File

advertisement
Stationsexamen 3.2: Fysiologie
Longfunctie
1. Labman
2. Patiënt Data, controleer ambient conditions (temp, luchtvochtigheid, luchtdruk)
3. Druk knop 10, patiënt data verlaten
4. Open Spirometry, neusklem! Mondstukje pneumotagraaf, adem rustig door
apparaat.
5. Druk op knop 2, slow spirometry. 10-15 teugen. Patiënt staat, zet wel een stoel
achter de patiënt (duizelig)
6. Druk weer op knop 2. Adem langzaam diep in en uit, tot waarde in 2 e kolom
verschijnen.
7. Noteer BF (breating frequency), VT (teugvolume), ERV (exp. reserve vol.), VC
(vitale capaciteit, VCin en VCex)
8. Druk op knop 3, Forced spirometry, rustig ademen
9. Volg aanwijzingen op het scherm: haal eerst maximaal diep adem, blaas met
maximale kracht uit. Adem weer rustig. (herhaal deze manouvre 3-4 keer)
10. Druk op knop 7, neem FEV1 over.
Bij astma en COPD is er sprake van obstructie, PEF (peak expiratory flow – piekflow)
kan normaal zijn.
Bij max uitademen wordt alle lucht uit de hogere luchtwegen geblazen en daarna uit de
kleinere luchtwegen. Bij obstructief longlijden komt de lucht trager naar buiten,
moeilijker om max uit te ademen.
Verkoudheid heeft nauwelijks invloed op de longfunctiemeting.
Flow-volume curves belangrijk bij bepaling:
- max geforceerde uitademing: intrathoracale luchtwegobstructies
- max geforceerde inademing: extra-thoracale obstructie (bv. trachea)
Het programma geeft bijna altijd een afwijking aan.
Tidal volume: teugvolume
Inspiratory Reserve Volume
Expiratory Reserve Volume
Residual Volume
Vital Capacity (ERV+TV+IRV)
Inspiratory Capacity
Functional Residual Capacity
Total Lung Capacity
500 ml
3.000 ml
1.200 ml
1.200 ml
4.700 ml
3.500 ml
2.400 ml
5.900 ml
FEV1: volume dat in 1ste seconde kan worden uitgeademd tijdens geforceerde uitademing, na maximale
inademing.
1
Zintuigen
Pelli-Robson & Visus bepalen
Sniffing test & Oogstandtest
Sniffing test
-
Patiënt ruikt zelf op volgorde de stiften en moet een keuze maken uit de 4
mogelijkheden. Proefleider noteert deze op het scoreformulier.
o Niet langer dan 30 seconden ruiken en max 2 cm van de neus, heen en
weer.
o Klaar  dop erop en ondersteboven terug.
350 verschillende geurreceptoren, maar kan 10.000 verschillende geuren ruiken
Reukvermogen neemt af naarmate de leeftijd vordert, in het bijzonder vanaf 65 jaar.
Vrouwen scoren over het algemeen beter op reuktests.
Relatie tussen roken en olfactoire functies is enigszins controversieel: roken zou een
bescheiden negatieve invloed kunnen hebben op het reukvermongen, maar dit lijkt
omkeerbaar te zijn en dosisafhankelijk.
Stoornissen:
- Kwalitatief (veranderde waarneming van geuren)
- Kwantitatief (verslechterde reukvermogen; hyposmie of anosmie)
Meest voorkomende oorzaken reukstoornis:
- Luchtweginfecties,
schedeltrauma,
lokale
(para)nasale
pathologie,
neurodegeneratieve aandoeningen (70-90% van patiënten met ziekte van
Parkinsons hebben stoornis reukzin, bij Alzheimer komt het ook vaak voor)
Jonger dan 60 jaar:
- Score < 10: hyposmie
- Score < 6: anosmie
Ouder dan 60 jaar:
- Score < 10: kan normaal zijn voor die leeftijd
- Score < 6: hyposmie/anosmie
Oogstandtest
Reflextest
1. Patiënt zit, proefleider op ooghoogte tegenover. Vanaf een ±30cm afstand schijn
je het lampje (eerst even testen) op de neusbrug, tussen de ogen van de patiënt.
2. Instrueer de patiënt om in het lampje te kijken (beide ogen), houdt deze op
ooghoogte (bv. naast je kaak). Kijk naar de lichtpuntjes van het lampje in het oog.
2
Afdektest
1. Patiënt fixeert weer naar het lampje, waarna één oog wordt afgedekt met de hand
van de onderzoeker. Onderzoeker kijkt naar niet-afgedekte oog en beoordeelt of
het oog een instelbeweging maakt.
o Bij een instelbeweging is er sprake van manifest scheelzien.
o Temporaal  nasaal = divergente oogstand (exotropie)
o Nasaal  temporaal = convergente oogstand (esotropie)
Alternerende afdektest
1. Ogen worden alternerend afgedekt (vanaf boven, met de handpalm voor het oog),
terwijl de proefpersoon het lampje blijft fixeren. Onderzoeker let op het oog dat achter de
hand vandaan komt.
3
- Als er een herstel-beweging wordt gemaakt is er sprake van latent strabismus. Dat wilt
zeggen dat deze afwijking normaliter gecorrigeerd kan worden.
- Temporaal  nasaal = latent strabismus divergent (exoforie)
- Nasaal  temporaal = latent strabismus convergens (esoforie)
- Latent strabismus is altijd beiderzijds.
Pelli-Robson:
- Contrastgevoeligheid, variërend van 0-1
- Oogaandoeningen met verminderd zien bij laag contrast:
o Hoornvliesoedeem, staar, ontsteking oogzenuw
- Factoren die meting van contrast zien beïnvloeden:
o Achtergrondverlichting, grootte stimulus, grootte pupil, astigmatisme,
wazig zien.
1. Laat de patiënt zijn bril of lenzen uit doen. Patiënt staat op 3 meter afstand.
2. Patiënt dekt (slechte) oog af met de handpalm, let op dat de patiënt niet zijn oog
aanraakt of iets dergelijks.
4
3. Wijs met een stok uit ieder drietal letters er eentje aan, van links naar rechts en
van boven naar onder, totdat de patiënt een fout maakt.
Het drietal dat nog goed ging voorafgaand aan de fout, is de testwaarde.
4. Herhaal met het (goede) oog.
5. Herhaal met beide ogen tegelijk
Een waarde lager dan 1 is afwijkend.
Visus
1. Patiënt staat op 5 meter afstand van de kaart (tegen de muur/raam, B039)
2. Bril en lenzen uit, pasmontuur opzetten. Begin met het slechte oog eerst (ivm
valsspelen door herkenning), goede oog afgedekt met afdekglaasje (NIET zwaart
plaatje met een gaatje).
3. Wijs met een stok uit ieder drietal rondjes er eentje aan (van links naar rechts en
van boven naar onder), totdat de patiënt een fout maakt.
Ga terug naar vorige drietal, als deze wel goed is, dan is dat zijn testwaarde.
4. Herhaal voor het (goede) oog.
Begin met een positieve lens (+0.5), omdat je bij – nog kan accomoderen.
Zwart = positief, rood = negatief.
Is iemand verziend, en je zet er een + lens voor  beter
Is iemand bijziend, en je zet er een + lens voor  slechter
Bifoveale fixatie: parallelle stand van de oogassen
Emmetropie: afwezigheid van refractie-afwijking
Esoforie: latent convergente oogstand (naar binnen)
Exoforie: latent divergente oogstand (naar buiten)
Esotropie: manifest convergente oogstand (naar binnen)
Exotropie: manifest divergente oogstand (naar buiten)
Hypermetropie: verziendheid (breking is te gering)
Myopie: bijziendheid (breking is te sterk)
Refractieafwijking: sterkte van de (corrigerende) lens die de visus optimaal maakt
Strabisme: afwijkende stand van de oogas (scheelzien)
Visus: gezichtsscherpte
Concaaf = hol, convex = bol
Voordeel symbolen, kinderen en analfabeten
Visus = afstand tot letterkaart (d)/ visus die op normale afstand kan lezen (D)
Stenopeische opening:
- Kan visus verbeteren bij refractieafwijkingen
o Cataract kan ook verbeteren als troebel niet centraal ligt.
Astigmatisme: cilinder
5
ECG:
Afleidingen, kies er 2 uit (zeker Einthoven II):
- Einthoven I, II, III
- aVR, aVL, aVR
1.
2.
3.
4.
Open ‘Chat Recorder’
Amplitude kanaal A en B 500m, C & D uit
Schrijfsnelheid 2.5 div/s (25 mm = 1 sec, 10 mm = 0.4 sec)
Proefpersoon gaat liggen, onderarmen en –benen ontbloot.
Re-pols: rood (R)
Li-pols: geel (L)
Re-been: zwart (N)
Li-been: groen (F)
(VA afleiding, borst: wit, niet nodig)
5. Afleiding ± 20 sec.
6. Store, freeze, analyse
P-golf: depolarisatie boezems (atria)
QRS-complex:
Q: depolarisatie hartbasis (scheiding atria en ventrikels)
R: depolarisatie hartkamers (ventrikels)
S: depolarisatie boven achterwand li-ventrikel
T-golf: repolarisatie ventrikels
U-golf: onduidelijke betekenis
J-punt: eindpunt ventrikeldepolarisatie
6
(sinusknoop  atriumwanden  AV knoop  bundel van His  bundeltakken  vezels van Purkinje  ventrikels
IJk ECG’s: 1 mm = 0.1 mV
Papiersnelheid 25 mm/sec (10 mm: 0.4 sec)
Kanaal A en B op 0.5 V/div (1 mV = 1 cm)
Hartas:
- Geeft richting aan waarin depolarisatie door het hart verloopt.
- Re-schouder  Li-been
Partiële blok: ontbreken van QRS-complex en T-top
Complete blok: geen synchronisatie tussen atriale en ventriculaire geleiding
7
Depolarisatie plasmamembraan
↓
openen plasmamembraan L-type Ca2+ kanalen in T-tubuli
↓
Ca2+ stroomt in cytoplasma
↓
Ca2+ bindt aan Ca2+ receptoren (ryanodine receptoren)
op oppervlak sarcoplasmic reticulum
↓
Openen intrinsiek Ca2+ kanalen
↓
2+
Ca naar cytoplasma
↓
↑ Ca2+ concentratie cytoplasma
↓
Contractie
Ionstromen:
In rust zijn hartspiercellen negatief geladen.
Doordat ze door omliggende cellen gedepolariseerd worden, wordt de lading positief en trekken
ze samen.
Tijdens het positief worden van de lading stromen natrium-ionen de cel in.
Vervolgens gaan calcium-ionen de cel in.
Deze calcium-ionen zorgen voor de daadwerkelijke spiercontractie.
Als laatste gaan kalium-ionen de cel uit.
Tijdens de repolarisatie (herstelfase) worden deze ionstromen weer gecorrigeerd.
Diastole: vullen ventrikels
Systole
Vragen:
Waarom zijn depolarisatie en repolarisatie van de ventrikels beide als positieve toppen op het ECG waar
te nemen?
De afleiding volgens Einthoven loopt van rechts naar links en van min naar plus.
Depolarisatie loopt van endocard naar epicard en van min naar plus. Dus positief
Repolarisatie loopt van epicard naar endocard en van plus naar min. Dus positief
Welke ventrikel (re of li) zal als eerste volledig zijn gedepolariseerd en waarom?
De rechter ventrikel, deze is dunner.
Wat is de duur van QRS complex? Waar is dit een maat voor?
7-10 ms, de QRS duur geeft aan hoe snel de ventrikels depolariseren.
Wat is de duur van het PQ-interval? Waar is dit een maat voor?
12-20 ms, de PQ-interval geeft aan hoe snel het electrisch signaal door de AV knoop wordt
doorgegeven van de atria naar de ventrikels.
Wat is de duur van het QT-interval? Waar is dit een maat voor?
8
-
30-40 ms, de QT-interval geeft aan hoe lang het duurt tot de ventrikels zijn gerepolariseerd en
dus weer klaar zijn voor een nieuwe hartslag.
Afwijkende ECG’s:
Sinus-tachycardie (veel contracties):
Sinusknoop geeft te vaak een elektrische impuls af  hart reageert zoals normal en trekt zich
samen.
Sinus-bradycardie (50-60 keer/min contracties):
Sinusknoops stuurt slechts 50-60 keer per minuut een elektrische impuls.
Is ook te voelen aan de polsslag, die overigens wel regelmatig is.
Voorbeeld: sporthart, aangeboren afwijking.
Boezem-fladderen (onvolledige samentrekkingen, veel P-toppen):
P-toppen (samentrekkingen atria), zaagtand op ECG
Oorzaken: aandoeningen kransslagaderen, reumatische hartziekte, defect wand tussen
hartboezems, verhoogde werking schildklier, gebruik bepaalde medicijnen.
GEVAAR: trombose in de boezem
o Boezems trekken niet volledig samen  in de hoeken van de atria vertraagde
doorstroming  al seen bloedstolsel losschiet  slagader afsluiten
9
Kamer-fibrilleren (afwezigheid P-toppen):
Pompende werking hart is opgehouden, polsslag is niet meer te voelen. Patiënt raakt
bewusteloos en zal overlijden.
Oorzaak: hartinfarct, ernstig nierlijden
Defibrilleren  kan toestand herstellen
Extra systolie:
Normale hartritme wordt plotseling onderbroken door een samentrekking van de boezems die
eerder komt dan normaal
AV-blok
1e graads: PQ > 0.2 sec
2e graads: 2:1 of 3:1 van de AV prikkels wordt voortgeleid
3e graads: totaal blok, geen normaal QRS-complex
Long QT syndroom:
hartfalen
ST-elevatie:
- hartinfarct
Pacemakercellen:
In sinusknoop
10
Bloeddruk
Polsgolfsnelheid
1. Chart Recorder
2. Kanalen B & D aan, A & C uit
3. Snelheid 1 div/s (10 mm/s)
4. Patiënt ligt op tafel
5. Rechterschoen en sok uit, ongelakt teennagel. Kant met 3 puntjes op nagelbed.
6. Tweede sensor rechteroorlel
7. Snelheid bepalen door (in Analyzer) tijdstip golf van beide registraties van elkaar
af te trekken (teen – oor) = tijdverschil. Net voor hij stijgt.
8. Verschil in afstand bepaald/geschat te worden (met een meetlint van het hart naar
teen/oorlel opmeten). Het verschil tussen de twee waarden is de afstand.
Deel deze afstand door de tijd en je hebt de polsgolfsnelheid.
De snelheid is afhankelijk van de elasticiteit van de vaten (kalk) en de bloeddruk.
Polsgolfsnelheid is sneller dan de bloeddruk.
Trilling in de vaatwand van je hartcontractie, hangt af van compliantie (lage compliantie
 hoge bloeddruk)
Hypertensie, arteriosclerotische plaques, afterload groter  moeite met pompen
10m/s = normaal
Valsalva manoeuvre
Patiënt ligt.
Teensensor blijft zitten, oorlel sensor mag weg.
Oorlel kanaal uit
Geef proefpersoon het blaasapparaat en instrueer hem op commando 10-15
seconden een druk van 40 mmHg te blazen. Met neusklem!
5. Druk bij de start van het blazen, en bij het einde, op spatie om een ijksignaal te
registreren.
1.
2.
3.
4.
11
Door het blazen worden longvaatjes leeg gedrukt  grotere veneuze return  grotere
cardiac output  bloeddruk omhoog
Daarna kan er minder bloed door de kleinere vaatjes  veneuze return minder  cardiac
output omlaag  bloeddruk omlaag
Stop blazen  druk valt weg  bloeddruk daalt nog meer  direct herstel
Tegelijk vindt er verhoogde vagusactivatie (actieve baroreceptoren tijdens uitblazen)
Fase I - bloeddrukstijging
Stijging intrathoracale druk. Longvaten worden leeggeperst. Bloed gaat naar het hart >
bloedruk stijgt.
Fase II - bloedruk daling
Baroreceptoren gaan harder vuren door de verhoogde druk, Hf gaat omlaag.
Compensatiemechanismen treden op (bloeddruk kan dus ook soms weer stijgen).
Fase III (stoppen met blazen, herstel)– bloeddruk daalt
De longvaten gaan weer open, bloed stroomt naar de longvaten en de bloeddruk daalt
hierdoor weer. Lichaam gaat weer compenseren.
Fase IV – bloeddrukstijging (overshoot)
De bloeddruk was sterk gedaald door het opengaan van de longvaten/venen. Het lichaam
reageert door vasocontrstictie in de perifiere vaten toe te passen. Hf gaat omhoog.
Bloeddruk overshoot. Daarna langzaam weer normalisatie.
De vasalva test de o.a. reactie en compensatiemechanismen van het lichaam. Bij bv.
DMII kunnen deze zijn aangetast. Er kunnen vast nog meer dingen meespelen, maar die
heb ik nog niet gevonden. Vergeet het instrueren van de patient niet ivm de punten.
12
Meten bloeddruk
Meting in liggende en staande houding.
Automatische bloeddrukmeter aan rechterenkel bevestigen, met het groene deel naar
beneden.
Bloeddruk wordt handmatig (auscultatief) gemeten, met handpomp en stethoscoop.
Eerst liggend:
1. Manchet bovenarm proefpersoon
2. Oppompen tot polsslag niet meer te voelen is, daarna 20 mmHg oppompen
3. Stethoscoop in elleboogsplooi plaatsten, langzaam leeg lopen. Zodra de maximale
bloeddruk de druk van de ballon overschrijdt wordt een beetje bloed doorgelaten
tijdens elke hartslag; er wordt geruis gehoord via de stethoscoop.
We noteren de systolische bloeddruk.
4. Noteer de onderdruk, verdwijnen van het geruis.
5. Beide metingen gelijktijdig
Staand:
- Eerst een minuut pauze voordat je begint, i.v.m. baroreflex
- De bloeddruk zal in de enkel hoger zijn, vanwege hydrostatische druk
Vragen:
- Te kleine band, bloeddrukmeter: hogere bloeddruk
- Te grote band: hogere bloeddruk
13
Download