Nieuwsbrief j2 nr7 _6

advertisement
Juli 2002
Nieuwsbrief: Duurzame Landbouw
jaargang 2 nummer 7
De kortschildkevers
De familie van de kortschildkevers
(Staphylinidae) is één van de omvangrijkste
keverfamilies: Midden-Europa telt er
ongeveer 1300 soorten.
Over de voeding en de levenscyclus van de
meeste kortschildkevers is tot op heden nog
maar zéér weinig geweten. Men vermoedt
dat veel soorten rovers zijn, maar er zijn
ook soorten die zich voeden met schimmels,
zwammen en verteerd organisch materiaal.
De meeste soorten die in agrarisch gebied
voorkomen zijn zéér nuttig, omdat hun
voeding voornamelijk bestaat uit eieren en
larven van vliegen (o.a. de wortelvlieg) en
andere insecten. Bovendien hebben ze zich
perfect kunnen aanpassen aan de
teeltwisselingen
en
de
mechanische
behandelingen.
Algemene beschrijving
Kortschildkevers hebben een dun, langgerekt
lichaam waarvan de lengte varieert van 1mm tot 40
mm. De meeste soorten zijn echter niet groter dan
7 mm.
Hun naam is afgeleid van de zeer korte dekschilden die ze bezitten. De dekschilden bevinden zich
vlak achter het halsschild, meestal zijn ze niet veel
langer dan de breedte van de twee dekschilden
samen. Ze bedekken slechts de twee eerste
segmenten van het achterlijf. Het grootste
Verantwoordelijke uitgever:
Herman Marien
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
Maandblad
Afgiftekantoor 2440 - Geel 1
deel van het achterlijf steekt buiten de dekschilden
uit. Er zijn 6 tot 7 segmenten zichtbaar. Dit in
tegenstelling tot de lieveheersbeestjes en de
loopkevers waarbij de dekschilden het gehele
lichaam bedekken.
Onder de dekschilden zitten de goed ontwikkelde
achtervleugels opgevouwen. De meeste soorten
kunnen zéér goed vliegen. Het vliegen gebeurt
vooral tegen de avondschemering.
Algemeen genomen lijken ze een beetje op de
oorwormen, maar ze zijn veel kleiner en ze missen
de karakteristieke tang.
De kleuren kunnen variëren van bruin naar roodachtig tot zwart. Het lichaam van de meeste
soorten bestaat uit meerdere kleuren. De kop, het
halsschild, de dekschilden en het achterlijf kunnen
anders van kleur zijn, maar niet altijd. Ze kunnen
zowel dof van kleur als glimmend zijn.
De kop is meestal zwart en bij de insectenetende
soorten voorzien van zeer lange, ranke en scherpe
onderkaken, die meestal gekruist staan. De
antennen zijn relatief lang en duidelijk zichtbaar.
Kortschildkevers hebben in het algemeen vrij lange
poten en kunnen snel
lopen. Bij het lopen
richten ze soms hun
achterlijf omhoog, net
zoals een schorpioen.
Het oprichten van het
achterlijf doen ze ook
wanneer
ze
zich
bedreigd voelen, ze
verspreiden dan soms een afstotelijke geur.
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
blz. 1/8
Omgeving
Kortschildkevers hebben wat betreft de omgeving
en de levenscyclus veel gemeen met de loopkevers.
De kevers komen voor in zéér uiteenlopende
plaatsen. Algemeen genomen worden ze meestal
aangetroffen in een vochtige kleiachtige omgeving,
in compost, mest en rondom wortels.
Ze zijn het vaakst terug te vinden onder stenen,
kluiten, afgevallen bladeren en tussen paddestoelen
en schimmels. Maar ook in nesten van vogels,
zoogdieren en mieren komen kortschildkevers
voor.
De volwassen kevers verplaatsen zich over het
bodemoppervlak opzoek naar voedsel, soms
beklimmen ze hierbij planten. De larven
ontwikkelen zich in de bodem.
Agrarische omgeving
Het agrarische gebied herbergt talrijke soorten,
waarvan verschillende soorten enkel en alleen op
akkers voorkomen. We treffen ze vooral aan in
bieten, rapen, radijs, uien, kolen, maïs, granen en
andere gewassen die aangetast kunnen worden
door de wortelvlieg.
Het aantal kevers in de periode van eind april tot
einde juni kan variëren van 40 tot 100 individuen
per m².
Invloed van het gewas en de bodem
Uit diverse onderzoeken blijkt, dat de soorten die
op het perceel voorkomen voornamelijk bepaald
worden door het gewas dat er verbouwd wordt en
in mindere mate door het bodemtype. Men kan dus
stellen, dat het voorkomen van een bepaalde soort
afhangt van het teeltschema en van de uitvoering
van bepaalde teelthandelingen. Nochtans zijn de
soorten die in tarwe dominant zijn dezelfde als die
in suikerbieten. Het teeltschema heeft vooral
invloed op de soorten die er in kleinere aantallen
voorkomen.
Daarnaast blijkt dat het teeltschema ook invloed
heeft op het totale aantal van de kortschildkevers,
zo komen er in suikerbiet opmerkelijk minder
individuen voor dan in wintertarwe.
Het inbrengen van stalmest heeft een zéér positieve
invloed op het aantal van de kortschildkevers ( en
loopkevers).
We moeten opmerken, dat in het verleden vooral
onderzoek is uitgevoerd in wintertarwe en
suikerbieten. We beperken ons dan ook
hoofdzakelijk tot deze twee teelten.
Deze twee teeltschema's verschillen sterk van
elkaar. Omdat ze een duidelijke invloed hebben op
de soorten en de aantallen geven we ze hieronder
in een kort overzicht weer.
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
MAAND
WINTERTARWE
SUIKERBIET
Oktober
Begin zaai
Onkruidb. vooropkomst
Einde onkruidb. Vooropk.
Begin oogst
November
December
Januari
Februari
Maart
April
Mei
Einde oogst
Einde zaai
Herbicide
Uitstoeling v/h gewas
Herbicide
Begin doorschieten
Groeiremmer
Grondbewerkingen
bemesten en bekalken
Begin zaai
Herbicide
Eerste- en tweede knoop +
laatste blad vorming
Insecticide,
fungicide
herbicide
In aar komen
Fungicide, insecticide
Juni
Juli
Augustus
September
Oogst
Insecticide, fungicide en
herbicide
Loofdek gesloten en
begin knolvorming
Insecticide, fungicide en
herbicide
knolvorming
knolvorming
In wintertarwe kunnen we in het algemeen stellen,
dat de activiteit van de kortschildkevers toeneemt
van begin februari op kleigronden en vanaf eind
februari op leemgronden.
Op beide gronden bereikt de populatieaangroei zijn
maximale hoogte in de eerste week van juni. Eind
juli, bij het rijpen van het wintergraan daalt het
aantal kevers op het perceel zeer snel.
In suikerbieten zijn er vóór de opkomst van het
gewas bijna geen kevers te vinden. Ook na
opkomst van het gewas is het aantal kevers
kennelijk veel lager dan in wintertarwe. Dit is
vermoedelijk te wijten aan de ongunstige
omstandigheden die heersen op suikerbietpercelen
gedurende de lente, omdat dit gewas pas in april
wordt gezaaid. Er is slechts een kleine piek aan het
einde van mei tot begin juni. Het aantal van de
soorten die in suikerbieten voorkomen is wel gelijk
aan die in wintertarwe.
Totaal aantal gevangen kortschildkevers in
wintertarwe en suikerbiet op twee
bodemtypes (van 1974 tot 1978)
J. janssens & R. De Clercq C.L.O. - Gent
700
600
500
400
300
200
100
0
Jan feb mrt apr mei jun
jul Aug sep okt
Klei Wintergraan
Klei Suikerbiet
Leem Wintergraan
Leem Suikerbiet
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 2/8
De meeste soorten zijn vooral actief in het
voorjaar, maar sommige soorten hebben nog een
tweede actieve periode in de vroege herfst.
Aan het einde van de beide teelten (resp. in
september en januari) is het aantal van de
kortschildkevers erg laag, maar ook dan is er nog
activiteit waar te nemen.
De meeste soorten verdwijnen van de akkers om te
overwinteren in de akkerranden, terwijl sommige
soorten gedurende de winter op de akker blijven.
Wat betreft de kolonisatie vanuit de akkerranden
naar de percelen, doen de kortschildkevers het veel
beter dan de loopkevers.
De akkerrand
Kevers die in de akkerrand overwinteren doen dit
meestal in grassen. Vooral zodevormende gras-
soorten zoals Dactylis glomerata (Kropaar,
bosgierstgras), Holcus lanatus (echte witbol, rietgras) en Deschampsia caespitosa (ruwe smele)
herbergen zowel in de winter als in de zomer grote
aantallen insectenetende kevers (predators).
Tijdens een proefopstelling in Engeland, werden er
in deze grassoorten gedurende het eerste jaar na
inzaai 150 predators/m² teruggevonden. Het
tweede jaar vond men er maar liefst 1500
predators/m² in terug.
Ook Lolium perenne (Engels raaigras) wordt door
kortschildkevers vaak gebruikt om te overwinteren,
maar het herbergt geen loopkevers.
Graszoden en strooisellagen bieden een zéér goede
buffer tegen temperatuurschommelingen. Uit het
onderzoek blijkt dat, het tenminste -17°C moet
vriezen, alvorens de dodelijke temperatuur van 8,5°C in de graspollen wordt bereikt.
Bij een groenbedekking gedurende de winter
blijven sommige kevers op het perceel, doch uit
experimenten bleek het aantal zeer laag te zijn.
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 3/8
Voeding
Ontwikkelingsstadia
Beschrijving / Omgeving / Voeding
Na 5 tot 10 dagen komen de larven uit en gaan op
zoek naar voedsel. Ze voeden zich met dezelfde
prooien als de volwassen individuen.
De meeste soorten die in het agrarische gebied
voorkomen voeden zich met insecten. Andere
soorten voeden zich met verteerd organisch
materiaal en schimmels, nog andere soorten leven
parasitair in mierenkolonies.
Van de kortschildkevers die zich voeden met
insecten zijn zowel de volwassen kevers als de
larven roofzuchtig.
Ze kunnen enkel en alleen vloeibaar voedsel
opzuigen. Hiervoor bijten ze eerst een gaatje in
hun prooi en lossen dan met hun speeksel de
inhoud op.
Hun prooien bestaan afhankelijk van de soort uit
larven (maden) van vliegen (wortelvlieg), bladwespen en wantsen; springstaarten en andere
primitieve insecten; rupsen; slakken; mijten en
kleine wormen.
Bij de meeste kortschildkevers is er geen
belangrijke consumptie van luizen vastgesteld.
Voortplanting
Beschrijving / Omgeving
De voortplanting gebeurt afhankelijk van de soort
via een bevruchting (door een mannetje) ofwel
door parthenogenese (voortplanting zonder
bevruchting) zoals bij bladluizen.
De periode van bevruchting is afhankelijk van de
soort maar het gebeurt doorgaans in het voorjaar of
in de herfst.
De eitjes worden afgezet in de grond in de nabijheid van de wortel. De eieren zijn 0,5 mm lang,
ovaal en gelatineachtig. Aanvankelijk zijn ze
bleekgroen, maar na enkele dagen worden ze
donkerder.
Er worden dagelijks ongeveer 4 tot 10 eitjes
afgezet, in totaal een honderdtal per vrouwtje.
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
De larven lijken een beetje op de larven van andere
roofkevers zoals de loopkever en het lieveheersbeestje. Ze zijn vaal bruin, ongeveer 1,5 mm lang,
rank en gesegmenteerd, ze hebben een grote kop
met klauw-vormige gekruiste kaken en lange
poten waarmee ze snel kunnen lopen.
Ze leven afhankelijk van de soort geheel of
gedeeltelijk ondergronds.
Het larvale stadium neemt ongeveer één maand in
beslag. Na de verpopping verschijnen de jonge
kevers. Ze zijn nog niet volledig uitgekleurd.
Volwassen kevers leven ongeveer 1 à 2 maanden,
als ze overwinteren
leven
ze
veel
langer.
De
volledige
cyclus van ei tot
volwassen
kever
neemt ongeveer 6
weken in beslag.
De meeste soorten
hebben slechts één
generatie per jaar,
maar
sommige
kunnen er twee
hebben.
Natuurlijke vijanden
De kortschildkevers kennen vele natuurlijke
vijanden. Tot de voornaamste behoren de spinnen,
de roofwantsen, de loopkevers en de roofvliegen
alsook de amfibieën, de vogels en de vleermuizen.
Bij de parasieten zijn de schimmels de
voornaamste belagers en in veel minder mate de
sluipwespen en de nematoden.
Daarnaast treedt er ook kannibalisme op.
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 4/8
Soortbesprekingen
Men kan stellen dat er een permanente
keveractiviteit is en dat elke soort zijn
eigen activiteitspatroon heeft afhankelijk
van het gewas en het bodemtype.
We kunnen ze het best indelen volgens de
voortplantingsperiode in relatie tot de teelt
(bodembehandelingen
en
gewasbescherming).
I. Voortplanting van februari tot eind april.
- belangrijke grondbewerkingen
- bodemherbiciden en bodeminsecticiden
I. 1. Aloconota gregaria
Is een van de meest voorkomende soorten in het
agrarische gebied vanaf België tot en met Polen.
Het is een uitgesproken akkerbewoner, aangezien
hij daarbuiten in andere open vlakten slechts in
geringe mate voorkomt. Ze komen zowel dominant
voor in granen, hakvruchten (suikerbieten en aardappelen) en maïs. Het verbouwde gewas heeft
echter 'wel' invloed op de populatieontwikkeling
van deze soort.
De kever is ongeveer 3 mm lang en bruin van
kleur, hij is slank en heeft lange poten.
Over hun voeding is bijzonder weinig geweten.
Wel heeft men kunnen aantonen dat ze zich voeden
met de eieren van de koolvlieg.
In wintertarwe, op kleigrond, zijn ze reeds actief
in januari, op leemgrond vanaf maart. Ze bereiken
hun maximale populatieaangroei aan het einde van
juni tot half juli.
In suikerbiet komen ze pas voor vanaf mei en ze
bereiken hun maximale populatieaangroei al in
mei-juni.
Eind juli daalt het aantal opnieuw zeer sterk. In de
herfst is de activiteit in de akkers te verwaarlozen.
Men neemt aan, dat zowel de larven als de
volwassen individuen zich zéér sterk verspreiden
gedurende het gehele seizoen.
De eieren komen uit in april-mei. De overwintering
gebeurt als volwassen individu.
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
II. Voortplanting mei - juni
- geen nefaste bodembewerkingen
- herbiciden en insecticiden
II. 1. Tachyporus hypnorum
Deze soort komt
vrijwel over de
gehele
noorderbreedte voor, zowel
in Noord-Amerika
als
in
NoordEurazië (boven de
tropengordel).
Hij is vochtminnend
en
heeft
een
voorkeur
voor
zware gronden.
De
kever
is
ongeveer 6 mm lang
en het halsschild en
de dekvleugels zijn
lichtbruin. Op beide
delen tekent er zich
een grote zwarte
druppelvormige
vlek af. De kop en het achterlijf zijn donkerbruin,
de poten lichtbruin.
Ze voeden zich overwegend met springstaarten,
bladluizen, eieren en larven van vliegen. Ook
verorberen
ze
aanzienlijke
hoeveelheden
zwammen.
Tachyporus soorten zijn vooral 's nachts actief.
Zowel de volwassen exemplaren als de larven gaan
dan op jacht in het gewas. Op de bodem zijn ze gedurende de nacht weinig actief. Maar overdag is de
situatie schijnbaar omgekeerd en zijn ze actief op
het bodemoppervlak, vooral 's middags.
Ze komen voornamelijk voor in granen. In suikerbieten zijn ze eerder sporadisch te vinden.
Op boomkwekerijpercelen worden ze regelmatig
waargenomen.
De overwintering van deze soort gebeurt niet op
het perceel, maar in de haagkanten en grasstroken.
Vanaf begin mei begint de kolonisatie en stijgt de
populatie in de akker zeer snel. Die bereikt zijn
maximum begin juni, daarna zakt het aantal sterk
terug naar een lager niveau.
De vrouwtjes leggen hun eieren in mei en juni.
Nadat ze de larvale stadia hebben doorlopen
verschijnen de volwassen exemplaren einde juli tot
en met augustus. Er is dan opnieuw een lichte
stijging van het aantal op te merken.
Ze verlaten de percelen nog voor het aanbreken
van de herfst.
Vermoedelijk paren ze reeds voor de herfst. De
overwintering gebeurt als volwassen kever.
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 5/8
III. Voortplanting van juli tot september
Andere belangrijke soorten
- in het algemeen geen herbiciden en insecticiden
- oogstwerkzaamheden en bodembewerkingen in de
graanteelten.
Aleochara bilineata en A. bipustulata.
De larven van deze soort leven halfparasitair in de
poppen van vliegen, vooral van de koolvlieg.
Tijdens het eerste larvale stadium zijn ze nog
beweeglijk en zoeken ze vliegenpoppen op. De
larve dringt de pop binnen en consumeert de
inhoud.
Na
de
vervelling in de pop
volgen twee stadia van
een geheel ander type,
die bijna bewegingloos
zijn. Ten slotte verpopt
ze
binnen
het
puparium van de vlieg.
De
kevers
zijn
predators. Ze zijn 2 tot
2,5 mm lang, smal en
zwart
met
een
metaalachtige glans.
De dekschilden zijn
roodachtig bruin.
Hun levenscyclus is volledig afgestemd op de
made van de koolvlieg.
Een keverlarve eet ongeveer 5 maden per dag. In
totaal vernietigen ze 1200 eieren en 130 maden en
een paar honderd poppen. Uit een veldstudie in de
U.S.A. is gebleken dat deze soort tussen de 30% en
de 70% van de poppen op een perceel kan
parasiteren.
III. 1 Oxypoda exoleta
Deze soort komt voor op akkers, in vochtige
weilanden en in droge bosachtige omgevingen.
Hoewel deze soort algemeen voorkomend is, werd
hij op akkers nog nooit als dominante soort
waargenomen.
Hij heeft een voorkeur voor zwaardere gronden.
Op lichtere gronden komt hij in kleinere aantallen
voor. Het verbouwde gewas heeft blijkbaar geen
invloed op het aantal. Hij komt zowel voor in
hakvruchten als in granen.
Over zijn voeding is niets geweten. De spitse
kaken laten wel vermoeden dat het een roofinsect
is.
Hun activiteit start in wintergranen vanaf maart.
Gedurende het seizoen zijn geen uitgesproken hoge
populatiepieken. Gedurende het ganse seizoen zijn
er op de akkers vrouwtjes met rijpe eieren
aanwezig.
De larven leven voor het grootste deel van het jaar
in de bodem. De eerste nieuwe volwassen kevers
komen te voorschijn in juni. Er wordt
verondersteld, dat de voortplanting hoofdzakelijk
in de late zomer begint.
Zowel de bevruchte vrouwtjes als de larven
overwinteren in de bodem.
IV.Voortplanting van november tot februari
- geen plantenbeschermingsmiddelen
- oogst en bodembewerkingen in suikerbieten
IV. 1 Atheta aegra
Dit zou oorspronkelijk een mediterrane soort zijn
die de jongste jaren zijn uitbreiding naar het
noorden
heeft
gemaakt.
Het
is
een
warmteminnende soort die bestand is tegen
extreem droge condities.
De jonge volwassen kevers komen te voorschijn in
de zomermaanden (mei tot juni) De volwassen
kevers vertonen tekens van activiteit in de winter.
Oligota flavicornis
Deze soort voedt zich met spint en leeft op
kruidachtige planten, struiken en bomen en is
van enig belang in de
fruitteelt. Ze komt
voornamelijk voor bij
zware spintinfecties.
De kever is zwart en
behaard. De antennen
zijn geel en de poten
roodbruin.
De eieren worden in de
nabijheid van spinteieren gelegd en komen
na 4 tot 8 dagen uit. De
larven voeden zich
aanvankelijk
met
spinteieren, later ook met de volwassen individuen.
Het larvale stadium duurt ongeveer 1 maand.
Daarnaast kunnen we ook op bomen en struiken vaak
nuttige soorten van het geslacht Tachyporus en Oxytelus
aantreffen. Deze en andere soorten die van belang kunnen
zijn in de boomkwekerij worden momenteel onderzocht
door het Departement Gewasbescherming (CLO) te
Merelbeke.
Yves Marcipont (KVLT), Hans Casteels en Johan Witters (CLO)
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 6/8
De weekschildkevers
De larven van de weekschildkevers
(Cantharidae) zijn zeer nuttig omdat zij
gedurende de winterrust van andere nuttige
insecten de belangrijkste predators zijn van
bladluizen en van andere insecten.
De larven zijn bruin en hebben een fluweelachtig
uiterlijk.
Algemene beschrijving
De weekschildkevers worden ook wel soldaatjes
genoemd. In het algemeen zijn ze 10 tot 15 mm
groot en smal gebouwd. Hun lichaam en hun dekschilden voelen erg week aan, omdat ze erg weinig
chitine bevatten. Ze zijn meestal geel tot oranjeachtig of zwart van kleur en hebben lange poten.
Net zoals bij de lieveheersbeestjes, de oliekevers
en de bladhaantjes kunnen ze bloed uit hun
kniegewrichten laten vloeien. Dit noemt men
'reflexbloeden'. Ze gebruiken dit als een
afweermechanisme tegen aanvallers. De afweerstoffen in het bloed zijn giftig, bijtend en
onwelriekend.
Omgeving / levenswijze
Weekschildkevers worden het vaakst aangetroffen
op bloemen in de volle zon en in de buurt van
bladluiskolonies. Vooral de schermbloemige
soorten zoals de berenklauw zijn erg geliefd bij
deze keverfamilie.
Voeding
De volwassen kevers voeden zich voornamelijk
met nectar, pollen en honingdauw maar ook met
bladluizen of andere insecten. De larven voeden
zich uitsluitend met insecten.
Voortplanting / Ontwikkelingsstadia
Beschrijving / Omgeving / Voeding
De levenscyclus van de weekschildkevers neemt
één jaar in beslag: die bestaat uit een eistadium, zes
larvale stadia, een popstadium en een volwassen
stadium.
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
De volwassen kevers paren en leggen hun eieren in
mei en juni in een vochtige bodem. De ontwikkeling van het eerste tot en met het vijfde larvale
stadium vindt plaats van juni tot september en het
zesde larvenstadium van oktober tot april. De
verpopping vindt plaats gedurende de maanden
april en mei.
De weekschildkeverlarven leven op het bodemoppervlak en verkiezen een vochtige omgeving
zoals gras- en weiland boven de naakte grond van
een akker.
De grootste activiteit wordt waargenomen van
oktober tot haf december (6e larvale stadium). Ze
zijn daardoor een van de belangrijkste predators in
de herfst en winterperiode. Hun bovengrondse
activiteit houdt op bij een luchttemperatuur van
-10°C en een bodemtemperatuur van 0°C. Bij de
dooi komen ze massaal opnieuw boven de grond of
de sneeuw.
Op naakte akkers zijn de larven gering aanwezig
(2-6 individuen/m²), maar op akkers met een
groenbedekking of wintertarwe en in grasland en
in de akkerranden komen ze vaak veelvuldig voor
(15 - 100 individuen/m²).
Niettegenstaande, dat de larven minder mobiel zijn
dan de kevers, kunnen ze zich gedurende hun
ontwikkeling toch over een afstand van meer dan
180 m verplaatsen.
De larven voeden zich met bladluizen en zachte
larven van bijvoorbeeld vliegen en muggen. Maar
ook rupsen en aardwormen vallen regelmatig ten
prooi. De larven hebben echter niet de mogelijkheid om larven met een harde huid te verorberen of
insecten die te snel of te groot zijn. Ook kunnen ze
zich niet voeden met naaktslakken.
De belangrijkste prooiconsumptie gebeurt door het
zesde larvale stadium in de periode oktober tot
midden december, bovendien is er nog een aanvullende prooiconsumptie in de vroege lente.
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 7/8
Soortbesprekingen
II. Cantharis obscura
eik soldaatje
De drie meest belangrijke soorten zijn:
I. Cantharis fusca
II. Cantharis obscura
III. Cantharis livida
De kever is 8 tot 13mm groot. Het lichaam is
zwart, de zijkanten van het halsschild en de kaken
zijn oranje gekleurd.
De kever voedt zich met bladluizen en ander
insecten, maar hij vreet ook wel eens aan de
I. Cantharis fusca
zwart soldaatje St.Janskever
Deze nuttige soort treffen we aan in bosranden, op
weiden en akkers.
De kever is 15 mm groot, langwerpig en plat. Hij
heeft een zwart lichaam. Het voorste deel van de
kop, een gedeelte van het halsschild en een
gedeelte van de antennen zijn roodbruin, alsook de
buikzijde en de binnen kant van de voorpoten. De
lange antennen zijn draadvormig.
De larven zijn fluweelzwart. Zowel de kever als de
larven voeden zich hoofdzakelijk met bladluizen
en andere kleine insecten.
bloemen van fruitbomen.
III. Cantharis livida
geel soldaatje
De kever van deze nuttige soort is 25 mm groot en
volledig oranjegeel van kleur. Hij komt zeer
courant voor op bloemen in de volle zon.
Yves Marcipont - KVLT
Hans Casteels en Johan Witters Departement Gewasbescherming, Centrum voor
Landbouwkundig Onderzoek, Merelbeke
Dit demonstratieproject wordt medegefinancierd door
de Europese Unie en de Administratie Land- en Tuinbouw van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Kempisch Vormingscentrum voor Land- en Tuinbouw
Kleinhoefstraat 4, 2440 Geel
Tel: 014 / 56 23 27
Fax: 014 / 56 23 31
Blz. 8/8
Download