Kenmerken plantenrijk

advertisement
Kenmerken plantenrijk
Oefen- en zelftoetsmodule bij de cursus ‘Biodiversiteit’
november 2006
Introductie
Deze module behandelt de stof uit Campbell:
- 26.2 pagina 519 (the geologic record)
- 29.1 + 29.2 pagina 573 - 579 (terrestrial adaptations)
En verder de in het college en dictaat behandelde stof. De basis van deze stof wordt hierna kort
samengevat.
De levende organismen worden ingedeeld in rijken. De tegenwoordig meest bekende indeling is:
• Prokaryoten – Dit zijn de ééncelligen zonder kernenvelop. Er zijn twee domeinen:
bacteriën en de archaea. Archaea leven vaak in extreme omstandigheden, zoals hete
bronnen.
• Protista – Dit is de meest heterogene groep, van eencelligen tot meercelligen. Hieronder
vallen onder andere Euglena, roodalgen en groenalgen zoals kelp.
• Plantae – Dit zijn de planten, waartoe mossen, varens, gymnospermen en bloemplanten
behoren..
• Fungi – Dit zijn de schimmels.
• Animalia – De dieren.
-Een terrestrische levenswijze vereist aanpassing aan droge omstandigheden. In de loop van de
evolutie hebben planten zich hieraan steeds verder aangepast. Deze kenmerkveranderingen
kunnen worden gevonden in:
• De vegetatieve delen van de plant – In de wortels, stengels en bladeren.
• De levenscyclus – Er is een generatiewisseling
Dit hoofdstuk behandelt de evolutionaire ontwikkeling van vegetatieve kenmerken.
Om zich aan het leven op het and aan te passen vertoonden de planten een steeds verdergaande
differentiatie van cellen en weefsels. De vier hoofdlijnen hierin zijn:
1. vorming van transportweefsel
De vaatplanten vormden speciale weefsels voor opname en transport van water. De planten
vormen bladeren en de weefsels daarvan differentiëren steeds verder.
2. vorming van bladeren
3. vorming van een wortelstelsel
De planten krijgen een differentiatie in boven- en ondergrondse delen. Ze krijgen ook een
ruimtelijke opbouw met vertakkingen.
4. vorming van cuticula en huidmondjes
Voor het reguleren van de verdamping van water wordt een cuticula gevormd met
huidmondjes. Er komen planten met een turgor.
De twee laatste worden hier verder niet behandeld.
Het plantenrijk
Geef van de volgende eigenschappen aan welke karakteristiek zijn voor planten.
1. Planten zijn allemaal:
eencellig | meercellig
2. Planten zijn allemaal:
prokaryoot | eukaryoot
3. Planten zijn (vrijwel) allemaal:
autotroof | heterotroof
4. Planten zijn allemaal:
haplont | diplont | haplo-diplont
5. Is de zygote afhankelijk van de ouderplant?
ja | nee
6. Planten zijn vrijwel allemaal:
mobiel | immobiel
7. Planten zijn vrijwel allemaal:
aquatisch | terrestrisch
8. Zijn de cellen voorzien van een exoskelet?
ja | nee
9. Bevatten de cellen een vacuole?
ja | nee
Evolutie landplanten
Er worden binnen het plantenrijk 12 divisio's onderscheiden. Het vegetatiedek wordt vandaag de
dag in hoge mate door slechts vier daarvan bepaald. Dit zijn in volgorde van belangrijkheid
(biomassa):
angiospermen - De bloemplanten.
gymnospermen - Een verzamelnaam voor de vier divisio's die zaden vormen zonder dat er
sprake is van gesloten vruchtbeginsels. De bekendste divisio is die van de coniferen.
varens - Planten, waarbij geen zaden worden gevormd. De verspreiding gaat door middel
van de sporen.
mossen - De bryofyten.
10. Dit is de stamboom van deze vier
divisio's. In deze figuur neemt de
complexiteit van de organismen
toe van links naar rechts. Zet de
nummers van elke groep op de
juiste plaats in de stamboom.
In de evolutie zijn achtereenvolgens
een aantal aanpassingen ontstaan.
ontstaan van landplanten
ontstaan van transportweefsel en
bladeren
ontstaan van zaden
ontstaan van bloemen
11. Zet het nummer van de
ontwikkelingen op de juiste plaats
in de stamboom.
12. In welk hoofdtijdperk zijn de landplanten ontstaan?
Vegetatieve kenmerken
13. Transportweefsel wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van floeem en xyleem. In welke
plantengroep ontbreekt echt transportweefsel?
14. In de vaatplanten ligt het
transportweefsel in een stele
gerangschikt. Hiernaast staan
de drie belangrijkste
stengelsteles.
Geef de namen.
15. Geef de weefseltypen.
16. Geef het steletype aan waarin secundaire diktegroei mogelijk is.
17. Geef de naam van het bijbehorende steletype:
Vroegste landplanten:
Varens:
Gymnospermen:
Angiospermen:
18. Er is een belangrijk verschil in anatomie van het transportweefsel tussen gymnospermen en
angiospermen. Wat komt alleen bij de angiospermen voor?
19. Bladeren kunnen worden gedefinieerd als laterale stengelorganen, met als voornaamste doel
fotosynthese. In welke groepen komen echte bladeren voor?
20. Wat ontbreekt er bij de 'blaadjes' van een mos ten opzichte van de vaatplanten?
21. Bij welke groepen is dichotomie het overheersende vertakkingspatroon van de stengels?
Download