Achtergrondrapport natuur MER Noordring Randstad 380 kV

advertisement
Achtergrondrapport
natuur MER Noordring
Randstad 380 kV
verbinding
H.A.M. Prinsen
R.R. Smits
F.L.A. Brekelmans
R.G. Verbeek
L.S.A. Anema
S. Dirksen
Achtergrondrapport natuur MER Noordring Randstad 380 kV verbinding
H.A.M. Prinsen
R.R. Smits
F.L.A. Brekelmans
R.G. Verbeek
L.S.A. Anema
S. Dirksen
opdrachtgever: Tennet TSO bv, Arnhem
22 maart 2012
rapport nr. 08-191
Status uitgave:
Eindrapport
Rapport nr.:
08-191
Datum uitgave:
22 maart 2012
Titel:
Achtergrondrapport natuur MER Noordring Randstad 380 kV verbinding
Samenstellers:
Drs. H.A.M. Prinsen
Ir. R.R. Smits
Drs. F.L.A. Brekelmans
Ing. R. G.Verbeek
Ing. L.S.A. Anema
Drs. S. Dirksen
Aantal pagina’s inclusief bijlagen:
187
Project nr.:
07-164
Projectleider:
Drs. H.A.M. Prinsen
Naam en adres opdrachtgever:
TenneT TSO bv
Postbus 718 6800 AS Arnhem
Referentie opdrachtgever:
Inkooporder T159279, d.d. 17 november 2008
Akkoord voor uitgave:
Adjunct-directeur Bureau Waardenburg bv
drs. S. Dirksen
Paraaf:
Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen
van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv; opdrachtgever
vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
© Bureau Waardenburg bv / TenneT TSO bv
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport
mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze
dan ook, zonder vooraf-gaande schrif-telijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau
Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor
het is vervaardigd.
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is door CERTIKED gecertificeerd overeenkomstig ISO
9001:2000.
4
Voorwoord
TenneT TSO bv (kortweg: TenneT), de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet,
wil een nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding in de Randstad aanleggen. Deze
hoogspanningsleiding verbindt Wateringen met Beverwijk via Zoetermeer (Bleiswijk).
De m.e.r - procedure wordt uitgevoerd in twee aparte stappen: eerst wordt de
procedure doorlopen voor het traject Wateringen - Zoetermeer (de ‘Zuidring’), daarna
(gedeeltelijk gelijktijdig) voor het traject Zoetermeer - Beverwijk (de ‘Noordring’).
TenneT heeft aan Bureau Waardenburg de opdracht verleend het voorliggende
achtergrondrapport op te stellen waarin de effecten worden beschreven van een
nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding op de natuur in het plangebied van de
Noordring.
Het projectteam ecologie van Bureau Waardenburg bestond uit de volgende
personen:
Hein Prinsen :
projectleiding, eindredactie, effectbeoordeling
Ralph Smits :
onderdeel vogels
Floris Brekelmans: onderdeel flora en fauna (exclusief vogels)
Rogier Verbeek:
onderdeel vogels
Lieuwe Anema:
kaartvervaardiging en overige GIS ondersteuning
Sjoerd Dirksen:
interne kwaliteitscontrole
Vanuit Bureau Waardenburg verleenden de volgende personen ondersteuning bij de
totstandkoming van onderhavige rapportage. Peter van Horssen en Maarten Japink
verleenden in verschillende stadia van het onderzoek GIS ondersteuning. Jonne
Hartman, Abel Gyimesi, Mark Collier, Daniël Beuker, Dennis Renssen en Michael
Zevenhoven namen deel aan één of meerdere veldonderzoeken naar vliegbewegingen en draadslachtoffers van vogels bij 'De Wilck'. Allen worden bedankt voor
hun bijdragen en kritisch meedenken in verschillende fasen van dit project.
Onze dank gaat uit naar de agrariërs Nico Kaptein, Johan de Jong, Hans Oostdam,
Hans Heemskerk, Jan Penning en Jan Dirk Corts voor het verlenen van toegang tot
hun erf en/of grondgebied en voor de gastvrijheid tijdens de veldonderzoeken in de
omgeving van 'De Wilck'.
Wij danken Frans Koops, die ons in de beginfase van het project snel heeft ingewerkt
in de materie rondom effecten van hoogspanningslijnen op natuur en ons van de
nodige relevante literatuur voorzag.
Een groot aantal gegevens werd verkregen van derden. Allereerst worden Adri de
Groot en Cor Kes hartelijk bedankt voor het leveren van een uitgebreide dataset met
betrekking tot voorkomen en verspreiding van kleine zwanen in de omgeving van 'De
Wilck'. Sjaak Schilperoort (Vogelwerkgroep Vlietland) voorzag ons van informatie over
het gebruik van het gebied de Starrevaartplas bij Leiden als slaapplaats door kleine
zwanen, waarvoor dank.
5
Provincie Noord-Holland, Agrarische Natuurvereniging Wijd & Wouden en Vereniging
Agrarisch Natuurbeheer Ade worden bedankt voor de levering van gegevens over
broedende weidevogels binnen hun werkgebied. Provincie Zuid-Holland en SOVON
Vogelonderzoek Nederland leverden gegevens van maandelijkse watervogeltellingen
en midwintertellingen van een groot aantal telgebieden in en rond het plangebied van
de Noordring als ook gegevens van kolonies van broedvogels.
De Provincie Zuid-Holland en Provincie Noord-Holland worden bedankt voor het
leveren van informatie over beschermde gebieden. Mevrouw A-J. Haarsma verzorgde
een overzicht van bekende verblijfplaatsen, vliegroutes en belangrijke foerageergebieden van de meervleermuis binnen het plangebied, waarvoor dank.
De interpretatie van de geleverde gegevens en daaruit voortvloeiende conclusies
komen geheel voor rekening van Bureau Waardenburg. Hiervoor genoemde instanties
en personen dragen geen verantwoordelijkheid voor de in deze rapportage vermelde
conclusies op basis van de door hen aangeleverde gegevens.
6
Inhoud
Voorwoord..........................................................................................................................................5
Samenvatting ....................................................................................................................................9
1
Inleiding .................................................................................................................................. 13
2
Materiaal en uitgangspunten ............................................................................................... 15
3
4
5
6
7
2.1.
Studiegebied .............................................................................................................. 15
2.2
Bestaande brongegevens en aanvullende veldonderzoeken.............................. 17
2.3
Methode van effectbepaling en -beoordeling ......................................................... 22
Huidige situatie en autonome ontwikkeling ........................................................................ 31
3.1
Beschermde gebieden ............................................................................................. 31
3.2
Vogels ......................................................................................................................... 37
3.3
Strikt beschermde flora en fauna (exclusief vogels).............................................. 67
3.4
Autonome ontwikkelingen ........................................................................................ 78
Effecten van hoogspanningslijnen op vogels en vleermuizen ......................................... 81
4.1
Inleiding ...................................................................................................................... 81
4.2
Draadslachtoffers onder vogels ............................................................................... 82
4.3
Factoren die van invloed zijn op de aantallen draadslachtoffers ......................... 84
4.4
Effecten per soortgroep ............................................................................................ 89
4.5
Effecten op vleermuizen ........................................................................................... 95
Effecten van alternatieven op natuur .................................................................................. 99
5.1
Tracéalternatieven..................................................................................................... 99
5.2
Permanente effecten............................................................................................... 101
5.3
Tijdelijke effecten ..................................................................................................... 120
5.4
380 kV en 150 kV opstijgpunten............................................................................ 121
5.5
Vergelijking van de alternatieven ........................................................................... 123
Bespreking van mogelijke effectbeperkende maatregelen ............................................ 127
6.1
Vogels ....................................................................................................................... 127
6.2
Flora .......................................................................................................................... 133
6.3
Watergebonden fauna (exclusief vogels) ............................................................. 133
6.4
Landgebonden fauna (exclusief vogels)............................................................... 134
6.5
Vleermuizen ............................................................................................................. 134
Meest Milieuvriendelijk Alternatief ..................................................................................... 139
7.1
Beschrijving tracé van het MMA ............................................................................ 139
7.2
Effecten van het MMA op natuur ........................................................................... 143
7
8
9
10
Voorkeurstracé .................................................................................................................... 149
8.1
Beschrijving voorkeurstracé ................................................................................... 149
8.2
Effecten op natuur van het voorkeurstracé .......................................................... 152
8.3
Noodlijnen ................................................................................................................ 157
Leemten in kennis en evaluatieprogramma..................................................................... 161
9.1
Leemten in kennis ................................................................................................... 161
9.2
Aanzet monitoring- en evaluatieprogramma ........................................................ 162
Literatuur .............................................................................................................................. 163
Bijlage 1: Draadslachtoffers onder 150 kV lijn bij 'De Wilck' ................................................... 169
Bijlage 2: Begrippenlijst ............................................................................................................... 181
8
Samenvatting
TenneT TSO bv (kortweg: TenneT), de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet,
wil een nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding in de Randstad aanleggen. Deze
hoogspanningsleiding verbindt Wateringen met Beverwijk via Zoetermeer. De m.e.r.procedure wordt uitgevoerd in twee aparte procedures: eerst wordt de procedure
doorlopen voor het traject Wateringen-Zoetermeer (de “Zuidring”), daarna voor het
traject Zoetermeer-Beverwijk (de “Noordring”). TenneT heeft Bureau Waardenburg de
opdracht verleend het voorliggend achtergrondrapport op te stellen waarin de effecten
worden beschreven een nieuwe 380 kV hoogspanningsverbinding op natuur in het
plangebied van de Noordring.
Natuur in en bij het plangebied
Het zoekgebied van de Noordring loopt tussen de sterk verstedelijkte noord- en
zuidvleugel van de Randstad en doorsnijdt over een grote lengte het meer landelijke
middengebied dat deel uitmaakt van het Nationale Landschap het Groene Hart. Dit
middengebied bestaat deels uit open veenweidegebieden en deels uit
droogmakerijen.
In en rond het plangebied liggen verscheidene beschermde natuurgebieden. Ten
noordwesten van Hazerswoude-Dorp bevindt zich het Natura 2000-gebied 'De Wilck'.
In het plangebied bevinden zich de volgende gebieden die zijn aangewezen als
beschermd gebied in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS): het
Recreatiegebied Spaarnwoude, inclusief de veenweidepolders ten noordoosten van
Haarlem en het voormalige Floriadeterrein ten noordwesten van Hoofddorp, delen van
de westrand van de Haarlemmermeer, de Kagerplassen ten noordoosten van Leiden
en de Elfenbaan langs de N11 tussen Zoeterwoude en Alphen aan de Rijn.
Binnen het plangebied vormen de verschillende veenweidegebieden de belangrijkste
vogelgebieden. Van noord naar zuid betreft dit de Vereenigde Binnenpolder en
Inlaagpolder ten oosten van Haarlem, de Veender- en Lijkerpolder ten westen van
Nieuwe Wetering, de polders aan weerszijden van de A4 tussen Leiderdorp en
Roelofarendsveen en de polders tussen Leiderdorp en Hazerswoude-Dorp. In het
broedseizoen zijn deze polders van belang voor broedende weidevogels, terwijl in de
nazomer en in het winterhalfjaar in dergelijke voedsel- en waterrijke polders grote
aantallen van o.a. ganzen, eenden, meeuwen en steltlopers rusten en foerageren.
De andere delen van het buitengebied bestaan vooral uit droogmakerijen die met
name in gebruik zijn als akkerbouwgebied, zoals de Haarlemmermeer en de polders
ten zuiden van Hazerswoude-Dorp. Ten opzichte van de voornoemde veenweidegebieden, zijn de droogmakerijen meestal beduidend armer aan voedsel, water en
beschutting en daarom voor de meeste vogelsoorten minder interessant als broed- en
foerageergebied. De aantallen vogels zijn veelal ook lager, wat niet wegneemt dat in
het winterhalfjaar ook in deze akkerbouwgebieden soms grotere aantallen van
bijvoorbeeld meeuwen of steltlopers aanwezig kunnen zijn.
9
In het plangebied komen een aantal vogelsoorten voor die in kolonies in of nabij het
plangebied broeden, zoals aalscholver, blauwe reiger, lepelaar en enkele
meeuwensoorten. Deze kolonievogels en soortgroepen die hiervoor genoemd zijn,
kunnen tijdens voedselvluchten of slaaptrek met de nieuw aan te leggen
bovengrondse hoogspanningslijn botsen. Vanuit het aspect natuur vormt dit risico op
draadslachtoffers het belangrijkste effect. In dit rapport wordt daarom veel aandacht
besteed aan vliegbewegingen van vogels in en over het plangebied.
Behalve vogels komen in het plangebied ook verschillende andere soorten strikt
beschermde fauna voor. Het betreft in ieder geval de vissoorten bittervoorn en kleine
modderkruiper, de amfibieënsoort rugstreeppad, de slakkensoort platte schijfhoren en
zo’n zes soorten vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen omvangrijke
groeiplaatsen van strikt beschermde soorten flora aanwezig, maar komen incidenteel
wel exemplaren van de volgende strikt beschermde soorten flora voor: rietorchis,
moeraswespenorchis, veldsalie, wilde marjolein en rapunzelklokje.
Effecten van de onderzochte alternatieven op natuur
In het MER zijn vijf bovengrondse en één ondergronds alternatief onderzocht en
beoordeeld. De bovengrondse alternatieven verschillen met name in de ligging van de
tracés in het plangebied, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bundeling met
bestaande infrastructuur, zoals snelwegen en de HSL, en bundeling met bestaande
150 kV verbindingen. Het ondergronds alternatief is geen realistisch alternatief. Het is
onderzocht omdat op voorhand niet te zeggen is of en waar de milieueffecten van een
bovengronds tracé zodanig zijn dat ondergrondse aanleg wenselijk of nodig is. Zo
bestaat voor alle delen van de verbinding de mogelijkheid voor een ondergronds
traject te kiezen. Voor natuur worden geen permanente negatieve effecten verwacht
van een ondergronds onderzoeksalternatief. Mogelijk dat in de aanlegfase een
ondergronds alternatief tijdelijk kleine negatieve effecten kan hebben (beperkte
verstoring of verlies leefgebied van beschermde soorten), maar deze zijn over het
algemeen goed te mitigeren of compenseren.
Het belangrijkste effect van alle bovengrondse alternatieven is het effect op het Natura
2000-gebied ''De Wilck''. Als wordt gekozen voor een gecombineerde verbinding met
de 380 kV en de 150 kV lijnen op één mast kan een significant effect op het
instandhoudingsdoel van de smient voor geen enkel van de vijf bovengrondse
alternatieven worden uitgesloten. Dat kan wel als de 150 kV verbinding wordt
verkabeld en de 380 kV bovengronds wordt aangelegd. Als de 380 kV verbinding
ondergronds wordt aangelegd, wordt, ten opzichte van de bestaande situatie, in het
geheel geen effect op ‘'De Wilck'’ verwacht. Voor het overige verschillen de gevolgen
voor natuur niet veel. De alternatieven die bundelen met infrastructuur en Hoofddorp
oostelijk passeren hebben iets minder gevolgen dan de andere bovengrondse
alternatieven omdat zij een meeuwenkolonie bij het gemaal Cruquius minder
beïnvloeden. De alternatieven die bundelen met 150 kV veroorzaken in het gebied
van de Oude Rijn waarschijnlijk iets minder draadslachtoffers (weidevogels en
broedvogels) dan de alternatieven die bundelen met infrastructuur.
10
Voorkeurstracé
Het voorkeurstracé bestaat uit een samenstelling van delen van de onderzochte
integrale tracé-alternatieven die op effecten zijn beoordeeld in het MER en gaat
westelijk langs Hoofddorp. Het voorkeurstracé bevat vier ondergrondse tracédelen
(totaal circa 9,3 kilometer lengte). Het tracé passeert het Noordzeekanaal
ondergronds, ligt enkele kilometers ondergronds vanaf station Vijfhuizen tot een
opstijgpunt aan de Drie Merenweg, ligt ruim een kilometer ten westen van Hoofddorp
ondergronds en bij Rijpwetering ligt het het tracé ook circa 2 kilometer ondergronds.
Het voorkeurstracé, dat wat betreft het 380 kV gedeelte bovengronds loopt en wat
betreft het 150 kV gedeelte ondergronds loopt ter hoogte van 'De Wilck', heeft een
negatief effect op dat Natura 2000-gebied. Het betreft maximaal enkele tientallen
draadslachtoffers op jaarbasis onder smient en incidenteel een draadslachtoffer onder
kleine zwaan. Het is op voorhand uit te sluiten dat dit een significant negatief effect
heeft op het Natura 2000-gebied 'De Wilck'. De nieuwe verbinding zal niet leiden tot
een toename van de meerjarige sterfte onder kleine zwaan en smient ten opzichte van
de huidige situatie met de bestaande 150 kV verbinding ten oosten van 'De Wilck'.
Het voorkeurstracé heeft geen negatieve
natuurgebieden in of nabij het plangebied.
effecten
op
andere
beschermde
Het effect van het voorkeurstracé op weidevogels, kolonievogels en overige
broedvogelsoorten is als een 'beperkt negatief' effect beoordeeld. De verstoring van
een (hooguit) beperkt areaal leefgebied en geringe aantallen draadslachtoffers brengt
het lokale voorkomen en de landelijke gunstige staat van instandhouding van deze
soorten niet in gevaar.
Voor niet-broedvogels en seizoenstrekkers is het effect, in verhouding tot de landelijke
en regionale populaties van deze soorten, beperkt tot relatief kleine aantallen
draadslachtoffers. Dit brengt het lokale voorkomen en de landelijke gunstige staat van
instandhouding niet in gevaar. Omdat het voor veel soorten om meerdere slachtoffers
op jaarbasis gaat is dit als een 'negatief' effect beoordeeld.
Het eventuele effect op overige beschermde fauna en flora beperkt zich tot de
aanlegfase en betreft niet of nauwelijks de gebruiksfase (onderhoud en beheer).
Eventuele negatieve effecten worden tot een verwaarloosbaar niveau beperkt of
geheel voorkomen door het toepassen van effectbeperkende maatregelen zoals
uitgewerkt ten behoeve van de ontheffingen voor de Flora- en faunawet.
Dit rapport
voornoemde
markeringen
verminderen.
programma.
beschrijft tenslotte de mogelijkheden voor het verminderen van
negatieve effecten op natuur. Dit betreft o.a. het aanbrengen van
in de bovengrondse lijnen om het aantal draadslachtoffers te
Tevens wordt een aanzet gegeven voor een monitoring- en evaluatie-
11
12
1 Inleiding
Randstad 380 kV verbinding
TenneT, de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet, wil een nieuwe 380 kV
hoogspanningsverbinding in de Randstad aanleggen. Deze hoogspanningsleiding
verbindt Wateringen met Beverwijk via Zoetermeer (Bleiswijk) (figuur 1.1). De nieuwe
verbinding is nodig om in de toekomst voldoende capaciteit te bieden voor
elektriciteitstransport. Het tracé en de uitvoeringswijze (bijvoorbeeld bovengronds of
ondergronds) van de verbinding worden bepaald door de Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en de Minister van Infrastructuur en Milieu
(I&M). Dit gebeurt in twee aparte procedures: eerst wordt de procedure doorlopen
voor het traject Wateringen-Zoetermeer (de “Zuidring”), daarna (gedeeltelijk
gelijktijdig) voor het traject Beverwijk – Zoetermeer (Bleiswijk) (de “Noordring”). Voor
het MER Zuidring is in 2008 een ‘Achtergrondrapport natuur’ opgesteld (Prinsen et al.
2009).
Voorliggend
achtergrondrapport
vormt
samen
met
andere
achtergrondrapporten de basis voor het MER van de Noordring.
Figuur 1.1
Plangebied Randstad 380 kV verbinding (Beverwijk-ZoetermeerWateringen). Voorliggende rapportage richt zich op het traject BeverwijkZoetermeer (Bleiswijk) (‘Noordring’).
13
Achtergrondrapporten
Mede op basis van het MER nemen de ministers van EL&I en I&M een besluit over
het tracé en de uitvoeringswijze van de hoogspanningsverbinding van Beverwijk naar
Zoetermeer (Bleiswijk). In het MER staat welke effecten te verwachten zijn en wat het
Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) is. Er worden verschillende
achtergrondrapporten opgesteld, waarin per (milieu)aspect (landschap, natuur,
leefomgevingskwaliteit, bodem&water) een effectbeschrijving en mogelijke
mitigerende en compenserende maatregelen zijn opgenomen. In voorliggend
achtergrondrapport wordt de effectbeschrijving natuur gepresenteerd.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het gebruikte bronmateriaal en de methode van het onderzoek
naar effecten van de hoogspanningsverbinding op natuur uiteengezet. In hoofdstuk 3
zijn de huidige situatie en autonome ontwikkeling van natuur in het plangebied
weergegeven. Een algemeen overzicht van de effecten van een hoogspanningsverbinding op vogels en vleermuizen wordt in hoofdstuk 4 beschreven. In hoofdstuk 5
staan de effecten van verschillende alternatieven centraal en is te lezen welke
alternatieven vanuit natuur het meest gunstig zijn en waarom. In hoofdstuk 6 is
beschreven hoe effecten op natuur kunnen worden gemitigeerd. In hoofdstuk 7 en 8
zijn de effecten van het Meest Milieuvriendelijke Alternatief respectievelijk het
Voorkeursalternatief beschreven. Tot slot zijn in hoofdstuk 9 de kennisleemten
beschreven en wordt een aanzet gegeven voor een monitoring- en
evaluatieprogramma.
14
2 Materiaal en uitgangspunten
Dit hoofdstuk definieert per natuuraspect het studiegebied dat binnen deze
effectstudie betrokken is (§ 2.1). Een beknopte beschrijving van het plangebied van de
Noordring Randstad 380 kV verbinding wordt gegeven in het hoofdrapport van het
MER. In § 2.2 wordt aangegeven welk bronmateriaal is gebruikt voor het beschrijven
van de huidige situatie, autonome ontwikkeling en effectbeschrijving en welke
aanvullende veldonderzoeken hebben plaatsgevonden. In § 2.3 wordt beschreven hoe
effecten van de ingreep op natuuraspecten zijn bepaald en beoordeeld.
Het gebruikte bronmateriaal dateert merendeels uit 2006 of eerdere jaren, de
aanvullende veldonderzoeken hebben plaatsgevonden in de periode 2007-2010. Dit is
een gevolg van het relatief lange tijdpad (2007-2011) van de m.e.r.-procedure, binnen
welke periode dit achtergrondrapport is opgesteld en tussentijds aangepast. Op basis
van deskundigenoordeel en actuele landelijke trends, is tijdens de effectbepaling
rekening gehouden met veranderingen in aanwezigheid en verspreiding van
beschermde soorten planten en dieren die sinds 2006 mogelijk in het plangebied zijn
opgetreden. De resultaten gelden daarom als actueel en toepasselijk.
2.1.
Studiegebied
De ruimtelijke omvang van het studiegebied verschilt per natuuraspect waarvoor in
voorliggend rapport de effecten van de Noordring onderzocht worden, zoals PEHS,
weidevogels, flora en vleermuizen. Het studiegebied is namelijk afhankelijk van de
reikwijdte van de milieueffecten en is daarom per natuuraspect anders. Per
natuuraspect wordt hieronder globaal het studiegebied gedefinieerd. Voor het soort
effecten dat kunnen optreden wordt verwezen naar hoofdstuk 4. Het plangebied van
de Noordring is weergegeven in figuur 1.1.
Beschermde gebieden
- (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur (PEHS) en Ecologische Verbindingszones (EVZ): studiegebied is beperkt tot de feitelijke PEHS of EVZ. Gezien de
gedefinieerde natuurdoelen voor deze gebieden is er geen sprake van “externe
werking”, dat wil zeggen dat de haalbaarheid van de voor het gebied gestelde
doelen alleen beïnvloed kan worden als de verbinding daadwerkelijk door het
gebied komt.
- Natura 2000-gebieden (in dit geval 'De Wilck'): studiegebied omvat het deel van
het plangebied dat grenst aan 'De Wilck' en de omgeving met een straal van ca. 5
km rondom 'De Wilck'. Voor dit studiegebied zijn voorkomen, verspreiding en
vliegbewegingen van kleine zwaan en smient nagegaan. 'De Wilck' is
aangewezen als Natura 2000-gebied vanwege de aanwezigheid van een
internationaal belangrijk aantal overwinterende kleine zwanen en smienten. In en
rond het plangebied in de omgeving van 'De Wilck' komt voedsel- en rustgebied
voor dat van belang is voor beide soorten. De polders rondom 'De Wilck' moeten,
15
-
hoewel deze niet als beschermd gebied zijn aangewezen, daarom worden
opgevat als een noodzakelijke voorwaarde voor het functioneren van 'De Wilck'
als Natura 2000-gebied en vallen onder ‘externe werking’. Door de effecten te
betrekken op de instandhoudingsdoelen voor 'De Wilck', is rekening gehouden
met de mogelijkheid dat de hoogspanningsverbinding volgens de
Natuurbeschermingswet gezien zou kunnen worden als een obstakel met (extern)
effect op natuurlijke kenmerken van het gebied 'De Wilck', hoewel het ontwerpaanwijzingsbesluit de relatie met het plangebied niet als kenmerk vermeldt. In de
instandhoudingdoelen voor 'De Wilck' is onder meer opgenomen dat in het gebied
de omvang en kwaliteit van leefgebied voor kleine zwaan en smient moet worden
behouden met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 10
respectievelijk 2.100 vogels (gemiddeld seizoensgemiddelde). Nagegaan is in
hoeverre de alternatieven kunnen leiden tot additionele sterfte (draadslachtoffers)
onder de kleine zwanen en smienten van 'De Wilck' en of dit de haalbaarheid van
de doelstelling kan bedreigen.
Eendenkooi Vijfhuizen: het studiegebied beslaat het gebied binnen de
afpalingskring van deze eendenkooi (1.318 m). Vanuit de wetgeving (Flora- en
faunawet) bezien gelden binnen deze straal uitdrukkelijk verboden (zoals
verstoring van de rust).
Vogels
- Weidevogels: het studiegebied omvat het gehele plangebied en gebieden binnen
een straal van ca. 1-2 km rondom het plangebied. Vogels die net buiten het plangebied verblijven, kunnen tijdens voedsel-, balts- of slaapvluchten het plangebied
doorkruisen.
- Kolonievogels: het studiegebied omvat het gehele plangebied en gebieden binnen
een straal van ca. 3 km rondom het plangebied, plus gebieden waarvan bekend is
dat kolonievogels veel in of nabij het plangebied foerageren. Een studiegebied
van dergelijke omvang geeft voldoende houvast om goed in beeld te brengen
waar in en rond het plangebied veel kolonievogels verblijven en vliegen.
- Overige broedvogels: het studiegebied omvat het gehele plangebied. De meeste
vogelsoorten die als broedvogel voorkomen in of rond het plangebied, hebben
een relatief beperkte actieradius (territorium). De ruimtelijke omvang van het
plangebied voldoet om de reikwijdte van de effecten op broedvogels te
beschrijven.
- Niet-broedvogels: het studiegebied omvat het gehele plangebied en gebieden
binnen een straal van ca. 1-2 km rondom het plangebied .Vogels die net buiten
het plangebied verblijven, kunnen tijdens voedsel- of slaapvluchten het plangebied doorkruisen.
- Seizoenstrek: het studiegebied omvat het gehele plangebied en gebieden binnen
een straal van ca. 1-2 km rondom het plangebied. Seizoenstrek kan door factoren
worden gestuurd die buiten het plangebied liggen (zoals de omvangrijke
bebouwing van Haarlem en Leiden, die mogelijk door vogels op seizoenstrek
wordt gemeden waardoor enige stuwing in het plangebied plaats kan vinden).
16
Flora en overige fauna
- Flora: het studiegebied omvat het gehele plangebied. De reikwijdte van eventuele
effecten op flora is ruimtelijk zeer beperkt.
- Land-/watergebonden fauna (excl. vogels): het studiegebied omvat het gehele
plangebied. De reikwijdte van eventuele effecten op fauna (excl. vogels) is
ruimtelijk zeer beperkt.
- Vleermuizen: het studiegebied omvat het gehele plangebied en gebieden binnen
een straal van circa 1-2 km rondom het plangebied. Beschouwd wordt of buiten
het plangebied kraamkolonies aanwezig zijn van waaruit vleermuizen binnen het
plangebied foerageren.
2.2
2.2.1
Bestaande brongegevens en aanvullende veldonderzoeken
Bestaande brongegevens
Vogels
Weidevogels
- van de Agrarische Natuurvereniging Wijd & Wouden zijn weidevogelgegevens uit
2001 en 2009 verkregen van gebieden rondom Hazerswoude.
- van de Vereniging Agrarisch Natuurbeheer Ade zijn weidevogelgegevens uit 2009
verkregen van gebieden tussen Leiden en Roelofarendsveen.
- de Provincie Noord-Holland leverde weidevogelgegevens uit 1997, 2001 en 2009
voor de delen van het plangebied gelegen binnen de provincie Noord-Holland.
Kolonievogels
- gegevens over locaties van broedvogelkolonies en aantallen van aalscholver,
blauwe reiger, lepelaar, meeuwen en sterns in en nabij het plangebied, zijn
verkregen van SOVON Vogelonderzoek Nederland (periode 2000 – 2006).
Overige broedvogels
- de Provincie Noord-Holland leverde gegevens uit 1997 en 2001 van reguliere
broedvogelkarteringen binnen de provincie, die gebruikt zijn om het voorkomen
van Rode Lijstsoorten in het Noord-Hollandse deel van het plangebied in beeld te
brengen.
- aanvullende informatie over het voorkomen van Rode Lijstsoorten binnen het
plangebied is gebaseerd op bestaande publicaties.
Niet-broedvogels
- gegevens over het voorkomen van niet-broedvogels in (de omgeving van) het
plangebied zijn verkregen van de Provincie Zuid-Holland en SOVON
Vogelonderzoek Nederland, aangevuld met informatie uit bestaande publicaties.
Deze gegevens betreffen de resultaten van maandelijkse tellingen van
watervogeltelgebieden in Zuid-Holland respectievelijk Noord-Holland uit de
periode juli 2000 - juni 2005 en de jaarlijkse midwintertellingen in januari (periode
17
-
-
-
2001 - 2005) in deze gebieden. Dit is het kleinste ruimtelijke schaalniveau waarop
dergelijke volgens een gestandaardiseerde methode verzamelde gegevens
beschikbaar zijn. Voor ieder van de telgebieden is voor een selectie van relevante
vogelsoorten (zwanen, ganzen, eenden, meeuwen, steltlopers) het gemiddelde
seizoensmaximum berekend voor de periode 2000 - 2005, waarbij een ‘seizoen’
loopt van juli van het ene jaar tot juni van het daaropvolgende jaar.
informatie over aantallen foeragerende kleine zwanen, gebiedsgebruik en gebruik
van slaapplaatsen in de Rijnstreek uit de periode 2000-2008 is verkregen van dhr.
C. Kes en dhr. A. de Groot. Van Vogelwerkgroep Vlietland is informatie ontvangen
over het gebruik van het gebied de Starrevaartplas bij Leiden als slaapplaats door
kleine zwanen in de periode 2002 t/m 2008.
voor een aantal gebieden binnen het plangebied zijn geen of slechts beperkt
recente telgegevens van niet-broedvogels beschikbaar. Voor deze gebieden is
gebruik gemaakt van gepubliceerde gegevens en waarnemingen op internet,
aangevuld met waarnemingen van medewerkers van Bureau Waardenburg (par.
2.2.2). Vervolgens is een deskundige schatting gemaakt van het voorkomen van
niet-broedvogels in deze gebieden.
ook de schatting van het voorkomen en de hoeveelheid vliegbewegingen van nietbroedvogels over het plangebied is vooral gebaseerd op een deskundigenoordeel.
In enkele gevallen was hierover gepubliceerde informatie voorhanden of is
informatie verkregen via derden.
Seizoenstrek
Algemene kennis is gebruikt om een beeld te schetsen van de seizoenstrek over het
plangebied (Lensink 1996; Lensink et al. 2002). Tevens is de website
www.trektellen.nl geraadpleegd voor recente trektelgegevens van een telpost ten
noordwesten van Zoetermeer.
Overige fauna en flora
Gegevens met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna binnen
het plangebied zijn opgevraagd bij de Provincie Zuid-Holland en Provincie NoordHolland. Daarnaast is het plangebied in de periode juni 2008 - juni 2011 door Bureau
Waardenburg onderzocht op het voorkomen en de verspreiding van beschermde flora
en fauna (Kruijt & Brekelmans 2012). Een groot deel van het plangebied is ook in het
kader van andere studies onderzocht op het voorkomen van flora- en fauna. In het
rapport wordt aan de relevante studies gerefereerd. Mevrouw A-J. Haarsma verzorgde
een overzicht van bekende verblijfplaatsen, vliegroutes en belangrijke
foerageergebieden van de meervleermuis binnen het plangebied.
Beschermde gebieden
Voor een beschrijving en de ligging van beschermde gebieden en belangrijke
ecologische gebieden is gebruik gemaakt van de website van de Provincie ZuidHolland en Provincie Noord-Holland (kaartmateriaal 2010). Voor een beschrijving van
18
Natura 2000-gebieden in en rond het plangebied is gebruik gemaakt van informatie op
de website van het Ministerie van EL&I.
2.2.2
Aanvullend veldonderzoek
Voorkomen, verspreiding en vliegbewegingen kleine zwaan en smient bij 'De Wilck'
In de polders ten noorden en zuiden van de Oude Rijn (inclusief het Natura 2000gebied 'De Wilck') is tussen half november 2007 en half februari 2008 door
medewerkers van Bureau Waardenburg wekelijks een kartering uitgevoerd van pleisterende kleine zwanen en smienten. Het gebied in een straal van circa vijf kilometer
rondom 'De Wilck' werd hiertoe per fiets doorkruist en alle aanwezige groepen zwanen
en smienten werden op een topografische kaart ingetekend.
Gedurende deze periode is ook verschillende keren per maand ’s avonds de slaaptrek
van de aanwezige kleine zwanen in kaart gebracht waarbij er met name op werd gelet
waar de zwanen het plangebied doorkruisten en welke slaapplaatsen werden gebruikt.
Tijdens vier nachten zijn met behulp van telkens twee mobiele scheepsradars (Furuno
12 kW) de nachtelijke vliegbewegingen van smienten in de polders ten noorden en
zuiden van de Oude Rijn in kaart gebracht (figuur 2.1). Met een horizontaal
rondzoekende radar zijn de ruimtelijke patronen en intensiteit van de vliegbewegingen
in kaart gebracht (van waar naar waar vliegen smienten en in welke ordegrootte de
aantallen daarvan lagen), terwijl met een omhoog gerichte radar (vertikale radar) de
vlieghoogte en het aantal passages over de bestaande 150 kV lijn is vastgelegd. In
figuur 2.2 zijn de radarlocaties en het bereik van beide radars tijdens de vier nachten
weergegeven.
Tijdens het radaronderzoek zijn gedurende de nacht de vliegbewegingen die zichtbaar
waren op het radarscherm van de horizontale radar (figuur 2.3) per 10 minuten
periodes ingetekend op topografische kaarten. Tegelijkertijd is van elke passage over
de 150 kV lijn, zoals zichtbaar op het radarscherm van de vertikale radar (figuur 2.4),
de positie, hoogte en richting op een formulier vastgelegd.
In het kader van een veldonderzoek naar de effectiviteit van een nieuw type
draadmarkering (‘vogelflappen’), is het bovenstaande onderzoek herhaald in de
periode 15 oktober 2009 - 31 maart 2010. De resultaten van dit aanvullende onderzoek zijn gerapporteerd in een zelfstandig leesbare rapportage (Hartman et al. 2010)
en in beknopte vorm in voorliggende rapportage opgenomen.
19
20
Figuur 2.1
Opstelling van de horizontale en verticale radars voor het onderzoek aan
nachtelijke vliegbewegingen van smienten nabij de bestaande 150 kV lijn
ten oosten van het Natura 2000-gebied 'De Wilck'. Op de foto rechts zijn
de radarschermen zichtbaar van de horizontale radar (blauw met rood
scherm) en verticale radar (groen scherm). Zie ook figuren 2.3 en 2.4.
Figuur 2.2
Radarlocaties en bereik van de horizontale en vertikale radar op (van
noord naar zuid): 14 januari 2008 in de Hondsdijkse Polder ten
noordwesten van Hazerswoude-Rijndijk, 13 december 2007 ten
zuidwesten van Hazerswoude-Rijndijk en 26 november 2007 en 4
februari 2008 ten noorden van Hazerswoude Dorp. In de figuur is de
ligging van de bestaande 150 kV-lijn en de te onderzoeken alternatieven
voor de Noordring opgenomen.
Figuur 2.3
Foto van het radarscherm van de horizontale radar op de locatie ten
noorden van Hazerswoude-Dorp (straal is ca. 1,3 km). Links van het
midden van het scherm zijn in blauw vliegsporen zichtbaar van smienten
die over de Hazerswoudse Droogmakerij vliegen (aangewezen door rode
pijl). Het blauw aan het rand van het scherm wordt veroorzaakt door
reflectie van vocht in de lucht. Vaste objecten en structuren in het veld
zijn op het radarscherm zichtbaar in geel. Dit betreft o.a. watergangen,
bebouwing, wegen en bomenrijen. De bestaande 150 kV lijn is zichtbaar
als een gele stippellijn van noord naar zuid (rechts van het midden).
Figuur 2.4
Links: foto van het radarscherm van de vertikale radar (straal is ca. 450
m). Hoogspanningsmasten zijn zichtbaar als felgroene echo’s, zoals
helemaal links en rechts in het scherm zichtbaar is. Vogels die parallel
aan de lijn vliegen of de lijn passeren worden zichtbaar als een echo in
de vorm van een tijdelijke groen punt of een zich verplaatsende groene
stippellijn (voorbeeld aangegeven met de rode pijl). Rechts: overlay voor
het scherm van de verticale radar met daarop 10 verschillende
hoogteklassen en vijf verschillende vakken die gebruikt worden voor het
vastleggen van de hoogte en positie van de passages.
21
Draadslachtofferonderzoek bij de bestaande 150 kV lijn (2007/2008)
In de polders ten noorden en zuiden van de Oude Rijn (Gemeente Rijnwoude) is
tussen half november 2007 en half februari 2008 door medewerkers van Bureau
Waardenburg twee keer per week onder de bestaande 150 kV lijn gezocht naar
draadslachtoffers. Hoofddoel was vast te stellen welke aantallen van kleine zwaan en
smient tegen de bestaande hoogspanningsverbinding vlogen, maar ook de
draadslachtoffers onder andere vogelsoorten zijn genoteerd. Hiervoor is over een
lengte van circa 4,5 kilometer een gebied van 40 meter aan weerszijde van de lijn
afgezocht. Van alle gevonden dode of gewonde vogels is de exacte vindlocatie met
DGPS ingemeten en informatie met betrekking tot o.a. verwondingen, doodsoorzaak,
leeftijd en geslacht, mate van predatie en geschat aantal dagen tussen aanvaring en
vondst, is op een formulier in een veldcomputer ingevoerd. Tevens zijn proeven
uitgevoerd met kadavers van dode vogels om de verdwijnsnelheid en vindkans te
bepalen. Gedurende een week in december 2007 is met behulp van een
infraroodgevoelige camera met bewegingssensor vastgesteld welke aaseters op
enkele uitgelegde eendenkadavers predeerden. Voor meer details over de
onderzoeksmethode en resultaten wordt verwezen naar bijlage 1.
In de bliksemdraden van een deel van de bestaande 150 kV lijn in Gemeente
Rijnwoude, is in zomer 2009 een nieuw type draadmarkeringen (‘vogelflappen’)
aangebracht. In het kader van een veldonderzoek naar de effectiviteit van dit nieuwe
type draadmarkering, is het bovenstaande draadslachtoffer–onderzoek herhaald in de
periode 15 oktober 2009 - 31 maart 2010. De resultaten van dit aanvullende
onderzoek zijn gerapporteerd in een zelfstandig leesbare rapportage (Hartman et al.
2010) en in beknopte vorm in voorliggende rapportage opgenomen.
2.3
Methode van effectbepaling en -beoordeling
Ten behoeve van de effectbeoordeling van de verschillende alternatieven van de
Noordring, zijn de effecten van de hoogspanningsverbinding op natuur vertaald naar
criteria. Hieronder worden de criteria beschreven die zijn gebruikt bij het bepalen van
de effecten en de vergelijking van de alternatieven, beschreven in hoofdstuk 5. Voor
de vergelijking is gewerkt met relatieve scores:
++
Het effect is zeer positief.
+
Het effect is positief.
0/+
Het effect is beperkt positief.
0
Het effect is neutraal of er is geen effect.
0/-
Het effect is beperkt negatief.
-
Het effect is negatief.
--
Het effect is zeer negatief.
Onderscheid wordt gemaakt naar permanente effecten en tijdelijke effecten.
22
NB: De beschrijving en beoordeling van de milieugevolgen in dit MER heeft als doel
een goede afweging van de tracéalternatieven mogelijk te maken. Het gaat daarbij om
een onderlinge vergelijking binnen de scope van het project. Bij de vertaling van
kwantitatief beschreven effecten (zoals bijvoorbeeld het functioneren van beschermde
gebieden, of het aantal draadslachtoffers) zijn klassengrenzen gebruikt. Deze
klassengrenzen zijn projectspecifiek, omdat rekening wordt gehouden met
projectspecifieke omstandigheden zoals tracélengte, uitvoeringsvorm, gebiedseigenschappen, en dergelijke. Per project worden de klassengrenzen zo gedefinieerd dat
relevante verschillen tussen de alternatieven tot uiting komen en dat tevens de
absolute omvang of ernst van het effect tot uiting komt. Door deze (voor m.e.r.
gebruikelijke) aanpak is het niet mogelijk de kwalitatieve effectbeoordelingen van
verschillende hoogspannings projecten met elkaar te vergelijken. Voor een
verantwoorde tracéafweging binnen een specifiek hoogspanningsproject is dit geen
belemmering.
2.3.1
2.3.1.1
Permanente effecten
Functioneren beschermde gebieden
De effecten op (het functioneren van) beschermde gebieden worden beschouwd in
het licht van de uitdrukkelijke beschermingsdoelstellingen. Andere effecten die in
dezelfde gebieden kunnen optreden, worden besproken onder de kopjes “vogels”,
“vleermuizen” en “overige fauna en flora”.
-
Wanneer hoogspanningsverbindingen Ecologische Hoofdstructuur of Ecologische Verbindingszones kruisen, kan het zijn dat deze gebieden aangetast
worden in hun ecologisch functioneren. Het bedoelde functioneren van een
gebied wordt bijvoorbeeld aangetast als vanwege de hoogspanningslijn
doelsoorten het gebied of de zone niet kunnen bereiken, draadslachtoffer worden
of het gebied mijden vanwege bijvoorbeeld predatoren die de
hoogspanningsverbinding als uitvalsbasis gebruiken. Hierbij is van belang hoe
ernstig de schade is in het licht van het functioneren van het hele gebied, met
name relevant wanneer graafwerkzaamheden in het beschermde gebied
plaatsvinden. Het plaatsen van bijvoorbeeld masten op enige afstand aan
weerszijde
van
een
Ecologische
Verbindingszone
(EVZ),
waarbij
hoogspanningslijnen over de EVZ hangen, heeft vaak geen effect op het
ecologisch functioneren van de EVZ. In voorliggend achtergrondrapport wordt
bepaald of sprake is van aantasting van het ecologisch functioneren van het
beschermde gebied. Hiertoe is per alternatief nagegaan of en waar masten
worden gebouwd in het beschermde gebied en of, op basis van
deskundigenoordeel en informatie uit o.a. hoofdstuk 4, doorsnijding (bovengronds
en ondergronds) effecten kan hebben op doelsoorten.
23
De volgende scores worden toegekend om het functioneren van beschermde
gebieden te beoordelen (in het licht van de beschermingsdoelstellingen zijn er geen
positieve effecten):
0
Er is geen effect.
0/-
Er is sprake van een hooguit geringe aantasting van het ecologisch functioneren van
het beschermde gebied.
-
Er is sprake van een kleine aantasting van het ecologisch functioneren van het
beschermde gebied.
--
Er is sprake van ernstige aantasting van het ecologisch functioneren van het
beschermde gebied.
Een voorbeeld van wanneer de score ‘--‘ wordt toegekend is het blokkeren met een
mast van een watergang die is aangewezen als EVZ en dus juist voor de verbinding
moet zorgen. Dit vormt (ook in absolute zin) een ernstige aantasting van het
ecologisch functioneren. Een voorbeeld van wanneer de score ‘-‘ wordt toegekend is
wanneer draadslachtoffers onder weidevogels kunnen optreden in een EHS gebied
met een weidevogeldoelstelling maar deze aantallen slachtoffers de lokale populatie
niet in gevaar brengen.
-
1
De hoogspanningsverbinding vormt in de zin van de Natuurbeschermingswet
1998 en de Vogel- en Habitatrichtlijn geen directe aantasting van de natuurlijke
kenmerken van het Natura 2000-gebied 'De Wilck' als zodanig, maar kan wel
1
een verstorend effect hebben op de vogelsoorten (kleine zwaan en smient)
waarvoor dit gebied beschermd wordt. De kleine zwanen en smienten die in 'De
Wilck' rusten, komen veelvuldig naar het plangebied om daar voedsel te zoeken of
passeren tijdens voedselvluchten en/of slaaptrek regelmatig het plangebied. In
beide gevallen lopen ze dan de kans met de nieuwe bovengrondse verbinding te
botsen. Op basis van informatie over het gebiedsgebruik en belangrijke
vliegpaden (hoofdstuk 3) en informatie over de effecten van hoogspanningslijnen
op deze soorten (hoofdstuk 3 en 4) is per alternatief geschat welke aantallen
vogels verstoord en/of draadslachtoffer worden. Dit effect is getoetst aan de
instandhoudingsdoelen geformuleerd in het ontwerp aanwijzingsbesluit behorende
bij de voorgenomen herziening van de aanwijzing van 'De Wilck' als
Vogelrichtlijngebied (Natura 2000-gebied) als ook aan het vigerende aanwijzingsbesluit. Getoetst is of de aantallen van kleine zwaan en smient in 'De Wilck' als
gevolg van sterfte en/of verstoring door de nieuwe bovengrondse verbinding (in
cumulatie met effecten van andere plannen en handelingen in de omgeving van
'De Wilck', zie bijlage 3) lager kunnen worden dan de instandhoudingsdoelen
genoemd in het ontwerp van de genoemde herziening van het aanwijzingsbesluit
respectievelijk het aantal genoemd in de ten tijde van het onderzoek nog
vigerende aanwijzing.
Dit is de term die in de wettelijke bepalingen van de Natuurbeschermingswet wordt gebruikt. In deze rapportage wordt
er rekening mee gehouden dat zowel daadwerkelijke verstoring als ook het maken van draadslachtoffers onder vogels
die zich buiten het voor hen beschermde gebied bevinden als een door de Natuurbeschermingswet verboden verstoring
kan worden beschouwd.
24
In het volgende overzicht is weergegeven welke score wanneer wordt toegepast:
0
Er is geen effect.
0/-
Er is sprake van hooguit geringe verstoring en/of incidentele draadslachtoffers.
Deze effecten zijn verwaarloosbaar in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen .
-
Er
is
zeker
sprake
van
meer
dan
geringe
verstoring
en/of
meerdere
draadslachtoffers waarbij het op voorhand is uit te sluiten dat dit een significant
negatief effect heeft op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen
of de effecten kunnen met behulp van mitigatie met zekerheid worden teruggebracht
tot een aanvaardbaar, niet-significant niveau.
--
Er
is
zeker
sprake
van
meer
dan
geringe
verstoring
en/of
meerdere
draadslachtoffers waarbij het niet op voorhand is uit te sluiten dat dit een significant
negatief effect heeft op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen
en de effecten zijn niet te mitigeren tot een aanvaardbaar, zeker niet-significant
niveau.
-
Indien een eendenkooi in of nabij het plangebied aanwezig is, wordt nagegaan of
sprake is van verstoring van stiltegebied binnen de afpalingskring en van het
functioneren van de eendenkooi (verstoring, draadslachtoffers). Barrièrewerking is
niet aan de orde. Eenden die bijvoorbeeld vanuit een eendenkooi naar
omliggende polders vliegen, zullen over of onder de hoogspanningslijnen door
vliegen. Tijdens veldonderzoek in het plangebied van Randstad 380 kV verbinding
(zuid- en noordring), zijn door Bureau Waardenburg regelmatig passages van
eenden waargenomen over en onder de bestaande 150 kV lijn in Delft en bij 'De
Wilck'. Uit de literatuur zijn ook geen voorbeelden bekend dat een
hoogspanningslijn een belangrijke barrière vormde tussen een rust- en
foerageergebied van vogels. Hoe groter het aantal draadslachtoffers onder
eenden uit de eendenkooi of de verstoring van de rust binnen de afpalingskring
en/of de eendenkooi, hoe groter het negatieve effect.
In het volgende overzicht is weergegeven welke score wanneer wordt toegepast:
0
Er is geen effect.
0/-
Enige verstoring en/of incidentele draadslachtoffers onder eenden kan niet worden
uitgesloten. Deze effecten hebben voor het functioneren van de eendenkooi geen
betekenis.
-
Enige verstoring en/of meerdere draadslachtoffers onder eenden is aannemelijk.
Deze effecten hebben voor het functioneren van de eendenkooi geen betekenis.
--
Ernstige verstoring en/of een groot aantal draadslachtoffers onder eenden kan niet
worden uitgesloten. Dit kan het functioneren van de eendenkooi belemmeren.
2.3.1.2
Vogels
Bij vogels wordt onderscheid gemaakt naar effecten op broedvogels, niet-broedvogels
en vogels op seizoenstrek. Voor broedvogels is vooral het effect van belang op
25
enerzijds soorten van de Rode Lijst en anderzijds koloniebroeders. Broedvogelsoorten
van de Rode Lijst zijn vogelsoorten die in Nederland in hun voortbestaan bedreigd
zijn. Een hoogspanningsverbinding zal op dergelijke bedreigde soorten eerder een
belangrijk effect hebben dan op landelijk algemene, niet bedreigde broedvogelsoorten.
Voor laatstgenoemde groep, die meestal ook lokaal relatief algemeen zijn, worden
2
geen belangrijke effecten op het lokale voorkomen verwacht. Landelijk niet bedreigde
broedvogelsoorten zijn daarom buiten de scope van het MER gehouden. Wel wordt, in
verband met bepalingen van de Flora- en faunawet, in de ontheffingsaanvraag voor
de aanlegfase (Kruijt & Brekelmans 2012) aandacht besteed aan deze soorten.
Naast broedvogels van de Rode Lijst is een bespreking opgenomen van
broedvogelsoorten die in kolonies broeden (lepelaar, blauwe reiger, aalscholver,
meeuwen en sterns). Dergelijke soorten vertonen vaak gerichte vliegbewegingen
tussen broedkolonie en foerageergebieden die, wanneer deze vluchten de nieuwe
hoogspanningsverbinding passeren, in potentie risicovol zijn.
Een deel van voornoemde vogelsoorten verblijven ook buiten het broedseizoen in (de
omgeving van) het plangebied, bijvoorbeeld verschillende eenden-, steltloper- (o.a.
grutto en kievit) en meeuwensoorten. Vaak betreft het dan pleisteraars die (ver) buiten
het plangebied gebroed hebben en bijvoorbeeld het plangebied of de directe
omgeving daarvan tijdelijk gebruiken om te pleisteren en/of overwinteren. Voor
dergelijke niet-broedvogels worden met name soort(groep)en in beschouwing
genomen die regelmatig in grotere aantallen in of rond het plangebied voorkomen en
waarvan veel risicovolle vliegbewegingen worden verwacht. Het betreft zwanen,
ganzen, eenden, steltlopers en meeuwen.
In de bespreking van effecten op vogels wordt steeds onderscheid gemaakt tussen
verstoring en draadslachtoffers:
Verstoring: Doorsnijding van belangrijke broed-, foerageer-, of rustgebieden kan
leiden tot aantasting van de functie van deze gebieden. Des te groter de doorsnijding
van dergelijke gebieden, des te groter het potentiële negatieve effect (met name
verstoring van broedvogels en/of pleisterende niet-broedvogels). De grootte van het
effect wordt bepaald door de verwachte hoeveelheid verstoring (b.v. veel broedende
weidevogels binnen verstoringszone). Feitelijk wordt hiermee het areaal geschikt
leefgebied of de draagkracht van het gebied voor de desbetreffende soorten beperkt.
Nagegaan wordt of het negatieve effect het lokale voorkomen van vogelsoorten kan
aantasten.
Draadslachtoffers: Op basis van de beschikbare gegevens met betrekking tot
het voorkomen en de verspreiding van vogels en een kwalitatieve schatting van het
aantal vliegbewegingen (hoofdstuk 3), wordt voor elk alternatief een schatting
gemaakt van de ordegrootte van het aantal draadslachtoffers (enkele, meerdere, een
2
Het lokale voorkomen van vogels is in deze rapportage veelal regionaal benaderd (bijvoorbeeld de Rijnstreek in plaats
van een individuele polder binnen deze regio). In een aantal gevallen kan een lokale ‘populatie’ worden benoemd,
bijvoorbeeld broedende weidevogels in een geïsoleerd veenweidegebied of een overwinterende populatie grote
zilverreigers die foerageren in een relatief beperkte straal rondom een bekende slaapplaats. Vooral bij niet-broedvogels
is binnen het winterhalfjaar vaak sprake van uitwisseling tussen verschillende nabijgelegen gebieden. In die gevallen is
het lokale voorkomen ruimer genomen dan bijvoorbeeld alleen de polder die door de verbinding wordt doorsneden.
26
tiental, tientallen, honderden).
vermoedelijke negatieve effect.
Hoe
meer
draadslachtoffers
hoe
groter
het
De schatting van verstoring en aantallen draadslachtoffers is gebaseerd op
gepubliceerde effecten van hoogspanningsverbindingen elders in Noord-West Europa
(zie hoofdstuk 4). Voor draadslachtoffers is tevens gebruik gemaakt van overzichten
gepubliceerd in Heijnis (1976) en Koops (1987) en van de resultaten van drie
veldonderzoeken naar draadslachtoffers bij bestaande 150 kV lijnen, uitgevoerd door
Bureau Waardenburg bij Hazerswoude in winter 2007/2008 (deze rapportage) en
winter 2009/2010 (Hartman et al. 2010) en bij Delft in voorjaar 2008 (Prinsen et al.
2009).
De beoordeling van de effecten op vogels is gebaseerd op de verwachte aantallen
slachtoffers en aantallen verstoorde vogels en of deze aantallen het lokale voorkomen
van deze soorten in gevaar kan brengen. Hiertoe is voor de desbetreffende
soort(groep)en het geschatte ordegrootte aantal slachtoffers en/of verstoring afgezet
tegen de uit bestaande gegevens afgeleide lokaal en/of regionaal verblijvende
aantallen (waarbij rekening is gehouden met trends, zie inleiding hoofdstuk 2) en is op
basis van deskundigenoordeel beslist of het lokale voorkomen in gevaar kan komen.
Als niet kan worden uitgesloten dat het lokale voorkomen in het geding komt, is dit
beoordeeld als een zeer negatief effect (--), anders als een negatief effect (-).
Volgens de Flora- en faunawet is het (onder meer) verboden vogels te verwonden of
te doden. Dit slaat ook op draadslachtoffers. Voor de Randstad 380 kV
hoogspanningsverbinding kan van dit verbod ontheffing worden verkregen mits er
geen alternatieven zijn en mits geen afbreuk wordt gedaan aan de landelijke gunstige
staat van instandhouding van de desbetreffende soorten. In geen van de beoordeelde
alternatieven en tracés is sprake van een dergelijke afbreuk (Verbeek & Prinsen
2012), zodat dit niet in de tabellen is opgenomen. Wel wordt bij de effectbeoordeling
van de integrale tracés ingegaan op de cumulatie van de effecten.
De Flora- en faunawet biedt onder meer met voornoemde bepaling bescherming aan
individuen. Individuele bescherming geldt onder andere ook tegen verstoring van
broedende vogelsoorten en vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen tijdens
werkzaamheden in de aanlegfase (zie paragraaf 2.3.2).
In het volgende overzicht wordt weergegeven wanneer welke scores worden
toegekend:
+
Er is sprake van een afname van verstoring en draadslachtoffers (bijvoorbeeld
wanneer een bestaande bovengrondse verbinding wordt afgebroken en vervangen
door een ondergrondse verbinding)
0
Er zijn geen effecten.
0/-
Er is sprake van hooguit geringe verstoring en/of incidentele draadslachtoffers.
Deze effecten tasten zeker niet het lokale voorkomen van de desbetreffende
soorten aan.
27
-
Er is zeker sprake van meer dan geringe verstoring (een klein deel van de
aanwezige populatie) en/of meerdere draadslachtoffers. De effecten tasten zeker
niet het lokale voorkomen van de desbetreffende soorten aan.
--
Er is sprake van ernstige verstoring (een belangrijk deel van de aanwezige
populatie) en/of een groot aantal draadslachtoffers. Afbreuk aan het lokale
voorkomen van de desbetreffende soorten kan niet worden uitgesloten.
Bij de afweging is, waar relevant, rekening gehouden met de aanwezigheid van de
bestaande 150 kV verbinding en wat hier mee gebeurt en het geplande type nieuwe
mast (gecombineerde 150/380 kV of alleen 380 kV).
2.3.1.3
Vleermuizen
-
-
-
Het slopen van bebouwing en het toppen en kappen van (oud) bos en bomen kan
leiden tot permanente aantasting van verblijfplaatsen en vliegroutes van
vleermuizen.
Afhankelijk van het type verblijf (kraamverblijf, winterverblijf, paarverblijf,
tussenverblijf) kunnen permanente negatieve effecten optreden voor de lokale
populatie. Regionaal (Noord- en Zuid-Holland) betreft dit geen zeldzame soorten
en op de regionale en landelijke populatie worden geen negatieve effecten
verwacht. Deze effecten moeten op grond van wettelijke verplichtingen zoveel als
mogelijk worden voorkomen door het nemen van maatregelen en eventueel, zoals
in geval van sloop, compensatie. In hoofdstuk 6 zijn de maatregelen beschreven
om effecten op vleermuizen zoveel als mogelijk te voorkomen.
Wanneer op grote schaal bomenrijen worden verwijderd (over een afstand van
meer dan 50 meter) kunnen permanente negatieve effecten optreden op het
gebruik als vliegverbindingen. Toppen van bomen heeft geen effect op het gebruik
als vliegverbinding;
In diverse studies naar draadslachtoffers is nimmer melding gemaakt van
vleermuizen als draadslachtoffer. Verwacht mag worden dat incidenteel toch een
vleermuis tegen de masten of draden vliegt. Dit aantal is naar verwachting
dermate laag dat dit geen effect heeft op de duurzame instandhouding van de
populaties;
Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat vleermuizen worden verstoord door
elektromagnetische velden (zie hoofdstuk 4), wordt uit voorzorg de aanname
gemaakt dat dit (in beperkte mate) wel het geval zou kunnen zijn. Ligging in
gebieden die niet van belang zijn als verblijfplaats of foerageergebied heeft de
voorkeur.
Omdat negatieve effecten op vleermuizen goed zijn te voorkomen en compenseren
(zie hoofdstuk 6) en omdat dit in geval van aantasting van verblijfplaatsen vanuit de
Flora- en faunawet zelfs verplicht wordt gesteld, is alleen ‘0’ (geen effect) gescoord.
Hiermee wordt aangegeven dat voor de alternatieven geen negatieve effecten
verwacht worden, mits waar nodig effecten zoveel als mogelijk voorkomen worden
door maatregelen of gecompenseerd wordt in of voor de aanlegfase. De alternatieven
28
verschillen niet in de mate waarin het nemen van deze maatregelen of compensatie
nodig is (zie ook onderstaand kader).
Effecten op vleermuizen
Tijdens recent onderzoek in het kader van ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet
(Kruijt & Brekelmans 2012) voor de Noordring, is vastgesteld dat als gevolg van de
ingreep geen bebouwing of bomen worden aangetast die in gebruik (kunnen) zijn als
verblijfplaats door vleermuizen. Van directe aantasting of beschadiging van
vleermuizen of verblijfplaatsen is als gevolg van de ingreep geen sprake.
In beperkte mate kan sprake zijn van aantasting van foerageergebied, namelijk daar
waar het tracé en/of noodlijnen door bos- en parkgebied lopen. De in het gebied
voorkomende vleermuizen zijn soorten van halfopen, kleinschalig landschap en
bosranden. Deze landschappen worden niet aangetast en het openen van corridors in
bomenbestanden kan zelfs leiden tot een toename van jachtgebied. Indirecte effecten
als gevolg van verstoring door geluid en licht worden evenmin verwacht, aangezien de
werkzaamheden overdag worden uitgevoerd. Daarnaast worden maatregelen
getroffen om verlichting van potentieel waardevolle foerageergebieden te voorkomen.
Op enkele locaties is sprake van aantasting van lijnvormige structuren die potentieel
geschikt zijn als vliegroute. Gelet op de uit de omgeving bekende soorten wordt
verwacht dat gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone
grootoorvleermuis van deze structuren gebruik kunnen maken. Als gevolg van de
ingreep ontstaan kleine ‘gaten’ in deze structuren, van maximaal 50 meter breed.
Deze lengte is voor genoemde soorten goed overbrugbaar en het is niet de
verwachting dat deze aantasting gevolgen heeft voor de soorten die mogelijk van de
structuren gebruik maken. Effectbeperkende maatregelen worden getroffen om
verstoring (door licht) op lijnvormige structuren te voorkomen. Van indirecte aantasting
van vliegroutes is dan ook geen sprake.
2.3.1.4
Overige fauna en flora
Voor strikt beschermde water- en landgebonden fauna en flora worden geen
permanente effecten verwacht. Het eventuele effect op flora en water- en
grondgebonden overige fauna beperkt zich tot de aanlegfase (zie paragraaf 2.3.2) en
betreft niet of nauwelijks de gebruiksfase (onderhoud en beheer).
2.3.2
Tijdelijke effecten
In de aanlegfase treden tijdelijke effecten op natuur op. Door de werkzaamheden
kunnen planten en hun groeiplaatsen worden beschadigd of dieren worden verstoord.
Effecten door verstoring kunnen voor een groot deel worden voorkomen en dit zal ook
gebeuren gezien de verplichtingen die voortvloeien uit de Flora- en faunawet, onder
andere door in de uitvoering rekening te houden met vaste rust- en verblijfplaatsen en
het broedseizoen van vogels. In hoofdstuk 6 is beschreven welke maatregelen
getroffen kunnen worden om tijdelijke effecten te beperken. In de ontheffingsaanvraag
29
voor de aanlegfase (Kruijt & Brekelmans 2012) wordt uitdrukkelijk beschreven wat
wordt gedaan om effecten op flora en fauna te voorkomen.
Het enige tijdelijke effect op natuur in de aanlegfase, betreft de verstoring van nietbroedvogels. Het gaat hierbij om verstoring van rustende en/of foeragerende nietbroedvogels en niet om verstoring van vaste rust- of verblijfplaatsen of opzettelijke
verstoring met wezenlijke invloed, zoals bedoeld in de zin van artikel 11 respectievelijk
artikel 10 van de Flora- en faunawet. Het aspect verstoring van niet-broedvogels wordt
voor tijdelijke effecten beoordeeld zoals hiervoor beschreven bij permanente effecten
op vogels:
0
Er zijn geen effecten.
0/-
Er is sprake van hooguit geringe verstoring. Dit tast zeker niet het lokale voorkomen
van de desbetreffende soorten aan.
-
Er is zeker sprake van meer dan geringe verstoring (een klein deel van de
aanwezige populatie). Dit tast zeker niet het lokale voorkomen van de
desbetreffende soorten aan.
--
Er is sprake van ernstige verstoring (een belangrijk deel van de aanwezige
populatie). Afbreuk aan het lokale voorkomen van de desbetreffende soorten kan
niet worden uitgesloten.
30
3 Huidige situatie en autonome ontwikkeling
In onderstaande teksten wordt de huidige situatie beschreven van de aanwezige
natuuraspecten in het plangebied. Het betreft een beschrijving van de aanwezige
beschermde gebieden, vogels en strikt beschermde flora en fauna. Ecologische
achtergrondinformatie en het voorkomen, de verspreiding en vliegbewegingen van
kleine zwaan en smient in de omgeving van 'De Wilck' komen uitgebreid aan bod in de
beschrijving van niet-broedvogels in het plangebied (§ 3.2.4). In paragraaf 3.4 wordt
kort ingegaan op de betekenis voor natuur van autonome ontwikkelingen binnen het
plangebied.
3.1
Beschermde gebieden
Op de kaart in figuur 3.1 en in tabel 3.1 zijn de beschermde natuurgebieden in en rond
het plangebied weergegeven. Onder de kaart volgt een beschrijving van deze
gebieden en wordt aangegeven of het desbetreffende natuurgebied relevant is voor
deze m.e.r.-procedure.
3.1.1
Natura 2000-gebieden
'De Wilck'
Het Natura 2000-gebied 'De Wilck' is gelegen ten zuidoosten van Leiden, grofweg
tussen de N11 en Hazerswoude-Dorp, en heeft een oppervlak van 116 ha. Het
oostelijke deel van het gebied ligt net binnen het plangebied van de Noordring. 'De
Wilck' is van internationaal belang als overwinteringsgebied voor kleine zwaan en
smient. Het gebied is voor deze twee soorten aangewezen als Natura 2000-gebied.
'De Wilck' wordt door beide soorten vooral gebruikt als rustgebied, voor voedsel zijn
beide soorten in belangrijke mate aangewezen op foerageergebieden in de ruime
omgeving.
In het vigerende aanwijzingsbesluit zijn doelstellingen niet nader aangeduid dan met
de zinsnede in paragraaf 5 van de nota van toelichting, namelijk dat beleid en beheer
in algemeenheid gericht zijn op de instandhouding en ontwikkeling van de
vogelkundige waarde van het gebied zoals in paragrafen 3 en 4 van de nota van
toelichting beschreven. Aan de doelstelling voor de kleine zwaan wordt derhalve
voldaan zolang het vijfjaarlijks gemiddelde seizoensmaximum in 'De Wilck' tenminste
gelijk is aan 1,4% van de biogeografische populatie. Voor de smient worden geen
aantallen genoemd. Naar verwachting wordt een herziening van het aanwijzingsbesluit bekrachtigd voor de besluitvorming over de Noordring wordt voltooid. Daarom
is het ontwerp van de herziening leidend voor de beoordeling. In het ontwerp
aanwijzingsbesluit (website Ministerie van EL&I), wordt voor kleine zwaan en smient
het instandhoudingsdoel als volgt geformuleerd: “Behoud omvang en kwaliteit
leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 10 respectievelijk
2.100 vogels (gemiddeld seizoensgemiddelde)”.
31
Figuur 3.1 Beschermde natuurgebieden in en rond het plangebied.
Het gebied 'De Wilck' maakt deel uit van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied en
bestaat uit vochtige en natte graslanden, sloten en weteringen (figuur 3.2). In de
nazomer van 2000 is in het oostelijk deel van het gebied een kleine plas uitgegraven,
die sindsdien door de kleine zwanen als slaapplaats wordt gebruikt. Het gebied heeft
32
een eigen gesloten waterhuishouding, waarbij de westelijke en oostelijke helft van
elkaar zijn gescheiden (het peilverschil bedraagt ongeveer 20 cm). Bij waterschaarste
kan gebiedsvreemd water worden ingelaten met behulp van een gemaal. 'De Wilck' is
in eigendom en beheer bij Staatsbosbeheer en maakt deel uit van de EHS. Het gebied
is tevens van grote betekenis voor broedende weidevogels en overwinterende
watervogels.
Figuur 3.2
Overzicht over 'De Wilck' vanuit het noordoosten, mei 2007 (Foto: Hein
Prinsen).
Natura 2000-gebieden buiten het plangebied
In de ruime omgeving binnen een straal van 15 km van het plangebied, liggen negen
Natura 2000-gebieden (figuur 3.1). Een aantal van deze gebieden (bijvoorbeeld
Kennemerland-Zuid, Coepelduynen, Polder Westzaan, Botshol) zijn aangewezen
vanwege het voorkomen van bijzondere habitattypen en/of soorten van de
Habitatrichtlijn (bijvoorbeeld nauwe korfslak, gevlekte witsnuitlibel, groenknolorchis,
meervleermuis) en/of bijzondere soorten broedvogels. Deze Habitatrichtlijnsoorten en
broedvogels hebben allen een sterke binding met (de directe omgeving van) deze
Natura 2000-gebieden, mogelijk met uitzondering van de purperreiger (zie hieronder).
Het is daarom uit te sluiten dat deze soorten meer dan incidenteel van het 5 tot 15 km
verderop gelegen plangebied gebruik maken. Op voorhand wordt uitgesloten dat
effecten optreden op de aangewezen habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten of
broedvogelsoorten binnen deze gebieden.
De Nieuwkoopse Plassen & De Haeck op circa 15 km ten oosten van het plangebied,
is onder andere aangewezen vanwege het voorkomen van een belangrijke
broedkolonie van de purperreiger. Het is bekend dat volwassen purperreigers tot ca.
20 km van de kolonie kunnen foerageren (van der Winden et al. 2010). Het is daarom
niet uit te sluiten dat in de broedtijd oudervogels uit deze kolonie in het plangebied van
de Noordring foerageren. Uit de omgeving van 'De Wilck' zijn bijvoorbeeld uit de
afgelopen jaren enkele waarnemingen van volwassen purperreigers in het
broedseizoen bekend. Het is waarschijnlijk dat deze vogels afkomstig zijn uit de
kolonie in de Nieuwkoopse Plassen, aangezien dit de dichtstbijzijnde kolonie is. Het
instandhoudingsdoel voor purperreiger in het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse
Plassen & De Haeck betreft behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een
draagkracht voor een populatie van ten minste 120 paren. Ondanks de landelijk zeer
33
ongunstige staat van instandhouding is uitbreiding van de populatie niet ten doel
gesteld gezien de neutrale trend van de afgelopen 20 jaren in dit gebied. Omdat het
aantal waarnemingen van purperreigers in het plangebied zeer beperkt is en het
plangebied geen wezenlijk onderdeel vormt van het foerageergebied van vogels uit de
kolonie in de Nieuwkoopse Plassen (van de der Winden & van Horssen 2001, van der
Winden et al. 2010), wordt op voorhand uitgesloten dat effecten optreden op het
instandhoudingsdoel van purperreigers uit de Nieuwkoopse Plassen.
Een aantal Natura 2000-gebieden in de omgeving van de Noordring (Nieuwkoopse
Plassen, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder; Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske) is ook aangewezen vanwege het voorkomen van een aantal nietbroedvogelsoorten. Sommige van deze niet-broedvogelsoorten vliegen soms ook
vanuit de desbetreffende Natura 2000-gebieden naar verderop gelegen gebieden om
daar bijvoorbeeld te foerageren. Met betrekking tot de voornoemde Natura 2000gebieden (allen op 10 km of meer van het plangebied van de Noordring verwijderd)
zijn de soorten grote zilverreiger, kolgans en smient relevant. Dit zijn allemaal soorten
die relatief grote afstanden (10 km of meer) kunnen afleggen tussen slaapplaats en
foerageergebied. In de omgeving van de desbetreffende Natura 2000-gebieden is
echter een groot areaal geschikt foerageergebied voor deze soorten aanwezig. Het
plangebied vervult daarom geen wezenlijke functie voor deze gebieden doordat de
vogels uit die gebieden er weinig komen.
3.1.2
Ecologische Hoofdstructuur
Binnen het plangebied zijn verschillende gebieden onderdeel van de ecologische
hoofdstructuur (EHS) (figuur 3.1). Van noord naar zuid zijn dit respectievelijk het
Recreatiegebied Spaarnwoude, inclusief de veenweidepolders ten noordoosten van
Haarlem en het voormalige Floriadeterrein ten noordwesten van Hoofddorp, delen van
de westrand van de Haarlemmermeer, de Kagerplassen ten noordoosten van Leiden
en de Elfenbaan langs de N11 tussen Zoeterwoude en Alphen aan de Rijn.
Het noordelijke deel van het plangebied tussen het Noordzeekanaal en Hoofddorp en
het westelijk deel van de Haarlemmermeer zijn deels opgenomen in de EHS
(Provincie Noord-Holland 2000, 2010). Het is echter niet zo dat deze gebieden
vlakdekkend zijn ingevuld met reservaten, natuurontwikkeling en beheersgebieden,
maar ook bestaan uit recreatiegebieden, productiebos en agrarische gebieden zonder
natuurbeheer (Provincie Noord-Holland 2000, 2010).
In het plangebied van de Noordring zijn tien ecologische verbindingszones (EVZ)
gesitueerd (figuur 3.1). In tabel 3.1 is een beknopte omschrijving gegeven van de
ligging, karakteristiek en doelsoorten van deze EVZ’s.
34
Tabel 3.1
Beschrijving van beschermde gebieden binnen het plangebied. De
ligging van deze gebieden wordt weergegeven in figuur 3.1.
Status
Natura 2000
(provinciale)
Ecologische
Hoofdstructuur
Naam, ligging en karakter natuurgebied
'De Wilck' (ten zuiden van de Oude Rijn in
het westen van het plangebied): vochtige
en natte graslanden, sloten en weteringen.
Maakt deel uit van het Hollands-Utrechtse
veenweidegebied
Recreatiegebied Spaarnwoude (ten
noordoosten van Haarlem): behalve een
natuurfunctie heeft dit gebied een
belangrijke recreatieve en agrarische
functie
Westrand Haarlemmermeer (ten
noordwesten van Nieuw-Vennep en
Hoofddorp): behalve een natuurfunctie
heeft dit gebied een belangrijke recreatieve
functie, inclusief eventueel te ontwikkelen
groengebieden in het kader van
Haarlemmerméér Groen (zie ook paragraaf
3.4)
Voormalig Floriadeterrein (ten noordwesten
van Hoofddorp): behalve een natuurfunctie
heeft dit gebied een belangrijke recreatieve
functie
Ecologische
verbindingszones
(Noord-Holland)
Kagerplassen (ten noordoosten van
Leiden): plassen en meren, afgewisseld
met eilanden voor natuur en recreatie
Elfenbaan (langs de N11 tussen
Zoeterwoude en Alphen aan de Rijn): een
langgerekte strook van 50 tot 100 meter
breed
Driehuis – Spaarnwoude (gepland):
moerasverbinding met kleine moerasjes
met bos- en grasstrook
Santpoort-Spaarnwoude: moerasverbinding
met kleine en grotere moerasjes, al dan
niet met een grasstrook
Spaarnwoude-Kagerplassen (net buiten het
plangebied): moerasverbinding met
moerasjes, al dan niet met bos en/of
grasstrook. Ter hoogte van Hillegom raakt
deze verbindingszone de begrenzing van
het plangebied
Groene Weelde – Spaarnwoude (ten
noorden van Hoofddorp): moerasverbinding
met kleine moerasjes met bos- en
grasstrook
Doelsoorten/belang
Overwinteringsgebied voor
kleine zwaan en smient en
van grote betekenis voor
broedende weidevogels en
overwinterende watervogels
Recreatiegebied,
multifunctioneel productiebos,
agrarisch gebied met
weidevogel- en bloemrijke
graslanden en slootkanten,
nat schraalland, rietland en
ruigte
Multifunctioneel productiebos,
agrarisch gebied met
weidevogel- en bloemrijke
graslanden en slootkanten
Verbinding met overige
groene gebieden en
watergangen richting
Heemstede. Beperkte
betekenis voor strikt
beschermde vissen en
grondgebonden zoogdieren
Waternatuur, nadere invulling
onbekend
Rietland, ruigte en grasland,
aangelegd ter compensatie
van de N11
Boommarter, hooibeestje,
oranjetipje, rugstreeppad.
Bedoeld om het duingebied
met landgoederenzone te
verbinden met het achterland
Hooibeestje, rugstreeppad,
waterspitsmuis
Waterspitsmuis, ringslang,
rugstreeppad, kleine bonte
specht, meervleermuis,
noordse woelmuis,
hooibeestje,
geelsprietdikkopje, koevinkje
en oranjetipje
Rugstreeppad,
meervleermuis, hooibeestje,
geelsprietdikkopje, koevinkje
en oranjetipje
35
Tabel 3.1 vervolg
Status
Ecologische
verbindingszones
(Noord-Holland)
Naam, ligging en karakter natuurgebied
Groene Weelde – Geniedijk (ten noorden
van Hoofddorp): moerasverbinding met
kleine moerasjes met bos- en grasstrook
Zwaanshoek-Groene Weelde (tocht door
de bebouwde kom): moerasverbinding met
kleine moerasjes met bos- en grasstrook
Ecologische
verbindingszones
(Zuid-Holland)
Zwaanshoek – Kagerplassen (ten westen
en zuidwesten van Hoofddorp):
moerasverbinding met moerasjes, al dan
niet met bos en/of grasstrook.
Braassemermeer – Ade (Wijde Aa) –
Kagerplassen (langs de Zuidervaart):
moerasverbinding met rietvegetaties en
wilgenbosjes
Rijnstreek Noord – Rijnstreek Zuid (langs
'De Wilck'): zone van moeraselementen
van minimaal 30 meter breed. In het zuiden
aansluitend op de ecologische
verbindingszone Boskoop/Reeuwijk –
Noord Aa, een 30-50 m brede moeraszone
met meerdere grotere natuurgebieden
De Plas – Rotte/Rottemeren (ten oosten
van Zoetermeer): aaneengesloten
moerasverbinding. van 8 km met een
gevarieerde breedte, lopend langs de
Rotte, Oude Leedijk en Oostkade
3.1.3
Doelsoorten/belang
Rugstreeppad,
meervleermuis, hooibeestje,
geelsprietdikkopje, koevinkje
en oranjetipje
Rugstreeppad,
meervleermuis, hooibeestje,
geelsprietdikkopje, koevinkje,
oranjetipje
Waterspitsmuis,
rugstreeppad, meervleermuis,
noordse woelmuis, ringslang,
koevinkje en oranjetipje
Dwergmuis, hermelijn en
bruine glazenmaker
Rijnstreek Noord – Rijnstreek
Zuid: waterspitsmuis,
hermelijn, dwergmuis,
rugstreeppad, kleine
vuurvlinder en bruine
glazenmaker.
Boskoop/Reeuwijk – Noord
Aa: dwergmuis, hermelijn,
ringslang, kleine vuurvlinder
en bruine glazenmaker
opgenomen
Geschikt voor minder
kritische soorten als
watervleermuis, bunzing,
hermelijn, wezel, gehakkelde
aurelia, landkaartje en
houtpantserjuffer
Eendenkooi bij Vijfhuizen
De eendenkooi ‘Stokman’ ten noordoosten van Vijfhuizen (zie figuur 3.1) is één van de
circa 110 resterende eendenkooien in Nederland. Opgericht rond 1701, is de
eendenkooi nog steeds in gebruik om eenden te vangen en te doden voor
consumptie. De kooi wordt sinds 1757 beheerd door de familie Stokman en is
momenteel eigendom van Landschap Noord-Holland. Het vangen van eenden in een
eendenkooi is wettelijk toegestaan tussen 15 augustus en 1 februari. In de
eendenkooi Stokman worden momenteel alleen de soort wilde eend en verbasterde
nazaten daarvan (zogenoemde ‘tamme eenden’ of ‘soepeenden’) voor consumptie
gevangen (mond. med. familie Stokman). In de toekomst wordt de kooi mogelijk ook
gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek (het ringen van gevangen eenden waarna
deze weer worden losgelaten). De afpalingskring van deze eendenkooi bedraagt
1.318 m.
36
3.2
Vogels
3.2.1
Inleiding
Binnen het plangebied vormen de verschillende veenweidegebieden de belangrijkste
vogelgebieden. Van noord naar zuid betreft dit de Vereenigde Binnenpolder en Inlaagpolder ten oosten van Haarlem, de Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe
Wetering, de polders aan weerszijden van de A4 tussen Leiderdorp en Roelofarendsveen en de polders tussen Leiderdorp en Hazerswoude-Dorp (voor ligging van
deze gebieden, zie figuur 3.4). In het broedseizoen zijn deze polders van belang voor
broedende weidevogels, terwijl in de nazomer en in het winterhalfjaar in dergelijke
voedsel- en waterrijke polders grote aantallen van o.a. ganzen, eenden, meeuwen en
steltlopers rusten en foerageren.
De andere delen van het buitengebied bestaan vooral uit droogmakerijen die met
name in gebruik zijn als akkerbouwgebied, zoals de Haarlemmermeer en de polders
ten zuiden van Hazerswoude-Dorp. Ten opzichte van de voornoemde veenweidegebieden, zijn de droogmakerijen meestal beduidend armer aan voedsel, water en
beschutting en daarom voor de meeste vogelsoorten minder interessant als broed- en
foerageergebied. De aantallen vogels zijn veelal ook lager, wat niet wegneemt dat in
het winterhalfjaar ook in deze akkerbouwgebieden soms grotere aantallen van bijvoorbeeld meeuwen of steltlopers aanwezig kunnen zijn.
In de onderstaande beschrijving komen achtereenvolgens broedvogels (weidevogels,
overige Rode Lijstsoorten en kolonievogels), niet-broedvogels en seizoenstrek aan de
orde. Voor een motivering van de geselecteerde soort(groep)en wordt verwezen naar
paragraaf 2.3. Informatie over de verspreiding en vliegbewegingen van kleine zwaan
en smient in de omgeving van het Natura 2000-gebied 'De Wilck' wordt apart
behandeld in de paragrafen 3.2.4 en 3.2.5. In vergelijking tot de andere nietbroedvogelsoorten in het plangebied, is deze informatie veel uitgebreider. Dit is nodig
om de effectbeoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet goed te kunnen
onderbouwen.
3.2.2
Weidevogels van de Rode Lijst
Van noord naar zuid zijn de belangrijkste weidevogelgebieden te vinden in de
veenweidegebieden ten oosten van Haarlem, ten westen van Nieuwe Wetering
(Roelofarendsveen), en in de polders tussen Leiderdorp en Hazerswoude-Dorp.
Gebieden met kleinere aantallen weidevogels van de Rode Lijst bevinden zich ten
oosten van Beverwijk en tussen Leiderdorp en Nieuwe Wetering (figuur 3.4).
Ten oosten van Beverwijk in de Wijkermeerpolder bevonden zich in 1997 relatief hoge
dichtheden van gele kwikstaart en broedden tureluur en graspieper. Meer recente
gegevens zijn niet beschikbaar.
37
A
B
C
D
E
F
G
Figuur 3.4
38
Ligging van belangrijke weidevogelgebieden in het plangebied.
A. Wijkermeerpolder, B. Westhoffplas, C. Vereenigde Binnenpolder, D.
Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder, E. Blauwe polder, F. Polder
Achthoven en Hondsdijkse Polder, G. 'De Wilck' e.o.
Ten oosten van Haarlem bevonden zich in 2001 rondom Spaarnwoude binnen het
plangebied in de Vereenigde Binnenpolder en Inlaagpolder relatief hoge dichtheden
grutto’s en andere weidevogels. Meer recente gegevens uit 2009 bevestigen dit beeld
voor die enkele percelen binnen het plangebied die in 2009 opnieuw geïnventariseerd
zijn (gegevens Provincie Noord-Holland). De Westhoffplas ten oosten van Spaarndam
had in 2001 een opvallend hoge dichtheid aan slobeenden. In de polder ten oosten
van Nieuwebrug broedden in 2001 kleine aantallen grutto, tureluur en slobeend (figuur
3.5).
Figuur 3.5
Voorkomen van weidevogels (Rode Lijstsoorten) in 2001 in en
nabij de Vereenigde Binnenpolder en Inlaagpolder ten oosten van
Haarlem (gegevens Provincie Noord-Holland).
39
Vanwege het ontbreken van geschikte graslandgebieden zijn de akkerbouwpercelen
van de Haarlemmermeer weinig interessant voor weidevogelsoorten die aan graslanden gebonden zijn, zoals grutto en tureluur. Veldleeuwerik en gele kwikstaart
broeden wel op de akkers. De gemiddelde dichtheid aan broedvogels in de akkers van
de Haarlemmermeer bedraagt bijna 115 paar per 100 ha, waarmee dit habitat het
dunst bevolkt is in de regio (Geelhoed et al. 1998).
In de Veender- en Lijkerpolder bij Nieuwe Wetering ten westen van Roelofarendsveen
komen belangrijke dichtheden van onder andere grutto en tureluur voor. Ook in de
graslanden aan weerszijden van de A4 (o.a. in de Blauwe Polder bij Rijpwetering) zijn
hoge dichtheden van deze soorten aanwezig (figuur 3.6).
Figuur 3.6
Voorkomen van weidevogels (Rode Lijstsoorten) in 2009 in en nabij de
Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering en polders
aan weerszijde van de A4 tussen Leiden en Roelofarendsveen
(gegevens VAN Ade).
Ook 'De Wilck' is van groot belang voor weidevogels. In 2006 broedden er
bijvoorbeeld circa 70 paar grutto, 36 paar tureluur, 11 paar veldleeuwerik, 5 paar
wintertaling, 3 paar zomertaling en 20 paar slobeend (gegevens Vogelwerkgroep
Koudekerk/ Hazerswoude e.o.). De veenweidegebieden direct ten noorden en zuiden
van de Oude Rijn herbergen ook broedparen van verschillende weidevogelsoorten
van de Rode Lijst (figuur 3.7), maar een recent integraal beeld van dit gebied is niet
voorhanden.
40
Het zuidelijke deel van het plangebied tussen Hazerswoude-Dorp en Zoetermeer
bestaat voornamelijk uit akkerbouwgebied en is weinig betekenisvol voor weidevogels.
Figuur 3.7
Voorkomen weidevogels (Rode Lijstsoorten) ten noorden en zuiden van
de Oude Rijn in 2009 (gegevens AVN Wijd & Wouden). Gegevens van
'De Wilck' zijn overgenomen uit Dirksen & Aarts (2007) en verzameld
door Vogelwerkgroep Koudekerke/ Hazerswoude e.o.
41
3.2.2
Overige broedvogels van de Rode Lijst
In de relatief jonge polderbossen binnen het plangebied komt een aantal Rode
Lijstsoorten voor die kenmerkend zijn voor dit habitat. In het recreatiegebied
Spaarnwoude komen bijvoorbeeld de zomertortel, koekoek, grauwe vliegenvanger en
nachtegaal als broedvogel voor (gegevens Provincie Noord-Holland). Gegevens uit
Geelhoed et al. (1998) geven aan dat ook ransuil, spotvogel en wielewaal te
verwachten zijn. Deze soorten kunnen ook in andere polderbossen binnen het
plangebied, zoals Boswachterij Meerbos en Haarlemmermeerse Bos, als broedvogel
verwacht worden.
In de Vereenigde Binnenpolder is in 2006 een territorium van het porseleinhoen
vastgesteld (gegevens Provincie Noord-Holland). Op het terrein van Schiphol,
inclusief de omgeving van de Polderbaan, broeden en overwinteren jaarlijks enkele
velduilen (SOVON 2002; Lensink et al. 2003). Deze vogels kunnen tijdens het jagen
het plangebied doorkruisen. Andere Rode Lijstsoorten die verspreid binnen het
plangebied te verwachten zijn, zijn boomvalk, patrijs, kerkuil, groene specht,
boerenzwaluw, huismus, ringmus en kneu.
3.2.3
Koloniebroedende vogels
Aalscholver
Een aalscholverkolonie bevindt zich in de Plas van Poot bij het Van Tuyllpark in
Zoetermeer (17 paar in 2006, 20 paar in 2001). Vliegbewegingen van oudervogels
vanuit deze kolonie zijn met name te verwachten over het meest zuidelijke deel van
het plangebied. De soort foerageert waarschijnlijk vooral in de grotere wateren als
Rottemeren en de plassen ten noorden van Zoetermeer.
Binnen het plangebied zijn twee slaapplaatsen van aalscholvers bekend. De ene
bevindt zich nabij de Buiten Liede ten oosten van Haarlem en de andere ten oosten
van Velsen (figuur 3.8). Aalscholvers van de overige slaapplaatsen komen
vermoedelijk niet of hoog over het plangebied heen. Het merendeel van de
aalscholvers is voor het donker terug op de slaapplaats (Poot et al. 2000).
Blauwe reiger
Binnen het plangebied bevinden zich geen kolonies van blauwe reigers, maar wel
zullen regelmatig blauwe reigers binnen het plangebied foerageren of het gebied
doorkruisen die afkomstig zijn uit kolonies buiten het plangebied. In de noordelijke
helft van het plangebied betreft het waarschijnlijk vooral reigers afkomstig uit kolonies
in de omgeving van Haarlem (figuur 3.9). In de zuidelijke helft van het plangebied zijn
blauwe reigers te verwachten uit kolonies aan de Woudse Dijk aan de zuidrand van
het Braassemermeer (50 paar in 2006), in het park Cronesteijn bij Leiden (60 paar in
2001) en in de Plas van Poot bij het Van Tuyllpark in Zoetermeer (9 paar in 2006, in
2001 nog 30 broedparen). Buiten de broedtijd zijn ook vogels afkomstig van elders in
het plangebied te verwachten. Met name rond de Polderbaan van Schiphol foerageren
42
jaarrond relatief hoge aantallen (10-25 vogels), vooral onvolwassen niet-broeders, die
vanaf de nazomer worden aangevuld met doortrekkers en overwinteraars (Lensink et
al. 2003).
Figuur 3.8 Aalscholverslaapplaatsen in en rondom het plangebied. Voor iedere
slaapplaats is het maximum aantal aalscholvers weergegeven geteld in
2002 (Lensink et al. 2003).
43
Lepelaar
In de blauwe reigerkolonie langs de Buiten Liede ten oosten van Haarlem, broeden
sinds 2004 tussen de reigers ook enkele lepelaars (figuur 3.9). In 2007 was de kolonie
gegroeid tot 8 broedparen. Het bijzondere van deze kolonie is dat de lepelaars hier in
bomen broeden en dat de kolonie in een zeer druk gebied is gevestigd met direct
daarnaast een fietspad, een autoweg en een druk gebruikt pompstation (Tanger
2007). Voedselvluchten zijn mogelijk in een omtrek van 40 km rondom de kolonie
(Sandberg 2005), maar uit waarnemingen komt het beeld naar voren dat oudervogels
uit deze kolonie in een beperkte straal van 3 à 4 km rond de kolonie foerageren
(Tanger 2007 en waarneming.nl). De lepelaars foerageren hier vooral in kleine
wateren en ondiepe sloten tussen Hoofddorp en Beverwijk.
Grauwe gans
Grauwe ganzen broeden verspreid over de polders, in het noordelijk deel van het
plangebied onder andere in Spaarnwoude, De Liede, Buitenhuizen en Oosterbroek
(van der Jeugd et al. 2006), en in het zuidelijk deel van het plangebied onder andere
in 'De Wilck' (4 paar in 2006), Polder Achthoven en Hondsdijkse Polder. De
Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam wordt gebruikt als slaapplaats door
grauwe ganzen die na het broedseizoen op de graanvelden rondom Schiphol
foerageren. Op de avond van 14 juli 2008 kwamen hier minstens 550 grauwe ganzen
slapen (waarneming Bureau Waardenburg).
Meeuwen en sterns
Op het industrieterrein van Beverwijk aan de westkant van de A9 bevindt zich een
meeuwenkolonie met in recente jaren een dertigtal paren kleine mantelmeeuw en een
vijftigtal paar zilvermeeuwen (figuur 3.9). Op het terrein van het pompstation ten
noordwesten van Hoofddorp is een grote meeuwenkolonie aanwezig. Hier broedden
in 2006 circa 485 paar kokmeeuwen, een tiental paar elk van stormmeeuw,
zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw en één paar zwartkopmeeuw. In het hele
plangebied zijn daarnaast vliegbewegingen te verwachten van meeuwen afkomstig uit
kolonies buiten het plangebied, bijvoorbeeld van dakbroedende kleine mantel- en
zilvermeeuwen uit Leiden en van kokmeeuwen uit de Westeinderplassen. Kok- en
stormmeeuwen foerageren in de broedtijd vooral in landbouwgebieden, terwijl kleine
mantel- en zilvermeeuwen in de broedtijd meer op de Noordzee en het stedelijk
gebied georiënteerd zijn.
In 'De Wilck' broedden in 2006 in totaal 10 paren visdieven. Van de soort zijn ook
vliegbewegingen elders in het plangebied te verwachten, bijvoorbeeld van
broedvogels uit de Westeinderplassen.
44
Figuur 3.9
Ligging van broedkolonies van aalscholver, blauwe reiger, lepelaar,
meeuwen en visdief in en nabij het plangebied (gegevens SOVON).
Zwaluwen
Er zijn geen gegevens opgevraagd met betrekking tot het voorkomen van kolonies
van oever- of huiszwaluw in het plangebied. Van beide soorten zijn in en net buiten
het broedseizoen wel vliegbewegingen in het plangebied te verwachten, maar deze
vliegbewegingen zijn weinig risicovol, onder andere omdat het om kleine, zeer
wendbare soorten gaat. Zwaluwen worden daarom in dit achtergrondrapport verder
buiten beschouwing gelaten.
45
3.2.4
Kleine zwaan (niet-broedvogels)
Algemeen
De kleine zwaan is een zwanensoort die iets kleiner is dan de meer algemene knobbelzwaan en een gele
vlek aan de basis van de snavel heeft. De kleine zwaan is een broedvogel van het noorden van Rusland en
Siberië. In 1975 bestond de deelpopulatie die in Europa overwintert uit 10.000 exemplaren en deze is tot
aan de eeuwwisseling toegenomen tot 29.000 exemplaren. De deelpopulatie bedroeg in 2005 circa 21.500
exemplaren; deze achteruitgang is deels te verklaren door een reeks seizoenen met een laag broedsucces
(van Roomen et al. 2006; Rees & Beekman 2010).
In het winterhalfjaar is een aanzienlijk deel (circa 65%) van deze populatie in Nederland aanwezig als
wintergast. In de herfst komen ze via een aantal pleisterplaatsen in o.a. Rusland en Estland naar Noordwest
Europa; in het vroege voorjaar vertrekken ze weer richting de broedgebieden. De aantallen overwinterende
kleine zwanen worden grotendeels bepaald door reproductie en strengheid van de winter. In strenge winters
trekt een groter deel van de kleine zwanen naar o.a. Engeland. De voedselsituatie vormt geen beperking
voor de aantallen in Nederland. Overwinterende kleine zwanen foerageren en slapen doorgaans in
groepen. In hetzelfde jaar geboren vogels blijven het eerste jaar bij de ouders. Groepen kunnen bestaan uit
meerdere families.
Kleine zwanen (Foto: Martin Bonte)
Ecologie en seizoensverspreiding
In Nederland benutten de overwinterende kleine zwanen diverse voedselbronnen. Bij aankomst in het
najaar (vanaf begin oktober) wordt er vooral op wortelknolletjes van de waterplant schedefonteinkruid
gefoerageerd, hoofdzakelijk in de Lauwersmeer, de Friese IJsselmeerkust en de Veluwerandmeren (van
Roomen et al. 2006).
Omstreeks november, wanneer schedefonteinkruid niet meer voorhanden is, wordt er in Nederland
grotendeels op oogstresten op akkers gefoerageerd. Uiteindelijk schakelen de meeste kleine zwanen om
naar grasland, met een duidelijke voorkeur voor productieve graslanden met soorten als Engels raaigras en
doorsneden door sloten of ander water. Dit biotoop wordt tot het einde van de overwinteringsperiode, medio
maart, benut (Koffijberg et al. 1997; van Roomen et al. 2006).
Slaapplaatsen
De kleine zwanen slapen bij voorkeur in groepen op het water, wegens de relatieve veiligheid ten opzichte
van predatoren. Dit kunnen zowel ondiepe wateren zijn, zoals geïnundeerde graslanden, als dieper water.
De slaapplaatsen liggen bij voorkeur in de nabijheid van de voedselgebieden. Indien daar geen geschikte
slaapplaatsen voorhanden zijn, worden er ook grotere afstanden afgelegd (tot 15 km) (Koffijberg et al.
1997).
46
3.2.4.1
Kleine zwanen in het plangebied
In het Noord-Hollandse deel van het plangebied worden ’s winters in de
veenweidepolders ten oosten van Haarlem onregelmatig kleine aantallen (maximaal
enkele tientallen) kleine zwanen waargenomen. In december 2005 bevonden zich
bijvoorbeeld 20 kleine zwanen in de Hekslootpolder ten westen van Spaarndam en in
december 2007 waren ca. 75 kleine zwanen aanwezig in de polder bij Nieuwebrug,
(bron: waarneming.nl). Uit de Haarlemmermeer zijn geen recente waarnemingen
bekend en is de soort ook tijdens (midwinter)tellingen in de periode 2000-2005 niet
waargenomen (gegevens SOVON).
In de veenweidegebieden in het Zuid-Hollandse deel van het plangebied wordt de
kleine zwaan ’s winters wel regelmatig vastgesteld. In de polders ten oosten van de
Kagerplassen gaat het hierbij om kleinere aantallen (tientallen) (gegevens Provincie
Zuid-Holland) dan de polders in de Rijnstreek (enkele honderden, zie hieronder).
Kleine zwanen die overdag in de polders tussen Leiderdorp en Roelofarendsveen
verblijven, slapen mogelijk op de Kagerplassen, maar ook het Braassemermeer en de
Wijde Aa vormen geschikte slaapplaatsen (figuur 3.10). Uitwisseling met de groepen
die zuidelijker rondom 'De Wilck' overwinteren is waarschijnlijk.
Figuur 3.10 Locaties van slaapplaatsen van kleine zwanen in het
veenweidegebied tussen Zoetermeer, Leiden en Alphen aan
den Rijn.
47
3.2.4.2
Kleine zwanen rondom 'De Wilck'
Samenvatting
'De Wilck' kwalificeert als Natura 2000-gebied vanwege het voorkomen van
internationaal belangrijke aantallen kleine zwanen (en smienten). In 'De Wilck' en
omgeving (tussen Leiden, Zoetermeer en Alphen a/d Rijn) verblijven tussen eind
oktober en half februari gemiddeld zo’n 200 à 300 kleine zwanen; de laatste jaren
lijken de aantallen iets af te nemen (Dirksen & Aarts 2007). In de 90-er jaren werden ’s
winters regelmatig enkele honderden foeragerende kleine zwanen in 'De Wilck'
waargenomen, maar in recente jaren wordt 'De Wilck' nauwelijks nog als
foerageergebied gebruikt. Dit komt waarschijnlijk doordat de voedingswaarde van het
gras in de omringende polders hoger is dan in 'De Wilck' zelf, waar intensieve
bemesting achterwege wordt gelaten. 'De Wilck' fungeert echter nog wel als
slaapplaats; in 2000 is speciaal hiervoor in het gebied een kleine plas aangelegd.
Overdag foerageren de kleine zwanen (doorgaans in meerdere groepen verspreid
over verschillende polders) vooral in de graslandpolders ten westen van 'De Wilck'
en/of ten noorden van de Oude Rijn. In het begin van de winter wordt ook vaak op
enkele akkerpercelen ten noorden van Benthuizen op oogstresten van voornamelijk
bieten gefoerageerd, totdat deze worden ondergeploegd. De zwanen maken gebruik
van verschillende slaapplaatsen (figuur 3.10).
Ten westen van het plangebied foerageren ook vaak kleine zwanen, ondermeer in de
Zoetermeersche Meerpolder en de Drooggemaakte Grote Polder (beide gelegen ten
noordwesten van Zoetermeer). Deze zwanen slapen grotendeels op de Vogelplas
Starrevaart nabij Leidschendam (Steenvoorden 2007).
Dagverspreiding van kleine zwanen rondom 'De Wilck'
Op basis van de gegevens van Bureau Waardenburg en een groot aantal
waarnemingen van dhr. C. Kes en dhr. A. de Groot, is in figuur 3.11 voor iedere polder
in en rond 'De Wilck' de gemiddelde dichtheid (aantal per hectare) van de kleine
zwaan weergegeven voor winter 2007/2008. De gemiddelde dichtheid in iedere polder
is berekend door het gemiddelde te berekenen van het aantal kleine zwanen dat in
iedere polder is waargenomen tijdens alle tellingen in winter 2007/2008 en dit
gemiddelde aantal te delen door de oppervlakte van de polder. De hoogste dichtheden
kleine zwanen zijn vastgesteld in de polders grenzend aan 'De Wilck' en enkele
polders ten noorden van de Oude Rijn (met name de Lagenwaardse Polder ten
oosten van het plangebied). De kleine zwanen die overdag rondom 'De Wilck'
verblijven, foerageren buiten het reservaat. Het reservaat zelf is door de beperkte
voedingswaarde van het gras onaantrekkelijk als foerageerbiotoop. De graslandpolders rondom 'De Wilck' zijn al jaren in trek als foerageergebied, maar de polders
ten noorden van de Oude Rijn laten de afgelopen jaren een duidelijke toename zien
van het aantal daar overwinterende kleine zwanen. In de polders ten noorden van de
Oude Rijn zijn in de winters 2000/2001 t/m 2003/2004 maximaal 90 kleine zwanen
waargenomen, terwijl in de winters daarna telkens maxima van 150-200 kleine
zwanen werden vastgesteld, die hier ook vaak langere tijd kwamen foerageren
(gegevens A. de Groot en C. Kes).
48
De graslandpolders ten zuiden van de Oude Rijn en ten oosten van het plangebied
(omgeving Spookverlaat) worden in de meeste winters ook gedurende enige tijd door
de kleine zwanen bezocht, maar de aantallen variëren sterk van winter tot winter en
betreffen gemiddeld vele tientallen vogels (gegevens A. de Groot en C. Kes).
Figuur 3.11 Gemiddelde dichtheid (aantal/ha) van kleine zwanen in verschillende
polders in en nabij het plangebied in de omgeving van 'De Wilck' in winter
2007/2008 (oktober - maart). Intensief gebruikte polders door grotere
aantallen zwanen zijn weergegeven in rood, polders waar geen zwanen
in de winter 2007/2008 zijn waargenomen zijn weergegeven in wit
(gegevens Bureau Waardenburg, A. de Groot, C. Kes).
De Hazerswoudse Droogmakerij ten zuidoosten van 'De Wilck' is duidelijk minder in
trek bij de zwanen. Deze droogmakerij bestaat grotendeels uit percelen met
akkerbouw waar in de winter 2007/2008 blijkbaar weinig te halen was voor de kleine
zwanen. Dit was ook het geval in winter 2009/2010 (Hartman et al. 2010). Op basis
van losse waarnemingen uit de periode 2000-2006 (gegevens A. de Groot en C. Kes)
is af te leiden dat in sommige winters dit akkerbouwgebied wel aantrekkelijk
foerageergebied vormt voor kleine zwanen. Het betreft meestal een korte tijd aan het
begin van de winter voordat de oogstresten zijn omgeploegd (Steenvoorden 2007).
49
Dagverspreiding in winter 2007/2008
In totaal verbleven in de winter 2007/2008 zo’n 200 kleine zwanen in de polders
rondom 'De Wilck'. Dit aantal was vrij constant tussen half november en eind januari,
vanaf begin februari namen de aantallen langzaam af.
Begin november 2007 arriveerden de eerste kleine zwanen (enkele tientallen) nabij
'De Wilck'. In de loop van de maand namen de aantallen toe tot ca. 195 exemplaren.
De eerste helft van de maand verbleven de groepen voornamelijk in de polders ten
westen en noorden van 'De Wilck' (figuur 3.12), maar werd ook een aantal dagen op
de akkers met bietenresten ten noorden van Benthuizen gefoerageerd; het maximum
aantal hier bedroeg 186 vogels op 12 november 2007 (waarnemingen A. de Groot,
vogeldagboek.nl). In de tweede helft van november werd vooral in de Lagenwaardse
Polder ten noorden van de Oude Rijn gefoerageerd, de aantallen namen hier toe tot
e
maximaal 150 exemplaren op de 25 (waarnemingen C. Kes).
Figuur 3.12 Dagverspreiding van kleine zwanen in en nabij het plangebied in de
omgeving van 'De Wilck' tijdens wekelijkse karteringen in de periode
november 2007 - februari 2008 (gegevens Bureau Waardenburg). Losse
waarnemingen tijdens het veldseizoen en waarnemingen door derden
zijn niet in deze figuur verwerkt maar worden beschreven in de tekst.
Op basis van op dezelfde dag getelde aantallen (waarnemingen Bureau
Waardenburg, A. de Groot, C. Kes) verbleven in december 2007 ca. 225 kleine
zwanen in de polders in de ruime omgeving van 'De Wilck'. Het verspreidingspatroon
laat een wisselend beeld zien van gebiedsgebruik. De aanwezige groepen kleine
zwanen foerageerden in december zowel de Lagenwaardse Polder ten noorden van
50
de Oude Rijn, de polders westelijk van 'De Wilck', de polders ten oosten van het
plangebied en ten zuiden van de Oude Rijn (figuur 3.12) als ook de polders ten
westen van Zoetermeer (waarnemingen A. de Groot en C. Kes).
Gedurende de hele maand januari 2008 verbleven ca. 210 kleine zwanen in de ruime
omgeving van 'De Wilck'. Een deel van de vogels foerageerde vooral in de polders
nabij Alphen aan den Rijn, zowel ten noorden als ten zuiden van de Oude Rijn, een
ander deel foerageerde vooral in de polders ten noordwesten van Zoetermeer en/of
ten westen van 'De Wilck'.
In de loop van februari 2008 namen de aantallen kleine zwanen in de omgeving van
e
'De Wilck' langzaam af. Tot ongeveer de 20 waren nog ca. 150 vogels aanwezig, op
e
de 25 betrof de laatste waarneming nog 82 kleine zwanen in de Oostbroekpolder
direct ten westen van 'De Wilck' (waarneming A. de Groot, vogeldagboek.nl). In
februari waren vooral de polders ten westen en direct ten noorden van 'De Wilck' in
trek als foerageergebied en zijn maar op enkele dagen kleine zwanen in polders ten
oosten van het plangebied waargenomen.
Dagverspreiding kleine zwaan in winter 2009/2010
In de winter 2009/2010 zijn pas vanaf eind januari met regelmaat grotere groepen
(meer dan honderd) kleine zwanen in de ruime omgeving van 'De Wilck'
waargenomen. De aantallen bedroegen deze winter 150 tot maximaal 200
exemplaren. Dit relatieve lage aantal is hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de
strenge winter met veel sneeuw in december 2010, waardoor in Nederland veel kleine
zwanen (veel meer dan eerdere jaren) in het Rivierengebied verbleven, en ook relatief
veel exemplaren doorgetrokken zijn naar Engeland (Tijsen 2010, Tijsen & Schobben
2010). Ten opzichte van eerdere jaren, verbleven deze winter slechts kleine aantallen
kleine zwanen in de polders ten westen van 'De Wilck' en verbleven de grootste
aantallen in de polders ten noorden van de Oude Rijn en in de polders ten noorden
van het Spookverlaat. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de
dagverspreiding in deze winter wordt verwezen naar Hartman & Prinsen (2011).
Vliegbewegingen en slaapplaatsen
De kleine zwanen die overdag in de ruime omgeving van 'De Wilck' foerageren,
maken gebruik van verschillende slaapplaatsen (o.a. 'De Wilck', Starrevaart,
Spookverlaat, Wijde Aa, Kagerplassen)(figuur 3.10). De slaaptrek vindt in de
schemering en deels in het donker plaats. Op de slaapplaatsen worden soms grotere
groepen zwanen waargenomen dan overdag in de omliggende polders. Dit duidt er op
dat het herkomstgebied van zwanen op een bepaalde slaapplaats groter is dan de
direct omliggende foerageergebieden.
In de winters van 2007/2008 en 2009/2010 is in de omgeving van 'De Wilck' op een
aantal dagen in de namiddag bij groepen foeragerende kleine zwanen gekeken waar
de zwanen op slaaptrek naar toe vlogen. Daarnaast zijn slaapplaatsen in de
ochtendschemer bezocht om het uitvliegen naar de foerageergebieden te
onderzoeken en zijn eveneens overdag vliegbewegingen tussen voedselgebieden
51
genoteerd. De slaapplaatskeuze kan per nacht verschillen en lijkt afhankelijk van de
afstand tot de dagverblijfplaats. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld factoren als
verstoring, waterpeil en gebruik door andere vogelsoorten een rol spelen.
In de winter van 2007/2008 is vastgesteld dat in ieder geval 'De Wilck' (maximaal
ex.; gegevens C. Kes), de Wijde Aa bij Woubrugge (aantallen onbekend),
Spookverlaat (maximaal enkele tientallen), Vogelplas Starrevaart (maximaal 140
gegevens Vogelwerkgroep Vlietland) en vermoedelijk het Zaans Rietveld
slaapplaats gebruikt werden.
Figuur 3.13
150
het
ex.;
als
Vliegbewegingen van kleine zwanen in de schemering tussen
foerageergebieden en slaapplaatsen in winter 2007/2008 (gegevens
Bureau Waardenburg).
De kleine zwanen die overdag in de polders ten westen en direct ten noorden van 'De
Wilck' verbleven, vlogen in de schemering en/of het donker meestal rechtstreeks naar
'De Wilck' (figuur 3.13). In februari 2008 kwamen op verschillende avonden 100-150
kleine zwanen op het plasje in 'De Wilck' slapen (waarnemingen C. Kes en Bureau
Waardenburg). Ook is een enkele keer waargenomen dat een deel van de zwanen die
ten westen van 'De Wilck' foerageerden ‘s avonds richting Starrevaart vlogen om
vermoedelijk daar de nacht door te brengen. Kleine zwanen die overdag in de polders
ten noorden van de Oude Rijn foerageerden, vlogen ’s avonds richting 'De Wilck' en
passeerden daarbij de bestaande 150 kV lijn (vlogen erover heen) en het plangebied.
In ieder geval op één avond is vastgesteld dat de zwanen (in totaal 103 ex.)
vermoedelijk doorvlogen richting Starrevaart omdat bij 'De Wilck' geen aankomst werd
vastgesteld. Helaas is van de desbetreffende avond geen telling van de Starrevaart
52
beschikbaar. Ook is op één avond waargenomen dat een groep van 62 kleine
zwanen, die ten noorden van Hazerswoude-Rijndijk foerageerde, richting Wijde Aa (of
Braassemermeer) vertrok.
Kleine zwanen die overdag in de polders ten oosten van het plangebied en ten zuiden
van de Oude Rijn verbleven, gebruikten 'De Wilck', het Spookverlaat en
(waarschijnlijk) het Zaans Rietveld bij Alphen a/d Rijn als slaapplaatsen. Zwanen die
vanuit deze polders naar 'De Wilck' vlogen, passeerden de 150 kV lijn (vlogen erover
heen) en het plangebied.
Op de Vogelplas Starrevaart nabij Leidschendam kwamen in de periode november
2007 - februari 2008 dagelijks sterk wisselende aantallen slapen (figuur 3.14), het
maximum betrof 140 exemplaren op 18 december 2007. Vanaf half januari 2008 zijn
nauwelijks nog kleine zwanen op de Starrevaart gezien. In winter 2007/2008 waren de
aantallen op deze slaapplaats beduidend lager dan in voorgaande seizoenen, toen
piekaantallen van 200 - 300 vogels werden geteld met een maximum van 471 kleine
zwanen in januari 2002. De grootste aantallen zijn toen ook vaak over een langere
periode en in de maanden januari en februari vastgesteld (gegevens Vogelwerkgroep
Vlietland).
140
120
100
80
60
40
20
25-02-08
18-02-08
11-02-08
04-02-08
28-01-08
21-01-08
14-01-08
07-01-08
31-12-07
24-12-07
17-12-07
10-12-07
03-12-07
26-11-07
19-11-07
12-11-07
05-11-07
29-10-07
22-10-07
0
datum
Figuur 3.14 Aantallen slapende kleine zwanen op de Vogelplas Starrevaart nabij
Leidschendam in de winter 2007/2008 (gegevens Vogelwerkgroep
Vlietland).
In winter 2009/2010 zijn alleen in december 2009 kleine zwanen op de plas in 'De
Wilck' waargenomen, o.a. ruim 50 exemplaren op 17 december die overdag in de
aangrenzende Polder Groenendijk verbleven. Na december 2009 zijn geen kleine
zwanen meer waargenomen in 'De Wilck', maar de plas was dan ook gedurende
lange tijd bevroren. In februari 2010 is van twee groepen kleine zwanen (totaal 153
53
vogels), die overdag in de Lagenwaardse Polder ten noorden van de Oude Rijn
verbleven, vastgesteld dat deze gingen slapen op de Wijde Aa of op het
Braassemermeer (figuur 3.10). Gedurende de tweede helft van februari 2010
verbleven 150-200 kleine zwanen in de Riethoornse Polder ten oosten van de 150 kV
verbinding. Deze zwanen sliepen op de Amaliaplas in het Spookverlaat (Hartman &
Prinsen 2011).
Draadslachtoffers onder kleine zwaan bij de bestaande 150 kV lijn
In de winters van 2007/2008 en 2009/2010 is tweemaal per week gezocht naar
(vogel)draadslachtoffers onder de bestaande 150 kV hoogspanningslijn ten oosten
van 'De Wilck' (zie paragraaf 2.2.2).
Zowel op 24 januari 2008 als op 28 januari 2008 is één volwassen dode kleine zwaan
gevonden net ten zuiden van de ‘knik’ in de bestaande 150 kV hoogspanningslijn ten
noorden van de Oude Rijn. Beide vogels waren draadslachtoffers (gebroken vleugel of
nek, geen andere zichtbare uitwendige verwondingen). Waarschijnlijk lagen de kleine
zwanen op de vinddatum respectievelijk al maximaal 1 dag en 3 dagen op de
desbetreffende locatie. Gezien de vliegbewegingen (figuur 3.13) van de winter van
2007/2008 is het goed mogelijk dat de vogels met de 150 kV lijn in botsing zijn
gekomen tijdens de slaaptrek tussen de polders ten noorden van de Oude Rijn
(Lagenwaardse Polder) en 'De Wilck' (of Vogelplas Starrevaart), maar het kan ook
overdag gebeurd zijn tijdens foerageer- of drinkvluchten binnen de polder of tussen
verschillende polders. In de winter van 2009/2010 is één dode kleine zwaan onder de
150 kV lijn aangetroffen in het perceel ten noorden van de Vierheemskinderenweg.
Omdat kadavers van zwanen niet snel verdwijnen en gedurende vele weken nog goed
zichtbaar zijn, wordt uitgesloten dat binnen het onderzochte gebied dode kleine
zwanen gemist zijn. Het gaat in het geval van de kleine zwaan kennelijk om een laag
aantal als incidenteel te beschouwen slachtoffers.
54
3.2.5
Smient (niet- broedvogels)
Algemeen
Het merendeel van de in Nederland overwinterende smienten is afkomstig uit Scandinavië en de westelijk
helft van Rusland en behoort tot de deelpopulatie die broedt van IJsland tot het West-Siberisch laagland.
Deze populatie bestaat uit circa 1.5 miljoen vogels (Delany & Scott 2006) is waarschijnlijk stabiel en
overwintert grotendeels in Nederland en Engeland. De aantallen overwinterende smienten in Nederland zijn
sinds de jaren zeventig en tachtig sterk toegenomen van circa 100.000 eind jaren zestig tot 800.000 eind
jaren tachtig (Bijlsma et al. 2001). Deze stijging wordt vermoedelijk veroorzaakt door een omschakeling van
natuurlijke habitat naar hoogproductieve cultuurgraslanden (Bijlsma et al. 2001). Ook zijn er aanwijzingen
dat overwinteringsgebieden verschuiven (van Roomen et al. 2005). In de jaren negentig volgde landelijk
een stabilisatie met sterke fluctuaties. De afgelopen vijf jaar waren maximaal 650.000 - 800.000
overwinterende smienten aanwezig in Nederland (van Roomen et al. 2002; van Roomen et al. 2004; van
Roomen et al. 2005; van Roomen et al. 2006; van Roomen et al. 2007).
Smienten (Foto: Hein Prinsen)
Ecologie en seizoensverspreiding
Smienten hebben een grote behoefte aan eiwitrijk en goed verteerbaar voedsel. De soort is uitgesproken
herbivoor die in de winterperiode uitsluitend op graslanden foerageert en aanvullend zaden en worteldelen
nuttigt (Voslamber et al. 2004). In het najaar wordt in de getijdengebieden gefoerageerd op zaad van
zoutresistente planten. In de loop van de winterperiode zijn deze voedselbronnen uitgeput en wordt
overgeschakeld op gras. De belangrijkste concentraties smienten zijn in Nederland te vinden in de
getijdengebieden (Dollard, Oosterschelde en Westerschelde), de Lauwersmeer en het IJsselmeergebied. In
de winter ligt het zwaartepunt in de laag gelegen graslandgebieden van Noord- en West-Nederland. In het
Rivierengebied bereiken de aantallen doorgaans pas in februari - april het maximum (Bijlsma et al. 2001).
Foerageren is voornamelijk een nachtelijke aangelegenheid, waarbij de afstand tussen dagrustplaats en
nachtelijke foerageergebied kan oplopen tot ruim 10 km (Voslamber et al. 2004). Smienten moeten veel
drinken om het ingenomen gras goed te kunnen verteren en het relatief grote vochtverlies via de
uitwerpselen te compenseren (Rijnsdorp 1986). Ze verkiezen daarom te foerageren in polders met plasdras situaties of graslanden met open water in de nabijheid. Daarnaast vormt open water een veilige
dagrustplaats.
Slaapplaatsen
Van Roomen et al. (2007) maken onderscheid tussen zogenoemde “polder-smienten” en “plas-smienten”.
Polder-smienten verblijven en foerageren het gehele etmaal in graslanden en rusten op sloten, vaarten en
kanalen. Plas-smienten slapen overdag op plassen en meren en foerageren ’s nachts in poldergrasland. De
vogels vliegen vanaf circa een uur na zonsondergang in het donker van de dagrustplaats naar
foerageergebieden. De dagrustplaatsen (van plas-smienten) liggen grotendeels binnen een straal van 10
kilometer van de foerageergebieden (Voslamber et al. 2004).
55
3.2.5.1
Smienten in het plangebied
Smienten komen verspreid en talrijk voor binnen en nabij het plangebied (figuur 3.15).
Vooral de veenweidepolders tussen Spaarndam en Vijfhuizen, rond de Kagerplassen
en in de Rijnstreek zijn in het winterhalfjaar in trek bij gemiddeld vele honderden tot
duizenden smienten (gegevens SOVON, Provincie Zuid-Holland)(Geelhoed et al.
1998; Voslamber et al. 2004). Het merendeel van de open wateren wordt door
smienten benut als dagrustplaats. ’s Nachts verspreiden smienten zich om te gaan
foerageren op de graslanden wat vermoedelijk veel vliegbewegingen binnen het
plangebied oplevert. Na een toename in de maanden oktober en november zijn de
aantallen in de resterende wintermaanden redelijk stabiel. Alleen tijdens strenge vorst,
als open wateren niet meer beschikbaar zijn om te rusten en drinken, verlaten grote
aantallen smienten het gebied. De grootste aantallen worden meestal vastgesteld in
maart, wanneer lokaal pleisterende vogels worden aangevuld met doortrekkers.
Figuur 3.15 Verspreiding en aantallen (gemiddeld seizoensmaximum per telgebied)
van de smient in het winterhalfjaar (oktober - maart) in en nabij het
plangebied (gegevens Provincie Zuid-Holland en SOVON). Van de witte
gebieden binnen het plangebied zijn geen recente gegevens voorhanden,
hier kunnen wel smienten aanwezig zijn.
56
3.2.5.2
Smienten nabij 'De Wilck'
Samenvatting
'De Wilck' kwalificeert als Natura 2000-gebied vanwege het voorkomen van
internationaal belangrijke aantallen smienten (en kleine zwanen). Vele duizenden
smienten overwinteren in 'De Wilck', met een gemiddeld seizoensgemiddelde van
2.100 en een gemiddeld seizoensmaximum van 6.000 exemplaren (van Roomen et al.
2000; SOVON & CBS 2005). In de polders rondom 'De Wilck', inclusief
graslandpolders ten noorden van de Oude Rijn (figuur 3.16), verblijven overdag
gemiddeld nog eens zo’n 6.000 smienten (Alblas 2000). De smienten gebruiken 'De
Wilck' en omliggende polders als foerageergebied en als dagrustplaats. ’s Nachts
verlaten echter veel smienten 'De Wilck' om in het donker in de omgeving op gras te
foerageren. Deze vogels keren voor zonsopkomst weer terug naar 'De Wilck'.
In recente jaren lijken de aantallen in 'De Wilck' iets af te nemen. Deze afname komt
goed overeen met de recente toename in de direct omliggende polders (gegevens
SOVON), zodat mogelijk sprake is van een verschuiving van de aantallen vanuit 'De
Wilck' naar de omgeving. Mogelijk dat deze smienten er voor kiezen om ook overdag
de voedselrijkere graslandpolders rondom 'De Wilck' op te zoeken.
Dagverspreiding in winter 2007/2008
In winter 2007/2008 bevonden zich overdag grote aantallen smienten in 'De Wilck' en
in de polders direct ten oosten van dit gebied (figuur 3.16). De vogels rusten hier op
het open water (sloten en vaarten) en foerageren op de aangrenzende graslanden. De
aantallen in 'De Wilck' varieerden in de periode november 2007 - februari 2008 per
wekelijkse telling tussen de 1.000 en 4.000 vogels. In de polders ten oosten van 'De
Wilck' ging het in dezelfde periode om enkele tientallen tot meer dan 1.500 smienten.
In de polders ten noorden van Hazerswoude-Rijndijk verbleven de gehele winter
relatief kleine aantallen aan de oostzijde van het plangebied.
Dagverspreiding in winter 2009/2010
De verspreiding en aantallen smienten in en rond 'De Wilck' kwam gedurende deze
winter goed overeen met die van winter 2007/2008 (Hartman et al. 2010). Tijdens de
lange vorstperiodes liep het aantal smienten flink terug, waarschijnlijk zochten de
vogels toen hun heil op nog niet dichtgevroren grote diepe wateren zoals Vogelplas
Starrevaart.
57
Figuur 3.16 Dagverspreiding van smienten in en nabij het plangebied in de omgeving
van 'De Wilck' tijdens wekelijkse karteringen in de periode november
2007 - februari 2008 (gegevens Bureau Waardenburg).
Onderzoek naar vliegbewegingen smient
In de winter 2007/2008 en 2009/2010 zijn tijdens vier avonden/nachten in de
omgeving van 'De Wilck' en ten noorden van de Oude Rijn de vliegbewegingen van
smienten en andere vogels met twee radars in beeld gebracht (zie hoofdstuk 2 voor
methode).
De vliegbewegingen van smienten en de ligging van nachtelijke foerageergebieden,
zijn samengevat in figuur 3.17. De waarnemingen geven aan dat smienten vanaf circa
een uur na zonsondergang de dagrustplaatsen verlaten en naar omliggende polders
vliegen om daar ’s nachts op gras te foerageren. Het merendeel van de vogels is voor
zonsopkomst weer terug op de dagrustplaatsen. Veel van de waargenomen
nachtelijke vliegbewegingen van smienten vonden plaats over een relatief korte
afstand (minder dan 1,5 km). Hoewel uitwisseling tussen 'De Wilck' en de polders ten
noorden van de Oude Rijn is waargenomen, zijn ten noorden van de Oude Rijn veel
minder nachtelijke vliegbewegingen binnen het plangebied waargenomen dan ten
zuiden van de Oude Rijn. In de polders ten zuiden van de Oude Rijn zijn ‘s nachts bij
de bestaande 150 kV lijn beneden de 90 m hoogte bijna twee keer zoveel
vliegbewegingen vastgesteld dan over een zelfde lengte (900 m) van het tracé ten
noorden van de Oude Rijn. In de periode van een uur na zonsondergang tot een uur
voor zonsopkomst ging het om vliegbewegingen van ordegrootte 2.000 respectievelijk
1.000 vogels, waarvan het merendeel smienten betrof. Opgemerkt dient te worden dat
het hier om een beperkt aantal nachtelijke waarnemingen gaat. In onderstaande tekst
zijn de waarnemingen in meer detail uitgewerkt.
58
Figuur 3.17 Sterk vereenvoudigde weergave van de waargenomen nachtelijke
vliegroutes van smienten in winter 2007/2008. In winter 2009/2010 zijn
met radar vergelijkbare patronen waargenomen. Weergegeven zijn de
routes van dagrustplaatsen naar foerageergebieden (zwarte pijlen) en
vice versa (rode pijlen). Daarnaast zijn de belangrijkste foerageergebieden gedurende de nacht weergegeven (gearceerde gebieden).
Gegevens ten noorden van de Oude Rijn zijn gebaseerd op
waarnemingen op 13 december 2007. Gegevens ten zuiden van de Oude
Rijn zijn een samenvatting van waarnemingen op 26 november 2007 en
14 januari en 4 februari 2008 (gegevens Bureau Waardenburg).
59
Vanuit dagrustplaats 'De Wilck' vlogen vanaf circa een uur na zonsondergang grote
groepen smienten vooral richting zuid en oost (figuur 3.17). Het gebied ten westen van
'De Wilck' lag telkens buiten het bereik van de radars, zodat niet is waargenomen of
veel smienten naar het westen vlogen. Een groot deel van de (zuid)oost vliegende
groepen streek neer in de polder ten noorden van Hazerswoude-Dorp en in de polders
direct ten oosten van 'De Wilck'. Kleine aantallen verspreidden zich verder richting
zuidoost en oost, inclusief de gebieden gelegen ten oosten van de bestaande 150 kV
lijn en het plangebied. Tevens vlogen kleine aantallen naar noord en noordoost,
waarbij af en toe de bestaande 150 kV lijn werd gepasseerd.
Vanuit de dagrustplaats op de Ringvaart in de polders ten oosten van 'De Wilck'
vlogen enkele groepen in westelijk richting (figuur 3.17). Het merendeel van de
smienten die vanuit de Ringvaart vertrokken, vloog slechts een korte afstand van
hooguit enkele honderden meters om in de aangrenzende polders weer in te vallen.
Enkele groepen vlogen vanuit de Ringvaart in zuidoostelijke richting en passeerden
daarbij de bestaande 150 kV lijn.
’s Nachts ging het in alle polders voornamelijk om verplaatsingen over zeer korte
afstanden, mogelijk vooral van vogels die tussen graslanden en nabijgelegen sloten
heen en weer pendelden of binnen polders andere foerageergebieden opzochten. In
de ochtend vlogen de groepen meestal ruim voor zonsopkomst weer terug naar de
dagrustplaatsen.
In het algemeen was een toename te zien van het aantal locale vliegbewegingen in de
omgeving van 'De Wilck' vanaf ongeveer een half uur na zonsondergang. Dit betrof
voornamelijk vliegbewegingen over korte afstanden, vooral van wilde eenden die in
omliggende polders gingen foerageren. Vanaf 50 minuten tot bijna 1,5 uur na
zonsondergang was een sterke toename te zien van het aantal vliegbewegingen
vanuit 'De Wilck' en de polders oostelijk daarvan naar verder weg gelegen
foerageergebieden (figuur 3.18). Dit betrof waarschijnlijk vooral smienten, aangezien
bekend is dat deze, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wilde eenden, meestal ruim na
zonsondergang naar de foerageergebieden vliegen (ook bevestigd door
waarnemingen op gehoor bij de radarlocatie). Deze toename van het aantal
vliegbewegingen duurde circa een uur, waarna het aantal vliegbewegingen afnam en
ook voornamelijk locale verplaatsingen over korte afstanden betrof. Vanaf ongeveer
1,5 uur tot een uur voor zonsopkomst begonnen smienten vanuit de nachtelijke
foerageergebieden terug te vliegen richting de dagrustplaatsen. Vanaf uiterlijk een half
uur voor zonsopkomst was het grootste deel van de smienten weer terug op de
dagrustplaatsen in 'De Wilck' en in de polders ten oosten van 'De Wilck'.
In de Hondsdijkse Polder ten noorden van de Oude Rijn is ‘s avonds nauwelijks
aankomst van smienten vanuit richting 'De Wilck' waargenomen. Gedurende een
groot deel van de nacht zijn vooral veel vliegbewegingen over korte afstanden
waargenomen midden in de polder aan weerszijde van de bestaande 150 kV lijn (de
gearceerde gebieden bovenin figuur 3.17). Mogelijk is een deel van deze vogels
buiten het bereik van de horizontale radar (om)gevlogen. In de ochtend is een groot
aantal (enkele honderden) smienten waargenomen die terugvlogen richting 'De Wilck'
(figuur 3.17 en 3.19).
60
26/27 november 2007, Hazerswoude-Dorp
(zon onder 16:36, zon op 08:19)
60
50
40
30
20
10
5.00
5.25
5.50
6.15
6.40
5.40
6.05
6.30
6.55
tijd
4/5 februari, Hazerswoude-Dorp
(zon onder 17:32, zon op 08:15)
60
50
40
30
20
10
7.45
7.20
3.35
3.10
2.45
2.20
1.55
1.30
1.05
0.40
0.15
23.50
23.25
23.00
22.35
22.10
21.45
21.20
20.55
20.30
20.05
19.40
19.10
18.45
18.20
0
tijd
Figuur 3.18 Aantal waargenomen vogelgroepen per 5 minuten periode gedurende de
nacht van 27 november 2007 en 5 februari 2008 bij de bestaande 150 kV
lijn ten noorden van Hazerswoude-Dorp. Weergegeven zijn alleen de
vogelgroepen die lager dan 90 m hoogte vlogen. In de nacht van 5
februari waren er enkele kortdurende regenbuien waarbij het niet
mogelijk was met de radar waar te nemen (deel van nulwaarnemingen).
61
7.55
4.30
5.15
7.30
4.05
4.50
7.05
3.40
4.25
3.15
4.00
2.50
2.25
2.00
1.35
1.10
0.45
0.20
23.55
23.30
23.05
22.40
22.15
21.50
21.25
21.00
20.35
20.10
19.45
19.20
18.55
18.30
18.05
17:40
0
14/15 januari, Hondsdijkse Polder
(zon onder 16:56, zon op 08:42)
60
50
40
30
20
10
7.45
7.25
7.05
6.45
6.25
6.05
3.20
3.00
2.40
2.20
2.00
1.40
1.20
1.00
0.40
0.20
0.00
23.40
23.20
23.00
22.40
22.20
22.00
21.40
21.20
21.00
20.40
20.20
20.00
19.40
19.20
19.00
18.40
18.20
0
tijd
Figuur 3.19 Aantal waargenomen vogelgroepen per 5 minuten periode gedurende de
nacht van 15 januari 2008 bij de bestaande 150 kV lijn ten noorden van
de Oude Rijn. Weergegeven zijn alleen de vogelgroepen die lager dan 90
m hoogte vlogen. ’s Nachts waren er enkele regenbuien waarbij het niet
mogelijk was met de radar waar te nemen (deel van nulwaarnemingen).
Draadslachtoffers onder smient bij de bestaande 150 kV lijn in winter 2007/2008
In de winters van 2007/2008 en 2009/2010 is tweemaal per week gezocht naar
(vogel)draadslachtoffers onder de bestaande 150 kV hoogspanningslijn ten oosten
van 'De Wilck' (zie paragraaf 2.2.2).
In winter 2007/2008 zijn in totaal 20 dode smienten onder de bestaande 150 kV lijn
gevonden (bijlage 1). In de polders ten noorden van de Oude Rijn zijn minder (n=7)
draadslachtoffers onder smient gevonden dan onder eenzelfde lengte van de 150 kV
lijn in de polders ten zuiden van de Oude Rijn (n=13). Rekening houdend met een
viertal factoren (vindkans en verdwijnsnelheid, zie bijlage 1, correctie voor het aantal
smienten onder draadslachtoffers van niet gedetermineerde eenden en correctie voor
kortere zoekperiode dan totale periode van aanwezigheid), wordt voor het hele
seizoen 2007/2008 voor de smient een werkelijk aantal van 45-60 draadslachtoffers
op het onderzochte traject berekend.
In winter 2009/2010 zijn in totaal 58 dode smienten gevonden (Hartman et al. 2010).
Gebruik makend van dezelfde rekenmethode (Smallwood 2007) en correctiefactoren,
leidt dit tot een schatting van een werkelijk aantal van 50-100 draadslachtoffers op het
onderzochte traject.
62
3.2.6
Overige niet-broedvogels
In deze paragraaf wordt een overzicht gepresenteerd van het voorkomen, de
verspreiding en vliegbewegingen van overige vogels in en nabij het plangebied buiten
het broedseizoen. Het overzicht beperkt zich tot soort(groep)en grote zilverreiger,
zwanen, ganzen, eenden, steltlopers en meeuwen, die in belangrijke aantallen in en
nabij het plangebied voorkomen en waarvan uit de literatuur bekend is dat deze
soortgroepen regelmatig als draadslachtoffer zijn vastgesteld of anderszins hinder
kunnen ondervinden van een hoogspanningsverbinding. In bijlage 1 is een overzicht
opgenomen van de vogelsoorten die in winter 2007/2008 als draadslachtoffer werden
gevonden onder de 150 kV-verbinding nabij 'De Wilck' in Zuid-Holland, zie ook
Hartman et al. (2010) voor draadslachtoffers onder deze lijn in winter 2009/2010.
Grote zilverreiger
In het winterhalfjaar kunnen verspreid in het plangebied kleine aantallen grote
zilverreigers foerageren. Deze vogels maken ’s winters gebruik van
gemeenschappelijke slaapplaatsen. In De Plas ten noorden van de Zoetermeerse
Plas ten noorden van Zoetermeer, bevindt zich ’s winters een slaapplaats waar
bijvoorbeeld in februari 2007 in totaal 28 zilverreigers kwamen overnachten
(waarneming.nl).
Knobbelzwaan
Jaarrond, met nadruk op de winter, verblijven in dezelfde polders als genoemd voor
kleine zwaan en in graslandpolders elders in het plangebied gemiddeld enkele
tientallen tot vele tientallen knobbelzwanen. Deze soort slaapt veelal dicht bij de
foerageergebieden en onderneemt dus veel minder lange slaapvluchten dan de kleine
zwaan. In de winter van 2007/2008 werd herhaaldelijk waargenomen dat de vele
tientallen knobbelzwanen die ten zuiden van Hazerswoude-Rijndijk in de
Rijnenburgerpolder foerageerden gingen slapen op het aangrenzende Spookverlaat.
Ganzen
In het noordelijk deel van het plangebied overwinteren jaarlijks op de graslanden van
de Vereenigde Binnenpolder rondom Spaarndam tientallen toendrarietganzen en
honderden kolganzen (Geelhoed et al. 1998). Deze ganzen slapen waarschijnlijk op
de Mooie Nel. In de zuidelijke Haarlemmermeer verblijven ’s winters onregelmatig
enkele honderden toendrariet- en kolganzen (bijvoorbeeld 600 toendrarietganzen op
23 november 2005 tussen Lisserbroek en Nieuw-Vennep, bron: waarneming.nl). Deze
ganzen slapen op de Westeinderplassen ten oosten van het plangebied (Geelhoed et
al. 1998; Voslamber et al. 2004). In de polders rond de Kagerplassen overwinteren
maximaal enkele duizenden kolganzen. Behalve van de Kagerplassen zelf, maken
deze ganzen mogelijk ook gebruik van de slaapplaats in het Braassemermeer
(Prinsen et al. 2004), zodat vliegbewegingen over het plangebied zijn te verwachten.
In de polders ten noorden van de Oude Rijn verblijven ’s winters gemiddeld vele
honderden toendrarietganzen en enkele duizenden kolganzen (recent maximum 8.500
kolganzen, Alblas 2000). De ganzen van de Rijnstreek gebruiken het
63
Braassemermeer en de Kagerplassen als slaapplaats (Koffijberg et al. 1997; Alblas
2000).
Grauwe ganzen komen jaarrond verspreid in lage aantallen in het plangebied voor.
Concentraties van enkele honderden grauwe ganzen zitten ’s winters met name in 'De
Wilck', bij de Wijde Aa en in het Kagerplassengebied (van der Jeugd et al. 2006). De
Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam wordt gebruikt als slaapplaats door
grauwe ganzen die na het broedseizoen op de graanvelden rondom Schiphol
foerageren. Op de avond van 14 juli 2008 kwamen hier minstens 550 grauwe ganzen
slapen (waarneming Bureau Waardenburg).
Eenden
Van andere eendensoorten dan smient, zoals wilde eend, krakeend en wintertaling,
zijn in het donker regelmatig in uiteenlopende aantallen vliegbewegingen
(foerageervluchten) over het plangebied te verwachten. Tijdens eerdere
veldonderzoeken (voor andere doeleinden dan de hoogspanningsverbinding) met
radar in het plangebied zijn bijvoorbeeld in februari 2003 ten oosten van Zoetermeer in
de Polder Honderdveertig Morgen ’s avonds in het donker in totaal enkele honderden
tot maximaal een duizendtal wilde eenden en kleine aantallen smienten overvliegend
waargenomen (Prinsen et al. 2003).
Steltlopers (kievit, goudplevier, grutto, wulp)
In de veenweidepolders rondom Spaarndam, rond de Kagerplassen en met name in
de Rijnstreek ten oosten van Leiden, overwinteren grote aantallen kieviten. In de
gehele Rijnstreek kunnen de aantallen oplopen tot circa 20.000 exemplaren, waarvan
er soms meer dan 10.000 in 'De Wilck' verblijven (Alblas 2000). Goudplevieren pieken
in september met in de hele Rijnstreek dan gemiddeld zo’n 12.000 vogels (Alblas
2000). In 'De Wilck' pleisteren dan enkele duizenden exemplaren. Ook in oktober en
november verblijven nog vele duizenden goudplevieren in deze regio, maar daarna
nemen de aantallen snel af tot maximaal enkele honderden exemplaren in de tweede
helft van de winter. Bij vorstinval vertrekken de kieviten en goudplevieren zuidwaarts.
Ook van de grutto en wulp verblijven in 'De Wilck' buiten het broedseizoen gemiddeld
enkele honderden vogels. Overdag kunnen deze vogels uitzwerven over de
omliggende polders, maar ’s avonds slapen ze in 'De Wilck'.
Meeuwen
In het hele plangebied zijn grote aantallen vliegbewegingen van meeuwen te
verwachten tijdens slaaptrek en foerageervluchten. In het noordelijke deel van het
plangebied liggen de belangrijkste foerageergebieden in de veenweidepolders ten
noorden van Hoofddorp en in mindere mate in de akkergebieden in de zuidelijke
Haarlemmermeer (figuur 3.20). Daarnaast vormt het omliggende stedelijk gebied van
bijvoorbeeld Beverwijk, Haarlem en Leiden ’s winters een interessant
foerageergebied. De dichtstbijzijnde slaapplaatsen bevinden zich op het strand en
haventerrein van IJmuiden, in de Mooie Nel bij Spaarndam en in de
Westeinderplassen bij Aalsmeer (Geelhoed et al. 1998).
64
Figuur 3.20 Verspreiding en aantallen (gemiddeld seizoensmaximum per telgebied)
van de kokmeeuw in het winterhalfjaar (oktober - maart) in en nabij het
plangebied (gegevens Provincie Zuid-Holland en SOVON). Van de witte
gebieden binnen het plangebied zijn geen recente gegevens voorhanden,
hier kunnen wel kokmeeuwen aanwezig zijn.
In het zuidelijk deel van het plangebied vormen de veenweidepolders rond de
Kagerplassen en in de Rijnstreek een aantrekkelijk foerageergebied voor meeuwen. ’s
Winters pleisteren op de graslanden in de Rijnstreek maximaal circa 10.000
kokmeeuwen en stormmeeuwen en enkele honderden zilvermeeuwen (Alblas 2000).
De belangrijkste slaapplaatsen in de omgeving zijn het recreatiegebied de Vlietlanden
bij Voorschoten, de Kagerplassen en het Braassemermeer bij Roelofarendsveen
(Prinsen et al. 2003; 2004). De Vlietlanden is numeriek één van de grootste
slaapplaatsen voor kokmeeuwen in Nederland, met maximaal 20.000 vogels in januari
65
1994. Ook het aantal stormmeeuwen op deze slaapplaats is aanzienlijk (maximum
6.700 ex. in januari 1995) (gegevens Vogelwerkgroep Vlietland). Ook in 'De Wilck'
kunnen ’s winters vele honderden meeuwen komen slapen (waarnemingen Bureau
Waardenburg).
3.2.7
Seizoenstrek
Seizoenstrek wordt omschreven als de periodieke verplaatsing tussen broedgebied en
winterkwartier vice versa. Deze beweging vindt in principe tweemaal per jaar plaats, in
voor- en najaar. Langs de kust ontstaat een geconcentreerde trekstroom doordat
trekkende landvogels bij zee op een onaantrekkelijk terrein stuiten en van hun
voorkeursrichting afwijken in de best passende richting. Deze gestuwde trek heeft een
breedte van hooguit enkele kilometers vanaf de waterlijn. Het plangebied ligt ruim
buiten deze gestuwde trekbaan. De trek is er meer egaal verspreid, de zogenoemde
breedfronttrek (Geelhoed et al. 1998; LWVT/SOVON 2002).
Afhankelijk van de landschappelijke configuratie rond een locatie kan in meer of
mindere mate ook verder van zee verdichting van trek optreden. Boven een voor de
soort aantrekkelijk landschap, geschikt om te rusten en te foerageren, worden
doorgaans meer trekkers gezien dan boven voor de soort onaantrekkelijk landschap.
Op basis van de open landschapskenmerken van (de omgeving van) het plangebied,
domineren in de soortsamenstelling van de breedfronttrek soorten van open land hier
over soorten van bos (Geelhoed et al. 1998; LWVT/SOVON 2002). De intensiteit van
de doortrek is hierdoor binnen het gehele plangebied min of meer hetzelfde.
De grote stedelijke conglomeraties rondom het plangebied kunnen mogelijk leiden tot
stuwing op microschaal in het tussenliggende open gebied. Mogelijk dat dit
bijvoorbeeld aan de orde is tussen Leiden en Alphen aan den Rijn en Haarlem en
Amsterdam. Tijdens enkele simultaantellingen eind jaren tachtig is echter vastgesteld
dat in het najaar iets grotere aantallen vogels over de stad Haarlem trokken dan over
de aangrenzende open polders ten oosten van de stad (Geelhoed et al. 1998).
Aangezien hier verder geen gegevens over beschikbaar zijn, wordt het verschijnsel
niet in aanmerking genomen.
Om een indruk te geven van de aantallen seizoenstrekkers die over het plangebied
vliegen, worden hier kort enkele telgegevens gepresenteerd van de telpost
Buytenpark aan de noordwestrand van Zoetermeer (buiten het plangebied). Op deze
telpost worden in het najaar overdag regelmatig meer dan enkele duizenden
trekkende vogels per dag geteld (vooral kievit, graspieper, lijsters, spreeuw en vink).
Tijdens enkele topdagen in de afgelopen jaren zijn bijvoorbeeld maxima van circa
3.500 kieviten (11 oktober 2006), 1.500 veldleeuweriken, 1.600 kramsvogels en 1.200
koperwieken (allen 20 oktober 2007) en 7.000 spreeuwen (29 oktober 2005)
waargenomen (www.trektellen.nl). Op dergelijke dagen worden zuidwaarts trekkende
vogels vooral door tegenwind naar lagere luchtlagen gedwongen. Normaal vindt
seizoenstrek op grotere hoogte plaats, vaak buiten het zicht van waarnemers op de
grond. Alleen bij ongunstige weersomstandigheden (tegenwind, neerslag) zullen
vogels op seizoenstrek lager vliegen en lopen ze dan risico om met bovengrondse
hoogspanningsverbindingen te botsen (zie paragraaf 4.4.5). In West-Nederland is de
66
seizoenstrek vooral van noordoost naar zuidwest georiënteerd en met name in het
najaar, wanneer zuidwesten winden overheersen, ondervinden vogels op seizoenstrek
vaak tegenwind en vliegen ze lager. In het voorjaar kunnen vogels op seizoenstrek
juist profiteren van de gangbare (zuid)westenwinden, omdat die in dit geval
meewinden zijn, en vliegen ze vooral op grote hoogte, onzichtbaar voor de trekteller.
Het is niet bekend of de seizoenstrek ’s nachts ook gestuwd kan verlopen, maar het is
te verwachten dat vogels ‘s nachts minder dan overdag door het onderliggende
landschap worden gestuurd en ’s nachts overwegend solitair of in zeer los verband
trekken.
3.3
Strikt beschermde flora en fauna (exclusief vogels)
Naast de hiervoor beschreven vogels komen meerdere soorten strikt beschermde
flora en fauna in het plangebied voor. In onderstaande tekst wordt alleen een
opsomming gegeven van die strikt beschermde soorten waarvan de aanwezigheid
binnen het plangebied zeker of zeer waarschijnlijk is.
Zoals aangegeven in paragraaf 2.3 worden geen negatieve effecten verwacht op strikt
beschermde flora en fauna die voor de keuze tussen de alternatieven relevant zijn,
maar de aanwezigheid van deze flora en fauna kan wel relevant zijn voor de
noodzakelijke ontheffingen en een zorgvuldige uitvoering.
Voor een uitgebreide beschrijving, inclusief soorten waarvan het voorkomen in het
plangebied niet kan worden uitgesloten maar onwaarschijnlijk is, wordt verwezen naar
Brekelmans et al. (2007, 2008). Onderstaande beschrijving is gebaseerd op
bestaande informatie, aangevuld met resultaten van veldonderzoek in de periode
2008 - 2011 ter onderbouwing van de Flora- en faunawetontheffing, gerapporteerd in
Kruijt & Brekelmans (2012).
3.3.1
Vleermuizen
Op basis van verspreidingsatlassen (Broekhuizen et al. 1992; Kapteyn 1995; Limpens
et al. 1997) is een schatting gemaakt van de in het gebied voorkomende soorten. Met
behulp van veldbezoeken in 2008 en 2011 is nadere informatie verkregen over het
voorkomen van vleermuizen in specifieke gebieden (Kruijt & Brekelmans 2012). Op
basis van een landschapsanalyse is daarnaast geschat welke structuren en gebieden
van belang kunnen zijn voor vleermuizen.
67
Tabel 3.2
Soorten van Flora- en faunawet tabel 2 en 3, bekend uit de regio en hun
waarschijnlijke voorkomen binnen het plangebied. Soorten die van nature
niet in het gebied verwacht worden, maar zijn aangeplant of uitgezaaid
worden niet vermeld. Deskundigenoordeel geeft aan of de soort te
verwachten is en zo ja, waar in het plangebied. Hierbij is de aanduiding
‘mogelijk’ gebruikt voor soorten die wel buiten het plangebied in de
omgeving voorkomen en dus mogelijk ook in het plangebied, maar waar
dit op basis van literatuur of eigen onderzoek niet is bevestigd, ‘niet uit te
sluiten’ betreft soorten die niet verwacht worden, maar ook niet kunnen
worden uitgesloten vanwege incidenteel voorkomen in de omgeving.
Soort
Tabel
2 of 3
Voorkomen in plangebied
vastgesteld
deskundigenoordeel
3
3
3
3
3
3
3
3
3
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja
Nee
Nee
Ja (foeragerend, verblijfplaatsen, gehele gebied)
Ja (foeragerend, verblijfplaatsen, gehele gebied)
Ja (foeragerend, verblijfplaatsen, gehele gebied)
Ja (foeragerend, gehele gebied)
Mogelijk
Ja (foeragerend, gehele gebied)
Ja (foeragerend, verblijfplaatsen, gehele gebied)
Niet uit te sluiten
Mogelijk
3
3
2
Nee
Nee
Ja
Mogelijk
Mogelijk
Mogelijk
3
2
2
2
Ja
Ja
Ja
Nee
Ja (gehele gebied)
Ja (gehele gebied)
Mogelijk
Ja (grotere wateren binnen plangebied)
3
Ja
Ja (Vereenigde Binnenpolder, Benthuzien)
3
-
Ja
Nee
Ja (gehele gebied)
Niet uit te sluiten
3
Ja
Niet uit te sluiten
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja (met name N-Hollandse deel)
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Ja (Haarlemmermeerpolder)
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Niet uit te sluiten
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
ruige dwergvleermuis
laatvlieger
rosse vleermuis
tweekl eurige vleermuis
watervleermuis
meervleermuis
gewone baardvleermuis
gewone groootoorvleermuis
Grondgebonden zoogdieren
noordse woelmuis
waterspitsmuis
eekhoorn
Vissen
bittervoorn
kl eine modderkr uiper
meerval
rivierdonderpad
Amfibieën
rugstreeppad
Weekdieren
platte schijfhoren
zeggekorfslak
Libellen
groene glazenmaker
Planten
rietorchis
grote keverorchis
bijenorchis
vleeskl eurige orchis
hondskruid
moeraswespenorchis
steenbreekv aren
tongvaren
stijf hardgras
gele helmbloem
klein glaskruid
Gewone dwergvleermuis
De gewone dwergvleermuis is een algemeen in Nederland voorkomende soort.
Binnen het plangebied moet met het voorkomen van de soort vooral rekening worden
gehouden in de directe omgeving van bebouwd gebied, parken en opgaande
groenstructuren (bomenrijen, erven, jonge bosaanplant, e.d.). Waarnemingen zijn
onder andere bekend uit de westrand van Zoetermeer, Hoofddorp, Kagerplassen en
omgeving Haarlem en Velzerbroek (Kapteyn 1995; Brekelmans & Epe 2004).
68
Bij het veldonderzoek in 2008 is de gewone dwergvleermuizen verspreid
waargenomen. In de open poldergebieden tussen Zoetermeer en Nieuw-Vennep zijn
foeragerende dwergvleermuizen waargenomen bij bomenrijen langs (fiets)paden en
wegen en verspreid staande bosjes. In de omgeving van Spaarnwoude is gewone
dwergvleermuis verspreid waargenomen, veelal in lage dichtheden. De soort mijdt
open gebieden zonder dekking. Verwacht wordt dat de gewone dwergvleermuis
nagenoeg overal waar voldoende dekking is in de vorm van opgaande
groenstructuren en bebouwing foeragerend kan worden waargenomen.
Ruige dwergvleermuis
In vergelijking met de gewone dwergvleermuis is de ruige dwergvleermuis zeldzamer;
deze soort wordt vooral waargenomen in bos- en parkachtige omgeving, veelal in de
nabijheid van water. De ruige dwergvleermuis is onder andere bekend van het Van
Tuyll-sportpark aan de oostkant van Zoetermeer (Brekelmans & Epe 2004) en kan
elders binnen het plangebied verwacht worden op locaties met oudere bomen (lanen,
parken, rond boerenerven e.d.). Vooral de bosrijke omgeving van Haarlem biedt
mogelijkheden voor deze soort en uit Velsen-Zuid en Haarlemmermeerse
Bos/Boswachterij Meerbos zijn paarplaatsen en/of zomerverblijfplaatsen bekend
(Kapteyn 1995). In het najaar, tijdens trek, is in de Amsterdamse Waterleidingduinen
een toename van het aantal dieren waargenomen (Melchers & Timmermans 1991).
Dit kan ook gelden voor andere locaties binnen het plangebied. Deze toename in het
najaar wordt veroorzaakt door vrouwtje en jonge dieren, welke vanuit Oost-Europa
naar Nederland trekken voor overwintering.
Bij het veldonderzoek in 2008 is de ruige dwergvleermuis waargenomen in de
omgeving van het recreatiegebied van Spaarnwoude en nabij Zoetermeer. Het betrof
foeragerende dieren in het zomerseizoen.
Laatvlieger
De laatvlieger, een gebouwbewonende soort, is in Zuid- en Noord-Holland niet
zeldzaam en behoort in Noord-Holland zelfs tot de algemeenste soorten (Kapteyn
1995). De soort komt voor langs stadsranden, in dorpen en in meer open gebied.
Waarnemingen zijn onder andere bekend van het Haarlemmermeerse
Bos/Boswachterij Meerbos bij Hoofddorp en het Van Tuyll-sportpark bij Zoetermeer.
Melchers & Timmermans (1991) noemen tevens het voorkomen bij Halfweg, wat direct
ten oosten van het plangebied ligt.
Bij het veldonderzoek in 2008 is de laatvlieger beperkt waargenomen, waaronder bij
de De Wiericke en rond opgaande vegetatie langs de A44 bij Lisse. Verwacht mag
worden dat de soort verspreid in het open en agrarische gebied en langs randen van
dorpen en steden foeragerend voorkomt. Ook de laatvlieger geeft de voorkeur aan
dekking in de vorm van bomenrijen en bosjes en zal weinig worden aangetroffen in
volstrekt open gebied. Verblijfplaatsen kunnen worden verwacht in boerderijen,
kerken, zolders e.d. binnen het onderzoeksgebied.
69
Rosse vleermuis
De rosse vleermuis is bij uitstek een boombewonende soort en kolonies zijn derhalve
alleen te verwachten in bos- en parkachtige omgeving met voldoende oude bomen.
Vooral de landgoederen in de binnenduinrand zijn van belang voor de soort en
kolonies zijn onder andere bekend uit Noord- en Zuid-Kennemerland; binnen het
plangebied worden geen kolonies verwacht. Wel kunnen foeragerende dieren worden
waargenomen, zoals rond Haarlem, rond Leiden en in het Van Tuyll-sportpark bij
Zoetermeer (Brekelmans & Epe 2004; eigen waarneming Bureau Waardenburg;
Kapteyn 1995). Boswachterij Meerbos/ Haarlemmermeerse Bos bij Hoofddorp vormt
met het ouder worden van het bomenbestand in de toekomst wellicht geschikte
verblijfplaatsen.
Tijdens het veldonderzoek in 2008 is de rosse vleermuis op verschillende locaties
waargenomen. In alle gevallen betrof het hoog overvliegende of foeragerende dieren.
Verblijfplaatsen (in bomen) zijn binnen het onderzoeksgebied niet aanwezig.
Tweekleurige vleermuis
Het aantal waarnemingen van de tweekleurige vleermuis in Noord- en Zuid-Holland is
beperkt (Kapteyn 1995). Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend, wel
is de soort recent foeragerend waargenomen boven een schaatsvijver in het Van
Tuyllsportpark aan de oostzijde van Zoetermeer (Brekelmans & Epe 2004). Gezien
deze waarnemingen is in Zoetermeer mogelijk een verblijfplaats van deze soort
aanwezig. De soort heeft verblijfplaatsen in bebouwing, maar vooralsnog zijn in
Nederland slechts twee kolonies bekend. Tweekleurige vleermuizen jagen veelal op
vrij grote hoogte, tot ongeveer 15 meter (Kapteyn 1995).
Bij het veldonderzoek in 2008 is de tweekleurige vleermuis niet waargenomen.
Watervleermuis
De veelal aan water gebonden watervleermuis wordt in Zuid- en Noord-Holland
voornamelijk langs de binnenduinrand waargenomen, waar voldoende bossen en
parken aanwezig zijn met bomen waarin kolonies gevormd kunnen worden. Een
kolonie is bekend uit het bosgebied van Velsen-Zuid (Kapteyn 1995). Uit het
plangebied en directe omgeving zijn waarnemingen van foeragerende dieren bekend
van Boswachterij Meerbos/Haarlemmermeerse Bos (Haarlemmermeer) en
Spaarnwoude (Kapteyn 1995) en verdere omgeving van Haarlem. Bij onderzoek in
2007 werden vliegbewegingen boven de Europavaart in Haarlem waargenomen,
waarbij watervleermuizen in de avondschemering van west naar oost vlogen om
(vermodelijk) in het waterrijke gebied ten oosten van Haarlem te foerageren
(Brekelmans & van Vliet 2007). Tevens is de soort waargenomen in het Van Tuyllsportpark aan de oostzijde van Zoetermeer (Brekelmans & Epe 2004).
Bij het veldonderzoek in 2008 zijn enkele foeragerende watervleermuizen
waargenomen in het recreatiegebied van Spaarnwoude. Er zijn geen indicaties
verkregen dat hier verblijfplaatsen aanwezig zijn, mogelijk betreft het dieren afkomstig
uit de binnenduinrand.
70
Meervleermuis
Ook de meervleermuis is een aan water gebonden soort; foerageren en
trekbewegingen vinden plaats vlak boven de waterspiegel van vaarten, kanalen,
plassen en meren of boven open weilanden. De mannetjes en de vrouwtjes van de
meervleermuis leven gedurende de zomerperiode gescheiden van elkaar. In ZuidHolland is gebleken dat de meeste mannenkolonies zich bevinden langs de
binnenduinrand, terwijl de meeste kraamkolonies aanwezig zijn in het UtrechtsHollandse veenweidegebied. Zowel mannetjes als vrouwtjes overwinteren in bunkers
en grotten, waaronder in de kuststrook. Het plangebied ligt over ongeveer de gehele
lengte tussen de mannengroepen aan de westzijde en vrouwengroepen aan de
oostzijde (figuur 3.21). Binnen het plangebied is aanwezigheid van kolonies in
bebouwing (voornamelijk huizen) mogelijk. Net buiten het plangebied, aan de zuidrand
van Nieuw-Vennep, is een kleine mannenkolonie bekend (informatie A.J. Haarsma).
De meervleermuis behoort in Noord-Holland tot de talrijkste soorten en de meeste
wateren binnen het plangebied kunnen dan ook een functie vervullen als
foerageergebied en/of migratieroute van en naar de winterverblijven (figuur 3.21). In
ieder geval is binnen het Noord-Hollandse deel van het plangebied een dergelijke
functie bekend van het Noordzeekanaal, Zijkanaal C en de Ringvaart van de
Haarlemmermeerpolder (Kapteyn 1995; informatie A.J. Haarsma). De Europavaart in
Haarlem wordt gebruikt als oost-west verbinding naar het buitengebied (oostzijde) van
Haarlem (Brekelmans & Van Vliet 2007). In Zuid-Holland zijn in ieder geval de
watergang tussen de Wijde Aa en de Kagerplas, de Does en de Elfenbaan van belang
als vliegroute (informatie A.J. Haarsma).
Tijdens het veldwerk in 2008 is éénmaal een meervleermuis waargenomen, te weten
boven de Hoofdvaart bij Abbenes.
71
Figuur 3.21 Verblijfplaatsen, voedselgebieden en vliegroutes van de meervleermuis in
en rond het plangebied (bron: A.J. Haarsma).
Gewone baardvleermuis
De gewone baardvleermuis is voor wat het zomerleefgebied betreft gebonden aan
bos; de soort vormt kolonies in bomen en bebouwing, zoals kerkzolders. In WestNederland is de soort zeldzaam en de meeste zomerwaarnemingen komen uit de
omgeving van Haarlem en Bergen, waar de gewone baardvleermuis voorkomt in de
binnenduinrand, en het poldergebied ten noorden van het Noordzeekanaal (Limpens
et al. 1997). ’s Winters zijn overwinterende dieren waargenomen in bunkers in de
duinen. In het onderzoeksgebied is nagenoeg geen geschikt biotoop (bossen, oude
landgoederen) aanwezig, kolonies (verblijfplaatsen) worden dan ook niet verwacht.
Het is echter niet uitgesloten dat de soort incidenteel (tijdens migratie van en naar
72
winterverblijven) voorkomt in bijvoorbeeld de omgeving van Spaarnwoude. Uit
Zoetermeer (Van Tuyll-sportpark) is de soort niet bekend (Brekelmans & Epe 2004).
Tijdens het veldwerk in 2008 is de gewone baardvleermuis niet waargenomen.
Gewone grootoorvleermuis
De gewone grootoorvleermuis komt voor in kleinschalig cultuur- of parklandschap en
structuurrijke bossen, waar de soort kolonies vormt in bomen, schuren, kerkzolders
e.d. Overwintering vindt plaats in bunkers, kelders en andere overwegend
ondergrondse bouwwerken. In West-Nederland komt de soort voor in de
binnenduinrand; in Zuid-Holland vormt daarnaast het zuidoostelijk gedeelte van de
provincie geschikt leefgebied, vanwege het overwegend kleinschalige karakter van dit
gebied (Limpens et al. 1997). In Noord-Holland vormen daarnaast geïsoleerde bosjes
en loofboomrijke dorpen leefgebied voor de soort (Kapteyn 1995). In het plangebied
wordt de soort vooral verwacht in bomenrijke omgeving, zoals Spaarnwoude.
Waarnemingen zijn bekend uit het Van Tuyll-sportpark bij Zoetermeer (Brekelmans &
Epe 2004).
Tijdens het veldwerk in 2008 is een mogelijke waarneming gedaan van een
grootoorvleermuis in het recreatiegebied van Spaarnwoude. Het geluid is opgenomen
en geanalyseerd, maar kon niet met zekerheid worden gedetermineerd.
3.3.2
Overige strikt beschermde zoogdieren
Mogelijk is het gebied rondom Spaarnwoude (tussen Zijkanaal B en C) geschikt voor
de waterspitsmuis en komt de soort hier voor in rietlanden en vochtige ruigtes. Er zijn
echter geen waarnemingen bekend uit deze omgeving. Daarnaast is het
Kagerplassengebied geschikt als leefgebied, maar het tracé gaat hier door ongeschikt
leefgebied. Elders in het onderzoeksgebied wordt de soort op grond van het
ontbreken van geschikt habitat niet verwacht.
Het voorkomen van de noordse woelmuis is bekend uit de omgeving van
Spaarnwoude (ongepubliceerde waarnemingen Bureau Waardenburg) maar de soort
is hier slechts ten dele goed onderzocht. Waarnemingen zijn bekend van Houtrak en
mogelijk Buitenhuizen (ongepubliceerde waarnemingen Bureau Waardenburg). Beide
gebieden liggen ruim ten oosten van het plangebied. In hoeverre de soort hier
voorkomt binnen het plangebied is niet bekend.
Het recreatiegebied Spaarnwoude vormt geschikt leefgebied voor de eekhoorn. Uit de
gegevens van Landschapsbeheer Noord-Holland is één waarneming bekend uit het
noordwestelijk deel van Spaarnwoude. Daarnaast komt de soort algemeen voor in de
Kennemerzoom (Van der Grift et al. 2005). De website van recreatieschap NoordHolland meldt tevens het voorkomen van de soort in Spaarnwoude. Op de website
van waarneming.nl is een waarneming bekend uit Velserbroek. Tijdens het veldwerk in
2008 is de eekhoorn niet in het plangebied waargenomen.
73
3.3.3
Vissen
De soorten kleine modderkruiper en bittervoorn komen vrij algemeen voor binnen het
plangebied (de Nie 1996). Daarnaast is het voorkomen van de rivierdonderpad en
meerval bekend uit de omgeving van het plangebied (de Nie 1996).
Bittervoorn
De bittervoorn is niet zeldzaam in grote delen van West-Nederland en kan vooral
worden aangetroffen in wat bredere en diepere sloten en verder in vaarten, plassen
en singels in stedelijk gebied. Voorwaarde is het voorkomen van zoetwatermosselen,
waar de soort voor de voortplanting van afhankelijk is. Waarnemingen zijn onder
andere bekend uit de Haarlemmermeerpolder (van Eekelen 2003) en zeer
waarschijnlijk ook rondom Velserbroek (Koopman et al. 2003). Verder is de soort in de
wateren langs de Elfenbaan aangetroffen (de Jong & van den Brink 1995). Tijdens het
veldonderzoek in 2008 zijn bittervoorns aangetroffen in:
- Voorkanaal, ten zuiden van Hoofddorp (1 locatie)
- Eerste Tocht, ten zuiden van Hazerswoude-Dorp (1 locatie)
- Molentocht, ten oosten van Velzen-noord (1 locatie)
Het betrof telkens één tot enkele exemplaren.
Kleine modderkruiper
De kleine modderkruiper is in West Nederland een zeer algemene soort die in de
meeste sloten in het buitengebied te verwachten is. Ook uit stedelijk gebied van
Zoetermeer is de kleine modderkruiper bekend. De soort kan worden verwacht in al
dan niet begroeide sloten, singels, parkvijvers, vaarten en de oeverzone van grote
wateren. Ondiepe, droogvallende of sterk verontreinigde of beschaduwde wateren zijn
minder geschikt. Waarnemingen zijn onder andere bekend uit Cruquius (Koopman et
al. 2006) en Hoofddorp (Koopman & Smit 2003). Verder is de soort in alle wateren
langs de Elfenbaan aangetroffen (de Jong & van den Brink 1995).
Bij het veldonderzoek in 2008 is de kleine modderkruiper verspreid en over de gehele
lengte van het onderzoeksgebied waargenomen. Het betreft een algemeen
voorkomende soort in het gebied.
Rivierdonderpad
De rivierdonderpad kan verwacht worden in de grote tochten en ringvaarten, op
plaatsen met verharding en beschoeiingen met openingen. Ook in kleinere
poldersloten kan de soort worden aangetroffen, op locaties waar puin en stortsteen
aanwezig is. De soort is zelden algemeen aanwezig, maar kan lokaal tot hoge
dichtheden komen.
De rivierdonderpad is in 2008 niet aangetroffen. De soort wordt verwacht in de
oeverzone van grote wateren als Zijkanaal C en de Oude Rijn.
Meerval
Het voorkomen van de inheemse meerval is bekend uit de Westeinderplas, ten oosten
van het plangebied (de Nie 1996). Uit de periode 1975-1995 zijn ook waarnemingen
uit de Ringvaart Haarlemmermeer bekend. Uit recentere waarnemingen blijkt de soort
74
nog steeds voor te komen in de Westeinderplas en de Haarlemmermeerpolder; het
oorspronkelijke kerngebied.
Tijdens het onderzoek in 2008 is de soort niet aangetroffen.
3.3.4
Amfibieën
In het plangebied is het voorkomen van één strikt beschermde amfibie bekend, te
weten de rugstreeppad. Poelkikker, heikikker en kamsalamander zijn wel uit Noord- en
Zuid-Holland bekend, maar natuurlijke populaties worden niet verwacht in het
onderzoeksgebied. Aangezien nog steeds inheemse amfibieën worden gehouden in
tuinvijvers en terraria en van daaruit worden uitgezet kan niet worden uitgesloten dat
dieren zijn en worden uitgezet binnen het plangebied.
De rugstreeppad is in grote delen van West-Nederland geen zeldzame soort; de pad
heeft populaties in de duinen en het veenweidegebied. Vooral slootjes in agrarisch
gebied zullen in het plangebied van belang kunnen zijn als voortplantingwater.
Landbiotoop en locaties voor overwintering wordt gevormd door agrarische bedrijven
(waaronder kassencomplexen) en boerenerven, evenals zandige taluds van
bijvoorbeeld spoorwegen en wegen. Binnen en rond het Noord-Hollandse deel van het
plangebied vormen de Kagerplassen en het gebied tussen Hoofddorp en het
Noordzeekanaal de belangrijkste verspreidingskernen (Natuurloket.nl). In ZuidHolland overlapt het verspreidingsgebied van de soort met het zuidelijk deel van het
plangebied. De soort komt hier in ieder geval voor in de omgeving van Alphen a/d Rijn
en Hazerswoude/Moerkapelle (Provincie Zuid-Holland 2004), maar is vooralsnog niet
bekend in het gedeelte ten westen van de nieuwe HSL en ten zuiden van Benthuizen.
In voorjaar 2009 is in het plangebied onderzoek gedaan naar het voorkomen van de
soort. De rugstreeppad is op de volgende locaties aangetroffen:
- Vereenigde binnenpolder (1 exemplaar)
- Polder de Noordplas bij Benthuizen (ca. 10 exemplaren)
- Polder Achterof bij Waddinxveen, juist buiten het plangebied (ca. 10 exemplaren)
3.3.5
Weekdieren
Platte schijfhoren
De platte schijfhoren is een strikt beschermde zoetwaterslak die in Nederland vooral
voorkomt in Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Overijssel. De soort geeft de voorkeur
aan niet vervuilde, rijk met waterplanten begroeide sloten op veenbodems in
veenweidegebied. In sloten met klei- of zandbodem wordt de soort minder
waargenomen (bron: website Anemoon).
De platte schijfhoren is op diverse locaties binnen en rond het onderzoeksgebied
aangetroffen. Waarnemingen zijn gedaan in het veenweidegebied tussen Leiden en
Roelofarendsveen, bij Hoogmade, bij 'De Wilck', in Polder Schieveen en in Zuidpolder
van Delfgauw. De soort komt hier talrijk voor in zowel mesotrofe, dicht met
waterplanten begroeide sloten als sloten met spaarzame begroeiing van planten die
voedselrijke omstandigheden indiceren (grof hoornblad, sterrenkroos). Het lijkt er op
75
dat de soort de voorkeur geeft aan wat oudere veenpolders, in de (ontveende) polders
ten oosten van Zoetermeer en in de Haarlemmermeerpolder is de platte schijfhoren
niet waargenomen. Opvallend genoeg is de soort niet aangetroffen in de polders rond
Haarlem, terwijl de omstandigheden hier gunstig lijken. Geconcludeerd kan worden
dat de platte schijfhoren lokaal algemeen en talrijk voorkomt.
Zeggekorfslak
Hoewel de zeggekorfslak momenteel niet wordt beschermd middels de Flora- en
faunwet wordt de soort hier genoemd in verband met opname in Bijlage 2 van de
Habitatrichtlijn. De zeggekorfslak, een landslakje van 3 mm hoog, leeft in Nederland
vooral op moerasplanten, zoals zeggensoorten en riet, op permanent natte
standplaatsen, zoals in moerassen en (elzen)broekbossen (Gmelig Meyling et al.
2006). Recent is de zeggekorfslak in Zuid-Holland aangetroffen, onder andere langs
de Rotte bij Moerkappelle. De met riet en zeggen begroeide oeverzone waarin de
soort hier voorkomt grenst aan het onderzoeksgebied. Het is niet uitgesloten dat de
soort in soortgelijke biotopen binnen het onderzoeksgebied voorkomt (Gmelig Meyling
et al. 2006).
3.3.6
Libellen
De in Nederland strikt aan krabbescheer gebonden groene glazenmaker komt
voornamelijk voor in veenweidegebied en laagveengebied, gebieden waarin de
krabbescheer uitgebreide vegetaties kan vormen (Dijkstra et al. 2002). Binnen het
plangebied komt krabbescheer incidenteel voor en niet in dichtheden die van belang
zijn voor de groene glazenmaker. Uit de omgeving van Hoogmade is de soort bekend,
maar het is onduidelijk of het hier om een zwervend exemplaar of een niet bekende
populatie gaat (mondelinge mededeling K. Mostert). Tevens is de soort waargenomen
in de zuidelijke spoorsloot in Hazerswoude-Rijndijk, waar twee huidjes zijn
aangetroffen (De Jong & van den Brink 2005). Het is niet uitgesloten dat de groene
glazenmaker op meer locaties voorkomt in het gebied tussen Roelofarendsveen,
Leiden en Alphen aan de Rijn. Binnen het onderzoeksgebied worden geen populaties
verwacht. Krabbenscheer is aanwezig in een sloot langs de N11, maar in te lage
dichtheid om van belang te kunnen zijn voor de groene glazenmaker.
3.3.7
Flora
Het plangebied bestaat in belangrijke mate uit agrarisch gebied, met in het ZuidHollandse deel vooral graslanden en in het Noord-Hollandse deel ook veel akkerland,
recreatiegebied en enkele verspreide bosschages. Minder intensief beheerde grond is
aanwezig in bermen en knooppunten van wegen, langs sloten en in parken. In het
plangebied kan een aantal strikt beschermde plantensoorten worden verwacht
(Brekelmans et al. 2007; Kruijt & Brekelmans 2012).
De rietorchis is tijdens het veldonderzoek in 2008 waargenomen langs diverse
watergangen en paden in de Groene Weelde, een groengebied ten westen van
Hoofddorp. De soort komt hier lokaal talrijk voor, waaronder langs de watergang ten
76
zuiden en oosten van de Piramide. Een andere grote populatie is aanwezig langs de
noordkant van de Geniedijk bij Beukenhorst. Recente waarnemingen van de soort
binnen het plangebied komen verder uit de omgeving van Spaarndam en
Haarlemmerliede. Daarnaast is de soort bekend uit Park Cronesteijn, in de oostrand
van Leiden (ongepubliceerde waarneming Bureau Waardenburg).
Van de moeraswespenorchis is één groeiplaats aanwezig in de Groene Weelde, een
groengebied ten westen van Hoofddorp. De soort groeit hier aan de oever van een
watergang, met ongeveer 100 exemplaren. Een andere groeiplaats, eveneens bij
Hoofddorp, is aanwezig ten zuiden van Beukenhorst, langs een recent afgegraven
oever aan de noordkant van de Geniedijk (pers. med. J. Mulder). Deze waarnemingen
suggereren dat de moeraswespenorchis in de Haarlemmermeerpolder verwacht kan
worden op locaties waar als gevolg van verstoring (afgraven) vochtige pioniermilieus
ontstaan.
Zeer lokaal en incidenteel kunnen rond het plangebied individuen van andere
orchideeën zoals hondskruid, grote keverorchis, bijenorchis en vleeskleurige orchis
worden verwacht. Vooral hondskruid en bijenorchis profiteren van de warme winters
en breiden zich uit in West-Nederland. Vleeskleurige orchis kan verschijnen op
locaties waar natuurvriendelijke oevers zijn aangelegd en is bekend van opgespoten
terreinen in het havengebied van Amsterdam. Genoemde soorten zijn tijdens de
inventarisaties niet waargenomen.
Specifiek in en direct rond stedelijk gebied kunnen de soorten gele helmbloem, klein
glaskruid, stijf hardgras, tongvaren en steenbreekvaren incidenteel voorkomen. Veelal
betreft het locaties als straatputten, oude muurtjes, verhardingen en langs gevels.
Gele helmbloem is in veel gevallen terug te voeren op verwildering vanuit tuinen.
Daarnaast is de verwachting dat, met name in en rond stedelijk gebied, enkele
soorten kunnen voorkomen die hun natuurlijke verspreidingsgebied elders in
Nederland hebben, maar die vanuit tuinen of tuinafval kunnen verwilderen of zijn
meegekomen in zaadmengsels. Dit zijn campanula's als prachtklokje, rapunzelklokje
en ruig klokje. Daarnaast wordt waterdrieblad soms in sloten in stedelijk gebied
aangetroffen, veelal als gevolg van het uitzetten van overtollig vijvermateriaal.
Op een talud aan de noordzijde van de A205, ter hoogte van het trafostation bij De
Liede, zijn wilde marjolein en veldsalie aangetroffen. De planten worden hier onder
andere vergezeld door grote tijm. Deze combinatie van soorten in de
Haarlemmermeerpolder suggereert aanvoer van grond van een locatie waar
genoemde soorten van nature voorkomen of inzaai cq. aanplant. Veldsalie komt in
Nederland (in natuurlijke situaties) voor op kalkrijke grond in Limburg en het
rivierengebied, inclusief de IJsselvallei. Ook wilde marjolein wordt op kalkrijke grond
aangetroffen en komt voornamelijk voor op dijken in Zeeland, Zuid-Limburg en het
rivierengebied. Van beide genoemde soorten kan het voorkomen dus als nietnatuurlijk worden beschouwd.
77
3.4
Autonome ontwikkelingen
In het recreatiegebied Spaarnwoude leidt verdere ontwikkeling van het gebied (ouder
worden van het bos) tot het ontstaan van holten en scheuren in bomen. Deze kunnen
gebruikt worden door holenbroedende vogelsoorten (o.a. grauwe vliegenvanger en
ringmus) en vleermuizen om kolonies in te vestigen, zodat de betekenis van het
gebied voor deze vogelsoorten en vleermuizen in de toekomst naar verwachting
toeneemt. Door realisatie van de ecologische verbindingszone Driehuis-Spaarnwoude
als moerasverbinding met kleine moerasjes en bos- en grasstroken neemt mogelijk
ook de betekenis toe voor grondgebonden zoogdieren als noordse woelmuis. Deze
ecologische verbindingszone heeft tot doel om het duingebied met landgoederenzone
te verbinden met het achterland.
In het noordelijk deel van de Haarlemmermeer wordt het Groene Carré ontwikkeld.
Het Groene Carré vormt een groen raamwerk als een buffer rondom Schiphol en de
Vijfde Baan, de Polderbaan. Het Groene Carré zorgt voor de ecologische
verbindingen met andere groengebieden. Dit initiatief bestaat uit de projecten:
Plesmanhoek, Park Vijfhuizen, Buitenschot en gekantelde kavels (reeds gerealiseerd).
Van de strikt beschermde soorten profiteren voornamelijk vleermuizen van deze
ontwikkeling, aangezien de huidige inrichting door het open karakter van beperkt
belang is voor deze soorten. Ook broedvogelsoorten gebonden aan jonge bossen
(o.a. zomertortel, koekoek, spotvogel en nachtegaal) kunnen hiervan profiteren.
Door veroudering van het bomenbestand op het voormalige Floriadeterrein en
omgeving kunnen op lange termijn geschikte koloniebomen ontstaan voor
bijvoorbeeld watervleermuis en rosse vleermuis en holtes voor holenbroedende
vogelsoorten.
De ontwikkelingen in de PEHS bij de Kagerplassen maakt dit gebied mogelijk op
termijn geschikt voor de noordse woelmuis (en waterspitsmuis), waarvan mogelijke
waarnemingen uit de omgeving bekend zijn.
Voor het gebied tussen Zoeterwoude en Hazerswoude tussen de Oude Rijn en de
N11 ligt een nieuwe transformatievisie (“partiële herziening streekplan Zuid-Holland
Oost Oude Rijnzone” van Provinciale Staten van Zuid-Holland, mei 2007). Behalve
aanpassing van de bebouwingscontour bij Groenendijk en Hazerswoude-Rijndijk gaat
het onder andere om aanpassing van (voormalig) agrarisch gebied ten noorden van
de N11 naar een gebied met een accent op recreatie, natuur, water en agrarisch
landschapsbeheer. Naar verwachting profiteren voornamelijk grondgebonden
zoogdieren, vleermuizen, rugstreeppad en dergelijke van de ontwikkelingen.
78
Kader 3.1 Toekomstige ontwikkelingen Westflank Haarlemmermeer in relatie tot
natuurontwikkeling
Onder andere vanwege de keuze voor een voorkeurstracé voor het project
Randstad380 (april 2011) aan de westzijde van Hoofddorp, zijn de plannen voor
diverse ontwikkelingen in de Westflank in een ander daglicht gekomen. De
verschillende betrokken partijen hebben aangegeven te willen kijken naar de
mogelijkheden voor ontwikkelingen in de Westflank, waarbij de nieuwe Randstad380
kV verbinding voor het Rijk uitgangspunt is.
De volgende ontwikkelingen zijn door middel van diverse beleidsplannen op de kaart
gezet:
Zoals neergelegd in het raamplan HaarlemmerméérGroen van 2000 is de
gehele Westflank aangewezen als ecologische verbindingszone. Hiermee wordt
een stevige relatie gelegd tussen Spaarnwoude en het Groene Hart.
Door de provincie Noord-Holland zijn plannen gemaakt voor ontwikkeling van
natuur- en recreatiegebied tussen Hillegom en Hoofddorp (Waterrijk wonen, zie
gebiedsontwikkeling Westflank Haarlemmermeer). Van de strikt beschermde
soorten profiteren voornamelijk vleermuizen van deze ontwikkeling, aangezien
de huidige inrichting door het open karakter (met uitzondering van Floriade en
omgeving) van beperkt belang is voor deze soorten.
Aan de westkant van de Haarlemmermeerpolder is nieuwbouw van Lisserbroek
gepland. Daarnaast zijn er plannen van het rijk en de regio (waaronder
provincie Noord-Holland) om het gebied in te richten als waterberging in
combinatie met wonen (Waterrijk wonen, zie gebiedsontwikkeling Westflank
Haarlemmermeer). Een soort als de rugstreeppad kan hiervan profiteren, ook
gezien de ecologische verbindingszone Zwaanshoek-Kagerplassen. Ook wateren meervleermuis kunnen profiteren van een verhoogd aanbod aan water,
andere soorten liften mee wanneer groenvoorzieningen en beschutting worden
aangelegd waardoor het gebied als foerageergebied interessant wordt.
Uiteraard geldt dit ook voor kleine modderkruiper en bittervoorn. Voor andere
soorten zijn nauwelijks veranderingen te verwachten.
In de zuidelijke Haarlemmermeer zijn er plannen (startfase) voor het maken van
ecologische verbindingen in het gebied dat een landbouwfunctie heeft.
Gezien de ontwikkeling van ecologische verbindingszones ten zuiden van de Oude
Rijn, kunnen op termijn soorten als rietorchis, platte schijfhoren en rugstreeppad zich
vestigen of verder uitbreiden. Ook de groene glazenmaker kan van de
verbindingszones profiteren door verbetering van de waterkwaliteit en uitbreiding van
krabbescheer. Door vernatting en een natuurvriendelijke inrichting mag verwacht
worden dat het gebied als foerageergebied voor vleermuizen in belang toeneemt.
Een gedeelte van het agrarisch gebied ten oosten van Zoetermeer, het Bentwoud,
wordt mede ingericht als natuurgebied. Ten noorden van de A12 is het gebied de
Rottezoom gelegen, een 285 ha groot gebied waar natuurontwikkeling plaats vindt.
79
Verwacht mag worden dat diverse soorten, waaronder vleermuizen en hiervoor
genoemde broedvogelsoorten, van deze ontwikkelingen profiteren.
Gezien de ruimtelijke ontwikkeling die momenteel plaatsvindt in het gebied tussen
grofweg de A12 en Benthuizen, waarbij veel graafwerkzaamheden plaatsvinden en
pioniersituaties ontstaan, is het mogelijk dat de rugstreeppad zich op korte termijn in
dit gebied vestigt. Door verdere bebouwing van het gebied blijven de mogelijkheden
voor deze soort beperkt en uiteindelijke vestiging zal afhangen van de
beschikbaarheid van kleine wateren en voldoende overwinteringsbiotopen (zand,
erven, rommelige industrieterreinen e.d.).
80
4 Effecten van hoogspanningslijnen op vogels
en vleermuizen
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de huidige kennis over de effecten
van hoogspanningslijnen op vogels en vleermuizen. Dit zijn de enige twee groepen
fauna waarop een hoogspanningsverbinding direct effect van betekenis kan hebben.
Voor vogels beperkt dit overzicht zich tot een bespreking van effecten van
bovengrondse hoogspanningslijnen. Effecten van ondergrondse kabels worden niet
behandeld, aangezien hiervan, met uitzondering van beperkt en veelal tijdelijk verlies
van leefgebied en tijdelijke verstoring in de aanlegfase, nauwelijks effecten op vogels
te verwachten zijn. Voor vleermuizen worden wel de effecten van aanleg van
ondergrondse kabels kort behandeld. Effecten van hoogspanningslijnen op andere
natuuraspecten (b.v. beschermde flora en overige fauna) worden hier niet behandeld.
De effecten zijn voornamelijk tijdelijk van aard en beperkt van omvang en kunnen
goed gemitigeerd worden (zie hoofdstuk 6).
Voor effecten van hoogspanningslijnen op vogels en vleermuizen kan onderscheid
worden gemaakt in (veelal tijdelijke) effecten in de aanlegfase en permanente effecten
in de gebruiksfase. In de aanlegfase kunnen door werkzaamheden tijdelijke
verstoringseffecten optreden, bijvoorbeeld tijdens graafwerkzaamheden en transport
van materialen naar de bouwplaatsen. In de broedtijd kan verstoring resulteren in
verlies aan broedsels. Ruimtebeslag door werkzaamheden (b.v. werkvlak voor het
optuigen van de masten) kan leiden tot (tijdelijk) verlies aan leefgebied voor vogels.
Het kappen van bomen of slopen van gebouwen kan leiden tot permanent verlies van
verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels.
In de gebruiksfase zijn de effecten veelal permanent en de consequenties het meest
ingrijpend. Naast permanente verstoring van broed- en foerageergebied (paragraaf
4.4), komen jaarlijks veel vogels om als gevolg van een botsing met een
bovengrondse hoogspanningslijn (paragraaf 4.2 en 4.3). Schattingen van jaarlijkse
aantallen draadslachtoffers in Nederland lopen uiteen van 800.000 tot 1 miljoen
slachtoffers (Renssen 1977; Koops 1987).
Allereerst wordt hieronder (paragraaf 4.2 t/m 4.4) uitgebreid ingegaan op effecten van
hoogspanningslijnen op vogels. Deze teksten zijn gebaseerd op gepubliceerde
onderzoeksgegevens. In bijlage 1 worden de onderzoeksresultaten gepresenteerd
van een veldonderzoek naar draadslachtoffers in winter 2007/2008 onder ca. 4 km
van de bestaande 150 kV lijn in het plangebied in de polders aan weerszijden van de
Oude Rijn, Gemeente Rijnwoude. In paragraaf 4.5 worden de effecten op vleermuizen
samengevat zoals bekend uit de literatuur. Deze samenvatting richt zich meer op (de
omgeving van) het plangebied Noordring.
81
4.2
4.2.1
Draadslachtoffers onder vogels
Aantallen draadslachtoffers
In een aantal studies is berekend hoeveel draadslachtoffers jaarlijks in Nederland bij
hoogspanningslijnen vallen. Op basis van terugmeldingen van geringde vogels die als
draadslachtoffer waren gevonden in de jaren 1944-1963, is berekend dat het aantal
draadslachtoffers in heel Nederland 200.000 à 400.000 vogels per jaar bedraagt
(Braaksma 1966). Extrapolatie van gegevens van een ander onderzoek in de jaren 70
naar draadslachtoffers leverde voor heel Nederland een schatting op van een miljoen
draadslachtoffers per jaar (Renssen 1977). Deze berekening is in 1987 nog eens
overgedaan met gegevens van 52 onderzoeken naar draadslachtoffer uit de periode
1958-1984 en met deze resultaten wordt tot een schatting gekomen van 800.000
draadslachtoffers per jaar voor heel Nederland (Koops 1987). Voor Duitsland is
berekend dat jaarlijks 30 miljoen vogels in botsing komen met het Duitse
bovengrondse hoogspanningsnet (Hoerschelmann et al. 1988).
Resultaten van onderzoek naar draadslachtoffers laat zich echter moeilijk
extrapoleren. Onder grote delen van hoogspanningslijnen in het binnenland worden
bijvoorbeeld vaak veel minder draadslachtoffers gevonden dan op vergelijkbare tracés
langs de kust (Bernshausen et al. 2007). Behalve locatiespecifieke factoren, die het
aanbod vogels beïnvloeden, zijn ook de zoekintensiteit, zoekefficiëntie en de
verdwijnsnelheid van slachtoffers factoren waarmee rekening dient te worden
gehouden. Ook verschillen de aantallen slachtoffers sterk bij verschillende typen
constructies (b.v. de aanwezigheid van afstandhouders tussen de fasedraden,
markeringen aan de bliksemdraden, de hoogte van de verschillende lijnen en het
aantal en dikte van de draden per bundel). Een studie in de Zaanstreek in de 70-er
jaren (Heijnis 1976) is hieronder opgenomen ter illustratie hiervan.
In de Zaanstreek werd tussen begin 1971 en eind 1972 in eerste instantie
tweewekelijks naar draadslachtoffers gezocht onder 15 km van de 150 kV
hoogspanningslijn Velsen – Hemweg (Heijnis 1976). In totaal werden 2.180
slachtoffers gevonden verdeeld over 52 vogelsoorten. Aansluitend werd in 1973-1975
het onderzoek voortgezet onder het deel van de 150 kV lijn dat door de Polder
Westzaan loopt (lengte 3,3 km), waarbij de zoekintensiteit werd opgevoerd naar
tweemaal zoeken per week. Bij het zoeken werd een strook van 75 m aan weerszijde
van de mast afgezocht door telkens minstens vijf personen. In drie jaar tijd werd langs
dit deel van het tracé met intensiever zoeken in totaal 2.277 slachtoffers gevonden
(versus 691 in de twee jaar daarvoor).
Tussen mei 1974 en december 1975 werd door Heijnis ook slachtofferonderzoek
uitgevoerd onder 2,5 km van de toen pas opgerichte 380 kV lijn in Polder Westzaan
(Heijnis 1976). Vanwege de ligging boven moeilijker toegankelijk terrein (sloten en
ruige drassige rietpercelen) was de zoekefficiëntie mogelijk lager en kon een kleiner
gebied worden onderzocht dan in het onderzoek onder de 150 kV lijn in dezelfde
polder. In totaal werden hier onder de 380 kV lijn 610 draadslachtoffers gevonden
verdeeld over 30 soorten.
82
Slechts enkele studies geven informatie over de aantallen draadslachtoffers per dag
per km hoogspanningslijn. Renssen (1977) berekende voor de periode oktober 1972
t/m november 1973 voor een 150 kV tracé bij Muiden en twee 220 kV tracés in Polder
Mastenbroek bij Zwolle (alle in graslandgebied) respectievelijk 0,51 en 0,26
slachtoffers per dag per km lijn. Koops (1987) heeft op basis van een aantal
bestaande slachtofferonderzoeken de aantallen draadslachtoffers per km per jaar
uitgerekend, gecorrigeerd voor het verdwijnpercentage. Deze correctie werd
gebaseerd op de snelheid van het verdwijnen van kadavers tijdens uitlegproeven
(Scott et al. 1972; Heijnis 1976a; Renssen 1977). Koops (1987) concludeerde dat het
gemiddeld aantal draadslachtoffers per dag per km varieerde van 0,23 voor
heidegebieden tot 0,44 voor weidegebieden. Op plaatsen met gestuwde trek langs de
kust liep het aantal slachtoffers op tot 1,89 vogel per dag per km.
Dat niet alle locaties met hoogspanningslijnen tot grotere aantallen draadslachtoffers
leiden, wordt geïllustreerd door een onderzoek in Duitsland (Bernshausen et al. 1997).
Op vier locaties in West-, Midden- en Zuid-Duitsland (representatief voor het MiddenEuropese cultuurlandschap) werd het vlieggedrag van vogels bij hoogspanningslijnen
geobserveerd. Er werd op iedere locatie tijdens drie verschillende seizoenen een
weeklang waargenomen over een lengte van 1-1,5 km bij 110, 220 of 380 kV lijnen.
Daarnaast werd gedurende deze periode ook tweemaal daags naar draadslachtoffers
gezocht. In totaal werden passages van meer dan 113.000 vogels verdeeld over 130
soorten waargenomen en werden in de drie waarneemperioden in de vier gebieden
bijna 15.000 reacties van vogels op de lijnen genoteerd. Ondanks intensief zoeken
onder in totaal 6 km lijn, zijn op 84 dagen slechts 9 draadslachtoffers gevonden (alle
op één locatie in Midden-Duitsland). Het betrof mogelijk lijnstukken met een relatief
laag risico op draadslachtoffers omdat zij alle in gebieden lagen met relatief lage
aantallen vogels. Alleen voor een 110 kV lijn in Midden-Duitsland werd, op basis van
de 9 vastgestelde slachtoffers, een relatief hoog gemiddeld aantal draadslachtoffers
berekend (0,43 vogels/dag/km). Dit tracé werd gekenmerkt door een relatief hoog
aantal seizoenstrekkers.
4.2.2
Soortenspectrum onder draadslachtoffers
In principe kunnen alle vogelsoorten die van het gebied rondom een
hoogspanningslijn gebruik maken als draadslachtoffer worden gevonden. Zo zijn in
de broedtijd soorten als kleine karekiet, winterkoning en huismus gevonden (Heijnis
1976). Koops (1987) geeft een overzicht van de gerapporteerde aantallen en soorten
draadslachtoffers tijdens onderzoeken uitgevoerd in de periode 1958 - 1984 in
Nederland. In totaal werden in 52 studies 143 vogelsoorten als draadslachtoffer
gevonden. Het merendeel van de soorten werd slechts in kleine aantallen als
draadslachtoffer vastgesteld: bij 23 soorten betrof het aantal slachtoffers 1% of meer
van het totale aantal. Deze 23 soorten vormden samen 83,4% van het totale aantal
slachtoffers. De volgende soorten zijn in de periode ’58 – ‘84 in Nederland het meest
als draadslachtoffer gevonden (tussen haakjes het aandeel van het totale aantal
gemelde draadslachtoffers): kievit (8,8%), spreeuw (8,4%), meerkoet (8,1%), wilde
83
eend (7,1%), postduif (6,6%), kokmeeuw (5,3%), grutto (4,5%), goudplevier (4,3%),
kemphaan (3,6%) en watersnip (3,5%).
Er bestaan veel regionale verschillen. Zo zijn bij drie studies begin 70-er jaren kievit
(15-25%), wilde eend (12-17%) en houtduif (4-9%, waarschijnlijk vooral tijdens
slaapvluchten) als meest talrijke soorten draadslachtoffer genoemd. Bij een 380 kV lijn
bij het Naardermeer was meerkoet met 23% het meest talrijke slachtoffer (Osieck &
de Miranda 1972). De spreeuw is vaak de meest talrijk gevonden zangvogel, wat
mogelijk samenhangt met de massale slaaptrek (Osieck & de Miranda 1972).
Van de gevonden slachtoffers bij Muiden en Zwolle (Renssen 1977) was 72%
respectievelijk 85% groter dan een lijster. Dit zou enerzijds komen doordat kleinere
vogels een lagere vindkans hebben (hier was voor gecorrigeerd), maar anderzijds ook
een kleinere kans hebben (kleiner oppervlak) om met de draden in aanraking te
komen en wendbaarder zijn.
4.3
4.3.1
Factoren die van invloed zijn op de aantallen draadslachtoffers
Lokale vogels versus doortrekkers
Standvogels die jaarrond in de omgeving van een hoogspanningslijn verblijven, zullen
dit obstakel beter weten te ontwijken dan kortstondig in het gebied verblijvende vogels
die het gebied niet kennen. Dit komt onder andere tot uiting in het verschil in
vlieggedrag dat standvogels en doortrekkers bij hoogspanningslijnen vertonen (zie §
4.3.2). Anderzijds vinden lokale verplaatsingen vaak op lagere hoogte plaats dan
seizoenstrek en kunnen in vogelrijke gebieden ook onder lokaal verblijvende soorten
veel draadslachtoffers vallen (Koops 1987). Een voorbeeld hiervan vormt de studie
van Osieck & de Miranda (1972). Zij vergelijken een aantal Nederlandse
draadslachtoffer onderzoeken van voor 1972 (onder andere bij het Naardermeer,
Purmerend en Oosterwolde). Zij concluderen dat op deze locaties zonder gestuwde
seizoenstrek relatief weinig slachtoffers gevonden zijn in de periode van de
najaarstrek. Dit kwam ook naar voren uit het lage aantal nachttrekkers onder de
slachtoffers. Het grootste deel van de slachtoffers in deze studies had een zekere
binding met de omgeving (broed-, rust- of foerageergebied). Trajecten met veel
slachtoffers lagen ook telkens in vogelrijke gebieden.
De aantallen draadslachtoffers kunnen substantieel oplopen wanneer een
hoogspanningslijn dwars op de trekrichting is gesitueerd op een locatie waar
gestuwde trek plaatsvindt. In een groot deel van Nederland is de seizoenstrek vooral
NO-ZW georiënteerd en met name in het najaar, wanneer ZW winden overheersen,
zullen seizoenstrekkers vaak tegenwind ondervinden en lager vliegen (zie ook §3.9).
Bij de Flevocentrale werd bijvoorbeeld door Renssen (1977) onder een lijn dwars op
een belangrijke gestuwde trekbaan het drievoudige aantal slachtoffers (1,37 vogels
per dag per km) vastgesteld van het aantal op een vergelijkbaar nabijgelegen traject
parallel aan de trekrichting (0,41 vogels per dag per km). Bij een 150 kV lijn op de
84
Maasvlakte (locatie met gestuwde trek), zijn ondanks effectbeperkende maatregelen,
nog altijd 0,57 draadslachtoffers per dag per km lijn vastgesteld (Koops 1987).
Renssen (1977) merkt terecht op dat onder seizoenstrekkers waarschijnlijk ook
veelvuldig slachtoffers vallen onder pleisterende seizoenstrekkers. Het gaat hier met
name om vogels op trek die een tussenstop willen maken en bij het landen of
opstijgen tegen een draad aanvliegen. Tijdens onderzoek in Polder Westzaan (Heijnis
1976) werden de meeste slachtoffers gevonden in de maanden april – juni en oktober
(figuur 4.1). Het gaat hier respectievelijk om 45% en 12% van de in totaal 2.968
draadslachtoffers. Uit de gegevens in Heijnis (1976) is af te leiden dat het in de
desbetreffende maanden zowel om doortrekkers gaat als om lokaal verblijvende
vogels.
600
500
400
300
200
100
0
jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
maand
Figuur 4.1
4.3.2
Aantallen draadslachtoffers per maand in Polder Westzaan onder een
150 kV lijn van 3,3 km lengte in de periode 1971 – 1975 (Heijnis 1976).
Vliegtechniek en -gedrag
De vliegtechniek en wendbaarheid zijn mogelijk belangrijke factoren om te verklaren
waarom een bepaalde soort meer als slachtoffer wordt gevonden dan een andere
soort (Bevanger 1998; Janss 2000). Grote soorten, zoals zwanen, ooievaars en
reigers, die gekarakteriseerd worden doordat ze weinig wendbaar zijn, worden
veelvuldig als slachtoffer gemeld (Bevanger 1998; Janss 2000; Rubolini et al. 2005).
Mogelijk worden zweefvliegers zoals meeuwen ook vaker als slachtoffer gevonden,
omdat zij bij rukwinden tegen de draden worden aangeblazen (Renssen 1977). Het is
ook mogelijk dat dit vaker voorkomt bij soorten die talrijk voorkomen en/of vaak in
groepen vliegen en dan makkelijker in aanvaring komen (Bevanger 1998). Soorten die
in groepen vliegen hebben een hoger risico om tegen de draden aan te vliegen, omdat
de vogels achterin zich minder snel bewust zijn van het obstakel (Koops 1987; Janss
2000).
85
Vogels reageren ook verschillend op draden. Renssen (1977) nam waar dat zwarte
kraaien en torenvalken zonder enig probleem over, tussen of onder de draden
doorvliegen, zonder correctie van de oorspronkelijke vlieghoogte. Reigers lieten zich
afglijden om onder de draden te passeren. Andere vogels winnen eerst hoogte door in
spiralen of parallel aan de lijn te vliegen (kievit) of bijna loodrecht enkele meters te
stijgen (ganzen) om over de draden te komen. Duiven vlogen soms met grote snelheid
tussen de draden door om midden tussen de draden paniekerig te reageren (zie ook
Koops 1987). Sommige vogels raakten voor de draden in paniek en keerden om,
zwanen staken daarbij soms hevig vleugelklapperend de poten uit.
Bernshausen et al. (1997) observeerden het vlieggedrag van vogels bij
hoogspanningsleidingen op vier locaties in West-, Midden- en Zuid-Duitsland. In totaal
zijn passages van meer dan 113.000 vogels verdeeld over 130 soorten waargenomen;
58% betrof standvogels, 26% seizoenstrekkers en 11% pleisterende doortrekkers.
Hoewel er grote locatiespecifieke verschillen zijn vastgesteld, vloog het merendeel
(44%) van de vogels in het algemeen over de lijnen heen (vooral blauwe reiger,
steltlopers en eenden), terwijl kleinere aandelen (22%) van de vogels onder de
onderste fasedraden doorvlogen (vooral lokale kleine broedvogelsoorten) of tussen de
bliksemdraad en bovenste fasedraden door (22%). Slechts 4,3% vloog tussen de twee
bundels fasedraden door. Het overgrote deel (87%) van de vogels passeerde de
hoogspanningslijnen zonder merkbare reactie. Van in totaal 15.000 vogels werd een
reactie waargenomen. Hiervan betrof 83% een reactie in de nabijheid (minder dan 30
m afstand) van de lijnen, waarvan het merendeel (55%) met een aanpassing van de
vlieghoogte; 28% betrof een duidelijke koerswijziging, terwijl in 15% van de gevallen
het om een ‘kritische’ reactie nabij de draden ging (hectisch uitwijken). Dit betrof onder
andere blauwe reiger, duiven, piepers, vinken en veldleeuweriken, terwijl dit gedrag
zelden bij roofvogels, gierzwaluw en zwaluwen werd gezien. Slechts tweemaal werd
daadwerkelijk een aanvaring met één van de hoogspanningslijnen waargenomen (een
kievit en een wilde eend, beide in de avondschemering), waarbij in beide gevallen de
vogel na botsing door kon vliegen.
Tijdens voor- en najaarstrek waren onder seizoenstrekkers beduidend meer ‘nabijreacties’ te zien dan onder standvogels. Voor wat betreft waarnemingen aan ‘hectisch’
uitwijken ging het voor 89% zeker om seizoenstrekkers en slechts in 7% om zekere
standvogels.
In het onderzoek van Renssen (1977) aan vlieggedrag van vogels bij hoogspanningslijnen is onderscheid gemaakt tussen lokale en niet lokale vogels. Van de lokale
vogels vloog 60% onder de draden door, 9% tussen de draden door en 31% over de
draden heen. Doortrekkers vlogen voornamelijk over de draden heen. Jonge vogels
werden in de zomermaanden meer als slachtoffer gevonden, maar mogelijk wordt dit
(deels) verklaard doordat jonge vogels dan een groot deel van het aanbod bepalen.
4.3.3
Weer- en zichtomstandigheden
Een groot deel van de aanvaringen gebeurt ’s nachts. Tijdens een kort onderzoek van
telkens een week in april 1973, 1974 en 1975 bleek dat 65 - 85% van de slachtoffers
86
in die weken tussen zonsondergang en zonsopkomst tegen de draad was gevlogen
(Renssen 1977). Het ging hier om onderzoek tijdens normale kalme weersomstandigheden. Incidentele waarnemingen tijdens slechte weersomstandigheden
geven aan dat deze van grote invloed kunnen zijn op de aantallen slachtoffers. Zo
werden in Polder Westzaan meer draadslachtoffers gevonden na hagelbuien, vooral
in het voorjaar, en na periodes met mist, motregen of harde wind (Heijnis 1976). Na
een hagelbui op 8 mei 1975 werden bijvoorbeeld bij de 150 kV lijn (3,3 km lengte) 62
slachtoffers en onder de 380 kV lijn (2,5 km lengte) 53 slachtoffers gevonden. Ook bij
plotseling invallende vorst kunnen in de winter meer slachtoffers verwacht worden als
gevolg van zogenoemde vorsttrek. In Polder Westzaan werd onder de 150 kV lijn na
vorstinval in november 1973 binnen drie dagen 25% van het totaal (n=43) aantal
kieviten in 1973 gevonden. Ook Renssen (1977) vond na twee grote stormen in
november en april meer slachtoffers dan normaal. Het is waarschijnlijk dat bij goede
weersomstandigheden het merendeel van de draadslachtoffers ’s nachts of in de
schemerperiode valt. Dat ook overdag geregeld vogels tegen hoogspanningslijnen
aanvliegen is waargenomen en aangetoond door Heijnis (1976).
4.3.4
Type constructie
Veel van de uitgevoerde onderzoeken naar draadslachtoffer zijn gericht op
soortsamenstelling en aantallen draadslachtoffers. Factoren zoals hoogte van de
lijnen, het aantal draden per bundel en de invloed van bliksemdraden op het aantal
draadslachtoffers zijn meestal niet structureel onderzocht. Van een aantal onderzochte
tracés zijn deze factoren wel meegenomen, resultaten hiervan worden hieronder kort
besproken. De gegevens overziend gaat het vooral om de zichtbaarheid van de
draden en mogelijk om de hoogte. De invloed van de breedte van de constructie op
het aanvaringsrisico is niet bekend.
Van groot belang lijkt het soort constructie dat wordt toegepast. Gangbaar zijn de
zogenaamde Donau-masten (figuur 4.2). Dit zijn A-vormige masten met twee
traversen. Beide kanten van de mast bevatten een circuit, welke weer uit drie fasen
bestaat. Elke fase bestaat uit een bundel draden. In de bovenste traverse hangt een
fase en in de onderste traverse hangen twee fasen. Bij veel 380 kV masten bevindt de
eerste traverse zich op 31 meter en de tweede op 42,5 meter. De afstand tussen de
draden van de twee traversen is circa 11,5 meter. De bliksemdraad bevindt zich 4,5
meter boven de bovenste traverse, schuin boven de fasedraden. De totale hoogte van
dergelijke 380 kV masten is 45-48 meter, terwijl veel 150 kV masten 30-32 meter hoog
zijn. De eerste traverse van 150 kV masten bevindt zich dan op 24 meter en de
tweede op 30 meter. De 150 kV masten die voorkomen in de onderzoeken die in dit
hoofdstuk worden aangehaald zijn van het type waar de bliksemdraad zich meestal
negen meter boven de tweede traverse bevindt. De totale hoogte wordt dan 39 meter.
Overigens is de bestaande 150 kV-verbinding nabij 'De Wilck' circa 53 meter hoog.
87
Figuur 4.2
Vakwerkmast 380 kV
Factoren die van invloed kunnen zijn op het aantal draadslachtoffers zijn onder andere
de hoogte van de constructie, het aantal draden per bundel, het aantal traversen en
het gebruik van een bliksemdraad. Hiervan is waarschijnlijk de aanwezigheid van een
bliksemdraad, welke door vogels het slechtst waarneembaar is, het meest bepalend.
Amerikaans onderzoek heeft aangetoond dat het weglaten van het bliksemdraad het
aantal draadslachtoffers doet verminderen met gemiddeld 48 %. Het markeren van de
bliksemdraden, bijvoorbeeld met plastic bollen of krullen, leidt ook tot een sterke
reductie van het aantal draadslachtoffers (tot maar liefst 95%), hier wordt in hoofdstuk
6 nader op ingegaan.
Voor het effect van de verschillende constructies is het tracé langs Muiden een goed
voorbeeld. Er zijn hier draadslachtoffers verzameld bij drie verschillende type
hoogspanningslijnen: 150 kV met enkelvoudige bedrading, 380 kV met bundels van
drie draden en tenslotte een verlaagde portaalconstructie van 10 meter hoog. De twee
gangbare constructies betroffen 40 meter hoge vakwerkmasten met twee traversen.
Bij enkelvoudige bedrading (150 kV) werden 0,51 draadslachtoffers per dag per km
gevonden. Bij bundels van drie draden (380 kV) werden ruim de helft minder
draadslachtoffers (0,21 per dag per km) gevonden. Bundels met drie draden zijn
blijkbaar beter zichtbaar, waarschijnlijk mede door het gebruik van afstandshouders.
88
Het aantal slachtoffers werd nogmaals sterk verminderd (0,14 per dag per km) bij de
verlaagde constructie (portaalmasten) van 10 meter hoogte en met alle draden op
dezelfde hoogte. Er is echter geen nader onderzoek gedaan naar de factor die
verantwoordelijk was voor deze daling van het aantal slachtoffers. Dit kan zowel de
hoogte zijn als het op één niveau brengen van de draden of een combinatie van beide
factoren. In Polder Westzaan werden onder een 150 kV lijn en een 380 kV lijn een
vergelijkbaar aantal (c. 700 per jaar per km lijn) draadslachtoffers gevonden (Heijnis
1976).
Het is moeilijk te zeggen of met de nieuwe masttypen (zogenoemde Wintrack masten)
die voor Randstad 380 kV verbinding ontworpen zijn, andere effecten op vogels
verwacht mogen worden dan met de bestaande Donau masten. In bestaande
combimasten van het Donau-type bestaat meer ruimte tussen de traversen. De
onderste fasedraden hangen echter lager en de ‘onderdoor-vliegruimte’ is dus kleiner
dan bij gebruik van Wintrack masten. Het verschil tussen beide masttypen voor wat
betreft het aantal draadslachtoffers is waarschijnlijk gering.
4.4
4.4.1
Effecten per soortgroep
Weidevogels
Het is mogelijk dat broedvogels van de open ruimte, zoals weidevogels, opgaande
verticale structuren mijden, zoals ook waargenomen voor gebouwen en bomenrijen.
Heijnis (1976) stelde vast dat bij de 150 kV en 380 kV lijn in Polder Westzaan
verschillende weidevogelsoorten (kievit, grutto, watersnip) praktisch niet als
broedvogel onder de lijnen werden aangetroffen. Deze soorten meden een strook van
100 m aan weerszijden van de hoogspanningslijnen. De scholekster broedde jaarlijks
wel met enkele paren onder of nabij de lijnen.
Uit diverse onderzoeken blijkt dat er veel draadslachtoffers vallen onder weidevogels
(Osieck & de Miranda 1972; Heijnis 1976; Hoerschelmann et al. 1997). In Polder
Westzaan werden onder andere de volgende slachtoffers onder weidevogels
gevonden: 165 watersnippen, 162 kieviten, 173 grutto’s, 65 tureluurs en 92
kemphanen en 50 veldleeuweriken. Scholeksters werden relatief weinig als
draadslachtoffer gevonden. Mogelijk dat weidevogels die baltsvluchten uitvoeren
(deels ook ’s nachts) een groter risico op aanvaringen lopen. Van het totale aantal
gevonden kieviten in twee gebieden werden respectievelijk 58% en 72% gedurende
het broedseizoen gevonden en voor de grutto was dit 67% (Heijnis 1976;
Hoerschelmann et al. 1997). Ook Osieck & de Miranda (1972) beschrijven hoge
aantallen draadslachtoffers onder weidevogels (maar wederom niet de scholekster).
89
Foto 4.1
Dode kievit onder de 150 kV lijn in de Lagenwaardse Polder,
Hazerswoude-Rijndijk, december 2007 (foto: Dennis Rensen).
Een onderzoek uitgevoerd bij Bremen en Hamburg kon geen verstoringseffecten voor
kievit en wulp aantonen; beide soorten broedden dicht bij een hoogspanningslijn (wulp
zelfs tot op 15 m afstand) en er werden regelmatig balts-, territorium- of
foerageervluchten bij, onderdoor of over de lijnen heen waargenomen (Altemüller &
Reich 1997). Bij de veldleeuwerik werd wel vermijdingsgedrag vastgesteld, zingende
mannetjes (n=126) van deze soort werden significant vaker op een afstand van 100 m
of meer van de hoogspanningsverbinding vastgesteld dan binnen een afstand van 100
m.
Hoogspanningslijnen kunnen een aantrekkende werking hebben op predatoren (Scott
et al. 1972; Heijnis 1976; Renssen 1977). Omdat roofvogels en kraaiachtigen graag
de masten en lijnen als uitkijkpost gebruiken, kan de aanwezigheid van een
bovengrondse verbinding de predatiedruk op broedende weidevogels vergroten. Ook
de talloze draadslachtoffers onder de lijn kunnen een aantrekkende werking hebben
op predatoren. Experimenteel werd vastgesteld dat op 1.200 m afstand van de
hoogspanningslijn uitgelegde vogelkadavers 4 tot 5 maal minder snel verdwenen dan
onder de hoogspanningslijn (Heijnis 1976). Dit indiceert dat meer aaseters en
predatoren onder de lijn zoeken dan een op een zekere afstand daar vandaan. Ook
Scott et al. (1972) vonden dat onder hoogspanningslijnen de predatie veel sneller
verliep dan in een vergelijkbaar terrein zonder lijnen (na vier nachten 97%
respectievelijk 47% van uitgelegde huismussen verdwenen). Heijnis (1976)
constateerde tijdens onderzoek aan draadslachtoffers in Polder Westzaan tussen
1973 en 1975 de aanwezigheid van acht vogelsoorten (vooral zwarte kraai, torenvalk
en bruine kiekendief, tezamen 65% van het aantal predatorwaarnemingen, maar ook
boomvalk, zilvermeeuw, kokmeeuw, ekster en eenmaal een blauwe reiger) als
90
mogelijke predatoren van draadslachtoffers en vier zoogdiersoorten (bunzing, wezel,
hermelijn en bruine rat). In de omgeving van Westzaan werd predatie door huiskatten
vastgesteld.
Meer predatoren in het broedgebied kan leiden tot een verlaagd broedsucces onder
weidevogels. Daarnaast kunnen weidevogels ook tegen de draden aanvliegen tijdens
het verjagen van predatoren. Dit werd bijvoorbeeld waargenomen in april 1972 in
Polder Westzaan, toen een kievit, die een zilvermeeuw probeerde te verjagen, tijdens
een duikvlucht tegen de onderste fasedraad van de 150 kV lijn vloog en dood
neerstortte (Heijnis 1976).
4.4.2
Kolonievogels
In het eerder aangehaalde overzicht van draadslachtoffers opgesteld door Koops
(1987) worden vrijwel alle koloniebroedende soorten in Nederland vermeld. Opvallend
daarbij is dat er maar iets minder purperreigers (57 exemplaren) dan blauwe reigers
(69 exemplaren) worden gemeld terwijl de eerste soort een factor 10 zeldzamer is. In
deze verhouding bezien is de lepelaar met 17 exemplaren ook goed
vertegenwoordigd.
Reigers
Dat purperreigers meer problemen met hoogspanningslijnen hebben dan blauwe
reigers blijkt uit onderzoek bij het Naardermeer (Osieck & de Miranda 1972). Hier
werd in 1969 - 1971 tweewekelijks onderzoek verricht naar draadslachtoffers onder
2,7 km van de lijn ten westen van het Naardermeer. Er werden in totaal 36
purperreigers als draadslachtoffer gevonden (waarvan 35 onvolwassen vogels).
Opvallend is de vergelijkbare verdeling bij blauwe reiger. Van 27 als draadslachtoffer
terug gemelde geringde blauwe reigers, hebben 22 betrekking op eerstejaars vogels,
hetgeen er op wijst dat een groot deel van de slachtoffers onder deze soorten
onvolwassen vogels betreft (Osieck & De Miranda 1972). In de periode mei-juni 1971
zijn waarnemingen verricht aan de manier waarop purperreigers de hoogspanningslijnen passeerden. Van de 340 passerende purperreigers vloog 64% over de draden
heen en 12% er onder door. Het resterende deel liet verschillende reacties zien:
tussen de draden door vliegen (vooral tussen bliksemdraad en bovenste fasedraden),
evenwijdig vliegen en hoogte winnen om eroverheen te gaan, terugvliegen en hoogte
winnen en 3-4% van alle vogels zwenkte met grote moeite tussen de draden door.
Osieck (in Osieck & de Miranda 1972) noemt dit gedrag van purperreigers veel
‘zenuwachtiger’ dan van de blauwe reiger.
In Polder Westzaan werden onder ca. 2 km van de 150 kV lijn in de periode 1971 –
1975 in totaal 10 blauwe reigers (mogelijk uit een nabijgelegen kolonie) gevonden
(Heijnis 1976).
Bij een kolonie blauwe reigers in Duitsland die zich op 500 m van een 110 kV
hoogspanningslijn bevond, werd tijdens twee jaar studie geen noemenswaardig effect
op de kolonie aangetoond. De aantallen broedparen bleven gelijk en ook het
broedverloop leek niet onderhevig aan verstoring door de nieuwe hoogspanningslijn.
Er werden gedurende het broedseizoen geen draadslachtoffers gevonden ondanks
regelmatige passage van oudervogels (Gutsmiedl & Troschke 1997).
91
Lepelaar
Het onderzoek nabij het Naardermeer leverde geen draadslachtoffers van de lepelaar
op, ondanks de aanwezigheid van 100 broedparen, waarvan een deel van de
oudervogels de 380 kV lijn dagelijks passeerden tijdens foerageervluchten. Renssen
(1977) beschrijft voor de lepelaar dat deze soort bij de passage van de 380 kV lijn bij
Muiden rustig hoogte winnend de lijn passeerde om daarna eventueel weer naar de
oorspronkelijke vlieghoogte te dalen. In juli 1973 werd één slachtoffer gevonden onder
de 150 kV lijn bij Muiden. Uit gegevens van het Vogeltrekstation bleek dat van de 57
met bekende doodsoorzaak terug gemelde geringde lepelaars 14% als
draadslachtoffer was doorgegeven.
In Polder Westzaan werden onder ca. 2 km van de 150 kV lijn in de periode 1971 –
1975 in totaal 11 lepelaars gevonden (Heijnis 1976). Polder Westzaan werd met name
in de zomer (juli – september) bezocht door volwassen lepelaars met juvenielen.
Onder de slachtoffers bevonden zich vijf juvenielen.
Aalscholver
Koops (1987) noemt slechts 9 draadslachtoffers voor aalscholver in zijn overzicht van
52 onderzoeken naar draadslachtoffer in Nederland in de periode 1958-1984. Osieck
& de Miranda (1972) vermelden 3 vondsten van aalscholvers als draadslachtoffer,
twee bij Diemerzeedijk in 1958 en een exemplaar bij het Naardermeer in 1970.
Renssen (1977) nam 14.467 passages van de aalscholver waar over de 380 kV lijn bij
Muiden, 60% hiervan passeerde de hier speciaal voor vogels aangelegde verlaagde
portaalconstructie. Slechts enkele malen werd van de overige vogels waargenomen
dat deze de vliegroute verlegden om over de verlaagde portaalconstructie te vliegen.
De normale vlieghoogte was echter meestal ruim boven de lijnen (40 – 100 m hoogte).
In juli 1973 vond Renssen twee dode aalscholvers onder de portaalconstructie. In de
periode 1971-1975 werden geen aalscholvers als slachtoffer vastgesteld onder de 150
kV en 380 kV lijn in Polder Westzaan (Heijnis 1976).
Sterns
In het eerder aangehaalde overzicht van Koops (1987) worden 13 zwarte sterns en 27
visdieven als draadslachtoffer genoemd. In Polder Westzaan werden onder ca. 2 km
van de 150 kV lijn in de periode 1971 – 1975 in totaal 5 zwarte sterns en 11 visdieven
als draadslachtoffer gevonden. Deze slachtoffers werden vooral in het voorjaar
gevonden toen ook dagelijkse foerageervluchten over de draden werden
waargenomen.
4.4.3
Overige broedvogels
In principe kunnen alle broedvogelsoorten die in de nabijheid van een
hoogspanningslijn broeden en regelmatig rondvliegen als draadslachtoffer verwacht
worden. In Polder Westzaan kwamen na opspuitwerkzaamheden bijvoorbeeld
regelmatig bergeend, kluut en strandplevier in het gebied voor en werden van al deze
soorten ook enkel(e) draadslachtoffers gevonden. De vondst van kleine karekiet en
rietgors (6 exemplaren) in de broedtijd en notoire standvogels als winterkoning en
huismus (44 exemplaren) in Polder Westzaan is opmerkelijk (Heijnis 1976).
92
Roofvogels en uilen worden relatief weinig als draadslachtoffer gevonden. In het
eerder aangehaalde overzicht van Koops (1987) worden sperwer (2), buizerd (2),
bruine kiekendief (6), torenvalk (32), kerkuil (1), ransuil (13) en velduil (2) als
draadslachtoffer genoemd. Heijnis (1976) vond in vijf jaar tijd onder een 150 kV tracé
van 3,3 km lengte slechts 2 torenvalken, 1 buizerd en 1 bruine kiekendief.
4.4.4
Niet broedvogels
Ganzen
In het eerder aangehaalde overzicht van Koops (1987) worden 9 brandganzen, 2
rotganzen, 25 grauwe ganzen, 72 kolganzen, 11 rietganzen en 1 kleine rietgans als
draadslachtoffer genoemd.
Ganzen zijn tijdens het vijfjarig onderzoek in Polder Westzaan niet als draadslachtoffer
geconstateerd. In de Assendelverveenpolder ten westen van Polder Westzaan, zijn in
1972 wel twee grauwe ganzen en een kolgans onder de 150 kV lijn gevonden (Heijnis
1976).
Foto 4.2
Dode en reeds deels gepredeerde grauwe gans onder de
150 kV lijn bij Hazerswoude, januari 2008 (foto: Dennis
Rensen).
Onder de 150 kV lijn tussen Goes – Ellewoutsdijk (Zeeland) zijn tijdens een
incidentele telling op 19 januari 1972 nabij Borsele in totaal 12 dode kolganzen
gevonden. In de zes weken volgend op deze vondst zijn geen nieuwe slachtoffers
gevonden ondanks de aanwezigheid van soms enige duizenden ganzen (Slob 1972).
Osieck & de Miranda (1972) vermelden de vondst van 2 rietganzen bij het
Naardermeer (waar in de periode van de vondst een groep van 580 exemplaren
93
pleisterde) en 3 rietganzen en 1 kolgans bij Oosterwolde, een bekende pleisterplaats
voor deze soorten.
In de jaren 1994 - 1997 werden bij een hoogspanningsverbinding over de Rijn in
Duitsland in totaal 27 aanvaringen van kolganzen met de bliksemdraad daadwerkelijk
in het veld waargenomen (Haack 1997). De hoogspanningslijn bevond zich op minder
dan 700 m van een belangrijke slaapplaats. Met de gegevens kon geen directe relatie
worden aangetoond tussen bijvoorbeeld windkracht en aantal aanvaringen.
Bij een 110 kV lijn in Niederrhein (Duitsland) foerageerden consequent minder kol- en
rietganzen op graslanden en akkerpercelen in de nabijheid van de lijn tot een afstand
van 80 m aan weerszijden van de lijn (Sossinka & Ballasus 1997). Op deze percelen
was ook een duidelijke toename zichtbaar in het aantal keutels met toenemende
afstand tot de lijn (dus meer begrazing op grotere afstand). Ganzen waren alerter en
gebruikten minder tijd om te foerageren en poetsen en rusten dicht bij de lijn dan op
afstand, wat door de auteurs wordt geïnterpreteerd als hogere stress en een afname
van de kwaliteit van het leefgebied.
Zwanen
In het eerder aangehaalde overzicht van Koops (1987) worden 98 knobbelzwanen en
2 kleine zwanen als draadslachtoffer genoemd. In Polder Westzaan zijn tussen 1971 –
1975 in totaal 12 knobbelzwanen als slachtoffer gevonden. Onder hoogspanningsleidingen rond het Alkmaardermeer werden, ondanks onregelmatige tellingen, in vijf
jaar tijd 52 knobbelzwanen gevonden (Heijnis 1976).
Eenden
In het eerder aangehaalde overzicht van Koops (1987) worden onder andere 1.408
wilde eenden en voor de meeste andere eendensoorten een honderdtal exemplaren
als draadslachtoffer genoemd.
In Polder Westzaan werden onder de meeste pleisterende eendensoorten slachtoffers
gevonden: kuif- en tafeleend (beide 43 exemplaren), slobeend (89), wilde eend (245
ex, ook veel in het voorjaar als achtervolgingsvluchten plaatsvinden en de soort ook
veel als verkeersslachtoffer wordt gevonden), smient (62), zomertaling (48) en
wintertaling (25).
Meeuwen
Koops (1987) noemt in zijn overzicht over de periode 1958-1984 voor kokmeeuw
1.051 exemplaren, zilvermeeuw 268 exemplaren en stormmeeuw 261 exemplaren.
Tijdens het vijfjarig onderzoek in Polder Westzaan werden relatief veel meeuwen
gevonden: 11 grote mantelmeeuwen, 10 kleine mantelmeeuwen, 103 zilvermeeuwen,
9 stormmeeuwen en 97 kokmeeuwen. Het grote aantal zilvermeeuwen hing mogelijk
samen met de aanwezigheid van een grote open vuilstortplaats in het Westzijderveld
en een slaaptrekroute over de lijn.
Bij een aantal tellingen begin 70-er jaren vormde de kokmeeuw telkens 10-20% van
de slachtoffers (Osieck & de Miranda 1972).
94
4.4.5
Seizoenstrek
Ook vogels op seizoenstrek kunnen tegen hoogspanningslijnen vliegen zoals blijkt uit
de soortensamenstelling van draadslachtoffers in Polder Westzaan (Heijnis 1976).
Onder de draadslachtoffers werden naast broedvogels en pleisterende wintervogels
(zie hiervoor) ook soorten vastgesteld die (vooral) tijdens de seizoenstrek het
slachtoffer moeten zijn geworden. Dit omdat ze of niet in de polder voorkomen of
omdat het soorten betreft waarvan het onwaarschijnlijk was dat ze als broedvogel op
dergelijke hoogte rondvliegen (b.v. dodaars en waterral). Ook het seizoenspatroon
wijst hierop; soorten die als broedvogel in het voorjaar en zomer aanwezig zijn,
worden het vaakst als slachtoffer in de trektijd in de herfst vastgesteld, terwijl de
aantallen slachtoffers in de zomer, wanneer ook (onervaren) jonge vogels aanwezig
zijn, veel lager zijn (zie ook figuur 4.1).
Bij seizoenstrekkers betrof het in Polder Westzaan vooral nachttrekkers die als
draadslachtoffer werden gevonden, zoals roerdomp, dodaars, meerkoet, waterhoen,
waterral, steltlopers (wulp, regenwulp, zilverplevier, zwarte ruiter, groenpootruiter,
oeverloper, witgat, bosruiter, strandlopers en houtsnip), lijsters (kramsvogel en
koperwiek, beide vooral in de wintermaanden), fitis, grasmus en spotvogel (alle in het
najaar gevonden).
In Polder Westzaan werd op één locatie onder de 380 kV in oktober 1974 en oktober
1975 een opmerkelijke concentratie waterrallen gevonden. In enkele dagen tijd
werden in beide jaren op deze locatie 14 respectievelijk 12 dode waterrallen
gevonden. Mogelijk dat deze locatie een corridor vormde voor rallen die het gebied
’s nachts op trek verlieten.
Altemüller & Reich (1997) wijzen er op dat seizoenstrekkers die voor oriëntering
gebruik maken van het aardmagnetisch veld, dit doen op basis van een
gelijkstroomveld met een magnetische stroomdichtheid van 30 tot 65 microtesla. Zij
achten het zeer waarschijnlijk dat vogels de sinusvormige wisselstroom, zoals die in
hoogspanning gebruikt wordt, niet kunnen waarnemen.
4.5
4.5.1
Effecten op vleermuizen
Bouwfase
Wanneer bebouwing dient te worden gesloopt ten behoeve van de aanleg kan dit
leiden tot het aantasten of verdwijnen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Woningen
en andere gebouwen kunnen in gebruik zijn als verblijfplaats door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en grootoorvleermuis.
Afhankelijk van de aanwezige soorten en het type verblijf (kraamverblijf, winterverblijf,
paarverblijf, tussenverblijf) kunnen negatieve effecten optreden voor de lokale
populatie. Regionaal (Noord- en Zuid-Holland) betreft dit geen zeldzame soorten en
op de regionale en landelijke populatie worden geen negatieve effecten verwacht.
95
Het toppen of kappen van bomen kan leiden tot aantasten of verdwijnen van
verblijfplaatsen in bomen van soorten als watervleermuis, rosse vleermuis, gewone
grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis.
Het kappen van bomen(rijen) kan daarnaast leiden tot aantasting van
vliegverbindingen. Veel soorten vleermuizen maken gebruik van dergelijke structuren
in het landschap ter oriëntatie en als verbindend element. Alleen wanneer op grote
schaal bomenrijen worden verwijderd (over een afstand van meer dan 50 meter) en in
de omgeving geen alternatieven zijn kunnen negatieve effecten optreden op het
gebruik als vliegverbindingen. Het toppen van bomen (tot een hoogte van minimaal 4
meter) heeft nagenoeg geen negatief effect op het gebruik als vliegverbinding
aangezien voor oriëntatie voldoende structuur overblijft.
Specifiek voor de vliegroutes van meervleermuis geldt dat deze tijdens de aanleg zo
min mogelijk geblokkeerd mogen worden. Specifiek damwanden die overdwars
worden geplaatst en lage onderdoorgangen kunnen een barrièrewerking hebben op
passerende vleermuizen. Ook bouwverlichting op en rond wateren en foerageergebieden kan een verstorend effect hebben op vleermuizen (Kuijper et al. 2006).
4.5.2
Gebruiksfase
Over de effecten van bovengrondse hoogspanningslijnen en –masten op vleermuizen
is weinig bekend, aangezien daar geen specifiek onderzoek naar is gedaan. Wel is
bekend dat vleermuizen kunnen botsen met structuren in de ruimte, zoals
prikkeldraad, zendmasten en windturbines. Dit betreft vooral relatief hoog vliegende
vleermuizen die op trek zijn van zomerleefgebieden naar de winterslaapplaatsen
(Johnson et al. 2003). Daarnaast kunnen ook vleermuizen die voornamelijk in open
gebieden jagen in botsing komen met genoemde structuren (Verboom & Limpens
2001). In het plangebied kunnen rosse vleermuis (in beperkte mate) en ruige
dwergvleermuis als migrerende vleermuizen worden aangemerkt (Kapteyn 1995;
Lange et al. 2003) Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis zijn
relatief vrij in de lucht foeragerende soorten. De overige soorten (gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en meervleermuis) zijn gebonden aan opgaande vegetatie
en watergangen. De laatste twee soorten kunnen in theorie botsen met de
hoogspanningslijnen wanneer deze in of aan watergangen en weilanden zijn geplaatst
waar deze soorten veel gebruik van maken.
Kwantitatieve gegevens over aanvaringen van vleermuizen, met uitzondering van die
met windturbines, zijn niet bekend. Vermoed wordt dat trekkende vleermuizen minder
gebruik maken van sonar en daardoor niet of te laat nieuwe structuren op hun route
opmerken. Uit recent onderzoek blijkt dat vleermuizen mogelijk gebruik maken van
aardmagnetische velden voor de oriëntatie (Holland et al. 2006). Mogelijk dat
vleermuizen hierdoor over langere afstanden geen of beperkt gebruik van sonar
hoeven te maken. Dit blijkt ook uit waarnemingen van migrerende dieren, waarbij zeer
lange pulsintervallen in de sonar zijn waargenomen (Limpens et al. 1997).
Overigens is uit een recente studie bij windturbines (Trapp et al. 2002) gebleken dat
niet zozeer directe aanvaringen met windturbines, maar gebroken vleugels als gevolg
van windwervelingen een belangrijke doodsoorzaak vormen. In diverse studies naar
96
aanvaringen van vogels bij hoogspanningslijnen wordt nimmer melding gemaakt van
vleermuizen als draadslachtoffers. Verwacht mag worden dat incidenteel een
vleermuis tegen de masten of lijnen aan zal vliegen. Dit aantal is naar verwachting
dermate laag dat dit geen effect zal hebben op de duurzame instandhouding van
lokale, landelijke en internationale populaties.
Over de effecten van elektrische en (elektro)magnetische velden op vleermuizen is
nog heel weinig bekend. Bij een recent onderzoek bleek dat vleermuizen de
elektromagnetische velden rond radarinstallaties mijden. Dit betrof velden met een
straling groter dan 2 V/m. Vermoed wordt dat een verhoogde kans op oververhitting
en interferentie met de echolocatie daar de oorzaak van zijn (Nicholls & Racey 2007).
Dit zou theoretisch kunnen betekenen, indien de velden groter dat verblijfplaatsen in
de directe omgeving van hoogspanningslijnen ongeschikt worden voor vleermuizen,
waardoor de dieren verhuizen. Daarnaast is het niet uitgesloten dat vleermuizen
tijdens foerageren en trekbewegingen hoogspanningslijnen mijden dan wel versneld
passeren. Anekdotische informatie op basis van veldwaarnemingen van foeragerende
vleermuizen toont echter aan dat vleermuizen veelvuldig rond hoogspanningsleidingen foerageren en niet gehinderd lijken te worden (o.a. eigen
waarnemingen Bureau Waardenburg).
97
98
5 Effecten van alternatieven op natuur
5.1
Tracéalternatieven
De beschouwde alternatieven zijn (zie figuur 5.1):
1. Bundeling Infra Hoofddorp Basis-alternatief
2. Bundeling Infra Hoofddorp Oost (HSL)
3. Bundeling Infra Hoofddorp Oost (Rechtdoor)
4. Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief
5. Bundeling 150 kV-tracé Variant Leiderdorp
6. Ondergronds onderzoeksalternatief
In het MER en voorliggend Achtergrondrapport wordt de benaming van de
alternatieven ten behoeve van de leesbaarheid in de tabellen als volgt aangeduid:
Bundeling Infra
Basisalternatief
Hoofddorp
Oost
(HSL)
Bundeling 150 kV-tracé
Hoofddorp
Oost
(Rechtdoor)
Basisalternatief
Ondergronds
Variant
Leiderdorp
Voor een nadere beschrijving van de alternatieven en hoe deze tot stand zijn
gekomen wordt verwezen naar het MER.
99
Figuur 5.1
100
Overzicht van alle onderzochte tracé alternatieven.
5.2
Permanente effecten
Voor natuur worden geen permanente negatieve effecten verwacht van een
ondergronds onderzoeksalternatief. In onderstaande beschrijving van permanente
effecten is het ondergronds onderzoeksalternatief grotendeels buiten beschouwing
gelaten. Wel is aangegeven waar een ondergronds alternatief tot duidelijk positieve
effecten kan leiden of tot belangrijke vermindering van de negatieve effecten van een
bovengrondse verbinding. Dit betreft met name gebiedsdelen waar de bestaande 150
kV lijn wordt verwijderd. In onderstaande effectbeschrijving is nog geen rekening
gehouden met mogelijkheden voor mitigatie. Wel is aangegeven of de negatieve
effecten kunnen worden gemitigeerd.
5.2.1
Beschermde gebieden
Criteria
Natuur
Bundeling Infra
Beschermde
gebieden
Natura 2000gebieden
EHS en evz
Eendenkooi
Basisalternatief
Hoofddorp Oost
(HSL)
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Negatief
(-)
Neutraal
(0)
Bundeling 150 kV-tracé
Hoofddorp
Oost
(Rechtdoor)
Ondergronds
Basisalternatief
Variant
Leiderdorp
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Positief
(+)
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Zeer negatief
(--)
Positief
(+)
Negatief
(-)
Neutraal
(0)
Negatief
(-)
Neutraal
(0)
Negatief
(-)
Neutraal
(0)
Negatief
(-)
Neutraal
(0)
Positief
(+)
Neutraal
(0)
Zoals in paragraaf 2.3.1 is toegelicht, worden in deze paragraaf voor de beschermde
gebieden alleen effecten behandeld die raken aan de uitdrukkelijke beschermingsdoelstellingen (tabel 3.1). Eventuele overige effecten worden behandeld als effecten
op vogels, vleermuizen of overige fauna en flora.
De bovengrondse alternatieven hebben allemaal een zeer negatief effect op het
criterium beschermde gebieden. De zeer negatieve effecten die optreden op het
Natura 2000-gebied 'De Wilck' (zie hieronder) zijn doorslaggevend voor de integrale
beoordeling van de alternatieven. Op de overige gebieden (EHS gebieden,
ecologische verbindingszones en Eendenkooi Vijfhuizen) varieert het effect tussen
geen effect (0) en negatief effect (-). In onderstaande tekst wordt dit nader toegelicht.
Toelichting
Natura 2000-gebied 'De Wilck'
In het kader van de vergunningaanvraag voor de Natuurbeschermingswet is
onderbouwd dat het aannemelijk is dat een nieuwe gecombineerde 150/380 kV lijn
(kortweg: combilijn) in de polders nabij 'De Wilck', met name ’s nachts, tot meer
draadslachtoffers kan leiden dan de bestaande 150 kV lijn. Het betreft mogelijk een
101
toename in sterfte van tientallen smienten en hooguit enkele kleine zwanen. Dit geldt
voor alle bovengrondse alternatieven. De bovengrondse alternatieven zijn hierin niet
onderscheidend en scoren voor dit aspect zeer negatief. De alternatieven die
bundelen met infrastructuur (Basis-alternatief, Oost (HSL) en Oost (Rechtdoor)) liggen
dichter bij 'De Wilck' en kerngebieden met verhoudingsgewijs grote aantallen
smienten en leiden daarom mogelijk tot iets meer draadslachtoffers onder smienten
dan de alternatieven die bundelen met 150 kV (Basis-alternatief en Variant
Leiderdorp), maar dit verschil leidt niet tot een onderscheid in de beoordeling van de
bovengrondse alternatieven. Voor de kleine zwaan is het op basis van de beschikbare
informatie onwaarschijnlijk dat een meetbaar effect optreedt. Onder kleine zwanen
treden in de huidige situatie slechts incidenteel draadslachtoffers op. Dit zal niet
veranderen.
Sinds 2000 is de populatie smienten in 'De Wilck' min of meer stabiel. Het gemiddeld
aanwezige aantal, circa 2.100 exemplaren in een seizoen, wordt naar verwachting als
instandhoudingsdoel vastgesteld. Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de
mogelijke toename in sterfte als gevolg van een volledig bovengrondse combilijn er op
termijn toe leidt dat de aantallen smienten in 'De Wilck' onder dit instandhoudingsdoel
komen, wat in het kader van de Natuurbeschermingswet een significant negatief effect
zou zijn. Het effect wordt met name veroorzaakt door de grotere dichtheid van de
draden. In de effectbepaling is genegeerd dat het aantal smienten in de aanwezigheid
van de bestaande 150 kV-verbinding tot het huidige aantal is toegenomen en dat er
geen aanwijzingen zijn dat de recente stabilisatie met de verbinding te maken heeft.
Inmiddels is uit onderzoek gebleken (Hartman et al. 2010) dat draadmarkering het
aantal slachtoffers onder smienten aanzienlijk vermindert.
'De Wilck': Effecten
opstijgpunten
van
mogelijke
ondergrondse
aanleg
en
bijbehorende
Voor de bovengrondse alternatieven ten oosten van 'De Wilck' zijn de mogelijkheden
van ondergrondse aanleg onderzocht om doorsnijding van de bebouwing en polders
aan weerszijde van de Oude Rijn te voorkomen. De opstijgpunten tussen de
bovengrondse lijn en ondergrondse kabel zijn voorzien in de Hondsijkse Polder nabij
de knik in de huidige 150 kV lijn (ten noorden van de Oude Rijn) en aan de noordrand
van de Hazerswoudse Droogmakerij (zie figuur B1.1 in bijlage 1 voor detailkaart met
toponiemen). Ondergrondse aanleg van de tracés over deze lengte resulteert in een
geringe toename (hooguit een tiental exemplaren) van het aantal draadslachtoffers
onder smient ten opzichte van de huidige situatie. Deze toename is geheel toe te
wijzen aan de bovengrondse combilijn gelegen tussen het opstijgpunt ten noorden van
de Oude Rijn en Leiderdorp. Het is niet waarschijnlijk dat een dergelijke geringe
toename het instandhoudingsdoel op termijn in gevaar brengt en het effect zou
daarmee, in het kader van de Natuurbeschermingswet, als niet significant beoordeeld
worden (een negatief effect (-)).
De opstijgpunten in de Hondsdijkse Polder ten noorden van de Oude Rijn zijn
voorzien in graslandgebieden waar kleine zwanen en smienten uit het Natura 2000-
102
gebied 'De Wilck' regelmatig foerageren. Een combi 380/150 kV opstijgpunt is
ongeveer 34 meter breed en 84 meter lang (bezien in de lengterichting van het tracé).
De opstijgpunten zorgen in deze polders voor verlies van een verwaarloosbaar areaal
foerageergebied (< 0,05%) voor beide soorten. Dit is te beschouwen als een hooguit
geringe aantasting en is daarmee een verwaarloosbaar effect (0/-) op 'De Wilck'. De
locaties van de opstijgpunten aan de noordrand van de Hazerswoudse Droogmakerij
worden niet of nauwelijks door beide soorten als foerageergebied gebruikt en deze
opstijgpunten hebben daarom geen effect (0) op 'De Wilck'.
Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Ecologische verbindingszones (EVZ)
EHS Recreatiegebied Spaarnwoude en veenweidegebied Spaarndam
In het Recreatiegebied Spaarnwoude en in het veenweidegebied tussen Spaarndam
en Station Vijfhuizen (beide EHS) vervangt de nieuwe Randstadverbinding de
bestaande 150 kV lijn. Deze laatste wordt afgebroken nadat de 380 kV verbinding is
gerealiseerd. Alle bovengrondse alternatieven hebben een klein negatief effect (-) op
dit EHS gebied, vanwege effecten op de EHS doelstelling voor weidevogels in het
veenweidegebied Spaarndam. Het ondergronds onderzoeksalternatief is op deze
locatie positief (+) beoordeeld omdat de negatieve effecten op de EHS doelstelling
voor weidevogels geheel verdwijnen doordat de bestaande 150 kV lijn hier bij
realisatie van de nieuwe 380 kV verbinding wordt opgeheven.
De alternatieven die bundelen met 150 kV (Basis-alternatief en Variant Leiderdorp)
zijn direct naast het tracé van de bestaande 150 kV lijn gepland. Deze alternatieven
resulteren daarom niet in een nieuwe doorsnijding van het EHS gebied. In het
Recreatiegebied Spaarnwoude resulteren de alternatieven die bundelen met
infrastructuur (Basis-alternatief, Oost (HSL) en Oost (Rechtdoor)) in een (beperkte)
nieuwe doorsnijding van het EHS gebied. De alternatieven zijn hier naast de A9
gepland, zodat natuurwaarden in het recreatiegebied en het functioneren van het EHS
hier niet of nauwelijks zullen worden geschaad.
De nieuwe 380 kV lijn is groter in uitvoering (meer fasedraden en hogere masten) dan
de te vervangen 150 kV lijn, maar overdag zijn de fasedraden van de 380 kV lijn beter
zichtbaar (zie paragraaf 4.3.4). Per saldo resulteert dit bij alle alternatieven mogelijk in
een kleine toename van het aantal draadslachtoffers onder weidevogels. Met name in
het veenweidegebied tussen Spaarndam en Station Vijfhuizen (figuur 5.2) kan dit
effect hebben op de EHS doelstelling voor weidevogels, namelijk een kleine toename
in sterfte onder weidevogels ten opzichte van de huidige situatie. Het betreft hooguit
enkele exemplaren per soort per broedseizoen. Dit is, conform de criteria
geformuleerd in paragraaf 2.3.1, als een klein negatief effect (-) gescoord en geldt
voor alle bovengrondse alternatieven. Dit effect kan en zal worden gemitigeerd met
behulp van draadmarkeringen (zie hoofdstuk 6).
103
EHS in westelijk deel van Haarlemmermeer
In het westelijk deel van de Haarlemmermeer doorsnijden de bovengrondse
verbindingen die west langs Hoofddorp gaan (de Basis-alternatieven) verschillende
gebieden die zijn opgenomen in de EHS. Het betreft merendeels recreatie- en
groengebieden waarin ook enkele ecologische verbindingszones zijn gelegen (zie
paragraaf 3.1.2). De beide Basis-alternatieven (Bundeling Infra Hoofddorp Basis en
Bundeling 150 kV-tracé Basis), volgen in de westelijke Haarlemmermeer grotendeels
hetzelfde tracé. Doorsnijding van hiervoor bedoelde EHS gebieden door een
bovengrondse verbinding heeft geen permanent effect op het functioneren van de
EHS of de daarin aanwezige doelsoorten, zoals grondgebonden zoogdieren, vlinders,
rugstreeppad en meervleermuis.
EHS Kagerplassen en EHS Elfenbaan
In de alternatieven die bundelen met 150 kV (Basis-alternatief en Variant Leiderdorp)
staan ten westen van Nieuwe Wetering en ten zuiden van de Ringvaart van de
Haarlemmermeerpolder één Wintrackmast in het EHS gebied Kagerplassen. In de
alternatieven die bundelen met infrastructuur (Basis-alternatief, Oost (HSL) en Oost
(Rechtdoor)) staat ten westen van Hazerswoude-Rijndijk en ten noorden van de N11
één Wintrackmast in het EHS gebied Elfenbaan. Het permanente ruimtebeslag van
2
een Wintrackmast betreft 100 m . Dit beperkte ruimtebeslag zal geen effect hebben op
het functioneren van de desbetreffende EHS gebieden en leidt hooguit tot een
verwaarloosbaar verlies van potentieel leefgebied van doelsoorten, waaronder naar
verwachting kleine grondgebonden zoogdieren.
EVZ
Alle bovengrondse alternatieven passeren één of meerdere ecologische
verbindingszones (EVZ). Omdat er geen masten in een EVZ worden geplaatst, is er
geen permanent effect (0) van de bovengrondse alternatieven te verwachten op de
functies en/of doelsoorten (zie tabel 3.1) van de desbetreffende EVZ’s.
Tijdelijke effecten in de aanlegfase (bijvoorbeeld effect van aanleg van bouwwegen
over watergangen) kunnen en zullen worden gemitigeerd tot een aanvaardbaar
niveau. De te nemen effectbeperkende maatregelen zijn beschreven in Kruijt &
Brekelmans (2012) en zullen, indien relevant, nader worden uitgewerkt in een nog op
te stellen ecologisch werkplan ten behoeve van de uitvoering.
Eendenkooi bij Vijfhuizen
Zowel de bovengrondse alternatieven (alle bovengrondse alternatieven volgen hier
min of meer hetzelfde tracé) als het ondergrondse onderzoeksalternatief hebben een
neutraal (0) effect op de Eendenkooi Stokman bij Vijfhuizen.
De afpalingskring reikt tot 1.318 m van de kooi en wordt doorsneden door zowel het
bovengrondse als ondergrondse onderzoeks alternatief. Binnen de afpalingskring
staat in de huidige situatie een 150 kV lijn op circa 400 m ten oosten van de kooi. In
de bovengrondse alternatieven wordt deze vervangen door een 150/380 kV combilijn
104
op meer dan 500 m afstand van de kooi. Vanwege deze afstand is geen sprake van
verstoring van de (eenden in de) eendenkooi zelf. Binnen de afpalingskring kan wel
sprake zijn van (hooguit) geringe verstoring door een nieuwe bovengrondse
combiverbinding, maar naar verwachting komt dit effect overeen met de verstoring
door de huidige 150 kV lijn (0/-). Dit effect is als neutraal (0) beoordeeld.
Verstoring van de rust binnen de afpalingskring, tijdens werkzaamheden in de
aanlegfase, kan goed gemitigeerd worden door buiten de periode te werken dat de
eendenkooi actief in gebruik is.
De nieuwe gecombineerde 150/380 kV lijn is groter in uitvoering (meer fasedraden en
hogere masten ) dan de huidige 150 kV lijn, maar overdag zijn de fasedraden van de
combilijn beter zichtbaar (zie paragraaf 4.3.4). Per saldo resulteert dit mogelijk in een
kleine toename, in ordegrootte een tiental, van het aantal draadslachtoffers onder
eenden. Dit betreft ook de soort wilde eend die in de kooi wordt gevangen voor
consumptie. Op het totaal aantal eenden dat in de vangperiode (15 augustus - 1
februari) gebruik maakt van de kooi, is het te verwachten aantal additionele
draadslachtoffers door de nieuwe verbinding verwaarloosbaar. Er is daarom geen
effect (0) op het belangrijkste doel van de eendenkooi: het verschaffen van een
rustgebied en vangen van (wilde) eenden.
5.2.2
Weidevogels
Criterium
Natuur
Bundeling Infra
Basisalternatief
Negatief
Hoofddorp
Oost
(HSL)
Negatief
(-)
(-)
Bundeling 150 kV-tracé
Hoofddorp
Oost
(Rechtdoor)
Negatief
Weidevogels
(-)
Ondergronds
Basisalternatief
Variant
Leiderdorp
Beperkt
negatief
(0/-)
Negatief
Positief
(-)
(+)
Het bovengrondse alternatief 'Bundeling 150 kV-trace basisalternatief' heeft beperkt
negatieve (0/-) effecten op verstoring van en draadslachtoffers onder weidevogels,
terwijl alternatief 'Bundeling 150 kV-trace Variant Leiderdorp' een negatief (-) effect
heeft, omdat het ten westen van Rijpwetering een belangrijk weidevogelgebied
doorsnijdt. De alternatieven die 'Bundelen met Infra' hebben de grootste effecten op
weidevogels, omdat deze alternatieven ter hoogte van het gebied 'De Wilck' dichtbij
percelen met relatief hoge dichtheden weidevogels liggen of deze doorsnijden,
waardoor het niet is uit te sluiten dat meerdere draadslachtoffers onder weidevogels
vallen.
In de overige gebieden met weidevogels varieert het effect van de bovengrondse
alternatieven en ligt de beoordeling tussen een positief effect (+) en een beperkt
negatieve effect (0/-). Dit wordt hieronder toegelicht.
Toelichting
In paragraaf 5.5 worden de effecten van de integrale bovengrondse alternatieven op
weidevogels met elkaar vergeleken en samengevat en komt ook cumulatie aan de
105
orde. Hieronder worden alleen de effecten van de bovengrondse alternatieven op de
belangrijkste weidevogelgebieden binnen het plangebied van noord naar zuid
toegelicht. Dat gebeurt door een beschrijving te geven van de effecten in en/of bij de
belangrijkste locaties binnen het plangebied voor weidevogels (figuur 5.2):
- de Wijkermeerpolder ten oosten van Beverwijk;
- de Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam;
- de Vereenigde Binnenpolder ten zuidoosten van Spaarnwoude;
- de Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering;
- de Blauwe Polder ten westen van Rijpwetering;
- de polders aan weerszijde van de Oude Rijn (Polder Achthoven, Hondsdijkse
Polder en omgeving 'De Wilck').
Het is niet uit te sluiten dat in de tussenliggende delen van het plangebied ook
effecten op weidevogels (verstoring en draadslachtoffers) optreden, maar vanwege de
marginale betekenis van deze gebieden voor weidevogels, zijn deze effecten als
beperkt negatief (0/-) maar verwaarloosbaar te beschouwen voor de (regionale)
populaties van deze soorten.
Wijkermeerpolder ten oosten van Beverwijk (locatie A in figuur 5.2)
Alle bovengrondse alternatieven volgen ten noorden van het Noordzeekanaal
hetzelfde tracé en doorsnijden ten oosten van de A9 over een lengte van ruim een
kilometer de Wijkermeerpolder. Voor een nieuwe bovengrondse verbinding geldt dat
deze hier een beperkt negatief effect heeft op weidevogels.
Verstoring leefgebied
In deze polder zijn in 1997 binnen het plangebied een tiental broedparen van tureluur
en gele kwikstaart vastgesteld. Voor andere soorten weidevogels is het gebied niet
van belang. Uitgaande van een maximale verstoringszone van 100 m aan weerszijden
van de lijn (zie hoofdstuk 4) en een sindsdien onveranderd aantal broedparen, wordt
door een bovengronds alternatief mogelijk leefgebied van enkele paren tureluur
verstoord. Het merendeel van de territoria van gele kwikstaarten bevindt zich ruim
buiten de verwachte verstoringszone.
De effecten zijn als beperkt negatief (0/-) beoordeeld. De permanente verstoring van
leefgebied voor enkele broedparen tureluur in het broedseizoen brengt het lokale
voorkomen in de Wijkermeerpolder èn directe omgeving niet in gevaar.
Draadslachtoffers
Van tureluur kunnen risicovolle vliegbewegingen bij de bovengrondse verbinding niet
worden uitgesloten. Deze soort is in de broedtijd ook ’s nachts actief en net als grutto
en kievit verdedigt de tureluur fanatiek het territorium tegen predatoren. Bij het
verjagen van bijvoorbeeld kraaiachtigen kan de soort ook overdag tegen de draden
vliegen. In het broedseizoen worden van de bovengrondse alternatieven hooguit
enkele draadslachtoffers verwacht.
De effecten zijn als beperkt negatief (0/-) beoordeeld. De hooguit enkele draadslachtoffers in het broedseizoen brengt het lokale voorkomen van de desbetreffende
106
soorten in de Wijkermeerpolder èn directe omgeving niet in gevaar. Met mitigatie
(markeren bliksemdraad) zullen de aantallen slachtoffers nog lager uitvallen.
Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam (locatie B )
Voor de effectbeoordeling in dit gebied is het van belang op te merken dat de
bestaande 150 kV lijn tussen Velsen en Vijfhuizen na realisatie van de nieuwe 380 kV
verbinding wordt opgeheven.
De alternatieven die bundelen met 150 kV (Basis-alternatief en Variant Leiderdorp)
doorkruisen de Westhoffplas, die o.a. van betekenis is voor broedende slobeenden,
op min of meer dezelfde locatie als de bestaande 150 kV verbinding. De effecten van
deze alternatieven zijn als beperkt negatief (0/-) beoordeeld. De drie met infrastructuur
gebundelde alternatieven (Basis-alternatief, Oost (HSL) en Oost (Rechtdoor))
passeren de Westhoffplas aan de westkant. De effecten van deze alternatieven zijn,
ten opzichte van de huidige situatie, als (beperkt) positief beoordeeld.
Het ondergronds onderzoeksalternatief is op deze locatie positief beoordeeld. De
negatieve invloed op (weide)vogels verdwijnt, doordat de bestaande 150 kV lijn hier bij
realisatie van de nieuwe 380 kV verbinding wordt opgeheven.
Verstoring leefgebied
In 2001 is een relatief hoog aantal broedende slobeenden (Rode Lijstsoort)
vastgesteld rond de Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam. Het betrof toen
circa 15 broedparen. De met de bestaande 150 kV gebundelde alternatieven kruisen
deze plas op min of meer dezelfde locatie als de bestaande 150 kV verbinding. Het
effect op slobeenden van het kruisen van de plas door de huidige 150 kV is niet
bekend. De verstoringseffecten van de nieuwe verbinding komen naar verwachting in
omvang overeen met die van de huidige 150 kV en zijn daarom als neutraal (0)
beoordeeld.
Draadslachtoffers
Het aantal draadslachtoffers bij de alternatieven die bundelen met 150 kV is, door de
andere uitvoering van de nieuwe bovengrondse verbinding, mogelijk iets groter dan in
de huidige situatie bij de bestaande 150 kV verbinding. Het gaat om additionele sterfte
van hooguit enkele exemplaren in het broedseizoen. Dit brengt het lokale voorkomen
van de slobeend niet in gevaar en is als een beperkt negatief effect beoordeeld.
107
A
B
C
D
E
F
G
Figuur 5.2
108
Overzicht waar de belangrijkste effecten op weidevogels plaatsvinden.
Effectlocaties zijn indicatief begrensd met rode cirkels. A.
Wijkermeerpolder, B. Westhoffplas, C. Vereenigde Binnenpolder, D.
Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder, E. Blauwe Polder, F. Polder
Achthoven en Hondsdijkse Polder, G. Omgeving 'De Wilck'.
De drie met infrastructuur gebundelde alternatieven passeren de Westhoffplas aan de
westkant. Deze alternatieven zijn als (beperkt) positief beoordeeld omdat verstoring
van broedende slobeenden op de plas niet aan de orde is en het aantal
draadslachtoffers onder broedende slobeenden lager zal zijn dan in de huidige
situatie.
Vereenigde Binnenpolder ten zuidoosten van Spaarnwoude (locatie C)
Voor de effectbeoordeling in dit gebied is het van belang op te merken dat de
bestaande 150 kV lijn tussen Velsen en Vijfhuizen na realisatie van de nieuwe 380 kV
verbinding wordt opgeheven.
Alle bovengrondse alternatieven volgen na het kruisen van de A9 hetzelfde tracé en
kunnen een beperkt negatief (0/-) effect op weidevogels hebben.
Het ondergronds onderzoeksalternatief is op deze locatie positief beoordeeld. De
situatie voor weidevogels verbetert doordat de bestaande 150 kV lijn hier bij realisatie
van de nieuwe 380 kV verbinding wordt opgeheven.
Verstoring leefgebied
In 2001 zijn in deze polder belangrijke aantallen broedende weidevogels vastgesteld
(zie hoofdstuk 3). De bovengrondse alternatieven volgen na het kruisen van de A9
hetzelfde tracé en doorsnijden ten westen van de A9 over een lengte van ruim
anderhalve kilometer de Vereenigde Binnenpolder op min of meer dezelfde locatie als
de bestaande 150 kV verbinding. Het effect op weidevogels van het doorsnijden van
de polder door de huidige 150 kV is niet bekend. De verstoringseffecten van de
nieuwe verbinding komen naar verwachting in omvang overeen met die van de
huidige 150 kV en zijn beoordeeld als neutraal (0).
Draadslachtoffers
Mogelijk is er een kleine toename van het aantal draadslachtoffers onder weidevogels
(o.a. grutto en tureluur) als gevolg van de andere uitvoering van de nieuwe verbinding.
Het betreft hooguit enkele exemplaren per soort per broedseizoen. Dit brengt het
lokale voorkomen van de desbetreffende soorten niet in gevaar en is als een beperkt
negatief (0/-) effect beoordeeld. Met mitigatie (markeren bliksemdraad) zullen de
aantallen slachtoffers nog lager uitvallen.
Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering (locatie D)
Het effect van de bovengrondse alternatieven op weidevogels is in deze polder
beperkt negatief (0/-).
Verstoring leefgebied en draadslachtoffers
In de Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering en
ten zuiden van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder broeden belangrijke
aantallen weidevogels (zie hoofdstuk 3). Alle bovengrondse alternatieven zijn
gesitueerd aan de oostrand van de zojuist genoemde polder, nabij de bebouwing van
Nieuwe Wetering. Binnen de maximale verstoringszone van 100 m aan weerszijden
109
van de verbinding (zie hoofdstuk 4) bevindt zich het leefgebied van enkele broedparen
grutto en tureluur (gegevens 2009). Omdat de kerngebieden met hoge dichtheden
weidevogels op meer dan 100 m afstand van alle alternatieven liggen, worden in het
broedseizoen weinig risicovolle vliegbewegingen van weidevogels bij en over de
alternatieven verwacht, resulterend in incidenteel een draadslachtoffer. Het geringe
verstoringseffect en incidentele draadslachtoffers brengen het lokale voorkomen van
de grutto en tureluur niet in gevaar. Met mitigatie (markeren bliksemdraad) zullen de
aantallen slachtoffers nog lager uitvallen.
Blauwe Polder ten westen van Rijpwetering (locatie E)
In dit deel van het plangebied bestaan naast het ondergrondse onderzoeksalternatief
drie verschillende tracéliggingen voor de vijf bovengrondse alternatieven. De
Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief, de Bundeling 150 kV-tracé Variant
Leiderdorp en de drie alternatieven die bundeling met Infra (Basis-alternatief, Oost
(HSL) en Oost (Rechtdoor)).
Alleen het bovengrondse alternatief ‘Bundeling 150 kV-tracé Variant Leiderdorp’
doorsnijdt in deze polders een belangrijk weidevogelgebied, maar dit betreft een
beperkte lengte van enkele honderden meters. Dit alternatief heeft mogelijk een
negatief (-) effect op weidevogels, de andere bovengrondse alternatieven hebben hier
neutrale (0) effecten.
Verstoring leefgebied en draadslachtoffers
In de Blauwe Polder ten westen van Rijpwetering broeden aan weerszijde van de
provinciale weg tussen Leiden en Nieuwe Wetering (N445) belangrijke aantallen
weidevogels (hoofdstuk 3).
Het alternatief ‘Bundeling 150 kV-tracé Variant Leiderdorp’ doorsnijdt in het oostelijke
deel van de polder over een afstand van enkele honderden meters percelen waar in
2009 belangrijke aantallen van grutto, tureluur en slobeend broedden. Mogelijk dat dit
alternatief leidt tot verstoring van leefgebied voor weidevogels en/of meerdere
draadslachtoffers in het broedseizoen. Dit heeft een negatief (-) effect op het lokale
voorkomen van genoemde soorten in de Blauwe Polder en omgeving. Met mitigatie
(markeren bliksemdraad) zullen de aantallen slachtoffers lager uitvallen. De drie
alternatieven die bundelen met Infra (Basis-alternatief, Oost (HSL) en Oost
(Rechtdoor)) en het alternatief Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief doorsnijden
geen belangrijke weidevogelgebieden en hebben geen of verwaarloosbare effecten op
weidevogels.
Polder Achthoven en Hondsdijkse Polder ten noorden van Hazerswoude-Rijndijk
(locatie F)
Alle bovengrondse alternatieven volgen na het kruisen van de A4 en de Does
hetzelfde tracé en hebben in de polders ten noorden van de Oude Rijn een beperkt
negatief (0/-) effect op weidevogels.
110
Verstoring leefgebied en draadslachtoffers
Het effect op weidevogels van het doorsnijden van de polder door de huidige 150 kV
is niet bekend. De verstoringseffecten van de nieuwe verbinding komen naar
verwachting in omvang overeen met die van de huidige 150 kV, maar het aantal
draadslachtoffers is mogelijk iets groter door de andere uitvoering van de nieuwe
verbinding. Het betreft hooguit enkele exemplaren per soort per broedseizoen. Dit
brengt het lokale voorkomen van de desbetreffende soorten (o.a. grutto en tureluur)
niet in gevaar en is een beperkt negatief (0/-) effect. Met mitigatie (markeren
bliksemdraad) zullen de aantallen slachtoffers nog lager uitvallen.
Polders tussen Hazerswoude-Rijndijk en Hazerswoude-Dorp (locatie G)
De bovengrondse alternatieven die bundelen met infrastructuur doorsnijden in de
polders tussen de Oude Rijn en Hazerswoude-Dorp enkele belangrijke
weidevogelgebieden. Deze alternatieven hebben hier een negatief (-) effect op
weidevogels. De bovengrondse alternatieven die bundelen met 150 kV liggen op
enige afstand van de belangrijke weidevogelgebieden en hebben een
verwaarloosbaar (0/-) effect op weidevogels.
Verstoring leefgebied en draadslachtoffers
In de directe omgeving van de bestaande 150 kV lijn, op circa een kilometer ten
oosten van 'De Wilck', broeden relatief lage aantallen weidevogels van de Rode Lijst
(zie hoofdstuk 3). Voor het bovengrondse alternatief ‘Bundeling 150 kV-tracé Basisalternatief’ wordt daarom een verwaarloosbaar (0/-) effect op weidevogels voorzien.
De tracés van de meer westelijker en dichter bij 'De Wilck' gelegen alternatieven die
bundelen met infrastructuur (Basis-alternatief, Oost (HSL) en Oost (Rechtdoor)),
liggen dichtbij of doorsnijden enkele belangrijke weidevogelgebieden. Mogelijk dat
deze alternatieven leiden tot verstoring van leefgebied voor weidevogels en/of
meerdere draadslachtoffers in het broedseizoen. Dit heeft mogelijk een negatief (-)
effect op het lokale voorkomen van genoemde soorten in de omgeving van 'De Wilck'.
Met mitigatie (markeren bliksemdraad) zullen de aantallen slachtoffers lager uitvallen.
5.2.3
Overige broedvogels
Criterium
Natuur
Bundeling Infra
Basisalternatief
Overige broedvogels
Beperkt
negatief
(0/-)
Hoofddorp
Oost
(HSL)
Beperkt
negatief
(0/-)
Bundeling 150 kV-tracé
Hoofddorp
Oost
(Rechtdoor)
Beperkt
negatief
(0/-)
Basisalternatief
Variant
Leiderdorp
Beperkt
negatief
(0/-)
Beperkt
negatief
(0/-)
Ondergronds
Positief
(+)
Toelichting
Alle bovengrondse alternatieven hebben in het hele plangebied in het broedseizoen
beperkt negatieve (0/-) effecten op broedvogels (voor weidevogels en kolonievogels
zie andere paragrafen). Het gaat om kleine aantallen draadslachtoffers of om hooguit
geringe permanente verstoring van broedhabitat. Dit brengt het lokale voorkomen en
111
de landelijke gunstige staat van instandhouding van de in het plangebied aanwezige
broedvogelsoorten niet in gevaar.
Het ondergrondse alternatief is in het gebied tussen Velsen en Station Vijfhuizen
positief (+) beoordeeld. De negatieve effecten op (broed)vogels verdwijnen, doordat
de bestaande 150 kV lijn hier bij realisatie van de nieuwe 380 kV verbinding wordt
opgeheven.
Het aantal te verwachten draadslachtoffers (enkele tot een tiental in de broedtijd) en
het verlies aan areaal leefgebied hebben een verwaarloosbaar effect op de populaties
van landelijk algemene soorten, zoals houtduif en merel. Op de landelijk veel minder
talrijke Rode Lijstsoorten binnen het plangebied (zie § 3.2.2) heeft de verbinding ook
een als verwaarloosbaar beoordeeld effect. Dit komt doordat de desbetreffende
soorten (o.a. boomvalk, patrijs, ransuil, nachtegaal en spotvogel) maar weinig
voorkomen binnen het plangebied, zodat de kans op verstoring of botsing heel klein
is. Van deze soorten worden in de broedtijd zelden draadslachtoffers gevonden,
waarschijnlijk omdat ze schaars of zeldzaam zijn en/of omdat geen risicovolle
vliegbewegingen van deze soorten zijn te verwachten.
De bovengrondse alternatieven hebben geen effect (0) in het gebied tussen Velsen en
station Vijfhuizen waar de 150 kV lijn opgeheven wordt.
Een bovengrondse 380 kV verbinding op min of meer dezelfde locatie als het
bestaande 150 kV tracé (‘Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief’) leidt naar
verwachting niet tot meer verstoring. Ook wordt bij dit alternatief geen toename van
het aantal draadslachtoffers onder broedvogels verwacht ten opzichte van de huidige
150 kV, omdat het aantal risicovolle vliegbewegingen naar verwachting beperkt is (zie
hierboven).
In het geval van bovengrondse bundeling met infrastructuur komt de hoogspanningsverbinding naast de A9 te liggen, aan de rand van het bosrijke Recreatiegebied
Spaarnwoude. In vergelijking met de bestaande 150 kV lijn, die wordt opgeruimd, leidt
dit waarschijnlijk tot minder of een overeenkomstige verstoring en aantal
draadslachtoffers onder broedvogels.
5.2.4
Kolonievogels
Criterium
Natuur
Bundeling Infra
Basisalternatief
Negatief
Kolonievogels
(-)
Hoofddorp
Oost
(HSL)
Beperkt
negatief
(0/-)
Bundeling 150 kV-tracé
Hoofddorp
Oost
(Rechtdoor)
Beperkt
negatief
(0/-)
Ondergronds
Basisalternatief
Variant
Leiderdorp
Negatief
Negatief
Positief
(-)
(-)
(+)
De bovengrondse alternatieven die ten westen van Hoofddorp liggen hebben
negatieve (-) effecten op kolonievogels. De ten oosten van Hoofddorp liggende
alternatieven (Bundeling Infra Hoofddorp Oost (HSL) en (Rechtdoor)) hebben beperkt
negatieve (0/-) effecten op kolonievogels. Het minder negatieve effect van de ten
oosten van Hoofddorp lopende alternatieven wordt verklaard door de grotere afstand
112
van het tracé van die alternatieven ten opzichte van de meeuwenkolonie bij het
gemaal Cruquius. Bovendien worden deze alternatieven ter plaatse uitgevoerd met
verlaagde portaalmasten.
Het ondergronds onderzoeksalternatief heeft geen permanente negatieve effecten op
kolonievogels, alleen de locaties met positieve effecten zijn hieronder benoemd en
toegelicht.
Toelichting
In paragraaf 5.5 worden de effecten van de integrale bovengrondse alternatieven op
kolonievogels met elkaar vergeleken en samengevat en komt ook cumulatie aan de
orde. Hieronder worden alleen de belangrijkste effecten van de alternatieven op
kolonievogels binnen het plangebied van noord naar zuid toegelicht. Dat gebeurt door
een beschrijving te geven van de effecten in en/of bij de belangrijkste locaties binnen
het plangebied waar kolonievogels voorkomen (figuur 5.3):
omgeving Noordzeekanaal;
de Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam;
de Vereenigde Binnenpolder noord van de A200;
het pompstation ten oosten van Cruquius;
het Van Tuyllpark te Zoetermeer.
Het is niet uit te sluiten dat in de tussenliggende delen van het plangebied ook zo nu
en dan kolonievogels (met name blauwe reiger en meeuwen) met de bovengrondse
verbinding botsen, maar in dat geval kan gesproken worden van incidenten en is het
effect als verwaarloosbaar te beschouwen. Dit ter onderscheid van de genoemde
locaties waar meer regelmatig slachtoffers worden verwacht tijdens het dagelijkse
heen en weer vliegen tussen kolonie of slaapplaats en foerageergebieden.
Omgeving Noordzeekanaal (locatie A in figuur 5.3)
Alle bovengrondse alternatieven volgen ten noorden en over de eerste kilometer ten
zuiden van het Noordzeekanaal hetzelfde tracé. Kleine aantallen draadslachtoffers
onder zilvermeeuwen, kleine mantelmeeuwen en aalscholver zijn niet uit te sluiten. Dit
brengt het lokale voorkomen niet in gevaar en is beoordeeld als een beperkt negatief
(0/-) effect.
Nabij Velsen-Zuid bevindt zich op Buitenplaats Waterland een blauwe reigerkolonie.
De bestaande 150 kV lijn, op enkele honderden meters van deze kolonie, wordt
opgeruimd. De toekomstige 380 kV lijn (alle alternatieven volgen hier hetzelfde tracé)
staat op bijna anderhalve kilometer afstand van de kolonie. De effecten op de blauwe
reigerkolonie zijn in totaliteit daarom als een verwaarloosbaar (0/-) effect beoordeeld.
Westhoffplas ten noordoosten van Spaarndam (locatie B) en Vereenigde Binnenpolder noord van A200 (locatie C in figuur 5.3)
Voor de effectbeoordeling in deze gebieden is het van belang op te merken dat de
bestaande 150 kV lijn tussen Velsen en Vijfhuizen bij realisatie van de nieuwe 380 kV
verbinding wordt opgeheven. Voor alle bovengrondse alternatieven geldt dat deze in
113
deze gebieden een neutraal (0) effect hebben op kolonievogels (o.a. aalscholver,
blauwe reiger en lepelaar).
Het ondergrondse alternatief heeft in het gebied tussen Velsen en Station Vijfhuizen
een positief (+) effect. De negatieve effecten op (kolonie)vogels verdwijnen, doordat
de bestaande 150 kV lijn hier, na realisatie van de nieuwe 380 kV verbinding, wordt
opgeheven.
Het is niet uit te sluiten dat een bovengrondse 380 kV verbinding in voornoemde
gebieden resulteert in een klein aantal draadslachtoffers onder kolonievogels. Het
betreft naar verwachting hooguit een enkel exemplaar per soort per broedseizoen. Dit
aantal is naar verwachting evenveel als het aantal slachtoffers onder kolonievogels in
de huidige situatie bij de bestaande 150 kV, in dit geval omdat het aantal risicovolle
vliegbewegingen beperkt is. Van genoemde soorten vliegt vooral de lepelaar ook
regelmatig in het donker, maar het betreft een beperkt aantal vliegbewegingen uit een
kolonie met een gering aantal broedparen. Ook wordt geen verschil verwacht voor wat
betreft eventuele verstoring door de nieuwe en de bestaande verbinding. De effecten
zijn daarom als neutraal beoordeeld. De bovengrondse alternatieven zijn hierin niet
onderscheidend. Met mitigatie (markeren bliksemdraad en veiligheidsdraad) zullen de
aantallen slachtoffers mogelijk lager uitvallen.
Pompstation ten oosten van Cruquius (locatie D in figuur 5.3)
De drie bovengrondse alternatieven die westelijk om Hoofddorp heengaan (Bundeling
Infra Basis-alternatief en Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief en Variant
Leiderdorp) hebben een negatief effect (-) op kolonievogels (met name meeuwen). Bij
de twee alternatieven die oostelijk om Hoofddorp heengaan (Bundeling Infra
Hoodfdorp Oost (HSL) en (Rechtdoor)) worden minder draadslachtoffers onder
meeuwen verwacht en dit is beoordeeld als een beperkt negatief effect (0/-). Bij de
beoordeling is meegenomen dat in de huidige situatie ook draadslachtoffers vallen bij
de bestaande 150 kV lijn.
114
A
B
C
D
E
Figuur 5.3
Overzicht waar de belangrijkste effecten op kolonievogels plaatsvinden.
Effectlocaties zijn indicatief begrensd met rode cirkels. A. omgeving
Noordzeekanaal, B. Westhoffplas, C. Vereenigde Binnenpolder, D.
Pompstation Cruquius, E. Van Tuyllpark, Zoetermeer.
115
Het effect van de bestaande 150 kV lijn, op minder dan 150 m ten oosten van de
meeuwenkolonie bij het pompstation, is niet bekend. Het is waarschijnlijk dat hier
draadslachtoffers onder meeuwen vallen, in ordegrootte maximaal enkele tientallen
gedurende het broedseizoen. Dit heeft een sterke groei van de kolonie sinds 2000
(toen de 150 kV er al stond) niet in de weg gestaan.
Het is mogelijk dat een nieuwe gecombineerde verbinding op een vergelijkbare of iets
grotere afstand ten westen van de kolonie resulteert in een kleine toename, in
ordegrootte een tiental, van het aantal draadslachtoffers onder meeuwen ten opzichte
van de huidige situatie met 150 kV. Dit vanwege het grotere pakket draden. Het is niet
te verwachten dat een kleine toename in het aantal slachtoffers een effect heeft op het
lokale voorkomen (zie opmerking hierboven aangaande effect 150 kV lijn). Dit effect
is, conform de criteria vermeldt in hoofdstuk 2, beoordeeld als een negatief effect (-).
Met het markeren van de bliksemdraad zullen de aantallen slachtoffers lager uitvallen.
Verstoringseffecten zijn verwaarloosbaar.
De bovengrondse alternatieven ten oosten van Hoofddorp staan op meer dan 1,5 km
van de meeuwenkolonie en worden uitgevoerd met verlaagde portaalmasten. Bij deze
verbinding worden in het broedseizoen hooguit enkele draadslachtoffers onder
kokmeeuwen verwacht en incidenteel een exemplaar onder de hier minder talrijke
zilver-, storm- en kleine mantelmeeuwen. Dit heeft geen effect op het lokale
voorkomen en is beoordeeld als een beperkt negatief effect (0/-). Verstoringseffecten
zijn verwaarloosbaar.
Van Tuyllpark, Zoetermeer (locatie E in figuur 5.3)
In de Plas van Poot bij het Van Tuyllpark in Zoetermeer bevindt zich een kleine kolonie
van aalscholver en blauwe reiger. Van beide soorten zijn regelmatig vliegbewegingen
ten oosten van Zoetermeer over de bovengrondse alternatieven te verwachten. De
bovengrondse alternatieven volgen hier allemaal hetzelfde tracé. Voor beide soorten
wordt hooguit een enkel draadslachtoffer onder volwassen vogels op jaarbasis
verwacht. Dit heeft geen effect op het lokale voorkomen en is beoordeeld als een
beperkt negatief effect (0/-). De bovengrondse alternatieven zijn hierin niet
onderscheidend. Met mitigatie (markeren bliksemdraad) zullen de aantallen
slachtoffers nog lager uitvallen.
5.2.5
Niet-broedvogels en vogels op seizoenstrek
Criterium
Natuur
Bundeling Infra
Basisalternatief
Niet-broedvogels en
seizoenstrekkers
Negatief
Hoofddorp
Oost
(HSL)
Negatief
(-)
(-)
Bundeling 150 kV-tracé
Hoofddorp
Oost
(Rechtdoor)
Negatief
(-)
Ondergronds
Basisalternatief
Variant
Leiderdorp
Negatief
Negatief
Positief
(-)
(-)
(+)
In deze paragraaf worden de effecten op niet-broedvogels en op seizoenstrekkers
samen beschreven omdat voor een aantal veel in het plangebied voorkomende
soorten (o.a. eenden en steltlopers) het lastig is om onderscheid te maken tussen
116
exemplaren die in het plangebied overwinteren en exemplaren die op doortrek zijn.
Daarnaast worden de grootste effecten voor beide soortgroepen in dezelfde gebieden
verwacht.
Alle bovengrondse alternatieven hebben een klein negatief effect (-) op verstoring van
en draadslachtoffers onder niet-broedvogels en vogels op seizoenstrek. Het
ondergronds onderzoeksalternatief heeft geen permanente negatieve effecten op nietbroedvogels en seizoenstrekkers. Alleen de locaties waar het ondergronds
onderzoeksalternatief positieve effecten heeft, zijn hieronder benoemd en toegelicht.
Toelichting
Bij alle bovengrondse alternatieven zijn over de volle lengte van de verbinding in het
plangebied draadslachtoffers te verwachten onder niet-broedvogels en vogels op
seizoenstrek. Voor de meeste soortgroepen (o.a. eenden, steltlopers, meeuwen) zijn
vooral slachtoffers te verwachten in de voedselrijke natte veenweidegebieden. Deze
zijn aantrekkelijker als foerageergebied dan droogmakerijen met grootschalige
akkerbouw, zeker nadat in laatstgenoemde gebieden de oogstresten zijn
ondergeploegd. Voor een aantal ’s nachts trekkende soorten (bijvoorbeeld snippen en
ralachtigen) zijn de veenweidegebieden om dezelfde reden aantrekkelijker om
overdag in te rusten en foerageren. In open polders zijn meer draadslachtoffers te
verwachten dan in kleinschalig landschap, doordat het in open polders vaker mist of
hard waait en er dan voor vogels een groter risico bestaat om met een
hoogspanningslijn te botsen. Bij de effectbepaling is ook rekening gehouden met
vliegbewegingen van niet-broedvogels van en naar bekende slaapplaatsen en
dagrustplaatsen. Tenslotte kunnen bij noordwest-zuidoost georiënteerde tracédelen,
haaks op de overheersende noordoost-zuidwest gerichte trekrichting, meer
draadslachtoffers onder seizoenstrekkers worden verwacht dan bij tracédelen parallel
aan de dominante trekrichting. In gebieden waar in de nazomer en/of in het
winterhalfjaar regelmatig grotere concentraties vogels verblijven (zie hieronder: met
name in veenweidegebieden), kan van een bovengrondse verbinding, naast het effect
van draadslachtoffers, ook een verstorende werking uitgaan. Dit effect is over het
algemeen gering (zie hoofdstuk 4).
In paragraaf 5.5 worden de effecten van de integrale bovengrondse alternatieven op
niet-broedvogels en seizoenstrekkers met elkaar vergeleken en samengevat en komt
ook cumulatie aan de orde. Hieronder worden alleen de belangrijkste effecten van de
alternatieven op niet-broedvogels en seizoenstrekkers binnen het plangebied van
noord naar zuid toegelicht. Dat gebeurt door een beschrijving te geven van de
effecten in en/of bij de belangrijkste locaties waar veel vliegbewegingen van nietbroedvogels en seizoenstrekkers voorkomen:
de Vereenigde Binnenpolder ten noorden van de A200;
de Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering;
de polders ten noorden en zuiden van de Oude Rijn.
117
Vereenigde Binnenpolder ten noorden van A200 (locatie C in figuur 5.2)
Voor de effectbeoordeling in dit gebied is het van belang op te merken dat de
bestaande 150 kV lijn tussen Velsen en Vijfhuizen bij realisatie van de nieuwe 380 kV
verbinding wordt opgeheven.
De bovengrondse alternatieven volgen na het kruisen van de A9 hetzelfde tracé en
doorsnijden ten westen van de A9 over een lengte van ruim anderhalve kilometer de
Vereenigde Binnenpolder op min of meer dezelfde locatie als de bestaande 150 kV
verbinding. Het effect op niet-broedvogels en seizoenstrekkers van het doorsnijden
van de polder door de huidige 150 kV is niet bekend. De verstoringseffecten van de
nieuwe verbinding komen naar verwachting in omvang overeen met die van de
huidige 150 kV, maar het aantal draadslachtoffers is mogelijk iets groter. Op basis van
onderzoeken in vergelijkbare open graslandpolders (zie hoofdstuk 4) zijn in deze
polder bij de huidige 150 kV lijn op jaarbasis vele tientallen draadslachtoffers onder
niet-broedvogels en seizoenstrekkers te verwachten. De nieuwe 380 kV lijn is groter in
uitvoering (meer fasedraden, hogere masten) dan de te vervangen 150 kV lijn, maar
overdag zijn de fasedraden van de 380 kV lijn beter zichtbaar (zie paragraaf 4.3.4).
Per saldo resulteert dit mogelijk in een kleine toename van het aantal draadslachtoffers onder niet-broedvogels en seizoenstrekkers. Afhankelijk van de soort en het
aantal vliegbewegingen betreft het maximaal enkele tientallen exemplaren op
jaarbasis voor soorten die het gebied in grote aantallen gebruiken (o.a. enkele
eenden- en meeuwensoorten) en lagere aantallen voor schaarsere soorten. Dit brengt
het lokale voorkomen van de desbetreffende soorten niet in gevaar en is als een
negatief effect (-) beoordeeld voor alle bovengrondse alternatieven. Met mitigatie
(markeren bliksemdraad en veiligheidsdraad) zullen de aantallen slachtoffers lager
uitvallen.
Het ondergrondse onderzoeksalternatief is in het gebied tussen Velsen en Station
Vijfhuizen positief (+) beoordeeld. De negatieve effecten op vogels verdwijnen,
doordat de bestaande 150 kV lijn hier bij realisatie van de nieuwe 380 kV verbinding
wordt opgeheven.
Drooggemaakte Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering (locatie D
in figuur 5.2)
Alle bovengrondse alternatieven zijn gesitueerd aan de oostrand van voornoemde
polder, nabij de bebouwing van Nieuwe Wetering. Omdat beide alternatieven aan de
rand van de polder liggen, zal het verstoringseffect op niet-broedvogels gering zijn.
Alle alternatieven staan hier min of meer parallel aan de overheersende trekrichting,
waardoor het aantal draadslachtoffers onder seizoenstrekkers naar verwachting
gering is. Risicovolle vliegbewegingen zijn vooral te verwachten van niet-broedvogels
die vanuit de polder naar het Braassemermeer of de Wijde Aa vliegen of vice versa.
Dit betreft in het winterhalfjaar vooral ganzen, eenden en meeuwen. Voor dergelijke
soorten bedraagt het aantal draadslachtoffers mogelijk enkele (o.a. ganzensoorten) tot
enkele tientallen (o.a. eenden en meeuwen) exemplaren op jaarbasis. Dit brengt het
lokale voorkomen van de desbetreffende soorten niet in gevaar en is als een negatief
118
effect (-) beoordeeld. De bovengrondse alternatieven zijn hierin niet onderscheidend.
Met mitigatie (markeren bliksemdraad) zullen de aantallen slachtoffers lager uitvallen.
Polders ten noorden en zuiden van de Oude Rijn (locatie F en G in figuur 5.2)
De verstoringseffecten van de nieuwe verbinding komen naar verwachting in omvang
overeen met die van de hier reeds bestaande 150 kV lijn maar het aantal draadslachtoffers is mogelijk iets groter door andere uitvoering van de nieuwe verbinding.
Afhankelijk van de soort en het aantal vliegbewegingen betreft het maximaal enkele
tientallen exemplaren op jaarbasis voor soorten die het gebied in grote aantallen
gebruiken (o.a. enkele eenden- en meeuwensoorten) en lagere aantallen voor
schaarsere soorten. Dit brengt het lokale voorkomen van de desbetreffende soorten
niet in gevaar en is als een negatief effect (-) beoordeeld. De bovengrondse
alternatieven zijn hierin niet onderscheidend. Met mitigatie (markeren bliksemdraad)
zullen de aantallen slachtoffers lager uitvallen.
5.2.6
Overige beschermde fauna en flora
Op vleermuizen wordt van geen van de bovengrondse alternatieven, noch het
ondergrondse onderzoeksalternatief negatieve effecten verwacht, mits waar nodig
effectbeperkende of compenserende maatregelen worden toegepast tijdens of
voorafgaand aan de aanlegfase. In geval van aantasting van verblijfplaatsen is dit
vanuit de Flora- en faunawet verplicht en komt dit aan de orde in het kader van de
noodzakelijke ontheffingsaanvragen (Kruijt & Brekelmans 2012, zie ook kader in
paragraaf 2.3.1.3).
Er zijn voor geen van de bovengrondse alternatieven, noch voor het ondergrondse
onderzoeksalternatief negatieve permanente effecten te verwachten op flora en wateren grondgebonden overige fauna.
5.2.7
Cumulatieve effecten van bovengrondse alternatieven
In voorgaande paragrafen zijn de effecten van de bovengrondse alternatieven op
natuur veelal op het niveau van ‘aandachtsgebieden’ behandeld. In de meeste
gevallen is geconcludeerd dat het lokale voorkomen van bijvoorbeeld weidevogels of
kolonievogels in en/of nabij de desbetreffende ‘aandachtsgebieden’ niet door de
nieuwe verbinding in gevaar komt. Dit is ook het geval indien naar een stapeling van
deze effecten over de volledige lengte van de bovengrondse alternatieven in de
Noordring wordt gekeken. Ook in cumulatie leiden de effecten niet tot een aantasting
van het regionale voorkomen in (de directe omgeving van) het plangebied van
broedvogels (inclusief weidevogels en kolonievogels), niet-broedvogels of
seizoenstrekkers. Dit komt doordat de aantallen draadslachtoffers en het
verstoringseffect opgeteld over de volledige lengte van de bovengrondse alternatieven
in verhouding tot de regionale aantallen relatief klein of zeer klein zijn. Dit laatste is
afhankelijk van het voorkomen van de soort in en nabij het plangebied en of
vliegbewegingen van de soort risicovol kunnen zijn. Zo is bijvoorbeeld voor grutto de
schatting dat in het broedseizoen bij de bovengrondse alternatieven zonder
effectbeperkende maatregelen mogelijk tot 3% van het totaal in en nabij het
119
plangebied aanwezige aantal volwassen exemplaren (minimaal 300 broedparen op
basis van gegevens uit 2001 en 2009) bij de bovengrondse verbinding omkomen.
Door het markeren van de bliksemdraden (zie hoofdstuk 6) kunnen en zullen de
aantallen slachtoffers onder weidevogels sterk worden teruggebracht tot een niveau
van incidenten. Voor kolonievogels, niet-broedvogels en seizoenstrekkers is het
cumulatieve effect van draadslachtoffers zeer klein omdat de soorten in verhouding tot
het aantal vliegbewegingen over het plangebied weinig als draadslachtoffer worden
verwacht (bijvoorbeeld blauwe reiger en aalscholver) of het aantal verwachte
draadslachtoffers een geringe fractie van het totaal aanwezige aantal betreffen
(bijvoorbeeld broedende meeuwen en het merendeel van de aanwezige nietbroedvogels en seizoenstrekkers in het plangebied). Voor de gebruiks- en beheerfase
van het uiteindelijk te realiseren tracé wordt in de ontheffingsaanvraag voor de Floraen faunawet (Verbeek & Prinsen 2012) nader onderbouwd voor welke vogelsoorten
ontheffing van artikel 9 (verbodsbepaling voor o.a. het opzettelijk doden van
beschermde dieren) wordt verlangd.
5.3
Tijdelijke effecten
In de aanlegfase treden tevens tijdelijke effecten op natuur op. Door de
werkzaamheden kunnen planten en hun groeiplaatsen worden beschadigd of dieren
worden verstoord. Effecten door verstoring kunnen voor een groot deel worden
voorkomen en dit zal ook gebeuren gezien de verplichtingen die voortvloeien uit de
Flora- en faunawet, onder andere door in de uitvoering rekening te houden met vaste
rust- en verblijfplaatsen en het broedseizoen van vogels. In hoofdstuk 6 is beschreven
welke maatregelen getroffen kunnen worden om tijdelijke effecten te beperken. In de
ontheffingsaanvraag voor de Flora- en faunawet (Kruijt & Brekelmans 2012) wordt
precies aangegeven wat wordt gedaan om effecten op flora en fauna te voorkomen.
Het enige tijdelijke effect op natuur in de aanlegfase, betreft de verstoring van nietbroedvogels. Het gaat hierbij om verstoring van rustende en/of foeragerende nietbroedvogels en niet om verstoring van vaste rust- of verblijfplaatsen of opzettelijke
verstoring met wezenlijke invloed, in de zin van artikel 11 respectievelijk artikel 10 van
de Flora- en faunawet.
Bij alle alternatieven (bovengronds en ondergronds) is tijdens de aanleg over de volle
lengte van de verbinding in het plangebied in meer of mindere mate verstoring van
niet-broedvogels te verwachten. De belangrijkste verstoringseffecten zullen plaatsvinden in voedselrijke natte veenweidegebieden, die voor veel niet-broedvogels een
aantrekkelijk foerageer- en rustgebied vormen (zie hoofdstuk 3). In paragraaf 5.2.5 is
de ligging van deze gebieden besproken. Omdat de verstoring in de aanlegfase
slechts een beperkt deel van deze gebieden betreft en tijdelijk van aard is (hooguit
voor de duur van één herfst en aansluitend winterhalfjaar), brengt dit het lokale
voorkomen van de desbetreffende soorten niet in gevaar. Het gaat daarmee in
voornoemde veenweidegebieden om kleine negatieve (-) effecten en in de rest van
120
het plangebied om hooguit beperkt negatieve (0/-) effecten. Binnen de desbetreffende
gebieden zijn de alternatieven hierin niet onderscheidend.
5.4
380 kV en 150 kV opstijgpunten
Algemeen
De overgang van een bovengrondse lijn naar een ondergrondse kabel en andersom
gebeurt via opstijgpunten (figuur 5.4). In het opstijgpunt wordt de hoogspanningslijn
afgespannen en naar beneden gebracht. Met een eindsluiting wordt de overgang van
de kabelisolatie naar de luchtisolatie van de lijn bewerkstelligd. Opstijgpunten zijn
afgeschermd met een 3 meter hoog hekwerk. Het terrein wordt afgewerkt met antiworteldoek en grind.
380 kV opstijgpunten
In de bovengrondse tracé-alternatieven van de Noordring komen 380 kV opstijgpunten
voor. Alle alternatieven moeten ondergronds het Noordzeekanaal kruisen. Dit betekent
dat er een opstijgpunt aan de noordzijde en aan de zuidzijde van het kanaal staan.
Daarnaast moeten de alternatieven die ten oosten van Hoofddorp lopen het
bedrijventerrein De Hoek/Beukenhorst ondergronds passeren vanwege ontwerptechnische beperkingen. Ter plaatse van dit bedrijventerrein is onvoldoende ruimte om
bovengrondse aanleg mogelijk te maken. De beperkingen worden veroorzaakt door
de hoogtebeperkingen door Schiphol en fysiek ruimte tekort op het bedrijventerrein
zelf.
In het ondergrondse onderzoeksalternatief takt de kabel aan op de stations
Zoetermeer en Beverwijk.
Figuur 5.4
380 kV opstijgpunt (bron: TenneT TSO bv)
121
150 kV opstijgpunten
Soms zijn ook opstijgpunten nodig voor bestaande 150 kV verbindingen die in de
combimast van de Randstad380 kV verbinding worden gecombineerd. Hierbij wordt
een bestaande 150 kV verbinding via een Wintrack combimast onder de grond
gebracht. Het opstijgpunt is kleiner van aard en wordt ingepast tussen de twee palen
van de bipole mast (figuur 5.5).
Figuur 5.5
150 kV opstijgpunt (bron: TenneT TSO bv)
Effecten op natuuraspecten van 380 kV en 150 kV opstijgpunten
De vier hiervoor beschreven 380 kV opstijgpunten ten noorden en zuiden van het
Noordzeekanaal en ten noorden en zuiden van het bedrijventerrein De
Hoek/Beukenhorst hebben geen of een verwaarloosbaar effect op de huidige natuur,
mits waar nodig effectbeperkende of compenserende maatregelen worden toegepast
tijdens of voorafgaand aan de aanlegfase. In geval van aantasting van verblijfplaatsen
is dit vanuit de Flora- en faunawet verplicht en komt dit aan de orde in het kader van
de noodzakelijke ontheffingsaanvragen (Kruijt & Brekelmans 2012). Hetzelfde geldt
voor de 150 kV opstijgpunten.
122
Geen van de opstijgpunten bevindt zich in EHS gebieden. Ook staan de opstijgpunten
niet in gebiedsdelen die van belang zijn voor broedende weidevogels of andere
broedvogels, bevinden de opstijgpunten zich niet nabij broedkolonies of in belangrijke
foerageergebieden van kolonievogels en staan de opstijgpunten ook buiten de
gebiedsdelen waar buiten het broedseizoen regelmatig belangrijke aantallen vogels
verblijven.
5.5
Vergelijking van de alternatieven
De effecten op natuur zijn voor de diverse volledige tracéalternatieven in
onderstaande vergelijkende overzicht weergegeven.
Vergelijkend overzicht van de alternatieven voor het aspect Natuur
Ondergronds
Zeer
negatief
Zeer
negatief
Zeer
negatief
Zeer
negatief
Positief
Weidevogels en
broedvogels (Rode Lijst
soorten)
Negatief
Negatief
Negatief
Beperkt
negatief
negatief
Positief
Kolonievogels
Negatief
Beperkt
negatief
Beperkt
negatief
Negatief
Negatief
Positief
Niet-broedvogels en
seizoenstrekkers
Negatief
Negatief
Negatief
Negatief
Negatief
Positief
variant Leiderdorp
Zeer
negatief
Basis-alternatief
Beschermde gebieden
Hoofddorp Oost
(Rechtdoor)
Bundeling 150
kV-tracé
Hoofddorp Oost
(HSL)
Bundeling infra
Basis-alternatief
Criteria
Natuur
Het ondergronds onderzoeksalternatief is voor alle criteria positief. Omdat het
ondergrondsonderzoeksalternatief een onrealistisch alternatief is, gaat de
alternatievenvergelijking daarom in op de bovengrondse alternatieven. Uit het
vergelijkende overzicht blijkt dat er weinig verschillen tussen de bovengrondse
alternatieven zijn. De bovengrondse alternatieven hebben weliswaar verschillende
effecten, maar deze zijn zo klein dat ze onderling niet tot uiting komen binnen de
gehanteerde methodiek die in paragraaf 2.3 is beschreven. Om toch een vergelijking
mogelijk te maken is in tabel 5.1 per criterium aangegeven welk tracéalternatief de
voorkeur heeft vanuit natuur. Onder de tabel staat een korte toelichting op de
voorkeursvolgorde voor die criteria waarbij sprake is van kleine onderlinge verschillen.
123
Bij de vergelijking is rekening gehouden met het relatieve belang dat aan elk van de
natuuraspecten moet worden toegekend. Bij het afwegen van de effecten is, op
afnemende volgorde van belang, gekeken naar:
- effecten op Natura 2000-gebieden en PEHS/EVZ, vanwege zware
(inter)nationale beschermingsregime;
- effecten op broedvogels van de Rode Lijst (inclusief weidevogels), dit betreft
soorten die landelijk onder druk staan;
- effecten op kolonievogels, dit betreft soorten met (mogelijk) veel risicovolle
vliegbewegingen;
- effecten op niet-broedvogels en trekvogels:
- effecten op niet-broedvogels, dit betreft over het algemeen landelijk algemene
soorten, maar soms wel met (mogelijk) veel risicovolle vliegbewegingen.
Wanneer relatief veel vliegbewegingen van landelijk of in Europees verband
schaarse soorten (o.a. grote zilverreiger, kleine zwaan) over een alternatief te
verwachten zijn, is dit aspect voor de desbetreffende alternatief zwaarder
gewogen;
- effecten op trekvogels, dit betreft over het algemeen landelijk algemene
soorten, maar soms wel met (mogelijk) veel risicovolle vliegbewegingen.
Voor de criteria (P)EHS/EVZ, broedvogels Rode lijstsoorten en Nietbroedvogels/trekvogels is geen onderscheid te maken tussen de verschillende
alternatieven. De effecten zijn nagenoeg gelijk. Deze worden onderstaand daarom
niet nader toegelicht.
Tabel 5.1 Rangschikking bovengrondse alternatieven vanuit het oogpunt natuur. In
deze tabel is nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid om delen
van het 380 kV tracé ondergronds aan te leggen en het toepassen van
effectbeperkende maatregelen (zie tekst).
Natuuraspect
Beste alternatief
Tweede alternatief
Derde alternatief
Natura 2000
Bundeling 150 kV-tracé
basisalternatief
Bundeling 150 kV-tracé variant
Leiderdorp
Bundeling infra basisalternatief
Bundeling infra Hoofddorp Oost
(HSL) en (Rechtdoor)
Nvt
PEHS/EVZ
alternatieven niet
onderscheidend
Nvt
Nvt
Weidevogels
Bundeling 150 kV-tracé
basisalternatief
Bundeling 150 kV-tracé variant
Leiderdorp
Bundeling infra basisalternatief
Bundeling infra Hoofddorp
Oost (HSL) en (Rechtdoor)
Broedvogels (Rode
Lijstsoorten)
alternatieven niet
onderscheidend
Nvt
Nvt
Kolonievogels
Bundeling infra Hoofddorp Oost overige
(HSL) en (Rechtdoor)
Nvt
Niet-broedvogels en
seizoenstrekkers
alternatieven niet
onderscheidend
Nvt
124
Nvt
Beschermde natuurgebieden
Natura 2000
De verschillen in effecten op het Natura 2000-gebied 'De Wilck' tussen de
bovengrondse alternatieven zijn minimaal. Voor alle bovengrondse alternatieven geldt
dat de kans op een significant negatief effect op 'De Wilck' zonder effectbeperkende
maatregelen niet is uit te sluiten. Om die reden worden alle alternatieven als zeer
negatief beoordeeld.
De alternatieven die bundelen met infrastructuur leiden mogelijk tot iets meer
negatieve effecten op de smient omdat deze dichter bij 'De Wilck' liggen. Om die
reden is er een lichte voorkeur voor het alternatief 'Bundeling 150 kV-tracé' en de
variant Leiderdorp.
Weidevogels en Overige Rode Lijstsoorten
De verschillen in effecten op weidevogels tussen de bovengrondse alternatieven zijn
gering. De alternatieven die bundelen met infrastructuur hebben mogelijk iets minder
negatieve effecten op broedende slobeenden bij de Westhoffplas bij Spaarndam
omdat deze alternatieven niet direct de plas doorkruisen maar op enige afstand ten
westen van de plas liggen waar minder vliegbewegingen van slobeenden zijn te
verwachten dan direct nabij de broedlocaties. Dit weegt echter niet op tegen de
negatievere effecten van deze alternatieven op weidevogels ten oosten van 'De
Wilck'. Het alternatief ‘Bundeling 150 kV-tracé variant Leiderdorp’ heeft ten westen
van Rijpwetering (in de Blauwe Polder) iets negatievere effecten op weidevogels dan
de andere bovengrondse alternatieven.
Het alternatief 'Bundeling met 150 kV tracé basisalternatief' heeft relatief gezien de
minste effecten op weidevogels en heeft daarom de voorkeur. De Bundeling met infraalternatieven hebben de minste voorkeur vanwege de negatieve effecten bij 'De
Wilck'.
Kolonievogels
De verschillen in effecten op kolonievogels tussen de bovengrondse alternatieven zijn
gering. De alternatieven ‘Bundeling infra Hoofddorp Oost (HSL) en (Rechtdoor)’
scoren beter voor wat betreft het effect op de meeuwenkolonie bij gemaal Cruquius
omdat deze alternatieven op meer dan 1,5 km van de meeuwenkolonie staan en met
verlaagde portaalmasten worden uitgevoerd. Deze alternatieven hebben daarom voor
dit aspect de voorkeur.
Toepassen beschikbare lengte kabel
De effecten op het Natura 2000-gebied 'De Wilck' (toename draadslachtoffers
smienten en kleine zwaan door nieuwe verbinding) worden (binnen de kaders van de
bovengrondse MER-alternatieven) ondervangen als de 380 kV van de gemeentegrens
Leiderdorp/Rijnwoude tot aan Hazerswoude-Dorp verkabeld wordt. De lengte van dit
ondergrondse deel is circa 6 kilometer. Om tot een alternatief te komen dat vanuit
125
natuur nog gunstiger is, en rekening houdend met de resterende circa 3 km (circa 9
km totaal ‘beschikbaar’ ondergronds tracé minus circa 6 km bij 'De Wilck') beschikbare
kabel, zijn er nog twee locaties (vogelrijke veenweidegebieden) waar vanuit natuur
bezien verkabeling een positief effect zou kunnen hebben, namelijk:
ten noorden van Hoofddorp tussen Zijkanaal C en de A200
van de zuidelijke Ringvaart Haarlemmermeer tot aan Rijpwetering.
Omdat het onder de grond brengen van beide trajecten vanwege de beperkte lengte
beschikbare kabel niet mogelijk is, gaat de voorkeur er naar uit om de circa 3 km
resterende tracélengte kabel in te zetten op het traject ten noorden van Hoofddorp
tussen Zijkanaal C en de A200. Voor dit deel wordt gekozen omdat daar meer winst
kan worden geboekt met betrekking tot draadslachtoffers voor weidevogels en de daar
aanwezige kolonie lepelaars.
De bovengrondse alternatieven ten oosten van Hoofddorp bevatten een ondergronds
tracédeel (lengte circa 3 à 4,5 km) om het bedrijventerrein De Hoek/Beukenhorst te
passeren. Indien deze alternatieven worden opgenomen in het MAA Natuur resteert
geen kabel voor de verbinding door voornoemde veenweidepolders waar voor het
aspect natuur winst valt te behalen. De aantallen draadslachtoffers onder meeuwen,
uit de kolonie bij het Pompstation, bij bovengrondse alternatieven ten westen van
Hoofddorp kunnen namelijk ook sterk worden teruggebracht met draadmarkeringen.
126
6 Bespreking van mogelijke effectbeperkende
maatregelen
6.1
Vogels
Beperking van effecten door markering van bliksemdraden
Effecten op vogels (draadslachtoffers) kunnen ten dele worden gemitigeerd door de
over het algemeen voor vogels slecht zichtbare bliksemdraden te markeren. Dit kan
bijvoorbeeld met kunststof spiralen (zogenoemde varkenskrullen) of plastic bollen.
Markeringen maken de draden beter zichtbaar voor vogels en helpen vogels mogelijk
bij het schatten van de afstand tot de draad. Doordat veel vogelsoorten de ogen aan
de zijkant van hun kop hebben, kan slechts een beperkt deel van hun gezichtsveld
met beide ogen worden waargenomen en is het voor deze soorten ook lastig om
afstanden in te schatten. De relatief dunne bliksemdraden zonder markeringen geven
waarschijnlijk te weinig aanknopingspunten om de afstand daartoe in te schatten en
vallen ook weinig op tegen de achtergrond. Voor vliegende vogels bestaat die
achtergrond vaak uit het achterliggende landschap en niet de lucht waartegen de
bliksemdraad sterker zou afsteken.
Een verscheidenheid aan markeringen is de afgelopen jaren in Duitsland uitgebreid in
de praktijk getest (Baumgärtel et al. 1997; Bernshausen et al. 2007). Hieruit bleek
onder andere dat het technisch niet mogelijk is duurzaam markeringen aan
fasedraden te bevestigen. Het is echter te verwachten dat deze door hun dikte beter
zichtbaar zijn, zeker indien ze, zoals bij 380 kV, in bundels hangen. Afstandhouders in
fasebundels (foto 6.1) vormen als het ware ook een soort van markering die vogels
helpen beter afstand te schatten tot de draden (zie hoofdstuk 4 voor het verschil in
aantal draadslachtoffers onder 150 kV versus 380 kV verbindingen).
Markeringen met ‘varkenskrullen’
Markeringen van de bliksemdraden met bijvoorbeeld kunststof krullen resulteerde in
diverse gebieden tot een vermindering van het aantal draadslachtoffers met 60-90%
(zie hieronder). Het effect op de soorten onderling blijkt volgens diverse onderzoeken
sterk tussen soorten te verschillen, maar er is vrijwel altijd sprake van een
vermindering van het aantal draadslachtoffers na het toepassen van markeringen. Het
is zeker dat locatiespecifieke omstandigheden een rol spelen. Te denken valt aan de
situering van de lijn ten opzichte van belangrijke vliegpaden tussen rust- en foerageergebieden, of het in het gebied vaak mist of harde wind voorkomt (bijvoorbeeld grote
polders) en of sprake is van achtergrondverlichting (bijvoorbeeld aan rand van
stedelijk gebied of nabij gebieden met glastuinbouw). Onbekend is of dergelijke
markeringen ook tot lagere aantallen nachtelijke slachtoffers leiden. In de
Mastenbroekpolder bij Zwolle leverde markering met plastic strips voor ’s nachts
vliegende soorten (meerkoet en waterhoen) geen vermindering van het aantal
slachtoffers op. Bij Heerenveen was dit wel het geval.
127
Foto 6.1
Markeringen in de bliksemdraad van een 380 kV verbinding,
Almeerderzand. Op de linkerfoto zijn in de bovenste (bliksem)draad
‘varkenskrullen’ (detail foto rechts) zichtbaar. In de fasedraden daaronder
zijn afstandhouders gemonteerd (foto’s: Hein Prinsen).
In de jaren ’80 is onderzoek verricht naar vermindering van het aantal
draadslachtoffers door markering van de bliksemdraden. Bij een onderzoek in een
weidevogelgebied bij Heerenveen in Friesland bleek dat het aantal draadslachtoffers
onder weidevogels afnam met 89% na markering van de bliksemdraden met kunststof
krullen (Koops & de Jong 1982). Deze zogenoemde varkenskrullen bestaan uit een
strakke kunststof spiraal die om de bliksemdraad klemt. Aan één kant is een ruime lus
om de zichtbaarheid te vergroten (foto 6.1). Een lus met een diameter van 10 cm,
aangebracht met onderlinge afstanden van 5 m in beide bliksemdraden, resulteerde in
86 à 89% afname van het aantal draadslachtoffers onder weidevogels. Als de
onderlinge afstanden werden vergroot tot 10 m, betrof de afname 57 à 58%. Bij
verdere vergroting van de onderlinge afstanden tot 15 m, maar met gelijktijdige
vergroting van de krullen tot 20 cm, betrof de afname 65 à 74% (Koops & de Jong
1982). Verkorting van de onderlinge afstanden en vergroting van de krullen leidt dus
tot betere resultaten, maar wordt gelimiteerd door een grens aan de extra belasting
aan de bliksemdraden die geaccepteerd kan worden. Koops & de Jong (1982) wijzen
op het gevaar van extra belasting bij ijsafzetting op de draden en krullen in combinatie
met harde wind.
In Limburg werd op vier locaties vastgesteld dat na markering met dezelfde kunststof
krullen met een lus met een diameter van 10 cm, aangebracht met onderlinge
128
afstanden van 5 m in beide bliksemdraden, het aantal draadslachtoffers onder
postduiven afnam met 60 - 84% (Koops 1987).
Een zelfde constructie in de Koekoekspolder bij Kampen leidde tot een reductie van
90% van het aantal draadslachtoffers onder postduiven, maar leidde bij
knobbelzwanen tot een afname van slechts 25% (Koops 1987). Ook in het Land van
Maas en Waal werden ondanks voornoemde type markeringen regelmatig dode
knobbelzwanen gevonden. Daarom werd aan dit lijnstuk de aangebrachte markering
om en om vervangen door markering van groter formaat, spiralen met drie lussen met
een diameter van 20 cm. In de volgende drie winters werd slechts één dode zwaan
gevonden (Koops 1997).
Markeringen met plastic bollen
Over de effecten van markeringen met plastic bollen zijn tot dusver geen
gepubliceerde onderzoeksresultaten gevonden. Bij hoogspanningsverbindingen nabij
St. Nazaire en Rochefort in Frankrijk leidde het markeren van de bliksemdraad met
plastic bollen tot een vermindering van het aantal draadslachtoffers onder lepelaars
(O. Overdijk in litt.) maar details ontbreken.
Markeringen met ‘vogelflappen’
In Duitsland is in 2005 gestart met het markeren van het deel van het bestaande
bovengrondse hoogspanningsnet (110 - 380 kV) waar veel draadslachtoffers worden
verwacht (Bernshausen et al. 2007). Hiertoe is in een uitgebreide bureaustudie een
belangrijk deel van het netwerk (12.200 km) geanalyseerd op aanvaringsrisico’s voor
vogels. In totaal zijn 1.428 lijnsegmenten (het deel van de hoogspanningslijn tussen
twee masten) aangemerkt waar belangrijke aantallen draadslachtoffers worden
verwacht. Deze segmenten zijn recent gemarkeerd met een nieuw type markering
(‘bird flight diverters’ of ‘vogelflappen’), bestaande uit beweegbare zwart-witte
kunststof strips van 50 cm lengte aan een aluminium kunststof drager. Door de
bewegingen van de zwart-witte strips in de wind ontstaat een knippereffect, waardoor
de markeringen ook bij slechte zichtomstandigheden opvallen en in de schemering
beter zichtbaar zijn dan bijvoorbeeld kunststof krullen. De markeringen zijn uitgebreid
getest en bestand tegen verwering en UV-straling en interfereren niet met de
fasedraden. De montage in bestaande hoogspanningslijnen is in Duitsland uitgevoerd
met een speciaal hiervoor uitgeruste helikopter. Uit onderzoeken bij reeds
gemarkeerde lijnsegmenten bleek een afname van het aantal draadslachtoffers van
circa 90%. Op één onderzoekslocatie betrof dit alleen ganzen, op een andere locatie
betrof dit met name meeuwen en enkele soorten watervogels (Bernshausen &
Kreuziger 2009, Bernshausen et al. 2007).
129
Kader 6.1 Proef met nieuwe markeringen bij 'De Wilck'
In verband met de nieuw aan te leggen Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding
tussen Wateringen en Beverwijk, is de effectiviteit van een nieuw type
draadmarkeringen (vogelflappen) in het reduceren van het aantal draadslachtoffers
onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd onder de bestaande 150 kV hoogspanningslijn
in de gemeente Rijnwoude ten noorden en zuiden van Hazerswoude-Rijndijk en de
Oude Rijn en is gerapporteerd in Hartman et al. 2010. De bliksemdraden van enkele
delen van deze hoogspanningslijn zijn in de zomer van 2009 voorzien van het nieuwe
type draadmarkeringen. Het onderzoek richtte zich met name op de vraag of dit nieuwe
type draadmarkeringen gebruikt kan worden ter mitigatie van de mogelijke negatieve
effecten van de hoogspanningslijn op de soorten kleine zwaan en smient. Beide soorten
bezoeken het onderzoeksgebied onder andere vanuit het nabijgelegen natuurgebied De
Wilck, dat voor deze soorten is aangewezen als Natura 2000-gebied.
Onderzocht is of de nieuwe hoogspanningsverbinding negatieve effecten kan hebben op
beide soorten (zoals draadslachtoffers) en hoe deze gemitigeerd kunnen worden. Het
onderzoek was drieledig van opzet. Het hoofddoel was het onderzoeken van de
effectiviteit van het nieuwe type draadmarkeringen en het duiden van de omvang van
deze effectiviteit. Daarnaast is speciaal aandacht besteed aan de effectiviteit van de
vogelflappen voor vogels die ’s nachts de hoogspanningslijn passeren (onder andere de
smient). Tenslotte is onderzocht of er een verschil waarneembaar is in aantallen en
gedrag van vliegende vogels dichtbij of over gemarkeerde versus ongemarkeerde
lijnsegmenten.
In de winter van 2009/2010 zijn tweemaal per week slachtoffertellingen uitgevoerd onder
de bestaande 150 kV hoogspanningslijn en is wekelijks bij daglicht het gedrag van
vogels bij de lijn vastgelegd. Ook is viermaal ’s avonds na zonsondergang met behulp
van radars onderzoek gedaan naar de vliegbewegingen van vogels (voornamelijk
eenden) om en over de hoogspanningslijn. Tenslotte is wekelijks de verspreiding van de
kleine zwaan en de smient in het onderzoeksgebied in kaart gebracht en zijn de door
kleine zwanen gebruikte slaaptrekroutes en slaapplaatsen op hoofdlijnen onderzocht.
Het slachtofferonderzoek was opgezet volgens een BACI-ontwerp (Before-After-ControlImpact). Dit houdt in dat er zowel voor als na het aanbrengen van de draadmarkeringen
metingen zijn uitgevoerd (Before & After) en dat het onderzochte traject van de
hoogspanningslijn na markering zowel ongemarkeerde als gemarkeerde lijnsegmenten
bevatte (Control & Impact).
Uit de resultaten blijkt dat het nieuwe type draadmarkeringen, voor soorten die met
name overdag de hoogspanningslijn passeren, een reductie van het aantal
draadslachtoffers bewerkstelligen van circa 67%. Voor vogelsoorten die dit voornamelijk
’s nachts doen is het effect van de vogelflappen meer soortspecifiek. Zo hebben de
draadmarkeringen een groot positief effect voor eenden, waarvoor het aanbrengen van
draadmarkering leidt tot een reductie van het aantal draadslachtoffers van 71 à 86%.
Specifiek voor de smient bedraagt deze reductie 77 à 84%. Voor andere soorten die
voornamelijk ’s nachts de hoogspanningslijn passeren en die ook veel als
draadslachtoffer gevonden worden (meerkoet en kievit), resulteert de aanwezigheid van
vogelflappen echter niet in een significante reductie van het aantal draadslachtoffers.
Voor alle vogelsoorten samen is een reductiepercentage van 40 à 54% aangetoond.
Deze reductie was echter net niet significant.
Voor vogels die overdag de hoogspanningslijn passeren kan het effect van
130
draadmarkering op het vlieggedrag één van de verklarende factoren zijn voor de
aangetoonde reductie van het aantal draadslachtoffers. Zo is aangetoond dat meeuwen
en kraaiachtigen bij gemarkeerde lijnsegmenten significant vaker onder de fasedraden
door vliegen, in plaats van laag over de bliksemdraad heen. Ganzen vliegen
daarentegen juist vaker op grotere hoogte over de bliksemdraad van gemarkeerde
lijnsegmenten heen. In beide gevallen is de afstand tot de slecht zichtbare bliksemdraad
tijdens de passage groter, wat leidt tot een kleinere kans op een aanvaring. Er is
aangetoond dat over het algemeen de hieraan voorafgaande aanpassing van de
vlieghoogte al op grote afstand van de hoogspanningslijn plaatsvindt. Bij gemarkeerde
lijnsegmenten vertoont daarnaast een lager percentage van de nadere (groepen) vogels
een zichtbare reactie, wat er ook op wijst dat bij gemarkeerde segmenten meer vogels
al op grotere afstand hun vlucht aanpassen aan de naderende hoogspanningslijn. Uit de
resultaten blijkt ook dat vogels in aanwezigheid van vogelflappen in verhouding vaker op
erg korte afstand van de lijn (binnen 10 meter) een reactie vertonen. Het is aannemelijk
dat het hierbij gaat om vogels die anders de draden niet of te laat gezien zouden
hebben, met mogelijkerwijs een aanvaring als gevolg.
Voor eenden (die hoofdzakelijk ’s nachts de hoogspanningslijn passeren) is aangetoond
dat de passagefrequentie over ongemarkeerde en gemarkeerde lijnsegmenten niet
significant verschilt. Eenden ontwijken de gemarkeerde draden dus niet door er links of
rechts omheen te vliegen. Aangezien er voor eenden wel een sterke reductie van het
aantal draadslachtoffers is gevonden, is het aannemelijk dat de aanvaringskans van de
gemarkeerde segmenten lager is door een aanpassing van de vlieghoogte al dan niet in
combinatie met uitwijkingsgedrag op korte afstand van de lijn.
Van beide binnen het onderzoeksgebied belangrijke soorten kleine zwaan (n=1) en
smient (n=58) zijn in de winter van 2009/2010 draadslachtoffers gevonden. Voor de
kleine zwaan wijst het geringe aantal slachtoffers op incidentele in plaats van structurele
sterfte. Effectiviteit van de vogelflappen kon voor deze soort door het kleine aantal
draadslachtoffers niet getoetst worden. Voor de smient is op basis van het relatief grote
aantal gevonden draadslachtoffers, aangetoond dat vogelflappen een grote reductie van
het aantal draadslachtoffers bewerkstelligen. Daarom is het gebruik van het nieuwe type
draadmarkeringen ter mitigatie van het negatieve effect van de huidige 150 kV en
toekomstige 380 kV hoogspanningslijn, voor de smient zeer geschikt.
131
Markering hoogspanningsverbinding Beverwijk-Zoetermeer (Bleiswijk)
In tabel 6.1 is aangegeven voor welke (delen van de) bovengrondse alternatieven
wordt aanbevolen markeringen aan te brengen in de bliksemdraden.
Tabel 6.1
Te markeren delen van de hoogspanningslijn van de alernatieven.
Alternatief
Traject
Toelichting
Bundeling Infra
Station Beverwijk -
Weidevogelgebied,
Hoofddorp Basis-
Noordzeekanaal (ca. 1,5 km)
vliegbewegingen meeuwen uit
alternatief
kolonie
Zijkanaal C - A200 (ca. 4 km)
Weidevogelgebieden, EHS met
weidevogeldoel, vliegbewegingen
kolonievogels, niet-broedvogels en
seizoenstrekkers
Schipholweg - Driemeren-weg
EHS met weidevogeldoel,
(N205) (ca.2 km)
afpalingskring Eendenkooi
Langs Driemerenweg (N205)
Meeuwenkolonie Pompstation
over een lengte van ca. 2,7 km
Cruquius
(Geniedijk tot de hoogte van de
weg Het Oerd in Hoofddorp
Ringvaart Zuid - Hazerswoude
Weidevogelgebieden,
Dorp (ca. 15 km)
vliegbewegingen niet-broedvogels
en seizoenstrekkers
Bundeling Infra
Vanaf aftakking tot Hoofdweg
Meeuwenkolonie Pompstation
Hoofddorp Oost
(ca.3,6 km)
Cruquius
Bundeling 150 kV-
Station Beverwijk -
Weidevogelgebied, vliegbewe-
trace Basis-
Noordzeekanaal (ca. 1,5 km)
gingen meeuwen uit kolonie
Noordzijde Westhoffplas - A200
Weidevogelgebieden, EHS met
(ca. 3,9 km)
weidevogeldoel, vliegbew.
(HSL) &
(Rechtdoor)
alternatief
kolonievogels, niet-broedvogels en
seizoenstrekkers
Schipholweg - Driemerenweg
EHS met weidevogeldoel,
(N205) (ca.2 km)
afpalingskring Eendenkooi
Langs Driemerenweg (N205)
Meeuwenkolonie Pompstation
over een lengte van ca. 2,7 km
Cruquius
(Geniedijk tot de hoogte van de
weg Het Oerd in Hoofddorp
Ringvaart Zuid - Hazerswoude
Weidevogelgebieden,
Dorp (ca. 15 km)
vliegbewegingen niet-broedvogels
en seizoenstrekkers
Bundeling 150 kV-
132
Aftakking tot A9 (ca. 4,7 km)
Weidevogelgebieden,
trace Variant
vliegbewegingen niet-broedvogels
Leiderdorp
en seizoenstrekkers
Vóórkomen van verstoring van vogels in de bouwfase
Het moedwillig verstoren van vogels is krachtens de Flora- en faunawet verboden.
Voor verstoring van broedende vogels kan geen ontheffing worden aangevraagd.
Daarom wordt aangeraden om verstorende werkzaamheden zoveel mogelijk buiten
het broedseizoen uit te voeren of maatregelen te nemen waardoor broedende vogels
niet worden verstoord.
Voor de gebiedsdelen binnen de afpalingskring van een eendenkooi wordt aanbevolen
dergelijke werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de periode te plannen dat de
eendenkooi in gebruik is (15 augustus - 1 februari).
6.2
Flora
De meeste groeiplaatsen van beschermde soorten flora kunnen naar verwachting
worden ontzien tijdens de werkzaamheden. Dergelijke locaties kunnen in het veld
worden gemarkeerd en op detailkaarten worden aangegeven; bij het plaatsen van
bijvoorbeeld bouwketen, containers en werkpaden worden deze locaties vrijgehouden
van activiteiten. Wanneer groeiplaatsen desondanks toch vergraven dienen te worden,
wordt maatwerk toegepast om de lokale populatie in stand te houden. In overleg met
een flora-deskundige wordt bekeken of planten kunnen worden uitgegraven en
herplant in de directe omgeving, of dat andere mogelijkheden voorhanden zijn.
6.3
Watergebonden fauna (exclusief vogels)
Gezien het talrijk voorkomen van kleine oppervlaktewateren, voornamelijk in de vorm
van slootjes, in het gebied is de verwachting dat beschermde watergebonden fauna
verspreid en tamelijk algemeen voorkomen. Het op kleine schaal (gedeeltelijk)
dempen van slootjes en andere wateren zal dan ook geen bedreiging vormen voor
deze soorten. Wanneer nieuwe wateren worden aangelegd welke aansluiten op het
watersysteem kan worden verwacht dat deze op termijn leefgebied voor deze soorten
kunnen vormen. Om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te
voorkomen kunnen de onderstaande maatregelen worden toegepast. Deze
maatregelen geven tevens invulling aan de zorgplicht.
•
•
•
Voorafgaand aan het (gedeeltelijk) dempen van een sloot of watergang
worden aanwezige vissen weggevangen met een schepnet of electroapparatuur en verplaatst naar een sloot in de directe omgeving. Het afvangen
van vissen gebeurt bij voorkeur in het najaar.
Het dempen van een watergang gebeurt altijd in de richting van open water,
zodat vissen voor de werkzaamheden weg kunnen zwemmen.
Wanneer een nieuwe watergang wordt aangelegd ter compensatie
(bijvoorbeeld wateropgave) wordt bodemmateriaal en plantmateriaal uit de te
dempen watergang overgezet naar de nieuwe watergang. Dit kan de
133
•
6.4
vestigingkansen van waterplanten en een soort als platte schijfhoren mogelijk
bespoedigen.
Indien bemaling wordt toegepast en sprake is van het oppompen van relatief
zout water, wordt er voor gezorgd dat dit water pas na zuivering in de
omliggende sloten wordt geloosd.
Landgebonden fauna (exclusief vogels)
De kans op het voorkomen van strikt beschermde landgebonden fauna, specifiek de
waterspitsmuis, is zeer klein. Wel worden algemeen voorkomende beschermde
soorten verwacht, waaronder diverse soorten muizen en spitsmuizen en amfibieën.
Onderstaande maatregelen voorkomen dat onnodig dieren worden gedood of
verwond en geven daarmee invulling aan de zorgplicht.
•
•
•
6.5
Uiterlijk één week voorafgaand aan in gebruik name van terreinen wordt
aanwezige houtige begroeiing teruggezet en wordt de vegetatie kort gemaaid.
Op die manier wordt het gebied ongeschikt voor veel soorten waardoor zij
zich uit het gebied verplaatsen.
Voorafgaand aan grondwerkzaamheden worden in het gebied aanwezige
structuren als boomstammen, takkenbossen, plaatafval e.d. omgekeerd en op
aanwezigheid van amfibieën en zoogdieren gecontroleerd. Eventueel
aanwezige dieren worden weggevangen en verplaatst naar de directe
omgeving.
Voor waterspitsmuis geldt dat locaties waar de soort is vastgesteld vooraf aan
de werkzaamheden dienen te worden gemaaid en dan pas bouwrijp te
worden gemaakt. Het verloren habitat, in zoverre functioneel voor de soort,
dient te worden gecompenseerd (nieuw geschikt rietland).
Vleermuizen
Negatieve effecten op vleermuizen kunnen zoveel mogelijk worden voorkomen door
geen bomen te kappen of te toppen of bebouwing te slopen. Wanneer dit wel gebeurt
en aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen is vastgesteld dan dienen de volgende
maatregelen te worden toegepast:
•
•
134
Het kappen van bomen die door vleermuizen gebruikt worden kan alleen
plaatsvinden in de volgende perioden, mits de minimumtemperatuur hoger is
dan 5ºC:
-winterverblijf: alleen kappen tussen 1 april en 1 november.
-kraamkolonie: alleen kappen tussen 1 augustus en 1 mei.
-paarverblijf/tussenverblijf; alleen kappen tussen 1 oktober en 1 maart.
Bij het terugzetten van lijnvormige beplantingen van meer dan 50 meter lengte
mogen geen ‘gaten’ (afwezigheid van opgaande beplanting of beplanting van
•
•
minimaal 2 meter hoogte) langer dan 50 meter in de lijnvormige structuur
ontstaan, tenzij is vastgesteld dat deze beplanting niet wordt gebruikt als
verbindingsroute door vleermuizen. Deze maatregel heeft alleen betrekking
op lijnvormige structuren in open gebieden die het enige verbindend element
vormen tussen structuren die gebruikt worden als verblijfplaats en
foerageergebieden.
Sloop van bebouwing met verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te
vinden in de volgende perioden en bij buitentemperaturen van minimaal 10 °C
en geen nachtvorst:
-winterverblijf: april tot en met september.
-zomerverblijf: september tot en met april
-paarverblijf: oktober tot en met maart
Zowel bij de voorbereiding, de sloop zelf en het treffen van effectbeperkende
en eventueel compenserende maatregelen dient een vleermuisdeskundige te
worden betrokken. Compenserende maatregelen kunnen bestaan uit het
inbouwen van vleermuiskasten in nieuwe bebouwing of het voor vleermuizen
toegankelijk houden van spouwmuren, gevelbeplating, daklijsten, ruimte
onder daken e.d.
Tijdens de werkzaamheden zijn daarnaast de volgende maatregelen van toepassing
om verstoring van vleermuizen zoveel mogelijk te voorkomen:
•
•
•
Werkzaamheden in en rond voor vleermuizen belangrijke locaties vinden
plaats tussen zonsopkomst en zonsondergang;
Wanneer tussen zonsondergang en zonsopkomst werkzaamheden dienen te
worden uitgevoerd wordt werkverlichting dusdanig aangebracht dat geen
uitstraling naar de omgeving optreedt;
Het opwerpen van barrières in watergangen en voor en rond duikers, bruggen
e.d wordt zoveel mogelijk voorkomen om negatieve effecten op vliegroutes
van water- en vleermuis te voorkomen.
Wanneer verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetast of gesloopt dient hiervoor
gecompenseerd te worden. De vorm en mate waarin compensatie dient plaats te
vinden is afhankelijk van de soort, de functie van het aangetaste verblijf en het aantal
dieren dat van de verblijfplaats gebruik maakt. Hieronder worden enkele voorbeelden
behandeld van verblijfplaatsen in bebouwing en bomen.
Op het tracé worden gebouwbewonende soorten verwacht als gewone
dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen op diverse locatie in bebouwing
verblijven, zoals weergegeven in figuur 6.1. Vooral ruimten achter plaatmateriaal
(boeiboorden), onder daken en in spouwmuren worden vaak gebruikt als verblijfplaats.
Het betreft overwegende smalle ruimten die vrij zijn van verstoring, een droog en niet
tochtig binnenklimaat hebben en waar de temperatuur als gevolg van expositie ten
opzichte van de zon hoog kan oplopen (tot 40º C). Wanneer voor deze soorten
gecompenseerd dient te worden kan dit gebeuren door in of aan nieuwe of bestaande
bebouwing speciale vleermuiskasten op te hangen (foto 6.2). Dit betreft grote kasten
135
van plaatmateriaal waarvan de binnenruimte in compartimenten is opgedeeld.
Daarnaast kan gezocht worden naar mogelijkheden om ruimten (spouwen, zolders,
plaatmateriaal e.d.) toegankelijk te maken.
Figuur 6.1
Voorbeelden van verblijfplaatsen in en aan bebouwing. A: plaatmateriaal
tegen gevel; B: spouwmuur; C: boeiboord; D: vleermuiskast; E: ruimte
onder dakpannen (bron afbeeldingen: Brekelmans & Jansen 2006).
Er komen geen kolonies van vleermuizen voor in de te kappen bomen op het tracé.
Het is echter niet uitgesloten dat bijvoorbeeld scheuren en holtes worden gebruikt als
baltsverblijf door de ruige dwergvleermuis. Dergelijke verblijfplaatsen, waar in de regel
hooguit enkele exemplaren verblijven (paarverblijf of overwinteren in kleine aantallen),
kunnen goed gecompenseerd worden door het ophangen van kleine typen
vleermuiskasten in bomen. Dergelijke kasten zijn te koop of kunnen relatief eenvoudig
gemaakt worden. In foto 6.2 zijn enkele voorbeelden opgenomen.
Wanneer gecompenseerd dient te worden, gebeurt dit op of rond de locatie waar het
oude vleermuisverblijf wordt aangetast. Tevens dient compensatie gereed te zijn ruim
voordat de aantasting plaatsvindt, zodat vleermuizen de kans krijgen de nieuwe
verblijven te ontdekken.
136
Foto 6.2
Twee voorbeelden van vleermuiskasten (foto’s: Floris Brekelmans).
137
138
7 Meest Milieuvriendelijk Alternatief
7.1
Beschrijving tracé van het MMA
Het MMA bestaat uit een samenstelling van delen van reeds onderzochte tracéalternatieven met daarin enkele ondergrondse delen. Onderstaande tekst is
overgenomen uit het hoofdrapport MER.
Het MMA (zie figuur 7.1) volgt vanaf Beverwijk tot de zuidzijde van Noordzeekanaal
het tracé van de hoofdalternatieven 'Bundeling 150 kV-tracé' / 'Bundeling Infra' (beide
liggen ten noorden van het Noordzeekanaal op exact hetzelfde tracé). Het
Noordzeekanaal wordt ondergronds gekruist omdat met een bovengrondse kruising
de vereiste vrije doorvaarhoogte in het kanaal niet kan worden gerealiseerd. Vanaf het
Noordzeekanaal tot net voorbij Zijkanaal C volgt het MMA het tracé van het
basisalternatief 'Bundeling 150 kV-tracé'. De hoofdreden voor de keuze van dit
basisalternatief is het voorkomen van nieuwe doorsnijdingen in het landschap.
Doordat de nieuwe 380 kV verbinding ongeveer hetzelfde traject zal volgen als de
oude 150 kV verbinding wordt een nieuwe doorsnijding in het landschap voorkomen.
Een ander landschappelijk effect dat optreedt en aanleiding geeft om te kiezen voor
het alternatief 'Bundeling 150 kV-tracé' is het feit dat dit alternatief vergeleken met het
Basis-alternatief 'Bundeling Infra' minder negatieve effecten heeft op de rand van de
woonbebouwing van Velsen. Daarbij is overwogen dat de negatieve effecten van dit
alternatief op natuur niet duidelijk sterker zijn dan die van de bestaande 150 kV
verbinding.
Na passage van het zijkanaal C gaat het MMA tot aan de A200 ondergronds. Hiermee
wordt doorsnijding van het voor vogels belangrijke veenweidegebied (inclusief de
Westhoffplas) ten oosten van Haarlem voorkomen. Bijkomend voordeel is dat de
bestaande 150 kV verbinding wordt verwijderd, zodat in dit deelgebied bij
ingebruikname van de nieuwe 380 kV verbinding geen negatieve effecten op natuur
meer bestaan. Het verwijderen van de bestaande 150 kV in dit gebied is geen
bijzonderheid behorend bij het MMA. De functie van de 150 kV verbinding op dit
tracégedeelte zal worden overgenomen door de nieuwe 380 kV verbinding en is om
die reden niet meer nodig.
Het MMA vervolgt met de westelijke passage om Hoofddorp, waarbij het alternatief
'Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief' wordt gevolgd. Het alternatief 'Bundeling
150 kV Basis-alternatief' ontziet ter hoogte van de Kruisweg een aantal gevoelige
bestemmingen, in vergelijking met het 'Bundeling Infra Hoofddorp Basis-alternatief'.
Deze keuze voor de westelijke zijde wordt vanuit alle milieuaspecten ingegeven. De
belangrijkste redenen zijn:
- Aan de westzijde van Hoofddorp zijn minder gevoelige bestemmingen aanwezig
dan in de oostelijke passage.
139
-
-
De keuze voor het alternatief 'Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief' zorgt er
tevens voor dat de bestaande 150 kV aan de westzijde van Hoofddorp deels kan
worden opgeruimd. Dit heeft een gunstig effect op leefomgevingskwaliteit en
landschap.
Een keuze voor een westelijk alternatief betekend tevens dat er negen kilometer
ondergronds beschikbaar is om effecten op mensen en natuur te beperken.
Alternatieven ten oosten van Hoofddorp brengen met zich mee dat een deel
ondergronds moet worden gelegd vanuit technische en wettelijke bepalingen.
Hiermee wordt geen milieubelang gediend.
Ten zuiden van Nieuw-Vennep gaat het tracé over naar 'Bundeling Infra Hoofddorp
Basis-alternatief'. Het alternatief volgt daarmee de zuidelijke bebouwingsrand van
Nieuw-Vennep. Vanuit landschappelijk oogpunt is het bundelen van het tracé met de
bebouwingsrand ten zuiden van Nieuw-Vennep minder gewenst dan het volgen van
een autonoom tracé door het Groene Hart (open akkerbouwgebied) ten zuiden van
Nieuw-Vennep. De reden hiervoor is dat in het geval dat de stadsrand wordt gevolgd
en vervolgens weer naar het zuiden wordt geknikt de invloed op de karakteristiek van
het open gebied groter is dan wanneer het autonoom doorsneden wordt. Daarom
heeft het volgen van het alternatief 'Bundeling Infra Hoofddorp Basis-alternatief' ten
zuiden van Nieuw-Vennep de voorkeur.
Tot en met de knoop Leiderdorp blijft het MMA het alternatief 'Bundeling Infra
Hoofddorp Basis-alternatief' volgen omdat bij bundeling met de bestaande
infrastructuur (in dit geval de A4) het aantal draadslachtoffers onder en verstoring van
leefgebied van weidevogels het meest wordt beperkt. De verschillen met het
alternatief 'Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief' zijn op dit deel van het tracé
gering.
Vanaf de knoop Leiderdorp tot in de Hondsdijkse Polder ten noorden van de Oude
Rijn volgt het MMA het alternatief ‘Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief’ dan wel
het alternatief ‘Bundeling Infra Hoofddorp Basis-alternatief’ (beide alternatieven volgen
hier een identiek tracé). Waar het tracé in de open polders ten noorden van de Oude
Rijn een knik maakt in zuidelijke richting wordt het tracé tot net voorbij HazerswoudeDorp ondergronds aangelegd. Deze keuze wordt volledig ingegeven door het aspect
natuur en heeft tot doel om negatieve effecten op de vogelsoorten kleine zwaan en
smient die leven in het naastgelegen Natura 2000-gebied ''De Wilck'' te minimaliseren.
Ook wordt hiermee bereikt dat geen effecten optreden op natuur in het vogelrijke
veenweidegebied aan weerszijde van de Oude Rijn. De bestaande 150 kV blijft
bovengronds gehandhaafd.
Vanaf Hazerswoude-Dorp tot aan het Nationaal KinderBomenBos gaat het tracé
bovengronds verder op het alternatief 'Bundeling 150 kV-tracé Basis-alternatief'. Dit
alternatief wordt vanuit vrijwel alle milieuaspecten geprefereerd. Het laatste deel van
het tracé vanaf het Nationaal KinderBomenBos tot aan station Bleiswijk lopen de
alternatieven gelijk aan elkaar.
140
Ondergrondse delen
Om te komen tot een afweging van de ligging van de ondergrondse delen binnen het
MMA zijn de verschillende aspecten met elkaar vergeleken. Per aspect is bekeken
waar ondergrondse aanleg negatieve effecten van het MMA het meest kan
voorkomen. Binnen het MMA tracé is circa 9 kilometer ondergronds aan te leggen
kabel beschikbaar voor de 380 kV verbinding. De bestaande 150 kV blijft bovengronds
gehandhaafd.
In het MMA wordt gekozen voor het ondergronds brengen van het tracé vanaf
Zijkanaal C tot de A200. Reden voor deze keuze is het voorkomen van
draadslachtoffers onder vogels (o.a. broedende lepelaar en weidevogels en nietbroedvogels en seizoenstrekkers) die gebruik maken van het nabij gelegen
veenweidegebied (Vereenigde Binnenpolder ten oosten van Haarlem en de
Westhoffplas).
De meeste negatieve effecten van een bovengronds tracé treden binnen het MMA op
bij het aspect leefomgevingskwaliteit. Deze effecten kunnen worden voorkomen door
bij kruisingen met bebouwingslinten de verbinding ondergronds te leggen. Echter, een
effect van een groot aantal kleine ondergrondse delen in het tracé, is het ontstaan van
een sterk 'rupsend' tracé, met als gevolg een landschappelijk ongewenste situatie.
Aan weerszijden van de korte ondergrondse delen, nabij de bebouwingslinten, moeten
tevens opstijgpunten gerealiseerd worden. Opstijgpunten brengen landschappelijk
gezien extra negatieve effecten met zich mee, en een groter elektromagnetisch veld
dan een bovengrondse verbinding. Door de aanleg van veel korte ondergrondse delen
moeten extra componenten (b.v. eindsluitingen) in het netwerk ingebouwd worden.
Door de toepassing van extra componenten zal de netstabiliteit afnemen en daarmee
ook de leveringszekerheid. Kortom korte ondergrondse tracédelen toepassen om
gevoelige bestemmingen te ontzien is niet proportioneel.
Het aspect natuur bepaalt waar in het MMA (in aanvulling op de technisch
noodzakelijk ondergrondse kruising van het Noordzeekanaal) de circa 9 km
beschikbare ondergrondse kabel wordt ingezet, namelijk op het traject langs 'De
Wilck' en de bijbehorende foerageergebieden (tussen de Hondsdijkse Polder en
Hazerswoude-Dorp) en op het traject ten noorden van Hoofddorp tussen Zijkanaal C
en de A200 vanwege de weidevogels die gebruik maken van de Vereenigde
Binnenpolder en de Westhoffplas en de aanwezige kolonie lepelaars bij
Haarlemmerliede. Het ondergronds brengen van het tracé is vanuit landschap
gewenst op het tracédeel tussen het Noordzeekanaal en de A200 om effecten op het
recreatiegebied Spaarnwoude, het open veenweidegebied van de Inlaagpolder en de
Vereenigde Binnenpolder te voorkomen. Het voorkomen van draadslachtoffers bij
Natura 2000-gebied 'De Wilck' heeft als thema hier echter zwaarder meegewogen dan
het voorkomen van effecten op landschap tussen het Noordzeekanaal en de A200,
waardoor niet het hele deel tussen het Nooordzeekanaal en de A200 is verkabeld in
het MMA (zie figuur 7.1).
141
Figuur 7.1 MMA Randstad 380 kV verbinding Beverwijk-Zoetermeer (Bleiswijk).
142
7.2
Effecten van het MMA op natuur
Bij het beoordelen van de permanente effecten van het MMA op natuur is
aangenomen dat draadmarkeringen worden aangebracht in de bovengrondse
tracédelen, zoals beschreven in hoofdstuk 6.
Tijdelijke effecten in de aanlegfase van het MMA worden voorkomen door te werken
volgens een vooraf door het Ministerie van EL&I goedgekeurd projectplan (Kruijt &
Brekelmans 2012). Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met strikt
beschermde flora en fauna. In tabel 7.1 zijn de resterende effecten op natuur
samengevat. In de toelichting bij de tabel worden beknopt de effecten beschreven en
beoordeeld.
Tabel 7.1
Negatieve effecten van MMA op de natuur. In deze tabel is rekening
gehouden met het markeren van de bliksemdraden van een deel van de
bovengrondse tracédelen en is aangenomen dat tijdelijke effecten in de
aanlegfase worden gemitigeerd (zie hoofdstuk 6).
natuuraspect
Natura 2000
PEHS/EVZ
eendenkooi Vijfhuizen
weidevogels
overige broedvogels
kolonievogels
niet-broedvogels
seizoenstrekkers
overige beschermde fauna en flora
MMA
beperkt negatief
geen effect
geen effect
beperkt negatief
beperkt negatief
beperkt negatief
negatief
negatief
geen effect
Toelichting
Natura 2000
Ten oosten van 'De Wilck' wordt de nieuwe verbinding verkabeld tussen de
gemeentegrens Leiderdorp/Rijnwoude en Hazerswoude-Dorp. Daarmee zijn de
effecten op het Natura 2000-gebied 'De Wilck' beperkt tot de aantallen draadslachtoffers onder smient en kleine zwaan bij het bovengrondse tracédeel tussen
Leiderdorp en voornoemde gemeentegrens. Een gecombineerde bovengrondse
150/380 kV verbinding met draadmarkeringen in de bliksemdraden leidt hier naar
schatting op jaarbasis tot hooguit een tiental draadslachtoffers onder smient en
hooguit incidenteel een exemplaar onder kleine zwaan. Dit is een beduidend lager
aantal draadslachtoffers dan in de huidige situatie met 150 kV lijn. In de huidige
situatie komen in de omgeving van 'De Wilck' jaarlijks 45-60 smienten en 0-4 kleine
zwanen om als draadslachtoffer bij de bestaande 150 kV lijn (Hartman & Prinsen
2011). Ondanks de aanwezigheid van de bestaande 150 kV lijn, is het recente
langjarige gemiddeld aantal smienten (en waarschijnlijk ook kleine zwanen) in en nabij
'De Wilck' stabiel. Dit langjarige gemiddelde is overgenomen als instandhoudingsdoel
voor het Natura 2000-gebied 'De Wilck'. De kans op een significant negatief effect op
het Natura 2000-gebied 'De Wilck' is met zekerheid uit te sluiten indien de meerjarige
143
sterfte ten opzichte van de huidige situatie niet toeneemt. Dit is het geval met het
MMA. Het resteffect is als een beperkt negatief effect beoordeeld. Het is op voorhand
uit te sluiten dat dit een significant effect heeft op het Natura 2000-gebied, ook indien
cumulatie met andere projecten of handelingen binnen de actieradius van smient en
kleine zwaan vanuit 'De Wilck' in beschouwing wordt genomen (Hartman & Prinsen
2011).
PEHS/EVZ
In het Recreatiegebied Spaarnwoude vervangt de nieuwe bovengrondse verbinding
de bestaande 150 kV lijn. Deze wordt afgebroken nadat de 380 kV verbinding is
gerealiseerd. Omdat geen sprake is van nieuwe doorsnijding van het EHS gebied in
het Recreatiegebied Spaarnwoude wordt het functioneren van het EHS niet
aangetast.
In het veenweidegebied tussen zijkanaal C en de A200 heeft het MMA een positief
effect omdat de negatieve effecten op (weide)vogels geheel verdwijnen, doordat de
bestaande 150 kV lijn hier bij realisatie van de nieuwe ondergrondse 380 kV
verbinding wordt opgeheven.
Het MMA doorsnijdt ten noordoosten van Vijfhuizen een EHS gebied met een aantal
percelen waar agrarisch natuurbeheer wordt toegepast. Mogelijk leidt dit tot een kleine
toename van het aantal draadslachtoffers onder weidevogels ten opzichte van de
huidige situatie bij de bestaande 150 kV lijn. Dit effect wordt beperkt met behulp van
draadmarkeringen en is als verwaarloosbaar beoordeeld.
Het MMA passeert meerdere ecologische verbindingszones (EVZ’s). Omdat er geen
masten in een EVZ worden geplaatst, is er geen effect van de bovengrondse
alternatieven op de functies en/of doelsoorten van de EVZ’s.
Eendenkooi bij Vijfhuizen
Het MMA heeft een neutraal effect op de eendenkooi Stokman bij Vijfhuizen.
Verstoring leefgebied
De afpalingskring (het gebied waar de eendenkooi in ligt) reikt tot 1.318 m van de kooi
en wordt doorsneden door het MMA. Binnen de afpalingskring staat in de huidige
situatie een 150 kV lijn op circa 400 m ten oosten van de kooi. In het bovengrondse
alternatief wordt deze vervangen door een 150/380 kV combilijn op meer dan 500 m
afstand van de kooi. Vanwege deze afstand is geen sprake van verstoring van de
(eenden in de) eendenkooi zelf. Binnen de afpalingskring kan wel sprake zijn van
(hooguit) geringe verstoring door de nieuwe bovengrondse verbinding, maar naar
verwachting komt dit effect overeen met de verstoring door de huidige 150 kV lijn.
Verstoring van de rust binnen de afpalingskring, tijdens werkzaamheden in de
aanlegfase, kan goed voorkomen worden door buiten de periode te werken dat de
eendenkooi actief in gebruik is.
144
Draadslachtoffers
Mogelijk leidt de nieuwe verbinding door de combinatie van 150 kV en 380 kV tot een
kleine toename, in ordegrootte een tiental, van het aantal draadslachtoffers onder
eenden. Dit betreft ook de soort wilde eend die in de kooi wordt gevangen voor
consumptie. Op het totaal aantal eenden dat in de vangperiode (15 augustus - 1
februari) gebruik maakt van de kooi, is het te verwachten aantal additionele
draadslachtoffers door de nieuwe verbinding verwaarloosbaar. Er is daarom geen
effect op het belangrijkste doel van de eendenkooi: het verschaffen van een
rustgebied en vangen van (wilde) eenden.
Weidevogels (Rode Lijstsoorten)
Verstoring leefgebied
De verstoringseffecten van het MMA op weidevogels (Rode Lijstsoorten) zijn beperkt
tot verstoring van een gering areaal leefgebied voor deze soorten in de
Wijkermeerpolder ten oosten van Beverwijk en in de Drooggemaakte Veender- en
Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering. In andere weidevogelrijke polders
binnen het zoekgebied doorsnijdt de nieuwe bovengrondse verbinding de polders op
min of meer hetzelfde tracé als de bestaande 150 kV lijn (polder ten zuiden van
Vijfhuizen en polder ten oosten van Leiderdorp) of wordt de nieuwe verbinding
ondergronds aangelegd (tussen zijkanaal C en de A200 en tussen gemeentegrens
Leiderdorp/Rijnland en Hazerswoude-Dorp).
Draadslachtoffers
De aantallen draadslachtoffers onder weidevogels zijn bij alle bovengrondse delen
van het MMA beperkt tot hooguit incidenteel een exemplaar van de desbetreffende
soorten in het broedseizoen. Dit omdat de bovengrondse delen door weidevogelrijke
gebieden worden uitgerust met draadmarkeringen. Voor weidevogels is dit een
effectieve effectbeperkende maatregel (hoofdstuk 6).
De verstoring van een beperkt areaal leefgebied en incidentele draadslachtoffers
brengen het lokale voorkomen en de landelijke gunstige staat van instandhouding van
de desbetreffende soorten (o.a. slobeend, grutto, tureluur, veldleeuwerik en gele
kwikstaart) niet in gevaar en zijn als beperkt negatief effect beoordeeld. In het
veenweidegebied ten noorden van de A200 heeft het MMA een positief effect omdat
de negatieve effecten op (weide)vogels geheel verdwijnen, doordat de bestaande 150
kV lijn hier bij realisatie van de nieuwe (ondergrondse) 380 kV verbinding wordt
opgeheven.
Overige broedvogels
Verstoring leefgebied
Verstoring of verlies van broedhabitat door het MMA is naar verwachting zeer beperkt,
mede omdat in broedvogelrijke gebieden (Recreatiegebied Spaarnwoude,
Boswachterij Meerbos bij Hoofddorp) geen of nauwelijks sprake is van nieuwe
doorsnijding.
145
Draadslachtoffers
Het MMA leidt mogelijk tot kleine aantallen (enkele tot een tiental in de broedtijd)
draadslachtoffers onder landelijk algemene broedvogelsoorten, zoals houtduif en
merel. Van de Rode Lijstsoorten (o.a. boomvalk, patrijs, ransuil, nachtegaal en
spotvogel) worden bij het MMA hooguit incidenteel draadslachtoffers verwacht omdat
deze soorten schaars of zeldzaam zijn in het zoekgebied en/of geen risicovolle
vliegbewegingen van deze soorten zijn te verwachten.
De verstoring van een zeer beperkt areaal leefgebied en geringe aantallen
draadslachtoffers brengt het lokale voorkomen en de landelijke gunstige staat van
instandhouding van de desbetreffende soorten niet in gevaar en is als een beperkt
negatief effect beoordeeld. In het veenweidegebied ten noorden van de A200 heeft
het MMA een positief effect omdat de negatieve effecten op (broed)vogels geheel
verdwijnen, doordat de bestaande 150 kV lijn hier bij realisatie van de nieuwe
(ondergrondse) 380 kV verbinding wordt opgeheven.
Kolonievogels
Verstoring leefgebied
Verstoring van broedhabitat of leefgebied is niet aan de orde. Genoemde soorten
worden vaak rustend en/of foeragerend in en/of nabij hoogspanningsmasten
waargenomen.
Draadslachtoffers
De effecten van het MMA op kolonievogels zijn beperkt tot kleine aantallen
draadslachtoffers onder meeuwen ten noorden en zuiden van het Noordzeekanaal en
bij het gemaal Cruquius ten noordwesten van Hoofddorp. De voor vogels risicovolle
bovengrondse tracédelen worden met draadmarkeringen uitgerust (hoofdstuk 6). In
het broedseizoen worden daarom in totaal bij het gehele MMA niet meer dan een
tiental draadslachtoffers onder kok-, zilver- en kleine mantelmeeuw en nog kleinere
aantallen onder stormmeeuw verwacht. Incidenteel kunnen in het gehele zoekgebied
ook aalscholver en blauwe reiger draadslachtoffer worden van de bovengrondse delen
van het MMA.
De geringe aantallen draadslachtoffers brengen het lokale voorkomen en de landelijke
gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende soorten niet in gevaar en is
als een beperkt negatief effect beoordeeld. In het veenweidegebied ten noorden van
de A200 heeft het MMA een positief effect omdat de negatieve effecten op
(kolonie)vogels (o.a. lepelaar) geheel verdwijnen, doordat de bestaande 150 kV lijn
hier bij realisatie van de nieuwe (ondergrondse) 380 kV verbinding wordt opgeheven.
Niet-broedvogels en seizoenstrekkers
Verstoring leefgebied
Het verstoringseffect op niet-broedvogels is naar verwachting (zeer) gering (zie
hoofdstuk 4).
146
Draadslachtoffers
Het MMA leidt, relatief ten opzichte van de regionaal verblijvende aantallen, mogelijk
tot kleine aantallen draadslachtoffers onder niet-broedvogels en/of seizoenstrekkers.
Afhankelijk van de soort betreft het voor de gehele verbinding in totaal enkele
(bijvoorbeeld ganzensoorten) tot mogelijk vele tientallen (bijvoorbeeld eenden en
meeuwen) draadslachtoffers op jaarbasis. Dit effect is met name aan de orde bij de
bovengrondse tracédelen tussen de Ringvaart ten noorden van Nieuwe Wetering en
de gemeentegrens Leiderdorp/Rijnland. In dit gebied doorsnijdt de verbinding
vogelrijke veenweidegebieden. Ook bij andere bovengrondse tracédelen van het MMA
zijn draadslachtoffers onder niet-broedvogels en seizoenstrekkers te verwachten,
maar de aantallen zijn beduidend lager in vergelijking tot voornoemd gebied.
De genoemde aantallen draadslachtoffers brengen het lokale voorkomen en de
landelijke gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende soorten nietbroedvogels en seizoenstrekkers niet in gevaar. Omdat het voor veel soorten om
meerdere slachtoffers op jaarbasis gaat is dit als een negatief effect beoordeeld.
In het veenweidegebied ten noorden van de A200 heeft het MMA een positief effect
omdat de negatieve effecten op (niet-broed en trek)vogels geheel verdwijnen, doordat
de bestaande 150 kV lijn hier bij realisatie van de nieuwe (ondergrondse) 380 kV
verbinding wordt opgeheven.
Overige beschermde fauna en flora
Het eventuele effect op overige beschermde fauna en flora beperkt zich tot de
aanlegfase en betreft niet of nauwelijks de gebruiksfase (onderhoud en beheer).
Eventuele negatieve effecten worden tot een verwaarloosbaar niveau beperkt of
geheel voorkomen door mitigatie zoals uitgewerkt ten behoeve van de ontheffing voor
de Flora- en faunawet (zie ook hoofdstuk 6). In deze ontheffingsaanvraag (Kruijt &
Brekelmans 2012) wordt gewaarborgd dat hier tijdens de werkzaamheden rekening
mee wordt gehouden.
147
148
8 Voorkeurstracé
8.1
Beschrijving voorkeurstracé
Het voorkeurstracé bestaat uit een samenstelling van delen van de onderzochte
integrale tracé-alternatieven die op effecten zijn beoordeeld in het MER. In het
voorkeurstracé zitten enkele ondergrondse tracédelen (figuur 8.1). Het voorkeurstracé
komt in grote lijnen overeen met de in het MER beschreven en onderzochte integrale
tracéalternatieven. Niet overal is dat echter het geval (tabel 8.1). Op enkele delen is
het voorkeurstracé zodanig geoptimaliseerd, onder andere in overleg met de
omgeving, dat het niet herkenbaar overeenkomt met de eerder onderzochte
tracéalternatieven. Daarbij is gebruik gemaakt van het in het kader van het MER
verrichtte onderzoek. De informatie over de integrale tracéalternatieven heeft in dat
kader informatie opgeleverd om de tracéoptimalisaties die in overleg met de omgeving
zijn doorgevoerd, verder uit te werken. Voor een gedetailleerde tracébeschrijving in
het horizontale en verticale vlak wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van het MER.
149
Figuur 8.1
150
Voorkeurstracé van Randstad 380 kV verbinding Beverwijk-Zoetermeer.
Tabel 8.1
Overzichtstabel overeenkomsten definitieve voorkeurstracé met MERtracéalternatieven (overgenomen uit hoofdstuk 7 van het MER).
Deel van het definitieve voorkeurstracé
Bovengrondse deel tussen station Beverwijk en
station Vijfhuizen
Verkabelde deel tussen Vijfhuizen en opstijgpunt
Drie Merenweg (N205)
Bovengrondse deel tussen opstijgpunt Drie
Merenweg (N205) en opstijgpunt Kruisweg
(N201)
Verkabelde deel tussen opstijgpunt Kruisweg
(N201) en opstijgpunt Bennebroekerweg
Bovengrondse deel tussen opstijgpunt
Bennebroekerweg en de hoek bij Nieuw-Vennep
Bovengrondse deel tussen de hoek bij NieuwVennep en de hoekmast westelijk van het spoor
Amsterdam – Leiden
Bovengrondse deel tussen de hoekmast
westelijk van het spoor Amsterdam–Leiden,
daarna liggend ten oosten van de spoorlijn tot
aan de Zuidelijke Ringvaart
Bovengrondse deel tussen de Zuidelijke
Ringvaart en opstijgpunt Lange Dwarsweg
(Nieuwe Wetering)
Verkabelde gedeelte tussen opstijgpunt Lange
Dwarsweg (Nieuwe Wetering) en zuidelijke
opstijgpunt Rijpwetering
Bovengrondse deel tussen zuidelijke opstijgpunt
Rijpwetering en de hoekmast in de Hondsdijkse
Polder; hier bevindt zich ook het 150 kV
opstijgpunt
Bovengrondse deel tussen de hoekmast in de
Hondsdijkse Polder en het 150 kV opstijgpunt
ten zuiden van Hazerswoude-Dorp
Tussen 150 kV opstijgpunt ten zuiden van
Hazerswoude-Dorp en station Bleiswijk
(Zoetermeer)
Gebaseerd op tracédeel uit MER-alternatief:
'Bundeling infra basisalternatief' tot aan het
Noordzeekanaal en daarna 150 kV-tracé
basisalternatief tot aan schakelstation Vijfhuizen
Grotendeels gebaseerd op: 'Ondergronds
onderzoeksalternatief ', maar geoptimaliseerd
vanwege:
- wijziging van de stationslocatie, en
- om kabellengte te besparen.
'Bundeling infra basisalternatief'
'Ondergronds onderzoeksalternatief'
'Bundeling infra basisalternatief'/'Bundeling 150 kVtracé basisalternatief' (beide tracéalternatieven volgen
eenzelfde tracé)
'Bundeling infra basisalternatief'
Geheel nieuw tracé, op basis van PKB principes
'bundeling infra' en zo 'veel mogelijk rechtstand '
ontworpen in overleg met de omgeving,
Geoptimaliseerd tracé dat veel overeenkomsten
vertoont met het 'Bundeling 150-kV tracé
basisalternatief'
Ondergronds een tracé gezocht dat aansluit op
bovengrondse 'Bundeling infra basisalternatief'
Geen overeenkomst met 'Ondergronds
onderzoeksalternatief'
'Bundeling 150 kV-tracé basisalternatief'/'Bundeling
infra basisalternatief' (beide alternatieven volgen
eenzelfde tracé)
'Bundeling 150 kV basisalternatief' (met 'verkabeling
van de bestaande 150 kV verbinding Zoetermeer –
Leiden' vanaf de scherpe knik in de nieuwe 380 kV
verbinding in de Hondsdijkse Polder tot voorbij het
bebouwingslint van Hazerswoude-Dorp)
Geoptimaliseerd tracé gebaseerd op 'Bundeling 150
kV-basisalternatief'- rekening houdend met de
ontwikkelingen m.b.t. het Bentwoud (golfbaan, natuur
en recreatie) en Rottezoomgebied; dit tracé is
ontworpen in overleg met de omgeving
151
8.2
Effecten op natuur van het voorkeurstracé
Bij het beoordelen van de permanente effecten van het voorkeurstracé op natuur is
aangenomen dat draadmarkeringen worden aangebracht in de bovengrondse
tracédelen, zoals beschreven in hoofdstuk 6.
Tijdelijke effecten in de aanlegfase van het voorkeurstracé worden voorkomen door te
werken volgens een vooraf door het Ministerie van EL&I goedgekeurd projectplan
(Kruijt & Brekelmans 2012). Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met
strikt beschermde flora en fauna. In tabel 8.1 zijn de resterende effecten op natuur
samengevat. De belangrijkste effecten van het voorkeurstracé betreffen: beschermde
gebieden, niet-broedvogels en seizoenstrek. In de toelichting bij de tabel worden
beknopt de effecten beschreven en beoordeeld.
Tabel 8.1
Negatieve effecten van het voorkeurstracé op de natuur. In deze tabel is
rekening gehouden met het markeren van de bliksemdraden van een
deel van de bovengrondse tracédelen en is aangenomen dat tijdelijke
effecten in de aanlegfase worden gemitigeerd (zie hoofdstuk 6).
natuuraspect
Natura 2000
PEHS/EVZ
eendenkooi Vijfhuizen
weidevogels
overige broedvogels
kolonievogels
niet-broedvogels
seizoenstrekkers
overige beschermde fauna en flora
voorkeurstracé
negatief
geen effect
geen effect
beperkt negatief
beperkt negatief
beperkt negatief
negatief
negatief
neutraal
Toelichting
Natura 2000
Tussen Leiderdorp en Hazerswoude-Dorp doorkruist het voorkeurstracé polders die
door kleine zwanen en smienten vanuit het Natura 2000-gebied ''De Wilck'' worden
bezocht om voedsel te zoeken (zie hoofdstuk 3). Effecten van het voorkeurstracé op
het Natura 2000-gebied ''De Wilck'' zijn beoordeeld in een Passende Beoordeling
(Hartman & Prinsen 2011). Hierin wordt geconcludeerd dat de kans op een significant
negatief effect op ''De Wilck'', ook in cumulatie met andere projecten of handelingen
binnen de actieradius van kleine zwaan en smient vanuit ''De Wilck'', met zekerheid is
uit te sluiten. Deze zekerheid kan worden gegeven omdat de nieuwe verbinding niet
zal leiden tot een toename van de meerjarige sterfte onder kleine zwaan en smient ten
opzichte van de huidige situatie met de bestaande 150 kV verbinding ten oosten van
''De Wilck''.
In het voorkeurstracé wordt de bestaande 150 kV verbinding tussen de
gemeentegrens Leiderdorp/ Rijnwoude in de Hondsdijkse polder en een locatie net
ten zuiden van Hazerswoude-Dorp verkabeld en wordt het bovengrondse 380 kV deel
van het voorkeurstracé tussen Leiderdorp en Hazerswoude-Dorp uitgerust met
152
vogelmarkeringen in de bliksemdraden (zie hoofdstuk 6). De compensatiegeleiders in
de 380 kV verbinding wordt ten oosten van ‘'De Wilck'’ alleen bovengronds
aangebracht bij de passage van de lintbebouwing ter weerszijde van de Oude Rijn en
in Hazerswoude-Dorp. Het resteffect van het voorkeurstracé, maximaal op jaarbasis
enkele tientallen draadslachtoffers onder smient en incidenteel een draadslachtoffer
onder kleine zwaan, is beoordeeld als een negatief effect. Het is op voorhand uit te
sluiten dat dit een significant negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied ''De
Wilck''.
EHS/PEHS
In het Recreatiegebied Spaarnwoude vervangt de nieuwe bovengrondse verbinding
de bestaande 150 kV lijn. Deze wordt afgebroken nadat de 380 kV verbinding is
gerealiseerd en de 150 kV verbinding wordt ook niet meer teruggebracht in de nieuw
te realiseren 380k kV verbinding. Omdat geen sprake is van nieuwe doorsnijding van
het EHS gebied in het Recreatiegebied Spaarnwoude wordt het functioneren van het
EHS niet aangetast.
In het veenweidegebied tussen Zijkanaal C en de A200 (onderdeel van het EHS
gebied Spaarnwoude) heeft het voorkeurstracé een neutraal effect. De nieuwe
verbinding vervangt de bestaande 150 kV lijn die ook niet meer wordt teruggebracht in
de nieuw te realiseren 380k kV verbinding. De 150 kV wordt afgebroken nadat de 380
kV verbinding is gerealiseerd. Omdat geen sprake is van nieuwe doorsnijding van het
EHS gebied wordt het functioneren van het EHS niet aangetast. Mogelijk leidt de
nieuwe 380 kV verbinding in dit gebied tot een kleine toename van het aantal
draadslachtoffers onder weidevogels met enkele exemplaren per soort per
broedseizoen ten opzichte van de huidige situatie bij de bestaande 150 kV lijn. Dit
effect wordt gemitigeerd behulp van draadmarkeringen en is daarom als
verwaarloosbaar beoordeeld.
Het voorkeurstracé passeert meerdere ecologische verbindingszones (EVZ’s). Omdat
er geen masten in een EVZ worden geplaatst, is er geen effect van de bovengrondse
alternatieven op de functies en/of doelsoorten van de EVZ’s.
Eendenkooi bij Vijfhuizen
Het voorkeurstracé heeft een neutraal effect op de eendenkooi Stokman ten noorden
van Vijfhuizen bij de Kromme Spieringweg. Het voorkeurstracé doorsnijdt de
afpalingskring (het gebied waar de eendenkooi in ligt en die tot 1.318 m van de kooi
reikt) vrijwel geheel ondergronds (figuur 8.2). De bestaande 150 kV, op circa 400 m
ten oosten van de kooi wordt binnen de afpalingskring ook vrijwel geheel ondergronds
gebracht. Dit betekent dat er geen bedreiging meer bestaat voor de eenden die
gebruik maken van de kooi en het belangrijkste doel van de eendenkooi: het
verschaffen van een rustgebied en vangen van (wilde) eenden wordt verbeterd. Er is
dus sprake van een beperkt positief effect.
153
De hooguit geringe verstoring van de rust binnen de afpalingskring tijdens de
werkzaamheden in de aanlegfase, kan geheel voorkomen worden door buiten de
periode (15 augustus - 1 februari) te werken dat de eendenkooi actief in gebruik is.
Figuur 8.2
De afpalingskring rondom Eendenkooi Stokman bij Vijfhuizen gelegen in
het midden van de kring.
Weidevogels en overige broedvogelsoorten
De verstoring van een beperkt areaal leefgebied en geringe aantallen
draadslachtoffers brengt het lokale voorkomen en de landelijke gunstige staat van
instandhouding van weidevogels (o.a. slobeend, grutto, tureluur, veldleeuwerik en gele
kwikstaart) en overige broedvogelsoorten niet in gevaar. Het effect van het
voorkeurstracé op weidevogels en overige broedvogelsoorten is als beperkt negatief
effect beoordeeld.
Verstoring leefgebied
De verstoringseffecten van het voorkeurstracé op weidevogels is beperkt tot
verstoring van een gering areaal leefgebied voor deze soorten. Alleen in de
Wijkermeerpolder ten oosten van Beverwijk en in de Drooggemaakte Veender- en
Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering is sprake van nieuwe doorsnijding van
(binnen het plangebied) belangrijke weidevogelgebieden. De permanente verstoring
van leefgebied van enkele broedparen tureluur en graspieper brengt het lokale
voorkomen van deze soorten in de Wijkermeerpolder én directe omgeving niet in
gevaar. Hetzelfde geldt voor de Veender- en Lijkerpolder waar, ondanks de
permanente verstoring van leefgebied van een tiental broedparen grutto en enkele
broedparen tureluur, het lokale voorkomen van deze soorten niet in gevaar komt.
154
De weidevogelgebieden Westhoffplas en de Vereenigde Binnenpolder (gelegen
tussen Zijkanaal C en de A200) worden in de huidige situatie doorsneden door een
150 kV verbinding. De nieuwe verbinding vervangt deze bestaande 150 kV lijn die ook
niet meer wordt teruggebracht in de nieuw te realiseren 380k kV verbinding. De 150
kV verbinding wordt afgebroken nadat de 380 kV verbinding is gerealiseerd. Er is
geen sprake van nieuwe doorsnijding. De verstoringseffecten van de nieuwe
verbinding komen naar verwachting in omvang overeen met die van de huidige 150
kV.
Ook de weidevogelgebieden Polder Achthoven en de Hondsdijkse Polder (tussen
Leiderdorp en de Oude Rijn) worden in de huidige situatie doorsneden door een 150
kV verbinding. De nieuwe verbinding komt op min of meer dezelfde locatie als deze
bestaande 150 kV verbinding, die in Polder Achthoven in één mast wordt
gecombineerd met de 380 kV verbinding en in de Hondsdijkse Polder ondergronds
wordt gelegd naast de bovengrondse 380 kV verbinding. De verstoringseffecten van
de nieuwe bovengrondse verbinding komen naar verwachting in omvang overeen met
die van de huidige 150 kV.
Verstoring of verlies van broedhabitat van overige broedvogelsoorten door het
voorkeurstracé is naar verwachting zeer beperkt, mede omdat in broedvogelrijke
gebieden (Recreatiegebied Spaarnwoude) geen sprake is van nieuwe doorsnijding.
Draadslachtoffers
De aantallen draadslachtoffers onder weidevogels zijn bij alle bovengrondse delen
van het voorkeurstracé beperkt tot hooguit enkele exemplaren van de desbetreffende
soorten in het broedseizoen. Dit omdat de bovengrondse delen door weidevogelrijke
gebieden (Wijkermeerpolder ten oosten van Beverwijk, Westhoffplas ten noordoosten
van Spaarndam, Vereenigde Binnenpolder ten zuidoosten van Spaarnwoude,
Veender- en Lijkerpolder ten westen van Nieuwe Wetering en Polder Achthoven en de
Hondsdijkse Polder tussen Leiderdorp en de Oude Rijn) worden uitgerust met
draadmarkeringen. Voor weidevogels is dit een doelmatige effectbeperkende
maatregel (hoofdstuk 6).
Het voorkeurstracé leidt mogelijk tot kleine aantallen (enkele tot een tiental in de
broedtijd) draadslachtoffers onder landelijk algemene broedvogelsoorten, zoals
houtduif en merel. Van de Rode Lijstsoorten (o.a. boomvalk, patrijs, ransuil,
nachtegaal en spotvogel) worden bij het voorkeurstracé hooguit incidenteel
draadslachtoffers verwacht omdat deze soorten schaars of zeldzaam zijn in het
plangebied en/of geen risicovolle vliegbewegingen van deze soorten zijn te
verwachten.
Kolonievogels
Het effect van het voorkeurstracé op kolonievogels is beperkt tot (zeer) kleine
aantallen draadslachtoffers. Dit brengt het lokale voorkomen en de landelijke gunstige
155
staat van instandhouding niet in gevaar en is daarom als beperkt negatief effect
beoordeeld. Verstoring van broedhabitat of leefgebied is niet aan de orde.
Verstoring leefgebied
Van de kolonievogelsoorten die regelmatig in het plangebied voorkomen (lepelaar,
blauwe reiger, aalscholver, meeuwen, sterns en zwaluwen) is bekend dat ze geen of
nauwelijks verstoring ondervinden van hoogspanningslijnen; deze soorten worden
regelmatig rustend en/of foeragerend dicht bij hoogspanningsmasten en -lijnen
waargenomen. De nieuwe verbinding doorsnijdt geen bestaande kolonies.
Draadslachtoffers
Voor broedende meeuwen worden bij het voorkeurstracé kleine aantallen
draadslachtoffers verwacht nabij kolonies ten noorden en zuiden van het
Noordzeekanaal en ten noorden van Hoofddorp. De voor meeuwen risicovolle
bovengrondse tracédelen worden met draadmarkeringen uitgerust (hoofdstuk 16). In
het broedseizoen worden daarom in totaal bij het gehele voorkeurstracé niet meer dan
enkele draadslachtoffers onder kok-, zilver-, storm- en kleine mantelmeeuw verwacht.
Incidenteel kunnen in het gehele plangebied ook lepelaar, blauwe reiger, aalscholver
en visdief draadslachtoffer worden van de bovengrondse delen van het
voorkeurstracé. Dit brengt het lokale voorkomen en de landelijke gunstige staat van
instandhouding niet in gevaar.
Niet-broedvogels en seizoenstrekkers
Het effect van het voorkeurstracé op niet-broedvogels en seizoenstrekkers is beperkt
tot, in verhouding tot de landelijke en regionale populaties van deze soorten, relatief
kleine aantallen draadslachtoffers. Dit brengt het lokale voorkomen en de landelijke
gunstige staat van instandhouding niet in gevaar. Omdat het voor veel soorten echter
om meerdere slachtoffers op jaarbasis gaat is dit als een negatief effect beoordeeld.
Het verstoringseffect op niet-broedvogels is naar verwachting (zeer) gering; in
bestaande onderzoeken zijn geen aanwijzingen te vinden dat vogels buiten het
broedseizoen belangrijke verstoringseffecten van bovengrondse hoogspanningsverbindingen ondervinden. Alleen voor ganzen is in een Duitse studie aangetoond dat
dichtheden van voedselzoekende en rustende ganzen beduidend lager zijn binnen
een afstand van 80 m ter weerszijde van de verbinding (zie ook hoofdstuk 4).
Draadslachtoffers
Het voorkeurstracé leidt tot draadslachtoffers onder niet-broedvogels en/of trekvogels.
Afhankelijk van de soort betreft het voor de gehele verbinding in totaal enkele
(bijvoorbeeld ganzensoorten) tot mogelijk een honderdtal (bijvoorbeeld eenden en
meeuwen) draadslachtoffers op jaarbasis. Ten opzichte van de regionaal verblijvende
aantallen, zijn dergelijke aantallen draadslachtoffers verwaarloosbaar tot klein.
Dit effect is met name aan de orde bij de bovengrondse tracédelen in de vogelrijke
veenweidegebieden tussen Zijkanaal C en de A200 en tussen Zuidelijke Ringvaart en
Hazerswoude-Dorp. Ook bij andere bovengrondse tracédelen van het voorkeurstracé
zijn draadslachtoffers onder niet-broedvogels en trekvogels te verwachten, maar de
156
aantallen zijn beduidend lager in vergelijking tot voornoemde gebieden. De voor
vogels risicovolle bovengrondse tracédelen worden met draadmarkeringen uitgerust
(hoofdstuk 6). Hiermee zullen de aantallen draadslachtoffers onder overdag vliegende
soorten veel lager uitvallen, maar voor soorten die vooral ’s nachts vliegen heeft dit
naar verwachting minder effect.
Overige beschermde fauna en flora
Het eventuele effect op overige beschermde fauna en flora beperkt zich tot de
aanlegfase en betreft niet of nauwelijks de gebruiksfase (onderhoud en beheer).
Eventuele negatieve effecten worden tot een verwaarloosbaar niveau beperkt of
geheel voorkomen door het toepassen van effectbeperkende maatregelen zoals
uitgewerkt ten behoeve van de ontheffingen voor de Flora- en faunawet (zie ook
hoofdstuk 6). In deze ontheffingsaanvraag (Kruijt & Brekelmans 2012) wordt
gewaarborgd dat hier tijdens de werkzaamheden rekening mee wordt gehouden.
Effectbeperkende maatregelen natuur
Voor de aanlegfase worden de te nemen effectbeperkende maatregelen voor het
voorkeurstracé opgenomen in de ontheffing(en) Flora- en faunawet. Voor de
gebruiksfase worden als effectbeperkende maatregel draadmarkeringen opgenomen
in de bliksemdraden en compensatiegeleiders in de volgende bovengrondse
tracédelen:
Tabel 8.2 Te markeren delen van de bovengrondse
Voorkeurstracé.
tracédelen van
het
Traject
Toelichting
Station Beverwijk - Noordzeekanaal
(lengte ca. 1,5 km)
Weidevogelgebied, vliegbewegingen meeuwen uit kolonie
Zijkanaal C - A200
(lengte ca. 4 km)
Weidevogelgebieden, EHS met weidevogeldoel, vliegbewegingen
kolonievogels, niet-broedvogels en seizoenstrekkers
Combilijn vanaf ‘Big Spotters Hill’ tot
opstijgpunt Kruisweg
(lengte ca. 1,4 km)
Meeuwenkolonie gemaal Cruquius
Zuidelijke Ringvaart - opstijgpunt Lange
Dwarsweg
(lengte ca. 2,7 km)
Weidevogelgebieden, vliegbewegingen niet-broedvogels en
seizoenstrekkers
opstijgpunt zuiden van Rijpwetering –
Hazerswoude-Dorp
(lengte ca. 10,5 km)
Weidevogelgebieden, vliegbewegingen niet-broedvogels (o.a. uit 'De
Wilck') en seizoenstrekkers
8.3
Noodlijnen
Tijdens het vervangen van de bestaande 150 kV Velsen-Vijfhuizen (deze vervalt nadat
Randstad380 is gerealiseerd) door de nieuwe 380 kV verbinding is het noodzakelijk
dat er tijdelijk een 150 kV noodverbinding wordt gebouwd. De noodverbinding is nodig
157
omdat de nieuwe 380 kV lijn gedeeltelijk op het bestaande tracé komt van de 150 kV
verbinding. De noodlijn wordt in twee trajecten gebouwd.
Het eerst traject van de noodverbinding zal circa drie kilometer lang zijn en het tweede
traject is circa 1,8 kilometer lang. De beide delen worden bovengronds en gefaseerd
uitgevoerd. Dat gebeurt op noodmasten en/of door middel van een grondkabel. Voor
een gedetailleerde beschrijving van de trajecten wordt verwezen naar paragraaf 7.2.5
in het MER.
Noodmasten
Het tracé met noodmasten zal bestaan uit een dubbel circuit-verbinding, waarbij per
circuit (bestaande uit 3 geleiders) een getuide mast wordt gebruikt (figuur 8.3). De
mast wordt staande gehouden door tuidraden waardoor een fundering niet nodig is.
Per mastlocatie komen twee noodmasten naast elkaar te staan. In elke mast komt een
bliksemdraad en drie geleiders (spanningsdragende draden). De masten staan acht
meter uit elkaar en het ruimtebeslag van een noodmastlocatie inclusief de tuidraden is
20 x 30 meter.
Figuur 8.3
Impressie van een noodmastlocatie met getuide masten.
Effecten noodlijnen
De effecten van de noodlijn op natuur zijn beperkt en leiden niet tot een aanpassing
van de effectbeoordeling van het voorkeurstracé.
Draadslachtoffers
Het effect op vogels is beperkt tot draadslachtoffers. De verstoringseffecten op vogels
zijn namelijk niet anders dan in de huidige situatie door de bestaande 150 kV lijnen die
worden vervangen. Er is geen sprake van wezenlijke nieuwe doorsnijding, gezien de
beperkte lengte van de noodlijnen en gezien de nabijheid van de bestaande 150 kV
tracé (of andere infrastructuur, zoals snelwegen).
158
Door de bliksemdraden in de noodlijnverbinding en de tuidraden waarmee de
noodlijnmasten worden vastgezet, kunnen draadslachtoffers ontstaan. Het risico op
een toename van het aantal draadslachtoffers door de toe te passen
noodlijnverbinding, is verwaarloosbaar vanwege een combinatie van de volgende
factoren:
- de noodlijn wordt niet in een gebied aangelegd met veel risicovolle
vliegbewegingen van vogels;
de duur van de aanwezigheid is beperkt en de lengte van de noodlijn is beperkt.
Effecten op overige natuurwaarden
Omdat er niet wordt gegraven en het ruimtebeslag gering is, worden geen belangrijke
effecten op beschermde flora en fauna (anders dan vogels) verwacht. Eventuele
aantasting van bijvoorbeeld groeiplaatsen van strikt beschermde plantensoorten
kunnen en zullen voorkomen worden. Dit wordt vastgelegd in de ontheffingsaanvraag
voor de Flora – en faunawet voor de aanlegfase (Kruijt & Brekelmans 2012).
159
160
9 Leemten in kennis en evaluatieprogramma
In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke (voor de besluitvorming) relevante informatie
tijdens het opstellen van dit achtergrondrapport niet beschikbaar was en welke
onzekerheden bij de beschrijving van de effecten op natuur bestonden. Hiermee wordt
een indruk verkregen in hoeverre deze onzekerheden de besluitvorming kunnen
beïnvloeden.
Dit hoofdstuk behandelt tevens de wenselijkheid en aard van een
evaluatieprogramma. Hiermee kunnen in principe eventuele effecten op natuur
worden geëvalueerd en worden vergeleken met de gedane voorspellingen. Ook
kunnen eventuele belangrijke leemten in kennis worden opgevuld met behulp van een
evaluatieprogramma.
9.1
Leemten in kennis
Vogels
De in dit rapport gepresenteerde gegevens geven voldoende houvast om een
verantwoorde schatting te maken van de mogelijke effecten op vogels en daar bij de
besluitvorming rekening mee te houden.
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat
voor wat betreft het voorkomen en de verspreiding van vogels in het zoekgebied geen
belangrijke leemten in kennis bestaan. Voor wat betreft de vliegbewegingen van
vogels is weliswaar minder informatie voorhanden, maar dit is voldoende voor een
verantwoorde besluitvorming. Met een monitoring- en evaluatieprogramma is een
aantal kennisleemten omtrent vliegbewegingen in te vullen (zie onder).
Overige strikt beschermde flora en fauna
De in dit rapport gepresenteerde gegevens geven voldoende houvast om een
verantwoorde schatting te maken van de mogelijke effecten op overige strikt
beschermde flora en fauna en deze evenwichtig in de besluitvorming te betrekken.
Er is beperkte informatie voorhanden over het exacte voorkomen van een aantal strikt
beschermde soorten binnen het zoekgebied. Enerzijds betreft dit algemeen en wijd
verbreid voorkomende beschermde vissoorten en platte schijfhoren. Anderzijds betreft
dit hooguit incidenteel en/of lokaal voorkomende beschermde soorten flora (orchissen)
en fauna (waterspitsmuis en noordse woelmuis). Ook de ligging van
foerageergebieden en migratieroutes van vleermuizen als ook vaste rust- en
verblijfplaatsen van vogels (jaarrond beschermde nesten) zijn voornamelijk op
hoofdlijnen bekend. Deze zijn vooral gebaseerd op landschapskenmerken, maar ten
dele ook op veldinventarisaties.
Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden worden deze kennisleemtes
waar nodig met behulp van veldonderzoek opgevuld en wordt een, door de Minister
van EL&I goedgekeurd, ecologisch werkprotocol opgesteld waarin wordt voor-
161
geschreven hoe de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd om negatieve
effecten op strikt beschermde soorten flora en fauna te voorkomen. Hiermee wordt
gegarandeerd dat geen verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet worden
overtreden. Waar nodig worden ontheffingen aangevraagd (Kruijt & Brekelmans
2012).
9.2
Aanzet monitoring- en evaluatieprogramma
Zoals verzocht in de richtlijnen voor het MER beschrijft deze paragraaf een aanzet tot
een monitoring- en evaluatieprogramma om de voorspelde effecten met de
daadwerkelijk optredende effecten te kunnen vergelijken en zo nodig aanvullende
effectbeperkende maatregelen te treffen. Het richt zich op de vogelsoorten kleine
zwaan en smient, twee soorten waarvoor het gebied 'De Wilck' is aangewezen als
Natura 2000-gebied. Beide soorten komen vanuit dit gebied naar het plangebied om
te foerageren en kunnen dan met de bovengrondse verbinding botsen en omkomen.
Tijdens het uitgevoerde onderzoek is dit tijdens twee winterseizoenen gemonitord en
is vastgesteld dat beide soorten, alsmede een scala aan andere vogelsoorten,
daadwerkelijk bij de bestaande 150 kV lijn nabij 'De Wilck' omkomen (zie bijlage 1 in
deze rapportage en Hartman et al. 2010). Indien dit onderzoek wordt herhaald bij de
nieuw te ontwikkelen verbinding nabij 'De Wilck', kunnen beide situaties (150 kV
zonder markeringen versus 380 kV met markeringen) worden geëvalueerd. Dit geeft
ook belangrijke aanvullende informatie over de effectiviteit van draadmarkeringen met
betrekking tot andere soorten vogels.
Om meer kennis te verzamelen over de (nachtelijke) activiteiten van smienten in en
rond 'De Wilck' en het plangebied, is het mogelijk een aantal vogels aan het begin van
het winterseizoen met zenders uit te rusten. Er is binnen Nederland inmiddels veel
ervaring opgedaan met het verzamelen van gegevens aan de hand van gezenderde
vogels. Het betreft onder andere vogels die zijn uitgerust met satellietzenders (zie
bijvoorbeeld www.buwa.nl). Inmiddels zijn ook kleinere en relatief goedkope,
programmeerbare zenders ontwikkeld, die op afstand en dus zonder verstoring van de
vogels kunnen worden uitgelezen (bijvoorbeeld op de dagrustplaats). Van deze
gezenderde vogels kan dan de actieradius worden bepaald en de ligging van de
nachtelijke foerageergebieden en kunnen de vliegbewegingen in detail in kaart
worden gebracht. Een dergelijk arbeidsextensief onderzoek geeft tevens inzicht in het
aantal passages over de bestaande en toekomstige hoogspanningslijnen rondom de
dagrustplaats in en bij 'De Wilck'.
Als hulpmiddel voor het monitoring- en evaluatieprogramma kan worden gedacht aan
het aanbrengen van een volautomatisch detectiesysteem op de bestaande en/of
nieuw te ontwikkelen hoogspanningslijn. Een dergelijk systeem om vogelaanvaringen
bij hoogspanningslijnen te monitoren is de afgelopen jaren in de USA ontwikkeld en
3
succesvol in gebruik genomen .
3
www.energy.ca.gov/2008publications/CEC-500-2008-020/CEC-500-2008-020.PDF
162
10 Literatuur
Akershoek, K., F. Dijk & F. Schenk, 2005. Aanvaringsrisico's van vogels met moderne,
grote windturbines. Studentenverslag van slachtofferonderzoek in drie
windparken in Nederland. Rapport 05-082. Bureau Waardenburg bv,
Culemborg.
Alblas, W., 2000. Wintervogels in de Rijnstreek 1995-2000. Rapport Vogelwerkgroep
Koudekerk/Hazerswoude e.o. Rapport
Altemüller, M.J. & M. Reich, 1997. Einflub von Hochspannungsfreileitungen auf
Brutvögel des Grünlandes. Vogel und Umwelt, Band 9, Sonderheft, Pp 111127.
Bernshausen, F., M. Strein & H. Sawitzky, 1997. Vogelverhalten an
Hochspannungsfreileitungen
–
Auswirkungnen
von
elektrischen
Freileitungen auf Vögel in durchschnittlich strukturierten Kulturlandschaften.
Vogel und Umwelt, Band 9, Sonderheft, pp 59-92.
Bernshausen, F. & J. Kreuziger, 2009. Überprüfung der Wirksamkeit von neu
entwickelten Vogelabweisern an Hochspannungsfreileitungen anhand von
Flugverhaltensbeobachtungen rastender und überwinternder Vögel am
Alfsee/Niedersachsen. Rapport, Planungsgruppe fur Natur und Landschaft,
Hungen.
Bevanger, K., 1998. Biological and conservation aspects of bird mortality caused by
electricity power lines: a review. Biological Conservation 86(1): 67-76.
Bijlsma, R.G., F. Hustings & C.J. Camphuysen, 2001. Algemene en schaarse vogels
van Nederland met vermelding van alle soorten. Avifauna van Nederland 2.
Rapport 5517. GMB / KNNV, Haarlem / Utrecht.
Braaksma, S., 1966. Draadslachtoffers bij terugmelding. Vogeljaar 14 (4) pp 147-152.
Rapport
Brekelmans, F., K. Anema & H.A.M. Prinsen, 2008. Verkenningsdocument natuur
Noordring Randstad 380 kV verbinding. Aanvullende notitie voor plangebied
Haarlemmermeer Oost. Rapport 08-072. Bureau Waardenburg, Culemborg.
Brekelmans, F.L.A. & M.J. Epe, 2004. Flora en fauna van het Van Tuyllsportpark en
omgeving, Zoetermeer. Rapport. Rapport bureau Stadsnatuur Rotterdam,
Rotterdam.
Brekelmans, F.L.A., R.R. Smits, D. Emond, L.S.A. Anema & H.A.M. Prinsen, 2007.
Verkenningsdocument natuur Noordring Randstad 380 kV verbinding.
Verkenning van kansen en knelpunten vanuit ecologie. Rapport 07-088.
Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Brekelmans, F.L.A. & F. van Vliet, 2007. Inventarisatie vleermuizen Europawijk-Zuid,
Haarlem. Onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet. Rapport 07171. Bureau Waardenburg, Culemborg.
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J. Thissen, 1992. Atlas van
de Nederlandse zoogdieren. KNNV, Hoogwoud.
Baumgärtel, K., C. Jürdens, J.T. Schmidt, 1997. Vogelschutzmaßnahmen an
Hochspannungsfreileitungen-Markierungstechnik. Vogel und Umwelt, Band
9, Sonderheft, Pp 221-237.
Delany, S. & D. Scott, 2006. Waterbird Population Estimates. Fourth Edition. Rapport
7715. Wetlands International, Wageningen.
163
Dijkstra, K.D.B., V.J. Kalkman, R. Ketelaar & M.J.T. van der Weide, 2002. De
Nederlandse Libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nederlandse
vereniging voor libellenstudie, Wageningen.
Dirksen, S. & B.G.W. Aarts, 2007. Verplaatsing Meerburgermolen naar 'De Wilck':
beschrijving en beoordeling effecten op het Natura 2000-gebied. Rapport 07016. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
van Eekelen, R., 2003. De President en de natuur. Natuurwaardenonderzoek aanleg
Bedrijvenpark De President. Rapport 03-010. Bureau Waardenburg bv,
Culemborg.
Geelhoed, S., H. Groot, E. van Huijssteeden, G. van Leeuwen & P. de Nobel, 1998.
Vogels in het landschap van Zuid-Kennemerland en de Haarlemmermeer.
Rapport Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland/KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Gmelig Meyling, A.W., R.H. de Bruyne & S.M.A. Keulen, 2006. "Inhaalslag
Verspreidingsonderzoek; mollusken van de Europese Habitatrichtlijn."
Inventarisatieperiode 2004-2005. Zeggekorfslak Vertigo moulinsiana.
ANEMOON rap.nr: 2006-02. . Rapport Stichting ANEMOON, Hillegom.
van der Grift, E.A., G.W.A. Groot Bruinderink & M. Goossen, 2005. Ontsnippering
Zuid-Kennemerland; nut en noodzaak van faunapassages bij de
Zandvoortselaan, spoorlijn Haarlem-Zandvoort en Zeeweg. Rapport 1198.
Rapport Alterra, Wageningen.
Gutsmiedl, L. & T. Troschke, 1997. Untersuchungen zum Einfluß einer 110-kVFreileitung auf eine Graureiher-Kolonie sowie auf Rastvögel. Vogel und
Umwelt, Band 9, Sonderheft, Pp 191-209.
Haack, C.T., 1997. Kollisionen von Bläßgänsen (Anser albifrons) mit einer
Hochspannungsfreileitung bei Rees (Unterer Niederrhein), NordrheinWestfalen. Vogel und Umwelt, Band 9, Sonderheft, Pp 295-299.
Hartman, J.C., A. Gyimesi & H.A.M. Prinsen, 2010. Zijn vogelflappen effectief als
draadmarkering in een hoogspanningslijn? Veldonderzoek naar
draadslachtoffers en vliegbewegingen bij een gemarkeerde 150 kV
verbinding. Rapport 10-082. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Hartman, J.C. & H.A.M. Prinsen, 2011. Passende beoordeling van de effecten van
Randstad380 Noordring op Natura 2000-gebied 'De Wilck'. Rapport 11-010.
Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Heijnis,
R.,
1976.
Vogels
onderweg.
Duizenden
hoogspanningsdraden. SOVON, Beek-Ubbergen.
vogels
slachtoffer
Hoerschelmann, H., W. Brauneis & K Richarz, 1997. Erfassung des Vogelfluges zur
Trassenwahl für eine Hochspannungsfreileitung. Vogel und Umwelt, Band 9,
Sonderheft, Pp 41-58.
Holland, R.A., K. Thorup, M.J. Vonhof, W.W. Cochran, M. Wikelski, 2006. Bat
orientation using Earth's magnetic field. Nature 444: 702.
Janss, G. F. E., 2000. Avian mortality from power lines: a morphologic approach of a
species-specific mortality. Biological Conservation 95(3): 353-359.
van der Jeugd, H., B. Voslamber, Chr. van Turnhout, H. Sierdsema, N. Feige, J.
Nienhuis & K. Koffijberg, 2006. Overzomerende ganzen in Nederland:
grenzen aan de groei? SOVON-onderzoeksrapport 2006/02. SOVON
Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
de Jong, Th. & M.H. van den Brink, 1995. Beschermde planten en dieren langs de
Rijngouwelijn. Rapport Bureau Viridis, Culemborg.
164
Johnson, G.D., W.M. Erickson, M.D. Strickland, M.F. Shepherd, D.A. Shepherd, S.A.
Sarappo, 2003. Mortality of bats at a large-scale wind power development at
Buffalo Ridge, Minnesota. American Midland Naturalist 150: 332-342.
Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en
verspreiding. Rapport 6924. Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs BV en
provincie Noord-Holland, Haarlem.
Koffijberg, K., B. Voslamber & E. van Winden, 1997. Ganzen en zwanen in Nederland.
Overzicht van pleisterplaatsen in de periode 1985-94. SOVON/IKC
Natuurbeheer, Beek-Ubbergen.
Koopman, A.D.G., I. Hille Ris Lambers & G.F.J. Smit, 2003. Natuurwaarden gemeente
Velsen. Voorgenomen ruimtelijke ingrepen in het buitengebied in relatie tot
natuurwaarden en compensatieplicht. Rapport 03-094. Bureau Waardenburg
bv, Culemborg.
Koopman, A.D.G. & G.F.J. Smit, 2003. Quick scan Zuidtak. Natuurwaarden langs
Zuidtak tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Rapport 03-127. Bureau
Waardenburg bv, Culemborg.
Koopman, A.D.G., F. van der Vliet, B. Achterkamp, P.H.N. Boddeke & M. van der Valk,
2006. Beoordeling beschermde soorten Spaernhove, Cruquius. Quick scan
en inventarisatie vleermuizen in het kader van de Flora- en faunawet.
Rapport 06-103. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Koops, F.B.J., 1987. Draadslachtoffers in Nederland en effecten van markering.
Rapport .
Koops, F.B.J., & J. de Jong, 1982. Vermindering van draadslachtoffers door markering
van hoogspanningsleidingen in de omgeving van Heerenveen.
Elektrotechniek 60(12): 641-646.
Kruijt, D.B. & F.L.A. Brekelmans, 2012. Projectomschrijving Randstad 380 Noordring.
Begeleidende rapportage ten behoeve van ontheffingsaanvraag ex artikel 75
van de Flora- en faunawet - aanlegfase. Rapport 10-167. Bureau
Waardenburg bv, Culemborg.
Krijgsveld, K.L., H.A.M. Prinsen, R.C. Fijn, W. Tijsen & R. Lensink, 2007.
Aanvaringsrisico’s van grote windturbines voor ganzen en zwanen. Rapport
07-091 Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Kuijper, D.P.J., J. Schut, A.-J. Haarsma, J. Ouwehand, H.J.G.A. Limpens & D. van
Dullemen, 2006. Meervleermuizen in Friesland: kennisontwikkeling voor
soortbescherming. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek en
Zoogdiervereniging VZZ, Veenwouden/Arnhem.
Lange, R., P. Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van WestEuropa, 2de druk. Rapport 6922. Uitgeverij KNNV en VZZ, Utrecht.
Lensink, R., 1996. 33 KOPERWIEKEN ZW 4 Vogeltrek in het binnenland.
Wetenschappelijke Mededeling KNNV 217. KNNV, Utrecht.
Lensink, R., H. van Gasteren, F. Hustings, L. Buurma, van Duin G., L. Linnartz, F.
Vogelzang & C. Witkamp, 2002. Vogeltrek over Nederland 1976-1993.
Schuyt & Co, Haarlem.
Lensink, R., H.A.M. Prinsen, P.W. van Horssen & K.L. Krijgsveld, 2003. Het
voorkomen van vogels op en rond de luchthaven Schiphol in relatie tot
vliegveiligheid, in het bijzonder op de Vijfde baan. Rapport 03-054. Bureau
Waardenburg bv, Culemborg.
Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen.
Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Natuurhistorische bibliotheek 65.
KNNV, Hoogwoud.
165
LWVT/SOVON, 2002. Vogeltrek over Nederland 1976-1993. Rapport 5861. Schuyt &
Co, Haarlem.
Melchers, M. & G. Timmermans, 1991. Haring in het IJ. De verborgen dierenwereld
van Amsterdam. Stadsuitgeverij Amsterdam, Amsterdam.
de Nie, H.W., 1996. Atlas van de nederlandse zoetwatervissen. NUGI 823. Stichting
Atlas Verspreiding Nederlandse Zoetwatervissen, Doetinchem.
Osieck, E.R. & J.F. de Miranda, 1972. Vogelsterfte door hoogspanningsleidingen
Poot,
M.J.M., M. van Wouwe & T.J. Boudewijn, 2000. Onderzoek naar
vliegbewegingen van watervogels in de Dordtsche en Brabantsche
Biesbosch. Veldverslagen van onderzoek rond slaapplaatsen in de winter
van 1999/2000. Rapport 00-025. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Prinsen, H.A.M., K.L. Krijgsveld, P.W. van Horssen, R.M.G. van der Hut & R. Lensink,
2003. Risico's voor vogels op potentiële locaties van windturbines in de
provincie Zuid-Holland. Deel 1: verslag van onderzoek in winter 2002-2003.
Rapport 03-016. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Prinsen, H.A.M., R.R. Smits, F.L.A. Brekelmans, L.S.A. Anema, D. Emond & S.
Dirksen, 2009. Achtergrondrapport natuur MER Zuidring Randstad 380 kV
verbinding. Rapport 08-003. Rapport Bureau Waardenburg, Culemborg.
Prinsen, H.A.M., R.C.W. Strucker, L.S.A. Anema, P.W. van Horssen & R. Lensink,
2004. Risico's voor vogels op potentiële locaties voor windturbines in de
provincie Zuid-Holland. Deel 2: verslag van onderzoek in winter 2003 - 2004.
Rapport 04-045. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Provincie Noord-Holland, 2000. Natuurdoeltypen in Noord-Holland. De natuurdoelenkaart met toelichting. Rapport Provincie Noord-Holland, Haarlem.
Provincie Noord-Holland, 2010. Ecologische Hoofdstructuur Noord-Holland. Stand van
zaken, herijking en toekomst. Rapport Provincie Noord-Holland, Haarlem.
Provincie Zuid-Holland, 2004. Beschermde planten en dieren in Zuid-Holland. De
verspreiding van de Europese Habitatrichtlijnsoorten in kaart. Provincie ZuidHolland, Den Haag.
Rees, E.C., & J.H. Beekman, 2010. Northwest European Bewick’s Swans: a
population in decline. British Birds 103: 640-650.
Renssen, T.A., 1977. Vogels onder hoogspanning. Stichting Natuur en Milieu i.s.m.
Vogelbescherming Nederland, Zeist.
Rijnsdorp, A.D., 1986. Winter ecology and food of Wigeon in inland pasture areas in
The Netherlands. Ardea. Rapport Theo.
van Roomen, M., E van Winden, K. Koffijberg, B Ens, F. Hustings, R. Kleefstra, J.
Schoppers, C. van Turnhout, L. Soldaat & Sovon Ganzenen Zwanenwerkgroep, 2006. Watervogels in Nederland 2004/2005. Rapport
7691. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
van Roomen, M., E. van Winden, F. Hustings, K. Koffijberg, R. Kleefstra & L. Soldaat,
2005. Watervogels in Nederland in 2003/2004. SOVON-monitoringrapport
2005/03; Riza-rapport BM05.15. Rapport 7400. Sovon, Beek-Ubbergen.
van Roomen, M., E. van Winden, K. Koffijberg, L. van den Bremer, B. Ens, R.
Kleefstra, J. Schoppers, J Vergeer, W. & L. Sovon Ganzen- en
Zwanenwerkgroep & Soldaat, 2007. Watervogels in Nederland 2005/2006.
Dit meetnet is onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring. SOVON,
Beek-Ubbergen.
van Roomen, M., E. van Winden, K. Koffijberg, R. Kleefstra, G. Ottens & B.
Voslamber, 2004. Watervogels in Nederland in 2001/2002. SOVON-
166
monitoringsrapport 2004/01 / RIZA-rapport BM04.01. Rapport 6539.
SOVON, Beek-Ubbergen.
van Roomen, M., E. van Winden, K. Koffijberg, B. Voslamber, R. Kleefstra & G.
Ottens, 2002. Watervogels in Nederland in 2000/2001. SOVONmonitoringsrapport 2002/04, RIZA-rapport BM02.15. SOVON, BeekUbbergen.
van Roomen, M.W.J., A. Boele, M.J.T. van der Weide, E.A.J. van Winden & D.
Zoetebier, 2000. Belangrijke vogelgebieden in Nederland 1993-97. Actueel
overzicht van Europese vogelwaarden in aangewezen en aan te wijzen
speciale beschermingszones en andere vogelgebieden. Informatierapport
2000/01. SOVON, Beek-Ubbergen.
Rubolini, D., M. Gustin, G. Bogliani & R. Garavaglia, 2005. Birds and powerlines in
Italy: an assessment. Bird Conservation International 15(2): 131-145.
Sandberg, E., 2005. Delfland - Lepelland. 16 jaar Lepelaars; waarnemingen en
onderzoek. Rapport Vogelwacht 'Delft en omstreken', Delft.
Scott, G.J., L. J. Roberts & C. J. Cadbury, 1972. Bird deaths from powerlines at
Dungeness. British Birds 65 (7): pp 273-286.
Slob, G.J., 1972. Vondst van dode kolganzen onder de 150kV leiding Goes –
Ellewoutsdijk “bij de Peel”. Vogeljaar 20 (4): pp 154-156.
Smallwood, K.S., 2007. Estimating wind turbine-caused bird mortality. The Journal of
Wildlife Management 71 (8): 2781-2791.
Sossinka, R. & H. Ballasus, 1997. Verhaltensökologische Betrachtungen von Effecten
der Industri landschaft auf freilebende Vögel unter besonderer Berücksichtigt
von Freileitungen. Vogel und Umwelt, Band 9, Sonderheft, pp 19-27.
SOVON, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse
Fauna 5. Verspreiding aantallen verandering. Rapport 6112. Nationaal
Natuurhistorisch Museum Naturalis / KNNV Uitgeverij & European
Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
SOVON & CBS, 2005. Trends van vogels in het Nederlandse Natura 2000 netwerk.
SOVON-informatierapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland,
Beek-Ubbergen.
Steenvoorden, W., 2007. Waar zijn de Kleine Zwanen die op de Vogelplas Starrevaart
overnachten, overdag, wat doen ze daar en wat is hun toekomst?
Stageverslag. Rapport Centrum voor Milieuwetenschappen Universiteit
Leiden, Leiden.
Tanger, D, 2007. In bomen broedende lepelaars bij Haarlem. Tussen Duin en Dijk 6: 89.
Tijsen, W., 2010. Kleine zwanennieuws 2009-10 nr. 8, februari 2010. Ouderwetse
(winter)verspreiding. Nieuwsbrief uitgegeven in eigen beheer.
Tijsen, W. & H. Schobben, 2010. Bewick's Swan news 2009-10 nr. 7, januari 2010.
Sombere maar vruchtbare swanholliday. Nieuwsbrief uitgegeven in eigen
beheer.
Trapp, H., D. Fabian, F. Forster, O. Zinke, 2002. Fledermausverluste in einem
Windpark in der Oberlausitz. Naturschutzarbeit in Sachsen 44: 53-56.
Verbeek, R. G. & H.A.M. Prinsen, 2012. Draadslachtoffers bij hoogspanningsverbinding Randstad380 Noordring. Begeleidende notitie ten behoeve van
ontheffingsaanvraag ex artikel 9 van de Flora- en faunawet. Rapport 08-122.
Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
Verboom, B & H.J.G.A. Limpens, 2001. Windmolens en vleermuizen. Zoogdier 12: 1317.
167
Voslamber, B., E. van Winden & K. Koffijberg, 2004. Atlas van ganzen, zwanen en
Smienten in Nederland. SOVON-onderzoeksrapport 2004/08. SOVON
Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
van der Winden, J., P.W. van Horssen & M.J.M. Poot, 2010. Slaapplaatsen en
foerageergebieden van Purperreigers in het Groene Hart in de nazomer.
Limosa 83: 109-118.
van der Winden J. & P.W. van Horssen, 2001. Voedselgebieden van de Purperreiger
in Nederland. Rapport 01-011. Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
168
Bijlage 1: Draadslachtoffers onder 150 kV lijn bij
'De Wilck'
B1.1
Inleiding
In het kader van de m.e.r.-procedure voor de aanleg van een
hoogspanningsverbinding tussen Zoetermeer en Beverwijk (Noordring Randstad 380
kV verbinding) is nader onderzoek gewenst naar de effecten van de alternatieven op
het Natura 2000-gebied 'De Wilck'. 'De Wilck' is van internationaal belang als
overwinteringsgebied voor kleine zwaan en smient (zie paragraaf 3.1.1).
Uit de literatuur is niet goed bekend hoe beide soorten reageren op een
hoogspanningslijn, maar smient is in het verleden wel regelmatig als draadslachtoffer
vastgesteld (bijvoorbeeld 62 exemplaren in de periode 1971 – 1975 in Polder
Westzaan, Heijnis 1976). Van kleine zwaan is geen informatie voorhanden, maar een
vergelijkbare soort, knobbelzwaan, wordt wel regelmatig als draadslachtoffer
vastgesteld (bijvoorbeeld 12 exemplaren in Polder Westzaan tussen 1973 – 1975,
Heijnis 1976).
Op basis van de bestaande informatie is niet nauwkeurig te bepalen hoeveel
draadslachtoffers van beide soorten te verwachten zijn bij de nieuwe verbinding.
Daarom is in winter 2007/2008 nader onderzoek uitgevoerd naar vliegbewegingen van
kleine zwaan en smient in de omgeving van 'De Wilck' en naar het aantal
draadslachtoffers van beide soorten onder de bestaande 150 kV lijn ten oosten van dit
gebied. Informatie over het onderzoek naar vliegbewegingen is gepresenteerd in
hoofdstuk 2 (methode) en hoofdstuk 3 (resultaten). In deze bijlage worden de
methoden en resultaten van het draadslachtofferonderzoek gepresenteerd. In het
hoofdrapport en in bijlage 2 worden deze resultaten gebruikt om de mogelijke effecten
op het Natura 2000-gebied 'De Wilck' te bepalen en beoordelen.
B1.2
Onderzoeksgebied en methode
Onderzoeksgebied en -intensiteit
Van half november 2007 tot half februari 2008 is door medewerkers van Bureau
Waardenburg tweemaal per week naar draadslachtoffers gezocht onder de bestaande
150 kV lijn in de Hondsdijkse Polder ten noorden van de Oude Rijn en in de polders
tussen de N11 en Hazerswoude-Dorp ten zuiden van de Oude Rijn (figuur B1.1). In
beide gebieden zijn vijf veldlengtes (de lengte tussen twee masten) onderzocht. Ten
noorden van de Oude Rijn komt dit overeen met circa 2,4 km lengte, ten zuiden van
de Oude Rijn met circa 2,1 km lengte. Vanuit het hart van de lijn bezien is door twee
waarnemers aan weerszijden een strook van 40 meter afgezocht op dode en
gewonde vogels. Beide personen volgden een rechte lijn en onderzochten aan
weerszijden van deze lijn een zone van 10 meter breed. Dit betekende dat de eerste
persoon op 10 meter afstand van het hart van de hoogspanningslijn liep en de tweede
169
persoon op 30 meter afstand. Op de terugweg werd door beide waarnemers de
onderzoeksstrook aan de andere kant van de hoogspanningslijn afgezocht.
Figuur B1.1 Kaart van het onderzoeksgebied met daarin met geel aangegeven het
gedeelte van de huidige 150 kV-lijn waaronder gedurende twee winters
draadslachtoffertellingen zijn uitgevoerd en de locatie van Natura 2000gebied 'De Wilck'.
Draadslachtoffers
Van elk aangetroffen vogelkadaver is de locatie tot op een meter nauwkeurig
vastgelegd met een DGPS (figuur B1.2) en is in het veld, indien mogelijk, de soort, het
kleed (geslacht en leeftijd), de doodsoorzaak, versheid en staat van het kadaver
(inclusief verwondingen en tekenen van predatie) op een formulier in een
veldcomputer ingevuld. Indien de soort niet in het veld kon worden gedetermineerd,
zijn veren verzameld en foto’s gemaakt. Hiermee kon in de meeste gevallen op
kantoor met behulp van verengidsen en websites met fotos van veren alsnog de soort
worden gedetermineerd. Verse kadavers die nog niet sterk waren gepredeerd zijn op
dezelfde locatie achtergelaten om verdwijnsnelheid en predatie te monitoren. Deze
kadavers zijn gemarkeerd (bijvoorbeeld door het knippen van enkele vleugelveren) om
later dubbeltellingen van versleepte kadavers uit te kunnen sluiten. Alle andere (resten
van) kadavers zijn uit het onderzoeksgebied verwijderd.
Aan elke vondst is door de veldcomputer een unieke code toegekend. Tijdens de
opeenvolgende bezoeken zijn, met behulp van een digitale kaart in de veldcomputer,
eerdere vondsten opgezocht en is nieuwe informatie over de staat van het kadaver
170
verzameld. Alle informatie is op kantoor met verwerkt in een database en met GIS aan
een kaart gekoppeld.
Figuur B1.2 Invoeren van gegevens over een draadslachtoffer in de veldcomputer en
locatiebepaling met DGPS.
Verdwijn- en vindkansproeven
In (draad)slachtofferonderzoek dient rekening te worden gehouden met het verdwijnen
van dode of gewonde vogels doordat predators en aaseters deze uit het zoekgebied
verwijderen. Ook is het mogelijk dat niet alle draadslachtoffers worden gevonden
doordat dode vogels binnen het zoekgebied worden gemist en/of doordat dode of
gewonde vogels buiten het zoekgebied terecht komen.
Voor beide factoren, die leiden tot onderschatting van het werkelijk aantal
draadslachtoffers, is het mogelijk correcties uit te voeren aan de hand van resultaten
van verdwijn- en vindkansproeven (Akershoek et al. 2005; Krijgsveld et al. 2007;
Smallwood 2007).
171
Onderzoek naar de verdwijnsnelheid van dode vogels bij de 150kV-lijn is uitgevoerd
door een deel van de gevonden draadslachtoffers binnen het zoekgebied te laten
liggen en de predatie van deze vogels gedurende het onderzoek te monitoren.
Daarnaast zijn op 12 december 2007 in totaal 13 eendenkadavers uitgelegd om de
verdwijnsnelheid van eendachtigen (relevant in verband met de effectbepaling voor
smient, zie paragraaf 5.2) intensiever te monitoren. Deze vogels zijn dagelijks
gecontroleerd gedurende vijf dagen na het uitleggen en daarna tweemaal per week.
Op 12 december 2007 zijn aanvullend twee eendenkadavers uitgelegd onder de 150
kV lijn ten noorden van Hazeerswoude-Dorp, die gedurende een week continu met
een automatische infraroodgevoelige camera met harddiskrecorder en
bewegingsmelder zijn gemonitoord om te zien welke aaseters in het studiegebied op
draadslachtoffers prederen (figuur B1.3).
Figuur B1.3 Infraroodgevoelige camera met bewegingssensor
mastvoet bij uitgelegd eendenkadaver.
gemonteerd
op
De vindkansproef bestaat uit het uitleggen van gemarkeerde dode vogels in het
zoekgebied zonder dat de personen die draadslachtoffers zoeken hier weet van
hebben. Het aantal vogels dat wordt teruggevonden is een maat voor de
zoekefficiëntie. In de loop van het onderzoek zijn hiervoor negen wilde eenden
uitgelegd. Omdat van veel gepredeerde kadavers de vleugels (al dan niet verbonden
door de schoudergordels) na predatie achterblijven, zijn de vleugels en de lichamen
van deze eendenkadavers apart van elkaar uitgelegd. Hiermee is het vinden van
(deels) gepredeerde kadavers gesimuleerd. Het uitleggen gebeurde telkens op de
avond of ochtend voor een zoekactie.
172
B1.3
Resultaten
Draadslachtoffers
Tijdens het onderzoek onder de bestaande 150 kV lijn in Gemeente Rijnwoude zijn in
totaal 251 (mogelijke) draadslachtoffers gevonden (tabel B1.1 en figuur B1.4). Het
betrof minimaal 32 vogelsoorten. Van negen kadavers kon de soort(groep) niet
worden vastgesteld. Het merendeel (59%) van de slachtoffers betrof (vrij) zeker een
draadslachtoffer, van de overige slachtoffers kon niet worden uitgesloten dat het
bijvoorbeeld een prooi van een slechtvalk betrof. In het onderzoeksgebied
overwinterden gedurende de winter 2 à 3 slechtvalken, die ook regelmatig in het
gebied jagend zijn waargenomen of in één van de hoogspanningsmasten op de uitkijk
zaten.
Een belangrijk deel van de gevonden dode vogels betrof eenden (29%), steltlopers
(22%), ralachtigen (14%) en meeuwen (11%). Tabel B1.2 geeft de top tien van
gevonden soorten en een overzicht van alle gevonden eenden weer. De tien meest
gevonden soorten nemen 70% van het totaal aantal dode vogels in beslag.
In tabel B1.3 is weergegeven in welke veldlengte (segment) de dode vogels gevonden
zijn. Ongeveer tweederde van het aantal dode vogels is gevonden onder de
veldlengtes ten zuiden van de Oude Rijn, met de grootste aantallen onder de eerste
drie onderzochte veldlengtes ten noorden van Hazerswoude-Dorp. In de polders ten
zuiden van de Oude Rijn zijn ook meer dode smienten gevonden dan in de polders
ten noorden van de Oude Rijn (13 respectievelijk 7 exemplaren, figuur B1.5). De twee
dode kleine zwanen zijn beiden gevonden in veldlengte 9 (figuur B1.5).
173
Tabel B1.1 Gevonden aantal (mogelijke) draadslachtoffers per soort(groep) in de
periode november 2007 t/m februari 2008 onder de bestaande 150 kV
hoogspanningslijn in de polders aan weerszijden van de Oude Rijn
(Gemeente Rijnwoude). Onderscheid is gemaakt tussen (vrij) zekere en
mogelijke draadslachtoffers.
soort
fuut
aalscholver
blauwe reiger
heilige ibis
knobbelzwaan
kleine zwaan
grauwe gans
ongedetermineerde eend
wilde eend
slobeend
smient
wintertaling
waterral
waterhoen
meerkoet
waterhoen of meerkoet
goudplevier
kievit
bonte strandloper
wulp
watersnip
houtsnip
ongedetermineerde meeuw
kokmeeuw
stormmeeuw
zilvermeeuw
kleine mantelmeeuw
postduif
houtduif
turkse tortel
ongedetermineerde duif
kramsvogel
merel
zwarte kraai
spreeuw
keep
onbekende vogelsoort
eindtotaal
174
draadslachtoffer
(vrij) zeker
1
1
mogelijk
1
1
5
2
2
7
23
1
15
16
3
19
1
9
2
3
4
11
2
1
1
7
1
1
1
2
1
4
147
2
12
5
5
4
1
6
12
1
6
12
2
5
4
2
4
6
1
4
1
1
2
5
104
totaal
1
1
1
1
7
2
2
19
28
1
20
4
1
6
28
1
9
31
1
11
7
4
5
4
15
2
1
1
13
2
5
1
1
3
2
1
9
251
Figuur B1.4 Vindlocaties van de 251 dode vogels gevonden in de periode half
november 2007 - half februari 2008 onder de 150 kV lijn in de polders
aan weerszijden van de Oude Rijn (Gemeente Rijnwoude). Links
lijnsegmenten in de Hondsdijkse Polder ten noorden van de Oude Rijn,
rechts lijnsegmenten tussen Hazerswoude-Dorp en de N11 ten zuiden
van de Oude Rijn (zie ook figuur B1.1).
175
Tabel B1.2 Top tien van gevonden dode vogels en een overzicht van de gevonden
dode eenden. Percentages gebaseerd op totaal aantal van 251
(mogelijke) draadslachtoffers.
soort
kievit
meerkoet
wilde eend
smient
eend spec.
stormmeeuw
houtduif
wulp
goudplevier
watersnip
totaal
aantal
% van totaal
eenden
aantal
31
28
28
20
19
15
13
11
9
7
12,4
11,2
8,8
8,0
7,6
6,0
5,2
4,4
3,6
2,8
wilde eend
smient
ongedetermineerd
wintertaling
slobeend
28
20
19
4
1
175
69,7
totaal
72
Figuur B1.5 Overzicht van de locaties van de dode smienten (linker figuren) en
zwanen (rechter figuren) gevonden in de periode half november 2007 half februari 2008 onder de 150 kV lijn in de polders aan weerszijden van
de Oude Rijn (Gemeente Rijnwoude).
176
Tabel B1.3 Overzicht van (mogelijke) draadslachtoffers per veldlengte. Voor locatie
van veldlengtes, zie figuur B1.1.
soort
fuut
aalscholver
blauwe reiger
heilige ibis
knobbelzwaan
kleine zwaan
grauwe gans
ongedetermineerde eend
wilde eend
slobeend
smient
wintertaling
waterral
waterhoen
meerkoet
waterhoen of meerkoet
goudplevier
kievit
bonte strandloper
wulp
watersnip
houtsnip
ongedetermineerde meeuw
kokmeeuw
stormmeeuw
zilvermeeuw
kleine mantelmeeuw
postduif
houtduif
turkse tortel
ongedetermineerde duif
kramsvogel
merel
zwarte kraai
spreeuw
keep
onbekende vogelsoort
totaal
veldlengte
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
1
2
1
1
1
1
1
1
1
2
1
1
4
12
4
2
3
3
2
2
3
2
4
3
3
1
1
2
6
1
2
1
2
1
2
1
2
2
5
4
1
3
1
1
5
5
3
1
6
1
2
3
2
1
1
1
3
1
2
1
1
1
1
4
1
2
2
1
3
1
1
1
4
2
1
2
2
1
2
2
3
1
1
2
2
2
1
4
2
1
2
1
1
1
1
1
3
1
1
1
2
3
2
1
1
1
2
1
2
1
2
4
1
1
1
3
1
1
1
1
1
2
1
3
1
1
1
49
34
41
25
2
1
32
25
1
21
22
30 27
Verdwijnsnelheid
Om een inschatting te kunnen geven van de verdwijnsnelheid van draadslachtoffers
onder smient, is een proef uitgevoerd met uitgelegde dode eenden (n=13). In figuur
B1.6 is de resterende fractie van de eenden tegen de tijd uitgezet. Van de uitgelegde
eenden was na vier dagen 15% verdwenen, na twee weken was 70% verdwenen.
177
Verdwijnsnelheid uitgelegde eenden (n=13)
1,20
1,00
y = -0,0016x 2 - 0,0292x +
1,0304
R2 = 0,9601
0,80
0,60
0,40
0,20
0,00
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
aantal dagen na uitleggen
Figuur B1.6 Verdwijnsnelheid uitgelegde eenden op basis van uitlegproef.
In de periode van 12 december tot en met 21 december 2007 is op twee locaties
onder 150 kV lijn ten noorden van Hazerswoude-Dorp de predatie van twee
uitgelegde dode eenden gemonitoord met twee infraroodgevoelige cameras. De
cameras maakten opnamen wanneer een bijgeplaatste bewegingsmelder een dier
detecteerde (gebaseerd op warmteverandering). Van de twee geplaatste opstellingen
heeft slechts één goed gefunctioneerd. Op 15 december is ’s middags de dode eend
van de niet functionerende camera verplaatst naar de goede camera. Deze opstelling
lijkt verder goed te hebben gefunctioneerd tot de accu's opraakten, vermoedelijk in de
nacht van 16 op 17 december. In de middag van 18 december zijn de accu's
vervangen waarna de opstelling nog heeft gefunctioneerd tot 21 december 2007.
Na plaatsing van de cameraopstelling en het uitleggen van de dode eenden op 12
december, is de eerste aasetende buizerd vastgesteld op de ochtend van 15
december (figuur B1.7). Ook op 16 december zijn verschillende keren aasetende
buizerds, inclusief twee ruziënde exemplaren, nabij en op het aas gefilmd. Zowel
overdag als in de vroege ochtend zijn regelmatig hazen gefilmd die door het beeld
renden. Na 16 december zijn tot 20 december alleen avond- en nachtbezoeken van
twee katten vastgelegd, gevolgd door een aasetende bunzing in de nacht van 21
december.
178
Figuur B1.7 Aasetende buizerd (links) en kat (rechts) op uitgelegde dode eend,
gefilmd met infraroodgevoelige camera onder de 150 kV lijn ten noorden
van Hazerswoude-Dorp, december 2007.
Vindkansproef
De vindkansproef is uitgevoerd om te bepalen welk percentage van de aanwezige
draadslachtoffers door de veldwaarnemers wordt gevonden. Van de uitgelegde
eendenkadavers is op de dag na het uitleggen 44% van de lichamen (n=9)
teruggevonden en 31% van de vleugels (n=16). Tijdens het volgende bezoek (drie
dagen later) zijn nog enkele vogels teruggevonden, waardoor na twee keer zoeken in
totaal 67% is teruggevonden van de lichamen en 38% van de vleugels. Hierbij is
rekening gehouden met het verdwijnen door predatie door aaseters.
179
180
Bijlage 2: Begrippenlijst
Aanwijzingsbesluit Natura 2000
Definitieve aanwijzing door Rijksoverheid van Natura 2000-gebieden in Nederland.
Aardmagnetisch veld
Magnetisch krachtveld rondom de aarde dat vrijhangende magneten richt en onder
andere door seizoenstrekkers gebruikt wordt om zich te oriënteren.
Afpalingskring
Gebied met een straal van een bepaald aantal meters rondom een eendenkooi
waarbinnen het verboden is activiteiten te ontplooien die de eenden in de kooi kunnen
verontrusten. De afpalingskring van de Eendenkooi Vijfhuizen bedraagt 1.318 m.
Amfibieën
Gewervelde dieren met een naakte huid (kikkers, padden, salamanders).
Autonome ontwikkeling
Op zichzelf staande of afzonderlijk bekeken ontwikkeling.
Barrièrewerking
Effect van een (ruimtelijke) ingreep waardoor vogels en andere dieren worden
gehinderd om zich te verplaatsen van het ene naar het andere gebied.
Biogeografische populatie
Een biogeografische populatie (ook wel aangeduid als flyway-populatie) van een
vogelsoort is een uit een bepaald broedgebied afkomstige populatie (groep) van
vogels, die niet of nauwelijks (genetische) uitwisseling heeft met andere populaties
(van Roomen et al. 2000).
Biotoop
Bepaalde plek of gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde planten of
dieren kunnen gedijen.
Breedfronttrek
Verspreide trek van vogels (als een ‘breed front’) over bepaalde gebieden. In
tegenstelling tot gestuwde plek vindt er op de trekroute geen stuwing plaats.
DGPS
GPS systeem dat voor de plaatsbepaling zowel gebruik maakt van satellieten als
radiogolven en daardoor nauwkeuriger (tot op de meter nauwkeurig) is dan een
gewoon GPS systeem.
181
Doorsnijding
Het in figuurlijke zin doorsnijden van een ruimtelijke zone door een bouwwerk als een
hoogspanningslijn.
Draadslachtoffers
Gewonde of dode vogelslachtoffers als gevolg van een aanvaring met een
bovengrondse hoogspanningslijn.
Droogmakerijen
Een voormalig veengebied dat in het verleden is uitgeveend, zodat er diepe plassen
ontstonden, die daarna zijn drooggemalen en in cultuur gebracht voor
landbouwkundige doeleinden.
Ecologie
Leer van de betrekkingen of relaties tussen organismen en hun omgeving.
Eendenkooi
Locatie waar door middel van een systeem van sloten (‘vangpijpen’) en een vijver in
het wild levende eenden worden gelokt ten behoeve van consumptie. Tegenwoordig
worden veel eendenkooien gebruikt om eenden te ringen voor wetenschappelijk
onderzoek.
Effectbeoordeling
Een beoordeling van effecten van een ontwikkeling of ingreep, aan de hand van een
effectbepaling.
EVZ
Ecologische Verbindingszone. Natuurgebied die als verbinding functioneert tussen
verschillende natuurgebieden. Planten en dieren kunnen door middel van een
verbindingszone zich verplaatsen tussen grotere natuurkernen/ -gebieden.
Deskundigenoordeel
Het oordeel van (externe) deskundigen ten behoeve van een bepaald vraagstuk.
Fasedraden
Een enkele draad of meerdere draden waardoor stroom wordt getransporteerd (ook
geleiders genoemd).
Flora- & faunawet
Nationale wet, van kracht sinds 2002, welke de bescherming van dier- en
plantensoorten regelt.
Foerageren
Het zoeken naar voedsel door dieren.
182
Gelijkstroom
Elektrische stroom die steeds dezelfde richting behoudt, dit in tegenstelling tot
wisselstroom.
Gestuwde trek
Concentratie van vogels op seizoenstrek op bepaalde plekken zoals kustlijnen,
veroorzaakt door bijvoorbeeld groot open water dat seizoenstrekkers niet durven over
te steken.
Habitat
Leefgebied of groeiplaats van een bepaald organisme.
Habitateisen
Eisen of randvoorwaarden welke een organisme aan het habitat stelt.
Habitatrichtlijn
Europese richtlijn uit 1992 waarin voor bepaalde natuurtypen, planten en dieren
(anders dan vogels) beschermde natuurgebieden zijn aangewezen.
Hoogspanningslijnen
Lijnen tussen de masten waar de elektriciteit door middel van draden/geleiders door
getransporteerd wordt.
Hoogspanningsnet
Transportnet van hoogspanningslijnen voor transport van elektrische energie vanaf
elektriciteitscentrales en tussen distributienetwerken.
Hoogspanningsverbinding
Verbinding tussen twee punten waar stroom door getransporteerd kan worden, zijnde
een bovengrondse of een ondergrondse verbinding.
Kolonie
Groep samenlevende dieren, zoals een groep broedende vogels.
Kwel
Water dat uit de ondergrond omhoog komt, afkomstig van verderop en hogerop
gelegen gebieden.
Laagveenpolder
Polder met een veenbodem (veen bestaat uit onverteerde plantenresten en is
doorgaans nat, sponsachtig en zuurstofarm).
Landschapselement
Vaak door mensen aangelegd element binnen een (doorgaans) agrarisch landschap,
zoals bosjes en houtwallen.
183
Masterplan
Veelomvattend, uit vele onderdelen en uitvoeringsfasen bestaand plan.
Microtesla
Een miljoenste deel van een Tesla, de eenheid waarmee magnetische velden worden
uitgedrukt. Strikt genomen wordt met microTesla de magnetische inductie
aangegeven, maar in de praktijk wordt dit vaak magnetische veldsterkte genoemd.
Milieueffecten
Effecten op de leefomgeving door een bepaalde ingreep of maatregel.
Mitigeren
Het nemen van verzachtende maatregelen tegen negatieve effecten van een
bepaalde ontwikkeling of ingreep.
Natura 2000
Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op grondgebied van de lidstaten
van de Europese Unie, welke beschermd zijn op grond van de Vogel- en/of
Habitatrichtlijn.
Pleisteren/pleisterplaats
Gebieden waar vogels na het broedseizoen verzamelen of verblijven, bijvoorbeeld als
voorbereiding op de trek, om te ruien of om op te vetten.
Natuurontwikkelingsgebied
Gebied met potentiele natuurwaarden, vaak met agrarische functie, dat wordt
omgevormd tot natuurgebied, meestal in aansluiting op een natuurkerngebied.
Noord- en Zuidring
De nieuw te bouwen hoogspanningsverbindingen moeten samen met al bestaande
hoogspanningsverbindingen twee ringen gaan vormen. Deze worden Noord- en
Zuidring genoemd. De Noordring komt tussen Beverwijk en Zoetermeer; de Zuidring
tussen Zoetermeer en Wateringen.
Ongewervelden
Dieren zonder wervelkolom of ruggengraat, zoals insecten.
Oppervlaktewater
Water dat zich aan de (aard)oppervlakte bevindt (meren, plassen, sloten etc.) of er net
onder, maar niet tot het grondwater behoort.
PEHS
Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Verbonden netwerk van (deels nog aan te
leggen) natuurgebieden (natuurkernen) en verbindingen daar tussen.
184
Plangebied
Het gebied waar de daadwerkelijke (ruimtelijke) ingreep plaats (kan) vinden.
Portaalconstructie
Bovengrondse hoogspanningsverbinding waarbij een speciaal type masten gebruikt
wordt om alle fasedraden in hetzelfde horizontale vlak (hoogte) te hangen.
Pulsintervallen
Interval tussen door vleermuizen uitgezonden echo’s. Deze echo’s worden door
vleermuizen gebruikt om zich te oriënteren en prooien te lokaliseren.
Randstad 380 kV verbinding
Projectnaam van de nieuwe hoogspanningsverbinding in de Randstad tussen
Beverwijk en Wateringen.
Restlichtversterker
Nachtzichtapparatuur waarbij het resterende licht tot een duizend maal versterkt
wordt.
Rode Lijstsoorten
(nationale) Lijst met dieren- en plantensoorten (per soortgroep) welke in het
voortbestaan bedreigd worden.
Schraalgrasland
Grasland met plantensoorten die kenmerkend zijn voor een weinig voedselrijk
(schraal) milieu.
Seizoensgemiddelde
Term gebruikt in het ontwerp-aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied 'De
Wilck' om gewenste populatieomvang van kleine zwaan en smient te definiëren. Het
gemiddeld seizoensgemiddelde wordt op basis van maandelijkse tellingen, inclusief
maanden dat de soort niet is vastgesteld, berekend als het gemiddeld aantal
aanwezige vogels in de maanden juli tot en met juni (‘seizoen’) over een periode van
vijf seizoenen.
Seizoensmaximum
Betreft het hoogste aantal getelde vogels tijdens maandelijkse tellingen van vogels in
de maanden juli tot en met juni (‘seizoen’). Het gemiddelde seizoensmaximum over
meerdere seizoenen wordt gebruikt (o.a. door SOVON) om het relatieve belang van
gebieden voor vogelsoorten tot uitdrukking te brengen. In de berekening wordt per
seizoen het maximum aantal vogels betrokken, in dit rapport betreft het vijf
seizoenmaxima die worden gemiddeld.
Seizoenstrek
Trek van vogels tussen broed- en overwinteringsgebieden in voor- en najaar.
185
Significant
Wanneer de kans dat een bepaald verschijnsel voorkomt, groter is dan normaal
gesproken door toeval kan voorkomen.
Slaaptrekroute
Dagelijkse trek van bepaalde vogelsoorten tussen de voedselgebieden en
overnachtingsgebieden.
Studiegebied
Het totale onderzochte of bestudeerde gebied; dit gebied kan meer omvatten dan
alleen het plangebied.
Territoria
Meervoud van territorium; direct leefgebied van een dier welke tegen indringers
verdedigd wordt.
Verstoringszone
(ruimtelijke) Zone waarin in mindere of meerdere mate effecten op gedrag (van
dieren) als gevolg van verstoring kunnen optreden.
Vliegbeweging
Gerichte verplaatsing van een vogel.
Vogelrichtlijngebied
Europese richtlijn uit 1979 waarin voor zeldzame en bedreigde vogelsoorten
beschermde natuurgebieden zijn aangewezen.
Voorjaarstrek/najaarstrek
Trek van vogels tussen broed- en overwinteringsgebieden.
Wintrack
Merknaam van de magneetveldarme mast die is ontworpen en behoeve van onder
meer de Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding.
186
187
Bureau Waardenburg bv
Adviseurs voor ecologie & milieu
Postbus 365, 4100 AJ Culemborg
Telefoon 0345-512710, Fax 0345-519849
E-mail [email protected], www.buwa.nl
Download