N59.1 ProjectMAT en

advertisement
N59.1 – Projectmat en projectfiches
INHOUDSTAFEL
0. CONTEXT
2
1. APPLICATIE PROJECTMAT
3
1.1. CATALOG EN SLEUTELS
1.2. OPBOUW EN STRUCTUUR
3
4
1.2.1.
1.2.2.
1.2.3.
1.2.4.
1.2.5.
4
5
5
5
5
VOORBEREIDEN DOELVRAAGFOLDER – REKENVOLGORDE 1
UITDUMPEN MATRICES – REKENVOLGORDE 2
UITVOEREN PROJECTGROEI – REKENVOLGORDE 3
OPBOUWEN PROJECTMATRICES – REKENVOLGORDE 4
AFWERKEN MATRICES IN DOELVRAAGFOLDER – REKENVOLGORDE 5
2. WERKING VAN MINTOD
6
2.1. OPZET EN BESTANDSKOPPELING
2.2. STURING VAN MINTOD
6
7
3. OPMAAK VAN HET PROJECTFICHE-BESTAND
9
3.1.
3.2.
3.3.
3.4.
3.4.1.
3.4.2.
3.4.3.
3.4.4.
3.4.5.
ALGEMENE PRINCIPES
SYNTAX VAN DE PROJECTFICHE
OVERZICHTSTABEL KEYWORDS EN PARAMETERS
VERDUIDELIJKENDE VOORBEELDEN VAN PROJECTFICHES
VOORBEELD 1
VOORBEELD 2
VOORBEELD 3
VOORBEELD 4
VOORBEELD 5
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
9
10
18
19
19
20
20
21
21
1
N59.1 – Projectmat en projectfiches
0. C ONTEXT
De strategische personenmodellen worden ingezet voor een breed spectrum aan
mobiliteitsanalyses, zowel in de bestaande situatie als in een prognosejaar en –scenario
Business-As-Usual 2020. In de meeste gevallen richten de oefeningen zich op specifieke
maatregelen binnen het aanbodssysteem, bijvoorbeeld ringwegen voor gemotoriseerd
verkeer of geoptimalizeerde of bijkomende OV-verbindingen. Er is echter een duidelijke
tendens om ook gericht ruimtelijke projecten en invullingen mee te betrekken in deze
oefeningen, en sommige analyses beperken zich enkel tot impact-inschatting op mobiliteit
van bepaalde projecten.
De module BasMAT/GroeiMAT biedt de modelexperten een onderbouwd instrument om
grootschalige ruimtelijke verkenningen door te voeren. Deze applicatie vertrekt van de grond
af en verwerkt projecten op niveau van de sociodemografische en economische data, om
zodoende via patroondoortrekking een meest plausibele, consistente en interngebalanseerde totale situatie te schetsen. Resolutie van dit systeem komt neer op de basisbouwblokken van de modellen. De resulterende verplaatsingsmatrices per motief en tijdstip
vormen een solide basis voor grootschalige scenario’s, en zijn daarom de beste
vertrekbassisen voor ankerjaren en –situaties. Het is echter moeilijk om één specifiek project
met vooropgestelde kenmerken rond distributie en tijdstipkeuze exact in het eindresultaat te
krijgen.
Om die reden wordt een bijkomend instrument ontwikkeld om bovenop bestaande
referentie-situaties gericht projecten toe te voegen in het kader van specifieke
modelevaluaties en –varianten. De module ProjectMAT opereert dan ook op het operationele
niveau en ondersteunt de modelgebruiker binnen de SM3+-context met de opmaak van extra
vraagscenario’s waarbinnen de gewenste projecten volledig worden uitgewerkt. ProjectMAT
opereert op model-matrixniveau, zijnde motief- en/of modepatronen, in plaats van op
sociodemografische data, en verlaat de stringente eisen rond consistentie en balansering van
de totale patronen die BasMAT/GroeiMAT aanbiedt. In de plaats daarvan zal ProjectmAT op
de meest flexibele en efficiënte manier opgegeven projecten exact vertalen naar de correcte
motief- en/of modematrices, waarbij in de opvolgende evaluaties de effecten van deze
projecten correct begroot zijn. Via uitgebreide projectfiches kan de gebruiker normaliter de
meest complexe projecten invoeren, waarbij een uitgebreid spectrum aan detaillering, of het
ontbreken daarvan, automatisch zal verwerkt worden.
In volgende onderdelen wordt ingegaan op de applicatie ProjectMAT zelf, op MINTOD, het
hart van ProjectMAT en op de syntax van de projectfiches.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
2
N59.1 – Projectmat en projectfiches
1. A PPLICATIE P ROJECT MAT
1.1.
C ATALOG
EN SLEUTEL S
ProjectMAT wordt opgeleverd en gebruikt in een klassieke Catalog/Application combinatie,
en draait in praktijk onder een SM3+-omgeving: dit betekent dat de benodigde data en de
uitvoerresultaten klassiek in
de SM3+-bibliotheek bewaard worden. Technisch
gezien
zal
ProjectMAT
vertrekken van een bepaalde
vraagfolder
onder
de
DoorrekenenSM3-folder, en
zal
die
vraagmatrices
verrijken
met
de
projectpatronen
en
de
resultaten in een nieuwe
vraagfolder
bewaren,
zodanig dat de gebruiker in
de SM3+ bepaalde varianten
kan koppelen aan deze
nieuwe
vraag
naar
verplaatsingen.
Dit principe komt naar voor
in 3 sleutels in de Catalog: de
sleutel DataScen bepaalt
naar
welke
SM3+bibliotheek
de
gehele
Applicatie verwijst. Binnen
een
standaard
SM3+bibliotheek wordt altijd een vaste structuur gevolgd, dus enkel de foldernaam van de
bibliotheek volstaat. Op deze manier kan eenvoudig tussen bibliotheken geschakeld worden
met de Applicatie, ofwel kan binnen de Catalog een scenario-structuur opgebouwd worden
waarbij een eerste niveau naar verschillende bibliotheken verwijst. De tweede sleutel
Bronvraagfolder stelt de vraagfolder in waarbij de opgegeven projecten zullen opgeladen
worden: in deze folder staan, bij een correct functionerende SM3+-bibliotheek, een set
matrices rond Herkomst-Bestemmingspatronen, Modematrices, Vrachtmatrices, alsook de
kostenmatrices voor de diverse modi en een databank met de zonale socio-demografische
gegevens. Al naargelang het functioneren van ProjectMAT worden bepaalde of alle bestanden
gebruikt om een nieuwe vraagfolder op te bouwen waarbinnen de opgegeven projecten
opgenomen zijn. Deze nieuwe vraagfolder wordt opgegeven in de derde sleutel
Doelvraagfolder: deze is analoog aan de basis vraagfolder, en kan in eerste instantie nog
onbestaande zijn. ProjectMAT zal in deze folder alle nieuwe bestanden en matrices
wegschrijven, en er voor zorgen dat deze folder door SM3+ volledig zal herkend worden als
een functionerende en operationele vraagfolder zodanig dat rekenvarianten hieraan kunnen
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
3
N59.1 – Projectmat en projectfiches
gekoppeld worden. Indien noodzakelijk zal ProjectMAT deze folder aanmaken. De sleutel
Specs geeft de omschrijving van deze nieuwe doelvraagfolder: deze omschrijving wordt in een
apart ASCII-bestand onder doelvraagfolder weggeschreven, zodanig dat finaal de naamgeving
en omschrijving in SM3+ duidelijk en werkbaar wordt.
De sleutel Projectfiches verwijst naar het bestand waarin alle te behandelen projecten
beschreven staan. Dit bestand vormt de kern van het hele systeem ProjectMAT, en wordt in
deze Catalog gelinkt via een directe bestandsnaam die kan gebladerd worden. Op zich hoeft
dit bestand dan ook niet in de SM3+ DataScen-structuur opgenomen te worden, hoewel dit
mogelijk wel aan te bevelen is. Het Projectfiche-bestand is een standaard ASCII-bestand met
keywords die de projecten in meer of minder detail beschrijft. De inhoud ervan wordt
beschreven in een volgend onderdeel.
De sleutel Zones geeft klassiek het aantal zones in het gekoppelde verkeersmodel op. Deze
parameter is via omwegen wel uit de bronvraagfolder af te leiden, maar praktisch gebruik
leert dat die data niet altijd intern consistent is, en daarom wordt uit voorzorg deze
parameter in het project opgenomen.
Een laatste sleutel Uur duidt het te modelleren uur aan waarvoor de matrices moeten
opgebouwd worden. Het gehele systeem kan voor een reeks aan uren draaien, maar dit
maakt het conceptueel moeilijker om met de juiste kostenmatrices voor de te modelleren
uren te werken. Daarom wordt gekozen om steeds met geïsoleerde uren te rekenen, op deze
manier wordt deze sleutel ook gehanteerd in de verwijzing naar de uurgerelateerde
kostenmatrices, en kan geen verwarring ontstaan.
Via de gehele set van sleutels kan een efficiënte scenario-structuur in de Cube Scenario
Manager opgebouwd worden, waarin een hiërarchie naar bibliotheken en/of modellen,
projectpakketten en modelperiodes kan onderscheiden worden. De applicatie maakt geen
gebruik van interne condities en feedbacks, dus het is mogelijk om een hele set van scenario’s
op te lijsten en door te rekenen.
1.2.
O PBOUW
EN STRUCTUUR
ProjectMAT wordt bijna volledig gedragen door MINTOD.EXE, een apart ontwikkelde module
met alle nodige functionaliteiten om op meest performante en flexibele wijze met
projectfiches om te gaan. Toch zijn enkele Cube Voyager-modules voor en na noodzakelijk.
1.2.1. V O OR B E R E I D E N
D OE LV R A A G F O LD E R
–
R E KE NV OL G OR D E
1
Een eerste module in PILOT bereidt de folderstructuur voor en zal bepaalde taken uitvoeren
om de finale doelvraagfolder efficiënt op te maken.
Als de doelvraagfolder nog niet bestaat, wordt deze in deze stap opgemaakt. Het SM3+omschrijvingsbestand voor de vraagfolder, SPECS.DAT, wordt opgemaakt, dit gebaseerd op de
opgegeven sleutel.
Daarnaast worden alle matrices die niet veranderd zullen worden door ProjectMAT, vanuit de
bronvraagfolder naar de doelvraagfolder gekopieerd, zodanig dat op het einde deze
doelvraagfolder een volledig werkbaar geheel vormt voor de SM3+. Het betreft hier de
kostenmatrices, de hulpmatrices, de correctiematrices en de databanken met socio-
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
4
N59.1 – Projectmat en projectfiches
demografische gegevens. Deze bestanden dienen als invoer voor ProjectMAT, maar worden
niet aangepast op basis van de bijkomende projecten.
1.2.2. U I T D U M P E N
M A T R I CE S
–
R E KE N V O LG OR D E
2
De interne bestandsformaten van Cube Voyager-matrices worden niet vrijgegeven, en kunnen
daarom niet rechtstreeks geadresseerd worden door MINTOD.EXE. Deze module dumpt alle
nodige invoermatrices uit naar een DBF-formaat, dat wel publiek en efficiënt leesbaar is. Om
redenen van stroomlijning en performantie, wordt deze dump niet gericht uitgevoerd, waarbij
alleen cellen met een relevante waarde worden uitgeschreven. De matrices worden volledig
uitgeschreven, dus ook met, een soms groot aantal, nul-cellen. De resulterende DBFbestanden kunnen daarom een aanzienlijke omvang krijgen, maar door hun vast en repetitief
formaat kunnen ze sneller verwerkt worden.
1.2.3. U I T V OE R E N
P R O JE CT G R O E I
–
R E KE NV O LG OR D E
3
De module MINTOD behandelt de projectfiches en levert voor het opgegeven uur specifieke
projectmatrices aan, voor motief, mode en vracht.
In een volgend hoofdstuk wordt de werking van MINTOD zelf beschreven.
1.2.4. O P B OU WE N
P R OJE CT M A T R I CE S
–
R E KE NV OL G O R D E
4
Analoog aan de fase waarin de invoermatrices utigedumpt werden, volgt hier opnieuw de
transformatie naar Voyager-formaat. In deze module worden de projectmatrices zelf
weggeschreven als Voyager-matrices. Deze zijn dan ook in de doelvraagfolder als aparte
matrices beschikbaar, dit onder de namen PROJECT-OD_Uur.MAT, PROJECT-MODE_Uur.MAT
en PROJECT_FREIGHT_Uur.MAT. De interne opbouw van deze matrices in tabellen is
gelijklopend aan de standaard-indeling die in de modelmatrices wordt gebruikt.
1.2.5. A F WE R KE N
M A T R I CE S I N D OE L V R A A G F O LD E R
–
R E KE NV O LG OR D E
5
In een laatste stap worden alle matrices waarin de bijkomende projecten opgenomen zijn,
opnieuw samengesteld. Normaliter omvat deze stap het rechttoe-rechtaan optellen van de
opgemaakte projectmatrices met de overeenkomstige modelmatrices. In deze oefening wordt
bijkomend zorg gedragen voor eventuele bijkomende gesommeerde deelmatrices. Belangrijk
te melden is dat, indien relevant, ook de HW-PREV-matrix wordt bijgewerkt met autobewegingen die uit de projectmatrices komen.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
5
N59.1 – Projectmat en projectfiches
2. W ERKING VAN MINTOD
2.1.
O PZET
EN BESTANDSKOPP ELING
MINTOD past zich naadloos in in de Cube Application Manager via een zogenaamd resourcebestand. Hierin worden alle bestandskoppelingen gedefinieerd zodanig dat de
modelontwikkelaar de module MINTOD kan
inpassen in de gewenste modelstructuur, zoals
ProjectMAT.
MINTOD werkt analoog aan Voyager-modules
via een Script File waarin rekenopties en
parameters gezet worden, beschreven in een
volgende paragraaf. Omdat Cube Application
Manager geen dynamische koppeling voorziet
tussen de Script File enerzijds en
bestandskoppeling
anderzijds,
wordt
teruggevallen op een bijkomend stuurbestand, Control Data. Dit bestand wordt door Cube
Application Manager wel correct onderhouden: wanneer de ontwikkelaar een bestand als
invoer of uitvoer koppelt, wordt in het Control Data-bestand de correcte bestandsnaam
gezet. Een derde bestand, aan de uitvoerkant, Print File vervolledigt de noodzakelijke
stuurbestanden. Dit bestand rapporteert de feitelijke werking van MINTOD, en zal de nodige
informatie geven over de uitgevoerde taken, deelresultaten en eventuele problemen. In dit
bestand kan de gebruiker steeds nagaan of de berekening technisch correct en volgens wens
uitgevoerd werd.
Aan de invoerkant worden een set bestandskoppelingen aangeboden. Niet alle bestanden zijn
noodzakelijk: al naargelang de opgegeven instellingen kan MINTOD met een beperkte set aan
invoer aan de slag. Steeds noodzakelijk echter is een projectfiche-bestand. In totaal kan de
gebruiker 5 Project Files opgeven. Dikwijls zullen de opgegeven projecten in één bestand
volstaan, maar het is mogelijk om verschillende projectfiche-bestanden te mengen,
bijvoorbeeld als combinatie tussen verschillende project-scenario’s. MINTOD zal deze
bestanden als één geheel afwerken.
Volgende bestanden betreffen allemaal klassieke modelmatrices:

OD Matrix: de motiefpatroon-matrices, met daarin oplijsting
verplaatsingspatronen voor werk, school, winkel, recreatief en overige;

Mode Matrix: de modematrices, met daarin de verplaatsingen voor de modi
bestuurder, passagier, OV, fiets en te voet;

Freight Matrix: de vrachtmatrices, met daarin de verplaatsingen voor de modi zware
en lichte vrachtwagen;

LOS HW Matrix: de kostenmatrix voor gemotoriseerd vervoer, met daarin de
reistijden in-voertuig, fileverlies, queueing verlies, afstand en tol;
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
van
de
6
N59.1 – Projectmat en projectfiches

LOS PT Matrix: de kostenmatrix voor openbaar vervoer, met daarin de in-voertuig
reistijden, wachten, opstappen en non-transit;

LOS ST Matrix: de kostenmatrix voor langzaam verkeer, met daarin de reistijden voor
fiets en te voet.
Alle aangereikte matrices moeten in DBF-formaat ingevoerd worden, en bevatten een vast
aantal records, namelijk het aantal zones, opgegeven als Catalog-sleutel, in het kwadraat.
Een laatste invoerbestand betreft de databank van de socio-demografische gegevens, de SDD
File. Het betreft hier de volledige verrijkte zonale dataset, en niet de beperkte databank die
ook door MM gebruikt wordt. Voor sommige DataScens moet deze bijkomend ingevoerd
worden in de vraagfolders, het bestand zelf is steeds aanwezig in de modelinstrumenten
waarin de strategische personenmodellen geïmplementeerd worden.
Aan de uitvoerkant wordt een beperktere set aan bestanden aangeboden: niet alle
invoerbestanden worden bijgestuurd door de projectinvulling. Enkel volgende bestanden
worden specifiek en geïsoleerd voor de opgegeven projecten opgemaakt, met gelijkaardige
invulling als de invoerbestanden:

OD Matrix: de motiefpatroon-matrices voor de projecten, met daarin oplijsting van
de verplaatsingspatronen voor werk, school, winkel, recreatief en overige;

Mode Matrix: de modematrices voor de projecten, met daarin de verplaatsingen
voor de modi bestuurder, passagier, OV, fiets en te voet;

Freight Matrix: de vrachtmatrices voor de projecten, met daarin de verplaatsingen
voor de modi zware en lichte vrachtwagen;
De matrices moeten niet allemaal opgegeven worden: enkel de gekoppelde bestanden
worden door MINTOD ingevuld, wanneer bijvoorbeeld de uitvoer Mode Matrix niet benoemd
wordt, zal MINTOD geen vervoerwijzekeuze uitvoeren. Logischerwijze moet er minstens één
uitvoermatrix aangereikt worden.
Een laatste bestand is de Report File, waarvan er in totaal ook 5 naar keuze kunnen
opgegeven worden. De gebruiker kan zelf instellen welke rapportage MINTOD moet
uitvoeren. Ook dit bestand is optioneel.
2.2.
S TURING
VAN
MINTOD
Zoals gesteld worden de functionaliteiten van MINTOD gestuurd vanuit het Script-bestand. Dit
bestand volgt de klassieke opmaak zoals andere Voyager-modules, waarbinnen keywords en
parameters bepalen hoe MINTOD te werk gaat.
In de huidige versie van MINTOD wordt in praktijk voorlopig weinig sturing in het Scriptbestand opgegeven, het merendeel van de functies wordt uiteindelijk in de projectfiches
aangestuurd. Momenteel zijn volgende keywords voorzien:
ZONES (integer |1-9999| geen default): het aantal zones in het geselecteerde model;
MODELPERIOD (integer |0-23| geen default): het gekozen modeluur;
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
7
N59.1 – Projectmat en projectfiches
BUCKET (single |0.0001-10| default géén waarde): door de parameter BUCKET in te vullen,
zal MINTOD de resultaatmatrices op de opgegeven waarde gaan bucket-rounden. Elke
mogelijke zinvolle waarde kan opgegeven worden. Wanneer deze parameter niet opgegeven
wordt, zal MINTOD niet afronden en op een dynamische manier de resultaten wegschrijven;
FULLREPORT (boolean default false): wanneer de optie FULLREPORT ingeschakeld wordt, zal
MINTOD in het printbestand een samenvatting van de resultaten per project opgeven.
Daarenboven wordt een uitgebreid CSV-rapport opgemaakt indien één van de uitvoerrapporten benoemd is;
CALCULATION (string |BASMAT/CROW| default BASMAT): dit keyword kiest de intern te
hanteren rekenregels. Standaard zal de BASMAT-methodiek van de Vlaamse modelstructuur
gevolgd worden, maar de gebruiker kan kiezen om de interne rekenregels te schakelen naar
de CROW-richtcijfers. Deze instelling kan per project in het projectfiche-bestand worden
overroepen: standaard kan de BASMAT-methodiek geschakeld zijn, maar een bepaald project
kan toch de CROW-rekenregels inroepen, en vice versa.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
8
N59.1 – Projectmat en projectfiches
3. O PMAAK VAN HET PROJECTFICHE - BESTAND
3.1.
A LGEMENE
PRINCIPES
MINTOD behandelt de te verwerken projecten via een projectfiche-bestand met
vooropgestelde syntax: elke project wordt beschreven met een set keywords en parameters
op dusdanige manier dat alle informatie die gekend is door MINTOD kan gebruikt worden als
randvoorwaarde. Ontbrekende informatie wordt door MINTOD ingevuld op basis van
gekende rekenregels. Een heel uitgebreide set aan keywords en parameters is beschikbaar
om de meest gedetailleerde info in te voeren indien noodzakelijk, maar in praktijk zullen deze
zelden allemaal gebruikt worden. Het belangrijkste principe van MINTOD is dan ook dat de
gebruiker de maximale vrijheid heeft om een project te beschrijven tot op het detail dat de
gebruiker wenst, en dat MINTOD daarna de onbekende data zelf aanvult.
De projectfiche waarin de projecten beschreven worden, wordt per uniform project
opgesteld, en dit volgens een aanpak zoals het Voyager kruispuntbestand: een keyword
triggert een nieuw project, en vervolgens wordt dat project met opvolgende keywords verder
beschreven. Een eerste deel bepaalt enkele algemene projectkenmerken die voor alle
thema’s gelden, zoals bijvoorbeeld oppervlakte, een tweede deel beschrijft per thema een set
kenmerken. De huidige versie van MINTOD onderscheidt 7 thema’s:

Werk: alle verplaatsingen die gerelateerd zijn aan tewerkstellingsprojecten;

School: alle verplaatsingen die gerelateerd zijn aan schoolprojecten;

Winkel: alle verplaatsingen die gerelateerd zijn aan commerciële en/of
winkelprojecten;

Recreatief: alle verplaatsingen die gerelateerd zijn aan recreatieve projecten;

Bewoning: alle verplaatsingen die gerelateerd zijn bewoningsprojecten.De vorige 4
thema’s spelen elk respectievelijk in op één motief, bewoningsprojecten duiden op
de ‘passieve’ kant van de modelverplaatsingen, en genereren een breed gamma aan
motiefverplaatsingen;

Vracht zwaar: alle zware vrachtverplaatsingen die gerelateerd zijn aan economische
projecten;

Vracht licht: alle lichte vrachtverplaatsingen die gerelateerd zijn aan economische
projecten.
Per thema wordt een projectmodellering uitgevoerd, waarbinnen volgende deelfasen
desgevallend uitgevoerd worden:

Ritgeneratie op dagniveau: berekening van het aantal verwachte relaties op
dagbasis;

Distributie: verdeling van de berekende relaties over herkomst of bestemming al
naargelang het thema;
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
9
N59.1 – Projectmat en projectfiches

Tijdstipkeuze: transformatie van de gedistribueerde relaties naar feitelijke
verplaatsingen in het opgegeven uur;

Vervoerwijzekeuze: opdeling van de verplaatsingen op celniveau naar de
verschillende modi.
Niet alle stappen worden voor elk project of thema uitgevoerd, er zijn verschillende redenen
en omstandigheden die bepaalde deelfasen uitsluit. Standaard geldt dat wanneer voor een
bepaalde deelfase de oplossing of het resultaat wordt opgegeven, de feitelijke berekening kan
vervallen: wanneer bijvoorbeeld voor een werkproject vooropgesteld wordt dat 20 procent
van de verplaatsingen tussen 8 en 9 moet aankomen, wordt de tijdstipkeuze niet meer
uitgevoerd. Gelijkaardig zorgt de opgave van het aantal ritten per dag van een project er voor
dat ritgeneratie niet meer nodig is. Niet elke deelfase kan even eenvoudig opgevangen
worden door de oplossing of het resultaat hard te coderen in de projectfiche: het resultaat
van het distributieproces is een verdeling over alle zones, en dit kan niet zomaar als oplossing
aangereikt worden, distributie zal dan ook altijd uitgevoerd worden. Typisch worden dikwijls
de resultaten van ritgeneratie en vervoerwijzekeuze opgegeven.
Een andere reden om bepaalde stappen niet uit te voeren is om de uitvoer niet als bestand te
voorzien in MINTOD: wanneer enkel de motiefmatrices als resultaat gevraagd worden, en de
modematrices niet benoemd is, zal de vervoerwijzekeuze niet gebeuren !
Als laatste reden kan de specifiteit van het thema leiden naar een niet-uitvoeren van een
deelfase, voor vrachtverkeer moet bijvoorbeeld nooit vervoerwijzekeuze uitgevoerd worden
aangezien de mode zelf in het thema zit.
3.2.
S YNTAX
VAN DE PROJECT FICHE
In deze paragraaf worden alle keywords en parameters beschreven die door de huidige versie
van MINTOD worden opgenomen.
Een projectfiche is een ASCII-bestand met specifieke extensie PJF. Elk project wordt
individueel beschreven met keywords en parameters, en alle regels horen bij een bepaald
project zolang op het eind van de regel een komma gecodeerd wordt: deze komma zorgt er
voor dat de volgende regel ook nog bij de geldende definitie hoort.
Keywords en parameters worden geschreven door ze te coderen, gevolgd door een ‘=’-teken
en vervolgens de waarde van het keyword of parameter op te geven.
De syntax is niet hoofdlettergevoelig, ook spaties of tabs spelen geen rol. Het is evenwel aan
te bevelen om met hoofd- of kleine letters leesbare gehelen te vormen, en voldoende spaties
of uitlijningen te voorzien om op een overzichtelijke manier de projecten te coderen.
Het punt-komma teken duidt op commentaar, alle tekst rechts van een punt-komma wordt
door MINTOD niet behandeld. Ook deze commentariëring zorgt voor duidelijkere en beter
begrijpbare beschrijvingen.
Zoals gezegd vormt elk project een eigen geheel van aaneengesloten coderegels. Keywords en
parameters kunnen echter wel thema-gevoelig zijn: eenzelfde keyword kan meerdere functies
hebben, en dit afhankelijk van het thema dat op die moment geldig is in de
projectbeschrijving.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
10
N59.1 – Projectmat en projectfiches
Twee essentiële keywords duiden deze thema’s aan:

PROJECT (string, verplicht, geen default): dit keyword triggert een nieuw project, met
als waarde de naam van dit project tussen enkelvoudige quotes. De naam moet niet
uniek zijn, maar dit helpt de transparantie achteraf wel. Logischerwijze kan de regel
voor het keyword PROJECT niet op een komma eindigen. Dit keyword zorgt ervoor
dat MINTOD bij het inlezen het thema rond generieke projectkenmerken opstart: alle
volgende keywords en parameters worden geïnterpreteerd als algemeen attribuut,
tot een volgend keyword volgt dat specifiek het thema wijzigt;

TYPE
(string
|WORK/SCHOOL/COMMERCIAL/RECREATION/HOUSING/FREIGHTHEAVY/ FREIGHTLIGHT| geen default: het keyword TYPE wisselt het thema bij het
inlezen door MINTOD naar één van de 7 mogelijke thema’s, elk gekenmerkt door één
van de 7 vaste waarden. Er is geen default voorzien, foutieve of niet bestaande
waardes voor dit keyword worden niet verwerkt. Dit keyword is niet verplicht, maar
projecten zonder TYPE zullen geen verplaatsingen genereren. Per project kunnen
meerdere types voorkomen, mogelijks hanteren ze intern dezelfde keywords, dus
een duidelijk onderscheid naar deze thema’s is zeer belangrijk.
Op de volgende pagina’s worden verder alle keywords en parameters opgelijst, waarbij
telkens vermeld wordt welk datatype ze verwachten, bij welke thema’s ze ingrijpen, wat het
spectrum is en of er een default geldt.
CATEGORY (string, algemeen |vooropgestelde categorieën, zie verder| geen default): dit
keyword bepaalt de inhoudelijke invulling van het project, waardoor de kencijfers op een
bepaalde manier ingevuld worden. In vele gevallen zijn ze belangrijk voor de opvolgende
thema’s, voor werk bijvoorbeeld is het belangrijk om te weten of het project mikt op diensten
of industrie, voor winkel is het onderscheid tussen detailhandel of dagelijkse goederen
relevant. Een hele reeks categorieën kunnen aangeduid worden, en niet alle categorieën zijn
voor elk thema onderscheidend: het aantal winkelverplaatsingen gegenereerd door de
categorieën logistiek en industrie is irrelevant. Intern zal MINTOD dan ook in vele gevallen
voor een groep categorieën gemeenschappelijke parameters inschakelen, het is enkel een
zekerheid dat géén van de opgenomen categorieën identiek zijn, maar zich dus telkens met
minstens een parameter onderscheiden. MINTOD is intern dusdanig opgemaakt dat op
eenvoudige manier nieuwe categorieën kunnen toegevoegd worden, waarbij ze standaard
gemeenschappelijke parameters krijgen en efficiënt net die afwijkende parameters kunnen
gecodeerd worden.
Volgende categorieën, letterlijk te hanteren in de projectfiches, worden door de huidige
versie van MINTOD herkend en toegepast:

BUSINESS PARK: activiteiten binnen een wetenschaps- of businesspark;

SERVICES: dienstensector;

ADMINISTRATION: activiteiten in de administratie;

EDUCATION: onderwijs;

MEDICAL: gezondheidszorg;
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
11
N59.1 – Projectmat en projectfiches

LOGISTICS: logistiek en distributie;

RETAIL: grootschalige winkelactiviteiten;

CONSTRUCTION: bouwsector;

INDUSTRIAL: industriële activiteiten;

MARITIME: havengebaseerde activiteiten;

AGRICULTURAL: landbouwsector;

MIXED: gemengde activiteiten;

LOCAL: locaal KMO-terrein;

REGIONAL: regionaal bedrijventerrein.
De huidige oplijsting is op zich niet ‘uitsluitend’ noch ‘complementair’: sommige categorieën
zijn subgroepen van andere, andere categorieën zijn eerder verzamelnamen of vaag. Dit
illustreert duidelijk dat deze categorieën, en hun bijhorende kencijfers, doelgericht in
MINTOD worden geprogrammeerd om enkele bepalende en afwijkende parameters
beschikbaar te stellen.
ZONE (integer, algemeen |1-9999| geen default): dit keyword wordt gehanteerd om in eerste
plaats de berekende bewegingen op deze rij en kolom in de resulterende matrices te
bewaren. Het is aan te bevelen om voor ingevoerde projecten ook in het netwerk een aparte
zone te voorzien, het is dan essentieel om de consistentie tussen netwerk en projectfiche te
bewaren, aangezien deze laatste leidt naar een projectmatrix. In tweede instantie wordt dit
zonenummer gebruikt om in de aangereikte kostenmatrices alle nodige reis-indicatoren op te
halen wanneer het keyword COSTZONE niet gedefinieerd is.
Dit keyword is steeds verplicht.
COSTZONE (integer, algemeen |1-9999| default gelijk aan ZONE): in vele gevallen is het niet
praktisch om een nieuwe lege zone voor het project te gebruiken aangezien de bestaande
kostenskims hier nog geen reis-inicatoren voor aanreiken. Met dit keyword kan voor deze
kosten verwezen worden naar een nabijgelegen zone die zo goed mogelijk de bereikbaarheid
van het project weergeeft.
AREA (single, algemeen |0.01-9999.0| geen default): de bruto-oppervlakte van het
opgegeven project in hectare. Deze oppervlakte wordt gebruikt per categorie een nettooppervlakte te berekenen van waaruit de ritgeneratie uitgevoerd wordt.
NETAREA (single, algemeen |0.01-9999.0| geen default): de netto-oppervlakte van het
opgegeven project in hectare. Deze netto-oppervlakte wordt direct gebruikt per categorie om
de ritgeneratie te berekenen. Deze waarde zal, indien opgegeven en niet gelijk aan nul, steeds
het keyword AREA overbodig maken.
CALCULATION (string, algemeen |BASMAT/CROW| default de waarde uit het MINTOD-script):
dit keyword is gelijkaardig aan het keyword dat gebruikt wordt in het script van MINTOD en
laat hier toe om per project de BASMAT-methodiek ofwel de CROW-richtcijfers in te
schakelen, eventueel afwijkend van het gehele rekenproces.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
12
N59.1 – Projectmat en projectfiches
EMPLOYEES (single, werk |0.01-9999.0| geen default): het aantal voltijds-equivalenten in het
opgegeven project. Wanneer deze waarde opgegeven wordt, zal MINTOD zelf geen
berekening uitvoeren gebaseerd op oppervlaktes en categorie.
PRESENCE (single, werk |0.1-100.0| geen default): dagelijks aanwezigheidspercentage van het
opgegeven of berekende aantal werknemers. Het product van het aanwezigheidspercentage
en het aantal werknemers komt neer op het dagelijks aantal relaties voor werk voor het
opgegeven project.
TRIPS (single, werk |0.01-9999.0| geen default): het totaal aantal aan dagelijkse relaties naar
het project. Becijferd is dit het product van het aantal werknemers en het
aanwezigheidspercentages. Deze waarde stelt het aantal dagelijks af te leggen relaties voor,
en kent intrinsiek nog geen richting: pas bij de tijdstipkeuze wordt de verrekening naar echte
verplaatsingen uitgevoerd. Op deze plaats is dus één relatie nog niet gelijk aan twee ritten.
LAMBDA (single, alle motieven |-10.0-10.0| geen default) en POWER (single, alle motieven
|0.0-10| geen default): de parameters voor de volgende distributiefunctie:
Rit i,p = exp(LAMBDA * kost i,p) * balansfactor i ^ POWER
Het distributiemodel neemt de rekenvorm van een discreet keuzemodel over: op
relatieniveau worden alle mogelijke herkomsten naar het project als discrete en
onafhankelijke alternatieven beschouwd. De kans dat vanuit een bepaalde herkomst een
relatie naar de projectzone gelegd wordt, is afhankelijk van het relatieve nut van die herkomst
in vergelijking met alle andere herkomstzones. Dit nut wordt berekend als een product van
een kostenfactor en een balansfactor: een kosten-indicator, tijd of afstand, wordt in exponent
gezet, en met negatieve LAMBDA betekent dit dat herkomsten die beter in tijd of afstand
naar de projectzone liggen, meer kans hebben om als herkomst gekozen te worden. De
balans-indicator neemt de aantrekkelijkheid van de herkomstzone in de functie op, en deze
mate van aantrekkelijkheid kan naar keuze worden gekoppeld aan socio-demografische
kenmerken of reeds bestaand gebruik naar motieven of modi van de herkomstzones. De
POWER parameter bepaalt het gewicht van deze balansfactor tegenover de kostenfactor:
grotere waardes leiden naar een distributiemodel dat meer belang hecht aan de
geselecteerde invulling van de zones dan aan de kostencomponent van de verplaatsing.
Deze parameters hebben geen default-waardes op zich: wanneer in de projectfiche voor het
gekozen thema geen keywords rond distributie opgegeven worden, zal MINTOD al naargelang
het thema zelf invulling geven aan deze distributiefunctie. De default-waarden van deze
parameters zijn in praktijk dan ook thema-afhankelijk. Er wordt verwezen naar de tabulaire
oplijsting van alle kencijfers.
AVTRIPLENGTH (single, werk, vracht zwaar en licht |0.01-999.0| geen default): gemiddelde
ritlengte van de rit voor het distributie-proces. Deze waarde activeert de automatische
zelfkalibratie van het distributieproces, waarbij de kostindicator gelijk gezet wordt aan de
afstand van en naar het project. Deze automatische kalibratie volgt een numerisch
zoekalgoritme dat de distributie-factoren LAMBDA en POWER zodanig optimaliseert dat het
relatie-patroon een gemiddelde ritlengte resulteert zoals opgegeven. Dit zoekalgoritme wordt
gebonden door bepaalde drempels zodanig dat de distributie-parameters geen theoretisch
zinloze waarden kunnen aannemen.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
13
N59.1 – Projectmat en projectfiches
AVTRIPDURATION (single, werk, vracht zwaar en licht |0.01-999.0| geen default): deze
parameter is analoog aan de vorige parameter AVTRIPLENGTH, maar zet de focus op reistijd
in plaats van afstand. Dezelfde auto-kalibratie wordt uitgevoerd om de distributie-parameters
zodanig te schalen dat de gewenste gemiddelde reistijd resulteert.
BALANCEFACTORS (string, werk, vracht zwaar en licht |formulering| geen default): zoals
gesteld incorporeert MINTOD een discreet keuzemodel voor distributie, gebaseerd op een
combinatie van kosten en balansfactoren. De kost-indicator kan gevormd worden door
afstand of tijd, voor de balansindicator kan gekozen worden uit verschillende zonale
kenmerken die een maat vormen voor aantrekkelijkheid in het keuzemodel. In globo kan een
onderscheid gemaakt worden naar indicatoren op gebied van socio-demografische data,
ofwel op vlak van bestaande vervoersprestaties in de zones. Voor beide invullingen geldt dat
de parameter BALANCEFACTORS kan opgegeven worden als een vrije formulering, waarbij in
de projectfiche gebruik kan gemaakt worden van de standaard wiskundige operatoren +, -, *
en /. Op deze manier is een beperkte verrekening van aparte indicatoren mogelijk indien de
gewenste indicator nergens rechtstreeks in de invoerbestanden beschikbaar is.
Bij opgave van een set socio-demografische gegevens dient de naamgeving van de aparte
zonale attributen, zoals opgenomen in het invoer SDG-bestand, gehanteerd te worden met
toevoegen van het prefix SDD_ dat door MINTOD ook gebruikt wordt om dit SDG-bestand te
kenmerken.
Wanneer indicatoren gekoppeld worden naar bestaande vervoersprestaties, worden per zone
de gesommeerde rij- en kolomtotalen van de opgegeven matrices, zowel trip als mode,
overgenomen. Op deze manier kan naar de bestaande patronen verwezen worden, en zal de
projectdistributie aansluiten bij het huidige gebruik zoals geselecteerd in bestaande matrices.
Verwijzing naar deze matrices kan liggen naar bestaande modematrices, motiefmatrices of
eventueel de vrachtmatrices. Ook hier zijn suffixen noodzakelijk om de juiste koppeling te
leggen, alle verwijzingen worden opgegeven in onderstaande tabel:
Motiefmatrices
OD_WORK
OD_SCHOOL
OD_COMMERCIAL
OD_RECREATION
OD_OTHER
Modematrices
MODE_CAR
MODE_PASSENGER
MODE_PT
MODE_BICYCLE
MODE_WALK
Vrachtmatrices
FREIGHT_HEAVY
FREIGHT_LIGHT
Naar totalen of deeltotalen van deze matrices kan niet verwezen worden, maar MINTOD
biedt via de aangereikte rekenregels alle mogelijkheden om de nodige totalen te bereken en
gebruiken als balansfactor.
SHIFT (single, werk |0.1-100.0| geen default): het procentuele aandeel van werknemers dat
in een shift-regime actief is. In het tijdstipverdelingsmodel schuift dit aandeel op naar andere
verdelingen over de dag, het aandeel werknemers niet in het shift-regime, blijft de normale
tijdsverdeling hanteren.
INTIME (array van singles, alle motieven |0.1-100.0| geen default) en OUTTIME (array van
singles, alle motieven |0.1-100.0| geen default): MINTOD hanteert voor elk thema en
categorie een vooropgestelde tijdstipverdeling voor de heen- en terugritten, waarmee de
relaties of trips vertaald worden naar feitelijke ritverplaatsingen. Indien gewenst kan hiervan
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
14
N59.1 – Projectmat en projectfiches
afgeweken worden door in de projectfiche deze procentuele verdeling over de dag op te
geven, en dit apart voor zowel de heenrichting naar het project, als de terugrichting weg van
het project. Codering verloopt via uitgeschreven arrays van singles, waardoor het mogelijk is
deze verdeling tamelijk compact uit te schrijven. Pragmatisch moet normaliter de som van
alle aparte percentages optellen tot 100 procent, maar technisch mag er van afgeweken
worden om toe te laten dat gericht enkel de vereiste waardes worden gecodeerd. Het is dan
ook niet verplicht per array om 24 percentages op te geven.
TRESHOLDCOST (string, werk |DISTANCE/TIME/CONGESTEDTIME| DISTANCE): binnen
MINTOD wordt een vervoerwijzekeuze uitgevoerd voor de bekomen verplaatsingen voor het
opgegeven modeluur. Standaard wordt per thema de parameterset gehanteerd zoals deze in
de modelstructuur versie 3.6.0. Indien vanuit de projectinformatie andere inzichten in
verwachte of geplande modale verdeling bekend is, kan deze extra informatie ingevoerd
worden. In vele gevallen is deze modale verdeling niet vast over alle verplaatsingen, meestal
worden er strata of bandbreedtes voorzien waarbinnen bepaalde modale verdelingen gelden.
Deze strata kunnen op diverse manier opgesteld worden, en het keyword TRESHOLDCOST
bepaalt welke maatvoering ingeschakeld wordt om deze bandbreedtes af te bakenen. In vele
gevallen zal de maatvoering de tripafstand zijn, maar varianten met reistijd en operationeel
gecongesteerde reistijd zijn ook mogelijk. Intern zal MINTOD deze opgegeven maatvoering uit
de kostenmatrices voor gemotoriseerd verkeer halen en gebruiken.
SPLITTRESHOLD (array van singles, alle motieven |0.1-999.0| geen default): indien geopteerd
wordt om zelf de modale verdeling voor een project op te geven, en deze opgegeven modale
verdelingen per bandbreedte te laten variëren, bepaalt deze parameter de randen van deze
bandbreedtes. Elke opgegeven absolute waarde, waarvan de dimensie door keyword
TRESHOLDCOST wordt bepaald, zet een drempel waarmee onderscheid in modale verdeling
gemaakt wordt voor waardes onder of gelijk aan en boven deze waarde. Het aantal effectieve
bandbreedtes is gelijk aan het aantal opgegeven drempels vermeerderd met één. Het is
noodzakelijk dat de opgegeven array aan absolute waardes continu oploopt.
SPLITCAR (array van singles, alle motieven |0.1-100.0| geen default): de expliciet gecodeerde
aandelen aan autobestuurders voor de opgegeven bandbreedtes worden opnieuw via een
array van percentages opgenomen. Het aantal percentages is gelijk aan het aantal
gehanteerde banden, en komt overeen met het aantal drempels aangereikt met parameter
SPLITTRESHOLD vermeerderd met één.
SPLITPASS, SPLITPT, SPLITCC en SPLITWK: deze parameters zijn analoog aan SPLITCAR, en
verwijzen respectievelijk naar de relatieve aandelen voor autopassagier, openbaar vervoer,
fiets en te voet, en dit voor dezelfde geldende bandbreedtes. Theoretisch moeten per
bandbreedte de opgetelde aandelen over de vijf modi gelijk zijn aan 100 procent, maar
eventueel kan hiervan afgeweken worden indien enkel de relevante modi aangereikt worden.
ASCCARDELTA (single, werk |-10.0-10.0| 0): MINTOD laat ook toe om op een directe manier
in het geïntegreerde discrete keuzemodel voor vervoerwijze in te grijpen. Het logitmodel
overgenomen uit de modelstructuur versie 3.6.0 combineert alle kostcomponenten met hun
respectievelijke sensitiviteitsparameters enerzijds en de alternatief-specifieke constanten als
waardering voor foutieve metingen of onkennis over componenten anderzijds. Deze
constanten bieden een efficiënte sturing van aantrekkelijkheid of afkeer van een mode, en
manipulatie van deze constanten laat toe om gericht bepaalde modi voor het geselecteerde
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
15
N59.1 – Projectmat en projectfiches
project meer of minder aantrekkelijker te maken, zonder in complexe bijtrekking van de
sensitiviteitsparameters te belanden. De parameter ASCCARDELTA wordt in absolute term
opgeteld bij de alternatief-specifieke constante voor het betrokken verplaatsingsmotief, en
zal, bij positieve waarde en onveranderde constanten van de andere modi, het aandeel
autobestuurder verhogen. Negatieve waardes zullen andersom de mode autobestuurder
minder aantrekkelijk maken en het aandeel verminderen. Technisch gezien zijn er geen
grenzen
aan
deze
waarde,
maar
gegeven
de
normale
invulling
van
vervoerwijzekeuzeparameters zijn waardes rond 0 meest voor de hand liggend, een
amplitude van plus of min tien is extreem groot. De standaardwaarde staat logischerwijze op
0.1
ASCPASSDELTA, ASCPTDELTA, ASCCCDELTA en ASCWKDELTA: ook hier wordt de parameter
per mode apart ingesteld, analoog aan ASCCARDELTA, met als invulling de absolute bijsturing
van de alternatief-specifieke constante voor de refererende mode.
CAR (single, werk |0.01-9999.0| geen default): de algemene werkwijze van MINTOD komt
neer op een doorlopen van verschillende deelfasen om, indien gewenst, finale modale
verplaatsingsmatrices voor het geselecteerde uur te bekomen. Ritgeneratie, tijdstipkeuze en
vervoerwijzekeuze leiden generiek naar de volumes auto’s, OV-reizigers, … Distributie op zich
bepaalt de verdeling over herkomsten en bestemmingen, maar bepaalt op zich niet direct het
aantal modale verplaatsingen voor het project. Dikwijls echter wordt vanuit de
projectinformatie rechtstreeks ingevuld welke volumes auto’s of OV-reizigers het project
aantrekt en genereert voor de te modelleren periode. De parameter CAR wordt daarom
aangeboden om op de meest directe manier dit resultaat in te voeren, als zijnde het totaal
aantal autobestuurders gerelateerd aan het project voor het gemodelleerde uur. De
processen generatie, tijdstipkeuze en vervoerwijzekeuze worden dan buiten werking gesteld,
enkel distributie zal dit opgegeven volume verdelen over herkomsten en bestemmingen.
Technisch gezien worden binnen MINTOD voor het bewuste project alle andere variabelen
dusdanig geschakeld dat het normale totale proces op het opgegeven aantal autobestuurders
komt.
PASS, PT, CC en WK: naast de parameter voor autobestuurders kunnen ook voor de 4 andere
modi passagier, OV, fiets en te voet de totale volumes van en naar het project samen
opgegeven worden.
VEHICLES (single, vracht zwaar en vracht licht |0.01-9999.0| geen default): analoog aan de
volumes modale ritten uit voorgaande parameters, kan ook voor zwaar en licht vrachtverkeer
het aantal vrachtwagens als voertuigen van en naar het project voor het gemodelleerde uur
rechtstreeks opgegeven worden. De opgegeven waardes betreffen voertuigen, en worden dus
in geen vorm van personenauto-equivalenten gewaardeerd.
SHAREIN (single, alle motieven |0.01-100.0| 50) en SHAREOUT (single, alle motieven |0.01100.0| 50): de parameters CAR, PT, … en VEHICLES laten toe om per mode het exact aantal
ritten voor het gemodelleerde uur op te geven. Dit modale totaal betreft de som van alle
toekomende en vertrekkende ritten, standaard gaat MINTOD uit van een symmetrische
verdeling tussen vertrekkende en aankomende stromen. Dit uitgangspunt is niet altijd
wenselijk. De parameters SHAREIN en SHAREOUT laten toe om per project deze verdeling
asymmetrisch in te stellen, en één bepaalde richting meer of minder zwaar te laten
doorwegen. Normaliter dient de som van deze twee parameters 100 te zijn, maar in
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
16
N59.1 – Projectmat en projectfiches
afwijkende gevallen wordt de relatieve verdeling tussen de twee parameters gehanteerd.
Indien slechts één van deze twee parameters opgegeven wordt, wordt verondersteld dat de
andere richting een aandeel van 0 procent heeft !
De relatieve verdeling naar vertrekkend en aankomend verkeer wordt over de opgegeven
modi identiek beschouwd: het is in normale omstandigheden niet gewenst een afwijkende
modale verdeling te verkrijgen tussen in- en uitgaande verplaatsingen. Indien dit toch
noodzakelijk is, kan rond deze conditie gecodeerd worden door de verschillende modi
geïsoleerd per project op te geven.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
17
N59.1 – Projectmat en projectfiches
3.3.
O VERZICHTSTABEL
KEYWO RDS EN PARAMETERS
Onderstaande tabel geeft een synthese van alle keywords en parameters die in voorgaand
onderdeel werden beschreven, met daarbij een indicatie van het type, voor welk thema ze
gelden en ook een indicatieve oplijsting van het interne proces in MINTOD waarin de
keywords of parameters sturen:
Keyword/Parameter
Generiek
CATEGORY
ZONE
COSTZONE
AREA
NETAREA
CALCULATION
Type
WORK
SCHOOL COMMERCIAL RECREATION HOUSING FREIGHTHEAVY FREIGHTLIGHT
String
Integer
Integer
Single
Single
String
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Generatiemodel
EMPLOYEES
PRESENCE
TRIPS
CAR
PASS
PT
CC
WK
VEHICLES
SHAREIN
SHAREOUT
Single
Single
Single
Single
Single
Single
Single
Single
Single
Single
Single
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Distributiemodel
LAMBDA
POWER
AVTRIPLENGTH
AVTRIPDURATION
BALANCEFACTORS
Single
Single
Single
Single
String
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Tijdstipkeuzemodel
SHIFT
Single
INTIME
Range van Singles
OUTTIME
Range van Singles
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Vervoerwijzekeuzemodel
TRESHOLDCOST
String
SPLITTRESHOLD
Range van Singles
SPLITCAR
Range van Singles
SPLITPASS
Range van Singles
SPLITPT
Range van Singles
SPLITCC
Range van Singles
SPLITWK
Range van Singles
ASCCARDELTA
Single
ASCPASSDELTA
Single
ASCPTDELTA
Single
ASCCCDELTA
Single
ASCWKDELTA
Single
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
18
N59.1 – Projectmat en projectfiches
3.4.
V ERDUIDELIJKENDE
VOOR BEELDEN VAN PROJECTF ICHES
Volgende onderdelen illustreren verschillende manieren om projecten door te rekenen en
duiden de gekozen keywords en parameters.
3.4.1. V O OR B E E LD 1
PROJECT = "Bedrijventerrein A",
;Algemene kenmerken
CATEGORY = INDUSTRIAL,
ZONE = 1500,
COSTZONE = 610,
AREA = 75,
NETAREA = 0,
TYPE = WORK,
EMPLOYEES = 0,
;Distributie
AVTRIPLENGTH = 15,
;Tijdstipkeuze
SHIFT = 30,
;Vervoerwijzekeuze
SPLITTRESHOLD = 5,10,
TRESHOLDCOST = DISTANCE,
SPLITCAR = 50,60,80,
SPLITPASS = 5,5,10,
SPLITPT = 15,20,10,
SPLITCC = 15,15,0,
SPLITWK = 15,0,0,
TYPE = FREIGHTHEAVY,
AVTRIPLENGTH = 40,
BALANCEFACTORS = FREIGHT_HEAVY
Dit project bevat een industrieterrein in een nieuwe zone 1500, voor de kosten van en naar
dit gebied wordt verwezen naar de kosten van zone 610 waarvoor alle informatie reeds
aanwezig is. De totale bruto-oppervlakte bedraagt 75 ha, de netto-oppervlakte wordt niet
opgegeven. Resultaten rond werkverplaatsingen en zware vracht worden opgevraagd door
hun respectievelijke thematische keywords. Voor werk wordt geen informatie rond generatie
en tijdstipvoorkeur opgegeven, en zal MINTOD eigen interne functies gebruiken. De
rekenmethodiek wordt niet gespecifieerd, dus deze valt op de standaard-methodiek die in het
script gecodeerd is. Inzake distributie is wel bekend dat de gemiddelde triplengte 15
kilometer is, dit roept de zelfkalibratie van MINTOD aan, en zorgt voor een distributie op basis
van afstand eerder dan tijd. Voor tijdstipkeuze worden ook geen verdelingen opgegeven,
enkel wordt gesteld dat 30 procent van de werknemers in een shift-regime zit, en dus valt
onder een afwijkende tijdstipverdeling. Voor vervoerwijzekeuze wordt een boel informatie
aangereikt: splitverdelingen worden opgegeven in bandbreedtes van afstand. Een
onderscheid wordt gemaakt naar trips korter dan 5 kilometer, tussen 5 en 10 en boven de 10
kilometer: de mode te voet is alleen opgegeven voor de kortere trips, fiets loopt tot maximaal
10 kilometer, en autobestuurder wordt belangrijkst voor langere trips.
Ook voor vrachtverkeer wordt geen info rond ritgeneratie of tijdstipverdeling aangereikt, en
worden de interne kencijfers gebruikt. Voor de distributie wordt zelfkalibratie op gemiddelde
afstand van 40 kilometer opgelegd. De balansfactoren worden wel expliciet vermeld, en de
distributie zal zich voor aantrekkelijkheid van herkomsten en bestemmingen baseren op het
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
19
N59.1 – Projectmat en projectfiches
huidige belang van deze zones voor het zware vrachtverkeer: de gesommeerde producties en
aankomsten van alle andere zones dient als polariteit.
3.4.2. V O OR B E E LD 2
PROJECT = "Bedrijventerrein B",
CATEGORY = REGIONAL,
ZONE = 1505,
COSTZONE = 874,
AREA = 0,
NETAREA = 0,
TYPE = WORK,
EMPLOYEES = 450,
PRESENCE = 90,
;Tijdstipkeuze
INTIME=6*0,5,20,50,15,2*5,
OUTTIME=12*0,2*10,0,20,50,5,5,
;Distributie
LAMBDA = -0.175,
POWER = 1.3,
;Vervoerwijzekeuze
ASCPASSDELTA = 1.5
Een gelijkaardig voorbeeld betreft een regionaal bedrijventerrein. Voor dit project wordt het
generatiemodel gevoed met een verwacht aantal werknemers van 450, waarvoor een
dagelijks aanwezigheidspercentage van 90 procent voorop gesteld wordt. Ook de
tijdstipverdeling is op voorhand bekend, en wordt ingevoerd. Om 6 uur ’s ochtends komt 5
procent van de dagelijkse relaties in het project aan, om 7 uur is dat 20 en om 8 uur is dat 50
procent. Vanaf 12 uur worden geen aankomsten meer opgegeven. Om 12 uur en om 13 uur
vertrekken telkens 10 procent van de dagelijkse relaties, de rest komt later op gang. Voor de
distributie van alle verplaatsingen zijn de factoren voor de formulering op miraculeuze wijze
bekend ! De vervoerwijzekeuze is niet bekend en wordt berekend met het interne discrete
keuzemodel. Wel wordt een bonus gegeven aan de mode autopassagier waardoor deze een
relatief hoger aandeel zal krijgen.
3.4.3. V O OR B E E LD 3
PROJECT = "Bedrijventerrein C",
CALCULATION = CROW,
CATEGORY = LOGISTICS,
ZONE = 1510,
COSTZONE = 225,
NETAREA = 20,
TYPE = WORK,
TRIPS = 400,
;Distributie
BALANCEFACTORS = SDD_BEVOLKING + SDD_WRKZ_TOTL,
AVTRIPDURATION = 30,
TYPE = FREIGHTHEAVY,
TYPE = FREIGHTLIGHT
Een logistiek project wordt ingepland in zone 1510. Een netto-oppervalkte van 20 hectare
wordt voorbehouden voor deze functie. De rekenmethodiek wordt voor dit project
gedwongen volgens de CROW-richtlijnen. Voor de werkverplaatsingen wordt echter welk het
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
20
N59.1 – Projectmat en projectfiches
aantal dagelijkse relaties opgegeven, waardoor het generatiemodel niet hoeft te rekenen.
Tijdstipkeuze en vervoerwijzekeuze worden volledig vrijgelaten. Inzake de distributie van de
woon-werkrelaties wordt een gemiddelde ritduur van 30 minuten vooropgesteld, eerder dan
een gemiddelde afstand. De balansfactoren worden ook afwijkend opgegeven, de
aantrekkelijkheid van alle zones wordt berekend als zijnde de som van de totale bevolking en
de werkzamen vanuit de sociodemografische databank.
Ook verplaatsingsmatrices voor zware en lichte vrachtwagens worden opgevraagd. Er wordt
geen enkele informatie aangereikt, MINTOD zal enkel op basis van kencijfers rond logistieke
projecten met een bruikbare oppervlakte van 20 hectaren gaan rekenen.
3.4.4. V O OR B E E LD 4
PROJECT = "Bedrijventerrein D",
CATEGORY = SERVICES,
ZONE = 1515,
COSTZONE = 120,
TYPE = WORK,
BALANCEFACTORS = MODE_CAR + MODE_PASSENGER,
AVTRIPLENGTH = 40,
CAR = 210
Op bedrijventerrein D in zone 1515 wordt een dienstenproject gerealiseerd. Er worden voor
het gemodelleerde uur 210 autobestuurders opgelegd, zonder verdeling inkomend of
vertrekkend, waardoor MINTOD een symmetrische verdeling zal hanteren. De gemiddelde
ritlengte naar het project wordt op 40 kilometer gekalibreerd. Het distributiepatroon wordt
gebaseerd op huidige volumes van autobestuurders en –passagiers, dit uit de aangereikte
mode-matrices.
3.4.5. V O OR B E E LD 5
PROJECT = "Bedrijventerrein E",
;Algemene kenmerken
CATEGORY = LOCAL,
ZONE = 1454,
COSTZONE = 936,
TYPE = WORK,
BALANCEFACTORS = MODE_CAR + MODE_PASSENGER,
CAR=400,
PT=100,
SHAREIN=75,
SHAREOUT=25
Voor een lokaal bedrijventerrein in zone 1454, waarvan de kosten voorgesteld worden door
zone 936, worden de werkmatrices berekend. Ritgeneratie, tijdstip- en vervoerwijzekeuze
worden kort gesloten, voor het project wordt opgelegd dat er in het gemodelleerde uur 400
autobestuurders en 100 OV-reizigers zich verplaatsen. Van deze volumes wordt drie kwart
verwacht aan te komen in het project, en één kwart te vertrekken. Voor de distributie wordt
gesteld dat huidige verplaatsingspatronen voor autobestuurders en –passagiers maatgevend
zijn.
Verdere Ontwikkeling Vlaamse Verkeersmodellen
21
Download