BIJLAGE I Luchtvaartuigen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder d

advertisement
EUROPESE
COMMISSIE
Brussel, 7.12.2015
COM(2015) 613 final
ANNEXES 1 to 10
BIJLAGEN
bij
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting
van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad
{SWD(2015) 262 final}
{SWD(2015) 263 final}
NL
NL
BIJLAGE I
Luchtvaartuigen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder d)
Categorieën luchtvaartuigen waarop de verordening niet van toepassing is:
(a)
historische luchtvaartuigen die aan de volgende criteria voldoen:
(i)
eenvoudige luchtvaartuigen waarvan:
–
het oorspronkelijke ontwerp dateert van vóór 1 januari 1955; en
–
de productie is stopgezet vóór 1 januari 1975;
of
(ii)
luchtvaartuigen met een duidelijk historisch belang, dat verband houdt met:
–
deelname aan een opmerkelijke historische gebeurtenis,
–
een belangrijke stap in de ontwikkeling van de luchtvaart, of
–
een belangrijke rol in de strijdkrachten van een lidstaat;
(b)
luchtvaartuigen die specifiek ontworpen of gewijzigd zijn voor onderzoek,
experimentele of wetenschappelijke doeleinden en die naar verwachting in zeer
kleine hoeveelheden zullen worden geproduceerd;
(c)
bemande luchtvaartuigen waarvan ten minste 51 % door een amateur of een nonprofitorganisatie van amateurs is gebouwd voor eigen gebruik en zonder enig
commercieel doel;
(d)
luchtvaartuigen die in dienst van strijdkrachten zijn geweest, tenzij het een type
luchtvaartuig betreft waarvoor het Agentschap een ontwerpnorm heeft vastgesteld;
(e)
vliegtuigen die in landingsconfiguratie een overtreksnelheid of minimale constante
vliegsnelheid van hoogstens 35 knopen gekalibreerde luchtsnelheid (Calibrated Air
Speed, CAS) hebben, en niet meer dan twee zitplaatsen hebben, alsook helikopters
en paramotors met niet meer dan twee zitplaatsen en met een door de lidstaat
geregistreerde maximumstartmassa (Maximum Take Off Mass, MTOM), van niet
meer dan:
(i)
300 kg voor een landvliegtuig/helikopter met één zitplaats;
(ii)
450 kg voor een landvliegtuig/helikopter met twee zitplaatsen;
(iii) 330 kg voor een amfibie- of drijfvliegtuig/helikopter met één zitplaats;
(iv) 495 kg voor een amfibie- of drijfvliegtuig/helikopter met twee zitplaatsen, op
voorwaarde dat, indien het luchtvaartuig zowel dienst doet als drijf- en als
landvliegtuig/helikopter, het onder beide MTOM-grenzen blijft, al naar gelang
van toepassing;
(v)
472,5 kg voor een landvliegtuig met twee zitplaatsen dat is uitgerust met een
op het luchtframe gemonteerd Total Recovery Parachute System;
(vi) 540 kg voor een landvliegtuig met twee zitplaatsen dat is uitgerust met een op
het luchtframe gemonteerd Total Recovery Parachute System en met een
elektrisch aandrijfsysteem;
NL
2
NL
(vii) 315 kg voor een landvliegtuig met één zitplaats dat is uitgerust met een op het
luchtframe gemonteerd Total Recovery Parachute System;
(viii) 365 kg voor een landvliegtuig met één zitplaats dat is uitgerust met een op het
luchtframe gemonteerd Total Recovery Parachute System en met een elektrisch
aandrijfsysteem;
NL
(f)
autogyro's met één of twee zitplaatsen, met een maximumstartmassa die niet hoger is
dan 560 kg;
(g)
zweefvliegtuigen en gemotoriseerde zweefvliegtuigen met een maximumstartmassa
van niet meer dan 250 kg, indien ze over één zitplaats beschikken, of 400 kg, indien
ze over twee zitplaatsen beschikken, met inbegrip van die welke met een aanloop in
de lucht worden gebracht;
(h)
replica’s van luchtvaartuigen die voldoen aan de criteria onder a) of d) hierboven,
waarvan het structureel ontwerp gelijk is aan het oorspronkelijke luchtvaartuig;
(i)
éénpersoonsheteluchtballonnen met een heteluchtvolume van hoogstens 900 m³;
(j)
elk ander bemand luchtvaartuig met een maximale lege massa, inclusief brandstof,
van hoogstens 70 kg.
3
NL
BIJLAGE II
Essentiële eisen met betrekking tot luchtwaardigheid
1.
PRODUCTINTEGRITEIT:
de productintegriteit moet voor de levensduur van het luchtvaartuig gewaarborgd zijn voor
alle voorziene vluchtomstandigheden. De conformiteit met alle voorschriften moet
aangetoond worden door middel van beoordeling of analyse, zo nodig ondersteund door tests.
NL
1.1.
Structuren en materialen:
1.1.1.
De integriteit van de structuur moet worden gewaarborgd, binnen de operationele
begrenzingen van het luchtvaartuig met inbegrip van het aandrijfsysteem, met een
voldoende ruime marge, en gehandhaafd blijven tijdens de levensduur van het
luchtvaartuig.
1.1.2.
Alle onderdelen van het luchtvaartuig waarvan een storing de structurele integriteit
zou kunnen aantasten, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden zonder dat
schadelijke vervormingen of storingen optreden. Dit heeft mede betrekking op alle
onderdelen met een significante massa en de bevestigingsmiddelen daarvan.
(a)
Alle belastingscombinaties die redelijkerwijze te verwachten zijn binnen en in
voldoende mate ook buiten de gewichten, het zwaartepuntbereik, de
operationele begrenzingen en de levensduur van het luchtvaartuig, moeten in
aanmerking worden genomen. Dit heeft mede betrekking op belasting door
windvlagen, manoeuvres, drukverandering, beweegbare oppervlakken, regelen aandrijfsystemen, zowel tijdens de vlucht als op de grond.
(b)
Belastingen en storingen die kunnen optreden bij noodlandingen op land of
water moeten in aanmerking worden genomen.
(c)
Al naar gelang van de soort vluchtuitvoering, moet rekening worden gehouden
met dynamische effecten voor de structurele reactie op die belastingen, waarbij
rekening wordt gehouden met de omvang en configuratie van het luchtvaartuig.
1.1.3.
Het luchtvaartuig mag geen aero-elastische instabiliteit of buitensporige vibraties
vertonen.
1.1.4.
Bij de bouw van het luchtvaartuig moeten fabricagemethoden, procedés en
materialen worden gebruikt die resulteren in bekende, reproduceerbare structurele
eigenschappen. Veranderingen in de materiaalprestaties in verband met de
gebruiksomgeving moeten worden opgegeven.
1.1.5.
In de mate van het mogelijke moet worden gegarandeerd dat de effecten van
cyclische belasting, verslechtering van de gebruiksomgeving, schade door
ongevallen en diverse bronnen de structurele integriteit niet zozeer aantasten dat een
aanvaardbaar sterkteniveau niet meer bereikt wordt. In dit verband moeten de nodige
instructies worden gegeven om de blijvende luchtwaardigheid te garanderen.
1.2.
Aandrijving:
1.2.1.
De integriteit van het aandrijfsysteem (d.w.z. de motor en, waar van toepassing, de
propeller) moet worden aangetoond voor de operationele begrenzingen van het
aandrijfsysteem, met een voldoende ruime marge, en gehandhaafd blijven tijdens de
levensduur van het aandrijfsysteem, rekening houdende met de rol van het
aandrijfsysteem in het algemene veiligheidsconcept van het luchtvaartuig.
4
NL
NL
1.2.2.
Het aandrijfsysteem moet onder alle vluchtomstandigheden binnen de opgegeven
grenzen zijn stuwkracht of vermogen leveren, de effecten en omstandigheden van de
omgeving in aanmerking genomen.
1.2.3.
Het vervaardigingsproces en de voor de vervaardiging van het aandrijfsysteem
gebruikte materialen moeten resulteren in een bekend, reproduceerbaar structureel
gedrag. Veranderingen in de materiaalprestaties in verband met de
gebruiksomgeving moeten worden opgegeven.
1.2.4.
De effecten van cyclische belasting, verslechtering van de gebruiksomgeving en de
operationele omstandigheden, en eventueel daarna optredende storingen aan
onderdelen mogen de integriteit van het aandrijfsysteem niet zozeer aantasten dat
aanvaardbare niveaus niet meer worden bereikt. In dit verband moeten de nodige
instructies worden gegeven om de blijvende luchtwaardigheid te garanderen.
1.2.5.
Voor een veilige en juiste interface tussen aandrijfsysteem en luchtvaartuig moeten
de nodige instructies, gegevens en voorschriften worden verstrekt.
1.3.
Systemen en apparatuur (andere dan niet-geïnstalleerde apparatuur)
1.3.1.
Het luchtvaartuig mag geen ontwerpeigenschappen of kenmerken hebben waarvan
gebleken is dat zij gevaarlijk zijn.
1.3.2.
Het luchtvaartuig, met inbegrip van de systemen en apparatuur die vereist zijn voor
de
beoordeling
van
het
typeontwerp,
of
op
grond
van
de
vluchtuitvoeringsvoorschriften,
moeten
onder
alle
verwachte
vluchtuitvoeringsomstandigheden binnen de operationele begrenzingen van het
luchtvaartuig, met een voldoende ruime marge, de beoogde werking hebben, waarbij
terdege rekening moet worden gehouden met de gebruiksomgeving van het systeem
of de apparatuur. Andere systemen of apparatuur die niet vereist zijn voor de
typecertificering of op grond van de vluchtuitvoeringsvoorschriften, mogen de
veiligheid bij juiste of onjuiste werking niet aantasten, en de goede werking van
andere systemen of apparatuur niet nadelig beïnvloeden. De systemen en apparatuur
moeten bediend kunnen worden zonder dat daarvoor buitengewone vaardigheid of
kracht nodig is.
1.3.3.
De systemen en apparatuur van het luchtvaartuig moeten afzonderlijk en in hun
onderlinge samenhang op zodanige wijze ontworpen zijn dat een ernstige
storingstoestand niet het gevolg kan zijn van één storing waarvan niet is aangetoond
dat die uiterst onwaarschijnlijk is, en er moet een verband van omgekeerde
evenredigheid bestaan tussen de kans op een storingstoestand en de ernst van de
gevolgen daarvan voor het luchtvaartuig en de inzittenden. Met betrekking tot
bovengenoemd criterium van één enkele storing wordt aanvaard dat terdege rekening
moet worden gehouden met de afmetingen en brede configuratie van het
luchtvaartuig, en dat daardoor voor sommige onderdelen en sommige systemen van
helikopters en kleine vleugelvliegtuigen wellicht niet aan dit criterium van een
enkele storing kan worden voldaan.
1.3.4.
De informatie die nodig is voor een veilig vluchtverloop en de informatie over
onveilige factoren moet op duidelijke, consistente en ondubbelzinnige wijze aan de
bemanning, dan wel, waar van toepassing, het onderhoudspersoneel, worden
verstrekt. De systemen, apparatuur en bedieningsinrichtingen, met inbegrip van
aanwijzingen en mededelingen, moeten zodanig ontworpen en geplaatst zijn dat er
een zo gering mogelijke kans is op vergissingen die tot het ontstaan van gevaren
zouden kunnen leiden.
5
NL
NL
1.3.5.
Er moeten in het ontwerp voorzorgsmaatregelen worden genomen om gevaren
waarop een redelijke kans bestaat, met inbegrip van bedreigingen van de
informatiebeveiliging, zowel in als buiten het luchtvaartuig, voor het luchtvaartuig en
de inzittenden zo gering mogelijk te maken, hetgeen mede betrekking heeft op
bescherming tegen de mogelijkheid van een significante storing aan, of de uitval van,
niet-geïnstalleerde apparatuur van het luchtvaartuig.
1.4.
Niet-geïnstalleerde apparatuur:
1.4.1.
De veiligheidsfunctie of veiligheidsrelevante functie van niet-geïnstalleerde
apparatuur moet in alle voorzienbare exploitatieomstandigheden vervuld worden
zoals gepland, tenzij die functie ook met andere middelen kan worden vervuld.
1.4.2.
Niet-geïnstalleerde apparatuur moet kunnen worden zonder bediend dat daarvoor
buitengewone vaardigheid of kracht nodig is.
1.4.3.
Niet-geïnstalleerde apparatuur moet zo zijn ontworpen dat fouten die tot het ontstaan
van gevaren kunnen leiden, tot een minimum worden beperkt.
1.4.4.
Niet-geïnstalleerde apparatuur, of hij nu correct werkt of niet, mag de veiligheid niet
aantasten, en de goede werking van andere apparatuur, systemen of
uitrustingsstukken niet nadelig beïnvloeden.
1.5.
Blijvende luchtwaardigheid:
1.5.1.
Alle nodige documente, waaronder instructies, voor blijvende luchtwaardigheid
moeten worden vastgesteld en ter beschikking gesteld, teneinde te garanderen dat de
luchtwaardigheidsnorm voor het type luchtvaartuig en alle bijbehorende onderdelen
gedurende de gehele levensduur van het luchtvaartuig gehandhaafd blijft.
1.5.2.
Er moeten middelen worden geboden om inspectie, afstelling, smering en demontage
of vervanging van onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur mogelijk te maken
wanneer dat nodig is voor de blijvende luchtwaardigheid.
1.5.3.
De instructies voor blijvende luchtwaardigheid moeten worden verstrekt in de vorm
van een handboek of meerdere handboeken, naar gelang van de hoeveelheid te
verstrekken gegevens. De handboeken moeten onderhouds- en herstellingsinstructies,
onderhoudsinformatie en procedures voor probleemoplossing en inspecties omvatten,
in een praktisch formaat.
1.5.4.
De
instructies
voor
de
blijvende
luchtwaardigheid
moeten
luchtwaardigheidsbeperkingen bevatten waarin alle verplichte termijnen voor
vervanging, inspectie-intervallen en inspectieprocedures zijn vastgelegd.
2.
LUCHTWAARDIGHEIDSASPECTEN VAN PRODUCTGEBRUIK
2.1.
Aangetoond moet worden dat voldoende aandacht is besteed aan de hieronder
vermelde punten om tijdens het gebruik van het product een voldoende hoog
veiligheidsniveau te waarborgen voor de personen aan boord of op de grond:
(a)
Vastgesteld moet worden voor welke soorten vluchtuitvoering het
luchtvaartuig is goedgekeurd en welke beperkingen en gegevens, met inbegrip
van informatie aangaande milieubeperkingen en -prestaties, nodig zijn voor een
veilige vluchtuitvoering.
(b)
Het luchtvaartuig moet onder alle verwachte vluchtuitvoeringsomstandigheden,
ook na het uitvallen van één of, indien van toepassing, meerdere
aandrijfsystemen, veilig gecontroleerd en bestuurd kunnen worden. Er moet
6
NL
voldoende rekening worden gehouden met de kracht van de piloot, de
inrichting van de cockpit, de belasting van de piloot en andere menselijke
factoren, en met de vluchtfase en de duur van de vlucht.
NL
(c)
Een vloeiende overgang van de ene vluchtfase naar de andere moet mogelijk
zijn zonder dat daarvoor onder aannemelijke vluchtuitvoeringsomstandigheden
een buitengewone vaardigheid, oplettendheid, kracht of belasting van de piloot
vereist is.
(d)
Het luchtvaartuig moet zo stabiel zijn dat er geen buitensporige eisen aan de
piloot worden gesteld, rekening houdende met de vluchtfase en de duur van de
vlucht.
(e)
Er moeten procedures worden vastgesteld voor normale vluchtuitvoeringen,
storingen en noodgevallen.
(f)
Er moet voorzien zijn in waarschuwingssignalen of andere tegenmaatregelen
om overschrijding van de normale operationele begrenzingen te voorkomen,
naar gelang van het type luchtvaartuig.
(g)
Het luchtvaartuig en de systemen daarvan moeten zodanige eigenschappen
hebben dat zij het bereiken van de uiterste operationele begrenzingen veilig
kunnen doorstaan.
2.2.
Informatie over vluchtuitvoeringsbeperkingen en andere informatie die nodig is voor
een veilige vluchtuitvoering moeten ter beschikking van de bemanningsleden staan.
2.3.
De producten mogen bij het gebruik niet blootstaan aan gevaar ten gevolge van
ongunstige externe en interne omstandigheden, met inbegrip van
omgevingsomstandigheden.
(a)
Er mag in het bijzonder geen onveilige toestand voor het type vluchtuitvoering
ontstaan als gevolg van blootstelling aan verschijnselen als, onder andere,
ongunstige weersomstandigheden, bliksem, vogelinslag, gebieden met
hoogfrequente straling, ozon en dergelijke, waarvan redelijkerwijs verwacht
mag worden dat zij gedurende het gebruik van het product zullen optreden,
rekening houdende met de grootte en configuratie van het luchtvaartuig.
(b)
Cabinecompartimenten, aangepast aan het type vluchtuitvoering, bieden de
passagiers behoorlijke vervoersomstandigheden en passende bescherming
tegen alle te voorziene gevaren die kunnen voortvloeien uit de vlucht of uit
noodsituaties, met inbegrip van vuur, rook en giftige gassen en de gevolgen
van een snelle drukverlaging, rekening houdende met de grootte en
configuratie van het luchtvaartuig. Er moeten voorzieningen worden getroffen
om inzittenden een redelijke kans te geven ernstig letsel te vermijden en het
luchtvaartuig snel te verlaten en om hen te beschermen tegen de gevolgen van
de remmende krachten in geval van een noodlanding op land of water. Er moet
gezorgd worden voor duidelijke, ondubbelzinnige tekens of mededelingen,
voor zover nodig, om de inzittenden te wijzen op het juiste veilige gedrag en de
plaats en het juiste gebruik van veiligheidsvoorzieningen. De vereiste
veiligheidsvoorzieningen moeten onmiddellijk toegankelijk zijn.
(c)
Bemanningscompartimenten, aangepast aan het type vluchtuitvoering, moeten
zijn ingericht met het oog op het vergemakkelijken van de voor de vlucht
vereiste handelingen, onder meer door middelen die situationeel bewustzijn
verschaffen, en van de beheersing van alle te voorziene situaties en
7
NL
noodgevallen. De omgeving van de bemanningscompartimenten mag het
vermogen van de bemanning om haar taken uit te voeren niet in gevaar
brengen, en het ontwerp moet zodanig zijn dat storingen tijdens de
vluchtuitvoering en onjuiste bediening van de besturingsorganen worden
voorkomen.
3.
ORGANISATIES EN NATUURLIJKE PERSONEN DIE EEN ONTWERP-, VERVAARDIGINGSOF ONDERHOUDSACTIVITEIT UITOEFENEN
3.1.
3.2.
NL
Al naar gelang het type activiteit wordne aan organisaties goedkeuringen verleend
indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(a)
de organisatie beschikt over alle middelen die nodig zijn voor het
toepassingsgebied van haar werkzaamheden. Het gaat daarbij onder meer om
de volgende middelen: faciliteiten, personeel, apparatuur, instrumenten en
materiaal, documentatie voor taken, verantwoordelijkheden en procedures,
toegang tot relevante gegevens en administratie;
(b)
naar gelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet
de organisatie een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze
essentiële eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar
voortdurende verbetering van dit systeem;
(c)
de organisatie moet regelingen treffen met andere bevoegde organisaties, voor
zover nodig, om te garanderen dat de essentiële eisen voor luchtwaardigheid
blijvend worden nageleefd;
(d)
de organisatie moet een systeem van rapportering en/of afhandeling van
voorvallen invoeren, als onderdeel van het onder (b) bedoelde beheersysteem
en de onder (c) bedoelde regelingen, teneinde bij te dragen tot de voortdurende
verbetering van de veiligheid. Het systeem voor de melding van voorvallen
moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 376/2014.
De voorwaarden in punt 3.1, onder c) en d), zijn niet van toepassing op organisaties
voor onderhoudsopleiding.
8
NL
BIJLAGE III
Essentiële eisen met betrekking tot de milieuverenigbaarheid van producten
NL
1.
Producten moeten zodanig zijn ontworpen dat zij zo stil mogelijk zijn, rekening
houdend met punt 4.
2.
Producten moeten zodanig zijn ontworpen dat zij zo weinig mogelijk emissies
uitstoten, rekening houdend met punt 4.
3.
Producten moeten zodanig zijn ontworpen dat de emissies die voortvloeien uit de
verdamping of lozing van vloeistoffen tot een minimum worden beperkt, rekening
houdend met punt 4.
4.
Er moet rekening worden gehouden met de wisselwerking tussen
ontwerpmaatregelen om het geluid tot een minimum te beperken, om emissies te
beperken of om de lozing van vloeistoffen te beperken.
5.
Wanneer het geluid en de emissies van vliegtuigen tot een minimum worden beperkt,
dient rekening te worden gehouden met het totale bereik aan normale
bedrijfsomstandigheden en geografische gebieden waar het lawaai en de emissies
van belang zijn.
6.
De systemen en apparatuur van luchtvaartuigen die vereist zijn om redenen van
milieubescherming moeten zodanig worden ontworpen, vervaardigd en onderhouden
dat ze in alle voorspelbare bedrijfsomstandigheden naar verwachting functioneren.
Hun betrouwbaarheid moet in verhouding staan tot het beoogde effect op de
milieuverenigbaarheid van het product.
7.
De instructies, procedures, middelen, handleidingen, beperkingen en inspecties die
nodig zijn om te garanderen dat een luchtvaartproduct blijvend voldoet aan deze
essentiële eisen, moeten op duidelijke wijze worden vastgesteld en aan de beoogde
gebruikers worden verstrekt.
8.
De organisaties die betrokken zijn bij het ontwerp, de productie en het onderhoud
van luchtvaartproducten moeten:
(a)
over alle middelen beschikken die nodig zijn om ervoor te zorgen dat een
luchtvaartproduct voldoet aan deze essentiële eisen; en
(b)
regelingen treffen met andere relevante organisaties om
te zorgen dat een luchtvaartproduct voldoet aan deze essentiële eisen.
9
NL
BIJLAGE IV
Essentiële eisen voor vliegtuigbemanningen
1.
PILOTENOPLEIDING
1.1.
Algemeen
Een persoon die wordt opgeleid om een luchtvaartuig te besturen moet in educatief,
lichamelijk en mentaal opzicht voldoende zijn ontwikkeld om de relevante
theoretische kennis en praktische vaardigheden te kunnen opdoen, onderhouden en
aantonen.
1.2.
Theoretische kennis
Een piloot moet een kennisniveau bereiken en onderhouden dat passend is voor de in
het luchtvaartuig uit te voeren taken en dat in verhouding staat tot de risico’s die
verbonden zijn aan het type activiteit. Dergelijke kennis omvat ten minste het
volgende:
(a)
luchtvaartwetgeving;
(b)
algemene kennis inzake luchtvaartuigen;
(c)
technische zaken die verband houden met de betreffende categorie van
luchtvaartuigen;
(d)
vluchtprestaties en -planning;
(e)
menselijke prestaties en beperkingen;
(f)
meteorologie;
(g)
navigatie;
(h)
operationele procedures, inclusief middelenbeheer;
(i)
vluchtbeginselen;
(j)
communicatie; en
(k)
niet-technische vaardigheden, met inbegrip van de herkenning en beheersing
van bedreigingen en fouten.
1.3.
Aantonen en onderhouden van theoretische kennis
1.3.1.
Het opdoen en onderhouden van theoretische kennis moet worden aangetoond aan de
hand van voortdurende evaluaties tijdens de opleiding en, waar van toepassing, door
middel van examens.
1.3.2.
Er moet een passend niveau van bekwaamheid in theoretische kennis worden
gehandhaafd. De overeenstemming met deze eis wordt aangetoond door middel van
regelmatige evaluaties, examens, tests of controles. De regelmaat waarmee deze
examens, tests of controles worden uitgevoerd, moet in verhouding staan tot het
risiconiveau van de activiteit.
1.4.
Praktische vaardigheden
Een piloot moet de praktische vaardigheden verwerven en onderhouden welke
passend zijn voor zijn of haar taken in het luchtvaartuig. Dergelijke vaardigheden
moeten in verhouding staan tot de risico’s die verbonden zijn met het type activiteit
NL
10
NL
en moeten, al naar gelang de taken die in het luchtvaartuig worden uitgevoerd, het
volgende omvatten:
(a)
activiteiten vóór en tijdens de vlucht, waaronder bepaling van prestaties van het
luchtvaartuig, bepaling van massa en zwaartepunt, inspectie en onderhoud van
het luchtvaartuig, brandstof-/energieplanning, weerkundige beoordeling,
routeplanning, luchtruimbeperkingen en beschikbaarheid van start- en
landingsbanen;
(b)
bewegingen op het luchtvaartterrein en in het circuit;
(c)
voorzorgsmaatregelen en procedures ter voorkoming van botsingen;
(d)
controle van het luchtvaartuig door middel van externe visuele referentie;
(e)
vliegmanoeuvres, ook in kritieke situaties, en bijbehorende herstelmanoeuvres,
voor zover technisch uitvoerbaar;
(f)
normale en zijwindse start en landing;
(g)
vliegen op uitsluitend instrumenten, al naar gelang van het soort activiteit;
(h)
operationele procedures, waaronder teamvaardigheden en middelenbeheer, al
naar gelang het type vluchtuitvoering, met een- of meerpersoonsbemanning;
(i)
navigatie en toepassing van luchtvaartvoorschriften en bijbehorende
procedures, met gebruik van, voor zover van toepassing, visuele referentie of
navigatiehulpmiddelen;
(j)
abnormale en noodhandelingen, ook naar aanleiding van gesimuleerde defecten
aan de apparatuur van het luchtvaartuig;
(k)
samenwerking
met
communicatieprocedures;
(l)
aspecten die specifiek zijn voor het type luchtvaartuig of de klasse
luchtvaartuigen;
luchtverkeersdiensten
en
naleving
van
(m) aanvullende training in praktische vaardigheden die vereist kunnen zijn om de
risico’s in verband met specifieke activiteiten te verkleinen; en
(n)
NL
niet-technische vaardigheden, met inbegrip van de herkenning en beheersing
van bedreigingen en fouten, met gebruikmaking van een goede
beoordelingsmethode in samenhang met de beoordeling van de technische
vaardigheden.
1.5.
Aantonen en onderhouden van praktische vaardigheden
1.5.1.
Een piloot moet aantonen dat hij in staat is de procedures en manoeuvres uit te
voeren met een mate van bekwaamheid die passend is voor de taken die in het
luchtvaartuig worden uitgeoefend, door:
(a)
vluchten uit te voeren binnen de beperkingen van het luchtvaartuig;
(b)
blijk te geven van goed inzicht en vliegerschap;
(c)
luchtvaartkundige kennis toe te passen;
(d)
te allen tijde het luchtvaartuig onder controle te houden zodat de succesvolle
afloop van een procedure of manoeuvre is verzekerd; en
11
NL
(e)
niet-technische vaardigheden, met inbegrip van de herkenning en beheersing
van bedreigingen en fouten, met gebruikmaking van een goede
beoordelingsmethode in samenhang met de beoordeling van de technische
vaardigheden.
1.5.2.
Er moet een passend niveau van bekwaamheid in praktische vaardigheden worden
gehandhaafd. De overeenstemming met deze eis wordt aangetoond aan de hand van
regelmatige evaluaties, examens, tests of controles. De regelmaat waarmee deze
examens, tests of controles worden uitgevoerd, moet in verhouding staan tot het
risiconiveau van de activiteit.
1.6.
Taalvaardigheid
Een piloot moet aantonen over de taalvaardigheid te beschikken die passend is voor
de taken die in het luchtvaartuig worden uitgeoefend. Deze taalvaardigheit houdt in
dat de piloot in staat is om:
1.7.
(a)
documenten met weerkundige informatie te begrijpen;
(b)
luchtvaartkundige routekaarten, vertrek- en aankomstkaarten en bijbehorende
documenten met luchtvaartinlichtingen te gebruiken; en
(c)
tijdens alle fasen van de vlucht, ook tijdens de voorbereiding, te communiceren
met andere leden van de cockpitbemanning en met luchtvaartnavigatiediensten.
Vluchtnabootsers
Indien een vluchtnabootser (FSTD) wordt gebruikt voor opleidingsdoeleinden, of om
aan te tonen dat een piloot praktische vaardigheden heeft verworven of behouden,
moet deze FSTD geschikt zijn voor een bepaald prestatieniveau op de gebieden die
van belang zijn voor de uitvoering van de betreffende taak. Met name de nabootsing
van de configuratie, besturingseigenschappen, prestaties van het luchtvaartuig en het
gedrag van het boordsysteem moet in voldoende mate overeenkomen met die van het
luchtvaartuig.
1.8.
Opleidingscursus
1.8.1.
Opleiding moet worden verzorgd door middel van een cursus.
1.8.2.
Een opleidingscursus moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
(a)
voor ieder type cursus moet een syllabus worden opgesteld; en
(b)
de opleidingscursus moet zijn onderverdeeld in theoretische kennis en
praktische vlieginstructie (o.a. met een vluchtnabootser), voor zover van
toepassing.
1.9.
Instructeurs
1.9.1.
Theoretische instructie.
Theoretische instructie moet worden gegeven door naar behoren gekwalificeerde
instructeurs. Zij moeten:
1.9.2.
(a)
beschikken over passende kennis op het terrein waarop zij instructie geven; en
(b)
in staat zijn passende instructietechnieken te gebruiken.
Vlieginstructie en instructie in een vluchtnabootser.
Vlieginstructie en instructie in een vluchtnabootser moet worden gegeven door
passend gekwalificeerde instructeurs, die meer bepaald:
NL
12
NL
(a)
voldoen aan de eisen op het vlak van theoretische kennis en ervaring die nodig
zijn voor de instructies die worden gegeven;
(b)
in staat zijn passende instructietechnieken te gebruiken;
(c)
geoefend zijn in de instructietechnieken voor
en -procedures waarop de vlieginstructie gericht is;
(d)
hebben aangetoond in staat te zijn instructie te geven op de terreinen waarvoor
vlieginstructie wordt gegeven, zoals instructie met betrekking tot de
handelingen en procedures vóór de vlucht, na de vlucht en op de grond; en
(e)
regelmatig opfriscursussen volgen om ervoor te zorgen dat de instructienormen
worden onderhouden en geactualiseerd.
de
vliegmanoeuvres
Vlieginstructeurs moeten ook bevoegd zijn om als gezagvoerder op te treden in het
luchtvaartuig waarvoor ze instructie geven, tenzij het gaat om een training voor een
nieuw type luchtvaartuig.
1.10.
Examinatoren
Personen die belast zijn met de beoordeling van de vaardigheid van piloten moeten:
2.
(a)
voldoen aan de eisen die worden gesteld aan vlieginstructeurs of
vliegsimulatie-instructeurs; en
(b)
het vermogen hebben om de prestaties van een piloot te beoordelen en
vluchttests en -controles uit te voeren.
ERVARINGSEISEN - PILOTEN
Iemand die als lid van de cockpitbemanning instructeur of examinator optreedt moet
voldoende ervaring voor de uitgeoefende functies verwerven en onderhouden, tenzij
volgens de gedelegeerde handelingen bekwaamheid moet worden aangetoond
overeenkomstig punt 1.5.
3.
MEDISCHE GESCHIKTHEID - PILOTEN
3.1.
Medische criteria
3.1.1.
Iedere piloot moet op periodieke basis aantonen dat hij medisch geschikt is om zijn
taken te kunnen uitvoeren, rekening houdend met het type activiteit.
Overeenstemming met deze eis moet worden aangetoond door middel van een
passende beoordeling welke is gebaseerd op beste praktijken uit de
luchtvaartgeneeskunde en waarbij rekening wordt gehouden met het type activiteit en
met eventuele negatieve mentale en lichamelijke gevolgen van het ouder worden.
Onder medische geschiktheid, waaronder zowel lichamelijke als mentale
geschiktheid begrepen is, wordt verstaan dat de piloot geen aandoening of handicap
heeft die het hem onmogelijk maakt:
NL
(a)
de taken uit te voeren die nodig zijn om een luchtvaartuig te besturen;
(b)
op ieder moment de hem toegewezen taken uit te voeren; of
(c)
zijn of haar omgeving correct te interpreteren.
13
NL
3.1.2.
Indien de medische geschiktheid niet volledig kan worden aangetoond, kunnen
corrigerende maatregelen worden toegepast welke een gelijkwaardig niveau van
vluchtveiligheid garanderen.
3.2.
Luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen
Een luchtvaartgeneeskundig keuringsarts moet:
3.3.
(a)
over kwalificaties en vergunningen beschikken voor het uitoefenen van de
geneeskunde;
(b)
onderwijs in de luchtvaartgeneeskunde hebben genoten en opfriscursussen in
de luchtvaartgeneeskunde hebben gevolgd om te waarborgen dat de normen
voor beoordeling up-to-date blijven; en
(c)
praktijkkennis en -ervaring hebben opgedaan omtrent de omstandigheden
waarin piloten hun activiteiten uitoefenen.
Luchtvaartgeneeskundige centra
Luchtvaartgeneeskundige centra moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
(a)
ze moeten beschikken over alle middelen om te kunnen voldoen aan de
verantwoordelijkheden die aan hun rechten zijn verbonden. Het gaat daarbij
onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, uitrusting,
instrumenten en materiaal, documentatie voor taken, verantwoordelijkheden en
procedures, toegang tot relevante gegevens en administratie;
(b)
naar gelang het type van activiteiten en de grootte van de organisatie, een
beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze essentiële eisen wordt
voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende
verbetering van dit systeem; en
(c)
regelingen met andere bevoegde organisaties treffen, voor zover relevant, om
de blijvende naleving van deze eisen te garanderen.
4.
CABINEBEMANNINGSLEDEN
4.1.
Algemeen
Cabinebemanningsleden moeten:
(a)
worden opgeleid en met regelmatige tussenpozen gecontroleerd om een
passend bekwaamheidsniveau te bereiken en te onderhouden, teneinde de hun
toegewezen veiligheidstaken te kunnen vervullen; en
(b)
met regelmatige tussenpozen worden beoordeeld op medische geschiktheid,
teneinde de hun toegewezen veiligheidstaken veilig te kunnen vervullen. De
overeenstemming met deze eis moet worden aangetoond aan de hand van
passende beoordelingen met beproefde methoden op luchtvaartgeneeskundig
gebied.
4.2.
Opleidingscursus
4.2.1.
Wanneer dit passend is voor het type activiteit of voorrechten, moet opleiding
worden verstrekt aan de hand van een cursus.
4.2.2.
Een opleidingscursus moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
(a)
NL
voor ieder type cursus moet een syllabus worden opgesteld; en
14
NL
(b)
4.3.
de opleidingscursus moet zijn onderverdeeld in theoretische kennis en
praktische vlieginstructie (o.a. met een vluchtnabootser), voor zover van
toepassing.
Instructeurs van cabinebemanningsleden
Theoretische instructie moet worden gegeven door naar behoren gekwalificeerde
instructeurs. Deze instructeurs moeten:
4.4.
(a)
beschikken over passende kennis op het terrein waarop zij instructie geven;
(b)
in staat zijn toepasselijke instructietechnieken te gebruiken; en
(c)
regelmatig opfriscursussen volgen om ervoor te zorgen dat de instructienormen
worden onderhouden en geactualiseerd.
Examinatoren van cabinebemanningsleden
Personen die verantwoordelijk
cabinebemanningsleden moeten:
5.
zijn
voor
het
onderzoek
van
(a)
Voldoen aan de eisen voor examinatoren van cabinebemanningsleden; en
(b)
in staat zijn de prestaties van cabinebemanningsleden te beoordelen en
onderzoeken uit te voeren.
OPLEIDINGSORGANISATIES
Een opleidingsorganisatie die pilotenopleidingen of opleidingen
cabinebemanningsleden verzorgt, moet aan de volgende eisen voldoen:
NL
het
van
(a)
ze moet beschikken over alle middelen die nodig zijn voor de
verantwoordelijkheden die verbonden zijn met hun activiteit. Het gaat daarbij
onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, uitrusting,
instrumenten en materiaal, documentatie voor taken, verantwoordelijkheden en
procedures, toegang tot relevante gegevens en administratie;
(b)
naar gelang de verstrekte opleiding en de grootte van de organisatie moet de
organisatie een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze essentiële
eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar
voortdurende verbetering van dit systeem; en
(c)
regelingen met andere relevante organisaties treffen, teneinde de blijvende
naleving van de bovenstaande eisen te garanderen.
15
NL
BIJLAGE V
Essentiële eisen met betrekking tot vluchtuitvoering
1.
ALGEMEEN
1.1.
Een vlucht mag niet worden uitgevoerd indien de bemanningsleden en, voor zover
van toepassing, ieder ander lid van het vluchtuitvoeringspersoneel dat betrokken is
bij de voorbereiding en uitvoering niet bekend zijn met de voor de uitoefening van
hun taken toepasselijke wetten, bepalingen en procedures die gelden in het luchtruim
waarin zal worden gevlogen, op de luchtvaartterreinen waarvan gebruik zal worden
gemaakt, en met betrekking tot de luchtvaartnavigatiefaciliteiten die hiermee verband
houden.
1.2.
Een vlucht moet op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de
vluchtuitvoeringsprocedures vermeld in het vlieghandboek of, eventueel, het
vluchthandboek, voor de voorbereiding en uitvoering van de vlucht worden
opgevolgd. Om een en ander eenvoudiger te laten verlopen dient er een systeem van
controlelijsten beschikbaar te zijn voor gebruik, voor zover van toepassing, door
bemanningsleden in alle fasen van de vluchtuitvoering met het luchtvaartuig in
normale, abnormale en noodomstandigheden en -situaties. Voor iedere noodsituatie
die zich redelijkerwijs zou kunnen voordoen moeten procedures worden vastgelegd.
1.3.
Vóór iedere vlucht moeten de taken en verantwoordelijkheden van ieder
bemanningslid worden bepaald. De gezagvoerder moet verantwoordelijk zijn voor de
veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig en voor de veiligheid van alle
bemanningsleden, passagiers en vracht aan boord.
1.4.
Artikelen of stoffen die mogelijkerwijs een significant risico voor de gezondheid,
veiligheid, eigendommen of het milieu opleveren, zoals gevaarlijke goederen,
wapens en munitie, mogen door geen enkel luchtvaartuig worden vervoerd, tenzij er
specifieke veiligheidsprocedures en -instructies worden toegepast om de
bijbehorende risico’s te verminderen.
1.5.
Alle noodzakelijke gegevens, documenten, verslagen en informatie waarin naleving
van de in punt 5.3 vermelde voorwaarden wordt aangetoond, moeten voor iedere
vlucht worden bewaard en beschikbaar blijven voor een minimumperiode die in
overeenstemming is met het type vluchtuitvoering.
2.
VLUCHTVOORBEREIDING
Een vlucht mag pas worden aangevangen nadat met redelijke middelen is nagegaan
of aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
NL
(a)
Bij de uitvoering van de vlucht moeten passende voorzieningen die
rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de vlucht en voor een veilig gebruik van het
luchtvaartuig beschikbaar zijn, waaronder communicatievoorzieningen en
navigatiehulpmiddelen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met
beschikbare gegevens van luchtvaartinlichtingendiensten.
(b)
De bemanning moet bekend zijn met, en de passagiers moeten op de hoogte
worden gesteld van de locatie en het gebruik van de relevante noodapparatuur.
Bemanning en passagiers dienen voldoende specifieke informatie te krijgen
over de noodprocedures en het gebruik van veiligheidsuitrusting in de cabine.
16
NL
(c)
De gezagvoerder moet ervan overtuigd zijn dat aan de volgende voorwaarden
is voldaan:
(i)
het luchtvaartuig is luchtwaardig, zoals vermeld in punt 6;
(ii)
het luchtvaartuig is, voor zover vereist, op de juiste wijze geregistreerd
en de toepasselijke certificaten in verband hiermee bevinden zich aan
boord van het luchtvaartuig;
(iii) de in punt 5 vermelde instrumenten en uitrusting, welke vereist zijn voor
de uitvoering van de vlucht in kwestie, zijn in het luchtvaartuig
geïnstalleerd en operationeel, tenzij uit hoofde van de toepasselijke
minimumuitrustingslijst (MEL) of een gelijkwaardig document
ontheffing van de betreffende eis is verleend;
(iv) de massa en de zwaartepuntlocatie van het luchtvaartuig zijn zodanig dat
de vlucht kan worden uitgevoerd binnen de in
de
luchtwaardigheidsdocumentatie voorgeschreven limieten;
(v)
alle handbagage, ruimbagage en vracht is op passende wijze geladen en
vastgezet; en
(vi) de beperkingen voor vluchtuitvoering met het luchtvaartuig, als vermeld
in punt 4, zullen op geen enkel moment tijdens de vlucht worden
overschreden.
NL
(d)
De cockpitbemanning moet over informatie beschikken met betrekking tot de
meteorologische omstandigheden op het luchtvaartterrein van vertrek, van
bestemming en, voor zover van toepassing, op uitwijkluchtvaartterreinen, en
met betrekking tot de omstandigheden en-route. Er moet bijzondere aandacht
worden geschonken aan mogelijk gevaarlijke atmosferische omstandigheden.
(e)
Ingeval bekend is of verwacht wordt dat tijdens de vlucht ijsafzetting zal
optreden, moet het luchtvaartuig gecertificeerd, uitgerust en/of behandeld zijn
om onder dergelijke omstandigheden veilig te kunnen functioneren.
(f)
Voor vluchten waarbij op basis van zichtvliegvoorschriften wordt gevlogen,
moeten de meteorologische omstandigheden op de vliegroute zodanig zijn dat
de zichtvliegvoorschriften nageleefd kunnen worden. Voor vluchten waarbij op
basis van instrumentvliegvoorschriften wordt gevlogen, moet van tevoren een
luchtvaartterrein van bestemming en, voor zover van toepassing, een of meer
uitwijkluchtvaartterreinen worden gekozen, met name rekening houdend met
de voorspelde meteorologische omstandigheden, de beschikbaarheid van
luchtvaartnavigatiediensten en grondfaciliteiten, en de procedures voor
instrumentvluchten die zijn goedgekeurd door de staat waarin het
luchtvaartterrein van bestemming en/of het uitwijkluchtvaartterrein is gelegen.
(g)
Er moet voldoende brandstof/energie en verbruiksgoederen aan boord zijn om
te garanderen dat de voorgenomen vlucht veilig kan worden voltooid, rekening
houdend met de meteorologische omstandigheden, iedere mogelijke factor die
de prestaties van het luchtvaartuig kan beïnvloeden en eventuele vertragingen
die worden verwacht tijdens de vlucht. Daarnaast moet een reservevoorraad
brandstof/energie worden meegenomen om het hoofd te kunnen bieden aan
noodsituaties. Indien nodig moeten procedures voor brandstof-/energiebeheer
tijdens de vlucht worden vastgelegd.
17
NL
3.
VLUCHTUITVOERINGEN
Met betrekking tot vluchtuitvoeringen moet aan de volgende voorwaarden worden
voldaan:
NL
(a)
Indien van belang voor het betreffende type luchtvaartuig, moet ieder
bemanningslid tijdens de start en de landing en wanneer de gezagvoerder dit
noodzakelijk acht in het belang van de veiligheid, gezeten zijn op de aan zijn
functie verbonden plaats en moet hij gebruikmaken van het aanwezige
beveiligingssysteem.
(b)
Indien van belang voor het betreffende type luchtvaartuig, moeten alle leden
van de cockpitbemanning die cockpitdienst hebben met vastgegespte
veiligheidsgordels op hun post zijn en blijven, tenzij zij tijdens de vlucht hun
post voor fysiologische of operationele doeleinden moeten verlaten.
(c)
Indien van belang voor het betreffende type luchtvaartuig, moet de
gezagvoerder tijdens start en landing, tijdens het taxiën en wanneer hij dit
nodig acht in het belang van de veiligheid, ervoor zorgen dat iedere passagier
neerzit en zijn veiligheidsgordel goed vastgemaakt is.
(d)
Een vlucht moet op zodanige wijze worden uitgevoerd dat op ieder moment
van de vlucht voldoende separatie met andere luchtvaartuigen in acht wordt
genomen en dat voldoende afstand tot obstakels wordt gehouden. Deze
separatie moet ten minste voldoen aan de eisen voor het type vluchtuitvoering
die zijn vastgesteld in de toepasselijke luchtverkeersregels.
(e)
Een vlucht mag alleen worden voortgezet indien de omstandigheden zoals deze
bekend zijn, ten minste gelijkwaardig blijven aan de omstandigheden vermeld
onder punt 2. Daarnaast mag bij een vlucht op basis van
instrumentvliegvoorschriften de afdaling in de richting van een
luchtvaartterrein alleen onder een bepaalde vastgelegde hoogte of voorbij een
bepaalde positie worden voortgezet wanneer aan bepaalde voorgeschreven
criteria met betrekking tot het zicht is voldaan.
(f)
In een noodsituatie moet de gezagvoerder ervoor zorgen dat alle passagiers
instructies krijgen voor het uitvoeren van de noodhandelingen die onder de
omstandigheden geboden zijn.
(g)
De gezagvoerder moet alle nodige maatregelen nemen om de gevolgen van
storend gedrag van passagiers voor de vlucht tot een minimum te beperken.
(h)
Een luchtvaartuig mag uitsluitend worden getaxied in de bewegingszone van
een luchtvaartterrein, of de rotor mag uitsluitend op motorkracht worden
ingeschakeld, indien de persoon die het luchtvaartuig bedient hiervoor
voldoende bekwaam is.
(i)
Indien nodig, moeten de toepasselijke procedures
/energiebeheer tijdens de vlucht worden toegepast.
voor
brandstof-
4.
PRESTATIES VAN LUCHTVAARTUIGEN EN VLUCHTUITVOERINGSBEPERKINGEN
4.1.
Een luchtvaartuig moet worden bediend in overeenstemming met de
luchtwaardigheidsdocumenten en alle bijbehorende operationele procedures en
beperkingen die zijn vermeld in het goedgekeurde vlieghandboek of in
gelijkwaardige documentatie, al naar gelang van de situatie. De bemanning moet het
18
NL
vlieghandboek of de gelijkwaardige documentatie tot haar beschikking hebben en
deze moeten voor ieder luchtvaartuig geactualiseerd zijn.
NL
4.2.
Onverminderd punt 4.1 mag voor vluchtuitvoeringen met helikopters een korte
vlucht voorbij de HV-curve worden overschreden, voor zover een passend
veiligheidsniveau gewaarborgd is.
4.3.
Het luchtvaartuig moet in overeenstemming met de toepasselijke milieudocumentatie
worden bediend.
4.4.
Een vlucht mag uitsluitend worden aangevangen of voortgezet wanneer de voorziene
prestaties van het luchtvaartuig, rekening houdende met alle factoren die een
wezenlijke invloed hebben op het prestatieniveau van het luchtvaartuig, het mogelijk
maken om, met de geplande operationele massa, alle vluchtfasen uit te voeren binnen
de toepasselijke afstanden/zones en met de minimale hindernisvrije hoogte. Met
name de volgende prestatiefactoren zijn van invloed op de start, vlucht en
nadering/landing:
(a)
vluchtuitvoeringsprocedures;
(b)
drukhoogte op het luchtvaartterrein;
(c)
temperatuur;
(d)
wind;
(e)
afmeting, helling en staat van de start-/landingszone; en
(f)
de staat van het luchtframe, de krachtbron en de systemen, rekening houdend
met mogelijke achteruitgang.
19
NL
NL
4.5.
Met dergelijke factoren moet rekening worden gehouden, hetzij rechtstreeks als
operationele parameters, hetzij onrechtstreeks door middel van toelatingen of
marges, die kunnen worden vermeld in de programmering van prestatiegegevens, al
naar gelang van het type vluchtuitvoering.
5.
INSTRUMENTEN, GEGEVENS EN APPARATUUR
5.1.
Een luchtvaartuig moet zijn uitgerust met alle navigatie-, communicatie- en overige
uitrusting die nodig is voor de voorgenomen vlucht, rekening houdend met de
luchtverkeersreglementen en -regels die van toepassing zijn tijdens iedere fase van de
vlucht.
5.2.
Voor zover relevant moet een luchtvaartuig voorzien zijn van alle nodige medische,
veiligheids-, evacuatie- en overlevingsuitrusting, rekening houdende met de risico’s
die verbonden zijn met de vluchtuitvoeringsgebieden, de routes die gevlogen
worden, de vluchthoogte en de duur van de vlucht.
5.3.
Alle noodzakelijke gegevens voor de uitvoering van de vlucht door de bemanning
moeten zijn geactualiseerd en beschikbaar zijn aan boord van het luchtvaartuig,
rekening houdend met de toepasselijke luchtverkeersbepalingen en -regels,
vluchthoogten en vluchtuitvoeringsgebieden.
6.
BLIJVENDE LUCHTWAARDIGHEID EN MILIEUVERENIGBAARHEID VAN PRODUCTEN
6.1.
Het luchtvaartuig mag uitsluitend worden gebruikt indien:
(a)
het in luchtwaardige toestand verkeert en voldoet aan de toepasselijke eisen
inzake de milieuverenigbaarheid van producten;
(b)
de operationele en nooduitrusting die nodig is voor de voorgenomen vlucht, in
bruikbare toestand verkeert;
(c)
het luchtwaardigheidsbewijs en, indien van toepassing, het geluidscertificaat
van het luchtvaartuig geldig zijn; en
(d)
het onderhoud van het luchtvaartuig is uitgevoerd in overeenstemming is met
de toepasselijke eisen.
6.2.
Vóór iedere vlucht of reeks opeenvolgende vluchten moet het luchtvaartuig worden
geïnspecteerd (aan de vlucht voorafgaande inspectie) om te bepalen of het geschikt is
voor de voorgenomen vlucht.
6.3.
Het luchtvaartuig mag uitsluitend worden gebruikt indien het, na onderhoud voor
zijn taak is vrijgegeven door gekwalificeerde personen of organisaties. Het
ondertekende certificaat van vrijgave voor gebruik moet met name de basisgegevens
omtrent het uitgevoerde onderhoud bevatten.
6.4.
Gegevens die nodig zijn om de luchtwaardigheid en milieuverenigbaarheid van het
luchtvaartuig aan te tonen, moeten worden bijgehouden gedurende de periode die
overeenstemt met de van toepassing zijnde eisen inzake blijvende luchtwaardigheid,
totdat de informatie wordt vervangen door nieuwe informatie die gelijkwaardig is
qua reikwijdte en gedetailleerdheid, maar in geen geval minder dan 24 maanden.
6.5.
Alle wijzigingen en reparaties moeten in overeenstemming zijn met de essentiële
eisen voor luchtwaardigheid en, indien van toepassing, de milieuverenigbaarheid van
producten. De gegevens waarmee wordt aangetoond dat producten beantwoorden aan
20
NL
de eisen inzake luchtwaardigheid en milieuverenigbaarheid, moeten worden
bijgehouden.
6.6.
Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om ervoor te zorgen dat een derde
partij die onderhoud uitvoert, voldoet aan de eisen inzake veiligheid en beveiliging.
7.
BEMANNINGSLEDEN
7.1.
De grootte en de samenstelling van de bemanning dienen te worden bepaald op basis
van de volgende factoren:
(a)
de in de certificering vastgelegde beperkingen van het luchtvaartuig, met
inbegrip van, indien van toepassing, de relevante noodevacuatiedemonstratie;
(b)
de configuratie van het luchtvaartuig; en
(c)
het type en de duur van de vluchtuitvoeringen.
7.2.
De gezagvoerder moet over het gezag beschikken om alle bevelen te geven en iedere
gepaste maatregel te nemen teneinde de vluchtuitvoering veilig te stellen en de
veiligheid van het luchtvaartuig en van de personen en/of eigendommen die erin
worden vervoerd te garanderen.
7.3.
In een noodsituatie, waarbij de vluchtuitvoering of de veiligheid van het
luchtvaartuig en/of de personen aan boord in gevaar komen, moet de gezagvoerder
alle maatregelen nemen die hij/zij noodzakelijk acht in het belang van de veiligheid.
Indien een dergelijke maatregel een schending van de plaatselijke regelgeving of
procedures inhoudt, is het de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder om de
bevoegde plaatselijke autoriteit hiervan onverwijld op de hoogte te brengen.
7.4.
Noodsituaties en abnormale situaties mogen niet worden nagebootst wanneer het
luchtvaartuig passagiers of vracht vervoert.
7.5.
Geen enkel bemanningslid mag zijn vermogen tot het uitvoeren van zijn taken of het
nemen van beslissingen, als gevolg van vermoeidheid, rekening houdend met onder
meer opgebouwde vermoeidheid, slaaptekort, het aantal uitgevoerde vluchten,
nachtdiensten of tijdzonewisselingen, dermate laten verslechteren dat de veiligheid
van de vlucht in gevaar komt. De rustperioden moeten de bemanningsleden
voldoende tijd verschaffen om de effecten van de voorafgaande dienst te overwinnen
en goed uitgerust aan de volgende vluchtdienstperiode te kunnen beginnen.
7.6.
Een bemanningslid mag geen toegewezen taken aan boord van een luchtvaartuig
uitvoeren wanneer hij/zij onder invloed is van psychoactieve stoffen of alcohol, of
wanneer hij/zij niet in staat is deze taken uit te voeren als gevolg van letsel,
vermoeidheid, medicatie, ziekte of andere soortgelijke oorzaken.
8.
AANVULLENDE
8.1.
De exploitatie van luchtvaartuigen voor commercieel luchtvervoer en andere
vluchtuitvoeringen waarvoor een certificaat of verklaring vereist is, mag uitsluitend
plaatsvinden indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
EISEN VOOR COMMERCIEEL LUCHTVERVOER EN ANDERE
VLUCHTUITVOERINGEN WAARVOOR EEN CERTIFICAAT OF VERKLARING VEREIST IS
(a)
NL
de exploitant moet rechtstreeks of via overeenkomsten met derden over de
middelen die nodig zijn gezien de schaal en het toepassingsgebied van de
vluchtuitvoeringen. Hiertoe worden onder meer, maar niet uitsluitend,
gerekend: luchtvaartuigen, faciliteiten, managementstructuur, personeel,
21
NL
uitrusting,
documentatie
met
betrekking
tot
de
opdracht,
verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en
administratie;
(b)
de exploitant mag uitsluitend gebruik maken van voldoende gekwalificeerd en
opgeleid personeel en moet voor de bemanningsleden en ander relevant
personeel opleidings- en controleprogramma’s toepassen en onderhouden;
(c)
de exploitant moet een minimumuitrustingslijst (MEL) of gelijkwaardig
document opstellen, rekening houdend met de volgende punten:
(i)
de vluchtuitvoering met het luchtvaartuig, onder gespecificeerde
omstandigheden, met specifieke instrumenten, uitrustingsstukken of
functies welke bij aanvang van de vlucht niet-operationeel zijn;
(ii)
het document moet voor ieder afzonderlijk luchtvaartuig worden
opgesteld, rekening houdend met de relevante operationele en
onderhoudsomstandigheden van de exploitant; en
(iii) de MEL moet gebaseerd zijn op de basisminimumuitrustingslijst, indien
beschikbaar, en mag niet minder restrictief zijn dan de
basisminimumuitrustingslijst;
NL
(d)
naar gelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet
de exploitant een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze
essentiële eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar
voortdurende verbetering van dit systeem;
(e)
de exploitant moet een systeem voor de melding van voorvallen invoeren, als
onderdeel van het onder d) bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot
de voortdurende verbetering van de veiligheid. Het systeem voor de melding
van voorvallen moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU)
nr. 376/2014.
8.2.
De vluchtuitvoering mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met een
vluchthandboek van de exploitant. Een dergelijk handboek moet voor alle
geëxploiteerde luchtvaartuigen alle nodige instructies, informatie en procedures
bevatten die het vluchtuitvoeringspersoneel nodig heeft om zijn taken te kunnen
uitoefenen. Beperkingen met betrekking tot vluchttijden, vluchtdiensttijden en
rusttijden voor bemanningsleden dienen hierin te zijn vastgelegd. Het
vluchthandboek en eventuele herzieningen ervan moeten in overeenstemming zijn
met het goedgekeurde vlieghandboek en indien nodig worden aangepast.
8.3.
Voor zover van toepassing stelt de exploitant procedures op om de gevolgen van
storend gedrag van passagiers voor de veiligheid van de vlucht tot een minimum te
beperken.
8.4.
De exploitant moet beveiligingsprogramma’s opstellen en onderhouden die zijn
aangepast aan het luchtvaartuig en aan het soort vluchtuitvoering en die met name
betrekking hebben op:
(a)
beveiliging van de cockpit;
(b)
controlelijst voor het doorzoeken van luchtvaartuigen;
(c)
opleidingsprogramma’s; en
22
NL
(d)
NL
bescherming van elektronische en computersystemen tegen opzettelijke en
onopzettelijke storing en misbruik.
8.5.
Indien beveiligingsmaatregelen de veiligheid van de vluchtuitvoering negatief
kunnen beïnvloeden, moeten de risico’s worden beoordeeld en moeten gepaste
procedures worden opgesteld om de veiligheidsrisico’s te beperken; het is mogelijk
dat hiervoor gespecialiseerde apparatuur nodig is.
8.6.
De exploitant moet één piloot van de cockpitbemanning aanwijzen als gezagvoerder.
8.7.
Vermoeidheid moet worden voorkomen door middel van een systeem voor
vermoeidheidsbeheer. Voor een vlucht of een reeks vluchten dient een dergelijk
systeem rekening te houden met de vluchttijd, vluchtdiensttijden, taken, en
aangepaste rusttijden. De beperkingen binnen het systeem voor vermoeidheidsbeheer
moeten rekening houden met alle relevante factoren die bijdragen aan vermoeidheid,
zoals met name het aantal uitgevoerde vluchten, het reizen tussen verschillende
tijdzones, slaaptekort, ontregeling van het dagritme, nachtdiensten, positie, totale
(cumulatieve) diensttijd gedurende een bepaalde periode, verdeling van toegewezen
taken onder bemanningsleden, en het feit of al dan niet gebruik wordt gemaakt van
een uitgebreide bemanning.
8.8.
De exploitant dient ervoor te zorgen dat de in de punten 6.1, 6.4 en 6.5 vermelde
taken worden gecontroleerd door een organisatie die verantwoordelijk is voor het
beheer van de blijvende luchtwaardigheid en die moet voldoen aan de eisen van
bijlage II, punt 3.1, en bijlage III, punten 7 en 8.
8.9.
De exploitant dient ervoor te zorgen dat het uit hoofde van punt 6.3 vereiste
certificaat van vrijgave voor gebruik wordt afgegeven door een organisatie die
gekwalificeerd is voor het onderhoud van producten, onderdelen en nietgeïnstalleerde apparatuur. Deze organisatie moet voldoen aan de eisen van bijlage II,
punt 3.1.
8.10.
De in punt 8.8 bedoelde organisatie moet een organisatiehandboek opstellen dat,
voor het gebruik door en de begeleiding van het betrokken personeel, een
beschrijving bevat van alle procedures van de organisatie met betrekking tot
blijvende luchtwaardigheid.
23
NL
BIJLAGE VI
Essentiële eisen voor gekwalificeerde instanties
1.
De gekwalificeerde instantie ("de instantie"), de directeur ervan en het met de
uitvoering van de certificerings- en toezichtstaken belaste personeel mogen, noch
rechtstreeks, noch als gemachtigd vertegenwoordiger, worden betrokken bij het
ontwerp, de vervaardiging, de verkoop of het onderhoud van de producten,
onderdelen, niet-geïnstalleerde apparatuur, componenten of systemen, noch bij de
exploitatie of het gebruik ervan of de diensten die ermee worden verleend.
Uitwisseling van technische informatie tussen de betrokken organisaties en de
gekwalificeerde instantie wordt door deze bepaling niet uitgesloten.
De bovenstaande bepaling verhindert niet dat een organisatie die is opgezet met het
oog op de bevordering van de vliegsport of recreatieve luchtvaart in aanmerking
komen voor accreditering als gekwalificeerde instantie, op voorwaarde dat zij tot
tevredenheid van de accrediterende autoriteit aantoont dat zij passende regelingen
heeft getroffen om belangenconflicten te voorkomen.
NL
2.
De instantie en het met de uitvoering van de certificerings- en toezichtstaken belaste
personeel moeten hun taken met de grootst mogelijke beroepsintegriteit en
technische bekwaamheid uitvoeren; zij dienen vrij te zijn van elke vorm van druk en
beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling of de uitkomst van
hun certificerings- en toezichtstaken kunnen beïnvloeden, met name door personen
of groepen die belang hebben bij de resultaten van deze werkzaamheden.
3.
De instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige middelen om
de met de uitvoering van het certificerings- en toezichtsproces verbonden technische
en administratieve taken op passende wijze te vervullen; tevens dient de instantie
toegang te hebben tot het nodige materiaal voor uitzonderlijke controles.
4.
De instantie en het met onderzoek belaste personeel moeten:
(a)
een goede technische en beroepsopleiding hebben genoten, of voldoende
kennis of ervaring hebben opgedaan bij relevante activiteiten,
(b)
voldoende kennis bezitten van de voorschriften betreffende de certificeringsen toezichtstaken die zij uitvoeren en voldoende ervaring met die taken
hebben;
(c)
de vereiste bekwaamheid hebben voor het opstellen van verklaringen, dossiers
en rapporten die aantonen dat de certificerings- en toezichtstaken zijn
uitgevoerd.
5.
De onpartijdigheid van het personeel dat met de certificerings- en toezichtstaken is
belast, moet worden gewaarborgd. De bezoldiging van dat personeel mag niet
afhangen van het aantal onderzoeken dat het verricht, noch van de resultaten van die
onderzoeken.
6.
De instantie moet een aansprakelijkheidsverzekering afsluiten, tenzij haar
aansprakelijkheid door een lidstaat overeenkomstig het nationale recht wordt
gedragen.
7.
De personeelsleden van de instantie dienen het beroepsgeheim te bewaren ten
aanzien van alle informatie die hun ter kennis komt tijdens de uitvoering van hun
taken op grond van deze verordening.
24
NL
BIJLAGE VII
Essentiële eisen voor luchtvaartterreinen
1.
FYSIEKE KENMERKEN, INFRASTRUCTUUR EN APPARATUUR
1.1.
Bewegingsgebied
1.1.1.
Een luchtvaartterrein dient een daartoe aangewezen zone te hebben voor het starten
en landen van luchtvaartuigen. Die zone moet aan de volgende voorwaarden
voldoen:
de start- en landingszone dient de juiste afmetingen en kenmerken te hebben
voor de luchtvaartuigen waarvoor zij bestemd is;
(b)
waar van toepassing dient de start- en landingszone voldoende draagvermogen
te hebben voor een voortdurend gebruik door de daarvoor bestemde
luchtvaartuigen. Zones die niet bestemd zijn voor voortdurend gebruik moeten
enkel het gewicht van de luchtvaartuigen kunnen dragen;
(c)
de start- en landingszone dient zodanig te zijn ontworpen dat water kan
afvloeien, teneinde te voorkomen dat plassen een onaanvaardbaar risico
vormen voor de vluchtuitvoering;
(d)
de helling en veranderingen in de helling van de start- en landingszone mogen
niet leiden tot onaanvaardbare risico’s voor de vluchtuitvoering;
(e)
de eigenschappen van het oppervlak van de start- en landingszone dienen
geschikt te zijn voor gebruik door de daartoe bestemde luchtvaartuigen; en
(f)
de start- en landingszone dient vrij te zijn van objecten die een onaanvaardbaar
risico kunnen opleveren voor de vluchtuitvoering.
1.1.2.
Wanneer er meerdere als zodanig aangewezen start- en landingszones zijn, dienen zij
van die aard te zijn dat zij geen onaanvaardbaar risico kunnen opleveren voor de
vluchtuitvoering.
1.1.3.
De als zodanig aangewezen start- en landingszone dient omgeven te zijn door
afgebakende zones. Deze zones zijn bedoeld om luchtvaartuigen te beschermen
wanneer zij eroverheen vliegen tijdens de start of de landing, of om de gevolgen van
te kort binnenkomen of te ver binnenkomen te beperken. Deze zones moeten voldoen
aan de volgende voorwaarden:
1.1.4.
NL
(a)
(a)
de afmetingen van deze zones moeten aangepast zijn aan de geplande
vluchtuitvoeringen;
(b)
de helling en veranderingen in de helling van deze zones mogen geen
onaanvaardbaar risico opleveren voor de vluchtuitvoering;
(c)
de zones dienen vrij te zijn van objecten die een onaanvaardbaar risico kunnen
opleveren voor de vluchtuitvoering. Dit neemt niet weg dat breekbare
apparatuur voor assistentie bij de vluchtuitvoering in die zone geplaatst mag
worden; en
(d)
elk van deze zones dient voldoende draagvermogen te hebben voor het
beoogde doel.
De zones van een luchtvaartterrein die bedoeld zijn voor het taxiën en parkeren van
luchtvaartuigen, en hun onmiddellijke omgeving, dienen zodanig ontworpen te zijn
25
NL
dat onder alle voorziene omstandigheden veilige vluchtuivoering mogelijk is met de
luchtvaartuigen die geacht worden ervan gebruik te maken, en dienen te voldoen aan
de volgende voorwaarden:
NL
(a)
zij dienen voldoende draagvermogen te hebben om het herhaaldelijk taxiën en
parkeren van de daarvoor bestemde luchtvaartuigen aan te kunnen. De zones
die enkel bedoeld zijn voor sporadisch gebruik, moeten enkel het gewicht van
de luchtvaartuigen kunnen dragen;
(b)
zij dienen zodanig ontworpen te zijn dat water kan afvloeien teneinde te
voorkomen dat plassen een onaanvaardbaar risico vormen voor de
vluchtuitvoering;
(c)
de helling en veranderingen in de helling van deze zones mogen geen
onaanvaardbaar risico opleveren voor de vluchtuitvoering;
(d)
de eigenschappen van het oppervlak van deze zones dienen geschikt te zijn
voor gebruik door de daartoe bestemde luchtvaartuigen; en
(e)
deze zones dienen vrij te zijn van objecten die een onaanvaardbaar risico
kunnen opleveren voor luchtvaartuigen. Dit neemt niet weg dat
parkeerapparatuur in specifiek daartoe aangewezen posities of gebieden van
die zones mag worden geplaatst.
26
NL
NL
1.1.5.
Andere infrastructuur die bedoeld is voor gebruik door luchtvaartuigen, dient
zodanig ontworpen te zijn dat hij geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de
luchtvaartuigen die er gebruik van maken.
1.1.6.
Constructies, gebouwen, materieel of opslagterreinen dienen zodanig gesitueerd en
ontworpen te zijn dat zij geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de
vluchtuitvoering.
1.1.7.
Er moet worden gezorgd voor passende middelen om te voorkomen dat onbevoegde
personen of voertuigen toegang krijgen tot het bewegingsgebied. Dit geldt ook voor
dieren die zo groot zijn dat zij een onaanvaardbaar risico vormen voor de
vluchtuitvoering, onverminderd nationale en internationale voorschriften inzake
dierenbescherming.
1.2.
Minimale hindernisvrije hoogte
1.2.1.
Ter bescherming van luchtvaartuigen die onderweg zijn naar een luchtvaartterrein
om er te landen en van luchtvaartuigen die vertrekken vanop een luchtvaartterrein,
dienen aankomst- en vertrekroutes of -zones te worden vastgesteld. Deze routes en
zones zorgen ervoor dat luchtvaartuigen over de benodigde minimale hindernisvrije
hoogte beschikken in het gebied rondom het luchtvaartterrein, waarbij rekening
wordt gehouden met de plaatselijke fysieke kenmerken.
1.2.2.
Deze minimale hindernisvrije hoogte dient te zijn afgestemd op de vluchtfase en het
type vluchtuitvoering. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de
apparatuur die wordt gebruikt voor de positiebepaling van het luchtvaartuig.
1.3.
Visuele en niet-visuele hulpmiddelen en apparatuur van luchtvaartterreinen
1.3.1.
Hulpmiddelen dienen geschikt te zijn voor het beoogde doel, herkenbaar te zijn en
ondubbelzinnige informatie te geven aan gebruikers onder alle beoogde operationele
omstandigheden.
1.3.2.
De apparatuur van luchtvaartterreinen moet onder alle voorziene
gebruiksomstandigheden de beoogde werking hebben. Zowel in normale
gebruiksomstandigheden als in geval van een storing mag de apparatuur van
luchtvaartterreinen geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de veiligheid van de
luchtvaart.
1.3.3.
De hulpmiddelen en hun stroomvoorzieningssysteem moeten zodanig zijn ontworpen
dat storingen niet leiden tot de overdracht van ongeschikte, misleidende of
ontoereikende informatie aan gebruikers of tot de onderbreking van een essentiële
dienst.
1.3.4.
Er dient te worden voorzien in geschikte beveiligingmiddelen om schade aan of
ontregeling van dergelijke hulpmiddelen te voorkomen.
1.3.5.
Stralingsbronnen en de eventuele aanwezigheid van beweeglijke of onbeweeglijke
objecten mogen het functioneren van systemen voor luchtvaartcommunicatie,
navigatie en radartoezicht niet verstoren of nadelig beïnvloeden.
1.3.6.
Aan de relevante medewerkers dient informatie ter beschikking te worden gesteld
over de werking en het gebruik van de apparatuur van luchtvaartterreinen, met
duidelijke vermelding van de omstandigheden die onaanvaardbare risico’s voor de
veiligheid van de luchtvaart opleveren.
1.4.
Informatie over het luchtvaartterrein
27
NL
1.4.1.
Relevante informatie over het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten dient te
worden vastgelegd en geactualiseerd.
1.4.2.
De gegevens dienen accuraat, leesbaar, volledig en ondubbelzinnig te zijn. Er moeten
passende integriteitsniveaus worden aangehouden.
1.4.3.
De informatie dient tijdig ter beschikking worden gesteld van de gebruikers en de
betrokken ANS-verleners, waarbij gebruik wordt gemaakt van een voldoende
betrouwbare en snelle communicatiemethode.
2.
EXPLOITATIE EN BEHEER
2.1.
Verantwoordelijkheden van de exploitant van het luchtvaartterrein
De exploitant van een luchtvaartterrein is verantwoordelijk voor de exploitatie ervan.
De exploitant van een luchtvaartterrein heeft de volgende verantwoordelijkheden:
NL
(a)
hij beschikt rechtstreeks of via overeenkomsten met derde partijen over alle
benodigde middelen om te zorgen voor een veilige exploitatie van
luchtvaartuigen op het luchtvaartterrein. Die middelen omvatten onder meer:
faciliteiten, personeel, uitrusting en materiaal, documentatie voor taken,
verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en
administratie;
(b)
de exploitant van een luchtvaartterrein verifieert dat te allen tijde voldaan
wordt aan de eisen in hoofdstuk 1 of neemt de juiste maatregelen om het risico
van niet-naleving van deze eisen te beperken. Er moeten procedures worden
vastgesteld en toegepast om alle gebruikers tijdig van dergelijke maatregelen
op de hoogte te stellen;
(c)
de exploitant van een luchtvaartterrein moet een passend programma opzetten
en uitvoeren voor het beheer van het risico van wilde dieren;
(d)
de exploitant van een luchtvaartterrein zorgt ervoor, rechtstreeks of via
regelingen met derde partijen, dat bewegingen van voertuigen en personen in
het bewegingsgebied en andere operationele zones worden gecoördineerd met
de bewegingen van luchtvaartuigen om botsingen en schade aan
luchtvaartuigen te voorkomen;
(e)
indien van toepassing zorgt de exploitant van een luchtvaartterrein ervoor dat
procedures zijn vastgesteld en uitgevoerd ter beperking van risico’s in verband
met de exploitatie van luchtvaartterreinen in de winter, bij ongunstige
weersomstandigheden, bij verminderd zicht of tijdens de nacht;
(f)
de exploitant van het luchtvaartterrein moet regelingen treffen met andere
relevante organisaties om te garanderen dat de essentiële eisen voor
luchtvaartterreinen blijvend worden nageleefd. Deze organisaties omvatten,
maar zijn niet beperkt tot: exploitanten van luchtvaartuigen, verleners van
luchtvaartnavigatiediensten, verleners van
grondafhandelingsdiensten,
verleners van platformbeheerdiensten en andere organisaties wier activiteiten
of producten van invloed kunnen zijn op de veiligheid van luchtvaartuigen;
(g)
de exploitant van het luchtvaartterrein gaat na of organisaties die betrokken
zijn bij de opslag en verdeling van brandstof aan luchtvaartuigen over
procedures beschikken om te garanderen dat niet-vervuilde brandstof van de
juiste specificatie aan luchtvaartuigen wordt geleverd;
28
NL
(h)
er worden handboeken voor het onderhoud van apparatuur op
luchtvaartterreinen beschikbaar gesteld en in de praktijk gebruikt. Deze
handboeken
moeten
onderhoudsen
reparatie-instructies,
klantendienstinformatie, informatie over het opsporen van storingen, en
inspectieprocedures bevatten;
(i)
de exploitant van een luchtvaartterrein moet een effectief rampenplan voor het
luchtvaartterrein opstellen en implementeren. Dit plan dient rampenscenario’s
te bestrijken die kunnen plaatsvinden op het luchtvaartterrein en in de
onmiddellijke omgeving ervan. Dit plan zal, indien nodig, worden
gecoördineerd met het rampenplan van de omringende gemeenschap;
(j)
de exploitant van een luchtvaartterrein zorgt ervoor, rechtstreeks of via
overeenkomsten met derden, dat er op het luchtvaartterrein voorzien wordt in
adequate reddings- en brandbestrijdingsdiensten. Deze diensten dienen met
spoed te reageren op ongelukken en incidenten en moeten beschikken over de
nodige apparatuur, blusmiddelen en medewerkers;
(k)
de exploitant van een luchtvaartterrein zet voor de exploitatie en het onderhoud
van het luchtvaartterrein uitsluitend goed opgeleid en gekwalificeerd personeel
in. Hij zorgt ook, rechtstreeks of via overeenkomsten met derden, voor het
uitvoeren en onderhouden van opleiding en het controleren van programma's
om de vaardigheden van al het relevante personeel op peil te houden;
(l)
de exploitant van een luchtvaartterrein zorgt ervoor dat elke persoon die zonder
begeleiding toegang heeft tot het bewegingsgebied of andere operationele
zones, hiervoor voldoende opgeleid en gekwalificeerd is;
(m) de reddings- en brandbestrijdingsmedewerkers moeten voldoende opgeleid en
gekwalificeerd zijn om in de luchtvaartterreinomgeving te functioneren. De
exploitant van het luchtvaartterrein moet opleidings- en controleprogramma’s
opzetten en uitvoeren om de vaardigheden van dit personeel op peil te houden;
en
(n)
NL
iedere reddings- en brandbestrijdingsmedewerker die mogelijk actie moet
komen bij luchtvaartnoodsituaties moet op periodieke basis zijn of haar
medische geschiktheid aantonen om zijn of haar taken naar behoren te kunnen
uitvoeren, rekening houdend met het type activiteit waar het om gaat. Onder
medische geschiktheid, waaronder zowel lichamelijke als mentale geschiktheid
valt, wordt verstaan dat de medewerker geen aandoening of handicap heeft die
het hem onmogelijk maakt de volgende activiteiten uit te oefenen:
–
het uitvoeren van de taken die nodig zijn om in actie te komen bij
luchtvaartnoodsituaties;
–
het op ieder willekeurig moment uitvoeren van aan de medewerker
opgedragen taken; of
–
het op correcte wijze waarnemen van zijn omgeving.
29
NL
2.2.
Beheersystemen
2.2.1.
Al naar gelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet de
exploitant van het luchtvaartterrein een beheersysteem toepassen dat garandeert dat
aan deze essentiële eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven
naar voortdurende verbetering van dit systeem.
2.2.2.
De exploitant van het luchtvaartterrein moet een systeem voor de melding van
voorvallen opzetten, als onderdeel van het in punt 2.2.1 bedoelde beheersysteem,
teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Bij de
analyse van informatie die via dit systeem wordt gemeld, zullen zo nodig de in punt
2,1, onder f), hierboven genoemde partijen worden betrokken. Het systeem voor de
melding van voorvallen moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU)
nr. 376/2014.
2.2.3.
De exploitant van het luchtvaartterrein dient een handboek voor het luchtvaartterrein
op te stellen en te handelen overeenkomstig dat handboek. Een dergelijk handboek
dient alle benodigde instructies, informatie en procedures voor het luchtvaartterrein,
het beheersysteem en het operationele personeel te bevatten, zodat dit personeel zijn
taken kan uitvoeren.
3.
DE OMGEVING VAN HET LUCHTVAARTTERREIN
3.1.
Het luchtruim rondom de bewegingsgebieden van het luchtvaartterrein dient
vrijgehouden te worden van hindernissen, zodat de geplande vluchtuitvoeringen van
luchtvaartuigen op het luchtvaartterrein kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit
onaanvaardbare risico’s oplevert door het ontstaan van obstakels rondom het
luchtvaartterrein. Daartoe moeten vlakken voor het determineren van hindernissen
worden bepaald, toegepast en permanent gecontroleerd teneinde eventuele
hindernissen te identificeren.
3.2.
NL
(a)
Telkens wanneer een object binnen deze vlakken komt, dient te worden
beoordeeld of het al dan niet een onaanvaardbaar risico oplevert. Elk object dat
een onaanvaardbaar risico oplevert, moet worden verwijderd ofwel dienen
passende maatregelen te worden genomen om de luchtvaartuigen die van het
luchtvaartterrein gebruik maken, te beschermen.
(b)
Eventueel nog steeds aanwezige obstakels dienen te worden bekendgemaakt
en, voor zover nodig, gemarkeerd en zichtbaar gemaakt door middel van
verlichting.
Gevaren gerelateerd aan menselijke activiteiten en aan het gebruik van de grond,
zoals opgesomd in de volgende, niet uitputtende lijst, dienen te worden gemonitord.
Het risico dat zij veroorzaken, dient te worden ingeschat en waar nodig ingeperkt:
(a)
elke ontwikkeling of verandering in landgebruik in de omgeving van het
luchtvaartterrein;
(b)
de mogelijkheid van turbulentie veroorzaakt door obstakels;
(c)
het gebruik van gevaarlijke, verwarrende en misleidende verlichting;
(d)
verblinding door grote en sterk reflecterende oppervlakken;
(e)
het instellen van gebieden die ruimte laten aan rondtrekkend wild in de
omgeving van het bewegingsgebied; of
30
NL
(f)
bronnen van onzichtbare straling of de aanwezigheid van beweeglijke of vaste
voorwerpen die het functioneren van systemen voor luchtvaartcommunicatie,
navigatie en toezicht kunnen verstoren of nadelig kunnen beïnvloeden.
3.3.
Er dient een rampenplan voor de plaatselijke gemeenschap te worden opgesteld voor
noodsituaties in de omgeving van het luchtvaartterrein.
4.
GRONDAFHANDELINGSDIENSTEN
4.1.
Verantwoordelijkheden van de verlener van grondafhandelingsdiensten
De verlener van grondafhandelingsdiensten is verantwoordelijk voor de veiligheid
van zijn activiteiten op het luchtvaartterrein. De verlener heeft de volgende
verantwoordelijkheden:
NL
(a)
hij beschikt, rechtstreeks of via overeenkomsten met derden, over alle
benodigde middelen om te zorgen voor veilige dienstverlening op het
luchtvaartterrein. Die middelen omvatten onder meer: faciliteiten, personeel,
uitrusting en materiaal, naleving van de locale procedures van de exploitant
van het luchtvaartterrein, documentatie voor taken, verantwoordelijkheden en
procedures, toegang tot relevante gegevens en administratie;
(b)
de dienstverlener zorgt ervoor dat het functioneren van voertuigen en personen
in het bewegingsgebied en andere operationele zones wordt gecoördineerd met
de bewegingen van luchtvaartuigen om botsingen en schade aan
luchtvaartuigen te voorkomen;
(c)
indien van toepassing zorgt de dienstverlener ervoor dat procedures zijn
vastgesteld en uitgevoerd ter beperking van risico’s in verband met de
exploitatie van luchtvaartterreinen in de winter, bij ongunstige
weersomstandigheden, bij verminderd zicht of tijdens de nacht;
(d)
de dienstverlener moet regelingen treffen met andere relevante organisaties om
te garanderen dat deze essentiële eisen blijvend worden nageleefd. Deze
organisaties omvatten, maar zijn niet beperkt tot: exploitanten van
luchtvaartterreinen, exploitanten van luchtvaartuigen, verleners van
luchtvaartnavigatiediensten en andere organisaties waarvan de activiteiten of
producten van invloed kunnen zijn op de veiligheid van luchtvaartuigen;
(e)
de dienstverlener zorgt er zelf of aan de hand van overeenkomsten met derden
voor dat procedures bestaan om te garanderen dat niet-vervuilde brandstof van
de juiste specificatie aan luchtvaartuigen wordt geleverd;
(f)
de dienstverlener zorgt ervoor dat handboeken voor het onderhoud van
apparatuur beschikbaar zijn en in de praktijk worden gebruikt. Deze
handboeken
moeten
onderhoudsen
reparatie-instructies,
klantendienstinformatie, informatie over het opsporen van storingen en
inspectieprocedures bevatten;
(g)
de dienstverlener maakt alleen gebruik van goed opgeleid en gekwalificeerd
personeel. Hij zorgt ook, rechtstreeks of via overeenkomsten met derden, voor
het opstellen en onderhouden van opleidings- en controleprogramma's om de
vaardigheden van al het relevante personeel op peil te houden.
31
NL
4.2.
Beheersystemen
4.2.1.
Al naar gelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet de
dienstverlener een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze essentiële
eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende
verbetering van dit systeem.
4.2.2.
De dienstverlener moet een systeem voor de melding van voorvallen opzetten, als
onderdeel van het in punt 4.2.1 bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot de
voortdurende verbetering van de veiligheid. Bij de analyse van informatie die via dit
systeem wordt gemeld, zullen zo nodig de in punt 4.1, onder (d), hierboven
genoemde partijen worden betrokken. Het systeem voor de melding van voorvallen
moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 376/2014.
4.2.3.
De dienstverlener moet een handboek opstellen en handelen in overeenstemming met
dat handboek. Dit handboek dient alle noodzakelijke instructies, informatie en
procedures te bevatten voor de dienstverleningsactiviteiten, voor het beheersysteem
en voor de taakuitvoering door het personeel van de dienstverlener.
5.
OVERIGE
De exploitant van het luchtvaartterrein dient erop toe te zien dat, behoudens gevallen waarin
luchtvaartuigen in een noodsituatie verkeren of moeten uitwijken naar een ander
luchtvaartterrein en met uitzondering van bepaalde afhankelijk van het geval te specificeren
omstandigheden, luchtvaartterreinen of delen daarvan niet worden gebruikt door
luchtvaartuigen waarvoor het luchtvaartterrein qua ontwerp en vluchtuitvoeringsprocedures
normaliter niet is bestemd.
NL
32
NL
BIJLAGE VIII
Essentiële eisen voor ATM/ANS en luchtverkeersleiders
NL
1.
GEBRUIK VAN HET LUCHTRUIM
1.1.
De vluchtuitvoering met alle luchtvaartuigen, met uitzondering van die welke
worden ingezet voor de in artikel 2, lid 3, onder a), vermelde activiteiten, dient in alle
vluchtfasen of op het bewegingsgebied van een luchtvaartterrein, plaats te vinden
overeenkomstig de gemeenschappelijke algemene vluchtuitvoeringsvoorschriften en
alle procedures die van toepassing zijn op het gebruik van dat luchtruim.
1.2.
Alle luchtvaartuigen, met uitzondering van die welke worden ingezet voor de in
artikel 2, lid 3, onder a), vermelde activiteiten, dienen uitgerust te zijn met de
vereiste componenten en dienovereenkomstig te worden gebruikt. Componenten die
binnen het ATM/ANS-systeem worden gebruikt, dienen eveneens te voldoen aan de
voorschriften in punt 3.
2.
DIENSTEN
2.1.
Luchtvaartinlichtingen en gegevens die aan luchtruimgebruikers worden
verstrekt met het oog op luchtvaartnavigatie
2.1.1.
De gegevens die als bron worden gebruikt voor luchtvaartinlichtingen, dienen van
voldoende kwaliteit, volledig en actueel te zijn en dienen tijdig te worden verstrekt.
2.1.2.
Luchtvaartinlichtingen dienen nauwkeurig, volledig, actueel, ondubbelzinnig en van
een passend integriteit te zijn en te worden verstrekt in een vorm die afgestemd is op
de gebruikers.
2.1.3.
De verspreiding van dergelijke luchtvaartinlichtingen onder luchtruimgebruikers
dient tijdig te geschieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van voldoende
betrouwbare en snelle communicatiemiddelen die beschermd zijn tegen storingen en
misbruik.
2.2.
Meteorologische inlichtingen
2.2.1.
De gegevens die als bron worden gebruikt voor luchtvaartmeteorologische
inlichtingen dienen van voldoende kwaliteit, volledig en actueel te zijn.
2.2.2.
Voor zover mogelijk dienen luchtvaartmeteorologische inlichtingen nauwkeurig,
volledig, actueel, van een passende integriteit en ondubbelzinnig te zijn om aan de
behoeften van luchtruimgebruikers tegemoet te komen.
2.2.3.
De verspreiding van dergelijke luchtvaartmeteorologische inlichtingen onder
luchtruimgebruikers dient tijdig te geschieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van
voldoende betrouwbare en snelle communicatiemiddelen die beschermd zijn tegen
storingen en misbruik.
2.3.
Luchtverkeersdiensten
2.3.1.
De gegevens die als bron worden gebruikt voor het
luchtverkeersdiensten, dienen correct, volledig en actueel te zijn.
2.3.2.
Luchtverkeersdiensten dienen voldoende nauwkeurig, volledig, actueel en
ondubbelzinnig te zijn om tegemoet te komen aan de veiligheidsbehoeften van
gebruikers.
33
verlenen
van
NL
2.3.3.
Geautomatiseerde instrumenten die informatie of advies aan gebruikers geven,
dienen zodanig te worden ontworpen, vervaardigd en onderhouden dat zij geschikt
zijn voor het beoogde doel.
2.3.4.
Luchtverkeersleidingsdiensten en de hieraan gerelateerde processen dienen voor een
passende separatieafstand tussen luchtvaartuigen te zorgen, botsingen tussen
luchtvaartuigen en obstakels op het bewegingsgebied van het luchtvaartterrein te
voorkomen en, waar nodig, bij te dragen tot de bescherming tegen andere gevaren in
de lucht. Deze diensten en processen dienen een prompte en tijdige coördinatie te
waarborgen tussen alle relevante gebruikers en aangrenzende luchtruimsectoren.
2.3.5.
De communicatie tussen luchtverkeersdiensten en luchtvaartuigen en tussen
relevante luchtverkeersdiensten onderling dient tijdig, duidelijk, correct en
ondubbelzinnig te verlopen en beschermd te zijn tegen verstoring. De communicatie
dient algemeen begrepen te worden en moet, indien van toepassing, door alle
betrokken partijen worden bevestigd.
2.3.6.
Er dienen middelen beschikbaar te zijn om eventuele noodsituaties te detecteren en,
zo nodig, een effectieve opsporings- en reddingsactie in gang te zetten. Deze
middelen
dienen
ten
minste
adequate
waarschuwingsmechanismen,
coördinatiemaatregelen, procedures, middelen en personeel te omvatten om het
verantwoordelijkheidsgebied efficiënt te bestrijken.
2.4.
Communicatiediensten
Communicatiediensten dienen te allen tijde over voldoende functionele capaciteit te
beschikken wat de beschikbaarheid, integriteit, continuïteit en tijdige verlening ervan
betreft. Zij dienen snel te functioneren en beveiligd te zijn tegen misbruik.
2.5.
Navigatiediensten
Navigatiediensten dienen te allen tijde over voldoende functionele capaciteit te
beschikken om informatie ten aanzien van begeleiding, positionering en, indien van
toepassing, timing te kunnen verstrekken. De prestatiecriteria omvatten onder andere
nauwkeurigheid, integriteit, beschikbaarheid en continuïteit van de dienst.
2.6.
Bewakingsdiensten
Bewakingsdiensten dienen de respectieve posities te bepalen van luchtvaartuigen in
de lucht en van andere luchtvaartuigen en grondvoertuigen op het luchtvaartterrein,
waarbij voldoende prestaties moeten worden geleverd op het gebied van
nauwkeurigheid, integriteit, continuïteit en detectiewaarschijnlijkheid.
2.7.
Beheer van de luchtverkeersstromen
Bij het tactische beheer van de luchtverkeersstromen op het niveau van de Unie dient
voldoende exacte en actuele informatie te worden gebruikt en verstrekt over de
omvang en de aard van het geplande luchtverkeer dat van invloed is op de
dienstverlening. Teneinde het risico op overbelasting in de lucht of op
luchtvaartterreinen te beperken, coördineren deze beheersdiensten de
luchtverkeersstromen, overleggen zij over mogelijke alternatieve routes of vertragen
zij de verkeersstromen. Bij het beheren van de luchtverkeersstromen wordt beoogd
de beschikbare capaciteit bij het gebruik van het luchtruim te optimaliseren en de
processen voor het beheer van de luchtverkeersstromen te verbeteren. Het beheer
wordt gebaseerd op veiligheid, transparantie en efficiëntie, zodat capaciteit tijdig op
flexibele wijze ter beschikking wordt gesteld, conform het Europese
luchtvaartnavigatieplan.
NL
34
NL
De in artikel 12, lid 7, bedoelde maatregelen inzake beheer van de
luchtverkeersstromen ondersteunen de operationele besluiten van verleners van
luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenexploitanten en luchtruimgebruikers en
bestrijken de volgende gebieden:
(a)
vluchtplanning;
(b)
gebruik van beschikbare luchtruimcapaciteit tijdens alle fasen van de vlucht,
met inbegrip van de slottoewijzing;
(c)
routegebruik door het algemeen luchtverkeer, met inbegrip van:
(d)
2.8.
–
de opstelling van één publicatie voor route- en verkeersoriëntering,
–
opties voor de omleiding van algemeen luchtverkeer weg van gebieden
waar congestie optreedt, en
–
voorrangsregels voor toegang tot het luchtruim voor het algemeen
luchtverkeer, met name in tijden van congestie en crisis; en
de samenhang tussen vluchtplannen en luchthavenslots, alsmede de
noodzakelijke coördinatie met aangrenzende regio’s, voor zover van
toepassing.
Luchtruimbeheer
Het aanwijzen van specifieke luchtruimsectoren voor een bepaald gebruik dient tijdig
te worden gemonitord, gecoördineerd en bekendgemaakt, teneinde in alle
omstandigheden het risico van een verlies aan separatieafstand tussen
luchtvaartuigen te verminderen. Rekening houdend met de organisatie van militaire
activiteiten en daarmee verband houdende aspecten die onder de
verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen, ondersteunt het luchtruimbeheer tevens
de uniforme toepassing van het concept van het flexibel gebruik van het luchtruim,
zoals dat door de ICAO is omschreven en ten uitvoer wordt gelegd uit hoofde van
Verordening (EU) (XXXX/XXX) inzake de tenuitvoerlegging van het
gemeenschappelijk Europees luchtruim (herschikking), teneinde het luchtruimbeheer
en de luchtverkeersbeveiliging binnen het kader van het gemeenschappelijk
vervoersbeleid te faciliteren.
2.9.
Ontwerp van het luchtruim
Luchtruimstructuren en vliegprocedures moeten goed worden ontworpen,
geïnspecteerd en gevalideerd alvorens zij door luchtvaartuigen worden gebruikt.
3.
SYSTEMEN EN COMPONENTEN
3.1.
Algemeen
ATM/ANS-systemen en -componenten die informatie vanuit en aan luchtvaartuigen
en op de grond verstrekken, dienen zodanig te worden ontworpen, vervaardigd,
geïnstalleerd, onderhouden en gebruikt dat hun geschiktheid voor het beoogde doel
gewaarborgd is.
De systemen en procedures hebben met name betrekking op die welke nodig zijn om
de volgende functies en diensten te ondersteunen:
NL
(a)
luchtruimbeheer;
(b)
beheer van de luchtverkeersstromen;
35
NL
3.2.
(c)
luchtverkeersdiensten, met name systemen voor de verwerking van
vluchtgegevens, systemen voor de verwerking van bewakingsgegevens en
mens/machine-interfacesystemen;
(d)
communicatie, met inbegrip van grond-grond-, lucht/ruimte-grond- en luchtluchtcommunicatie;
(e)
navigatie;
(f)
bewaking;
(g)
luchtvaartinlichtingendiensten;
(h)
het gebruik van meteorologische inlichtingen;
(i)
systemen en procedures voor het gebruik van meteorologische inlichtingen.
Integriteit, prestaties en betrouwbaarheid van systemen en onderdelen
De prestaties op het gebied van de integriteit en veiligheid van systemen en
onderdelen, zowel aan boord van luchtvaartuigen als op de grond en in de ruimte,
dienen geschikt te zijn voor het beoogde gebruik ervan. Zij moeten in alle
voorzienbare operationele omstandigheden en gedurende hun gehele operationele
levenscyclus te voldoen aan het vereiste operationele prestatieniveau.
ATM/ANS-systemen en de componenten daarvan worden, met inachtneming van de
toepasselijke en gevalideerde procedures, op een zodanige wijze ontworpen,
gebouwd, onderhouden en gebruikt dat te allen tijde en voor alle vluchtfasen de
naadloze werking van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer kan worden
gegarandeerd. Naadloze werking kan met name worden uitgedrukt in termen van het
delen van informatie, waaronder relevante informatie over de operationele status, een
gemeenschappelijke interpretatie van informatie, vergelijkbare verwerkingsprestaties
en de bijbehorende procedures, die gemeenschappelijke operationele prestaties
mogelijk maken die zijn overeengekomen voor het volledige Europese netwerk voor
luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network, EATMN) of delen
daarvan.
Het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer en de systemen en componenten
daarvan bieden op gecoördineerde wijze ondersteuning aan nieuwe overeengekomen
en gevalideerde operationele concepten die de kwaliteit, duurzaamheid en
doeltreffendheid van luchtvaartnavigatiediensten verbeteren, met name wat betreft
veiligheid en capaciteit.
Voorzover dat nodig is voor een efficiënt beheer van het luchtruim en de regeling
van luchtverkeersstromen en het veilige en efficiënte gebruik van het luchtruim door
alle gebruikers, ondersteunen het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer en de
systemen en componenten daarvan de toenemende invoering van civiel-militaire
coördinatie, door toepassing van het concept van het flexibele gebruik van het
luchtruim.
Om die doelen te bereiken moet het EATMN en de systemen en componenten
daarvan de tijdige uitwisseling van correcte en consistente informatie, in alle
vluchtfasen, tussen de civiele en de militaire partijen ondersteunen, onverminderd
beveiligingsoverwegingen of belangen op het gebied van het defensiebeleid, met
inbegrip van eisen inzake vertrouwelijkheid.
NL
36
NL
3.3.
Ontwerp van systemen en componenten
3.3.1.
Systemen en componenten dienen zodanig te zijn ontworpen dat zij aan de
toepasselijke veiligheids- en beveiligingseisen voldoen.
3.3.2.
Systemen en onderdelen dienen gezamenlijk, afzonderlijk en qua onderlinge
samenhang zodanig te zijn ontworpen dat de waarschijnlijkheid dat een storing tot
een volledige uitval van het systeem leidt, omgekeerd evenredig is met de ernst van
de gevolgen daarvan voor de veiligheid van de betreffende diensten.
3.3.3.
Systemen en onderdelen dienen zowel afzonderlijk als qua onderlinge samenhang
zodanig te worden ontworpen dat rekening wordt gehouden met de beperkingen als
gevolg van menselijke vermogens en prestaties.
3.3.4.
Systemen en componenten dienen zodanig te zijn ontworpen dat de systemen en
componenten zelf en de gegevens die zij bevatten, beschermd zijn tegen onbedoelde
schadelijke interacties met interne en externe elementen.
3.3.5.
Informatie die nodig is voor de productie, de installatie, het gebruik en het onderhoud
van systemen en componenten dient op een duidelijke, consistente en
ondubbelzinnige wijze aan het personeel te worden verstrekt. Dat geldt ook voor
informatie met betrekking tot onveilige omstandigheden.
3.4.
Ononderbroken dienstverlening
Veiligheidsniveaus van systemen en componenten dienen gewaarborgd te blijven
tijdens de dienstverlening en bij eventuele wijzigingen van de dienstverlening.
4.
KWALIFICATIES VAN LUCHTVERKEERSLEIDERS
4.1.
Algemeen
Het niveau van personen die een opleiding tot luchtverkeersleider of als leerlingluchtverkeersleider volgen, dient qua opleidingsachtergrond en fysieke en mentale
kwaliteiten zodanig te zijn dat zij in staat zijn de relevante theoretische kennis en
praktische vaardigheden te verwerven, op peil te houden en in praktijk te brengen.
NL
37
NL
4.2.
Theoretische kennis
4.2.1.
Luchtverkeersleiders dienen een kennisniveau te verwerven en op peil te houden dat
afgestemd is op de uit te voeren functies en in verhouding staat tot de risico’s die aan
het betreffende type dienstverlening zijn verbonden.
4.2.2.
Het verwerven en bijhouden van theoretische kennis dient tijdens de opleiding door
continue evaluaties of door adequate examens te worden gecontroleerd.
4.2.3.
De theoretische kennis dient te allen tijde op een adequaat niveau op peil te worden
gehouden. Dit dient op basis van periodieke beoordelingen of examens te worden
aangetoond. De frequentie van dergelijke examens dient in verhouding te staan tot
het risiconiveau dat aan het betreffende type dienstverlening is verbonden.
4.3.
Praktische vaardigheden
4.3.1.
Luchtverkeersleiders dienen de praktische vaardigheden te verwerven en op peil te
houden die relevant zijn voor hun functies. Deze vaardigheden dienen in verhouding
te staan tot de risico’s die verbonden zijn aan het betreffende type dienstverlening en
dienen, voor zover van toepassing op de uitgevoerde functies, ten minste de volgende
punten te omvatten:
(a)
operationele procedures;
(b)
taakspecifieke aspecten;
(c)
uitzonderlijke en noodsituaties; en
(d)
menselijke factoren.
4.3.2.
Luchtverkeersleiders dienen aan te tonen dat zij de noodzakelijke procedures en
taken kunnen uitvoeren op een bekwaamheidsniveau dat afgestemd is op de
betreffende functies.
4.3.3.
De praktische vaardigheden dienen te allen tijde op een passend niveau te worden
gehouden. Dit wordt gecontroleerd op basis van periodieke beoordelingen. De
frequentie van dergelijke beoordelingen staat in verhouding tot de complexiteit van
het betreffende type dienstverlening en de uit te voeren taken en tot het risiconiveau
dat daaraan is verbonden.
4.4.
Taalvaardigheid
4.4.1.
Luchtverkeersleiders dienen aan te tonen dat zij over een zodanige vaardigheid
beschikken om de Engelse taal te spreken en te begrijpen dat zij in staat zijn om, ook
in noodsituaties, effectief over concrete en werkgerelateerde onderwerpen te
communiceren. Dit geldt zowel voor voice-only-situaties (telefoon/radiotelefoon) als
voor face-to-facesituaties.
4.4.2.
Indien dit noodzakelijk is voor het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten in een
gedefinieerde luchtruimsector, moeten de luchtverkeersleiders ook in staat zijn de
betreffende nationale taal/talen te spreken en te begrijpen op een niveau zoals
hierboven beschreven.
4.5.
Synthetische trainingstoestellen (STD)
Bij gebruik van STD voor praktische training inzake menselijke factoren of
situatieherkenning, dan wel om aan te tonen dat bepaalde vaardigheden zijn
verworven of nog steeds op het gewenste niveau zijn, dienen die toestellen zodanig
te functioneren dat een adequate simulatie van de concrete werkomgeving en
operationele situaties mogelijk is, afgestemd op de opleidingsdoelstellingen.
NL
38
NL
4.6.
Opleidingscursus
4.6.1.
Opleidingen vinden plaats op basis van een cursus die theoretische en praktische
instructies kan omvatten, inclusief eventuele training via STD.
4.6.2.
Voor elke type opleiding wordt een cursus vastgesteld en goedgekeurd.
4.7.
Instructeurs
4.7.1.
De theorieopleiding wordt gegeven door instructeurs met de vereiste kwalificaties.
Zij moeten:
4.7.2.
NL
(a)
beschikken over passende kennis op het terrein waarop zij opleiding geven; en
(b)
hebben aangetoond dat zij in staat zijn passende opleidingstechnieken te
gebruiken.
Opleiding met betrekking tot praktische vaardigheden wordt gegeven door
instructeurs met de vereiste kwalificaties. Zij dienen:
(a)
te voldoen aan de eisen inzake theoretische kennis en ervaring die nodig zijn
om de opleiding te kunnen geven;
(b)
te hebben aangetoond dat zij kunnen lesgeven en in staat zijn passende
opleidingstechnieken te gebruiken;
(c)
ervaring te hebben met opleidingstechnieken met betrekking tot de procedures
waarvoor zij opleiding moeten geven; en
(d)
regelmatig opfriscursussen volgen om ervoor te zorgen
instructievaardigheden worden onderhouden en geactualiseerd.
dat
de
4.7.3.
Instructeurs die lesgeven in praktische vaardigheden, dienen zelf ook bevoegd te zijn
of te zijn geweest om als luchtverkeersleider te fungeren.
4.8.
Beoordelaars
4.8.1.
Personen die verantwoordelijk zijn voor het beoordelen van de vaardigheden van
luchtverkeersleiders dienen:
(a)
te hebben aangetoond over de vaardigheid te beschikken om het functioneren
van luchtverkeersleiders te kunnen beoordelen en in dat verband tests en
controles uit te voeren; en
(b)
periodiek opfriscursussen te volgen om te
beoordelingsnormen up-to-date worden gehouden.
39
waarborgen
dat
de
NL
NL
4.8.2.
Beoordelaars die praktische vaardigheden beoordelen, dienen zelf ook bevoegd te
zijn of te zijn geweest om als luchtverkeersleider te fungeren op de gebieden waarop
beoordeling moet plaatsvinden.
4.9.
Medische geschiktheid van luchtverkeersleiders
4.9.1.
Alle luchtverkeersleiders dienen periodiek aan te tonen dat zij medisch geschikt zijn
om hun taken naar behoren uit te voeren. Die geschiktheid dient te blijken uit een
passend onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke mentale en
lichamelijke achteruitgang als gevolg van leeftijd.
4.9.2.
Bij het aantonen van die medische geschiktheid (zowel fysiek als mentaal) dient ook
te worden aangetoond dat er geen sprake is van een ziekte of handicap waardoor de
persoon die luchtverkeersleidingsdiensten (ATC) verricht, niet in staat is:
(a)
correct de taken uit te voeren die nodig zijn om ATC te verlenen;
(b)
op enig moment de hem of haar toebedeelde taken uit te voeren, of
(c)
zijn of haar omgeving correct te interpreteren.
4.9.3.
Indien de medische geschiktheid niet volledig kan worden aangetoond, kunnen
maatregelen worden genomen om een gelijkwaardig veiligheidsniveau te
waarborgen.
5.
DIENSTVERLENERS EN OPLEIDINGSORGANISATIES
5.1.
Diensten mogen alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
(a)
de dienstverlener moet rechtstreeks of via overeenkomsten met derden over de
middelen beschikken die nodig zijn gezien de schaal en het toepassingsgebied
van de diensten. Het gaat daarbij onder meer om de volgende middelen:
systemen, faciliteiten, inclusief energievoorziening, beheerstructuur, personeel,
apparatuur en het onderhoud daarvan, documentatie van taken,
verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en
gegevensregistratie;
(b)
de dienstverlener dient operationele handboeken op te stellen en up-to-date te
houden met betrekking tot de diensten die hij verricht. Hij moet de diensten
overeenkomstig die handboeken uitvoeren. Deze handboeken dienen alle
noodzakelijke instructies, informatie en procedures te bevatten voor de
dienstverleningsactiviteiten, voor het beheersysteem en voor de taakuitvoering
door het operationele personeel;
(c)
Al naar gelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie
moet de dienstverlener een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan
deze essentiële eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven
naar voortdurende verbetering van dit systeem;
(d)
de dienstverlener dient uitsluitend gebruik te maken van gekwalificeerd en
goed opgeleid personeel en dient opleidings- en controleprogramma’s voor dat
personeel te hanteren en bij te houden;
(e)
de dienstverlener dient formele interfaces tot stand te brengen met alle
belanghebbenden die rechtstreeks van invloed zijn op de veiligheid van zijn
diensten, teneinde te waarborgen dat aan deze essentiële eisen wordt voldaan;
40
NL
5.2.
5.3.
(f)
de dienstverlener dient over een rampenplan te beschikken voor uitzonderlijke
en noodsituaties die zich in het kader van de dienstverlening kunnen voordoen;
(g)
De dienstverlener dient een systeem voor de melding van voorvallen op te
zetten, als onderdeel van het onder c) bedoelde beheersysteem, teneinde bij te
dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Het systeem voor de
melding van voorvallen moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU)
nr. 376/2014, en
(h)
de dienstverlener dient regelingen te treffen om te controleren of alle gebruikte
systemen en onderdelen te allen tijde voldoen aan de functionele
veiligheidsvereisten.
Diensten op het gebied van luchtverkeersleiding (ATC) mogen alleen worden
verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(a)
op basis van een adequaat roostersysteem dient te worden voorkomen dat het
personeel dat ATC-diensten verleent, vermoeid raakt. Bij dit roostersysteem
dient rekening te worden gehouden met dienstperioden, diensttijden en
aangepaste rustperioden. Bij de beperkingen die binnen het roostersysteem
worden gehanteerd, dienen alle factoren in aanmerking te worden genomen die
tot vermoeidheid kunnen leiden, zoals met name slaaptekort, ontregeling van
het dagritme, nachtdiensten, cumulatieve werktijden gedurende bepaalde
perioden en ook de onderlinge verdeling van toegewezen taken door het
personeel;
(b)
het voorkomen van stress bij het personeel dat ATC-diensten verleent, dient op
basis van een opleidings- en preventieprogramma te worden beheerd;
(c)
de ATC-dienstverlener dient over operationele procedures te beschikken om te
controleren of de cognitieve oordeelsvorming van werknemers die
luchtverkeersleidingsdiensten verlenen, niet wordt belemmerd en of zij
medisch volledig geschikt zijn voor hun werkzaamheden; en
(d)
de ATC-dienstverlener dient bij de planning en de feitelijke werkzaamheden
niet alleen operationele en technische beperkingen in aanmerking te nemen,
maar ook menselijke factoren.
Diensten op het gebied van communicatie, navigatie en/of plaatsbepaling mogen
alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarde is voldaan:
De dienstverlener dient alle relevante luchtruimgebruikers en ACT-eenheden tijdig te
informeren over de operationele status van de luchtverkeersleidingsdiensten (en
eventuele wijzigingen daarin).
5.4.
Opleidingsorganisaties
Een
organisatie
die
opleidingen
verzorgt
voor
personeel
dat
luchtverkeersleidingsdiensten verleent, dient aan de volgende voorwaarden te
voldoen:
(a)
NL
ze moet beschikken over alle middelen die nodig zijn voor de
verantwoordelijkheden die verbonden zijn met haar activiteiten. Het gaat
daarbij onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel,
apparatuur, methodologie, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en
procedures, toegang tot relevante gegevens en gegevensregistratie;
41
NL
6.
(b)
naar gelang de verstrekte opleiding en de grootte van de organisatie moet de
organisatie een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze essentiële
eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar
voortdurende verbetering van dit systeem; en
(c)
de organisatie dient de noodzakelijke regelingen te treffen met andere relevante
organisaties om ervoor te zorgen dat deze essentiële eisen blijvend worden
nageleefd.
LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE
KEURINGSARTSEN
EN
LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE CENTRA
6.1.
Luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen
Een luchtvaartgeneeskundig keuringsarts moet:
6.2.
(a)
over kwalificaties en vergunningen beschikken voor het uitoefenen van de
geneeskunde;
(b)
onderwijs in de luchtvaartgeneeskunde hebben genoten en opfriscursussen in
de luchtvaartgeneeskunde hebben gevolgd om te waarborgen dat de normen
voor beoordeling up-to-date blijven; en
(c)
praktijkkennis en -ervaring hebben opgedaan omtrent de omstandigheden
waarin luchtverkeersleiders hun activiteiten uitoefenen.
Luchtvaartgeneeskundige centra
Luchtvaartgeneeskundige centra moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
NL
(a)
ze moeten beschikken over alle middelen om te kunnen voldoen aan de
verantwoordelijkheden die aan hun rechten zijn verbonden. Het gaat daarbij
onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, uitrusting,
instrumenten en materiaal, documentatie voor taken, verantwoordelijkheden en
procedures, toegang tot relevante gegevens en administratie;
(b)
naar gelang het type van activiteiten en de grootte van de organisatie, een
beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan deze essentiële eisen wordt
voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende
verbetering van dit systeem; en
(c)
regelingen met andere bevoegde organisaties treffen, voor zover relevant, om
de blijvende naleving van deze eisen te garanderen.
42
NL
BIJLAGE IX
Essentiële eisen voor onbemande luchtvaartuigen
1.
ESSENTIËLE EISEN VOOR HET ONTWERP, DE VERVAARDIGING, HET ONDERHOUD EN
HET GEBRUIK VAN ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN
(a)
Een persoon die vluchten uitvoert met onbemande luchtvaartuigen moet op de hoogte
zijn van de toepasselijke EU- en nationale regels voor de geplande vluchtuitvoering,
met name op het gebied van veiligheid, privacy, gegevensbescherming,
aansprakelijkheid, verzekering, beveiliging of milieubescherming. De persoon moet
in staat zijn te garanderen dat de vluchtuitvoering veilig plaatsvindt en dat een veilige
afstand wordt aangehouden tussen het onbemande luchtvaartuig, mensen op de grond
en andere luchtruimgebruikers. Dit houdt ook in dat hij vertrouwd moet zijn met de
instructies van de fabrikant en met alle relevante functies van het onbemande
luchtvaartuig, alsmede met de toepasselijke luchtverkeersregels en ATM/ANSprocedures.
(b)
Een onbemand luchtvaartuig moet zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat het
geschikt is voor zijn toepassing en kan worden bediend, afgesteld en onderhouden
zonder personen in gevaar te brengen wanneer het luchtvaartuig wordt gebruikt voor
de vluchtuitvoeringen waarvoor het is bestemd.
(c)
Indien risico's met betrekking tot veiligheid, privacy, bescherming van
persoonsgegevens, beveiliging of het milieu die voortvloeien uit de vluchtuitvoering
moeten worden beperkt, moet het onbemande luchtvaartuig specifieke kenmerken en
functies daarvoor hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen van
privacy en bescherming van persoonsgegevens "by design en by default". Al
naargelang de behoeften moeten deze kenmerken en functies het mogelijk maken het
luchtvaartuig gemakkelijk te identificeren en gemakkelijk de aard en het doel van de
vluchtuitvoering vast te stellen; deze kenmerken en functies moeten er ook voor
zorgen dat de toepasselijke beperkingen, verboden of voorwaarden worden
nageleefd, met name met betrekking tot de vluchtuitvoering in bepaalde geografische
zones, verder dan een bepaalde afstand verwijderd van de exploitant of op bepaalde
hoogtes.
2.
AANVULLENDE ESSENTIËLE EISEN VOOR HET ONTWERP, DE VERVAARDIGING, HET
ONDERHOUD EN HET GEBRUIK VAN ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN EN DE IN
ARTIKEL 46, LEDEN 1 EN 2, BEDOELDE VLUCHTUITVOERINGEN MET DERGELIJKE
LUCHTVAARTUIGEN
De volgende eisen moeten worden nageleefd om een voldoende hoog niveau van
veiligheid voor mensen op de grond en andere luchtruimgebruikers te garanderen
tijdens vluchtuitvoeringen met onbemande luchtvaartuigen, rekening houdende met
het risiconiveau van de vluchtuitvoering, voor zover nodig:
2.1.
Luchtwaardigheid
(a)
NL
Onbemande luchtvaartuigen moeten ontwerpkenmerken of bijzonderheden
vertonen die, zoals is gebleken uit ervaring, veilig zijn voor de exploitant of
voor derde partijen op de grond of in de lucht.
43
NL
NL
(b)
Onbemande luchtvaartuigen moeten over de nodige productintegriteit
beschikken, in verhouding tot de risico's in alle te verwachten
vluchtomstandigheden.
(c)
Onbemande luchtvaartuigen moeten veilig kunnen worden gecontroleerd en
bestuurd in alle te verwachten vluchtomstandigheden, ook als een of meer
systemen uitvallen. Ook de menselijke factor moet in overweging worden
genomen, met name de beschikbare kennis over factoren die bijdragen tot een
veilig gebruik van technologie door mensen.
(d)
Onbemande luchtvaartuigen, apparatuur en bijbehorende niet-geïnstalleerde
apparatuur, waaronder aandrijfsystemen en de apparatuur voor het op afstand
bedienen van het onbemande luchtvaartuig, moeten volgens de verwachtingen
functioneren in alle voorspelbare gebruiksomstandigheden, binnen de
operationele begrenzingen van het luchtvaartuig, met een voldoende ruime
marge.
(e)
Onbemande luchtvaartuigsystemen, apparatuur en bijbehorende nietgeïnstalleerde apparatuur, waaronder aandrijfsystemen en de apparatuur voor
het op afstand bedienen van het onbemande luchtvaartuig, moeten, zowel
afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, op zodanige wijze zijn
ontworpen dat de kans op een storingstoestand en de ernst van de gevolgen
daarvan voor mensen op de grond en andere luchtruimgebruikers, in
verhouding staan tot het risico van de vluchtuitvoering, zoals beoordeeld op
basis van de in artikel 4, lid 2, vastgestelde beginselen.
(f)
Alle bij de vluchtuitvoering gebruikte apparatuur voor het op afstand bedienen
van het onbemande luchtvaartuig moet van die aard zijn dat de
vluchtuitvoering wordt gefaciliteerd, met inbegrip van middelen voor
situationeel bewustzijn en voor het beheer van onverwachte situaties en
noodgevallen.
(g)
De organisatie die verantwoordelijk is voor het vervaardigen of het in de
handel brengen van het onbemande luchtvaartuig moet aan de exploitanten en,
voor zover relevant, de onderhoudsorganisatie informatie verstrekken over de
vluchtuitvoeringen waarvoor het onbemand luchtvaartuig is ontworpen, alsook
informatie over de operationele beperkingen en informatie die nodig is voor
veilige vluchtuitvoering, met inbegrip van de operationele en milieuprestaties,
beperkingen inzake luchtwaardigheid en noodprocedures. Deze informatie
moet op duidelijke, samenhangende en ondubbelzinnige wijze worden
verstrekt. De vluchtuitvoeringsmogelijkheden met onbemande luchtvaartuigen
waarvoor geen certificaat of verklaring vereist is, moeten worden beperkt
teneinde te voldoen aan de luchtverkeersregels die van toepassing zij op
dergelijke vluchtuitvoeringen.
(h)
Organisaties die betrokken zijn bij het ontwerp van onbemande
luchtvaartuigen, motoren en propellers nemen voorzorgen om de gevaren te
beperken die voortvloeien uit interne of externe problemen met de onbemande
luchtvaartuigen of hun systemen die, zoals is gebleken uit ervaring, een effect
hebben op de veiligheid. Dit heeft ook betrekking op bescherming tegen
elektronische interferentie.
(i)
Het vervaardigingsproces en de materialen en de componenten die worden
gebruikt bij de vervaardiging van onbemande luchtvaartuigen moeten leiden tot
44
NL
passende en reproduceerbare eigenschappen en prestaties die beantwoorden
aan de ontwerpeigenschappen.
2.2.
Organisaties
Organisaties die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, het onderhoud, de
vluchtuitvoering en aanverwante diensten en opleidingen op het gebied van
onbemande luchtvaartuigen, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
2.3.
(a)
De organisatie moet over alle nodige middelen beschikken voor het
toepassingsgebied van haar werkzaamheden en zorgen voor overeenstemming
met de essentiële eisen en overeenkomstig artikel 47 vastgestelde
gedetailleerde regels die relevant zijn voor haar activiteiten.
(b)
De organisatie moet een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan de
relevante essentiële eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en
streven naar voortdurende verbetering van dit systeem. Het beheer van het
systeem moet passend zijn voor het type activiteiten en de grootte van de
organisatie.
(c)
De organisatie moet een systeem voor de melding van voorvallen opzetten, als
onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem, teneinde bij te dragen tot de
voortdurende verbetering van de veiligheid. Het systeem voor de melding van
voorvallen moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 376/2014.
Het meldingssysteem moet passend zijn voor het type activiteiten en de grootte
van de organisatie.
(d)
De organisatie moet, voor zover relevant, regelingen treffen met andere
organisaties om te garanderen dat de relevante essentiële eisen blijvend worden
nageleefd.
Personen die onbemande luchtvaartuigen bedienen
Een persoon die een onbemand luchtvaartuig bedient, moet over de vereiste kennis
en vaardigheden beschikken om de veiligheid van de vluchtuitvoering te garanderen,
in verhouding tot het risico dat verbonden is aan het type vluchtuitvoering. Deze
persoon moet ook aantonen dat hij medisch geschikt is, als dit nodig is om de risico's
van de desbetreffende vluchtuitvoering te beperken.
2.4.
Vluchtuitvoeringen
De exploitant van een onbemand luchtvaartuig is verantwoordelijk voor de
vluchtuitvoering en moet alle passende maatregelen treffen om de veiligheid van de
vluchtuitvoering te garanderen.
Vluchten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke wetten, regels
en procedures voor het gebied, luchtruim, luchtvaartterrein of terrein waar de
vluchtuitvoering gepland is, en, voor zover van toepassing, volgens de daarmee
verband houdende ATM/ANS-systemen.
NL
(a)
Bij vluchtuitvoeringen met onbemande luchtvaartuigen moet de veiligheid van
derde partijen op de grond en van andere luchtruimgebruikers worden
gegarandeerd en moeten de risico's die voortvloeien uit interne en externe
problemen, met inbegrip van omgevingsomstandigheden, tot een minimum
worden beperkt door tijdens alle vluchtfasen voor passende separatie te zorgen.
(b)
Onbemande luchtvaartuigen mogen alleen worden gebruikt als zij in
luchtwaardige toestand verkeren en als de apparatuur en de andere
45
NL
componenten en diensten die nodig zijn voor de geplande vluchtuitvoering
beschikbaar en in goede staat zijn.
(c)
3.
De exploitant van een onbemand luchtvaartuig moet erop toezien dat het
luchtvaartuig over de nodige navigatie-, communicatie-, surveillance-, detectieen ontwijkingsapparatuur beschikt, en over alle andere apparatuur die nodig
wordt geacht voor de veiligheid van de geplande vluchtuitvoering, rekening
houdende met de aard van de vluchtuivoering en de luchtverkeersreglementen
en -regels die van toepassing zijn tijdens iedere fase van de vlucht.
ESSENTIËLE MILIEU-EISEN VOOR ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN
Onbemande luchtvaartuigen dienen te voldoen aan de in bijlage III uiteengezette
eisen inzake milieuprestaties.
NL
46
NL
BIJLAGE X
Transponeringstabel
NL
Verordening (EG) nr. 216/2008
De onderhavige verordening
Artikel 1, lid 1
Artikel 2, leden 1 en 2
Artikel 1, lid 2
Artikel 2, lid 3
Artikel 1, lid 3
Artikel 2, lid 5
Artikel 2
Artikel 1
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 4, lid 1, onder a)
Artikel 2, lid 1, onder a)
Artikel 4, lid 1, onder b)
Artikel 2, lid 1, onder b), punt (i)
Artikel 4, lid 1, onder c)
Artikel 2, lid 1, onder b), punt (ii)
Artikel 4, lid 1, onder d)
Artikel 2, lid 1, onder c)
Artikel 4, lid 2
Artikel 2, lid 2
Artikel 4, lid 3
Artikel 2, lid 1, onder b) en c)
Artikel 4, lid 3 bis
Artikel 2, lid 1, onder d) en e), en lid 2
---
Artikel 2, lid 6
Artikel 4, lid 3 ter
Artikel 2, lid 7
Artikel 4, lid 3 quater
Artikel 2, lid 1, onder g), en lid 2
Artikel 4, leden 4 en 5
Artikel 2, lid 3, onder d)
Artikel 4, lid 6
---
---
Artikel 2, lid 4
---
Artikel 4
---
Artikel 5
---
Artikel 6
---
Artikel 7
---
Artikel 8
47
NL
NL
Artikel 5, leden 1, 2 en 3
Artikelen 9 tot en met 16
Artikel 5, lid 4, onder a) en b)
Artikel 17, lid 2
Artikel 5, lid 4, onder c)
Artikel 17, lid 1, onder b)
---
Artikel 17, lid 1, onder a)
Artikel 5, lid 5
Artikel 18
Artikel 5, lid 6
Artikel 4
Artikel 6
Artikelen 9, 10 en 11
Artikel 7, leden 1 en 2
Artikelen 19 en 20
Artikel 8, lid 4
Artikel 21
Artikel 7, leden 3 tot en met 7
Artikelen 22 tot en met 25
Artikel 8, leden 1, 2 en 3
Artikel 26 en artikel 27, leden 1 en 2
---
Artikel 27, lid 3
Artikel 8, lid 5
Artikel 28
Artikel 8, lid 6
Artikel 4
Artikel 8 bis, leden 1 tot en met 5
Artikelen 29 tot en met 34
Artikel 8 bis, lid 6
Artikel 4
Artikel 8 ter, leden 1 tot en met 6
Artikelen 35 tot en met 39, lid 2
Artikel 8 ter, lid 7
Artikel 39, lid 3, en artikel 4
Artikel 8 quater, leden 1 tot en met 10
Artikelen 40 tot en met 44
Artikel 8 quater, lid 11
Artikel 4
---
Artikelen 45, 46 en 47
Artikel 9
Artikelen 48, 49 en 50
Artikel 10, leden 1, 2 en 3
Artikel 51, leden 1 en 2
---
Artikel 51, leden 3, 4 en 5
Artikel 10, lid 4
Artikel 51, lid 6
---
Artikel 51, leden 7, 8 en 9
48
NL
NL
Artikel 10, lid 5
Artikel 51, lid 10
---
Artikel 52
---
Artikel 53
---
Artikel 54
---
Artikel 55
Artikel 11, leden 1, 2 en 3
Artikel 56, leden 1, 2 en 3
Artikel 11, leden 4 tot en met 5 ter
---
Artikel 11, lid 6
Artikel 56, lid 4
Artikel 12, lid 1
Artikel 57
Artikel 12, lid 2
---
Artikel 13
Artikel 58
Artikel 14, leden 1, 2 en 3
Artikel 59
Artikel 14, leden 4 tot en met 7
Artikel 60
Artikel 15
Artikel 61
Artikel 16
Artikel 62
---
Artikel 63
Artikel 17
Artikel 64
Artikel 18
Artikel 65, leden 1 tot en met 5
Artikel 19
Artikel 65, leden 1 tot en met 5
Artikel 20
Artikel 66
Artikel 21
Artikel 67
Artikel 22, lid 1
Artikel 65, lid 6
Artikel 22, lid 2
Artikel 65, lid 7
Artikel 22 bis
Artikel 68
Artikel 22 ter
Artikel 69
Artikel 23
Artikel 70, leden 1 en 2
49
NL
NL
---
Artikel 70, lid 3
Artikelen 24 en 54
Artikel 73
Artikel 25
Artikel 72
Artikel 26
Artikel 74
---
Artikel 75
---
Artikel 76
Artikel 27, leden 1, 2 en 3
Artikel 77, leden 1, 2 en 3
---
Artikel 77, leden 4, 5 en 6
---
Artikel 78
---
Artikel 79
---
Artikel 80
Artikel 28, leden 1 en 2
Artikel 81, leden 1 en 2
---
Artikel 81, lid 3
Artikel 28, leden 3 en 4
Artikel 81, leden 4 en 5
Artikel 29, leden 1 en 2
Artikel 82, leden 1 en 2
Artikel 29, lid 3
---
Artikel 30
Artikel 83
Artikel 31
Artikel 84
Artikel 32, lid 1
Artikel 108, lid 3
Artikel 32, lid 2
Artikel 108, lid 5
Artikel 33
Artikel 85, leden 1 tot en met 5
---
Artikel 85, lid 6
Artikel 34, lid 1
Artikel 86, leden 1 en 2
---
Artikel 86, lid 3
Artikel 34, leden 2 en 3
Artikel 86, leden 4 en 5
Artikel 35
Artikel 87
50
NL
NL
Artikel 36
Artikel 88
Artikel 37, leden 1, 2 en 3
Artikel 89, leden 1, 2 en 3
---
Artikel 89, lid 4
---
Artikel 90
Artikel 38, leden 1, 2 en 3
Artikel 91, leden 1, 2 en 3
---
Artikel 91, lid 4
Artikel 39
---
---
Artikel 92
Artikel 40
Artikel 93
Artikel 41
Artikel 94
Artikel 42
Artikel 95
Artikel 43
Artikel 96
Artikel 44
Artikel 97
Artikel 45
Artikel 98
Artikel 46
Artikel 99
Artikel 47
Artikel 100
Artikel 48
Artikel 101
Artikel 49
Artikel 102
Artikelen 50 en 51
Artikel 103
Artikel 52, leden 1, 2 en 3
Artikel 104
Artikel 52, lid 4
Artikel 65, lid 6
Artikel 53, leden 1 en 2
Artikel 105, leden 1 en 2
Artikel 53, lid 3
Artikel 65, lid 6
Artikel 54
Artikel 73
Artikel 55
Artikel 71
Artikel 56
Artikel 106
51
NL
NL
Artikel 57
Artikel 107
Artikel 58, leden 1 en 2
Artikel 108, leden 1 en 2
Artikel 58, lid 3
Artikel 108, lid 4
Artikel 58, lid 4
Artikel 121, lid 2
Artikel 59, leden 1 tot en met 4
Artikel 109, leden 1 tot en met 4
---
Artikel 109, lid 5
Artikel 59, leden 5 tot en met 11
Artikel 109, leden 6 tot en met 12
Artikel 60
Artikel 110
Artikel 61
Artikel 111
---
Artikel 112
Artikel 62
Artikel 113
Artikel 63
Artikel 114
Artikel 64, leden 1 tot en met 5
Artikel 115, leden 1 tot en met 5
---
Artikel 115, lid 6
Artikel 65
Artikel 116
Artikel 65 bis
---
---
Artikel 117
Artikel 66
Artikel 118
---
Artikel 119
Artikel 67
---
Artikel 68
Artikel 120
---
Artikel 121, lid 1
Artikel 58, lid 4
Artikel 121, lid 2
Artikel 69
----
---
Artikel 122
---
Artikel 123
52
NL
NL
---
Artikel 124
---
Artikel 125
---
Artikel 126
Artikel 70
Artikel 127
53
NL
Download