1. ------IND- 2014 0483 I-- NL- ------ 20141017 --- --- PROJET Ministerie van Infrastructuur en Transport DEPARTEMENT TRANSPORT, NAVIGATIE, ALGEMENE ZAKEN EN PERSONEEL DIRECTORAAT-GENERAAL VERKEERSVEILIGHEID Prot. nr. DE DIRECTEUR-GENERAAL GEZIEN besluit nr. 223 van de minister van Openbare Werken van 18 februari 1992 houdende „Technische instructies voor het ontwerp, de homologatie en het gebruik van afschermende constructies voor wegen”, gepubliceerd in het Italiaanse staatsblad nr. 63 van 16 maart 1992; GEZIEN het besluit van de minister van Infrastructuur en Transport van 21 juni 2004, gepubliceerd in staatsblad nr. 182 van 5 augustus 2004, betreffende „Actualisering van de technische instructies voor het ontwerp, de homologatie en het gebruik van afschermende constructies voor wegen en van de technische voorschriften voor de proeven van de afschermende constructies voor wegen” en in het bijzonder artikel 1 dat, bij het vervangen van de technische instructies voor het ontwerp, de homologatie en het gebruik van afschermende constructies voor wegen, de normen UNI EN 1317 delen 1, 2, 3 en 4 heeft erkend die destijds van kracht waren en die de prestatieclassificatie van de veiligheidsinrichtingen bij wegenaanleg, de modaliteiten voor de uitvoering van de botsproeven en de bijbehorende aanvaardingscriteria bepalen; GEZIEN het besluit van de minister van Infrastructuur en Vervoer van 28 juni 2011, gepubliceerd in het Italiaanse staatsblad nr. 233 van 6 oktober 2011, betreffende „Bepalingen over het gebruik en de plaatsing van afschermende constructies voor wegen”; GEZIEN Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 die geharmoniseerde voorwaarden vastlegt voor het verhandelen van bouwproducten; 1 GEZIEN wetsbesluit nr. 163 van 12 april 2006 houdende „Wetboek van overheidsopdrachten betreffende werken, diensten en leveringen ter uitvoering van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG”, gepubliceerd in het Italiaanse staatsblad nr. 100 van 2 mei 2006; GEZIEN besluit nr. 207 van de president van de Republiek van 5 oktober 2010 houdende „Uitvoeringsvoorschriften voor wetsbesluit nr. 163 van 12 april 2006, houdende „Wetboek van overheidsopdrachten betreffende werken, diensten en leveringen ter uitvoering van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG”, gepubliceerd in het Italiaanse staatsblad nr. 288 van 10 december 2010; GEHOORD HEBBENDE de mening van de Hoge Raad voor openbare werken, gegeven met stemming van nr. 14/2013 tijdens de vergadering van 20 februari 2014; NA VERVULLING met kennisgeving van de informatieprocedure zoals bedoeld in Richtlijn 98/34/EG, zoals gewijzigd door Richtlijn 98/48/EG; BESLUIT Art. 1 (Toepassingsgebied) 1. Onderhavige technische instructies regelen de plaatsing van afschermende constructies langs de weg overeenkomstig artikel 2, lid 1, van besluit nr. 223 van de minister van Openbare Werken van 18 februari 1992, en betreffen niettemin de ontwerpen in verband met openbare stedelijke en buitenstedelijke wegen met een ontwerpsnelheid van meer dan of gelijk aan 70 km/h. 2. De onderhavige instructies zijn niet van toepassing op de lopende werken en op de werken waarvan de gunningsprocedure reeds van start gegaan is, en op de ontwerpen die zijn voorbereid overeenkomstig de technische regels en normen die zijn vastgelegd door reeds eerder geldende bepalingen inzake afschermende constructies voor wegen, op het ogenblik van opstelling ervan. 2 Art. 2 (Classificatie van de afschermende constructies) 1. De afschermende constructies worden onderscheiden in de volgende categorieën: a) afschermende constructies langs de weg; b) afschermende constructies die dienst doen als middenberm; c) afschermende constructies voor kunstwerken zoals bruggen, viaducten, tunnels, muren, kantstenen, enz.; d) verplaatsbare afschermende constructies voor geulen; e) speciale uiteinden, d.w.z. elementen die worden aangebracht aan de uiteinden van de afschermende constructies ter vervanging van die aan het begin; f) constructies die de energie van een botsing absorberen zoals botsingdempers, grindbakken en dergelijke. 2. De afschermende constructies van type a), b) en c) kunnen eventueel bestaan uit een geïntegreerd systeem van geleiderails en geluidswanden of afschermende constructies met netten. 3. De classificatie van de diverse afschermende constructies moet overeenstemmen met de testmodaliteiten die zijn uitgevoerd in de betekenis van de normen van reeks EN 1317. 4. Aanloopelementen, gedefinieerd als normale begin- en eindelementen van een geleiderail en die vermeld staan in de plaatsingshandleidingen, en overgangen zijn geen op zichzelf staande afschermende constructies en zijn niet onderworpen aan de CE-markering in de betekenis van de norm EN 1317-5. Van onderhavige instructies zijn tijdelijke afschermende constructies ter bescherming van bouwterreinen uitgesloten, die reeds geregeld zijn in de veiligheids- en coördinatieplannen die zijn opgesteld overeenkomstig wetsbesluit nr. 81 van 9 april 2008, zoals gewijzigd en aangevuld, en grindbakken en borstweringen voor voetgangers. Art. 3 (Doeleinden van afschermende constructies langs de weg) 1. Geleiderails en andere afschermende constructies worden gebruikt om, met betrekking tot de omstandigheden van een botsing die aan bod komen in norm UNI EN 1317-2, te vermijden dat een voertuig de weg in zijdelingse richting verlaat, waarbij de gevolgen van de botsing op de inzittenden van het voertuig worden beperkt en tegelijkertijd wordt vermeden dat de bestuurder afgeleid wordt door personen of zaken die zich buiten de infrastructuur bevinden. 3 Art. 4 (Bepaling van de te beschermen zones) 1. De beschermingen moeten in de ontwerpfase worden vastgelegd en moeten betrekking hebben op: a) de buitenste schuine kant van de weg in de ophoging waar het hoogteverschil tussen de welving van de aarden wal en het natuurlijke terrein groter is dan of gelijk is aan 1 meter, wanneer de helling van het grondbeloop groter is dan of gelijk is aan 2/3. Indien de helling van het grondbeloop kleiner is dan 2/3 moet de noodzaak van bescherming worden geëvalueerd in verband met de combinatie van de helling en de hoogte van het grondbeloop, ook rekening houdende met mogelijk gevaarlijke situaties achter het grondbeloop; b) de middenberm die aanwezig is op wegen met gescheiden rijbanen die niet meer dan 12 meter uit elkaar liggen; c) de schuine kanten van alle kunstwerken in de openlucht zoals bruggen, viaducten, duikers, ongelijkvloerse kruisingen en steunmuren van de rijbaan, of analoge subverticale ondersteunende structuren, los van de uitbreiding in de lengte ervan en de hoogte van het natuurlijke terrein; d) vaste obstakels die bij botsing een gevaar kunnen vormen voor de weggebruikers, bijvoorbeeld brugpijlers, wegvakken waar steunmuren beginnen die blootgesteld zijn aan een frontale botsing, uitstekende rotsen, draineringswerken die niet kunnen worden overgestoken, boomaanplantingen, verlichtingspalen en dragers voor signalisatie die niet kunnen worden aangepast zoals hierna gepreciseerd, afschermende constructies die de hydraulische continuïteit van putten verzekeren die langs de weg liggen. Hiertoe moeten bovengenoemde obstakels en gebouwen worden beschermd indien de verwijdering ervan niet mogelijk of gemakkelijk is en ze zich bevinden op een afstand van de buitenste rand van de kleinste rijbaan met een geschikte vrijboord die de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies moet evalueren in verband met de geometrische, functionele en operationele eigenschappen van de weg en het gevaar van het obstakel. Bovendien moeten de dragers van de signalen en de andere door geaccrediteerde laboratoria reeds met positief resultaat geteste structuren, overeenkomstig norm EN 12767, en de dragers met een vloeimoment aan de basis van niet meer dan 5,7 kNm, kunnen worden beschouwd als aanpasbare dragers in de betekenis van onderhavige voorschriften en toch niet onderworpen worden aan de verplichting tot bescherming, onverminderd de verplichting van de ontwerper om afschermende constructies te 4 plaatsen waarmee de gevolgen van een eventuele val van de structuur waartegen gebotst wordt, kunnen worden geëvalueerd; e) de schuine kanten van de wegtracés die naast wegen of spoorwegen liggen binnen 12 meter van de voet van het verhoogde grondbeloop. De bescherming kan weggelaten worden als ze naast wegen van type F liggen, gekenmerkt door een dagelijks gemiddeld verkeer in beide richtingen van in totaal < 1 000 voertuigen per dag of, als het dagelijks gemiddeld verkeer in beide richtingen niet bekend is, met rijbanen met een breedte van minder dan 5 meter; f) te beschermen structuren, zoals openbare of private gebouwen, scholen, ziekenhuizen, brandstofopslagplaatsen en andere reeds bestaande structuren of structuren waarvan de uitvoering voorzien is die, indien voertuigen van de weg af geraken of botsen, een gevaar kunnen opleveren voor infrastructuren en voor andere personen dan weggebruikers. 2. De te beschermen zone moet zich in elk geval uitstrekken totdat er, voor en na het traject waar bovengenoemde omstandigheden zich voordoen, punten worden bereikt, zodat indringing daarin redelijkerwijze kan worden uitgesloten. 3. Eventuele andere gevallen waar bescherming nodig is, kunnen door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies worden voorzien in overleg met de eigenaar/beheerder van de weg, voor gemotiveerde, specifieke vereisten. Art. 5 (Conformiteit van de afschermende constructies en de plaatsing ervan) De materialen en de componenten van de afschermende constructies moeten de bouwkenmerken hebben die beschreven staan in het ontwerp van het product dat wordt gebruikt voor de botsproeven en in het certificaat van constante prestaties van het product op basis van de verklaring en de daarop volgende CE-markering zoals bedoeld in verordening (EU) nr. 305/2011. De wijzigingen aan het standaardproduct zijn toegestaan zoals gespecificeerd in de certificaten van constante prestaties van het gewijzigde product, overeenkomstig hetgeen beschreven staat in norm EN 1317-5. Waar voorzien in de betekenis van het ministerieel besluit van 28 juni 2011, moeten de afschermende constructies op de weg zoals bedoeld in art. 2, worden geïdentificeerd door middel van een geschikte aanduiding overeenkomstig lid ZA.3 van bijlage ZA van de EN1317-5 die op de afscherming moet worden aangebracht (begin en einde en minstens om de 100 meter op de constructie). De aanduiding kan worden vervangen door een QR-code of gelijkwaardig. 5 Tot het einde van de co-existentietermijn die voorzien is voor de bijbehorende Europese geharmoniseerde normen waarvan de referenties eventueel gepubliceerd zijn in het Publicatieblad van de Europese Unie, worden de afschermende constructies zoals bedoeld in art. 2 onder d) en e), van onderhavige instructies gehomologeerd in de betekenis van het ministerieel besluit van 21 juni 2004 of in elk geval met gunstig gevolg onderworpen aan de botsproeven die zijn voorgeschreven door norm ENV 1317-4 zoals gewijzigd en aangevuld, waarvan de proefverslagen door de opdrachtgever geverifieerd zijn, in de betekenis van het ministerieel besluit van 21 juni 2004 en de bijbehorende technische bijlage. Waar voorzien in de bepalingen van het ministerieel besluit van 28 juni 2011 moet de levering vergezeld gaan van de prestatieverklaring, en van de bijbehorende CE-markering, of de geldende voorschriften voorziene overeenstemmende verklaring betreffende afschermende constructies in de configuratie waarin ze zullen worden geleverd en geplaatst. De plaatsing moet plaatsvinden met naleving van de toleranties die voorzien zijn door de geldende normen of door de ontwerper van de afschermende constructie bij de aanvraag van het certificaat van constante prestaties van het product op basis van de prestatieverklaring en de daaruit voortvloeiende CE-markering. Bij de plaatsing van de geleiderails zijn gelokaliseerde wijzigingen aan het product „met CE-markering” en aan de plaatsingsvoorwaarden die voorzien zijn door de plaatsingshandleiding toegestaan die voortvloeien uit de aard van de ondergrond of de morfologie van de buitenste schuine kanten van de weg, bijvoorbeeld (onvolledige lijst): kleine inboring van een ankerstaaf of ankerbout of spoedverandering tussen stijl en stijl, voor een ontwikkeling in de lengte van de afscherming waarop die wijzigingen van toepassing zijn, niet hoger dan 5 meter; wijziging van de eigenschappen, consistentie en kwaliteit van de ondergrond van de afschermende constructies met ingeboorde ankerstaven op voorwaarde dat de wijziging niets verandert aan de werking van de afschermende constructie in geval van botsing. Binnen 15 dagen behoudens andersluidende contractuele bepaling, moet de aannemer voor de plaatsing van de afschermende constructies een specifieke goedkeuring in gang zetten betreffende de levering en plaatsing van de afschermende constructies, rekening houdend met zowel het ontwerp als hetgeen vermeld staat in de plaatsingshandleiding die moet overeenstemmen met de voorschriften van het ministerieel besluit van 28 juni 2011. De aannemer, behoudens de verplichtingen van de testfase, is bevoegd om aan de uitvoerder van de werken de documentatie of de latere vaststellingen te vragen die noodzakelijk worden geacht. 6 Art. 6 (Keuzecriteria van het kerend vermogen) Ten behoeve van de definitie van de niveaus van kerend vermogen van de geleiderails langs de wegen en de andere afschermende constructies wordt uitsluitend verwezen naar de normen van de reeks EN 1317. De keuze van afschermende constructies voor wegen zal worden gemaakt in verband met hun bestemming, hun ligging en de kenmerken van het verkeer en de weg. De keuzecriteria moeten rekening houden met de hiervoor aangehaalde algemene voorwaarden en met de plaatselijke voorwaarden die eventueel verbonden zijn aan de ontwerpkeuzes in verband met de noodzaak om afzonderlijke gevaarlijke elementen weg te werken of op gepaste wijze te verminderen, ofwel omgevingsomstandigheden die de bruikbaarheid van de ruimten die voor de weg liggen of eraan grenzen verminderen met betrekking tot de gevraagde veiligheidsvereisten. De plaatsingen van de afschermende constructies op kunstwerken moeten worden uitgevoerd door de effecten te evalueren die erop worden geproduceerd, overeenkomstig de norm die geldt voor de constructies. Bij gebrek aan door de opdrachtgever gegeven aanwijzingen moet voor de samenstelling van het verkeer de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies ervoor zorgen dat hij de samenstelling ervan bepaalt, op basis van de beschikbare of aantoonbare gegevens evenals op basis van stalen, op de desbetreffende weg (gemiddeld dagelijks verkeer), ofwel aan de hand van een voorafgaande studie. Voor toepassingsdoeleinden zal het verkeer worden ingedeeld naargelang de hoeveelheid verkeer van zware voertuigen (gem. verkeer zw. voert.) die over de onderzochte weg rijden, opgesplitst in de volgende niveaus: Tabel A – Autosnelwegen en buitenstedelijke hoofdwegen VERKEERSNIVEAU AI AII AIII AIV Gem. verkeer zw. voert. Gem. verkeer zw. voert. < 5 000 5 000 ≤ gem. verkeer zw. voert. < 13 000 13 000 ≤ gem. verkeer zw. voert. < 21 000 Gem. verkeer zw. voert. ≥ 21 000 7 Tabel B – Secundaire buitenstedelijke wegen en doorgaande wegen VERKEERSNIVEAU BI BII BIII Gem. verkeer zw. voert. Gem. verkeer zw. voert. < 1 000 1 000 ≤ gem. verkeer zw. voert. < 5 000 Gem. verkeer zw. voert. ≥ 5 000 Het gem. verkeer zw. voert. is het gemiddeld dagelijks verkeer op jaarbasis, van uitsluitend zware voertuigen, gedefinieerd als voertuigen met een maximumgewicht van meer dan 3,5 ton, in beide rijrichtingen samen. In tabellen C, D en E staan, naargelang van het soort weg, het soort verkeer en de bestemming van de afschermende constructie voor wegen, de toe te passen minimumklassen. De ontwerpklasse zal door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies worden bepaald, ook in functie van de omgeving van de weg. 8 Tabel C Verkeersniveau Middenberm Soort weg Rand langs de weg, steunmuren, Brugrand (licht brugrand (licht > 20 m) ≤ 20 m) (2) (1) Autosnelwegen AI H3 H2 H2 en AII H3 H2 H3 buitenstedelijke AIII H4 H2 H3 hoofdwegen AIV H4 H2 H3 Secundaire BI -- H1 H2 BII -- H1 H2 BIII -- H2 H2 BI H1 N2 H2 BII H2 H1 H2 BIII H2 H2 H2 -- -- N1 N2 buitenstedelijke wegen (3) Doorgaande stedelijke wegen Plaatselijke buitenstedelijke wegen (1) In het geval van paden die over of naast (minder dan 12 m van de voet van het grondbeloop) wegen van type A, B, C, D, E of spoorwegen van type F lopen (als deze laatste gekenmerkt zijn door een gemiddeld totaal dagelijks verkeer in beide richtingen van meer dan 1 000 voertuigen per dag of, indien het gemiddeld totaal dagelijks verkeer in beide richtingen niet bekend is, met een rijbaan van meer dan 5 m breed), mogen de minimale beschermingen in elk geval niet kleiner zijn dan die die aangeduid zijn door de configuratie „vanaf zijrand” verhoogd met één klasse, waarbij de minimumklasse H2 is. Een soortgelijk voorschrift geldt voor paden naast gevoelige structuren zoals openbare of private gebouwen, scholen, ziekenhuizen, enz. die, indien voertuigen van de weg af raken of botsen, schade kunnen oplopen waarbij ook andere personen dan weggebruikers gevaar lopen. (2) Voor autosnelwegen en buitenstedelijke hoofdwegen, voor lichtwerken tussen 20 en 100 m, waarin zich een van de in vorig punt vermelde voorwaarden voordoet, moet de te gebruiken minimumklasse worden verhoogd tot H4. Voor autosnelwegen en buitenstedelijke hoofdwegen met een verkeersniveau AIV, is voor lichtwerken van meer dan 100 m de minimumklasse H4. 9 (3) In het geval van secundaire buitenstedelijke wegen die reeds in gebruik zijn, aangelegd met gescheiden rijbanen met één rijvak per rijrichting of bij opritten van verkeersknooppunten in twee richtingen, is de minimumklasse voor de middenberm H2. Bestaande secundaire buitenstedelijke wegen met een middenberm en rijbanen met meerdere rijvakken per rijrichting worden, ten behoeve van de onderhavige instructies, gelijkgesteld met buitenstedelijke hoofdwegen. De voorschriften zoals bedoeld in tabel C hebben betrekking op de middellijn van de weg. Hiertoe wordt bovendien gepreciseerd dat: in het geval van ingegraven wegen met afwatering die niet in overeenstemming is gebracht zodat er geen afschermende constructies nodig zijn in de betekenis van het ministerieel besluit van 5 november 2001, is de minimumklasse N2; in het geval van een te beschermen obstakel in overeenstemming met artikel 4, onder d), gelegen in een sectie waarvoor er nog geen beschermingen vereist zijn in overeenstemming met art. 4 onder a), b), c), waarvan de val geen potentieel gevaar oplevert voor derden, is de minimumklasse N2. Voor andere installaties buiten de middellijn van de weg zijn de volgende beschermingen voorzien: de opritten van verkeersknooppunten van autosnelwegen en buitenstedelijke hoofdwegen worden gelijkgesteld met secundaire buitenstedelijke wegen. In het geval van eenrichtingsopritten moet worden verwezen naar het eenrichtingsverkeer, waarbij gehalveerde waarden ten opzichte van de in tabel B vermelde waarden in aanmerking worden genomen; voor de belendende stroken, zoals rustplaatsen, parkeerplaatsen en tankstations langs de autosnelweg, is de minimumklasse, behoudens bijzondere gevallen, N2; de rotondes die onder het toepassingsgebied van het ministerieel besluit van 19 april 2006 vallen of daarmee gelijkgesteld zijn, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van ministerieel besluit nr. 223/1992 en toch zullen eventuele beschermingen in bijzondere gevallen door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies worden gedefinieerd. Wat de middenberm betreft zal het mogelijk zijn de klasse van de afscherming tot twee niveaus te verlagen, ten opzichte van hetgeen vermeld staat in tabel C, in elk geval met gebruik van een klasse niet lager dan H2, behoudens andersluidende bepaling van lagere klasse voor de huidige afscherming, voor stukken met een lengte van maximaal 60 meter, teneinde segmenten te creëren waarin een tijdelijke opening kan worden aangebracht voor noodgevallen (ongevallen, winteroperaties, enz.) of onderhoudswerken. Er kunnen verwijderbare afschermende constructies worden gebruikt die met succes zijn getest overeenkomstig norm ENV 1317-4, zoals gewijzigd en aangevuld, of delen met een lengte van maximaal 60 meter afschermende constructies met CE10 markering overeenkomstig norm EN 1317-2, zoals tweezijdige afschermende constructies (ontworpen om botsingen aan beide kanten te ondergaan) die getest zijn met een lengte van gelijk aan of kleiner dan die die zullen worden geplaatst. In dit laatste geval moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies een evaluatie maken van de effectieve werking van de afscherming in de voorgestelde lengte met gepaste aansluiting van de huidige afschermende constructies van de middenberm, die moet worden ingevoegd in het plaatsingsontwerp. In dit laatste geval moet de plaatsings- en gebruikshandleiding de modaliteiten van snelle opening en de modaliteiten voor verbinding met de afschermende constructies van de middenberm specificeren, die een structurele verbinding mogelijk moeten maken. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zone waar de afscherming begint in vergelijking met de hoogte van de constructie op het hoogste punt, zodat het verschil tussen twee armen in dezelfde richting wordt berekend. De afschermende constructies in de hoogste punten moeten alleen worden voorzien als dat nodig is, rekening houdend met de morfologie van de site of de daar aanwezige obstakels, en moeten frontaal worden beschermd door specifieke botsingdempers (behalve de hoogste punten tussen hellingen met een maximumsnelheid van 40 km/h). Als het enigszins mogelijk is, wordt de voorkeur gegeven aan minder gevaarlijke oplossingen, zoals grindbakken. In het geval van hoogste punten met een beperkte breedte kan, als alternatief voor de dempers, de bescherming met speciale elementen worden voorzien, tweezijdig getest en verbonden met de afschermende constructies. Wat de dempers betreft, worden in tabel D de te gebruiken minimumklassen opgenomen. Tabel D – Minimumklassen voor de dempers Snelheidslimiet in de te beschermen site Klasse van de demper S ≥ 130 km/h 100 90 ≤ S < 130 km/h 80/1 S < 90 km/h 50 In het geval van bestaande wegen kan de ontwerper van de plaatsingen, ook rekening houdend met de effectieve ruimten die beschikbaar zijn voor de plaatsing van de dempers, afschermende constructies gebruiken van een lagere klasse dan de minimumklasse die voorzien is in tabel D. De in artikel 2 gedefinieerde aanloopelementen moeten gelegen zijn in zones die niet gevaarlijk zijn voor voertuigen die van de weg af geraken en die door de ontwerper van de plaatsing van de 11 afschermende constructies in overeenstemming zijn gebracht met de bepalingen die stellen dat het begin van de afscherming naar de buitenkant van de rijbaan wordt afgeleid. De aanloopelementen kunnen worden vervangen door of aangevuld met speciale elementen die met succes zijn getest volgens norm ENV 1317-4, zoals gewijzigd en aangevuld, volgens hetgeen vermeld is door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies. De speciale elementen moeten worden gekozen rekening houdend met hun prestaties en ligging, volgens de in tabel E vermelde minimumklassen. Tabel E – Minimumklassen voor de speciale elementen Snelheidslimiet in de te beschermen site Klasse van het speciale element S > 130 km/h P4 90 ≤ S ≤ 130 km/h P3 S < 90 km/h P1 Een afschermende constructie die de proeven in een bepaalde klasse heeft doorstaan, kan ook worden geplaatst in gevallen waarin er in het ontwerp een afscherming van een lagere klasse voorzien is, na controle van de naleving van de gevraagde prestatievereisten die in het ontwerp zijn vastgelegd (in het bijzonder met betrekking tot de ernst van de botsing). Voor gemotiveerde vereisten, te preciseren in het ontwerp van de plaatsing, kunnen afschermende constructies worden gebruikt van een lagere klasse dan de minimumklasse die voorzien is door tabellen C, D en E, die geen afbreuk doen aan de andere prestatievereisten behalve het kerend vermogen, in het bijzonder met betrekking tot de ernst van de botsing en andere veiligheidskenmerken van de weg. Het bovenstaande geldt in het algemeen en onverminderd hetgeen vermeld staat in navolgend art. 7. Art. 7 (Ontwerpcriteria) A - ALGEMENE criteria: De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies zoals bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 18 februari 1992 zal, bij het voorzien van de bescherming van de punten voorzien in artikel 4, de prestatiekenmerken van de te gebruiken afschermende constructies definiëren en motiveren, volgens hetgeen vermeld staat in de onderhavige instructies, door de volgende zaken vast te leggen: 12 de klassen voor kerend vermogen volgens het ontwerp in verband met de diverse bestemmingspunten; de intensiteitsniveaus die gedefinieerd zijn zoals voorzien door de normen van de serie EN 1317. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies legt, indien noodzakelijk geacht, de volgende zaken vast: de werkingsbreedten; de indringing van voertuigen of andere parameters die het gedrag van de afschermende constructie met betrekking tot vervormingen kenmerkt; de materialen, de afmetingen, het gewicht, enz. rekening houdend met hun overeenstemming met het soort ondergrond, het soort weg, de manoeuvres en het daarop te verwachten verkeer, de bestaande geometrische omstandigheden en het gevaar van voertuigen die van de weg af geraken. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies zal bovendien gebruikmaken van de kenmerkende parameters die afgeleid zijn van de resultaten van de proeven om de keuze van de afschermende constructie te bepalen, die bruikbaar is in het kader van elke in het ontwerp voorziene klasse van afschermende constructie. In de betekenis van artikel 2, lid 3, van ministerieel besluit nr. 223/1992 is er, in het geval van tussenkomsten voor de aanpassing of uitbreiding van het platform waarbij geen tussenkomsten op de binnenste, zijdelingse of buitenste schuine kant voorzien zijn, voor de eventuele afschermende constructies die aanwezig zijn op de kant zelf, geen aanpassing nodig in de betekenis van de onderhavige instructies. Voor afzonderlijke punten van bestaande wegen, bijvoorbeeld brugpijlers met onvoldoende zijdelingse ruimte, discontinuïteit in de wanden of de ingangen van tunnels of dergelijke, aanlooppunten van de steunmuren, pieken van hellingen, toegangen, bestaande signalisatiestructuren, brugverbindingen, en waar er niet voldoende ruimte is om ook maar een afschermende constructie te plaatsen kan de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies, met de nodige motivering, oplossingen gebruiken die afwijken van die die vermeld staan in artikelen 2 en 6, waarbij hij in het bijzonder zorg draagt voor de bescherming tegen frontale botsingen tegen eventuele structurele elementen. Het is mogelijk dat die oplossingen, gedefinieerd door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies, met geen enkel specifiek product met CE-markering overeenstemmen. Die oplossing zal met name worden gebruikt in het geval van boomaanplantingen ter bescherming of van andere reeds bestaande, vaste obstakels, geplaatst aan de zijkanten van de rijbaan. 13 Op pas aangelegde wegen kunnen afzonderlijke punten in aanmerking worden genomen, en, als zodanig, worden behandeld zoals hiervoor genoemd, als brugaansluitingen, de ingang van tunnels en onderdoorgangen, de aanzet van steunmuren en in het algemeen elk punt waar de continuïteit van de wanden van deze tunnels en onderdoorgangen zelf wordt onderbroken. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies legt, op basis van de aanwijzingen die vervat zitten in de documentatie die wordt voorgelegd ter staving van de aanvraag van een CEmarkering van de producten, met inbegrip van de testverslagen en de handleidingen, met specifieke berekeningsverslagen en grafische uitwerkingen van de plaatsing, de voorwaarden vast voor verenigbaarheid tussen de eigenschappen van de afschermende constructies en de eigenschappen van de weg zoals hij werkelijk is wat betreft ondergrond, waterafvoer, aansluitingen tussen de verschillende soorten bescherming, begin- en eindpunt in verband met de morfologie van de weg voor de geschikte plaatsing van de elementen, interferentie en/of aanvulling met andere soorten afschermende constructies of met obstakels aan de achterkant, enz. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies kan verwijzen naar een product tussen de producten die verenigbaar zijn met de ontwerpbeperkingen, zonder dat dit op enigerlei wijze een beperking betekent voor de volgende fase van de opdracht, en de contractant is dan verplicht om, eenmaal het specifieke te plaatsen product is vastgelegd, het uitvoeringsontwerp vervolgens aan te passen zodat er gelijkwaardige prestaties worden verkregen. Na goedkeuring van de opdrachtgever moet de leverancier zich houden aan het aangepaste uitvoeringsontwerp. In sommige gevallen kan de aanpassing van de afschermende constructies aan de werkelijke toestand van de weg, teneinde het effectief gewenst kerend vermogen te verkrijgen (en niet om de werkingsmodaliteiten ervan te veranderen), de eis met zich meebrengen om enkele van de elementen daarvan te wijzigen, bijvoorbeeld de verlenging van de stijlen of de verandering van het verankeringssysteem aan kunstwerken; deze aanduiding geldt in het bijzonder voor gebruik op bestaande wegen, maar kan ook noodzakelijk zijn op nieuw aangelegde wegen. Het zal in elk geval de verantwoordelijkheid van de producent zijn om, na de certificerende instelling te hebben gehoord, te beoordelen of de grootte van het verschil zodanig is dat de CE-markering van het nieuwe product wordt gevraagd als gewijzigd product in de betekenis van norm EN 1317-5. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies die, in de betekenis van artikel 2, lid 1, van ministerieel besluit nr. 223/1992, de hoedanigheid van „ingenieur” moet hebben, moet worden begrepen als een ingenieur die ingeschreven is in het register van ingenieurs afdeling A sector „Civiele techniek en milieu”. 14 B - Plaatsingslengten: De afschermende constructies zoals bedoeld in artikel 2 van onderhavige instructies moeten een minimumgrootte hebben (met inbegrip van de eventuele verankeringen die voorzien zijn tijdens de crashtests) die minstens gelijk is aan die die vermeld staat in de documentatie die wordt voorgelegd voor de afgifte van de CE-markering, verenigbaar met de plaatselijke beperkingen en met de effectieve grootte van de te beschermen zone die door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies moet worden gedefinieerd. In dit verband wordt in herinnering gebracht dat de afschermende constructies van type a), b), c), zoals bedoeld in artikel 2, bij het in overeenstemming brengen met de minimale proeflengte in de betekenis van norm EN 1317-5, bestaan uit een centraal gedeelte, dat de functies vervult zoals bedoeld in artikel 4, en uit twee „vleugels” (begin-/ eindstukken) waardoor het centrale stuk al zijn functies kan vervullen in de hele ontwikkeling ervan in de proefconfiguratie. Indien niet anders aangegeven in de documentatie betreffende de CE-markering, wordt de ontwikkeling van de „vleugels” beschouwd als gelijk aan 1/3 van de minimumgrootte van de afschermende constructie die vermeld staat in de documentatie betreffende de CE-markering. De uiteinden van de „vleugels” van de afschermende constructie bestaan over het algemeen uit aanloopelementen waarvan de afmetingen zodanig bepaald kunnen zijn dat ze ook, indien dat in de crashtests voorzien is, een verankeringsfunctie kunnen vervullen. De ontwerper van de plaatsingen moet voorzien in de vervanging van de aanloopelementen met speciale geteste elementen zoals bedoeld in tabel E, in het bijzonder waar de positie van de elementen niet geschikt blijkt voor de invoeging van een aanloopelement. In het ontwerp van de afschermende constructie moet een lengte worden voorzien voor en na de te beschermen zone die ten minste gelijk is aan de ontwikkeling van de „vleugels” zoals hiervoor gedefinieerd. Indien de koppeling van afschermende constructies tussen een brugrand (voornaamste afschermende constructie) en afschermende constructies met verhoogde rand (secundaire afschermende constructie) voorzien is, zal het mogelijk zijn een uitbreiding van de voornaamste afschermende constructie te voorzien die kleiner is dan die die effectief getest is, waarbij er evenwel voor gezorgd wordt dat de minimale omvang wordt bereikt door aan de afschermende constructie, door middel van een geschikte overgang, een andere secundaire afschermende constructie vast te maken (bijvoorbeeld getest met in de grond geheide palen), maar met een gelijke klasse van kerend vermogen en die bovendien de structurele continuïteit van de voornaamste elementen in de lengte waarborgen, waardoor er een „gemengde afschermende constructie” ontstaat. Zo kunnen de 15 „vleugels” van de afschermende constructie die voor/na de te beschermen zone moeten worden geplaatst, ook worden uitgevoerd door middel van een gemengde afschermende constructie. De gemengde afschermende constructie kan bestaan uit een primaire afschermende constructie die verbonden wordt met een secundaire afschermende constructie van één klasse lager, uitsluitend op voorwaarde dat de klasse die wordt gebruikt voor de primaire afschermende constructie hoger is dan de door tabel C voorziene minimumklasse. De minimumomvang die het stuk afschermende constructie kan bereiken, moet gelijk zijn aan de grootste van de minimumafmetingen die vermeld staan in de productdocumentatie voor de afgifte van de CE-markering van de twee gebruikte soorten afschermende constructie. Indien het, wegens bijzondere plaatselijke omstandigheden, redelijkerwijze niet mogelijk is een afscherming met een lengte gelijk aan de minimale werkingslengte te voorzien of het redelijkerwijze niet mogelijk is een lengte van de „vleugels” gelijk aan ten minste 1/3 van de minimale werkingslengte te voorzien, moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies geschikte systemen voorzien voor de verankering van de uiteinden, bedoeld om het effect van de beperkte lengte van de afscherming te compenseren (bijvoorbeeld het aanbrengen van de stijlen, op gepaste wijze gedefinieerd door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies). De totale lengte van de afscherming mag in elk geval niet kleiner zijn dan het gedeelte dat vervormd raakt tijdens de proef met het zware voertuig, behoudens de aanpak van bijzondere plaatselijke omstandigheden, naar behoren gemotiveerd door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies. C - Plaatsingsbreedten: C.1 Buitenste schuine kant Voor nieuwe wegen, als er geen obstakels zijn, onverminderd hetgeen voorzien is door de functionele en geometrische normen voor de aanleg van wegen, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 5 november 2001, zoals gewijzigd en aangevuld, moet de subhorizontale ruimte van de buitenste schuine kant (afstand tussen de voorkant van de afscherming die aan het verkeer blootgesteld is en de bovenkant van het grondbeloop) die noodzakelijk is om de stabiliteit te garanderen van het voertuig dat de weg in zijdelingse richting verlaat, ten minste gelijk zijn aan de maximale dynamische afbuiging van de afscherming, verminderd met 70 cm, voor de proeven met zware voertuigen, en met 20 cm voor de proeven met lichte voertuigen; die waarden zijn niet afhankelijk van de helling van het grondbeloop. Waar beschikbaar in de proefverslagen of als bijlage bij de originele proef van het laboratorium die ze heeft uitgevoerd, kan worden verwezen naar de maximale zijdelingse positie van het buitenste wiel dat de weg in zijdelingse richting 16 verlaat, in plaats van naar de maximale dynamische afbuiging, waarop de vermindering van 70 cm of 20 cm zoals hiervoor vermeld moet worden toegepast. Ten behoeve van de toepassing van die vermindering moet er bijzondere aandacht worden besteed aan de beschrijvende gegevens van het gedrag dat het voertuig tijdens de crashtests aan de dag legt. BBSK GELEIDERAIL BERM Figuur 1 - BBSK: subhorizontale ruimte van de buitenste schuine kant Voor de bestaande wegen, nog steeds zonder dat er obstakels zijn, moet die controle worden uitgevoerd volgens bovengenoemde modaliteiten, waarbij er aan de subhorizontale ruimte van de bestaande schuine kant een breedte van de hellende zone wordt toegevoegd die proportioneel is met de helling van het grondbeloop. De in overweging te nemen verhoging wordt gegeven door: Tabel F Helling grondbeloop (*) Verhoging van de bestaande subhorizontale ruimte 1/1 25 cm 2/3 35 cm 1/2 45 cm 1/3 65 cm (*) Voor tussentijdse hellingen kan lineair worden geïnterpoleerd tussen de gegeven waarden 17 Naar de in tabel F vermelde waarden kan worden verwezen na vaststelling van de onmogelijkheid van alternatieve oplossingen rekening houdend met de beperkingen die verbonden zijn aan het specifieke karakter van bestaande wegen. Indien de subhorizontale ruimte van de buitenste schuine kant (eventueel vermeerderd met de bestaande wegen) niet verenigbaar zou blijken met de vervormingskenmerken van de afschermende constructies, kan een afschermende constructie van een hogere klasse worden gebruikt dan de in tabel C vermelde minimumklasse, maar niet meer dan twee klassen hoger; in dit geval zal de maximale zijdelingse positie van het buitenste wiel dat de weg in zijdelingse richting verlaat, door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies worden bepaald door middel van berekening. Afgaande op de resultaten van de proeven van het type van de hogere klasse schat hij de vervorming in die in verband kan worden gebracht met een botsing van de lagere klasse. Bij gebrek aan definitie van de te plaatsten specifieke afschermende constructie kan worden verwezen naar de omzettingsfactoren die worden voorzien door norm ENV 1317-4 zoals gewijzigd en aangevuld. Voor de bescherming van de zijrand zijn de voorgaande voorschriften alleen van toepassing indien de afschermende constructies niet onderworpen zijn aan crashtests waarbij het terrein in overeenstemming is gebracht als een reële verhoging of door een lege ruimte achter de afscherming te plaatsen. In dit laatste geval kan de subhorizontale ruimte van de gebruikte buitenste schuine kant kleiner zijn dan hetgeen vermeld is in het vorige punt als de subhorizontale ruimte van de buitenste schuine kant die tussen de voorkant van de afscherming en de bovenkant van het grondbeloop in de crash zit, kleiner blijkt. In dat geval mag die gebruikte ruimte in elk geval niet kleiner zijn dan die van de crash. In het geval van een brugrand of muur mogen alleen afschermende constructies worden gebruikt die getest zijn met de lege ruimte aan de achterkant. Als er obstakels staan, zowel voor nieuwe wegen als voor bestaande wegen, moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies: i. de evaluaties uitvoeren die inherent zijn aan de stabiliteit van het voertuig dat de weg in zijdelingse richting verlaat zoals hiervoor gedefinieerd; ii. de minimumafstand vastleggen onder dewelke in geen geval een gegeven obstakel mag worden geplaatst of aangetroffen, ten opzichte van de achterkant van de afscherming, opdat de vervormingskenmerken van de afscherming zelf bevredigende prestaties zouden leveren waarbij tegelijkertijd aanvaardbare veiligheidsvoorwaarden worden verzekerd wat betreft de beperking van de ernst van de botsing voor de inzittenden en de beperking van de mogelijke gevolgen van de botsing op eventuele elementen buiten de weg. 18 Met verwijzing naar punt ii), in aanwezigheid van obstakels die geplaatst zijn binnen de operationele breedte van de afscherming zelf, bepaald met verwijzing naar het standaardniveau van kerend vermogen dat in het ontwerp voorzien is (dus afgezien van eventuele klasseverhogingen die juist zijn ingevoerd om de vervormbaarheid van het systeem te verminderen), moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies, ten behoeve van de plaatsing van de afschermende constructies, ten minste: I. de bescherming tegen de impact van lichte voertuigen verzekeren, door zich ervan te vergewissen dat er geen obstakels zijn die interageren met de vervorming van de afscherming, bepaald met verwijzing naar de energie van een voertuig in overeenstemming met de crashtest TB11 ofwel, voor de afschermende constructies van klasse L, naar crashtest TB32 zoals gespecificeerd door norm EN 1317-2; II. zich ervan vergewissen dat er, voor botsingen met een energie die groter is dan die die vermeld staat in punt I en tot de energie die overeenstemt met het standaardniveau van kerend vermogen dat in het ontwerp voorzien is (en niet het niveau dat eventueel wordt verhoogd om de vervormbaarheid van het systeem te verminderen), bij de interactie van de afscherming met het obstakel, aan de eventuele bezwijking van het obstakel geen risico's verbonden zijn voor de gebruikers en voor de personen die aanwezig zijn in de voorzieningen die grenzen aan het terrein van de weg of autosnelweg. In het geval van afschermende constructies van klasse N2 moet worden verwezen naar de W van het systeem met proef TB32. Wanneer de obstakels zich binnen de parameter „indringing van het voertuig” bevinden (VI, zoals gedefinieerd door norm EN 1317-2:2010) maar niet binnen de operationele breedte (W, zoals gedefinieerd door norm EN 1317-2:2010) zullen de controles zoals bedoeld in vorig punt II niet nodig zijn, maar kunnen er, als alternatief, maatregelen worden voorzien bedoeld om het vallen van elementen van het obstakel te voorkomen die een gevaar voor het verkeer of voor derden kunnen opleveren. C.2 Binnenste schuine kant en zijdelingse schuine kant Voor nieuwe wegen, waar geen obstakels zijn, onverminderd hetgeen voorzien is door de functionele en geometrische normen voor de aanleg van wegen, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 5 november 2001 zoals gewijzigd en aangevuld, inzake de minimumbreedte van de middenberm en de binnenste schuine kant, moet de statische omvang van de afschermende constructie die vervormd is door de botsing zodanig zijn dat er geen permanente indringing in de 19 berm is terwijl de operationele breedte (waarbij uitsluitend verwezen wordt naar de dynamische omvang van de afschermende constructie, zoals voorzien door norm EN 1317-2) beperkt moet zijn tot de binnenste schuine kant. Voor bestaande wegen waarvoor een tussenkomst voor herkwalificatie van de afschermende constructies of een nieuwe installatie moet worden voorzien, maar geen tussenkomst voor wijziging van de totale breedte van het platform voorzien is (bij ontbreken van obstakels), is een permanente indringing op de berm toegestaan en mag de operationele breedte (waarbij uitsluitend verwezen wordt naar de dynamische omvang van de afschermende constructie, zoals voorzien door norm EN 1317-2) zich uitstrekken tot de tegenoverliggende rijbaan. De permanente indringing van de rijbaan kan alleen worden toegestaan indien geen enkele afschermende constructie beschikbaar blijkt die in staat is bovengenoemde indringing te vermijden. Voor bestaande wegen waarvoor een tussenkomst voor herkwalificatie van de afschermende constructies of een nieuwe installatie moet worden voorzien, in het kader van een ingreep tot wijziging van de totale breedte van het platform (bij ontbreken van obstakels), is een permanente indringing op de berm toegestaan maar mag de operationele breedte (waarbij uitsluitend verwezen wordt naar de dynamische omvang van de afschermende constructie, zoals voorzien door norm EN 1317-2) zich uitstrekken tot de tegenoverliggende rijbaan alleen in het geval er geen enkele andere voorziening beschikbaar blijkt die in staat is bovengenoemde indringing te vermijden, ook van een klasse hoger dan de door tabel C voorziene minimumklasse. Voor beide voorwaarden met betrekking tot de bestaande wegen kunnen verschillende oplossingen worden toegestaan ten opzichte van die die in het vorige punt vermeld staan, uitsluitend na voorafgaande analyse van de waarschijnlijke verdeling van de voorvallen om de effectieve bedrijfsvoorwaarden van de afscherming te evalueren. Voor bestaande wegen, indien de afmetingen van de middenberm en de binnenste/zijdelingse schuine kant niet verenigbaar blijken te zijn met de vervormingskenmerken van de afschermende constructies, kan een afschermende constructie van een hogere klasse worden gebruikt dan de in tabel C vermelde minimumklasse, maar niet meer dan twee klassen hoger. In dit geval zullen de operationele breedte en de statische omvang van de door de botsing vervormde afschermende constructie door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies worden bepaald door middel van een berekening: afgaande op de resultaten van de proeven van het type van de hogere klasse schat hij de vervorming in die in verband kan worden gebracht met een botsing van de lagere klasse; voor de binnenste schuine kant van de bestaande wegen kan men, voor de berekening van de noodzakelijke breedten, volgens dezelfde methodologie tewerk gaan maar moet 20 men rekening houden met voertuigen van een lagere klasse dan de klasse die vermeld staat in tabel C tot klasse H2. Als er obstakels staan, zowel voor nieuwe wegen als voor bestaande wegen, moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies: de verenigbaarheid tussen het vervormingsgedrag van de afscherming en de breedte van de middenberm en de binnenste schuine kant volgens de hoger gedefinieerde criteria evalueren; de minimumafstand vastleggen onder dewelke in geen geval een gegeven obstakel mag worden geplaatst of aangetroffen, ten opzichte van de achterkant van de afscherming, door middel van dezelfde criteria die gedefinieerd zijn voor de afschermende constructies die op de buitenste schuine kant zijn geplaatst. De zijdelingse afschermende constructies en de afschermende constructies voor kunstwerken kunnen ook worden gebruikt als afschermende constructies van de middenberm in dubbele rij, behalve dat de tweede afscherming niet mag worden getroffen door doorbuigingen van de eerste afscherming bij een botsing met een voertuig van een lagere klasse. D - Overgangszones: Voor elementen die de overgang maken tussen twee typologieën van afscherming kunnen wat de overgangen betreft eenvoudige overgangen worden gebruikt waarvoor geen crashtests op werkelijke schaal moeten worden uitgevoerd en die door de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies zullen worden bestudeerd, ook op basis van de criteria die vervat zitten in ENV 1317-4 zoals gewijzigd en aangevuld. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies draagt ook zorg voor de meest gepaste plaatsing van de overgangen in verband met de werkelijke omstandigheden van de weg. Art. 8 (Minimuminhoud van het ontwerp van de plaatsing) Het ontwerp van de plaatsing moet worden uitgevoerd in overeenstemming met de aanduidingen en voorschriften die vervat zitten in de handleiding voor het gebruik en de plaatsing van afschermende constructies voor wegen. Daarin staat de informatie zoals bedoeld in bijlage 1 bij het ministerieel besluit van 28 juni 2011. Ten behoeve van de opstelling van het definitieve ontwerp moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies met name ten minste de volgende documenten voorleggen: 21 technisch verslag met daarin de telling en de eigenschappen van de obstakels en de te beschermen zones buiten de weg, niet alleen wat betreft typologieën maar ook met hun specifieke kritieke punten en met vermelding van de criteria voor de keuze van de afschermende constructies en de klasse van kerend vermogen en het voorziene niveau van ernst voor de inzittenden, in verband met het soort afscherming, de eigenschappen van het wegtracé en de noden van de te beschermen zones; planimetrieën en schema's waarin ten minste de ligging van de afschermende constructies, de verschillende klassen en typologieën van de te plaatsen afschermende constructies vermeld staan, de ligging en het soort van de overgangen, de elementen (aanloopelementen of bijzondere elementen), de zones die verbonden zijn met de muren en de eventuele botsingdempers. Ten behoeve van de opstelling van het uitvoeringsontwerp moet de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies met name ten minste de volgende documenten voorleggen: grafische uitwerkingen die inherent zijn aan de installaties op de kantsteen met bijbehorende afmetingen overeenkomstig kunstwerken of muren; Specifieke uitvoeringsontwerpen en berekeningsverslagen voor de aanpassing van de afzonderlijke afschermende constructies aan de weg, met verwijzing naar bijvoorbeeld de ondergronden, de funderingssystemen, de waterafvoer, de naderingsen overgangszones, de omvang van de afscherming ter bescherming van obstakels, kantstenen, afschermende constructies op uitzetvoegen, hoge punten en eventuele beschermingen die voorzien zijn in de afzonderlijke punten. Voor de definitie van de prestatie-equivalentie van de afschermende constructies kan de ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies, indien nodig voor de specifieke plaatsing, bijvoorbeeld de volgende zaken aangeven: a) voor de geleiderails: klasse van kerend vermogen en intensiteitsindexen van de afscherming; eventuele gewichtslimieten van de afscherming; maximale zijdelingse positie van het buitenste wiel dat de weg in zijdelingse richting verlaat, operationele breedte of andere parameters die gekoppeld zijn aan de vervorming van het systeem met verwijzing naar de botsing van het zware voertuig en eventueel van het lichte voertuig; maximale dwarse omvang; dwarse omvang aan de basis en aan de top; maximumhoogte; 22 minimale plaatsingslengte; b) voor de botsingdempers: typologie (met/zonder kerend vermogen); prestatieklasse en klasse van ernst van de botsing; breedte van de demper (ten opzichte van de breedte van het obstakel); totale lengte van de demper (omvang); c) voor de speciale elementen: functionele typologie (energieabsorberend of niet-energieabsorberend); kenmerk (eenrichting/tweerichting; begin/eind): prestatieklasse en klasse van ernst van de botsing; totale lengte van het element (omvang); minimale lengte van de uit staalplaat en beton bestaande afscherming. De ontwerper van de plaatsing van de afschermende constructies kan bovendien andere parameters aangeven die als onontbeerlijk worden beschouwd, of voor de veiligheid of omdat ze noodzakelijk zijn voor het ontwerp, uitsluitend op voorwaarde dat hij de noodzaak ervan aantoont in verband met de specifieke gebruiksvoorwaarden ervan en dat ze kunnen worden afgeleid uit de documentatie die wordt overgelegd ter staving van de aanvraag van een CE-markering van de producten, met inbegrip van de proefverslagen en de handleidingen. DE DIRECTEUR-GENERAAL (Ir. Sergio Dondolini) 23