nut van bifosfonaten in de behandeling van bepaalde types van

advertisement
FACULTEIT GENEESKUNDE EN
GEZONDHEIDSWETENSCHAPPEN
Academiejaar 2012-2013
NUT VAN BIFOSFONATEN IN DE BEHANDELING
VAN BEPAALDE TYPES VAN KANKER
Fien DECUYPERE
Promotor: Prof. Dr. S. Van Belle
Scriptie voorgedragen in de 2de Master in het kader van de opleiding
MASTER OF MEDICINE IN DE GENEESKUNDE
I
I
FACULTEIT GENEESKUNDE EN
GEZONDHEIDSWETENSCHAPPEN
Academiejaar 2012-2013
NUT VAN BIFOSFONATEN IN DE BEHANDELING
VAN BEPAALDE TYPES VAN KANKER
Fien DECUYPERE
Promotor: Prof. Dr. S. Van Belle
Scriptie voorgedragen in de 2de Master in het kader van de opleiding
MASTER OF MEDICINE IN DE GENEESKUNDE
II
III
Voorwoord
Graag wil ik Prof. Dr. Simon Van Belle in het bijzonder bedanken voor alle hulp bij het tot stand
brengen van deze masterproef.
Mijn ouders en broer wil ik ook bedanken voor hun interesse en het vele nalezen van mijn
masterproef.
IV
Inhoudsopgave
1. Abstract ...................................................................................................................................................................... 1
2. Inleiding ..................................................................................................................................................................... 2
3. Methodologie ............................................................................................................................................................. 4
4. Resultaten ................................................................................................................................................................... 4
4.1 Inleiding ............................................................................................................................................................... 4
4.2 Algemene eigenschappen bifosfonaten................................................................................................................ 5
4.2.1 Structuur ....................................................................................................................................................... 5
4.2.2 Werking ........................................................................................................................................................ 5
4.2.3 Verschillende soorten ................................................................................................................................... 8
4.2.4 Bijwerkingen ................................................................................................................................................ 8
4.3 Botmetastasen: algemene begrippen .................................................................................................................. 12
4.4 Activiteit in de volgende types van kanker ........................................................................................................ 13
4.4.1 Borstkanker ................................................................................................................................................ 13
4.4.2 Prostaatkanker ............................................................................................................................................ 19
4.4.3 Longkanker ................................................................................................................................................. 23
4.4.4 Thyroidkanker ............................................................................................................................................ 26
4.4.5 Multiple myeoloma .................................................................................................................................... 27
4.5 Economische aspecten ....................................................................................................................................... 29
5. Discussie .................................................................................................................................................................. 31
5.1
Zijn alle hypothesen in alle tumortypes hetzelfde ..................................................................................... 31
5.2
Zijn de gegevens solide genoeg om al van een basisbehandeling te spreken? ........................................... 35
5.3
Bedenkingen bij de data uit de literatuur ................................................................................................... 36
5.4
Valkuilen bij het gebruik van de bifosfonaten ........................................................................................... 37
5.4.1
Bijwerkingen...................................................................................................................................... 37
5.4.2
Subgroepen ........................................................................................................................................ 37
5.4.3
Effectieve dosis .................................................................................................................................. 38
5.4.4
Osteoclastische versus osteoblastische metastasen ............................................................................ 38
5.4.5
Hoe verklaren we de niet-significante resultaten? ............................................................................. 39
5.4.6
Andere zwakke punten: dosis en duur behandeling ........................................................................... 40
5.5
Toekomstperspectief .................................................................................................................................. 40
5.6
Voorstel tot consensus op basis van de gegevens ....................................................................................... 42
6. Conclusie.................................................................................................................................................................. 45
7. Literatuurlijst ............................................................................................................................................................ 47
V
1. Abstract
Inleiding: De komst van de bifosfonaten zorgt mogelijk voor nieuwe richtlijnen in de
behandeling van botmetastatische kankers. Naast zijn anti-osteoporotische werking, ontdekt men
namelijk ook een anti-tumorale werking. In deze masterscriptie wordt onderzocht wat het nut is
van de bifosfonaten bij bepaalde types van kanker.
Methodologie: Deze masterscriptie is gebaseerd op een uitgebreide literatuurstudie. Hierbij
beperkten we ons tot de publicaties van de laatste 5 jaar en werd gebruik gemaakt van
verschillende databases; Pubmed, Web of Science… Een biomedische bibliotheek werd
aangelegd door middel van End Note.
Resultaten: Bij borstkanker tonen 3 belangrijke studies (ABCSG-12 trial, Z(O)-FAST, AZURE)
ons beloftevolle resultaten. Ook bij prostaatkanker vinden zowel Saad et al. en Tsagozis et al. een
aantal significante resultaten. Bij longkanker zien Zarogoulidis et al. en Hirsh V. onafhankelijk
van elkaar aanwijzingen die de anti-tumorale werkingen bevestigen en deels verklaren. Bij
thyroidkanker is er nog steeds een schaarste aan studies en evidentie. Bij multiple myeloma
wordt, gebaseerd op de meest recente resultaten van de MRC (Medical Research Council)
Myeroloma IX Study, al aanbevolen om aan alle patiënten met nieuw gediagnosticeerde
symptomatische MM Zoledronic Acid te geven.
Discussie: Zijn deze resultaten nu eigenlijk overtuigend genoeg en welke mechanismen kunnen
deze anti-tumorale effecten verklaren? Verschillende hypothesen worden verder uitgediept.
Enkele kritische bedenkingen, zoals de beperkte beschikbare data, de valkuilen en het
toekomstperspectief worden besproken.
Conclusie: Bifosfonaten zijn de standaardbehandeling geworden voor de preventie van skeletal
related events bij botmetastasen. Er moet nog verder onderzoek gebeuren of bifosfonaten nu
effectief gebruikt kunnen worden als standaardtherapie in de adjuvante setting. Er is al veel
veelbelovend resultaat beschikbaar in de literatuur, maar deze kan nog geen sluitend antwoord
bieden.
1
2. Inleiding
De dag van vandaag worden steeds meer en meer mensen geconfronteerd met kanker. Deze
continue evolutie in de kankertherapie impliceert dat steeds meer en meer mensen overleven met
kanker. Deze langere overleving induceert echter ook meer bijwerkingen en lange termijneffecten
van de huidige behandeling. Dit doet de kwaliteit van leven dalen. De introductie van
bifosfonaten in de oncologie, zorgt mogelijks voor een verandering in het huidige management
van patiënten met botmetastatische kanker. Deze masterscriptie handelt over het gebruik van
bifosfonaten (BF) in de behandeling van bepaalde types kanker. Zijn bifosfonaten nu werkelijk
het nieuwe wondermedicijn waar iedereen ongeduldig op wacht? Kan het de grote verwachtingen
waarmaken?
BF worden vooral gebruikt in de preventie en behandeling van osteoporose. We zien naast de
preventieve/ondersteunende werking ook een adjuvante anti-tumorale werking van bifosfonaten.
De werking van bifosfonaten is zeer breed. Zo zouden ze de pijn, die botmetastasen veroorzaken,
verlichten (en ook voorkomen) en verdere complicaties beletten. Bovendien zouden ze
botmetastasen kunnen voorkomen bij bepaalde types van kanker.
Hoe deze anti-tumorale werking in zijn werk gaat en of deze ook zorgt voor een significant
verschil in de overleving is onderwerp van huidig onderzoek.
BF inhiberen de osteoclasten-gemedieerde botresorptie, die vaak een van de oorzaken is van
botmetastasen. Botmetastasen komen vaak voor bij kankerpatiënten in een gevorderd stadium, ze
zijn het vaakst geassocieerd met multiple myeloma (MM) (95-100%) of solide tumoren van de
borst (70-80%), prostaat (70-80%), long (40%) of thyroid (25%).
Deze masterscriptie onderzoekt de rol van de bifosfonaten bij bepaalde types kanker (borst-,
prostaat-, long-, thyroidkanker en MM). Eerst en vooral wordt de algemene werking van
bifosfonaten beschreven. Vervolgens wordt er verder ingegaan op de rol van het gebruik van
bifosfonaten bij bepaalde types kanker, meer bepaald in de adjuvante en preventieve setting. In
de discussie worden de verschillende naar voor geschoven hypothesen getoetst, verklaard en
geëvalueerd. Ook de eventuele risico’s die het adjuvant gebruik van bifosfonaten met zich mee
kan brengen, worden besproken.
Door de constante evolutie in kankertherapie herstellen meer en meer mensen van kanker.
Daarom worden de lange termijn effecten steeds belangrijker. BF zijn naast een adjuvante
therapie ook belangrijk bij de preventie van botcomplicaties en botpijn. BF zijn de dag van
2
vandaag hot topic, in deze scriptie willen we onderzoeken aan de hand van de huidige literatuur,
wat nu de werkelijke waarde is van deze BF.
De bifosfonaten hebben al een hoeksteenpositie veroverd bij de behandeling van MM, zal dit ook
het geval zijn voor de andere kankers? Er wordt geprobeerd een antwoord te geven of
bifosfonaten nu werkelijk het nieuwe summum zijn. Of is de komst van bifosfonaten slechts een
tijdelijke opmars, die van zijn troon zal gestoten worden door de komst van andere nieuwe
medicijnen zoals het anti-RANKL. De anti-RANKL medicijnen (oa. Denosumab), werden op
aanraden van, Prof. Dr. Simon Van Belle niet in deze scriptie behandeld. Indien in deze thesis
ook nog eens de werking van de anti-RANKL medicijnen behandeld zou worden, zou het te
uitgebreid worden.
3
3. Methodologie
De literatuur werd gezocht in de databases van Pubmed, Web of Science….
Er werd gebruik gemaakt van de trefwoorden biphosphonates, treatment, cancer…om de
inleidende literatuur te zoeken. Hierbij beperkten we ons tot de publicaties van de laatste 5 jaar.
Vanuit de gevonden literatuur werd verder gezocht via het watervalprincipe, de functie ‘related
articles’ en de herinneringsfunctie van Pubmed om op de hoogte te blijven van de nieuwste
publicaties over de geselecteerde onderwerpen.
Een biomedische bibliotheek werd aangelegd aan de hand van het End Note programma.
4. Resultaten
Eerst wordt de algemene werking van de BF besproken. Vervolgens bekijken we per type kanker
de meerwaarde van de BF bij de preventie van SRE’s (skeletal-related events) en in de adjuvante
setting. Borstkanker, prostaatkanker, longkanker, thyroidkanker en multiple myeoloma worden
achtereenvolgens behandeld. Andere kankers hebben we niet behandeld gezien er nog niet
genoeg evidentie bestaat voor het gebruik van BF bij andere kankers.
4.1 Inleiding
Men gaat er van uit dat kankercellen een 6-tal fundamentele eigenschappen hebben, namelijk:
zelfvoorzieningen in groeisignalen, verlies van de groei onderdrukkende signalen, verlies van
controle van geprogrammeerde celdood (apoptose), verhoogde bloedvatvorming (angiogenese),
ongelimiteerde delingscapaciteit en de mogelijkheid tot invasie en metastase.(1) Indien de BF een
anti-tumorale eigenschap hebben, moeten ze dus op 1 of meerdere van deze eigenschappen van
de kankercel inwerken.
4
4.2 Algemene eigenschappen bifosfonaten
4.2.1 Structuur
BF inhiberen de osteoclasten-gemedieerde botresorptie. Het zijn niet-metaboliseerbare
pyrofosfaat-analogen, gekarakteriseerd met een P-C-P skelet en 1 of meer variabele zijketens (R):
Het P-C-P skelet zorgt voor binding met de gemineraliseerde botmatrix en biedt resistentie tegen
fosfatase. De variabele zijketen bepaalt de relatieve potentie, de nevenwerkingen en het precieze
actiemechanisme van het bifosfonaat.(2)
4.2.2 Werking
Het primair eindpunt van een behandeling met BF is om nieuwe SRE’s te voorkomen, de pijn te
verminderen en om de kwaliteit van het leven te verbeteren.
Onder SRE’s verstaan we onder andere pathologische fracturen, de nood tot chirurgie of
palliatieve radiatie van het bot, spinaal kanaal compressie en maligne hypercalcemie.(3) Na
absorptie in het bot binden BF met de blootgestelde botmineralen rond de osteoclasten. Hierdoor
ontstaat een hoge concentratie van bifosfonaten ter hoogte van de resorptie-lacunes. Tijdens de
botresorptie worden ze opgenomen door de osteoclast. Eens opgenomen interfereren ze met de
biochemische processen van de osteoclast en dit lijdt tot apoptose. Op deze manier slagen ze erin
de botresorptie tegen te gaan. De BF, die geen nitrogeen bevatten zorgen voor het ontstaan van
niet hydroliseerbare ATP analogen, die toxisch zijn voor de ostecolasten en zo apoptose
veroorzaken.(4) De nitrogeen bevattende BF (zoals Zoledronaat) interfereren met de mevalonaat
pathway in de osteoclast. De mevalonaat pathway is de pathway die noodzakelijk is voor de
synthese van cholesterol en andere isopentenyl pyrofosfaat (IPP) lipiden (onder andere FPP
(farnesyl difosfonaat) en GGPP (geranylgeranyl difosfaat) (zie figuur 1 Mevalonaat pathway)).(5)
FPP en GGPP zijn essentiële intermediairen in de post-translationele modificatie van belangrijke
signaal en regulatie GTPases zoals Ras, Rho en Rac. De BF binden met het FPP waardoor er een
stabiel inhibitie complex gevormd wordt, hierdoor kunnen de belangrijke signaal en regulatie5
enzymes niet meer gevormd worden. Lipidemoleculen die GTPase afhankelijk zijn worden nu
niet meer in de binnenste celmembraan ingebouwd. Dit resulteert onder andere in morfologische
veranderingen in het cytoskelet, de onmogelijkheid om nog gerimpelde membranen te vormen
(zie figuur 2: Osteoclast, Ruffled Border (6)), verandering in het vesiculair transport en in de
signaalpathways. Deze structurele verandering, bijvoorbeeld de onmogelijkheid om gerimpelde
membranen te vormen (die noodzakelijk zijn om het bot te kunnen resorberen), leidt tot apoptose
van de osteoclast. Zoledronaat zou bovendien ook nog een zwakke inhibitor zijn van de GGPP
synthase.(7)
Figuur 1 : Mevolonaat Pathway (5)
6
Figuur 2: Osteoclast Ruffled Border (6)
De werking van de BF kan grosso modo ingedeeld worden in de directe effecten (apoptose van
de osteoclast, verminderde proliferatie, verminderde angiogenese, gedaalde migratie,
verminderde adhesie en invasie van de tumorcellen) en in de indirecte effecten (daling van de
osteoclastogenese, minder botresoptie, gedaalde vrijkoming van de groeihormonen en gedaalde
groei van de skeletmetastasen).(2)
BF worden bij intraveneuze toediening voor 25-40% verwijderd door de nier, de overige 60-75%
wordt opgenomen door het bot, door binding met hydroxyapatiet. BF worden niet
gemetaboliseerd. Oraal hebben BF een slechte biologische beschikbaarheid, waardoor ze bijna
uitsluitend intraveneus toegediend worden.
BF worden ook adjuvant gebruikt. Ze slagen er namelijk in om locoregionale metastasen en
metastasen op afstand te voorkomen. Bovendien kunnen ze het risico op herval verminderen.
Studies hebben aangetoond dat Zoledronaat de overleving verlengt, door het tegengaan van
metastasen.(2) Dit wijst op het feit dat BF een anti-tumorale eigenschap hebben bij carcinomen.
7
4.2.3 Verschillende soorten
Tegenwoordig zijn verschillende BF in omloop, de meest gebruikte zijn; Clodronaat (1e
generatie), Pamidronaat(2e generatie) , Zoledronaat en Ibandronaat (beiden 3e generatie). Ze
worden zowel oraal als intraveneus toegediend. Pamidronaat werd in 1995 als eerste intraveneuze
(iv) bifosfonaat door het FDA (Food and Drug Administration) goedgekeurd voor de behandeling
van osteolytische metastasen. Zoledronaat wordt tegenwoordig als het meest effectieve
geneesmiddel van de BF gezien. Volgens Mc Keage zou iv Zoledronaat het meest kosteneffectief
zijn, berekend aan de hand van de kost per QALY (quality adjusted life years).(8) De tweede
bifosfonaat in rij is dan oraal Ibandronaat. Ibandronaat wordt sinds kort als een nieuw alternatief
gezien. In Europa wordt het al gebruikt voor de behandeling van hypercalcemie en botmetastasen.
De BF worden ook gebruikt ter preventie en behandeling van osteoporose. Echter, het nut van
intraveneuze toediening van Ibandronaat, is nog niet duidelijk. De vergelijkende studies van
Ibandronaat t.o.v. de huidige BF zijn nog niet afgerond.(9) Wanneer men de BF rangschikt
volgens de doeltreffendheid, belandt ZA(Zoledronic Acid) op de eerste plaats, gevolgd door
ibandronaat, risedronaat, pamidronaat, clodronaat en ten slotte etidronaat. (10) In deze
masterscriptie wordt de nadruk gelegd op ZA. In onderstaande tabel worden de meest gebruikte
bifosfonaten samengevat met hun frequentste gebruikte dosering en toedieningwijze.
Tabel 1: Samenvatting huidige dosering bifosfonaten. (7, 9, 11-15)
Bifosfonaat
Ibandronaat
Merknamen
Toedieningwijze
Dosis
Bonviva®
iv
2 of 6 mg
Bonviva®
po
50 mg
Clondronaat
Bonefos®
po
1600 mg
Pamidronaat
Aredia®, Pamidrin®
iv
90 mg
Zoldronaat
Zometa®
iv
4 mg
4.2.4 Bijwerkingen
A. Algemeen
Alle BF zijn gecontraïndiceerd tijdens de zwangerschap en bij patiënten met ernstige
nierinsufficiëntie. Als belangrijkste ongewenste effecten kunnen zij onder andere moeheid, koorts,
8
rillingen, spierpijn, gewrichtspijn, anemie, onderste ledematen oedeem, nierlijden, inflammatoire
ziekten aan het oog en de gevreesde kaakbeennecrose (zie onder) veroorzaken. Wanneer de BF
intraveneus gegeven wordt, krijgt men geen gastro-intestinale bijwerkingen.(16) Bij het geven
van BF volgt men best de nierfunctie op en past men indien nodig de dosis aan in functie van de
nieren. Een dosis van 8 mg ZA iv geeft een verhoogd risico op aantasting van de nierfunctie, bij 4
mg is dit veel minder het geval.(16) Voor toediening is het dus interessant eerst de
creatinineklaring na te zien, deze is het best boven 30ml/min. Er wordt ook aangeraden om
voldoende te drinken voor het infuus (500ml).
B. Osteonecrose van de kaak
B. 1. Geschiedenis
Marx RE en Ruggiero SL, 2 maxillofaciale chirurgen, ontdekten en rapporteerden in 2003 voor
het eerst gevallen van niet regenererend blootgesteld bot in de maxillofaciale regio bij patiënten
behandeld met IV BF.(17, 18) Dit werd in mindere mate vastgesteld bij het gebruik van orale BF.
De osteonecrose van de kaak door het gebruik van BF wordt BRONJ (bisphosphonate-related
osteonecrosis of the jaw) genoemd.
Het typisch klinisch beeld is een niet genezende extractie caviteit, of blootgesteld kaakbeen die
evolueert naar sequestrumvorming, gelokaliseerde zwellingen en etter lozing. Al snel bleek dat
de gemeenschappelijke factor van deze gevallen, de blootstelling aan BF was. (19) Door de
toegenomen aandacht naar deze bijwerking, kwamen meer gevallen aan het licht, in 2004 voegde
Novartis Pharmaceuticals de mogelijkheid tot ontwikkeling van kaaknecrose bij het gebruik van
Zoledronaat en Pamidronaat als mogelijke bijwerking toe.(19) In 2006 gaf het FDA een
grootschalige waarschuwing omtrent het gebruik van alle BF.
B.2. Definitie
Men spreekt van BRONJ als aan volgende 3 karakteristieken voldaan zijn:
- huidig of voorafgaande behandeling met BF
- blootgesteld bot in de maxillofaciale regio dat meer dan 8 weken persisteert
- geen verleden van radiotherapie aan de kaak
BRONJ is voorlopig nog maar enkel vastgesteld in de maxilla en mandibula, dit is te wijten aan
de hoge turnover van het alveolair bot.
9
De incidentie op het ontstaan van BRONJ stijgt naarmate de potentie van de BF en de
behandelingsduur stijgt. Intraveneuze BF geven ongeveer 12% meer kans op BRONJ dan de
orale toediening. Dit door de hogere potentie bij intraveneuze toediening (respectievelijk 12%
versus 0,03 à 0,06%).(19)
Ook lokale factoren (zoals voorafbestaande periodontale ziekte, dentoalveolaire chirurgie..) doen
het risico stijgen met een factor 7.(19) Opvallend is ook dat BRONJ vaker voorkomt bij patiënten
met borstkanker en multiple myeoloma, terwijl het minder vaak voorkomt bij patiënten met
longkanker. Dit komt vermoedelijk doordat patiënten met longkanker minder lang leven, en zo
dus minder vaak BRONJ kunnen ontwikkelen.(20)
B.3. Kliniek
BRONJ wordt opgedeeld in 4 stadia:
Stadium 0: Geen klinische evidentie van kaaknecrose, geen typische klinische symptomen.
Stadium 1: Blootgesteld en necrotiserend bot bij asymptomatische patiënten zonder evidentie en
infectie.
Stadium 2: Blootgesteld en necrotiserend bot geassocieerd met infectie als bewijs van pijn en
erytheem in de regio van het blootgesteld bot met of zonder etterloop.
Stadium 3: Blootgesteld en necrotiserend bot bij patiënten met pijn, infectie en minimum 1 van
de volgende symptomen: blootgesteld en necrotiserend bot dat niet gelokaliseerd is in het
alveolair bot (bv. zygoma, maxillaire sinus…), pathologische fracturen, extraorale fistels, orale
intra/orale nasale communicatie of osteolyse verspreidend naar de inferieure grens van de
mandibula of de sinusbodem.(19)
B.4. Mechanisme
De normale werking van osteoclasten is vitaal voor continue bot hernieuwing en het in stand
houden van de botviabiliteit. Osteocyten ontstaan uit osteoblasten (de “tegenhanger” van de
osteoclast). De osteocyt is omgeven door gemineraliseerd bot en collageenvezels (deze omgeving
ontstaat door de secretie van hydroxyapatiet kristallen van de osteoblast). De osteocyt is echter
niet in staat om mitotische delingen uit te voeren; het is een terminale cel. Na circa 150 dagen
slaagt de osteocyt er niet meer in zijn omgevende botmatrix te onderhouden, en ontstaan er
microfracturen in het bot. In gewone omstandigheden resorberen de osteoclasten het niet vitaal
botweefsel en secreteren ze verschillende cytokines. Deze cytokines (BMP (bone morphogenetic
protein) en insuline like growth factor 1 & 2) stimuleren de mesenchymale stamcellen en de
10
premitotische osteoblasten om zich te differentiëren tot actieve bot vormende osteoblasten. Door
de toediening van BF verhindert men deze homeostatische cyclus. De overactieve inhibitie van
de botresorptie van niet vitaal botweefsel zorgt voor een accumulatie van niet vitale osteocyten,
microfracturen in het bot en een oude minerale matrix.(17)
Toch lijkt enkel de maxilla en mandibula schade te ondervinden van het gebruik van BF. Dit
komt omdat de maxilla en mandibula het enige bot is, dat rechtstreeks wordt blootgesteld aan de
externe omgeving. Dit komt ook door de aanwezigheid van tanden. De tanden, die vaak
peridonteale inflammatie, abcessen, wortelontstekingen enz hebben, verhogen de vraag naar bot
turn-over in de kaakbeenderen.
Daarin ligt ook de verklaring dat BRONJ meestal enkel voorkomt bij patiënten die eerder
tandverwijderende chirurgie ondergingen.(17)
B.5. Preventie
Eerst en vooral moeten alle patiënten, die een bifosfonaat behandeling krijgen, voldoende
geïnformeerd worden in verband met het mogelijke risico op kaaknecrose. Ze moeten ook
gewezen worden op de tekenen en symptomen die kunnen wijzen op kaaknecrose. Indien de
toestand van de patiënt het toelaat, moet men eerst de patiënt laten evalueren door een tandarts
vooraleer te starten met een bifosfonaat behandeling. Het is namelijk belangrijk dat kapotte
tanden of tanden met een slechte prognose verwijderd worden. Ook een goede mondhygiëne is
belangrijk en bij voorafbestaande letsels (bv. van de mucosa) wacht men beter met de
behandeling (als de conditie van de patiënt dit toelaat) tot deze genezen zijn.(13) Procedures die
botwonden kunnen veroorzaken worden idealiter vermeden.
Doordat de therapieduur steeds langer wordt, wat een verhoogd risico geeft op het ontstaan van
BRONJ publiceerde de American Association of Oral and Maxillofacial Surgeons enkele
adviezen. Zij menen dat dentoalveolaire chirurgie altijd kan doorgaan wanneer men minder dan 3
jaar in behandeling is met BF. Bij patiënten, die reeds langer dan 3 jaar behandeld worden met
BF of minder dan 3 jaar maar in combinatie met steroïden, wordt aangeraden om een therapievrij
interval te introduceren van 3 maanden vooraleer dentoalveolaire chirurgie uit te voeren. De
therapie kan dan herstart worden na 3 maanden of wanneer de mucosa volledig geheeld is.
11
B.6. Behandeling
De behandeling van BRONJ is afhankelijk van het stadium waarin de patiënt zich bevindt. De
moeilijkheid van de behandeling zit in het volgend twee snijdend zwaard, verwijdering van de
pijnlijke tanden verlicht wel tijdelijk de pijn, maar veroorzaakt tevens verdere blootstelling van
het bot.(17)
B.7. Conclusie
Men kan concluderen dat BRONJ een niet te onderschatten bijwerking is van BF. De ernst van
deze bijwerking vraagt om de specifieke aandacht van de arts om op tijd osteonecrose van de
kaak te herkennen en te behandelen. Toch mag deze bijwerking, ondanks de vele media-aandacht,
een arts niet tegenhouden om een behandeling met BF te starten. BRONJ komt namelijk zelden
voor en het gebruik van BF kan belangrijke voordelen (zowel in levenskwantiteit als in
levenskwaliteit) bieden voor de patiënt.
Het is opvallend dat slechts de laatste jaren deze bijwerkingen gemeld worden, niettegenstaande
dat men BF al lang gebruikt. Deze relatieve late ontdekking kan verklaard worden door
verschillende factoren. Eerst en vooral waren BF vroeger veel minder effectief waardoor ze ook
minder bijwerkingen gaven, osteonecrose van de kaak kwam dus veel minder voor. Ten tweede
gebruikte men BF minder vaak op lange termijn, men nam dus niet lang genoeg de BF in om last
te krijgen van deze vervelende bijwerking. Ten derde wordt nu vooral de nitrogeen bevattende
BF gebruikt (vroeger gebruikte men eerder etidronaat, residronaat en tiludronaat, die geen
nitrogeen bevatten). Nitrogeen zorgt ervoor dat de BF effectiever werken en minder
gemetaboliseerd worden, men krijgt dus grotere concentraties BF in het botweefsel.(17)
Doordat BF deze bijwerkingen pas op lange termijn geven is het belangrijk om patiënten te
blijven opvolgen. Het blijft belangrijk om steeds iedere patiënt individueel te bekijken, bij een
patiënt met een heel slechte tandgezondheid en vele tandextracties zal men eerder terughoudend
zijn voor het gebruik van BF zeker als men deze in een hoge cumulatieve dosis wil geven.
4.3 Botmetastasen: algemene begrippen
Botmetastasen komen vaak voor bij vergevorderde solide tumoren (zoals borstkanker, MM,
prostaat en thyroidkanker). Ook patiënten met long- en nierkanker ontwikkelen niet zelden
botmetastasen. Het vaakst worden de wervels aangetast door botmetastasen, gevolgd door de
12
pelvis, de ribben, de bovenste extremiteiten (inclusief de scapula), het sternum en de lagere
extremiteiten.
In de meeste botmetastasen is de osteoclasten activiteit aanzienlijk verhoogd. Het geresorbeerd
bot stelt groeifactoren en cytokines vrij. Deze trekken kankercellen aan, die zich op het
botoppervlak gaan nestelen en van hieruit gaan groeien en prolifereren. Door deze grote rol van
de pathologische activiteit van de osteoclasten, is dit een belangrijk therapeutisch doelwit.
Inhibitie van de osteoclasten zou dus een effect moeten hebben op de progressie en ontwikkeling
van de botmetastasen. Hierin ligt het belang van het gebruik van de BF in de adjuvante setting.
Men moet niet enkel verhinderen dat botmetastasen ontstaan, maar men moet ook zorgen dat het
bot weer gezond en stevig wordt.
Botmetastasen veroorzaken botpijn, pathologische fracturen, compressie van het spinaal kanaal
en hypercalcemie. Botpijn geeft een belangrijke invloed op de QOL (quality of life) van de
patiënt. 50% van de borstkanker en MM patiënten met gemetastaseerde botkanker ontwikkelen
pathologische fracturen.
4.4 Activiteit in de volgende types van kanker
4.4.1 Borstkanker
A. Preventie SRE
BF worden gezien als standaardtherapie voor de behandeling en preventie van SRE bij patiënten
met borstkanker. (9) Zo slaagt Zoledronaat erin om het aantal SRE significant te verminderen.(14)
Bovendien vermindert ZA het risico op botcomplicaties (bv. hypercalcemie, pathologische
fracturen, botpijn…) door de BMD (bot mineraal densiteit) te doen stijgen.
Patiënten met borstkanker worden vaak behandeld met hormonen, die de oestrogenen
huishouding negatief beïnvloeden. Hierdoor krijg je het fenomeen van CTIBL (Cancer treatmentinduced bone loss). Oestrogeen is namelijk kritisch om een goede BMD te hebben. Zo
veroorzaken de aromatase-inhibitoren een belangrijk verlies in de BMD. Dit leidt tot osteoporose
en andere SRE (zoals pathologische fracturen). Om dit alles te voorkomen wordt aangeraden om
deze hormoonbehandelingen te combineren met een bifosfonaat. De Z(O)-FAST studie toonde
als primair eindpunt belangrijke verschillen in de BMD bij het al dan niet toevoegen van BF bij
letrozole (een aromatase-inhibitor).(21) Het BMD bleek significant te stijgen bij het gebruik van
13
BF. De vraag die nu rijst is natuurlijk of deze stijging in BMD wel voldoende is om de kans op
SRE te doen dalen.
B. Adjuvante setting
Tegenwoordig ligt vooral de adjuvante plaats van de BF ter discussie. In deze thesis wordt vooral
het gebruik van Zoledronaat in de adjuvante setting besproken. Zoledronaat is namelijk het meest
potente bifosfonaat waar tevens het meeste onderzoek naar verricht wordt.
Botmetastasen komen voor bij 40% van de vrouwen met borstkanker. Deze botmetastasen zijn bij
50 % veroorzaakt door osteoclasten. 40% van de botmetastasen wordt zowel door osteoblasten
als door osteoclasten aangericht en 10% ontstaat door osteoblasten alleen.(14) Groeifactoren en
cytokines, die vrijkomen uit geresorbeerd bot, trekken namelijk kankercellen aan naar het bot.
Bovendien faciliteren deze groeifactoren en cytokines de groei en proliferatie van de tumorcellen.
Inhibitie van deze botresorptie zou dus een effect hebben op de ontwikkeling en progressie van
botmetastasen. Overigens zouden BF een synergetisch effect hebben met chemotherapie. Het
grootste effect wordt, in een studie met doxorubicine en Zoledronaat, bekomen wanneer men de
BF behandeling laat volgen op de initiële chemotherapie.(7) Het grote discussiepunt in de
literatuur is of het gebruik van ZA wel significant is en onder welke omstandigheden men ZA in
de adjuvante setting het best gebruikt.
Een eerste belangrijk onderzoek hierbij is de ABCSG-12 trial (Austrian Breast Cancer Study
Group) door Michael Gnant et al. In dit onderzoek vergelijkt men de behandeling van Goserelin,
dit is een Gonadoreline-analoog/geslachtshormoon(3-6mg om de 28 dagen) + Anastrozole (1mg
per dag) of Tamoxifen (20 mg per dag) met of zonder Zoledronaat (4mg om de 6 maand voor 3
jaar lang).(22) In België is Gonadoreline echter nog niet beschikbaar.
Het primair eindpunt van deze studie is de DFS (disease-free survival), als secundair eindpunt
bekeek men de RFS (recurrence-free survival, dit is dus de disease-free survival zonder de
patiënten die overlijden), de OS (overall survival) en de bot mineraal densiteit.(23) Als
experimenteel eindpunt neemt men bij deze studie de botmetastase vrije overleving.
In deze gecontroleerde open multicenter studie werden 1803 premenopauzale vrouwen met een
positieve endocriene receptor in een vroeg stadium (stadium 1 en 2) gerandomiseerd. Men kreeg
volgende verdeling:
14
450 vrouwen  Goserelin + Tamoxifen
450 vrouwen  Goserelin + Tamoxifen + ZA
453 vrouwen  Goserelin + Anastrozole
450 vrouwen  Goserelin + Anastrazole + ZA
De resultaten van de ABCSG-12 trial zijn significant, ZA verhoogt de DFS met 36% dit met een
p=0,009 en een 95% betrouwbaarheidsinterval 0,51-0,91. Er werd echter geen statistisch
significant verschil gevonden tussen het gebruik van Tamoxifen en Anastrazole. Op de OS gaf
ZA echter geen significant verschil.(22)
Een tweede belangrijk onderzoek is de (E)Z(O)-FAST studie (Zometa-Femora Adjuvant
Synergic Trial) door H. Eidtmann et al. In deze studie vergeleek men de gecombineerde
toediening van AI (aromatase inhibitoren, nl Ietrozole, 2,5 mg/dag voor 5 jaar) en ZA(4 mg
iedere 6 maand) met de toediening van AI die men slechts in een later stadium combineerde met
ZA.(21) Het gebruik van AI alleen gaat namelijk vaak gepaard met botverlies.
Het primair eindpunt van deze studie is de bot mineraal densiteit in de lumbale wervels. De
secundaire eindpunten zijn de bot mineraal densiteit in de heup, de DFS, de OS en de veiligheid.
1065 postmenopauzale vrouwen, met een positief hormoon responsief vroeg stadium borstkanker,
namen deel aan deze studie.(21) Het gaat over een gerandomiseerd, open, multicenter studie die 5
jaar duurde. Men kreeg de volgende verdeling:
524 vrouwen  Letrozole + onmiddellijk ZA
536 vrouwen  Letrozole + pas later ZA
De resultaten van deze studie toonden een duidelijk verschil in bot mineraal densiteit(BMD) in de
lumbale wervels. Na 12 maanden was er al een verschil van 5,27%, na 24 maanden 7,54% en na
36 maanden noteerde men een verschil van 9,29%. Het onmiddellijk toedienen van ZA was dus
meer effectief in het bewaren van de BMD tijdens een therapie van Letrozole. Ook de DFS
verbeterde significant (3,2% wat dan een relatieve reductie geeft van 41% in het risico op een
DFS event). Deze studie kan echter geen verschil in sterfte aantonen.(24) De bijwerkingen waren
15
in beide groepen gelijkaardig. Toch werd in de groep waar onmiddellijk met ZA gestart werd,
meer griepachtige symptomen, hoofdpijn en koorts waargenomen. (21)
Een derde belangrijk onderzoek bij het gebruik van BF bij borstkanker is de AZURE studie
(Adjuvant Zoledronic Acid to Reduce Recurrence). Deze studie werd uitgevoerd door R.
Burkinshaw et al. In deze studie bekeek men of de toevoeging van ZA de DFS en botmetastasen
vrije overleving wel significant verbetert.(25) Als primair eindpunt onderzoekt men de DFS.
Secundair bekijkt men de tijd tot het ontstaan van botmetastasen, de tijd tot metastasen op afstand,
de OS, de incidentie van breuken, SRE, de veiligheid en de toxiciteit.
3360 vrouwen met borstkanker in stadium 2 en 3 namen deel aan deze gerandomiseerde,
collaboratieve, multicenter, open, parallelle studie. De studie duurde 5 jaar en de vrouwen werden
achteraf nog eens 5 jaar opgevolgd. Men verkreeg de volgende verdeling.
1165 vrouwen  chemotherapie + ZA
1675 vrouwen  chemotherapie
De DFS bleek ongeveer hetzelfde te zijn in beide groepen, men kon geen significant verschil
waarnemen. Het verschil in OS had een p-waarde van 0,17 en was dus ook niet significant.
Naar aanleiding van de positieve resultaten in de AZURE studie, werd een kleine studie
uitgevoerd door Coleman et al. waarbij men bij borstkankerpatiënten chemotherapie gaf al dan
niet in combinatie met ZA.(26) Men onderzocht 205 patiënten, 102 kregen zowel chemotherapie
als ZA en 103 patiënten kregen enkel chemotherapie. Als primair eindpunt keek men naar de
residuele invasieve tumor grootte (RITS), secundair bekeek men het volledig pathologisch
antwoord (pCR) en het effect op de axillaire klieren. In dit onderzoek vond men een significant
(p=0,0059) verschil in de tumorgrootte (12mm). Bij de axillaire klieren en op de pCR vond men
geen significant verschil.(26) Dit kan te maken hebben met het feit dat deze studie te klein is (te
weinig patiënten bevat) om een significant verschil te kunnen aantonen. Men moet er ook op
bedacht zijn dat het bepalen van de RITS zeer moeilijk is (bv. Assymetrie), waardoor er snel bias
verkregen wordt in de resultaten.
In recent onderzoek heeft men aan het licht kunnen brengen hoe BF (meer bepaald Zoledronaat)
er precies in slagen om de overleving bij patiënten met borstkanker te verhogen. ZA zou zijn antitumorale werking uitoefenen door de migratie van de mesenchymale stamcellen(MSC) in het
16
beenmerg te inhiberen.(27) Bovendien blokkeert ZA de secretie van groeifactoren door MSC die
de borstkanker progressie in de hand werken. De MSC’s behandeld met ZA vertonen een
verminderde capaciteit om de migratie van ER-positieve MCF-7 borstkankercellen te bevorderen.
Men onderzocht eerst en vooral het effect van ZA op de groei van MSC’s, die bleek een inhibitie
in de groei van 25% te geven wanneer men een behandeling gaf van 20µ ZA voor 48-72 uur.(27)
Een behandeling met 20µ ZA zorgde echter ook voor een significante reductie in de fosforylatie
van MAPK en AKT, er werd geen reductie vastgesteld in de fosforylatie van STAT3, c-SRC en
c-Jun.(27) Dit wijst er dus op dat ZA heel specifiek werkt. Men kan nu concluderen dat ZA wel
degelijk de activiteit en groei van de mesenchymale stamcellen vermindert. Een vraag die nu rijst
is of MSC’s wel cruciaal zijn voor de progressie/onderhoud van borstkanker. Om dit te
onderzoeken vergeleek men de migratie van ER-positieve MCF-7 borstkankercellen bij
behandelde en niet behandelde MSC’s. Het medium waar de MSC’s behandeld waren met ZA
vertoonde een gedaalde migratie van de MCF-7 borst kankercellen en dit afhankelijk van de
toegediende dosis.(27) Concreet gaat ZA er voor zorgen dat de MSC’s minder IL-6 en RANTES
(Regulated upon Activation, Normal T-cell Expressed, and Secreted) secreteren, waardoor de
borstkankercellen minder groeifactoren ter beschikking krijgen.
Uit dit onderzoek blijkt dat MSC’s een belangrijke rol spelen in de pathogenese van borstkanker.
In de studie werd echter gebruik gemaakt van een hoge dosis ZA, men zou er dus moeten in
slagen om bij de patiënt in het beenmerg een even hoge dosis te creëren. Daar ZA zich al
automatisch concentreert ter hoogte van het bot (zie definities) is het aanneembaar dat ZA wel
degelijk zo’n hoge concentraties in het beenmerg bereikt. De werking van ZA beperkt zich dus
niet alleen tot het bot, wat eerder gedacht werd, maar heeft ook effect op het weke weefsel.(28)
Een andere hypothese om het direct antitumoraal effect van ZA te verklaren, is dat
aminobifosfonaten activators zijn van Tyδ lymfocyten. Santini et al. toonden aan in een studie
van 23 patiënten dat een enkelvoudige dosis van ZA resulteert in een langwerkende activatie van
effector subsets van Tyδ lymfocyten bij ziektevrije borstkankerpatiënten. De Tyδ lymfocyten
kunnen we onderverdelen in de Central Memory (CM) Tyδ lymfocyten die proliferatief zijn, de
Effector Memory (EM) Tyδ lymfocyten die IFN-y produceren en de Terminal Effectors (TE) Tyδ
lymfocyten die een cytotoxische functie vervullen.(29)
Tyδ lymfocyten zijn een subgroep van de T-cellen, die gekenmerkt worden door een TCR (T-cel
Receptor) die bestaat uit een y-keten en een δ-keten.
17
Tyδ lymfocyten herkennen antigenen via hun TCR en worden op deze wijze geactiveerd. Meer
dan 70% van de Tyδ lymfocyten in het perifeer bloed en in de lymfoide organen gebruiken een
TCR regio Vy9- Vδ2 paar. Amino-bifosfonaten (meer bepaald ZA) zouden specifiek Vy9- Vδ2
T lymfocyten (ook Vy2-Vδ2 T lymfocyten genoemd) activeren. Vy9-Vδ2 T lymfocyten zijn dan
weer in staat om verschillende tumor geassocieerde liganden zoals HSP-60 (heat shock protein)
te herkennen.(29)
Ook Kunzmann et al. toonden al eerder aan dat aminobifosfonaten potente activators zijn van
Tyδ lymfocyten in vitro en in vivo. De aminobifosfonaten zorgen voor een dosisafhankelijke
activatie en expansie van de Tyδ lymfocyten in het perifeer bloed. Zo zorgt ZA voor een activatie
van de effector functie van Tyδ lymfocyten bij metastatische solide tumoren (zoals
borstkanker).(30)
Santini et al. zagen dat in vivo behandeling met ZA, Vy9-Vδ2 T lymfocyten aanzet tot de
differentiatie naar een IFN-y producerende effector type, wat een meer effectieve antitumoraal
respons zou bewerkstellingen. In deze studie zag men echter geen significante stijging in het
globaal aantal lymfocyten na een eenmalige ZA dosis. Men zag wel in de Tyδ lymfocyten een
significante daling (p<0,01) van de naïeve Vδ2 T lymfocyten en een significante daling van de
CM subset (p<0,05). Deze resultaten bevestigen het feit dat een enkelvoudige dosis van ZA een
redistributie van de Vδ2 T lymfocyten kan bekomen.(29)
Men concludeert dat ZA via 2 verschillende mechanismen een antitumoraal effect vertoont. Eerst
en vooral zorgt de inhibitie van de mevalonaat pathway voor een accumulatie van IPP, deze
phosphoantigen is in staat de Vδ2 T lymfocyten te triggeren, induceren en expanderen.
Bovendien zorgt ZA voor een polyclonale expansie van de effector subset van de Vδ2 T
lymfocyten via moleculaire mechanismen en stimuleert vermoedelijk hun migratie naar perifere
weefsels waar ze hun terminale functies uitvoeren (cytotoxiciteit).(29)
Interessant is ook het feit dat ZA een langdurige immunomodulerende eigenschap heeft. ZA heeft
een zeer korte plasmatische halfwaardetijd (167u), dit kan dus niet het langdurige effect verklaren.
Vermoedelijk kan men het wel verklaren met de hypothese dat ZA (die accumuleert ter hoogte
van het bot met een t1/2 van 150 tot 200 dagen) constant wordt vrijgesteld.(29)
Opvallend was ook dat men de patiëntenpopulatie kan indelen in 2 subsets, de responders en de
niet-responders, dit afhankelijk van de kinetische eigenschappen van de Vy9-Vδ2 T lymfocyten .
Dit laatste kan een verklaring zijn waarom Sugie et al. een daling van het aantal Vy9-Vδ2 T
lymfocyten zag.(31)
18
In de studie van Sugie et al. zag men ook dat ZA immunomodulerende eigenschappen heeft op de
Vy9-Vδ2 T lymfocyten bij borstkankerpatiënten in een vroeg stadium. Er werd echter ook een
daling in de Vy9-Vδ2 T lymfocyten gerapporteerd en een gedaalde responsiviteit op stimulatie
(bv. IL-18) wanneer ZA te frequent gegeven werd. In deze studie werd ook het belang benadrukt
van de combinatie van ZA met een stimulator/ Tcel groeifactor (zoals IL-2 en IL-18), dit zorgt
namelijk voor een synergetisch effect op de Vy9-Vδ2 T lymfocyten.(31)
Sugie et al. pleiten voor een minder frequente infusie van ZA in plaats van een intensieve ZA
therapie met oog op het effect op de Vy9-Vδ2 T lymfocyten. Deze minder intensieve therapie
zou dan ook minder BRONJ veroorzaken.(31)
4.4.2 Prostaatkanker
Prostaatkanker is één van de meest voorkomende kankers in de wereld. Het bot is de plaats waar
prostaatkankercellen het vaakst naar toe metastaseren en is vaak ook de enige plaats in het
lichaam, die metastasen vertoont bij prostaatkanker.(32) 80% van de patiënten met geavanceerde
prostaatkanker vertonen botmetastasen. (32)
Botmetastasen is een vaak voorkomende doodsoorzaak bij patiënten met prostaatkanker, het
voorkomen en verminderen van botmetastasen is dus belangrijk in het voorkomen van sterfte en
ter bevordering van de QALY.
A. Preventie SRE
BF worden gezien als standaardtherapie voor de behandeling en preventie van SRE bij patiënten
met prostaatkanker. Zo slaagt Zoledronaat erin om het aantal SRE significant te verminderen.(14)
Bovendien vermindert ZA het risico op botcomplicaties (bv. hypercalcemie, pathologische
fracturen, botpijn…) door de BMD te doen stijgen.
Patiënten met prostaatkanker worden vaak behandeld met hormonen, namelijk androgene
deprivatie therapie. Een laag niveau van testosteron is dan ook een risicofactor voor primaire
osteoporose, bij patiënten die androgene deprivatie therapie krijgen, spreekt men dan van
secundaire osteoporose. (16)
Saad et al. voerde een gerandomiseerde placebo gecontroleerd dubbel blinde studie uit om het
effect van Zoledronaat te onderzoeken bij patiënten met hormoon ongevoelige prostaatkanker,
19
die bovendien een voorgeschiedenis hadden van botmetastasen.(32) . ZA 4 mg werd aan 214
mannen om de 3 weken gedurende 15 maanden gegeven. Er werd 8 mg ZA gegeven aan 221
mannen. Aan 208 mannen werd een placebo gegeven. Deze studie gaf een significant verminderd
aantal SRE bij de ZA groep (33,2% vs 44,2%) als resultaat. Na 15 maanden bleek de periode
voor het krijgen van een nieuwe SRE ook significant verlengd te zijn in de met ZA behandelde
groep (niet bereikt versus na 321dagen een SRE). Biochemische markers van bot resorptie kon
minder aangetoond worden in de urine van de met ZA behandelde patiënten (p=0,001). ZA 4 mg
werd door de patiënten goed getolereerd terwijl 8 mg geassocieerd werd met vermindering van de
nierfunctie. In de ziekte-evolutie kon men echter geen significant verschil aantonen.(8, 32)
Men kan hier de vraag stellen of het verminderd voorkomen van SRE wel significant de QOL
verbetert van patiënten met prostaatkanker. Op deze vraag zochten Weinfurt et al. (33) het
antwoord. In een placebo gecontroleerd onderzoek met 248 patiënten bekeek men de
gezondheidsstatus, de pijn en de gezondheid gerelateerde levenskwaliteit van de patiënten. Uit
het onderzoek van Saad et al. (32) bleek al dat het aantal SRE significant daalt bij de patiënten
die behandeld werden met ZA. Het voorkomen van een SRE heeft invloed op het algemeen
psychisch welzijn, de alledaagse activiteiten en vermoedelijk ook op andere vlakken van de
gezondheidsgerelateerde levenskwaliteit.(33) Om de QOL te meten maakte men gebruik van 3
verschillende ondervragingsinstrumenten. De FACT-G (Functional Assessment of Cancer
Therapy-General), een vragenlijst met 27-tal items, de BPI (brief pain inventory), om de
intensiteit van de pijn te meten, en de EuroQol werden gebruikt. Uit deze
ondervragingsinstrumenten kon men bij de patiënten met SRE’s een daling zien op het
psychische, functionele en emotionele welzijn. Toch rapporteerden Saad et al(32) geen
significant verschil in de gezondheid gerelateerde levenskwaliteit bij de patiënten die behandeld
werden met ZA. Hierdoor zou men denken dat de daling in het welzijn bij patiënten met een SRE
eerder zou komen door een veralgemeende ziekte-evolutie in plaats van door de SRE. De daling
in het welzijn bij de patiënten die een SRE meemaken, kan je volgens Weinfurt et al. niet
toeschrijven aan een veralgemeende ziekteprogressie want de daling in het welzijn was identiek
bij patiënten die al of niet een ziekte progressie hadden.
B. Adjuvante setting
Om te weten of BF nuttig kunnen zijn bij de bestrijding van uitzaaiingen in het bot, moeten we
eerst onderzoeken hoe metastasering bij prostaatkanker juist in zijn werk gaat. Tsagozis et al.
20
vonden dat de macrofagen een cruciale rol spelen in de immunosuppressieve omgeving bij
prostaatkanker.(34) De PC-TAM’s (Prostate cancer tumor-associated macrophages) werken
tumor promoverend daar ze de tumorgroei bevorderen, pro-angiogenetisch zijn en actief het
immuunsysteem onderdrukken. Prostaatkankercellen trekken via cytokines macrofagen aan en
induceren hen te switchen naar een protumoraal fenotype.(34) Deze macrofagen produceren dan
namelijk IL-1b, Il-10, TNF en VEGF. Men zag dan ook dat wanneer patiënten een hoge densiteit
aan TAM’s hebben, ze een kortere overlevingsduur hadden. Hoe hoger de densiteit aan TAM’s,
hoe slechter de klinische prognose.(35) In de LNCaP cellijnen zag men dat deze prostaatcellen de
capaciteit hadden om de macrofagen (perifere monocyten) via chemo-attractie aan te trekken,
terwijl de PC3 cellijnen geen chemo-attractie op de monocyten uitoefenen, maar wel zorgen dat
de macrofagen gaan prolifereren. De LNCa P cellijnen, zijn androgeen sensitieve prostaat
adenocarcinoma cellen die in 1977 genomen zijn van een supraclaviculaire lymfeknoop
metastase van een 50 jaar oude Kaukasische man. Deze cellijn wordt regelmatig gebruikt voor
onderzoek. De PC-3 cellijn daarentegen is een cellijn die niet androgeen gevoelig is en waarbij de
cellen geavanceerde prostaatkankercellen zijn. De PC-3 cellen hebben dan ook een veel groter
metastastisch potentieel in vergelijking met de LNCaP cellen. De cellen werden in 1979 uit
botmetastasen genomen van een 62 jaar oude Kaukasische man. De cellen uit PC-3 brengen ook
geen PSA (prostaat specifiek antigen) tot expressie.
Via deze verschillende mechanismen (rekrutering en proliferatie afhankelijk van het type cellijn)
zorgen de prostaatkankercellen er dus voor dat de tumor verder kan groeien door de
aanmoediging van de gewijzigde macrofagen.(34) De bedoeling is dat ZA de
tumorpromoverende status van de TAM’s doet shiften naar een tumor eliminerende status. Dit
doet ZA door de MMP-9 (matrix metalloproteinase 9) expressie te onderdrukken.
MMP-9 is een enzym, dat ervoor zorgt dat de extracellulaire matrix afgebroken wordt. MMP-9
bevordert de tumorprogressie en metastasering door extracellulaire matrixen af te breken,
waardoor de tumorcellen meer mobiel worden en meer mogelijkheid hebben om zich verder uit te
breiden.
21
Figuur 3: Relatieve genexpressie macrofagen bij stijgende ZA concentratie (34)
Figuur3(34) illustreert dat wanneer de concentratie van ZA stijgt, de MMP-9 expressie daalt.
Men zag geen significant verschil bij de blootstelling van ZA t.o.v. andere genen.(34) De figuur
toont macrofagen geculteerd uit een LNCaP geconditioneerd medium voor 48 uur. De
aanwezigheid van verschillende concentraties ZA doet de relatieve expressie wijzigen. Op de
figuur ziet men twee significante veranderingen. MMP-9 expressie daalde significant met een
p<0,001 en IDO-expressie steeg significant met een p<0,05, de andere genen bleven gelijk.
Gelijkaardige resultaten werden bekomen bij de PC-3 lijn.
ZA heeft dus invloed op MMP-9, maar zou volgens Tsagozis toch geen significante invloed
hebben op het immunosuppressieve pro-angiogenetisch expressie patroon van de macrofagen.(34)
Toch zorgt ZA voor andere effecten, zo scheiden tumorcellen behandeld met ZA, intracellulaire
metabolieten af, die herkend worden door cytotoxische Tyδ lymfocyten, die in staat zijn de
tumorcellen af te breken. ZA zou ook synergetisch werken met immunomodulatoren om TAM te
doen switchen naar een M1 fenotype, die wel tumorsuppresief is. ZA gecombineerd met een
Thelper1 immunomodulator zorgt er voor dat de tumorpromoverende TAM’s een M1 antitumoraal fenotype krijgen. Het effect van ZA is uiteraard dosisafhankelijk, zo zou 50µM ideaal
zijn. Dit is echter moeilijk te bepalen, want wanneer de ZA concentratie in het plasma
bijvoorbeeld 1-3 µM bedraagt, is het niet duidelijk wat de lokale concentratie van ZA dan is ter
hoogte van het bot. Daar ZA zich gaat lokaliseren ter hoogte van het bot en zich maar heel traag
vrij geeft, vermoedt men dat de concentratie van ZA ter hoogte van het bot en botmetastasen
waarschijnlijk 1mM is.
Het doel van ZA is dus om de TAM te heropvoeden tot een M1 antitumoraal fenotype en de
tumorcellen weer gevoelig te maken aan de cytotoxische Tyδ lymfocyten.
22
4.4.3 Longkanker
Longkanker is de meest voorkomende kanker in de wereld.(36) NSCLC (non small cell lung
carcinoma) is de meest voorkomende vorm van longkanker.(37) De meest verschenen studies
gaan dan ook over NSCLC. Ongeveer 24-30% van de patiënten met vergevorderde NSCLC
ontwikkelt botmetastasen, en dit zou dan nog een onderschatting zijn daar de huidige bot scans
nog niet alle botmetastasen kunnen opsporen. (38) Met de nieuwe detectietechnieken (PET
(Positron Emission Tomography) zullen we vermoedelijk nog meer patiënten met botmetastasen
ontdekken.(38)
A. Preventie SRE
Ook bij longkanker kan er in de literatuur al aangetoond worden dat de 3e generatie BF een
invloed hebben op de QALY van patiënten met longkanker. Net zoals bij de eerder besproken
carcinomen, heeft ZA een significante invloed op het voorkomen/vertragen van SRE’s. Deze
invloed op de kwaliteit van leven zorgt eigenlijk ook voor verlenging van de overleving. Daar ZA
SRE’s tegengaan of de events vertragen, verlengen ze ook de overleving doordat pathologische
fracturen geassocieerd zijn met een significant verhoogde risico op sterven bij patiënten met
maligne botziekten. (37) In de literatuur is men eensgezind over het feit dat ZA helpt om SRE’s
te voorkomen en dus in de praktijk gebruikt kan worden ter preventie van SRE’s.
B. Adjuvante setting
Een fase 3, multigecentreerde, gerandomiseerde placebo-gecontroleerde studie toonde al aan dat
ZA significant het risico op SRE vermindert en vertraagt bij longkankerpatiënten met
botmetastasen. Bovendien zag men ook dat ZA significant de NTx niveaus verlaagde.(39)
Interactie tussen tumor en bot resulteert namelijk in een verhoogd botmetabolisme, die we
kunnen detecteren door een verhoogd niveau van biochemische marker. Botmarkers geven ons
inzicht over hoe agressief de botmetastasen zijn. Eén van de belangrijke urinemarkers voor
botresorptie is NTx (N terminaal telopeptide van type 1 collageen). NTx is een sensitieve marker
voor osteolyse. Nu vraagt men zich af of deze verlaging van het NTx niveau prognostisch
significant is. Bovendien wil men onderzoeken of de niet significante levensverlenging bij de
23
patiënten die ZA kregen, komt doordat een bepaalde subgroep patiënten meer vatbaar is voor een
behandeling met ZA. Hierover lopen recent heel wat onderzoeken.
Zarogoulidis et al. onderzochten de impact van ZA op de overleving van longkankerpatiënten
met botmetastasen.(40) Hiervoor selecteerden ze 144 patiënten met NSCLC. In deze placebogecontroleerde studie werden aan 78 patiënten zowel docetaxel als 4 mg ZA iv gegeven (om de
21 en 28 dagen). Aan de 57 overige patiënten werd enkel docetaxel gegeven. Het primair
eindpunt van deze studie is de progressie van de ziekte en de overleving. De secundaire
eindpunten omvatten het botlaesie antwoord, de pijn en veranderingen in biochemische markers
van botresorptie.(40)
78 patiënten  Docetaxel + ZA
57 patiënten Docetaxel
De resultaten van deze studie toonden een significante verlenging in de tijd tot ziekte progressie
bij de patiënten, die ZA toegediend kregen. (265 dagen tot progressie vs. 150 dagen). Ook de
totale overleving was significant hoger in de ZA-groep en dit afhankelijk van het aantal cycli ZA
er gegeven werden. Op het vlak van pijnreductie werd geen significant verschil waargenomen.
Men vond een significante negatieve correlatie tussen de hoeveelheid NTx en de tijd tot
progressie van de kanker. Hieruit kan men al aannemen, dat hoe lager de NTx concentratie in de
urine, hoe beter de prognose.(40) Bovendien kon men aantonen dat ZA actief de concentratie van
NTx in de urine verlaagt, wat wijst op een verminderde botresorptie. Uit deze uitkomsten zien we
een synergetisch effect van ZA wanneer het samen gebruikt wordt met docetaxel.
Het feit dat men geen significant verschil zag in de pijnreductie kan men aan verschillende zaken
toeschrijven. Zo treedt het effect van ZA maar op na een langer termijn van behandeling.
Bovendien werd aan de patiënten (die al te kampen hadden met veel botpijn) de ZA telkens
samen gegeven met de chemotherapie, waardoor het moeilijker is om de specifieke impact van
ZA op de botpijn te wegen.(40)
Ook Hirsh V. et al onderzocht het effect van ZA bij longkankerpatiënten met botmetastasen. (37)
Ook in deze studie zag men een interactie van ZA op de concentratie NTx. Bij patiënten die een
hoge concentratie NTx hadden, reduceerde ZA het relatieve risico op overlijden met 35% ten
opzichte van de placebo groep. In deze studie gaat men retrospectief kijken op de eerder
beschreven studie van Rosen et al. De urinaire NTx werd gemeten door middel van enzyme24
linked immunosobent assay (ELISA). Men normaliseerde afhankelijk van het urinair creatinine.
Zo verdeelde men de patiënten in 2 groepen. De lage NTx groep; <64 nmol/mmol creatinine en
de hoge NTx groep; ≥ 64 nmol/mmol creatinine. Wanneer men hierover nadenkt, weet men dat
men de nierfunctie niet alleen mag beoordelen op het creatininegehalte. Gespierde mensen
kunnen ten opzichte van magere oude mensen hetzelfde creatininegehalte hebben in de urine en
toch een andere nierklaring hebben. Toch denken we dat dit hier niet zoveel invloed zal gehad
hebben op de resultaten, daar het allemaal ging om longkankerpatiënten met metastasen, die dus
vermoedelijke min of meer dezelfde lichaamsbouw hadden. Men zag een niet significante
(p=0,068) gestegen risico op SRE’s bij patiënten die in de hoge NTx groep gecatalogeerd waren.
Uit de resultaten bleek ook dat een hoge NTx spiegel significant het risico op botlaesie progressie
en sterfte verhoogde (p= 0,039 en p=0,001). (37) Dat ZA significant het risico op SRE’s
vermindert, werd opnieuw bevestigd in deze studie. Op het vlak van de NTx spiegels en het
effect van ZA hierop zag men wel iets bijzonders, men zag dat bij de patiënten, die bij de lage
NTx groep hoorde, ZA weinig effect had op het NTx niveau. Bij de patiënten die echter bij de
start van de studie ingedeeld waren bij de hoge NTx groep, zag men een significante daling van
het NTx level bij behandeling met ZA. Op deze wijze gaf ZA een significante daling van 35% in
het sterfte risico bij deze groep.(37)
Uit deze studie blijkt dus dat bij de longkankerpatiënten een subgroep patiënten bestaat, die meer
baat heeft bij de behandeling met ZA dan andere patiënten. NSCLC patiënten met hoge NTx
niveaus, zijn dus kandidaten om te profiteren van het additioneel anti-tumorale effect dat ZA
heeft. Dit wil niet zeggen dat men in de lage NTx groep geen ZA meer moet geven, daar ZA nog
steeds significant het aantal SRE’s vermindert. Hoe dit nu komt waarom deze subgroep van
patiënten meer voordeel uit de additionele behandeling van ZA haalt is niet duidelijk. Mogelijks
heeft het te maken met het feit dat deze patiënten een speciale responsieve pathofysiologie in het
bot hebben of dat juist deze patiënten meer baat hebben bij de behandeling van ZA omdat ze een
hoger risico hebben. Helaas zijn de richtlijnen nog steeds om enkel ZA te geven bij patiënten die
risico hebben op SRE. Terwijl men bij deze subgroep al preventief ZA zou kunnen geven om de
botmetastasen te voorkomen.
25
4.4.4 Thyroidkanker
In de literatuur zijn er bitter weinig studies te vinden in verband met BF en thyroidkanker. Orita
et al. voerden tot op heden de grootste studie uit om het effect van ZA-therapie bij
thyroidkankerpatiënten met botmetastasen te analyseren.(41) Bot is (na long) de tweede
frequentste plaats waar metastasen gevonden worden bij thyroidkanker.(42)
A. Preventie SRE
Orita et al. voerde een retrospectieve studie uit op 50 patiënten met botmetastasen ten gevolge
van gedifferentieerde thyroidkanker. 28 patiënten kregen geen ZA therapie als adjuvante
behandeling en 22 ondergingen wel een ZA behandeling.
28 patiënten  geen ZA
22 patiënten ZA
Als primair eindpunt bekeek men de daling in het percentage van patiënten die SRE’s
ontwikkelden. Als secundair eindpunt bekeek men het interval tussen de presentatie van de
botmetastasen en het verschijnen van de eerste SRE’s. Men zag dat SRE’s significant (p=0,007)
minder voorkwamen in de ZA-groep. (14% vs 50%). Ook zag men dat ZA siginificant de
aanvang van een eerste SRE vertraagde (p=0,04). In de ZA groep werden 2 patiënten
gediagnosticeerd met BRONJ.(41) Hieruit kunnen we opmaken dat ZA net zoals bij de andere
solide tumoren, die uitzaaien naar het bot, SRE’s tegengaat. In deze studie was het echter wel zo
dat de patiënten naast het al dan niet krijgen van ZA, elk verschillende behandelingen
ondergingen. Dit is te wijten aan het feit dat dit een retrospectieve studie is. Zo werd er externe
radiotherapie, radioactief iodine, combinatie behandelingen, chirurgische excisie…gegeven.
Hierdoor is het volgens ons moeilijker om de gegevens van SRE te vergelijken, omdat de ene
therapie meer risico geeft op SRE dan de andere.
B. Adjuvante setting
In dezelfde studie als hierboven, bespreekt men ook de eventuele meerwaarde van ZA in de
adjuvante setting. Hiernaar is er echter nog veel te weinig onderzoek gebeurd, bovendien zijn de
studies veel te kleinschalig (zoals bovenvernoemde studie met n=50). In deze studie zag men dan
26
ook geen significant effect van de anti-tumorale activiteit van ZA. Daar ZA echter goed
verdragen wordt en de QOL significant verbeterd wordt, moet men toch ZA als therapie aanraden.
Bovendien moet er verder onderzoek gebeuren om te bepalen of het gebruik van ZA bij
botmetastasen van patiënten met gedifferentieerde thyroidkanker de OS kan verlengen (zoals bij
borstkanker).(41)
4.4.5 Multiple myeoloma
Multiple myeoloma is een maligne hematologische neoplasie van de plasmacellen. Geavanceerde
MM gaat typisch gepaard met osteolytische botleasies, die het gevolg zijn van een verhoogde
osteolytische activiteit van de osteoclasten en een verlaagde osteogenese door de osteoblasten.(43)
SRE’s komen dan ook frequent voor bij MM patiënten. (44)De patiënten zijn gemiddeld 65 jaar
bij diagnose, leeftijd is dan ook een belangrijke risicofactor voor het ontwikkelen van MM. (10)
Osteolytische botlaesies zijn de hoofdoorzaak van sterfte bij mensen met MM en komen bij 70%
voor bij de initiële diagnose van MM.(4) BF worden aanzien als de hoeksteen behandeling bij
MM. (45) Verschillende organisaties raden dan ook het gebruik van BF bij nieuw
gediagnosticeerde MM aan.(10, 46)
A. Preventie SRE
Dat BF SRE’s voorkomen is al in verschillende studies aangetoond.(2, 9, 44, 46) In verband met
de preventie van SRE’s bij MM zijn een tweetal belangrijke 3-fase studies gebeurd. Deze studies
vergeleken het effect van verschillende BF op de SRE’s. In een eerste studie werd het gebruik
van Pamidronaat met ZA vergeleken en kwam men een gelijkaardige effectiviteit uit in het
voorkomen van de SRE’s.(47) In een tweede studie door Morgan et al. vergeleek men ZA met
oraal clodronaat, deze studie wordt de MRC Myeoloma IX studie genoemd.(48) Dit gebeurde in
een grootschalig (n=1960) 3e fase onderzoek. Het is een gerandomiseerde dubbel blinde studie.
De patiënten kregen vanaf de diagnose ofwel ZA 4mg intraveneus iedere 3 à 4 weken of
Clodronaat 1600mg oraal dagelijks. 981 MM-patiënten werden via randomisatie met de computer
in de ZA groep gestoken en 979 in de Clodronaat groep.(48)
981 patiënten  ZA
979 patiënten  Clodronaat (oraal)
27
Als primaire eindpunten bekeek men de OS, PFS en de ORR (overall response rate). Als
secundaire eindpunten werd gekeken naar de SRE’s.
Als primaire eindpunten vond men een verlengde overleving van 5,5 maand bij het gebruik van
ZA ten opzichte van clodronaat (p=0,04). ZA reduceerde de mortaliteit met 16% in vergelijking
met Clodronaat (p=0,0118). Ook de PFS werd verbeterd met 12% (p=0,0179) en ook de mediane
PFS werd verlengd met 2 maanden (p=0,07).(48) Als secundaire eindpunten zag men een lagere
incidentie van SRE’s bij de ZAgroep (27% vs 35% met een p=0,0004). ZA zorgden voor een
daling in het risico op SRE’s zowel bij patiënten met als zonder botleasies bij aanvang van de
studie. In de ZA groep deden ook veel minder patiënten wervelfracturen (5% vs 9% p=0,0008) en
andere fracturen (5% vs 7% p=0,04).(46) In de studie zag men ook dat de BF over het algemeen
goed verdragen werden door de patiënten, acuut nierfalen kwam bij beide groepen even
vaak/weinig voor. Men rapporteerde meer trombo-embolische events in de ZA-groep, maar dit
verschil was statistisch niet significant. In de ZA-groep zag men wel een hogere prevalentie van
BRONJ (4% vs 3%).(48)
Gebaseerd op de meest recente resultaten van de MRC Myeroloma IX Study wordt dan ook
aanbevolen om aan alle patiënten met nieuw gediagnosticeerde symptomatische MM ZA te
geven. (4, 45, 46, 48)
In de Lancet Oncology werd dan ook gerapporteerd dat ZA het aantal SRE’s verminderde in
vergelijking met clodronaat en dat ze de periode tot de eerste SRE significant verlengden en het
aantal nieuwe lytische laesies verminderden.
B. Adjuvante setting
In de MRC Myeoloma IX studie wordt duidelijk dat BF (en meer bepaald ZA) wel een antitumorale werking moeten hebben, aangezien ze de overleving significant verlengen. De
verschillen in OS tussen ZA en clodronaat waren al zichtbaar in de eerste maanden, wat wijst op
een synergetische werking en antimyelomale effecten in een vroeg ziektestadium.(48) BF zorgen
voor een significante expansie van de Tyδ lymfocyten en zorgen voor specifieke cytotoxiciteit
tegen multiple myeoloma cellen. ZA in combinatie met conventionele of nieuwe antimyeoloma
agenten zorgt voor een daling van de markers van botresorptie.(10) Zowel ZA als PAM zouden
een synergistisch of additief effect hebben in de MM therapie en zouden succesvol kunnen
28
gebruikt worden in de adjuvante setting. ZA zou het grootste effect hebben. (48) Toch is het
voorlopig nog te vroeg om te kunnen zeggen dat dit effectief zo is. Voorlopig raden de meeste
auteurs een behandeling van 2 jaar ZA aan bij iedere patiënt, die gediagnosticeerd wordt met MM
(los van het feit of er botlaesies zijn).(10, 46, 48)
4.5
Economische aspecten
Het economisch belang van de BF speelt een belangrijke rol. Medicijnen kunnen heel goed
helpen, maar als ze niet kosteneffectief zijn, heeft het geen zin in deze tijden van economische
crisis om ze op alle patiënten toe te passen. Verschillende farmaco-economische studies over de
kosteneffectiviteit van de intraveneuze toediening van Zoledronaat bij patiënten met
botmetastasen zijn volop aan de gang. In de analyse van Botteman et al. wordt het gebruik van
Zoledronaat over een periode van 10 jaar bekeken.(49) Men gaat uit van een Markov model met
6 gezondheidsstadia. Om de maand kan een patiënt al of niet switchen van gezondheidsstadium.
In België wordt een behandeling als kosteneffectief beschouwd wanneer de kost per QALY
(quality adjusted life years) minder is dan 30.000 euro per jaar. Een QALY beschouwt men als de
eenheid van gezondheid, hierin combineert men de kwaliteit en kwantiteit van leven en drukt
men de gezondheidswinst uit. Door het gebruik van deze eenheid kunnen verschillende
interventies vergeleken worden.
De studie van Botteman et al. besluit dat het gebruik van alle BF ter preventie van SRE bij
patiënten met borstkanker kosteneffectief is in vergelijking met geen behandeling. Van de BF is
Zoledronaat het meest kosteneffectief voor de preventie van SRE en dit met een gemiddeld
kostenplaatje van circa 7.000 euro per QALY. De Cock et al. bekeek de kosteneffectiviteit van
Zoledronaat, Pamidronaat en Ibandronaat in de adjuvante setting. Ook hier bleek de behandeling
van BF kosteneffectief te zijn. Ibandronaat bleek het voordeligst te zijn, gevolgd door
Zoledronaat en Pamidronaat.
Naast de studies betreffende de kosteneffectiviteit bij het gebruik van BF bij borstkanker, zijn er
ook enkele studies omtrent de kosteneffectiviteit bij het gebruik van BF bij metastatische nietborst tumoren. Carter et al. schreef een kosteneffectiviteit analyse bij patiënten met niet-borst
solide tumoren en botmetastasen.(50) In deze studie betrok men 4 eerder gemaakte
kosteneffectiveitsanalysen; 2 in verband met prostaatkanker(51, 52), 1 in verband met
29
longkanker(53) en 1 in verband met nierkanker(49). Hierin wordt besloten dat ZA kosteneffectief
blijkt in alle Europese landen met uitzondering in de globale prostaatkanker analyse. Belangrijke
aspecten die meespelen in de kosteneffectiviteitsanalyse zijn ondermeer de globale kost van het
medicijn, het basisgebruik, de vermeden SRE’s, de kosten van SRE’s, de QOL, de verlengde
overleving… In 2013 zal Novartis Pharma zijn patent verliezen op Zometa® (ZA), hierdoor
verwacht men een grote prijsdaling in de kost van het medicijn. Dit zal resulteren in een veel
grotere kosteneffectiveit dan nu het geval is.(50) BF (en meer bepaald ZA) doen het aantal SRE’s
dalen. Dit resulteert in een betere QOL, een betere patiëntenoverleving en minder medische
kosten. Een analyse van de 2 studies in verband met de kosteneffectiveit bij prostaatkanker, leert
ons dat men heel wat zaken moet bekijken vooraleer men uitspraken kan doen in verband met de
kosteneffectiviteit. ((51, 52) Zo nam Reed et al. alle kosten in rekening zonder onderscheid te
maken tussen SRE gerelateerde en niet-SRE gerelateerde kosten. Hierdoor komen de specifieke
effecten van de SRE’s niet meer tot hun recht. Men zag ook een verschil in kosten voor de SRE’s
bij Carter et al. en Reed et al. De kosten voor SRE’s waren in de berekeningen van Carter et al.
veel hoger, dit zorgt er voor dat de vermeden kosten bij Carter et al. ook veel hoger waren dan bij
Reed et al.
In de studies bij longkanker, vond men vooral verschillen tussen de Europese landen. In de
meeste landen was de kost per QALY 50.000 euro, terwijl in Duitsland de kost per QALY onder
de 30.000 euro lag. Toch kan men concluderen dat ZA kosteneffectief is, ondanks de nu nog
relatieve hoge prijs en administratieve kosten.(53) Bij renaal cel carcinoma zag men dat het
gebruik van ZA een besparing van 67 tot 77% teweeg bracht. De kost per QALY was hier lager
dan 30.000 euro.(49)
Een discussiepunt is dat sommigen vinden dat men de niet significante verschillen (bv. langere
overleving bij ZA, nevenwerkingen…) mee moeten nemen in de kosteneffectiviteitsanalyse. Het
feit dat verschillen niet significant zijn, wil namelijk niet zeggen dat ze niet klinisch of zelfs
economisch interessant zijn. Tegenhangers menen echter dat het betrekken van niet significante
resultaten in de berekeningen voor bias zorgt.(50) Het is ook het best om rekening te houden met
de ernst van de SRE’s en zo gradaties te maken in de kosten veroorzaakt door SRE’s. De kosten
bij een ribfractuur zijn uiteraard veel lager dan de kosten bij een heupfractuur. In de analyse van
Reed et al. werd hier echter geen rekening mee gehouden.(52) Als laatste punt moet ook rekening
gehouden worden met de verschillen in kosten tussen de verschillende landen.
30
We kunnen besluiten dat het gebruik van ZA kosteneffectief is en dit de komende jaren enkel nog
maar zal verbeteren door het vervallen van het patent.
5. Discussie
In de discussie worden enkele aandachtspunten verder kritisch uitgewerkt. Ten eerste worden de
verschillende verklarende hypothesen geëvalueerd. Vervolgens wordt dieper ingegaan of er al
gesproken kan worden van een basisbehandeling. Achtereenvolgens worden enkele kritische
bedenkingen vermeld. Ook de ondervonden valkuilen worden aangehaald. Om af te sluiten wordt
nog een kritische bedenking gegeven over het toekomstperspectief en doen we een voorstel tot
consensus.
5.1
Zijn alle hypothesen in alle tumortypes hetzelfde
De reden voor het succes van de bifosfonaten in de adjuvante setting, ligt volgens Gnant Michael
aan de volgende hypothese.(22) Het bot zou een vruchtbare plaats zijn voor de groei van
carcinomen en metastasen (de “zaden”). Het is namelijk zo dat verspreide tumorcellen vaak terug
gevonden worden in het beenmerg van patiënten met borstkanker. De concentratie van het aantal
tumorcellen in het beenmerg wordt dan ook geassocieerd met een verhoogd risico op ziekte
herval. Er is een gunstige interactie tussen de tumorcellen (de zaden/ le grain) en het beenmerg
(de vruchtbare grond/ le terrain). Men gaat er vanuit dat deze tumorcellen in een slaaptoestand
verkeren in het beenmerg. Het beenmerg is een hematopoïetische stamcel niche, dewelke deze
tumorcellen beschermt tegen de cytotoxiciteit van de chemotherapie. Op deze wijze slagen deze
tumorcellen erin om te overleven na chemotherapie. Deze tumorcellen zouden zich dan vanuit het
beenmerg opnieuw kunnen settelen in het borstweefsel (en andere plaatsen). Bifosfonaten zouden
nu deze niche in het beenmerg minder aangenaam maken voor de tumorcellen. Deze hypothese
werd al eerder gelanceerd door Stephen Paget in 1889.(54) Hij vond namelijk dat het proces van
metastase niet aan het toeval toegeschreven kon worden. Hij meende dat bepaalde tumorcellen
met een metastatische activiteit een speciale affiniteit hadden voor bepaalde groei-stimulerende
omgevingen in specifieke organen (de vruchtbare grond). Het is namelijk zo dat het
metastaseringspatroon van de meeste maligne tumoren een orgaanspecifiek patroon vertoont. Zo
metastaseert een coloncarcinoom meestal naar de lever en longen maar zelden naar het bot, huid
31
of hersenen. Borstcarcinomen daarentegen metastaseren juist wel frequent in het bot. Paget
besloot dat metastasen zich enkel kunnen ontwikkelen als de zaden en de vruchtbare grond
compatibel zijn. De plaats van metastasering hangt volgens Paget af van de affiniteit van de
tumor tot de micro-omgeving. Pilgrim staafde deze theorie door aan te tonen dat wanneer men
gelijke hoeveelheden tumorcellen in de nier en milt injecteert, de milt veel meer metastasen
ontwikkelde dan de nier.(54) Het is echter heel moeilijk om aan te tonen of deze hypothese wel
correct is en of deze theorie de werking van bifosfonaten volledig verklaart. Bifosfonaten hebben
namelijk een breed spectrum van anti-tumorale activiteiten (zowel in het bot als buiten het bot).
Men kan zich vinden in de visie van Paget en Gnant, toch mag er niet zomaar vanuit gegaan
worden dat dit effectief het geval is. Men kan wel aantonen dat het gebruik van BF het aantal
botmetastasen vermindert, maar of het effectief volgens de aangehaalde hypothese gebeurt, heeft
men nog niet kunnen bewijzen. De theorie van Paget leert ons wel 3 belangrijke
basismechanismen over metastasering. Eerst en vooral zijn neoplasmata biologisch heterogeen.
Deze metastasen bevatten verschillende subpopulaties met verschillende angiogenetische,
invasieve en metastatische eigenschappen. Ten tweede is het proces van metastase enkel
weggelegd voor de tumorcellen, die erin slagen nieuwe eigenschappen te ontwikkelen. Ze moeten
namelijk slagen in de invasie, embolisatie, overleving in de circulatie, extravasie… Slechts 0,01%
van de tumorcellen is in staat om al deze eigenschappen succesvol te ontwikkelen. Ten slotte is
het resultaat van de metastasering afhankelijk van multiple interacties tussen de tumorcel en zijn
omgeving.
Door de jaren heen werden al talrijke hypothesen geformuleerd door experts over het ontstaan
van metastasen en hun specifieke voorkeurplaatsen. Deze theorie dateert al van in de 19e eeuw en
houdt nog steeds stand. Toch zijn er volgens ons nog een aantal andere interessante theorieën, die
zeker niet mogen vergeten worden.
Zo ging James Ewing in 1928 er van uit dat de metastatische verspreiding volledig afhankelijk
was van mechanische factoren. De anatomie en het vasculair systeem verklaarden volgens hem
waarom bepaalde tumoren juist in specifieke organen gingen metastaseren. De tumorcellen
zouden volgens hem zich gaan nestelen in het eerste orgaan dat ze tegenkwamen volgens het
vasculair systeem. De andere organen zouden minder tumorcellen bevatten en dus minder
metastatische kolonies vertonen. Deze theorie hield ook meerdere decennia stand. Toch lijkt deze
32
theorie minder waarschijnlijk dan de hypothese van Paget. De theorie van James kan namelijk
niet verklaren waarom organen zoals de hersenen, bot en bijnieren vaak metastasen ontwikkelen
niettegenstaande zij slechts door een kleine fractie van het circulatiesysteem bevloeid worden.
Andere organen zoals het hart, spieren, huid, nieren en milt, die grote hoeveelheden bloed krijgen,
ontwikkelen slechts sporadisch metastasen.(54)
Het blijkt echter dat het gebruik van BF niet alleen zorgt dat er minder botmetastasen zijn, er
worden namelijk ook minder borstcarcinomen gevonden in de contralaterale borst, op de
locoregionale plaats en op andere niet bot geassocieerde plaatsen. Dit sluit mooi aan bij de
hypothese van Gnant waarin het bot gezien wordt als een sluimerende verblijfplaats van
carcinogene cellen.
Als men bovengenoemde hypothese, oorspronkelijk van de hand van Paget en recentelijk herzien
door Gnant, aanneemt, kan men begrijpen waarom borstkanker zo specifiek metastaseert naar het
bot. Dit wordt nog eens geïllustreerd met volgende figuur (figuur 4).(55) Dit staaft dan ook weer
het belang van het gebruik van BF bij de behandeling van borstkanker en metastasen.
Figuur 4: Illustratie botmetastasering (55)
Een hypothese over het ontstaan van kanker is, dat een falend afweersysteem aan de basis ligt van
het ontstaan van kanker. Het feit dat BF zouden inwerken op de Tyδ lymfocyten leunt aan bij
deze hypothese.
33
Op deze wijze kunnen we aannemen dat BF een belangrijke rol spelen in een nieuw paradigma,
namelijk sterven met kanker in plaats van door kanker.
Over de werking van ZA op moleculaire basis circuleren tevens verschillende hypothesen. Er is
aangetoond dat ZA werkt door zijn directe effecten (apoptose van de osteoclast door inhibitie in
de mevalonaat pathway, verminderde proliferatie, verminderde angiogenese door daling van het
circulerend VEGF, gedaalde migratie van de tumorcellen, verminderde adhesie en invasie van de
tumorcellen. (2, 26) ZA heeft echter ook een reeks indirecte effecten; zo zorgt het voor een daling
van de osteoclastogenese, minder botresorptie, gedaalde vrijkoming van groeihormonen en een
gedaalde groei van de skeletmetastasen.
Deze indirecte effecten zou men kunnen toeschrijven aan de rol van ZA op de T-lymfocyten,
zowel bij borst- als bij prostaatkanker als bij MM heeft men kunnen aantonen dat ZA een gunstig
invloed heeft op de T-lymfocyten.(10, 29, 31, 34) Meer specifiek op de Vy9-Vδ2 T lymfocyten
expressie. Bij borstkanker zag men ook een specifiek effect op de MSC migratie.(27) ZA
blokkeert de secretie van groeifactoren (IL-6, RANTES..) door MSC die de borstkanker
progressie in de hand werken. Dit doet ZA door in te werken op heel specifieke pathways (in de
fosforylatie van MAPK en AKT). Hetzelfde onderzoek heeft ook het belang van MSC kunnen
aantonen in de progressie van borstkanker. (28) In de studie werd echter gebruik gemaakt van een
hoge dosis ZA, men zou er dus moeten in slagen om bij de patiënt in het beenmerg een even hoge
dosis te creëren. Daar ZA zich al automatisch concentreert ter hoogte van het bot (zie definities)
is het aanneembaar dat ZA wel degelijk zo’n hoge concentraties in het beenmerg bereikt. De
werking van ZA beperkt zich dus niet alleen tot het bot, wat eerder gedacht werd, maar heeft ook
effect op het weke weefsel.
Bij prostaatkanker zag men naast het effect op de T-lymfocyten die dus ook gezien werd bij
borstkanker, ook een efect op de PC-TAM’s. Deze werken tumorpromoverend (door bevordering
van de tumorgroei, stimulering van de angiogenese en doordat ze het actief immuunsysteem
onderdrukken). Bemerk hier opnieuw de link met het immuunsysteem. Prostaatkankercellen
slagen er in macrofagen aan te trekken en hen te doen switchen naar een tumorpromoverend
fenotype. (34) Ze produceren dan allerhande groeifactoren (IL-1b, IL-10, TNF, VEGF…) die de
tumorcellen onderhouden zodat we in een vicieuze cirkel terecht komen. Hoe meer PC-TAM’s
een patiënt heeft, hoe slechter de prognose. De bedoeling is dat ZA de tumorpromoverende status
van de TAM’s doet switchen naar een tumor eliminerende status. Dit doet ZA door de MMP-9
34
(matrix metalloproteinase 9) expressie te onderdrukken. (34) Wanneer ZA gecombineerd wordt
met immunomodulatoren, gebeurt heel dit proces nog vlotter en ontstaat een M1 antitumoraal
fenotype van de macrofaag. Het doel van ZA is dus om de TAM te heropvoeden tot een M1 antitumoraal fenotype en de tumorcellen weer gevoelig te maken voor de cytotoxische Tyδ
lymfocyten.
Bij longkanker werd de synergetische werking van ZA met chemotherapie nog eens geïllustreerd.
(40)
In deze verschillende moleculaire uitwerkingen bemerken we steeds direct en indirect een link
met het immuunsysteem. Toch zien we dat verder onderzoek naar deze verschillende moleculaire
pathways noodzakelijk is, om de werking van ZA volledig te ontrafelen. Bovendien verschillen
de hypotheses per tumortype.
5.2
Zijn de gegevens solide genoeg om al van een basisbehandeling te spreken?
Voor de komst van het gebruik van BF ervaarden patiënten met botmetastatische kankers SRE’s
gedurende de laatste maanden van hun leven. Deze pathologische fracturen, spinaalkanaal
compressies, hypercalcemie…deed hun kwaliteit van leven zienderogen afnemen. Bovendien
zorgden deze SRE’s en hun consequenties voor het vroegtijdig overlijden van de patiënten.
Gelukkig werden de BF geïntroduceerd voor hun preventieve werking om deze SRE’s te
voorkomen.
De anti-oestrogene behandeling die gegeven wordt bij hormoongevoelige borstkanker kan leiden
tot osteoporose en botfracturen. Vele grote studies zoals ABCSG-12, Z(O) Fast, Azure zijn het er
over eens dat de toediening van ZA preventief botfracturen vermijdt en de BMD doet stijgen tot
zelfs een jaar na de toediening van een intraveneuze dosis.
De androgene deprivatie therapie die gegeven wordt bij prostaatkanker kan wederom leiden tot
osteoporose en botfracturen. ZA verhindert het aantal SRE’s en doet de BMD stijgen. ZA heeft
echter ook een anti-tumorale werking. Saad et al. tonen aan dat ZA 4 mg de overleving verbetert
bij prostaatkankerpatiënten met botmetastasen.
Bij MM liggen de kaarten anders. Daar worden de BF al aanvaard als een basistherapie.
Verschillende onderzoeken geven aan dat een dosis van 4 mg ZA iv iedere 3 à 4 weken het
gunstigste resultaat geeft.(47, 48) Gebaseerd op de meest recente resultaten van de MRC
35
Myeroloma IX Study wordt dan ook aanbevolen om aan alle patiënten met nieuw
gediagnosticeerde symptomatische MM ZA te geven. (4, 45, 46, 48)
5.3
Bedenkingen bij de data uit de literatuur
Een belangrijk punt is de soms selectieve weergave van feiten in de verschillende beschikbare
artikels. Zo ziet men op figuur 3 in het artikel van Tsagozis et al. die handelt over de antitumorale werking van ZA bij prostaatkanker ook een significante (p<0,05) stijging van het IDOgen bij een verhoogde concentratie ZA.(34) Tsagozis et al. vermelden echter nauwelijks iets over
deze significante stijging of over de relevantie hiervan. De vraag is nu of IDO ook een
belangrijke rol speelt, was het effect verwaarloosbaar of werd het niet verder onderzocht of
pleitte het tegen het gebruik van ZA en werd het daarom niet verder behandeld. IDO
(Indoleamine-pyrrole 2,3- dioxygenase) is een sleutel-enzym, het ontrekt het aminozuur
tryptofaan van het tumoraal milieu; op deze wijze worden de T-lymfocyten verhinderd in het
uitvoeren van hun anti-tumorale activiteit.(34) Deze stijging van het IDO-gen door toevoeging
van ZA zou juist pleiten tegen het anti-tumoraal effect van ZA.
Belangrijk om bij stil te staan is dat deze studie ook gesponsord werd door Novartis. We zien dat
de meeste studies in de literatuur gesponsord worden door medische firma’s. BF zijn de dag van
vandaag hot topic en roepen dan ook de interesse op van vele farmaceutische industrieën
(Novartis, Astra Zeneca, Janssen-Cilag, Amgen, Roche ..). We kunnen ons afvragen of deze
sponsoring niet (on)rechtstreeks bias veroorzaakt. Zo ontvangt Terpos E. bijvoorbeeld honoraria
en onderzoeksbeurzen van ondermeer Amgen, Novartis en Janssen-Cilag.(56)
Doorheen dit literatuuronderzoek werden we ook geconfronteerd met een gebrek aan data, zo
werden de resultaten van de NSABP-B34 studie en de ANZAC studie nergens teruggevonden.
Verschillende artikels haalden aan dat deze resultaten tegen 2011 beschikbaar zouden zijn.(2, 14,
16, 57) Helaas werden de resultaten van deze studies in verband met het gebruik van ZA en
borstkanker nergens teruggevonden. Dit doet vermoeden dat ongunstige resultaten misschien niet
gepubliceerd worden, waardoor wij ons in deze masterscriptie enkel kunnen baseren op de
studies met veel belovende resultaten. De NSABP-B34 studie vergeleek de adjuvante toevoeging
van Clodronaat versus placebo bij vroeg stadium borstkankerpatiënten die systemisch
chemotherapie en/of Tamoxifen of geen therapie kregen. Daar in deze masterscriptie meer werd
toegespitst op het gebruik van ZA, zijn de resultaten van deze studie sowieso wel minder relevant.
De ANZAC studie echter is een gerandomiseerde neoadjuvante biomarker studie die de
36
adjuvante anti-tumorale activiteit van ZA onderzoekt bij chemotherapie bij borstkankerpatiënten.
Resultaten van deze studie waren voor deze masterscriptie uiterst relevant.
5.4
Valkuilen bij het gebruik van de bifosfonaten
Hieronder bekijken we kritisch de volgende zaken: de bijwerkingen, het ontstaan van subgroepen,
de effectieve dosis, osteoclastische versus osteoblastische metastasen, hoe verklaren we de niet
significante resultaten en andere zwakke punten: dosis en duur behandeling.
5.4.1
Bijwerkingen
Enkele valkuilen bij het gebruik van BF zijn ondermeer de osteonecrose van de kaak, de gevaren
van gebruik bij een gedaalde nierfunctie, …De meest gevreesde en besproken complicatie van
BF is de osteonecrose van de kaak. We vinden dat indien goede voorzorgsmaatregelen (zie punt
B.8) genomen worden dit niet mag leiden tot het niet toedienen van de BF. Om nierfalen te
voorkomen, wordt de nierfunctie idealiter voor het opstarten van de behandeling met ZA
gecontroleerd. Indien er al nierlijden is, verlaagt men best de dosis ZA.(16)
5.4.2
Subgroepen
Dit literatuuronderzoek leert ons ook dat er vele subgroepen patiënten zijn, die veel beter
reageren op de toediening van ZA. Zo heeft ZA een veel effectievere anti-tumorale werking in de
subgroep longkankerpatiënten met een sterk verhoogde NTx niveau.(39) We kunnen de patiënten
dus onderverdelen in een lage NTx groep <64 nmol/mmol creatinine en de hoge NTx groep; ≥ 64
nmol/mmol creatinine. Uit deze studie blijkt dus dat bij de longkankerpatiënten een subgroep
patiënten bestaat, die meer baat heeft bij de behandeling met ZA dan andere patiënten. NSCLC
patiënten met hoge NTx niveaus, zijn dus kandidaten om te profiteren van het additioneel antitumorale effect dat ZA heeft. Dit wil niet zeggen dat men in de lage NTx groep geen ZA meer
moet geven, daar ZA nog steeds significant het aantal SREs vermindert.
Wanneer men de anti-tumorale werking van ZA bestudeert ter hoogte van de Tyδ lymfocyten bij
borstkankerpatiënten ziet men opnieuw een groep responders en een groep non-responders. De
responders vertonen op een dosis 4 mg ZA iv een significante wijzing in hun Vy9-Vδ2 Tlymfocyten expressie terwijl de non-responders geen statistisch significante wijzing vertonen.(29)
Ook bij de OS in de ABCSG-12 trial ziet men dat patiënten boven de 40 jaar met een lager
oestrogeenniveau een betere OS hebben na toevoeging van ZA dan patiënten onder de 40 jaar
37
met een iets hoger oestrogeenniveau.
Het lijkt ons dan ook verstandig om vooraf te screenen tot welke subpopulatie de patiënt behoort
in het kader van een doeltreffende behandeling op maat te kunnen geven. Deze screening is
natuurlijk ook afhankelijk van de kostprijs van de screening ten op zichte van de kostprijs van de
behandeling met ZA. Dit zou nog verder onderzocht moeten worden. Toch kunnen we ons
afvragen hoe ver we hierin kunnen en willen gaan. Als de huidige trend van onderzoeken blijft,
zullen in de nabije toekomst vermoedelijk nog heel wat andere subgroepen ontdekt worden. Deze
medische vooruitgang gaat dan gepaard met een toenemende complexiteit. Wordt het dan de
bedoeling dat we vooraf alle patiënten screenen en indelen in subgroepen en voor iedere
subgroep afzonderlijk verschillende richtlijnen hanteren? In dat geval komen we algauw in een
uiterst complexe situatie terecht waar het extreem moeilijk wordt om een overzicht te bewaren.
Om dan nog maar te zwijgen over de verschillende terugbetaling schema’s waarmee dit gepaard
zal gaan.
5.4.3
Effectieve dosis
In al deze studies, zoekt men ondermeer naar de meest effectieve dosis van ZA, vooral door
middel van in vitro onderzoeken. Men vergeet echter dat het zeer moeilijk is de correcte in vivo
dosis van ZA te kennen/berekenen. ZA nestelt zich in het bot en wordt continu vrij gegeven.
Een primair eindpunt in deze onderzoeken is dan vaak de verandering in de BMD. Men neemt
aan dat een stijging in de BMD het aantal fracturen doet verminderen. Deze relatie is al
meermaals onderzocht geweest en blijkt inderdaad te kloppen.(16, 58)
5.4.4
Osteoclastische versus osteoblastische metastasen
Men kan zich afvragen of deze anti-tumorale werking van ZA enkel nuttig is bij osteoclastische
metastasen en niet bij de osteoblastische. De inhibitie van ZA op de mevalonaat pathway heeft
inderdaad enkel invloed op de osteoclasten. Toch hebben de vele indirecte effecten van ZA
invloed op alle botmetastasen. Zo zijn de daling van VEGF, de stimulatie van de T-lymfocyten,
de verandering in moleculaire expressie patronen, de anti-tumorale werking buiten het bot,… niet
osteoblasten/osteoclasten specifiek. ZA kan dus zowel bij osteoclastische als bij osteoblastische
metastasen gegeven worden. Ook de preventieve werking tegen osteoporose blijft hetzelfde bij de
verschillende kankertypes.
38
5.4.5
Hoe verklaren we de niet-significante resultaten?
In deze studies vinden we naast de vele significante resultaten, ook heel wat niet significante
resultaten. Het is belangrijk om deze niet significante resultaten te proberen te verklaren. Zo zien
we een niet significante stijging (p=0,17) in de OS bij de AZURE studie, een niet significante
wijziging in de OS bij de ABCSG-12 studie (p=0,09) en geen significante daling in het aantal
sterftegevallen in de Z(O)-FAST studie.(21, 23, 26) We zien echter wel een positieve correlatie
tussen de toediening van ZA en de overlevingsduur. Statistisch is deze correlatie echter niet
significant, maar dit betekent niet dat dit verschil niet klinisch significant kan zijn. Dit kan te
wijten zijn aan het feit dat het verschil niet groot genoeg is om significant te zijn, bijvoorbeeld
door een te kleine studiegroep, door de in/exclusiecriteria, de power van de test... In de ABCSG12 trial zag men retrospectief dat de patiënten die Anastrozole kregen minder lang overleefden
dan de groep die Tamoxifen kreeg. Vermoedelijk zorgt dit gegeven ook voor een bias in de
resultaten. Ook zag men dat in de subgroep van patiënten ouder dan 40 jaar het verschil in OS
wel significant was. Dit zou te maken kunnen hebben met het lagere oestrogeen milieu, die na de
leeftijd van 40 jaar aanwezig is. Alle borstkankerpatiënten kregen anti-hormonale therapie, maar
de subgroep boven de 40 jaar had globaal gezien een lager oestrogeen spiegel. In de Z(O)-FAST
studie haalt men zelf aan dat hun studie verschillende beperkingen kent. Zo is er een gebrek aan
gestandaardiseerde testen om de ziekteprogressie te screenen, wat dus zorgt voor bias in hun
resultaten. Bovendien zag men geen significant verschil in overleving in die 5 jaar van de studie,
het kan zijn dat het verschil in overleving op langer termijn wel significant wordt.
Dat de resultaten zowel klinisch als statistisch niet significant zijn, is minder waarschijnlijk
aangezien in de resultaten wel een klinisch verschil gevonden wordt. Het kan dus zijn dat deze
resultaten statistisch geen grote verschillen geven bij een strenge α van 0,05 maar dat dit klein
verschil wel voor de patiënt uitmaakt. Zo kan de patiënt met dit statistisch niet significant
verschil toch een veel betere kwaliteit van leven hebben. Statisch significant wil ook enkel
zeggen dat men de nulhypothese (hier dat ZA een invloed heeft op de OS) nog niet kan
verwerpen. Hier kan men nog niet met 95% zekerheid deze hypothese verwerpen, neemt men
echter een zekerheid van bijvoorbeeld 90% kan men dat wel verwerpen. De discussie significant
of niet, is dus afhankelijk van hoeveel procent zekerheid men wilt nemen. Toch moeten we er
rekening mee houden dat bij een niet statistisch significant resultaat de kans op een terugbetaling
van het RIZIV miniem is.
39
5.4.6
Andere zwakke punten: dosis en duur behandeling
We zien dat in alle studies bijna steeds de dosis van 4 mg gehanteerd wordt, zelden wordt de
dosis van 8 mg uitgetest. Naast dosissen van 4 of 8 mg wordt nergens in de literatuur gesproken
over het gebruik van een andere dosis. Hieruit concluderen wij dat dosissen zoals 6 mg, 5 mg, 3
mg …nooit onderzocht geweest zijn. Dit heeft ons een tekort aan informatie. De reden hiervoor
kunnen we wellicht toeschrijven aan gemak, eenvoudig gebruik en waarschijnlijk speelt de rol
van de farmaceutische bedrijven hier ook. Zo komt een standaardtherapie van 4 mg hun uiteraard
voordeliger uit dan een standaard van 2 mg ZA.
Ook qua doseringsschema’s komen telkens dezelfde schema’s terug. Voor de preventie van
osteoporose gaat men voor het schema van 1x/ jaar. Voor de anti-tumorale werking kiest men van
1x/3 weken tot 1x/6 maand. Andere schema’s worden wederom niet behandeld. Er zouden ook
studies moeten komen die deze verschillende doseringsschema’s beoordelen.
Naar de duur van de behandeling met ZA is ook nog geen consensus bereikt. Bij MM pleit men
wel voor een behandelingsduur van minimum 2 jaar. Voor de overige carcinomen rekent men
meestal op een behandelingsduur van 3 jaar. Wij denken dat het aan de clinicus is om uit te
maken of zijn patiënt nog baat heeft bij een langere behandeling. Regelmatige revisie van de
klinische status van de patiënt moet uitmaken of de patiënt nog al dan niet voordeel heeft aan een
verdere behandeling met ZA.
5.5
Toekomstperspectief
BF werden vroeger eerst gebruikt om de complicaties (SRE’s) te beperken. Langs deze weg
ontdekte men een volledige nieuwe anti-tumorale werking. Dit wordt verder uitgepluisd;
verschillende theorieën worden getoetst om de mogelijke anti-tumorale werking van BF te
verklaren. Dit is een mooi voorbeeld van hoe de wetenschap nooit stil staat en continu evolueert.
Het leert ons echter ook dat er nog heel veel zaken moeten onderzocht worden en we slechts een
beperkte kennis hebben over al deze verschillende moleculaire interacties. Het gebruik van BF
bracht dan ook verschillende nieuwe inzichten aan het licht. Ondermeer neemt het belang toe van
de rol van het afweersysteem in het ontstaan van carcinomen. Men ziet dat ZA namelijk een rol
speelt in het verhogen van de potentie van de Vy9-Vδ2 T-lymfocyten.(29)
Het feit dat we volop de verschillende effecten en werkingsmechanismen van de BF aan het
40
ontdekken en onderzoeken zijn, brengt ook onzekerheden met zich mee. Wat zijn namelijk de
lange termijn effecten van BF? Osteonecrose van de kaak werd ook pas veel later ontdekt door
het hoger gebruik van potentere BF. Dit toont ons om toch een zekere terughoudendheid te
hebben met betrekking tot het ongeoorloofd gebruik van de BF.
Een niet te vergeten punt is het economische aspect. Zijn de BF wel kosteneffectief en is er geld
in de gezondheidszorg in deze tijden van crisis voor deze BF. Het is namelijk erg zinloos om
medicatie te onderzoeken die niet zal kunnen gebruikt worden. Wat zal de houding zijn van het
RIZIV indien we inderdaad allerhande subgroepen patiënten creëren, die een ander
behandelingsschema krijgen.
In de analyse van Botteman et al. wordt het gebruik van Zoledronaat over een periode van 10 jaar
bekeken.(49) Men gaat uit van een Markov model met 6 gezondheidsstadia. De studie van
Botteman et al. besluit dat het gebruik van alle BF ter preventie van SRE bij patiënten met
borstkanker kosteneffectief is in vergelijking met geen behandeling. Dit pleit voor de
terugbetaling van ZA bij patiënten met borstkanker.
Naast de studies betreffende de kosteneffectiviteit bij het gebruik van BF bij borstkanker, zijn er
ook enkele studies omtrent de kosteneffectiviteit bij het gebruik van BF bij metastatische nietborst tumoren. In de studie van Carter et al. betrok men 4 eerder gemaakte
kosteneffectiveitsanalyses; 2 in verband met prostaatkanker(51, 52), 1 in verband met
longkanker(53) en 1 in verband met nierkanker(49). Hierin wordt besloten dat ZA kosteneffectief
blijkt in alle Europese landen met uitzondering in de globale prostaatkanker analyse. (50) In 2013
zal Novartis Pharma zijn patent verliezen op Zometa® (ZA), hierdoor verwacht men een grote
prijsdaling in de kost van het medicijn. Zo zijn er nu al generieken op de markt die circa 20 euro
vragen voor 1 dosis ZA van 4 mg in een oplossing van 5 ml. Dit zal resulteren in een veel grotere
kosteneffectiveit dan nu het geval is.(50) Zoals eerder aangehaald (in het punt 4.5 economische
aspecten) merkten we ook markante verschillen tussen de verschillende studies onderling. Reed
et al. nam bijvoorbeeld alle kosten in rekening zonder onderscheid te maken tussen SRE
gerelateerde en niet-SRE gerelateerde kosten. Men zag ook een verschil in kosten voor de SRE’s
bij Carter et al. en Reed et al. De kosten voor SRE’s waren in de berekeningen van Carter et al.
veel hoger, dit zorgt er voor dat de vermeden kosten bij Carter et al. ook veel hoger waren dan bij
Reed et al. Deze verschillen in opvatting resulteren uiteraard in verschillende resultaten. Het is
ook het best om rekening te houden met de ernst van de SRE’s en zo gradaties te maken in de
41
kosten veroorzaakt door SRE’s. De kosten bij een ribfractuur zijn uiteraard veel lager dan de
kosten bij een heupfractuur. In de analyse van Reed et al. werd hier echter geen rekening mee
gehouden.(52) Afhankelijk van wat je allemaal mee in rekening brengt in je berekening wordt
iets kosteneffectief of net niet. Als we echt willen weten of ZA kosteneffectief is, dan moet er een
consensus komen in wat we bekijken. Bekijken we bijvoorbeeld de gecumuleerde kost van de
kanker en zijn metastasen/SRE’s, namelijk vanaf de ziekte tot genezing/sterfte of bekijken we de
prevalante kost (hoeveel kost deze ziekte per jaar). Aangezien ZA ook preventief gebruikt wordt,
lijkt een gecumuleerde kost hier het meest op zijn plaats.
In bovenstaande onderzoeken wordt echter weinig aandacht besteed aan de anti-tumorale werking
van ZA, men bekijkt vooral de kosteneffectiviteit bij de preventie van SRE’s. Zoals we weten is
de werking van ZA breder. Onderzoeken die ook de anti-tumorale werking volledig
implementeren moeten nog volgen.
In de verschillende economische onderzoeken heerst ook een verdeeldheid. Zo menen sommigen
dat de niet significante verschillen (bv. langere overleving bij ZA, nevenwerkingen…) mee moet
genomen worden in de kosteneffectiviteitsanalyse. Het feit dat verschillen niet significant zijn,
wil namelijk niet zeggen dat ze niet klinisch of zelfs economisch interessant zijn. Tegenstanders
menen echter dat het betrekken van niet significante resultaten in de berekeningen voor bias
zorgt.(50)
Tenslotte moet ook rekening gehouden worden met de verschillen in kosten tussen de
verschillende landen.
We kunnen besluiten dat het gebruik van ZA kosteneffectief is en dit de komende jaren enkel nog
maar zal verbeteren door het vervallen van het patent.
Daar is gebleken dat ZA effectiever is in bepaalde subgroepen kan men zich afvragen of het
nuttig is om naar deze subgroepen te screenen en of dit kosteneffectief is. Hierover zijn nog geen
studies gevonden.
5.6
Voorstel tot consensus op basis van de gegevens
Dat de BF hot topic zijn en er heel veel onderzoek naar gebeurt is geen geheim. Er zijn echter al
heel veel onderzoeken gebeurd in verband met het gebruik van ZA. Al deze onderzoeken zijn
afzonderlijk van elkaar uitgevoerd zonder met elkaar rekening te houden. Door al deze
verschillende onderzoeken heen is het moeilijk om door de bomen het bos nog te zien. Er is nood
aan een consensus/guidelines. Deze moeten de behandeling sturen in de beslissing of men een BF
42
zal geven en in welke concentratie, dosis, duur…we dit moeten doen. Idealiter sturen deze
guidelines ons ook of we onze patiënten moeten screenen en indelen in subgroepen.
Er bestaan reeds guidelines ter preventie van SRE. Een goede aanvulling zou zijn, indien er ook
komen in verband met de preventie van botmetastasen.
Hier volgt een poging tot het opstellen van guidelines aan de hand van de gepubliceerde literatuur.
Daar het hier bij de preventie van SRE’s telkens gaat om secundaire osteoporose (veroorzaakt
door de verschillende kankers en hun therapie) is een intraveneuze dosis van BF het meest
doeltreffend. Orale dosis lijkt ons enkel aangewezen bij primaire osteoporose. Uit al deze studies
blijkt dat ZA de meest potente BF is. Indien men dus een anti-tumoraal effect wilt verkrijgen,
gebruikt men best ZA. Zoledronaat gebruikt men meestal jaarlijks bij osteoporose en van 3x per
week tot 1x om de 6 maand bij kanker. Voor het bepalen van de juiste dosisfrequentie rekenen
we ook op het therapeutisch inzicht van de behandelende clinicus. We pleiten eerder voor een
dosis van 4 mg iv ZA ipv een dosis van 8 mg ZA, hiervoor baseren we ons op de bevindingen
van Saad et al. Men zag geen significant beter resultaat in de 8 mg ZA- groep, maar wel meer
bijwerkingen (nierlijden, BRONJ..).(32) Zoals eerder aangehaald wordt over het gebruik van
andere dosissen weinig terug gevonden in de literatuur.
Wegens de vele positieve studies omtrent het gebruik van ZA en de relatief weinig bijwerkingen
dat het met zich mee brengt, pleiten wij voor een vroegtijdig gebruik van ZA. We raden aan om
naast de dosis ZA bij botmetastasen ook een oraal Calcium supplement van 500 mg en een
vitamine D dosis van 400 IU in te nemen na ieder infuus.
Rekening houdend met bovenstaande kritische bemerkingen, wordt in onderstaande figuur een
poging ondernomen om een consensus te bereiken voor het gebruik van ZA in de adjuvante
setting per kanker type. Er wordt gebruik gemaakt van een standaard intraveneuze dosis van 4 mg
ZA. Diezelfde dosis geven we afhankelijk voor zijn preventieve doelstelling of zijn anti-tumoraal
effect in een andere dosisfrequentie. Voor thyroidkanker zijn we nog niet tot een consensus
kunnen komen door gebrek aan data in de literatuur. We zijn er van bewust dat onderstaande
consensus gebaseerd is op de onvolledige beschikbare literatuur en vermoedelijk nog zal wijzigen.
De subgroepen bij longkanker worden ook even aangehaald, om zo de discussie aan te wakkeren
naar het eventueel wel of niet indelen in subgroepen.
43
BORSTKANKER
2nd osteoporose
1x/jaar 4mg ZA iv
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
antitumoraal
1x/3w à 1x/6m ZA 4mg iv gedurende 3 jaar
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
PROSTAATKANKER
2nd osteoporose
1x/jaar 4mg ZA iv
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
antitumoraal
1x/3w à 1x/6m ZA 4mg iv gedurende 3 jaar
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
LONGKANKER
2nd osteoporose
1x/jaar 4mg ZA iv
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
antitumoraal
1x/6m ZA 4mg iv gedurende 3 jaar
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
Subgroepen:
NTx groep <64 nmol/mmol creatinine: overweeg ZA 4mg iv
NTx groep ≥ 64 nmol/mmol creatinine: 1x/6m ZA 4mg iv
THYROIDKANKER
2nd osteoporose
1x/jaar 4mg ZA iv
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
antitumoraal
te weinig studies, geen consensus
MULTIPLE MYEOLOMA
2nd osteoporose
antitumoraal
Sowieso 1x/3w à 1x/6m ZA 4mg iv voor minimum 2 jaar
Ca suppl 500 mg + vit D 400 IU
44
6. Conclusie
In deze masterscriptie is geprobeerd om via uitgebreid literatuuronderzoek een overzicht te geven
van het nut van BF in de behandeling bij bepaalde types van kanker. BF zijn de
standaardbehandeling geworden voor de preventie van SRE’s bij botmetastasen. Voor het
voorkomen van SRE’s bij secundaire osteoporose is er voldoende evidentie dat ZA een
significant effect heeft. ZA wordt gebruikt bij patiënten met osteoporose die geassocieerd is aan
de hormonale therapie bij bepaalde types van kanker of aan de kanker zelf (MM).
We zien echter dat de werking van de BF zich niet enkel beperkt tot de preventie van SRE’s,
maar ook een anti-tumorale werking heeft. Het is intrigerend om te zien dat deze anti-tumorale
effecten van ZA zich zelfs niet enkel beperken tot de micro-omgeving van het bot alleen, maar
ook invloed hebben op de weke delen. Zo resulteert adjuvante behandeling met BF ondermeer in
een lagere incidentie van borstkanker in de contralaterale borst. ZA heeft dus naast zijn antitumorale werking in het bot (door de apoptose van de osteoclasten) ook een anti-tumorale
activiteit buiten de botomgeving. Dit laatste is vooral onderwerp van huidig onderzoek.
Verschillende studies concluderen dat de anti-tumorale werkingen van ZA vooral
additief/synergistisch is met de chemotherapie/anti-hormonale behandeling. Anti-tumorale
werking van ZA als alleenstaande therapie is minder zinvol (tenzij voor preventie SRE) dan in de
combinatie met de huidige therapie. Het toevoegen van ZA bij de standaard therapie verhoogt de
overleving, QOL, BMD… De resultaten uit de vele studies, meta-analyse, reviews zijn
veelbelovend met betrekking tot de adjuverende anti-tumorale werking van ZA. Zoals beschreven,
worden er dan ook veel verschillende hypotheses naar voor geschoven om deze anti-tumorale
werking te kunnen verklaren.
Kunnen we nu concluderen dat er al genoeg evidentie is om BF daadwerkelijk te gebruiken in de
adjuvante setting? De anti-tumorale (synergetische/additieve) werking van ZA lijkt vooral al
bewezen bij borstkanker, prostaatkanker en MM. Ook bij longkanker ziet men een toenemende
evidentie, bij thyroidkanker is er echter nog te weinig onderzoek gebeurd om hier verdere
uitspraken over te doen. Om dus al te kunnen besluiten dat ZA daadwerkelijk moet gebruikt
worden in de adjuvante setting, is het nog wachten op een finaal verdict. Over de anti-tumorale
werking van ZA zijn er in de voorbije 5 jaren vele duidelijke overtuigende gegevens gepubliceerd.
Het lijkt dus redelijk om aan te nemen dat er nieuwe indicaties zullen ontstaan waarbij ZA
gebruikt zal worden voor zijn anti-tumorale werking. Bovendien kunnen BF veilig gecombineerd
45
worden met andere oncologische therapieën, wat uiteraard essentieel is. ZA is dus zeker een
beloftevolle medicatie, maar of het de rol van het nieuwe wondermedicijn zal kunnen vervullen is
bang afwachten. We zien echter ook een toenemend belang voor de werking van de anti-RANKL.
Misschien wordt de huidige felbegeerde positie van ZA wel verdrongen door de komst van
Demosumab (een anti-RANKL). Verder onderzoek zal moeten gebeuren om een sluitend
antwoord te kunnen geven over de plaats van ZA in de anti-tumorale setting; zijn de BF nog
bezig aan hun opmars of is het belang al aan het afnemen door de komst van nieuwe medicijnen?
46
7. Literatuurlijst
1.
F. S. Cursus Moleculaire Biologie en Genetica (cel IV). In: Gent U, editor. Center for
Medical Genetics. Gent2009. p. 48.
2.
Gnant M. Bisphosphonates in the prevention of disease recurrence: current results and
ongoing trials. Current cancer drug targets. 2009 Nov;9(7):824-33. PubMed PMID: 20025570.
Epub 2009/12/23.
3.
Karp DD, Paz-Ares LG, Novello S, Haluska P, Garland L, Cardenal F, et al. Phase II
Study of the Anti-Insulin-Like Growth Factor Type 1 Receptor Antibody CP-751,871 in
Combination With Paclitaxel and Carboplatin in Previously Untreated, Locally Advanced, or
Metastatic Non-Small-Cell Lung Cancer. Journal of Clinical Oncology. 2009 May
20;27(15):2516-22. PubMed PMID: WOS:000266195400018. English.
4.
Rajkumar SV. Zoledronic acid in myeloma: MRC Myeloma IX. Lancet. 2010 Dec
11;376(9757):1965-6. PubMed PMID: 21131042.
5.
Li Gong RBA, Teri E. Klein. Bisphosphonate Pathway, Pharmacodynamics
Pharmacogenetics and genomics [Internet]. 2011 11/02/2013.
6.
Apostolos I Gogakos MSC, JH Duncan Bassett, Graham R Williams. Bone Signaling
Pathways and Treatment of Osteoporosis. Expert Review of Endocrinology and Metabolism
[Internet]. 2009 11/02/2013.
7.
Winter MC, Holen I, Coleman RE. Exploring the anti-tumour activity of bisphosphonates
in early breast cancer. Cancer treatment reviews. 2008 Aug;34(5):453-75. PubMed PMID:
18423992. Epub 2008/04/22.
8.
McKeage K, Plosker GL. Zoledronic acid: a pharmacoeconomic review of its use in the
management of bone metastases. PharmacoEconomics. 2008;26(3):251-68. PubMed PMID:
18282018. Epub 2008/02/20. eng.
9.
Coleman R. The use of bisphosphonates in cancer treatment. Annals of the New York
Academy of Sciences. 2011 Feb;1218:3-14. PubMed PMID: 20946581. Epub 2010/10/16.
10.
Terpos E, Sezer O, Croucher PI, Garcia-Sanz R, Boccadoro M, San Miguel J, et al. The
use of bisphosphonates in multiple myeloma: recommendations of an expert panel on behalf of
the European Myeloma Network. Annals of oncology : official journal of the European Society
for Medical Oncology / ESMO. 2009 Aug;20(8):1303-17. PubMed PMID: 19465418.
11.
Aapro M, Abrahamsson PA, Body JJ, Coleman RE, Colomer R, Costa L, et al. Guidance
on the use of bisphosphonates in solid tumours: recommendations of an international expert panel.
Annals of oncology : official journal of the European Society for Medical Oncology / ESMO.
2008 Mar;19(3):420-32. PubMed PMID: 17906299.
12.
Informatie BCvF. Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (B.C.F.I.
VZW) Gent2013 [cited 2013 10/03/2013].
13.
Van den Wyngaert T, Huizing MT, Fossion E, Vermorken JB. Bisphosphonates in
oncology: rising stars or fallen heroes. The oncologist. 2009 Feb;14(2):181-91. PubMed PMID:
19179412. Epub 2009/01/31.
14.
Pavlakis N, Schmidt RL, Stockler M. Bisphosphonates for breast cancer. Cochrane Db
Syst Rev. 2005 (3). PubMed PMID: ISI:000232202500127. English.
15.
Body JJ, Bergmann P, Boonen S, Boutsen Y, Devogelaer JP, Goemaere S, et al.
Management of cancer treatment-induced bone loss in early breast and prostate cancer -- a
consensus paper of the Belgian Bone Club. Osteoporosis international : a journal established as
result of cooperation between the European Foundation for Osteoporosis and the National
Osteoporosis Foundation of the USA. 2007 Nov;18(11):1439-50. PubMed PMID: 17690930.
Epub 2007/08/11.
47
16.
Doggrell SA. Clinical efficacy and safety of zoledronic acid in prostate and breast cancer.
Expert review of anticancer therapy. 2009 Sep;9(9):1211-8. PubMed PMID: 19761424. Epub
2009/09/19.
17.
Marx RE. Pamidronate (Aredia) and zoledronate (Zometa) induced avascular necrosis of
the jaws: A growing epidemic. Journal of Oral and Maxillofacial Surgery. 2003 Sep;61(9):1115-7.
PubMed PMID: WOS:000185046500024.
18.
Ruggiero SL, Mehrotra B, Rosenberg TJ, Engroff SL. Osteonecrosis of the jaws
associated with the use of bisphosphonates: A review of 63 cases. Journal of Oral and
Maxillofacial Surgery. 2004 May;62(5):527-34. PubMed PMID: WOS:000221139400002.
19.
Abughazaleh K, Kawar N. Osteonecrosis of the jaws: what the physician needs to know:
practical considerations. Disease-a-month : DM. 2011 Apr;57(4):231-41. PubMed PMID:
21569888. Epub 2011/05/17.
20.
Mahtani R, Khan R, Jahanzeb M. The potential application of zoledronic acid as
anticancer therapy in patients with non-small-cell lung cancer. Clinical lung cancer. 2011
Jan;12(1):26-32. PubMed PMID: 21273176.
21.
Eidtmann H, de Boer R, Bundred N, Llombart-Cussac A, Davidson N, Neven P, et al.
Efficacy of zoledronic acid in postmenopausal women with early breast cancer receiving
adjuvant letrozole: 36-month results of the ZO-FAST Study. Annals of Oncology. 2010
Nov;21(11):2188-94. PubMed PMID: ISI:000283662800009. English.
22.
Gnant M, Mlineritsch B, Stoeger H, Luschin-Ebengreuth G, Heck D, Menzel C, et al.
Adjuvant endocrine therapy plus zoledronic acid in premenopausal women with early-stage
breast cancer: 62-month follow-up from the ABCSG-12 randomised trial. The lancet oncology.
2011 Jul;12(7):631-41. PubMed PMID: 21641868. Epub 2011/06/07.
23. Gnant M, Mlineritsch B, Schippinger W, Luschin-Ebengreuth G, Postlberger S, Menzel C,
et al. Endocrine therapy plus zoledronic acid in premenopausal breast cancer. The New England
journal of medicine. 2009 Feb 12;360(7):679-91. PubMed PMID: 19213681. Epub 2009/02/14.
24.
Lemaire J-C. Zoldroninezuur en borstkanker. Belgian Oncology News. 2012.
25.
Burkinshaw R, Thorpe H, Coleman R. Bisphosphonates and prevention of metastases: the
AZURE study. Breast Cancer Online. 2007;21(10):1-8.
26.
Coleman RE, Winter MC, Cameron D, Bell R, Dodwell D, Keane MM, et al. The effects
of adding zoledronic acid to neoadjuvant chemotherapy on tumour response: exploratory
evidence for direct anti-tumour activity in breast cancer. Brit J Cancer. 2010 Mar
30;102(7):1099-105. PubMed PMID: ISI:000276159900004. English.
27.
Gallo M, De Luca A, Lamura L, Normanno N. Zoledronic acid blocks the interaction
between mesenchymal stem cells and breast cancer cells: implications for adjuvant therapy of
breast cancer. Annals of oncology : official journal of the European Society for Medical
Oncology / ESMO. 2012 Mar;23(3):597-604. PubMed PMID: 21551002. Epub 2011/05/10.
28.
Gnant M, Hadji P. Prevention of bone metastases and management of bone health in early
breast cancer. Breast cancer research : BCR. 2010;12(6):216. PubMed PMID: 21172067.
Pubmed Central PMCID: PMC3046430. Epub 2010/12/22. eng.
29.
Santini D, Martini F, Fratto ME, Galluzzo S, Vincenzi B, Agrati C, et al. In vivo effects
of zoledronic acid on peripheral gammadelta T lymphocytes in early breast cancer patients.
Cancer immunology, immunotherapy : CII. 2009 Jan;58(1):31-8. PubMed PMID: 18458903.
30.
Kunzmann V, Bauer E, Feurle J, Weissinger F, Tony HP, Wilhelm M. Stimulation of
gammadelta T cells by aminobisphosphonates and induction of antiplasma cell activity in
multiple myeloma. Blood. 2000 Jul 15;96(2):384-92. PubMed PMID: 10887096.
31.
Sugie T, Murata-Hirai K, Iwasaki M, Morita CT, Li W, Okamura H, et al. Zoledronic
acid-induced expansion of gammadelta T cells from early-stage breast cancer patients: effect of
48
IL-18 on helper NK cells. Cancer immunology, immunotherapy : CII. 2012 Nov 15. PubMed
PMID: 23151944.
32.
Saad F, Gleason DM, Murray R, Tchekmedyian S, Venner P, Lacombe L, et al. A
randomized, placebo-controlled trial of zoledronic acid in patients with hormone-refractory
metastatic prostate carcinoma. Journal of the National Cancer Institute. 2002 Oct;94(19):1458-68.
PubMed PMID: WOS:000178289300012.
33.
Weinfurt KP, Li Y, Castel LD, Saad F, Timbie JW, Glendenning GA, et al. The
significance of skeletal-related events for the health-related quality of life of patients with
metastatic prostate cancer. Annals of oncology : official journal of the European Society for
Medical Oncology / ESMO. 2005 Apr;16(4):579-84. PubMed PMID: 15734776. Epub
2005/03/01.
34.
Tsagozis P, Eriksson F, Pisa P. Zoledronic acid modulates antitumoral responses of
prostate cancer-tumor associated macrophages. Cancer Immunology Immunotherapy. 2008
Oct;57(10):1451-9. PubMed PMID: WOS:000257913900003.
35.
Lissbrant IF, Stattin P, Wikstrom P, Damber JE, Egevad L, Bergh A. Tumor associated
macrophages in human prostate cancer: relation to clinicopathological variables and survival.
International journal of oncology. 2000 Sep;17(3):445-51. PubMed PMID: 10938382.
36.
Giaccone G, Gallegos Ruiz M, Le Chevalier T, Thatcher N, Smit E, Rodriguez JA, et al.
Erlotinib for frontline treatment of advanced non-small cell lung cancer: a phase II study. Clinical
cancer research : an official journal of the American Association for Cancer Research. 2006 Oct
15;12(20 Pt 1):6049-55. PubMed PMID: 17062680.
37.
Hirsh V, Major PP, Lipton A, Cook RJ, Langer CJ, Smith MR, et al. Zoledronic acid and
survival in patients with metastatic bone disease from lung cancer and elevated markers of
osteoclast activity. Journal of thoracic oncology : official publication of the International
Association for the Study of Lung Cancer. 2008 Mar;3(3):228-36. PubMed PMID: 18317064.
38.
Tsuya A, Kurata T, Tamura K, Fukuoka M. Skeletal metastases in non-small cell lung
cancer: a retrospective study. Lung cancer. 2007 Aug;57(2):229-32. PubMed PMID: 17451841.
39.
Rosen LS, Gordon D, Tchekmedyian NS, Yanagihara R, Hirsh V, Krzakowski M, et al.
Long-term efficacy and safety of zoledronic acid in the treatment of skeletal metastases in
patients with nonsmall cell lung carcinoma and other solid tumors: a randomized, Phase III,
double-blind, placebo-controlled trial. Cancer. 2004 Jun 15;100(12):2613-21. PubMed PMID:
15197804.
40.
Zarogoulidis K, Boutsikou E, Zarogoulidis P, Eleftheriadou E, Kontakiotis T,
Lithoxopoulou H, et al. The impact of zoledronic acid therapy in survival of lung cancer patients
with bone metastasis. International journal of cancer Journal international du cancer. 2009 Oct
1;125(7):1705-9. PubMed PMID: 19521984.
41.
Orita Y, Sugitani I, Toda K, Manabe J, Fujimoto Y. Zoledronic acid in the treatment of
bone metastases from differentiated thyroid carcinoma. Thyroid : official journal of the American
Thyroid Association. 2011 Jan;21(1):31-5. PubMed PMID: 21058881.
42.
Orita Y, Sugitani I, Matsuura M, Ushijima M, Tsukahara K, Fujimoto Y, et al. Prognostic
factors and the therapeutic strategy for patients with bone metastasis from differentiated thyroid
carcinoma. Surgery. 2010 Mar;147(3):424-31. PubMed PMID: 20176243.
43.
Berenson JR. Therapeutic options in the management of myeloma bone disease. Seminars
in oncology. 2010 Jun;37 Suppl 1:S20-9. PubMed PMID: 20682368.
44.
Terpos E, Berenson J, Cook RJ, Lipton A, Coleman RE. Prognostic variables for survival
and skeletal complications in patients with multiple myeloma osteolytic bone disease. Leukemia :
official journal of the Leukemia Society of America, Leukemia Research Fund, UK. 2010
May;24(5):1043-9. PubMed PMID: 20376081.
49
45.
Terpos E, Dimopoulos MA. Zoledronic acid for all patients with newly diagnosed
multiple myeloma? The lancet oncology. 2011 Aug;12(8):711-2. PubMed PMID: 21771569.
46.
Morgan GJ, Child JA, Gregory WM, Szubert AJ, Cocks K, Bell SE, et al. Effects of
zoledronic acid versus clodronic acid on skeletal morbidity in patients with newly diagnosed
multiple myeloma (MRC Myeloma IX): secondary outcomes from a randomised controlled trial.
The lancet oncology. 2011 Aug;12(8):743-52. PubMed PMID: 21771568. Pubmed Central
PMCID: 3148431.
47.
Rosen LS, Gordon D, Kaminski M, Howell A, Belch A, Mackey J, et al. Zoledronic acid
versus pamidronate in the treatment of skeletal metastases in patients with breast cancer or
osteolytic lesions of multiple myeloma: a phase III, double-blind, comparative trial. Cancer
journal. 2001 Sep-Oct;7(5):377-87. PubMed PMID: 11693896.
48.
Morgan GJ, Davies FE, Gregory WM, Cocks K, Bell SE, Szubert AJ, et al. First-line
treatment with zoledronic acid as compared with clodronic acid in multiple myeloma (MRC
Myeloma IX): a randomised controlled trial. Lancet. 2010 Dec 11;376(9757):1989-99. PubMed
PMID: 21131037.
49.
Botteman MF, Meijboom M, Foley I, Stephens JM, Chen YM, Kaura S. Costeffectiveness of zoledronic acid in the prevention of skeletal-related events in patients with bone
metastases secondary to advanced renal cell carcinoma: application to France, Germany, and the
United Kingdom. The European journal of health economics : HEPAC : health economics in
prevention and care. 2011 Dec;12(6):575-88. PubMed PMID: 20809091. Pubmed Central
PMCID: 3197935.
50.
Carter JA, Joshi AD, Kaura S, Botteman MF. Pharmacoeconomics of bisphosphonates for
skeletal-related event prevention in metastatic non-breast solid tumours. PharmacoEconomics.
2012 May;30(5):373-86. PubMed PMID: 22500986.
51.
Carter JA, Joshi A, Kaura S, Botteman MF. Cost effectiveness of zoledronic acid in the
management of skeletal metastases in hormone-refractory prostate cancer patients in France,
Germany, Portugal, and the Netherlands. Journal of medical economics. 2011;14(3):288-98.
PubMed PMID: 21469915.
52.
Reed SD, Radeva JI, Glendenning GA, Saad F, Schulman KA. Cost-effectiveness of
zoledronic acid for the prevention of skeletal complications in patients with prostate cancer. The
Journal of urology. 2004 Apr;171(4):1537-42. PubMed PMID: 15017215.
53.
Joshi AD, Carter JA, Botteman MF, Kaura S. Cost-effectiveness of zoledronic acid in the
management of skeletal metastases in patients with lung cancer in France, Germany, Portugal, the
Netherlands, and the United kingdom. Clinical therapeutics. 2011 Mar;33(3):291-304 e8.
PubMed PMID: 21600384.
54.
Ribatti D, Mangialardi G, Vacca A. Stephen Paget and the 'seed and soil' theory of
metastatic dissemination. Clinical and experimental medicine. 2006 Dec;6(4):145-9. PubMed
PMID: 17191105. Epub 2006/12/28.
55.
Helen L. Neville-Webbe MG, Robert E. Coleman. Potential Anticancer Properties of
Bisphosphonates. Seminars in oncology. 2010;37:53-65.
56.
Terpos E. Zoledronic acid: a framework of emerging anticancer evidence throughout the
cancer continuum. Critical reviews in oncology/hematology. 2011 Feb;77 Suppl 1:S1-2. PubMed
PMID: 21353175.
57.
Coleman R. Adjuvant bisphosphonates in breast cancer: Are we witnessing the emergence
of a new therapeutic strategy? Eur J Cancer. 2009 22/04/2009:7.
58.
Black DM DP, Eastell R. Once-yearly zoledronic acid for treatment of postmenopausal
osteoporosis. The New England journal of medicine. 2007;356:1809-22.
50
Download