Druk en gaswetten: Een flexibel synthesespel HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL Joyka Cornu, Wouter Lambrechts, Elke Van Driessche en Florine Van Heghe ARTEVELDEHOGESCHOOL HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B46: begrip druk vanuit kracht en oppervlakte toelichten, en de grootte van de druk berekenen. 1) Een dame van 50 kg steunt met één naaldhak van 1,0 cm² op een parketvloer. Een olifant van 1500 kg doet dat met 1 poot van 600 cm². Van wie heeft de vloer het meest last? A) Van de olifant B) Van de dame C) Van beiden D) Niet te zeggen 𝐹 Antw: B, want de formule van druk is 𝑝 = . Hiermee bereken je dat de druk van de dame 49.10² Pa en de druk 𝐴 van de olifant is 25 Pa. De druk van de dame is dus het grootst. 2) Formuleer een voorbeeld waarbij de druk vergroot, de kracht constant blijft en de oppervlakte kan veranderen. Antw: De druk op een geslepen mes is groter dan de druk op een bot mes, omdat de oppervlakte kleiner is; Op een boot het oppervlakte van het zeil groter maken om sneller vooruit te gaan. 3) Formuleer een voorbeeld waarbij je de druk verkleint door de kracht constant te houden maar de oppervlakte kan veranderen. Antw: Een sneeuwschoen heeft een groter oppervlakte dan een gewone schoen. Hierdoor wordt de druk kleiner als je sneeuwschoenen draagt; Als de gordel in u auto breed is, gaat de gordel minder snijden in je vel. 4) Formuleer een voorbeeld waarbij de druk vergroot, de oppervlakte contant blijft en de kracht kan veranderen. Antw: Harder op een puntenpaal slaan; Harder duwen op een mes. 5) Formuleer een voorbeeld waarbij je de druk verkleint door de oppervlakte constant te houden maar de kracht kan veranderen. Antw: In de sneeuw geen rugzak meenemen tijdens het stappen. Je totale massa kleiner zonder je rugzak en hierdoor ook je kracht op de sneeuw. De vermindering in kracht en dezelfde oppervlak zorgt ervoor dat de druk verkleint; Bij een ongeladen vrachtwagen is de kracht op het wegdek kleiner, dus de druk is ook kleiner dan bij een geladen vrachtwagen. 6) Hoe steek je best een bevroren meer over zonder het ijs te breken? A) Op de toppen van je tenen B) Op handen en voeten C) Gewoon wandelen Antw: B, want als je op handen en voeten loopt is de oppervlak het grootst. Dus gaat de druk het kleinst zijn en hoe kleiner de druk hoe minder kans dat het ijs breekt. 7) Verklaar waarom een fakir kan blijven zitten op een spijkerbed. Antw: De druk wordt verdeeld over meerdere spijkers, dus het oppervlakte is vergroot en wordt de druk kleiner. 8) Wanneer de kracht op een oppervlak viermaal groter wordt en de oppervlakte tweemaal kleiner wordt, dan wordt de druk: A) 4 maal groter B) 4 maal kleiner C) 8 maal groter D) 8 maal kleiner 𝐹 4𝐹 𝐴 0.5𝐴 Antw: C, want de formule is 𝑝 = . Dus is 𝑝 = Pagina | 1 =8 HET LABORINT 9) DE VRAGENBUNDEL Waarom zorgt een duimspijker voor een grote vervorming en tegelijk een kleine vervorming? Antw: De spijkerkop heeft een groot oppervlakte, want de hamer mag niet vervormen. De naald heeft een klein oppervlakte, want de vervorming moet groot zijn. 10) Wat gebeurt er met de druk uitgeoefend door een kubus, die op een van zijn zijvlakken op de tafel rust, als we de afmetingen van de kubus verdubbelen maar wel hetzelfde materiaal gebruiken. A) de druk halveert B) de druk wordt 4x groter C) de druk wordt 4x kleiner D) de druk verdubbelt Antw: D, want de massa wordt 8 keer groter en dus de kracht ook. De oppervlakte vergroot met een 𝐹 8𝐹 𝐴 4𝐴 factor 4. de formule voor druk is 𝑝 = . Dus is 𝑝 = 11) =2 Waarom snijdt een mes beter als het goed geslepen is? Antw: De oppervlakte is kleiner van het mes, dus de druk of vervorming is groter. 12) Je wil op een oppervlak A een constante druk uitoefenen. Welke grafiek geeft het juist verband weer tussen kracht en oppervlakte? F A F B A F C A F D A A Antw: Grafiek A, want er is een recht evenredig verband tussen oppervlakte en kracht. Als je de druk constant wil houden en de oppervlakte vergroot dan moet de kracht ook vergroten. Pagina | 2 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B47: Aan de hand van toepassingen toelichten dat druk die wordt uit geoefend op een vloeistof zich onverminderd in alle richtingen voortplant. 13) Het doel van het gebruik van een hydraulische pers is: A) B) C) D) een kleine druk omzetten in een grote druk een kleine kracht omzetten in een grote kracht een grote druk omzetten in een grote kracht drukken te meten Antw: B, want een hydraulische pers zet een kleine kracht om in een grote kracht. 14) We vullen een fles met twee halzen tot boven met water. Deze twee halzen worden met een kurk afgesloten zodat ze in contact zijn met het water. Op een van de kurken geven we een korte hamerslag. De andere kurk springt eruit. (zie figuur) Welk beginsel wordt hier geïllustreerd? Geef dit beginsel. Antw: Het beginsel van Pascal, een druk uitgeoefend op een vloeistof plant zich ongewijzigd in alle richtingen voort. 15) Formuleer een hedendaags voorbeeld van een hydraulische pers en verklaar. Antw: Een remsysteem bij auto’s: door te duwen op de rempedaal zet je heel de auto stil. Een pers om blikjes plat te duwen: je duwt een klein hendeltje naar beneden en het blikje is helemaal plat. Een kappersstoel: je duwt op een hendeltje en de stoel met de persoon erop gaat omhoog. 16) Formuleer een hedendaags voorbeeld van het beginsel van Pascal bij vloeistoffen. Antw: Je duwt links, rechts, bovenaan of onderaan op een fles shampoo. De shampoo komt uit de opening. Je duwt links, rechts, bovenaan of onderaan op een fles water. Het water komt uit de opening. 17) Waarom kan je de wet van Pascal niet toepassen op vaste stoffen? Verklaar dit met het deeltjesmodel. Antw: De deeltjes van een vaste stof zitten in een rooster. De druk op een vaste stof kan niet worden doorgegeven naar de andere deeltjes zoals bij een vloeistof of een gas. Pagina | 3 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B48: Druk in een vloeistof verklaren en berekenen. 18) Een U-vormige buis bevat drie niet mengbare vloeistoffen A, B en C. Uit de figuur kan je over de massadichtheid van de vloeistoffen besluiten dat: A) ρA < ρB < ρC B) ρB < ρA < ρC C) ρA < ρC < ρB D) ρC < ρA < ρB Antw: B, want ρC is grootst omdat de vloeistof zich onderaan bevindt en ρB is het kleinst omdat het volume groter is dan ρA 19) Men meet in twee vaten die met vloeistof gevuld zijn, de druk p in functie van de diepte h. Dit levert de onderstaande grafiek op. Hieruit kun je besluiten dat: A) B) C) D) dichtheid vloeistof A < dichtheid vloeistof B dichtheid vloeistof A > dichtheid vloeistof B de vloeistofkolom bij B het hoogst is de atmosferische druk op B het grootst is Antw: A, want de formule van druk is 𝑝 = 𝑝𝑎𝑡𝑚 + 𝜌. ℎ. 𝑔 op gelijke 𝑝 is de hoogte van de rechte A groter dan die van de rechte B, dus is 𝜌𝐴 kleiner dan 𝜌𝐵 . 20) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. Hydrostatische druk wordt uitgeoefend door vloeistoffen en vindt zijn oorzaak in de zwaartekracht. Antw: Juist, de deeltjes bovenaan oefenen een druk uit op de laag deeltjes onder hen door de zwaartekracht en deze deeltjes voeren op hun beurt ook een druk uit op de deeltjes daar onder. Zo wordt de druk groter naarmate je dieper gaat. 21) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. Hoe groter de dichtheid van de vloeistof, hoe groter de hydrostatische druk. Antw: Juist, want de formule is 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟 = 𝜌. ℎ. 𝑔. Het verband is dus recht evenredig. 22) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. De hydrostatische druk op een diepte hangt af van de atmosferische druk. Antw: Fout, de formule is 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟 = 𝜌. ℎ. 𝑔. De hydrostatische druk is niet afhankelijk van de atmosferische druk. 23) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. De hydrostatische druk op een diepte hangt af van de massadichtheid van de vloeistof. Antw: Juist, de formule is 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟 = 𝜌. ℎ. 𝑔. De afhankelijke factoren van de hydrostatische druk zijn de massadichtheid, de hoogte en de zwaarteveldsterkte. Pagina | 4 HET LABORINT 24) DE VRAGENBUNDEL Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. In een zwembad is de hydrostatische druk in het water op een diepte van twee meter dubbel zo groot als de hydrostatische druk op een diepte van één meter. Antw: Juist, de formule is 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟 = 𝜌. ℎ. 𝑔. De hoogte is recht evenredig met de hydrostatische druk. Hoe dieper je gaat, hoe groter de hydrostatische druk. 25) Duiker A bevindt zich op 10 m onder de zeespiegel. Duiker B op 20 m. Wie van de twee duikers ondervindt de grootste druk ? Antw: Duiker B, want de formule is 𝑝 = 𝑝𝑎𝑡𝑚 + 𝜌. ℎ. 𝑔. Dus als de hoogte groter wordt dan wordt de druk ook groter. 26) Formuleer de werking van verbonden vaten. Antw: In een verbonden vat zal het vloeistofniveau overal even hoog staan, op voorwaarde dat het vat gevuld is met een homogene vloeistof. 27) Verklaar het fenomeen van hydrostatische druk. Antw: Hydrostatische druk is de druk die uitgeoefend wordt door een vloeistof op een lichaam. Deze hydrostatische druk is afhankelijk van de massadichtheid van de vloeistof, de hoogte van het voorwerp en de zwaarteveldsterkte. 28) Men giet vloeistof A in een cilindervormig vat met diameter d tot een hoogte h1. Om in een vat met diameter d/2 een zelfde hydrostatische druk te bekomen moet men het vat vullen met vloeistof A tot een hoogte h2 waarbij: A) h1 = h2 B) h1 = 2 h2 C) 2 h1 = h2 Antw: A, want de hydrostatische druk kan je berekenen met volgende formule: 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟 = 𝜌. ℎ. 𝑔. De hydrostatische druk is afhankelijk van de hoogte, maar niet van de diameter van de buis. Als de vloeistof en de hoogte hetzelfde blijft, zal de hydrostatische druk ook hetzelfde zijn. 29) Als je duikt of onder water zwemt, ondervind je vaak pijn in je oren. Hoe komt dit? Antw: Hoe dieper je duikt, hoe groter de hydrostatische druk. Er komt een drukverschil aan beide kanten van het trommelvlies. Dit drukverschil vertaalt zich aan pijn in je oren. 30) formuleer een hedendaags voorbeeld van communicerende vaten. Antw: Peilglas in een ketel: zowel in de ketel als in het peilglas staat het water even hoog. Sluizen: als men sluizen opent dan verbindt men de vaten met elkaar en komt het water op gelijke hoogte. 31) Verklaar via het deeltjesmodel hoe de hydrostatische druk ontstaat. Antw: De hydrostatische druk is de druk die ontstaat door het gewicht van de bovenliggende deeltjes. 32) Verklaar waarom diepzeevissen open barsten als ze opgevist worden. Antw: De hydrostatische druk is op die diepte heel groot. Aangezien de vis aan de druk kan weerstaan is de inwendige druk van de vis ook heel groot. Wanneer de vis wordt opgevist, daalt de druk op de vis. Om een evenwicht te bewaren moet de druk in de vis kleiner worden en zet de vis uit. Wanneer het drukverschil te groot is barst de vis open. Pagina | 5 HET LABORINT 33) DE VRAGENBUNDEL Hier zie je 3 vaten: Alle vaten hebben hetzelfde grondvlak. In alle vaten giet men tot dezelfde hoogte dezelfde vloeistof. Dan is de hydrostatische kracht op de bodem het grootst voor: A) vat A B) vat B C) vat C D) voor alle vaten even groot Antw: D, want de hydrostatische druk is op dezelfde hoogte hetzelfde. 34) Welk diagram geeft het verloop van de totale druk met de diepte weer in een vat gevuld met een vloeistof? 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟𝑜 A 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟𝑜 B h h 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟𝑜 𝑝ℎ𝑦𝑑𝑟𝑜 C D h h Antw: Diagram B, want de formule is 𝑝 = 𝑝𝑎𝑡𝑚 + 𝜌. ℎ. 𝑔 Pagina | 6 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B49: de druk van een gas op een oppervlak verklaren via het deeltjesmodel. 35) Formuleer een hedendaags voorbeeld van onderdruk. Antw: Het opdrinken van een brikje: door te drinken vergroot het volume, waardoor de deeltjes meer plaats krijgen en de druk daalt. Daardoor zal de atmosferische druk het brikje karton naar binnen duwen; Een zuignap: Als je duwt op de zuignap ontsnapt de lucht. Als je de zuignap loslaat, wordt het volume van de gevangen lucht terug groter. Daardoor heerst er een onderdruk in de zuignap. De atmosferische druk duwt de zuignap tegen de muur. 36) Formuleer een hedendaags voorbeeld van bovendruk. Antw: Het ontkurken van een fles champagne: Door de grote druk binnen in de fles, zal de kurk er makkelijk uitvliegen; Bij een gaskraan, want de gas komt uit de kraan en de lucht gaat er niet in. Er zijn dus meer gasdeeltjes dan luchtdeeltjes. 37) Klimmer A bevindt zich op een hoogte van 200 m en klimmer B op een hoogte van 400 m. Welke klimmer ondervindt de grootste luchtdruk? Antw: klimmer A, want hoe hoger je klimt. Hoe lager de luchtdruk. Dit is de reden waarom op hoge hoogtes de klimmers zuurstofflessen meenemen. 38) De luchtdruk op de top van een berg is: A) hoger dan de luchtdruk in het dal B) lager dan de luchtdruk in het dal C) gelijk aan de luchtdruk in het dal D) deze vraag kan niet beantwoordt worden Antw: B, hoe hoger je in de atmosfeer gaat, hoe minder luchtdeeltjes er aanwezig zijn en dus ook een kleinere luchtdruk is. 39) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. Thuis kook je een eitje gaar in een zestal minuten; boven op een hoge berg duurt het heel wat langer. Antw: Juist, de kooktemperatuur is lager. Het water zal op een lagere temperatuur beginnen koken. Na een zestal minuten zal het ei nog niet gaar zijn. 40) Als de Maagdenburgse halve bollen perfect luchtledig zijn, is het totaal onmogelijk om ze uit elkaar te trekken. Verklaar dit fenomeen. Antw: Er is geen luchtdruk binnen de bollen, hierdoor zal de atmosferische druk een enorme kracht op de bollen zetten waardoor het onmogelijk is om ze uit elkaar te trekken. 41) Verklaar de werking van een zuignap. Antw: Als je een zuignap op een oppervlak bevestigt en hierop duwt, zullen de luchtdeeltjes ontsnappen en creëer je een onderdruk binnen de zuignap. De atmosferische druk zal door dit drukverschil een grote kracht zetten op de zuignap. 42) We sluiten de deur van een diepvrieskast. We kunnen ze niet onmiddellijk openen. Verklaar dit fenomeen aan de hand van het deeltjesmodel. Antw: Het aantal botsingen en de snelheid waarmee de deeltjes botsen is veel kleiner in de diepvries dan buiten door de lage temperatuur, dus de druk is groter buiten de diepvries. Pagina | 7 HET LABORINT 43) DE VRAGENBUNDEL Verklaar waarom je een ballon kan opblazen. Antw: De luchtdruk binnen de ballon is groter dan de atmosferische druk, waardoor de ballon groter kan worden. 44) Verklaar hoe botsingsdruk ontstaat via het deeltjesmodel. Antw: In een gas bewegen de deeltjes vrij door elkaar en botsen soms tegen elkaar of tegen een wand. De kracht van die botsingen veroorzaakt de druk. De druk veroorzaakt door botsingen wordt de botsingsdruk genoemd. 45) Verklaar waarom je op grote hoogte makkelijk een neusbloeding krijgt. Antw: De luchtdruk op grote hoogte is veel kleiner dan op zeeniveau. De druk binnen de bloedvaten in de neus blijft constant. Doordat de buitendruk verlaagt zal het volume van het bloedvat toenemen om een evenwicht in druk te behouden. Bij een te groot drukverschil springen de bloedvaten. Pagina | 8 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B50: meettoestellen om druk te meten in vloeistoffen en gassen toelichten. 46) We meten eerst de overdruk in een gasleiding met een manometer gevuld met water en daarna met een manometer gevuld met alcohol. Het hoogteverschil tussen de vloeistofspiegels in beide benen is dan: A) het grootst bij de manometer gevuld met water B) het grootst bij de manometer gevuld met alcohol C) in beide manometers even groot D) niet te bepalen omdat de luchtdruk niet gekend is Antw: B, omdat alcohol een kleinere massadichtheid heeft dan water. 47) Kun je met de manometer de atmosferische druk meten? Leg uit waarom wel of niet? Antw: Nee, een manometer maakt gebruik van het drukverschil tussen de atmosferische druk en de te meten druk. Wanneer de te meten druk de atmosferische druk is, is er geen drukverschil en dus geen meetresultaat. 48) Beschrijf een hedendaags voorbeeld waarbij je een manometer gebruikt. Antw: een bloeddrukmeter bij het meten van de bloeddruk, Bij het tankstation wanneer je je banden moet oppompen. 49) Beschrijf een hedendaags voorbeeld van de buis van Torricelli. Antw: een kwikbarometer: bij een bepaalde luchtdruk zal het volume van het kwik zich aanpassen in de kwikkolom. 50) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. Als we bij de proef van Torricelli een buis met dubbele doorsnede nemen, dan halveert de hoogte van de kwikkolom. Antw: Fout, de doorsnede heeft niets te maken met de hoogte van de kwikkolom. Als de druk verandert zal de hoogte ook veranderen. 51) Met welk meettoestel kun je de diepte in een vloeistof meten? Antw: Een manometer 52) Welk meettoestel is dit? Antw: een manometer 53) Welk meettoestel is dit? Antw: Een barometer 54) Verklaar de werking van de barometer? Antw: Een barometer bestaat uit een luchtledig doosje dat wordt ingedrukt door de atmosferische druk. Door deze verandering aan het oppervlak van het doosje zal de wijzer bewegen. Pagina | 9 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B51: Aan de hand van leefwereldsituaties verklaren waarom voorwerpen een gewichtsvermindering ondergaan als ze ondergedompeld worden in een vloeistof of een gas. 55) Wat is de definitie van de archimedeskracht? Antw: Een voorwerp waarvan een volume V ondergedompeld wordt in een vloeistof met een dichtheid ondervindt een opwaartse kracht, de archimedeskracht. 56) Een bal wordt 1 m onder water geduwd. Diezelfde bal wordt later 2 m onder water geduwd. Wanneer is de archimedeskracht het grootst? Antw: De archimedeskracht is in beide gevallen even groot want het volume van het voorwerp dat ondergedompeld wordt, blijft onveranderd, dus blijft de opwaartse kracht dezelfde. 57) De archimedeskracht heeft in de fysica nog een andere benaming, wat is deze benaming? Antw: Stuwkracht 58) Wat zijn de afhankelijke factoren bij de wet van Archimedes? Antw: De massadichtheid van de vloeistof, de zwaarteveldsterkte en het volume van de hoeveelheid verplaatste vloeistof. 59) Een metalen cilinder met massa m is opgehangen in een beker met water (met massa M). De cilinder is volledig ondergedompeld en raakt de bodem niet. Het geheel wordt op een weegschaal geplaatst. Is de massa die de weegschaal aanduidt: A) Gelijk aan M? B) Kleiner dan M+m? C) Gelijk aan M+m? Antw: B, want er werkt een opwaartse kracht op de metalen cilinder. De archimedeskracht zorgt voor een vermindering in gewicht. 60) Een metalen cilinder met massa m wordt in een beker met water (massa M) gezet. Het geheel wordt op een weegschaal geplaatst. Is de massa die de weegschaal aanduidt: A) Gelijk aan M? B) Kleiner dan M+m? C) Gelijk aan M+m? Antw: C, De metalen cilinder rust op de bodem van het glas. Er werkt geen archimedeskracht op de cilinder, dus is er geen vermindering in gewicht. 61) Welke formule van de archimedeskracht op een volledig ondergedompeld voorwerp zijn juist? Motiveer je antwoord. A) 𝐹𝐴 = 𝜌𝑣𝑤 . 𝑔 . 𝑉𝑣𝑤 B) 𝐹𝐴 = 𝜌𝑣𝑙 . 𝑔 . 𝑉𝑣𝑤 C) 𝐹𝐴 = 𝜌𝑣𝑙 . 𝑔 . 𝑉𝑣𝑙 Antw: B, want de archimedeskracht is afhankelijk van de massadichtheid van de vloeistof, volume van het voorwerp en de zwaarteveldsterkte. 62) Hoe kan je ervoor zorgen dat je een ei kan laten zweven in een bokaal water? Antw: Omdat het ei oorspronkelijk zinkt moet je de massadichtheid van de vloeistof verhogen. Dit doe je door zout toe te voegen. Pagina | 10 HET LABORINT 63) DE VRAGENBUNDEL Een massief vast voorwerp wordt ondergedompeld in een homogene vloeistof op een diepte van 5,00 cm, waar het blijft zweven. Men duwt het lichaam nu naar beneden tot het 10,0 cm onder de vloeistofspiegel zit. Men houdt het daar vast en laat het daarna voorzichtig los. Wat gebeurt er? A) Het voorwerp zinkt B) Het voorwerp zweeft C) Het voorwerp stijgt tot 5,00 cm D) Het voorwerp stijgt tot boven Antw: B, want de archimedeskracht is onafhankelijk van de diepte. 64) Verklaar waarom een duikboot zowel kan dalen als stijgen in water. Antw: Door de luchttoevoer te regelen kan de duikboot zowel dalen als stijgen in water. De luchtkleppen kunnen ervoor zorgen dat er veel of weinig water in en uit de duikboot kan gaan en in reservoirs terechtkomt. 65) Een roeiboot drijft in een zwembad en het waterniveau wordt op de rand aangegeven. Stel dat boot uit het water wordt gehaald. Wat gebeurt er met het waterniveau? Antw: Het waterniveau daalt, want er wordt geen water meer verplaatst. 66) Een roeiboot drijft in een zwembad en het waterniveau wordt op de rand van het zwembad aangegeven. Wat gebeurt er met het waterniveau als er in de boot in het water een stalen anker ligt dat je in het zwembad gooit? Antw: Het waterniveau daalt. Indien het anker in de boot ligt, zal het meer water doen verplaatsen, dan wanneer het anker in het water ligt. 67) Een roeiboot drijft in een zwembad en het waterniveau wordt op de rand van het zwembad aangegeven. Wat gebeurt er met het waterniveau als er in de boot in het water een stalen anker ligt dat uit de boot op de kant wordt gelegd? Antw: Het waterniveau daalt, want je vermindert in massa door het anker aan de kant te gooien. 68) Een lichaam wordt ondergedompeld in water (ρ = 1000 kg/m³) en heeft een volume van 11 cm³ Zal het zinken, zweven of drijven in het water als je weet dat het lichaam een massa heeft van 15 g? Waarom? Antw: Het lichaam zal zinken want zijn massadichtheid is 1363 kg/m³. 69) Een visser heeft een laars aan een haak geslagen. Verklaar waarom de vislijn pas sterk zal doorbuigen bij het ophalen van de laars uit het water. Antw: In het water zal de laars nog een opwaartse kracht ondervinden, eenmaal uit het water verdwijnt deze kracht en zal de resulterende kracht naar benden toenemen. 70) Drijft lood op kwik als je weet dat ρHg = 13590 kg/m³ en ρPb = 11300 kg/m³? Antw: Ja, want de massadichtheid van lood is kleiner dan kwik dus blijft lood drijven op kwik. Pagina | 11 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B53: Het verband tussen de toestandsgrootheden: druk, volume en temperatuur van een bepaalde hoeveelheid gas aangeven en toepassen. B55: Met behulp van het deeltjesmodel de afzonderlijke gaswetten verklaren en de fysische betekenis van het nulpunt toelichten. 71) Welke drie grootheden onderscheiden we nog als we de massa van een gas al vastleggen? Antw: Druk , temperatuur en volume. 72) Wat is het ‘dood volume’? Antw: Het volume vloeistof of gas dat in het systeem zit die we buiten beschouwing laten tijdens de experimenten. 73) We maken een ballon groter door hem onder een koepel te plaatsen en de lucht onder de koepel weg te zuigen. Welke grootheid blijft er in deze situatie constant A) druk B) temperatuur C) volume Antw: B, door te druk te verlagen zal het volume toenemen. De temperatuur is constant. 74) We maken een ballon groter door CO2 aan de ballon toe te voegen. Welke grootheid blijft er in deze situatie constant? A) druk B) temperatuur C) volume Antw: B, door CO2 toe te voegen verander je niets aan de temperatuur. 75) We maken een ballon een klein beetje groter door hem met een haardroger een klein beetje te verwarmen. Welke grootheid blijft er in deze situatie constant? A) druk B) temperatuur C) volume Antw: A, je gebruikt de haardroger om de temperatuur te vergroten en zo het volume te vergroten. 76) We sluiten de deur van een diepvrieskast. We kunnen ze niet onmiddellijk openen. Welke grootheid blijft er in deze situatie constant? A) druk B) temperatuur C) volume Antw: C, bij het openen van de deur zal de druk en temperatuur veranderen. Dus blijft het volume constant. 77) Bij een isochoor proces op een bepaalde hoeveelheid gas, zal: A) de druk toenemen en de temperatuur dalen B) de druk en de temperatuur toenemen C) de druk en de temperatuur constant blijven D) de druk dalen en de temperatuur toenemen Antw: B, bij een isochoor proces blijft het volume constant. Pagina | 12 HET LABORINT 78) DE VRAGENBUNDEL Een open waterreservoir bevat water tot een diepte van 20 m. De temperatuur van het water is constant. De atmosferische druk is gelijk aan de druk van een waterkolom van 10 m hoogte. Een luchtbel vertrekt op de bodem en stijgt tot het wateroppervlak. Dan zal het volume van de bel: A) gehalveerd zijn alvorens aan de oppervlakte te komen B) verdubbeld zijn alvorens ze aan de oppervlakte komt C) constant blijven D) gehalveerd zijn alvorens ze 10 m gestegen is Antw: B. Als de luchtbel stijgt, daalt de druk op de luchtbel. Hierdoor zal het volume toenemen. 79) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. Om een volume van een gas bij een constante druk te verdubbelen, moet de temperatuur verdubbelen. Antw: Juist, volume en temperatuur hebben een recht evenredige verhouding. 80) Een zekere hoeveelheid gas zet uit bij constante temperatuur. Welke fysische kenmerken van het gas stijgen van de hieronder vermelde? A) Het gemiddeld aantal moleculen per volume B) De gemiddelde snelheid C) De gemiddelde kinetische energie D) De gemiddelde afstand tussen de moleculen E) Het gemiddeld aantal botsingen per tijd op de wand van het vat Antw: E, hoe meer botsingen op de wand, hoe groter het volume van het gas. 81) Waarom kunnen fietsbanden in de zomer ontploffen? Verklaar via het deeltjesmodel. Antw: In de zomer stijgt de temperatuur in de banden, het volume is contant. De druk in de band zal toenemen. Een te hoge druk zorgt ervoor dat de band zal ontploffen. 82) Waarom kunnen fietsbanden, die niet lek zijn, in de winter plat staan? verklaar via het deeltjesmodel. Antw: In de winter daalt de temperatuur waardoor de snelheid van de deeltjes vermindert. Door deze snelheidsvermindering zullen de deeltjes minder snel botsen tegen de wand en zal de druk dalen. De buitendruk is groter dan de binnendruk, dus wordt de band platgeduwd. 83) Waarom noemt men -273,15 K het absolute nulpunt? Antw: Bij -273,15 K is de temperatuur zo laag dat de deeltjes niet meer zullen bewegen. 84) Iemand blaast een ballonnetje op en sluit het daarna af. In welke situatie kunnen we spreken van een constante temperatuur: A) Als de persoon het ballonnetje na het opblazen langzaam indrukt B) Als de persoon het ballonnetje na het opblazen in de zon legt Antw: A. Het volume neemt af, de druk neemt toe en de temperatuur is constant. 85) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. Een verandering van inwendige energie van een stof is steeds waarneembaar door een temperatuursverandering. Antw: Juist, want de inwendige energie hangt samen met de snelheid van de deeltjes. Als de inwendige energie verandert zal de snelheid van de deeltjes veranderen en ook de temperatuur. Pagina | 13 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B54: Grafisch het verband tussen twee toestandsgrootheden weergeven als de derde constant gehouden wordt. 86) De grafiek geeft het verband weer tussen volume en temperatuur voor twee gassen. Welk gas heeft de grootste druk? Antw: Gas 1, want voor eenzelfde volume is de temperatuur van gas 1 groter dan van gas 2, dus er is een grotere druk bij gas 1 dan bij gas 2. 87) Welke van de drie onderstaande grafieken stellen een isobare toestandsverandering voor? Antw: Grafiek 1, want bij een isobaar proces blijft de druk constant Pagina | 14 HET LABORINT 88) DE VRAGENBUNDEL Welk proces doet er zich voor tijdens fase 1 van deze grafiek? Verklaar je antwoord. Antw: Isobaar, oftewel 'bij constante druk'. Een isobaar proces wordt in het diagram weergegeven door een horizontale lijn, want alleen het volume verandert. 89) Welk proces doet er zich voor tijdens fase 2 van deze grafiek? Verklaar je antwoord. Antw: Isochoor, oftewel 'bij constant volume'. Een isochoor proces wordt in het diagram weergegeven door een verticale lijn: de druk verandert, maar het volume blijft gelijk. 90) Welk proces doet er zich voor tijdens fase 3 van deze grafiek? Verklaar je antwoord. Antw: Isotherm, oftewel 'bij constante temperatuur'. Als de temperatuur en het aantal deeltjes constant blijven, moet het product van p en V ook constant blijven. De druk moet dan dus omgekeerd evenredig zijn met het volume. Pagina | 15 HET LABORINT DE VRAGENBUNDEL B56: De algemene gaswet formuleren en toepassen met behulp van de molaire of universele gasconstante. 91) Wat is een ideaal gas? Bespreek dit aan de hand van het deeltjesmodel. Antw: Een ideaal gas bestaat uit moleculen die een te verwaarlozen ruimte innemen en waartussen te verwaarlozen krachten bestaan, behalve bij botsingen. Alle botsingen tussen moleculen en tussen moleculen en de wanden zijn perfect elastisch. 92) Wat is de algemene gaswet? Antw: De algemene gaswet beschrijft het gedrag van ideale gassen onder invloed van druk, volume, temperatuur en aantal deeltjes. De wet luidt: p V = n R T (met R de gasconstante en n het aantal deeltjes. 93) De molaire massa van H2-gas is 2,00 g/mol en van O2-gas 32,0 g/mol. Wanneer we in 2 even grote kolven respectievelijk 2,00 g H2-gas en 2,00 g O2-gas opsluiten en beide op dezelfde temperatuur brengen, dan is de druk: A) in beide kolven even groot B) voor O2-gas 16 maal groter C) voor O2-gas 16 maal kleiner D) voor O2-gas 32 maal groter E) voor O2-gas 32 maal kleiner Antw: B, want de molaire massa van O2-gas is 16 maal groter dan H2. Voor 1 mol zijn er 16 keer meer deeltjes bij het O2-gas dan bij H2, dit wil zeggen dat de druk groter is. 94) Hoe groot is het volume van een bepaalde hoeveelheid gas bij het absolute nulpunt volgens de algemene gaswet. Antw: Volume van het gas is de som van de volumes van de deeltjes zelf. 95) Is de volgende stelling juist of fout en verklaar ook waarom je voor dit antwoord koos. De universele gasconstante toont aan dat het volume ingenomen door een zelfde hoeveelheid gas bij een bepaalde temperatuur en druk afhangt van het soort gas. Antw: Fout, de universele gasconstante is bij alle gassen hetzelfde. 96) Schets het deeltjesmodel van een ideaal gas en vergelijk dit met het deeltjesmodel van een reëel gas. Antw: Onder een ideaal gas verstaan we een éénatomig molecuul met een puntmassa en die geen kracht uitoefent op andere moleculen. Bij een reëel gas zal een molecuul uit meerdere atomen bestaan die ook krachten uitoefenen onderling en op andere moleculen. Pagina | 16