Hoofdstuk 18 Natuurlijk chemie ■■ 18 Natuurlijk chemie ■■ 18.1 Voedsel 1 De gevraagde mineralen zijn zouten. Je moet met behulp van de ionladingen de verhoudingsformules afleiden. 8 Het is voor een goede darmwerking noodzakelijk en het is beter voor de ontlasting. ■■ 18.2 Koolhydraten 9 a Gebruik voor zetmeel de formule (C6H10O5)n(s). Maak de reactievergelijking kloppend met n. (C6H10O5)n (s) 6n C(s) + 5n H2O(l) MgCl2(s), KNO3(s) en Ca3(PO4)2(s) b Vertaal kool en hydraat. 2 a De moleculen van onverzadigde vetten bevatten één of meer dubbele bindingen (C=C). In verzadigde vetten komen in de moleculen geen dubbele bindingen voor. Uit zetmeel ontstaan in een ontledingsreactie koolstof en water. Je zou dus zetmeel een hydraat van koolstof kunnen noemen: vandaar koolhydraat, Cn(H2O)m. b Zie ook Binas tabel 67B. Onverzadigd: glyceryltrioleaat Een vet is opgebouwd uit glycerol en vetzuren. In dit geval is dat oliezuur, dat onverzadigd is. In een molecuul oliezuur komt een dubbele binding voor. Verzadigd: glyceryltristearaat Hier is stearinezuur het vetzuur. Stearinezuur is verzadigd. In een molecuul stearinezuur komen geen C=C bindingen voor. 10 Wat gebeurt er als glucosemoleculen aan elkaar worden gekoppeld? Bij de koppeling van één glucosemolecuul aan een keten wordt steeds één molecuul water afgesplitst. In het polymeer ontbreken dus in elke eenheid twee H atomen en één O atoom. 11 De glucose die niet direct als brandstof nodig is, wordt opgeslagen als zetmeel (planten) en glycogeen (dieren). 12 Let op de stoffen die in het oplosmiddel aanwezig zijn. c Hydrolyse. 3 – 4 Nee. Zuurstof is nodig voor de verbranding van voedsel, maar is zelf geen voedingsstof. 5 – 6 Vragen bij de proef Het oplosmiddel bevat de basen NH3 en OH-. Deze basen reageren met zoutzuur. De cellulose is dan niet meer oplosbaar en er ontstaat weer vaste cellulose. Door de nauwe opening van de plastic spuit ontstaat die cellulose in de vorm van draden. Zie ook proef 5c. 13a Zetmeel geeft met een joodoplossing een blauwzwarte kleur. Speeksel bevat een enzym dat zetmeel afbreekt. Na enige tijd verdwijnt dus in de buis met speeksel en zetmeel de blauwe kleur. 7 a Zoek eventueel in het derde klasboek op welke definitie we hebben gebruikt voor een verbranding. b De molecuulformule van fructose is C6H12O6(s). c Fructose en glucose hebben dezelfde molecuulformule en een verschillende structuurformule. Dus is fructose een isomeer van glucose. Wij hebben verbranding gedefinieerd als een reactie met zuurstof waarbij vuurverschijnselen zijn waar te nemen. b Wat zijn de reactieproducten bij de verbranding van een koolwaterstof? 14 Dan ontstaan de oxiden van koolstof en waterstof: CO2(g) en H2O(l). Glucose en fructose hebben als molecuulformule: C6H12O6. Het molecuul bevat zes koolstofatomen, vandaar de naam hexose. Bij ribose, C5H10O5, is om deze reden sprake van een pentose. c Op welke manier verlaten gassen en vloeistoffen je lichaam? Voornamelijk via de longen. Water kan ook worden uitgescheiden via de urine, ontlasting en transpiratie. Wat betekenen de telwoorden hexa en penta? Ga na in welke tabel van Binas je informatie hierover kunt vinden. 15 Zoek in Binas de structuurformules op van maltose en lactose en vergelijk deze met die van de monosachariden. 35 Pulsar – Chemie vwo scheikunde 1 deel 3 Een molecuul maltose is ontstaan uit twee moleculen α-glucose en een molecuul lactose uit één molecuul α-glucose en één molecuul galactose. 18 a 16 17 a Wat wordt in Nederland hoofdzakelijk verbouwd, suikerbieten of (suiker)riet? suikerbieten b De suiker in de suikerbiet moet er met een geschikt oplosmiddel uitgehaald worden. Hoe heet deze scheidingsmethode die berust op een verschil in oplosbaarheid? b Kijk goed naar de stand van de O atomen tussen de verschillende glucose-eenheden. De O atomen in een molecuul zetmeel (amylose) staan allemaal naar beneden getekend. In een molecuul α-glucose zijn de OH groepen die bij de koppeling worden gebruikt ook naar beneden getekend. Zetmeel is opgebouwd uit α-glucose-eenheden. 19 a glucose: 2,3,4,5,6-pentahydroxyhexanal De suikerbieten worden gewassen en gemalen. Er wordt water aan de bietenpulp toegevoegd, waardoor de suiker oplost. Hierna wordt gefiltreerd. Het filtraat is water met opgeloste suiker. Door het filtraat in te dampen houd je vaste suiker over. Hieruit kan door kristallisatie kristalsuiker worden gekregen. fructose: 1,3,4,5,6-pentahydroxy-2-hexanon c We hebben dan gebruikgemaakt van de volgende scheidingsmethoden: extractie, filtratie, indampen en kristallisatie. d Bij hydrolyse ontstaat uit een groter molecuul door reactie met H2O twee kleinere moleculen. Uit welke twee kleinere moleculen is sacharose opgebouwd? C12H22O11(s) + H2O(l) C6H12O6(s) + C6H12O6(s) sacharose glucose fructose e Daar zijn verschillende antwoorden op te geven: Ja, want het is een kloppende reactievergelijking en de molecuulformules zijn correct. Nee, want molecuulformules geven veel te weinig informatie. Zonder de woorden van de stoffen er onder te zetten is geen verschil te zien tussen glucose en fructose. De vergelijking moet worden weergegeven met behulp van structuurformules. 36 b Een asymmetrisch C atoom wordt omringd door vier verschillende atomen of groepen van atomen. In de open structuur zijn vier asymmetrische C atomen aanwezig: het tweede, derde, vierde en vijfde C-atoom. In de ringstructuur zijn vijf asymmetrische C atomen aanwezig. Alle C atomen in de ring zijn asymmetrisch. Het C atoom in de CH2OH groep is niet asymmetrisch. c Ga na welk zuurstofatoom uit de open structuur in de ringstructuur terechtkomt. Hoofdstuk 18 Natuurlijk chemie d Je hebt bij c bedacht welk zuurstofatoom in de ringstructuur terecht is gekomen. Nu moet je het omgekeerde van c doen. ■■ 18.3 Eiwitten 20 Je kunt de regels voor de naamgeving terugvinden in de hoofdstukken 3 en 12. Ook kun je in Binas kijken. a b Je kunt de aminozuurmoleculen ook andersom aan elkaar koppelen. Je krijgt dan het andere dipeptide: a alanine b lysine 25 Welke groepen in een molecuul kunnen er voor zorgen dat waterstofbruggen met watermoleculen gevormd kunnen worden? c leucine a Aminozuurmoleculen hebben een NH2 groep en een COOH groep. Hierin zijn N - H en O - H groepen aanwezig. Aminozuurmoleculen kunnen dus waterstofbruggen vormen met de watermoleculen. Aminozuren lossen daarom goed op in water. 21 Schrijf de algemene formule van een aminozuurmolecuul op en ga na met behulp van tabel 67 C1 wat R is bij 2-aminobutaandizuur (asparaginezuur). b Als aminozuurmoleculen aan elkaar koppelen, verdwijnen de meeste N - H en O - H groepen. In moleculen van eiwitten zijn dus weinig van deze groepen aanwezig, waardoor eiwitten slechter of niet oplossen in water. 26 a Bedenk dat in een dipeptide ook twee identieke aminozuurmoleculen aan elkaar gekoppeld kunnen zijn. 22 – 23 – 24 Je kunt deze vinden in tabel 67 C1 van Binas. Een dipeptide kan zijn opgebouwd uit twee identieke aminozuurmoleculen of uit twee verschillende aminozuurmoleculen. Je krijgt dan de volgende vier mogelijkheden: Cys - Cys Asn - Asn Cys - Asn Asn - Cys De laatste twee mogelijkheden zijn niet dezelfde, omdat bij Asn - Cys asparagine nog een vrije NH2 groep heeft en Cys een vrije COOH groep. Iets dergelijks heb je ook al in opdracht 24b gezien. 37 Pulsar – Chemie vwo scheikunde 1 deel 3 b Teken de structuurformule van bijvoorbeeld AsnCys. In de volgende aminozuurmoleculen tref je in de zijgroep een apolaire groep aan: alanine, isoleucine, leucine, fenylalanine, valine en methionine. 28 – 29 – 30 c Probeer net zoals bij vraag a hoeveel combinaties er zijn. Als je drie aminozuren Gly, Ala en His tot je beschikking hebt, kun je de volgende 9 dipeptiden krijgen: Gly - Gly, Gly - Ala, Gly - His, Ala - Ala, Ala - Gly, Ala - His, His - His, His - Gly en His - Ala. Op elke plaats in het dipeptide heb je de keuze uit drie aminozuren. Dit zijn 3 x 3 = 32 mogelijkheden. Door welke bindingen wordt de tertiaire structuur van een eiwit instandgehouden? De tertiaire structuur van een eiwit wordt door zwavelbruggen en soms ionbindingen in stand gehouden. De positief en negatief geladen zijgroepen in een eiwit ontstaan, doordat sommige zijgroepen in waterig milieu een zuur of een base zijn. Door verandering van de pH zullen deze zuurbase evenwichten zich anders instellen. Hierdoor worden bepaalde zijgroepen juist niet of juist wel geladen en dan verandert de tertiaire structuur van het eiwit. Het eiwit denatureert. d Kijk naar de wetmatigheid uit opdracht c. 31 a Je kunt de aminozuren vinden in Binas. Als je alle 20 aminozuren tot je beschikking hebt, zijn er dus 20 x 20 = 202 = 400 dipeptiden mogelijk. e Let weer op je antwoord bij c. Als je uitgaat dat er weer 20 verschillende aminozuren zijn, dan zijn er voor een keten, waarin 100 aminozuren voorkomen, 20100 mogelijkheden. Op je rekenmachine kun je dit al niet meer uitrekenen. ■■ 18.4 Ruimtelijke structuur van eiwitten 27 a Cysteïne en methionine bevatten een S atoom. Alleen cysteïne kan met een ander cysteïne een zwavelbrug vormen. b Zoek in Binas aminozuren op die een zijgroep hebben die als zuur kan reageren. Wat voor een reactie vindt plaats in basisch milieu? Dan moet de zijgroep één of meer zure groepen (COOH) bevatten. In basisch milieu zal deze groep H+ afsplitsen, waardoor een negatief geladen COO- groep ontstaat. Dat is het geval bij: asparaginezuur en glutaminezuur. b Hoe heet de binding tussen atomen? Atoombinding. c Bereken eerst hoeveel mol thioglycolzuur er is. Uit de reactievergelijking kun je de verhouding in mol aflezen. Antwoord: 4,5 x 10-2 90 mL 1,0 molair thioglycolzuuroplossing bevat 9,0 x 10-2 mol thioglycolzuur. Daardoor kunnen 4,5 x 10-2 mol zwavelbruggen verbroken worden. d Je moet deze redoxreactie in één keer opschrijven. Schrijf voor de pijl het persulfaation. Welke deeltjes zorgen voor het basische milieu? Achter de pijl teken je een zwavelbrug en sulfaationen en water. Ga na of de reactievergelijking klopt. c Je moet nu naar aminozuurmoleculen zoeken die in de zijgroep een base hebben. Wat voor een reactie vindt nu plaats in zuur milieu? 38 Dan moet de zijgroep één of meer basische groepen bevatten. Dit zijn NH2 of NH groepen. In zuur milieu zullen deze groepen H+ opnemen, waardoor ze positief geladen zijn. Dat is het geval bij: arginine, asparagine, glutamine, histidine, lysine en tryptofaan. d Apolaire groepen bestaan hoofdzakelijk uit C en H atomen. 32 a Is bij hoge pH sprake van een zure of een basische oplossing? Welke deeltjes zijn dan aanwezig? Zal de zuurgroep of de aminogroep van het aminozuurmolecuul met deze deeltjes reageren? Bij een hoge pH waarde is sprake van een basische oplossing. De aminozuren zullen daardoor vooral als negatief ion voorkomen, Hoofdstuk 18 Natuurlijk chemie omdat de zuurgroepen van de aminozuurmoleculen een H+ hebben afgestaan: een NH2 groep in het molecuul is ornithine. Dus komen per molecuul gramicidine-S twee moleculen ornithine voor. Dat betekent, dat van de andere aminozuren per molecuul gramicidine-S ook twee moleculen voorkomen. Van alle aminozuren blijkt immers evenveel mol voor te komen. De ring bestaat dus uit tien aminozuurmoleculen. Uit de gevonden tripeptiden blijkt dat de volgende structuur mogelijk is: NH2 -CHR-COOH + OH- NH2 -CHR-COO- + H2O b Zullen de aminozuurmoleculen bij lage pH een positieve of een negatieve lading hebben? Wat gebeurt er met deze lading als we de pH gaan verhogen? Door bij een lage pH-waarde te beginnen zullen de aminozuurmoleculen merendeels als positieve ionen aanwezig zijn. Deze worden door de kolom geadsorbeerd. Als je nu de pH langzaam verhoogt, zullen de aminozuurmoleculen om de beurt van het positieve ion veranderen in het neutrale molecuul. Dit laat dan los van de kolom en gaat vervolgens met de mobiele fase verder. Er vindt op die manier een scheiding plaats. c Ga na welke tripeptiden je kunt afleiden uit de gegeven aminozuurvolgorde. Zijn deze combinaties gevonden? ■■ 33 Uit de volgorde Phe-Pro-Leu-Phe-Pro zijn de volgende tripeptiden af te leiden: Phe-Pro-Leu, Pro-Leu-Phe en Leu-Phe-Pro. Die eerste twee tripeptiden werden bij het onderzoek niet gevonden. Deze voorgestelde volgorde zal dan ook niet voorkomen. d Je zult eerst het molair volume van een gas moeten berekenen bij 310 K. Gebruik hiervoor de algemene gaswet. Daarna kun je de gegeven hoeveelheid stikstof omrekenen naar een aantal mol stikstof. Uit de gegeven hoeveelheid gramicidine-S die is onderzocht, kun je het aantal vrije NH2 groepen berekenen. 1 mol gas heeft onder standaard omstandigheden een volume van 22,4 dm3. Met behulp van de algemene gaswet is dan te berekenen wat het molaire volume bij 310 K is. aantal dm3 temperatuur (K) 22,4 273 … 310 Hieruit bereken je 25,4 dm3 mol-1. 63,6 cm3 komt overeen met 63,6 x 10-3 dm3 en dus met 63,6 x 10-3 : 25,4 = 2,50 x 10-3 mol stikstof. Er werd 1,25 mmol gramicidine-S onderzocht. Omdat er 2,50 mmol N2 ontstaat moet het gramicidine-S twee vrije NH2 groepen hebben. e Zijn in een ringstructuur aminozuurmoleculen aanwezig die nog een vrije NH2 groep aan het tweede C atoom hebben? Hoeveel moleculen ornithine moeten dus per molecuul gramicidine-C aanwezig zijn? In welke verhouding komen de aminozuurmoleculen voor? In een ringstructuur zijn alle aminogroepen bij het koolstofatoom nummer 2 verdwenen bij de peptidebindingen. Dus als er vrije NH2 groepen zijn, dan zijn die in een of meer van de restgroepen aanwezig. Het enige aminozuur met 18.5 Eiwitsynthese in de natuur Ga na hoeveel verschillende coderingen je kunt maken met vier verschillende basen als een codering bestaat uit maar twee basen. Er zijn 4 basen: U, C, A en G. Als je dan per aminozuur 2 basen nodig hebt, kun je 42 = 16 verschillende aminozuren coderen. Dat is te weinig. Bij 3 basen per aminozuur heb je 43 = 64 mogelijkheden. Dat is meer dan voldoende. 34 – 35 – 36 Raadpleeg bij deze opgave de tabellen 70 E en 70 G van Binas. a Welke stikstofbasen kunnen waterstofbruggen met elkaar vormen en zullen dus tegenover elkaar zitten? Tegenover een C komt een G, tegenover een T of U een A. Het mRNA heeft de basevolgorde: G-C-A-U-U-C-A-A-A-G-U-C b Let goed op tabel 70 G. Daarin staat precies aangegeven hoe je, uitgaande van DNA de basenvolgorde in mRNA kunt afleiden en hoe je daaruit weer iets kunt zeggen over de basenvolgorde in tRNA. CGU, AAG, UUU, CAG. c Je kunt deze codering in Binas vinden. Let goed op de gegevens in tabel 70 E. Ala-Phe-Lys-Val d In het gemuteerde stuk DNA is de vierde A van links veranderd in een C. Leid hieruit de basenvolgorde in het mRNA af en geef met behulp van tabel 70 E de bijpassende aminozuren. Het mRNA heeft dan de basevolgorde: G-C-A-G-U-C-A-A-A-G-U-C 39 Pulsar – Chemie vwo scheikunde 1 deel 3 GCA is het codon voor alanine, GUC voor valine, AAA voor lysine en GUC weer voor valine. De aminozuurvolgorde is dus Ala-Val-Lys-Val De mutatie in het tweede triplet leidt tot een ander aminozuur op plaats twee. ■■ 18.6 Is chemie vies? 38 De schadelijkheid of giftigheid van een stof wordt aangegeven met de MAC-waarde, ADI-waarde, carcinogeniteit, mutageniteit en toxiciteit. 39 Denk eens aan de ontwikkeling die de gezondheidszorg en de wetenschap heeft doorgemaakt. 37 a De gezondheidszorg wordt steeds beter en het schadelijk effect van allerlei stoffen wordt steeds duidelijker. Het blijkt vaak uit onderzoek dat sommige stoffen al in kleine hoeveelheden schadelijker zijn dan tot dan toe werd aangenomen. De MAC-waarde wordt in zo'n geval naar beneden bijgesteld. Ook worden wij steeds kritischer ten aanzien van giftige stoffen. Denk maar aan het schadelijk effect van roken. Het wordt nu eindelijk openbaar toegegeven dat roken schadelijk is voor de gezondheid. Enkele tientallen jaren geleden dacht men hier anders over. b Waarop wijst het voorvoegsel L-? In de structuurformule van L-dopa zit een asymmetrisch koolstofatoom. Dat maakt het molecuul asymmetrisch en dus is het spiegelbeeld van L-dopa ongelijk aan het origineel. In de structuurformule van dopamine komt geen asymmetrisch koolstofatoom voor. c De enzymremmer hecht zich op een zodanige manier aan het enzym, dat het actieve centrum wordt geblokkeerd. Het enzym verliest daardoor zijn werking. d 40 a Acute toxiciteit betekent dat je (vrijwel) direct ziek wordt van een stof, die je hebt binnengekregen. Bij chronische toxiciteit gaat het om een giftige stof, waarvan het effect pas na lange tijd en langdurige blootstelling merkbaar wordt. b Het no-toxic effectlevel is die hoeveelheid van een giftige stof die nog geen schadelijk effect geeft. e Denk aan de wijze waarop de secundaire en tertiaire structuur van een eiwit tot stand komen. De kokervorm van een eiwit wordt in stand gehouden door waterstofbruggen van de N-H groepen met de C=O groepen in het eiwit. Aan het stikstofatoom van proline ontbreekt het H atoom dat de waterstofbrug zou moeten vormen met een C=O groep van een andere peptidebinding. f Denk eraan dat voor de code van ieder aminozuur drie basen nodig zijn. Het aflezen van aminozuur 166 begint bij het basenpaar met nummer 3 x 165 + 1 = 496. Van het triplet basenparen 496-497-498 is het middelste basenpaar anders. Dat is dus nummer 497. 41 De MAC- en ADI-waarden zijn getallen met een eenheid. Bij de andere begrippen gaat het om kwalitatieve aanduidingen. 42 Je hebt dan met een direct merkbaar effect te maken. Het gaat dus om acute toxiciteit. 43 a Dit kun je in de tekst vinden. Sarin is bij kamertemperatuur een vloeistof. Het kookpunt is iets hoger dan van water; het verdampt snel. b Volgens de tekst is sarin de ester van methylfluorofosfonzuur, CH3PFOOH, en 2-propanol. g Zie ook tabel 70B in Binas. 40 De middelste base in het codon in het mRNA voor leucine is een U en voor proline is dat een C. In de matrijsstreng van het DNA zit in het gen voor normaal DJ-1 een A en het gen met de puntmutatie een G. Dan zit dus in de coderende streng van het DNA in het gen voor normaal DJ-1 een T en in het gen met de puntmutatie een C. c Let op de manier waarop sarin gemaakt kan worden. In de moleculen van de beginstoffen zijn een zuurgroep en een hydroxylgroep aanwezig. Deze moleculen koppelen aan elkaar onder afsplitsing van een molecuul water. Op deze manier ontstaat een ester. Hoofdstuk 18 Natuurlijk chemie d Ga met elkaar na waar de grenzen van de individuele vrijheid liggen. Er is veel discussie over wat er nu wel en niet via internet verspreid mag worden. De algemene tendens daarbij is, dat het geen aanleiding tot criminaliteit mag geven. Als je het zo bekijkt zou het in dit geval verboden moeten worden ondanks onze persvrijheid. 44 Je zult thuis moeten zoeken. Wij hebben voor jullie naar banketbakkersroom gekeken. a Banketbakkersroom bevat: verdikkingsmiddelen E 450, E 450 a kleurstoffen E 104, E 110 b Van de kleurstof E 104: chinolinegeel 10 mg kg-1. 45 a Bereken de inhoud van de kamer en bereken hoeveel mg kwik dan per m3 voorkomt. Je moet de inhoud van de kamer berekenen: Inhoud = l x b x h = 5 x 4 x 2,5 = 50 m3. Er komt dus 500 mg kwik in een ruimte van 50 m3. Dit is 10 mg m-3. b Zoek in Binas de MAC waarde van kwik op en vergelijk deze met de uitkomst bij a. De MAC waarde voor kwik is 0,05 mg m-3. Deze wordt dus ruimschoots overschreden. stof koolstofdioxide voor. Op deze plaats zijn beide kringlopen aan elkaar gekoppeld. Bij de koolstofkringloop wordt koolstof bij verbranding met behulp van zuurstof omgezet in koolstofdioxide. De zuurstof is dan gebonden aan koolstof. O2(g) komt weer vrij als uit koolstofdioxide door fotosynthese glucose wordt gevormd. 50 a Bij de koolstof- en stikstofkringloop gaat het eigenlijk om het feit dat koolstofatomen en stikstofatomen niet verdwijnen, maar behouden blijven. Bij chemische reacties worden de koolstofen stikstofatomen steeds gebonden aan andere atomen. Door opeenvolgende reacties kan dan een bepaald molecuul opnieuw ontstaan. b Bij de plastickringloop gaat het meer om de vraag of een plastic voorwerp, dat niet meer gebruikt wordt of kapot is, behandeld kan worden zodat er een nieuw plastic voorwerp van gemaakt kan worden. Bijvoorbeeld plastic bekertjes waarvan een paal geperst wordt. Met de moleculen in het plastic gebeurt eigenlijk niets. 51 a Uit welke beginstoffen maak je deze kunstmest? Omdat de beginstoffen zwavelzuur en ammoniak zijn, heet deze kunstmest `zwavelzure ammoniak'. b Kijk nog eens bij de geheugensteuntjes. 46 Dat mag je zelf doen. Zwavelzuur is H2SO4, en ammoniak is NH3. De naam is ammoniumsulfaat. ■■ 18.7 Chemische kringlopen in de natuur 47 a Kijk nog eens in hoofdstuk 2. steenkool, aardolie en aardgas. b Welke onuitputtelijke energiebron is er nog steeds op aarde? c Aan welke voorwaarde moet een moleculaire stof voldoen om goed in water op te lossen? Ammoniakmoleculen, NH3, hebben N-H groepen en kunnen waterstofbruggen vormen. Hierdoor is deze stof goed oplosbaar in water. d Is zwavelzuur een sterk of zwak zuur? De zon. c Ga na wat bij de fotosynthese gebeurt en hoe fossiele brandstoffen zijn ontstaan. Via de fotosynthesereactie is zonne-energie omgezet in chemische energie in glucose en zetmeel. Deze stoffen worden op hun beurt weer omgezet in steenkool, aardolie of aardgas. Hierin is nog steeds zonne-energie opgeslagen. 48 Zijn er ook processen waardoor zuurstof in de lucht komt? Door de groene planten komt steeds zuurstof in de lucht. Dit proces levert blijkbaar evenveel zuurstof als wij door verbranding opmaken. Uit koolstofdioxide en water ontstaan glucose en zuurstof. Zwavelzuur is een sterk zuur; de ionisatie in water is dan een aflopende reactie. Het HSO4- ion dat daarbij ontstaat, is een zwak zuur. In de notatie van de oplossing heb je geleerd dat je het zwakke zuur niet in losse ionen noteert. De vergelijking is dan: H2SO4(l) + H2O(l) H3O+(aq) + HSO4-(aq) In de praktijk doen we vaak net alsof de ionisatiestap van HSO4-(aq) ook volledig verloopt. In dat geval mag je de ionisatie van zwavelzuur in water ook als volgt noteren. H2SO4(l) + 2 H2O(l) 2H3O+(aq) + SO42-(aq) e Als je de molariteit van de oplossing kent en je weet hoeveel liter oplossing je moet maken, kun je het aantal mol stof dat je moet oplossen uitrekenen. Antwoorden: 4,3 x 102 en 2,5 x 103 49 Zowel in de koolstofkringloop als in de zuurstofkringloop komt als gemeenschappelijke 41 Pulsar – Chemie vwo scheikunde 1 deel 3 Als beide oplossingen 2,5 M zijn, zul je van beide stoffen 25 mol moeten oplossen in 10 liter water. Dit is 25 x 17,03 = 4,3 x 102 g NH3(g) en 25 x 98,08 = 2,5 x 103 g H2SO4(l). f Inventariseer welke deeltjes aanwezig zijn. Deze stap is afhankelijk van je antwoord op vraag d. Wat is de base en wat is het zuur? opbrengst aan ammoniumsulfaat toe, omdat er dan alleen ammoniumsulfaat als vaste stof het proces verlaat. 52 a Kijk op de verpakking naar het percentage ammoniumstikstof. Antwoord: 1,7 Als je de zwavelzuuroplossing genoteerd hebt als 2 H3O+(aq) + SO42-(aq), dan is het zuur H3O+(aq) en de base NH3(aq). Je krijgt de reactievergelijking: H3O+(aq) + NH3(aq) NH4+(aq) + H2O(l) Op de verpakking staat dat er in totaal 12% stikstof inzit, waarvan 7% ammoniumstikstof. Dat betekent dat in een zakje van 5,0 kg 3,5 x 102 g N als NH4+ voorkomt. Dit moet je omrekenen naar mol. g Ga na welke molariteit beide oplossingen hebben en in welke verhouding in mol de stoffen met elkaar reageren. aantal mol aantal gram aantal mol aantal gram h Wat zal de pH van de oplossing moeten zijn, als beide oplossingen in de juiste verhouding zijn gemengd? K2O(s) + H2O(l) 2 K+(aq) + 2 OH-(aq) c Ga na welke ionen door de reactie bij b in de grond komen. Doordat kaliumoxide in de grond terechtkomt, maken hydroxide-ionen de grond minder zuur. ■■ Op weg naar het proefwerk 1 Gebruik hierbij ook tabel 67 van Binas. De structuurformules van de koolhydraten zijn te vinden in tabel 67A3 van Binas. Polysachariden zoals zetmeel zijn polymeren, opgebouwd uit monosachariden zoals glucose. Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. De structuurformules zijn te vinden in tabel 67C van Binas. j Kijk in het blokschema. 42 Je zou met de waterdamp in een warmtewisselaar de vloeistof die naar de verdamper gaat kunnen opwarmen. De waterdamp condenseert dan tot water. Dit zou je bij de verzadigde ammoniumsulfaatoplossing kunnen doen. Als je dit water gebruikt om het ammoniak en/of het zwavelzuur op te lossen, dan heb je in principe geen extra water nodig. Bovendien neemt de 12,5 ….. b De reactie van een metaaloxide met water kun je in hoofdstuk 15 opzoeken. i Kijk in het blokschema. k Bedenk of de inhoud van de afvalstromen nog nuttig te gebruiken is. 1,00 132,1 Hieruit bereken je 1650 g. In het juiste aantal significante cijfers is dat 1,7 kg. Een oplossing van zwavelzuur heeft een heel lage pH, een oplossing van ammonia een hoge. Als een van beide stoffen in overmaat aanwezig is, zal de pH groter of kleiner dan 7 zijn. Als de stoffen in de juiste verhouding zijn gemengd, zal de pH ongeveer 7 zijn. Omdat NH4+(aq) een zwak zuur is, zal de pH iets kleiner zijn dan 7. De afvalstromen in het blokschema bestaan uit waterdamp en de vloeistof, die bij het centrifugeren onstaat. Dit is een verzadigde ammoniumsulfaatoplossing. … 3,5 x 102 Hieruit bereken je 25 mol N. Er is dus ook 25 mol NH4+ aanwezig. Er is dan 12,5 mol (NH4)2SO4 aanwezig. Dit moet je weer omrekenen naar g. Zwavelzuur en ammoniak reageren in de molverhouding 1 : 2. Omdat beide oplossingen dezelfde molariteit hebben, zal van de ammoniakoplossing tweemaal zo veel gebruikt moeten worden. In het blokschema staat bij de combinatie van indamper en kristallisator dat daar waterdamp en een slurry uitkomt. Hier vindt het indampen plaats. Deze scheidingsmethode berust op het verschil in kookpunt van water en ammoniumsulfaat. Daarna wordt de slurry gecentrifugeerd. Deze scheidingsmethode berust op het verschil in dichtheid. Het water heeft een kleinere dichtheid dan de ammoniumsulfaatkristallen. 1,00 14,01 2 a Hier is niets over te zeggen. Er zijn zeer giftige natuurstoffen, zoals het gif van slangen. Er zijn ook zeer onschuldige natuurstoffen. Er zijn ook zeer onschuldige en zeer giftige synthetische stoffen. b Er bestaat een verband tussen die begrippen. Ze geven alle aan of een stof giftig is. Hoe toxischer een stof is, des te lager zijn de MAC-waarde en de ADI-waarde. De MAC-waarde en de ADI-waarde zijn getalswaarden. De toxiciteit is meer een kwalitatief begrip. 3 – Hoofdstuk 18 Natuurlijk chemie 4 a Kijk naar de structuurformules van de monomeren in tabel 67C van Binas. Er zijn drie mogelijkheden om die monomeren aan elkaar te koppelen. c Alanine en glycine behoren tot de aminozuren. De algemene formule is d Denk aan de manier waarop een ester wordt gesplitst bij behandeling met natronloog. Daarbij ontstaat een alcohol en een zuurrestion. Bij het examen werd het antwoord CH3COO- ook goed gerekend. 7 a 2 N2(g) + 6 H2O(l) 4 NH3(g) + 3 O2(g) b Welke karakteristieke groepen bevat een aminozuur? b Ser-Ser-Ala 5 Ser-Ala-Ser Ala-Ser-Ser Je kunt de volgorde achterhalen door alle stukjes onder elkaar te zetten waarbij dezelfde aminozuren onder elkaar moeten staan. Gly–Ile Gly–Ile–Val Val–Glu Glu–Gln–Cys Cys–Ala Cys–Cys Gln–Cys Glu–Gln De gevraagde volgorde is: Gly - Ile - Val - Glu - Gln - Cys - Cys - Ala Hieruit kunnen alle gegeven dipeptiden en tripeptiden worden gemaakt. 6 a Kijk goed wat de repeterende eenheid is. In een aminozuurmolecuul is een NH2 groep aanwezig. Het ammoniak, NH3, kan daarvoor als grondstof worden gebruikt. c Wat hebben aminozuren en eiwitten met elkaar te maken? Aminozuren zijn de bouwstenen voor eiwitten. Eiwitten komen voor in levende organismen. Het is dus voor het ontstaan van leven op aarde van belang dat er aminozuren beschikbaar zijn om eiwitten van te maken. Bij vraag b heb je al gezegd, dat voor het vormen van aminozuren ammoniak nodig is. d Volgens dit artikel wordt ammoniak rechtstreeks gevormd uit stikstofgas. Je kunt dus een aantal tussenstappen overslaan waarin nitriet en nitraat worden gevormd. e 2 H2S(g) + 2 CO(g) CH3COOH(l) + 2 S(s) f Welke twee karakteristieke groepen bevat een molecuul van een aminozuur? b Let erop dat vijf van de zes hoekpunten in de ring koolstofatomen zijn. Koolstof heeft een covalentie van vier. Je moet dus zelf het aantal ontbrekende H atomen bepalen. C8H15O6N Een aminozuurmolecuul bezit een aminogroep en een carbonzuurgroep. Er moeten dus ook zuren beschikbaar zijn voor het ontstaan van aminozuren. Je kunt je voorstellen dat uit azijnzuur, ethaanzuur, met behulp van ammoniak het aminozuur glycine kan ontstaan. 43