De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans

advertisement
De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans perspectief
De invasie van Nederlands-Indië
vanuit Japans perspectief
Er is een Engelse vertaling verschenen van de officieuze Japanse stafstudie naar de aanval op NederlandsIndië in 1942, en in het bijzonder naar het Japanse landoptreden. Deze vertaling is een wereldprimeur. Niet
eerder verscheen een deel uit de 102 delen tellende Senshi Sōsho reeks (letterlijk: oorlogsgeschiedenis serie)
in een westerse taal. Hoewel de studie zwijgt over discutabele kwesties en veel bronnenkritiek vergt van de
lezer heeft zij deze ook veel te bieden. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om het Japanse en Nederlandse
optreden tot op tactisch niveau te vergelijken. Offensief en verassend optreden waren de Japanse axioma’s,
grote risico’s werden niet geschuwd en in de commandovoering, die leek op de Duitse ‘auftragstaktik’, werd
veel initiatief verwacht van de lagere commandanten. Ten slotte bleek het Japanse leger in sommige
opzichten, zoals het gebruik van het luchtwapen, uiterst modern.
Prof. dr. P.M.H. Groen*
D
e Pacificoorlog is voor Nederland van grote
betekenis geweest. Het was het begin van
het einde van het Nederlandse koloniale rijk in
Zuidoost-Azië. Het was ook het begin van een
bijna tien jaar durende oorlog in en om de
Indonesische archipel, die voor veel Nederlanders en Indische Nederlanders een scheidslijn
in hun bestaan vormde.
*
1
De auteur is als senior wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Nederlands
Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Dit artikel is een bewerking van een lezing die
zij op 21 september 2015 heeft gegeven aan de Universiteit Leiden ter gelegenheid
van de presentatie van deze studie.
.J. Nortier, P. Kuijt en P.M.H. Groen, De Japanse aanval op Java, Maart 1942 (Amsterdam
1994) 9-15, 248, 249. Na 1994 zijn twee studies verschenen die het oude debat nieuw
leven proberen in te blazen: H.T. Bussemaker, Paradise in peril. Western colonial power
and Japanese expansion in South-East Asia, 1905-1941 (PhD UvA 2001); P.C. Boer, Het
verlies van Java. Een kwestie van Air Power. De eindstrijd om Nederlands-Indië van de
geallieerde lucht-, zee- en landstrijdkrachten in de periode van 18 februari t/m 7 maart
1942 (Amsterdam 2006).
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
MILITAIRE SPECTATOR
Die opeenvolgende oorlogen van Nederland, eerst
tegen Japan en vervolgens
tegen de Indonesische
Republiek, hebben in de
afgelopen decennia af en
aan in de belangstelling
gestaan. Wat betreft de
oorlog tegen Japan was
vooral de snelle nederlaag
van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
(KNIL) onderwerp van discussie onder (militair-)
historici, zoals ook de schok van de snelle
nederlaag van het Nederlandse leger in mei
1940 de gemoederen lang bezig bleef houden.1
Kon men echter in het laatstgenoemde geval
ook de Duitse bronnen raadplegen, het onderzoek naar de oorlog tegen Japan werd gefrustreerd door de taalbarrière tussen de meeste
westerse onderzoekers en de Japanse bronnen.
33
Foto W. Buijze (1995)
Groen
De voormalige officierswoning op het vliegveld Kalidjati waar op 8 en 9 maart 1942 de capitulatiebesprekingen plaatsvonden.
Het huis is nu een museum
2
3
4
34
Men moest zich behelpen met schaarse
vertalingen van Japanse studies en met de
Japanese Monographs – een serie operatieoverzichten geschreven door Japanse officieren
na de oorlog die door de Amerikaanse
historische dienst zijn vertaald en uitgegeven.2
Australië.4 Dat dit werk van 600 pagina’s
integraal kon worden uitgegeven, is te danken
aan de financiële steun van de Corts Stichting
maar vooral aan de vertaler en redacteur, dr.
Willem Remmelink, jarenlang directeur van het
Japan-Nederland Instituut in Tokyo.
In die situatie is verandering gekomen met de
publicatie vorig najaar van The Invasion of the
Dutch East Indies, de vertaling van het derde deel
uit de Senshi Sōsho reeks van 102 studies over
de Pacificoorlog.3 Daarmee heeft Nederland een
primeur, want tot nu toe zijn slechts fragmenten uit deze serie vertaald en gepubliceerd in
Hoe is deze Japanse studie nu tot stand
gekomen, wat kan de lezer en onderzoeker
verwachten, waarop moet hij/zij verdacht zijn,
wat is nu het belang van deze uitgave?
Japanese monographs zijn onder andere in te zien bij het NIMH: Collectie 508
Nederlands-Indië contra Japan (1940-1946), invnr. 168-258.
Willem Remmelink (ed.), The invasion of the Dutch East Indies. Compiled by The War
History Office of the National Defense College of Japan. Leiden University Press, 2015.
De vertaling is integraal te lezen op: https://openaccess.leidenuniv.nl/
handle/1887/35184.
Zie de website van het Australian War Memorial, waar fragmenten uit deze reeks zijn te
raadplegen die tot stand zijn gekomen in het kader van het Australia-Japan Research
Project. http://ajrp.awm.gov.au/ajrp2.nsf/Web-Pages?JapaneseOperations?
OpenDocument.
Karakter en beperkingen van de
nieuwe Japanse bron
Van 1966 tot 1980 heeft het War History Office
van het National Defence College of Japan (tegenwoordig het National Institute for Defence Studies
– de tegenhanger van het NIMH –) de Senshi
Sōsho serie samengesteld. Daarmee lijkt deze
reeks te passen in de officiële geschiedenisseries over de Tweede Wereldoorlog waartoe
veel westerse regeringen de historische
diensten van de krijgsmacht nadien opdracht
gaven. In ons land verscheen bijvoorbeeld van
MILITAIRE SPECTATOR
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans perspectief
1949 tot 1961 de zevendelige serie NederlandsIndië contra Japan, samengesteld door de
krijgsgeschiedkundige sectie van de Generale
Staf (KNIL, later KL) in opdracht van generaal
S.H. Spoor.
Echter, Senshi Sōsho is weliswaar samengesteld
door een overheidsinstantie maar de Japanse
regering heeft hiertoe geen officiële opdracht
gegeven, noch heeft zij de uitgave goedgekeurd.
De controverses in Japan over zijn rol in de
Tweede Wereldoorlog in Azië waren en zijn
daarvoor te groot. Zelfs over de naam van de
oorlog is men het niet eens.5
De voorbereidingen voor de Senshi Sōsho reeks
begonnen in 1955, toen in Japan het War
History Office werd opgericht. Tientallen
veteranen verbonden aan dat instituut
verzamelden duizenden documenten (operatieplannen, - bevelen en -verslagen, oorlogsdagboeken, naoorlogse memoires et cetera),
hielden duizenden interviews en bespraken de
bronnen en ruwe manuscripten in talloze
studiebijeenkomsten. Met dit basismateriaal
stelden 135 auteurs en onderzoekers, allen
veteranen, vanaf 1965 de reeks samen.6
Deze werkwijze heeft geresulteerd in een
andersoortige, meer hybride studie dan de
westerse lezer gewend is, althans waar het gaat
om het nu vertaalde derde deel over de invasie
van Nederlands-Indië. De lezer krijgt geen
verhalende analyse van een militaire campagne
voorgeschoteld, maar een compilatie van
primaire bronnen – originele documenten zoals
opeenvolgende operatieplannen en operatieverslagen – doorsneden en verbonden met korte
analyses van de auteur, Matsuki Hidemitsu.
Door de gevolgde werkwijze is deze studie
echter geen eenmanszaak, maar veeleer een
gezamenlijk product en een gedeelde visie van
de bij het War History Office betrokken
veteranen.7 Controversiële zaken of historische
debatten (bijvoorbeeld over de Japanse oorlogsdoelen of de rol van de keizer) worden daarbij
gemeden, het eigen optreden staat centraal en
de schaduwzijden worden niet belicht, zoals
bijvoorbeeld de executie van NederlandsJAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
MILITAIRE SPECTATOR
Indische krijgsgevangenen bij Tarakan of in
de Tjiaterpas.8 Overigens werd in de officiële
westerse oorlogsseries ook zelden aandacht
besteed aan de ‘eigen’ geweldsontsporingen.
Een andere beperking is dat in dit deel het
landoptreden centraal staat en de vlootoperaties afzonderlijk worden besproken in
een volgend, nog te vertalen deel. Bovendien
reikt deze studie niet verder dan de capitulatie
van het KNIL op 9 maart 1942, waardoor de
later die maand plaatsvindende Japanse
operaties op Midden- en Noord-Sumatra
onbehandeld blijven.
Detailstudie
Maar ondanks deze beperkingen, de officieuze
status van de Senshi Sōsho delen, de zwijgzaamheid over discutabele zaken en de
noodzakelijke bronnenkritiek, heeft dit deel,
The Invasion of the Dutch East Indies, de
westerse geïnteresseerde lezer, en zeker de
Nederlandse, veel te bieden. Het geeft een
zeer gedetailleerd beeld van de plannen en
plannenmakerij van het hoogste tot het
laagste niveau en van de operaties in de
archipel. Daardoor lijkt het alsof er een
gordijn wordt weggetrokken en er plotseling
licht valt op talloze details die tot dan toe
verborgen bleven. Voor het eerst kunnen we
nu tot in detail nagaan hoe er aan Japanse
zijde werd gedacht en gehandeld, en kunnen
we de Japanse operatieverslagen vergelijken
met de Nederlandse. Daardoor lijkt de weg
open voor een geïntegreerde analyse van de
strijd om Nederlands-Indië.
Riskante planning
Behalve de mogelijkheid van een gedetailleerde, geïntegreerde analyse tot op tactisch
niveau, biedt deze studie ook meer zicht op
algemenere karakteristieken van het Japanse
5
6
7
8
The invasion of the Dutch East Indies, xiii, xvii; S. Daito en H. Takahashi, ‘Postwar trends
and developments in the study of military history in Japan’, Mededelingen van de Sectie
Militaire Geschiedenis (nr 14-1991) 74-81 aldaar 75-76.
The invasion of the Dutch East Indies, xvii-xviii.
Ibidem, xvii-xviii, xxix.
Ibidem, xiv.
35
Foto beeldbank NIMH
Groen
Japans bombardement op de Nederlandse marinebasis te Surabaya, februari 1942
optreden. Enkele daarvan wil ik hier aanstippen. Allereerst is het frappant hoe riskant de
Japanse plannen voor de verovering van
Zuidoost-Azië eigenlijk waren. Volgens de
oorspronkelijke plannen moest dit immense
gebied in 150 dagen in twee etappes in Japanse
handen geraken.9
In de eerste fase van ruwweg een maand
moesten het 14-de en 25-ste leger respectievelijk de Filipijnen, Brits Borneo en Malakka
veroveren. Dat waren de stepping-stones om in
de tweede fase Nederlands-Indië te kunnen
veroveren. Eerst moesten de vliegvelden in
Zuid-Sumatra, Zuid-Borneo en Celebes worden
veroverd; vandaar moest luchtdominantie
9
10
11
36
Ibidem, 59.
Ibidem, 4-9, 44-48, 56-69, 76-81, 100, 155.
Ibidem, 267.
boven de Java-zee en Java worden bevochten,
daarna kon Java in naar schatting twee maanden
worden veroverd.10 Maar twee van de drie
divisies die aanvankelijk nodig werden geacht
voor de invasie van Java in de tweede fase
zouden ook al in de eerste fase worden ingezet.
Hoe snel die troepen daadwerkelijk beschikbaar
zouden komen en hoe zij er dan aan toe zouden
zijn, moest worden afgewacht.11
Een tweede riskant aspect van de planning
was dat het tempo van de operaties te land
gedicteerd werd door de snelheid waarmee de
vijandelijke vliegvelden konden worden veroverd. Luchtdominantie en luchtsteun voor de
Japanse legereenheden, vaak numeriek de
mindere, golden als een eerste vereiste in de
Japanse doctrine. Vernieling van de vliegvelden
kon dus een streep door de planning
betekenen. Ten slotte vergde het hergebruik van
eenheden ook een minutieuze logistieke voorMILITAIRE SPECTATOR
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans perspectief
bereiding of, zoals deze studie stelt: ‘The units
concerned had to move as a clockwork of gears and
cogweels’.12
Alsof dit nog niet voldoende was, werden de
risico’s aanzienlijk vergroot door de operatie
flink te versnellen. De invasie op Java,
oorspronkelijk voorzien na 103 operatiedagen,
werd eerst met ruim 30 en uiteindelijk met
20 dagen versneld.13 Deze herhaalde ingrepen
in het toch al krappe tijdschema zorgden voor
een logistieke chaos die de operatie richting
Java serieus in gevaar bracht.14
culminerend in een beslissende slag, al sinds de
eeuwwisseling de leidende principes in de
gevechtsdoctrine van het Japanse leger.19 De
term surprise attack of surprise landing komt
maar liefst 83 maal voor in deze publicatie.
12
13
14
15
16
17
18
19
Ook de verovering van de vliegvelden op Borneo
en op Zuid-Sumatra was veel te optimistisch
ingeschat. Deze waren ofwel grondig vernield of
moesten eerst met veel moeite verlengd en
bevoorraad worden. Daarom moest op 18
februari 1942 het scheepskonvooi met de
invasiemacht naar Java vertrekken zonder dat de
luchtstrijdkrachten de luchtstrijd om Java al
hadden kunnen beslissen, zoals de doctrine
voorschreef.15
Ibidem, 6.
Ibidem, 8, 9.
Ibidem, 133, 151.
Ibidem, 428, 448-450.
Ibidem, 25, 26, 59
Ibidem, 26, 42, 276, 420, 425, 456
Ibidem, 42.
E.J. Drea, Nomonhan: Japanese-Soviet tactical Combat 1939. Forth Leavenworth
Papers, jan 1981, 17-18; zie ook J.A. Drea, In the Service of the Emperor. Essays on the
Imperial Japanese Army (Lincoln 1998) 1-14.
Brandende olietanks en -raffinaderijen bij Palembang, 15 februari 1942
In deze studie wordt zeer uitvoerig stilgestaan
bij iedere verandering in het tijdschema. De
ratio erachter kan de lezer destilleren uit de
argumenten die tijdens de beraadslagingen
werden gewisseld. Het Zuidelijke Leger had er
een erezaak van gemaakt om de operaties
sneller uit te voeren dan voorzien in het
oorspronkelijke tijdschema van 150 dagen dat
aan de keizer was gepresenteerd.16 Daarnaast
wilde het voorkomen dat de geallieerden nog
tijdig versterkingen naar Zuidoost-Azië konden
sturen.17 Een dieperliggend politiek-strategisch
argument van het Algemene Keizerlijke
Hoofdkwartier was dat Japan een ‘undefeatable
position’ moest hebben ingenomen in ZuidoostAzië, mochten de geallieerden de oorlog langer
volhouden dan verwacht.18
Offensief en verrassing
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
MILITAIRE SPECTATOR
Foto beeldbank NIMH
Het tempo waarin het operatieplan voor de
verovering van Zuidoost-Azië moest worden
uitgevoerd, bracht met zich mee dat op
strategisch, operationeel en tactisch niveau veel
nadruk lag op offensief en verrassend optreden
37
Foto beeldbank NIMH
Groen
Japanse troepen brengen materieel en voorraden aan land bij Kragan, Midden-Java, maart 1942
Het ultieme voorbeeld van een dergelijk
optreden op strategisch niveau is natuurlijk de
aanval op Pearl Harbor. Het plan daarvoor
kwam overigens uit de koker van de Japanse
marine, die een herhaling van een beslissende
slag zoals die bij Tsushima in 1905 bleef
najagen.20 Ook de gelijktijdig ondernomen
aanvallen op de Filipijnen en Malakka waren
echter bedoeld om de geallieerden te verrassen
en te dwingen hun krachten te verdelen. Op
tactisch niveau moest een verrassend offensief
vorm krijgen door nachtelijke aanvallen,
aanvallen in de rug van de tegenstander en met
meerdere colonnes. 21 Een schoolvoorbeeld dat
20
21
22
23
24
38
W. March, ‘’Different shades of blue’. Interwar air power doctrine development.
Germany and Japan’, The Canadian Air Force Journal’, spring 2009, vol 2 nr. 2, 21-26.
The invasion of the Dutch East Indies, 408.
Ibidem, 174-181.
Ibidem, 82, 355: In Balikpapan waren op 18 januari de olievoorraden al in brand gestoken.
Ibidem, 272-273, 282, 333-344.
aan al deze vereisten voldeed was de aanval van
het Sakaguchi Detachment op Tarakan.22
Een noviteit voor een verrassend offensief was
de paralanding. Deze waren voorzien bij de
aanvallen op de olie-installaties en -voorraden
in Balikpapan en Palembang. Zo moesten deze
strategische doelen in Nederlands-Indië
onbeschadigd in Japanse handen vallen.23
Uiteindelijk voerde het leger alleen bij
Palembang een paralanding uit, waarbij echter
de verovering van het vliegveld prioriteit kreeg.
Dat viel onbeschadigd in Japanse handen,
evenals de grootste van de twee olieraffinaderijen. Een paar dagen later vernietigde de
geallieerde luchtmacht de functionerende
olieraffinaderij alsnog.24
De paralanding bij het vliegveld van Palembang
geeft aan hoe belangrijk de verovering van
vliegvelden werd geacht en hoezeer daarbij
verrassing was geboden om vernieling te
MILITAIRE SPECTATOR
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans perspectief
voorkomen. Bij de verovering van het vliegveld
Ledo (of Singkawang-II zoals de naam in de
Nederlandse bronnen luidt) in Midden-Borneo
mislukte dat volkomen. Pas een maand na de
landing bij Kuching in Brits Borneo veroverde
het Kawaguchi Detachment het compleet
vernielde vliegveld, dat van cruciaal belang
werd geacht voor de luchtaanvallen op
Zuid-Sumatra en West-Java.
Bijna 8100 man werkten dag in dag uit aan de
reparatie van het vliegveld en de opvoer van
voorraden, zo vermeldt deze studie. Wie die
8100 man waren, wordt overigens niet duidelijk; waarschijnlijk ging het om dwangarbeiders
uit de inheemse bevolking. Maar desondanks
bleef het vliegveld onbruikbaar tijdens de
verdere Japanse opmars.25
Daarentegen wist het Shōji Detachment, negen
uur na de nachtelijke landing op 1 maart bij
Eretan op de noordkust van Java, het belangrijke militaire vliegveld Kalidjati op West-Java te
veroveren in wat een ‘blitzkrieg-like operation’
wordt genoemd.26 Het bleek een strategische
overwinning. De Japanse luchtmacht die vanaf
2 maart vanaf Kalidjati opereerde, maakte de
dag daarna korte metten met de ‘grote tegenaanval’ die het koloniale leger ondernam.27
Daarna lag nog slechts een sterke linie, die in de
Tjiaterpas, tussen het Shōji Detachment en
Bandung, de militaire hoofdstad van Java.
werden de doelen, middelen, de hoofdlijnen
van de militaire campagne en het tijdschema
vastgesteld. Vervolgens bepaalden de commandanten top-down maar wel in nauw overleg met
elkaar hoe die doelen moesten worden gerealiseerd. Erg gedetailleerd waren de operatieplannen op de hogere niveaus echter zelden, zodat
de lagere troepencommandanten veel vrijheid
van handelen behielden.30 Verbindende
schakels in dit geheel waren de stafofficieren.
Net als in het Duitse leger moesten zij erop
toezien dat de operatieplannen pasten bij de
bedoelingen van de hogere commandanten.
Soms ontwierpen zij zelfs de operatieplannen
of leidden zij de operaties.31
Deze opdracht- of missiegerichte commandovoering, zoals we dat tegenwoordig zouden
noemen, was niet zonder problemen. Soms
bleek een commandant een opdracht niet goed
begrepen te hebben. Zo was generaal-majoor
Kawaguchi, die op Kerstdag 1941 Kuching had
veroverd, niet doordrongen van de noodzaak
om vervolgens direct op te rukken naar het
vliegveld Ledo. Het hoofdkwartier van het
Zuidelijke Leger in Saigon herinnerde hem
enkele malen geïrriteerd aan deze opdracht.
Het nam ook geen genoegen met zijn uitleg
over moessonregens, vernielde bruggen en
wegen die door kniehoge modder onbegaanbaar waren. Pas toen Kawaguchi met een
geïmproviseerde vloot van gerekwireerde
Commandovoering
De nadruk op verrassend offensief optreden
vergde van de Japanse commandanten veel
improvisatietalent en gedrevenheid. Dat werd
ook van hen verwacht. De gevechtsdoctrine
vroeg om ‘imaginative leadership and initiative’.28
Dat paste bij een wijze van commandovoering
die sterk lijkt op wat in het Pruisische en
Duitse leger bekend stond als ‘Auftragstaktik’. ‘A
command method stressing decentralized initiative
within an overall strategic design’, zoals Gunther
Rothenberg deze wijze van leidinggeven
samenvatte.29
Dat is precies wat we terugzien in de elkaar van
hoog naar laag opvolgende operatiebevelen in
deze publicatie. Op het hoogste militaire niveau
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
MILITAIRE SPECTATOR
25
26
27
28
29
30
31
Ibidem, 311, 312, 315, 451-453.
Ibidem, 193, 507-508.
Nortier, Japanse aanval op Java, 121-134.
Drea, Nomonhan, 19; Kyoichi Tachikawa, ‘General Yamashita and his style of leadership’,
in B. Bond, Kyoichi Tachikawa ed., British and Japanese military leadership in the Far
Eastern War 1941-1945 (Abingdon 2004) 78. ‘Its conduct (of larger units PG) requires
the skill to take advantage of the operational situation by especially brave and bold
decisions and manoeuvre’.
G.E. Rothenberg, ‘Moltke, Schlieffen, and the Doctrine of Strategic Envelopment’,
in P. Paret ed., Makers of Modern Strategy from Machiavelli to the Nuclear Age
(Princeton 1986) 296.
Bijvoorbeeld The invasion of the Dutch East Indies 69, 81-88, 95-98, 142-145, 155,
173-176, 198, 226-233, 237-240, 245, 259, 270-273, 282-284, 288-289, 316-319, 353,
392-393, 404-409, 434, 460-467, 538-540, 549, 551. Vergelijk Faris R. Kirkland, ‘Combat
Leadership Styles: Empowerment versus Authoritarianism’, Parameters (december
1990) 61-72 aldaar 62, 65-66.
The invasion of the Dutch East Indies, 102, 171, 194, 202, 205, 208, 240, 251, 272, 283,
345, 355, 369, 465; vergelijk Rothenberg, ‘Moltke’, 301.
39
Foto beeldbank NIMH
Groen
Japanse troepen trekken Batavia binnen, maart 1942
zeil- en motorboten koers zette naar het 400
kilometer zuidelijker gelegen Pemangkat was
Saigon tevreden.32
Bij de operaties op Java werd de greep van de
commandant van het 16-de leger, luitenantgeneraal Imamura, op zijn ondercommandanten sterk bemoeilijkt doordat bij de landing in
Bantambaai diverse schepen werden getroffen,
waarschijnlijk door ‘friendly fire’.33 Bijna alle
verbindingsmiddelen gingen verloren en
Imamura was dagenlang incommunicado. Nu
had de legercommandant al voorzien dat
vanwege de grote afstanden tussen de landingspunten en de ver uiteen gelegen aanvalsdoelen
de vier grote aanvalsgroepen nog meer autono-
32
33
34
35
36
40
The invasion of the Dutch East Indies, 197-203.
Ibidem, 471.
Ibidem, 460.
Ibidem, 549, 558-563.
Ibidem, 251.
mie moest worden gegund dan gebruikelijk.
Om al te eigenzinnig optreden te voorkomen
kregen de divisie- en detachementscommandanten relatief gedetailleerde directieven mee
en ‘dedicated staff officers’.34
Maar sommige commandanten trokken
desalniettemin hun eigen plan. Op Oost-Java
bijvoorbeeld had de divisiecommandant zijn
zinnen gezet op een beslissende slag aan de
Brantas. Zijn ondercommandant, generaalmajoor Abe, rukte met zijn troepen echter zo
snel op dat de divisiecommandant geen
beslissende slag, maar slechts achterhoedegevechten hoefde uit te vechten.35
Maar het meest treffende voorbeeld is natuurlijk de opmars van het detachement onder
leiding van kolonel Shōji. Imamura had deze
detachementscommandant notabene speciaal
geselecteerd vanwege hun speciale band en
omdat hij meende te weten dat Shōji ‘would be
of one mind with him’.36 In weerwil van
MILITAIRE SPECTATOR
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans perspectief
Imamura’s operationele directieven besloot
Shōji echter op 4 maart eigenmachtig met zijn
twee bataljons de aanval op Bandung in te
zetten. De tegenstand had tot dan toe geen
indruk op hem gemaakt en hij wilde de
successen van zijn collega-regimentscommandanten bij Palembang minstens evenaren.37
Aan het advies van de voorzichtigere
stafofficier had hij geen boodschap, te meer
niet daar de luchtmachtcommandant hem wel
wilde steunen.38
Toen Shōji een dag later generaal Imamura
informeerde over zijn opmars zag de legercommandant dit als een levensgevaarlijke afwijking
van het operatieplan. Tegenover het Zuidelijke
leger sprak hij echter van een buitenkans om
niet voor laf te worden versleten.39 Deze gang
van zaken illustreert dat de grens tussen
initiatiefrijk en roekeloos optreden flinterdun
is. De uitkomst, winst of verlies, bepaalt of
eigenmachtig optreden achteraf wordt bejubeld
of verguisd. Dit voorbeeld geeft overigens ook
het onverminderde belang aan van traditionele
martiale waarden als eer, moed en gedrevenheid in het Japanse leger.40
Ouderwets of modern?
Een laatste observatie betreft het in sommige
opzichten geavanceerde karakter van het
Japanse leger, hoewel andere historici juist
het relatief ouderwetse karakter hebben
benadrukt.41 Het Japanse leger was inderdaad
een licht infanterieleger op gymschoenen en
met fietsen, zonder zware artillerie, en met
weinig en dan nog slechts lichte tanks. Het
hield inderdaad vast aan een doctrine waarin
het offensief gecultiveerd werd, zoals in de
geallieerde legers voor de Eerste Wereldoorlog.
Maar op andere punten was het verbazingwekkend modern. Als geen andere mogendheid
zag Japan al tijdens het interbellum de waarde
en mogelijkheden van het luchtwapen, zowel
te land als ter zee. De marine ontwikkelde een
doctrine waarin de carrier centraal stond, in
plaats van het slagschip.42 De legerluchtmacht
ontwikkelde net als Duitsland een succesvolle
doctrine voor luchtdominantie en tactische
JAARGANG 185 NUMMER 1 – 2016
MILITAIRE SPECTATOR
luchtsteun bij het landoptreden. Modern was
ook de inzet van paratroepen, in navolging van
de Duitse successen in het voorjaar van 1940.43
Dat daarmee bij Palembang geen compleet
succes kon worden geboekt, maakte ook direct
duidelijk dat een paralanding weliswaar een
modern maar tevens heel lastig te hanteren en
kwetsbaar wapen was.
Een andere moderniteit was de inzet van ‘black
clandestine broadcasts’ door het Zuidelijke leger
in Saigon. Deze radio-uitzendingen van 1 tot 9
maart zorgden voor een grote hoeveelheid
desinformatie die de toch al tamelijk chaotisch
verlopende verdediging door het KNIL verder
ontregelde. Zo blijkt de verwarring over de
wapenstilstand- c.q. capitulatie-orders van het
KNIL op 8 maart te herleiden naar deze
clandestiene radio-uitzendingen.44
Tot slot
Dit laatste detail illustreert eens te meer wat de
kracht van deze imposante publicatie is: de
grote hoeveelheid gedetailleerde informatie
over militaire operaties waarover we tot nu toe
letterlijk een eenzijdig beeld hadden. Zoals
gezegd, maakt deze belangrijke bron een
gedetailleerde en geïntegreerde analyse van
gegevens van beide zijden mogelijk, zodat we
tot een evenwichtiger beeld van de strijd
kunnen komen dan tot nu toe mogelijk was.
Deze vertaling van dit deel uit de reeks Senshi
Sōsho kan daarom een belangrijke stap zijn in
de geschiedschrijving over het gezamenlijke
oorlogsverleden van Japan, Nederland en
Indonesië.
n
37
38
39
40
41
42
43
44
Ibidem, 512, 513, 516.
Ibidem, 518, 521.
Ibidem, 498-500, 502-503.
Drea, Nomonhan, 90.
Ibidem; Bussemaker, Paradise in peril, 746.
March, ’Different shades of blue’, 25-26.
The invasion of the Dutch East Indies, 23.
Ibidem, 576-585.
41
Download