DUURZAAM BODEMBEHEER IN DE NEDERLANDSE LANDBOUW

advertisement
DUURZAAM BODEMBEHEER
IN DE NEDERLANDSE
LANDBOUW
DUURZAAM BODEMBEHEER IN DE NEDERLANDSE
LANDBOUW
Visie en bouwstenen voor een kennisagenda
Hein ten Berge en Joeke Postma, redacteurs
Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR
December 2010
© 2010 Wageningen, Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO)
Alle intellectuele eigendomsrechten en auteursrechten op de inhoud van dit document
behoren uitsluitend toe aan de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO). Elke
openbaarmaking, reproductie, verspreiding en/of ongeoorloofd gebruik van de informatie
beschreven in dit document is niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming
van DLO.
Voor nadere informatie gelieve contact op te nemen met: DLO in het bijzonder
onderzoeksinstituut Plant Research International.
DLO is niet aansprakelijk voor eventuele schadelijke gevolgen die kunnen ontstaan bij gebruik
van gegevens uit deze uitgave.
In opdracht van het (toenmalig) Ministerie van LNV
Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR
Praktijkonderzoek Plant en Omgeving, onderdeel van Wageningen UR
Wageningen UR Livestock Research
Alterra, onderdeel van Wageningen UR
LEI, onderdeel van Wageningen UR
Louis Bolk Instituut
Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR
Adres
:
Postbus 616, 6700 AP Wageningen
:
Wageningen Campus, Droevendaalsesteeg 1, Wageningen
Tel.
:
0317 – 48 05 69
E-mail
:
[email protected]
Internet :
www.pri.wur.nl
Twitter
PPO_PRI
:
VOORWOORD
Een ondernemer kan op heel veel verschillende manieren de functionele eigenschappen van
de bodem beïnvloeden. Het is noodzakelijk om de bodem dusdanig te beheren dat er niet
alleen economische voordelen gehaald worden, maar dat er ook oog is voor de waarden van
de bodem voor natuur, milieu, waterhuishouding, klimaat en welzijn van de mens.
Dit rapport laat zien welke uitdagingen er nog zijn om duurzaam bodembeheer tot een succes
te maken voor ondernemers en samenleving.
Willen we in de toekomst kunnen profiteren van duurzaam bodembeheer dan is er
krachtenbundeling nodig van overheden, bedrijfsleven en onderzoek.
Dit rapport doet aanbevelingen over de benodigde kennisontwikkeling en innovaties, die met
diverse belanghebbenden gerealiseerd kunnen worden.
Ik hoop dat een ieder zich laat inspireren door de brede en gedetailleerde informatie in
dit rapport en dat het mag leiden tot gezamenlijke initiatieven in de toekomst om het
bodembeheer in de Nederlandse landbouw te verduurzamen.
Ernst van den Ende
Algemeen directeur Plant Sciences Group
VOORWOORD
3
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD
3
SAMENVATTING
7
HOOFDSTUK 1
12
Beleidscontext
Dit rapport
Referenties
Leeswijzer
HOOFDSTUK 2
Dimensies van duurzaamheid
Bodembeheer: beheerdoelen
Doelen: prioritering, ondernemer, samenleving en beleid
Doelen: conflicten en synergie
HOOFDSTUK 3
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
Keuzes, handelingen, strategieën en systemen
Waterbeheer (A)
Vruchtwisseling, groenbemesters en gewasrestenbeheer (B)
Grondbewerking en berijding (C)
Bemesting (D)
Gewasbescherming (E)
HOOFDSTUK 4
4.1
4.2
4.3
4.4
4
Wat zijn knelpunten bij duurzaam bodembeheer?
Inventarisatie van knelpunten in de Nederlandse landbouw
Verduurzaming: wie betaalt?
Visie: speerpunten met synergie
14
15
19
22
24
26
27
28
29
32
34
38
40
42
45
48
52
54
56
58
59
HOOFDSTUK 5
5.1
5.2
5.3
5.4
66
Kennisagenda en BO-programmering
Stand van zaken en benodigde acties per speerpunt
68
72
5.2.1
Beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid
73
5.2.2
Beheer van bodemstructuur
84
5.2.3
Beheer van bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid
97
5.2.4
Beheer van bovengrondse biodiversiteit
106
5.2.5
Bodembeheer in relatie tot waterhuishouding
110
5.2.6
Kosten, baten en adoptie van duurzaam bodembeheer
115
Aanpak kennisagenda
Aanbevelingen
118
124
Werkgroep
Deelnemers workshop duurzaam bodembeheer 30 maart 2010
Verwachte ontwikkelingen met grote impact op bodembeheer
Knelpunten en oplossingsrichtingen, per sector en grondsoort
Achtergrond bij gekozen speerpunten
Overzicht meerjarige veldproeven
Inventarisatie van tools voor specifieke aspecten van
bodembeheer
Ecosysteemdiensten van de bodem
130
131
132
142
167
187
BIJLAGEN
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
I
II
III
IV
VI
VII
VIII
Bijlage IX
128
I N H O U D S O P G AV E
200
201
5
6
SAMENVATTING
Wageningen UR (University & Research centre) en het Louis Bolk Instituut hebben in opdracht
van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), voorheen ministerie
van LNV, een visie opgesteld over duurzaam bodembeheer. Ook worden bouwstenen
aangedragen voor een kennisagenda. Op basis hiervan kan het beleid prioriteiten stellen voor
onderzoek en kennisdoorstroming.
Duurzaam bodembeheer in de landbouw draagt bij aan diverse dimensies van duurzaamheid:
economie (inclusief voedselvoorziening), natuur (inclusief biodiversiteit), milieu,
waterhuishouding, klimaat (adaptatie en mitigatie) en welzijn van de mens (ondernemer,
consument, burger en recreant). Om het begrip duurzaam bodembeheer concreet te
maken, zijn in dit rapport specifieke doelen die met het bodembeheer worden nagestreefd,
geformuleerd: de bodembeheerdoelen. Sommige doelen zijn gesteld vanuit het perspectief
van de ondernemer, andere hebben een bredere maatschappelijke waarde. De benoemde
doelen zijn:
t
hoge productiviteit per hectare en hoge productkwaliteit
t
lage arbeidsbehoefte
t
lage behoefte aan fossiele brandstoffen
t
hoge benutting en lage emissie en accumulatie van nutriënten, goede retentie
en nalevering van nutriënten
t
hoge weerbaarheid en dus lage behoefte aan chemische gewasbescherming
voor de bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden
t
hoog vermogen tot afbraak van verontreinigingen
t
goede waterregulering (infiltratie, interne drainage, vochtnalevering) en lage
behoefte aan beregening
t
ruime tijdvensters voor werkzaamheden (draagkracht, bewerkbaarheid)
t
bijdrage aan mitigatie van klimaatverandering (lage emissies CO 2, methaan en
lachgas; opslag van C in organische stof)
t
geen bodemdegradatie door grondverlies (wind- en watererosie), verzilting of
S A M E N VAT T I N G
7
besmetting met (quarantaine)ziekten
t
ruimte voor bovengrondse en ondergrondse biodiversiteit – óók biodiversiteit
waarvan de functie voor de landbouw onbekend is – door voedsel en habitat
te verschaffen
t
bescherming van het cultuurhistorisch patrimonium (bodemarchief,
cultuurlandschap)
t
sluiten van kringlopen
t
behoud van potentiële bodemfuncties – met name de biotische – en het
voorkómen van irreversibel functieverlies
Bodembeheer omvat – in deze notitie – alle keuzen, handelingen en maatregelen ofwel
de toolkit van de ondernemer die de bodem beïnvloeden, inclusief handelingen die daarmee
nauw verwant zijn en de directe omgeving van de bodem beïnvloeden. Denk bij dit laatste aan
toedieningstechnieken (voor herbiciden en meststoffen) die niet altijd de bodem zelf maar wel
de emissie van ongewenste stoffen beïnvloeden. Of denk aan het beheer van gewasresten
waarmee kansen voor biodiversiteit worden beïnvloed.
De toolkit van de ondernemer omvat vijf clusters voor bodembeheer: waterbeheer (A),
vruchtwisseling (B), grondbewerking en berijding (C), bemesting (D) en gewasbescherming (E).
Via keuzen en maatregelen in deze clusters kunnen ondernemers één of meerdere functionele
eigenschappen van de grond beïnvloeden, zoals begaanbaarheid en bewerkbaarheid,
ziekteweerbaarheid, opbrengstpotentie, nutriëntenbenutting en slempgevoeligheid. Vaak zal
deze beïnvloeding via een drietal bodemkenmerken verlopen:
t
organische stof en bodemvruchtbaarheid
t
structuur van de bouwvoor en ondergrond
t
bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid
Deze kenmerken zijn sterk verbonden met het gehele functioneren van de bodem.
Ondernemers en samenleving erkennen het belang van duurzaam bodembeheer, maar er
zijn diverse knelpunten die dit belemmeren. Deze notitie benoemt voor de belangrijkste
tien combinaties van grondsoorten en sectoren een aantal knelpunten en stelt ook
oplossingsrichtingen voor.
In de landbouwpraktijk zijn er vooral zorgen over:
8
t
de opbouw en handhaving van de productiviteit van de grond
t
het werken met minder gewasbeschermingsmiddelen (wettelijke beperkingen)
t
het werken met minder meststoffen (wettelijke beperkingen)
t
negatieve gevolgen van schaalvergroting: toenemende inzet van zware
machines en als gevolg daarvan aantasting van de bodemstructuur
t
de omgang met veranderde waterregimes (extremen in het weer,
aanpassingen van de waterhuishouding omwille van natuurdoelen)
Belangrijke maatschappelijke wensen zijn:
t
reductie van energiegebruik
t
reductie van het gebruik van eindige grondstoffen (bijvoorbeeld fosfaat)
t
reductie van emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen
t
terugdringing van de emissie van broeikasgassen
t
behoud en toename van biodiversiteit in de bodem en op het veld
Via een kennisagenda kunnen overheid, agrarische sector, onderzoek en andere
belanghebbenden gericht en geïntegreerd werken aan de knelpunten rondom duurzaam
bodembeheer. Veel knelpunten zijn aan te pakken door hiaten in kennis weg te nemen en door
ontwikkeling van innovaties rondom de drie bodemkenmerken. Het voorstel is dan ook om een
belangrijk deel van de kennisactiviteiten te richten op de drie overeenkomstige speerpunten:
t
beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid
t
beheer van bodemstructuur
t
beheer van bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid
Daarnaast worden drie andere speerpunten voor kennisactiviteiten benoemd die minder
strikt op bodemkwaliteit gericht zijn, maar evengoed van belang zijn voor een duurzaam
bodembeheer:
t
beheer van bovengrondse biodiversiteit
t
bodembeheer in relatie tot waterhuishouding
t
kosten, baten en adoptie van duurzaam bodembeheer
Voor elk speerpunt wordt een groot aantal suggesties gedaan voor innovatieopgaven en
onderzoek om kennishiaten weg te werken.
Door de innige samenhang tussen bodemeigenschappen en -processen bestaan er tussen
S A M E N VAT T I N G
9
de speerpunten veel raakvlakken en overlap. Daarnaast is er vaak sprake van een sterke
samenhang tussen maatregelen. Zo heeft minder grondbewerking grote consequenties
voor de mogelijkheden van onkruidbeheersing of structuurherstel. Om genoemde redenen
is het zinvol om een deel van de activiteiten voor de beoogde kennisagenda te groeperen
in systeemonderzoek, waarbij maatregelen in onderlinge samenhang ontwikkeld worden.
Daarnaast is het belangrijk voldoende ruimte te blijven reserveren voor thematisch onderzoek,
zowel toegepast als fundamenteel, en voor de kennisverspreiding naar de praktijk.
In deze notitie is bewust geen onderscheid gemaakt tussen de aanpak voor de gangbare en
biologische landbouw. De doelen, processen en bodemeigenschappen van beide systemen
komen immers in grote mate overeen. Bovendien kan door de verschillende benaderingswijzen
in de biologische en gangbare landbouw een breder palet aan oplossingsrichtingen ontstaan.
Met een dergelijke gezamenlijke aanpak kan de kennisontwikkeling sneller gaan en kan de
kennisbenutting groter zijn.
De uitdaging voor overheid, sector en maatschappelijke organisaties is om onder meer op
basis van deze notitie gezamenlijk de knelpunten te prioriteren en op basis daarvan een
kennisagenda te benoemen. Wanneer nieuwe kennis wordt geïntegreerd tot samenhangende
strategieën voor bodembeheer zullen onderzoeksresultaten sneller hun weg vinden in de
praktijk met voordelen voor zowel de ondernemer als de samenleving.
10
S A M E N VAT T I N G
11
12
1
INLEIDING EN
LEESWIJZER
De laatste jaren komt zowel in Nederland als op Europees niveau het
begrip duurzaam bodemgebruik steeds sterker als beleidsthema voor
de landbouw naar voren. Duurzaam bodembeheer bestaat uit een
complex geheel van deelthema’s en vele doelen die deels met elkaar
conflicteren. Wat goed is om het ene doel te bereiken, kan averechts uitwerken
op een ander doel. Deze notitie benoemt de doelen van duurzaam bodembeheer,
het arsenaal aan maatregelen dat agrarische ondernemers tot hun beschikking
hebben (toolkit), de knelpunten die een duurzaam bodembeheer in de weg staan
en de speerpunten voor onderzoek en beleid. Tot slot worden de belangrijkste
kennisvragen en innovatieopgaven voor de komende jaren opgesomd. Ze vormen
bouwstenen voor een kennisagenda gericht op transitie naar een duurzamer
bodembeheer.
BELEIDSCONTEXT
Verduurzaming van de landbouwproductie is een belangrijke beleidsprioriteit. De ontwikkeling
van ondersteunende kennis wordt daarbij als onontbeerlijk beschouwd. De contouren van
het nieuwe thema Verduurzaming Plantaardige Productieketen omschreef het toenmalige
ministerie van LNV dan ook als volgt (LNV-offerteverzoek aan Wageningen UR, augustus
2009): ‘Verduurzaming van de plantaardige productie door innovatie is een belangrijke
beleidsprioriteit van de minister. Beleid daarvoor is neergelegd in diverse nota’s en richtlijnen,
zoals Kiezen voor Landbouw, Nota Duurzame Gewasbescherming, 4e Actieprogramma
Nitraatrichtlijn en Implementatie Kaderrichtlijn Water, Energie, Klimaat en Bodem. Ook
ziet de minister voor duurzame landbouw een belangrijke trekkersrol voor een duurzame
wereldvoedselproductie.’
Op nationaal niveau maakt duurzaam bodemgebruik in de landbouw onderdeel uit van
de vernieuwing en verbreding van het bodembeleid, zoals is ingezet met de Beleidsbrief
Bodem (TK, 2003). Hierin staat dat het kabinet duurzaam bodemgebruik in de landbouw wil
bevorderen. Op 10 juni 2008 is het convenant ‘Schone en Zuinige Agrosectoren’ afgesloten.
Daarin heeft de rijksoverheid met de partijen in de agrosectoren afspraken gemaakt over
14
HOOFD
STUK
1
energiebesparing, reductie van broeikasgasemissies en gebruik en productie van duurzame
energie. Verder heeft het beleid rond het thema bodem natuurlijk veel raakvlakken met
de Ecologische Hoofdstructuur, het klimaatbeleid rond waterbeheer, het beleid voor
biodiversiteit, het fytosanitair beleid en mestbeleid. Deels is dit nationale beleid autonoom,
deels hangt het samen met Europese overeenkomsten en voornemens. Tenslotte heeft
Nederland ook sterk ingezet op stimulering van de biologische landbouw, en langs die weg
tevens het belang van duurzaam bodembeheer bevestigd.
De EU-Bodemstrategie (COM(2006)231) en het daarin opgenomen voorstel tot een
Kaderrichtlijn Bodem (COM(2006)232) stellen bodemdegradatie aan de orde, en roepen op
tot beleid om bedreigingen als erosie, bodemverontreiniging, verdichting, afname van het
gehalte aan organische stof en biodiversiteit te voorkomen of te beperken. Minder exclusief
op de bodem gericht, maar evenzeer van belang voor nationaal beleid rond bodembeheer zijn
de volgende Europese (kader)richtlijnen: Nitraatrichtlijn (91/676/EEC), IPPC Richtlijn (96/61/
EC), Kaderrichtlijn Water (200/60/EC), NEC Richtlijn (2001/81/EC), Habitat Richtlijn (92/43/
EEC) en Vogelrichtlijn (79/409/EEC). Verder zal ook de nieuwe EU Kaderrichtlijn Duurzaam
Gebruik van Pesticiden COM(2006)373 van invloed zijn op het Nederlands beleid.
DIT RAPPORT
Een visie is een weinig gebruikelijke rapportagevorm in de onderzoekswereld. Het laat
weliswaar veel vrijheid rond de afbakening en presentatie van de studie, maar verplicht
daarmee ook tot zelf keuzen maken. Mogelijk is dat juist de reden waarom de opdrachtgever
om deze vorm heeft gevraagd. De vele thema’s verbonden met duurzaam bodembeheer
maken dit onderwerp immers dermate complex, dat fragmentatie – zowel in beleid als
onderzoek – op de loer ligt, en er dus behoefte ontstaat aan een samenbindend en
richtinggevend overzicht. Een tweede probleem is de vele conflicten tussen doelen van
bodembeheer. Wat goed is om het ene doel te bereiken, kan juist averechts werken op
een ander doel. Zo zorgt een groenbemester voor organische stof en het vasthouden van
mineralen, maar kunnen in bepaalde situaties ook plantparasitaire nematoden vermeerderd
worden.
Als antwoord op deze twee problemen – thematische fragmentatie, conflicten tussen doelen
– is gezocht naar manieren om thematische lijnen in zowel beleid als onderzoek te integreren,
INLEIDING EN LEESWIJZER
15
teneinde de verduurzaming van bodembeheer in de praktijk beter te kunnen ondersteunen.
Die integratie vereist het expliciet maken van de doelen van duurzaam bodembeheer en
het prioriteren van wegen om die te bereiken. Dit lost echter niet de onverenigbaarheid van
sommige doelen op: in de landbouwpraktijk blijft elke beheerstrategie een uitkomst van
keuzen, waarbij voor agrarisch ondernemers sommige doelen zwaarder wegen dan andere.
Deze notitie levert bouwstenen voor een door EL&I te ontwikkelen kennisagenda. Toch is de
notitie geen literatuurreview. Een omvattende review over de vakgebieden die een rol spelen
in bodembeheer, vereist een grote en diepgaande studie. Deze notitie brengt inzichten,
ervaringen en verwachtingen bijeen van een divers samengestelde groep onderzoekers
(bijlage I). Het resultaat is selectief en subjectief, maar de keuzes zijn weloverwogen en
beargumenteerd gemaakt.
Centraal in deze notitie staat het bodemgebruik door
de landbouw: melkveehouderij en diverse sectoren van
de open teelten: akkerbouw, vollegrondsgroenteteelt,
fruitteelt, en bollen- en boomteelt. Het gaat dus om
bodembeheer in de context van bedrijfsvoering als
economische activiteit. Het hoofddoel van agrarische
ondernemers daarbij is een rendabele ontwikkeling
en behoud op langere termijn van een gezonde
en productieve bodem. De nadruk op landbouw
onderscheidt deze studie van sommige eerdere studies
naar duurzaam bodembeheer. Door deze nadruk is het
handelingsperspectief van de agrarisch ondernemer als leidraad gekozen: hoe kan hij door
keuzen en handelingen de bodem duurzamer beheren? Door de oriëntatie op landbouw als
economische activiteit ligt er een relatief sterke nadruk op het spanningsveld tussen productie
en economie enerzijds en overige maatschappelijke wensen rond duurzaamheid anderzijds,
waaronder het vervullen van ecosysteemdiensten door de bodem.
Deze notitie beoogt ook bij te dragen aan meer verbinding tussen kennisontwikkeling en
-benutting in de biologische en gangbare landbouw. De biologische landbouw, waar het
16
HOOFD
STUK
1
arsenaal aan corrigerende ingrepen van oudsher beperkt is, besteedt altijd al veel aandacht
aan de kwaliteit van de bodem om gezonde gewassen en goede opbrengsten te krijgen.
De laatste decennia – zeker sinds de regulering van natte grondontsmetting in 1989 – is
er óók in de gangbare landbouw volop aandacht voor bodemgezondheid. Biologische en
gangbare voorlopers pionieren elk binnen hun eigen mogelijkheden aan het behoud en de
verbetering van de bodemkwaliteit. In beide sectoren zijn de laatste jaren veel ontwikkelingen,
die deels teruggrijpen op ouder onderzoek. Zo heeft de biologische landbouw aandacht voor
rijpadensystemen (controlled traffic) en voor niet-kerende grondbewerking, systemen die in de
jaren ’70 eerst in gangbare context ontwikkeld zijn maar destijds niet door de brede praktijk
zijn opgepakt. De hernieuwde aandacht breidt zich nu ook uit naar gangbaar. Ook in de
resistentieveredeling, voor beide landbouwsystemen van levensbelang, is er nu voortdurend
uitwisseling van kennis.
Ook al hebben de biologische en gangbare landbouw verschillende posities, ze worden in
deze notitie niet steeds apart behandeld. In een geïntegreerde kennisagenda is er plaats voor
beide systemen en ruimte voor veel kruisbestuiving. Een groot deel van de bodemprocessen
en -relaties verloopt immers gelijk, al verschilt het belang van de knelpunten en de
beschikbaarheid van oplossingsrichtingen. Overigens verschillen bedrijven op verschillende
grondsoorten, sectoren en bedrijfstypen binnen gangbaar of biologisch óók heel sterk.
Dit is niet de eerste studie over duurzaam bodemgebruik, noch de eerste die als doel
heeft een basis te leggen voor de programmering van onderzoek. Eerdere studies waren
vaak breder van opzet en/of voor andere toepassingen geschreven, maar leverden wel
veel aanknopingspunten en inzichten. Naar enkele van deze nauw verwante studies wordt
verwezen: bijlage IX toont enkele belangrijke overzichten uit die documentatie.
Bij de indeling van deze notitie (zie ook leeswijzer) is ervoor gekozen om vooral aspecten met
een integrerend karakter te belichten. Hierdoor is veel – evenzeer relevant – materiaal in de
bijlagen terecht gekomen.
Duurzaamheid heeft veel dimensies. Om zicht te krijgen op de maatschappelijke wensen
en doelen rond verduurzaming en verwachtingen over ontwikkelingen in Nederland die van
invloed zijn op landgebruik en bodembeheer, ging deze studie van start met een workshop
INLEIDING EN LEESWIJZER
17
met stakeholders. Zij vertegenwoordigden een groot aantal maatschappelijke organisaties
(30 maart 2010, deelnemers zie bijlage II). De uitkomsten zijn samengevat in bijlage III. De
resultaten werden vervolgens gebruikt als startpunt voor de verdere uitwerking van deze
studie. De eerste stap daarbij was het ordenen van de vele wensen rond duurzaamheid tot een
hanteerbare en dus beknopte set van duurzaamheidwensen, toegesneden op bodemgebruik in
de landbouw (hoofdstuk 2). Deze wensen worden aangeduid als beheerdoelen.
We richten ons hier op het bereiken van die
beheerdoelen via bodembeheer. Hoewel de
genoemde doelen vrijwel zonder uitzondering
steeds wensen van de brede samenleving
zijn, verloopt het bereiken daarvan wel via de
agrarisch ondernemers. De afwegingen en de
daaruit voortvloeiende keuzes en maatregelen
vormen samen hun beheerstrategie. Het
faciliteren van verduurzaming dient zich daarom
te richten op ondersteuning van de ondernemers
bij het maken van afwegingen (kennis) en op
verbreding van het palet aan duurzame maatregelen die ze kunnen nemen (innovatie).
Om het opstellen van een samenhangende en afgebakende kennisagenda mogelijk te maken,
is het van belang eerst duidelijk te definiëren wat we verstaan onder duurzaam bodembeheer
en uit welke elementen dat bestaat. En hoe ziet de toolkit van de ondernemer eruit, welke
acties kan hij ondernemen en met welke bedoeling hij die zou uitvoeren? Welke acties
rekenen we tot bodembeheer, welke niet? Met andere woorden: aan welke knoppen kan de
ondernemer eigenlijk draaien om het beheer te verduurzamen? Hoofdstuk 3 gaat op deze
vragen in.
Hoofdstuk 4 met bijlagen geeft een overzicht van de knelpunten die een duurzaam
bodembeheer in de weg staan. Het gaat hier veelal om conflicten tussen economie en
de andere dimensies van duurzaamheid (natuur, klimaat et cetera), maar er kunnen ook
conflicten zijn tussen bijvoorbeeld milieu en klimaat, natuur en milieu. De opsomming van
18
HOOFD
STUK
1
knelpunten is ingedeeld naar sectoren en grondsoorten. Dit hoofdstuk gaat tevens in op
verwachte ontwikkelingen en de wijze waarop die bestaande knelpunten versterken of nieuwe
kunnen oproepen. De knelpunten werden door de werkgroep geïnventariseerd op grond van
de expertise in betrokken kennisinstellingen, aanvullend op hetgeen de stakeholders in de
workshop naar voren hebben gebracht.
De knelpunten bepalen in belangrijke mate de te ontwikkelen strategieën voor een duurzamer
bodembeheer. En dus ook welke beschikbare en te ontwikkelen kennis en technologie nodig
zijn om deze knelpunten op te lossen, te reduceren of te omzeilen. Hoofdstuk 4 benoemt
een zestal speerpunten voor de ontwikkeling en verspreiding van kennis en innovatie. De
eerste drie zijn geselecteerd omdat de werkgroep verwacht dat door verbetering van de
drie centrale bodemkenmerken – organische stof en bodemvruchtbaarheid, structuur van
de bouwvoor en ondergrond, bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid – vele knelpunten
tegelijk zijn aan te pakken; de drie andere speerpunten zijn benoemd om resterende
belangrijke knelpunten aan te pakken. Nieuwe kennis en innovaties op deze speerpunten
is onmisbaar. Alleen dan is over de volle breedte van de Nederlandse landbouw tot een
duurzamer beheer van de bodem te komen. Hoofdstuk 4 laat ook zien hoe het werk aan
de gekozen speerpunten bijdraagt aan het wegnemen van knelpunten en welke doelen met
betrekking tot duurzaamheid daarmee gediend zijn.
Hoofdstuk 5 draagt bouwstenen aan voor een kennisagenda. Per speerpunt zijn de
belangrijkste kennisvragen en innovatieopgaven benoemd, tegen de achtergrond van de
huidige stand van kennis en techniek. De werkgroep heeft zich laten leiden door bestaande
en verwachte knelpunten die het bereiken van duurzaam beheer in de weg staan. Bij de
selectie van speerpunten en kennisvragen is geen rekening gehouden met de bestaande
programmatische structuur van het door EL&I-gefinancierde onderzoek. Daarmee raakt deze
notitie soms ook aan thema’s of programma’s buiten het BO-programma waarvoor deze studie
is uitgevoerd (Verduurzaming Plantaardige Productieketens, BO-12.03).
REFERENTIES
ɏDe bodem als partner in duurzame ontwikkeling. Een onderzoekagenda voor de toekomst.
INLEIDING EN LEESWIJZER
19
Dutch Soil Platform, dec. 2008. 32 pp.
ɏFaber J.H., G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, J. Bloem, J. Lahr, W.H. Diemont en L.C. Braat,
2009. Ecosysteemdiensten en bodembeheer: maatregelen ter verbetering van biologische
bodemkwaliteit. Alterra Rapport 1813. ISSN 1566-7197. 150 pp.
ɏRutgers M., C. Mulder en A.J. Schouten (Eds.), 2007. Typeringen van bodemecosystemen
in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit. RIVM Rapport
607604008/2007. 96 pp.
ɏRutgers M., C. Mulder, A.J. Schouten, J.J. Bogte, A.M. Breure, J. Bloem, G.A.J.M. Jagers
op Akkerhuis, J.H. Faber, N. van Eekeren, F.W. Smeding, H. Keiderl, R.G.M. de Goede en
L. Brussaard, 2005. Typeringen van bodemecosystemen. Duurzaam bodemgebruik met
referenties voor biologische bodemkwaliteit. RIVM Rapport 607604007/2005. 105 pp.
ɏDuurzaam bodemgebruik in de landbouw. Een beoordeling van agrarisch landgebruik
in Nederland. VROM, LNV, SenterNovem Bodem+, in opdracht van Stuurgroep Bodem, in
het kader van het uitvoeringsprogramma Beleidsbrief Bodem. Den Haag 2006. 50 pp. Met
bijlagen.
ɏSmit A. en K.B Zwart, 2008. Duurzaam Bodemgebruik, inzichten en aanbevelingen. Alterra
Rapport 1544.2. 40 pp.
ɏDam A.M. van, H.C. de Boer, M. de Beuze, A. van der Klooster, L.J.M. Kater, W. van Geel en
P. van der Steeg, 2006. Duurzaam bodemgebruik in de landbouw, advies uit de praktijk. PPO
nr. 340101. 67 pp.
ɏSmit A., I. Lubbers, K.B. Zwart en D. Brunt, 2007. Duurzaamheidsanalyse van
bodemgebruik in natuurgebieden. Alterra Rapport 1626. 120 pp.
ɏReubens B., K. D’Haene, T. D’Hose en G. Ruysschaert, 2010. Bodemkwaliteit en landbouw:
een literatuurstudie. Het Interreg project “BodemBreed”, www.bodembreed.eu
20
HOOFD
STUK
1
INLEIDING EN LEESWIJZER
21
LEESWIJZER
Dimensies van duurzaamheid, te bedienen
via bodembeheer
(economie, milieu, water, natuur, klimaat, mens)
Bodembeheersdoelen
HOOFDSTUK 2
TABEL 1.1
Door realisatie van deze doelen draagt
bodembeheer bij aan dimensies van
duurzaamheid
Bodembeheer
De combinatie van alle maatregelen
(= keuzes en handelingen) met betrekking
tot bodem; alle mogelijke maatregelen
samen vormen de ‘toolkit’ van de
ondernemer. Er zijn vele combinaties
(strategieën) mogelijk. De keuze van
strategie bepaalt mate waarin respectievelijke bodembeheerdoelen worden bediend.
HOOFDSTUK 3
CLUSTERS A T/M E
FIGUUR 3.1
Zie figuur 3.1 voor relaties tussen
bodembeheer, bodemeigenschappen en
bodemfuncties.
Knelpunten
HOOFDSTUK 4
BIJLAGEN 3,4,5
HOOFDSTUK 5
Stand van zaken, kennisvragen en
inovatieopgaven per speerpunt
22
Dit zijn conflicten tussen bodembeheerdoelen (en tussen dimensies van
duurzaamheid); deze staan het gelijktijdig
bereiken van meerdere doelen in de weg
Voorstel speerpunten door kennis en innovatie op
deze punten worden knelpunten aangepakt en wordt
duurzamer bodembeheer mogelijk.
Bouwstenen voor een
kennisagenda
HOOFD
STUK
1
per grondsoort-sector
beheer van organische stof en
bodemvruchtbaarheid
beheer van bodemstructuur
beheer van bodembiodivesiteit en
bodemweerbaarheid
beheer van bovengrondse biodiversiteit
bodembeheer in relatie tot
waterhuishouding
kosten, baten en adoptie van duurzaam
beheer
INLEIDING EN LEESWIJZER
23
24
HOOFD
STUK
2
2
DUURZAAM
BODEMBEHEER:
WENSEN EN DOELEN
Het uitgangspunt van een duurzame gewasproductie is een bodem die
in fysisch, chemisch en biologisch opzicht goed functioneert, nu en in de
toekomst. Zo’n bodem is de basis voor een robuust b odem-gewassysteem
dat perioden van extremen (hitte, wateroverlast, droogte) kan overbruggen,
dat een beperkte behoefte heeft aan inputs (meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen),
dat ongewenste stoffen kan afbreken en dit alles bij een blijvend voldoende hoog niveau
van productie per hectare. Het ontwikkelen en onderhouden van zo’n gezonde bodem is
het primaire doel van duurzaam bodembeheer in de landbouw. Daarnaast zijn er doelen
vanuit de bredere samenleving. Echter ook die doelen kunnen veelal slechts via de agrarisch
ondernemer bereikt worden. Dit hoofdstuk stelt een lijst beheerdoelen voor om het begrip
‘duurzaam bodembeheer’ concreet te maken. Beheerdoelen kunnen conflicteren, maar er zijn
ook kansen om met gericht beheer meerdere doelen tegelijk te bedienen.
DIMENSIES VAN DUURZAAMHEID
Duurzaamheid als concept kent vele interpretaties. Als leidraad kan een breed
geaccepteerde definitie dienen, in 1983 verwoord door de VN World Commission on
Environment and Development (WCED) 1:
‘Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige
generatie, zonder het vermogen aan te tasten van toekomstige generaties om in hun
eigen behoeften te voorzien.’
De maatschappelijke wens tot duurzaam bodembeheer heeft zeker niet alleen
betrekking op duurzame gewasproductie, maar ook op de implicaties die de wijze
van beheer heeft op de breder maatschappelijke dimensies van duurzaamheid. De
werkgroep onderscheidt als uitwerking van het veelgebruikte ppp-drieluik (people,
planet, profit) de volgende dimensies:
t
1
economie (productie, kosten, werkgelegenheid en inkomen voor ondernemer
Veelal aangeduid als de Brundtland-definitie naar de Noorse Gro Harlem Brundtland die de commissie
voorzat.
26
HOOFD
STUK
2
en ketenpartijen)
t
milieu (beperking van ongewenste stoffen in bodem, water, atmosfeer)
t
mitigatie van klimaatverandering (reductie van broeikasgassen en opslag van
koolstof)
t
klimaatadaptatie: aanpassing van de landbouw aan een veranderend klimaat
t
water (regionale waterhuishouding: waterberging, infiltratie, afvoer,
beschikbaarheid)
t
natuur (biodiversiteit in landbouwgebieden en in omliggende beschermde
biotopen, landschappelijke waarden)
t
mens (welzijn van de mens voor zover niet reeds vervat in voorgaande
dimensies. Dit omvat voedselzekerheid en voedselkwaliteit tegen een
redelijke prijs voor consument, omgevingskwaliteit en beleving voor de
recreant, gezondheid, werkomgeving, tijdsbeslag voor de ondernemer en
bodem als cultuurhistorisch archief)
BODEMBEHEER: BEHEERDOELEN
Bodembeheer in deze studie is het geheel van
keuzes die een agrarisch ondernemer maakt en de
daarmee samenhangende handelingen waarmee
hij, gewild of ongewild, de bodemeigenschappen
of bodemfuncties beïnvloedt. Daarnaast gaat het
óók om handelingen die nauw met de bodem of de
directe omgeving verbonden zijn (zoals het gebruik
van herbiciden).
Duurzaam bodembeheer is een geconstrueerd
ideaal, een streefbeeld dat nooit volledig bereikt
kan worden. Zelfs de efficiëntste systemen produceren immers ongewenste
emissies en verbruiken eindige grondstoffen. Om het begrip duurzaam bodembeheer
hanteerbaar te maken, is een lijst van concrete beheerdoelen opgesteld, die bij
verduurzaming nagestreefd zouden moeten worden (tabel 2.1). De tabel geeft aan
met welke dimensies van duurzaamheid de beheerdoelen verbonden zijn en in welke
zin ze dus bijdragen aan verduurzaming van de landbouw.
BODEMBEHEER: DOELEN EN WENSEN
27
Met beheerdoelen worden zowel wensen als doelen aangeduid. Wat de één ziet als
wens van de samenleving, ziet de ander als doel voor de ondernemer of omgekeerd.
De lijst van beheerdoelen is samengesteld op grond van een inventarisatie,
uitgevoerd met een breed samengestelde groep stakeholders rond bodembeheer in
Nederland. Het door hen bijeengebrachte materiaal heeft de werkgroep bewerkt tot
de indeling in tabel 2.1. Daarbij is gestreefd naar:
t
reductie en bundeling tot nevengeschikte doelen. Het ene doel staat dus niet
ten dienste van het andere; ze moeten allemaal in voldoende mate worden
bediend. Natuurlijk is elk doel ook weer een middel om hogere doelen te
bereiken; die zijn hier niet benoemd.
t
benoeming van doelen op een zo laag mogelijk niveau, zodat ze nog
herkenbaar verbonden zijn met bodem en bodembeheer.
Bij de formulering van de beheerdoelen is zekere aggregatie geaccepteerd
van ongelijksoortige begrippen zoals middelengebruik, bodemfuncties en
bodemeigenschappen die de functies ondersteunen. Sommige beheerdoelen
hebben vooral betrekking op het zuinig gebruik of totale vermijding van bepaalde
productiemiddelen (arbeid, areaal, brandstof, gewasbeschermingsmiddelen,
meststoffen), terwijl andere gericht zijn op behoud of stimulering van bepaalde
bodemfuncties, die op hun beurt soms de efficiënte benutting of vermijding van
inputs ten dienste staan. Een meer strikte scheiding van ongelijksoortige maar nauw
verbonden begrippen zou tot een lange opsomming met veel duplicering hebben
geleid (zie ook hoofdstuk 3 voor de samenhang tussen genoemde begrippen).
DOELEN: PRIORITERING, ONDERNEMER, SAMENLEVING EN BELEID
Er is geen prioritering in de doelen aangebracht, want die hangt sterk af van het
standpunt van de beschouwer. Daar komt bij dat elk doel – of beter: de mate waarin
het doel bereikt wordt – zijn eigen maatstaf kent. Prestaties van de verschillende
doelen zijn dus moeilijk tegen elkaar af te wegen. Evenmin is onderscheid gemaakt
tussen private doelen van de ondernemer en doelen gesteld door de samenleving.
Van de doelen in tabel 2.1 dienen sommige meer het private belang van de
ondernemer en andere meer het algemene belang van de samenleving, zoals dat
28
HOOFD
STUK
2
aan de orde komt in diverse beleidsnota’s. Sommige doelen zijn van belang voor
zowel ondernemer als samenleving; via wetgeving wordt die koppeling overigens
vaak ook afgedwongen. Hoe dan ook, de uiteenlopende doelen zullen meestal wel
bereikt moeten worden via de ondernemer. Wetgeving mag daarbij voorwaarden
stellen, maar de uitvoering moet wel biofysisch, technisch en economisch mogelijk
zijn. Bij de behandeling van knelpunten in hoofdstuk 4 zullen we dezelfde twee
zijden van de medaille tegenkomen. Zo kunnen respectievelijk de belasting van het
oppervlaktewater met nutriënten en opbrengstderving door krappe gebruiksnormen
als twee aparte knelpunten worden benoemd, maar het zijn twee kanten van
één probleem. De werkgroep heeft geprobeerd opsommingen te bekorten door
dergelijke verdubbelingen te vermijden.
DOELEN: CONFLICTEN EN SYNERGIE
Hoewel de doelen in tabel 2.1 onderling niet principieel strijdig hoeven te zijn,
zullen er vaak conflicten ontstaan, zodra bodembeheer concreet gemaakt wordt
in een gekozen beheerstrategie. De strategie zal vaak bijdragen aan een aantal
beheerdoelen, maar op andere punten (beheerdoelen) juist slecht scoren (zie
hoofdstukken 3 en 4).
Voor de kennisagenda betekent dit dat aandacht nodig is voor het identificeren van
dergelijke conflicten. Minstens zo belangrijk zijn kansen voor synergie: waar met
gericht beheer meerdere doelen tegelijk bediend kunnen worden. Vooruitlopend
op hoofdstuk 4 noemen we daarom hier reeds drie centrale bodemkenmerken
die zich bij uitstek lenen voor het benutten van synergie: bodemstructuur,
bodembiodiversiteit en organische stof (gehalte, type, verdeling, aanvoer). Ze
worden beschouwd als de sleutels ter verduurzaming van het bodembeheer, want
ze vormen de schakels (zie figuur 3.1) tussen enerzijds keuzes en handelingen
(het handelingsrepertoire van de ondernemer) en anderzijds het goed functioneren
van de bodem (al wat nodig is om beheerdoelen van ondernemer en maatschappij
te bereiken). Juist omdat ze ten dienste staan van die doelen, zijn deze drie
bodemkenmerken hier (tabel 2.1) niet als beheerdoelen opgenomen, hoewel ze daar
op allerlei manieren nauw mee verbonden zijn. Deze bodemkenmerken komen terug
in de speerpunten voor een kennisagenda (hoofdstukken 4 en 5).
BODEMBEHEER: DOELEN EN WENSEN
29
DIMENSIES VAN DUURZAAMHEID
KL
TM
AA
D
TA
AA
IM
IM
KL
EC
M
1. Hoge productiviteit per ha,
hoge productkwaliteit
2. Lage arbeidsbehoefte
3. Lage behoefte aan fossiele
brandstoffen
4. Hoge benutting en lage
emissie en accumulatie van
nutriënten, goede retentie en
nalevering van nutriënten
5. Weerbaarheid: lage behoefte
aan chemische gewasbescherming (ziekten, plagen, onkruiden)
6. Hoog vermogen tot afbraak
van verontreinigingen
7. Goede waterregulering
(infiltratie, interne drainage,
vochtnalevering) en lage behoefte
aan beregening
Tabel 2.1 Wensen en doelen van ondernemers en de samenleving voor een duurzaam bodembeheer
(beheerdoelen) en hun bijdragen aan dimensies van duurzaamheid.
30
HOOFD
STUK
2
S
R
UR
EN
TU
NA
E
AT
E
W
TI
TA
U
E
IE
IE
I
AT
IL
OM
IG
AP
IT
M
ON
Beheerdoel
KL
TM
AA
D
TA
AA
IM
IM
KL
EC
M
S
R
UR
EN
TU
NA
E
AT
E
W
TI
TA
U
E
IE
IE
I
AT
IL
OM
IG
AP
IT
M
ON
Beheerdoel
8. Ruime tijdvensters voor
werkzaamheden (draagkracht,
bewerkbaarheid)
9. Bijdrage aan mitigatie
broeikasgassen (lage emissies
CO2, methaan en lachgas, opslag
van C in organische stof)
10. Geen degradatie door
grondverlies (wind- en
watererosie), verzilting of besmetting met (quarantaine)ziekten
11. Ruimte voor bovengrondse en
ondergrondse biodiversiteit (óók
niet-functionele) door voedsel en
habitat te verschaffen
12. Bescherming van
cultuurhistorisch patrimonium
(bodemarchief, elementen
cultuurlandschap)
13. Sluiten van kringlopen
14. Behoud van potentiële
bodemfuncties, met name
biotische (voorkómen van
irreversibel functieverlies)
Geen bijdrage
Bijdrage
BODEMBEHEER: DOELEN EN WENSEN
31
32
3
BODEMBEHEER:
DE TOOLKIT VAN
DE ONDERNEMER
Bodembeheer omvat alle keuzen, handelingen en maatregelen die de agrarisch
ondernemer voor zijn bodem neemt. Wanneer hij het beheer gericht samenstelt
en optimaliseert om bepaalde doelen na te streven, zoals een hoge productie
of lage behoefte aan fossiele brandstoffen, noemen we dat een strategie. En
er is sprake van een systeem als er een sterke noodzakelijke samenhang bestaat tussen
de uit te voeren maatregelen. Voor deze notitie zijn de keuzen, handelingen en maatregelen
als volgt geclusterd: waterbeheer; vruchtwisseling, groenbemesters en gewasrestenbeheer;
grondbewerking en berijding; bemesting; en gewasbescherming. In dit hoofdstuk worden de
clusters behandeld. Figuur 3.1 laat de samenhang zien tussen het gevoerde beheer en een
aantal bodemfuncties die daarmee beïnvloed worden, zoals bijvoorbeeld bewortelbaarheid en
berijdbaarheid. Het effect van bodembeheer op de bodemfuncties verloopt veelal via enkele
samengestelde bodemkenmerken: 1. organische stof en bodemvruchtbaarheid,
2. bodembiodiversiteit en biomassa en 3. structuur van de bouwvoor en ondergrond.
3.1 KEUZES, HANDELINGEN, STRATEGIEËN EN
SYSTEMEN
Bodembeheer door de ondernemer is uiteindelijk niet meer of minder dan een set van keuzes
en handelingen of maatregelen. Wanneer hij die set gericht samenstelt en optimaliseert om
bepaalde doelen na te streven, noemen we dat geheel een strategie en een systeem als er
een sterke noodzakelijke samenhang bestaat tussen de uit te voeren maatregelen.
Een goede strategie is afgestemd op de lokale biofysische en economische condities, maar
wordt ook in belangrijke mate bepaald door de mogelijkheden, kennis en prioriteiten van de
ondernemer. Er zijn vele keuzemogelijkheden, maar uiteindelijk voert elk bedrijf maar één
beheer uit. Het proces van kiezen, afwegen, optimaliseren en innoveren door ondernemers is
allesbehalve transparant. Handelingen gebeuren deels routinematig, deels bewust en deels
worden ze ook bepaald door de actuele status (kwaliteit) van de bodem, die op zijn beurt weer
deels het resultaat is van eerder gevoerd beheer. De bodem is immers een reactor met een
34
HOOFD
STUK
3
lang geheugen. Daarin stapelen zich in de loop der jaren de effecten op van gevoerd beheer,
van keuzes die korter of langer geleden gemaakt werden.
De keuze van een ondernemer voor een bepaalde beheerstrategie heeft directe invloed op
de mate waarin de beheerdoelen worden bereikt, en houdt dus impliciet of expliciet ook
een prioritering in van doelen. Voor het ontwikkelen van effectief beleid voor duurzaam
bodembeheer is het belangrijk om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop ondernemers
bodembeheerstrategieën bepalen, welke factoren keuzes beïnvloeden, waar synergie
te behalen is en welk type interventies geschikt zijn om doorbraken in bodembeheer te
bewerkstelligen.
TOELICHTING BIJ FIGUUR 3.1
Er is hier bewust gestreefd naar een strak stelsel van begrippen met hun onderlinge
samenhang. Figuur 3.1 brengt de meest evidente relaties tussen beheerdoelen, bodembeheer
en bodemeigenschappen en bodemfuncties in beeld. Deze figuur is van belang voor een goed
begrip van deze notitie, en wordt daarom verder toegelicht. Vanzelfsprekend kan een dergelijk
schema niet compleet zijn.
De figuur laat de vele wijzen van samenhang zien tussen het gevoerde beheer (blok onderin
de figuur met daarin de clusters A-E die de toolkit van de ondernemer vormen) en de daarmee
aangestuurde bodemfuncties (het blok bovenin de figuur met daarin de functies en functionele
eigenschappen, a-h). Die samenhang verloopt vaak (alle bruine pijlen) door de beïnvloeding
van de drie centrale bodemkenmerken: 1. organische stof en bodemvruchtbaarheid, 2.
bodembiodiversiteit en biomassa en 3. structuur van de bouwvoor en ondergrond. Daarnaast
is er ook een rechtstreekse invloed (dus niet via genoemde drie kenmerken) van beheer op de
bodemfuncties a-h (de gekleurde pijlen, één kleur per cluster).
De figuur beperkt zich tot grootheden die min of meer stabiel zijn of zich langzaam aanpassen
(maanden, jaren, decennia). Snelwisselende toestandsgrootheden zoals temperatuur
of vochttoestand zijn weggelaten, maar het gedrag van dergelijke meer dynamische
variabelen wordt wel in sterke mate bepaald door de hier afgebeelde eigenschappen,
alsook rechtstreeks door het opgelegde beheer. Ook hier is omwille van de leesbaarheid
van de figuur een strikte consequentie gemeden.. Zo zijn de functies a-h soms een mix van
functie en functionele eigenschap. Zoals gezegd in hoofdstuk 2 hebben de beheerdoelen
soms betrekking op bodemfuncties voor de agrarische productie (functies a-h, bijvoorbeeld
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
35
vochtregulering) en soms rechtstreeks betrekking op het beheer zelf (A-E, bijvoorbeeld
spaarzame inzet van bepaalde inputs).
Van veel relaties in de figuur is bekend dát ze bestaan en belangrijk zijn voor de
gewasproductie, maar vaak is niet goed bekend hóe ze precies verlopen. Dat laatste is ook
lang niet altijd nodig, en is zeker geen kompas geweest bij het aandragen van bouwstenen
voor een kennisagenda.
HANDELINGSPERSPECTIEF
Bodembeheer bestaat uit elementen die samen wel het handelingsrepertoire of
handelingsperspectief van de ondernemer worden genoemd. Het is de gereedschapskist
– de toolkit – waarmee de ondernemer zijn strategie uitvoert. De keuzes, handelingen en
maatregelen die samen het bodembeheer vormen zijn te vatten in de clusters (de letters
verwijzen naar figuur 3.1 en de cijfers naar de volgende paragrafen):
3.2
waterbeheer (A)
3.3
vruchtwisseling, groenbemesters en gewasrestenbeheer (B)
3.4
grondbewerking en berijding (C)
3.5
bemesting (D)
3.6
gewasbescherming (E)
Hierna volgt een algemeen overzicht van de keuzes en maatregelen die landbouwbedrijven
nemen en die de bodemkwaliteit beïnvloeden. Het is geen uitputtend overzicht en ook geen
voorgestelde selectie van onderwerpen voor onderzoek of een kennisagenda; het is een
algemene introductie in de hoofdlijnen van bodembeheer. Figuur 3.1 biedt op een aantal
punten houvast bij het lezen van onderstaande paragrafen.
36
HOOFD
STUK
3
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
37
mens als
werknemer
consument
recreant
burger
klimaat
natuur,
landschap,
biodiversiteit
milieu
water
(kwantiteit)
economie
dimensies van
duurzaamheid
Tabel 1.1
verwachte
biofysische,
maatschappelijke ,
en economische
ontwikkelingen
(Bijlage 3 )
Figuur 3.1
nrs 1-­14
Tabel 1.1
beheersdoelen
A.
waterbeheer
peilbeheer,
drainage
b.
bewortelbaarheid
aeratie
B.
vruchtwisseling,
groenbemesters,
gewasrestenbeheer
organische stof
en
bodemvruchtbaarheid
f.
nutrienten-­
levering en
-­buffering
D.
bemesten,
bekalken,
grondverbeteraars
structuur bouwvoor
en ondergrond
e.
weerbaarheid /
ziektendruk
C.
grondbewerking ,
berijding,
oogstwerkzh
d.
zaadbank en
onkruiddruk
bodem biodiversiteit
en biomassa
c.
werkbaarheid,
draagkracht,
vroegheid
Bodembeheer (keuzes en handelingen van ondernemer) Hoofdstuk 3
a.
nterne vochtregulering
infiltratie,
vochthoudend
vermogen
Functionele bodemeigenschappen (tbv productiefunctie )
h.
habitait -­
voedselaanbod
voor biodiversiteit
E.
gewasbescherming :
ziekten, plagen,
onkruiden
textuur
pH
g.
slemp-­
gevoeligheid
3.2 WATERBEHEER (A)
Water- en luchthuishouding bepalen het vochtprofiel en de
aeratie van de grond door het jaar heen. Ze bepalen de
mogelijkheden om de grond te bewerken en te belasten
en ze beïnvloeden de plantengroei en het bodemleven. De
actuele vochttoestand en aeratie zijn de resultanten van de
aan- en afvoer van water (neerslag, verdamping, drainage,
bemaling) bij zekere bodemeigenschappen (bijvoorbeeld
infiltratiecapaciteit, waterdoorbaarheid, vochthoudend
vermogen, opdrachtigheid, bewortelbaarheid).
Het waterbeheer omvat de maatregelen die buiten
de wortelzone genomen kunnen worden om de
waterhuishouding en daarmee ook de luchthuishouding in
de grond direct te beïnvloeden. Deze omvatten het beheer
van het grondwaterpeil (drainage, draininfiltratie) en het slootwaterpeil en maatregelen zoals
veldegalisatie, begreppeling en beregening. Het waterbeheer heeft grote invloed op de
draagkracht, vroegheid (opwarming) en bewerkbaarheid van de grond, en natuurlijk ook op
de levering van vocht aan het gewas in droge perioden en waterafvoer in natte perioden. In
bepaalde regio’s speelt peilbeheer een belangrijke rol bij het tegengaan van verzilting.
Indirect is de lucht- en waterhuishouding te beïnvloeden via maatregelen als grondbewerking.
Dit soort maatregelen hebben invloed op de bodemstructuur en daarmee samenhangende
bodemeigenschappen en -functies. Waterbeheermaatregelen en indirecte maatregelen
(respectievelijk de donker- en lichtblauwe pijlen in figuur 3.1) bepalen samen de
vochtvoorziening van de wortelzone en de afvoer van overtollig water, en bepalen dus ook de
aeratie voor wortels en het bodemleven. Net als droogte heeft ook een te natte wortelzone
een negatief effect op de opbrengst, kwaliteit en oogstbaarheid van producten. Bewerking
en berijding onder te natte condities leidt tot structuurbederf. Natte omstandigheden kunnen
– vaak in combinatie met structuurbederf – leiden tot zuurstofgebrek voor de wortels,
verhoogde druk van bepaalde ziekten en de onkruidbeheersing ernstig beperken.
38
HOOFD
STUK
3
Opbrengstderving door zowel een te droge als te natte grond zal vrijwel steeds samengaan
met een verlaagde nutriëntenbenutting en dus een verhoogde kans op verliezen. Natte
condities verhogen de kans op denitrificatie (in aanwezigheid van organische stof, waarbij
behalve stikstofgas ook het broeikasgas lachgas kan ontstaan) en op uitspoeling van
nitraat (waaruit elders ook weer lachgas kan ontstaan). Sterke vernatting verhoogt de
mobiliteit van fosfaat en daarmee de belasting op het grond- en oppervlaktewater bij
gronden met hoge fosfaatverzadiging. Greppels en bolle percelen bevorderen de afstroming
van water en zorgen daardoor voor een hogere belasting van het oppervlaktewater met
gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten. Voor deze milieubelastende stoffen vormen
drains een vergelijkbare shortcut tussen het bodemsysteem en het oppervlaktewater.
Soms wordt landbouwgrond omwille van natuurdoelen in omliggende gebieden vernat. Onder
natte omstandigheden verloopt de afbraak van organisch materiaal trager. Of dit ook kansen
biedt voor de klimaatmitigatiefunctie via een grotere koolstofopslag in de bodem, zal mede
afhangen van de biomassaproductie, die ook zelf van de hydrologie afhangt. Peilverhoging
verkleint de bewortelbare zone, waardoor gewassen gevoeliger worden voor bodemplagen.
Beregening beïnvloedt via het beschikbare bodemvocht de ontwikkelingsmogelijkheden van
ziekten en plagen.
Wellicht de belangrijkste duurzaamheidsproblematiek rond waterbeheer ligt in het
veenweidegebied. Drainage omwille van de begaanbaarheid (voor machines en weidend vee)
en productie (o.a. via vroegheid) versnelt de oxydatie en inklinking van veen met een hoge
CO2-emissie. Degradatie van veengronden is mogelijk af te remmen met onderwaterdrainage
door drains in omgekeerde richting te gebruiken voor infiltratie vanuit (opgezette) sloten.
Vrijwel overal wordt het waterpeil op regionaal niveau buiten de bevoegdheid van de
individuele ondernemer ingesteld. Regionale proefprojecten in Brabant (LOP stuwen) en de
Wieringermeer (Bollenmeer) lieten echter goede resultaten zien van meer controle door de
ondernemer. De noodzaak tot beregening kon daar worden uitgesteld en verminderd. De
vereiste samenwerking en het overleg tussen de diverse actoren mag een complicerende
factor zijn, hier lijken toch belangrijke kansen voor verduurzaming te liggen. Bij variabel
of dynamisch peilbeheer wordt het peil sterker afgestemd op de landbouwkundige
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
39
behoefte en bijvoorbeeld opgezet in perioden van het groeiseizoen wanneer een voldoende
watervoorziening belangrijker is dan de draagkracht.
Beregening valt meestal wel direct onder het beheer van de ondernemer, al zijn er op veel
plaatsen op zandgronden beperkingen aan gesteld en is beregening op sommige andere
plaatsen onmogelijk door verzilting.
3.3 VRUCHTWISSELING, GROENBEMESTERS EN
GEWASRESTENBEHEER (B)
Vruchtwisseling is de opeenvolging van hoofdgewassen, vanggewassen en groenbemesters
in een rotatie. De akkerbouw groepeert de hoofdgewassen in maaivruchten (granen),
peulvruchten en rooivruchten (aardappel, biet, wortelen). Elk gewas heeft een eigen
invloed op de bodem. De vruchtwisseling heeft een zeer belangrijke invloed op vrijwel
alle bodemeigenschappen en bodemfuncties. De keuze van gewassen en de frequentie
waarmee deze in de rotatie terugkomen, hebben op de eerste plaats een sterke invloed op
de ontwikkeling van ziekten, plagen en onkruiden. Enerzijds doordat de beheersbaarheid
(mogelijkheid tot ingrijpen en verminderen) van de plagen per teelt verschilt, anderzijds
doordat elk gewas specifieke plaagorganismen stimuleert. Daarnaast kan ook de algemene
ziektewering via de vruchtwisseling worden beïnvloed. Onderdeel van de vruchtwisseling is
natuurlijk ook de keuze van rassen, en daarmee is het belang genoemd van robuuste en
resistente rassen.
Vanggewassen, groenbemesters en gewasresten – vooral stoppels en stro – brengen
vers organisch materiaal in de bodem. Dat is de bron van energie voor vrijwel alle
bodemorganismen. Zowel het afbraakproces als de daarbij resterende en nieuw gevormde
organische stof (OS) spelen een belangrijke rol in het bodemecosysteem. Voldoende aanvoer
van organisch materiaal wordt algemeen gezien als essentieel voor een goede fysische,
chemische en biologische bodemkwaliteit. Dit geldt voor zowel lichte gronden (waar
bijvoorbeeld vochtretentie sterk door organische stof wordt bepaald) als zwaardere gronden
(waar bijvoorbeeld de bewerkbaarheid met organische stof samenhangt). Vanggewassen
40
HOOFD
STUK
3
onderscheppen nitraat en kunnen zo bijdragen aan een betere
stikstofbenutting, mits het gewas slaagt (voldoende biomassa en
niet te vroeg doodvriezen) en de zo behouden stikstof in mindering
wordt gebracht op de input van het volgende jaar. Veel van de
huidige rotaties zijn te nauw en het land komt te laat vrij om
vanggewassen en groenbemesters goed in te passen. Daarnaast
zijn vooral op zandgronden veel vanggewassen en groenbemesters
minder geschikt wegens de bevordering van schadelijke aaltjes.
Uit gewasresten kan ’s winters veel nitraat uitspoelen. Het al dan niet in- of onderwerken
van groenbemesters en gewasresten hangt nauw samen met de grondbewerking. Er zijn
aanwijzingen dat de mate van onderwerken invloed heeft op de verdeling van gasvormige
N-verliezen uit gewasresten (ammoniakvervluchtiging versus denitrificatie).
De gewasrotatie heeft via de mechanische werking van wortels (poriënvorming) ook
invloed op de bodemstructuur (en daarmee op de doorlatendheid en aeratie). Zo kunnen
diepwortelende gewassen een rol spelen bij de aanpak van verdichting van de ondergrond.
Ook via grondbewerking en andere aspecten van mechanisatie (belasting door berijding,
oogstwerkzaamheden, inwerken van gewasresten) heeft de keuze van gewassen invloed op
de bodemstructuur. Elk gewas heeft namelijk zijn eigen gemechaniseerde teeltactiviteiten.
Vooral bij rooivruchten op zwaardere gronden kan onder ongunstige (natte) omstandigheden in
het najaar structuurbederf optreden.
Een aparte vruchtwisseling vinden we in de melkveehouderij, waar grasland vaak permanent
is en maïs in continuteelt wordt verbouwd. Een alternatief is wisselbouw, waarbij gras en maïs
elkaar om de paar jaar afwisselen. Dit gebeurt om de ziektedruk in de maïs en veronkruiding
van het gras te verminderen. De stikstofvoorraad die onder grasland wordt opgebouwd
komt dan vrij in de maïsfase en kan door de maïs benut worden, indien de bemesting
overeenkomstig wordt gereduceerd. In een aantal gebieden vindt ook vruchtwisseling plaats
door uitruil tussen veehouderij- en akkerbouwbedrijven (grasland-aardappelen). Aan het
scheuren van grasland – of dit nu in wisselbouw of op permanent grasland gebeurt – zitten
knelpunten met betrekking tot duurzaamheid (hoofdstuk 4).
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
41
In de biologische teelt speelt vruchtwisseling een hoofdrol: er zijn minder opties voor
plaagbeheersing dan in de gangbare teelt en daarnaast hangt de stikstofvoorziening van
de gehele rotatie in belangrijke mate af van binding van stikstof door vlinderbloemigen. Dit
laatste geldt zowel voor de akkerbouw als voor de melkveehouderij, waar klaver een centrale
plaats inneemt. Deze afhankelijkheid in de biologische landbouw van natuurlijke stikstofbinding
resulteert in een groter beslag op het landbouwareaal om eenzelfde hoeveelheid voedsel te
produceren. Dat impliceert minder ruimte voor ander landgebruik zoals bijvoorbeeld natuur.
Door het streven naar verduurzaming en daarmee vermindering van het gebruik van
inputs houdt ook de gangbare landbouw In toenemende mate rekening met relaties tussen
vruchtwisseling en bodemkwaliteit. Dit staat op gespannen voet met de economische
duurzaamheid. Veel gewassen genereren momenteel onvoldoende saldo per hectare om
de hoge vaste lasten te dekken en zijn om die reden uit de vruchtwisseling verdwenen.
Verdere specialisatie (vernauwing van de rotatie) betekent verlies van de vele voordelen die
een ruime vruchtwisseling kan bieden, tenzij die via landruil en huurland worden bereikt. Die
oplossingsrichting heeft echter weer zijn eigen knelpunten (zie hoofdstuk 4).
3.4 GRONDBEWERKING EN BERIJDING (C)
Grondbewerkingen worden uitgevoerd met één of meer van de volgende doelen:
t
het losmaken van verdichte grond om het functioneren van de bodem
te verbeteren (waterinfiltratie, aeratie, mechanische weerstand voor
beworteling, omzetting van aerobe stikstof)
t
het onderwerken van gewasresten en onkruid, diep genoeg om een schoon,
onkruidvrij zaai-, poot- of plantbed te kunnen realiseren, zonder overdracht
van ziekten en plagen op het volggewas
t
het inwerken of gedeeltelijk inwerken van dierlijke mest
t
het maken van een zaai-, poot- of plantbed waarin goed machinaal gezaaid,
gepoot of geplant kan worden
t
42
het doden van onkruid of bodembedekkers
HOOFD
STUK
3
In de huidige, gangbare landbouw worden praktisch alle bewerkingen op het veld
gemechaniseerd uitgevoerd, met een zo hoog mogelijke capaciteit om bij de huidige hoge
arbeids- en grondkosten rendabel te kunnen blijven produceren. De bewerkingen worden soms
onder ongunstige, natte bodemomstandigheden uitgevoerd. Doordat er door het jaar heen
veel over het veld gereden wordt met grote, vaak bodemonvriendelijke machines wordt de
bodem relatief zwaar belast. Na de oogst is de grond dan verdicht geraakt. Deze ontwikkeling
heeft ertoe geleid dat in de gangbare landbouw jaarlijks een vrij diepe hoofdgrondbewerking
wordt uitgevoerd – 20 à 30 cm diep – om de verdichte grond weer los te maken voordat het
volgende gewas ingezaaid wordt.
Het standaard werktuig voor de hoofdgrondbewerking is nog altijd
(rister)ploegen, soms voorafgegaan door een stoppelbewerking om de
vertering van gewasresten in gang te zetten en onkruidzaden te laten
kiemen. De ploeg keert de grond en laat een ruw oppervlak achter,
vrij van gewasresten en onkruiden. Op lichte zavel- en zandgronden
wordt de grond in het voorjaar vlak voor de zaaibedbereiding en het
zaaien geploegd. Op kleigronden wordt in het najaar geploegd om de
grond in de winter te laten verweren, opdat in het voorjaar voldoende
losse grond aanwezig is om een zaaibed te maken en voor een
snellere opdroging, opwarming en stikstofmineralisatie in het voorjaar.
Wintertarwe wordt in de herfst ingezaaid op een grof zaaibed,
gemaakt na ploegen, direct na een bewerking met een spitmachine of,
steeds meer, na een niet-kerende bewerking met een cultivator met vaste tanden.
In het voorjaar wordt de zaai-, poot- of plantbedbereiding uitgevoerd op geploegde grond.
Voor zaaibedden met een zaaibed van enkele centimeters diep wordt de grond oppervlakkig
bewerkt. Voor poot- en plantbedden wordt de grond dieper (8 cm) bewerkt en bij aardappels
en peen worden ruggen gevormd. Op kleigronden moet de grond intensiever bewerkt worden
dan op zandgronden. Grondbewerkingen om bodembedekkers en onkruid te doden (eggen,
wiedeggen of schoffelen) worden standaard in de biologische landbouw uitgevoerd. In de
gangbare landbouw kunnen hiervoor ook onkruidbestrijdingsmiddelen ingezet worden.
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
43
Vaak houdt de verdichting die door de jaren heen ontstaan is, niet op bij de ploegdiepte.
Daaronder is er ook een meer of minder verdichte laag aanwezig (ploegzool,
ondergrondverdichting). Zolang hiervan geen ernstige hinder wordt ondervonden, wordt
aangeraden die laag zo te laten. In feite beschermt deze dichte laag de diepere ondergrond
voor verdere verdichting door belasting van de grond. Als de laag echt storend is (zeer
ondoorlatend), kan deze met een woeler opgebroken worden zonder de grond te keren.
Woelen kost echter veel energie en het effect is tijdelijk als de oorzaak niet weggenomen
wordt; op termijn kan woelen zelfs averechts werken.
Bodemverdichting en structuurbederf en daarmee samenhangende anaerobie kunnen de
emissie van lachgas en methaan (broeikasgassen) bevorderen. Anderzijds kan een luchtiger
structuur na grondbewerking juist anaerobie voorkomen of verminderen. Over de effecten
van grondbewerking op de emissie van broeikasgassen en op de totale opslagcapaciteit voor
koolstof in de bodem lopen de meningen nog zeer uiteen en mogelijk hangen de effecten
sterk van locale factoren af.
De jaarlijkse cyclus van verdichten (berijden, te nat bewerken) en weer losmaken
(hoofdgrondbewerking, woelen) van de grond kost veel energie, tijd en geld. Bovendien
kan blijvende structuurschade en verstoring van het bodemleven ontstaan als de grond
te zwaar belast of te nat bewerkt wordt. Door te ploegen worden aanwezige, mogelijk
stabiele structuren in de grond die de doorlatendheid bevorderen, zoals wormgangen
en wortelkanalen, afgebroken. Andere veronderstelde nadelen van intensief of veelvuldig
bewerken zijn verplaatsing van organische stof naar een diepere laag en versnelde afbraak
van organische stof, en dus emissie van eerder opgeslagen koolstof zoals CO2 en andere
eerdergenoemde broeikasgassen. Wegens al deze ongewenste effecten bestaat momenteel
veel belangstelling voor systemen die de bodem minder verdichten (lichtere mechanisatie,
lagedrukberijding, teelt met vaste rijpaden) en systemen met minder of minder ingrijpende
grondbewerking, zoals eco-ploegen (minder diep ploegen), niet-kerende grondbewerking
(NKG) en minimale grondbewerking. Deze systemen zijn nog sterk in ontwikkeling en kennen
hun eigen specifieke problematiek rond onkruidbeheersing, gewasrestenbeheer en mogelijk
daarmee verbonden overdracht van ziekten. Bodemvriendelijke machine-ontwerpen (licht,
lage druk, rijpaden) worden gehinderd doordat de machines ook groot moeten zijn, met hoge
44
HOOFD
STUK
3
capaciteiten en laadvermogens, om een hoge arbeidsproductiviteit te halen en zo renderend
te kunnen produceren. Systematisch minder of minimaal bewerken van de grond verhoudt
zich moeilijk tot het hoge aandeel rooivruchten in de Nederlandse gewasrotaties. Vooral voor
de teelt van aardappelen en peen is het geheel achterwege laten van grondbewerking een
probleem zolang voor de teelt ruggen met fijne, losse grond nodig zijn.
Vanwege het grote belang van een goede bodemkwaliteit in de biologische landbouw en het
feit dat hier meer veldbewerkingen uitgevoerd worden (bijvoorbeeld vals zaaibed, schoffelen,
branden), is de ontwikkeling van vaste rijpaden (CTF, controlled traffic farming) en minimaal
grond bewerken de afgelopen jaren vooral in deze sector in de belangstelling gekomen.
Grondbewerking, gewasrestenbeheer en onkruidbeheersing moeten daar wegens hun nauwe
samenhang als geïntegreerde alternatieve systemen worden ontwikkeld. Dit geldt ook voor de
gangbare landbouw om niet terug te vallen op een verhoogde inzet van herbiciden.
De ontwikkeling van genoemde alternatieve systemen leunt sterk op innovaties in
mechanisatie voor een meer bodemvriendelijke uitvoering van allerlei werkzaamheden.
Voorbeelden zijn de aanvoersleepslang. waarbij de zware mesttank niet over het
perceel wordt gereden, oogsten vanaf vaste rijpaden, kleine wagens voor transport van
oogstproducten vanaf het veld en oogsten met lage bodemdruk. Precisietechnieken en
sensortechnologie spelen een belangrijke rol bij een aantal van deze innovaties.
3.5 BEMESTING (D)
Bemesting is gericht op voeding van het gewas en onderhoud
van bodemvruchtbaarheid. Beide zijn essentieel voor een
goede productie. Nutriëntenafvoer via geoogste producten
moet gecompenseerd worden door aanvoer van nieuwe
nutriënten. Daarnaast moeten ook nutriëntenverliezen
gecompenseerd worden, wil de bodem niet interen op de
bestaande bodemvruchtbaarheid. Verliezen zijn groter
naarmate de jaarlijkse doorstroom (input en output) en
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
45
bijpassende nutriëntenvoorraad in de bodem groter zijn. Verliezen kosten geld, belasten het
milieu (fosfaat, nitraat, ammoniak) en klimaat (lachgas) en zijn ook onduurzaam waar het
om eindige grondstoffen (fosfaat) gaat. Stikstof (N) is niet eindig, maar de productie van
kunstmest vergt wel fossiele brandstof. Voor de bemestingsstrategie betekent verduurzaming
daarom vooral beperking van nutriëntenverliezen zonder te veel derving aan opbrengst.
Het verband tussen nutriëntenaanbod en gewasproductie staat daarbij centraal. De
responscurve loopt bij een hoog aanbod naar een plafond, omdat andere factoren beperkend
worden (gewas- en bodemeigenschappen, water en weer, andere beheeraspecten dan het
aanbod van betreffend nutriënt). Omdat meststoffen relatief goedkoop zijn, is het economisch
rendabel om vlak tegen dit plafond aan te produceren. De benutting is dan echter laag en
de verliezen zijn hoog. Dit is de algemene situatie in intensieve gangbare landbouwsystemen
overal ter wereld. Vooral bij stikstof, veelal het meest opbrengstbeperkende nutriënt. Waar
genoemd plafond door bodemverbetering verhoogd kan worden, kunnen stikstofverliezen
sterk gereduceerd worden zonder dat er opbrengstderving optreedt.
De beschikbaarheid van fosfaat voor het gewas wordt vooral bepaald door de fosfaattoestand
van de bodem, meer dan door de jaarlijkse gift. Bouwplanbemesting richt zich daarom op
het op peil houden van de fosfaattoestand over de gehele rotatie. Het grote aanbod aan
dierlijke mest heeft in veel Nederlandse bodems geleid tot forse accumulatie van fosfaat, die
vervolgens weglekt naar het grond- en oppervlaktewater. Het afbouwen van deze voorraden
zal nog vele decennia kosten. Specifiek voor fosfaat wordt de bodemvruchtbaarheid
uitgedrukt in klassen en zijn ook de gewassen ingedeeld in klassen van fosfaatbehoeftigheid.
Zo hebben diverse bladgroenten, peulvruchten en aardappelen een hoge fosfaatbehoefte;
granen daarentegen een lage.
Het gebruik van meststoffen is aan banden gelegd via de zogenoemde gebruiksnormen.
Zo is er een stikstofgebruiksnorm (som van kunstmest-N en werkzame N in dierlijke mest),
fosfaatgebruiksnorm en een aparte gebruiksnorm dierlijke mest die de totale N-aanvoer in
dierlijke mest beperkt. De wettelijk vastgestelde werkingscoefficiënt is de fractie van de
stikstof in de mest die als werkzaam meetelt. Sinds de invoering van dit stelsel in 2006 is
het opstellen van een bemestingsplan in de gangbare akkerbouw en andere open teelten
46
HOOFD
STUK
3
in belangrijke mate een optimalisatie geworden binnen de grenzen van deze drie normen.
De uitkomst wordt mede beïnvloed door premies voor het accepteren van dierlijke mest uit
regio’s met een hoog mestoverschot. De relatieve onbetrouwbaarheid en soms te late of te
langzame mineralisatie uit dierlijke mest wegen echter in het voordeel van kunstmest.
Wanneer de aanvoer van organische stof via de vruchtwisseling (gewassen) onvoldoende
is, wordt dit aangevuld met dierlijke mest of organische mest van plantaardige oorsprong
(compostsoorten). De mestwetgeving beperkt via de gebruiksnormen de aanvoer van
organische stof, óók in de vorm van compost. Dit wordt vooral als probleem ervaren in de
tuinbouw, waar gestreefd wordt naar hogere gehalten aan organische stof in de bouwvoor
(dan in de akkerbouw), terwijl de eigen productie van organisch materiaal (gewasresten) er
vaak lager is; groenbemesters worden er vaak gemeden met het oog op nematoden.
Voor de grondgebonden veehouderij bepalen de gebruiksnormen de noodzaak om mest af
te voeren, wat geld kost. Low tech mestscheidingstechnieken op het eigen bedrijf worden
momenteel ontwikkeld om mestafvoer te beperken. Dit levert nieuwe producten op, waarmee
de wettelijke gebruiksruimte voor stikstof en fosfaat beter benut kan worden. Dat geldt ook
voor specifieke producten die via meer industriële (high tech) mestverwerking samengesteld
kunnen worden. Door mestscheiding ontstaan ook nieuwe mogelijkheden voor de aanvoer van
organische stof naar de kleigebieden. Naast voordelen geeft de komst van nieuwe producten
ook aanleiding tot zorg, wat noopt tot borging van de kwaliteit (samenstelling en fytosanitaire
kwaliteit). Dit laatste geldt met name voor producten afkomstig uit menging van reststromen
zoals bij co-vergisting.
Naast de gebruiksnormen zijn perioden vastgesteld waarbinnen mest mag worden
toegediend. Sinds 2009 mag drijfmest ook op kleigronden pas in het voorjaar toegediend
worden. Voor akkerbouwbedrijven op kleigronden, waar mest van oudsher in het najaar vóór
het ploegen werd toegediend, zijn aanpassingen in de mechanisatie nodig om structuurbederf
door belasting bij voorjaarstoediening te voorkomen. De verplichting om de mest in
sleufjes toe te dienen of in dezelfde werkgang onder te werken om ammoniakemissie te
reduceren is hierbij een complicatie. Systemen met een aanvoersleepslang (navelstreng)
en lage bodemdruk zijn ontwikkeld om wintertarweland of geploegde grond in het voorjaar
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
47
zo min mogelijk te belasten. Voorjaarsmesttoediening in wintertarwe is mogelijk met dit
bodemvriendelijke systeem zonder noemenswaardig opbrengstverlies. De effecten in de
aardappelteelt zijn in onderzoek. De problematiek van mechanisatie is in dit geval complexer
door de korte tijd tussen voldoende opdroging van de grond (draagkracht en bewerkbaarheid)
en poten.
De bemestingspraktijk kent verschillende strategieën. De biologische praktijk is sterker
dan de gangbare praktijk gericht op het voeden van de bodem en het onderhoud van
bodemvruchtbaarheid. Een zeker niveau van bodemvruchtbaarheid is in alle systemen
essentieel voor buffering van de nutriëntenbeschikbaarheid voor het gewas – dit geldt zeker
voor fosfaat – maar hogere vruchtbaarheid leidt tot hogere verliezen als de mestgift daar
niet op afgestemd is. Er liggen hier veel kansen voor precisiebemesting gericht op lokale
variatie in bodemvruchtbaarheid (opbrengstkaarten, bodemindicatoren). Verder speelt
precisiebemesting (timing, plaatsing, startdosering) in toenemende mate een rol ter verhoging
van de nutriëntenbenutting. GPS-gesteunde rijenbemesting met dierlijke mest is daarbij een
recent en kansrijk perspectief, omdat hiermee scheiding in twee werkgangen (respectievelijk
mestinjectie en inzaai) mogelijk is geworden.
Naast bemesting worden bodemverbeteraars en bekalking soms apart genoemd. Bekalking
gebeurt ter correctie van een te lage pH (t.b.v. gewasproductie en soms ziektedruk), maar
stimuleert tegelijk óók de afbraak van organische stof en de emissie van CO2 uit kalk en
organische stof. Bodemverbeteraars zijn veelal compostproducten, zie hierboven.
3.6 GEWASBESCHERMING (E)
Gewasbescherming is het geheel van maatregelen om gewassen
te beschermen tegen concurrentie met andere planten
(onkruidbestrijding) en tegen ziekten en plagen. In de twintigste
eeuw werd de gewasbescherming grotendeels met chemische
gewasbeschermingsmiddelen uitgevoerd. Het werd echter steeds
meer duidelijk dat het gebruik van sommige middelen ernstige
48
HOOFD
STUK
3
gevolgen had voor het ecosysteem: verontreiniging van de bodem, ophoping van toxische
stoffen in natuurlijke voedselketens, doding van gewenste organismen (ook in de bodem)
en residuen in voedingsmiddelen voor mens en dier. Sindsdien is het gebruik van een groot
aantal middelen niet meer toegestaan. Het beleid is om de inzet van chemische middelen
te verminderen. Daarom worden methoden voor niet-chemische beheersing gestimuleerd.
Niet-chemische beheersing van onkruiden en bodemziekten is direct verbonden met het
bodembeheer. Bij chemische gewasbescherming zal men zich moeten afvragen wat de
invloed is op bodemorganismen en of dit het goed functioneren van de bodem schaadt,
waaronder het natuurlijke vermogen om bodemziekten beperkt te houden.
Hierna wordt beschreven welke mechanische en natuurlijke maatregelen deel uitmaken van
het bodembeheer. De grondsoort (klei, zand, zavel et cetera) heeft grote invloed op het al of
niet aanwezig zijn van bepaalde onkruiden, ziekten en plagen en daarmee op de behoefte aan
gewasbeschermingsmaatregelen (zie ook hoofdstuk 4 Knelpunten en oplossingsrichtingen).
BODEMGEBONDEN ZIEKTEN EN PLAGEN
Voor het bodembeheer in de open teelten betekent de toelating van minder chemische
middelen feitelijk dat grondontsmetting niet meer standaard uitgevoerd kan worden
om bodemziekten te bestrijden. Bovendien is gebruik van diverse chemische
grondontsmettingsmiddelen niet meer toegestaan. Als gevolg hiervan heeft de
ondernemer minder mogelijkheden om corrigerend op te treden bij een uit de hand
gelopen ziektedruk door nematoden of andere ziekteverwekkers. De ondernemer zal
combinaties van maatregelen moeten inzetten om een toename van de ziektedruk te
voorkomen. Vruchtwisseling, resistente rassen, hygiëne en evenwichtige bemesting zijn
hierbij sleutelbegrippen. Ook een optimale benutting van bodemweerbaarheid hoort in
deze rij thuis. Een goede rotatie houdt rekening met de opbouw van ziekten en plagen per
gewas, waarbij een ongevoelig gewas geteeld wordt na een gewas dat de ziekte of plaag
vermeerdert. Voor polyfage ziekten en plagen – deze tasten verschillende gewassen aan
– is deze rotatiestrategie niet zinvol. Indien beschikbaar kunnen resistente rassen ingezet
worden. Helaas zijn er juist voor veel bodemziekten en -plagen vaak geen resistente rassen
voorhanden.
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
49
Hygiënemaatregelen zijn cruciaal om introductie van bodemgebonden ziekten en plagen
te voorkomen. Hierbij geldt onder andere: schoon zaai- of plantgoed gebruiken, geen
grond verslepen en niet beregenen met besmet oppervlaktewater (bijvoorbeeld Ralstonia
bij pootgoed). Teeltmaatregelen gericht op de vitaliteit van het gewas, zoals evenwichtige
bemesting, zaaitijdstip, goede vochthuishouding en bodemstructuur, zorgen ervoor dat het
gewas tegen een stootje kan en (mogelijk) minder gevoelig is voor ziekten.
Last but not least: de bodem heeft een natuurlijke weerbaarheid tegen ziekten en plagen.
Door de enorme diversiteit van organismen in de bodem en door de competitie tussen deze
organismen om het beschikbare voedsel, kan een ziekteverwekker zich niet zo gemakkelijk
vestigen, minder vermeerderen of zal de populatie van de ziekteverwekker afnemen.
Hoewel veel van de mechanismen van natuurlijke ziektewering niet bekend zijn, staat vast
dat een divers bodemleven belangrijk is. Daarnaast zijn er vele groepen micro-organismen
of bodemfauna bekend die de groei of ontwikkeling van ziekten en plagen specifiek
remmen of prederen. Door de veelheid aan interacties tussen bodemleven en ziekte- en
plaagorganismen is slechts een beperkt aantal van de mechanismen van ziektewering
goed beschreven. Algemeen kan wel gesteld worden dat maatregelen die het bodemleven
stimuleren (organische bemesting en compost, vermijden van bestrijdingsmiddelen, goede
vochthuishouding et cetera) gunstig zijn voor de natuurlijke weerbaarheid van de bodem tegen
ziekten en plagen. Daarnaast zijn er maatregelen die bepaalde groepen van het bodemleven
stimuleren en zodoende meer specifieke aspecten van bodemweerbaarheid verhogen: chitine
stimuleert chitine-afbrekende bacteriën met antagonisme tegen nematoden en schimmels.
Minder grondbewerking stimuleert mogelijk mycorrhiza’s en regenwormen en minder
bemesting bevordert mycorrhiza’s. Tot op heden zijn er nog geen sturingsmogelijkheden om
bodemweerbaarheid zo gericht te sturen dat opbrengsten gewaarborgd zijn.
Voor het toevoegen van antagonistische bacteriën en schimmels is een dure registratie nodig
(bestrijdingsmiddelenwet) indien geclaimd wordt dat ze ziekten en plagen bestrijden. Hierdoor
is het aantal biologische bestrijders op de markt in Nederland (en Europa) bijzonder beperkt.
Het gebruik van insecten, mijten en nematoden als biologische bestrijders wordt door de
Flora- en Faunawet gereguleerd.
50
HOOFD
STUK
3
Een goed functionerende bodem is essentieel voor een divers bodemleven en vitale
gewassen. In de biologische landbouw is duurzaam bodembeheer daar al jaren op gericht.
Sinds de jaren tachtig wordt ook in de gangbare landbouw het ontwikkelen van een vitale
bodem steeds meer als oplossingsrichting gezien voor de beheersing van bodemziekten.
Wanneer het mechanisme van bodemweerbaarheid begrepen wordt, kunnen er methoden
worden ontwikkeld om er gericht op te sturen.
ONKRUIDBEHEERSING
In de gangbare landbouw wordt overwegend chemische onkruidbestrijding toegepast, met
minder middelen dan voorheen. De biologische landbouw kent alleen onkruidbestrijding via
preventie en mechanische en fysische bestrijding, die grotendeels onderdeel uitmaken van
het bodembeheer (ploegen, vals zaaibed, wiedeggen, volvelds of tussen de rijen schoffelen,
handmatig onkruid bestrijden). Voor deze niet-chemische opties is echter veelal extra fossiele
brandstof nodig. Ook zijn er niet voor alle omstandigheden goede niet-chemische technieken
beschikbaar. Problemen zijn er met name in fijnzadige gewassen en ook de effectieve
beheersing van wortelonkruiden stuit nog op problemen. Verder ligt er een uitdaging voor
de fysische onkruidbeheersing in diverse niet-kerende grondbewerkingssystemen, vooral bij
weinig losse grond en in situaties met veel gewasresten/groenbemesters. Zo is bij no till de
beheersing van groenbemesters en onkruiden zonder chemie moeilijk. Voor een succesvolle
mechanische onkruidbestrijding zijn losse grond, precies werken en tijdige uitvoering van
de bewerkingen noodzakelijk. Voor verdere verduurzaming liggen er goede kansen via
precisietechnieken (onkruidherkenning, lage- en plaatsspecifieke dosering), al dan niet
gekoppeld aan systemen met vaste rijpaden.
B O D E M B E H E E R : D E T O O L K I T VA N D E O N D E R N E M E R
51
52
4
KNELPUNTEN EN
OPLOSSINGSRICHTINGEN
Doelen van duurzaam bodembeheer kunnen met elkaar conflicteren en
dus knelpunten opleveren. Zo streeft de ondernemer naar een renderende
bedrijfsvoering, wat bijdragen aan milieu, klimaat of natuur op korte termijn
in de weg kan staan. Beheermaatregelen die meer kosten dan opleveren,
vallen daarom snel af. Conflicten treden niet alleen op tussen economie en andere
duurzaamheidsdimensies, maar ook tussen deze dimensies onderling. Zo kan met een
bepaald beheer het klimaat goed bediend worden, maar het milieu juist worden benadeeld.
Het komt aan op oplossingsrichtingen en innovaties die knelpunten opheffen en zo meerdere
bodemdoelen tegelijk bedienen. Drie onderwerpen zijn zo sterk met het functioneren
van de bodem verbonden, dat ze een centrale plaats op de kennisagenda verdienen. Ze
worden daarom als speerpunten aangeduid. Het gaat om: beheer van organische stof en
bodemvruchtbaarheid, beheer van bodemstructuur, en beheer van bodembiodiversiteit
en bodemweerbaarheid. Daarnaast zijn er drie speerpunten die weliswaar minder gericht
zijn op bodemeigenschappen, maar wel van groot belang zijn voor de transitie naar een
duurzamer bodembeheer: beheer van bovengrondse biodiversiteit; bodembeheer in relatie tot
waterhuishouding; en kosten, baten en adoptie van duurzaam bodembeheer.
4.1 WAT ZIJN KNELPUNTEN BIJ DUURZAAM
BODEMBEHEER?
Knelpunten zijn – in deze notitie – conflicten tussen beheerdoelen, waarvoor in de huidige
praktijk nog geen breed geaccepteerde oplossing bestaat. Het kan zijn dat er geen maatregel
of beheersysteem bekend is dat teeltkundig afdoende werkt, dat een effectieve maatregel
nog onvoldoende bekend, toepasbaar of te duur is of dat alternatieve beheersopties andere
ongewenste gevolgen hebben voor ondernemer of samenleving.
Vaak zal het gaan om strijdigheid tussen economie en andere doelen. Een renderende
bedrijfsvoering is voor de ondernemer vanzelfsprekend van levensbelang en beheeropties
54
HOOFD
STUK
4
die meer kosten dan ze opleveren vallen al snel af. Daarnaast zijn er ook veel knelpunten te
noemen die, los van de economische context, voortkomen uit biofysische wetmatigheden
waardoor met bepaald beheer de ene duurzaamheiddimensie (bijvoorbeeld klimaat) goed
bediend wordt maar een andere (bijvoorbeeld milieu) juist benadeeld. Verder zijn er knelpunten
die in eerste instantie voortkomen uit wet- en regelgeving, maar uiteindelijk vaak terug te
voeren zijn op conflicten tussen economie en overige dimensies van duurzaamheid.
Knelpunten zijn veelal verbonden aan specifieke onderdelen van het handelingsrepertoire
van de ondernemer (bijvoorbeeld rond grondbewerking of vruchtwisseling). Ook knelpunten
met een meer algemeen karakter, zoals verdroging of het verlies van biodiversiteit op
het platteland door algemene ontwikkelingen in de landbouw, zijn terug te voeren op
beheerstrategieën van de ondernemers. Schaalvergroting, specialisatie, intensivering van
bouwplannen, gebruik van inputs en efficiënte mechanisatie zonder oogstverliezen spelen
hierbij immers een belangrijke rol. Van de verschillende typen knelpunten geven we ter
illustratie slechts enkele voorbeelden, zonder verdere poging tot classificatie:
t
door specialisatie, en daardoor vernauwing van rotaties, vinden steeds meer
teelten plaats op gehuurd land. Vanwege een steeds geringere betrokkenheid
van de grondeigenaar bij de primaire productie is er niemand die de
bodemkwaliteit op langere termijn bewaakt
t
grootschalige, bodemonvriendelijke mechanisatie onder de huidige, gangbare
omstandigheden is noodzakelijk voor een positief bedrijfsrendement, maar is
slecht voor de bodemstructuur en daarmee samenhangende functies (impact
op o.a. water, klimaat)
t
grasland wordt gescheurd en vernieuwd om de zodekwaliteit te verbeteren
(productie, economie), maar daarbij komen grote hoeveelheden CO 2 (klimaat)
en nitraat (milieu) vrij
t
om stikstofverliezen in de winter te beperken schrijft de wet voor dat
mest op kleibouwland niet meer in het najaar mag worden toegediend.
Voorjaarstoediening verhoogt het risico op structuurbederf (met impact op
water en economie), beperkt de mogelijkheid om vroeg te zaaien (economie)
en vereist de ontwikkeling van nieuwe mechanisatie
t
het inwerken van stikstofrijke gewasresten beperkt emissie van ammoniak
KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN
55
(milieu), maar stimuleert de productie van lachgas (klimaat)
t
minder intensieve of minder frequente grondbewerking spaart diesel (klimaat,
milieu), maar gaat vaak gepaard met verhoogde inzet van herbiciden (milieu)
4.2 INVENTARISATIE
VAN KNELPUNTEN IN DE
NEDERLANDSE LANDBOUW
Een kennisagenda moet gericht zijn op het oplossen
van knelpunten rond duurzaam bodembeheer,
en op het (verder) ontwikkelen van mogelijke
oplossingsrichtingen hiervoor. Dit vereist eerst een
overzicht van de knelpunten en oplossingsrichtingen.
In bijlage IV staat een overzicht voor de belangrijkste
grondsoort-sectorcombinaties:
t
grasland op zand
t
grasland op klei
t
grasland op veen
t
akkerbouw en vollegrondsgroenten op zavel en klei
t
akkerbouw op zand in regio Noordoost
t
akkerbouw en vollegrondsgroenten op zand in regio Zuidoost
t
löss (alle sectoren)
t
bollenteelt
t
boomkwekerij
t
fruitteelt
De tabellen in bijlage IV vormen een belangrijk onderdeel van deze notitie. Aanvankelijk werd
gepoogd om de knelpunten van elke afzonderlijke sector te prioriteren. Daar is uiteindelijk
vanaf gezien. Zolang er niet één gemeenschappelijke grondslag bestaat waarmee het
belang van economie, natuur, milieu, klimaat et cetera is uit te drukken, zal de prioritering
sterk afhangen van de beschouwer. Sommige reviewers van deze notitie oordeelden dat de
56
HOOFD
STUK
4
opsomming van knelpunten teveel vanuit ondernemersperspectief gezien is. De werkgroep is
echter van mening dat de genoemde knelpunten zowel private als publieke doelen in de weg
staan. Beheer dat als ‘onduurzaam’ wordt gezien, wordt uitgevoerd omdat alternatief beheer
technisch nog niet mogelijk of inpasbaar is, economisch niet rendeert, onbekend is of nieuwe
knelpunten oproept. In al deze gevallen is het wegnemen van de knelpunten in het belang
van zowel de ondernemer als de samenleving. Natuurlijk kan duurzamer beheer enigszins
worden afgedwongen door wet- en regelgeving. Deze notitie is echter niet gericht op de
onderbouwing daarvan.
Om tot de opsomming van knelpunten in bijlage IV te komen, werden de knelpunten eerst
per beheerdoel (tabel 2.1) en per beheercluster (A t/m E, respectievelijk vruchtwisseling,
waterhuishouding, grondbewerking, bemesting, gewasbescherming) geïnventariseerd. Het
resultaat daarvan is opgenomen als bijlage V.
Richten bijlagen IV en V zich niet te veel op huidige knelpunten, terwijl een kennisagenda toch
op de toekomst gericht moet zijn? Om deze vraag te beantwoorden, brachten de werkgroep
en betrokken stakeholders hun verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen in beeld
(bijlage III). Op grond van deze verwachtingen rond maatschappij, economie en klimaat meent
de werkgroep dat veel van de huidige knelpunten in de komende jaren zullen blijven bestaan
en vaak juist versterkt zullen worden. Dit komt onder andere door:
t
toenemende eisen rond productkwaliteit (onder andere residuen, fytosanitaire
regels, vorm en afmeting van producten)
t
wereldwijde toenemende voedselvraag en ‘competing claims’ op landareaal
t
grilliger weer door klimaatverandering
t
maatschappelijke wens tot reductie van broeikasgassen vanuit de landbouw
t
toenemend belang van kringlopen en retourstromen
t
‘wegzuiging’ van organische materialen voor biobrandstoffen
t
schaalvergroting en specialisatie
t
verdere verlaging van gebruiksnormen voor meststoffen
t
afnemende beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen
t
verweving, ruimte voor natuur, ruimte voor klimaat, ruimte voor water
t
ruimte voor biodiversiteit in de weide en op de akker
KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN
57
Daartegenover staat dat ook de technologische ontwikkeling voortschrijdt, die nieuwe
mogelijkheden brengt voor een duurzamer beheer. Die kansen moeten goed benut worden bij
het ontwikkelen van oplossingsrichtingen.
Bij het inventariseren van de knelpunten is er geen onderscheid gemaakt tussen
biologische en gangbare landbouw, hoewel de prioritering van knelpunten en mogelijke
oplossingsrichtingen voor beide typen landbouwsystemen soms zullen verschillen. De
biologische landbouw hecht een groot belang aan de ontwikkeling van teeltsystemen met
meer vruchtwisseling, betere bodemstructuur en goede mogelijkheden voor mechanisch/
fysische onkruidbestrijding. Problemen rond bodemgezondheid worden in de biologische
landbouw minder als knelpunt aangewezen. Waar ze optreden hangen problemen vaak samen
met te nauwe rotaties, het gebruik van klaver als groenbemester, verondersteld slechte
kwaliteit van organische stof en slechte bodemstructuur. Soms worden bestaande problemen
ook minder gevoeld, bijvoorbeeld Verticiullium dahliae of Pratylenchus penetrans in aardappel,
ziekten die later in het seizoen niet tot uitdrukking komen omdat al vroeg loof wordt gebrand
wegens Phytophthora infestans. Een ander voorbeeld is aantasting in peen door Meloidogyne
hapla, waar handmatig uitsorteren mogelijk is door de hogere prijs voor biologische peen.
4.3 VERDUURZAMING: WIE BETAALT?
Voor alle technologische innovaties ten dienste van een duurzamer
bodemgebruik geldt dat er uiteindelijk voldoende economisch
perspectief moet zijn – voor eindgebruiker en investerend bedrijfsleven
– om ze tot werkelijk bruikbare toepassingen te kunnen ontwikkelen.
Veel nieuwe ontwikkelingen stranden, omdat ze economisch niet
haalbaar zijn. Dit geldt overigens ook voor laagtechnologische
maatregelen zoals verruiming van de vruchtwisseling – binnen of
tussen bedrijven. Daarmee zouden in veel systemen meerdere vliegen
in één klap geslagen kunnen worden, maar dat gebeurt niet wegens
verwachte inkomensderving.
58
HOOFD
STUK
4
Meestal is geen van de partijen (producent, keten, consument of samenleving) in principe
bereid om blijvend extra te betalen voor een duurzamer productiewijze. Een uitzondering
vormt de consument van biologische producten, die vrijwillig bereid is te betalen voor een
eigen productiewijze. In het algemeen worden in het huidige marktstelsel de maatschappelijke
kosten echter veelal niet in de productprijs verrekend. Uiteraard strekt dit probleem
veel verder dan alleen bodembeheer. Via een strak en consequent wettelijk kader dat
(internationaal) dwingt tot vergelijkbare duurzaamheidsprestaties bij producenten, zou de
consument gedwongen kunnen worden de werkelijke prijs, dus inclusief de nu afgewentelde
kosten, te betalen. Zolang dat niet gebeurt, vormen rechtstreekse betalingen van de
samenleving aan de landbouw een zinvol alternatief, zoals in GLB-kader voor geleverde groene
en blauwe diensten. Deze route zou ook in het kader van bodembeheer verder verkend
kunnen worden, bijvoorbeeld bij het wegnemen van renderende maar sterk milieubelastende
teelten in bepaalde regio’s.
4.4 VISIE: SPEERPUNTEN MET SYNERGIE
Voornoemde schema’s reiken ver buiten hetgeen bereikt kan worden via kennisbeleid.
Bij verduurzaming via kennisbeleid zal vooral gezocht moeten worden naar innovaties en
maatregelen die zoveel synergie met zich brengen dat ze op enige termijn zonder extra
subsidies of beloningen rendabel zijn.
Om hiertoe te komen is eerst de lijst van knelpunten op hoofdlijnen samengevat. Vrijwel
alle landbouwsystemen (de hierboven gegeven combinaties van sector en grondsoort)
in Nederland zijn intensief, wat deels samenhangt met hoge grondprijzen. De arbeids- en
hectareopbrengst worden gemaximaliseerd door nauwe vruchtwisseling, veelvuldig gebruik
van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, beperking van de arbeidsbehoefte
door opschaling en specialisatie, en gebruik van grotere en zwaardere machines. Deze
productiewijze belast het milieu en omliggende ecosystemen, vereist een hoge inzet
van brandstof en andere grondstoffen, brengt grootschalig verlies van biodiversiteit op
akkers en weiden, geeft een hoge mechanische belasting van de bodem en een hoge
KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN
59
chemische belasting van het bodemecosysteem. Daarnaast zijn er opgaven vanuit de
klimaatproblematiek, enerzijds vanwege de noodzaak om teeltsystemen robuuster te maken
tegen verondersteld grilliger weersverlopen en anderzijds vanwege de wens tot reductie van
broeikasgassen uit de landbouw en benutting van de bodem voor de opslag van koolstof.
Slechts een klein deel van deze problemen is vooralsnog via wetgeving aangepakt. Het
gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen is reeds drastisch beperkt en
deze beperkingen zullen de komende jaren verder worden aangescherpt . Daarmee groeit
de behoefte aan beheeropties die met minder inputs toekunnen. De innovatiebehoefte is
echter breder, zoals hiervoor aangegeven, om problemen rond bodemstructuur, klimaat en
biodiversiteit aan te kunnen pakken, al dan niet ondersteund door wetgeving.
Bij het zoeken naar oplossingsrichtingen om de vele knelpunten tegelijk aan te pakken,
springen drie onderwerpen eruit die zo sterk verbonden zijn met het gehele functioneren
van de bodem, dat ze een centrale plaats op de kennisagenda verdienen en daarom als
speerpunten worden aangeduid. De speerpunten zijn:
t
beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid
t
beheer van bodemstructuur
t
beheer van bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid
Bij een verlaagde inzet van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en brandstof moet het
bodemsysteem zélf optimaal ontwikkeld worden om de functies van nutriëntenconservering
en -buffering, ziektewering en structuurvorming zo goed mogelijk te vervullen. Dit vereist een
goede ontwikkeling van de bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid, die op hun beurt
afhangen van voldoende aanvoer van vers organisch materiaal en van goede waterhuishouding
en aeratie. Deze laatste twee hangen weer sterk samen met bodemstructuur, naast
de belangrijke invloed van de externe waterhuishouding. Ook de bodemstructuur en
bewortelbaarheid hangen sterk af van de aanvoer van organische stof, maar daarnaast
natuurlijk ook van grondbewerking en belasting door berijding. Bodemvruchtbaarheid en
organische stof zijn onderling sterk gekoppeld en zijn daarom onder één noemer gebracht.
Duurzaam bodembeheer moet dus gericht worden op het optimaal beheren van de
genoemde drie (samengestelde) bodemkenmerken. We verwijzen nogmaals naar figuur
60
HOOFD
STUK
4
3.1 om hun centrale plaats te onderstrepen. In bijlage IV is aangegeven welke van de
knelpunten samenhangen met deze drie kenmerken. Tabel 4.1 laat zien welke dimensies van
duurzaamheid bediend kunnen worden via kennisbeleid gericht op deze drie speerpunten.
Daarnaast zijn twee andere speerpunten in de tabel opgenomen (Deze andere twee
speerpunten worden later toegelicht).
E
TI
LA NG
RE DI
IN OU
H
ER IS
HE HU
BE R
SE
M AT E
ND
DE W
RO
BO T
NG IT
TO
VE ITE
BO S
IT
N ER
TE
VA D I V
SI
ER BIO
ER D
IV EI
HE
OD RH
BE
BI A
M BA
DE ER
BO WE
N M
R
VA D E
UU
O
CT
ER B
RU
HE EN
ST
BE
M
DE
OF
BO
ST ID
N
VA
HE HE
ER
SC AR
NI BA
HE
GA HT
BE
OR UC
N VR
VA E M
ER OD
HE B
BE EN
Beheerdoel
1. Hoge productkwaliteit en
productiviteit per ha
2. Lage arbeidsbehoefte
3. Lage energiebehoefte (diesel)
4. Lage nutriëntenbehoefte (input), hoge
-benutting, lage -emissies,
lage -accumulatie, hoge -conservering
5. Weerbaarheid: lage behoefte aan
chemische gewasbescherming (ziekten,
plagen, onkruiden)
6. Hoge afbraak van verontreinigingen
7. Goede waterregulering (infiltratie, geen
afstroming, interne drainage,
vochthoudend vermogen, lage
beregeningsbehoefte)
Tabel 4.1. Potentiële bijdragen van de speerpunten aan het bereiken van beheerdoelen.
Geen bijdrage
Bijdrage
Sterke bijdrage
KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN
61
E
TI
LA NG
RE DI
IN OU
H
ER IS
HE HU
BE R
SE
M TE
A
ND
DE W
RO
BO OT
NG IT
T
VE TE
I
BO S
IT
N ER
TE
VA D I V
SI
ER BIO
ER D
IV EI
HE
OD RH
BE
BI A
M BA
DE ER
BO WE
N M
R
VA D E
UU
O
CT
ER B
RU
HE EN
ST
BE
M
DE
OF
BO
ST ID
N
VA
HE HE
ER
SC AR
NI BA
HE
GA HT
BE
OR UC
N VR
VA E M
ER OD
HE B
BE EN
Beheerdoel
8. Ruime tijdvensters voor
werkzaamheden (berijding,
bewerking, oogst)
9. Bijdrage aan mitigatie
broeikasgassen (lage emissies
CO2, methaan en lachgas; hoge
opslag C)
10. Geen degradatie door grondverlies
(wind- en watererosie), verzilting of
besmetting met (quarantaine)ziekten
11. Ruimte voor biodiversiteit
(bovengronds, ondergronds) door voedsel
en habitat te verschaffen
12. Behoud van cultuurhistorisch
patrimonium (bodemarchief, elementen
cultuurlandschap)
13. Sluiten van kringlopen/gebruik
reststromen
14. Behoud van potentiële functies, met
name biotische (voorkomen van
irreversibel functieverlies)
Tabel 4.1. Potentiële bijdragen van de speerpunten aan het bereiken van beheerdoelen.
Geen bijdrage
62
HOOFD
STUK
4
Bijdrage
Sterke bijdrage
De sterke onderlinge verbondenheid tussen de drie speerpunten kan de kritiek oproepen
dat ze juist daarom niet gescheiden genoemd zouden moeten worden. Toch is dat nodig.
Weliswaar zal een belangrijk deel van de kennisagenda gericht moeten zijn op de ontwikkeling
van deze onderwerpen in hun onderlinge samenhang (systeemonderzoek), maar daarnaast
is er behoefte aan kennis en innovatie op elk van deze drie afzonderlijke onderwerpen. Dat
vereist zelfstandige sporen van kennisontwikkeling en innovatie. Vanzelfsprekend moeten de
resultaten uiteindelijk wel weer getoetst worden in een bredere context.
Meteen moet hier toegevoegd worden dat dit trio van speerpunten
niet de panacee zal blijken, waarmee alle knelpunten opgelost of
zelfs maar aangepakt kunnen worden. Genoemde samenhangen
mogen intussen door velen onderschreven worden, er bestaat weinig
goed getoetste kwantitatieve kennis over. Hoe ver kunnen we langs
deze weg komen? Wat is de economische haalbaarheid op korte en
lange termijn van beheer dat zich expliciet richt op het optimaliseren
van deze kenmerken? Dit zijn nog grote vraagtekens. Als een visie
de aanduiding is van een route die op subjectieve gronden kansrijk
wordt geacht, maar tegelijk onzeker is, dan is de selectie van deze
onderwerpen als hoofdstructuur voor een kennisagenda de kern
van de gevraagde visie. Juist vanwege die onzekerheid zal bij de
uitwerking voldoende aandacht gegeven moeten worden aan het
kwantificeren van de impact van alternatief beheer op alle genoemde doelen.
De werkgroep stelt verder voor om drie andere belangrijke onderwerpen hoog op de
kennisagenda te zetten en duidt deze daarom eveneens als speerpunten aan:
t
beheer van bovengrondse biodiversiteit
t
bodembeheer in relatie tot waterhuishouding
t
kosten, baten en adoptie van duurzaam bodembeheer
Deze onderwerpen zijn van andere aard dan de voorgaande. Zeggenschap over de
waterhuishouding ligt vrijwel overal buiten de bevoegdheid van de individuele ondernemer.
Waterbeheer is altijd een regionale aangelegenheid. Invloed geven aan individuele
KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN
63
ondernemers vereist een hoge mate van afstemming, naast technische aanpassingen
in de inrichting van het watersysteem. Peilbeheer beïnvloedt in sterke mate een aantal
functionele eigenschappen, waaronder begaanbaarheid en bewerkbaarheid, ziektedruk,
haalbare opbrengst en nutriëntenbenutting (zie hoofdstuk 3). Het is denkbaar dat bij een
grilliger neerslagpatroon het belang van lokale ‘fine tuning’ groter zal worden. Er zijn op dit
gebied enkele succesvolle projecten geweest, die navolging verdienen en kansen bieden om
opbrengstderving door extremen te beperken, vooral in zandgebieden. Dit onderwerp kan
moeilijk in klassieke experimenten of in systeemonderzoek aangepakt worden. Een meer
voor de hand liggende aanpak is regionale projecten met groepen ondernemers, die in nauw
overleg met stakeholders worden opgezet en uitgevoerd.
Een belangrijk voorbeeld van onduurzaam beheer, waar het gaat om mitigatie van de
klimaatproblematiek, is het veenweidegebied. Jaarlijks oxideert daar een organische
bodemlaag van een aantal millimeters dikte tot CO2. De mogelijkheid tot berging van koolstof
in de Nederlands akkerbouw staat in geen verhouding tot dit enorme verlies. De problematiek
hangt direct samen met de waterhuishouding, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat kennis en
innovatie hier een rem op kunnen zetten. De oorzaken zijn genoegzaam bekend. Wel kan
inpassing van mitigerende maatregelen in de bedrijfsvoering een onderwerp zijn voor het
kennisbeleid.
Met kennis en innovatie op de eerste drie speerpunten en op de relatie bodem-water is één
belangrijk knelpunt nog niet gediend: het snelle en grootschalige verlies aan biodiversiteit in
de Nederlandse landbouw. Het gaat hier niet alleen om biodiversiteit in de bodem (dat al deel
uitmaakt van de eerste drie speerpunten) maar juist ook om bovengrondse biodiversiteit.
Natuurlijk zijn deze twee categorieën niet strikt te scheiden. Ook is er weinig bekend over
de samenhang daartussen. Evenmin willen we hier onderscheid maken tussen wat soms als
functionele en niet-functionele biodiversiteit wordt aangeduid. Waarom moet functionaliteit een
criterium zijn bij de vaststelling of organismen het behouden waard zijn? Wat is de functie van
de veldleeuwerik voor de landbouw en samenleving? Het verlies aan biodiversiteit is weliswaar
grootschalig maar tegelijk (of juist daarom) ook sluipend. Wie valt het op dat genoemde
zanger boven de Nederlandse akker in de laatste drie decennia met 95% (!) afnam? Net als
bij de teruggang van vele insecten en planten liggen er sterke verbindingen met gewas- en
64
HOOFD
STUK
4
bodembeheer, waaronder onkruidbeheersing en gewasrestenbeheer. De werkgroep pleit
ervoor om als deel van de bodemagenda, apart in te zetten op dit thema van biodiversiteit
omdat het niet vanzelf zal meelopen met verbeteringen op eerdergenoemde speerpunten.
Ontwikkeling van biodiversiteit vereist specifieke maatregelen die niet voor andere
doeleneinden genomen worden. Integendeel, ze zullen soms complicerend ingrijpen op het
overige bodembeheer.
In hoofdstuk 5 worden per speerpunt de belangrijkste kennisvragen en innovatie opgaven
uitgewerkt.
KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN
65
66
5
BOUWSTENEN VOOR
EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM
BODEMBEHEER
Dit hoofdstuk geeft bouwstenen voor een kennisagenda. Voor elk van de zes
speerpunten voor een duurzaam bodembeheer wordt de stand van kennis,
innovaties en kennishiaten gegeven. Het overzicht geeft dus aan waar de
komende jaren aan gewerkt kan worden. Het is van belang om bij kennis- en
innovatieontwikkeling gebruik te maken van de innovatieve kracht van de ondernemers en
het toeleverend bedrijfsleven door samen te werken en kennis en ervaringen te delen. Dit
bevordert ook de kennisverspreiding naar de praktijk. Voor kennisontwikkeling zijn systeemen thematisch onderzoek nodig. Systeemonderzoek waarbij maatregelen en innovaties in
onderlinge afstemming worden ontwikkeld, draagt bij aan geïntegreerde beheersystemen. Met
doelgericht thematisch onderzoek is snel vooruitgang te boeken op specifieke aspecten, en is
een bredere variatie van praktijksituaties te bestrijken.
Bij een breed gedragen kennisagenda hoort een evenwichtige inzet van middelen door
de diverse belanghebbende partijen. Dit vereist intensief overleg tussen overheid en
belanghebbenden om tot gezamenlijke prioritering te komen.
5.1 KENNISAGENDA EN BO-PROGRAMMERING
Een kennisagenda is een samenhangend plan voor de ontwikkeling, verspreiding (praktijk
en onderwijs) en implementatie van kennis, dat bijdraagt aan het bereiken van gestelde
beleidsdoelen (zie hoofdstuk 1). Hier betekent dat: kennis die bijdraagt aan een brede
verduurzaming van plantaardige productieketens, met oog voor alle eerdergenoemde
dimensies van duurzaamheid (economie, milieu, natuur, water, klimaat en het welzijn van de
mens).
Deze notitie beoogt een structuur aan te reiken die het Ministerie van EL&I houvast biedt
bij het organiseren en verder ontwikkelen van een kennisagenda, gericht op verduurzaming
van het bodembeheer in de Nederlandse landbouw. Het nieuwe beleidsondersteunend (BO)
Programma Duurzame en Gezonde Bodem (2011) maakt van die kennisagenda een belangrijk
onderdeel uit. Daarmee dient deze notitie dan ook de afbakening en ontwikkeling van dat
68
HOOFD
STUK
5
programma.
Toch geeft de werkgroep in dit hoofdstuk een breder overzicht van benodigde stappen om het
bodembeheer in de landbouw duurzamer te maken. De stappen zijn zo talrijk, veelomvattend
(kennis) en vaak ingrijpend (praktijk), dat ze niet alle aan bod kunnen komen in een BOprogramma dat – noodzakelijkerwijs – beperkt van omvang is. Dit hoofdstuk geeft aan welke
stappen naar het oordeel van de werkgroep belangrijk zijn. Verdere prioritering is nodig om
tot een evenwichtige invulling van het beoogde BO-programma te komen.
Dit overzicht kan daarnaast óók benut worden als raamwerk bij het aansturen van
ander onderzoek dat verband houdt met bodembeheer, zoals onderzoek uitgevoerd in
WUR-KennisBasis (KB) verband. Tevens kan dit hoofdstuk gebruikt worden door andere
stakeholders die, zelfstandig of in aansluiting op voornoemde programmering, via
kennisbenutting willen bijdragen aan een duurzamer gebruik van de bodem. Daartoe worden
vele aanknopingspunten aangereikt.
AFBAKENING
De hiaten in kennis (ontwikkeling, verspreiding, implementatie) die in dit hoofdstuk worden
opgesomd, zijn aangeduid op grond van de verwachting dat het ‘vullen’ van deze hiaten de
ondernemer daadwerkelijk zal helpen bij het duurzamer beheren van de bodem. Daarmee
kan hij de landbouwkundige productie en de kwaliteit van de producten verhogen en tevens
andere functies – of dimensies van duurzaamheid – bedienen. Het handelingsperspectief van
de ondernemer en de door hem gevoelde knelpunten hebben veel gewicht gekregen. Grof
samengevat (zie knelpunten hoofdstuk 4) bestaan in de landbouwpraktijk vooral zorgen rond:
t
de opbouw en handhaving van de productiviteit van de grond
t
het werken met minder gewasbeschermingsmiddelen (wettelijke beperkingen)
t
het werken met minder meststoffen (wettelijke beperkingen)
t
negatieve gevolgen van schaalvergroting: toenemende inzet van zware
machines en als gevolg daarvan aantasting van de bodemstructuur
t
de omgang met veranderde waterregimes (extremen in het weer,
aanpassingen van de waterhuishouding omwille van natuurdoelen)
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
69
Naast de bedrijfsmatige doelen van de ondernemer zijn er duurzaamheidsdoelen die vanuit
maatschappelijke wensen voortkomen maar wel degelijk ook van belang kunnen zijn voor
de individuele ondernemer, afhankelijk van zijn betrokkenheid hierbij, en de specifieke
bedrijfssituatie:
t
reductie van energiegebruik
t
reductie van het gebruik van eindige grondstoffen (bijvoorbeeld fosfaat)
t
reductie van emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen
t
terugdringing van de emissie van broeikasgassen
t
meer biodiversiteit in de bodem en op het veld
De bouwstenen voor een kennisagenda in dit hoofdstuk zijn gericht op het beter functioneren
van een gezonde bodem als productiefactor. Dit maakt een hoge productiviteit van het land
mogelijk met beperkte inputs en lage emissies. Daarmee wordt aan beide typen knelpunten
tegemoet gekomen: die vanuit het economisch perspectief van de ondernemer en die vanuit
maatschappelijke duurzaamheidswensen.
De keuze van de onderwerpen voor een kennisagenda is subjectief. Hier is zoveel mogelijk
gestreefd naar een selectie van onderwerpen, waarmee het aantal duurzame beheeropties
(systemen, technieken, maatregelen) voor de ondernemer kan worden vergroot. Door de
keuze valt een aantal terreinen grosso modo buiten het bestek van deze notitie, hoewel er
overduidelijk wel veel raakvlakken mee bestaan. Het gaat om:
t
kennis ter onderbouwing of handhaving van wet- en regelgeving
(voor meststoffen, fytosanitaire maatregelen, gewasbescherming,
bodemverontreiniging)
t
kennis voor de inrichting en het beheer van de groene ruimte (anders
dan landbouw), waaronder kennis voor groen-blauwe diensten en voor
beheerslandbouw
t
kennis voor natuurbeheer
t
kennis voor monitoring in het kader van nationale of internationale
overeenkomsten (bijvoorbeeld KRW, NEC, Nitraatrichtlijn)
t
kennis ter verbetering van bestuurlijke organisatie (relaties tussen nationale
en lagere overheden en bestuursorganen)
70
HOOFD
STUK
5
De uitsluiting van de genoemde terreinen heeft niet alleen te maken met de hier gekozen
nadruk op verduurzaming via de toolkit van de ondernemer, maar óók met het gegeven dat
onderzoek en kennisbenutting op deze ‘andere’ terreinen dermate uitgebreid zijn, dat een
consolidatie (aanduiden van de stand van zaken en hiaten) niet uitgevoerd kon worden in het
bestek van deze studie.
VAN KNELPUNTEN NAAR SPEERPUNTEN
De complexiteit van de bodem en het bodembeheer, het
belang van de bodem als productiefactor voor agrarisch
ondernemers alsook de maatschappelijke wensen voor een
duurzaam bodembeheer zijn beschreven in hoofdstuk 2 en 3.
Uit het streven naar een bodembeheer dat gelijktijdig bijdraagt
aan meerdere dimensies van duurzaamheid vloeien knelpunten
voort. Deze zijn in hoofdstuk 4 benoemd alsook een aantal
ontwikkelingen die bepaalde knelpunten versterken of nieuwe oproepen. Daarnaast zijn bij de
knelpunten ook mogelijke oplossingsrichtingen aangegeven.
Uitgaande van het ondernemersperspectief, maatschappelijke duurzaamheidswensen,
knelpunten en oplossingsrichtingen zijn ter afsluiting van hoofdstuk 4 zes speerpunten
benoemd:
t
beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid
t
beheer van bodemstructuur
t
beheer van bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid
t
beheer van bovengrondse biodiversiteit
t
bodembeheer in relatie tot waterhuishouding
t
kosten, baten en adoptie van duurzaam bodembeheer
Dit zijn de terreinen waarop meer kennis en innovatie ontwikkeld en benut zouden moeten
worden, om tot een duurzamer bodembeheer te komen. In tabel 4.1 werd samengevat
aan welke aspecten van duurzaam bodembeheer (beheerdoelen) kennis en innovatie uit de
onderscheiden speerpunten kunnen bijdragen.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
71
De eerste drie speerpunten zijn gericht op de drie centrale bodemkenmerken. Ze vormen de
schakels tussen het bodembeheer en de bodemfuncties (hoofdstuk 3, figuur 3.1). Ze worden
door vele maatregelen beïnvloed en beïnvloeden op hun beurt vele gewenste functionele
bodemeigenschappen, die een gezonde en productieve bodem maken. De overige drie
speerpunten zijn van andere aard – minder strikt op bodemeigenschappen gericht – maar
hebben eveneens een groot belang in de transitie naar een werkelijk duurzamer beheer van de
bodem (zie tabel 4.1). Voor elk speerpunt is in paragraaf 5.2 gepoogd een overzicht te geven
van de stand van zaken rond kennis en innovatie en van hiaten die aangepakt zouden moeten
worden.
Overeenkomstig eerdere hoofdstukken wordt ook hier de biologische landbouw niet apart
behandeld. Bij de verdere ontwikkeling van de beoogde kennisagenda zal aandacht gegeven
moeten worden aan de vraag wáár gangbaar en biologisch samen kunnen lopen en waar ze
een aparte ontwikkeling vergen. De biologische landbouw kan door haar integrale ambities
ten aanzien van duurzaamheid zeker inspiratie bieden voor de gangbare landbouw. Het
verbinden van biologische en gangbare landbouw in de toekomstgerichte vraagstellingen rond
verduurzaming leidt tot verbreding en differentiatie van de kennisagenda. Dit kan bijdragen aan
het vinden van goede oplossingen voor duurzaamheidvraagstukken. Het proces van innovatie
en verduurzaming kan zo worden verbreed, verdiept en versneld.
5.2 STAND VAN ZAKEN EN BENODIGDE ACTIES
PER SPEERPUNT
Veel onderwerpen die bij de speerpunten worden genoemd, zijn al opgenomen in
onderzoeksprogramma’s of waren dat in het verleden. Hierna volgt een kort overzicht van
de belangrijkste onderwerpen per speerpunt. Daarbij wordt vermeld waar al voldoende
kennis beschikbaar is maar mogelijk nog kennisverspreiding nodig is, welke onderwerpen
in onderzoek zijn en welke kennishiaten de komende jaren aandacht verdienen in een
kennisagenda.
72
HOOFD
STUK
5
Alle zes speerpunten zijn van belang voor een brede verduurzaming van het bodembeheer
in de Nederlandse landbouw. Toch wordt in de uitwerking hierna een onderscheid gemaakt
tussen de eerste drie speerpunten die ondubbelzinnig deel uitmaken van het kennisdomein
bodem (paragraaf 5.2.1-5.2.3) en de speerpunten die veel raakvlakken hebben met andere
kennisdomeinen (paragraaf 5.2.4-5.2.6). Terwijl de eerste drie speerpunten min of meer
de traditionele deelterreinen van de bodemkunde, agronomie, gewasbescherming en
landbouwtechniek omvatten, maken de punten in de paragrafen 5.2.4-5.2.6 niet alleen deel uit
van het kennisdomein bodem, maar óók van de veel bredere domeinen biodiversiteit, water,
economie en communicatie. Het was daarom voor de werkgroep bij het opstellen van deze
notitie niet goed mogelijk om de laatstgenoemde onderwerpen uit te werken tot beknopte
overzichten van bestaande kennis en benodigde acties, wat voor de eerste drie speerpunten
wel gedaan is (tabellen 5.1-5.3 met bijbehorende toelichting). Voor verdere achtergronden van
de speerpunten wordt verwezen naar bijlage VI.
5.2.1 BEHEER VAN ORGANISCHE STOF EN
BODEMVRUCHTBAARHEID
Onder dit speerpunt valt onderzoek naar strategieën om de chemische bodemvruchtbaarheid
en het organische stofgehalte op peil te houden, onderzoek naar de rol van organische stof en
organische inputs bij opbrengstvorming en nutriëntenbenutting én onderzoek om de benutting
van meststoffen te verhogen. De stand van zaken rond deze aspecten wordt hieronder kort
toegelicht.
ORGANISCHE STOF IN DE BODEM
Het belang van organische stof (OS) voor de bodemvruchtbaarheid is al meer dan honderd
jaar een bron van controverse in het landbouwkundig onderzoek. Volgens sommigen zijn
positieve effecten van organische stof of van organische bemesting terug te voeren op de
verhoogde aanvoer van nutriënten (met de gebruikte organische inputs); anderen menen
dat de aanwezigheid en/of de aard van organische stof zélf invloed hebben op de haalbare
opbrengst. De mechanismen daarachter zijn moeilijk te achterhalen en te generaliseren
wegens de vaak lange vereiste looptijd (decennia), de invloed van lokale omstandigheden
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
73
(grondsoort) en de invloed van andere aan behandelingen gekoppelde factoren (zoals rotatieeffecten op structuur en bodemgezondheid). Omdat er in Nederland geen langlopende
onderzoeken naar organische stof zijn, zijn we in belangrijke mate aangewezen op
experimenten in het buitenland.
In een recent uitvoerige studie van meerdere langlopende experimenten in het Verenigd
Koninkrijk1 wordt geconcludeerd dat, alles in aanmerking genomen, er een positieve en soms
grote invloed is van organische stof op de opbrengst van rooigewassen en zomergranen maar
meestal niet van wintergranen. Soms werd de invloed pas zichtbaar na de introductie van
hoogproductieve rassen.
In Nederland hecht de praktijk veel waarde aan de OS-voorziening in de groenteteelt
en sommige sierteelten – zeker op lichte gronden – maar verbanden met opbrengst of
productkwaliteit zijn nauwelijks gekwantificeerd. Een positieve correlatie tussen prei-opbrengst
en het OS-gehalte werd gevonden in een vergelijkende studie met een klein aantal percelen
in het zuidelijk zandgebied, waar 1% OS overeenkwam met een jaarlijkse productiewaarde
van € 1000,- per hectare (in netto prei-opbrengst); echter een causaal verband via
nutriëntenbeschikbaarheid of andere factoren kon niet uitgesloten worden.
In Nederland is in voorbije decennia weinig onderzoek gedaan naar organische stof. Een
studie door Reijneveld (Blgg) kon gemiddeld geen systematische daling van OS-gehalten in
Nederlandse bodems aantonen. In Vlaanderen daarentegen werd wel een algemene daling
vastgesteld in de periode 1990-2000, zowel op gras- als op bouwland. Deze daling wordt
toegeschreven aan verlaging van de toegelaten mestdoseringen, nadat OS-gehalten eerst
waren gestegen in 1960-1990 toen grote hoeveelheden dierlijke mest werden gebruikt. De
Nederlandse praktijk vreest dat ook hier op termijn een dergelijke daling zal optreden door de
aanscherping van de fosfaatgebruiksnormen. De invloed van fosfaatnormen op de (potentiële)
aanvoer van organische inputs is voldoende onderzocht. De meeste bedrijfstypen kunnen
onder de nieuwe wetgeving voldoende organisch materiaal aanvoeren, althans afgemeten aan
de vuistgetallen voor de aanvoer van EOS (effectieve organische stof) zoals gehanteerd door
de advieswereld.
1
A.E. Johnston, P.R. Poulton, K. Coleman, 2009. Soil Organic Matter: its importance in sustainable
agriculture and carbon dioxide fluxes. 58 pp. Advances in Agronomy 101.
74
HOOFD
STUK
5
Wel bestaat er behoefte aan onderzoek naar en communicatie over methoden om de EOSaanvoer te verhogen. Vooral op intensieve bedrijfstypen op lichte gronden zal het beheer
aangepast moeten worden, nu het gebruik van drijfmest en champost aan banden gelegd is.
Op de eerste plaats leent compost zich hiertoe. Om het beperkte aanbod aan te vullen, is
onderzoek gewenst naar nieuwe producten met een hoge EOS-inhoud per eenheid fosfaat.
Bij de mestsoorten verdient rundermest de voorkeur boven varkensmest omwille van de
veel gunstiger verhouding tussen EOS- en fosfaatinhoud. Mestscheiding kan rundermest nog
aantrekkelijker maken (dikke fractie) door een deel van de aanwezige stikstof af te scheiden
en zo de stikstofgebruiksruimte op het ontvangend akkerbouwbedrijf minder te belasten.
De gebruiksruimte wordt zo, gezien de relatief lage werkingscoëfficiënt (0.30), bovendien
efficiënt benut ter verhoging van het N-leverend vermogen van de bodem (zie volgende
paragraaf Chemische bodemvruchtbaarheid). Ondanks deze voordelen is de acceptatie onder
akkerbouwers nog laag; reden om hier onderzoek en communicatie op te richten.
Methoden ter verhoging van het OS-gehalte die geen beslag leggen op de gebruiksruimte
voor meststoffen zijn wisselbouw (inpassen van een grasfase) en de teelt van
groenbemesters. Voor wisselbouwsystemen is de akkerbouwer aangewezen op landruil met
melkveehouders, die echter vaak terughoudend zijn omdat zij verlies van bodemkwaliteit
vrezen. Het is onduidelijk of dit terecht is. Onderzoek en communicatie zouden hier meer
aandacht aan moeten geven. Voor het oplossen van knelpunten rond groenbemesters en
vanggewassen (zie paragraaf Benutting van meststoffen - stikstof).
Het kwantificeren van de impact van een verminderde EOS-aanvoer op de ontwikkeling van
het OS-gehalte in de bodem vereist nog onderzoek. Rekenmodellen daartoe moeten enerzijds
eenvoudig zijn om ze voor uiteenlopende bedrijfstypen (rotaties met vele gewassen) te
kunnen toepassen, anderzijds moeten ze de werkelijkheid voldoende benaderen. Dergelijke
eenvoudige modellen (zoals NUTMATCH en NDICEA) werden in de afgelopen jaren ontwikkeld,
maar vereisen nog een betere calibratie aan de hand van langlopende experimenten. Daarmee
werd in 2009-2010 een begin gemaakt (op basis van Rothamsted-data).
Experimenteel onderzoek naar de relatie tussen de EOS-aanvoer en ontwikkeling van de OS
in de bodem is voorhanden voor de bollenteelt op duinzand (financiering door PT), waar de
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
75
jaarlijkse afbraak van OS mogelijk hoger ligt dan op dekzand. Als dat laatste inderdaad het
geval blijkt, staan de fosfaatnormen mogelijk wel de handhaving van een voldoende OS-niveau
in de weg. Ook hier ontbreken echter onderbouwde streefwaarden voor het OS-gehalte. Een
onderwerp dat zijdelings met de OS-voorziening verband houdt, is stuifbestrijding op lichte
zandgronden. Nieuw onderzoek hiernaar is in voorbereiding.
Mogelijk is de jaarlijkse aanvoer van organisch materiaal en de aard daarvan belangrijker
dan de absolute waarde van het OS-gehalte. Het lijkt verstandig om nieuw onderzoek te
richten op methoden die niet alleen het OS-gehalte op peil houden, maar die tevens op korte
termijn bijdragen aan ziektewering, nutriëntenbenutting en/of opbrengstvorming. Dit vereist
procesonderzoek op geselecteerde locaties, eventueel ook in het buitenland. Het lopend
onderzoek in Nederland biedt aanknopingspunten op de proeftuin te Lisse, op proefbedrijf
Vredepeel en op het proefveld Mest als Kans bij Lelystad. In Lisse wordt stalmest vergeleken
met andere bronnen van organische stof en nutriënten (onderzoek met Productschap
Tuinbouw); met name voor de teelt van broeihyacint zouden hoge stalmestgiften volgens
telers onmisbaar zijn.
Op Vredepeel worden de effecten van verschillende organische producten op
bodemgezondheid onderzocht. Deze effecten blijken groot en langdurig, en maken
voortzetting van dit onderzoek belangrijk. Eveneens op Vredepeel (project Nutriënten
Waterproof) werd het effect van verschraling onderzocht, waarbij gedurende tien jaar geen
dierlijke mest werd aangevoerd. Er zijn aanwijzingen dat de opbrengst al daalt voordat er
een meetbare daling in OS-gehalte optreedt; oorzaken zijn vooralsnog onduidelijk. Hoewel
de praktijk steeds zal proberen verschraling te voorkomen, kan dit onderzoek verbanden
blootleggen die van belang zijn voor een optimaal meststoffenbeheer, met name rond de
verhouding tussen dierlijke mest en kunstmest.
Cruciaal voor het beheer van OS in de kleiregio’s is de verdere ontwikkeling van
bodemvriendelijke (lagedruk)technieken voor mesttoediening in het voorjaar, waarmee
structuurbederf wordt vermeden (zie speerpunt beheer van bodemstructuur). Een andere
ontwikkeling die van belang is voor de OS-voorziening op kleigronden is mestscheiding; de
daarbij geproduceerde dikke fractie mag als vaste mest nog wel in het najaar toegediend
76
HOOFD
STUK
5
worden (op klei- en veengronden).
Vanuit de klimaatagenda bestaat belangstelling voor het verhogen van de koolstofopslag in
landbouwgronden. Hierbij zijn kennisvragen rond de maximale opslagcapaciteit, de borging
op termijn van aangelegde koolstofvoorraden en de wijze waarop accumulatie economisch
rendabel gemaakt kan worden. Een beproefde methode voor een versnelde opbouw van
koolstof is een fase met grasland. Echter gaat bij de omzetting van grasland naar bouwland
veel weer koolstof als CO2 verloren.
Momenteel bestaat er veel belangstelling voor char-producten, organische materialen die
via verkoling biologisch/chemisch stabiel gemaakt zijn. Daardoor zou C tot veel hogere
niveaus in de bodem opgehoogd kunnen worden. Onderzoeksvragen hierbij hebben onder
andere betrekking op de toxiciteit van de teerachtige verbindingen in chars en op de functies
die dergelijke inert gemaakte stoffen in de bodem nog kunnen vervullen. Als die nihil zijn,
kunnen chars evengoed buiten de bodem worden opgeslagen zonder dat hun klimaatbijdrage
verandert. Voorts dient men te bedenken dat het verkolen van producten die anders aan
de bodem zouden worden toegevoegd (mest, gewasresten) de herbenutting van nutriënten
in de weg staat, een energiebron onthoudt aan het bodemleven en zo de rol van OS in
het ondersteunen van de productiefunctie kan schaden. Dit geldt ook voor de afvoer van
organisch materiaal voor energieopwekking.
CHEMISCHE BODEMVRUCHTBAARHEID: FOSFAATTOESTAND
Door toevoeging van grote hoeveelheden fosfaat via dierlijke mest aan de bodem is de
afgelopen decennia de fosfaatvoorraad van veel Nederlandse landbouwgronden hoog
opgelopen. Verdere ophoping wordt enigszins afgeremd nu sinds 2010 de toegelaten
fosfaataanvoer gedifferentieerd is naar de fosfaattoestand van de bodem. Maar ophoping
gaat door waar het fosfaatoverschot positief is. Het 4e Actieprogramma Nitraatrichtlijn
voorziet daarom in evenwichtsbemesting (aanvoer = afvoer) vanaf 2015. Onderzoek is
voorhanden (BO12.07) om deze systematiek van differentiatie verder te onderbouwen en
te verfijnen. Voor gronden met een lage fosfaattoestand (Pw<25 op bouwland, PAL<16 op
grasland) is wettelijk de mogelijkheid van reparatiebemesting voorzien.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
77
De jaarlijkse fosfaatafvoer in geoogste producten is in voorbije jaren afdoende
gedocumenteerd. Dit geldt ook voor de invloed van de jaarlijkse fosfaataanvoer op het
fosfaatoverschot en op de ontwikkeling van de fosfaattoestand van de bodem. Het onderzoek
naar daarmee samenhangende fosfaatverliezen en de opbouw van fosfaatpools wordt nog
steeds voortgezet op acht locaties met langlopend onderzoek (op bouwland en grasland; nu
onder te brengen in KB, voorheen in BO12.07).
De bepaling van de fosfaattoestand ten behoeve van bemesting is afdoende onderzocht. Wel
staat nog de vertaling van het Pw-gebaseerde bemestingsadvies naar een advies op grond
van de fosfaattoestand bepaald via CaCl2-extractie (zoals door Blgg nu standaard uitgevoerd)
ter discussie.
Een nieuwe onderzoeksvraag is gericht op de rol van organische stof in de fosfaatvoorziening
van gewassen. Deze staat centraal bij onderzoek door ILVO (Vlaanderen) dat in 2011 is
gestart en waarop Nederlands onderzoek zal aansluiten.
CHEMISCHE BODEMVRUCHTBAARHEID – STIKSTOFLEVERING
De accumulatie van nutriënten via dierlijke mest heeft ook voor stikstof geleid tot een relatief
hoge bodemvruchtbaarheid. De beschikbaarheid van stikstof voor gewassen hangt vooral af
van de mineralisatie van organische stikstofverbindingen. Anders dan bij fosfaat bestaat er
voor de verwachte beschikbaarheid van stikstof uit de bodem nog geen goede biologisch/
chemische indicator, althans niet voor bouwland. Onderzoek naar zo’n indicator voor het
stikstofleverend vermogen (NLV) is voorhanden. De inzet is een indicator te ontwikkelen die
gebruikt kan worden bij de planning van stikstofbemesting in bijmestsystemen en voor een
optimale toedeling van meststoffen aan de percelen binnen een bedrijf.
Een deel van de jaarlijkse stikstoflevering komt voor rekening van de zogenoemde nawerking
van dierlijke mest. Deze werd in de jaren 1995-2005 afdoende onderzocht en modelmatig
onderbouwd. Zowel de korte- als de langetermijnwerking van diverse soorten dierlijke mest –
in termen van kunstmestequivalenten of fertiliser value – zijn daarmee goed gekwantificeerd.
Waarschijnlijk als gevolg van het ontbreken van een betrouwbare indicator om de
78
HOOFD
STUK
5
bodemvruchtbaarheid voor stikstof te kwantificeren, houdt het stikstofbemestingsadvies geen
rekening met de toestand van de bodem. Er zijn voor deze toestand geen streeftrajecten
vastgesteld en het eventuele belang daarvan voor opbrengstvorming en stikstofbenutting is
vooralsnog onduidelijk. Men gaat ervan uit dat hoge niveaus in elk geval vermeden moeten
worden om nitraatverlies te beperken. Of er, anderzijds, een zekere minimale stikstoflevering
gehandhaafd moet worden is een onderzoeksvraag (zie ook volgende paragraaf).
BENUTTING VAN MESTSTOFFEN – STIKSTOF
Een hoge benutting van stikstof draagt bij aan milieukwaliteit (nitraat, ammoniak) en
vermindert de uitstoot van het broeikasgas N2O. Bij de huidige N-gebruiksnormen is
de efficiëntie waarmee gewassen stikstof opnemen relatief laag. Die kan, gegeven de
opnamecapaciteit van gewassen, niet drastisch verhoogd worden zonder de jaarlijkse
N-input fors te verlagen. Het 4e Actieprogramma Nitraatrichtlijn kondigt dan ook een verdere
reductie van de N-gebruiksnormen aan voor regio’s waar de nitraatuitspoeling te hoog is. Met
name in het zuidelijk zandgebied is dat het geval. De opbrengstderving die bij verschillende
normstellingen verwacht mag worden, is voor een groot aantal gewassen afdoende in kaart
gebracht.
Tegen deze achtergrond dient het onderzoek naar bodemvruchtbaarheid gericht te zijn op het
beperken van de opbrengstderving bij een verlaagde stikstofinput. Daartoe zijn er in essentie
twee pijlers:
a.
zorgen dat er van de jaarlijks toegediende N een grotere fractie wordt
opgenomen (terugwinningsfractie), hetzij in het jaar van toediening hetzij later
b.
zorgen dat met de hoeveelheid door het gewas opgenomen N méér
oogstbaar product wordt gemaakt (interne N-benutting door het gewas)
Soms wordt als derde optie een hogere N-levering uit de bodem genoemd. Dit is op termijn
alleen correct indien die verhoging ontstaat door betere conservering van stikstof die wel
werd toegediend maar nog niet in het geoogste gewas werd afgevoerd. Deze derde optie
maakt dan dus deel uit van optie (a).
Voor het verhogen van de terugwinningsfractie (optie a) zijn vanaf 1990 verschillende
technieken ontwikkeld, die steeds gebruikmaken van indicatoren voor de N-status van
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
79
het gewas of de bodem. Varianten van dergelijke bijmestsystemen zijn voor een aantal
belangrijke gewassen al jaren opgenomen in de Adviesbasis bemesting, maar worden toch
weinig toegepast. Hun belang voor de praktijk zal toenemen wanneer de gebruiksnormen
worden verlaagd. Daarop vooruitlopend moet het onderzoek bijdragen aan een betere
toepasbaarheid (automatisering) van deze technieken. Gewassensoren, precisiestrooiers
en beslisregels vormen hierbij de bouwstenen. Onderzoek op Valthermond toonde tevens
de mogelijkheden om met geo-informatie de stikstofbenutting (bodemeigenschappen,
historische opbrengstpatronen) te verhogen. De kosteneffectieve ontwikkeling van dergelijke
perceelspaspoorten verdient nog meer aandacht. Verder moeten beslisregels – voor timing
en dosering – worden ontwikkeld voor lagere totaalgiften, om adequaat te kunnen reageren
op de aangescherpte stikstofnormen (zandgronden). Lopend onderzoek hiernaar richt zich
vooral op consumptieaardappel en prei. Er is veel dynamiek in de sector op dit terrein, met
loonwerkers, machinebouwers en voorlopers. Wat ontbreekt, is de integratie tot systemen
waarin alle technische componenten goed samenwerken.
Voor een betere terugwinning van N uit dierlijke mest werd in 2008-2010 GPS-gestuurde
rijenbemesting in maïs – separaat van het inzaaien – ontwikkeld. Door deze scheiding van
werkgangen ontstaat een veel ruimer tijdvenster, waardoor rijenbemesting met dierlijke
mest ook via de loonwerkers mogelijk wordt; bestaande capaciteitsproblemen in het drukke
voorjaar zouden hiermee opgelost kunnen worden. Onderzoek met de sector is nodig om tot
brede implementatie te komen.
Zoals gezegd dient óók de terugwinning van stikstof op langere termijn (na het seizoen
van toediening) te worden verhoogd. Conservering via vanggewassen en stikstofarme
gewasresten (stro) spelen hierin een centrale rol. Het onderscheppen van stikstof door
vanggewassen in relatie tot het zaaitijdstip is voldoende gedocumenteerd. Vanggewassen
worden weinig gebruikt in intensieve systemen, veelal omdat het hoofdgewas te laat wordt
geoogst. Hierdoor is het niet mogelijk om nog vóór de winter een goed vanggewas te
krijgen. Om dit probleem te ondervangen zijn systemen met onderzaai ontwikkeld, zoals op
De Marke, die met succes in maïs wordt gebruikt. Er zijn aanwijzingen dat hiermee ook de
draagkracht van de grond bij de oogst wordt verbeterd. Deze aanpak verdient meer navolging
in de praktijk (communicatie). Een andere reden waarom vanggewassen en groenbemesters
80
HOOFD
STUK
5
beperkt worden ingezet, is de vrees voor aaltjesvermeerdering. Er is behoefte aan onderzoek
naar winterharde vanggewassen die geen aaltjes vermeerderen.
De herbenutting van stikstof na het inwerken van vanggewassen en groenbemesters is vaak
laag. Momenteel wordt onderzocht wat de rol van het tijdstip van inwerken is. Verder wordt
er gewerkt aan processing van gewasresten en afgemaaide vanggewassen, gericht op
conservering en herbenutting van zowel stikstof als organische stof. Wat de beoogde route
voor terugwinning van stikstof ook moge zijn, een goede benutting kan alléén bereikt worden
als de verwachte bijdrage uit andere bronnen wordt ingehouden op de jaarlijkse nieuwe
stikstofgift.
Een hoge stikstofbenutting steunt niet alleen op een hoge terugwinningsfractie maar
óók op een hoge interne benutting (optie b), dus een hoge gewasproductie per eenheid
opgenomen stikstof. Een Nederlandse metastudie uit 2009 over een groot aantal proeven
liet zien dat in vrijwel alle grote akkerbouwgewassen de interne N-benutting groter is
naarmate de locale opbrengstpotentie (maximaal behaalde opbrengst in betreffende proef)
hoger is. De oorzaken voor variatie in die potentie zijn onbekend maar zeker divers en
omvatten óók weersomstandigheden. Een eerste belangrijke onderzoeksvraag is of en
hoe de opbrengstpotentie door bodembeheer verhoogd kan worden. Eerdergenoemde
overzichtstudie door Johnston (2009) beantwoordt die vraag bevestigend, wijzend op
productieverhogingen die zijn bereikt door het gebruik van dierlijke mest of door het inpassen
van een grasfase in de rotatie. Een tweede belangrijke vraag is of daarmee óók de overall
benutting van stikstof is te verhogen. Dit is niet vanzelfsprekend, omdat (a) verbetering van de
bodemkwaliteit vaak via investering in organische stikstof verloopt die in de balans betrokken
moet worden en (b) een eventueel verhoogde stikstoflevering uit de bodem de terugwinning
van N uit meststoffen verlaagt.
Een grondige analyse van bovengenoemd vraagstuk lijkt opportuun, nu de aanscherping
van de stikstofnormen vooral op zandgronden noopt tot bemestingsstrategieën die de
stikstofbenutting maximaliseren, terwijl het gebruik van dierlijke mest ter discussie staat
door de lagere doelmatigheid (lees werkingscoëfficiënt) ten opzichte van kunstmest. Eén
belangrijk criterium bij een vergelijking tussen strategieën moet de N-emissie per eenheid
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
81
gewasproductie zijn, bij gelijke gewasproductie.
BENUTTING VAN MESTSTOFFEN – FOSFAAT
Sinds 2007 wordt onderzoek uitgevoerd naar praktische methoden voor een efficiënt
en zuinig gebruik van fosfaatmeststoffen. Onder gecontroleerde omstandigheden werd
aangetoond dat met een locale plaatsing van fosfaat en door coating van zaaizaad van
verschillende gewassen de benutting van fosfaat zeer sterk te verhogen is. Momenteel
worden deze methoden praktijkrijp gemaakt voor met name fosfaatbehoeftige gewassen op
jonge zeekleigronden in Zuidwest-Nederland. In het onderzoek krijgt tevens het hergebruik van
fosfaat uit RWZI’s (struviet) aandacht, omdat fosfaat een eindige grondstof is en herbenutting
op termijn belangrijk is.
Voorts wordt in 2011 onderzoek gestart naar bedrijfsspecifieke normstelling voor fosfaat
(BO12.07) in de graasveehouderij om de fosfaat in de bedrijfseigen dierlijke mest maximaal te
benutten en zo tevens de behoefte aan kunstmestfosfaat te beperken.
Samenwerking met het Vlaamse ILVO zal zich in 2011 en volgende jaren richten op
interacties tussen fosfaatbeschikbaarheid en -benutting en organische stof. Daarbij zullen
onder andere de Nederlandse locaties met langlopend fosfaatonderzoek worden benut. In
een eerdergenoemd onderzoek uit het Verenigd Koninkrijk werd een duidelijke invloed van
organische stof op de relatie tussen fosfaattoestand en gewasopbrengst vastgesteld; die
werd toegeschreven aan een door organische stof verbeterde bodemstructuur (kleigrond).
82
HOOFD
STUK
5
ONDERWERP
PRAKTIJKRIJP,
NOODZAAK VERDERE
IMPLEMENTATIE
Onderbouwing
gebruiksnormen t.b.v.
meststoffenwet: effecten
van fosfaatoverschot op
fosfaattoestand
Voorkomen van
opbrengstderving bij
sterk verlaagde
N-gebruiksnormen:
verhoging N-benutting
door het gewas
NIEUW ONDERZOEK,
NOG TE STARTEN
tWFFMKBSJHF
fosfaatproefvelden op
bouwlanden grasland
(t/m 2010 in BO12.07,
daarna naar KB)
tHFMFJEFCFNFTUJOHJO
prei, afstemmen aanbod
op gewasbehoefte
Voorkomen van
opbrengstderving bij
sterk verlaagde
P-gebruiksnormen:
verhoging P-benutting
door het gewas
Opbouw van organische
stof, voorkomen van
verschraling door
beperkte aanvoer van
organisch materiaal en
langetermijnbenutting van
achtergebleven N
IN ONDERZOEK
tPOEFS[BBJHSPFOCFNFTUFST
en vanggewassen in maïs
tBDDFQUBUJFEJLLFGSBDUJF
van rundermest in
akkerbouw
tMBOESVJMUVTTFO
akkerbouwers en
melkveehouders t.b.v.
wisselbouw
tTUSBUFHJFÑOWPPSPQUJNBMF
JO[FUWBONFTUTUPGGFOFO
grondverbeteraars voor
bodemkwaliteit op korte
en lange termijn, binnen
normen
tJOEJDBUPSFOWPPS/MFWFSFOE
vermogen van bouwland
tHFMFJEFCFNFTUJOH
afstemmen aanbod op
behoefte
t(14SJKFOCFNFTUJOHNFU
dierlijke mest in maïs
tEJGGFSFOUJBUJF
N-gebruiksnorm voor maïs
tQFSDFFMTQBTQPPSUFOUFS
optimalisatie van
OVUSJÑOUFOCFOVUUJOH
tUFDIOJFLFOFGåDJÑOUF
benutting
fosfaat-meststoffen
tCFESJKGTTQFDJåFLF
fosfaatnormstelling
melkveehouderij
tQSPDFTPOEFS[PFLOBBS
invloed organische stof op
fosfaat beschikbaarheid
(ILVO)
tBGWPFSFOWFSXFSLJOH
N-rijke gewasresten
tJOXFSLUJKETUJQXJOUFSIBSEF
vanggewassen
tBMUFSOBUJFWFOWPPSTUBMNFTU
JOIZBDJOUPQEVJO[BOE
tBMUFSOBUJFWFOWPPS
runderdrijfmest ter
bestrijding van stuifschade
tLXBOUJåDFSFOWBO
BGCSBBLTOFMIFJE04PQ
EVJO[BOE&04CFIPFGUF
t.b.v. rekentools voor
praktijk
tDBMJCSBUJFWBOSFLFOUPPMT
voor optimaliseren van
TUSBUFHJFÑOUCW04FO
bodemvruchtbaarheid op
termijn
tOJFVXFQSPEVDUFONFU
IPHF&04BBOWPFSQFS
eenheid fosfaat
tPOEFS[PFLSPMWBO04FO
dierlijke mest bij
opbrengstvorming,
terugwinning van
OVUSJÑOUFOFOJOUFSOF
benutting door het gewas
(o.a. via langjarige
EBUBTFUT&6FO
samenwerking met ILVO)
tTZTUFFNFYQFSJNFOU
#PEFNLXBMJUFJU[BOEHSPOE
Vredepeel
tTFMFDUJFSBTTFO
groenbemesters die geen
aaltjes stimuleren
Tabel 5.1. Elementen voor kennisagenda: beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid.
*OS = organische stof; *EOS = effectieve organische stof
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
83
5.2.2 BEHEER VAN BODEMSTRUCTUUR
Onder dit speerpunt valt het onderzoek naar maatregelen en systemen die de
bodemstructuur duurzaam op peil kunnen houden, onderzoek naar de haalbaarheid daarvan
binnen de huidige hooggemechaniseerde landbouwproductie en onderzoek naar het oplossen
van knelpunten die verbonden zijn met deze systemen. Bij het beheer van de bodemstructuur
wordt vaak de structuur van de bouwvoor – de bovenste, regelmatig bewerkte bodemlaag –
bedoeld. Echter, ook het onderzoek naar het vermijden van ondergrondverdichting is in het
kader van duurzaamheid belangrijk en wordt in dit hoofdstuk besproken.
Deze visie betoogt (hoofdstuk 4) dat de productie duurzamer en efficiënter kan worden
door meer gebruik te maken van de natuurlijke processen in de bodem om een goede
bodemstructuur te bereiken, door mineralen uit organische restmaterialen beter te benutten
(zonder emissie van broeikasgassen) en door de bodem weerbaarder te laten zijn voor
bodemziekten. Om dit te bereiken zullen we het bodemleven en de aanwezige bioporiën
minder door mechanische belasting van bouwvoor en ondergrond moeten verstoren, zullen
er minder middelen gebruikt moeten worden en zal het bodemleven voldoende gevoed
moeten worden door organisch materiaal (gewasresten, groenbemesters). Verder moeten
groenbemesters en diepwortelende gewassen ook toegepast worden om de bewortelbaarheid
van het bodemprofiel te bevorderen. Voordelen van zo’n gecombineerd systeem zijn onder
andere minder ongewenste stoffen in het milieu, besparing op brandstof door minder
berijding en bewerking van de grond (met name op zware gronden) en naar verwachting
minder emissies en betere benutting van nutriënten, doordat een goede bodemstructuur de
onderschepping door gewassen ondersteunt, en de kans op anaerobie vermindert.
Om teeltsystemen te ontwikkelen waarin bovenstaande integrale aanpak gerealiseerd wordt,
is het belangrijk om (a) de elementen van dergelijke systemen verder te ontwikkelen en (b) de
vernieuwde teeltsystemen integraal te evalueren. De stand van zaken van en aanbevelingen
voor onderzoek naar de afzonderlijke maatregelen en systemen en combinaties daarvan
worden hierna toegelicht.
84
HOOFD
STUK
5
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: GRONDBEWERKING EN
BERIJDEN OP KLEIBOUWLAND
In de periode 1972-1979 werd een omvangrijk onderzoek uitgevoerd naar verschillende
grondbewerkingssystemen op kleigrond te Westmaas. Dit vormde de basis voor verder
onderzoek en ontwikkeling in de afgelopen decennia. De behandelingen in dit onderzoek
waren:
t
lossegrondteelt (jaarlijks diep ploegen en combineren van
voorjaarsbewerkingen)
t
rationele grondbewerking (niet ploegen voor graan en combineren van
voorjaarsbewerkingen)
t
minimale grondbewerking (alleen zaaibedbereiding, maximaal 7 cm diep voor
pootbedbereiding aardappel)
Hierna volgt per behandeling een schets van de ontwikkelingen en de stand van zaken.
Lossegrondteelt, rijpadenteelt, controlled traffic farming
In het Westmaas-onderzoek bleek in het systeem van lossegrondteelt de grond in het
voorjaar toch zodanig aangereden te worden dat de dichtheid vergelijkbaar was met het
rationele systeem. Vanwege vergelijkbare opbrengsten en hogere kosten was het systeem
minder aantrekkelijk dan het rationele systeem (Westmaas Research Group, 1984). De
lossegrondteelt heeft zich verder ontwikkeld tot rijpadenteelt (controlled traffic farming, CTF),
waarbij alle werktuigen op vaste paden rijden en het gewas op de onbereden grond wordt
geteeld. Onderzoek aan rijpadenteelt met jaarlijks ploegen en jaarrond gebruik van vaste
rijpaden op kleigrond (Lamers et al., 1986) leerde dat de bodemstructuur, beworteling en
gewasopbrengsten verbeterden. De meeropbrengsten waren in die tijd echter onvoldoende
om de meerkosten te dekken.
Nieuwe belangstelling voor CTF ontstond in 1999 op biologische bedrijven, doordat een
goede bodemstructuur hier van het grootste belang geacht wordt. Vaste rijpaden voor
de trekkers en machines bleek bij de huidige stand van de mechanisatie maar ten dele
haalbaar: de oogst en het ploegen moest met gangbare machines gedaan worden, waardoor
alsnog structuurbederf optrad. Dit systeem van seizoensrijpaden (SCTF) bleek economisch
aantrekkelijk wegens meeropbrengsten, langere tijdvensters voor bewerkingen en betere
mogelijkheden voor mechanische onkruidbestrijding (Vermeulen & Mosquera, 2008). Een
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
85
belangrijk duurzaamheidsvoordeel was dat de emissie van lachgas uit de losse grond
aanzienlijk lager was dan uit normaal bereden grond. Het SCTF-systeem heeft ondanks de
ingrijpende gevolgen voor de mechanisatie in de praktijk wel navolging gekregen (op dit
moment circa 12 bedrijven). Echter bleef het knelpunt van structuurbederf bij de oogst
overeind. Op één bedrijf (Van Strien, lichte zavel, biologisch) wordt sinds 2007 onderzoek
uitgevoerd om het potentieel van permanent onbereden bedden in combinatie met minimale
grondbewerking in te schatten. Omdat bekend is dat ongeveer vijf jaar nodig is om op
minimaal bewerkte grond een stabiele situatie te krijgen, wordt aanbevolen om dit onderzoek
op een praktijkperceel door te zetten. Dergelijk onderzoek zou bovendien verbreed moeten
worden naar de zwaardere gronden. Hiervoor bestaat ook vanuit de sector een sterk
draagvlak (Zeeland).
SCTF is nog alleen op kleigronden onderzocht, omdat structuurbederf juist op deze gronden
het meest aan de orde is. In deze notitie wordt echter gepleit om ook op zand- en lössgronden
te verkennen of SCTF een bijdrage kan leveren aan de duurzaamheid van de productie,
bijvoorbeeld door vermindering van het energieverbruik of het tegengaan van watererosie.
Rationele grondbewerking, niet-kerende grondbewerking, lagedrukberijding
Het Westmaas-systeem van rationele grondbewerking heeft navolging in de praktijk gekregen.
Zo wordt voor de teelt van granen zeker niet altijd meer geploegd en wordt geprobeerd om in
het voorjaar de grond zo weinig mogelijk te verdichten door werkgangen te combineren. Het
rationele systeem heeft zich verder ontwikkeld door bij de bewerkingen brede banden met
een lage bodemdruk toe te passen om zo de bodem minder te verdichten. Onderzoek aan
toepassing van lage bodemdrukken rond 19902 leerde dat een jaarronde toepassing van lage
druk opbrengstverhogend werkte en economisch haalbaar was. Lage druk is ook in de praktijk
opgepakt, met name in het voorjaar tijdens zaaibedbereiding en inzaai en, recent, tijdens de
toediening van dierlijke mest in wintergraan in het voorjaar op kleibouwland. De bodemdruk
van oogstmachines en landbouwwagens is echter in het algemeen nog steeds te hoog, omdat
lage druk de machinecapaciteit zou beperken. Daardoor vindt in het najaar structuurbederf en
verdichting plaats, en is er ter correctie weer een hoofdgrondbewerking nodig. Zo wordt een
situatie van dweilen met de kraan open in stand gehouden. Eén van de belangrijkste bijdragen
2
Vermeulen en Klooster, 1992. The potential of a low ground pressure traffic system to reduce soil
compaction on a clayey loam soil. Soil and Tillage Research 24, 337-358.
86
HOOFD
STUK
5
die onderzoek en innovatie momenteel kan leveren voor verduurzaming van het bodembeheer
op de Nederlandse klei, is het oplossen van dit specifieke knelpunt. De initiatieven die nu
vanuit de praktijk worden genomen, verdienen ondersteuning met onderzoek (evaluatie en
verbetering). Wordt dit knelpunt van structuurbederf bij de oogst daadwerkelijk opgelost, dan
wordt óók minimale grondbewerking beter haalbaar omdat de grond nooit meer vast gereden
wordt. Onderzoek naar bodemvriendelijk oogsten dient zich te richten op de opties die er
momenteel liggen: oogst vanaf rijpaden, oogsten met lage bodemdruk (rubberen rupsen) en
ontwikkeling van autonome, lichte oogstwagens.
Voor lage bodemdruk zijn vuistregels beschikbaar, gebaseerd op onderzoek op kleigronden.
Deze zijn echter te globaal om voor specifieke situaties (grondsoorten, bodemcondities
zoals natheid en voorgeschiedenis) de toelaatbare bodemdruk goed in te schatten. Omdat
de economische belangen van een hoge machinecapaciteit en voldoende werkbare dagen
groot zijn, en dus steeds de grens in belastbaarheid wordt opgezocht, is nieuw basisleggend
onderzoek nodig naar de mechanische belastbaarheid van grond en de toelaatbare
bodemdruk onder diverse bodemomstandigheden. Die informatie vormt dan de basis voor
systemen met een optimale structuur in het voorjaar en zonder structuurbederf in het najaar.
Minimale grondbewerking
De conclusie van het Westmaas-onderzoek luidde dat
systematisch minimaal bewerken problematisch is voor
rooigewassen, omdat deze ruggen met fijne grond
vereisen. Ook was er meer chemische onkruidbestrijding
nodig, waren er voor maaibare gewassen nog een aantal
problemen te overwinnen (bijvoorbeeld zaaien in mulch)
en bleef de gewasopbrengsten van vooral suikerbieten
en aardappelen achter bij het rationele systeem.
Door deze ervaringen werd verder onderzoek naar
minimale grondbewerking in Nederland niet uitgevoerd,
totdat enkele jaren geleden hernieuwde belangstelling
ontstond. Beweegredenen hiervoor waren onder andere energiebesparing en reductie van
broeikasgassen (overheid), kostenbesparing in de gangbare praktijk in onder andere de
graanteelt (Oldambt) en vanuit de biologische landbouwpraktijk: betere mogelijkheden om
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
87
het land het jaar rond groen te houden, stimulering van het bodemleven, verrijking van de
bovenste bodemlaag met organische stof, betere benutting van nutriënten uit gewasresten
en kostenbesparing. De biologische telers die hiermee bezig zijn, streven naar een minimale
grondbewerking, maar drainage van de grond heeft topprioriteit. Daarom wordt nog (nietkerende) bewerking toegepast zolang er nog storende lagen in het profiel aanwezig zijn die
vrije drainage verhinderen. De ervaringen worden vanuit het onderzoek gevolgd (onderdeel van
het project BASIS).
In de biologische landbouw spelen bij niet-kerende of minimale bewerking wintergewassen
een belangrijke rol om de onkruidontwikkeling te onderdrukken. De uitdaging in het voorjaar
is onder andere om in dergelijk ‘groen’ land een zaaibed te maken, zodanig dat later in het
seizoen geschoffeld kan worden zonder hinder van gewasresten. In de afgelopen twee jaren
is dit op de praktijkbedrijven goed gelukt omdat de voorjaren droog waren. Aanbevolen
wordt om dit vanuit het onderzoek te blijven volgen, totdat er ook ervaringen zijn in nattere
voorjaren.
Bij niet-kerende bewerking is de potentiële energiebesparing beperkt, omdat alsnog een (nietkerende) hoofdgrondbewerking uitgevoerd wordt. Als het gaat om maximale besparing op
energie en kosten is minimale grondbewerking en waar mogelijk zero till (directzaai) de meest
interessante grondbewerkingsoptie.
Eerder werd al gezegd dat het onderzoek aan respectievelijk CTF (controlled traffic farming)
en grondbewerking nauw met elkaar verweven is, omdat CTF het structuurbederf door
berijding vermindert en zo de noodzaak van structuurherstellende grondbewerking vermindert.
Als ook oogsten vanaf de rijpaden zou gebeuren is er geen structuurschade meer door
berijding. Overigens worden de hindernissen voor minimale grondbewerking in rooigewassen
niet opgelost met vervolmaking van het rijpadensysteem. Omdat gewassen zoals suikerbieten,
aardappelen, peen en witlof voorlopig niet weg te denken zijn uit de Nederlandse akkerbouw,
is onderzoek gewenst naar hoeveel grondbewerking minimaal nodig is (diepte en intensiteit)
om tot een goede kwaliteit en opbrengst van deze gewassen te komen. Daarnaast dienen
wellicht andere teeltwijzen (gewasbeheer) te worden ontwikkeld om de combinatie van
minimale bewerking met rooigewassen mogelijk te maken.
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: SYSTEEMONDERZOEK
Om nieuwe systemen van grondbewerking en berijding te kunnen waarderen in vergelijking
88
HOOFD
STUK
5
met de gangbare praktijk is systeemonderzoek nodig waarin een aantal systemen volgens de
laatste inzichten worden ingezet en vergeleken met de praktijk. Dergelijk systeemonderzoek
is in 2008 gestart op kleigrond (BASIS), waarbij zowel in de biologische als de gangbare teelt
conventioneel ploegen wordt vergeleken met zo minimaal mogelijke bewerking en een (nietkerende) tussenvorm. SCTF (systeem van seizoensrijpaden) is onderdeel van alle systemen.
In dit onderzoek wordt nadrukkelijk ook gekeken naar de beste groenbemesters om in
de systemen toe te passen. De behandelingen betreffen daarom pakketten van onderling
consistente maatregelen. Voor evaluatie van effecten van de systemen op de gewasproductie
en op de duurzaamheid daarvan, inclusief het economische rendement, worden veel
parameters gemeten op het gebied van productie en productkwaliteit; bodemstructuur; druk
van ziekten, plagen en onkruiden; energieverbruik; inzet van gewasbeschermingsmiddelen;
benutting van nutriënten; emissies van broeikasgassen en opslag (gehalte en stratificatie)
van organische stof. Onderzoek naar de samenhang tussen al deze aspecten is dermate
veelomvattend dat dit procesonderzoek geconcentreerd is op één locatie. Voor klei is dit
het BASIS-onderzoek. Aanbevolen wordt om ook voor zandgrond één locatie te kiezen voor
dergelijk onderzoek.
Voor deelonderzoek aan specifieke innovaties is dergelijke concentratie dit niet per se nodig.
Het is zelfs ongewenst waar juist een diversiteit aan praktijkomstandigheden nodig is voor
toetsing, en waar co-innovatie met ketenpartijen in verschillende regio’s wordt nagestreefd.
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: VOORJAARSTOEDIENING
VAN DRIJFMEST OP KLEIBOUWLAND
Een recente ontwikkeling is voorjaarstoepassing van dierlijke mest op klei. Nu de traditionele
najaarstoediening van drijfmest niet meer is toegelaten en voorjaarstoediening nog
problematisch is wegens (vrees voor) structuurbederf, komen organischestofvoorziening,
bodemvruchtbaarheid en mestafzet (uit de zandregio’s) onder druk te staan. Innovaties op het
gebied van mechanisatie dienen ontwikkeld en getoetst te worden in nauwe samenwerking
met de loonwerksector. Deze innovaties zijn gericht op lichtere machines, minder trekkracht,
aanvoer- en toedieningssystemen die de bodem minder belasten en systemen die minder
energie vragen en de ammoniakemissie voldoende reduceren. Voor de tarweteelt op klei is
de techniek intussen voldoende ontwikkeld. Uit onderzoek bleek dat door toepassing van
een lage bodemdruk mesttoediening in wintertarwe in het voorjaar goed mogelijk is zonder
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
89
wezenlijke schade. Het accent moet hier liggen op het breder bekend en beschikbaar maken
(communicatie in samenwerking met de loonwerksector). Toepassing in de aardappelteelt kent
nog flinke hindernissen, waardoor verdere technische innovatie en toetsingsonderzoek nodig
zijn.
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: RIDGE TILL
Voor de maïsteelt loopt momenteel een onderzoek met een Noord-Amerikaanse ridge
till-systeem, waarin ook niet meer geploegd wordt. De minimale grondbewerkingen die
worden uitgevoerd betreffen voornamelijk het beheer van gewasresten en onkruidbestrijding
en bestaan uit het aan- en afaarden van de ruggen. Binnen het systeem is de keuze van
bodembedekkers/groenbemesters belangrijk. Een aantal groenbemesters wordt in de proeven
meegenomen. Aanbevolen wordt om de haalbaarheid en duurzaamheidsaspecten nader te
onderzoeken.
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: GRONDBEWERKING EN
BERIJDEN OP ZANDGROND EN LÖSS
Het Nederlandse onderzoek naar grondbewerking en berijding van bouwland is vooral
geconcentreerd geweest op kleigronden. Vooral daar deden zich problemen met het
verkrijgen van een goede bodemstructuur voor. Op de zandgronden voerden problemen
met bodemziekten de boventoon. Toch is ook hier de onproductieve cyclus van verdichten
door berijden en weer losmaken door grondbewerking aan de orde. Door dit te vermijden is
mogelijk ook op zandgrond winst op het gebied van duurzaamheid te bereiken. Daarom wordt
aanbevolen om ook voor zandgronden te verkennen of nieuwe systemen van grondbewerking
en berijding haalbaar zijn, waarbij minder energie voor bewerkingen nodig is. Voorgesteld
wordt om op zandgronden de combinatie van rijpadenteelt en niet-kerende en/of minimale
grondbewerking te onderzoeken. Indien dergelijke systemen voordelen bieden, kunnen ze
ingepast worden in onderzoek naar integrale systemen op zandbouwland, waarin overigens
maatregelen om bodemziekten te beheersen zeer belangrijk zullen blijven.
NIET-KERENDE GRONDBEWERKING
Voor de lössgronden werd in het verleden in Wijnandsrade maar ook in de Belgische
leemstreek onderzoek uitgevoerd naar niet-kerende grondbewerking (NKG) met als eerste
90
HOOFD
STUK
5
doelstelling om erosie te bestrijden. NKG bleek overwegend effectief voor bestrijding van
watererosie. In België wordt NKG gestimuleerd door subsidies; in het Limburgse lössgebied
wordt NKG binnenkort verplicht gesteld. NKG kent echter nog een aantal knelpunten, onder
andere in de aardappelteelt. Omdat in Nederland NKG verplicht wordt, en in België niet,
worden de knelpunten vooral in Nederland gevoeld. Zo is het maken van ruggen lastig, vooral
op zwaardere grond, en zijn de ruggen nog steeds erosiegevoelig. In verder onderzoek
zouden alternatieven, zoals bijvoorbeeld waterdrempels tussen de aardappelruggen,
vergeleken moeten worden met modificaties van NKG-systemen. Daarnaast verdient het
aanbeveling om te onderzoeken of de combinatie van rijpadenteelt en NKG nog betere
mogelijkheden biedt voor erosiebestrijding voor de akkerbouw op lössgrond. Omdat
Nederland vergeleken met België slechts een klein lössareaal heeft, ligt samenwerking met
Belgische onderzoeksgroepen (ILVO, KU Leuven) voor de hand.
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: BERIJDEN VAN
GRASLAND
Verkennend onderzoek (Mosquera, ASG) leerde dat op grasland de emissie van N2O
aanzienlijk kan verminderen als de grond niet dichtgereden wordt. Gezien het grote areaal
grasland in Nederland is toepassing van vaste rijpaden voor grasland (kunstweide) wellicht
een manier om de broeikasgasemissie aanzienlijk te beperken. Aanbevolen wordt om de
effecten en haalbaarheid van toepassing van vaste rijpaden op grasland te onderzoeken in
een veldonderzoek.
MINDER CHEMISCHE BELASTING VAN DE GROND: MECHANISCH/
FYSISCHE ONKRUIDBEHEERSING
Onderzoek naar nieuwe methoden voor mechanisch/fysische onkruidbestrijding heeft in de
afgelopen jaren plaatsgevonden (onder andere Bleeker, Van der Weide, Nieuwenhuizen).
Technologische voortgang is onder andere geboekt bij de bestrijding van onkruid in de
gewasrij in samenwerking met fabrikanten. Dit onderzoek vond de laatste jaren plaats vanuit
het programma biologische landbouw en via een subsidie vanuit Platform Precisie Landbouw.
Het onderwerp krijgt enige aandacht in BASIS, maar mechanische bestrijding van onkruid in
de rij vraagt voordat het economisch haalbaar is nog veel meer ontwikkeling in samenwerking
met het bedrijfsleven. Oplossing van dit knelpunt is van groot belang voor de biologische
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
91
teelt, maar ook elders waar gestreefd wordt naar minder inzet van herbiciden. Hierbij is van
belang dat de variabele kosten van onkruidbeheersing in de gangbare teelt een factor 10
à 20 lager liggen dan in de biologische teelt, wat maakt dat economische toepassing in de
gangbare teelt om autonome systemen – dus zonder personeelskosten – vraagt. Hier moet
nog een grote inspanning gedaan worden, maar het perspectief op verduurzaming is groot.
Voor de mechanisch/fysische bestrijding van wortelonkruiden zijn diverse methoden in
onderzoek in twee meerjarige veldproeven (PPO/PRI) waarin wortelonkruiden werden
aangeplant. Deze proeven zijn aangelegd in 2010 en moeten een aantal jaren gevolgd worden
om de effecten van de behandelingen te kunnen vaststellen. Aanbevolen wordt dan ook om
deze proeven voort te zetten.
In de biologische landbouw zijn er problemen bij de bestrijding van onkruiden in fijnzadige,
breedwerpig gezaaide gewassen zoals spinazie. Voor deze toepassing is het noodzakelijk
om onkruiden in een zeer vroeg stadium te herkennen en mechanisch te bestrijden met een
actuator op een rijdende machine die driedimensionaal aangestuurd wordt. Zowel voor de
vroege herkenning (via beeldverwerking) als voor de fysieke aanpak van het onkruid zelf
is basisonderzoek vereist. Dat moet erop gericht zijn om bestaande technieken, software
en systemen effectief combineren. De door PRI ontwikkelde onkruidrobot RUUD kan hierbij
als voorbeeld dienen. Deze ontwikkeling draagt sterk bij aan een universele oplossing voor
de mechanische bestrijding van onkruiden in veldgewassen. Aanbevolen wordt om deze
ontwikkeling vanuit het basisonderzoek verder uit te bouwen.
MINDER CHEMISCHE BELASTING VAN DE GROND: EFFICIËNTE
CHEMISCHE ONKRUIDBEHEERSING
Sinds 2000 wordt ook onderzoek uitgevoerd om het middelengebruik te verminderen door
preciezer te werken en minimaal te doseren. Dit heeft tot enkele succesvolle voorbeelden
geleid (ook bij loofdoding), maar is nog lang geen gemeengoed geworden. Via sensoren
en beeldverwerking op de machine worden onkruid en/of gewasplanten en/of kale grond
herkend, waardoor mogelijkheden ontstaan om bijvoorbeeld soort- en stadiumspecifiek te
doseren, heel precies te spuiten (alleen targetplanten) en de dosering afhankelijk te maken
van de grondsoort of lokale bodemeigenschappen. Dat dit het middelverbruik aanzienlijk
92
HOOFD
STUK
5
kan terugdringen is afdoende aangetoond. Toch worden deze principes in de praktijk nog
nauwelijks door fabrikanten van spuitapparatuur toegepast, omdat het (nog) kostenverhogend
werkt. Verdere ontwikkeling van apparatuur, beslisregels en toepassingen is nodig om de
voordelen van precies werken te kunnen benutten (zie Kempenaar et al., 2008, http://library.
wur.nl/WebQuery/wurpubs/lang/378136). Bij deze innovaties is het van belang aan te sluiten
bij precisietechnologieën die ook bij bemesting ontwikkeld worden (geïntegreerde aanpak).
MECHANISCHE BELASTING VAN DE GROND: VERDICHTING VAN DE
ONDERGROND
Wat betreft ondergrondverdichting is recent een aantal studies afgerond waarin verkennend
– vooruitlopend op de vaststelling van de Kaderrichtlijn Bodem – is gekeken naar de
schaal waarop bodemverdichting in Nederland optreedt en welke maatregelen mogelijk
zijn (Alterra, VROM, Royal Hashkoning). Het algemene beeld uit deze studies is dat grote
arealen in Nederland kwetsbaar zijn voor bodemverdichting. Tegelijk blijkt ook dat er nog
geen zicht is op de mate waarin bodemverdichting daadwerkelijk een probleem is. Uit deze
en eerdere verkenningen blijkt dat er, anders dan bij verdichting van de bouwvoor, nog
veel onduidelijkheid bestaat over structurele maatregelen om verdichting van de diepere
ondergrond te voorkomen. Dit geldt voor natuurlijke bodemprofielen maar óók specifiek voor
profielen die via curatieve maatregelen reeds werden losgemaakt. Omdat er in Nederland
verschillend gedacht wordt over de urgentie, noodzaak en methoden om verdichting van de
ondergrond te voorkomen en te repareren, stelt de Technische Commissie Bodem (TCB)
momenteel een advies op over bodemverdichting (planning: februari 2011 gereed).
In deze notitie wordt ervan uitgegaan dat het daadwerkelijke risico op te sterke
verdichting leidend moet zijn voor (extra) maatregelen. Er is daarom sterke behoefte aan
een inventarisatie van de ondergrond in Nederland, aan het vaststellen van meetbare
grenswaarden voor schadelijke ondergrondverdichting voor verschillende bodemprofielen
en aan meting van de sterkte van de Nederlandse ondergronden onder verschillende
omstandigheden. Dit pakket kan dan de basis vormen voor maatregelen. Daar waar
de ondergrond door berijding te dicht geworden is, komen woelen en diepwortelende
gewassen in aanmerking om de verdichting op te heffen. Deze moeten gecombineerd
worden met preventieve maatregelen om verdichting opnieuw te voorkomen. Kwantificering
van toelaatbare belasting – aan het bodemoppervlak of in de open ploegvoor – dient de
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
93
eerste stap te zijn voor de formulering van preventieve maatregelen. Waar nodig kunnen
vervolgens systematische toepassing van lage bodemdrukken, CTF, lichte voertuigen,
minder grondbewerking en diepwortelende gewassen helpen om ondergrondverdichting
te voorkomen. Dit alles leidt tot de aanbeveling om een nieuwe inventarisatie van de
ondergrond in Nederland te starten, waarin vanuit verschillende invalshoeken (dimensies
van duurzaamheid) gekeken wordt naar ondergrondverdichting, waarin grenswaarden
voor schadelijke verdichting worden vastgesteld en de sterkte van de ondergrond onder
verschillende omstandigheden wordt gemeten. Gekoppeld daaraan zou in proeven onderzocht
moeten worden of de maatregelen, afgeleid uit bedoelde inventarisatie, inderdaad afdoende
werken ter voorkoming van ondergrondverdichting.
In tabel 5.2 is samenvattend weergegeven wat bekend is, wat de afgelopen jaren in onderzoek
was en wat openstaande kennisvragen zijn op het gebied van beheer van de bodemstructuur.
94
HOOFD
STUK
5
ONDERWERP
PRAKTIJKRIJP,
NOODZAAK VERDERE
IMPLEMENTATIE
Lagedrukberijding
akkerbouw en bollenteelt,
seizoen
tUPFQBTTJOHCJK
mesttoediening in het
WPPSKBBSPQLMFJ
(wintertarwe)
Lagedrukberijding
HSBTMBOEPQWFFO
tNPHFMJKLIFEFO[FFSMBHF
ESVLLFOFOCFQFSLJOHWBO
PQCSFOHTUWFSMJFTEPPS
JOTQPSJOH
Seizoens-CTF
akkerbouw/bollenteelt
tPQLMFJHSPOEFO
QSFTFOUBUJFSFTVMUBUFO
IN ONDERZOEK
tUPFQBTTJOHCJK
mesttoediening in het
WPPSKBBSPQLMFJ
BBSEBQQFMFO
NIEUW ONDERZOEK,
NOG TE STARTEN
tNFDIBOJTDIF
belastbaarheid klei, zand
FOMÚTTUJKEFOT
teelthandelingen in vooren najaar
tFWBMVBUJFPQ[BOEFOMÚTT
$5'PQHSBTMBOE
tFGGFDUFOFOIBBMCBBSIFJE
XBBSPOEFSSFEVDUJF/20 bij
voederwinning
Bodemvriendelijke oogst
PPHTUWBOBGSJKQBEFO
- lage druk
- autonome oogstwagens
ttoelaatbare druk bij de
PPHTUPQEJWFSTF
grondsoorten en
DPOEJUJFT
tPOEFS[PFLQSJODJQFT
bodemvriendelijke oogst
Niet-kerende
grondbewerking
tPQMÚTTHSPOEFO
(erosiebestrijding)
tLMFJTZTUFFNPOEFS[PFL
BASIS *
tLMFJNPOJUPSJOHQSBLUJKL
UFTUFONBDIJOFT
zaaibedbereiding bio.
tSJEHFUJMMNBÕT
tFOFSHJFWFSCSVJLPQEF
WFSTDIJMMFOEFHSPOETPPSUFO
tTZTUFFNPOEFS[PFLPQ
zandgrond
tPQMPTTFOLOFMQVOUFO
[XBSFMÚTTFOSVHHFOUFFMU
JTN#FMHJTDIPOEFS[PFL
* Onder systeemonderzoek grondbewerking, CTF(controlled trafic farming) en lagedrukberijding wordt hier onderzoek verstaan:
naar effecten op bodemstructuur, productie en productkwaliteit, druk van ziekten, plagen en onkruiden, energieverbruik,
inzet gewasbeschermingsmiddelen, benutting nutriënten, broeikasgasemissies, ontwikkeling gehalte en stratificatie
van organische stof.
Tabel 5.2. Elementen voor kennisagenda: beheer van bodemstructuur.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
95
ONDERWERP
PRAKTIJKRIJP,
NOODZAAK VERDERE
IMPLEMENTATIE
.JOJNBMFHSPOECFXFSLJOH
.FDIBOJTDIGZTJTDIF
POLSVJECFTUSJKEJOH
tEJWFSTFNBDIJOFTEFNPT
FUD
1SFDJFTCFTDIFSNFO
t4FOTJ4QSBZMPPGEPEJOH
0OEFSHSPOEWFSEJDIUJOH
96
HOOFD
STUK
5
IN ONDERZOEK
NIEUW ONDERZOEK,
NOG TE STARTEN
tLMFJTZTUFFNPOEFS[PFL
#"4*4
tMJDIUF[BWFMDPNCJOBUJF
NFUQFSNBOFOU
POCFSFEFOHFFO
SPPJWSVDIU
tFOFSHJFWFSCSVJLPQEF
WFSTDIJMMFOEF
HSPOETPPSUFO
tJOWVMMJOHNJOJNBMF
HSPOECFXFSLJOHWPPS
SPPJWSVDIUFOPQ[BOEFO
LMFJHSPOEFO
tCFTUSJKEJOH
XPSUFMPOLSVJEFO
tCFTUSJKEJOHJOåKO[BEJHF
HFXBTTFOCSFFEXFSQJH
HF[BBJE
tEPPSPOUXJLLFMJOHJOUSBSJK
TDIPGGFMFOBVUPOPPN
WPPSHBOHCBBS
tPOUXJLLFMJOHTFOTPSFOWPPS
EFUFDUJFPOLSVJEFOFO
CPEFNFJHFOTDIBQQFO
tCFTMJTSFHFMTQMBBUTTQFDJåFL
EPTFSFOIFSCJDJEFOFO
GVOHJDJEFO
tCFTQBSJOHTQPUFOUJFFMFO
TDIBBMBGIBOLFMJKLIFJE
tJOUFSBDUJFNFUCFNFTUJOH
tQFSDFFMTQBTQPPSUDPODFQU
tJOWFOUBSJTBUJFPNWBOHWBO
IFUQSPCMFFNJOEJDBUPSFO
HSFOTXBBSEFO
tFGGFDUWBOXPFMFOJO
DPNCJOBUJFNFUUFFMUPQ
POCFSFEFOCFEEFOFO
EJFQXPSUFMFOEFHFXBTTFO
tFGGFDUJWJUFJUTZTUFNBUJTDIF
MBHFESVLCFSJKEJOH
tEJFQXPSUFMFOEFHFXBTTFO
BMTDVSBUJFWFNBBUSFHFM
5.2.3 BEHEER VAN BODEMBIODIVERSITEIT EN
BODEMWEERBAARHEID
:
Voor het beheersen van bodemgebonden ziekten, plagen en
onkruiden is een optimaal beheer van functionele bodembiodiversiteit
en bodemweerbaarheid noodzakelijk. Door eisen vanuit milieu en consument wordt het
gebruik van bestrijdingsmiddelen steeds verder gelimiteerd. De milieuvriendelijke maatregelen
die een agrarisch ondernemer kan inzetten om bodemgebonden ziekten en plagen te
beheersen zijn onder andere vruchtwisseling, resistente rassen, hygiëne en evenwichtige
bemesting. Naast het beheersen van bodemziekten – door ze onder de schadedrempel te
houden – kan ook bodemweerbaarheid een belangrijke bijdrage leveren aan het beheersen
van ziekten en plagen. Bij een goede bodemweerbaarheid is de gewasschade bij een gelijke
ziektedruk geringer dan in een niet-weerbare bodem. Bodemweerbaarheid is tot op heden
slecht voorspelbaar en beperkt stuurbaar.
Ten aanzien van onkruiden zijn preventie, en mechanische en fysische bestrijding
milieuvriendelijke alternatieven voor het gebruik van herbiciden. De beheersing van onkruiden
is in deze notitie gerangschikt onder het speerpunt beheer van bodemstructuur.
Bodembiodiversiteit speelt een belangrijke rol bij een veelheid aan processen. Naast (1)
het beheersen van ziekten en plagen, zowel onder- als bovengronds, zorgt het bodemleven
voor (2) de omzetting van organische materialen, waardoor mineralen voor planten
vrijkomen, (3) stikstofbinding, (4) het beschikbaar maken van fosfaat en (5) productie van
plantenstimulerende stoffen (groeihormonen). Bodemleven bevordert ook de bodemstructuur
(6) en kan (7) toxische stoffen afbreken.
Het onderhavige speerpunt richt zich vooral op het inzetbaar maken van bodemweerbaarheid
in combinatie met andere milieuvriendelijke maatregelen tegen ziekten en plagen, en op
de functionele bodembiodiversiteit die hieraan bijdraagt. Deze biologische aspecten van
de bodem zijn tot nu toe onderbelicht, onder andere vanwege hun complexiteit. Echter,
door afname van de inzet van chemie en toename van de kennis van biologische principes,
bieden bodemweerbaarheid en bodembiodiversiteit nieuwe mogelijkheden voor milieuveilige
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
97
maatregelen om ziekten en plagen te beheersen. Maatregelen beïnvloeden echter vaak
meerdere aspecten van de bodem, waardoor de hier benoemde speerpunten elkaar vaak
deels overlappen.
Nieuwe ontwikkelingen en beschikbare kennis bieden veel perspectieven voor het ontwikkelen
van nieuwe maatregelen. Er zijn echter ook nog veel kennishiaten. Hierna wordt de stand van
zaken en de kennisbehoefte toegelicht voor een aantal aspecten van bodemweerbaarheid en
bodembiodiversiteit.
MECHANISME EN BODEMEIGENSCHAPPEN VERANTWOORDELIJK
VOOR BODEMWEERBAARHEID
Over de epidemiologie en levenscyclus van een aantal belangrijke ziekten en plagen is relatief
veel bekend. Hierop zijn diverse bestrijdingsmaatregelen gebaseerd. Tevens is er veel bekend
over de taxonomie en detectiemethoden voor een groot aantal bodemorganismen, zowel
nuttige als ziekteverwekkende. Omdat echter regelmatig nieuwe soorten beschreven worden,
blijven taxonomie en detectie relevante onderzoeksterreinen. Voor een aantal combinaties
van gewassen en bodemziekten en -plagen zijn meer kwantitatieve gegevens nodig over de
epidemiologie en schaderelaties. Dit om schadevoorspellingen te kunnen doen en zo de telers
de kosteneffectiviteit van maatregelen te kunnen voorrekenen.
Relatief weinig is bekend over de onderlinge interacties tussen bodemorganismen en over
de invloed van abiotische factoren op de organismen rechtstreeks en op hun interacties.
Dergelijke interacties vormen de kern van mechanismen waarop bodemweerbaarheid
is gebaseerd. Bodemweerbaarheid (of ziektewerendheid) wordt gekenmerkt door het
optreden van weinig of geen aantasting in een vatbaar gewas ondanks de aanwezigheid
van een ziekteverwekker. Er wordt onderscheid gemaakt tussen algemene en specifieke
bodemweerbaarheid. Natuurlijke (biodiverse) bodems kennen een algemene (of natuurlijke)
weerstand tegen bodempathogenen. Een grote biodiversiteit en/of activiteit van bodemflora
en -fauna dempt de verspreiding en de schadelijkheid van bodempathogenen. Dit is een
stuurbaar maar niet overdraagbaar verschijnsel. Bij specifieke weerbaarheid gaat het veelal
om een beperkt aantal antagonisten. Deze weerbaarheid is in principe zowel stuurbaar als
overdraagbaar, mits we het mechanisme van dit beperkt aantal antagonisten in de complexe
98
HOOFD
STUK
5
omgeving begrijpen.
Er zijn vele soorten en groepen organismen bekend die ziekteverwekkers kunnen bestrijden.
De bodem bevat echter nog veel meer organismen (of combinaties daarvan) die voor
ziektewering zorgen. De interacties in de bodem en de biotische en abiotische invloeden
hierop zijn overwegend onbekend. Doordat we in veel gevallen eigenlijk niet goed weten
hoe bodemweerbaarheid tot stand komt, is het vooralsnog slechts beperkt mogelijk om
bodemweerbaarheid te sturen door gericht bodembeheer. In het lopende onderzoek is
daarom gekozen voor een dubbeldoelstrategie. Onderzoek vindt in een systeemopzet
plaats waarbinnen fundamenteel onderzoek kan worden gedaan naar mechanismen, maar
tegelijkertijd worden maatregelen ontwikkeld waarmee een teler met een vergelijkbare
uitgangssituatie uit de voeten kan. Bij het uitrollen van een maatregel naar de praktijk wordt
gecheckt of deze ook generiek werkt, en zo niet wat de criteria voor toepassing dan moeten
zijn. Wanneer mechanismen worden begrepen, wordt extrapolatie naar andere situaties met
grotere zekerheid mogelijk. Een recent ontdekte groep organismen die een rol bij ziektewering
kunnen spelen zijn antagonistische Lysobacter-soorten. Vanuit kennis van het organisme wordt
nu getracht maatregelen te ontwikkelen die de bodemweerbaarheid verhogen.
MAATREGELEN DIE BODEMWEERBAARHEID EN FUNCTIONELE
BODEMBIODIVERSITEIT STIMULEREN
Grosso modo kan gezegd worden dat niet bekend is hoe bodemweerbaarheid gestimuleerd
kan worden. Voor specifieke organismen is wel onderzoek gedaan naar het effect van
bepaalde maatregelen, zoals toediening van compost, maar de effecten zijn onder
praktijkomstandigheden vaak niet consistent, omdat een veelheid aan factoren kan variëren.
Effecten van maatregelen zijn pathogeen-, gewas- en grondspecifiek.
Toch bestaat de verwachting dat sommige beheermaatregelen de bodemweerbaarheid
kunnen stimuleren. Zo is de verwachting dat verhoging van het organischestofgehalte
de schadedrempels voor verschillende ziekten-gewascombinaties zou kunnen verhogen.
Dit is onder andere in het project Topsoil+ aangetoond: verhoging van de organische
stof in de bollenteelt verhoogde de bodemweerbaarheid voor drie van de vier getoetste
ziektes. Onderzoek naar het effect van beheermaatregelen dient vooral in de context
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
99
van systeemonderzoek plaats te vinden, waar maatregelen in hun onderlinge samenhang
worden bestudeerd en waar tevens andere effecten (OS-opbouw, emissies) kunnen worden
gekwantificeerd. De keuze van de rotatie, inclusief groenbemesters, speelt hierbij mogelijk
een belangrijke rol, naast de aanvoer van diverse organische producten.
Bij het zoeken naar maatregelen die de bodemweerbaarheid positief beïnvloeden,
hoort natuurlijk óók het vermijden van maatregelen met een mogelijk negatieve invloed.
Daarbij wordt gedacht aan de inzet van gewasbeschermingsmiddelen maar óók van
diergeneesmiddelen die ongewild via mest worden aangevoerd. Terwijl de effecten van beide
groepen stoffen op sommige organismen wel bekend zijn, is over de mogelijke impact op het
biotisch functioneren van de bodem als geheel vrijwel niets bekend.
Specifiek voor de fruitteelt (appel, peer) wordt het nuttige effect van regenwormen en
oorwormen onderkend. Deze organismen kunnen bijdragen aan de vitaliteit van bomen en
kunnen helpen om schade door ziekten en plagen te verminderen. Regenwormen dragen door
het onderwerken van blad bij aan het voorkomen van bepaalde schimmels; oorwormen zijn
predatoren voor bladluis. Regenwormen dragen tevens bij aan de bodemstructuur en aeratie,
waardoor de vitaliteit van bomen verhoogd kan worden en betere overwinteringsmogelijkheden
voor oorwormen ontstaan. Onderzoek en communicatie dienen vooral gericht te
worden op toetsing van maatregelen ter stimulering van deze beide organismen.
Daarbij moet gedacht worden aan aanvoer van organische producten, vermindering van
gewasbeschermingsmiddelen en verbetering van drainage.
MEETMETHODEN VOOR BODEMWEERBAARHEID
Detectie van pathogene organismen is veel verder ontwikkeld
dan detectie van nuttige organismen. Bij detectie is onderscheid
te maken tussen methoden die aan- of afwezigheid kunnen
vaststellen en methoden die ook de mate van besmetting
(kwantitatief) meten. Voor managementstrategieën die op
schadedrempels zijn gebaseerd, is de ontwikkeling van
kwantitatieve systemen nodig.
100
HOOFD
STUK
5
Voor het meten van bodemweerbaarheid is een verscheidenheid aan bioassays beschikbaar.
Deze assays, waarbij gebruik gemaakt wordt van vatbare planten, zijn vooral gebaseerd op
het meten van de schadelijkheid van pathogenen in het grondmonster. Ze worden ingezet voor
onderzoeksdoeleinden maar zijn nog niet geschikt om aan de praktijk aan te bieden.
Diverse technieken kunnen gebruikt worden om specifieke bodemorganismen te analyseren.
Recent werden nieuwe moleculaire technieken ontwikkeld die mogelijkheden bieden om
goedkoper meer soorten of zelfs genen te detecteren. Zowel pathogenen als nuttige microorganismen zijn in deze experimentele moleculaire tools opgenomen. Genoemde technieken
en indicatoren zijn echter nog ongeschikt om de activiteit of ruimtelijke aanwezigheid per
organisme te bepalen. Dat is wel nodig om weerbaarheid te kwantificeren teneinde de
effectiviteit van behandelingen (proeven) of maatregelen (praktijk) te kunnen vaststellen.
Bovendien is er onvoldoende bekend over welke organismen of genen betrokken zijn bij
bodemweerbaarheid. Daarom moet onderzoek gericht worden op de verdere ontwikkeling van
kwantitatieve methoden én op selectie van relevante targets.
ALTERNATIEVE MILIEUVRIENDELIJKE MAATREGELEN TEGEN
BODEMGEBONDEN ZIEKTEN EN PLAGEN
Er is een beperkt aantal alternatieve milieuvriendelijke bestrijdingsmethoden voor
bodemgebonden ziekten en plagen. Voorbeelden zijn een aantal aaltjesresistente
groenbemesters, resistente aardappelrassen tegen aardappelmoeheid, Tagetes (Afrikaantje)
als bestrijder van wortellesieaaltjes en biologische grondontsmetting. Hiermee kunnen lang
niet alle economisch belangrijke ziekten en plagen voldoende beheerst worden. Om die reden
zet de praktijk chemische grondontsmetting of stomen in als vangnet in moeilijke situaties.
Er bestaat grote behoefte aan de ontwikkeling van duurzame methoden om deze moeilijk
te bestrijden bodemziekten en -plagen in toom te houden, vooral op de lichtere gronden en
in de teelt van uitgangsmateriaal en exportproducten. Alternatieven zijn milieuvriendelijk als
de bestrijding de weerbaarheid van de bodem niet aantast en er geen ongewenste emissies
optreden.
Voor het gewone wortellesieaaltje Pratylenchus penetrans en de verwelkingsziekte Verticilliium
dahliae worden in een meerjarige veldproef in Vredepeel (sinds 2006) methoden vergeleken.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
101
Uit de proeven blijkt dat bepaalde toegevoegde organische restproducten zeer effectief
zijn en dat de effecten gedurende vele jaren te zien blijven in de ontwikkeling van deze
ziekteverwekkers. Dit onderzoek biedt goede kansen voor de ontwikkeling van innovatief
beheer in de praktijk, alsook voor het achterhalen van biotische interacties en mechanismen
waarlangs weerbaarheid tot stand komt. Daarnaast wordt er gewerkt aan het ontwikkelen van
indicatoren voor bodemweerbaarheid en bodemkwaliteit in meer algemene zin.
EFFECTEN VAN GRONDBEWERKING
In het project BASIS te Lelystad wordt de invloed van diverse typen grondbewerking op het
functioneren van de bodem onderzocht (zie ook speerpunt beheer van bodemstructuur).
Terwijl de beheersing van onkruiden hierbij reeds langer aandacht krijgt, werd recent (2010)
ook onderzoek gestart naar effecten van grondbewerking op de ontwikkeling van ziekten
en plagen. Dit hangt onder andere samen met het achterlaten (of slechts ten dele inwerken)
van gewasresten op het veld, maar mogelijk óók met de via grondbewerking veranderde
abiotische omstandigheden in de bodem (structuur, drainage en aeratie, stratificatie van
organisch materiaal). In het project ridge till/no till worden de mogelijkheden van maïsteelt bij
verschillende minimale grondbewerkingsmethoden in kaart gebracht.
BODEMBIODIVERSITEIT EN MINERALENBESCHIKBAARHEID
Het is bekend dat mycorrhiza’s de beschikbaarheid van fosfaat voor gewassen kunnen
verhogen, vooral waar de beschikbaarheid zeer laag is. Het is niet duidelijk welke
rol mycorrhiza’s kunnen spelen onder praktijkomstandigheden in Nederland, waar de
beschikbaarheid van fosfaat vooralsnog voldoende of hoog is. Ook voor dit onderwerp bestaat
met name in de fruitteelt belangstelling. Daar verwacht men dat, bij een verdere aanscherping
van de fosfaatgebruiksnormen, een verlaagde beschikbaarheid van fosfaat negatieve effecten
op de bewaarkwaliteit van het fruit kan hebben. Gerichte stimulering van mycorrhiza’s zou
de fosfaatbenutting kunnen verhogen. Belangrijke vragen zijn hoe deze organismen effectief
ondersteund kunnen worden en hoe groot hun bijdrage uiteindelijk kan zijn.
KWALITEITSVERLIES HUURLAND
Wie neemt de verantwoordelijkheid voor de bodemkwaliteit van huurland? Men zou verwachten
dat eigenaren alle belang hebben bij het bewaken van de kwaliteit op de lange termijn.
102
HOOFD
STUK
5
Veel grond is echter in eigendom van partijen die zich niet bezighouden met primaire
productie. Vanuit hun speculatieve motieven is agronomisch duurzame bedrijfsvoering geen
vanzelfsprekend doel op zich. Nemen huurders daarvoor verantwoordelijkheid? Dit zijn
gespecialiseerde bedrijven die door schaalvergroting steeds meer hectares telen buiten het
eigen bedrijf. De reizende bollenkraam maar ook de aardappelpootgoedteelt zijn hiervan
voorbeelden. Grondhuur voor één jaar betekent echter dat er niet geïnvesteerd wordt in de
organischestofvoorziening, bodemgezondheid en bodemstructuur voor de lange termijn. Er
dienen goede criteria voor bodemkwaliteit te worden ontwikkeld, die in huurcontracten een rol
kunnen gaan spelen. Wanneer de kwaliteit van een perceel zichtbaar gemaakt wordt, kan dit
zich vertalen in een overeenkomstige huurprijs. Meer zicht op de bodemkwaliteit kan dan ook
leiden tot afspraken tussen huurders en eigenaar, voor planmatig onderhoud over de jaren
heen.
BEHEER VAN INFORMATIE T.B.V. BODEMWEERBAARHEID EN
BODEMKWALITEIT
Aansluitend op het vorige onderwerp, maar ook voor beheer van eigen gronden, is actief
beheer van perceelsinformatie een belangrijke tool voor behoud en verbetering van de
bodemkwaliteit. Er wordt gewerkt aan webservices, bedrijfsmanagementsystemen en geoinformatica, waardoor beschikbare informatie integraal kan worden ingezet voor behoud en
verbetering van bodemkwaliteit. Een integratieslag is nodig om alle losse brokken kennis
samen te brengen tot functionerende managementsystemen en te implementeren in de
praktijk en het onderwijs. Zo kan schaalvergroting samengaan met een actief beheer van de
bodemkwaliteit.
Vanuit wat bekend is en wat de afgelopen jaren in onderzoek was, zijn nieuwe
onderzoeksideeën geformuleerd om aan de bovengenoemde kennisvragen en innovatiekansen
tegemoet te komen (tabel 5.3). Verschillende hiervan sluiten nauw aan bij de drie speerpunten
bodemstructuur, organische stof en bodemvruchtbaarheid.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
103
ONDERWERP
PRAKTIJKRIJP,
NOODZAAK VERDERE
IMPLEMENTATIE
IN ONDERZOEK
NIEUW ONDERZOEK,
NOG TE STARTEN
Mechanisme en
bodemeigenschappen
verantwoordelijk voor
bodemweerbaarheid
t-ZTPCBDUFSBMTBOUBHPOJTU
van schimmels en hoe
die te stimuleren is (vnl
kleigrond)
tNFDIBOJTNFOWBO
bodemweerbaarheid op
zandgrond
tNFDIBOJTNFOWBO
bodemweerbaarheid
tegen nematoden
Maatregelen die
bodemweerbaarheid en
functionele
bodembiodiversiteit
stimuleren
tNBBUSFHFMFO
tNBBUSFHFMFOEJFGVODUJPOFMF
(groenbemesters,
biodiversiteit in de fruitteelt
organische toevoegingen,
(appel, peer) stimuleren
EJFCPEFNXFFSCBBSIFJE
teneinde schade door
stimuleren tegen
ziekten en plagen te
nematoden in: akkerbouw
verminderen
op zand en klei, bollenteelt tFGGFDUNBBUSFHFMFOPQ
op zand, glastuinbouw in
andere bodemaspecten
de volle grond
04OJWFBVFNJTTJFFUD
tJEFNUFHFOTDIJNNFMT
tJOUFHSBUJFWBONBBUSFHFMFO
JOIFUUPUBMFTZTUFFN
impact op andere
beheermaatregelen,
economische haalbaarheid
Meetmethoden
bodemweerbaarheid
tEJWFSTFNFFUNFUIPEFO
voor pathogenen
tPOUXJLLFMJOHWBO
tSFMFWBOUFPSHBOJTNFOUBW
moleculaire technieken om
mechanismen en
bodemweerbaarheid te
maatregelen
bepalen
bodemweerbaarheid
tPOUXJLLFMJOH
tUPFQBTCBBSIFJE
CFNPOTUFSJOHTTZTUFNFOFO
implementatie
laboratoriumtechnieken
meetmethoden
voor nematoden
tBBMUKFTBMTNJMJFVJOEJDBUPS
(project BODEM)
Alternatieve
milieuvriendelijke
maatregelen tegen
bodemgebonden ziekten,
plagen en onkruiden
tEJWFSTFCFOFåDJBMTOJFU
altijd effectief)
tTagetes tegen
wortellesieaaltjes
tHFXBTSPUBUJFNFUNJOJNBMF
vermeerdering schadelijke
nematoden
tEPPSPOUXJLLFMFO
biologische
grondontsmetting
tHFÕOUFHSFFSEFCFIFFSTJOH
onkruiden
tNBBUSFHFMFOUFHFO
herinplantziekte fruit
t1SPKFDU#PEFN7SFEFQFFM
tCFIFFSTJOHFusarium in ui
tJOUFHSBUJFJNQMFNFOUBUJF
nieuwe maatregelen in
CFESJKGTTZTUFFN
tUFSVHLPQQFMJOHLOFMQVOUFO
door wegvallen
bestrijdingsmiddelen
tPOUXJLLFMFOFGGFDUJFWF
CFOFåDJBMTFOCJPMPHJTDIF
bestrijders
Tabel 5.3. Elementen voor kennisagenda: beheer van de bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid.
104
HOOFD
STUK
5
ONDERWERP
PRAKTIJKRIJP,
NOODZAAK VERDERE
IMPLEMENTATIE
Invloed grondbewerking
op ziekten, plagen en
onkruiden
IN ONDERZOEK
NIEUW ONDERZOEK,
NOG TE STARTEN
tHFXBTCFTDIFSNJOHJO
alternatieve
grondbewerkingssystemen
Bodembiodiversiteit en
mineralenbeschikbaarheid
tNZDPSSIJ[BTTUJNVMFSFOPN
GPTGBBUHFCSFLCJKMBHFSF
GPTGBBUHFCSVJLTOPSNFOUF
voorkomen
CFXBBSLXBMJUFJU
GSVJUUFFMU
Bodembiodiversiteit
tPOEFS[PFLOBBSIFUFGGFDU
van diergeneesmiddelen in
mest op biotische
CPEFNGVODUJFT
(veehouderij)
tBOUJCJPUJDBSFTJTUFOUJF
Kwaliteitsverlies huurland
tPOEFS[PFLOBBSPSHBOJTBUJF
langetermijn- bodembeheer
op huurland, om
kwaliteitsverlies te
voorkomen
#FIFFSWBOJOGPSNBUJFUCW
bodemweerbaarheid
t/FNB%FDJEF
t#04UCWBBSEBQQFMFO
een aantal aaltjessoorten
t#04/&.
tWFSCSFEJOHOBBSFFO
/FNB%FDJEFWPPSCPMMFO
tXFCCBTFEPOUTMVJUJOHWBO
HFPJOGPSNBUJFUCW
ontwikkeling van
beheertrategieën
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
105
5.2.4 BEHEER VAN BOVENGRONDSE BIODIVERSITEIT
De landbouw is als grootste grondgebruiker in Nederland en Europa een
belangrijke drager van biodiversiteitswaarden. Door intensivering en schaalvergroting
van de landbouw staat deze biodiversiteit echter onder druk. Zolang de biodiversiteit in
landbouwgebieden verder blijft afnemen, zal de bescherming daarvan aandacht blijven
vragen van de wetenschap, de samenleving, het beleid en de politiek. Niet voor niets
hanteert de Europese Unie de Farmland Bird Index als een van de headline indicators for
sustainable development in haar Strategie voor Duurzame ontwikkeling. Initiatieven ter
verduurzaming van de landbouw dienen daarom aandacht te besteden aan biodiversiteit in
relatie tot landbouwkundig handelen en inrichting van het landelijk gebied. Hiermee wordt
een uitwerking gegeven aan beleidsvoornemens met betrekking tot onder meer Europese
biodiversiteitsdoelstellingen, Millennium Development Goals, het Tienpuntenplan van het IUCN
Nederland Comité en het Beleidsprogramma Biodiversiteit 2008-2011 (Biodiversiteit Werkt…).
Zoals ook bij de twee speerpunten in de volgende paragrafen (5.2.5 en 5.2.6) is er een
groot volume afgerond en lopend onderzoek, waarmee rekening gehouden moet worden
als dit speerpunt wordt ontwikkeld in het kader van duurzaam bodembeheer. Duidelijk is
dat er veel raakvlakken zijn met BO-onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd onder de
noemer ‘functionele agrobiodiversiteit’. Een goede afstemming daarmee is vereist. Hiermee
is de term functionele biodiversiteit – biodiversiteit die de landbouwproductie ondersteunt –
geïntroduceerd, ten onderscheid van biodiversiteit die niet primair een ondersteunende rol
heeft (maar op zichzelf nog wel een waarde kan vertegenwoordigen). In deze notitie wordt dit
onderscheid verder niet gebruikt. Wel wordt hier ervoor gepleit om invulling van dit speerpunt,
dus in het kader van duurzaam bodembeheer, te richten op het volveldse productieve areaal
van landbouwbedrijven. (En dus niet in de eerste plaats op bijvoorbeeld lijnelementen of
andere, letterlijk marginale, delen van het bedrijf die buiten productie blijven.)
Onderzoek en innovatie moeten vooral gericht worden op het inpassen – in de reguliere
productiepraktijk – van maatregelen en teeltsystemen die de biodiversiteit in akker
en weide kunnen stimuleren. Een scherpe afbakening ten opzichte van het speerpunt
bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid is wellicht niet goed mogelijk, gegeven de
106
HOOFD
STUK
5
complexiteit van voedselwebben en de zeer onvolledige kennis daarover. De reden om hier
toch twee onderscheiden speerpunten te hanteren is dat de nadruk in het eerste geval ligt
op maatregelen voor stimulering van de biotische bodemgezondheid en weerbaarheid, terwijl
het in het tweede geval gaat om maatregelen voor biodiversiteit in bredere zin, waaronder
wormen, vlinders en andere insecten, en vogels.
RELATIE TUSSEN BODEMBIODIVERSITEIT EN BOVENGRONDSE
BIODIVERSITEIT
Ondergrondse biodiversiteit kan in het algemeen bevorderd worden door de daar levende
organismen te voeden met organische stof en door het aantal verstoringen in de vorm van
bewerkingen van de grond zo veel mogelijk te beperken. Maatregelen die de hoeveelheid
organische stof in de bouwvoor vergroten zijn (1) teelt van hoofdgewassen die veel
organische stof achterlaten, (2) gebruik van organische mest in plaats van kunstmest en (3)
teelt van groenbemesters. Negatieve invloeden van grondbewerkingen op de ondergrondse
biodiversiteit kunnen worden verminderd door enerzijds het aantal grondbewerkingen terug te
brengen en anderzijds door toepassing van niet-kerende grondbewerkingen. Al deze aspecten
kunnen afdoende worden ontwikkeld in eerdergenoemde speerpunten (5.2.1-5.2.3).
Uit de literatuur is bekend dat kwaliteitseigenschappen van bodems een directe en
grote invloed hebben op allerlei bovengronds en ondergronds levende organismen.
Zo is bijvoorbeeld de mate van compactie een belangrijke voorspeller van het aantal
wormen en springstaarten, en er werd een significant verband vastgesteld tussen het
organischestofgehalte van de grond en het aantal vliegende insecten in graangewassen. Er
zijn ook aanwijzingen dat een beheer ter bevordering van ondergrondse biodiversiteit ook aan
andere dimensies van duurzaamheid kan bijdragen. Voor een uitgebreide inventarisatie van
maatregelen voor de bevordering van biologische bodemkwaliteit wordt verwezen naar Faber
et al. (2009)3.
Belangrijke kennishiaten hebben betrekking op de vraag hoe groot de effecten van diverse
3
Faber, J.H., G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, J. Bloem, J. Lahr, W.H. Diemont en L.C. Braat, 2009).
Ecosysteemdiensten en Bodembeheer. Maatregelen ter verbetering van biologische bodemkwaliteit. Alterra
Rapport 1813. ISSN 1566-7197.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
107
maatregelen zijn op biodiversiteit en hoe vereiste maatregelen inpasbaar gemaakt kunnen
worden in de bedrijfsvoering. Een ander kennishiaat betreft de relaties tussen ondergrondse
en bovengrondse biodiversiteit. Het is onduidelijk of een groter absoluut aantal organismen
in de ondergrond gepaard gaat met ook een groter aantal bovengrondse organismen.
Evenmin is bekend of een breder soortenspectrum in de bodem een breder bovengronds
soortenspectrum betekent.
BOVENGRONDSE BIODIVERSITEIT
In tegenstelling tot de ondergrondse biodiversiteit is er veel meer bekend over maatregelen
die (functionele en niet-functionele) bovengrondse biodiversiteit in landbouwgebieden
bevorderen. De verklaring daarvoor is de zichtbaarheid (en aaibaarheid) van bovengrondse
soorten. Hierna wordt een voorbeeld uitgewerkt van een bewezen effectieve maatregel ter
bevordering van bovengrondse biodiversiteit: het laten overwinteren van graanstoppels. Deze
maatregel is innig verbonden met bodembeheer (inwerken van gewasresten, groenbemesters,
onkruidbeheersing), draagt bij aan de voedselvoorziening van akkervogels in de winter, en
heeft perspectief op toepassing in de praktijk. In het Verenigd Koninkrijk wordt de maatregel
beleidsmatig erkend (subsidieregeling), maar in Nederland is dat niet het geval. Daardoor
blijven kansen liggen om meer biodiversiteit op de akker te krijgen. De maatregel raakt aan
aanpalende thema’s op het vlak van bodembeheer, met name conservation tillage- en reduced
tillage-systemen, ondergrondse biodiversiteit en bestrijding van (wind- en water)erosie.
CASE STUDY AKKERVOGELS:
OVERWINTERENDE GRAANSTOPPELS
Een van de oorzaken van de afname van zaadetende
boerenlandvogels als patrijs, veldleeuwerik en geelgors
is een verminderd voedselaanbod in de winter. Dit
verminderde voedselaanbod is onder meer toe te
schrijven aan de sterke afname van onkruidpopulaties
in het landelijk gebied, waardoor ook het aanbod aan
onkruidzaden sterk is teruggelopen.
Tot nu toe worden maatregelen voor akkervogels vooral toegepast op onbeteelde delen van
108
HOOFD
STUK
5
landbouwbedrijven (akkerranden, overhoeken, houtwallen, greppels etc). Deze onbeteelde
delen zullen altijd een klein deel uitmaken van het totale areaal. Voor akkervogels is grote
winst te boeken als ook in het beteelde deel van het landbouwbedrijf effectieve maatregelen
genomen worden die niet of nauwelijks ten koste gaan van de gewasproductie. In het besef
dat onkruidzaden een belangrijk bron van wintervoedsel zijn voor akkervogels, is dan een
belangrijke vraag of het mogelijk is een strategie voor onkruidbeheersing te ontwikkelen,
waarbij volveldse onkruidgemeenschappen in tijd en ruimte tijdelijk getolereerd worden, terwijl
de populatieopbouw van ongewenste probleemonkruiden tegelijkertijd wordt voorkomen. De
transitie die hier wordt voorgesteld, is die van een maximale bestrijding van onkruiden binnen
economische en milieukundige randvoorwaarden, naar een mede op biodiversiteit gerichte
beheersing van onkruiden binnen overige randvoorwaarden.
Op welke grondsoorten?
Ter voorkoming van structuurschade in het voorjaar, worden zwaardere gronden voor de
winter geploegd. Het laten overwinteren van graanstoppels is op zwaardere kleigronden
daarom een ingrijpende maatregel en wordt hier verder buiten beschouwing gelaten.
Op lichtere (zand)gronden is het laten overwinteren van graanstoppels in principe wel
goed inpasbaar. Waarom het in de praktijk weinig gebeurt is niet duidelijk. Vaak zullen
onkruidonderdrukking en voorkoming van ziekten een rol spelen, soms ook de teelt van
groenbemesters.
Voorstel tot aanpak
De werkgroep stelt voor om een verkennend praktijkgericht onderzoek uit te voeren, dat
inzicht oplevert in zowel de landbouwkundige inpasbaarheid als de ecologische betekenis van
graanstoppels in Nederland. In zo’n onderzoek zouden onder andere de volgende vragen aan
bod moeten komen:
t
wat is er bekend over het historische en huidige voorkomen van
overwinterende graanstoppels in Nederland en vergelijkbare gebieden?
t
wat is de waarde van graanstoppels voor vogels, en wat zijn mogelijkheden
voor het meer laten staan van de stoppels door bijvoorbeeld het achterwege
laten van herbiciden in het graangewas na half juni?
t
welke effecten heeft het laten overwinteren van graanstoppels op de
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
109
ondergrondse biodiversiteit?
t
wat betekent het tolereren van onkruiden in graanstoppels voor de
onkruidbeheersing in volgende fasen van de gewasrotatie, op korte en lange
termijn?
t
wat zijn de gevolgen van overwinterende graanstoppels voor de
populatieontwikkeling van pathogenen en mycotoxineproducerende
schimmels?
t
zijn Nederlandse akkerbouwers bereid om overwinterende graanstoppels op
te nemen in de bedrijfsvoering? Welke wel, welke niet en waarom (niet)?
5.2.5
BODEMBEHEER IN RELATIE TOT
WATERHUISHOUDING
Bodem en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en deze
verweving maakt een strikte organisatie van een kennisagenda
rond het raakvlak tussen bodembeheer en waterbeheer moeilijk.
Bovendien zijn onderzoek en kennis rond waterbeheer in Nederland dermate omvangrijk, dat
het onmogelijk is om kort en bondig de context te schetsen voor verdere kennisontwikkeling
en innovatie. Hierna volgt een beperkte set van in het oog springende aspecten die in een
kennisagenda voor duurzaam bodembeheer opgenomen kunnen worden. De organisatie
van de kennisagenda op dit vlak vereist echter eerst een duidelijke ordening van het gehele
kennisveld rond waterbeheer in relatie tot landbouw en natuur.
De kwaliteit van de bodem hangt sterk samen met de hoeveelheid beschikbare water.
Afhankelijk van de omstandigheden is deze te veel, optimaal of te weinig. Te veel water
leidt tot slechte bewerkbaarheid van bouwland, vertrapping van grasland door weidend vee,
teruggang in bodemkwaliteit en verminderde gewasgroei door anaerobie. Te veel water in
de bouwvoor leidt ook tot een hogere beschikbaarheid van bijvoorbeeld fosfaat, die dan kan
uitspoelen naar het oppervlaktewater. Watertekort anderzijds kan optreden in perioden van
droogte en vooral bij ondiep wortelende gewassen of wanneer de ondergrond een slecht
doorlatende laag bevat. De dynamiek van water in de bodem is uiteindelijk het resultaat
110
HOOFD
STUK
5
van (a) neerslag, (b) bodembeheer in engere zin (dat de eigenschappen van de bovengrond
en het bodemprofiel beïnvloedt, en zo de interne waterhuishouding waaronder infiltratie,
waterretentie en percolatie) en (c) ontwatering, begreppeling en peilbeheer en eventueel
beregening.
Onderzoek aan de interne waterhuishouding (b) is in deze notitie gerangschikt onder
andere speerpunten (beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid, beheer van
bodemstructuur). Ontwatering, peilbeheer en beregening daarentegen vormen een min of
meer zelfstandig onderwerp, hier aangeduid als externe waterhuishouding (zij volgen niet
uit het beheer van de grond). De externe waterhuishouding mag dan niet door iedereen als
onderdeel van bodembeheer worden gezien, ze wordt hier wel als apart speerpunt kort
uitgewerkt wegens de grote invloed op de bedrijfsvoering door akkerbouwers en veehouders
en op de doelen die met duurzaam bodembeheer worden nagestreefd.
Het regionaal watersysteem wordt zelf overigens ook door landbouwkundig handelen
beïnvloed. Zo kunnen bij sterke uitdroging kleibodems scheuren, waardoor bij
hevige (zomerse) stortbuien bodemdeeltjes en nutriënten snel wegstromen naar het
oppervlaktewater. Bovendien kunnen bodems die sterk verdroogd of verdicht zijn, slecht
water opnemen. Daardoor blijft de retentie beperkt en kan, bij zware neerslag, de belasting
op het waterafvoersysteem hoog oplopen. Een goede afstemming tussen bodembeheer en
waterhuishouding is daarmee van belang voor zowel de boer als voor het waterschap. Via
gericht beheer van de bodem en het water in onderlinge samenhang kunnen té natte en té
droge situaties worden voorkomen. Naast regulering voor landbouwkundige productie en
buffering van afvoerpieken (waterberging) is goede afstemming ook belangrijk voor beperking
van maaivelddaling in het veenweidegebied (en de daarmee verbonden emissie van CO2) en bij
vernatting voor natuurdoelen nabij landbouwzones.
Er is in de afgelopen jaren veel kennis en ervaring opgedaan, maar de bodemkundige en
hydrologische situatie in een gebied zijn vaak zo specifiek dat onduidelijk blijft of maatregelen
die op ene plek geschikt zijn, ook elders werken. De belangrijkste kennisvragen liggen bij de
praktische implementatie van maatregelen. Veehouders en akkerbouwers hebben behoefte
aan concrete handvatten om invulling te geven aan duurzaam bodembeheer. Grote effecten
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
111
van ingrepen – op meerdere dimensies van duurzaamheid – zijn te vinden in de relatief natte
gebieden: in het veenweidegebied en in gebieden op zand en kleigrond waar bijvoorbeeld
vanuit natuuroogpunt hogere grondwaterstanden nagestreefd worden. Daar kunnen flexibel
peilbeheer of veranderd bedrijfsmanagement een oplossing bieden. In droge gebieden kan
flexibel beheer de vochtbeschikbaarheid vergroten, zodat er minder gebruik hoeft worden
gemaakt van grond- of oppervlaktewater voor beregening.
Omdat de problematiek rond waterbeheer in de context van duurzaam bodembeheer sterk
tussen grondsoorten verschilt, is hierna een onderscheid naar grondsoort gemaakt.
BODEM- EN WATERBEHEER IN HET VEENWEIDEGEBIED
Het westelijk veenweidegebied vertegenwoordigt een uniek en waardevol landschap. Er
spelen specifieke problemen rond bodem en water: de hoge grondwaterstand leidt tot een
slechtere draagkracht, slechte berijdbaarheid en latere groei van het gras. De ontwatering
van het veen, dat aan de voorgaande problemen een oplossing biedt, leidt op haar beurt juist
tot daling van het maaiveld en verhoogde emissies van CO2. Dit is een brede problematiek die
een kennisagenda voor duurzaam bodembeheer ver overstijgt en waar dan ook vanuit diverse
invalshoeken kennis en beleid voor worden ontwikkeld. Omdat hier sprake is van het zoeken
naar optima – tussen te nat en te droog maar ook tussen de belangen van de boer en die van
waterschap, omwonenden en de bredere samenleving – zal de vraag naar goede methoden
voor het maken van afwegingen sterker worden. Zulke methoden zijn niet specifiek voor dit
vraagstuk. De toepassing ervan uiteraard wel en deze zou ingepast kunnen worden in de
beoogde kennisagenda (zie ook teebweb-link in paragraaf 5.2.6.).
In het veenweidegebied zijn diverse agrarische studiegroepen actief bezig met maaivelddaling,
broeikasgassen en waterkwaliteit, onder andere gefinancierd door de provincie Utrecht. Zij
hebben behoefte aan kwantitatieve onderbouwing van de effecten van maatregelen op de
dimensies van duurzaamheid. Belangrijke kennisvragen voor de hier beoogde kennisagenda
zijn daarom wat individuele maatregelen als onderwaterdrainage, flexibel peilbeheer,
inschaarmoment melkvee en verlaging van bodemdruk bij berijding op bedrijfsniveau kunnen
betekenen, en hoe die maatregelen ingepast kunnen worden. De studiegroepen hebben
geen financiële middelen om deze kennis te verzamelen. Uit de vraagarticulatie in de
112
HOOFD
STUK
5
studiegroepen blijkt dat er behoefte is aan een toolkit van mogelijk toe te passen maatregelen
op bedrijfsniveau, met een beoordeling van de respectievelijke bijdragen aan duurzaamheid.
Dergelijke kennis zou direct geïmplementeerd kunnen worden in de reeds lopende
studiegroepen. Het onderzoek dient te worden afgestemd op lopende initiatieven van het
Proefbedrijf Zegveld, waar reeds verschillende veldproeven op het gebied van waterbeheer
in uitvoering zijn of waren in opdracht van onder andere het voormalige LNV of het huidige
EL&I, waterschappen en Productschap Zuivel. Dit onderzoek kan ondersteund worden door
modelwerk op bedrijfsniveau (bijvoorbeeld met het bedrijfsmodel voor de melkveehouderij
BBPR/DairyWise4).
ZAND- EN KLEIGRONDEN
Door waterberging of vernatting voor bepaalde doeltypes
natuur krijgen (omliggende) akkerbouwgronden en
graslanden te maken met hogere grondwaterstanden.
Hierdoor is de grond in het voorjaar later bewerkbaar.
Voor grasland betekent dit verlate bemesting, hetgeen
veelal een snede gras kost. Voor bouwland betekent dit
latere bewerking en inzaai, wat in het algemeen ook tot
opbrengstderving leidt. In het groeiseizoen zijn hoge
grondwaterstanden tot 60 centimeter geen probleem.
Integendeel, de opbrengsten nemen toe doordat de kans
op droogtestress afneemt. De onderzoeksvragen rond
vernatting zijn gericht op het kwantificeren van (neven)
effecten en op maatregelen om hier in de praktijk mee
om te gaan. Allereerst is een korte studie nodig naar de
omvang van het areaal (bouwland en grasland) dat met
hogere peilen te maken krijgt. Vervolgens zou gericht
een aantal effecten van vernatting op bodemfuncties
en daarmee op dimensies van duurzaamheid onderzocht moeten worden (productie,
4
Schils, R.L.M., M.H.A De Haan, J.G.A. Hemmer, A. Van Den Pol-van Dasselaar, J.A. De Boer, A.G.
Evers, G. Holshof, J.C. Van Middelkoop en R.L.G Zom, 2007. DairyWise, a wholes-farm dairy model. Journal of
Dairy Science, 90 (11), pp. 5334-5346.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
113
nutriëntenbenutting en -emissies, ziekten, plagen, onkruiden, opbouw van organische stof,
broeikasgassen).
Dynamisch peilbeheer – diep ontwateren in het voorjaar als de grond bewerkt moet worden
en bij de oogst, en hogere grondwaterstand in het groeiseizoen – lijkt goede perspectieven
te bieden waar de grond periodiek te droog of te nat is. Ontwatering op kleigronden dient
onder andere de draagkracht en werkbaarheid in het voor- en najaar. De zandgronden zullen
in het algemeen minder problemen hebben in het voorjaar, maar ondervinden juist in het
groeiseizoen problemen door vochttekort. Weliswaar kan dit met beregening worden opgelost;
echter dit kost energie en geld en bovendien beperken waterschappen (oppervlaktewater)
of provincies (grondwater) vaak de beregening bij aanhoudende droogte. Vochttekort kan
dan beperkt blijven, indien tijdig meer water in het gebied wordt vastgehouden. In Brabant
is al ervaring opgedaan met individueel waterbeheer, waarbij boeren zelf het peil mochten
regelen, maar tegelijkertijd restricties opgelegd kregen voor beregening. Dit waterbeheer
werd gecombineerd met kennisoverdracht over waterstroming. Ten tijde van de pilot leek deze
aanpak een groot succes. Het is niet duidelijk of de effecten voortduren en of een dergelijke
systematiek ook elders toegepast kan worden. Indien flexibel waterbeheer verder wordt
ontwikkeld binnen de kennisagenda voor duurzaam bodembeheer, zou een evaluatie van die
pilot op zijn plaats zijn en richting kunnen geven aan verder onderzoek en ontwikkeling. Vragen
zijn onder andere hoe participatie op gang gebracht kan worden en wat de rol en effectiviteit
zijn van scholing aan boeren over waterbeheer. Ook zou daarbij de regionale organisatie en
bestuurskundige inbedding van flexibel peilbeheer aandacht moeten krijgen.
Voordat nieuw onderzoek geformuleerd kan worden, dienen kennis en ervaring uit eerdere
studies te worden gebundeld en gecombineerd (Duik in water! (NAJK), LOP-stuwen,
Maatregelen voor Schoner Water, Bodemdiensten Friesland). Daarbij moet ook gedacht
worden aan reeds bestaande tools voor bodem-waterbeheer en aan kenniskringen op dit
gebied in verschillende regio’s.
Tot slot zijn er specifieke gebieden met verziltingsproblemen (onder andere Bollenstreek,
delen van Noord-Nederland, delen van Zeeland), waar aangepast peilbeheer mogelijk kan
bijdragen aan het beperken van verzilting of van de schade daardoor.
114
HOOFD
STUK
5
5.2.6 KOSTEN, BATEN EN ADOPTIE VAN
DUURZAAM BODEMBEHEER
€
Het is niet goed mogelijk in kort bestek een overzicht te geven van afgerond of lopend
sociaal-economisch onderzoek, waarin bodembeheer een plaats inneemt. Er bestaat
zowel in Nederland als internationaal een omvangrijke literatuur over gedrag in relatie
tot duurzaamheid, factoren die adoptie beïnvloeden en de rol van (vermeende) kostenbatenverhoudingen hierbij. Bodembeheer is slechts een van de onderdelen van de
bedrijfsvoering. Terwijl er wel studies bekend zijn naar specifieke aspecten van de
bedrijfsvoering (onder andere in relatie tot bemesting- en mineralenbeheer en inzet van
gewasbeschermingsmiddelen) zijn er geen recente Nederlandse studies naar duurzaam
bodembeheer in bredere zin. Nieuw onderzoek zal zich moeten richten op hierna genoemde
aspecten.
ZOEKEN NAAR OORZAKEN VAN NON-ADOPTIE
Waarom gewenste gedragsveranderingen vaak niet worden bereikt, blijft veelal onduidelijk.
Enerzijds kan een rol spelen dat inzicht en kennis onvoldoende hanteerbaar zijn (gemaakt)
voor inpassing in de betreffende bedrijfscontext. Waarschijnlijk is dat echter niet het enige;
er is vaak sprake van routine bij landbouwers, en dat staat adoptie van nieuwe mogelijkheden
in de weg. Handelingen, werkwijzen en beslissingsgedrag veranderen alleen als de
landbouwer zich ervan bewust is dat dit verbeteringen kan opleveren. Om tot verandering te
komen, moet hij zich bewust worden van het belang van duurzamer bodembeheer voor zijn
bedrijfsresultaten (op korte en langere termijn), van de bedrijfseigen knelpunten op dit gebied,
van de oorzaken daarachter en van mogelijke oplossingsrichtingen. Methoden waarmee bij
gedragverandering goede resultaten worden geboekt zijn onder andere deelname aan ‘leaduser innovation networks’, en ‘benchmarking’, waarbij een ondernemer de resultaten van zijn
bedrijf vergelijkt met die van andere ondernemers waarmee het bedrijf op belangrijke punten
vergelijkbaar is. Ontdekken dat en ook waar het beter kan door eigen bedrijfsresultaten
naast die van een groep vergelijkbare bedrijven te zetten, helpt de ondernemer bij de analyse
naar verbeterpunten. Het constateren van verschillen met vergelijkbare bedrijven daagt uit
tot het zoeken naar verbetering. Verder is het van belang dat de ondernemer ontdekt wat
verbeteringen voor zijn eigen situatie aan betere resultaten kan opleveren. Spelsimulatie, ook
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
115
met de gegevens van zijn eigen bedrijf, kan hem dat inzicht geven en hem tot adoptie en tot
actie brengen (zie http://www3.lei.wur.nl/DZW/).
Zoeken naar de oorzaken van non-adoptie is een eerste stap, ‘benchmarking’ de tweede
stap en deelname aan ‘lead-user innovation networks’ en spelsimulatie de derde stap om tot
verbetering te komen.
Bij het zoeken naar de oorzaken van het achterwege blijven van adoptie moet ook bekeken
worden welke wettelijke beperkingen een verduurzaming van bodembeheer eventueel in
de weg staan. Zo kunnen beleidsmaatregelen geformuleerd worden die verduurzaming
ondersteunen en belemmeringen wegnemen.
KOSTEN EN BATEN VOOR ONDERNEMER
OP KORTE EN LANGERE TERMIJN
Inzicht in de kosten en baten van maatregelen
en strategieën op korte en lange termijn kan
ondernemers helpen bij het streven naar een
duurzame bedrijfsontwikkeling. Dat ondersteunt de
bovenomschreven stappen naar adoptie van voor hen
geschikte maatregelen en strategieën, en kan hen ertoe
brengen om routinematige handelingen te veranderen.
Vaak is onduidelijk hoe groot de kosten en baten zijn,
zeker omdat de resultaten van een beter bodembeheer
meestal niet op korte termijn zichtbaar zijn.
‘Benchmarking’ aan resultaten van andere bedrijven waar een duurzamer bodembeheer wordt
toegepast, kan aanpassingen helpen opsporen om de kosten-batenverhouding te verbeteren.
ONTWIKKELING VAN TOOLS VOOR DE ONDERNEMER
Ondernemers willen inzicht in de maatregelen die hun eigen concrete situatie kunnen
verbeteren. Tools om ondersteuning te bieden bij adoptie van maatregelen en strategieën
voor een duurzamer bodembeheer zullen op die behoefte moeten inspelen. Dat kan leiden
tot relatief eenvoudige tools die bijvoorbeeld inzicht geven in de organische stofbalans tot
116
HOOFD
STUK
5
tools op bedrijfsniveau. Deze laatste maken het mogelijk om het resultaat het eigen bedrijf
integraal te spiegelen aan dat van vergelijkbare bedrijven of met spelsimulatie strategieën
voor het eigen bedrijf door te rekenen op hun effecten. Bestaande benchmarktools (Face-It) en
prototypen van bestaande spelsimulatie (DZW) kunnen daarop worden toegesneden.
ONTWIKKELING VAN STURINGSINSTRUMENTEN VOOR DE
ONDERNEMER
Duurzaamheid is voor landbouwers moeilijk grijpbaar zolang dit begrip niet hanteerbaar
gemaakt is via signaleringsinstrumenten, waarin indicatoren centraal staan die een relatie
hebben met de bedrijfsvoering en op grond waarvan de ondernemer kan sturen. Deze
vertaling is nodig om de ondernemer iets bij duurzaamheid te laten voorstellen en te doen
weten waaraan hij moet werken, zodat de motivatie hoog blijft. Deze indicatoren kunnen
dan bij benchmarking worden gebruikt om de duurzaamheid van verschillende aspecten van
bedrijfsvoering af te meten aan die van vergelijkbare ‘peer groups’.
DIFFERENTIATIE IN BESLISGEDRAG TUSSEN ONDERNEMERS
Ondernemers geven afhankelijk van wat zij belangrijk vinden afzonderlijke thema’s een
onderscheiden plaats in hun bedrijf. Zo worden er koeienboeren, graslandboeren, autonome
boeren et cetera onderscheiden met een verwijzing naar wat zij belangrijk vinden. Ook zijn er
regionale verschillen in de aandacht die boeren aan thema’s geven. Inzicht in deze verschillen
kan van belang zijn bij de stimulering van gedragsverandering rond bodembeheer. Doordat bij
benchmarking een groep vergelijkbare bedrijven wordt gegenereerd, wordt de betrokkenheid
van en de overtuiging bij de ondernemer dat hij aan de eigen situatie werkt, vergroot. Dat
gebeurt ook met spelsimulatie.
BREDE ANALYSE
Bovengenoemde aspecten en ‘tools’ zouden gecombineerd kunnen worden in onderzoek en
kennisuitwisseling ten behoeve van verduurzaming van bodembeheer. Een geïntegreerde
aanpak besteedt dus aandacht aan welke knelpunten verschillende typen ondernemers in
verschillende regio’s ervaren, welke plaats de bodem daarin inneemt (niets tot veel), welke
routines hun beslissingsgedrag bepalen, welke interventies nodig zijn voor doorbraken in
beslissingsgedrag en welke sturingsinstrumenten daarvoor nodig zijn.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
117
ECONOMISCHE WAARDERING VAN MAATSCHAPPELIJKE BATEN
Tenslotte is er de monetaire waardering van ecosysteemdiensten, diensten die in dit geval
de bodem vervult in het belang van de samenleving. Dit vakgebied is de laatste paar jaar
in een stroomversnelling geraakt door werk van Constanza in 1997 (zie ook http://www.
teebweb.org/). Het onderwerp is echter complex en controversieel en moeilijk af te bakenen.
Mogelijk zou de economische waardering van bodembeheerdiensten in de bredere context van
landgebruik ontwikkeld moeten worden. Monetaire waardering van bedoelde diensten is relevant
in gevallen waar vergoedingen vastgesteld moeten worden, en waarbij dan niet alleen naar de
uitvoeringskosten maar ook naar de waarde van geleverde diensten gekeken moet worden.
5.3
AANPAK KENNISAGENDA
In de kennisketen van experiment tot kennisbenutting is
het vruchtbaar gebleken om parallel aan de ontwikkelingen
in de experimenten gebruik te maken van de innovatieve
kracht van ondernemers en het toeleverend bedrijfsleven.
Omdat diverse agrarische ondernemers al nieuwe
technieken en methoden op hun bedrijf testen en
optimaliseren, is het raadzaam dat het onderzoek met hen
samenwerkt. Dat kan zijn in de vorm van facilitering (kennis
en ervaring bij elkaar brengen), maar ook concreter door
hulp te bieden bij de ontwikkeling van nieuwe technologie
en bij het uitvoeren van ondersteunende metingen en
waarnemingen ter evaluatie en verbetering van die
innovaties.
Deze participatieve/interactieve modus neemt een centrale
plaats in in de gehele kennisketen. Die moet daarom
voor een efficiënte kenniswerking en benutting van beschikbare middelen goed georganiseerd
worden. Een goede afstemming van de volgende elementen – lijst is niet uitputtend – is daarbij
van belang:
118
HOOFD
STUK
5
t
thematisch onderzoek (experimenteel en desk), fundamenteel en/of
strategisch, korte- en langetermijnvraagstellingen, veelal op proeflocaties of
labschaal, deels te plaatsen in KB
t
langetermijnonderzoek op proeflocaties, bij voorkeur over meerdere decennia
(in Nederland nauwelijks beschikbaar, daarom ook locaties buiten Nederland
benutten), thematisch en/of meerdere thema’s in samenhang
t
systeemonderzoek: ontwikkelen en evalueren van pakketten van op
elkaar afgestemde (onderling consistente) maatregelen/beheeropties; op
proeflocaties, biologisch en gangbaar separaat maar nabij elkaar
t
regionale pilots (bedrijfstypen en grondsoorten in regio’s)
t
praktijkexperimenten (dus op praktijkbedrijven)
t
praktijknetwerken en kenniskringen (respectievelijk biologisch en gangbaar)
t
co-innovatie op proef- of praktijkbedrijven, samen met toeleverend
bedrijfsleven (machinebouwers, composteerders etc.)
t
kennismontage, ontwikkeling van management tools, webservices
t
organiseren van aansluitingen met voorlichtende organisaties voor zowel
participatie als kennisdoorstroming en -benutting
t
publicatie in wetenschappelijke en vaktijdschriften
t
organiseren van aansluiting bij het onderwijs: programmering,
onderwijselementen
t
relatiebeheer en (kennis)programmaontwikkeling met betrokken organisaties
en financiers
t
afstemming met andere EL&I-kennisagenda’s met bijbehorende
beleidsondersteunende programma’s
t
afstemming tussen KennisBasis en BO-agenda’s
t
afstemming met overige onderzoeksprogrammering en financiers (zie hierna)
De kennisketen is een complex systeem. Het opbouwen van een goed samenhangend geheel
vereist intensieve aandacht en investering gedurende vele jaren. Het is daarom van belang om
bestaande netwerken en regionale ‘kernbedrijven’ te koesteren en in onderlinge samenhang
verder te ontwikkelen en te benutten voor verduurzaming van bodembeheer. Daarvoor ligt in
Nederland een stevige basis, zowel voor de biologische als voor de gangbare landbouw.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
119
Zowel EL&I als de sector zelf alsook andere organisaties kunnen bijdragen aan de financiering
van delen van de kennisagenda. Vele stakeholders en organisaties hebben immers belang
bij duurzaam bodembeheer: productschappen, agrarisch ondernemers en toeleverend
bedrijfsleven, waterschappen, provincies, EU, natuurbeherende organisaties en het Ministerie
van Infrastructuur en Milieu (voorheen VROM en V&W) met de daaraan gelieerde Technische
Commissie Bodem (TCB) en de Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem
(SKB). De wijze waarop ketenpartijen (sector) complementair aan de overheid kunnen
bijdragen en deelnemen aan de ontwikkeling van een stevige kennisketen is weergegeven in
figuur 5.1.
Door netwerken van biologische en gangbare ondernemers te verbinden, kan wederzijds
veel kennis en ervaring worden gedeeld en kan men elkaar inspireren en stimuleren. Dat
geldt zeker ook doordat bij die verbinding de ondernemers uit beide stromingen aansluiting
vinden bij de experimenten en vraagstellingen. Dat bevordert de onderlinge discussie en
stimuleert de dynamiek van kennisontwikkeling en -verspreiding. De samenwerking kan dan
doorgetrokken worden van experiment tot pilots, on-farm research en praktijknetwerken. Door
bedoelde samenwerking vorm te geven vanaf het experiment kan de uiteindelijke doorwerking
in de praktijk waarschijnlijk sterk worden bevorderd.
HOE
FINANCIERING
FUNDAMENTEEL
PUBLIEK GELD
THEMATISCH ONDERZOEK
SYSTEEMONDERZOEK
PRAKTIJKPILOTS
ONTWERPEN
€
PRAKTIJKNETWERKEN
COMMUNICATIE
WAT
VERKENNEN
ONTWIKKELEN
TESTEN
VERSPREIDEN
PRIVAAT GELD
BENUTTEN
Figuur 5.1. Kennisagenda waarbij EL&I en sector gezamenlijk bijdragen aan kennisontwikkeling,
-montage en verspreiding, afhankelijk van het niveau in de kennisketen.
120
HOOFD
STUK
5
INTEGRATIE, SYSTEEMONDERZOEK EN SYSTEEMLOCATIES
In het organiseren van de kennisketen bestaat er – zowel bij opdrachtgevers als bij
belanghebbenden in de praktijk – een groeiende voorkeur voor activiteiten waarbij kennis en
innovatie worden geïntegreerd tot gehele strategieën (van bodembeheer), dus tot afgeronde
pakketten van samenhangende (onderling consistente) keuzes en maatregelen. Die voorkeur
wordt gevoed door de verwachting dat onderzoeksresultaten op deze wijze sneller in de
praktijk toegepast kunnen worden of geaccepteerd worden. Omdat deze voorkeur voor
kennisintegratie en integrerend onderzoek de komende jaren zal blijven bestaan en discussies
hierover een rol zullen spelen in de verdere ontwikkeling van de kennisagenda, wordt
hieronder een poging gedaan om de begrippen integratie en systeemonderzoek nader te
preciseren en enkele voor- en nadelen te benoemen.
In de organisatie van onderzoek en kennisbenutting worden verschillende vormen van
integratie onderscheiden, waaronder:
t
het combineren van kennisvragen uit verschillende disciplines (thema’s,
speerpunten) in één proefopzet
t
het benutten van bestaande thematische experimenten voor aanvullende
waarnemingen vanuit andere disciplines (bijvoorbeeld neveneffecten van
aangelegde contrasten)
t
het verbinden van kennisontwikkeling en -verspreiding tussen stromingen
(biologisch en gangbaar), (dit kan ongeacht het aggregatieniveau)
t
het opschalen van resultaten naar een hoger (fysiek) aggregatieniveau,
bijvoorbeeld van plant of grondkolom naar gewas, perceel of bedrijf
t
het ontwikkelen, evalueren en op elkaar afstemmen van maatregelen/
innovaties tot pakketten van onderling consistente maatregelen (die dan als
beheersystemen worden aangeduid)
Al deze vormen kunnen een nuttige rol vervullen in de beoogde kennisagenda.
Laatstgenoemde aanpak kan voor een sterke samenhang tussen verschillende elementen
van de kennisagenda zorgen. Deze aanpak wordt aangeduid als systeemonderzoek.
Systeemonderzoek dient dan als spil in de kennisketen, waarbij thematisch onderzoek
(aspectonderzoek) kennis en technologie aanlevert, die in systeemonderzoek wordt toegepast
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
121
en geëvalueerd. Zo worden nieuwe hindernissen, die vaak optreden bij innovaties, tijdig
gesignaleerd. Dit roept weer nieuwe thematische onderzoeksvragen en de behoefte aan
bijpassende innovaties op. Daarnaast fungeren de systeemlocaties als condensatiepunt voor
communicatie en voor het aantrekken van partners in de kennisketen. Regionale proeflocaties
kunnen hierbij op effectieve wijze een centrale plaats innemen en hebben vaak een sterke
uitstraling naar de praktijk.
Vanuit wetenschappelijk oogpunt kunnen er twee – op zichzelf staande – argumenten zijn om
een bepaalde vraagstelling aan te pakken via systeemonderzoek:
t
De beoogde oplossingsrichting voor een bepaald knelpunt vereist
een serie van aanpassingen in de bedrijfsvoering, die in onderlinge
afstemming ontwikkeld en geëvalueerd moeten worden. Bijvoorbeeld
nieuwe grondbewerkingssystemen – voor minder brandstofgebruik en een
betere bodemstructuur – vereisen óók een aangepaste oogsttechniek (om
de gewonnen bodemstructuur niet steeds te verliezen) en bijpassende
groenbemesters en onkruidbeheersingsstrategieën. Voorbeeld
systeemonderzoek: BASIS op de Broekemahoeve.
t
Men wil nagaan hoe groot het gecumuleerde effect van combinaties van
maatregelen is voor een centraal gestelde doelvariabele. Zo’n variabele
kan bijvoorbeeld zijn: het stikstofoverschot op bedrijfsniveau, het
nitraatgehalte in het grondwater onder het bedrijf, de totale inzet van
actieve stof (gewasbescherming) of brandstof (transport en bewerkingen),
de totale emissie aan broeikasgassen of de bodemweerbaarheid in een
perceel. In al deze gevallen is de doelvariabele immers de resultante van
de respectievelijke bijdragen van vele individuele maatregelen, waartussen
positieve of negatieve terugkoppeling kan bestaan. Door maatregelen te
stapelen, kan dan een maximaal haalbaar effect worden geschat. Voorbeeld
van systeemonderzoek: het (nu afgesloten) systeemonderzoek Nutriënten
Waterproof (NWP) op Vredepeel (gericht op minimale nitraatuitspoeling).
Systeemonderzoek – waarbij dus in één object vaak meerdere factoren tegelijk worden
bestudeerd – heeft ook nadelen. De wetenschappelijke onderbouwing van resultaten wordt
122
HOOFD
STUK
5
bemoeilijkt wanneer (vaak uit kostenoverweging) contrasterende systemen zodanig zijn
aangelegd, dat verschillen niet statistisch getoetst kunnen worden. Soms kan zelfs geen
contrast aangelegd worden dat het gehele bedrijf in één behandeling vertegenwoordigt
(bijvoorbeeld proefbedrijf De Marke). Voorts leggen systeemlocaties onderzoeksgeld voor
langere tijd vast op één locatie (grondsoort) en één proefopzet (rotatie, behandelingen), terwijl
grondsoorten en bedrijfssystemen (ook binnen het zand- respectievelijk kleiareaal) sterk
verschillen. Ook kunnen de respectievelijke bijdragen van de aparte factoren of maatregelen
aan een doelvariabele (bijvoorbeeld bodemweerbaarheid) niet apart gekwantificeerd
worden, als ze niet een voor een gevarieerd worden, terwijl dat inzicht wel belangrijk is. In
de praktijk zal immers zelden het gehele systeem gekopieerd kunnen worden, want ieder
bedrijf is een specifieke combinatie van rotatie en raskeuze, grondsoort, hydrologie, historie,
investeringsmogelijkheden en toekomstperspectief. Er zijn veel belangrijke kennis- en
innovatievragen die goed onderzocht kunnen worden via eenvoudiger, veelal goedkopere
experimenten of toetsen. Tot slot: echte doorbraken voor het oplossen van knelpunten zijn
zelden vanuit systeemonderzoek ontstaan. Ze vereisen vaak de gerichte ontwikkeling en
benutting van nieuwe technologie en bijbehorende kennis voor een specifiek probleem.
Kortom, ook al staat het belang van systeemonderzoek als onderdeel van een brede
kennisagenda hier niet ter discussie, bij een keuze voor deze benadering hoort steeds een
zorgvuldige afweging. Tegen de achtergrond van de zich ontwikkelende kennisbehoefte en
beschikbare middelen, zal steeds opnieuw een balans gezocht moeten worden tussen de
verschillende modi die bij onderzoek en kennisdeling mogelijk zijn.
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
123
5.4 AANBEVELINGEN
1.
Duurzaam bodembeheer is een veelomvattend en tot dusver slecht
afgebakend begrip. Voor een goede communicatie tussen beleid, primaire
sector, ketenpartijen en onderzoek is het van belang dat dit begrip helder en
eenduidig wordt afgebakend. Deze notitie geeft daartoe een aanzet, maar
een verdere aanscherping, correctie en/of acceptatie door alle betrokkenen
is essentieel. Daarmee ontstaat uiteindelijk een duidelijk kader voor een
effectieve kennisagenda.
2.
Voorbeelden van onderwerpen die niet door eenieder gezien worden als
bodembeheer zijn agrobiodiversiteit; precisietoediening van meststoffen
en gewasbeschermingsmiddelen; innovaties in de bewerking, oogst en
transport van producten; en de relatie bodem - waterbeheer. Toch zijn deze
onderwerpen zo sterk met bodembeheer verweven dat ze naar het oordeel
van de werkgroep wel thuishoren in een kennisagenda voor duurzaam
bodembeheer.
3.
Voor deze studie zijn knelpunten in de Nederlandse landbouwsectoren
geïnventariseerd die nauw met bodembeheer verbonden zijn. Het is niet
mogelijk om met beperkte middelen alle knelpunten aan te pakken. Voor een
effectieve kennisagenda komt het aan op een duidelijke prioritering van de
knelpunten per sector. Die taak ligt in eerste instantie bij de sectoren en het
beleid.
4.
De kennisagenda’s voor duurzaam bodembeheer in respectievelijk de
biologische en gangbare landbouw kunnen geïntegreerd worden, mits er
voldoende oog blijft voor de verschillen in randvoorwaarden waarmee deze
systemen werken. De doelen, processen en relevante bodemeigenschappen
zijn voor beide systemen in grote mate vergelijkbaar, maar de mogelijkheden
voor de biologische ondernemers om teelten bij te sturen zijn kleiner. Beide
stromingen hebben elkaar veel te bieden. Een effectieve kennisagenda benut
die kansen.
5.
De kennisagenda zou gericht moeten worden op het ontwikkelen, toetsen
en verspreiden van innovaties die de belangrijkste knelpunten voor
124
HOOFD
STUK
5
duurzaam bodembeheer wegnemen, en zo het handelingsperspectief van de
ondernemers verbreden. De werkgroep die deze notitie heeft voorbereid, is
van mening dat veel knelpunten aan te pakken zijn via gericht beheer van de
drie centrale bodemkenmerken. Ze stelt daarom voor om een belangrijk deel
van de kennisactiviteiten te organiseren rondom drie speerpunten:
ɏ
beheer van organische stof en bodemvruchtbaarheid
ɏ
beheer van bodemstructuur
ɏ
beheer van bodembiodiversiteit en bodemweerbaarheid
Hoofdstuk 5 geeft overzichten van de belangrijkste kennishiaten en
innovatieopgaven binnen deze speerpunten.
6.
Door de innige samenhang tussen eigenschappen en processen bestaan er
tussen de voorgestelde speerpunten veel raakvlakken en overlap. Bij elke
andere indeling zal dat ook gebeuren. Daarnaast bestaat er vaak óók een
sterke samenhang tussen de maatregelen die de ondernemer uitvoert. Zo
heeft minder grondbewerking grote consequenties voor de mogelijkheden
voor onkruidbeheersing of voor structuurherstel. Om deze redenen is het
zinvol om een deel van de activiteiten voor de beoogde kennisagenda te
groeperen in systeemonderzoek. Maatregelen worden daar in samenhang
ontwikkeld en hun impact op verschillende bodemkenmerken wordt er
gevolgd. Bovendien vormen locaties voor systeemonderzoek een goed
ankerpunt voor interacties met ondernemers en andere partijen in het
werkveld. Op elke hoofdgrondsoort – zand, veen, klei – zou tenminste één
systeemlocatie goed ontwikkeld moeten worden.
7.
Naast systeemonderzoek dient er voldoende ruimte gereserveerd te blijven
voor thematisch onderzoek, toegepast en fundamenteel. Dit blijft de basis
voor verdere ontwikkeling van kennis en technologie die bij innovatie
essentieel is.
8.
Een kennisagenda die beoogt bij te dragen aan duurzaam bodembeheer in
brede zin, dient zich niet alleen te richten op bodemkwaliteit, maar onder
andere óók aandacht te geven aan de impact van bodembeheer op andere
aspecten van duurzaamheid, zelfs indien die niet de bodem zelf zouden
raken. Zichtbare biodiversiteit op de akker en in de weide en bodembeheer in
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
125
relatie tot waterbeheer worden hier als twee extra speerpunten voorgesteld.
Deze twee onderwerpen maken echter óók deel uit van kennisagenda’s voor
biodiversiteit en waterbeheer, die veel verder reiken dan bodembeheer. Ze
dienen daarom ontwikkeld te worden in nauwe afstemming met die agenda’s.
9.
Tenslotte is aandacht nodig voor processen rond gedragsverandering en
adoptie van duurzaam bodembeheer, en voor de economische evaluatie van
innovaties en aangepast beheer op de korte en langere termijn. Uiteindelijk
zullen aanpassingen die niet renderen, in de brede praktijk niet slagen, tenzij
ze via steunmaatregelen aangemoedigd of via wettelijke regulering opgelegd
worden. Aanmoediging geldt evenzeer voor agrarisch ondernemers als voor
ketenpartijen die bij innovaties een belangrijke rol vervullen. Een beleid
dat verduurzaming wil stimuleren, moet oog hebben voor de risico’s die
investerende partijen nemen en moet bereid zijn financiële risico’s te delen
wanneer beoogde innovaties bijdragen aan het algemeen belang.
126
HOOFD
STUK
5
BOUWSTENEN VOOR EEN KENNISAGENDA
DUURZAAM BODEMBEHEER
127
128
BIJLAGEN
BIJLAGE I - WERKGROEP
De werkgroep die de visie heeft opgesteld, bestond uit vertegenwoordigers van betrokken
disciplines uit relevante geledingen van Wageningen UR en het Louis Bolk Instituut (LBI).
DEELNEMERS
Leendert Molendijk
Rommie van der Weide
Wijnand Sukkel
Annemieke Smit
Sjef Staps
Henk van Reuler
Bert Vermeulen
Agnes van de Pol/Theun Vellinga
Rien van der Maas
Annemarie Breukers/Aart van den Ham
Joeke Postma
Hein ten Berge
André van der Wurff
(PPO; functionele agrobiodiversiteit en
gewasbescherming)
(PPO; onkruidbeheersing)
(PPO; integraal, biologisch en vollegrondsgroenten
& akkerbouw)
(Alterra; bodem- en waterbeheer)
(LBI; biologische landbouw)
(PPO; sierteelten)
(PRI; bodemstructuur; mechanisatie)
(Livestock Research; grasland)
(PPO; fruitteelt)
(LEI; verduurzaming en ondernemerschap)
(PRI; bodemgezondheid en bodemweerbaarheid)
(PRI; agrosystemen, bodem en bemesting)
(PPO; bodemweerbaarheid en kasteelten)
AGENDALEDEN EN BEGELEIDING
Rob Meijer
Frank Wijnands
José Vogelezang
(PPO)
(PPO)
(PPO/PRI)
Jules Bos (PRI) en Jack Faber (Alterra) leverden de grondslag voor paragraaf 5.2.4 (beheer
van bovengrondse biodiversiteit); voor het overige maakten zij geen deel uit van de
werkgroep.
130
BIJLAGE II - DEELNEMERS WORKSHOP
DUURZAAM BODEMBEHEER 30 MAART 2010
ORGANISATIE
DEELNEMER
Bioconnect
Biologica
Blgg
Consultant
Cumela
DLG
DLV-Plant
LBI
LLTB
LNV-AKV
LNV-AKV
LNV-DKI
LTO
LTO Noord
PBL
Provincie Drenthe
Provincie Friesland
RIVM
SKB
TCB
VROM
Wageningen UR
Wageningen UR
Wageningen UR
Wageningen UR
Wageningen UR
Wageningen UR
Wageningen UR
ZLTO
ZLTO
Kees van Beek
Jac Meijs
Peter van Erp
Hans Schiere
Maurice Steinbusch
Carla Roghair
Nelis van der Bok
Sjef Staps
Chrit Wolfhagen
Monique Brobbel
Sabine Pronk
Jan Janssen
Joke de Geus
Jaap van Wenum
Hans van Grinsven
André Smits
Albert Hahn
Michiel Rutgers
Frank Agterberg
Sandra Boekhold
Gert Eshuis
Frank Wijnands
Gerard Migchels
Hein ten Berge
Joeke Postma
José Vogelezang
Michel de Haan
Peter de Ruiter
Mark Heijmans
Peter Brouwers
BIJLAGEN
131
BIJLAGE III - VERWACHTE ONTWIKKELINGEN MET
GROTE IMPACT OP BODEMBEHEER
III.1 TOEKOMSTBEELDEN ZOALS VERWOORD DOOR
STAKEHOLDERS
Hierna volgt een korte weergave van toekomstbeelden zoals verwoord door stakeholders
tijdens een workshop in Wageningen op 30 maart 2010. Het doel was om ontwikkelingen en
verwachte toekomstbeelden aan te geven over hoe de landbouw in Nederland er over twintig
jaar uitziet, en met welke randvoorwaarden deze dan te maken heeft. Speciale aandacht ging
uit naar juist die randvoorwaarden welke een impact hebben op duurzaam bodembeheer.
In 2030 zal de landbouw in Nederland op een meer duurzame leest geschoeid zijn en
verregaand ingepast zijn in de randvoorwaarden en wensen die vanuit verschillende
maatschappelijke thema’s gesteld worden. De belangrijkste duurzaamheidsthema’s waar
de landbouw rekening mee dient te houden zijn: natuur (inclusief landschap, biodiversiteit,
relatie stad-platteland), water, klimaat, milieukwaliteit en last but not least: de economische
duurzaamheid en productiviteit van de landbouw zelf. De landbouw als economische sector
maakt ontwikkelingen door die deels autonoom zijn en deels ingegeven worden door
genoemde de thema’s die randvoorwaarden opleggen.
Hierna volgt een schets van de verwachte relatie tussen de landbouw en de diverse thema’s.
Deze schets is het startpunt voor een verdere uitwerking van toekomstbeelden naar een LNVkennisagenda.
Economie en productie
Bij de voedselproductie in 2030 wordt in de eerste plaats gewaakt over voedselveiligheid
en dus traceerbaarheid. Meteen daarna volgt duurzaamheid. Duurzaam gebruik van de
bestaansbasis betekent internalisatie van de kosten die voorheen op de samenleving werden
afgewenteld. De consument heeft dit geaccepteerd en betaalt dus een faire prijs voor de
duurzame productie van zijn voedsel. De positie van de West-Europese producent op de
wereldmarkt verslechtert.
In ons voedselpatroon en onze productiesystemen is er een verschuiving naar plantaardige
eiwitten ter vervanging van vlees. Er worden minder foodmiles gemaakt door hogere
transportkosten. Er treedt een kentering op in de globalisering: meer protectionisme
op de schaal van werelddelen en meer nadruk op de eigen regio. Veehouderij is meer
zelfvoorzienend, kringlopen worden beter gesloten en reststromen beter benut.
132
Niettemin gaat de specialisatie van bedrijven voort, waardoor de samenwerking tussen
bedrijven steeds belangrijker wordt. Behalve door herstructurering van bedrijven en
samenwerkingsverbanden wordt een deel van de schaalvergroting gerealiseerd door teelt op
huurland. Doordat de verhuurder steeds vaker geen binding meer heeft met de landbouw,
vraagt het behoud van de kwaliteit van dit verhuurareaal speciale aandacht.
Er is een grens aan de omvang van bedrijven; ondernemers kunnen wel meerdere bedrijven
runnen. Landbouw is geen ‘probleemsector’ meer: haar plaats in de samenleving is steviger,
landbouw wordt gewaardeerd door de burger en wordt niet gemakkelijk meer verdrongen van
goede grond.
Een aantal milieubelastende teelten is verdwenen of volledig in de productiegebieden
geconcentreerd. De teelt van biobrandstoffen is ongewis, mogelijk geheel verdwenen.
Productieniveaus van voedsel en voedergewassen zijn verder gestegen door veredeling en
gentech. Daar staat tegenover dat systemen extensiever zijn om de druk op weerbaarheid
te verminderen. Hoogwaardig uitgangsmateriaal is een belangrijke component geworden. Er
worden meer bodemverbeterende gewassen geteeld en lupine wordt een belangrijker gewas.
Om de productie optimaal te houden bij lagere inputs, wordt meer gevraagd van het
productief vermogen van de grond. Het gebruik van vaste rijpaden met behulp van GPStechnologie is gemeengoed geworden op gronden met risico op structuurbederf. Tevens
worden GPS en geodata (yield mapping) benut, eventueel in combinatie met gewassensing om
de toediening van inputs lokaal af te stemmen op het opbrengend vermogen van de bodem en
de toestand van het gewas (precisielandbouw). De bodem is de integrerende factor; langjarige
registraties onder andere met nieuwe meetmethodieken worden in een perceelspaspoort
opgeslagen. Dit wordt gebruikt in kader van advisering, diensten en regelgeving (track).
Verdergaande mechanisatie is niet synoniem met schaalvergroting; mechanisatie op maat.
Extensief is niet synoniem met duurzaam. Dit is voor bepaalde percelen absoluut niet
het geval. Als voorbeeld: wanneer er een besmetting met polyfage organismen is, dan is
extensivering vaak de oorzaak van de verslechterende bodemgezondheid. Er zal goed
gedefinieerd moeten worden wat met extensievering bedoeld wordt: voor wie of wat wordt het
systeem extensiever?
Principes van de biologische landbouw worden deels geadopteerd in de gangbare productie
en andersom; het onderscheid tussen beide is vervaagd.
BIJLAGEN
133
Natuur, landschap en biodiversiteit
Rond de ‘echte’ natuurgebieden (reservaten zonder landbouwfunctie) zullen bufferzones liggen,
waarin landbouwactiviteiten beperkt blijven, opdat de reservaten optimaal beheerd kunnen
worden. Hier ontstaan mogelijkheden voor dynamische uitruil. Percelen hebben dan wisselend
een landbouw- en natuurfunctie.
In het overig landelijk gebied tekent zich een schifting af tussen enerzijds een areaal met
sterke productiefunctie en anderzijds een areaal waarin natuur en landbouw zijn verweven in
een landschap dat aantrekkelijk is voor recreatie. Er is minder draagvlak om goede gronden te
bestemmen voor natuur.
Verwevingsgebied. De stedeling stelt relatief bescheiden eisen aan soortenrijkdom, hij heeft
bovenal behoefte aan een gevarieerd en kleinschalig landschap. Nabij de grote steden kunnen
zich vormen van stadslandbouw ontwikkelen, met korte lijnen tussen productie en consumptie,
en waarin de stedeling een rol kan spelen in het productieproces. De landbouw is een goed
toegankelijke gastheer voor de vergrijzende stedeling.
De primaire productie in het verwevingsgebied genereert onvoldoende inkomsten. Betaling
voor groene en blauwe diensten (bijvoorbeeld via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid)
is nodig om de boer in staat te stellen zijn rol als beheerder van het – extensieve –
cultuurlandschap te kunnen (blijven) vervullen. De overheid heeft een belangrijke rol in de
communicatie tussen boer en burger.
Biodiversiteit staat hoger op de maatschappelijke agenda. De waardering door het publiek
richt zich op enkele goed zichtbare soorten die het landschap stofferen (bloemen, vlinders,
vogels). Ondergrondse biodiversiteit speelt hierbij geen rol van betekenis en het inherente
bestaansrecht hiervan ook niet. Biodiversiteit wordt gewaardeerd door de boer zolang
deze functioneel is en het hem dus helpt bij het realiseren van zijn doelen (productiedoelen
maar eventueel ook het ondersteunen van de zichtbare doelsoorten). Er wordt in de
verwevingsgebieden niet meer gestreefd naar natuur die buitengewone eisen stelt.
Natuur in de productiegebieden is in de eerste plaats van betekenis waar deze functioneel
is in het productieproces (bijvoorbeeld akkerranden voor de natuurlijke vijanden) of in het
opheffen van negatieve gevolgen (bijvoorbeeld moerasstroken voor de verwijdering/afbraak
van verontreinigende stoffen).
Water
Functie volgt waterbeheer (peil, dynamiek). Meer dan nu zal de landbouw ingepast zijn in
regionale waterbeheerssystemen en daaraan ondergeschikt zijn. Het meest expliciet wordt dit
134
zichtbaar in het veenweidegebied, waar de landbouw plaats maakt voor verdere vernatting. In
sommigen delen van het westen zal door zeespiegelstijging op langere termijn ook verzilting
optreden. Mogelijk ontwikkelen zich vormen van zilte landbouw of moeraslandbouw.
Anderzijds zullen stedelijke agglomeraties juist in het westen koste wat kost droge voeten
moeten houden: in de polders staat immers een grote accumulatie van kapitaal/infrastructuur
met enorme economische waarde die te allen tijde gevrijwaard blijft.
In de rest van Nederland is, afhankelijk van de lokale situatie, beheer erop gericht om
water bij overlast voldoende snel te kunnen afvoeren of te bergen. Dit geldt zowel in de
productiegebieden als in de verwevingsgebieden. In gebieden waar de productiefunctie niet
door andere functies wordt beknot, wordt gestreefd naar een goede ontwatering, zeker in de
kleigebieden. Daarbij is ook veel aandacht voor goede interne drainage om ontwatering te
verzekeren. Die is in toenemende mate nodig bij de verwachte hogere frequentie van zware
regen in het groeiseizoen.
Op de hogere gronden zal de landbouw zuiniger omspringen met water. Water wordt in
het gebied gehouden. Beregening is beperkt en wordt gebruikt in aanvulling op variabel
peilbeheer. Techniek krijgt een steeds belangrijkere rol in de lokale optimalisatie van zowel
peilbeheer als precisiedosering van water, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen.
Inlaten van gebiedsvreemd water wordt gemakkelijker naarmate de algemene waterkwaliteit
toeneemt.
De algemene waterkwaliteit is overal toegenomen. In drinkwaterwingebieden legt een aantal
landbouwbedrijven zich toe op de productie van schoon water en verwerft hiermee aanvullend
inkomen (doorberekend aan consument).
Klimaat
Belangrijke verschuivingen met impact op de landbouw zijn de nattere en mildere winters en
meer extreme weersomstandigheden tijdens het groeiseizoen: natte en droge perioden en
warme perioden.
De toenemende intensiteit van regenbuien vergroot het risico op verslemping, plasvorming en
tijdelijke anaerobie. Ook is het risico op erosie in het lössgebied toegenomen. Met de hogere
temperaturen of het uitblijven van vorstperioden hebben zich nieuwe pathogenen, plagen
en onkruidsoorten aangemeld. De al aanwezige bodemziekten gedragen zich anders onder
invloed van wijziging in temperatuur en neerslag. Anderzijds bieden deze verschuivingen ook
kansen voor nieuwe gewassen.
BIJLAGEN
135
De geringe draagkracht en werkbaarheid van het land zal in natte najaren de
oogstwerkzaamheden en grondbewerking bemoeilijken. Indien ook het voorjaar en zomer
natter worden, zal de geringere werkbaarheid en langere vochtige perioden in de zomer
mechanische onkruidbestrijding in de weg staan. Door het uitblijven van langere vorstperioden
moet meer rekening worden gehouden met het risico op structuurbederf op de kleigronden.
Uitblijven van vorst betekent ook dat niet-winterharde onkruiden (bijvoorbeeld aardappelopslag)
de winterperiode overleeft en onkruidbeheersing dan extra inspanningen vergt in het volgende
seizoen.
De landbouw levert nu slechts een beperkte bijdrage aan mitigatie, maar die bijdrage kan
groter worden. Waar nu nog de aandacht ligt bij het reduceren van CO2- en lachgasproductie
(en beperkt energieverbruik), zou de landbouw methoden kunnen toepassen waarbij de
mitigatie een veel grotere rol kan krijgen. Gedacht wordt aan grondverbeteraars die C meer
permanent vastleggen (biochar, olivijn?).
De rol van de Nederlandse landbouw in duurzame energievoorziening (biobrandstoffen) is nog
ongewis en hangt sterk af van de ontwikkeling van voedsel- en energieprijzen.
Milieu
De belangrijkste problemen rond emissie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen zijn
in 2030 opgelost.
(1) In de verwevingsgebieden voornamelijk door extensivering (aangepaste rotaties met
minder inputbehoeftige gewassen) en gedifferentieerde normstelling (ten behoeve van natuur
en drinkwater), gecompenseerd met inkomenssteun (GLB). Er zijn in 2030 veel minder
pesticiden toegelaten; ook het gebruik van toegestane middelen is geminimaliseerd.
(2) In de productiegebieden door efficiënte toedieningstechnieken, duurzaam resistente
rassen, beperking van meststoffengebruik via gedifferentieerde normen (soms toch met
opbrengstderving) en effectgerichte maatregelen als zuiveringsmoerassen en bufferstroken.
Er wordt meer expliciet gestuurd op het productief vermogen van de bodem, waardoor een
efficiëntere benutting van inputs mogelijk wordt. De bodem speelt ook een meer regulerende
rol in de buffering van nutriënten en beheersing van ziekten. Sterk milieubelastende teelten zijn
uit de grond genomen of geheel verdwenen uit gevoelige gebieden.
Kringlopen worden meer lokaal gesloten, dus veevoederproductie in eigen regio. De ophoping
van nutriënten in dit land door import van veevoeders is verminderd (feedmiles) en mest
wordt verwerkt tot goed inpasbare producten. De oneigenlijke toepassing (overdosering) van
meststoffen is daarmee verdwenen. Gasvormige emissies uit veehouderijsystemen zijn door
technologische innovaties verregaand gereduceerd.
136
III.2 TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN ZOALS VERWOORD
DOOR DE WERKGROEP
Productkwaliteit
De primaire landbouw moet voldoen aan steeds strengere kwaliteiteisen. Voor
exportproducten (pootgoed, sierteeltproducten) en uitgangsmateriaal speelt de fytosanitaire
kwaliteit een hoofdrol. Voor consumptieproducten wordt steeds kritischer gekeken naar de
aanwezigheid van residuen en naar de borging van productiewijzen die overeenstemmen
met duurzaamheidsprincipes. Aangetaste producten zijn moeilijk bewaarbaar. Zo wordt
milieu- en consumentvriendelijke beheersing van ziekten en plagen in toenemende mate
belangrijk. Aan de gehele keten stellen afnemers (distributie) voorwaarden voor certificering
en traceerbaarheid. Een aantal van deze aspecten is voor de biologische landbouw al sterker
en langer gereguleerd. De verscherpte regulering van het middelengebruik in de gangbare
landbouw zou kunnen leiden tot een zekere convergentie op de markt tussen gangbaar en
biologisch, al is moeilijk te voorzien hoe de perceptie bij de consument zich zal ontwikkelen.
Voedselvraag
De vraag naar voedsel wereldwijd zal de komende decennia blijven stijgen. Wat dit betekent
voor de Nederlandse landbouw en voor de prijzen van landbouwproducten is moeilijk
te voorzien. Zeker is dat met een blijvend hoge productie per hectare een belangrijk
maatschappelijk doel wordt gediend, maar deze productie zal onder steeds strakkere
voorwaarden en met minder inputs gerealiseerd moeten worden.
Impact van klimaatverandering
Naar verwachting worden winters milder, zullen er grotere extremen optreden in
neerslagpatroon en temperatuur en kunnen teeltperioden verlengd worden of verschuiven.
Deze veranderingen kunnen leiden tot de vestiging van nieuwe schadeorganismen (ziekten,
plagen en onkruiden) voor land- en tuinbouw en volksgezondheid. De komst van invasieve
exoten wordt bovendien geholpen door het toegenomen handelsverkeer: de Aziatisch
boktor, de essenprachtkever, de maïswortelkever en de tijgermug zijn slechts enkele
in het oog springende recente voorbeelden. Klimaatsverandering brengt daarnaast ook
wijziging in populatiedynamica en schaderelaties van bestaande soorten. Bij hogere
neerslaghoeveelheden worden systemen gevoeliger voor de gevolgen van slechte
waterregulatie (bijvoorbeeld combinatie met structuurbederf of vernatting voor omliggende
natuur). Bepaalde ziektes zullen dan meer optreden, bijvoorbeeld door de ziekteverwekker
Pythium (vrij water), door bacteriën als Erwinia (versmeren) of Ralstonia (oppervlaktewater) en
door de schimmel Rhizoctonia solani (bij slechte bodemstructuur). Zachte winters geven meer
kansen voor de teelt van groenbemesters of productiegewassen, maar die kunnen wel een
groene brug vormen voor de overleving van ziekteorganismen, terwijl ze ook de opties voor
BIJLAGEN
137
beheersing van (wortel)onkruiden beïnvloeden. Perioden van hoge neerslagintensiteit beperken
de draagkracht van de bodem en de mogelijkheden voor mechanische onkruidbestrijding,
vergroten de kans op structuurbederf en kunnen opbrengst derven door een late start in
voorjaar of door oogstverliezen. Ook zullen er nieuwe eisen gesteld worden aan de opslag en
bewaring van geoogste producten.
Mitigatie van klimaatverandering
De bodem biedt kansen voor mitigatie door de opslag van koolstof. Door verhoging van het
organisch stofgehalte kan de landbouw een (zij het beperkte en tijdelijke) bijdrage leveren aan
de mitigatie van het klimaatprobleem. Tegelijk is de bodem ook een bron voor de productie
van broeikasgassen door het gebruik van fossiele brandstoffen (voor grondbewerking en
transport), door de emissie van lachgas uit stikstofmeststoffen en soms van methaan bij
de anaerobe afbraak van organisch materiaal. Verduurzaming van het bodemgebruik in de
landbouw zal aan al deze aspecten aandacht moeten besteden. De integrale beoordeling van
strategieën daartoe is uiterst complex: de diverse broeikasgassen kunnen in tegengestelde
richtingen beïnvloed worden en de uitkomst van die balans zal sterk door lokale factoren
bepaald worden.
Verhoging van het koolstofgehalte in de bodem is een moeizaam proces dat een grotere
aanvoer van organisch materiaal vergt dan in veel huidige systemen bereikt kan worden en
wellicht is het ook noodzakelijk om de intensiteit van grondbewerking daarvoor te beperken.
Een groter aandeel grassen en granen in het bouwplan werkt de opbouw van organische
stof in de hand, maar hiervoor moet wel een economische basis bestaan. Bovendien kan dit
nadelige invloed hebben op de bodemgezondheid (aaltjes). Het gebruik van producten zoals
biochar (verkoolde organische resten) wordt soms gezien als een effectieve toekomstige
route naar meer koolstof in de bodem, maar er is nog weinig bekend welke (neven)effecten
dergelijke producten op het ecosysteem hebben en directe concurrentie met biobrandstoffen
ligt voor de hand.
Retourstromen en biobrandstoffen
Er is een toenemende maatschappelijk vraag naar het organiseren en herbenutten van
(organische) retourstromen, om zo zuiniger om te springen met grondstoffen als fosfaat.
Ook vanuit landbouwkundig oogpunt is dit gewenst, wegens de bijdrage die retourstromen
kunnen leveren aan de opbouw van organische stof (en zo aan vele daarmee samenhangende
functies) of aan weerbaarheid (specifieke producten), naast de levering van nutriënten.
Duurzaam gebruik vereist echter wel kwaliteitsborging van dergelijke stromen, onder andere
op afwezigheid van ziektekiemen (in verband met fytosanitaire regels) en van gmo-resten
(biologische landbouw).
Tegenover een breder aanbod van retourstromen staat de toenemende zuigkracht vanuit
de energiesector op organische reststromen. Deze worden dan niet meer naar de bodem
138
gevoerd of eerst ontdaan van gemakkelijk afbreekbare koolstofverbindingen, die anders
energie en substraat zouden leveren aan het bodemecosysteem. Dit heeft betrekking op
zowel reststromen uit de natuur en industrie als op dierlijke mest en gewasresten (stro).
Omdat beide ook belangrijke posten zijn op de organischestofbalans van vrijwel alle
landbouwsystemen is hier in principe een conflict tussen opbouw van organische stof in de
bodem en de productie van bio-energie (‘Hoe groen is die stroom?’).
Schaalvergroting en specialisatie
Schaalvergroting ging in voorbije decennia hand in hand met steeds grotere en zwaardere
machines. Of deze trend zich kan blijven doorzetten is de vraag. Naast technische zijn
er andere remmende factoren, zoals claims op areaal vanuit andere sectoren, hoge
grondprijzen en emigratie. Niettemin is er ook bij het huidige machinepark al grote zorg rond
structuurbederf in de bouwvoor en verdichting van de ondergrond. Duurzaam bodembeheer
zal aan beide thema’s blijvend aandacht moeten geven, zeker in het licht van andere
ontwikkelingen die de noodzaak van een goede bodemstructuur alleen maar versterken (zie
onder andere klimaatverandering).
Verdergaande specialisatie kan door rotatievernauwing leiden tot een hogere ziekte- en
onkruiddruk. Via resistenties van plaagorganismen tegen frequent gebruikte middelen
kunnen ook hier vicieuze cirkels ontstaan. Uitwijken naar huurland en grondontsmetting
vormen ontsnappingsroutes, maar beide zijn tijdelijk en behept met hun eigen specifieke
problematiek. Insleep van schadeorganismen, onvoldoende investering in bodemkwaliteit
(ziekten, organische stof) door de huurder en verhuurder, destabilisatie van het ecosysteem
door ontsmetting en uiteindelijk beperkte beschikbaarheid van schoon land. Aan huurland
is vaak ook het nadeel van (door verhuurder verplichte) mestafname verbonden, waarmee
de (wettelijke) gebruiksruimte voor nutriënten inefficiënt wordt gevuld. (Met varkens- en
pluimveemest wordt slechts weinig organische stof aangevoerd per eenheid fosfaat).
Wettelijke beperkingen en beschikbaarheid middelen
In voorbije jaren werden aan verschillende aspecten van bodembeheer wettelijke beperkingen
opgelegd. Zo werd een aantal gewasbeschermingsmiddelen verboden en het gebruik
van meststoffen aan banden gelegd via het gebruiksnormenstelsel en via beperkingen op
uitrijperioden en toedieningstechniek/inwerkverplichting voor dierlijke mest. Op de lichte
gronden werd inzaai van een vanggewas na maïs verplicht en scheuren van grasland tot
het voorjaar beperkt. Veel bedrijven worstelen nog met een goede implementatie van
deze regels in de operationele bedrijfsvoering, óók door interacties zoals een verhoogde
impact van bepaalde schadeorganismen bij lagere bemesting. Niet alleen zal het nog een
aantal jaren duren eer er goede alternatieven zijn gevonden, voor de komende jaren zijn
verdere beperkingen aangekondigd op het gebruik van middelen (alle grondsoorten) en
BIJLAGEN
139
van meststoffen (stikstofnormen op lichte gronden, fosfaatnormen op alle grondsoorten,
5e Actieprogramma (AP) na 2013, emissiearme mesttoediening). Naast deze generieke
aanscherpingen voor geheel Nederland, zullen via de Kaderrichtlijn Water lokaal verdergaande
eisen worden gesteld. Deze ontwikkelingen versterken een aantal bestaande knelpunten.
Verder zullen nieuwe knelpunten opkomen door een vicieuze cirkel die met het voorgaande
verbonden is: het steeds strengere toelatingsbeleid (Nederland, EU, wereldwijd) vermindert de
bereidheid bij de chemische industrie om nieuwe herbiciden te ontwikkelen. Resistenties die
bij schadeorganismen ontstaan door veelvuldig gebruik van de nog ‘overgebleven’ middelen,
kunnen bij gebrek aan nieuwe middelen dan niet meer doorbroken worden. Vooral bij de
kleinere teelten (bloembollen, boomkwekerij en fruit) zal dit gevoeld worden. Bij dit alles wordt
echter soms wel de kanttekening geplaatst dat regelgeving in Europa niet steeds verder
aangescherpt kan worden zonder economische gevolgen (level playing field).
Verweving, ruimte voor natuur, ruimte voor klimaat en ruimte voor water
De ruimtelijke ordening zal in toenemende mate bepaald worden door ‘ruimte voor klimaat’,
‘ruimte voor natuur’, ‘ruimte voor water’. Landgebruik met deze andere (neven)bestemmingen
zal de bewegingsvrijheid voor de landbouw beïnvloeden via ge- en verboden (beregening,
middelengebruik, bemesting), en andere specifieke beheersmaatregelen rond natuurgebieden.
Deze zullen veelal samenhangen met KRW-doelen (zie wettelijke beperkingen) toegesneden
op de lokale situatie. Daarnaast kunnen ziekte- en plaagdruk en onkruiddruk toenemen
in de nabijheid van natuur, bijvoorbeeld via water en door transport van zaad. Vernatting
leidt in veel gewassen tot opbrengstderving, verhoging van schadeorganismen (ziekten,
onkruiden), verlating van het groeiseizoen, en beperkte begaanbaarheid en bewerkbaarheid
van grond. Door deze aspecten worden sommige bestaande knelpunten versterkt, en nieuwe
geïntroduceerd. Anderzijds geven deze ontwikkelingen ook nieuwe kansen, bijvoorbeeld
voor uitruil van percelen tussen landbouw en natuur, voor gebruik van reststromen uit
natuurgebieden (organische stof) of via nieuwe gewassen voor biobrandstof of grondstof
(riet, Miscanthus, hennep, brandnetel, waterplanten, algen). Mogelijk stellen de regionale
aanpassingen in waterhuishouding de landbouw ook beter in staat om droogteperioden
te doorstaan; vernatting zou mogelijk ook de retentie van koolstof in de bodem (mitigatieoptie) kunnen stimuleren. De consequenties van veranderend landgebruik en hydrologie zijn
veelvormig en zullen sterk verschillen tussen grondsoorten, gewassen en jaren.
Biodiversiteit in de weide en op de akker
De met landbouw geassocieerde biodiversiteit neemt nog steeds in snel tempo af, en ook
deze trend zal niet zomaar gestopt of omgebogen worden. Belangrijke oorzaken zijn het
beheer van graslanden (maaien, waterpeil, botanische samenstelling), en van akkerland
(weinig granen, geringe oogstverliezen, effectief onkruidbeheer). Soortenverlies kan niet altijd
los worden gezien van klimaatverandering, maar de roep om maatregelen in de landbouw die
140
hieraan een halt kunnen toeroepen zal blijven. Aanpassingen in de landbouw kunnen andere –
bestaande – knelpunten versterken of nieuwe introduceren.
Positieve koppeling van knelpunten
In het voorgaande werden ontwikkelingen genoemd die naar verwachting op een of
andere wijze het bodembeheer negatief zullen beïnvloeden. Op veel plaatsen zijn positieve
koppelingen aan te wijzen: hoe genoemde ontwikkelingen elkaar kunnen versterken. Dat is
omwille van de leesbaarheid en wegens het speculatief karakter niet gedaan. Om dezelfde
redenen werd een opsomming vermeden van nieuwe knelpunten, die opgeroepen kunnen
worden door de wijze waarop ‘oude’ worden bestreden. De bedoeling van voorgaand overzicht
is mede om te overtuigen dat huidige knelpunten niet reeds door de tijd zijn achterhaald, maar
dat vele van die knelpunten hardnekkig zullen blijken.
Technologie voor verduurzaming
Er werden reeds enkele kansen voor verduurzaming genoemd, die met verwachte
ontwikkelingen samenhangen. In de categorie ‘kansen’ moet natuurlijk óók het verder
voortschrijden van de stand der techniek genoemd worden, al of niet met support vanuit de
beleidsondersteunende onderzoeksprogrammering. Hierbij valt te denken aan:
t
ontwikkeling van resistente of weerbare (ziekten, plagen en onkruiden)
en robuuste (klimaatextremen) gewassen, tevens geholpen door nieuwe
onderzoeksmethoden
t
nieuwe bemonsterings-, analyse- en detectiemethoden voor ziekteverwekkers
en onkruiden
t
sensortechnologie en (satelliet)beeldinterpretatie voor gewasstatus
(biomassa, stress) en bodemstatus
t
plaatsspecifieke opbrengstregistratie voor kartering van bodemproductiviteit
t
precisiedoseringstechniek voor variabele en plaatsspecifieke inzet van water,
meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen
t
bewerking van mest tot gecertificeerde producten met bekende en gewenste
samenstelling
t
robotisering voor onkruidbestrijding
t
mechanisatie voor bewerkingen en oogsten vanaf rijpaden
t
verbeterde grondbewerking en beperking bodembelasting door
lagedruksystemen
BIJLAGEN
141
142
(
1)v
er
l
i
ez
en(
or
gan
i
s
c
h
es
t
of
,N)bi
j
gr
as
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
g
(
2)r
i
s
i
c
oops
l
ec
h
t
ev
es
t
i
gi
n
gbi
j
h
er
i
n
z
aai
i
nv
oor
j
aar(
ookmaï
sal
s
een
j
ar
i
get
u
s
s
en
f
as
et
ev
er
mi
j
den
)
(
3)v
er
dr
ogi
n
g(
ookdoorber
egen
i
n
gel
der
s
)
(
4)f
os
f
a
a
t
a
ccu
mu
l
a
t
i
e/
v
er
z
adi
gi
n
g
(
5)bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermetn
i
t
r
aat
,
di
er
gen
ees
mi
ddel
en
(
6)Sch
a
dedoorpl
agen(
en
ger
l
i
n
gs
i
n
dsmi
ddel
v
er
bod)
(
7)l
ager
ev
er
t
eer
ba
ar
h
ei
dgr
asdoork
r
appebemes
t
i
n
g(
l
ok
aal
t
.
b.
v
.
e
KRWdoel
en
/
5 Ac
t
i
epr
ogr
a
mmaNi
r
a
a
t
r
i
c
h
t
l
i
j
n(
AP)
(
8)v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
(
1)bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat
(
2)v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
(
3)opbr
en
gs
t
v
er
l
i
esdoorv
er
t
r
appi
n
g(
v
ee)
(
4)s
t
r
u
ct
u
u
r
v
er
l
i
esenbr
oei
k
as
gas
emi
s
s
i
esdoorber
i
j
di
n
g
(
5)l
ager
ev
er
t
eer
ba
a
r
h
ei
dgr
asdoork
r
appebemes
t
i
n
g(
l
ok
aal
t
.
b.
v
.
KRWdoel
en
)
(
6)v
er
l
i
ez
en(
or
ga
n
i
s
c
h
es
t
of
,N)bi
j
gr
as
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
g
(
7)r
i
s
i
coops
l
ech
t
ev
es
t
i
gi
n
gbi
j
h
er
i
n
z
aai
i
nv
oor
j
aar(
ookmaï
sal
s
een
j
ar
i
get
u
s
s
en
f
as
et
ev
er
mi
j
den
)
(
1)i
n
k
l
i
n
k
i
n
g,ox
y
dat
i
e,CO2emi
s
s
i
e,ma
a
i
v
el
dda
l
i
n
g,l
a
n
ds
c
h
a
pv
er
l
i
es
doordr
a
i
n
a
ge
(
2)bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat
,
di
er
gen
ees
mi
ddel
en
(
3)v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
(
4)opbr
en
gs
t
v
er
l
i
esdoorv
er
t
r
appi
n
g(
v
ee)enber
i
j
di
n
g
Gr
a
s
l
an
dopz
a
n
d
Gr
as
l
a
n
dopk
l
ei
Gr
as
l
a
n
dopv
een
(
1)s
t
r
u
c
t
u
u
r
beder
fbov
en
gr
on
denv
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d,emi
s
s
i
es
Ak
k
er
bou
w
l
ach
ga
senmet
h
aan
(
i
n
c
l
.maï
s
)en
2)on
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
g(
enpl
aat
s
el
i
j
kr
es
i
s
t
en
t
i
e)
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
t
eel
t(
(
3)gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
agen
opz
av
el
enk
l
ei
(
4)bel
as
t
i
n
gopper
v
l
a
k
t
ewat
er(
f
os
f
aat
,s
t
i
k
s
t
of
,
gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
)v
i
aaf
s
poel
i
n
gendr
ai
n
wat
er
(
5)v
oor
j
a
a
r
s
t
oedi
en
i
n
gdr
i
j
f
mes
tbeh
al
v
ewi
n
t
er
t
ar
we(
k
or
tt
i
j
dv
en
s
t
er
bodemdr
aagk
r
a
c
h
tv
er
s
u
sgewas
v
es
t
i
gi
n
g/
gewas
s
ch
ade)
(
6)qu
a
r
a
n
t
ai
n
e(
Q)
or
ga
n
i
s
men(
poot
goed)
BELANGRI
J
KSTEKNEL
PUNTEN
TOEPASSI
NGSDOMEI
N
(
1,
4,
9)s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
fenen
er
gi
ev
er
br
u
i
kt
egen
ga
a
ndoors
y
s
t
emen
metmi
n
der
/
a
n
der
egr
on
dbewer
k
i
n
g(
w.
o.NKG)met
bi
j
pas
s
en
deon
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
g,gr
oen
bemes
t
er
sen
gewas
r
es
t
en
/
s
t
oppel
bewer
k
i
n
gen
(
1,
4)s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
ft
egen
gaandoorr
i
j
pa
den
s
y
s
t
emeni
n
c
l
.
oogs
t
mech
an
i
s
at
i
ev
an
afpaden
(
1,
4)s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
ft
egen
gaandoorl
agedr
u
k
mec
h
a
n
i
s
a
t
i
e
(
2,3)r
es
i
s
t
en
t
eofweer
bar
er
as
s
en
(
2,
3,
7)bi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenweer
baar
h
ei
dv
er
h
ogendoora
a
n
gepa
s
t
e
(
1)dr
ai
n
i
n
fi
l
t
r
at
i
e(
on
der
wat
er
dr
ai
n
age)
,dy
n
a
mi
s
c
hpei
l
beh
eer
(
2)beper
k
i
n
gdi
er
gen
ees
mi
ddel
en
(
3)aan
gepas
tgr
as
l
an
dgebr
u
i
k(
maai
en
/
wei
den
)
(
4)aan
gepas
t
ebewei
di
n
g,l
agedr
u
k
ber
i
j
di
n
gs
s
y
s
t
emen
(
1)v
er
mi
n
der
enaf
s
poel
i
n
g,mes
t
v
r
i
j
es
t
r
ok
en
,begr
eppel
i
n
g
(
2)aan
gepas
tgr
as
l
an
dgebr
u
i
k(
maai
en
/
wei
den
)
(
3)aan
gepas
t
ebewei
di
n
g
(
4)s
y
s
t
emenmetv
as
t
er
i
j
padenofl
agedr
u
k
,a
a
n
gepa
s
t
et
i
mi
n
g
bewei
di
n
g/
ber
i
j
di
n
g,pei
l
beh
eer
(
5)aan
gepas
tNbeh
eer
,aan
gepas
tmaai
beh
eer
;bi
opr
epa
r
a
t
eni
n
k
u
i
l
gr
a
s
(
1,
6,
7)al
t
er
n
at
i
ev
eh
er
i
n
z
aai
ofdoor
z
aai
met
h
oden
,a
l
t
er
n
a
t
i
ev
e
wi
s
s
el
bou
ws
y
s
t
emen
(
7)gr
aanmetgr
as
on
der
z
aai
t
u
s
s
en
f
as
e(
?
:get
es
topz
a
n
d)
(
1,
2,
5)al
t
er
n
at
i
ev
eh
er
i
n
z
aai
ofdoor
z
aai
met
h
oden
;a
l
t
er
n
a
t
i
ev
e
wi
s
s
el
bou
ws
y
s
t
emen
(
2)gr
aanmetgr
as
on
der
z
aai
t
u
s
s
en
f
as
e
(
3)dy
n
ami
s
chpei
l
beh
eerr
egi
on
aal
af
s
t
emmen
(
4)i
n
v
en
t
ar
i
s
at
i
ef
os
f
aat
v
er
z
adi
gi
n
gendaa
r
opa
a
n
gepa
s
t
ebemes
t
i
n
g
(
n
or
ms
t
el
l
i
n
g)
(
4)v
er
der
ebeper
k
i
n
gf
os
f
aat
n
or
men(
meera
f
v
oerei
genmes
t
)
,mi
n
der
f
os
f
a
a
tv
oer
en
(
5)beper
k
i
n
gdi
er
gen
ees
mi
ddel
en
,v
er
der
ebeper
k
i
n
gNn
or
men
(
5)on
der
z
aai
i
nmaï
s
f
as
ebi
j
wi
s
s
el
bou
w
(
6)bi
ol
ogi
s
ch
ebes
t
r
i
j
di
n
g(
aal
t
j
es
)
(
7)aan
gepas
tNbeh
eerenmaai
beh
eer
,bi
opr
epa
r
a
t
eni
nk
u
i
l
gr
a
s
(
8)aan
gepas
tgr
as
l
an
dgebr
u
i
k(
maai
en
/
wei
den
)
OPL
OSSI
NGSRI
CHTI
NG(
HANDEL
I
NGSPERSPECTI
EF
)(
NUMMERI
NG
VERWI
J
STNAARVORI
GEKOL
OM)
I
V.
1KNELPUNTENMETBI
J
BEHORENDEOPLOSSI
NGSRI
CHTI
NGEN,PERSECTORENPERGRONDSOORT
BIJLAGE IV - KNELPUNTEN EN OPLOSSINGSRICHTINGEN,
PER SECTOR EN GRONDSOORT
BIJLAGEN
143
gr
on
dbewer
k
i
n
g,v
r
u
c
h
t
wi
s
s
el
i
n
g(
w.
o.s
oor
t
s
peci
fi
ek
e
v
oor
gewas
s
en
)
,gr
oen
bemes
t
er
senf
os
f
aat
ar
me
or
gan
i
s
ch
es
t
of
aan
v
oer(
OSaan
v
oer
)
(
2,
3)s
oor
t
s
pec
i
fi
ek
eor
ga
n
i
s
c
h
er
es
t
s
t
r
omen
,bi
opr
epar
at
en
,
bi
ol
ogi
s
ch
eon
t
s
met
t
i
n
g,bi
of
u
mi
ga
t
i
e,i
n
u
n
da
t
i
e
(
2,
3,
4)pr
ec
i
s
i
et
ec
h
n
i
ek
env
oorh
oger
eef
f
ect
i
v
i
t
ei
tenl
ager
edos
er
i
n
g
v
angewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
(
s
en
s
i
n
g/
r
egi
s
t
r
a
t
i
e,t
oedi
en
i
n
gs
t
ech
n
i
ek
,per
ceel
s
pas
poor
t
en
)
,
Ngi
f
taf
s
t
emmenopbodeml
ev
er
i
n
g
(
4)a
f
s
poel
i
n
gbeper
k
en(
gr
on
dbedek
k
i
n
g,begr
eppel
i
n
g,bu
f
f
er
s
t
r
ok
en
)
(
6)a
a
n
gi
f
t
epl
i
c
h
t
,r
egi
s
t
r
a
t
i
e,per
c
eel
s
pa
s
poor
t
(
1,
4,
5)a
a
n
gepa
s
t
emec
h
a
n
i
s
a
t
i
ev
oor
j
a
a
r
s
t
oedi
en
i
n
gz
on
der
s
t
r
u
c
t
u
u
r
s
c
h
a
de
(
5)gebr
u
i
kmes
tdi
k
k
ef
r
a
c
t
i
en
a
j
a
a
rv
oort
oedi
en
i
n
gOS (
maar
v
er
l
aagtNben
u
t
t
i
n
g)
(
7)ger
i
c
h
t
ema
a
t
r
egel
enbi
odi
v
er
s
i
t
ei
topdeak
k
er
:
gewa
s
r
es
t
en
beh
eer
,wi
n
t
er
gewa
s
s
en
,ak
k
er
r
an
den
)
(
8)dy
n
a
mi
s
c
hpei
l
beh
eerr
egi
on
a
a
l
v
oormeert
egen
dr
u
kv
an
z
oet
wat
er
mas
s
a
(
8)z
i
l
t
et
eel
t
en
(
1)r
es
i
s
t
en
t
eofweer
ba
r
er
a
s
s
en
(
1,
2,
3,
4,
6,
7)bi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenweer
ba
a
r
h
ei
dv
er
h
ogendooraan
gepas
t
e
gr
on
dbewer
k
i
n
g(
o.
a
.v
er
mi
n
der
dofn
i
et
k
er
en
d)
,
v
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g(
w.
o.s
peci
fi
ek
ev
oor
gewas
s
en
)
,
gr
oen
bemes
t
er
senf
os
f
a
a
t
a
r
meOSaan
v
oer
(
1,
2,
5)pr
ec
i
s
i
et
ec
h
n
i
ek
env
oorh
oger
eef
f
ect
i
v
i
t
ei
tenl
ager
edos
er
i
n
g
v
angewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
(
s
en
s
i
n
g/
r
egi
s
t
r
a
t
i
e,t
oedi
en
i
n
gs
t
ech
n
i
ek
,per
ceel
s
pas
poor
t
en
)
,
Ngi
f
taf
s
t
emmenopbodeml
ev
er
i
n
g
(
3)v
er
h
ogi
n
gOSgeh
a
l
t
e,i
n
z
a
a
i
i
nz
odev
anwi
n
t
er
gewas
s
en
(
4)opt
r
edenenoor
z
a
k
eni
n
v
en
t
a
r
i
s
er
en
,woel
en
,bodemv
er
bet
er
aar
s
,
di
epwor
t
el
aar
s
,l
i
ch
t
er
emach
i
n
es
,l
a
gedr
u
k
ba
n
den
(
6)ger
i
c
h
t
ema
a
t
r
egel
env
oorbi
odi
v
er
s
i
t
ei
topdeak
k
er
:
gewa
s
r
es
t
en
beh
eer
,wi
n
t
er
gewa
s
s
en
,ak
k
er
r
an
den
(
7)on
der
z
a
a
i
,ma
ï
s
oogs
tv
er
v
r
oegen(
v
r
oeger
e/
k
or
t
er
ecu
l
t
i
v
ar
s
)
(
7)v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
(
8)v
er
z
i
l
t
i
n
g(
l
ok
aal
,geenber
egen
i
n
g)
(
9)en
er
gi
ev
er
br
u
i
k
(
1)gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,on
k
r
u
i
den
(
2)bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
er
(
gewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,n
i
t
r
a
a
t
)a
a
n
s
c
h
er
pi
n
gNgebr
u
i
k
s
n
or
men5eAct
i
epr
ogr
amma(
AP)
(
3)s
t
u
i
f
/
wi
n
der
os
i
e(
geendr
i
j
f
mes
tmeert
erbes
t
r
i
j
di
n
g)
(
4)v
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d
(
5)on
v
ol
doen
dei
n
s
pel
enopbodemh
et
er
ogen
i
t
ei
t
,da
a
r
door
ov
er
dos
er
i
n
ggewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
(
6)v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
(
7)v
er
pl
i
ch
tv
an
ggewasn
ama
ï
s(
4eAP)pas
ts
l
ech
t(
t
el
aat
)
(
8)pl
aat
s
el
i
j
ks
l
ech
t
eh
er
bi
c
i
den
wer
k
i
n
g(
doorr
es
i
s
t
en
t
i
een
bodemei
gen
s
ch
appen
)
(
1,
7)r
es
i
s
t
en
t
eofweer
ba
r
er
a
s
s
en
(
1,
2,
3,
4,
6,
8,
11)bi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenweer
ba
ar
h
ei
dv
er
h
ogendoor
aan
gepas
t
egr
on
dbewer
k
i
n
g(
o.
a.v
er
mi
n
der
dofn
i
et
k
er
en
d)
,
v
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g(
w.
o.s
oor
t
s
peci
fi
ek
ev
oor
gewas
s
en
)
,
gr
oen
bemes
t
er
senf
os
f
a
a
t
a
r
meOSaan
v
oer
(
1)s
oor
t
s
pec
i
fi
ek
eor
ga
n
i
s
c
h
er
es
t
s
t
r
omen
,bi
opr
epar
at
en
,bi
ol
ogi
s
ch
e
on
t
s
met
t
i
n
g,bi
of
u
mi
gat
i
e,i
n
u
n
dat
i
e
OPL
OSSI
NGSRI
CHTI
NG(
HANDEL
I
NGSPERSPECTI
EF
)(
NUMMERI
NG
VERWI
J
STNAARVORI
GEKOL
OM)
BEL
ANGRI
J
KSTEKNEL
PUNTEN
(
1)gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,on
k
r
u
i
den
Ak
k
er
bou
w
(
2)v
oc
h
t
v
oor
z
i
en
i
n
g(
v
er
dr
ogi
n
g)
/
ber
egen
i
n
gs
beper
k
i
n
g
(
i
n
c
l
.ma
ï
s
)en
3)aa
n
v
oerOSbeper
k
tdoorgebr
u
i
k
s
n
or
men(
v
er
derv
er
l
a
a
gdbi
j
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
t
eel
t(
h
oger
ef
os
f
aat
t
oes
t
an
d)
,wei
n
i
ggr
an
eni
nbou
wpl
anen
opz
a
n
di
nr
egi
oZO
beper
k
t
er
u
i
mt
ev
oorv
an
ggewas
s
eni
.
v
.
m.aal
t
j
es
(
4)bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
er
(
gewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
;n
i
t
r
a
a
t
)
,a
a
n
s
c
h
er
pi
n
gNenP-
Ak
k
er
bou
w
(
i
n
c
l
.ma
ï
s
)opz
a
n
di
n
r
egi
oNO
(
v
oorv
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
enz
i
ez
a
n
dZO)
TOEPASSI
NGSDOMEI
N
144
Bol
l
en
t
eel
t
L
ös
s
(
a
l
l
es
ec
t
or
en
)
TOEPASSI
NGSDOMEI
N
(
1)h
ogedr
u
kbodemgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
genenon
k
r
u
i
den
(
v
n
l
.z
an
dk
n
el
pt
)
(
2)h
ogeaf
br
aak
s
n
el
h
ei
dOSopdu
i
n
z
a
n
denda
a
r
doori
soppei
l
h
ou
denv
anOSl
as
t
i
g,aan
v
oerOSbeper
k
tdoor
gebr
u
i
k
s
n
or
menbemes
t
i
n
gz
a
n
d(
v
n
l
.z
a
n
dk
n
el
pt
)
(
3)bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermet
gewas
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,s
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
a
a
t
(
4)t
ek
or
t‘
f
y
t
os
ch
oon
’
ar
eaa
l
(
5)z
an
d:i
r
r
ev
er
s
i
bel
v
er
l
i
esbi
ot
i
s
c
h
ef
u
n
c
t
i
es
(
6)s
l
ech
ton
der
h
ou
d(
1,
2)h
u
u
r
l
a
n
d,da
a
r
doormeer
on
t
s
met
t
i
n
gs
beh
oef
t
e
(
7)v
er
z
i
l
t
i
n
g
(
8)k
l
ei
:s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
f
/
v
er
di
c
h
t
i
n
g
(
9)Qor
gan
i
s
men(
l
el
i
e,t
u
l
p)
(
1)r
es
i
s
t
en
t
er
er
a
s
s
en
(
1,
2,
3)bi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenweer
ba
a
r
h
ei
dv
er
h
ogendoorv
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g
(
w.
o.s
oor
t
s
pec
i
fi
ek
ev
oor
gewa
s
s
en
)
,gr
oen
bemes
t
er
sen
f
os
f
aat
ar
meef
f
ect
i
ev
eOSaan
v
oer
(
1)s
oor
t
s
pec
i
fi
ek
eor
ga
n
i
s
c
h
er
es
t
s
t
r
omen
,bi
opr
epar
at
en
,bi
ol
ogi
s
ch
e
on
t
s
met
t
i
n
g,bi
of
u
mi
gat
i
e,i
n
u
n
dat
i
e
(
1,
3)r
ei
z
en
debol
l
en
k
r
a
a
m
(
1,
3)pr
ec
i
s
i
et
ec
h
n
i
ek
env
oorh
oger
eef
f
ec
t
i
v
i
t
ei
tenl
ager
edos
er
i
n
g
v
angewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
(
s
en
s
i
n
g/
r
egi
s
t
r
a
t
i
e,t
oedi
en
i
n
gs
t
ech
n
i
ek
;per
ceel
s
pas
poor
t
en
)
,
Ngi
f
taf
s
t
emmenopbodeml
ev
er
i
n
g
(
3)v
a
n
ggewa
s
s
en
(
3)f
os
f
a
a
tz
u
i
v
er
i
n
gs
t
ec
h
n
i
ek
eni
ndr
a
i
n
s
,s
l
oot
k
an
tendoor
l
aat
pu
n
t
en
(
4)r
egi
s
t
r
a
t
i
e/
bewa
k
i
n
gs
y
s
t
emen
(
5)bi
ol
ogi
s
c
h
emet
h
oden
(
7)door
s
poel
en
,meerz
ou
t
t
ol
er
a
n
t
egewas
s
en
,pr
eci
s
i
ewat
er
dos
er
i
n
g
(
1)n
i
et
k
er
en
degr
on
dbewer
k
i
n
gs
y
s
t
emen
(
1)er
os
i
egev
oel
i
gh
ei
d
(
1,
2)dr
empel
st
u
s
s
ena
a
r
da
ppel
enpeen
r
u
ggen
,on
t
wi
k
k
el
i
n
gv
an
(
2)t
oepas
s
i
n
gn
i
et
k
er
en
degr
on
dbewer
k
i
n
gi
nr
u
ggen
t
eel
t
en
al
t
er
n
at
i
ev
env
oorn
i
et
k
er
en
degr
on
dbewer
k
i
n
g
ent
eel
tfi
j
n
z
adi
gegewas
s
enopz
war
egr
on
d
3,
4)a
a
n
gepa
s
t
emec
h
a
n
i
s
a
t
i
e
(
3)af
eni
n
s
poel
i
n
gv
angewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,s
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
a
a
t (
(
doorr
el
i
ef
)
,bel
as
t
i
n
gopper
v
l
a
k
t
ewa
t
erendr
i
n
k
wa
t
er
wi
n
n
i
n
g
(
4)on
k
r
u
i
ddr
u
k
,r
el
at
i
efh
ogei
n
z
etgl
y
f
os
a
a
tenh
er
bi
c
i
den
r
es
i
s
t
en
t
i
e
(
7)a
a
n
gepa
s
t
eon
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
g
(
8)ger
i
c
h
t
ema
a
t
r
egel
enbi
odi
v
er
s
i
t
ei
topdeak
k
er
:
gewa
s
r
es
t
en
beh
eer
,wi
n
t
er
gewa
s
s
en
,ak
k
er
r
an
den
(
9)s
y
s
t
ema
t
i
ek
?
?
?
(
10)mes
t
v
er
wer
k
i
n
g
(
11)on
der
z
a
a
i
,ma
ï
s
oogs
tv
er
v
r
oegen(
v
r
oeger
e/
k
or
t
er
ecu
l
t
i
v
ar
s
)
(
2)dy
n
a
mi
s
c
hpei
l
beh
eer
(
3)f
os
f
a
a
t
a
r
mer
es
t
s
t
r
omenon
t
wi
k
k
el
en(
bor
gi
n
gv
oorQengmov
r
i
j
)
(
1,
4,
5)pr
ec
i
s
i
et
ec
h
n
i
ek
env
oorh
oger
eef
f
ect
i
v
i
t
ei
tenl
ager
edos
er
i
n
g
v
angewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
(
s
en
s
i
n
g/
r
egi
s
t
r
a
t
i
e,t
oedi
en
i
n
gs
t
ech
n
i
ek
,per
ceel
s
pas
poor
t
en
)
,
Ngi
f
taf
s
t
emmenopbodeml
ev
er
i
n
g
(
4)bodemk
wa
l
i
t
ei
tv
er
h
ogen(
v
i
aweer
ba
a
r
h
ei
d,v
och
t
v
oor
z
i
en
i
n
g,OS)
t
.
b.
v
.h
oger
eNben
u
t
t
i
n
g
(
4)f
os
f
a
a
t
pl
a
a
t
s
i
n
gt
ec
h
n
i
ek
env
oorPbeh
oef
t
i
gegewas
s
en(
v
n
l
.
gr
oen
t
en
)
(
5,
7)v
er
der
ebeper
k
i
n
gf
os
f
a
a
t
a
a
n
v
oer
(
6)opt
r
edenenoor
z
a
k
eni
n
v
en
t
a
r
i
s
er
en
,woel
en
,bodemv
er
bet
er
aar
s
,
di
epwor
s
t
el
aar
s
,l
i
ch
t
er
emach
i
n
es
,l
a
gedr
u
k
ba
n
den
gebr
u
i
k
s
n
or
men5eAP
(
5)f
os
f
aat
accu
mu
l
at
i
e/
v
er
z
a
di
gi
n
genCu
a
c
c
u
mu
l
a
t
i
ei
nbodem
(
6)v
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d
(
7)v
er
n
at
t
i
n
g(
r
on
dn
at
u
u
r
)l
ei
dti
nl
a
n
dbou
wt
otgr
ot
er
edr
u
kenmi
n
der
bes
t
r
i
j
di
n
gs
opt
i
esv
oors
ch
adeor
gan
i
s
men(
z
i
ek
t
en
,on
k
r
u
i
den
)
,
meerf
os
f
a
a
t
l
ek
k
age
(
8)v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
(
9)s
l
ech
ton
der
h
ou
d(
1,
3)h
u
u
r
l
a
n
d,da
a
r
doormeer
on
t
s
met
t
i
n
gs
beh
oef
t
e
(
10)dr
u
kopmes
t
mar
k
t
,v
er
pl
i
c
h
t
edr
i
j
f
mes
t
a
f
n
a
mebi
j
h
u
u
r
l
a
n
d
(
11)v
er
pl
i
ch
tv
an
ggewasn
ama
ï
s(
4eAP)pas
ts
l
ech
t
OPL
OSSI
NGSRI
CHTI
NG(
HANDEL
I
NGSPERSPECTI
EF
)(
NUMMERI
NG
VERWI
J
STNAARVORI
GEKOL
OM)
BEL
ANGRI
J
KSTEKNEL
PUNTEN
BIJLAGEN
145
(
1)al
l
egr
on
ds
oor
t
en
:af
v
oerbou
wv
oor(
metOSenn
u
t
r
i
ën
t
en
)met
k
l
u
i
t
;OSaa
n
v
oerbeper
k
tdoorPn
or
m
(
2)z
an
d:bodemgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,on
k
r
u
i
den
(
3)z
an
d:n
i
t
r
aat
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
era
a
n
s
c
h
er
pi
n
gNenPgebr
u
i
k
s
n
or
men5e(
AP)
(
4)k
l
ei
:s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
f
(
5)z
an
d:v
er
dr
ogi
n
g
(
6)v
een
:k
l
i
n
kdoordr
ai
n
ageenox
y
da
t
i
e,CO2emi
s
s
i
e
(
1)z
i
ek
t
enenpl
agendi
edi
r
ec
tofi
n
di
r
ec
tv
er
ba
n
dh
ou
denmetbodem (
1,
2)dr
a
i
n
a
geenbodems
t
r
u
c
t
u
u
rv
er
bet
er
en
:v
er
bet
er
enh
abi
t
atv
oor
(
2)bodems
t
r
u
ct
u
u
rv
oorwa
t
er
a
f
v
oerbi
j
pi
ek
bel
a
s
t
i
n
gn
eer
s
l
a
gen
r
egen
wor
men(
bl
adv
er
t
er
i
n
g:s
ch
u
r
f
t
,z
war
t
r
ot
)enoor
wor
men
a
er
a
t
i
e
(
l
u
i
senper
en
bl
a
dv
l
o)
,oor
wor
menpr
ofi
t
er
env
anbet
er
e
(
3)k
r
a
ppef
os
f
aat
n
or
men(
pr
odu
c
t
i
eenbewa
a
r
k
wa
l
i
t
ei
t
)
s
t
r
u
c
t
u
u
rv
er
oor
z
a
a
k
tdoorr
egen
wor
men
,doorOSaan
v
oer
,
(
4)z
an
d:s
peci
fi
ek
ebodemmoeh
ei
d(
a
a
l
t
j
es
)doorwegv
a
l
l
enc
h
emi
s
c
h
e
gr
oen
bemes
t
er
sena
a
n
gepa
s
twa
t
er
v
oor
z
i
en
i
n
gi
ncombi
n
at
i
e
gr
on
don
t
s
met
t
i
n
g
metwegn
emens
y
s
t
eembel
emmer
i
n
gen(
al
t
er
n
at
i
ev
env
oor
s
c
h
a
del
i
j
k
egewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenh
er
bi
ci
den
)
(
3)my
c
or
r
h
i
z
a
’
sv
oorbet
er
ePben
u
t
t
i
n
g(
h
abi
t
at
v
er
bet
er
i
n
gdoor
v
er
l
agenk
u
n
s
t
mes
tenmeeror
gan
i
s
ch
emes
t
/
compos
ten
wegn
emens
y
s
t
eembel
emmer
i
n
gen
)
(
4)r
egi
s
t
r
a
t
i
e/
bewa
k
i
n
gs
s
y
s
t
emen
(
4)bi
ol
ogi
s
c
h
egr
on
don
t
s
met
t
i
n
g(
r
eedsi
non
der
z
oek
)
,bi
ol
ogi
s
ch
e
bes
t
r
i
j
di
n
g,f
u
n
ct
i
on
el
ebodembi
odi
v
er
s
i
t
ei
t
Boomk
wek
er
i
j
F
r
u
i
t
t
eel
t
(
1)a
a
n
gepa
s
t
en
or
ms
t
el
l
i
n
gv
oork
l
u
i
t
gewas
s
en
,k
l
u
i
t
v
er
v
an
ger
s
(
1,
2,
3)bi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenweer
ba
a
r
h
ei
dv
er
h
ogendoorv
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g,
gr
oen
bemes
t
er
senf
os
f
a
a
t
a
r
meOSaan
v
oer
(
1)s
oor
t
s
pec
i
fi
ek
eor
ga
n
i
s
c
h
er
es
t
s
t
r
omen
,bi
opr
epar
at
en
,bi
ol
ogi
s
ch
e
on
t
s
met
t
i
n
g,bi
of
u
mi
gat
i
e,s
t
omen
,i
n
u
n
da
t
i
e
(
2,
3)pr
ec
i
s
i
et
ec
h
n
i
ek
env
oorh
oger
eef
f
ec
t
i
v
i
t
ei
tenl
ager
edos
er
i
n
g
v
angewas
bes
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
(
s
en
s
i
n
g/
r
egi
s
t
r
a
t
i
e,t
oedi
en
i
n
gs
t
ec
h
n
i
ek
,per
ceel
s
pas
poor
t
en
)
,
Ngi
f
taf
s
t
emmenopbodeml
ev
er
i
n
g
(
3)v
a
n
ggewa
s
s
en
(
4)a
a
n
gepa
s
t
emec
h
a
n
i
s
a
t
i
e
(
5)v
a
r
i
a
bel
pei
l
beh
eer
(
6)v
a
r
i
a
bel
pei
l
beh
eer
,dr
a
i
n
i
n
fi
l
t
r
a
t
i
e
(
3,
7)r
ec
y
c
l
i
n
gv
a
ngoedek
wa
l
i
t
ei
twa
t
er(
bol
l
en
meer
)
(
8)s
t
r
u
c
t
u
u
r
beder
fv
er
mi
j
dendoorr
i
j
pa
denenan
der
e
gr
on
dbewer
k
i
n
gs
y
s
t
emen
(
9)a
a
n
gi
f
t
epl
i
c
h
t
,r
egi
s
t
r
a
t
i
e,per
c
eel
s
pa
s
poor
t
OPL
OSSI
NGSRI
CHTI
NG(
HANDEL
I
NGSPERSPECTI
EF
)(
NUMMERI
NG
VERWI
J
STNAARVORI
GEKOL
OM)
BEL
ANGRI
J
KSTEKNEL
PUNTEN
TOEPASSI
NGSDOMEI
N
I
V.
2KNELPUNTENWELKESAMENHANGENMETDEGEKOZENSPEERPUNTEN
BEHEERVANORGANI
SCHESTOF(
OS)ENBODEMVRUCHTBAARHEI
D
Gr
as
l
an
dz
an
d
v
er
l
i
ez
en(
OS,N)bi
j
gr
as
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
g
f
os
f
aat
accu
mu
l
at
i
e/
v
er
z
adi
gi
n
g
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermetn
i
t
r
aat
,di
er
gen
ees
mi
ddel
en
l
ager
ev
er
t
eer
baar
h
ei
dgr
asdoork
r
appebemes
t
i
n
g(
l
ok
aal
t
.
b.
v
.KRWdoel
en
/
5e
Act
i
epr
ogr
ammaNi
r
aat
r
i
ch
t
l
i
j
n(
AP)
)
Gr
as
l
an
dk
l
ei
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat
,di
er
gen
ees
mi
ddel
en
l
ager
ev
er
t
eer
baar
h
ei
dgr
asdoork
r
appebemes
t
i
n
g(
l
ok
aal
t
.
b.
v
.KRWdoel
en
)
v
er
l
i
ez
en(
OS,N)bi
j
gr
as
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
g
Gr
as
l
an
dv
een
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat
,di
er
gen
ees
mi
ddel
en
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
k
l
ei
&z
av
el
bel
as
t
i
n
gopper
v
l
ak
t
ewat
er(
f
os
f
aat
,s
t
i
k
s
t
of
)v
i
aaf
s
poel
i
n
gendr
ai
n
wat
er
v
oor
j
aar
s
t
oedi
en
i
n
gdr
i
j
f
mes
tbeh
al
v
ewi
n
t
er
t
ar
we(
k
or
tt
i
j
dv
en
s
t
er
bodemdr
aagk
r
ach
tv
er
s
u
sgewas
v
es
t
i
gi
n
g/
gewas
s
ch
ade)
Ak
k
er
bou
wNOz
an
d
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
er(
n
i
t
r
aat
)
,aan
s
ch
er
pi
n
gNgebr
u
i
k
s
n
or
men5e
AP
s
t
u
i
f
/
wi
n
der
os
i
e(
geendr
i
j
f
mes
tmeert
erbes
t
r
i
j
di
n
g)
on
v
ol
doen
dei
n
s
pel
enopbodemh
et
er
ogen
i
t
ei
t
,daar
doorov
er
dos
er
i
n
g
gewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
enZO
z
an
d
Lös
s
er
os
i
egev
oel
i
gh
ei
d
af
eni
n
s
poel
i
n
gv
ans
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat(
doorr
el
i
ëf
)
,bel
as
t
i
n
gopper
v
l
ak
t
ewat
eren
dr
i
n
k
wat
er
wi
n
n
i
n
g
Bol
l
en
t
eel
t
h
ogedr
u
kbodemgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
agenenon
k
r
u
i
den(
v
n
l
.z
an
dk
n
el
pt
)
h
ogeaf
br
aak
s
n
el
h
ei
dOSopdu
i
n
z
an
d,daar
dooroppei
l
h
ou
denOSl
as
t
i
g,aan
v
oer
OSbeper
k
tdoorgebr
u
i
k
s
n
or
menbemes
t
i
n
gz
an
d(
v
n
l
.z
an
dk
n
el
pt
)
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat
Boomk
wek
er
i
j
F
r
u
i
t
t
eel
t
146
aan
v
oerOSbeper
k
tdoorgebr
u
i
k
s
n
or
men(
v
er
derv
er
l
aagdbi
j
h
oger
e
f
os
f
aat
t
oes
t
an
d)
,wei
n
i
ggr
an
eni
nbou
wpl
an
,enbeper
k
t
er
u
i
mt
ev
oor
v
an
ggewas
s
eni
.
v
.
m.aal
t
j
es
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
er(
n
i
t
r
aat
)
,aan
s
ch
er
pi
n
gNenPgebr
u
i
k
s
n
or
men5eAP
f
os
f
aat
accu
mu
l
at
i
e/
v
er
z
adi
gi
n
genCu
accu
mu
l
at
i
ei
nbodem
v
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d
al
l
egr
on
ds
oor
t
en
:af
v
oerbou
wv
oor(
metOSenn
u
t
r
i
ën
t
en
)metk
l
u
i
t
,OSaan
v
oer
beper
k
tdoorPn
or
m
z
an
d,n
i
t
r
aat
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
er
,aan
s
ch
er
pi
n
gNenPgebr
u
i
k
s
n
or
men5eAP
k
r
appef
os
f
aat
n
or
men(
pr
odu
c
t
i
eenbewaar
k
wal
i
t
ei
t
)
BEHEERVANBODEMSTRUCTUUR
Gr
as
l
an
dz
an
d
Gr
as
l
an
dk
l
ei
opbr
en
gs
t
v
er
l
i
esdoorv
er
t
r
appi
n
g(
v
ee)
s
t
r
u
ct
u
u
r
v
er
l
i
esenbr
oei
k
as
gas
emi
s
s
i
esdoorber
i
j
di
n
g
v
er
l
i
ez
en(
OS,N)bi
j
gr
a
s
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
g
Gr
as
l
an
dv
een
opbr
en
gs
t
v
er
l
i
esdoorv
er
t
r
appi
n
g(
v
ee)enber
i
j
di
n
g
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
k
l
ei
&z
av
el
s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
fbov
en
gr
on
denv
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d,emi
s
s
i
esl
ach
gasen
met
h
aan
on
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
g(
enpl
aat
s
el
i
j
kr
es
i
s
t
en
t
i
e)
gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
agen
bel
as
t
i
n
gopper
v
l
ak
t
ewat
er(
f
os
f
aat
,s
t
i
k
s
t
of
,gewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
)v
i
a
af
s
poel
i
n
gendr
ai
n
wat
er
v
oor
j
aar
s
t
oedi
en
i
n
gdr
i
j
f
mes
tbeh
al
v
ewi
n
t
er
t
ar
we(
k
or
tt
i
j
dv
en
s
t
er
bodemdr
aagk
r
ach
tv
er
s
u
sgewas
v
es
t
i
gi
n
g/
gewas
s
ch
ade)
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
en
er
gi
ev
er
br
u
i
k
gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
agen
,on
k
r
u
i
den
aan
s
ch
er
pi
n
gNgebr
u
i
k
s
n
or
men5eAP
s
t
u
i
f
/
wi
n
der
os
i
e(
geendr
i
j
f
mes
tmeert
erbes
t
r
i
j
di
n
g)
v
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
enZO
z
an
d
gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
agen
,on
k
r
u
i
den
v
och
t
v
oor
z
i
en
i
n
g(
v
er
dr
ogi
n
g)
/
ber
egen
i
n
gs
beper
k
i
n
g
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
er(
gewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,n
i
t
r
aat
)
,
aan
s
ch
er
pi
n
gNenPgebr
u
i
k
s
n
or
men5e AP
v
er
di
ch
t
i
n
gon
der
gr
on
d
Lös
s
er
os
i
egev
oel
i
gh
ei
d
t
oepas
s
i
n
gn
i
et
k
er
en
degr
on
dbewer
k
i
n
gi
nr
u
ggen
t
eel
t
enent
eel
tfi
j
n
z
adi
ge
gewas
s
enopz
war
egr
on
d
af
eni
n
s
poel
i
n
gv
angewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,s
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
aat(
doorr
el
i
ëf
)
,
bel
as
t
i
n
gopper
v
l
ak
t
ewat
erendr
i
n
k
wat
er
wi
n
n
i
n
g
on
k
r
u
i
ddr
u
k
,r
el
at
i
efh
ogei
n
z
etgl
y
f
os
aatenh
er
bi
ci
den
r
es
i
s
t
en
t
i
e
Bol
l
en
t
eel
t
k
l
ei
:s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
f
/
v
er
di
ch
t
i
n
g
Boomk
wek
er
i
j
k
l
ei
:s
t
r
u
ct
u
u
r
beder
f
F
r
u
i
t
t
eel
t
z
i
ek
t
enenpl
agendi
edi
r
ectofi
n
di
r
ectv
er
ban
dh
ou
denmetbodem
bodems
t
r
u
ct
u
u
rv
oorwat
er
af
v
oerbi
j
pi
ek
bel
as
t
i
n
gn
eer
s
l
agenaer
at
i
e
k
r
appef
os
f
aat
n
or
men(
pr
odu
ct
i
eenbewaar
k
wal
i
t
ei
t
)
Ak
k
er
bou
wNOz
an
d
bel
as
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewat
er(
gewas
bes
ch
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,n
i
t
r
aat
)
,
BIJLAGEN
147
BEHEERVANBODEMBI
ODI
VERSI
TEI
TENBODEMWEERBAARHEI
D
Gr
as
l
an
dz
an
d
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewa
t
ermetn
i
t
r
a
a
tendi
er
gen
ees
mi
ddel
en
s
c
h
a
dedoorpl
a
gen(
en
ger
l
i
n
gens
i
n
dsmi
ddel
v
er
bod)
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
Gr
as
l
an
dk
l
ei
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
Gr
as
l
an
dv
een
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
ak
t
ewa
t
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
a
a
t
,di
er
gen
ees
mi
ddel
en
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
k
l
ei
&z
av
el
gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
enenpl
a
gen
qu
r
a
n
t
a
i
n
eor
ga
n
i
s
men(
poot
goed)
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
bel
a
s
t
i
n
gopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermetgewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
env
i
aa
f
s
poel
i
n
gen
dr
a
i
n
wa
t
er
Ak
k
er
bou
wNOz
an
d
gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,on
k
r
u
i
den
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermetgewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
on
v
ol
doen
dei
n
s
pel
enopbodemh
et
er
ogen
i
t
ei
t
,da
a
r
doorov
er
dos
er
i
n
g
gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
enenmes
t
s
t
of
f
en
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
pl
a
a
t
s
el
i
j
ks
l
ec
h
t
eh
er
bi
c
i
den
wer
k
i
n
g(
doorr
es
i
s
t
en
t
i
eenbodemei
gen
s
c
h
a
ppen
)
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
enZO
z
an
d
148
gr
on
dgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,on
k
r
u
i
den
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermetgewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
v
er
n
a
t
t
i
n
g(
r
on
dn
a
t
u
u
r
)l
ei
dti
nl
a
n
dbou
wt
otgr
ot
er
edr
u
kenmi
n
der
bes
t
r
i
j
di
n
gs
opt
i
esv
oors
c
h
a
deor
ga
n
i
s
men(
z
i
ek
t
en
,on
k
r
u
i
den
)
,meer
f
os
f
a
a
t
l
ek
k
a
ge
v
er
l
i
esbi
odi
v
er
s
i
t
ei
tenbi
oi
n
t
en
s
i
t
ei
t
s
l
ec
h
ton
der
h
ou
d(
1,
3)h
u
u
r
l
an
d,da
a
r
doormeeron
t
s
met
t
i
n
gs
beh
oef
t
e
Lös
s
a
f
eni
n
s
poel
i
n
gv
a
ngewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,(
doorr
el
i
ëf
)
,bel
a
s
t
i
n
g
opper
v
l
a
k
t
ewa
t
erendr
i
n
k
wat
er
wi
n
n
i
n
g
Bol
l
en
t
eel
t
h
ogedr
u
kbodemgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
genenon
k
r
u
i
den(
v
n
l
.z
a
n
dk
n
el
pt
)
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermetgewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
t
ek
or
t‘
f
y
t
os
c
h
oon
’
a
r
ea
a
l
z
a
n
d:i
r
r
ev
er
s
i
bel
v
er
l
i
esbi
ot
i
s
c
h
ef
u
n
c
t
i
es
qu
a
r
a
n
t
a
i
n
eor
ga
n
i
s
men(
l
el
i
e,t
u
l
p)
Boomk
wek
er
i
j
z
a
n
d:bodemgebon
denz
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,on
k
r
u
i
den
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermetgewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
F
r
u
i
t
t
eel
t
z
i
ek
t
enenpl
a
gendi
edi
r
ec
tofi
n
di
r
ec
tv
er
ba
n
dh
ou
denmetbodem
k
r
a
ppef
os
f
a
a
t
n
or
men(
pr
odu
c
t
i
eenbewa
a
r
k
wa
l
i
t
ei
t
)
z
a
n
d:s
pec
i
fi
ek
ebodemmoeh
ei
d(
a
a
l
t
j
es
)doorwegv
a
l
l
enc
h
emi
s
c
h
e
gr
on
don
t
s
met
t
i
n
g
BODEMBEHEERI
NREL
ATI
ETOTWATERHUI
SHOUDI
NG
Gr
as
l
an
dz
an
d
v
er
dr
ogi
n
g(
ookdoorber
egen
i
n
gel
der
s
)
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermetn
i
t
r
a
a
t
,di
er
gen
ees
mi
ddel
en
Gr
as
l
an
dv
een
i
n
k
l
i
n
k
i
n
g,ox
y
da
t
i
e,CO2emi
s
s
i
e,ma
a
i
v
el
dda
l
i
n
g,l
a
n
ds
c
h
a
pv
er
l
i
esdoordr
a
i
n
a
ge
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
ermets
t
i
k
s
t
of
,f
os
f
a
a
t
,di
er
gen
ees
mi
ddel
en
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
k
l
ei
&z
av
el
bel
a
s
t
i
n
gopper
v
l
a
k
t
ewa
t
er(
f
os
f
a
a
t
,s
t
i
k
s
t
of
,gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
)v
i
a
a
f
s
poel
i
n
gendr
a
i
n
wa
t
er
v
er
z
i
l
t
i
n
g(
l
ok
a
a
l
,geenber
egen
i
n
g)
Ak
k
er
bou
wNOz
a
n
d
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
er(
gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,n
i
t
r
a
a
t
,
a
a
n
s
c
h
er
pi
n
gNgebr
u
i
k
s
n
or
men5eAc
t
i
epr
ogr
a
mmaNi
t
r
a
a
t
r
i
c
h
t
l
i
j
n(
AP)
Ak
k
er
bou
w&
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
en
ZOz
an
d
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
er(
gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
gs
mi
ddel
en
,n
i
t
r
a
a
t
)
,
Bol
l
en
t
eel
t
Boomk
wek
er
i
j
zand:ni
t
r
a
a
t
bel
a
s
t
i
n
ggr
on
denopper
v
l
a
k
t
ewa
t
er
,a
a
n
s
c
h
er
pi
n
gNenP-
F
r
u
i
t
t
eel
t
a
a
n
s
c
h
er
pi
n
gNgebr
u
i
k
s
n
or
men5eAP
ver
di
c
h
t
i
n
gon
der
gr
on
d
v
er
z
i
l
t
i
n
g
gebr
u
i
k
s
n
or
men5eAP
z
a
n
d:v
er
dr
ogi
n
g
v
een
:k
l
i
n
kdoordr
a
i
n
a
geenox
y
da
t
i
e,CO2emi
s
s
i
e
bodems
t
r
u
c
t
u
u
rv
oorwat
er
a
f
v
oerbi
j
pi
ek
bel
a
s
t
i
n
gn
eer
s
l
a
gena
er
a
t
i
e
BIJLAGEN
149
BIJLAGE
BI
JLAGEV
V––KANSEN,
KANSEN,KNELPUNTEN
KNELPUNTENEN
ENKENNISHIATEN
VAN
BODEMBEHEER
PER
BODEMBEHEERDOEL
(1-14)
KENN
I
SHI
ATEN VAN B
ODE
MBEHEERPER
EN
PER
BEHEERSCLUSTER
(A-E)
BOD
EMB
EHEERDOEL(
114)
EN PER
BEHEERSCLUSTER(
AE)
Kansen, knelpunten en kennishiaten bij de verschillende typen landbouwkundig bodembeheer
Kan
s
en
,k
n
el
pu
n
t
enenk
en
n
i
s
h
i
at
enbi
j
dev
er
s
ch
i
l
l
en
det
y
penl
an
dbou
wk
u
n
di
gbodembeh
eer
(waterhuishouding,
grondbewerking,
gewasbescherming)
(
wat
er
h
u
i
s
h
ou
di
n
g,vruchtwisseling,
v
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g,g
r
on
dbewer
k
i
n
g,bemesting,
bemes
t
i
n
g,g
ewas
bes
ch
er
mi
n
g)
gesorteerd
ges
or
t
eer
dnaar
n
aarbodembeheerdoelen,
bodembeh
eer
doel
en
,per
pergrondsoort
gr
on
ds
oor
twaar
waarrelevant.
r
el
ev
an
t
.
De
1.1,
Debeheerdoelen
beh
eer
doel
enkomen
k
omenovereen
ov
er
eenmet
mettabel
t
abel
1.
1,waar
waarhun
h
u
nbijdrage
bi
j
dr
ageaan
aande
deverschillende
v
er
s
ch
i
l
l
en
de
di
men
s
i
esvan
v
anduurzaamheid
du
u
r
z
aamh
ei
dis
i
saangegeven.
aan
gegev
en
.
dimensies
BEHEERDOEL
A.WATERHUI
SHOUDI
NG,PEI
LBEHEER,DRAI
NAGE,(
BEREGENI
NG?
)
1. Hogepr
odu
ct
i
v
i
t
ei
t
perh
a,h
oge
pr
odu
ct
k
wal
i
t
ei
t
Hetwat
er
pei
l
bepaal
tdeomv
an
gv
andebes
ch
i
k
bar
et
eel
t
l
aag.Vi
an
u
t
r
i
ën
t
en
,
bewer
k
baar
h
ei
d,z
i
ek
t
enenpl
a
genbepaal
tdi
tdepot
en
t
i
ël
eopbr
en
gs
t
.I
n
t
egr
aal
(
f
y
s
i
s
ch
,ch
emi
s
ch
,bi
ol
ogi
s
ch
)on
der
z
oekn
aarh
etef
f
ectv
anpei
l
v
er
an
der
i
n
gmaak
t
dei
mpactdu
i
del
i
j
k
.Depr
i
or
i
t
ei
tl
i
gth
i
er
bi
j
opz
an
denl
i
ch
t
ez
av
el
gr
on
den
,omdat
h
i
erbes
ch
i
k
baar
h
ei
dv
ann
u
t
r
i
ën
t
enendei
mpactv
anz
i
ek
t
en
,pl
agenenon
k
r
u
i
den
h
ets
t
er
k
s
t
ez
i
j
n
.
Hetwat
er
beh
eerbeï
n
v
l
oedtdeh
aal
bar
eopbr
en
gs
t
.Su
bopt
i
maal
wat
er(
t
en
at
)z
or
gt
v
oordeon
der
ben
u
t
t
i
n
gdi
edanopdi
v
er
s
epu
n
t
enon
t
s
t
aat
:ber
i
j
di
n
g/
dr
aagk
r
ach
t
,
s
t
r
u
ct
u
u
r
,n
u
t
r
i
ën
t
en
ben
u
t
t
i
n
g,z
i
ek
t
egev
oel
i
gh
ei
d.
Eengoedewat
er
v
oor
z
i
en
i
n
gi
sv
angr
ootbel
an
gv
oordepr
odu
ct
i
eenv
oorh
et
wat
er
s
y
s
t
eem.Eenbodem meteengoedwat
er
ber
gen
dv
er
mogeni
si
ns
t
aatom bi
j
pi
ek
eni
nn
eer
s
l
agenl
an
ger
edr
ogeper
i
odesh
etgewasv
anv
ol
doen
dewat
ert
e
v
oor
z
i
en
.
2. Lagear
bei
ds
beh
oef
t
e
3. Lagebeh
oef
t
eaan
f
os
s
i
el
ebr
an
ds
t
of
f
en
150
4. Hogeben
u
t
t
i
n
genl
age
emi
s
s
i
e
enaccu
mu
l
at
i
ev
an
n
u
t
r
i
ën
t
en
,goede
r
et
en
t
i
eenn
al
ev
er
i
n
g
v
ann
u
t
r
i
ën
t
en
Ten
atent
edr
oogl
ei
denbei
det
oteenl
agen
u
t
r
i
ën
t
en
ben
u
t
t
i
n
g.Wat
er
beh
eerdat
goedi
sv
oorgewas
pr
odu
ct
i
ez
al
ookgoedz
i
j
nv
oorn
u
t
r
i
ën
t
en
ben
u
t
t
i
n
genl
age
l
ach
gas
emi
s
s
i
e.On
t
l
een
daans
t
u
di
ewaar
i
nv
oorNeder
l
an
dpr
oev
enwer
d
v
as
t
ges
t
el
ddath
oger
eex
t
er
n
e(
r
ecov
er
y
)eni
n
t
er
n
e(
1/
Ngeh
al
t
e)Nben
u
t
t
i
n
g
s
amen
gaanmeth
oger
e‘
h
aal
ba
r
epr
odu
ct
i
e’
.Ver
n
at
t
i
n
gv
er
h
oogtookr
i
s
i
coopPu
i
t
s
poel
i
n
g.Ken
n
i
s
h
i
aat
:i
n
z
i
ch
ti
nder
el
at
i
est
u
s
s
enwat
er
v
oor
z
i
en
i
n
genl
ach
gas
.
5. Weer
baar
h
ei
d:l
age
beh
oef
t
eaanch
emi
s
ch
e
gewas
bes
ch
er
mi
n
g
(
z
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,
on
k
r
u
i
den
)
Hetpei
l
beh
eerh
eef
tdi
r
ect
ei
n
v
l
oedopdebes
ch
i
k
bar
edoor
wor
t
el
bar
ez
on
e.Door
pei
l
v
er
h
ogi
n
gwor
dendeaan
wez
i
gen
emat
oden
popu
l
at
i
esi
neenk
l
ei
n
er
et
eel
t
l
aag
gedwon
genwaar
i
ndepl
an
teenmi
n
deru
i
t
gebr
ei
dwor
t
el
s
t
el
s
el
k
anv
or
men
.De
v
r
aagi
sh
oedi
tdes
ch
adegev
oel
i
gh
ei
dv
angewas
s
env
oorbodemz
i
ek
t
enbeï
n
v
l
oed.
Dev
er
wach
t
i
n
gi
sdatpei
l
v
er
h
ogi
n
gopz
an
dgr
on
denenl
i
ch
t
ez
av
el
gr
on
dende
BEHEERDOEL
A.WATERHUI
SHOUDI
NG,PEI
LBEHEER,DRAI
NAGE,(
BEREGENI
NG?
)
s
ch
adegev
oel
i
gh
ei
dv
er
s
t
er
k
t
.Eri
swei
n
i
gbek
en
dov
eref
f
ect
env
anv
er
an
der
en
d
pei
l
beh
eer
.
Ver
h
ogi
n
gv
anh
etpei
l
v
er
mi
n
der
tdemogel
i
j
k
h
edenv
oort
i
j
di
geengeï
n
t
egr
eer
de
on
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
genk
a
nookh
ets
oor
t
en
s
pect
r
u
m beï
n
v
l
oeden
.
6. Hoogv
er
mogent
ot
af
br
aakv
an
v
er
on
t
r
ei
n
i
gi
n
gen
7. Goedewat
er
r
egu
l
er
i
n
g
(
i
n
fi
l
t
r
a
t
i
e,i
n
t
er
n
e
dr
ai
n
age,
v
och
t
n
al
ev
er
i
n
g)
enl
agebeh
oef
t
eaan
ber
egen
i
n
g
8. Ru
i
met
i
j
dv
en
s
t
er
sv
oor
wer
k
z
aamh
eden
(
dr
a
a
gk
r
a
ch
t
,
bewer
k
ba
a
r
h
ei
d)
Kn
el
pu
n
tv
oorv
een
:maai
v
el
ddal
i
n
g,waar
doorl
an
ds
ch
apn
i
etbeh
ou
denbl
i
j
f
t
.
Kan
s
en
:on
der
wat
er
dr
ai
n
age,dy
n
ami
s
chpei
l
.Ken
n
i
s
h
i
at
en
:v
er
t
aal
s
l
ag
f
u
n
damen
t
eel
on
der
z
oekn
aarpr
ak
t
i
j
k
.On
v
ol
doen
dek
en
n
i
sov
eri
n
t
egr
aal
ef
f
ectv
an
dez
emaat
r
egel
en(
peopl
e,pl
an
et
,pr
ofi
t
)
.
Hetgr
oot
s
t
epr
obl
eem bi
j
v
er
di
ch
t
i
n
gv
andeon
der
gr
on
d(
pl
oegz
ool
ofi
et
sdi
eper
)i
s
datj
eh
etn
i
etz
i
et
.Degewas
opbr
en
gs
ti
swel
n
egat
i
efger
el
at
eer
daaneen
t
oen
emen
demat
ev
anv
er
di
ch
t
i
n
g,maaromdatdi
tov
erv
r
i
j
wel
h
etgeh
el
eper
ceel
pl
aat
s
v
i
n
dt
,v
al
th
etdeboern
i
etop.On
der
t
u
s
s
enpr
obeer
th
i
j
wel
deopbr
en
gs
tt
e
v
er
gr
ot
endoori
n
pu
tv
anmes
t
s
t
of
f
en
,ch
emi
cal
i
ënenber
egen
i
n
gs
wat
er
.Eri
s
n
au
wel
i
j
k
si
n
z
i
ch
twaari
nNeder
l
an
dv
er
di
ch
t
i
n
gi
sopget
r
eden
,wel
i
sdu
i
del
i
j
kdatop
z
an
dgr
on
denh
eth
er
s
t
el
v
er
mogenmi
n
i
maal
i
s
,waar
doorj
u
i
s
topdi
egr
on
denh
et
ef
f
ectbl
i
j
v
en
di
s
.Opk
l
ei
gr
on
denk
andoorz
wel
enk
r
i
mpdepl
oegz
ool
opt
er
mi
j
n
weerv
er
dwi
j
n
en
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:h
oek
anh
etef
f
ectv
anv
er
di
ch
t
i
n
gwor
den
gek
wan
t
i
fi
ceer
dal
sh
etv
oor
k
omenerv
anz
os
l
ech
tz
i
ch
t
baari
s
?Hoeov
er
t
u
i
gj
ede
boerer
v
andath
i
j
opbepaal
deper
cel
eneenh
oger
eopbr
en
gs
tk
anh
al
endoor
aan
dach
tt
ebes
t
edenaandev
er
di
ch
t
i
n
gop3040cm di
ep?Wel
k
emech
an
i
s
ch
e,
maarv
oor
al
bi
ol
ogi
s
ch
e(
di
epwor
t
el
en
degr
as
s
en
,s
t
i
mu
l
er
i
n
gv
an
bodems
t
r
u
ct
u
u
r
v
er
bet
er
aar
s
)
,maat
r
egel
endr
agenbi
j
aanh
etv
oor
k
omen
,maar
v
oor
al
oph
ef
f
env
anv
er
di
ch
t
i
n
gv
andeon
der
gr
on
d.
Wan
n
eerdebodem v
er
di
ch
ti
s
,bl
i
j
f
tdebov
en
gr
on
dl
an
gern
atenmi
n
der
bewer
k
baarenber
i
j
dbaar
.Tegel
i
j
k
er
t
i
j
dh
eef
th
etbewer
k
enbu
i
t
endeges
ch
i
k
t
e
t
i
j
dv
en
s
t
er
sv
er
di
ch
t
i
n
gt
otgev
ol
g.
Kn
el
pu
n
t
:h
oogpei
l
v
oorn
at
u
u
r
(
gebi
ed)v
er
s
u
sgoedon
t
wat
er
debodem t
.
b.
v
.
wer
k
baar
h
ei
d.
Opz
an
d:boer
enwi
l
l
engr
aageendi
epeon
t
wat
er
i
n
gom z
odet
i
j
dv
en
s
t
er
sz
ogr
oot
mogel
i
j
kt
emak
en
.Bov
en
di
env
er
wach
t
enz
edegev
ol
genv
ann
at
s
ch
ademi
n
der
goedt
ek
u
n
n
en'
man
agen
'dandr
oogt
es
t
r
es
s
.Dath
eef
tt
otgev
ol
gdatdebodem
v
ak
eri
et
st
edr
oogi
sdant
en
atendatbi
j
per
i
odesz
on
derr
egen
v
al
eer
dermoet
wor
denber
egen
d.Van
u
i
th
etoogpu
n
tv
angr
on
dwat
erbeh
eeri
sdateenon
gel
u
k
k
i
ge
s
i
t
u
at
i
e.Hetz
oumooi
erz
i
j
nal
sermeerwat
eri
ndebodem bes
ch
i
k
baari
sen
mi
n
dern
odi
gi
sv
oorber
egen
en
.I
nBr
aban
ti
s5j
aargel
edeneens
t
ar
tgemaak
tmet
h
etpr
oj
ectLOPs
t
u
wen
.Daar
bi
j
k
r
egendeboer
enh
etwat
er
beh
eeri
nei
genh
an
den
k
on
denz
ez
el
fh
etwat
er
pei
l
bepal
en
.Samenmetr
es
t
r
i
ct
i
esoph
etber
egen
enen
u
i
t
gebr
ei
debegel
ei
di
n
gh
y
dr
ol
ogi
ez
i
j
nv
eel
boer
enern
uv
anov
er
t
u
i
gddath
etdi
epe
BIJLAGEN
151
BEHEERDOEL
A.WATERHUI
SHOUDI
NG,PEI
LBEHEER,DRAI
NAGE,(
BEREGENI
NG?
)
on
t
wat
ermi
n
dern
oodz
ak
el
i
j
ki
senz
i
j
nz
ei
ns
t
aat(
9dagen
)l
at
ert
es
t
ar
t
enmet
ber
egen
en
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:h
oek
andatooki
nan
der
er
egi
o'
swor
deni
n
gez
et
?Hoe
br
en
gj
eh
etpr
ocesi
ngan
g,wel
k
ek
en
n
i
si
seraan
v
u
l
l
en
dn
odi
gv
ooran
der
e
gebi
eden
?Watbet
ek
en
tdez
eon
t
wi
k
k
el
i
n
gi
nh
etwat
er(
enbodembeh
eer
)v
oor
n
u
t
r
i
ën
t
en
v
er
l
i
ez
enenh
etv
oor
k
omenv
anz
i
ek
t
enenpl
agen
?
9. Bi
j
dr
ageaanmi
t
i
gat
i
e
br
oei
k
as
gas
s
en(
l
age
emi
s
s
i
es
CO2,met
h
aanen
l
ach
gas
,ops
l
agv
anCi
n
or
gan
i
s
ch
es
t
of
)
Kn
el
pu
n
tv
oorv
een
:v
er
gel
ek
enmetz
an
denk
l
ei
dr
aagtv
een
gr
on
di
naan
z
i
en
l
i
j
k
e
mat
ebi
j
aandeemi
s
s
i
ev
anbr
oei
k
as
gas
s
en
.Kan
s
:emi
s
s
i
esk
u
n
n
enbeper
k
twor
den
doormaat
r
egel
endi
eaf
br
aakv
anor
gan
i
s
ch
es
t
ofv
oor
k
omen
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:h
et
ef
f
ectv
anmaat
r
egel
enger
i
ch
topbeper
k
i
n
gv
anmaai
v
el
ddal
i
n
g(
bi
j
v
.
on
der
wat
er
dr
ai
n
age,dy
n
ami
s
chpei
l
)opemi
s
s
i
esv
anbr
oei
k
as
gas
s
eni
sn
i
et
bek
en
d.
Ops
l
agv
anCi
nbodemor
gan
i
s
ch
es
t
ofi
s
,v
oor
al
i
nv
een
bodems
,s
t
er
kgek
oppel
d
aanv
och
t
geh
al
t
e.Zodr
ah
etv
eenn
i
etmeerwat
er
v
er
z
adi
gdi
senerz
u
u
r
s
t
ofbi
j
k
omtbegi
n
th
etaf
br
aak
pr
ocesendeemi
s
s
i
ev
anCO2.Hoeder
el
at
i
ei
nan
der
e
gr
on
ds
oor
t
eni
senh
oeder
el
at
i
ei
si
nh
ett
r
aj
ectt
u
s
s
enwat
er
v
er
z
adi
gdenh
el
emaal
dr
oogi
smi
j
n
i
etbek
en
d,maardez
er
el
at
i
ewor
dti
nmodel
l
enwel
t
oegepas
t
.Al
dan
n
i
etempi
r
i
s
chv
as
t
ges
t
el
d.Dev
r
aagi
sh
oek
u
nj
eal
st
el
erdoorwat
er
beh
eer
(
*ber
egen
en
,di
eperofmi
n
derdi
epon
t
wat
er
en
)deaf
br
aakv
anor
gan
i
s
ch
es
t
ofz
o
beï
n
v
l
oedendatj
edegoedeei
gen
s
ch
appener
v
ank
u
n
tben
u
t
t
en
.Eens
l
ech
t
e
af
br
aakv
anor
gan
i
s
ch
es
t
ofbet
ek
en
ti
nv
eel
gev
al
l
eneengoedeops
l
agv
anC,maar
en
el
agebes
ch
i
k
baar
h
ei
dv
ann
u
t
r
i
ën
t
en
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:dats
amen
s
pel
i
si
ngr
ot
e
l
i
j
n
enal
wel
on
der
z
och
t
,maarn
ogt
ewei
n
i
gcon
cr
eett
oepas
baargemaak
tv
oor
t
el
er
s
.
Kn
el
pu
n
tbi
j
l
an
dbou
wopn
at
t
egr
on
d:emi
s
s
i
esv
anNenN2O.Ken
n
i
s
h
i
aat
:
k
wan
t
i
t
at
i
ev
edat
at
.
a.
v
.t
oen
amel
ach
gas
emi
s
s
i
eenCops
l
agdoorv
er
n
at
t
i
n
gz
i
j
n
on
v
ol
doen
deaan
wez
i
g.
10.Geendegr
adat
i
edoor
gr
on
dv
er
l
i
es(
wi
n
den
wat
er
er
os
i
e)
,v
er
z
i
l
t
i
n
gof
bes
met
t
i
n
gmet
(
qu
a
r
a
n
t
a
i
n
e)
z
i
ek
t
en
k
an
s
:pei
l
v
er
h
ogi
n
gv
oorwei
dev
ogel
s
.
11.Ru
i
mt
ev
oor
K
bi
odi
v
er
s
i
t
ei
t
:
bov
en
gr
on
ds
een
on
der
gr
on
ds
e–óókn
i
et
f
u
n
ct
i
on
el
e–door
v
oeds
el
enh
abi
t
att
e
v
er
s
ch
af
f
en
12.Bes
ch
er
mi
n
gv
an
cu
l
t
u
u
r
h
i
s
t
or
i
s
ch
pat
r
i
mon
i
u
m
(
bodema
r
c
h
i
ef
,
el
emen
t
en
152
Kn
el
pu
n
tv
oorv
een
:maai
v
el
dda
l
i
n
g,waar
doorl
an
ds
ch
apn
i
etbeh
ou
denbl
i
j
f
t
.
Kan
s
en
:on
der
wat
er
dr
ai
n
age,dy
n
ami
s
chpei
l
.Ken
n
i
s
h
i
at
en
:v
er
t
aal
s
l
ag
f
u
n
damen
t
eel
on
der
z
oekn
aarpr
ak
t
i
j
k
.On
v
ol
doen
dek
en
n
i
sov
eri
n
t
egr
aal
ef
f
ectv
an
dez
emaat
r
egel
en
.
BEHEERDOEL
cu
l
t
u
u
r
l
an
ds
ch
ap)
A.WATERHUI
SHOUDI
NG,PEI
LBEHEER,DRAI
NAGE,(
BEREGENI
NG?
)
Eri
sal
v
eel
k
en
n
i
sov
erh
oeh
etpei
l
beh
eer
dz
oumoet
enwor
denenwel
k
e
gewas
s
enmeerofmi
n
ders
l
ech
tz
i
j
nv
oorh
etbodemar
ch
i
ef
.Eri
si
neenpi
l
ot
bodemdi
en
s
t
enu
i
t
gez
och
th
oedi
tj
u
r
i
di
s
chenfi
n
an
ci
eel
u
i
t
gewer
k
tk
anwor
den
.Dat
bl
i
j
k
ter
gi
n
gewi
k
k
el
deni
sbel
egdbi
j
deRi
j
k
s
di
en
s
tv
oorCu
l
t
u
r
eel
Er
f
goed.
13.Sl
u
i
t
env
ank
r
i
n
gl
open
14.Beh
ou
dv
anpot
en
t
i
ël
e
bodemf
u
n
ct
i
es
,met
n
amebi
ot
i
s
ch
e
(
v
oor
k
ómenv
an
i
r
r
ev
er
s
i
bel
f
u
n
ct
i
ev
er
l
i
es
)
BIJLAGEN
153
BEHEERDOEL
B.VRUCHTWI
SSEL
I
NG,GROENBEMESTERS,GEWASRESTENBEHEER
1. Hogepr
odu
ct
i
v
i
t
ei
tper
Opt
i
ma
l
ev
r
u
c
h
t
wi
s
s
el
i
n
gi
sz
eerbepal
en
dv
ooropbr
en
gs
tenk
wal
i
t
ei
t
.Hi
erk
omen
h
a,h
ogepr
odu
ct
k
wa
l
i
t
ei
t a
l
l
ef
a
c
et
t
env
a
nf
y
s
i
s
c
h
,c
h
emi
s
c
henbi
ol
ogi
s
c
hs
a
men
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:v
oorde
i
n
t
r
odu
c
t
i
ev
a
nn
i
eu
wegewa
s
s
en(
en
er
gi
egewa
s
s
en
,gr
oen
bemes
t
er
s
)ofbi
j
i
n
pa
s
s
i
n
gv
a
ngr
a
s
l
a
n
d/
ma
ï
sbi
n
n
ena
k
k
er
bou
wr
ot
a
t
i
esena
n
der
s
om moetwor
den
u
i
t
gez
oc
h
th
oedi
tu
i
t
pa
k
tv
ooropbr
en
gs
tenk
wa
l
i
t
ei
tv
a
nder
egu
l
i
er
egewa
s
s
en
.
Gr
oen
bemes
t
er
ss
pel
enh
i
er
bi
j
eenr
ol
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:wati
sdepot
en
t
i
ël
ebi
j
dr
agen
v
a
ngr
oen
bemes
t
er
s
?
,c
on
s
equ
en
t
i
esv
ooror
ga
n
i
s
c
h
es
t
of
ba
l
a
n
s(
OSba
l
a
n
s
)
,
n
a
wer
k
i
n
gi
nh
etv
oor
j
a
a
r
,wel
k
ema
a
i
mes
t
s
t
of
f
enz
i
j
nh
etmees
tges
c
h
i
k
t
,ef
f
ec
tv
a
n
i
n
k
u
i
l
en(
wa
a
r
doorermeerv
r
i
j
h
ei
dk
omti
nh
etmomen
tv
a
na
a
n
br
en
gen
)
,l
i
ev
er
dr
ogenda
ni
n
k
u
i
l
en
?
,ef
f
ec
tv
a
nz
omer
t
a
r
weenk
l
a
v
er
,ef
f
ec
tv
a
nwi
n
t
er
wi
k
k
een
er
wt
en
,k
a
pot
v
r
i
ez
en
deNbemes
t
er
s(
o.
m.emi
s
s
i
ev
er
l
i
ez
en
)
,h
oet
i
l
j
eNov
erde
wi
n
t
erh
een
?
,opt
i
ma
l
ewi
j
z
ev
a
ni
n
wer
k
i
n
g.
Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:h
oes
t
er
kbeï
n
v
l
oedtdeOSh
u
i
s
h
ou
di
n
g(
k
wa
l
i
t
ei
tenk
wa
n
t
i
t
ei
t
)de
h
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
t
?St
a
t
i
s
t
i
s
c
hbl
i
j
k
th
oger
eNl
ev
er
i
n
gu
i
tdebodem (
di
en
a
u
wa
a
n
or
ga
n
i
s
c
h
es
t
ofi
sv
er
bon
den
)i
na
a
n
t
a
l
gewa
s
s
ens
a
ment
ega
a
nmeth
oger
e
h
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
t(
da
t
a
ba
s
eNr
es
pon
s
pr
oev
en
)
.Ka
n
s
:on
t
wi
k
k
el
met
h
odeom OSh
u
i
s
h
ou
di
n
gz
oda
n
i
gt
es
t
u
r
enda
tNl
ev
er
i
n
gl
a
a
genNben
u
t
t
i
n
gh
oogbl
i
j
f
t
,t
er
wi
j
l
t
oc
hh
etpos
i
t
i
efef
f
ec
tv
a
nOSoph
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
tbeh
ou
denbl
i
j
f
t
.
Kn
el
pu
n
t
:l
a
ger
eopbr
en
gs
t
enbi
j
a
k
k
er
bou
wdoorl
a
a
gOSgeh
a
l
t
e.Ka
n
s
:t
u
s
s
en
t
eel
t
v
a
ngr
a
s
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:empi
r
i
s
ch
eon
der
bou
wi
n
gv
er
l
i
ez
enbi
j
omz
et
t
env
a
ngr
a
s
l
a
n
d.
I
sereena
a
l
t
j
es
pr
obl
eem bi
j
t
u
s
s
en
t
eel
tv
a
ngr
a
s
?Zoj
a
,h
oei
sdez
eopt
el
os
s
en
?
Kn
el
pu
n
t
:OSgeh
a
l
t
ei
ndebodem da
a
l
tbi
j
t
eel
tv
a
nv
oeder
gewa
s
s
ena
n
der
sda
n
ma
ï
s
,h
i
er
dooreenl
a
ger
epr
odu
ct
i
v
i
t
ei
t
.Kan
s
en
:v
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
ggr
asenan
der
e
v
oeder
gewa
s
s
en
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:l
a
a
t
s
t
es
t
a
pi
na
n
a
l
y
s
ev
a
nv
r
u
c
h
t
wi
s
s
el
i
n
gs
pr
oef
.
2. Lagear
bei
ds
beh
oef
t
e
Ka
n
s
endoort
ec
h
n
ol
ogi
s
c
h
eon
t
wi
k
k
el
i
n
gen
:n
i
eu
wes
y
s
t
emeni
nr
u
i
mt
eent
i
j
d:
du
bbel
t
eel
t
en
,men
gt
eel
t
enet
c
.Doordet
ec
h
n
ol
ogi
s
c
h
eon
t
wi
k
k
el
i
n
gv
a
ngeoi
n
f
or
ma
t
i
c
aenGPSwor
dth
etz
el
f
smogel
i
j
kr
a
s
s
endoorel
k
a
a
rt
et
el
enens
epa
r
a
a
t
t
eoogs
t
en
.
3. Lagebeh
oef
t
ea
a
n
f
os
s
i
el
ebr
an
ds
t
of
f
en
4. Hogeben
u
t
t
i
n
genl
a
ge
emi
s
s
i
eenaccu
mu
l
a
t
i
e
v
a
nn
u
t
r
i
ën
t
en
,goede
r
et
en
t
i
eenn
al
ev
er
i
n
gv
a
n
n
u
t
r
i
ën
t
en
Kn
el
pu
n
t
:k
or
t
et
er
mi
j
nbemes
t
i
n
gs
pl
a
n
n
enbi
j
ges
pec
i
a
l
i
s
eer
det
eel
t
ena
l
spoot
goed,
l
el
i
es
,t
u
l
penoph
u
u
r
l
a
n
d.Aa
n
dac
h
tv
oorl
a
n
get
er
mi
j
n
bel
a
n
geni
sv
oordeh
u
u
r
der
geenpr
i
or
i
t
ei
t
.Deei
gen
a
r
ens
t
a
a
ns
t
eedsv
a
k
erv
erv
a
ndepr
i
ma
i
r
epr
odu
c
t
i
ea
f
.
Hetl
a
n
get
er
mi
j
nbel
a
n
gv
a
ndu
u
r
z
aa
m bodembeh
eeri
sdaa
r
doorn
i
etmeer
a
f
gedek
t
.
Kn
el
pu
n
t
:v
er
s
c
h
r
a
l
i
n
gt
.
b.
v
.Ni
t
r
a
a
t
r
i
c
h
t
l
i
j
n
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:h
oebeï
n
v
l
oedtdeOSh
u
i
s
h
ou
di
n
g(
k
wa
l
i
t
ei
tenk
wa
n
t
i
t
ei
t
)deben
u
t
t
i
n
gv
a
nn
u
t
r
i
ën
t
en
?
Spa
ga
a
tOSNbeh
eer
:en
er
z
i
j
dsv
er
l
a
a
gtl
ev
er
i
n
gv
a
nNu
i
tbodem deben
u
t
t
i
n
gv
a
n
n
i
eu
wei
n
pu
t
sdoor
da
tt
ot
a
a
l
a
a
n
bodwor
dtv
er
h
oogd,a
n
der
z
i
j
dsga
a
th
oger
eNl
ev
er
i
n
gu
i
tbodem v
eel
a
l
s
a
menmeth
ogeropbr
en
gs
t
pl
a
f
on
d;da
tweers
a
men
ga
a
t
meth
oger
ei
n
t
er
n
eben
u
t
t
i
n
g.Bi
j
eenger
i
n
gev
er
h
ogi
n
gv
anopbr
en
gs
t
pl
af
on
dk
anNgi
f
tenNov
er
s
c
h
oten
or
mv
er
l
aa
gdwor
denbi
j
gel
i
j
k
eopbr
en
gs
t
.Ka
n
s
:on
t
wi
k
k
el
154
BEHEERDOEL
B.VRUCHTWI
SSELI
NG,GROENBEMESTERS,GEWASRESTENBEHEER
met
h
odeom OSh
u
i
s
h
ou
di
n
gz
odan
i
gt
es
t
u
r
endatNl
ev
er
i
n
gl
aagenNben
u
t
t
i
n
g
h
oogbl
i
j
f
t
,t
er
wi
j
l
t
ochh
etpos
i
t
i
efef
f
ectv
anOSoph
aal
bar
eopbr
en
gs
tbeh
ou
den
bl
i
j
f
t
.Opbas
i
sv
ancompos
tent
oet
s
en
.Bel
an
gr
i
j
k
er
ol
v
ooran
al
y
s
ev
an
i
n
t
er
n
at
i
on
al
el
an
get
er
mi
j
ns
t
u
di
es
.
Kn
el
pu
n
t
:bi
j
gr
as
l
an
dv
er
bet
er
i
n
gv
i
n
dengr
ot
ev
er
l
i
ez
enaanNenOSpl
aat
s
.Kan
s
:
n
i
eu
weh
er
i
n
z
aai
met
h
oden
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:i
n
n
ov
at
i
ev
eh
er
i
n
z
aai
ofdoor
z
aai
met
h
oden
di
en
enon
t
wi
k
k
el
dt
ewor
denom dev
er
l
i
ez
ent
ev
oor
k
omen
.
5. Weer
baar
h
ei
d:l
age
beh
oef
t
eaanch
emi
s
ch
e
gewas
bes
ch
er
mi
n
g
(
z
i
ek
t
en
,pl
agen
,
on
k
r
u
i
den
)
Kn
el
pu
n
t
:ch
emi
s
ch
ecor
r
ect
i
ev
i
agr
on
don
t
s
met
t
i
n
gbi
j
ges
peci
al
i
s
eer
det
eel
t
enal
s
poot
goed,l
el
i
es
,t
u
l
penoph
u
u
r
l
an
d.Aan
dach
tv
oorl
an
get
er
mi
j
n
bel
an
geni
sv
oorde
h
u
u
r
dergeenpr
i
or
i
t
ei
t(
z
i
eookpu
n
t4)
.
Kan
s&k
n
el
pu
n
t
:gr
oen
bemes
t
er
sv
er
di
en
ens
peci
al
eaan
dach
t
.Af
h
an
k
el
i
j
kv
an
gr
on
ds
oor
t
,z
i
ek
t
e/
pl
aag/
on
k
r
u
i
ds
i
t
u
at
i
e,ent
eel
t
per
i
odes
pel
enz
eeenpos
i
t
i
ev
eof
n
egat
i
ev
er
ol
i
ndev
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g;di
tz
owel
v
i
ah
u
nef
f
ectopf
y
s
i
s
ch
ech
emi
s
ch
eal
s
bi
ol
ogi
s
ch
eas
pect
eni
ndebodem.Ken
n
i
s
h
i
aat
:l
an
gj
ar
i
geex
per
i
men
t
enmoet
en
l
at
enz
i
enwath
etu
i
t
ei
n
del
i
j
k
et
ot
aal
ef
f
ecti
sopk
wal
i
t
ei
tenopbr
en
gs
tv
ande
h
oof
dgewas
s
en
.Wati
sdeopt
i
mal
ecombi
n
at
i
egu
n
s
t
i
gs
t
eopbr
en
gs
t
k
wal
i
t
ei
t
/
i
n
pu
t
s
r
at
i
ot
eber
ei
k
en
.
Kan
s
:gewas
s
enmets
peci
al
ef
u
n
ct
i
esz
oal
sbi
of
u
mi
gat
i
e,v
an
ggewas
,r
es
i
s
t
en
t
i
es
,
bi
ol
ogi
s
ch
epl
oeg(
c.
q.goedegr
on
ds
t
r
u
ct
u
u
rach
t
er
l
at
en
d)k
u
n
n
eneenbel
an
gr
i
j
k
e
r
ol
s
pel
eni
nh
etopbou
wenv
anweer
bar
es
y
s
t
emen
.
Kn
el
pu
n
t
:r
egel
gev
i
n
g(
gr
oen
bemes
t
er
smaï
s
)r
on
dom n
u
t
r
i
ën
t
eneni
n
z
etv
an
gr
oen
bemes
t
er
sal
sNopv
an
g,con
fl
i
ct
eer
tmeth
etbel
an
gv
anbodemgez
on
dh
ei
d.
Bi
j
i
n
t
r
odu
ct
i
ev
ann
i
eu
wegewas
s
en
/
gr
oen
bemes
t
er
sz
oubi
j
v
oor
baath
u
ns
t
at
u
s
v
oordev
er
meer
der
i
n
gv
andebel
an
gr
i
j
k
s
t
ez
i
ek
t
en
,pl
agenenon
k
r
u
i
denbek
en
d
moet
enz
i
j
n
.Nuwor
dtdooreen‘
bl
i
n
de’
i
n
t
r
odu
ct
i
egr
ootr
i
s
i
cogen
omen
.
Tegen
v
al
l
er
si
ndepr
ak
t
i
j
ks
t
aanv
er
v
ol
gen
sv
er
der
ei
n
t
r
odu
ct
i
ei
ndeweg.
Voor
beel
d:h
en
n
epi
ndeVeen
k
ol
on
i
ënbeï
n
v
l
oedtaar
dappel
opbr
en
gs
t
enz
eer
n
egat
i
efv
i
ades
t
er
k
eopbou
wv
anwor
t
el
l
es
i
eaal
t
j
es
.
6. Hoogv
er
mogent
ot
af
br
aakv
an
v
er
on
t
r
ei
n
i
gi
n
gen
OSh
u
i
s
h
ou
di
n
gv
er
h
oogtr
obu
u
s
t
h
ei
dv
i
av
och
t
h
ou
den
dv
er
mogenenv
er
bet
er
de
7. Goedewat
er
r
egu
l
er
i
n
g
i
n
t
er
n
edr
ai
n
age.
(
i
n
fi
l
t
r
a
t
i
e,i
n
t
er
n
e
dr
ai
n
age,v
och
t
n
al
ev
er
i
n
g)
enl
agebeh
oef
t
eaan
ber
egen
i
n
g
8. Ru
i
met
i
j
dv
en
s
t
er
sv
oor
wer
k
z
aamh
eden
(
dr
a
a
gk
r
a
ch
t
,
bewer
k
ba
a
r
h
ei
d)
9. Bi
j
dr
agea
a
nmi
t
i
gat
i
e
Kn
el
pu
n
t
:doorgr
as
l
an
dv
er
bet
er
i
n
gdaal
tdeops
l
agv
anCon
dergr
as
l
an
d.Kan
s
:
BIJLAGEN
155
BEHEERDOEL
br
oei
k
as
gas
s
en(
l
age
emi
s
s
i
esCO2,met
h
aan
enl
ach
gas
,ops
l
agv
anC
i
nor
gan
i
s
ch
es
t
of
)
B.VRUCHTWI
SSELI
NG,GROENBEMESTERS,GEWASRESTENBEHEER
n
i
eu
weh
er
i
n
z
aai
en
/
ofdoor
z
aai
met
h
oden
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:i
n
n
ov
at
i
ev
eh
er
i
n
z
aai
of
door
z
aai
met
h
odendi
en
enon
t
wi
k
k
el
dt
ewor
denom dev
er
l
i
ez
enaanCt
e
v
oor
k
omen
.
Kan
s
:gr
oen
bemes
t
er
s
,or
gan
i
s
ch
es
t
of
,bemes
t
i
n
gk
u
n
n
enwor
deni
n
gez
etom wi
n
d10.Geendegr
adat
i
edoor
enwat
er
er
os
i
et
ev
er
mi
j
den
.St
r
at
egi
eënmoet
enwor
denon
t
wi
k
k
el
d.
gr
on
dv
er
l
i
es(
wi
n
den
wat
er
er
os
i
e)
,ofv
er
z
i
l
t
i
n
g,
ofbes
met
t
i
n
gmet
(
qu
a
r
a
n
t
a
i
n
e)
z
i
ek
t
en
an
s
:ov
er
wi
n
t
er
i
n
gv
angr
aan
s
t
oppel
sv
oorak
k
er
v
ogel
seni
n
s
ect
en
.
11.Ru
i
mt
ev
oorbi
odi
v
er
s
i
t
ei
t
: Kk
bov
en
gr
on
ds
een
on
der
gr
on
ds
e–óókn
i
et
f
u
n
ct
i
on
el
e–doorv
oeds
el
enh
abi
t
att
ev
er
s
ch
af
f
en
12.Bes
ch
er
mi
n
gv
an
cu
l
t
u
u
r
h
i
s
t
or
i
s
ch
pat
r
i
mon
i
u
m
(
bodema
r
c
h
i
ef
,el
emen
t
en
cu
l
t
u
u
r
l
an
ds
ch
ap)
13.Sl
u
i
t
env
ank
r
i
n
gl
open
14.Beh
ou
dv
anpot
en
t
i
ël
e
bodemf
u
n
ct
i
es
,metn
ame
bi
ot
i
s
ch
e(
v
oor
k
ómenv
an
i
r
r
ev
er
s
i
bel
f
u
n
ct
i
ev
er
l
i
es
)
156
Kan
s
:i
ngebi
edenwaarn
at
u
u
renl
an
dbou
wv
er
wev
env
oor
k
omeni
sh
etmogel
i
j
k
per
cel
enwi
s
s
el
en
di
nt
ez
et
t
env
oorl
an
dbou
wenn
at
u
u
r
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:cr
i
t
er
i
av
oor
beh
eereni
n
di
cat
or
env
oorh
etv
as
t
s
t
el
l
env
andeges
ch
i
k
t
h
ei
dv
anper
cel
env
oordi
t
doel
moet
enwor
denon
t
wi
k
k
el
d.
BEHEERDOEL
C.GRONDBEWERKI
NG,BELASTI
NG,BERI
J
DI
NG,OOGSTWERKZEKERHEI
D
1. Hogepr
odu
c
t
i
v
i
t
ei
tper
Kan
s
env
oorv
er
bet
er
i
n
gv
andepr
odu
ct
i
v
i
t
ei
tenpr
odu
ct
k
wal
i
t
ei
ti
ndeak
k
er
bou
wen
h
a
,h
ogepr
odu
ct
k
wa
l
i
t
ei
t v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
et
eel
topk
l
ei
,z
an
denl
ös
s
gr
on
denz
i
j
nerv
oor
al
door
bodemv
r
i
en
del
i
j
kber
i
j
den(
l
a
gedr
u
k
ber
i
j
di
n
gofv
as
t
er
i
j
paden
)
.Mi
n
deri
n
t
en
s
i
efgr
on
d
bewer
k
enl
ei
dti
nh
eta
l
gemeenn
i
ett
otopbr
en
gs
t
v
er
h
ogi
n
gen
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:de
du
u
r
z
a
a
mh
ei
ds
ef
f
ec
t
env
a
nv
er
s
ch
i
l
l
en
des
y
s
t
emenv
oorgr
on
dbewer
k
i
n
genber
i
j
di
n
g
z
i
j
non
v
ol
doen
debek
en
don
derNeder
l
an
ds
eoms
t
an
di
gh
eden
.Kn
el
pu
n
tr
ooi
v
r
u
ch
t
en
:
mogel
i
j
kt
oegen
omenbeh
oef
t
ec
h
emi
s
ch
eon
k
r
u
i
dbes
t
r
i
j
di
n
g.
Kn
el
pu
n
t
:opv
een
gr
on
dwor
dtdegr
as
z
odebes
ch
adi
gddoorv
er
t
r
appi
n
gdoor
wei
den
dv
eeendoorber
i
j
di
n
gmetz
war
emach
i
n
esi
nh
etv
oor
j
aar
;degr
as
opbr
en
gs
t
i
sdaar
om l
agerdanmogel
i
j
k
.Kan
s
:fl
ex
i
bel
pei
l
beh
eer
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:r
i
ch
t
l
i
j
n
enom
di
topj
u
i
s
t
ema
n
i
eri
ndepr
a
k
t
i
j
kt
ebr
en
gen
.
Kn
el
pu
n
t
:opk
l
ei
gr
on
dwor
dtdegr
as
z
odeenbodems
t
r
u
ct
u
u
rv
oor
al
bes
ch
adi
gd
doorv
er
t
r
a
ppi
n
gdoorwei
den
dv
ee.Kan
s
:aan
gepas
tbewei
di
n
gs
y
s
t
eem.
Ken
n
i
s
h
i
aat
:f
u
n
damen
t
el
ek
en
n
i
sv
anaan
gepas
tbewei
di
n
gs
y
s
t
eem.
2. L
a
gea
r
bei
ds
beh
oef
t
e
Dear
bei
ds
beh
oef
t
ev
oorh
ett
ot
al
epak
k
etgr
on
dbewer
k
i
n
geni
ndeak
k
er
bou
wen
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
et
eel
ti
sr
el
a
t
i
efh
oogbi
j
h
etcon
v
en
t
i
on
el
epl
oegs
y
s
t
eem.Kan
s
en
v
oorv
er
l
a
gi
n
gv
a
ndea
r
bei
ds
beh
oef
t
ez
i
j
nerdoormi
n
deri
n
t
en
s
i
eft
egaanbewer
k
en
(
o.
a.mi
n
i
mal
egr
on
dbewer
k
i
n
g)endoorbewer
k
i
n
gent
ecombi
n
er
en
.I
ndi
tv
er
ban
di
s
h
etmogel
i
j
kn
oodz
a
k
el
i
j
kom decy
cl
u
sv
anv
er
di
ch
t
en(
doorber
i
j
den
)enl
os
mak
en
(
doorgr
on
dbewer
k
i
n
g)t
edoor
br
ek
en
.
3. L
a
gebeh
oef
t
ea
an
f
os
s
i
el
ebr
a
n
ds
t
of
f
en
Degr
on
dbewer
k
i
n
gs
s
y
s
t
emendi
eon
der
s
ch
ei
denk
u
n
n
enwor
denv
er
s
ch
i
l
l
en
a
a
n
z
i
en
l
i
j
ki
nen
er
gi
ebeh
oef
t
e.Kan
s
env
oorv
er
mi
n
der
i
n
gi
nen
er
gi
egebr
u
i
kper
h
ec
t
a
r
el
openon
gev
eerpa
r
a
l
l
el
aandi
ebi
j
ar
bei
ds
beh
oef
t
e.Omdath
et
en
er
gi
egebr
u
i
kpereen
h
ei
dpr
odu
ctmees
t
al
maat
gev
en
di
sv
oordedu
u
r
z
aamh
ei
d
moeth
etef
f
ec
tv
a
ndes
y
s
t
emenopdegewas
opbr
en
gs
ti
ndebeoor
del
i
n
g
meegen
omenwor
den
,ev
en
a
l
sdeh
oev
eel
h
ei
den
er
gi
edi
ei
n
di
r
ectv
er
br
u
i
k
twor
dtv
i
a
i
n
pu
t
s
.
4. Hogeben
u
t
t
i
n
genl
age
emi
s
s
i
eena
c
c
u
mu
l
at
i
e
v
a
nn
u
t
r
i
ën
t
en
,goede
r
et
en
t
i
eenn
a
l
ev
er
i
n
gv
a
n
n
u
t
r
i
ën
t
en
Kan
s
:i
ngr
on
dbewer
k
i
n
genber
i
j
di
n
gs
s
y
s
t
emendi
eeenbet
er
ebodems
t
r
u
ct
u
u
r
gev
env
er
bet
er
tookden
u
t
r
i
ën
t
en
ef
fi
ci
ën
t
i
ev
i
abet
er
eopn
amedoorh
etgewaseni
n
z
ek
er
ema
t
eookdoorv
er
mi
n
der
i
n
gv
anemi
s
s
i
esn
aardeat
mos
f
eer
.Toepas
s
i
n
gv
an
gr
oen
bemes
t
er
senv
an
ggewas
s
eni
ndes
y
s
t
emenk
u
n
n
endei
n
pu
tv
ann
u
t
r
i
ën
t
en
v
er
dert
er
u
gdr
i
n
gen
.Va
n
u
i
tbu
i
t
en
l
an
dwor
dtbi
j
s
y
s
t
emenmetmi
n
deri
n
t
en
s
i
ev
e
gr
on
dbewer
k
i
n
gi
ncombi
n
at
i
emetgr
oen
bemes
t
er
sopt
er
mi
j
neenh
oger
e
n
u
t
r
i
ën
t
en
ef
fi
c
i
en
c
ygemel
d.Deeer
s
t
ej
ar
enk
anden
u
t
r
i
ën
t
en
beh
oef
t
eech
t
erwat
h
ogerz
i
j
n
.
Kan
s
:deben
u
t
t
i
n
gv
ann
u
t
r
i
ën
t
enu
i
tdi
er
l
i
j
k
emes
ti
saan
z
i
en
l
i
j
kbet
ern
udez
ei
nh
et
v
oor
j
a
a
ri
npl
a
a
t
sv
a
ni
nh
etn
a
j
aarwor
dtt
oegedi
en
d,omdatu
i
t
s
poel
i
n
gv
anN
v
er
medenwor
dt
.Om n
ega
t
i
ev
eef
f
ect
enopdebodems
t
r
u
ct
u
u
r(
endegev
ol
gen
da
a
r
v
a
n
)doorber
i
j
di
n
gmetz
war
eappar
at
u
u
ri
nh
etv
oor
j
aart
ev
oor
k
omeni
s
t
oepas
s
i
n
gv
anl
agedr
u
k
mach
i
n
esk
an
s
r
i
j
k
.
5. Weer
ba
a
r
h
ei
d:l
a
ge
beh
oef
t
ea
anch
emi
s
c
h
e
gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
g
(
z
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,
on
k
r
u
i
den
)
Wi
j
z
i
gi
n
geni
ngr
on
dbewer
k
i
n
g,al
dann
i
etk
er
en
d,h
ebbengev
ol
genv
oorde
wor
t
el
gr
oei
endeon
t
wi
k
k
el
i
n
gv
angewas
s
en
,demat
ev
anv
er
s
t
or
i
n
gv
anh
et
bodeml
ev
enendea
f
h
a
n
k
el
i
j
k
h
ei
dv
anch
emi
s
ch
eon
k
r
u
i
dbes
t
r
i
j
di
n
g.Dez
e
v
er
a
n
der
i
n
genwi
j
z
i
gendegev
oel
i
gh
ei
dv
oorbodemz
i
ek
t
en
,pl
agenenon
k
r
u
i
den
.De
v
r
a
a
gi
sh
oedi
tu
i
t
pa
k
t
.On
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
gz
on
derch
emi
s
ch
emi
ddel
enbl
i
j
k
tbi
j
s
ommi
ges
y
s
t
emeneenk
n
el
pu
n
tt
ek
u
n
n
enz
i
j
n
.
BIJLAGEN
157
BEHEERDOEL
C.GRONDBEWERKI
NG,BELASTI
NG,BERI
J
DI
NG,OOGSTWERKZEKERHEI
D
Kan
s
:dev
er
on
der
s
t
el
l
i
n
gi
sdatn
i
et
k
er
en
degr
on
dbewer
k
i
n
gt
oteens
t
abi
el
er
bodems
y
s
t
eem l
ei
dtwaar
doors
ch
adegev
oel
i
gh
ei
daf
n
eemt
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:on
der
wel
k
ev
oor
waar
deni
sdi
tdaadwer
k
el
i
j
kh
etgev
al
.Dei
n
t
er
act
i
emetbodems
t
r
u
ct
u
u
r
,
bes
ch
i
k
baar
h
ei
denu
i
t
s
poel
i
n
gv
ann
u
t
r
i
ën
t
enmoetwor
denon
t
r
af
el
dom ger
i
ch
tt
e
k
u
n
n
ens
t
u
r
en
.
6. Hoogv
er
mogent
ot
af
br
aakv
an
v
er
on
t
r
ei
n
i
gi
n
gen
Kan
s
:gr
on
dbewer
k
i
n
gs
enber
i
j
di
n
gs
s
y
s
t
emenh
ebbenv
eel
i
n
v
l
oedopde
7. Goedewat
er
r
egu
l
er
i
n
g
(
i
n
fi
l
t
r
a
t
i
e,i
n
t
er
n
e
wat
er
r
egu
l
er
i
n
g.Bet
er
ei
n
fi
l
t
r
at
i
eenv
er
mi
n
der
deaf
s
poel
i
n
gwor
denger
appor
t
eer
d
dr
ai
n
age,v
och
t
n
al
ev
er
i
n
g) v
oors
y
s
t
emenmetn
i
et
k
er
en
deofmi
n
i
mal
egr
on
dbewer
k
i
n
g.Ken
n
i
s
h
i
aat
:n
og
enl
agebeh
oef
t
eaan
on
v
ol
doen
dei
n
z
i
ch
th
oedi
topdev
er
s
ch
i
l
l
en
degr
on
ds
oor
t
enu
i
t
pak
tv
oor
ber
egen
i
n
g
v
er
s
ch
i
l
l
en
dev
er
mi
n
der
den
/
ofn
i
et
k
er
en
degr
on
dbewer
k
i
n
gs
s
y
s
t
emen
.Dev
r
aagi
s
ofh
etbi
j
deh
u
i
di
gebodembel
a
s
t
i
n
gdoorz
war
emach
i
n
esmogel
i
j
ki
som een
s
t
abi
el
ebodems
t
r
u
ct
u
u
rmetv
ol
doen
depor
i
ënopt
ebou
wenz
on
derr
egel
mat
i
g(
n
i
et
k
er
en
d)l
os
mak
env
andebodem.Opz
an
denl
ös
s
gr
on
denl
i
j
k
tdi
tn
i
etgoedmogel
i
j
k
.
Om r
egel
mat
i
gl
os
mak
ent
ev
oor
k
omen(
al
l
eenmi
n
i
maal
bewer
k
en
)i
sdecombi
n
at
i
e
v
anl
aagbel
as
t
env
andegr
on
d(
l
agedr
u
k
,v
as
t
er
i
j
paden
)enmi
n
i
mal
e
gr
on
dbewer
k
i
n
geenk
an
s
.
8. Ru
i
met
i
j
dv
en
s
t
er
sv
oor
wer
k
z
aamh
eden
(
dr
a
a
gk
r
a
c
h
t
,
bewer
k
baar
h
ei
d)
Demogel
i
j
k
h
edenv
oorber
i
j
di
n
genbewer
k
i
n
gv
andegr
on
dz
on
derbeder
fv
ande
bodems
t
r
u
ct
u
u
rwor
denbepaal
ddoorgr
on
ds
oor
t
,deon
t
wat
er
i
n
gv
andegr
on
d
(
v
och
t
pr
ofi
el
)endebodems
t
r
u
ct
u
u
r(
s
t
abi
el
ofn
i
et
)Gegev
eneenbepaal
dpei
l
beh
eer
z
i
j
nerk
an
s
env
oorv
er
bet
er
i
n
gv
andet
i
j
dv
en
s
t
er
sdoort
oepas
s
i
n
gv
an
l
agedr
u
k
ber
i
j
di
n
genv
as
t
er
i
j
padenenookdoorgr
on
dbewer
k
i
n
gs
s
y
s
t
emenmet
r
el
at
i
efs
t
abi
el
egr
on
d(
n
i
et
k
er
en
deofmi
n
i
mal
ebewer
k
i
n
g)
.
9. Bi
j
dr
ageaanmi
t
i
gat
i
e
br
oei
k
as
gas
s
en(
l
age
emi
s
s
i
esCO2,
met
h
aanen
l
ach
gas
,ops
l
agv
anCi
n
or
gan
i
s
ch
es
t
of
)
Gr
on
dbewer
k
i
n
genber
i
j
di
n
gh
ebbendi
r
ectef
f
ectopmi
t
i
gat
i
ev
i
ah
eten
er
gi
ev
er
br
u
i
k
v
oordebewer
k
i
n
gen(
z
i
epu
n
t3)endebodems
t
r
u
ct
u
u
r
.Sl
eu
t
el
v
oorz
ogu
n
s
t
i
g
mogel
i
j
k
eomz
et
t
i
n
gen
/
af
br
aakv
anor
gan
i
s
chmat
er
i
aal
enopn
amev
anNl
i
j
k
tt
ez
i
j
n
eenz
u
u
r
s
t
of
r
i
j
k
eomgev
i
n
gi
ndebodem t
erpl
aat
s
ev
andeomz
et
t
i
n
gen
,waar
v
oor
eenpor
eu
z
es
t
r
u
ct
u
u
rengoedeon
t
wat
er
i
n
gn
odi
gi
s
,on
geach
th
ett
y
pe
gr
on
dbewer
k
i
n
g(
con
v
en
t
i
on
eel
,n
i
et
k
er
en
dofmi
n
i
maal
)
.Kan
s
:v
oor
k
omenv
an
bodemv
er
di
ch
t
i
n
g.
10.Geendegr
adat
i
edoor
gr
on
dv
er
l
i
es
(
wi
n
denwa
t
er
er
os
i
e)
,
v
er
z
i
l
t
i
n
gofbes
met
t
i
n
g
met(
qu
ar
an
t
ai
n
e)
z
i
ek
t
en
Kan
s
:n
i
et
k
er
en
deen
/
ofv
er
mi
n
der
degr
on
dbewer
k
i
n
gv
oor
k
omter
os
i
e.I
nLi
mbu
r
g
wor
dtdi
tv
er
pl
i
ch
tges
t
el
d.Kn
el
pu
n
t
enz
i
j
n
:1)t
oepas
s
i
n
gv
ann
i
et
k
er
en
de
gr
on
dbewer
k
i
n
gi
nr
u
ggen
t
eel
t
enent
eel
tv
anfi
j
n
z
adi
gegewas
s
enopz
war
e
l
ös
s
gr
on
den2)r
el
at
i
efh
ogei
n
z
etv
angl
y
f
os
aatenh
er
bi
ci
den
r
es
i
s
t
en
t
i
e.Eenk
an
si
s
det
oepas
s
i
n
gv
andr
empel
st
u
s
s
enaar
dappel
enpeen
r
u
ggen
.
11.Ru
i
mt
ev
oorbi
odi
v
er
s
i
t
ei
t
: Kan
s
:doorder
u
i
mer
emogel
i
j
k
h
edenv
oorgr
oen
bemes
t
er
sendebet
er
ek
an
s
en
bov
en
gr
on
ds
een
v
ooro.
a.r
egen
wor
meni
ns
y
s
t
emenmetn
i
et
k
er
en
deofmi
n
i
mal
egr
on
dbewer
k
i
n
g
on
der
gr
on
ds
e–óókn
i
et
- wor
dtdeon
der
gr
on
ds
eenbov
en
gr
on
ds
ebi
odi
v
er
s
i
t
ei
tbev
or
der
d.
f
u
n
ct
i
on
el
e–doorv
oeds
el
enh
abi
t
att
ev
er
s
ch
af
f
en
12.Bes
ch
er
mi
n
gv
an
cu
l
t
u
u
r
h
i
s
t
or
i
s
ch
158
BEHEERDOEL
C.GRONDBEWERKI
NG,BELASTI
NG,BERI
J
DI
NG,OOGSTWERKZEKERHEI
D
pat
r
i
mon
i
u
m
(
bodema
r
ch
i
ef
,el
emen
t
en
cu
l
t
u
u
r
l
an
ds
ch
ap)
13.Sl
u
i
t
env
ank
r
i
n
gl
open
Demogel
i
j
k
h
edenv
oorben
u
t
t
i
n
gv
andi
er
l
i
j
k
emes
ti
ndeak
k
er
bou
wen
v
ol
l
egr
on
ds
gr
oen
t
et
eel
topk
l
ei
gr
on
denwor
dendoordepr
ak
t
i
j
kmi
n
deri
n
ges
ch
at
s
i
n
dsdet
oedi
en
i
n
gi
nh
etv
oor
j
aarmoetgebeu
r
en
.Erz
i
j
nech
t
ergoedek
an
s
enom
demat
ev
anben
u
t
t
i
n
gt
eh
an
dh
av
enz
on
ders
t
r
u
ct
u
u
r
s
ch
adedoort
oepas
s
i
n
gv
an
l
agedr
u
kt
oedi
en
i
n
gs
appar
at
u
u
r
.
14.Beh
ou
dv
anpot
en
t
i
ël
e
bodemf
u
n
ct
i
es
,metn
ame
bi
ot
i
s
ch
e(
v
oor
k
ómenv
an
i
r
r
ev
er
s
i
bel
f
u
n
ct
i
ev
er
l
i
es
)
BIJLAGEN
159
BEHEERDOEL
D.BEMESTEN,BEKALKEN,AANVOERGRONDVERBETERAARS
ek
en
i
sv
anr
es
i
du
env
andi
er
gen
ees
mi
ddel
en(
metn
amean
t
i
bi
ot
i
ca)i
n
1. Hogepr
odu
c
t
i
v
i
t
ei
tper
Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:bet
er
l
i
j
k
emes
tv
h
a,h
ogepr
odu
ct
k
wa
l
i
t
ei
t dedi
oorbodem,bodeml
ev
enenpr
odu
c
t
i
v
i
t
ei
ti
sn
i
etdu
i
del
i
j
k
.Ka
n
s
:
dez
eef
f
ect
endu
i
del
i
j
kk
r
i
j
genener
n
aarh
an
del
en
.
Ken
n
i
s
v
r
a
a
g:h
oes
t
er
kbeï
n
v
l
oedtdeor
gan
i
s
ch
es
t
of
h
u
i
s
h
ou
di
n
g(
OSh
u
i
s
h
ou
di
n
g)de
h
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
t
?St
a
t
i
s
t
i
s
c
hbl
i
j
k
th
oger
eNl
ev
er
i
n
gu
i
tdebodem (
di
en
au
waan
or
gan
i
s
ch
es
t
ofi
sv
er
bon
den
)i
naan
t
al
gewas
s
ens
ament
egaanmeth
oger
e
h
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
t(
da
t
a
ba
s
eNr
es
pon
s
pr
oev
en
)
.Kan
s
:on
t
wi
k
k
el
met
h
odeom OSh
u
i
s
h
ou
di
n
gz
oda
n
i
gt
es
t
u
r
endatNl
ev
er
i
n
gl
aagenNben
u
t
t
i
n
gh
oogbl
i
j
f
t
,t
er
wi
j
l
t
oc
hh
etpos
i
t
i
efef
f
ec
tv
a
nOSoph
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
tbeh
ou
denbl
i
j
f
t
.
Kn
el
pu
n
t
:degewa
s
s
ena
ppel
enwaar
s
ch
i
j
n
l
i
j
kookpeerh
ebbeneenh
oger
e
f
os
f
aat
beh
oef
t
edant
otn
uwer
da
a
n
gen
omen
.Pr
odu
c
t
i
eenbewa
a
r
du
u
r
(
pr
odu
ct
k
wal
i
t
ei
t
)z
i
j
nmedeaf
h
a
n
k
el
i
j
kv
a
nf
os
f
a
a
t
.
2. L
a
gea
r
bei
ds
beh
oef
t
e
3. L
a
gebeh
oef
t
ea
an
f
os
s
i
el
ebr
a
n
ds
t
of
f
en
4. Hogeben
u
t
t
i
n
genl
a
ge
emi
s
s
i
eena
c
c
u
mu
l
at
i
e
v
ann
u
t
r
i
ën
t
en
,goede
r
et
en
t
i
eenn
a
l
ev
er
i
n
gv
an
n
u
t
r
i
ën
t
en
Kn
el
pu
n
t
:i
n
ef
fi
c
i
ën
tgebr
u
i
kv
a
nn
u
t
r
i
ën
t
en
,emi
s
s
i
esn
aarl
u
ch
tengr
on
dwat
er
.Kan
s
:
(
1)pr
eci
s
i
el
an
dbou
w,ef
fi
ci
ën
tgebr
u
i
kv
a
nmes
t
s
t
of
f
en
/
n
u
t
r
i
ën
t
en
.(
2)
per
ceel
s
pas
poor
t
:geoi
n
f
oov
eropbr
en
gs
t
,OS,n
al
ev
er
en
dv
er
mogen
,
pen
et
r
oweer
s
t
an
d,z
i
ek
t
edr
u
k
,t
ex
t
u
u
renbeh
eer
s
ges
ch
i
eden
i
s(
v
r
u
ch
t
wi
s
s
el
i
n
g,
i
n
pu
t
s
,beh
a
a
l
deopbr
en
gs
t
en
)
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:opt
i
ma
l
et
i
mi
n
g,v
or
m,dos
er
i
n
go.
a
.
doorpr
eci
s
i
et
ech
n
i
ek
en(
gewas
s
en
s
i
n
g)eni
n
f
oi
nper
ceel
s
pas
poor
ten
r
i
j
en
bemes
t
i
n
gmetdi
er
l
i
j
k
emes
ti
nma
ï
s
.Kwa
n
t
i
fi
c
er
enNl
ev
er
i
n
gbodem.
Oppei
l
h
ou
denv
a
nOSgeh
al
t
e/
bodemv
r
u
c
h
t
ba
a
r
h
ei
ddr
a
a
gtbi
j
a
a
n
n
u
t
r
i
ën
t
en
beh
oef
t
eena
a
n‘
br
ede’
bodemweer
baar
h
ei
deni
sdaar
doorbel
an
gr
i
j
kv
oor
eengr
ootaan
t
al
bodemk
wal
i
t
ei
t
en
.
Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:oph
etl
a
n
get
er
mi
j
ngedr
agv
anor
gan
i
s
ch
es
t
of
:wati
sdek
wal
i
t
ei
tv
an
OSt
oev
oeru
i
tv
er
s
ch
i
l
l
en
demes
t
br
on
n
en
,h
oegedr
a
a
gtdez
ez
i
c
hopdel
a
n
ge
t
er
mi
j
nenwa
ti
sdebi
j
dr
a
gedu
sa
a
ndebes
c
h
r
ev
ent
h
ema
’
s
?
Kn
el
pu
n
t
:def
os
f
a
a
t
gebr
u
i
k
s
n
or
m gaatoml
aag.Kan
s
:(
bet
er
e)ben
u
t
t
i
n
gv
ander
ol
v
anmy
cor
r
h
i
z
a’
sbi
j
deopn
amev
a
nh
etbodemf
os
f
a
a
t
.My
c
or
r
h
i
z
a
beh
eeri
sookv
a
n
bel
an
gbi
j
h
etopl
os
s
env
ann
i
et
s
peci
fi
ek
eh
er
i
n
pl
an
tz
i
ek
t
ebi
j
f
r
u
i
t
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:h
et
i
st
otn
ut
oen
i
etgel
u
k
tom eenbodembeh
eert
eon
t
wi
k
k
el
enda
tgeba
s
eer
di
sopeen
an
al
y
s
ev
andemat
ev
anaan
wez
i
gh
ei
dv
a
nmy
c
or
r
h
i
z
a
’
sdi
ev
oordef
os
f
a
a
t
opn
a
me
doorappel
enpeerr
el
ev
an
tz
i
j
nendataan
geef
th
oer
el
ev
an
t
emy
cor
r
h
i
z
a’
s
ges
t
i
mu
l
eer
dofa
a
nh
etf
r
u
i
t
t
eel
t
s
y
s
t
eem t
oegev
oegdk
u
n
n
enwor
denl
ei
den
dt
oteen
h
oger
ef
os
f
a
a
t
opn
a
me.Eenbel
an
gr
i
j
k
eh
y
pot
h
es
ei
ndi
tv
er
ban
di
sdatdeev
en
t
u
el
e
af
wez
i
gh
ei
dofgebr
ekaanwer
k
z
a
a
mh
ei
dv
a
nder
el
ev
a
n
t
emy
c
or
r
h
i
z
a
’
sv
er
oor
z
a
a
k
t
wor
dtdoors
y
s
t
eembel
emmer
i
n
gendoorh
etgebr
u
i
kv
a
nc
h
emi
s
c
h
emi
ddel
enen
k
u
n
s
t
mes
t
.I
ndes
y
s
t
eemon
t
wi
k
k
el
i
n
gwor
dendez
ebel
emmer
i
n
genweggen
omen
dooral
t
er
n
at
i
ev
enaant
ewi
j
z
enoft
eon
t
wi
k
k
el
en
.
Ka
n
sr
odebes
s
en
s
ec
t
or
:Doori
n
t
egr
at
i
ev
anh
etbeh
eerv
andebodembi
ol
ogi
ei
nh
et
160
BEHEERDOEL
D.BEMESTEN,BEKAL
KEN,AANVOERGRONDVERBETERAARS
bodembeh
eerv
er
wa
c
h
tmenda
topn
a
mev
a
nh
oof
dens
por
en
el
emen
t
env
er
bet
er
en
z
on
derdei
n
pu
tt
ev
er
h
ogenendez
i
ek
t
eweer
ba
a
r
h
ei
d(
bov
en
enon
der
gr
on
ds
)v
a
n
depl
a
n
tt
oen
eemt
.Ov
er
ga
n
gv
a
n100%k
u
n
s
t
mes
tn
a
a
reenc
ombi
n
a
t
i
ev
a
nOSa
a
n
v
oerenk
u
n
s
t
mes
tma
a
k
th
i
eron
der
deel
v
a
n
.
Kn
el
pu
n
t
:v
er
s
c
h
r
a
l
i
n
gt
.
b.
v
.Ni
t
r
a
a
t
r
i
c
h
t
l
i
j
n
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:h
oebeï
n
v
l
oedtOSh
u
i
s
h
ou
di
n
gdeben
u
t
t
i
n
gv
a
nn
u
t
r
i
ën
t
en
?Spa
ga
a
tOSNbeh
eer
:en
er
z
i
j
dsv
er
l
a
a
gt
l
ev
er
i
n
gv
a
nNu
i
tbodem deben
u
t
t
i
n
gv
a
nn
i
eu
wei
n
pu
t
sdoor
da
tt
ot
a
a
l
a
a
n
bodwor
dt
v
er
h
oogd,a
n
der
z
i
j
dsga
ath
oger
eNl
ev
er
i
n
gu
i
tbodem v
eel
a
l
s
a
menmeth
oger
opbr
en
gs
t
pl
a
f
on
d,da
tweers
a
men
ga
a
tmeth
oger
ei
n
t
er
n
eben
u
t
t
i
n
g.Bi
j
eenger
i
n
ge
v
er
h
ogi
n
gv
a
nopbr
en
gs
t
pl
a
f
on
dk
a
nNgi
f
tenNov
er
s
c
h
ots
t
er
kv
er
l
a
a
gdwor
denbi
j
gel
i
j
k
eopbr
en
gs
t
.
Ka
n
s
:on
t
wi
k
k
el
met
h
odeom OSh
u
i
s
h
ou
di
n
gz
oda
n
i
gt
es
t
u
r
enda
tNl
ev
er
i
n
gl
a
a
gen
Nben
u
t
t
i
n
gh
oogbl
i
j
f
t
,t
er
wi
j
l
t
oc
hh
etpos
i
t
i
efef
f
ec
tv
a
nOSoph
a
a
l
ba
r
eopbr
en
gs
t
beh
ou
denbl
i
j
f
t
.Opba
s
i
sv
a
nc
ompos
t
.Toet
s
en
.Bel
a
n
gr
i
j
k
er
ol
v
oora
n
a
l
y
s
ev
a
n
i
n
t
er
n
a
t
i
on
a
l
el
a
n
get
er
mi
j
ns
t
u
di
es
.
5. Weer
ba
a
r
h
ei
d:l
a
ge
beh
oef
t
eaa
nc
h
emi
s
c
h
e
gewa
s
bes
ch
er
mi
n
g
(
z
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,
on
k
r
u
i
den
)
Ka
n
s
:bemes
t
i
n
gv
i
aor
ga
n
i
s
c
h
eofmi
n
er
a
l
et
oedi
en
i
n
gbeï
n
v
l
oedtdebodemf
a
u
n
aen
fl
or
a
.k
en
n
i
s
h
i
a
a
t
:h
oek
a
nbemes
t
i
n
gbi
j
dr
a
gena
a
neens
t
a
bi
el
ec
os
y
s
t
eem?
Compos
tenor
ga
n
i
s
c
h
es
t
ofz
i
j
nz
eerbepa
l
en
d.Erz
i
j
nv
oor
beel
denv
a
npos
i
t
i
ev
een
n
ega
t
i
ev
eef
f
ec
t
env
oor
.Tel
er
sh
ebbendu
i
del
i
j
k
h
ei
dn
odi
gh
oeeenOSbeh
eeropt
e
z
et
t
enda
tdebodemweer
ba
a
r
h
ei
don
der
s
t
eu
n
t
.
Ka
n
s
:dek
u
n
s
t
mes
t
i
n
pu
tv
a
nf
os
f
a
a
tmoetn
a
a
rben
edenom r
u
i
mt
et
ema
k
env
oor
a
a
n
v
oerv
a
nor
ga
n
i
s
c
h
es
t
ofom h
etbodeml
ev
ent
ev
oedenz
oda
tde
bodembi
odi
v
er
s
i
t
ei
tt
oen
eemteni
edergev
a
l
der
egen
wor
mengoedgedi
j
enen
oor
wor
mengoedov
er
l
ev
en
.Regen
wor
menz
i
j
nbel
a
n
gr
i
j
kv
oordebodems
t
r
u
c
t
u
u
ren
v
oordez
i
ek
t
ebes
t
r
i
j
di
n
g(
v
i
abl
a
dv
er
t
er
i
n
g)
.Oor
wor
menz
i
j
nbel
a
n
gr
i
j
kbi
j
de
pl
a
a
gbes
t
r
i
j
di
n
g.
Debodems
t
r
u
c
t
u
u
rv
er
bet
er
enenz
odoen
deh
etwa
t
er
a
f
v
oer
en
dv
er
mogent
e
v
er
h
ogen(
v
oor
a
l
n
odi
gbi
j
pi
ek
a
a
n
v
oerv
i
an
eer
s
l
a
g)enz
odev
i
t
a
l
i
t
ei
ten
z
i
ek
t
eweer
ba
a
r
h
ei
dv
a
nf
r
u
i
t
boment
ev
er
h
ogen
.
6. Hoogv
er
mogent
ot
a
f
br
a
a
kv
a
n
v
er
on
t
r
ei
n
i
gi
n
gen
Ka
n
s
:OSh
u
i
s
h
ou
di
n
gv
er
h
oogtr
obu
u
s
t
h
ei
dv
i
av
oc
h
t
h
ou
den
dv
er
mogenen
7. Goedewat
er
r
egu
l
er
i
n
g
v
er
bet
er
dei
n
t
er
n
edr
a
i
n
age.
(
i
n
fi
l
t
r
a
t
i
e,i
n
t
er
n
e
dr
a
i
n
a
ge,v
oc
h
t
n
a
l
ev
er
i
n
g)
enl
a
gebeh
oef
t
ea
a
n
ber
egen
i
n
g
8. Ru
i
met
i
j
dv
en
s
t
er
sv
oor
wer
k
z
a
a
mh
eden
(
dr
a
a
gk
r
ach
t
,
bewer
k
ba
a
r
h
ei
d)
9. Bi
j
dr
a
gea
a
nmi
t
i
ga
t
i
e
br
oei
k
a
s
ga
s
s
en(
l
a
ge
Or
ga
n
i
s
c
h
es
t
ofi
smedebepa
l
en
dv
oormi
t
i
ga
t
i
e.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:h
oei
sdi
ts
t
u
u
r
ba
a
r
?
BIJLAGEN
161
BEHEERDOEL
D.BEMESTEN,BEKALKEN,AANVOERGRONDVERBETERAARS
gasv
er
l
agendoorbet
er
et
i
mi
n
genaan
gepas
t
ebemes
t
i
n
gs
t
ech
n
ol
ogi
e.
emi
s
s
i
esCO2,met
h
aanen Lach
n
i
s
h
i
aat
:i
nwel
k
emat
et
es
t
u
r
en
?Hoeef
f
ect
i
ef
?
l
ach
gas
,ops
l
agv
anCi
n Ken
or
gan
i
s
ch
es
t
of
)
Kan
s
:ops
l
agcapaci
t
ei
tv
oorCi
nbodem.Ken
n
i
s
h
i
aat
:k
os
t
enpert
onCO2:t
otwel
k
n
i
v
eaut
eaccu
mu
l
er
en
?Wel
kbi
j
pas
s
en
dbeh
eer
?
Kan
s
:t
oev
oegi
n
gbi
och
ar
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:wel
k
emeer
waar
deh
eef
tbi
och
ari
nbodem
t
enopz
i
ch
t
ev
an(
1)n
i
ett
oev
oegen
,(
2)pr
odu
ct
enmetaf
br
eek
bar
eC.
si
Kan
s
:s
n
el
v
er
wer
en
dec
l
i
cat
enal
sal
t
er
n
at
i
efv
oorbek
al
k
i
n
g.Ken
n
i
s
h
i
aat
:wel
k
e
ef
f
ect
?
ef
f
ect
en
,z
war
emet
al
en
,pH,n
et
t
oCO210.Geendegr
adat
i
edoor
gr
on
dv
er
l
i
es(
wi
n
den
wat
er
er
os
i
e)
,ofv
er
z
i
l
t
i
n
g,
ofbes
met
t
i
n
gmet
(
qu
a
r
a
n
t
a
i
n
e)
z
i
ek
t
en
el
pu
n
t
:r
es
i
du
env
andi
er
gen
ees
mi
ddel
en(
metn
amean
t
i
bi
ot
i
ca)i
ndedi
er
l
i
j
k
emes
t
11.Ru
i
mt
ev
oorbi
odi
v
er
s
i
t
ei
t
: Kn
di
et
oegedi
en
dwor
dti
ndel
an
dbou
w.Ken
n
i
s
h
i
aat
:on
du
i
del
i
j
k
h
ei
dwath
etef
f
ecti
s
.
bov
en
gr
on
ds
een
s
:dez
eef
f
ect
endu
i
del
i
j
kk
r
i
j
genener
n
aarh
an
del
en
.
on
der
gr
on
ds
e–óókn
i
et
- Kan
f
u
n
ct
i
on
el
e–doorv
oeds
el
enh
abi
t
att
ev
er
s
ch
af
f
en Kan
s
:gewas
r
es
t
en
beh
eerger
i
c
h
toph
abi
t
at
/
v
oeds
el
v
oori
n
s
ect
enenak
k
er
v
ogel
s
.
12.Bes
ch
er
mi
n
gv
an
cu
l
t
u
u
r
h
i
s
t
or
i
s
ch
pat
r
i
mon
i
u
m
(
bodema
r
c
h
i
ef
,el
emen
t
en
cu
l
t
u
u
r
l
an
ds
ch
ap)
13.Sl
u
i
t
env
ank
r
i
n
gl
open
Kn
el
pu
n
t
:f
os
f
aati
sei
n
di
g.Kan
s
:h
er
gebr
u
i
kv
an
u
i
tr
es
t
s
t
r
omen
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:
ges
ch
i
k
t
h
ei
dn
i
eu
wepr
odu
ct
en(
been
der
en
,mes
t
,af
v
al
,.
.
.
.
)
.
Kn
el
pu
n
t
:k
i
ppen
mes
tbev
att
eh
ogePgeh
al
t
en
.Kan
s
:aan
pas
s
i
n
gv
oerwaar
door
N:
Pv
er
h
ou
di
n
ggu
n
s
t
i
gerwor
dt
.
Kn
el
pu
n
t
:deen
er
gi
emar
k
tt
r
ek
ts
t
eedss
t
er
k
eraandegr
oen
er
es
t
s
t
r
omenu
i
ton
der
meern
at
u
u
r
gebi
eden
,waar
doorh
ets
t
eedsmoei
l
i
j
k
erwor
dtom v
ol
doen
de
or
gan
i
s
ch
es
t
ofi
ndebodem t
eh
ou
den(
bedr
ei
gi
n
gv
anl
an
get
er
mi
j
n
bodemv
r
u
ch
t
baar
h
ei
d)
.Di
ti
sv
oor
al
eenbel
ei
ds
v
r
aag(
wet
enr
egel
gev
i
n
g,EL&I
i
n
t
er
nenEL&I
VROM)
.
14.Beh
ou
dv
anpot
en
t
i
ël
e
bodemf
u
n
ct
i
es
,metn
ame
bi
ot
i
s
ch
e(
v
oor
k
ómenv
an
i
r
r
ev
er
s
i
bel
f
u
n
ct
i
ev
er
l
i
es
)
162
BEHEERDOEL
E.GEWASBESCHERMI
NG:ZI
EKTEN,PLAGEN,ONKRUI
DEN
1. Hogepr
odu
c
t
i
v
i
t
ei
tper
Kn
el
pu
n
t
:doorv
er
an
der
en
del
an
dbou
wpr
ak
t
i
j
kenv
er
mi
n
der
debes
ch
i
k
baar
h
ei
dv
an
h
a
,h
ogepr
odu
ct
k
wa
l
i
t
ei
t c
or
r
ec
t
i
emi
ddel
enz
i
j
nbodemz
i
ek
t
en
,pl
agenenon
k
r
u
i
dens
t
eedsv
ak
er
opbr
en
gs
t
beper
k
en
def
a
c
t
or
en
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:wel
k
ez
i
ek
t
en
,pl
agenenon
k
r
u
i
dengaan
eenbel
an
gr
i
j
k
er
er
ol
s
pel
enpergr
on
ds
oor
tenr
egi
o.Wel
k
ek
n
el
pu
n
t
enz
i
j
nerof
on
t
s
t
a
a
ndoorh
etv
er
dwi
j
n
env
anbepaal
demi
ddel
en
?
Vooreenh
ogepr
odu
ct
i
v
i
t
ei
tmoet
enz
i
ek
t
enenpl
agenenon
k
r
u
i
denon
derde
s
c
h
adedr
empel
bl
i
j
v
en
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:s
ch
adedr
empel
sv
oordev
er
s
ch
i
l
l
en
de
gewas
s
en
t
eel
t
s
y
s
t
emen
gr
on
ds
oor
t
.Wan
n
eerdi
en
ti
n
gegr
epent
ewor
den
,enwel
k
e
mogel
i
j
k
h
edenz
i
j
ner
.Bi
j
bodemz
i
ek
t
esenpl
agenmoetv
eel
al
pr
ev
en
t
i
efi
n
gegr
epen
wor
den
,omda
tz
i
ek
t
esenpl
a
genmoei
l
i
j
ki
ndegr
on
dofi
ndewor
t
el
saan
gepak
t
k
u
n
n
enwor
dent
i
j
den
sgewa
s
gr
oei
.Kan
s
:opt
i
mal
er
ot
at
i
esv
oorgewas
pr
odu
ct
i
een
r
edu
c
t
i
ez
i
ek
t
enenpl
a
genbl
i
j
v
enon
der
z
oek
en
,waar
bi
j
r
es
i
s
t
en
t
i
ev
er
edel
i
n
geen
bel
a
n
gr
i
j
ks
peer
pu
n
ti
s
.Hi
er
bi
j
gebr
u
i
kmak
env
ann
i
eu
wedet
ect
i
emet
h
oden
,i
n
s
a
men
h
an
gmeta
n
al
y
s
el
a
bs
.Voor
beel
denv
anr
eedson
t
wi
k
k
el
de
bodembemon
s
t
er
i
n
gs
&a
n
a
l
y
s
es
y
s
t
emen
:n
emat
oden
an
al
y
s
es
,aan
wez
i
gh
ei
d
Scl
er
ot
i
n
i
abi
j
u
i
.
Kn
el
pu
n
t
:bepaal
dez
i
ek
t
enenpl
a
genh
ebbenn
egat
i
ev
ei
n
v
l
oedoppr
odu
ct
k
wal
i
t
ei
t
.
Ui
t
ga
n
gs
ma
t
er
i
a
l
enmoet
enz
i
ek
t
ev
r
i
j
z
i
j
n
;aan
get
as
t
epr
odu
ct
enz
i
j
nmoei
l
i
j
k
bewa
a
r
ba
a
r
.An
der
z
i
j
dswor
dtmeerenmeerom r
es
i
du
v
r
i
j
epr
odu
ct
engev
r
aagd.
Mi
l
i
eu
v
r
i
en
del
i
j
k
ebeh
eer
s
i
n
gv
a
nz
i
ek
t
enenpl
agenwor
dti
nt
oen
emen
demat
e
bel
a
n
gr
i
j
k
.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:v
oorl
a
n
gn
i
etel
k
et
eel
ti
sdi
tmogel
i
j
k
.
2. L
a
gea
r
bei
ds
beh
oef
t
e
3. L
a
gebeh
oef
t
ea
an
f
os
s
i
el
ebr
a
n
ds
t
of
f
en
4. Hogeben
u
t
t
i
n
genl
age
Kn
el
pu
n
t
:bemes
t
i
n
gops
ch
er
popdes
n
edemaak
ti
mpacts
ch
adel
i
j
kor
gan
i
s
men
emi
s
s
i
eena
c
c
u
mu
l
at
i
e
mogel
i
j
kgr
ot
er
.Eri
sgeenc
ompen
s
at
i
emogel
i
j
k
.
v
a
nn
u
t
r
i
ën
t
en
,goede
r
et
en
t
i
eenn
a
l
ev
er
i
n
gv
a
n
n
u
t
r
i
ën
t
en
5. Weer
ba
a
r
h
ei
d:l
a
ge
beh
oef
t
ea
anch
emi
s
c
h
e
gewa
s
bes
c
h
er
mi
n
g
(
z
i
ek
t
en
,pl
a
gen
,
on
k
r
u
i
den
)
Kan
s
:bepaal
debodemsz
i
j
nv
eel
gev
oel
i
gerv
oorh
eton
t
s
t
aanv
anz
i
ek
t
enenpl
agen
da
na
n
der
en
.Da
a
r
n
a
a
s
ti
sh
etbel
an
gr
i
j
kom t
er
eal
i
s
er
endatbodemweer
baar
h
ei
d
v
eel
a
l
s
pec
i
fi
eki
sperz
i
ek
t
ev
er
wek
k
er
.Ken
n
i
s
h
i
aat
:meet
met
h
odeneni
n
di
cat
or
en
z
i
j
nn
odi
gom v
a
s
tt
es
t
el
l
enofeenbodem weer
baari
si
nal
gemen
ez
i
nofs
peci
fi
ek
t
.
o.
v
.bepaal
dez
i
ek
t
en
,pl
agenofon
k
r
u
i
den
.I
n
gr
i
j
pen(
al
dann
i
etch
emi
s
ch
)om een
pr
obl
eemor
ga
n
i
s
met
ebes
t
r
i
j
den
,h
eef
tef
f
ectoph
eth
el
ebodemecos
y
s
t
eem.Heti
s
v
a
nbel
a
n
gmet
h
odent
eon
t
wi
k
k
el
endi
edebodem z
omi
nmogel
i
j
kenz
ok
or
t
mogel
i
j
kdes
t
a
bi
l
i
s
er
en
.
Kn
el
pu
n
t
,v
oor
al
z
an
dgr
on
denmeteenl
aagOSgeh
al
t
e:gev
oel
i
gh
ei
dv
oorz
i
ek
t
en
(
s
ch
i
mmel
senn
emat
oden
)
.I
ndebol
l
en
s
ect
or(
ookboomt
eel
tenak
k
er
bou
wopz
an
d)
z
i
j
nbel
a
n
gr
i
j
k
ez
i
ek
t
epr
obl
emen
.Zan
dh
eef
ts
t
er
k
en
emat
oden
pr
obl
emen
,k
l
ei
v
eel
mi
n
derma
a
rwel
a
n
der
ez
i
ek
t
en
.Di
th
eef
tgr
ot
egev
ol
genv
oorwel
k
emaat
r
egel
en
t
oegepas
tk
u
n
n
enwor
den
.
Kan
s
:bodemweer
baar
h
ei
dk
andoorv
er
h
ogi
n
gv
anor
gan
i
s
ch
es
t
ofges
t
i
mu
l
eer
d
BIJLAGEN
163
BEHEERDOEL
E.GEWASBESCHERMI
NG:ZI
EKTEN,PL
AGEN,ONKRUI
DEN
wor
den
.Voor
al
bel
an
gr
i
j
kopz
an
d.
Ken
n
i
s
h
i
aat
:on
t
wi
k
k
el
env
anmet
h
odenent
ec
h
n
i
ek
endi
edebodemweer
ba
a
r
h
ei
d
bev
or
der
en
.Bel
an
gr
i
j
kom eeni
n
t
egr
a
t
i
ev
a
nma
a
t
r
egel
ent
eon
t
wer
pen
,a
f
h
a
n
k
el
i
j
k
v
a
nz
a
n
denk
l
ei
.Hi
ers
pel
enbemes
t
en
deef
f
ec
t
en
,ma
a
rook
u
i
t
s
poel
i
n
gs
pr
obl
ema
t
i
ekbel
a
n
gr
i
j
k
er
ol
.Ooki
n
t
er
a
c
t
i
esmeton
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
g.
Kan
s
:an
der
emaat
r
egel
endi
edebodemweer
ba
a
r
h
ei
ds
t
i
mu
l
er
enbi
j
z
a
n
denk
l
ei
:
s
peci
fi
ek
ev
oor
gewas
s
en(
Ta
get
es
,s
a
r
ept
amos
t
er
d,a
n
der
egr
oen
bemes
t
er
s
(
?
)
.
.
.
)
.Di
ti
ss
pec
i
fi
ekperz
i
ek
t
ev
er
wek
k
er
!
s
peci
fi
ek
eor
gan
i
s
ch
er
es
t
s
t
r
omen
.Somsgeef
tc
ompos
tz
i
ek
t
ewer
i
n
g.Ch
i
t
i
n
e&
n
ema
t
oden(
?
)
.Ch
i
t
i
n
e,gi
s
t
,s
c
h
i
mmel
poeders
t
i
mu
l
eer
tRh
i
z
oc
t
on
i
az
i
ek
t
ewer
i
n
g
(
on
der
z
oekopbeper
k
t
es
c
h
a
a
l
on
dergec
on
di
t
i
on
eer
deoms
t
a
n
di
gh
eden
)
decl
i
n
ev
aneenz
i
ek
t
edoorc
on
t
i
n
u
t
eel
t
.Zi
ek
t
ev
er
wek
k
err
oeptda
nz
i
j
nei
gen
an
t
agon
i
s
t
enop.(
bi
j
v
.t
ak
ea
l
l
dec
l
i
n
e,Rh
i
z
oc
t
on
i
adec
l
i
n
e)
t
i
j
ds
t
i
penwi
j
z
ev
a
ngr
on
dbewer
k
i
n
gk
a
nookh
etbodeml
ev
enz
oda
n
i
g
beï
n
v
l
oedendatdi
ti
n
v
l
oedopz
i
ek
t
esh
eef
t
.Mogel
i
j
kmeerr
egen
wor
menen
my
c
or
r
h
i
z
abi
j
mi
n
dergr
on
dbewer
k
i
n
g(
ef
f
ec
t
env
r
i
j
wel
on
bek
en
d)
Kan
s
:f
act
or
endi
er
obu
u
s
t
egewa
s
s
enofr
obu
u
s
t
et
eel
tbev
or
der
enmetl
a
ger
e
gev
oel
i
gh
ei
dv
oorz
i
ek
t
enz
i
j
n
:
r
es
i
s
t
en
t
er
er
a
s
s
en
r
obu
u
s
t
epl
a
n
t
en
:a
f
h
a
r
den
,n
i
ett
ev
eel
N
gewa
smetev
en
wi
c
h
t
i
gegr
oei
Kan
s
:r
egen
enoor
wor
menz
i
j
nbel
a
n
gr
i
j
k
en
u
t
t
i
geor
ga
n
i
s
meni
ndef
r
u
i
t
t
eel
ten
l
ev
engeh
eel
ofgedeel
t
el
i
j
ki
ndebodem.Regen
wor
menz
i
j
nbel
a
n
gr
i
j
kv
oorde
bodems
t
r
u
ct
u
u
renv
oordez
i
ek
t
ebes
t
r
i
j
di
n
g(
v
i
abl
a
dv
er
t
er
i
n
g)
;oor
wor
menz
i
j
n
bel
an
gr
i
j
kbi
j
depl
aagbes
t
r
i
j
di
n
gKn
el
pu
n
t
:i
nv
eel
boomga
a
r
denz
i
j
ndeoor
wor
men
af
wez
i
g.Aandegebr
ek
k
i
gebl
a
dv
er
t
er
i
n
gi
nv
eel
boomga
a
r
denv
a
l
ta
ft
el
ei
denda
t
depopu
l
at
i
eaanr
egen
wor
menookt
el
a
a
gi
s
.Regen
wor
menz
i
j
nv
a
nmi
n
derbel
a
n
g
opz
an
dgr
on
den
;oor
wor
menz
i
j
nv
oorbei
degr
on
denv
a
nbel
a
n
g.Ken
n
i
s
h
i
a
a
t
:
on
t
wi
k
k
el
i
n
gv
anbeh
eer
s
s
t
r
at
egi
eënv
oorr
egen
enoor
wor
meneni
n
t
egr
a
t
i
eh
i
er
v
a
n
i
nh
etbodembeh
eeri
nh
eta
l
gemeen
.Hi
er
bi
j
i
sh
eton
dermeerv
a
nbel
a
n
gda
t
ov
er
ges
t
aptwor
dtv
an100%k
u
n
s
t
mes
tn
a
a
reenc
ombi
n
a
t
i
ev
a
nOSt
oev
oeren
k
u
n
s
t
mes
t
.Wa
ti
sdei
n
v
l
oedv
a
nf
u
n
gi
c
i
den
/
i
n
s
ec
t
i
c
i
den
/
h
er
bi
c
i
den
.Ooks
t
i
mu
l
a
n
s
v
a
na
l
gemen
ebodembi
odi
v
er
s
i
t
ei
ti
sv
a
nbel
a
n
gv
oorr
egen
enoor
wor
men
;z
oi
s
bek
en
ddatoor
wor
menbodemr
oof
mi
j
t
enens
pr
i
n
gs
t
a
a
r
t
enet
en
.
Kan
s
:an
der
emaat
r
egel
enom z
i
ek
t
est
ev
oor
k
omen&bes
t
r
i
j
den
:
di
v
er
s
ev
or
menv
angr
on
don
t
s
met
t
i
n
gom z
i
ek
t
ev
er
wek
k
er
st
edoden
:
bi
ol
ogi
s
ch
egr
on
don
t
s
met
t
i
n
g,bi
of
u
mi
ga
t
i
e,s
t
omen
(
gl
a
s
t
u
i
n
bou
w/
boomk
wek
er
i
j
)
,i
n
u
n
da
t
i
e(
bol
l
en
)
r
u
i
mer
ev
r
u
c
h
t
wi
s
s
el
i
n
gwa
a
r
bi
j
bepa
a
l
dez
i
ek
t
ev
er
wek
k
er
sa
f
s
t
er
v
en(
gel
dtn
i
et
v
oorpol
y
f
a
gez
i
ek
t
ev
er
wek
k
er
s
)
6. Hoogv
er
mogent
ot
af
br
aakv
an
v
er
on
t
r
ei
n
i
gi
n
gen
164
BEHEERDOEL
E.GEWASBESCHERMI
NG:ZI
EKTEN,PL
AGEN,ONKRUI
DEN
Kn
el
pu
n
t
:k
l
i
ma
a
t
v
er
a
n
der
i
n
genv
er
a
n
der
en
dev
oc
h
t
pa
t
r
on
enl
ei
dent
otdev
es
t
i
gi
n
g
7. Goedewat
er
r
egu
l
er
i
n
g
v
a
nn
i
eu
wes
oor
t
enenwi
j
z
i
gi
n
gi
npopu
l
a
t
i
edy
n
a
mi
c
aens
c
h
a
der
el
a
t
i
esv
a
n
(
i
n
fi
l
t
r
at
i
e,i
n
t
er
n
e
dr
ai
n
age,v
oc
h
t
n
a
l
ev
er
i
n
g) bes
t
a
a
n
des
oor
t
en
.Bepa
al
dez
i
ek
t
esz
u
l
l
enmeeropt
r
edenbi
j
eens
l
ec
h
t
e
enl
agebeh
oef
t
ea
a
n
wa
t
er
r
egu
l
a
t
i
e.Bi
j
v
oor
beel
dPy
t
h
i
u
m wor
dtges
t
i
mu
l
eer
ddoorv
r
i
j
wa
t
er
,en
ber
egen
i
n
g
ba
c
t
er
i
ez
i
ek
t
env
er
s
mer
en(
Er
wi
n
i
a)ofk
omeni
nopper
v
l
a
k
t
ewa
t
erv
oor(
Ra
l
s
t
on
i
a)
.
An
der
ez
i
ek
t
es(
Rh
i
z
oc
t
on
i
as
ol
a
n
i
)t
r
edens
t
er
k
eropbi
j
eens
l
ec
h
t
ebodems
t
r
u
c
t
u
u
r
.
8. Ru
i
met
i
j
dv
en
s
t
er
sv
oor
wer
k
z
a
a
mh
eden
(
dr
aagk
r
ach
t
,
bewer
k
baar
h
ei
d)
Kn
el
pu
n
tofk
a
n
s
:v
er
l
en
gi
n
gv
a
nt
eel
t
per
i
oden
,t
eel
ti
na
f
wi
j
k
en
det
eel
t
per
i
oden
h
ebbenh
u
nei
genef
f
ec
topdepopu
l
a
t
i
edy
n
a
mi
c
av
a
non
k
r
u
i
den
,z
i
ek
t
en
,pl
a
genen
on
k
r
u
i
den
.Di
tl
ei
dtt
ota
n
der
es
c
h
a
der
el
a
t
i
es
.Den
kooka
a
ngr
oen
bemes
t
er
sof
pr
odu
c
t
i
egewa
s
s
eni
ndewi
n
t
erdi
ef
u
n
c
t
i
on
er
ena
l
sgr
oen
ebr
u
gv
oordeov
er
l
ev
i
n
g
v
a
nor
ga
n
i
s
men
,ma
a
rookbeh
eer
s
i
n
gs
mogel
i
j
k
h
edeni
ndebr
a
a
k
per
i
odev
a
n
(
wor
t
el
)
on
k
r
u
i
denbeï
n
v
l
oeden
.
9. Bi
j
dr
ageaanmi
t
i
ga
t
i
e
Kn
el
pu
n
tofk
a
n
s
:bes
t
r
i
j
di
n
gs
met
h
odenk
u
n
n
eneenbi
j
dr
a
gel
ev
er
ena
a
nu
i
t
s
t
ootv
a
n
br
oei
k
as
gas
s
en(
l
a
ge
k
l
i
ma
a
t
ga
s
s
enofj
u
i
s
tmi
t
i
ga
t
i
ebev
or
der
en
.
emi
s
s
i
esCO2,met
h
a
a
nen
l
ach
gas
,ops
l
a
gv
a
nCi
n
or
gan
i
s
ch
es
t
of
)
10.Geendegr
ada
t
i
edoor
gr
on
dv
er
l
i
es(
wi
n
den
wa
t
er
er
os
i
e)
,ofv
er
z
i
l
t
i
n
g
ofbes
met
t
i
n
gmet
(
qu
ar
an
t
ai
n
e)
z
i
ek
t
en
11.Ru
i
mt
ev
oorbi
odi
v
er
s
i
t
ei
t
:
bov
en
gr
on
ds
een
on
der
gr
on
ds
e–óókn
i
et
f
u
n
ct
i
on
el
e–doorv
oeds
el
enh
abi
t
att
ev
er
s
c
h
a
f
f
en
12.Bes
ch
er
mi
n
gv
a
n
cu
l
t
u
u
r
h
i
s
t
or
i
s
c
h
pat
r
i
mon
i
u
m
(
bodemar
c
h
i
ef
,el
emen
t
en
cu
l
t
u
u
r
l
an
ds
c
h
a
p)
13.Sl
u
i
t
env
ank
r
i
n
gl
open
Kn
el
pu
n
t
:v
i
ar
es
t
s
t
r
omenk
u
n
n
enz
i
ek
t
en
,pl
a
genenon
k
r
u
i
denwor
denv
er
s
pr
ei
d.Er
bes
t
a
a
twel
eenc
h
emi
s
c
h
ec
er
t
i
fi
c
er
i
n
g(
bi
j
v
.s
c
h
on
egr
on
dv
er
k
l
a
r
i
n
g)ma
a
rgeen
bi
ol
ogi
s
c
h
e.On
t
wi
k
k
el
i
n
gv
a
neens
c
h
on
egr
on
dv
er
k
l
a
r
i
n
gdi
eookv
oorbi
ol
ogi
s
c
h
e
a
s
pec
t
endek
k
en
di
s
,v
er
di
en
tpr
i
or
i
t
ei
t
.Ka
n
s
:(
1)or
ga
n
i
s
c
h
er
es
t
s
t
r
omenbi
edt
k
a
n
s
env
oors
t
i
mu
l
er
i
n
gv
anbodemweer
ba
a
r
h
ei
d.Bi
j
v
.s
t
i
mu
l
er
env
a
n
a
n
t
a
gon
i
s
t
i
s
c
h
eba
c
t
er
i
ënmetgi
s
t
c
el
l
enofc
h
i
t
i
n
e(
L
y
s
oba
c
t
er
)
.(
2)h
er
gebr
u
i
k
r
es
t
s
t
r
omeni
si
n
t
er
es
s
a
n
tv
a
n
u
i
tc
r
a
dl
et
oc
r
a
dl
egeda
c
h
t
e.Metpos
i
t
i
ev
ek
a
n
s
en
v
oorv
a
s
t
l
eggi
n
gCens
t
i
mu
l
er
i
n
gz
i
ek
t
ewer
i
n
g.
14.Beh
ou
dv
anpot
en
t
i
ël
e
bodemf
u
n
c
t
i
es
,metn
a
me
bi
ot
i
s
ch
e(
v
oor
k
ómenv
a
n
i
r
r
ev
er
s
i
bel
f
u
n
c
t
i
ev
er
l
i
es
)
Ka
n
s
:bodem bev
a
teenen
or
mr
es
er
v
oi
ra
a
nv
eel
a
l
n
ogon
bek
en
dbodeml
ev
en
.Di
t
bodeml
ev
enk
a
nv
el
en
ogon
bek
en
def
u
n
c
t
i
esh
er
ber
gen
.Bi
j
v
oor
beel
dn
i
eu
we
a
n
t
i
bi
ot
i
c
aenen
z
y
men
.Daa
r
n
a
a
s
ts
peel
tdi
tbodeml
ev
eneenr
ol
i
na
l
l
er
h
a
n
de
pr
oc
es
s
eni
ndebodem di
ewel
a
n
gn
i
eta
l
l
ema
a
l
k
en
n
en
,ma
a
rdi
ewel
c
r
u
c
i
a
a
l
z
i
j
n
BIJLAGEN
165
BEHEERDOEL
E.GEWASBESCHERMI
NG:ZI
EKTEN,PLAGEN,ONKRUI
DEN
v
oorh
etf
u
n
c
t
i
on
er
env
a
ndebodem.Zowor
denerr
egel
mat
i
gn
i
eu
we
ba
c
t
er
i
es
oor
t
enbes
c
h
r
ev
enmetz
i
ek
t
ewer
en
dofpl
a
n
t
en
gr
oei
s
t
i
mu
l
er
en
dv
er
mogen
(
bi
j
v
.s
oor
t
enbi
n
n
endeges
l
a
ch
t
enCol
l
i
mon
as,Bu
r
k
h
ol
der
i
a,Ly
s
obac
t
er,
.
.
.
)
.
166
BIJLAGE VI - ACHTERGROND BIJ GEKOZEN
SPEERPUNTEN
De hier uitgewerkte stukken dienen als achtergrondinformatie voor de gekozen speerpunten.
VI.1 BEHEER VAN ORGANISCHE STOF EN
BODEMVRUCHTBAARHEID
Organische stof in de bodem: wat is het, wat doet het?
‘Organische stof (OS) is het deel van de bodem dat bestaat uit levende organismen en
restanten van dode organismen in diverse stadia van afbraak. (…) Het leidt geen twijfel dat
het beheer van organische stof essentieel is als grondslag voor het onderhoud van het gehele
bodemecosysteem. OS is de grondstof voor het bodemleven.’ (Faber, 20091).
Het niveau (gehalte) en de samenstelling van organische stof zijn de resultante van een balans
tussen aanvoer en afbraak. De aanvoer wordt bepaald door vruchtwisseling (gewassen,
groenbemesters) en daarnaast door de aanvoer van dierlijke mest, compost en andere
grondverbeteraars. De afbraak door bodembiota wordt sterk beïnvloed door bodembeheer,
de aard van het primaire materiaal en quasi onveranderbare factoren als het weer
(temperatuur, neerslag) en textuur (bescherming). Bodembeheer beïnvloedt de afbraak via de
sturing van fysieke condities (vocht, aeratie, blootstelling/herschikking en in zekere mate ook
bodemtemperatuur), biotische condities (populaties en hun omvang) en chemische condities
(pH en beschikbaarheid van nutriënten voor biota).
Organische stof is het substraat en de energiebron voor bodembiota. Deze op hun beurt
spelen een belangrijke rol in:
t
structuurvorming: opbouw en onderhoud van poriën/bodemstructuur, door
afscheiding van kittende stoffen, verplaatsing door inname en graafwerk
t
ziektewering: de beheersing van ziekten en plagen door predatie en
concurrentie
t
mineralisatie: het beschikbaar maken van nutriënten uit organische bronnen
1 Faber, J.H., G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, J. Bloem, J. Lahr, W.H. Diemont en L.C. Braat, 2009. Ecosysteemdiensten en bodembeheer: maatregelen ter verbetering van biologische bodemkwaliteit. Rapport 1813, Alterra, Wageningen.
BIJLAGEN
167
Deze drie functies zijn cruciaal in de gewasproductie en zijn onlosmakelijk verbonden
met de OS-huishouding en het daarop gebaseerde bodemleven. In extremo geldt dit
voor de biologische landbouw die voor de beheersing van pathogenen en chemische
bodemvruchtbaarheid vrijwel geheel van biotische processen afhangt.
In de praktijk is men zich sterk bewust van het belang van OS. Op de kleigronden is OS van
belang voor onder andere een goede verkruimelbaarheid en bewerkbaarheid. Het vermindert
de sterke binding tussen de kleideeltjes en maakt de grond losser. Op zandgronden en
lichte zavelgronden zorgt het juist voor een betere binding tussen de (losse) gronddeeltjes,
waardoor de grond minder gevoelig wordt voor verstuiving (winderosie) dan wel verslemping
(dichtslaan, korstvorming). De bindende werking is niet direct een eigenschap van de
organische stof zelf, maar van kitstoffen afgescheiden door micro-organismen die betrokken
zijn bij de afbraak en verder door de vorming van een netwerk van schimmeldraden die de
gronddeeltjes bijeen houden. Voor de structuurstabiliteit op lichte gronden is daarom een
continue aanvoer van verse organische stof noodzakelijk. Hoeveel en van welke samenstelling
dat moet zijn, zijn nog vragen. Oude organische stof draagt op zand weinig bij aan de
structuurstabiliteit. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de dalgronden, die een hoog OS-gehalte
hebben maar toch stuifgevoelig zijn. Verder bevordert organische stof (op zowel zand als klei)
de bewortelbaarheid van de grond, de beluchting van de bodem, het vochthoudend vermogen
en de buffering en levering van nutriënten. Ook verbetert het de waterdoorlatendheid van
de grond, waardoor minder snel plasvorming optreedt en zo de kans op watererosie en
afspoeling afneemt. In de bollenteelt op duinzand met in het algemeen zeer lage OS-gehalten
hecht men grote waarde aan OS voor ziektewering en nutriëntenbuffering; daar heerst de
gedachte dat de bijdrage aan deze functies sterk afhangt van oorsprong/type OS.
Figuur 3.1 (hoofdtekst) poogt een samenvattend overzicht te geven van de wegen waarlangs
bodembeheer de opbouw en afbraak van OS beïnvloedt en van de landbouwkundig belangrijke
bodemfuncties (a-h) die op hun beurt door de OS-huishouding worden beïnvloed.
Naast het directe landbouwkundig belang speelt OS bovendien een belangrijke rol in de opslag
van C (mitigatie klimaatproblematiek), in de beïnvloeding van de waterhuishouding en milieu via
waterretentie en uit- en afspoeling en als voedselbron voor biodiversiteit. Via methaanvorming
en lachgasproductie kan OS echter ook juist bijdragen aan de emissie van broeikasgassen.
Knelpunten in de praktijk
Er zijn ontwikkelingen die onbedoeld een negatieve uitwerking kunnen hebben op de
OS-huishouding van de Nederlandse landbouwgronden. Deels komen deze voort uit de
aanscherping van de mestwetgeving, deels ook uit autonome ontwikkelingen. Beide worden
168
hieronder kort belicht. Daarna wordt aandacht besteed aan moedwillige verschraling van
landbouwgrond, teneinde de nitraatuitspoeling te verminderen.
1. Knelpunten samenhangend met mestwetgeving
Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de gemiddelde OS-toestand in de Nederlandse
landbouwgronden daalt. Wel zijn er hierin verschillen tussen regio’s en bedrijfstypen. Op
bouwland neemt het gehalte gemiddeld genomen licht af. Niettemin is men in de praktijk
bezorgd dat de aanscherping van regels rond het gebruik van mest (Vierde Actieprogramma
Nitraatrichtlijn) wel tot een daling zal leiden. Waarschijnlijk terecht, in bepaalde regio’s, want
de overvloedige toepassing van dierlijke mest zoals in voorbije decennia is niet meer mogelijk.
Anderzijds vormt dierlijke mest slechts een beperkt deel van de OS-aanvoer, de aanvoer
in gewasresten is vaak groter, zeker op akkerbouwbedrijven. In de intensieve groenteteelt
op zand mag een sterkere daling verwacht worden. Enerzijds omdat deze gronden in
het verleden vaak sterk verrijkt werden door zeer hoge doses organische meststoffen
(‘tuinbouwrijp gemaakt’); anderzijds omdat de meeste gewassen in deze systemen zelf weinig
bijdragen aan de opbouw van OS (weinig granen in bouwplan, soms leveren aangevoerde
perspotjes wel een belangrijke bijdrage). Pronk (2009)2 noemt voor een selectie van gangbare
akkerbouwbedrijven in het zuidelijk zandgebied gemiddelde OS-gehalten rond 2.5%, voor
gangbare vollegrondsgroentebedrijven circa 3.8%. In beide bedrijfstypen ligt volgens die
studie de huidige aanvoer van organische producten rond het niveau dat wordt toegelaten
door de wettelijke P- en N-normen, en bedraagt circa 1500 kg EOS3/ha in de akkerbouw
en circa 3000 kg EOS/ha in de vollegrondsgroenteteelt. Deze contrasten zijn indicatief
voor de hoge OS-behoefte in de intensieve groenteteelt. De hogere aanvoer van EOS in de
groentebedrijven wordt gerealiseerd door vervanging van varkensmest door rundermest en
van dierlijke mest door plantaardige composten. Voor bedrijven waar deze optimalisatie al
heeft plaatsgehad, vertaalt verdere aanscherping van de gebruiksnormen zich één op één in
een proportionele vermindering van EOS-aanvoer in mest- en compostproducten.
Hieronder enkele in het oog springende knelpunten die voortkomen uit de mestwetgeving:
t
Vooral de aanstaande verlaging van de fosfaatnormen (tot circa 60 kg/ha op
2 Pronk, A.A., 2009. Inventarisatie naar de effecten van bemestingsstrategieën opde bodemvruchtbaarheid van de Nederlandse land-­ en tuinbouw. Plant Research International, Rapport 256.
3 EOS staat voor effectieve organische stof, een door de voorlichting en praktijk gebruikte grootheid die wil aanduiden hoeveel OS er uit deze aanvoer resteert na afbraak gedurende 1 jaar. Deze term is echter aan herziening toe.
BIJLAGEN
169
t
t
t
bouwland en 90 kg/ha op grasland) zal beperkend worden voor de aanvoer
van organische producten. Op bedrijven die nu de fosfaatnorm opvullen met
organische producten, zoals vrijwel alle bedrijven in het zuidelijk zandgebied,
zal de toegelaten aanvoer dalen met circa 30% in de komende vijf jaar.
De OS-problematiek die hiermee samenhangt is beperkt tot bouwland.
Mestscheiding lost dit probleem niet op (P is vooral aan dikke fractie
gebonden, de aanvoer van OS per kg P blijft daarom ongeveer gelijk).
De verlaging van de P-norm zal ertoe leiden dat naast varkensmest er ook
een overschot rundermest ontstaat. Dat kan worden aangewend op bouwland.
Dat is gunstig voor de OS-voorziening op bouwland. Met rundermest wordt
veel meer OS per kg P aangevoerd dan met varkensmest. Rundermest
zal evenwel varkensmest verdringen waardoor juist het overschot aan
varkensmest nog verder toeneemt. Er moeten oplossingen worden gevonden
om de organische stof uit varkensmest toch te kunnen benutten.
Druk op de mestmarkt in het zuidelijk zandgebied maakt dat land van
veehouders vaak niet gehuurd kan worden zonder daarbij de mest af
te nemen en zo de fosfaatplaatsingsruimte te vullen. Vaak betreft dit
varkensmest, waarmee per eenheid P slechts weinig OS wordt aangevoerd.
Zo kunnen geen producten meer worden aangevoerd die wel effectief
bijdragen aan de opbouw dan wel onderhoud van de OS in de bodem.
Drijfmest werd van oudsher op de kleigronden in het najaar toegediend, op
momenten waarop de vochttoestand dit toeliet zonder structuurschade. Nu
na 1 september niet meer uitgereden mag worden, kan drijfmest alleen nog
in het voorjaar worden toegediend. Dit levert knelpunten op met betrekking
tot de mechanisatie (juiste apparatuur) en de vaak korte tijdspanne waarin het
land zonder schade berijdbaar is vóór het beoogde zaai- of poottijdstip.
2. Andere ontwikkelingen met impact op OS-beheer
t
t
t
170
Toenemende intensivering/specialisatie en daaraan gepaarde landruil of
-huur (ter vermijding van ziektedruk) maakt tevens dat investeren in OS en
bodemvruchtbaarheid zich niet terugbetaalt. De teler komt immers na gebruik
vele jaren niet terug op hetzelfde perceel.
Specifiek boomteelt: meer verkoop met kluit, dus OS verdwijnt met de
afgevoerde grond.
Ook de vraag naar biobrandstoffen heeft een negatief effect op de OS-balans.
Deze organische (rest)stromen komen immers niet meer (rechtstreeks) in de
bodem.
KNELPUNTENI
NHETBEHEERGERI
CHTOPDEI
NSTANDHOUDI
NGOFVERHOGI
NG
VANHETOSGEHALTE
MAATREGEL
KNELPUNT/
CONF
LI
CT
OPLOSSI
NGSRI
CHTI
NG
Af
v
oer
/pr
oduct
i
eOSv
er
hogen
Aa
n
v
oerdi
er
l
i
j
k
e
mes
t
NenPgebr
u
i
k
s
n
or
men
u
i
t
r
i
j
v
er
bod
t
r
an
s
por
t
af
s
t
an
d(
€)n
aars
ommi
ge
k
l
ei
r
egi
o’
s(
Zu
i
dWes
t
)
bi
ol
ogi
s
ch
el
an
dbou
w:Pn
or
mv
aak
beper
k
en
dv
oorNbeh
oef
t
i
gbou
wpl
an
Aa
n
v
oer
c
ompos
t
en
bes
ch
i
k
baar
h
ei
dcompos
t
€der
v
i
n
g(
v
oorpr
odu
ctengemi
s
t
e
af
n
amepr
emi
emes
t
)
f
os
f
aat
r
u
i
mt
er
eedsgev
u
l
dmetv
er
pl
i
ch
t
e
mes
t
af
n
ame(
bi
j
h
u
u
ror
gan
i
s
at
or
i
s
ch
pr
obl
eem)
h
y
aci
n
t
:t
el
er
scl
ai
mendatcompos
tgeen
gel
i
j
k
waar
di
gev
er
v
an
geri
sv
oorOSu
i
t
s
t
al
mes
t
pl
an
t
aar
di
gecompos
t
en
mes
t
s
ch
ei
di
n
g:di
k
k
ef
r
act
i
emagn
a1
s
ept
.(
k
l
ei
,v
een
)
;ech
t
ermeerNv
er
l
i
esdan
v
oor
j
aar
s
t
oepas
s
i
n
g
v
er
bet
er
det
ech
n
ol
ogi
ev
oor
v
oor
j
aar
s
t
oedi
en
i
n
gopk
l
ei
bi
ol
ogi
s
ch
el
an
dbou
w:maai
mes
t
s
t
of
f
en
gr
oen
gr
on
d/
h
u
mu
s
aar
de
i
den
t
i
fi
cer
env
anPar
mecompos
t
s
oor
t
en
an
der
egecompos
t
eer
der
es
t
s
t
r
omen(
dan
GF
T)ben
u
t
t
en(
u
i
tl
ev
en
s
mi
ddel
en
br
an
ch
e)
v
er
r
u
i
mi
n
gwet
gev
i
n
gt
.
b.
v
.boomt
eel
t
(
compen
s
at
i
eOSaf
v
oermetk
l
u
i
t
)
h
y
aci
n
t
:s
peci
fi
ek
ewer
k
i
n
gs
t
al
mes
t
v
as
t
s
t
el
l
enenev
t
.compen
s
er
en
Ver
gi
s
t
e
pr
odu
c
t
en
wet
t
el
i
j
k
ebeper
k
i
n
genm.
b.
t
.aan
v
oer
‘
gemak
k
el
i
j
k
e’
en
er
gi
ei
sh
i
era
l
u
i
t
,i
mpact
opbodeml
ev
en
?(
gel
dtov
er
i
gen
sookv
oor
compos
t
)
z
oek
enn
aarOSdi
en
i
ett
ochal
n
aarde
bodem gi
n
g
Gr
oen
bemes
t
er
s
bodempat
h
ogen
en
l
an
dbes
l
ag
k
or
tt
i
j
dv
en
s
t
ern
aj
aar
:n
au
wel
i
j
k
sr
u
i
mt
ei
n
i
n
t
en
s
i
ev
ebou
wpl
an
n
en
n
i
eu
wegr
oen
bemes
t
er
sz
oek
en
h
oof
dgewasv
er
k
or
t
en(
maark
os
t€)
h
oof
dgewasv
er
v
r
oegen
Vr
u
c
h
t
wi
s
s
el
i
n
g
(
o.
a.gr
as
l
an
d
opn
emeni
n
bou
wl
a
n
dr
ot
at
i
es
)
gr
asenl
u
z
er
n
ev
er
meer
der
env
eel
bodempat
h
ogen
en
gewas
s
enmeth
ogebi
j
dr
agea
anOS
gev
env
aakl
aag€s
al
do
bi
j
gr
as
l
an
ddes
t
r
u
ct
i
egaatv
eel
CenN
v
er
l
or
en
Taget
esv
oorbi
ol
ogi
s
ch
e
gr
on
don
t
s
met
t
i
n
g
(
moetech
t
er4maan
dens
t
aan
!
)
s
amen
wer
k
i
n
gmetv
eeh
ou
der
s(
gr
as
l
an
d)
aan
gepas
t
et
ech
n
i
ek
env
oorgedeel
t
el
i
j
k
e
gr
as
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
g
k
or
t
er
ek
u
n
s
t
wei
den(
?
)
Aa
n
v
oerv
a
n
s
peci
fi
ek
e
pr
odu
c
t
en
a
l
sbi
oc
h
a
r
wer
k
i
n
gn
ogon
du
i
del
i
j
k
,t
ox
i
ci
t
ei
t
geef
tgeenv
oedi
n
gaanbodeml
ev
en
wel
k
ewet
t
el
i
j
k
eas
pect
en
?
BIJLAGEN
171
Af
v
oer
/af
br
aakv
anOSv
er
l
agen
172
Al
t
er
n
at
i
ev
env
oor
gr
as
l
an
dv
er
n
i
eu
wi
n
gen
des
t
r
u
ct
i
e(
ooki
n
wi
s
s
el
bou
w)
bi
j
gr
as
l
an
ddes
t
r
u
ct
i
egaatv
eel
CenN
v
er
l
or
en
aan
gepas
t
et
ech
n
i
ek
env
oorl
ok
al
e
v
er
n
i
eu
wi
n
g,maï
s
i
n
z
aai
i
ngr
as
l
an
d,(
maar
pr
obl
emenm.
b.
t
.con
cu
r
r
en
t
i
een
bot
an
i
s
ch
es
amen
s
t
el
l
i
n
g)
Gewas
r
es
t
en
ach
t
er
l
at
en
(
n
i
eta
f
v
oer
en
v
oor
en
er
gi
ewi
n
n
i
n
g)
n
i
t
r
aat
emi
s
s
i
e
l
ach
gas
emi
s
s
i
e
wel
af
v
oer
enengecompos
t
eer
dofv
er
gi
s
t
t
er
u
gbr
en
gen(
maarwet
t
el
i
j
k
ebeper
k
i
n
gen
)
Mi
n
derdr
ai
n
age
(
mi
n
dera
f
br
a
a
k
)
€der
v
i
n
ggewa
s
pr
odu
c
t
i
e
doorl
ager
epr
odu
ct
i
eookmi
n
derOSi
n
pu
t
r
obu
u
s
t
er
as
s
en
?
Aan
gepas
t
e
gr
on
dbewer
k
i
n
g/ ‘
con
s
er
v
at
i
on
t
i
l
l
age’
(
s
pa
a
r
tookdi
es
el
)
(
f
r
equ
en
t
i
e,
di
ept
e,t
y
pe)
on
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
g(
h
er
bi
ci
den
)
moei
l
i
j
kv
oorr
ooi
v
r
u
ch
t
en
aan
gepas
t
es
y
s
t
emenv
oor
on
k
r
u
i
dbeh
eer
s
i
n
gon
t
wi
k
k
el
en
ecopl
oeg?
?
pHr
el
at
i
efl
aag
h
ou
den
k
angewas
pr
odu
ct
i
ev
er
l
agen
z
u
u
r
t
ol
er
an
t
er
as
s
en
pHs
t
r
eef
t
r
aj
ect
env
oorgewas
s
enk
r
i
t
i
s
ch
ev
al
u
er
en(
wati
sn
odi
g?
)
Aan
v
oer(
z
eer
)
s
t
abi
el
epr
odu
ct
en k
os
t
baar
s
omson
du
u
r
z
aam (
v
een
wi
n
n
i
n
g)
EOSv
as
t
s
t
el
l
env
anpr
odu
ct
en
wel
l
i
ch
tk
anz
aags
el
/
h
ou
t
s
n
i
pper
sookt
ot
du
u
r
z
ame/
s
t
abi
el
eOSbr
onv
an‘
goede’
k
wal
i
t
ei
tv
er
wer
k
twor
den
Ver
l
agenOSpool
s
I
nk
aderv
an
v
er
s
ch
r
al
i
n
g
(
n
i
t
r
a
a
t
pr
obl
emat
i
ek
)
€der
v
i
n
gopbr
en
gs
t
:Ni
etal
l
een
u
i
t
s
poel
i
n
gmaarookbodem Nl
ev
er
i
n
g
du
sbes
ch
i
k
baar
h
ei
dv
oorgewas
v
er
mi
n
der
t
mogel
i
j
kdal
i
n
gNben
u
t
t
i
n
g
Ngebr
u
i
k
s
n
or
mv
er
h
ogen(
maardan
mi
l
i
eu
wi
n
s
tt
en
i
et
?
)
OSv
er
l
i
escompen
s
er
enmetNar
meOS
VI.2 BEHEER VAN BODEMSTRUCTUUR
Beheersmaatregelen die de bodemstructuur beïnvloeden zijn:
A.
aangepaste grondbewerkingssystemen
B.
teeltsystemen met vaste rijpaden en/of lage bodemdruk
Beide worden hieronder uitgewerkt.
VI.2A GRONDBEWERKINGSSYSTEMEN
Met hogere energieprijzen en gewenste CO2-reductie wordt het aantrekkelijk om de intensiteit
van grondbewerking in de landbouw te reduceren, aangezien de huidige wijze van kerende
grondbewerking op een bedrijf relatief veel energie vraagt. In het verleden is verkennend
onderzoek uitgevoerd naar de haalbaarheid van teeltsystemen met verminderde kerende
grondbewerking. Echter, onkruidbeheersing bleek toen problematisch en opbrengstreducties
konden daardoor soms niet worden voorkomen.
Innovaties en inzichten zijn echter doorgegaan en in Limburg, in de Veenkoloniën en het
Oldambt wordt al veel gebruikt gemaakt van niet-kerende manier van grondbewerking,
waarbij de grond echter nog wel intensief bewerkt wordt. Er zijn echter internationaal veel
verschillende manieren van niet kerend dan wel verminderd (strip till, ridge till) of in geheel
niet de grond bewerken (no till). Met deze nieuwe systemen is in Nederland niet of nauwelijks
praktijkervaring opgedaan. Onderzoek naar ploegloze, minimale grondbewerking uit het
verleden (destijds zonder inzet van groenbemesters) maakte al wel duidelijk dat minimale
grondbewerking voor maaibare gewassen te realiseren is, maar dat toepassing voor
rooivruchten problematisch was.
Kansen
Behalve de mogelijkheid om energiegebruik en CO2-uitstoot te verminderen, worden bij
sommige nieuwe vormen van verminderde en/of niet-kerende grondbewerking ook een aantal
andere milieu en economische voordelen geclaimd dan wel bewezen (http://edepot.wur.
nl/3507):
t
mitigatie en adaptatie klimaatverandering
t
minder emissie van CO 2, N 2O, CH 4
t
extra koolstof opslag in de bodem tot 0.2 ton/ha /jaar C door verminderde
afbraak en door verbeterde mogelijkheden van jaarrond groen houden van
percelen
t
betere droogte tolerantie (1% OS = 150 m 3/ha)
t
betere wateropslag, waterinfiltratie en minder erosie (>90% bij direct zaai en
BIJLAGEN
173
t
t
t
t
t
t
t
t
t
>60% bij niet kerend)
betere oppervlaktewaterkwaliteit door minder af- en uitspoeling meststoffen
en gewasbeschermingsmiddelen
besparing aan brandstof (15 tot 80%)
besparing aan arbeid (tot 60%)
besparingen aan machines en minder onderhoudskosten
betere draagkracht van de bodem
verhoogde ondergrondse en bovengrondse biodiversiteit
verminderde erosie (water en wind)
op termijn besparingen aan nutriënten en pesticiden
soms opbrengstverhoging
Er zijn echter ook een aantal uitdagingen en knelpunten:
t
t
t
t
t
t
t
t
onbekendheid met de mogelijkheden van de innovatievere systemen (in
Nederland en EU)
nieuwe ofwel aangepaste machines nodig voor de uitvoering
uitdaging hoe rooigewassen met minimale grondbewerking te telen
uitdaging om fijnzadige gewassen die een zeer goede zaaibedbereiding
vergen met minimale grondbewerking te telen (uien, peen)
aangepaste onkruidbeheersing nodig en extra onzekerheden in de
gewasbescherming (een aantal onkruiden, ziekten, plagen gaan mogelijk
meer voorkomen)
minder correctiemogelijkheden met de bemesting en een aangepaste in de
tijd variërende behoefte
andere bemestingstechniek en meststoffen nodig (o.a. injectie)
uitdagingen in voorkomen van compactie of oplossen van compactie bij nietploegsystemen/minimale grondbewerking
Resulterend in de volgende actuele kennisvragen:
t
inzichten t.a.v. teeltsystemen met verminderde en/of geen kerende
grondbewerking, de daarvoor benodigde machines en technieken en de
aanpassingen daarin om o.a. nieuwe ridge till- en no till-technieken bruikbaar
te maken voor duurzame en biologische teelt in maaigewassen maar zo
mogelijk ook in rooivruchten
t
inzichten in de ontwikkeling van gewasopbrengsten, energiegebruik
(direct en indirect), broeikasgasemissies, nutriëntenbehoefte,
gewasbeschermingsconsequenties en kosten bij verschillende
grondbewerkingssystemen in interactie met de gekozen vruchtwisseling en de
in te zetten groenbemesters
174
t
t
t
t
inzichten in de optimale keuze van groenbemesters om als biologische
ploeg in bouwplanverband de bouwvoor voldoende los te houden of als
bodembedekker een in de groenbemester gezaaid gewas onkruidvrij te
houden
methoden voor beheersing van groenbemesters(resten) en meerjarige
onkruiden met minimale bewerking en zonder of met minimale chemie
ontwikkeling van nieuwe best practices voor de beheersing van onkruiden,
ziekten en plagen en bemesting
potentie van moderne technieken (GPS, ICT, sensoren etc., robotisering
(van groot en zwaar naar klein en licht)) voor toepassing van systemen met
verminderde grondbewerking (zie ook thema rijpadenteelt)
Perspectief voor alle grondsoorten met de volgende aanvullende opmerking voor:
t
klei: door de zwel en krimpmogelijkheid van klei mogelijk meer eigen
correctiemogelijkheid van de grond tegen verdichting, wel eerder problemen
met de vochtafvoer en berijdbaarheid te voorzien indien onvoldoende
biologisch evenwicht en onvoldoende goede bewerkingswijzen.
t
zand: meer aandacht voor de droogtegevoeligheid nodig. Verhogen van
organisch stofgehalte door de extra groeimogelijkheden die verminderde
grondbewerking in combinatie met groenbemesters kan opleveren, kan de
droogte gevoeligheid verminderen en de kwaliteit en opbrengend vermogen
van de grond verbeteren. Echter groenbemesters pas vlak voor zaai doden,
kan ook een erg droge grond met problemen voor het gewas opleveren
hetgeen op klei met veel meer vocht naleverend vermogen minder een
probleem kan zijn.
t
veen: deze technieken bieden extra mogelijkheden om de problemen met
de draagkracht van de grond te ontzien en inklinking te verminderen (zoals
bijvoorbeeld met strip tillage).
t
löss (en Veenkoloniaal zand): technieken bieden perspectief in de strijd tegen
water- en winderosie. Daarom is hier al ervaring met niet-kerende bewerking,
maar ook een uitdaging om hierin nog verder te gaan en de grond ook minder
intensief of niet te bewerken.
t
grasland (alle grondsoorten met behoud van bovenstaande extra
opmerkingen): mogelijkheid om gras in delen te doden/scheuren (bijvoorbeeld
strip tillage) en daarom bij te dragen aan verminderde nutriënten- en
broeikasgasemissies en behoud structuur en draagkracht van de bodem
indien goed ingepast in bouwplan. Met name potentie voor combinatie maïs/
grasland. Maïs met een groot areaal en scheuren van grasland veroorzaakt
sterk organisch stof verlies.
BIJLAGEN
175
Locaties met lopend onderzoek:
t
t
op kleigrond zijn in 2009 meerjarige brede systeemexperimenten bij PPO
Lelystad gestart met akkerbouwrotatie (Broekemahoeve) en maïs na gras
(samen met ASG), een meerjarig detailexperiment naar de mogelijkheid van
beheersing wortelonkruiden zonder kerende grondbewerking (deelproject
wortelonkruiden). In de praktijk (biologisch bedrijf Van Strien) ligt er een
meerjarig systeemexperiment met minimale grondbewerking in combinatie
met permanent onbereden bedden. Verder zijn er percelen in de praktijk
met alleen niet-kerende (wel intensieve) bewerkingen onder andere bij FAB
(Functionele Agro Biodiversiteit) Hoekse Waard en bij biologische bedrijven
(Van Hootegem, Steendijk, Westers)
op de lössgrond wordt onderzoek uitgevoerd door PPO op de
onderzoekslocatie Wijnandrade, veelal in opdracht van de provincie en in
samenwerking met ILVO-België.
Gewenst vervolgonderzoek:
t
t
t
in 2009 opgestarte meerjarige proeven (zowel systeem als klassiek
meerjarig) die hierboven genoemd werden doorzetten
uitbreiden van het onderzoek naar zand en mogelijke ook nog veen voor
zowel akkerbouw, maïs, als rotaties met gras op de bestaande proeflocaties
(PPO in Vredepeel en Valthermond)
ook meer pilots (experimenten/demo’s) op praktijkbedrijven opzetten en (ver)
volgen
VI.2B TEELTSYSTEMEN MET VASTE RIJPADEN EN/OF LAGE
BODEMDRUK
Perspectief voor toepassing
Door optimalisering van de fysische, chemische en biologische processen in de grond wordt
met minimale input/uitspoeling van meststoffen en minimale emissie van broeikasgassen het
maximale uit de grond gehaald. Een goede, niet te dichte bodemstructuur is essentieel om
deze processen goed te laten verlopen. Vaste rijpaden (CTF) en ook lage druk (LGP) leveren
aantoonbaar een goede bodemstructuur, maar hebben meer voordelen, zoals meer werkbare
dagen, de mogelijkheid voor effectievere mechanische onkruidbestrijding, de mogelijkheid
om minder ‘reparerende’ grondbewerking uit te gaan voeren en een lager energieverbruik
voor veldwerk. De optelling van de voordelen maakt dat deze systemen ook aantoonbaar
bedrijfseconomisch gunstig (duurzaam) kunnen uitwerken.
176
Knelpunten/kennisvragen:
t
t
t
t
t
t
grote oogstmachines, wagen en mesttoedieningsapparatuur houdt de kosten
laag. Door hoge machinegewichten is LGP beperkt mogelijk. Mogelijk is met
kleine, autonoom lagedrukwagens economisch gunstig te bereiken
CTF kent een vergelijkbaar knelpunt: oogst en transport vanaf rijpaden met
hoge capaciteit is nog niet gerealiseerd. De potentie van CTF wordt daarom
niet volledig benut. Een groep bio-boeren is hiermee wel bezig. Mogelijke
oplossingen: a) ontwikkeling kistenwagen voor rijpaden, b) ontwikkeling
werktuigdragers voor oogst en transport, c) aanpassing spoorbreedte
rijpaden naar < 3 meter, d) autonoom rijdende kleine wagens voor rijpaden.
positieve effecten van CTF zijn op klei aangetoond in bio teelt. Op
zandgronden worden ook positieve effecten verwacht, maar zijn niet
aangetoond
CTF heeft perspectief voor vermindering N 2O-emissie van grasland voor
voederwinning (aangetoond in losse versus vaste grond). In de praktijk is dit
nog niet uitgeprobeerd
voor emissiearme mesttoediening in het voorjaar op kleigrond zijn
toepassingen met redelijk lage druk mogelijk. Ten behoeve van acceptatie
door boeren is het noodzakelijk aan te tonen en te demonstreren dat het kan
zonder opbrengsteffecten
op bodems waar een probleem met verdichting in de ondergrond aanwezig is,
wordt het losmakende effect van woelen vaak in twijfel getrokken vooral als
het bodembeheer daarna niet wijzigt. Een kennisvraag is of/wanneer dit wel
lukt in combinatie met vaste rijpaden
Perspectief per grondsoort:
t
t
t
t
t
klei: nadruk op verbetering aggregaatstructuur en gevolgeffecten, goede
perspectieven, ook in combinatie met minder intensief grond bewerken
zand: nadruk op opheffen en tegengaan verdichting, effecten moeten
onderzocht worden mede in combinatie met minder grond bewerken
löss: nadruk op opheffen en tegengaan verdichting en voorkomen
watererosie, effecten moeten onderzocht worden mede in combinatie met
minder grond bewerken
veen: minder perspectief, weinig gevoelig voor structuurschade
grasland: nadruk op tegengaan broeikasgasemissie, effecten onderzoeken
Welke onderzoeklocaties benutten?
t
klei, bouwland: PPO Lelystad (Broekemahoeve) en percelen op
praktijkbedrijven
BIJLAGEN
177
t
t
t
klei, grasland: ASG Lelystad
zand: PPO Vredepeel, Unifarm-Droevendaal en praktijkbedrijven
löss: PPO Wijnandsrade, Tongeren (België), samenwerking met ILVO
Wat moet er gedaan worden?
vaststellen potentieel van oogst, transport en grondbewerking vanaf rijpaden + minimale
grondbewerking versus huidige rijpadenteelt alleen in het groeiseizoen (stimuleren
ontwikkeling oogst/transport vanaf rijpaden door de sector zelf)
a.
demonstreer mogelijkheden (drijf)mesttoediening in voorjaar op kleigrond
door toepassen lage druk of CTF
b.
innovatie om uit impasse van bodemonvriendelijke oogst en transport te
komen. (zowel in lagedruk- als in rijpaden teeltsystemen)
c.
meten/bepalen energieverbruik en broeikasgasemissie in CTF-systemen en
systemen met minder grondbewerking.
d.
onderzoek effecten/haalbaarheid CTF en minimale grondbewerking op zand
e.
onderzoek effecten/haalbaarheid CTF op grasland, waaronder N 2O-emissie
voor voederwinning
f.
onderzoek effecten/haalbaarheid CTF en minimale grondbewerking op löss,
waaronder watererosie, in samenwerking met België.
g.
onderzoek naar effect van woelen in combinatie met teelt op permanent
onbereden bedden en diepwortelende gewassen
Aanpak:
a.
b.
c.
d.
e.
f.
g.
178
voortzetting proef rijpadenteelt Flevoland: meerjarige veldproef waarin op
zavelgrond het potentieel van CTF (ook oogst) + minimaal bewerken (echt
minimaal) bekeken wordt t.o.v. SCTF, d.w.z. rijpadenteelt alleen in het seizoen
voortzetting onderzoek/demo op praktijkpercelen van mesttoediening in het
voorjaar op kleibouwland
ontwikkeling principes voor innovatieve techniek/sensors/software voor
locatiebepaling
onderlinge communicatie en routing van oogstmachine met aantal kleine,
autonome transportkarren
inzetten meetmethode brandstofverbruik PRI en meetmethoden
broeikasgassen ASG en PPO in proeven met CTF, niet-kerende
grondbewerking en minimale grondbewerking
start meerjarige veldproef met gangbaar, CTF en CTF+minimaal bewerking op
zand
start meerjarige veldproef met gangbaar en CTF (onbereden grond) op
grasland
h.
start meerjarige veldproef met gangbaar, CTF en CTF+minimaal bewerken op
löss
start onderzoek naar effect van woelen, in combinatie met teelt op
permanent onbereden bedden en diepwortelende gewassen, op het fysisch
functioneren van de bodem op een aantal probleempercelen op verschillende
grondsoorten
i.
VI.3 BEHEER VAN BODEMBIODIVERSITEIT EN
BODEMWEERBAARHEID
Bodemweerbaarheid: wat is het, wat doet het?
De bodem is het meest dichtbevolkte ecosysteem dat we kennen. Bacteriën en schimmels
zijn voor wat betreft biomassa de belangrijkste spelers. Hun diversiteit is enorm: iedere
reguliere gram grond bevat 5.000-10.000 verschillende genotypen. Daarnaast vormen
nematoden (c.q. aaltjes) de meest talrijke diergroep op aarde. Deze drie diverse en zeer
veel voorkomende spelers vormen een zeer complex netwerk met vele andere diergroepen
in de bodem (voedselweb). Planten zijn voor de toevoer van voedingsstoffen afhankelijk
van omzettingsprocessen in de bodem. Bacteriën, schimmels en nematoden maken
nutriënten vrij voor de groei van planten en exploiteren op hun beurt de plantenwortels als
voedselbron. Slechts een kleine minderheid heeft zich in de loop van de evolutie ontwikkeld
tot gespecialiseerde parasieten van hogere planten.
100
Natuurlijke
algemene
weerbaarheid
Mate van aantasting (%)
90
80
70
60
Specifieke
50
40
30
20
10
0
Steriel
Natuurlijk
Weerbaar
Bodem
Figuur VI.1.
Principe van bodemweerbaarheid.
BIJLAGEN
179
Bodemweerbaarheid is het verschijnsel dat een pathogeen veel minder schade (aan de
planten) aanricht dan sec op grond van de gemeten dichtheid verwacht mocht worden. Dit
komt het duidelijkst tot uiting in natuurlijke ecosystemen waar gezonde planten de regel zijn
ondanks het feit dat pathogenen alom tegenwoordig zijn. Dit verschijnsel wordt nauwelijks
geëxploiteerd omdat de bodem een uiterst biodivers milieu is en onze kennis van de
verantwoordelijke elementen, tot op heden, zeer fragmentarisch is.
Bij bodemweerbaarheid wordt in het algemeen gedacht aan ziekten en plagen. Maar ook voor
onkruiden geldt dat gronden sterk kunnen verschillen in de mate waarin onkruidpopulaties
zich opbouwen, overleven en tot problemen leiden. Daarnaast spelen onkruiden binnen de
rotatie een belangrijke rol in de overleving van pathogenen maar ook van antagonisten. Het
biologische effect van onkruidzaden in de grond is daardoor veel groter dan je op basis van
het aandeel organische stof in de bodem zou mogen verwachten.
Natuurlijke (biodiverse) bodems kennen een algemene (of natuurlijke) weerstand tegen
bodempathogenen (zie figuur VI.1). Een grote biodiversiteit van bodemflora en -fauna
dempt de verspreiding en de schadelijkheid van bodempathogenen. Dit is een stuurbaar,
maar niet overdraagbaar verschijnsel. Hierboven op hebben we de zogenaamde specifieke
weerbaarheid (zie figuur VI.1). Het gaat hierbij veelal om een beperkt aantal antagonisten.
De specifieke weerbaarheid is in principe zowel stuurbaar als overdraagbaar, mits we het
Figuur VI.2.
Zowel biotische al abiotische factoren dragen bij aan bodemweerbaarheid.
mechanisme van dit beperkt aantal antagonisten in de complexe omgeving begrijpen.
Bodemweerbaarheid is het resultaat van een interactie tussen biologie en fysisch-chemische
eigenschappen van een grond. Zo is de weerbaarheid tegen Pythium, gemeten in diverse
glastuinbouwbedrijven en bloemen- en bollengronden (Van der Wurff et al., 20104), voor
4 Wurff, A.W.G., M.A. van der Slooten, J. Postma en J.Bloem, 2011. Sturen op bodemweerbaarheid, Thema: Doorontwikkelen duurzame gewasbescherming. BO-­12.03-­
180
44% verklaard door biologische en 56% door fysisch-chemische factoren. Voor de
ziekteverwekkers Verticillium dahliae en het wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp.) is dit
respectievelijk 40 en 60% en 25 en 75%. Deze cijfers hebben geen algemene geldigheid
voor alle gronden maar illustreren duidelijk dat zowel biotische als abiotische factoren
bodemweerbaarheid bepalen.
Ziektewering is het gevolg van een groot aantal mechanismen zoals:
t
geschiktheid van een bodem voor vestiging t.g.v. textuur, pH, vochthoudend
vermogen
t
competitie om voedingsstoffen
t
predatie en parasitering van pathogenen door microflora/fauna
t
remming door antimicrobiële stoffen
t
geïnduceerde resistentie.
Het beeld is dat algemene ziektewering door een combinatie van een groot aantal
mechanismen tot stand komt, terwijl specifieke ziektewering te herleiden is tot één of enkele
mechanismen. Meestal antagonisten of parasieten die specifiek één pathogeen onder controle
houden.
Waarom belangrijk?
Ruim een kwart van de Nederlandse bodem is bestemd voor de land- of tuinbouw. Door
intensieve bewerking, inzet van gewasbeschermingsmiddelen tegen belangrijke ziekten en
plagen en meststoffen wordt de bodem gedreven tot optimale gewasproductie. De keerzijde
van de medaille is een verlies aan bodembiodiversiteit, ecosysteemdiensten en ophoping van
bestrijdingsmiddelen, stikstof en fosfaat en emissie daarvan naar grond- en oppervlaktewater.
Het perspectief van het gebruik van de competentie van de bodem tegen ziekten en plagen
wordt onderschreven door de land- en tuinbouworganisatie LTO, het ministerie van EL&I
(voorheen LNV) en de Unie van Waterschappen.
Het verminderen van gewasbeschermingsmiddelen door de sector en het gebruikmaken van
de natuurlijke eigenschappen van de bodem, kan de sector een milieubewust en ‘groen’ imago
opleveren. Internationaal kan het gebruik van innovatieve, duurzame bodemadviessystemen
ter bevordering van bodemweerbaarheid leiden tot een voortrekkersrol van de Nederlandse
tuin- en akkerbouw. Ook worden, door het gebruik van de natuurlijke ‘competentie’ van de
bodem, de ondernemers bewust van bodem en water en dit draagt bij tot het wekken van de
003.01-­002.06 (http://edepot.wur.nl/164629)
BIJLAGEN
181
interesse in duurzame methoden (cultuurverschuiving).
Kennisvraag
Landbouwgronden zijn gebaat bij een zo hoog mogelijke natuurlijke weerbaarheid maar
hoe daarop te sturen? Er zijn veel algemene stelregels die bodemweerbaarheid zouden
bevorderen: ruime vruchtwisseling, gebruik van organische mest, teelt van groenbemesters,
teelt van vlinderbloemigen, inzet van compost en het beperken van grondbewerking. Voor
veel van deze stelregels ontbreekt het bewijs. Verder blijkt dat sommige aspecten sterk
afhankelijk zijn van de grondsoort en de specifieke uitgangssituatie op een perceel. Voor
implementatie in de praktijk is het voor telers van belang nut en noodzaak van maatregelen
te kunnen beoordelen. Opbouw van bodemweerbaarheid kan gepaard gaan met een tijdelijke
verslechtering van de algehele bodemgezondheidssituatie en daarmee samenhangende
opbrengstdaling. Voor een teler is het belangrijk te weten wanneer de opbrengsten weer
naar een aanvaardbaar niveau gaan om te bezien of de omschakelperiode economisch wel
overbrugbaar is.
Onderzoeksgebieden
Om bodemweerbaarheid concreet te maken en actief in te zetten, wordt geprioriteerd op drie
onderwerpen:
1.
Indicatoren voor bodemweerbaarheid. Identificeren van groepen van
bodemorganismen die verantwoordelijk zijn voor algemene en specifieke bodemweerbaarheid
tegen plantbelagers. Dit leidt tot indicatoren voor bodemweerbaarheid. Vaststellen van mate
van weerbaarheid, ziektewerend vermogen, van geselecteerde weerbare bodems t.o.v.
niet weerbare bodems door kwantificering van schadeparameters en populatiedynamische
parameters. Karakterisatie van geselecteerde weerbare en niet weerbare bodems door
DNA-barcode gebaseerde semikwantitatieve bepaling van de bodembiotische diversiteit voor
bacteriën, schimmels en nematoden, aangevuld met onkruidbepalingen. Naast deze biotische
karakterisering zullen standaard fysische en chemische eigenschappen van deze bodems
worden bepaald. Wanneer er andere parameters zijn die zich lenen voor karakterisering
van bodemweerbaarheid, kunnen deze worden meegenomen. Activiteit van bodemleven of
bepaalde eigenschappen kan ook belangrijk zijn. Biotoetsen kunnen worden ontwikkeld om
weerbaarheid te meten.
2.
Ontrafelen van de achterliggende mechanismen. Het combineren van onder
A geïdentificeerde indicatororganismen met ecologische expertise en literatuurgegevens
leidt tot goed onderbouwde hypotheses over de mechanismen die ten grondslag liggen aan
de vastgestelde bodemweerbaarheid. Op het gebied van biotische bodemweerbaarheid
tegen pathogene bacteriën en schimmels zijn in een aantal gevallen de onderliggende
182
principes aangetoond; aanwezigheid van antagonistische Lysobacter-soorten correleerde
met bodemweerbaarheid tegen Rhizoctonia solani AG2, en ziektewering tegen Rhizoctonia
solani AG3 bleek positief gecorreleerd met de microbiële diversiteit. Bodemweerbaarheid
kan o.a. het gevolg zijn van productie van specifieke antibiotica, afbrekende enzymen,
competitie voor essentiële voedselcomponenten, of (myco)parasitisme. Het effect hiervan is
dat plantenpathogenen gedood of sterk in ontwikkeling geremd worden, dan wel gepredeerd
door andere organismen. Eerst wordt bepaald welke metabole processen en producten van
belang zijn voor de weerbaarheid tegen plantenpathogenen. Vervolgens wordt onderzocht hoe
ze in de driehoek rhizosfeer, pathogeen en grondeigenschappen een rol spelen. Tot slot wordt
bekeken of populatieverschuivingen en/of vrijkomen van de juiste metabole producten in de
grond te sturen zijn in experimentele opstellingen zowel in het laboratorium als in het veld.
Doelgerichte gewasveredeling kan zich klassiek richten tegen infectie door ziekten en plagen
(resistentie/tolerantie), maar zodra meer bekend is over de bodem processen kan er ook
gericht veredeld worden op antagonismeversterkende effecten.
3.
Management van bodemweerbaarheid. Testen en implementeren van
praktijkmethoden/managementmaatregelen ter verbetering en/of stimulering van bodemweerbaarheid. Voorvrucht, groenbemesters, organische stof, inbreng van organische
materialen, grondbewerking, kunnen de bodemweerbaarheid beïnvloeden. Het gaat hierbij
om zowel de korte als de lange termijn effecten van maatregelen. Effect van maatregelen op
de ontwikkeling van onkruidpopulaties is integraal onderdeel van de aanpak. De biologische
component van bodemweerbaarheid kan niet op zichzelf worden bezien maar wordt mede
bepaald door de fysische en chemische aspecten van de bodem. Het ontwikkelen van zinvolle
maatregelen heeft alleen kans van slagen wanneer ze integraal worden getoetst op hun
effect op de biologische, fysische en chemische componenten in de bodem. Maatregelen
ter verbetering van bodemweerbaarheid zullen geïntegreerd in totaalpakket van maatregelen
door teler worden uitgevoerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met kosten,
implementatie in teeltschema, maar ook met effecten op uitspoeling van mineralen ed.
Weerbaarheidsmaatregelen hebben ook effect op: waterregulatie, nutriënten beschikbaarheid,
organische stof, CO2 vastlegging, biodiversiteit, ed.
Onderzoeksaanpak bodemweerbaarheid
Kern is dat de aanpak interactief en geïntegreerd is. Dit zowel over disciplines (fysisch,
chemisch en biologisch), grondsoorten (zand, geestgrond, klei en veen) als over
systeemniveaus (maatregelen in praktijk, proefveldlocaties, potproeven, laboratorium).
In samenspraak met praktijk wordt gezocht naar percelen waar bodemweerbaarheid is
geconstateerd. Deze gronden worden systematisch geanalyseerd om de mechanismen van
de geconstateerde weerbaarheid te achterhalen. Via monitoring wordt de ontwikkeling van
BIJLAGEN
183
ziekten, plagen en onkruiden op dergelijke percelen in kaart gebracht. In integrale veldproeven
worden maatregelen getoetst en beoordeeld op korte en lange termijn effecten. Zowel in veld,
potproeven en laboratorium worden onder gecontroleerde omstandigheden mechanismen
onderzocht. Nieuwe hieruit voortvloeiende maatregelen worden in de veldproeven getoetst en
daarna breed weggezet op praktijkpercelen.
Monitoringstechnieken om bodemweerbaarheid objectief te kunnen meten worden ontwikkeld
en getoetst. Het gaat hierbij om zowel klassieke technieken als de nu in ontwikkeling zijnde
DNA methoden. Deze iteratieve, multidisciplinaire aanpak geeft een sterke impuls aan de
integratie van onderzoeksprojecten en de ontwikkeling van geïntegreerde maatregelen
waarmee ziekten, plagen en onkruiden worden beheerst, nutriënten en chemie optimaal
worden ingezet.
Momenteel lopen er onderzoeksprojecten in de verschillende sectoren (bollen,
akkerbouw, vollegrondsgroenten) waarbij maatregelen gezocht en getoetst worden
om bodemweerbaarheid te stimuleren. Hierbij wordt onderzoek op diverse niveaus
(maatregelen in praktijk, proefveldlocaties, potproeven, laboratorium) uitgevoerd, en
met elkaar verbonden waar mogelijk. Er is gefragmenteerde kennis aanwezig t.a.v.
maatregelen die bodemweerbaarheid van bepaalde ziekten en plagen kunnen stimuleren.
Hoe deze maatregelen in de praktijk uitwerken (effect op andere ziektes, invloed op
andere teeltaspecten, effectiviteit onder verschillende omstandigheden) is veelal nog
onbekend. Er zijn echter ook nog veel ziekten en plagen waarvoor geen maatregelen of
bodemeigenschappen bekend zijn die betrekking hebben op bodemweerbaarheid.
Functionele bodembiodiversiteit in de fruitteelt
Een onderwerp dat zich meer specifiek op de biodiversiteit van bepaalde groepen
organismen richt, speelt zich af in de fruitteelt. Er is, met name in Utrecht, veel aandacht voor
bovengrondse en ondergrondse biodiversiteit. Deze hangen met elkaar samen. Sommige
organismen zoals regenwormen en oorwormen zijn heel belangrijk of functioneel bij de teelt
van peer. Regenwormen spelen een rol bij het verbeteren van de bodemstructuur van de
grond en dragen zo indirect bij aan het voorkomen van ziekten. Oorwormen zijn belangrijk
voor het bestrijden van plagen. Een gedeelte van hun levenscyclus speelt zich in de bodem af.
Regenwormen en oorwormen zijn niet altijd in voldoende mate aanwezig. Het stimuleren van
deze organismen is dus zowel vanuit het oogpunt van biodiversiteit als vanuit functionaliteit
van belang.
Het stimuleren van bodembiodiversiteit in het algemeen is hoogstwaarschijnlijk ook van
belang voor de fruitteler omdat hiermee de aanwezigheid van regenwormen en oorwormen
184
ondersteund wordt (oorwormen eten bijvoorbeeld bodemmijten en bodemspringstaarten) en
omdat er daarnaast hoogstwaarschijnlijk nog tal van andere onbekende functionaliteitsrelaties
zijn. Voor het verhogen van de bodembiodiversiteit in het algemeen en het stimuleren van
regen- en oorwormen in het bijzonder is ondermeer aangepast bodembeheer van belang. Het
bodemleven is immers gebaat bij aanvoer van organische stof, zoals dat ook in de biologische
fruitteelt gebeurd. Een onderdeel van het aangepast bodembeheer is dan ook de overgang
van 100% kunstmest naar een combinatie van kunstmest en organische stof. Hierbij moet
binnen de steeds dalende gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat gebleven worden. Ook
moet de teeltkundige noodzakelijke verhoging van de fosfaatopname gerealiseerd worden.
Hierbij zouden mycorrhiza’s een belangrijke rol kunnen spelen. Al deze aanpassingen maken
het bodembeheer duurzamer.
Als randvoorwaarde voor het verhogen van de bodembiodiversiteit is het van belang dat het
gebruik van sommige gewasbeschermings- en onkruidbestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk
vermeden wordt, omdat die door hun giftigheid het bodemleven belemmeren.
Dit onderzoek kan en moet in nauwe samenwerking met de praktijk worden uitgevoerd, gezien
de duidelijke interesse vanuit de fruittelers zelf.
Beleid, praktijk en autonome ontwikkelingen
Met name het beleid rondom de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten
heeft veel impact op de ontwikkeling van bodemweerbaarheid.
Hieronder worden vier voorbeelden toegelicht:
t
Sanering van bodemziekten wordt chemisch uitgevoerd door de inzet van
natte grondontsmetting. Op dit moment is Monam het enige toegelaten
middel dat eenmaal per 5 jaar op een perceel mag worden toegepast.
Dit middel heeft zowel nematicide als fungicide als ook herbicide werking
met een breed werkingsspectrum. Deze maatregel heeft een groot
effect op het bodemleven. Het is onduidelijk of eventueel aanwezige
bodemweerbaarheid irreversibel wordt beïnvloed. Tot midden jaren tachtig
was natte grondontsmetting de basismaatregel voor de beheersing van
nematoden. Nu is dit het vangnet voor complexe situaties binnen de
aaltjesbeheersingsstrategie. Ook internationaal is er door het totaal
verbod op methylbromide (2015) veel vraag naar alternatieven om de
bodemgezondheid op peil te houden. Innovaties die wij in Nederland op dit
vlak ontwikkelen zullen dan ook internationaal aftrek vinden. Het ingezette
beleid maakt de ontwikkeling van resistente rassen, vanggewassen en niet
chemische grondontsmettingsmethoden van belang.
BIJLAGEN
185
t
t
t
Verscherpte regelgeving rondom quarantaine-organismen, zoals ingezet per
1-07-2010 voor aardappelmoeheid, en Meloidogyne chitwoodi leidt ertoe
dat telers minder risico durven nemen en weer preventief nematiciden en
nematostatica gaan inzetten. Daar waar dit niet mogelijk is of te duur is,
zullen telers hun toevlucht moeten nemen tot het inhuren van extra land
of aankopen van nieuwe aaltjesvrije grond. Signalen zijn aanwezig dat
dit proces een schaarste aan gezonde grond genereert, waardoor in de
toekomst teelten (zoals bloembollen) weleens teloor zouden kunnen gaan in
Nederland. Er is daardoor behoefte aan de ontwikkeling van een indicator
voor grondprijzen voor ‘gezonde bodems’.
De regelgeving rondom nutriënten leidt tot het telen op het scherpst van
de snede. De verwachting is dat schadedrempels naar beneden gaan en de
impact van wortelaantastingen toeneemt omdat de plant alle doorworteling
nodig heeft om aan voldoende voedingsstoffen te komen.
De verplichte inzaai van groenbemesters na maïs heeft ongewenste
bijeffecten op de overwintering van een aantal nematoden en
bodemschimmels. De impact is nog niet duidelijk.
Andere knelpunten m.b.t. bodemweerbaarheid
Aandacht voor bodem en bodemgezondheid is er op huurland onvoldoende. Daar komt nog bij
dat dit juist percelen zijn waar gespecialiseerde telers van uitgangsmateriaal (pootgoed, lelies,
tulpen) hun productie vandaan halen. Hoe meet je snel de kwaliteit van huurland en wie zorgt
voor de lange termijn?
Schaalvergroting leidt tot minder aandacht per m2. Problemen worden pas later
geconstateerd. Toenemende intensivering/specialisatie en daaraan gepaarde landruil of -huur
(vermijding ziektedruk) maakt tevens dat investeren in OS zich niet terugbetaalt; de teler komt
immers na gebruik vele jaren niet terug op hetzelfde perceel.
Er komen producten op de markt met veel pretenties waarvan de deugdzaamheid niet van is
aangetoond. Telers hebben niet de informatie om het onderscheid te maken tussen goede
marketing en daadwerkelijke effectiviteit. Hoe kan je dit (goedkoop) screenen (bijv. middels
biotoetsen?).
186
BIJLAGE VII - OVERZICHT MEERJARIGE
VELDPROEVEN
Bodemeigenschappen veranderen slechts zeer geleidelijk. Daarom dienen bodembeheersmaatregelen vaak een langere perioden te worden toegepast, voordat verschillen
zichtbaar worden. Als gevolg zijn meerjarige veldproeven nodig. Voor een vlotte start van
bodemonderzoek kan gebruik gemaakt worden van reeds lopende proeven. Daarom wordt
hier een overzicht gegeven van de lopende proeven in Nederland en Vlaanderen die een rol
kunnen spelen in een nieuw BO-programma Bodem.
Bedrijfssystemenonderzoek Vredepeel/Nutriënten Waterproof
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
aanvoer
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO-thema:
Onderzoekthema's:
PPO AGV
Janjo de Haan
Vredepeel
zand
1989 bedrijfssystemenonderzoek, 2001 verschillen in OS2010
12-03-001 (2010), ca. k€ 150, 2005-2009 ca k€ 400
vanaf 2001 stikstofuitspoeling
Doel van onderzoek was het ontwikkelen van geïntegreerde en biologische bedrijfssystemen
in de open teelten op zandgronden die voldoen aan maatschappelijke randvoorwaarden. De
afgelopen jaren was de systeemontwikkeling vooral gericht op verminderen stikstofuitspoeling
naar grond- en oppervlaktewater. Randvoorwaarden binnen deze systeemontwikkeling waren
rendabiliteit van systemen, handhaving opbrengsten en kwaliteit gewassen en instandhouding
bodemvruchtbaarheid.
Opzet: (proef met herhalingen, systeem zonder herhalingen etc.): systeemonderzoek
met volledige vruchtwisseling zonder herhalingen: biologisch systeem met 6-jarige
vruchtwisseling en geïntegreerd systeem met 6-jarige vruchtwisseling. Binnen het
geïntegreerde bedrijfssysteem zijn vanaf 2001 twee deelsystemen ontwikkeld: één met
minimale organischestofaanvoer (geen gebruik van organische mest) en één met ‘normale’
OS-aanvoer. Het biologische systeem had een veel hogere OS-aanvoer dan de geïntegreerde.
De vruchtwisselingen verschillen tussen biologisch en geïntegreerd vanwege de aard van de
systemen (o.a. noodzaak/wens voor inzet van vlinderbloemige in biologisch systeem).
BIJLAGEN
187
Argumentatie waarom voortzetting van waarde is: vanaf 2006 zijn verschillen te zien
tussen de twee geïntegreerde deelsystemen. Vanaf 2007 heeft dit ook duidelijk effect op
de opbrengsten. We kunnen nog niet duidelijk aangeven welke bodemkenmerken tot deze
verschillen leidt. De verwachting is dat de verschillen de komende jaren groter worden en dat
dan beter is aan te geven wat de oorzaak is van de verschillen. Goed organisch stofbeheer is
belangrijk, zeker gezien dat aanvoer van organische stof lastiger is bij aangescherpte stikstof
en fosfaatgebruiksnormen op zandgronden. Vraag is ook of emissies van (vooral stikstof)
beperkt kunnen worden bij een beter organisch stofbeheer van de bodem. Van de proefvelden
zijn vanaf de start veel gegevens beschikbaar die kunnen worden gebruikt.
BODEM (gezondheid) binnen bedrijfssystemen
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO
Cofinanciering door:
Onderzoekthema's:
Opzet:
PPO AGV
G.W. Korthals
Vredepeel (Limburg)
zand
2006
2011
plantgezondheid/KB-thema
PT tot 2010, KB tot 2011
bodemkwaliteit, aaltjes, schimmels, duurzame teelt,
biodiversiteit, monitoring etc.
grote veldproef met 4 systemen, 10 maatregelen, in 4
herhalingen, totaal 160 plots van 36 m2
BASIS (Broekemahoeve, Applied Soil Innovation Systems)
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO-thema
Cofinanciering door:
Onderzoekthema's:
Opzet:
188
PPO-Wageningen UR
D. van Balen ([email protected])
Lelystad
jonge zeeklei
2009
2012
Duurzame Bodem (BO-12.03-001), Duurzame en vitale bodems
(B)-12.10-005)/KB-thema Bodem in Breder perspectief KB4
Wageningen UR en SPF 2009 tot 2012
(nutriënten, bodemleven (wormen, aaltjesgemeenschappen),
fysische bodemvruchtbaarheid, broeikasgassen
In een gangbaar én een biologische bedrijfssysteem worden
jaarlijks in 2 respectievelijk 3 percelen het effect van
grondbewerking vergeleken. Er worden 3 vormen van
grondbewerking vergeleken (ploegen, niet-kerend, minimale
grondbewerking. De 3 behandelingen liggen in 4 herhalingen
Rijpadenteelt Flevoland
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO:
Onderzoekthema:
Opzet:
PRI
Bert Vermeulen ([email protected])
Ens, biologisch bedrijf Van Strien
lichte zavel
2007
2010
Duurzame en vitale bodems (B-12.10-005)
Potentieel vaste rijpaden (100% onbereden bedden) in
combinatie met minimaal noodzakelijke grondbewerking
veldproef, 3 systemen, 4 herhalingen
Gewasbescherming in nieuwe no till-/ridge till-systemen
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO:
Cofinanciering door:
Onderzoeksthema’s:
PPO AGV (i.s.m. PRI en ASG)
Rommie van der Weide
Lelystad
klei
2009
voorlopig 2012, maar wens verdere voorzetting
BO-12.03-003.02 project 007 (100.000 per jaar)
SPF (Stichting Proefbedrijven Flevoland) 2009-2012 (20k€/jaar)
grondbewerkingssystemen, gewasbescherming,
bodemweerbaarheid, en additioneel Nmin-bepalingen door SPF
Opzet:
In het voorjaar van 2009 is een meerjarige blokkenproef
aangelegd waar effectiviteit en haalbaarheid van de verschillende systemen met elkaar
vergeleken en verder geoptimaliseerd kan worden in 2010 en 2011. De uitgangspositie
was hierbij meerjarig grasland waarop vanaf 2009 maïs verbouwd wordt. Dit is zowel
praktijkrelevant als proeftechnisch voordelig omdat de effecten van niet kerend grond
bewerken dan eerder tot een evenwicht komen. Te onderzoeken factoren zijn verschillende
grondbewerkingssystemen waaronder no till-, strip till- en ridge tillmethoden, mulchgewassen
en beheersmethoden van onkruiden en mulch/gewas. Gekozen werd voor het gewas maïs,
gezien perspectieven t.a.v. vermindering kosten en milieubelasting in dit gewas en investeringen profileringsmogelijkheden voor (loonwerk)sector.
BIJLAGEN
189
Herinplantziekte bij fruit
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit
Onderzoekthema's:
Opzet:
PPO BBF en PPO AGV
G.W. Korthals/M. Wenneker
Proeftuin Phillips/Faes Eindhoven
zand
2007
2012
LNV
bodemkwaliteit, aaltjes, schimmels, duurzame teelt,
biodiversiteit, monitoring etc.
grote veldproef met 7 maatregelen, in 5 herhalingen
Bestrijding van Verticillium dahliae bij meerjarig, houtige gewassen
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit
Onderzoekthema's:
Opzet:
PPO AGV
G.W. Korthals/J. Hiemstra
Randwijk (Gelderland, klei) en Vredepeel (Limburg, zand)
klei en zand
2008
2011
PT
bodemkwaliteit, aaltjes, schimmels, duurzame teelt, Bomen,
Roos, biodiversiteit, monitoring etc.
twee grote veldproeven met 6 maatregelen, in 4 herhalingen,
totaal 48 plots van 36 m2
Bestrijding van Meloidogyne minor
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO
Cofinanciering door:
Onderzoekthema's:
Opzet:
190
PPO AGV
G.W. Korthals
Texel (Noord-holland)
marien zand
2008
2011
fytosanitair
n.v.t.
bodemkwaliteit, aaltjes, schimmels, duurzame teelt,
biodiversiteit, monitoring etc.
grote veldproef met 6 maatregelen, in 8 herhalingen, totaal 48
plots van 36 m2
Naam van proef of systeemopzet: Bodemgezondheid in de sierteelt
Coördinerende instelling: Contactpersoon:
Locatie: Grondsoort: Startjaar: Financiering tot jaar: Financiering uit BO:
Cofinanciering door:
Onderzoekthema's:
Opzet:
PPO BBF
Marjan de Boer
Omgeving Lisse
duinzandgrond
2009
2012
12.03.003.01 Doorontwikkelen Gewasbescherming KB4 (zie onderstaand aanpalend project van Gera van Os, de
aanleg van de veldproef met OS-trappen wordt deel ook uit BOproject gefinancierd)
aaltjes, bodemweerbaarheid, organisch stof, microbiologische
parameters
Twee grote veldproeven waaronder de OS-proef zoals hieronder
beschreven en een veldproef maatregelen tegen Pratylenchus
penetrans met 5 behandelingen en 4 herhalingen. (proef met
herhalingen, systeem zonder herhalingen etc.)
Organische stof en bodemweerbaarheid
Coördinerende instelling: Contactpersoon:
Locatie: Lisse
Grondsoort: Startjaar: Financiering tot jaar: Financiering uit
Cofinanciering door: Onderzoekthema's:
Opzet:
splitplot: PPO-BBF
Gera van Os
duinzandgrond
2010
??
KB4-thema Duurzame Landbouw
BO
nutriënten, aaltjes, etc.: bodemweerbaarheid, organische stof
3 OS-niveaus aangelegd in 4 herhalingen: 1.2%, 2.1% en 3.0%
OS
biologische grondonstmetting (BGO), onbehandeld
Uit elk veldje zullen jaarlijks grondmonsters worden getoetst op bodemweerbaarheid in
biotoetsen met Pythium in hyacint, Rhizoctonia solani in tulp en Meloïdogyne hapla in sla.
Doelstelling: inzicht krijgen in effect van het OS-gehalte en BGO op de bodemweerbaarheid.
(proef met herhalingen, systeem zonder herhalingen etc.).
BIJLAGEN
191
GoeddoorGrond
Coördinerende instelling: Contactpersoon:
Locatie: Grondsoort: Startjaar: Financiering tot jaar: Financiering:
Onderzoekthema's
Opzet:
DLV
Gera van Os
Noord-Holland
duinzandgroen
2009
2012
Provincie Noord-Holland, Ministerie VROM
bodemweerbaarheid, biodiversiteit, duurzame bollenteelt
(proef met herhalingen, systeem zonder herhalingen etc.)
Vijf bollentelers in Noord-Holland hebben elk een proefvak aangelegd op hun eigen bedrijf. Elke
teler is een herhaling (5 herhalingen).
Twee teeltsystemen: gangbaar (met normale dosering compost, ca. 30 ton/ha) en duurzaam
(met dubbele dosering compost, ca. 60 ton/ha).
Splitplot: binnen elk teeltsysteem ligt er een factor groenbemesters: bladrammenas, Japanse
haver, geen groenbemester.
In het najaar 2009 en najaar 2011 worden door PPO grondmonsters getoetst op
bodemweerbaarheid in biotoetsen met Pythium in hyacint, Rhizoctonia solani in tulp en
Pratylenchus penetrans in narcis.
Doelstelling: inzicht krijgen in effect van compost en groenbemesters op de
bodemweerbaarheid. Er wordt gezocht naar een relatie tussen fysische, chemische en
biologische bodemparameters en de bodemweerbaarheid, met bijzondere aandacht voor de
biodiversiteit. Geïntegreerde beheersing Pythium-wortelrot
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO thema:
Cofinanciering door:
Onderzoekthema's:
192
PPO BBF Marjan de Boer omgeving Lisse duinzandgrond 2007 2013 PT-gefinancierd
Pythium-wortelrot, geïntegreerde bestrijding inpassen in de
Opzet:
vruchtwisseling (proef met herhalingen, systeem zonder herhalingen etc.) twee
veldproeven met systemen en deels herhalingen op twee locaties
Vruchtwisseling Aver Heino
Op onderzoekslocatie Aver Heino op zandgrond ligt een meerjarige vruchtwisselingsproef
met gras/klaver, maïs en triticale. Deze is gestart in 2001 en beoogd te eindigen in 2012
(voor volledige statistische analyse is in deze proef 11 jaar onderzoek nodig). De proef
werd t/m 2010 gefinancierd vanuit het thema bodem binnen het BO-programma Biologische
Veehouderij. De financiële middelen voor dit programma zijn echter drastisch gekort,
waardoor verreikende keuzes genomen moesten worden. De vruchtwisselingsproef krijgt
geen financiering meer in 2011 en 2012 vanuit het programma biologisch. Hierdoor wordt
de analyse veel beperkter dan oorspronkelijk voorzien, tenzij we elders financiering vinden.
De proef leent zich uitstekend om aanvullende metingen te doen m.b.t. weerbaarheid en
robuustheid.
Droevendaal/Wildekamp
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locatie:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering door:
Onderzoekthema's:
Wageningen University Andries Siepel (Unifarm) Wageningen zand
Wageningen UR
graslandbeheer: 30 à 40 jaar onbemest gras
onbetreden vegetatie velden en zwarte braak, Droevendaal
perceel 13,
door Ron de Goede (ESG)
kikkerpoel, heuvelig grasland
oude graslanden op de Veensteeg (Gerard Derks)
Mest als Kans (MAK)
Het Louis Bolk Instituut onderhoudt een langjarige biologische vergelijkingsproef: proefveld
Mest als Kans. Op dit proefveld zijn gedurende tien jaren consequent twaalf verschillende,
deels in de biologische en deels in de biologisch dynamische landbouw toegelaten
meststoffen toegediend. Een 13e variant betreft een gangbare bemesting met een
uitgebalanceerde kunstmeststrategie.
BIJLAGEN
193
De kenmerken van het proefveld zijn als volgt:
t
dertien verschillende mest- en compostsoorten
t
instandhouding vanaf 1999
t
aangelegd in 4 herhalingen
t
expertstudie in 2009 gaf aan dat belang van de proef breed wordt ingezien
Voor diverse vraagstukken is juist behoefte aan inzicht op effecten op de lange termijn.
Hiervoor is het proefveld MAK bij uitstek geschikt.
Geïntegreerde beheersing van wortelonkruiden
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering uit BO thema:
Onderzoekthema:
PRI
Marleen Riemens
2009
2011
BO-06-013-001
onkruid
Doel van dit project is het in interactie met sectoren en private partijen verbeteren van de
beheersing van meerjarige onkruiden in biologische en geïntegreerde teelt, middels:
1.
kennisverdieping t.a.v. levenscyclus
2.
doorontwikkeling innovaties niet-chemische technieken
Het project is in 2009 gestart als een driejarig project waarbij in het eerste projectjaar een
proefveld ingericht werd. Een aantal waarnemingen aan fenologie en biomassa kon daardoor
in het startjaar en daarop volgende tweede projectjaar verzameld worden, voor proeven met
de nieuwe bestrijdingsmethode bood het eerste jaar echter geen ruimte: de planten moesten
kunnen uitgroeien (het veld besmetten). Het is essentieel dat de proeven die in 2010 gestart
zijn, in 2011 beoordeeld en herhaald kunnen worden. Het betreft onderzoek naar meerjarige
soorten, het effect van de uitgevoerde beheersingsproeven kan daarom alleen in het volgende
jaar beoordeeld worden. Bovendien is het noodzakelijk de proeven in meer dan een jaar uit
te voeren om zo jaarinvloeden te kunnen identificeren en uit te filteren. De grote meerwaarde
van de aanpak binnen dit project, d.w.z. de fundamentele kennisvergaring t.a.v. biomassaontwikkeling en fenologie, gecombineerd met modelontwikkeling en veldexperimenten ligt in
de laatste stap van het project: de koppeling van al deze aspecten. Om deze laatste stap te
kunnen zetten is het essentieel het laatste projectjaar volgens planning te kunnen uitvoeren.
194
Vredepeel systeemonderzoek Nutriënten Waterproof
project is beëindigd, voorbereidingen onderzoek duurzaam bodembeheer
Composteren van preiresten met jonge natuurcompost. Proeven Frank de Ruijter, PRI, locatie?
Duinzand Lisse, Paul Belder
Doel: alternatieven testen voor zware stalmestgiften in de teelt van (broei)hyacint
18 behandelingen. Dubbel opgezet (aangelegd op 2 percelen) wegens minimale
bodemrustduur voor hyacint
Fosfaatbemesting op grasland en bouwland.
Coördinerende instelling:
Contactpersoon:
Locaties:
Grondsoort:
Startjaar:
Financiering tot jaar:
Financiering door:
Onderzoekthema’s:
Alterra met PPO, ASG
Philip Ehlert grasland: Aver Heino, Cranendonk, Lelystad, Zegveld Bouwland: Lelystad, Marknesse, Wijster
diverse
bouwland vanaf 1971, grasland vanaf 1996
??? is nog opgenomen in BO
Wageningen UR
bodemvruchtbaarheid: relatie fosfaatoverschot-fosfaattoestand
GRASLAND
De grasproef bestaat uit vier proefvelden. De proefvelden zijn in het najaar van 1996
aangelegd op: Aver Heino, Cranendonck (beide zandgrond), Waiboerhoeve (jonge zeeklei) en
Zegveld (veengrond). Op ieder proefveld liggen zes behandelingen: fosfaatoverschotten 0, 20
en 40 kg P2O5/ha/jaar, (P00, P20 en P40) op twee N-overschotten 180 en 300 kg N/ha/jaar
(N180 en N300). Onderdeel van de proef is beweiding met jongvee.
t
Zegveld: representatief voor natte veengronden, actuele risico's met uit- en
afspoeling P, op termijn mogelijk risico voor te lage P gehalten in gras bij
evenwichtsbemesting
t
Waiboerhoeve (Lelystad): representatief voor lichte kleigronden, beperkte
risico's met uit- en afspoeling P, grote risico voor te lage drogestofopbrengst
en P-gehalten in gras bij evenwichtsbemesting
t
Heino: representatief voor nattere zandgronden, risico's met uit- en
afspoeling P, risico voor te lage drogestofopbrengst en P-gehalten in gras
bij evenwichtsbemesting. Biologische bedrijfsvoering geeft minder grote
BIJLAGEN
195
t
representativiteit, maar dient wel het belang van de biologische landbouw en
de opzet van de fosfaatproef staat verschillende vormen van bedrijfsvoering
toe
Cranendonck: representatief voor droge zandgronden, geen risico's
met uitspoeling P naar oppervlaktewater en weinig risico's voor
afspoeling, risico voor te lage drogestofopbrengst en P-gehalten in gras bij
evenwichtsbemesting
Op grasland is de ondergrond (>20 cm) nauwelijks/niet verrijkt of verarmd door aangelegde
fosfaatoverschotten.
BOUWLAND
De veeljarige veldproeven op bouwland zijn aangelegd op drie locaties: Lelystad, Marknesse
en Wijster. De veldproeven hebben als behandeling (factor) de fosfaatgift en/of de
fosfaattoestanden. Daarnaast zijn fosfaatvorm en tijdstip van bemesting factoren. Op de
veldproeven worden akkerbouwgewassen en vollegrondsgroenten verbouwd:
t
Lelystad: representatief voor de lichte zeekleigronden die in korte tijd sterk
verrijkt zijn met fosfaat, actuele risico’s met uitspoeling, op termijn mogelijk
risico voor opbrengstderving. Ondergrond (>30 cm) verrijkt afhankelijk van
het overschot. Locatie heeft kwel
t
Marknesse (actieve proef): representatief voor lichte zeekleigronden die over
langere periode verrijkt zijn met fosfaat en nog niet fosfaat lekt. Ondergrond
(> 30 cm) verarmt of verrijkt afhankelijk van het overschot. Locatie kent
overwegend uitspoeling
t
Wijster: representatief voor dekzanden die over langere periode verrijkt zijn
met fosfaat. Hangwaterprofiel
De toestandenveldproef P1801 te Lelystad werd in het najaar van 1986 aangelegd. Van
1987-1990 zijn door verschillende fosfaatbemestingen met tripelsuperfosfaat verschillende
fosfaattoestanden (P1, P2, P3, en P4) tot stand gebracht. Die toestanden worden met
verschillende fosfaatgiften op niveau gehouden. De veldproef heeft vier herhalingen. De
veldproef is in het voorjaar van 2005 per fosfaattoestand opgesplitst in een deel waar de
fosfaatgiften gecontinueerd zijn en een deel dat geen fosfaat meer ontvangt (uitmijnen).
Op de bemeste veldjes werden in 2005 dezelfde hoeveelheden fosfaat gegeven als die
in voorgaande jaren, namelijk 0, 70, 140 en 280 kg P2O5/ha voor respectievelijk de
fosfaattoestanden P1, P2, P3, en P4. Vanaf 2006 is bij P1 op de helft van de veldjes de 0 gift
vervangen door een gift van 70 P2O5/ha.
196
De hoeveelheden veldproef IB0013 werd in 1972 te Marknesse aangelegd. Tot 1986 werden
giften van 0, 80, 160 of 240 kg P2O5/ha toegediend als superfosfaat of als Rhenania
(gloeifosfaat). Na 1986 werden de behandelingen met Rhenania gestopt en op nawerking
gelegd (uitmijnen). Dat wil zeggen dat deze objecten gelijk behandeld zijn als overige
objecten maar dat er geen fosfaat meer werd toegediend. In het najaar van 1990 werden
de veldjes met deze behandeling gebruikt voor het aanleggen van behandelingen met strikte
evenwichtsbemesting (aanvoer is afvoer (=M)) of een veelvoud daarvan (respectievelijk 2M of
3M). De behandeling zonder fosfaatbemesting ligt in acht herhalingen, de behandeling met
fosfaat in vier herhalingen.
De toestanden-hoeveelheden veldproef IB0016 werd in 1971 te Marknesse aangelegd. De proef heeft verschillende onderzoeksdoeleinden gediend. De proefopzet is
daardoor gedurende de periode 1971-1997 in opzet en uitvoering gewijzigd. Door die
verschillende behandelingen zijn verschillen in fosfaatoverschotten waardoor een bereik in
fosfaattoestanden is ontstaan. Vanaf de periode 1998 worden die toestand op de helft van
de veldjes gehandhaafd met jaarlijkse giften van 70 of 100 kg P2O5/ha als tripelsuperfosfaat.
Op de andere helft wordt geen fosfaat meer gegeven. Deze behandelingen liggen over
twee blokken verdeeld. Op deze veldproef worden uitsluitend de fosfaattoestanden van de
bouwvoor (0-25 cm) in de tijd gevolgd.
De hoeveelheden-fosfaatvormen veldproef IB1920 te Wijster werd in 1972 aangelegd. De
fosfaatvormen betreffen superfosfaat, slakkenmeel, thomaskali (mengsel van slakkenmeel en
K60), Rhenania en natuurfosfaat (hyperfos). De giften superfosfaat zijn 45, 90, 180 of 240 kg
P2O5/ha. De overige behandelingen hebben giften van 90 of 180 kg P2O5/ha. Bij superfosfaat
zijn er behandelingen met najaars- en voorjaarsbemesting. Rhenania ligt vanaf 1988 op
nawerking, d.w.z. dat deze objecten dezelfde behandelingen krijgen als overige objecten maar
geen fosfaat meer ontvangen (uitmijnen). In 2000 is het aantal herhalingen teruggebracht van
drie naar twee i.v.m. de verbreding van aangrenzende sloot. De behandeling zonder fosfaat
ligt in viervoud.
Duinzand Lisse, Annette Pronk
Het project duurt tot en met 2011. Doel van het project is om de afbraak van
duinzandgronden vast te stellen en de EOS van stalmest, compost en een combinatie van
stalmest en compost, zodat een OS-balans kan worden doorgerekend met eenvoudige
praktijktoepasbare rekenregels. Het onderzoek omvat onderdelen: veldproef en een
kleinschalige proef met 4 gronden inbakken zonder gewas.
Kleinschalige proef: Er liggen 4 gronden in bakken, 3 duinzandgronden en 1 dekzand grond.
BIJLAGEN
197
Per grond 9 behandelingen, geen gewas.
Behandelingen: Onbehandeld, 22 ton compost/ha, 44 ton compost/ha, 12 ton stalmest/ha,
24 ton stalmest/ha en de combinatie 22 ton compost+12 ton stalmest/ha en 44 ton compost
en 24 ton stalmest/ha. Ook een behandeling met stro en 1 met gewasrest van Astilbe. De
behandelingen worden jaarlijks in het voorjaar toegediend, behalve stro en gewasrest, die
in het najaar worden ondergewerkt. Voor onderwerken organische materialen wordt een
grondmonster gestoken en geanalyseerd op diverse bodemkenmerken.
Veldproef: 3 percelen van dezelfde duingrond met een vruchtwisseling: bol, vaste plant,
zomerbloem. Ieder gewas is jaar aanwezig. Dezelfde behandelingen als in de kleinschalige
proef, alleen geen stro en gewasrest, maar de ontbrekende behandelingen 22 ton compost
met 24 ton stalmest en 44 ton compost met 12 ton stalmest. De organische materialen
worden toegediend zoals dat bij de teelt hoort: voorjaar voor vaste plant en zomerbloem,
zomer voor bol. Voor het onderbrengen wordt een grondmonster gestoken, gearchiveerd en
geanalyseerd op diverse bodemkenmerken.
Een selectie van grondmonsters wordt geanalyseerd op CO2-respiratie in het laboratorium.
Praktijkgegevens over het verloop van de OS op praktijkpercelen en bijbehorende inputs
worden gebruikt om de rekenregels te evalueren.
Proeven in Vlaanderen:
t
t
t
t
t
t
198
langdurige proef ILVO Koolstofopslag onder grasland: zie weblink http://www.
ilvo.vlaanderen.be/NL/Onderzoek/TeeltenOmgeving/Duurzaambodembeheer/
CenNhuishouding/Koolstofopslagondergrasland/tabid/2263/Default.aspx
langdurige proef ILVO Bodembeheer in relatie tot bodemkwaliteit en
ziektedruk – meerjarige veldproef: zie weblink http://www.ilvo.vlaanderen.be/
plant/NL/Onderzoek/TeeltenOmgeving/Duurzaambodembeheer/ProefS15/
tabid/4884/language/nl-BE/Default.aspx
meerjarige bemestingsproef: proefhoeve UGent, sinds 2005. 8 bemestingen.
Partners: UGent, ILVO
Vlaco-proef rond bemesting: proefhoeve UGent, sinds 1997. Partners: UGent,
ILVO, Vlaco. 3 N-trappen, 3 compostdosissen, 2 mengmestbehandelingen.
Monocultuur maïs.
CMC-proef Toepassing boerderijcompost in combinatie met vruchtwisseling.
Proefhoeve UGent, sinds 2004. UGent, ILVO. 3 N-trappen, 2 compostdosissen
vruchtwisselingsproef: proefhoeve Bottelare (HoGent). 11 vruchtwisselingen,
t
t
t
t
t
4 N-trappen. Sinds 2006. Partners: HoGent, UGent, ILVO
bioperceel rond een combinatie van de bodembeheersmaatregelen
composttoepassing bij NKG en een reguliere bemesting met dierlijke mest
waarbij er geploegd wordt. Opgestart in 2005-2006. Teeltrotatie: maïsaardappelen-graan-rode klaver
meerjarige proef te Meulebeke op praktijkperceel opgevolgd door collega
Koen Willekens. Effect niet-kerende bodembewerking en composttoepassing
op bodemconditie en N-benutting. Gewas: groenten. Sinds: najaar 2008.
http://www.ilvo.vlaanderen.be/plant/NL/Onderzoek/TeeltenOmgeving/
Duurzaambodembeheer/BodemconditieNbenutting/tabid/4885/language/nlBE/Default.aspx
meerjarige proef op PCG (proefcentrum voor groenteteelt) i.s.m. ILVO (Koen
Willekens). Gelijkaardig aan de proef in Meulebeke, maar 3 bewerkingstypes
(i.p.v. 2) en slechts 2 herhalingen. Sinds: najaar 2008
roef PCBT (proefcentrum biologische teelt) sinds 2003: meerjarig effect van
verschillende bemestingsstrategieën (o.a. compost) op bodemvruchtbaarheid
in biologische landbouw. Te Beitem (streek Roeselare)
proef POVLT. We weten hier niet het fijne van maar is gelijkaardig aan proef
PCBT denken we. Ze gebruiken in elk geval CMC-compost van ILVO. Te
Beitem (streek Roeselare)
BIJLAGEN
199
BIJLAGE VIII - INVENTARISATIE VAN TOOLS VOOR
SPECIFIEKE ASPECTEN VAN BODEMBEHEER
Lijst is niet uitputtend
Best Practices gewasbescherming Telen met toekomst
Wageningen UR
Best Practices Bemesting Telen met toekomst
Wageningen UR
Vuistregels Zorg voor Zand
Wageningen UR
www.onkruidschema.nl
Wageningen UR
www.aaltjesschema.nl
Wageningen UR
www.nemadecide.com: advisering aaltjesbeheersing
Wageningen UR
NUTMATCH: optimalisatie bemestingplan open teeltbedrijven lange termijn
Wageningen UR
BEX: berekening bedrijfsspecifieke excretie
Wageningen UR
BEP: berekening bedrijfsspecifieke fosfaatnormen
Wageningen UR
MEBOT: milieu en economie van open teeltbedrijven
Wageningen UR
BBPR/DairyWise: optimalisatie melkveebedrijven
Wageningen UR
FARMMIN: optimalisatie nutriëntstromen melkveebedrijven
Wageningen UR
3PS: http://www3.lei.wur.nl/DZW/)
Wageningen UR
NDICEA: dynamische simulatie organische stof en mineralisatie
LBI
Beslissingsondersteunend systeem voor compostgebruik – project Mest als Kans
LBI
Beslissingsondersteunend systeem voor bodemkwaliteit – project Bodem in Zicht
LBI
200
BIJLAGE IX - ECOSYSTEEMDIENSTEN VAN DE
BODEM
Achtergrondinformatie en belang voor huidige visiedocument
duurzaam bodembeheer
Het RIVM (M. Rutgers) heeft in opdracht van VROM en in samenwerking met onder anderen
mensen van Alterra en het LBI het concept ecosysteemdiensten voor de bodem ontwikkeld.
De volgende belangrijke stappen kunnen hierin herkend worden:
t
in het rapport van Rutgers et al. (2005) zijn de ecosysteemdiensten (toen
ecologische diensten genoemd) beschreven (p. 22 en 41)
t
de categorieën bodemgebruik en bodemtypen waarvoor typeringen en
referenties opgesteld dienen te worden zijn geïdentificeerd (Rutgers et
al., 2005, p. 24). Dit zijn de zogenoemde referenties voor biologische
bodemkwaliteit (RBB) (10 categorieën bodemgebruik x bodemtype)
(Rutgers et al., 2007, p.42)
t
er zijn parameters (50) geïdentificeerd waarvan verondersteld wordt dat
ze relatie hebben met de gezondheid van de bodem (Rutgers et al., 2005,
p. 42). De indicatieve betekenis van deze parameters voor bepaalde
ecologische diensten is in expert meetings bepaald (Rutgers et al., 2005, p.
50-51)
t
hieruit zijn 25 te meten factoren geselecteerd, deze zijn afgeleid van de
Bodembiologische indicator (Bobi) (Rutgers et al., 2007, p. 39-40)
t
uiteindelijk zijn data op 285 locaties verdeeld over de 10 referenties
gedurende 10 jaar bodembiologische monitoring in het Landelijk Meetnet
Bodemkwaliteit (LMB) verzameld
t
deze data zijn verwerkt en geven een beeld van biologische bodemkwaliteit:
gemiddelde-gewenste-uitersten e.d. en ook visueel in een ‘amoebe’
(Rutgers et al., 2007, p. 43-52). Door selectie van een aantal duurzame
referenties per categorie (door diverse onderzoekers) kan ook de gewenste
bodemkwaliteit per referentie aangegeven worden (p. 39 Rutgers et al.,
2007)
t
nieuwste stap nu is om de ecologische diensten te vertalen in bodembeheer
(Faber et al., 2009). Op basis van een uitgebreide literatuurstudie worden
praktijkmaatregelen beschreven die de ecosysteemdiensten bevorderen
(Faber et al., 2009, p.102-103)
BIJLAGEN
201
Kort samengevat zijn er dus drie belangrijke stappen gemaakt in het concept
ecosysteemdiensten van de bodem:
t
ecosysteemdiensten van de bodem benoemen
t
referentiegronden selecteren, d.w.z. categorie van bodemgebruik per
bodemtype
t
te analyseren parameters in deze gronden identificeren
De huidige ‘Visie op duurzaam bodembeheer in de landbouw’ heeft dankbaar gebruik
gemaakt van de hierboven beschreven ontwikkelde kennis t.a.v. ecosysteemdiensten van
de bodem. Bodemdiensten (analoog aan ecosysteemdiensten) en verschillende categorieën
bodemgebruik spelen een sleutelrol. In de huidige visie is echter het handelingsperspectief
van de agrariër een belangrijk uitgangspunt, en zijn de doelen die aan de bodem gesteld
worden meer in detail uitgewerkt. Het handelingsperspectief van de agrariër bestaat uit een
aantal typen te gebruiken maatregelen (bodembeheer), waarmee de bodemeigenschappen
beïnvloed kunnen worden.
Referenties
Faber, J.H., G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, J. Bloem, J. Lahr, W.H. Diemont en L.C. Braat,
2009. Ecosysteemdiensten en bodembeheer: maatregelen ter verbetering van biologische
bodemkwaliteit. Rapport 1813, Alterra, Wageningen.
Rutgers, M., C. Mulder, A.J. Schouten, J.J. Bogte, A.M. Breure, J. Bloem, G.A.J.M. Jagers
op Akkerhuis, J.H. Faber, N. van Eekeren, F.W. Smeding, H. Keidel, R.G.M. de Goede en
L. Brussaard, 2005. Typeringen van bodemecosystemen – Duurzaam bodemgebruik met
referenties voor biologische bodemkwaliteit. Rapport 607604007, RIVM, Bilthoven.
Rutgers, M., C. Mulder, A.J. Schouten, J. Bloem, J.J. Bogte, A.M. Breure, L. Brussaard, R.G.M.
de Goede, J.H. Faber, G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, H. Keidel, G. Korthals, F.W. Smeding, C.
ter Berg en N. van Eekeren, 2007. Typeringen van bodemecosysteem in Nederland met tien
referenties voor biologische bodemkwaliteit. Rapport 607604008, RIVM, Bilthoven.
202
COLOFON
Redacteurs
Hein ten Berge en Joeke Postma, Plant Research International,
onderdeel van Wageningen UR
Eindredactie
Ria Dubbeldam, gaw Ontwerp en Communicatie, Wageningen
Ontwerp en vormgeving
Studio Johnnydoes, Utrecht
Drukwerk
OBT, Den Haag
Fotografie
Wageningen UR (University & Research centre),
Foto blz 52: BLGG Agroxpertus, Wageningen
Coördinatie
Afdeling Communicatie Plant Sciences Group
BIJLAGEN
203
204
W A G E N I N G E N U R ( U N I V E R S I T Y & R E S E A R C H C E N T R E)
D R O E V E N D A A L S ES T E EG 1, 670 8 P B WA G E N I N G E N
P O S T B U S 16, 670 0 A A WA G E N I N G E N
Download