu in een
groene soep zwemmen?
Voedselpiramide/web
Onder het wateroppervlak bevindt zich, net als boven water, een ingewikkeld
voedselweb. Het ecosysteem bestaat uit verschillende trofische niveaus :
producenten, consumenten en reducenten. De producenten in het water leggen
zonne-energie, middels fotosynthese, vast in biomassa. Hierdoor groeien ze in
omvang en/of aantal. De producenten bestaan uit algen, wieren en planten. De
producenten worden gegeten door 1e orde consumenten. Deze orde bestaat uit
protozoa, zoöplankton en herbivore (plant- en/of algenetende) vissen. Veel van
deze 1e orde consumenten worden op hun beurt gegeten door 2e orde
consumenten. De protozoa, het zooplankton en de herbivore vissen worden dus
gegeten door andere consumenten, zoals brasem, snoek , grote macrofauna
soorten en bepaalde vogels. Daarboven staan nog enkele zogenaamde
toppredatoren (roofdieren), bijvoorbeeld otters en bevers. Door inperkingen van
leefgebieden zijn deze soorten echter in een heel groot deel van Nederland
uitgestorven. Naast de producenten en consumenten zijn er de reducenten. Deze
groep breekt dood, organisch materiaal af. Alle dode algen, dode bladeren, dode
macrofauna en dode vissen worden door o.a. schimmels en bacteriën afgebroken.
De voedingsstoffen die hierbij vrijkomen worden weer door de producenten gebruikt
om te groeien.
Tot zover de achtergrond over verschillende ‘trofische niveaus’. Uiteraard komen niet
alle soorten in elk watersysteem voor. In Nederland hebben we simpel gezegd twee
systemen: systemen die gedomineerd worden door waterplanten en systemen die
gedomineerd worden door algen. Het ontstaan van deze twee systemen is vooral
afhankelijk van het nutriëntgehalte. Daarover echter meer in het stukje over
‘alternatieve evenwichten’. Eerst volgt wat theorie over nutriëntaanvoer en de
gevolgen
Alternatieve evenwichten: brasem, snoek, watervlo, waterplant, alg
In vorige alinea is beschreven dat er verschillende groepen organismen in
verschillende trofische niveaus voorkomen. Uiteraard komen niet alle soorten
evenveel voor. In voedselarm water is de hoeveelheid algen laag doordat o.a.
watervlooien de algen opeten. In het heldere water zitten veel snoeken die vanuit
de planten jagen op o.a. brasem en blankvoorn . Zo blijft de populatie watervlooien
14
Modelleren van vieze groene meren
groot en heb je een stabiel helder systeem. Wanneer het nutriëntgehalte toeneemt,
blijft de situatie lang gehandhaafd. Het aantal waterplanten neemt toe zodat
snoeken makkelijker jagen en het zoöplankton neemt toe doordat er meer algen
komen. Op een gegeven moment gaat het echter mis, omdat de groeisnelheid van
algen veel hoger is dan de groeisnelheid van zoöplankton. Op dat punt slaat het
heldere evenwicht om naar het troebele, alternatieve evenwicht.
In het troebele evenwicht zorgen de minerale voedingsstoffen voor een grote
algengroei en de waterplanten verdwijnen. Met het verdwijnen van de
waterplanten verdwijnen ook predatoren, zoals de snoeken, omdat deze voor de
jacht afhankelijk zijn van de vegetatie als schuilplaats. Door de afname van de
snoekenpopulatie verliezen de zoöplanktivore vissen (o.a. brasem), een predator,
waardoor ze sterk in aantal toe kunnen nemen. Een eerste effect van de toename
van deze vissen is het feit dat veel zoöplankton wordt opgegeten, waardoor de
algen nog sterker kunnen toenemen. Door extra voedingsstoffen en de afwezigheid
van ‘grazers’ nemen de algen explosief toe. Een tweede effect is de omwoeling van
sediment. Brasem, blankvoorn en o.a. ruisvoorn eten namelijk zoöplankton, planten
én bodemdiertjes. Bij het zoeken naar deze bodembewoners woelt de vis de bodem
om waardoor extra mineralen vrijkomen. Dit heeft als gevolg dat het water troebeler
wordt en de wortels van waterplanten aangetast worden. Dit alles zorgt dus direct of
indirect voor extra vertroebeling. Dit extra proces heet 'verbraseming'.
Dit systeem zal uiteindelijk een troebel evenwicht bereiken dat zich kenmerkt door
een overmatige algenbloei zonder waterplanten, weinig zoöplankton, een grote
populatie benthivore en zoöplanktivore vissen en weinig predatoren.
Omdat beide situaties stabiele evenwichten zijn, veranderen ecosystemen niet
direct wanneer de mineralenaanvoer verandert. Dit lijkt onbelangrijk, maar niets is
minder waar. Heb je je nooit afgevraagd waarom de meeste plassen in Nederland
nog zo groen en algenrijk zijn, terwijl er zeer veel geld in sanering van bronnen,
baggeren en biologisch beheer wordt gestoken? Dit heeft dus te maken met de
alternatieve evenwichten. Voordat het eutrofe evenwicht weer terug omslaat naar
een oligotroof evenwicht moet de concentratie aan mineralen erg laag zijn, lager
dan de beginsituatie toen het water in ‘helder water’ evenwicht was. De
veranderingen zijn dus niet lineair met de hoeveelheid mineralen. Gelukkig hebben
waterbeheerders enkele manieren bedacht om het proces wat te versnellen.
Oplossingen om troebel water te bestrijden
Er is maar één echte oplossing. Om ervoor te zorgen dat het troebele evenwicht
omslaat naar het heldere evenwicht moet de mineralenaanvoer zeer sterk
gereduceerd worden. Simpel gezegd moet er gewoon minder mest geproduceerd
worden en de mest die toch geproduceerd wordt, moet meer gedoseerd verspreid
worden, zodat er minder voedingsstoffen in het oppervlaktewater komen. Alle
andere oplossingen zijn lap- of hulpmiddelen. In combinatie met de reductie van
mineralenaanvoer helpen ze echter om het gewenste resultaten sneller te bereiken.
Er bestaan verschillende vormen:
○
Biomanipulatie : het wegvangen van benthivore, herbivore en zoöplankivore
vis. Dit is meestal zogenaamde 'witvis' zoals brasem. Daardoor kan de populatie
zoöplankton weer toenemen en wordt de opwerveling van sediment voorkomen.
Naast het wegvangen van deze vissoorten kan eenzelfde effect bereikt worden
door het uitzetten van predatoren (zoals snoek). Biomanipulatie wordt ook wel Actief
Biologisch Beheer genoemd.
15
Modelleren van vieze groene meren
○
Peilbeheer : door de waterdiepte te vergroten kan de troebelheid verlagen,
omdat de wind minder invloed heeft op de opwerveling van sediment op de
bodem van de plas.
○
Complete leegloop: door een plas compleet leeg te laten lopen verdwijnen
veel mineralen. Dit lijkt overdreven, maar het wordt wel (in combinatie met andere
maatregelen) toegepast voor kleine plassen.
○
Doorspoeling: door een plas door te spoelen met mineralenarm water neemt
het nutriëntgehalte in de plas af. Wanneer de doorspoelsnelheid hoger is dan de
groeisnelheid van algen kan dit ook het verdwijnen van de algenpopulatie tot
gevolg hebben.
○
Baggeren: doordat met name fosfaat erg goed wordt opgeslagen in de
bodem (en later bij een lager nutriëntgehalte weer oplost in het water) kan het
nuttig zijn om de bovenste sedimentlaag van een plas te verwijderen.
○
Watervlooien: dit zoöplankton eet algen en kan makkelijk gekweekt worden.
Een mogelijkheid is om zeer veel watervlooien te kweken en in de plas los te laten,
waardoor veel alg verdwijnt zodat de waterplanten de kans krijgen om terug te
komen.
○
Stimuleren vegetatiegroei: door ondiepere zones te maken kan geprobeerd
worden om macrofyten de kans te geven zich te vestigen. Op de ondiepere delen
kan het zonlicht dan makkelijker tot de bodem doordringen, zodat jonge plantjes
meer kans hebben. Een bijkomend voordeel van de toename in planten is dat het
water minder beweegt, waardoor algen naar de bodem zinken wat uiteraard het
doorzicht bevordert.
○
Weghalen vegetatie: algen en planten kunnen verzameld en verwijderd
worden. De mineralen die in de planten zijn opgeslagen worden daardoor
verwijderd. Hierdoor zal op termijn de plas ook helderder worden.
Bovenstaande tekst is een samenvatting van de inaugurele rede van Marten Scheffer,
professor Aquatische Ecologie en Waterkwaliteitsbeheer aan de WUR
http://www.dow.wau.nl/aew/publications/rede/inleiding.html
Omrekentabel van absoluut naar relatief zuurstofgehalte
Aangezien koud water meer zuurstof kan bevatten dan warm water
bepaald is de absolutie zuurstofconcentratie afhankelijk van de
temperatuur van het water. Met de zuurstofsensor van Vernier hoef je hier
geen rekening mee te houden, die geeft zelf de absolute concentratie
aan.
temp
16
O2
temp
O2
temp
O2
temp
O2
temp
O2
0
14.60
1
14.19
11
11.01
21
8.90
31
7.41
41
6.31
2
13.81
12
10.76
22
8.72
32
7.28
42
6.22
3
13.44
13
10.52
23
8.56
33
7.16
43
6.13
4
13.09
14
10.29
24
8.40
34
7.05
44
6.04
5
12.75
15
10.07
25
8.24
35
6.93
45
5.95
6
12.43
16
9.85
26
8.09
36
6.82
46
5.86
7
12.12
17
9.65
27
7.95
37
6.71
47
5.78
8
11.83
18
9.45
28
7.81
38
6.61
48
5.70
9
10
11.55
19
9.26
29
7.67
39
6.51
49
5.62
11.27
20
9.07
30
7.54
40
6.41
50
5.54
Modelleren van vieze groene meren
4 - Resultaten
a. antwoorden op de vragen uit de leerlingenhandleidng
VRAGEN
1
Wat betekent een hoge, lage of neutrale pH voor de kwaliteit van het water en
de groei van planten?
Een hoge pH betekent een basisch milieu. Een lage pH betekent een zuur
milieu. Een pH van boven de 8,5 of onder de 6 komt van nature niet voor. Er is
dan duidelijk iets mis met de waterkwaliteit. De meeste Nederlandse meertjes
hebben een pH tussen de 7 en 8,5. Alleen vennen kunnen licht zuur zijn met een
pH rond de 6. Gedurdende een jaar kan de pH wel wat fluctueren dankzij
verhoogde fotosynthese-activiteit in de zomer en de verhoogde CO2 productie
in najaar en winter door reducenten die dood plantenmateriaal verteren.
2
Verzin zelf een hypothese waarom sommige meertjes wel veranderen in een
vieze groene soep, terwijl andere gewoon helder blijven.
Sommige meren zijn diep waardoor de algen naar beneden zakken en daar op
de bodem tot sediment neerslaan. De hoeveelheid nutriënten hoopt zich dan
op op de bodem van het meer en komt niet in de waterkolom. Meertjes waar
stroming is reageren ook anders dan meertjes waar alleen maar stilstaand
water is. Bijvoorbeeld grotere meren zoals het IJsselmeer kunnen door wind en
golfslag stroming hebben waardoor er geen drijflaag van algen gevormd
wordt.
3
Kun je nog meer belangrijke factoren noemen die van invloed zijn op de
toestand van het water? Schrijf die dan hieronder op.
Naast de chemische factoren (nitraat, stikstof, pH etc.) en gegevens over de
ligging (bos, stad, weiland) zijn er vast nog meer factoren te noemen:
watervogels ja of nee; recreatie door mensen; et cetera.
4
In de tekst op bladzijde 10 staat dat natuurbeheerders om het
nutriëntengehalte te verlagen, het nutriëntenrijke water wegpompten en
vervingen voor nutrïentenarm water tegelijk met het wegvangen van de algen.
Bedenk nog een manier om de nutriëntenconcentratie in het water te
verlagen.
Het wegvangen van brasem of het verlagen van de waterstand. Zie bladzijde
15 en 16 voor meer uitleg.
5
De weg terug van troebel naar helder volgt niet dezelfde lijn als van helder
naar troebel. Wat betekent dat voor de waterbeheerders die streven naar
alleen maar heldere gezonde meren?
Wil je een troebel meer weer helder krijgen dan moet je als beheerder de
nutriëntenconcentratie terugbrengen voorbij omslagpunt 2. Wil je een helder
meer helder houden blijf dan onder deze drempelwaarde. Zie ook blz. 17.
6
Je moet advies uitbrengen aan de waterbeheerders. Welke veilige
drempelwaarde adviseer je zodat je er vanuit mag gaan dat het water helder
blijft?
Het omslagpunt ligt bij een nutriëntenconcentratie van 3,5 dus neem je hem
veilig dan moeten de waterbeheerders aan de bel trekken als het water een
concentratie van 3 nadert.
EXTRA VRAGEN
7
Leg uit hoe zuurstofgebrek in verband staat met eutrofiëring
Doordat veel waterplanten sterven als gevolg van lichttekort is er veel voedsel
voor de reducenten. De reducenten verbruiken veel van de aanwezige
17
Modelleren van vieze groene meren
8
zuurtstof terwijl er veel minder zuurstof door de producenten geleverd wordt
dan in de situatie voor de eutrofiëring.
Zet verbindingspijlen tussen de onderstaande organismen en beschrijf het
voedselweb. Voorbeeld: Koe -> gras. De pijl geeft aan "eet".
Brasem
9
snoek
alg
waterplant
watervlo
Minder snoeken zorgt voor meer Brasem, meer brasem zorgt voor minder
watervlooien en dus neemt het aantal algen toe.
Onder de oplossingen om een troebel meer weer helder te krijgen staat ook
het wegvangen van vis. Is het juist handig om de snoek weg te vangen of juist
de brasem? Leg je antwoord uit.
De snoek wegvangen zou de algen juist doen toenemen, vandaar dat juist de
brasem moet worden weggevangen. Zie schema bij vraag 7.
DOEN
Hierboven staat de grafiek van troebel naar helder en weer terug. Wat duidelijk te
zien is in de situatie van helder naar troebel, is dat het even duurt voordat de
eutrofiëring ervoor zorgt dat de algengroei en dus de zichtdiepte afneemt. De
grafiek is niet lineair. Ben je eenmaal voorbij omslagpunt 1, dan hoef je nog maar
een klein beetje nutriënten toe te voegen en dan neemt zichtdiepte gelijk enorm af
(het stijlste punt in de grafiek). En bij de weg terug is het niet zo simpel dat je gewoon
de nutrientenconcentratie weer verlaagt tot voorbij omslagpunt 1. Maar wil je het
meer weer helder krijgen en houden dan moet je de nutriëntenconcentratie
terugbrengen voorbij omslagpunt 2, anders zit je niet in de evenwichtssituatie en is
het binnen de kortste keren weer troebel.
VRAGEN
10 Welke chemische milieufactoren (nitraat, fosfaat etc.) denk je dat het meest de
algengroei beïnvloeden. Leg je antwoord uit?
Fosfaat en Nitraat zijn de belangrijkste bouwstenen voor een alg. Deze
nutriënten zijn dus het belangrijkste voor de algengroei.
11 Komen de gegevens van jouw watertje overeen met het model?
Zelf invullen.
18
Modelleren van vieze groene meren
5 - Bestelinformatie & Colofon
Colofon
Alle tekst, illustraties en materiaal is copyright 2005, NIBI - Texas Instruments. De
handleidingen mag u onbeperkt kopiëren voor educatief gebruik binnen de school.
De foto van de fermentor in de leerlingenhandleiding is afkomstig van Applikon
biotechonology bv. De foto van gist is afkomstig van DSM bv.
Info/hulp
Als u vragen heeft, kunt u contact opnemen met:
Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI)
Postbus 19245
3501 DE Utrecht
030-2369244
[email protected]
www.nibi.nl
19
Belangrijke informatie
Bestellen
Alle benodigde producten bij de beschreven experimenten kunt u bestellen bij:
Eurofysica
Stadionlaan 161
5246 JT Rosmalen
Telefoon 073 623 26 22
www.eurofysica.nl
Vragen / suggesties
Heeft u nog vragen of suggesties, wendt u zich dan tot:
NIBI
Telefoon.030 23 69 244,
www.nibi.nl
e-mail: [email protected]
Postbus 19245
3501 DE Utrecht
of
Texas Instruments
Rutherfordweg 102
3542 CG Amsterdam
Telefoon 030 24 17 422
www.education.ti.com
e-mail: [email protected]
leerlingenhandleiding
practicum Optimale groei van gist
NAAM
KLAS
Gist
In Nederland zijn een groot aantal bedrijven elke dag
bezig met gist. Heineken gebruikt gist bij het maken van
bier, DSM produceert gist voor de bakkerij, maar gebruikt
gist ook voor de productie van allerlei enzymen.
Bijvoorbeeld enzymen die ervoor zorgen dat voedsel
lekkerder gaat smaken of langer goed blijft. Voor de
Nederlandse economie is het micro-organisme met de
wetenschappelijke naam Saccharomyces cerevisiae erg
belangrijk.
De gistcellen worden gekweekt in enorme metalen
vaten, zogenaamde fermentors. Hoe sneller het gist
groeit hoe meer gist er beschikbaar is voor de verkoop of
hoe groter de opbrengst van enzymen. Het spreekt voor
zich dat er bij een betere productie meer kan worden
verdiend door het bedrijf. Daarom is het belangrijk om
de groei-omstandigheden te optimaliseren. In
dit practicum gaan jullie, net als de
onderzoekers van bedrijven, voor verschillende
gisten uitzoeken bij welke omstandigheden ze
het beste groeien.
Gist groeit door zichzelf te
klonen. Hier zie je twee
moedercellen met twee
uitstulpingen: de jonge
gistcellen.
Gist is een bijzonder micro-organisme want het
kan namelijk leven zonder en met zuurstof
alhoewel de groei het beste gaat met zuurstof.
Het metabolisme (stofwisseling) van gist ziet er in
een reactievergelijking als volgt uit:
Met zuurstof (aëroob)
C6H12O6 + 6O2 ⇒ 6CO2 + 6H2O
Zonder zuurstof (anaëroob)
C6H12O6 ⇒ 2CH3CH2OH + 4CO2
VRAGEN
1
Bestudeer de reactievergelijkingen hier
De productie van gist vindt plaats in enorme
reactievaten. Zo'n fermentor is aangesloten op een
boven. Bedenk wat er gaat gebeuren als
computer om de groei-omstandigheden nauwkeurig in
je de zuurstofconcentratie gaat meten in
de gaten te houden.
een afgesloten vat met lucht en groeiend
gist. Schrijf in woorden op wat er gebeurd met de gistcellen en de
zuurstofconcentratie in de lucht
2
Schets een grafiek van het aantal gistcellen in de tijd en daarnaast een grafiek
van de zuurstofconcentratie in de tijd. Dit is wat je verwacht dat er gaat
gebeuren. Na afloop van de proef kun je kijken of je verwachting klopt met je
gevonden resultaat.
DOEN
1.
Maak een reeks verdunningen van suikeroplossingen. Neem als maximale
suikerconcentratie 50% en als minimale suikerconcentratie 1%.
2.
Los 1 gram gedroogde gist op in 25 ml van de suikerconcentratie.
3.
Schud voorzichtig totdat alle gist goed is opgelost.
4.
Met 1 datalogger kun je 3 reeksen tegelijk meten
2
Werken met de datalogger CBL2 en de grafische rekenmachine TI-84 plus
De zuurstofsensoren hoef je niet te calibreren. Zodra je de zuurstofsensoren aansluit
op de CBL2 dan ijkt de sensor zichzelf en meet de sensor direct het zuurstofgehalte in
de lucht. Een normale waarde voor zuurstof in de lucht is 20-21 procent.
zuurstofsensor
De proefopstelling
3 flesjes met gist in verschillende
suikerconcentraties. In het linker
flesje zit 20%, in het midden 10% en
in het rechter flesje 4%.
DOEN
Zorg dat er stroom op de datalogger (CBL2) staat en dat er batterijen in je
rekenmachine zitten.
1.
2.
Sluit de rekenmachine aan op de CBL2 met het dunne korte
snoertje met 2 dezelfde pluggen (mini-jack). Start de applicatie
Datamate op je rekenmachine, via [APPS], wandel naar
beneden tot de cursor op DataMate staat en druk [ENTER].
Als DataMate nog niet op je rekenmachine staat koppel je de
rekenmachine aan de CBL2 datalogger. Kies dan [2ND] en [LINK],
met de cursor naar rechts naar Recieve en toets [ENTER] . Druk nu
op de knop [TRANSFER] op de CBL2 datalogger en de Datamate
applicatie wordt uit het geheugen van de CBL2 geladen op de
rekenmachine.
3
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Sluit de 3 sensoren aan op de 3 kanalen. Zodra je dat hebt
gedaan dan komt er op de het schermpje te staan "checking
sensors".
Vervolgens laat de rekenmachine het hoofdscherm zien met de
3 meetkanalen (CH1, CH2 en CH3) met de zuurstofsensor die
meet in (pct) dat staat voor percentage. Een normale
zuurstofconcentratie is ongeveer 20.0 pct. Het bereik van de sensor ligt tussen
de 0 en 22 pct.
Voordat je de meting start moet je eerst het aantal meetpunten instellen en de
frequentie, je stelt dus het tijdsinterval in tussen opeenvolgende meetpunten.
Omdat de sensor tijd nodig heeft om te meten mag je nooit een tijdsinterval
gebruiken kleiner dan één seconde. Voor deze proef nemen we een
tijdsinterval van 3 minuten en meten 120 meetpunten. Ga met
de pijltjestoetsen naar MODE:TIME GRAPH en druk op [ENTER]. Er
verschijnt dan een lijst met methodes om data te verzamelen.
Toets dan 2:TIME GRAPH in. Je komt dan in de instellingen voor
de tijdgrafiek.
Druk nu 2:CHANGE TIME SETTINGS in. Stel het tijdsinterval op 180
seconden in en het aantal meetpunten op 120. De
rekenmachine stelt zelf de totale tijdsduur in. (180*120=21600
seconden oftewel 6 uur).
Druk nu op 1:OK en je komt weer terug in het setupscherm. Druk
nogmaals op 1:OK en je bent weer terug in het hoofdscherm
waarbij je ziet dat de sensoren aan het meten zijn.
Druk nu op 2:START om het experiment te starten. De CBL2 geeft een paar korte
piepjes zodra je start hebt ingedrukt. Tegelijk start het meetscherm waar om de
2 minuten een meetpunt neergezet wordt. Na 6 uur trekt de rekenmachine zelf
een lijn door de punten en verschijnen er 3 grafieken. De x-as geeft de tijd aan.
Je kunt nu de rekenmachine afkoppelen om batterijen te besparen. Zodra je
de rekenmachine weer aankoppelt en je het datamateprogramma opstart
door op [APPS] te drukken verschijnt weer het hoofdscherm met de toevoeging
"collecting data", mits de 6 uur nog niet zijn verstreken.
VRAGEN
3
Bij welk percentage suiker denk je dat gist het beste zal groeien?
4
Welke stoffen naast suiker heeft gist nog meer nodig om goed te groeien?
Klaar met data verzamelen
Na 6 uur is het experiment klaar. Nu moet je eerst de data uit de het geheugen van
de CBL2 overzenden naar je grafische rekenmachine. Als je de rekenmachine tijdens
het meten de hele tijd aangekoppeld had aan de CBL2 dan staan de gegevens al
in het geheugen en kun je direct de gegevens bewerken.
DOEN
1.
Zodra het experiment klaar is geeft de datalogger weer een paar korte piepjes.
Je kunt nu de rekenmachine weer aankoppelen aan de CBL2.
2.
Start het datamateprogramma weer op door op [APPS] te drukken. Selecteer
DataMate met de pijltjestoetsen en druk op [ENTER]. Het scherm geeft de
volgende tekst weer: Datacollection is done. Choose the tools option, then
choose retrieve data. Druk op [ENTER]. Je komt weer in het hoofdscherm.
3.
Druk op 5:TOOLS. Je komt dan in het Tools menuscherm terecht.
4
4.
5.
Druk op 2 RETRIEVE DATA. Op je scherm verschijnt een grafiek met
3 lijnen. Je meetgegevens zijn nu opgeslagen in het menu van de
rekenmachine en zijn klaar om bewerkt te worden.
Je kunt de proef nogmaals 6 uur in zetten als je merkt dat er nog
aardig wat zuurstof over is in het flesje. Let er wel op dat zodra je
op start drukt in het menu de oude gegevens worden
overschreven.
Regressie rekening met de TI-83 Plus of TI-84 Plus
Om te bekijken bij welke omstandigheden gist het beste groeit gaan we de
oppervlakte onder de curve berekenen, dit heet in de wiskunde 'regressie-rekenen'.
VRAGEN
5
Teken de curve na en beschrijf het resultaat? Geef aan wat er in het begin
gebeurt, in het middenstuk, en op het eind.
6
Wat is de biologische betekenis van de oppervlakte onder de curve?
DOEN
1.
Na het uitvoeren van een experiment met de CBL2 datalogger
worden de meetwaarden opgeslagen in lijsten op de grafische
rekenmachine (GR). Op basis van deze meetwaarden kan de
GR een mogelijk wiskundig verband tussen de twee lijsten
berekenen. Dit wiskundig verband kan van verschillende vorm
zijn; lineair, 2de macht, 3de macht, exponentieel etc. Zie scherm
1. Dit scherm bereik je via [STAT] en cursor naar rechts naar
CALC en [ENTER].
2.
3.
4.
5.
Als oefening met de regressie rekening kan je de data uit
scherm 2 invoeren. Toets [STAT] en 1:Edit. Staan er nog andere
gegevens in L1 en L2, dan kan je die makkelijk weghalen door
de cursor op de naam van de lijst te zetten (met de cursor
besturing) en daarna [CLEAR] in te drukken. Neem nu de
waarden uit scherm 2 over in de lijsten L1 en L2.
Bekijk dan eerst de bijbehorende statistische plot; druk hiervoor
[2ND] en [Y=]. Kies de eerste STAT PLOT met [ENTER] en stel in
zoals hiernaast. Wandel met de cursorbesturing rond, als je op
de juiste optie staat bevestig je die door ENTER te toetsen. Je
kan de grafiek bekijken via ZOOM en optie 9: ZoomStat,
hiermee stelt de GR het scherm zo in dat de hele plot in beeld
komt. Zie scherm 4.
De assen staan niet in beeld, er is immers op de plot
ingezoomd, wil je de assen wel in beeld pas dan via [WINDOW]
de instellingen aan. Via [GRAPH] krijg je dan scherm 6.
Scherm 1
Scherm 2
Scherm 3
Scherm 4
Uit deze grafiek kan je afleiden dat hier een lineair regressie
model dient te worden gebruikt, ga daarvoor naar [STAT] en
CALC (met cursor naar rechts en ENTER). Kies optie
4:LinReg(ax+b) met [ENTER]. Geef nu aan welke data moet
worden gebruikt voor de regressie rekening (L1 en L2) en sla de
Scherm 5
5
functie die wordt berekend op in Y1. Kies hiervoor [VARS], dan
met de cursor naar rechts naar Y-VARS kies optie 1:Function met
[ENTER] en selecteer Y1 met [ENTER]. Zie scherm 7. (Denk aan de
komma's als scheiding tussen de parameters).
6.
Via [ENTER] wordt de berekening uitgevoerd en krijg je scherm
8, waar de richtingscoefficient a en de startwaarde b bij het
lineaire functie voorschrift zijn berekend. Druk [GRAPH] en je ziet
bij de puntenwolk nu ook de functie Y1 in beeld die de beste fit
bij deze data levert. Zie scherm 9.
Scherm 6
Scherm 7
7.
8.
Berekening van het oppervlak onder het functie voorschrift kan
de GR voor je uitvoeren. Wil je de oppervlakte weten onder Y1
van x = 10 tot x = 50, kies dan 2ND en CALC, dan optie 7: ∫ f(x)dx
bevestigen met [ENTER], de grafiek wordt getoond en de
ondergrens wordt gevraagd, toets 10 en [ENTER], nu wordt de
bovengrens gevraagd, toets dus 50 en [ENTER], je ziet nu dat de
bedoelde oppervlakte wordt gearceerd en onder in beeld
staat de waarde die numeriek is berekend door de GR. Zie
scherm 10.
De GR beschouwd het gearceerde stuk als een tekening op de
grafiek, wil je de arcering verwijderen, dan kies je [2ND] [DRAW]
en optie 1: ClrDraw.
Scherm 8
Scherm 9
Scherm 10
VRAGEN
7
Bereken nu voor de 3 verschillende grafieken de oppervlakte onder de curve.
Volg de stappen zoals je hierboven net geoefend hebt. Je gebruikt nu de lijsten
van je experiment.
8
Bij welke omstandigheden (suikerconcentratie) groeit gist het beste?
6
leerlingenhandleiding
practicum Meten aan fotosynthese
NAAM
KLAS
Practicum Fotosynthese
Planten hebben licht nodig om te groeien. Het licht wordt door het bladgroen
(chlorofyl) in de bladgroenkorrels omgezet in energie: de fotosynthese. Wit licht
bestaat uit alle kleuren van de regenboog. Dat is goed te zien als je het licht laat
breken op regendruppels in de zon. Dan zie je de regenboog. Of op een glazen
prisma. Bladgroen absorbeert niet alle
kleuren (golflengtes) even goed. Dat zie je
in het plaatje hiernaast.
Je ziet ook dat er twee pieken zijn. De
eerste piek ligt ongeveer bij 430 nm
(paars/blauw) en de tweede bij 670 nm
(rood). De fotosynteseactiviteit volgt
ongeveer de lijn van de absorptie. In de
volgende proef gaan we onderzoeken bij
welke kleur de plant het beste
fotosynthetiseert.
40 cm
DOEN
1.
Weeg de waterpest af.
2.
Doe evenveel waterpest in iedere cilinder
3.
Vul de cilinder voor de helft aan met kraanwater
4.
Voeg dan in iedere cilinder 100 ml bronwater toe zodat het water genoeg
koolzuurgas (CO2) bevat voor de fotosynthese.
5.
Vul dan de cilinder voor de rest met kraanwater zodat er nog een kolom lucht
van 10 cm overblijft (zie afbeelding).
6.
Pak de cilinders met het gekleurde cellofaan in
7.
Sluit de cilinders goed af met de deksels en de zuurstofsensor.
8.
Meet gedurende 2 uur de zuurstofproductie. Kijk op de volgende bladzijde hoe
je de datalogger CBL2 aansluit en instelt.
Zuurstof sensor
Voorbeeld van de proefopstelling. Zorg ervoor dat er ongeveer boven het water een
kolom lucht is van ongeveer 10 cm.
2
Werken met de datalogger CBL2 en de grafische rekenmachine TI-84 plus
De zuurstofsensoren hoef je niet te calibreren. Zodra je de zuurstofsensoren aansluit
op de CBL2 dan ijkt de sensor zichzelf en meet de sensor direct het zuurstofgehalte in
de lucht. Een normale waarde voor zuurstof in de lucht is 20-21 procent.
DOEN
1.
Zorg dat er stroom op de datalogger (CBL2) staat en dat er batterijen in je
rekenmachine zitten.
2.
Sluit de rekenmachine aan op de CBL2 met het dunne korte snoertje met 2
dezelfde pluggen (mini-jack). Start de applicatie Datamate op je
rekenmachine, via [APPS], wandel naar beneden tot de cursor op Datamate
staat en druk [ENTER].
Als Datamate nog niet op je rekenmachine staat koppel je de rekenmachine
aan de CBL2 datalogger. Kies dan [2ND] en [LINK], met de cursor naar rechts
naar Recieve en toets [ENTER] . Druk nu op de knop Transfer op de CBL2
datalogger en de Datamate applicatie wordt uit het geheugen van de CBL2
geladen op de rekenmachine.
Sluit de 3 sensoren aan op de 3 kanalen. Zodra je dat hebt
gedaan dan komt er op de het schermpje te staan "checking
sensors".
Vervolgens laat de rekenmachine het hoofdscherm zien met de
3 meetkanalen (CH1, CH2 en CH3) met de zuurstofsensor die
meet in (pct) dat staat voor percentage. Een normale zuurstofconcentratie is
ongeveer 20.0 pct. Het bereik van de sensor ligt tussen de 0 en 22 pct.
Voordat je de meting start moet je eerst het aantal meetpunten instellen en de
frequentie, je stelt dus het tijdsinterval in tussen ieder meetpunt. Omdat de
sensor tijd nodig heeft om te meten mag je nooit een tijdsinterval gebruiken
kleiner dan één seconde. Voor deze proef nemen we een tijdsinterval van 2
minuten en meten 60 meetpunten. Ga met de pijltjestoetsen naar MODE: TIME
GRAPH en druk op [ENTER]. Er verschijnt dan een lijst met methodes om data te
verzamelen.
3.
4.
5.
3
6.
7.
8.
9.
10.
11.
Toets dan 2:TIME GRAPH in. Je komt dan in de instellingen voor
de tijdgrafiek.
Druk nu 2:CHANGE TIME SETTINGS in. Stel het tijdsinterval op 120
seconden in en het aantal meetpunten op 60. De rekenmachine
telt zelf de totale tijdsduur in. (120*60=7200 seconden oftewel 2
uur).
Druk nu op 1:OK. En je komt weer terug in het setupscherm. Druk
nogmaals op 1:OK en je bent weer terug in het hoofdscherm
waarbij je ziet dat de sensoren aan het meten zijn.
Blaas voordat je gaat meten 1 volle ademteug leeg in de
cilinders. Dan sluit je de cilinder af met de zuurstofsensor. Als het
goed is geven de zuurstofsensoren nu waarden aan tussen de 16 en 18. Dat is
laag genoeg om niet boven de grenswaarde van 22 uit te komen.
Druk nu op 2:START om het experiment te starten. De CBL2 geeft een paar korte
piepjes zodra je start hebt ingedrukt. Tegelijk start het meetscherm waar om de
2 minuten een meetpunt neergezet wordt. Na 2 uur trekt de rekenmachine zelf
een lijn door de punten en verschijnen er 3 grafieken. De x-as geeft de tijd aan.
Je kunt nu de rekenmachine afkoppelen om batterijen te besparen. Zodra je
de rekenmachine weer aankoppelt en je de datamate applicatie opstart
door op [APPS] te drukken verschijnt weer het hoofdscherm met de toevoeging
"collecting data", mits de 2 uur nog niet zijn verstreken.
VRAGEN
1
Bij welke kleur verwacht je dat de meeste zuurstof geproduceerd wordt?
2
Waarom zijn groene planten eigenlijk groen?
Klaar met data verzamelen
Na 2 uur is het 1e deel van het experiment klaar. Nu moet je eerst de data uit de het
geheugen van de CBL2 overzenden naar je grafische rekenmachine (volg de
stappen hieronder onder het kopje "DOEN"). Als je de rekenmachine tijdens het
meten de hele tijd aangekoppeld had aan de CBL2, dan staan de gegevens al in
het geheugen en kun je direct de gegevens bewerken.
DOEN
1.
Zodra het experiment klaar is geeft de datalogger weer een paar korte piepjes.
Je kunt nu de rekenmachine weer aankoppelen aan de CBL2.
2.
Start het datamateprogramma weer op door op [APPS] te drukken. Selecteer
DATAMATE met de pijltjestoetsen en druk op [ENTER]. Het scherm geeft de
volgende tekst weer: Datacollection is done. Choose the tools option, then
choose retrieve data. Druk op [ENTER]. Je komt weer in het hoofdscherm.
3.
Druk op 5 TOOLS. Je komt dan in het Tools menuscherm terecht.
4.
Druk op 2 RETRIEVE DATA. Op je scherm verschijnt een grafiek met
3 lijnen. Je bent nu klaar om de gegevens te analyseren.
VRAGEN
3
Teken de curve na en beschrijf het resultaat? Geef aan wat er in het begin
gebeurt, in het middenstuk, en op het eind.
4
Wat is de biologische betekenis van de oppervlakte onder de curve?
4
Regressie rekening met de TI-83 Plus of TI-84 Plus
Om te bekijken bij welke kleur de fotosynthese het hardst gaat gaan we de
oppervlakte onder de curve berekenen, dit heet in de wiskunde 'regressie-rekenen'.
DOEN
1.
Na het uitvoeren van een experiment met de CBL2 datalogger
worden de meetwaarden opgeslagen in lijsten op de grafische
rekenmachine (GR). Op basis van deze meetwaarden kan de
GR een mogelijk wiskundig verband tussen de twee lijsten
berekenen. Dit wiskundig verband kan van verschillende vorm
zijn; lineair, 2de macht, 3de macht, exponentieel etc. Zie scherm
1. Dit scherm bereik je via [STAT] en cursor naar rechts naar
CALC en [ENTER].
2.
3.
4.
5.
6.
Als oefening met de regressie rekening kan je de data uit
scherm 2 invoeren. Toets [STAT] en 1:Edit. Staan er nog andere
gegevens in L1 en L2, dan kan je die makkelijk weghalen door
de cursor op de naam van de lijst te zetten (met de cursor
besturing) en daarna [CLEAR] in te drukken. Neem nu de
waarden uit scherm 2 over in de lijsten L1 en L2.
Bekijk dan eerst de bijbehorende statistische plot; druk hiervoor
[2ND] en [Y=]. Kies de eerste STAT PLOT met [ENTER] en stel in
zoals hiernaast. Wandel met de cursorbesturing rond, als je op
de juiste optie staat bevestig je die door ENTER te toetsen. Je
kan de grafiek bekijken via ZOOM en optie 9: ZoomStat,
hiermee stelt de GR het scherm zo in dat de hele plot in beeld
komt. Zie scherm 4.
De assen staan niet in beeld, er is immers op de plot
ingezoomd, wil je de assen wel in beeld pas dan via [WINDOW]
de instellingen aan. Via [GRAPH] krijg je dan scherm 6.
Uit deze grafiek kan je afleiden dat hier een lineair regressie
model dient te worden gebruikt, ga daarvoor naar [STAT] en
CALC (met cursor naar rechts en ENTER). Kies optie
4:LinReg(ax+b) met [ENTER]. Geef nu aan welke data moet
worden gebruikt voor de regressie rekening (L1 en L2) en sla de
functie die wordt berekend op in Y1. Kies hiervoor [VARS], dan
met de cursor naar rechts naar Y-VARS kies optie 1:Function met
[ENTER] en selecteer Y1 met [ENTER]. Zie scherm 7. (Denk aan de
komma's als scheiding tussen de parameters).
Via [ENTER] wordt de berekening uitgevoerd en krijg je scherm 8,
waar de richtingscoefficient a en de startwaarde b bij het
lineaire functie voorschrift zijn berekend. Druk [GRAPH] en je ziet
bij de puntenwolk nu ook de functie Y1 in beeld die de beste fit
bij deze data levert. Zie scherm 9.
Scherm 1
Scherm 2
Scherm 3
Scherm 4
Scherm 5
Scherm 6
Scherm 7
5
7.
8.
Berekening van het oppervlak onder het functie voorschrift kan
de GR voor je uitvoeren. Wil je de oppervlakte weten onder Y1
van x = 10 tot x = 50, kies dan 2ND en [CALC] (knopje onder
[TRACE]), dan optie 7: ∫ f(x)dx bevestigen met [ENTER], de
grafiek wordt getoond en de ondergrens wordt gevraagd, toets
10 en [ENTER], nu wordt de bovengrens gevraagd, toets dus 50
en [ENTER], je ziet nu dat de bedoelde oppervlakte wordt
gearceerd en onder in beeld staat de waarde die numeriek is
berekend door de GR. Zie scherm 10.
De GR beschouwd het gearceerde stuk als een tekening op de
grafiek, wil je de arcering verwijderen, dan kies je [2ND] [DRAW]
en optie 1: ClrDraw.
Scherm 8
Scherm 9
Scherm 10
VRAGEN
5
Bereken de oppervlakte onder de curve voor de 3 verschillende
grafieken net zoals je hierboven geoefend hebt.
6
Bij welke kleur licht wordt het meeste zuurstof geproduceerd? En bij welke kleur
de minste? Komt dat ook overeen met wat je verwacht had. Vergelijk je
resultaat met de absorptiecurve op bladzijde 1 en je antwoord op vraag 1.
6
leerlingenhandleiding
practicum Modelleren van vieze groene meren
NAAM
KLAS
Inleiding
Het is zomer, de mussen vallen van het dak van de hitte. De enige koele plek in huis
is de koelkast, maar die is te klein. Dus pak je je zwemspullen en fiets je naar het
dichtstbijzijnde watertje voor een lekkere verfrissende duik! Voordat je je fiets op slot
hebt gezet komt de putlucht je al tegemoet. Niets geen lekker zwemwater, het
meertje waar je al jaren komt is veranderd in een vieze groene soep! Boven op het
water drijft een dikke laag algen.
Bovenstaand verhaaltje is geen onzin maar komt jaarlijks op talloze plekken in
Nederland voor. Met name in de (na)zomer slaan sommige heldere watertjes om in
troebele plassen waar algen goed vertoeven. Zo'n massale groei van algen heet
algenbloei. De rest van het waterleven gaat ten onder want de algen slurpen al het
zonlicht op waardoor de waterplanten niet meer kunnen leven en afsterven. Daarna
verdwijnt ook de zuurstof uit het water waardoor vissen en andere waterdieren niet
meer kunnen leven. Hoe kan het dat het ene water wel en het andere niet omslaat
in een groene soep? Deze vraag staat centraal in dit practicum
Dit water is veranderd in een
vieze groene soep. De
algenmassa drijft bovenop het
water en vangt al het licht weg
voor waterplanten die op de
bodem wortelen.
De proef in het kort
Je werkt tijdens deze proef samen in een groep van 3 leerlingen. Ieder groepje gaat
bij een watertje in de buurt een aantal metingen verrichten. Nadat je de metingen
hebt verricht ga je de meetpunten verwerken in een wiskundig model. Met het
model gaan we een voorspelling doen over de toestand van het water. Want we
willen weten of het meertje op het punt staat te veranderen in een vieze groene
soep.
Hieronder staan de factoren die je kunt meten met uitleg hoe je dat doet:
pH
Met testkit of lakmoespapier
Zuurstof-gehalte
De zuurstof meet je met de zuurstofsensor
die je aansluit op de datalogger
Nitraat-gehalte
Met een testkit
Fosfaat-gehalte
Met een testkit
Temperatuur
De temperatuur kun je met de
temperatuursensor meten die je aansluit
op de datalogger
Zichtdiepte (troebelheid)
Secchischijf
2
Naast gegevens over de waterkwaliteit zijn er nog een aantal zaken die een
voorspellende waarde kunnen hebben over de toestand van het water dat je gaat
onderzoeken. Hieronder staan er een aantal:
Ligt jouw water vlakbij een weiland van
een boerderij (koeien, paarden, schapen
etc.)?
Ligt jouw water in een bos of park?
Ligt jouw water in de stad?
Schat de oppervlakte van het water
Meet de diepte van het water
Stroomt het water?
Is het een sloot, vijver of meertje?
Drijft er kroos op het water?
VRAGEN
1
Wat betekent een hoge, lage of neutrale pH voor de kwaliteit van het water en
de groei van planten?
2
Verzin zelf een hypothese waarom sommige meertjes wel veranderen in een
vieze groene soep, terwijl andere gewoon helder blijven.
3
Kun je nog meer belangrijke factoren noemen die van invloed zijn op de
toestand van het water? Schrijf die dan hieronder op
3
Achtergrondinformatie en het wiskundig model
In opdracht van het ministerie van LNV (landbouw, natuurbeheer en visserij)
ontwikkelde een onderzoeksgroep van de Wageningen Universiteit een model
waarmee natuurbeheerders kunnen voorspellen of het water gezond is. Met andere
woorden of het watertje niet op het punt staat om te veranderen in een vieze
groene soep. De onderzoeksgroep ging eerst aan de slag met het verzamelen van
gegevens uit het veld. Ze wisten al dat de algengroei afhangt van de hoeveelheid
nutriënten in het water. Van een heleboel troebele en heldere meren brachten ze
het verband in kaart tussen de hoeveelheid voedingstoffen en de troebelheid dat
gemeten wordt in het aantal centimeters dat je onder water kunt kijken. Hieronder
staat het resultaat.
DOEN
1.
Vul in onderstaande tabel de bijbehorende troebelheidswaarden met behulp
van de grafiek.
x-as
y-as
nutriënten zichtdiepte (cm)
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
2.
4
Pak je grafische rekenmachine erbij en druk [MODE] en ga met
de [↓-TOETS] 3 stappen naar beneden en druk op [ENTER] om de
modus Func te activeren.
3.
Druk [STAT] 5 om de optie 5:SetUpEditor te kiezen. In het
basisscherm wordt de instructie SetUpEditor ingevoegd.
4.
Druk [ENTER] Hierdoor worden de lijstnamen in de kolommen 1 tot
en met 20 in het STAT LIST scherm gewist, en zullen vervolgens de
lijstnamen L1 tot en met L6 in de kolommen 1 tot en met 6 worden
ingevoegd.
5.
Druk [STAT]1 om in het menu STAT EDIT de optie 1:Edit te kiezen.
Het STAT LIST scherm verschijnt. Als er reeds gegevens in de lijsten
L1 en L2 zijn opgeslagen, moet u de [↑-TOETS] drukken om de
cursor te verplaatsen naar de naam van de lijst L1, en vervolgens
[CLEAR] [ENTER] te drukken om de lijst L1 te wissen. Druk
[→TOETS] om de rechthoekige cursor naar L2 te verplaatsten en wis ook lijst L2.
6.
Vul nu de lijsten zoals aangeven in de bovenstaande tabel. Voor
L1 is dat 3[ENTER], 4[ENTER], 5[ENTER]…12[ENTER], voor L2 is dat
198[ENTER] , 196[ENTER] , 191[ENTER] …18[ENTER] . Nu zijn L1 en L2
gevuld. L3 laten we leeg. De getallen in dit voorbeeld kunnen iets
afwijken van jouw eigen getallen.
7.
Druk [Y=] (dit knopje zit linksboven onder het LCD-schermpje) om het Y= scherm
op te roepen. Druk, indien nodig [CLEAR], om de functie Y1 te wissen.
8.
Druk [2nd][STAT PLOT]1 (dit knopje zit linksboven onder
de[Y=]knop) om in het menu STAT PLOTS de optie 1:Plot1 te
kiezen. Het STAT PLOT scherm verschijnt nu voor plot 1.
9.
Druk [ENTER] om de optie On te kiezen, zodat plot 1 wordt
geactiveerd. Druk met de [↑-TOETS] om het type te kiezen. Kies
het 1e type de "scatter plot" of puntenwolk. Druk weer met de [↑TOETS] om de X en Y waarden toe te kennen. Voor Xlist kies je L1
door [2nd][L1] te kiezen. Kies voor Ylist L2 door [2nd][L2] te
drukken. Ga met de pijltjestoetsen naar Mark (het
markeringssymbool) en kies + voor het uiterlijk van de punten op
je scherm. De grafiek kan je nu bekijken via ZOOM en optie 9:ZoomStat, de
rekenmachine stelt nu automatisch de X- en Y-as in zodat de hele plot in beeld
komt.
10.
Druk [STAT] en ga naar CALC (1 stap met de pijltjestoets naar
rechts). Ga dan twee keer met de pijltjestoets omhoog om in het
menu STAT CALC de optie B:Logistic - een logistische
regressiemodel - te kiezen. In het basisscherm wordt de instructie
Logistic ingevoegd. Druk op [ENTER] en dan berekend de
rekenmachine de variabelen a, b en c voor de logistische groeiformule:
Y=
c
1+ae-bt
5
11.
Druk vervolgens op [GRAPH] knopje rechtsboven en er verschijnt
een grafiek met de losse punten.
12.
Druk weer op [STAT] en ga nogmaals naar CALC (1 stap met de
pijltjestoets naar rechts). Kies nogmaals in het menu STAT CALC
de optie B:Logistic. Onder de formule komt weer de instructie
Logistic te staan. Druk op [2nd][L1][ , ] en nu op 2nd][L2][ , ] en
dan op [VARS] ga naar Y-VARS door met de pijltjestoets 1 stap
naar rechts te gaan en druk op [ENTER], je komt dan in het
Y:functiemenu. Druk nogmaals [ENTER]. Je bent nu weer terug in het
beginscherm en er staat dan achter Logistic L1, L2, Y1. Nu gaan we de curve
tekenen die het best bij onze ingevoerde punten past. Met andere woorden
we tekenen nu de volgende formule:
Y=
c
1+ae-bt
13.
Druk nu weer op [ENTER] en de grafische rekenmachine berekent
de beste curve. Druk op [GRAPH] om de grafiek te laten zien. Als
je scherm niet de hele plot in beeld brengt kies dan ZOOM en
9:ZoomStat.
14.
Je hebt nu je model. Geef de waarde voor de constanten a, b en c die je bij
punt 12 gevonden hebt.
a=
6
b=
c=
Fig 2. Omslagmodel van
helder naar troebel. Op
de y-as staat de
troebelheid weergegeven
in cm zichtdiepte. Op de
x-as de nutrientenconcentratie, dit is een
omrekenfactor van de
tabel op blz. 10 in mg/l.
Theorie
De Wageningse biologen kwamen met het logistische groeimodel en gaven dat
aan het ministerie. Ze voorspelden met het model dat een meer helder blijft als het
nutriëntengehalte niet boven de drempelwaarde van 7 uit zou komen. De
natuurbeheerders troffen meertjes aan met hogere waarden (tussen de 9 en de 11)
en gingen aan de slag met het omlaag brengen van de nutriënten. Van een paar
kleine zwemwatertjes filterden ze alle algenprut eruit en pompten het nutriëntenrijke
water voor een deel weg. Door het meer vervolgens door te spoelen met
nutriëntenarm water lukte het om het nutriëntengehalte tussen de 6 en 7 uit te laten
komen. Onder de drempelwaarde zoals het model aangaf, dus het ecosysteem zou
helder moeten blijven. Helaas veranderde diezelfde zomer nog het zwemwater weer
in een troebel algenfestijn. De biologen moesten hun model aanpassen want het
werkte niet.
De Wageningse groep ging aan de slag en ze gebruikten een kleine plas als model.
De plas was nutriëntenarm en soortenrijk. Het bevatte snoek, waterplanten,
watervlooien en brasem. Ze volgden het systeem gedurende 5 jaar en vervuilden
het ieder jaar met een hoeveelheid meststoffen om te bekijken wanneer de algen
de oververhand zouden krijgen. In de grafiek hieronder staan de resultaten die ze
vonden.
7
Het bleek dat het meer een hele tijd tegen de vervuiling kon totdat bij een waarde
tussen 7,5 en 8,5 de troebelheid opeens enorm toenam. Blijkbaar lag hier ergens het
omslagpunt. Van helder naar troebel was dus uitgezocht. Maar natuurbeheerders
willen vervuilde ecosystemen ook weer herstellen dus hoe is de weg terug. Van
troebel naar helder?
VRAGEN
4
In de tekst op bladzijde 10 staat dat natuurbeheerders om het
nutriëntengehalte te verlagen, het nutriëntenrijke water wegpompten en
vervingen voor nutrïentenarm water tegelijk met het wegvangen van de algen.
Bedenk nog een manier om de nutriëntenconcentratie in het water te
verlagen.
Van troebel naar helder water
Al eerder hadden de natuurbeheerders in de kleine zwemplassen de
drempelwaarde van 5 aangehouden en bleek het water - nadat het een poosje
helder was - toch weer te veranderen in een algenfestijn. Daarom gingen de
Wageningse biologen nog verder onderzoek doen. Ze namen daarvoor hetzelfde
zwemwater dat voorheen helder was maar nu een groene algensoep was. Deze
plas was zo vervuild dat de nutriëntenconcentratie rond de 10 lag. Nu verlaagden
de biologen ieder jaar de nutriëntenconcentratie en wachten dan weer een half
jaar om te kijken wat er gebeurde. Hieronder staat de grafiek van troebel naar
helder.
8
DOEN
Teken nu zelf in het onderstaande plaatje de twee grafieken van helder naar troebel
en van troebel naar helder.
VRAGEN
5
De weg terug van troebel naar helder volgt niet dezelfde lijn als van helder
naar troebel. Wat betekent dat voor de waterbeheerders die streven naar
alleen maar heldere gezonde meren?
6
Je moet advies uitbrengen aan de waterbeheerders. Welke veilige
drempelwaarde adviseer je zodat je er vanuit mag gaan dat het water helder
blijft? Licht je antwoord toe.
EXTRA VRAGEN
7
Leg uit hoe zuurstofgebrek in verband staat met eutrofiëring
8
Zet verbindingspijlen tussen de onderstaande organismen en beschrijf het
voedselweb. Voorbeeld: Koe -> gras. De pijl geeft aan "eet". Wat gebeurt er als
het aantals snoeken afneemt?
Brasem
snoek
alg
waterplant
watervlo
9
9
Onder de oplossingen om een troebel meer weer helder te krijgen staat ook het
wegvangen van vis. Is het juist handig om de snoek weg te vangen of juist de
brasem? Leg je antwoord uit. Gebruik het voedselweb bij vraag 7.
Meetformulier
De volgende opdrachten voer je bij het water uit en vul je in op dit meetformulier.
DOEN
1
Beschrijf je onderzoeksplaats
Over je onderzoeksplaats noteer je vier dingen. Als eerste stel je vast wat je gaat
onderzoeken: is het een meer, een sloot of een kanaal bijvoorbeeld. Daarna kijk je
naar de ligging. Ligt het langs een weg of juist midden in een bos? Als derde maak je
een beschrijving van het water. Ziet het er op het eerste oog schoon of vies uit? En
tenslotte doe je een voorspelling. Denk je dat er veel verschillende diersoorten
voorkomen of juist niet?
2
Schat de wateroppervlakte
De oppervlakte reken je uit door de lengte met de breedte te vermenigvuldigen. Je
hoeft dit niet heel precies te doen. Dat is vaak lastig omdat een meer nu eenmaal
niet vierkant is. Schat de oppervlakte en vul dit in.
3
Meet de watertemperatuur
Meet met de thermometer de temperatuur van het water in de bovenste 10
centimeter van het water.
4
Meet de zichtdiepte (troebelheid) van het water
Dit kun je meten met een helderheidsmeter ook wel Secchischijf
genoemd (zie de figuur hiernaast). De schijf heeft een doorsnede van
25 centimeter en is verdeeld in vier vlakken, afwisselend zwart en wit
(twee zwarte en twee witte). Door in de schijf enkele gaatjes te boren
kun je de schijf makkelijk in het water laten zakken. De schijf moet
vastzitten aan een touw. Een stuk touw kun je om de tien centimeter
merken door middel van knopen of gekleurde lintjes. Door de gaatjes
maak je het touw dan vast. De schijf kan ook vastzitten aan een stok
met om de tien cm strepen verf.
10
Bij het bepalen van de zichtdiepte van het water ga je als volgt te werk: Laat de
schijf liefst vanaf een brug of een boot in het water zakken tot de schijf niet meer
zichtbaar is. Haal de schijf dan weer op totdat hij net weer zichtbaar is. Lees de
diepte af. De diepte kun je aflezen met behulp van de merktekens die om de 10
centimeter op het touw of de stok zitten. Let op: als je de bodem gewoon kunt zien,
zet dat er dan bij. Als je de diepte niet kunt meten (er ligt een hele dikke laag ijs
bijvoorbeeld), vul dan een streepje ‘-‘ in.
5
Meet de zuurgraad van het water
De zuurgraad kun je het eenvoudigst meten met een pH-papiertje. Als je dit
papiertje in de oplossing houdt, verkleurt het. Met de bijbehorende kleurenschaal
kun je de pH dan bepalen. En pH lager dan 7 noemen we zuur en hoger dan 7 is de
vloeistof basisch. Hoe lager de pH,hoe zuurder het water. Zuur water vind je van
nature alleen in vennen. Hier komen speciale planten en dieren in voor die goed
tegen dat zure water kunnen.
6
Meet het Fosfaat en Nitraat gehalte in het water
7
Meet het Zuurstofgehalte in het water
8
Vul onderstaande tabel met de gegevens die je hebt verzameld en vul
daarnaast de bijbehorende waarde in die bij het nutriëntenmodel hoort
Gevonden waarde
(mg/l)
Nutriëntenmodel
Ammonium
Nitraat
Fosfaat
Nitriet
Chloride
zuurstof
11
Tabel 1. Hieronder staat de omrekentabel voor het nutriëntenmodel
samenhang tussen chemische milieufactoren en waterkwaliteit
waarden in mg/l
Niet
eutroof
weinig
eutroof
Matig
eutroof
ernstig eutroof
sterk
eutroof/verontreinigd
Nutrientenmodel
<3
3-5
5-7
7-9
>9
Ammonium
< 0,01
<0,1
0,1 - 0,3
0,3 - 1
>1
Nitraat
<4
4 - 12
12 - 36
36 - 108
> 108
Fosfaat
< 0,1
0,1 - 0,3
0,3 - 0,75
0,75 - 1,5
> 1,5
Nitriet
< 0,01
0,01 - 0,05
0,05 - 0,1
0,1 - 1
>1
Chloride
<200
200 - 400
200 - 400
400 - 2000
> 2000
zuurstof
>8
>8
6-8
4-6
<4
VRAGEN
10 Welke chemische milieufactoren (nitraat, fosfaat ect.) denk je dat het meest
de algengroei beïnvloeden. Leg je antwoord uit?
11
12
Komen de gegevens van jouw watertje overeen met het model? Geef behulp
van de tabel bij vraag 8 en de zichtdiepte een oordeel over de kwaliteit. Loopt
het water volgens jou gevaar om te slaan in een troebele groene soep of is het
een gezonde plas?
Download