Journalistieke versus commerciële belangen

advertisement
___________________________________
___________________________________
Journalistieke versus commerciële belangen
Het Overlegcentrum organiseerde in april van het
voorbije academiejaar een workshop met de titel
'Journalistieke versus commerciële belangen'. Dat
thema was en is bijzonder actueel. Omdat de
publieke opinie in belangrijke mate gevormd wordt
door wat mensen via de media vernemen is het van
belang dat journalisten zich vakkundig van hun
taak kunnen blijven kwijten. Zeker in tijden van
crisis zoals tijdens de Dutroux affaire en de dioxinecrisis is de ethische verantwoordelijkheid van
de pers bij het verzekeren van accurate en
genuanceerde informatie cruciaal.
Sinds de zestiger jaren is de ideologische
invloed van wat men traditioneel `de zuilen' noemt,
teruggeweken. Kranten en weekbladen gingen zich
pluralistischer opstellen en journalisten kregen in
ideologisch opzicht meer vrijheid. Parallel met
deze evolutie zagen uitgevers van de geschreven
pers zich echter verplicht om steun te zoeken bij
financiële groepen voor de zware investeringen in
informatisering en gesofisticeerder drukpersen.
Rond diezelfde periode ontstonden naast de publieke radio en televisie commerciële audiovisuele
media die bij hun ontwikkeling een beroep deden
op diezelfde financiële groepen. Deze gebeurtenissen hebben ertoe geleid dat de economische controle op de media sterk geconcentreerd
raakte. Lopen de commerciële belangen van de
investeerders volkomen parallel met de professionele belangstelling van de journalist? Zijn met
andere woorden journalistieke en commerciële
belangen met elkaar in conflict of niet?
Zolang het grote publiek interesse toont voor
accurate en genuanceerde berichtgeving, impliceert commercialisering niet per se een tirannieke
bevoogding. Wat echter als het publiek enkel ingaat
op simplistische en sensationele geschiedenissen
over het privéleven van gezagsdragers of over
curieuze wendingen in het leven van bekende
mediafiguren? Wat als het brede publiek niet
geïnteresseerd is in complexe gebeurtenissen van
maatschappelijk belang? Dat was de vraag waarover werd gedebatteerd met onder andere Dirk
Achten, Clifford Christians, Herman De Dijn, Pol
Deltour, Mark Fackler, Cas Goossens, Leo Hellemans, Kaarle Nordernstreng, André Oosterlinck,
Toon Osaer, Koen Raes, Keith Roe, Jan Servaes,
Carlos Steel, Luc Van Der Kelen, Hubert Van
Humbeeck, Erik Van Leeuw, Dirk Van Mechelen
(huidige minister van Economie, Media en Ruimtelijke Ordening in de Vlaamse Regering), Peter
Vandermeersch, Toon Vandevelde, Geert Vanhecke, Johan Verstraeten, Dirk Voorhof, Robert
White en de medewerkers van het Overlegcentrum.
In deze bijdrage leest u wat er werd besproken.
INLEIDING
André Oosterlinck
Als rector van deze Universiteit heet ik u hartelijk
welkom op dit symposium over de verhouding
tussen journalistieke en commerciële belangen.
Zoals de meesten onder u weten, ben ik persoonlijk
erg begaan met de uitbouw van goede journalistiek
omdat ik bekommerd ben om de kwaliteit van de
ideeën die in onze nationale en internationale
samenleving circuleren.
“Civilized society” werd in het befaamde
Hutchinsrapport, A Free and Responisble Press
(Chicago Ill., The University of Chicago Press,
1947) omschreven als “a working system of ideas.
It lives and changes by the consumption of ideas.
Therefore, it must make sure that as many as
possible of the ideas which its members have, are
available for its examination. (...) Valuable ideas
need the chance to develop through free criticism as
well as the chance to survive on the basis of their
ultimate worth.” (p. 6) Terwijl aan instellingen
zoals onze universiteit ideeën worden gevormd,
gevalideerd en doorgegeven is de pers ervoor
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 91
___________________________________
verantwoordelijk dat ideeën, meningen en gezichtspunten aan het grote publiek kenbaar worden gemaakt zodat ze het voorwerp kunnen worden van
reflectie, dialoog en besluitvorming. De ketting die
door deze uitwisseling van ideeën wordt gevormd
is echter maar zo sterk als haar schakels. Feiten,
ideeën en reflectie hebben slechts een vruchtbare
uitwerking in de mate dat zij ook door de pers in de
bloedbaan van onze samenleving worden opgenomen.
Een democratie veronderstelt een geïnformeerde
en kritische publieke opinie. Als in de pers voornamelijk aandacht wordt besteed aan sensationele,
prikkelende, triviale en misleidende berichten, is
dat geen goede zaak voor onze democratie. Dat is
de reden waarom ik in mijn openingsrede van het
academiejaar 1997-98, Het gewapende woord een
lans heb gebroken voor de uitbouw van een verantwoordelijke pers. Het doet me in die zin genoegen
tal van journalisten, academici en verantwoordelijken te mogen verwelkomen.
Bijzonder welkom zijn de professoren die als
Hooverfellows onze gasten zijn. Het zijn Clifford
Christians, Mark Fackler, Kaarle Nordenstreng en
Robert White. Ik kan u verzekeren: we zijn in goed
gezelschap om na te denken over een netelige
kwestie: de vraag of journalistieke belangen al dan
niet door commerciële belangen in het gedrang
komen en hoe daaraan kan worden verholpen.
De spanning die er bestaat tussen journalistieke
en commerciële belangen lijkt niet meer over het
hoofd te worden gezien, zeker niet door journalisten. Een tijdje geleden las ik hoe in een bijlage
van De Standaard de hoofdredacteur zichzelf
openlijk de vraag stelde: Laten commerciële belangen de pers wel toe haar rol te spelen? waarop hij
antwoordde: “Elke hoofdredacteur heeft aan zijn
muur een grafiek hangen met de verkoop van zijn
blad. Het gevaar bestaat dus dat de waakhond
vooral op zoek gaat naar brokken nieuws die goed
verkopen. Een moord in Beernem dreigt voorrang
te krijgen op een technische discussie over de uitbreiding van de Navo.”
___________________________________
Als ik dit antwoord goed interpreteer — de heer
Vandermeersch kan me straks corrigeren — wordt
bedoeld: “een hoofdredacteur wordt gedwongen
een evenwicht te vinden tussen het creëren van een
goed product en het creëren van een goed
verkopend product.” Idealiter zouden beide soorten
producten moeten samenvallen, maar dat blijkt niet
altijd het geval te zijn. Om zich daarvan te
vergewissen volstaat het de verkoopcijfers te
bekijken van kranten die liever rapporteren over
een moord in Beernem en de cijfers van kranten die
een ingewikkeld dossier samenstellen over de
uitbreiding van de Navo.
Ook Jos Bouveroux van de radionieuwsdienst
leek dezelfde mening te zijn toegedaan wanneer hij
vorig jaar in zijn reactie op mijn rectorale rede
schreef dat hij het eens was met mijn uitgangspunten, maar oneens met de voorgestelde remedies.
Ik zou te weinig zijn ingegaan op “de economischfinanciële oorzaken.” Het zou volgens hem beter
zijn geweest indien ik een felle aanklacht zou
hebben geformuleerd tegen (ik citeer) “de Europese
en Belgisch/Vlaamse overheden die in de afgelopen
jaren — ook in de media — economische deregulering en liberalisering hebben toegelaten en zelfs
gepropageerd.” (DS, 8-10-97, p. 14).
Vorige week maandag las ik echter een opiniestuk van de heer Thomas Leysen, voorzitter van
het directiecomité van de Vlaamse Uitgeversmaatschappij, waarin, niet onverwacht, een
ander standpunt wordt verdedigd. Hij schrijft: “Ik
stoor me vooral aan de visie dat juist door die
commerciële druk de kwaliteit er de jongste jaren
noodzakelijkerwijze op achteruitgegaan zou zijn.
Wellicht hebben bepaalde bladen hun niveau verlaagd, maar daartegenover staan de meeste andere
die betere kranten werden.” (DS, 22-3-99, p. 14.)
De inhoud van kranten is inderdaad gevarieerder
geworden om preciezer in te spelen op de behoeften van verschillende bevolkingsgroepen en de
opmaak is ook vaak aantrekkelijker.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 92
___________________________________
De kwaliteit en de aard van de berichtgeving
zelf is echter sterk ongelijk. Communicatiewetenschappers spreken van een dualisering: terwijl zich
aan de ene kant een `tabloïdisering' doorzet zou
Vlaanderen slechts een drietal kwaliteitskranten
tellen. De hamvraag is natuurlijk: wat is kwaliteit
en het is niet toevallig dat de heer Leysen de
criteria voor die bepaling in zijn opiniestuk wil
hertekenen.
Leysens bedenkingen kunnen niet verhelen dat
commerciële motieven wel degelijk ethische regels
kunnen doorkruisen. Het volstaat om te herinneren
aan de berichtgeving over de viervoudige
zelfmoord in Kasterlee. Of de journaliste haar
deontologische code tijdens en na het interview of
bij het schrijven van haar artikel te buiten is gegaan
of niet daar kan over gediscussieerd worden, maar
dat via de radio loeihard reclame werd gemaakt
voor dit nummer, was bijzonder pijnlijk en dat kan
niemand verantwoorden. De kritiek van collega De
Dijn en van Koen Raes op deze commerciële
advertentie was mijns inziens meer dan terecht.
Het is hier niet meteen de plaats om de remedies
die ik in mijn rectorale rede tegen dit soort berichtgeving heb voorgesteld opnieuw uitvoerig te
bespreken, maar ik wil ze toch kort in herinnering
brengen. Wat er mijns inziens nodig is, is:
1) een mentaliteitswijziging die aanleiding moet
geven tot meer intellectuele eerlijkheid en voorzichtigheid onder alle journalisten, en die ervoor
moet zorgen dat er meer respect voor de privacy en
minder sensationele berichtgeving ontstaat,
2) meer zelfregulering en daarbij dacht ik niet alleen
aan de ontwikkeling van een ethische code, maar
ook aan de oprichting van een Perscommissie naar
analogie met de Bankcommissie. Die commissie
waarin naast journalisten ook andere experten
worden opgenomen, zou erop moeten toezien dat er
criteria worden uitgewerkt voor verantwoorde berichtgeving. Die commissie, zo stelde ik, zou ook
sancties moeten kunnen treffen. Ik ben er namelijk
van overtuigd dat de concurrentiesfeer waarin
journalisten
thans
moeten
werken
de
zelfregulerende werking van een deontologische
code vleugellam maakt. Hoe kan een journalist als
___________________________________
individu zich immers verzetten tegen de
maatregelen die hem door een commercieel gedreven directie worden opgelegd?
3) in laatste instantie zouden er tenslotte ook
gerechtelijke stappen moeten kunnen worden
ondernomen.
Ik weet het: de maatregelen die ik heb voorgesteld, konden niet rekenen op veel bijval bij de
journalisten. Dat had ik trouwens ook niet meteen
verwacht. Journalisten zijn als de dood voor externe
inmenging, hetzij van een perscommissie en zeker
van de gerechtelijke overheid. Het eerste wat
persmensen willen veilig stellen is hun absolute
onafhankelijkheid. Ik heb daar begrip voor. Er
bestaat trouwens in universitaire middens ook
zoiets als academische vrijheid. Het punt is echter
dat als die vrijheid en die onafhankelijkheid een
alibi worden om in te stemmen met commerciële
motieven die ingaan tegen journalistieke idealen
deze principes hun absoluut karakter verliezen.
Het is niet het moment om de discussie van een
jaar geleden opnieuw over te doen. Onder ons zijn
externe experten waarvan we verwachten en hopen
dat ze ons inzichten zullen bieden om een ethisch
verantwoorde alternatieve koers te varen.
OPZET VAN DE WORKSHOP: DRIE VRAGEN
Error! Reference source not found.Bart Pattyn
Om het gesprek in goede banen te leiden, hebben
we ervoor geopteerd de interventies van onze sprekers te structureren rond drie concrete vragen die ik
kort toelicht:
1) Zoals uit de inleiding van de rector is gebleken, is niet iedereen het erover eens dat commerciële druk de kwaliteit van de berichtgeving
schaadt. Om beter te kunnen inschatten of en hoe
commerciële belangen de journalistieke belangen
kunnen schaden, lijkt het noodzakelijk de domeinen
en de mechanismen van deze beïnvloeding aan de
hand van concrete voorbeelden te illustreren.
Daarom de eerste vraag: Vormt commercialisering
inderdaad een bedreiging voor de kwaliteit van
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 93
___________________________________
onze berichtgeving?
2) De tweede kwestie heeft betrekking op wat in
de inleiding van de rector de hamvraag werd
genoemd. Wat is kwaliteit? Heeft het te maken met
het fris, prettig en adequaat inspelen op de
preferenties van mensen? Of kan kwaliteit ook op
een andere manier worden gedefinieerd? Sinds de
tachtiger jaren is het meer en meer gebruikelijk
geworden kwaliteit in verband te brengen met
cijfers. In verschillende sectoren van onze samenleving werd een economisch taalgebruik gehanteerd
in domeinen waar dat oorspronkelijk niet thuishoorde. In culturele verenigingen, in de gezondheidszorg, in de onderwijswereld, in de vakverenigingen en zelfs in sommige kerkgemeenschappen werd gedacht in termen van klanten,
producten en producenten, werkgevers en
werknemers. Kwaliteit werd vereenzelvigd met de
mate waarin er vraag naar iets is. Kwaliteit zou
kunnen worden vereenzelvigd met handelswaarde.
vroeger over de kwaliteit van het menselijk
verlangen erg expliciete en moraliserende oordelen
werden geveld, worden preferenties vandaag
beschouwd als een in moreel opzicht neutraal
gegeven waarvan het nastreven niet kan worden
veroordeeld in die mate het geen schade toebrengt
aan andere mensen. Wie spreekt over een soort
kwaliteitsstandaard die waardevol is op zich, wordt
snel verweten elitaire en bevoogdende denkbeelden
te verdedigen.
Indien men niet langer de macht van het getal
als criterium wil aanwenden, moet men een alternatief evaluatiemechanisme kunnen bieden dat
toelaat dit soort berichtgeving wél en een ander
soort berichtgeving niet kwaliteitsvol te noemen.
3) De derde vraag spreekt opnieuw voor zich:
Hoe kan men de negatieve gevolgen van commerciële belangen inperken? Ik geef nu graag het
woord aan Clifford Christians.
___________________________________
EEN PLEIDOOI VOOR `PUBLIC JOURNALISM'
Clifford Christians
[University of Illinois at Urbana-Champaign, USA.
Clifford Christians en één van de volgende sprekers, Mark Fackler zijn de auteurs van MediaEthics: Cases and Moral Reasoning (Fifth Edition,
New York, Longman, 1998) en van Good News:
Social Ethics and the Press (Oxford, Oxford
University Press, 1993). Christians wordt algemeen
beschouwd als dé internationale autoriteit op het
domein van de media-ethiek].
Ik zou me graag beperken tot de tweede vraag:
welke criteria kunnen we aanwenden om te bepalen
wat kwaliteit is? Criteria voor kwaliteit kunnen
mijns inziens niet gevonden worden zonder
rekening te houden met diegenen voor wie de door
de media geboden informatie uiteindelijk bestemd
His.
et economisch
taalgebruik
wellicht
populair gewor
Het moet mogelijk
zijnisbetere
berichtgeving
te den omdat h
verzorgen door nauwer aan te sluiten bij de leefwereld van het publiek. De prioriteitenlijst voor
nieuwsberichten in kranten, tijdschriften, radio en
televisie zou de prioriteitenlijst van het publiek
moeten weerspiegelen: de ideeën en denkbeelden
waarvan mensen aannemen dat ze belangrijk zijn
om te functioneren als burgers. Hoe kunnen we dat
concreet bewerkstelligen? Hoe kunnen we ons
ervan verzekeren dat het publiek ernstig wordt
genomen?
Opiniepeilingen bieden in dit opzicht geen uitkomst. Ze geven schaarse en omwille van doorgaans subjectief geselecteerde vragen, dubieuze
informatie. Ze maken het niet mogelijk om een
genuanceerd beeld te krijgen van de concrete
leefwereld van het publiek.
Sommigen zullen het wellicht vreemd vinden
dat ik beweer dat in de actuele pers het publiek niet
ernstig wordt genomen. Velen zijn er immers van
overtuigd dat wanneer de producer en de
hoofdredacteur rekening houden met de verkoopcijfers van hun producten, uit deze cijfers af te
leiden valt wat het publiek prefereert.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 94
___________________________________
Zo weet de programmamaker aan welke programma's en aan welke informatie het publiek de
voorkeur geeft. Als het programma niet bevalt, zapt
de consument immers van het televisienieuws weg
of, als hij de inhoud van een krant niet interessant
genoeg vindt, koopt hij een andere. Kijkcijfers en
verkoopcijfers leren ons met andere woorden wat
het publiek nodig heeft. De commerciële logica
noopt producers en uitgevers er vanzelf toe het
publiek te geven wat het wil.
Ik vind dit een misvatting en ben ervan overtuigd dat ook deze strategie geen uitkomst biedt.
Wat mensen in hun concrete bestaan bezighoudt,
valt niet noodzakelijk samen met datgene waar ze
bij het lezen van een krant spontaan hun oog op
laten vallen. Wat aangenaam is om naar te kijken,
wat verstrooiing brengt of doet dagdromen heeft
niet meteen te maken met datgene waar je werkelijk
om geeft, datgene waarover je je werkelijk zorgen
maakt.
De vraag blijft dan ook overeind: Hoe kunnen
we nagaan wat het publiek werkelijk nauw aan het
hart ligt? Hoe kunnen we datgene leren kennen
waar mensen werkelijk om geven? Journalisten van
hun kant gaan er vaak vanuit dat ze vanzelf afdoende rapporteren over wat het publiek aanbelangt
wanneer ze hun vak volgens de regels van de kunst
beoefenen. Professionele vakbekwaamheid is
echter niet voldoende. Het volstaat niet dat de journalist voldoende kwaliteitszorg aan de dag legt. In
plaats van zich boven het `gewone volk' te wanen
moet de journalist zijn publiek benaderen als een
kompaan of een lotgenoot. Mensen die onderwijs
verlenen in onze scholen, mensen die hun kinderen
opvoeden, mensen die medische zorg verstrekken,
vormen geen `domme' passieve massa die het
nieuws slikt zoals het hen `van boven uit' geboden
wordt. Journalisten moeten zich in die zin laten
leiden door een ethiek van respect voor ieders menselijke waardigheid wat veronderstelt dat ze de meningen van hun lezers en toeschouwers
bloedernstig moeten nemen.
___________________________________
De stimulus-responsopvatting in de communicatietheorie, waarbij journalisten zouden bepalen wat
de stimuli zijn en hoe die zo effectief mogelijk
moeten worden overgedragen naar een publiek dat
die stimuli passief zal accepteren, wordt heden ten
dage door iedereen die iets te maken heeft met
communicatietheorie, in Europa, in Amerika of
Afrika, waar je ook kijkt, beschouwd als erg simplistisch. Binnen de actuele communicatiewetenschap huldigt men een interactieve wijzen van
denken. De bepaling van wat belangrijke informatie
is, komt nooit eenzijdig tot stand. Het is het
resultaat van een dialoog waarbij mensen van
elkaar leren en samen uitmaken wat er ons te doen
staat. Een ethiek van respect voor menselijke waardigheid en de interactieve opvatting over communicatie veronderstellen dat journalisten veel meer
tijd in de gemeenschap zouden moeten doorbrengen dan ze gewoonlijk doen, te oordelen naar mijn
eigen ervaring in Noord-Amerika.
In Europa, Canada, de Verenigde Staten is er in
dit verband een beweging ontstaan binnen de journalistiek waarbij men streeft naar kwaliteit door
beter te luisteren naar wat het publiek te zeggen
heeft. Dat gebeurt op een complexere, gelaagdere
manier dan we gewoon zijn. In plaats van enkel
meningen te verzamelen is het de bedoeling te komen tot een dialoog tussen journalist en publiek,
een debat waaruit een betere prioriteitenlijst valt af
te leiden wanneer het erop aan komt de politieke
berichtgeving te verzorgen of aandacht te schenken
aan opvoedingskwesties.
Ik pleit dus voor `Public journalism', voor een
ethiek van de menselijke waardigheid, meer dan
voor een professionele ethiek. Als academicus is
dat ook de weg die ik wil volgen. Als intellectueel
probeer ik me niet alleen te engageren in auditoria
en in het academisch milieu. Ik probeer in kerken
en scholen, vrijwilligersorganisaties en buurtwerk
mensen helpen om in dialoog met elkaar na te gaan
wat belangrijk is, eerder dan aan te nemen dat ik de
autoriteit ben die weet waar het om gaat en die dat
moet overbrengen.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 95
___________________________________
Een deel van het antwoord op de vraag wat is
kwaliteit moet dus naar mijn oordeel gezocht
worden in een dialoog waarin het publiek expliciet
wordt betrokken.
COMMERCIËLE DRUK EN UNIFORMISERING
Kaarle Nordenstreng
[University of Tampere, Finland. Kaarle Nordenstreng, aanvankelijk zelf een journalist is thans
hoogleraar Communicatiewetenschappen en Journalistiek aan de universiteit van Tampere. Hij was
samen met Laura Hannikainen de redacteur van
The Mass Media Declaration of UNESCO (Norwood
(N.J.) Ablex, 1984, 475 p.) Samen met Wolfgang
KLEINWACHTER was hij editor van Human Rights,
Communication and Culture (Tampere, University
of Tampere, 1989, 113 p.). In 1995 verzorgde hij
een speciaal nummer van de European Journal of
Communication over media-ethiek (London, Sage)
en Reports on Media Ethics in Europe. (Tampere,
University of Tampere, 1995).]
Laat me ingaan op de eerste vraag: `Of er in de
journalistiek zoiets bestaat als economische druk?'.
Ik zal daarbij niet mezelf citeren, maar een meer
gezaghebbende Europese bron, namelijk The
Economist. Ik heb het hoofdartikel van 4 juli van
vorig jaar voor me liggen met de titel: “Here is the
news”. Het betreft een speciaal nummer gewijd aan
de ontwikkelingen in de media en in Europa. Het
artikel stelt dat in het nieuws een verschuiving
plaatsvindt van nieuws over buitenlandse zaken
naar binnenlandse bekommernissen, van `politiek'
naar `human interest', van `kwesties' naar `mensen',
van `reportages over regeringen en staatsinstellingen' naar `ondernemingen en milieu' enzovoort, met
andere woorden, van `het publiek domein en de
politiek' naar `het private domein en consumenten'.
Ik wil ook enkele fragmenten uit een ander artikel
uit dat speciaal nummer: “The News Business” met
u delen: het nieuwsbedrijf was een praktijk maar nu
is het een industrie geworden. Persagentschappen
zijn schapen geworden. In elke andere industrietak
___________________________________
zorgt onderlinge concurrentie ervoor dat bedrijven
hun producten differentiëren, maar in de
nieuwsindustrie lijkt de concurrentie redactieverantwoordelijken er niet toe aan te zetten iets nieuws
en interessants te vinden, althans volgens The
Economist. Deze observatie staat niet op zichzelf;
in elk land zien we dat kranten en televisiestations
meer en meer dezelfde verhalen weergeven. In die
zin: er bestaat wel degelijk commerciële druk.
De impact van commerciële op journalistieke
belangen vormt echter niet langer zo'n controversieel onderwerp als in de jaren zeventig toen er ook
een politieke tegenstelling bestond tussen kritisch
links en pro-business rechts. Tegenwoordig is de
toestand meer confuus waarbij er in meerdere of
mindere mate een politieke consensus kan worden
opgemerkt omtrent een mild kritisch oordeel over
de richting die de media uitgaan. Zeggen: “Ja er is
een commerciële bedreiging” is ook begrijpen dat
de media zowel kwalitatief als kwantitatief een erg
belangrijke macht zijn in de samenleving, vooral
als je de media in verband brengt met de telecommunicatiesector.
Onder communicatiewetenschappers, mediaspecialisten en economisten bestaat een ruime consensus over het feit dat er zoiets bestaat als een concentratie van media en communicatie-industrie.
Concentratie is echter maar een deel van het
verhaal, er is ook de diversificatie van het veld.
Men stelt vast dat er zich een zekere graad van
flexibiliteit en pluralisme voordoet, tenminste voor
wat zenders betreft. Volgens mediastatistieken zijn
er immers meer en meer onafhankelijke bedrijven.
Het echte probleem is evenwel niet het aantal
zenders en onafhankelijke stemmen. Wat als
problematisch wordt ervaren is de onderliggende
marktlogica.
Ook al wordt het aan de bedrijven die participeren in brede financiële structuren toegestaan een
relatief autonome koers te varen, de marktlogica
draagt ertoe bij dat de producten die ze creëren
weinig van elkaar verschillen. De onderliggende
commerciële, of om het lelijke woord te gebruiken,
kapitalistische logica maakt hun producten meer en
meer uniform. De problemen die verband houden
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 96
___________________________________
met concentratie en commercialisering zijn het
gebruik van de media voor de politieke doeleinden
van hun eigenaars, het kritiekloos volgen van de
dominante maatschappelijke stromingen, de promotie van eigen communicatieproducten en –
diensten en het toenemende vertrouwen dat wordt
gesteld in bekende personaliteiten, niet alleen in
praatprogramma's maar zelfs in het nieuws. Hoewel
het technisch mogelijk is om meer nieuws en meer
opinies over te brengen, is het loutere bestaan van
de media geen waarborg voor pluralisme van de
berichten, dit wil zeggen verscheidenheid in gezichtspunt. De meeste studies tonen aan dat verschillende onderdelen van een medium geneigd zijn
een nagenoeg gelijkaardige berichtgeving te brengen als gevolg van commerciële belangen, met
name: het toepassen van standaardnormen en
zakenpraktijken en de afhankelijkheid van een
beperkt aantal nieuwsbronnen.
Wat de derde vraag betreft, over wat kan en
moet gedaan worden. Het lijkt me belangrijk dat er
plaatsen worden gecreëerd waar journalisten,
academici en mensen uit het media-onderwijs op
een ernstige manier en vrij van politieke en morele
druk met elkaar kunnen debatteren over de goede
werking van de media. Dergelijke plaatsen zijn er
voorlopig nog veel te weinig.
In Finland hebben we de laatste tijd met vrij
groot succes beroepsjournalisten en academici
uitgenodigd om samen te werken aan een jaarboek
van de journalistiek en ik kan dit aan de andere
Europese collega's aanbevelen. Vorige zomer
hebben wij met een mediagroep de krachten
gebundeld om een Europees platform voor media
en kritiek op te richten. Ondanks de commerciële
druk en ondanks onze ontoereikendheid in het
definiren van wat kwaliteit precies inhoudt, blijkt
het wel degelijk mogelijk om tegenwerk te geven.
Er zijn in die zin geen redenen om cynisch te worden. Er kan gekozen worden voor een constructieve
aanpak en het uitbouwen van een Europees netwerk
waar ervaringen samenkomen vanuit verschillende
delen van Europa.
EEN BLIJVEND GEMISTE KANS
___________________________________
Mark Fackler
[Calvin College, Grand Rapids, Michigan, USA
voor bibliografie zie Clifford Christians]
Sommigen zullen het ironisch vinden dat een
Amerikaan naar België komt om te spreken over
commerciële invloed in de media, want als er één
mediasysteem is dat kan dienen als een voorbeeld
voor commerciële uitwassen is het wel het onze.
Wij denken vaak over het tv-journaal als de verpakking rond de commerciële boodschappen want
per slot van rekening dienen nieuwsflarden om de
adverteerders een publiek te bezorgen. Toch
verzeker ik jullie dat er ook bij ons mensen zijn die
jullie bezorgdheid hierover delen. Misschien zal
deze internationale dialoog ons in staat stellen
vooruitgang te maken, daar ben ik van overtuigd.
Eén van de belangrijkste speeches die ooit over dit
onderwerp werden gehouden in Amerika kwam
recht uit het hart en brein van de pasbenoemde
voorzitter van de federale communiatiecommissie,
die federale instelling die toezicht houdt op de
omroepen in de Verenigde Staten. Dat was in
1961, toen John F. Kennedy net president was
geworden. Ondanks de Koude Oorlog tussen de VS
en de Sovjetunie, was er een klimaat van optimisme. Voorzitter Newton N. Minow sprak tot een
groep mediaprofessionals, zoals u. Hij prees hen
voor hun idealen en hun harde werk en dan deed hij
het publiek versteld staan door hun medium, televisie, een immens wasteland te noemen. Het ging
naar zijn oordeel niet zomaar om een medium dat
kampt met moeilijkheden, of een medium dat hier
en daar enkele aanpassingen nodig heeft, maar een
verloren kans voor de natie, een verspilling, een
tragedie als je bedenkt wat televisie zou kunnen
betekenen in het leven van de mensen. Deze
uitdrukking, a wasteland, is een cliché of een
slogan geworden voor een televisiesysteem dat
wordt voortgedreven door tegenstrijdige commerciële belangen en de verkoop van commerciële
zendtijd en –ruimte. Enkele jaren geleden
publiceerde Minow, nu op pensioen, een bijgewerkte versie. De titel van zijn boek is: Abandoned
in the Wasteland (New York, Hill & Wang, 1996).
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 97
___________________________________
Volgens hem is er niets veranderd gedurende 38
jaar. Hetzelfde kan gezegd worden in verband met
het Hutchinsrapport, dat rector Oosterlinck
citeerde: het heeft geen impact gehad op de media.
Het kreeg wat aandacht in enkele kranten en werd
dan vergeten. Commerciële belangen zijn sterk en
eens ze gelden lijkt niemand in staat om journalistiek terug te brengen naar haar oorspronkelijke
missie.
De vraag is: wat kunnen we doen om de commercile invloed in de journalistiek te beperken? Ik
zou deze vraag willen beantwoorden op drie
niveaus: eerst en vooral moeten we erkennen dat
commerciële invloed bij het creëren van audiovisuele producten geen nieuw probleem is. Toen ik
door België reisde, kwam ik onder de indruk van
het vakmanschap en de geesteskracht van de
Vlaamse schilders in de Middeleeuwen. Ik stond
lang stil bij hun werk en bewonderde hun zin voor
detail en verfijning. Als producenten van de beste
visuele producten van hun tijdperk werden deze
kunstenaars vorstelijk beloond. En misschien is het
niet onmogelijk hen te vergelijken met George
Lucas of Steven Spielberg in onze tijd. Creatief
genie en professionele vaardigheid gaat vaak
gepaard met commercieel succes. Beide kunnen
niet gescheiden worden.
De erkenning dat professionele inzet onvermijdelijk commerciële implicaties heeft, brengt met
zich mee dat de journalist altijd een evenwicht zal
moeten vinden tussen enerzijds de zakenbelangen
van zijn of haar maatschappij en anderzijds zijn
professionele verantwoordelijkheid om het nieuws
eerlijk en volledig te brengen, zonder angst en
zonder partijdigheid. Op dit niveau zijn bedrijfspolitiek en professionele codes belangrijk en deze
moeten ook op regelmatige tijdstippen onderzocht
worden op hun actualiteit om er zeker van te zijn
dat ze de journalisten aanzetten tot begrip voor
zakenbelangen en respect voor de lezers en kijkers.
___________________________________
Op een tweede niveau hebben we behoefte aan
een duidelijk begrip van de missie van de hedendaagse journalist. De inhoud van die missie komt
doorgaans tot uitdrukking in het kader van de
gangbare maatschappelijke visie of de publieke
filosofie die in een samenleving opgang maakt. De
publieke taakomschrijving van de journalist is met
andere woorden gelieerd aan het publieke discours
waarin allerhande opvattingen over wat
maatschappelijk belang heeft gestalte krijgen. Het
is in zekere zin de taak van de filosoof, de sociale
wetenschapper, de historicus om ons te helpen begrijpen wat we bijvoorbeeld vandaag onder
waarheid moeten verstaan of wat schoonheid en
goedheid in het openbaar domein te betekenen
hebben. We hebben misschien de hulp nodig van
specialisten maar we kunnen hen het werk niet voor
ons laten opknappen. In zaken die belang hebben
voor ons samenleven zijn we allemaal filosofen en
antropologen, sociologen en economisten. Dit
tweede niveau is het normatieve niveau; het is
moeilijker om het bespreekbaar te maken en het
vergt inspanningen die geen onmiddellijk zichtbaar
resultaat opleveren. Het veronachtzamen van dit
normatieve niveau heeft kwalijke gevolgen. Het
kan immers op lange termijn onze politieke opties
en onze professionele codes tot dode letter maken.
Het derde niveau betreft de toekomst. Mensen
zij geneigd slechts met die problemen rekening te
houden die zich actueel aandienen. Zo uiten we
thans onze bezorgdheid over commerciële belangen
in de journalistiek, maar misschien is dit probleem
slechts een voorproefje van wat ons nog te wachten
staat. Ik verwijs naar de informatierevolutie
teweeggebracht door de digitalisering, door de
pentium chip en de opslagcapaciteit die het gevolg
is van de digitalisering van informatie, met zijn
dwingend commercieel potentieel. Wanneer ik
voedsel koop, als ik reis, een boek, een paar sokken
of een krant koop, wordt er een aantekening
gemaakt en gegevens opgeslagen.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 98
___________________________________
En al vlug vormen al deze gegevens samen een
statistisch significant patroon dat je kan kopen om
je te helpen om je nieuwsproduct te verkopen of je
kan de informatie doorverkopen aan derden of je
kan het nieuws gaan aanpassen aan de voorkeuren
van je belangrijkste doelgroep of je kan deze schat
aan persoonlijke gegevens gebruiken om de onderzoekskracht van je eigen nieuwsgroep te verhogen.
Het derde niveau om commerciële bekommernissen
aan te pakken moet in die zin niet reactief maar
proactief zijn. Hoe kunnen we de persoonlijke levenssfeer in de toekomst beschermen? Hechten we
genoeg belang aan een publieke filosofie om de
integriteit van het nieuws te waarborgen en de
belangen van de secundaire markten te behartigen?
Om de integriteit van het nieuws te beschermen
moeten er mijns inziens vooreerst professionele
codes worden uitgewerkt en wettelijke beschermingen worden gewaarborgd. Ten tweede moet er
op normatief gebied publiek gedialogeerd en nagedacht worden over basisbeginselen van de actuele
professionele codes zoals: wat moeten we concreet
verstaan onder waarheid, rechtvaardigheid en zorgzaamheid. Ten derde dient men een proactieve
planning te ontwikkelen om het komende
informatietijdperk tegemoet te treden opdat in de
toekomst niemand het medialandschap een
uitgestrekt wasteland hoeft te noemen.
HET VERWEER VAN DE JOURNALIST
Robert White
[Gregorian University, Rome. Samen met Michael
Traber was hij editor van de reeks Communication
and Human Values (Sage Newbury Park, Calif.).
Hij schreef talrijke bijdrage over media-ethiek
waaronder: `Communitarian Ethic of Communication In a Postmodern Age' in Ethical
Perspectives 3 (1996)4, p. 207-218]
___________________________________
Ook ik ben ervan overtuigd dat het conflict tussen journalistieke en commerciële belangen geen
nieuw probleem vormt. Er is altijd commerciële
druk en zelfs politieke druk uitgeoefend op journalisten en andere mediamensen en het ergste dat zou
kunnen gebeuren is dat journalisten daar fatalistisch
aan toegeven en aannemen dat ze daar niets aan
kunnen doen, dat ze dit denkbeeld gaan gebruiken
als een excuus om aan hun professionele
verplichtingen te ontkomen.
Ik lees graag biografieën van journalisten en één
van de dingen die daarbij veel indruk op mij maken, is het feit dat al deze journalisten op een
gegeven moment met het nemen van een of andere
fundamentele beslissing een belangrijke factor zijn
geweest in de geschiedenis van hun land. Soms
hebben ze de uitslag van een verkiezing helpen
bepalen, soms lagen ze aan de basis van opzienbarende onthullingen, soms stelden ze, met
gevaar voor hun eigen welzijn, hypocrisie en
machtsmisbruik aan de kaak. Wat daarbij een belangrijke rol speelde, was dat ze hun geweten
volgden. Journalisten zijn tegenwoordig zo opgetogen over de zogenaamde objectiviteit van hun
beroep en ze vertalen die objectiviteit in het eenvoudig weergeven van de feiten. Tegen deze
stroming in blijf ik beweren dat het belangrijk is dat
de journalist blijft luisteren naar de stem van zijn
geweten om indien nodig moedige beslissingen te
nemen.
Een tweede feit dat me fascineerde bij het lezen
van deze biografieën was dat al deze journalisten
beschikten over een uitzonderlijk onderhandelingstalent. Neem bij voorbeeld het beroemde
Watergateschandaal waar beginnende journalisten
erin slaagden precies door hun onderhandelingstalent hun onthullingen gepubliceerd te krijgen. De gave om te onderhandelen in een organisatie, wat voor positie je in die organisatie ook hebt,
is heel belangrijk om tegen de logica van het
(commerciële) systeem in gestalte te geven aan je
professionele roeping.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 99
___________________________________
Het gevoel voor rechtvaardigheid dat elke journalist in geweten motiveert om onderhandelend
voor zijn idealen op te komen, vertaalt zich vaak
concreet in een streven om verschillende standpunten aan bod te laten komen. Jullie hebben hier
in België een vrij belangrijke minderheid van
immigranten en ik ben ervan overtuigd dat elk van
u gepoogd heeft om hun standpunt weer te geven.
Het artikel over Servië, dat het meest indruk op mij
gemaakt heeft, was een artikel dat het standpunt
van de Serviërs weergaf. Ik wil daarmee helemaal
niet laten uitschijnen dat de Serviërs het bij het
rechte eind hebben, maar wel dat het belangrijk is
alles in zijn historische context te zien en
verschillende standpunten aan bod te laten komen.
Journalisten kampen allemaal met deadlines, gebrek aan tijd en kennis. Ik heb in veel panels
gezeten waar gesproken werd over problemen in de
journalistiek en het komt er vaak op neer dat
journalisten kampen met onwetendheid over het
onderwerp dat ze behandelen. Dit heeft te maken
met de manier waarop een krant georganiseerd is:
vaak is het het personeel niet toegestaan zich
werkelijk op de hoogte te stellen van de dingen
waarover ze schrijven. Net als overal wordt er gekampt met middelmatigheid en gebrek aan kennis.
In de discussie over kwaliteit die hier vandaag
aan de orde is wil ik u allen herinneren aan het
motto dat de BBC huldigde: `It is our duty to make
the good popular and the popular good'. Het vat het
probleem kernachtig samen, ook al biedt het geen
richtlijnen voor een concrete uitwerking. Het zal de
taak zijn van elke individuele journalist om vanuit
zijn persoonlijk geweten, onderhandelend met zijn
oversten, gestalte te geven aan dit ideaal.
___________________________________
HET PUBLIEK ALS DE DERDE FACTOR
Jan Servaes
[KU Brussel, decaan van de Faculteit Politieke en
Sociale Wetenschappen; directeur van het onderzoekscentrum Communication for Social Change
(CSC)]
Om de spanning tussen commerciële en journalistieke belangen toe te lichten lijkt het me nog
steeds gerechtvaardigd om te verwijzen naar wat
men vaak beschouwt als de canon van de normatieve theorieën in verband met de media: het
fameuze boek Four theories of the press (Fredrick
Siebert, Theodore Peterson en Wilbur Schramm,
Urbana, Ill., University of Illinois press, 1984).
Sinds dit boek voor het eerst verscheen in 1956
weet nagenoeg iedereen dat er vier theorieën over
de pers te onderscheiden zijn: de theorie over de
vrijheid van de pers, de sociale verantwoordelijkheidstheorie en dan twee die tegenwoordig een
beetje verouderd zijn, de autoritaire en communistische theorie. [De theorie over de vrijheid van
de pers kwam tot stand op het moment dat individuen het recht op vrije meningsuiting beschouwden als een van de fundamentele burgerrechten en toen men de censuur van de in die tijd
autoritaire overheid bevocht. Op het moment dat
deze theorie ging gelden als een vrijgeleide voor
ongebreidelde commerciële uitbating van mediaimperia in de VS ontwikkelde zich de sociale
verantwoordelijkheidstheorie waarin de nadruk
werd gelegd op de maatschappelijke taak van
uitgevers, journalisten en persmensen bij de
uitbouw van een democratische samenleving.
Toonaangevend was hier ondermeer het Hutschinsrapport waarnaar Oosterlinck en Fackler
verwezen.]
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 100
___________________________________
Zowel de theorie over de vrijheid van de pers
als de sociale verantwoordelijkheidstheorie zijn
sterk gelieerd aan de historische context waarin ze
tot stand kwamen maar je kan ze in de actuele
situatie ook beschouwen als representatieve visies
die de opvattingen van de verschillende actoren van
het mediagebeuren, weerspiegelen. Zo representeert
de theorie van de vrije pers voornamelijk het
perspectief van de uitgever, terwijl de theorie van
de sociale verantwoordelijkheid de rol, de verantwoordelijkheden en de rechten van journalisten in
het daglicht stelt. Naast deze twee gezagvolle theorieën is er de afgelopen tien jaar een derde opvatting gegroeid die men kan karakteriseren met de
term participatieve democratische theorie, een
theorie waarin de functie van het publiek meer tot
zijn recht komt. Deze theorie kan beschouwd
worden als de ontbrekende schakel in de meeste
debatten over dit onderwerp. In de voorbije tien
jaar heeft zich met betrekking tot de media een
verandering voorgedaan die niet alleen academici
maar ook journalistenverenigingen moet interesseren, een verandering die te maken heeft met een
verschuiving van het perspectief van de uitgever
naar het perspectief van het publiek. Terwijl in het
verleden de alliantie tussen uitgevers en journalisten werd gebaseerd op hun gemeenschappelijk
verzet tegen inmenging van overheidswege zien we
nu een nieuw bondgenootschap ontstaan tussen de
journalist en de geëngageerde, kwaliteitsbewuste
burger. Als symptoom van deze beweging wil ik
verwijzen naar het `people's communication
charter' (cf. http://rrr.dds.nl/pcc/) dat nu ondertekend is
door een aantal niet-gouvernementele organisaties
zowel in Europa als erbuiten. Het charter bestaat uit
meer dan 18 artikelen. Eén van de centrale thema's
in dit charter is het verband tussen communicatie en
mensenrechten en de veronderstelling dat mensenrechten fundamenteel zijn voor de discussie over
communicatie. Een tweede centraal thema is het
idee dat de communicatie-infrastructuur deel
uitmaakt van het publieke domein. We moeten het
beschouwen als een deel van onze gemeenschappelijke erfenis en dat brengt ons bij een derde
thema, dat te maken heeft met eigendomsrecht. Er
___________________________________
wordt nadruk gelegd op het belang van de
verscheidenheid van ownership resources en dit is
een argument tegen monopolies, zowel monopolies
van het publiek als van particuliere belangengroepen. Een ander belangrijk punt in dit
charter is autonomie en ik denk dat dit punt een
goede vertrekbasis biedt om hier opnieuw te verwijzen naar de discussie over kwaliteit.
De hamvraag die resulteert uit het nieuwe
bondgenootschap is hoe kan de journalist rekening
houden met het gezichtspunt van het publiek? Clifford Christians liet terecht blijken dat opiniepeilingen of kwantitatieve analyses hier op korte termijn
geen oplossingen bieden. Je moet dieper gaan en je
moet journalisten de gelegenheid geven om
autonoom dit engagement waar te maken.
Een ander punt in het charter betreft de verantwoordelijkheid van de pers. Journalistiek brengt
niet alleen rechten met zich mee maar ook verantwoordelijkheden waaronder de verantwoordelijkheid om kwaliteit te waarborgen.
Nu zou ik ten behoeve van onze buitenlandse
gasten iets dieper willen ingaan op de Vlaamse
situatie. Typisch voor onze samenleving is dat ze
zich tot voor kort op een sterk verzuilde manier
heeft ontwikkeld. Nu ben ik de eerste om te erkennen dat de `verzuiling' teruggeweken is en dat het
terugschroeven ervan in bepaalde sectoren vlugger
verliep dan in andere, maar in de mediasector zijn
er nog steeds overblijfselen van ook al zijn ze niet
altijd expliciet zichtbaar. In crisismomenten echter,
en ik denk aan wat zich zal aandienen na de
verkiezingen van 13 juni, zullen we ongetwijfeld
opnieuw geconfronteerd worden met sommige van
deze overblijfselen.
Een tweede gegeven dat de Vlaamse media doet
verschillen heeft te maken met het ownershipprobleem. In de wetgeving van vele landen
bestaan er verordeningen die beletten dat een
maatschappij in één mediasector bedrijven in een
andere mediasector opkoopt. In België bestaat dit
niet, ik zou zelfs durven beweren dat concentratie
er in de hand wordt gewerkt en dat is een reden tot
grote bezorgdheid.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 101
___________________________________
Een derde gegeven dat de situatie van de media
in Vlaanderen onderscheidt van die in andere
landen heeft te maken met de manier waarop de
commerciële televisie werd geïntroduceerd. Het
kostte de toenmalige coalitie van christen-democraten en liberalen tien jaar om te starten met een
tweede, commerciële zender en vreemd genoeg was
het invoeren van deze zender meer het gevolg van
politieke dan van economische druk. Natuurlijk
hebben op bepaalde momenten economische
belangengroepen en media en de reclamejongens
hun krachten gebundeld en één van de resultaten
hiervan is dat de commerciële zender voor een
periode van 18 jaar een reclamemonopolie gekregen heeft. Ik ben van mening dat een groot deel van
de commercialisering waar we vandaag mee
geconfronteerd worden, daar zijn oorsprong vindt.
Het oorspronkelijke idee was meer diversiteit te
creëren, of in politieke termen een objectievere
verslaggeving mogelijk te maken maar we moeten
helaas onder ogen zien dat er een totaal verschillend systeem is ontstaan dat meer beïnvloed wordt
door commerciële belangen dan door journalistieke, al springt dat in nieuwsuitzendingen
minder in het oog dan in bij voorbeeld talkshows of
human interestprogramma's.
DE MACHT VAN BROODHEREN
Koen Raes
[RU Gent, vakgroep Grondslagen en geschiedenis
van het recht. Recente publikaties: Wetten in
opspraak: een ethische kijk op het recht (Brussel,
Koning Boudewijnstichting, 1998); Tegen betere
wetten in: een ethische kijk op het recht (Gent,
Academia press Gent, 1997); Het Moeilijke Ontmoeten (Brussel, VUB Press, 1997)]
Het lijkt me belangrijk te erkennen dat het soort
discussie dat we vandaag hebben heeft bestaan zo
lang de media bestaan. Ik weet in ieder geval dat er
een heleboel films over commercialisering, over
kwaliteit en over de verantwoordelijkheid van de
pers werden gemaakt en daaruit kan men afleiden
dat over dit probleem reeds geruime tijd een
dialoog op gang is gekomen waarin wordt getracht
___________________________________
te expliciteren wat de media moeten doen.
Ik zal een antwoord geven op de eerste en de
derde vraag. Mijn antwoord op de eerste vraag is
ietwat provocatief: reclame is de belangrijkste
boodschap in alle media omdat ze alle andere boodschappen betaalt. Het zou vreemd zijn te veronderstellen dat deze commercialisering geen invloed
heeft. Ik denk dat we ons ervan bewust moeten zijn
dat, zelfs bij de nationale omroep, de media meer
en meer gefinancierd worden door adverteerders en
dat zonder hen geen krant en geen televisie meer
zou bestaan. Het ligt voor de hand aan te nemen dat
commercialisering inderdaad een invloed uitoefent,
gezien het precies het aantal lezers, kijkers en
luisteraars is die de inkomsten bepaalt van de
media. De inkomsten afkomstig van adverteerders
zijn belangrijk in elk medium dat we vandaag
bespreken. Er is natuurlijk ook het probleem van
politieke en ideologische benvloeding waarover
Noam Chomsky veel geschreven heeft. Laten we
ons nu echter concentreren op de reclame. We
moeten ons ervan bewust zijn dat de media noodgedwongen rekening dienen te houden met
kwantitatieve criteria. Om het even welk medium,
het nieuws moet op een of andere manier behandeld worden als een handelsartikel, als een primeur
die waarde heeft en als zodanig een invloed heeft
op het aantal mensen dat het leest of ernaar kijkt en
dat is op zijn beurt een belangrijk criterium voor
wat adverteerders bereid zijn te betalen. Hoe meer
lezers een krant heeft, hoe hoger ook het inkomen
uit reclame.
In deze postmoderne tijden heeft er aldus een
eigenaardige ontwikkeling plaats, namelijk dat er
geleidelijk verschillende soorten publiek ontstaan
die geïnteresseerd zijn in verschillende soorten
nieuws, verschillende soorten waarheid en zelfs
verschillende soorten relevantie. Dat zien we nu in
België gebeuren. Ik denk dat er in de Verenigde
Staten al langer een soort van dualisme bestaat met
aan de ene kant enkele kwaliteitskranten en aan de
andere kant tabloids. Ik moet zeggen dat we voor
een klein land als België veel kwaliteitskranten
hebben vergeleken met bijvoorbeeld Frankrijk of
de Verenigde Staten en ik denk dat zelfs een
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 102
___________________________________
middelmatige krant in Vlaanderen nog een heleboel
informatie bevat over wat er in de wereld gebeurt.
Als ik naar de Verenigde Staten ga en een goede
krant zoek houd ik het gewoonlijk bij de The New
York Times omdat bijna alle andere kranten alleen
nog geïnteresseerd in plaatselijk nieuws. We
evolueren stilaan naar een situatie met aan de ene
kant kwaliteitskranten (in Vlaanderen zijn dat De
Standaard, De Morgen en De Financieel-Economische Tijd) en aan de andere kant die kranten die
meer interesse hebben voor plaatselijk nieuws en
sensatie. We worden in meer en meer sectoren
geconfronteerd met de ontwikkeling van een duale
maatschappij en dit geldt ook op cultureel gebied.
Precies omdat er verschillende soorten publiek zijn
zullen nieuwsmakers verschillende soorten nieuws
voor de diverse types publiek creëren.
Ook adverteerders zijn gebaat bij deze segmentatie van het publiek. Er bestaat een soort
bondgenootschap tussen de media en de adverteerders. Er bestaat in die zin geen interne contradictie tussen commercialisering aan de ene kant en
goede journalistiek aan de andere kant. De segmentering maakt het voor journalisten niet
onmogelijk hun werk goed te doen, maar het
publiek die ze met hun berichtgeving bereiken zal
wel nooit het brede publiek kunnen worden genoemd.
Wat de derde vraag betreft, zou ik drie suggesties voor verandering willen doen. In de eerste
plaats denk ik dat er een wet moet komen die
verbiedt dat hoofdredacteurs van kranten en tijdschriften worden betaald in verhouding tot het
aantal lezers, kijkers, luisteraars van het medium
waarvoor ze werken. Dit is wat er nu wél gebeurt
en dit is volgens mij geen goede zaak omdat hoofdredacteurs er dan te veel belang bij hebben rekening
te houden met kwantitatieve criteria.
Ten
tweede, en veel mensen zullen dit vreemd vinden,
denk ik dat de onafhankelijkheid van de journalist
nog meer gegarandeerd moet worden dan nu reeds
het geval is. Ik geloof nog steeds in zelfregulering
van de pers. Misschien is het een goed idee meer
rechters in deontologische kamers en persraden aan
te stellen maar ik ben persoonlijk sterk gekant tegen
___________________________________
het aanstellen van professoren in dergelijke kamers
en raden. Ik vond het bijvoorbeeld onverantwoord
dat aan professoren gevraagd werd deel te nemen
aan discussies over disciplinaire maatregelen. Ik
vind dat academici een dergelijke verantwoordelijkheid moeten weigeren precies omdat ze
onafhankelijk moeten blijven. Adviseren kan,
deelnemen aan het politieke beleid kan niet.
De derde suggestie werd hier reeds vermeld. Ik
ben ervan overtuigd dat er zeker in ons land in het
belang van de pers en de vrije meningsuiting meer
publieke discussies en debatten over de media
zouden moeten worden gehouden. Ik denk hier aan
programma's waarin onderwerpen uit het nieuws
worden besproken met het publiek of met experten
en dit geldt volgens mij ook voor reclame. Ik weet
dat er een lange tijd een programma op de BBC was
op vrijdagavond waar bepaalde reclamecampagnes
besproken werden en op deze manier zou het
interactiever worden en kunnen we ook beter
bespreken wat we niet willen of niet op prijs stellen
dan op de gewone manier, waarbij je een brief
schrijft naar de krant. Ik zou hier dus willen pleiten
voor een publieke discussie over wat er vandaag in
de media gebeurt en ik denk dat hier ook
belangrijke rol is weggelegd voor onze nationale
omroep. Nu zien we deze meer en meer aan het
evolueren naar een kloon van de commerciële
televisie en radio zodat we ons binnen tien jaar
zullen afvragen wat het verschil is tussen beide. De
vrije meningsuiting kan alleen worden versterkt
wanneer men het publiek ernstiger neemt en dit
betekent dat men hen meer mogelijkheden moeten
geven om zich uit te spreken over wat er in de krant
wordt gepubliceerd en zeker over hetgeen op
televisie wordt uitgezonden. In kranten en
tijdschriften bestaat nog de mogelijkheid om een
brief te sturen maar voor wat televisie betreft is er
bijna geen mogelijkheid tot discussie. Ik denk dat
hier een fundamenteel recht niet gerespecteerd
wordt, namelijk het recht op antwoord, het recht op
discussie, het recht de dingen vanuit een ander
standpunt te belichten.
(Na deze interventies werd aan de deelnemers
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 103
___________________________________
gevraagd in vier groepen op de gestelde vragen en
de inleiders te reageren. Wat nu volgt zijn de vier
samenvattingen van de verslaggevers.)
Discussiegroep 1, verslaggever Herman De Dijn
In onze groep werd naar aanleiding van de tweede
vraag uitvoerig ingegaan op het motto van de BBC
"How can we make the good popular and the
popular good?" Men kan ten opzichte van dit
probleem twee extreme posities innemen: Je kan
aan de ene kant uitgaan van de idee dat je als
journalist of programmamaker weet wat goed is
voor het publiek en dat het erop aankomt je eigen
visie zo goed mogelijk aan de man te brengen. Het
andere extreem bestaat erin aan te nemen dat je
enkel kan aanbieden waar mensen om vragen. De
moeilijkheid bestaat in het vinden van een
evenwicht tussen beide extremen. Het publiek
geven wat het vraagt is volgens ons een onjuiste
interpretatie van wat `democratie' precies betekent.
Eerder zou men er moeten in slagen het publiek in
staat te stellen zichzelf te onderichten of `wijzer' te
maken aan de hand van hetgeen de media hen aanbiedt. Er was aan deze tafel eensgezindheid over
het feit dat dit niet onmogelijk is, ook al vereist het
een grote bekwaamheid en creativiteit van journalisten om informatie zo aan te brengen dat het
publiek het belang van bepaalde nieuwsfeiten
erkent en dat het, nadat het zich wist te informeren,
kan participeren aan de discussie.
Een tweede discussiethema betrof de vraag of
de prioriteitenlijst van de journalisten werkelijk in
conflict komt met de prioriteitenlijst van de marketingmensen. Terwijl journalisten en de redactie
van kwaliteitskranten een hecht team vormen waar
marketingmensen weinig in tussen komen, drukt de
marketingstrategie van populaire kranten en
weekbladen wellicht duidelijker een stempel op de
eindredactie.
___________________________________
Het verschil in marketingbeïnvloeding valt echter
niet alleen samen met het onderscheid tussen kwaliteitsjournalistiek en meer op sensatie gerichte pers
maar ook met het onderscheid tussen enerzijds de
geschreven en anderzijds de audio-visuele media.
De audio-visuele media blijken veel kwetsbaarder.
Men vroeg zich af of audio-visuele media ook
zoiets kunnen concipiëren als een `opiniepagina' in
de krant. Er wordt wel eens beweerd dat er in
Vlaanderen helemaal geen debatcultuur bestaat
maar dat lijkt ons sterk overdreven. De laatste jaren
verschijnen steeds meer opiniestukken in de
kranten en worden er veel lezersbrieven opgenomen. Zoals Koen Raes suggereerde zou iets dergelijks ook in de audio-visuele media een plaats
moeten kunnen vinden.
In de discussie werd als derde punt naar voor
geschoven dat zowel de geschreven als de audiovisuele media sterk onder invloed staan van een
tijdgeest die door een economische manier van
denken wordt gedetermineerd. Deze mentaliteit is
zo overheersend dat het erg moeilijk lijkt om tegen
deze tendens in te gaan. Deze ontwikkeling
verklaart het succes van utilitaristische gezichtspunten en van de overheersing van wat we infotainment kunnen noemen. Met infotainment viseren we
in het bijzonder de gewoonte om alle informatie te
presenteren op een vlotte, aantrekkelijke en onderhoudende manier. Informatie over internationale
politiek wordt bijvoorbeeld levendiger gemaakt
door goeden tegenover slechten te plaatsen.
Het laatste punt dat werd besproken had betrekking op homogenisering: hoewel er een onderscheid bestaat tussen geschreven media en
beelmedia doet zich thans een soort vermenging
voor. In de geschreven media probeert men het
onderhoudend karakter van televisie na te volgen
met foto's, aandachttrekkende lettertypes en een
beeldrijke lay-out. In een kwaliteitskrant bij voorbeeld heb je thans ook een primeur nodig.
Aan de andere kant werd opgemerkt dat kwaliteitskranten zoals De Standaard en De Morgen
meer journalisten hebben dan een aantal jaren
geleden en dat is een interessant fenomeen.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 104
___________________________________
___________________________________
Discussiegroep 2, verslaggever: Dirk Achten
Als iets in het radiojournaal van zes uur gezegd
wordt, dan wordt dat feit onherroepelijk nieuws,
ongeacht of het nu waar is of niet want diezelfde
avond of de volgende dag zullen de mensen erover
praten en je kan doen wat je wil, je kan een hele
horde journalisten erop afsturen en aantonen dat het
niet waar is, men zal daar niets aan kunnen
wijzigen. Hier stelt zich een ernstig deontologisch
probleem.
Er werd tijdens de interventies van de academici
gesteld dat journalisten zich beter op de hoogte
moeten stellen van wat het publiek denkt en
waardeert. Journalisten staan wat huiverachtig
tegenover deze visie. Het is niet verstandig om het
publiek alleenzaligmakend te verklaren. Alle
kranten en televisiezenders geven miljoenen uit om
erachter te komen wat het publiek wil lezen, horen
en zien maar het zou grondig verkeerd zijn indien
de media op basis van die informatie de
opvattingen van het publiek zonder meer zou
weerspiegelen. Neem bij voorbeeld de immigratie
in dit land. Je zou kunnen zeggen dat een populaire
krant verslag moet uitbrengen over wat er in de
cafés en bars in de volksbuurten over de immigranten gedacht wordt. Als ik dat zou doen, lijkt het
me weinig waarschijnlijk dat ik daardoor mijn
verantwoordelijkheid als journalist op een betere
manier zou opnemen. Natuurlijk moet je aandacht
hebben voor wat er leeft en moet je naar het publiek
luisteren. Natuurlijk moet je thema's als de
veiligheid in onze steden aan bod laten komen in
onze kranten maar dat betekent niet dat je blind
moet zijn voor je eigen verantwoordelijkheid in het
publiek debat.
Nog een laatste opmerking: vooral op televisie
zie je tegenwoordig vaak talkshows waar iedereen
zijn mening kan spuien zonder dat het belangrijk
wordt geacht enige kennis over het onderwerp te
hebben. Deze talkshows creëren een atmosfeer
waarin kennis van zaken een onbelangrijke factor
wordt: mijn mening zou even veel waard zijn als de
jouwe hoewel ik niets over het onderwerp afweet
en jij de specialist bent. Zo ontstaat er een sterke
nivellering naar beneden.
In onze samenlevingen en vooral in Vlaanderen
wordt te weinig gedebatteerd over de media. Er zijn
nauwelijks contacten tussen academici en
journalisten. Een aantal opvattingen die we hier
hebben gehoord, lijken dan ook voor ons journalisten uit een totaal andere wereld te komen en ik
denk dat dit anders zou zijn indien we onderling
betere contacten zouden onderhouden. Academici
moeten niet alleen naar ons komen, al zijn jullie
natuurlijk hartelijk welkom, het omgekeerde is
even belangrijk, wij moeten op geregelde tijden
ook naar de academici toegaan.
Tijdens ons gesprek werd uitdrukkelijk gesteld
dat het verkeerd is te denken dat de commerciële
beïnvloeding zou uitgaan van onze adverteerders
zoals Koen Raes liet uitschijnen. De beïnvloeding
die uitgaat van de lezers is groter. De concurrentie
tussen kranten heeft er immers toe geleid dat veel
meer dan vroeger ingespeeld moet worden op wat
de lezers, de doelgroepen, prefereren. Het product
wordt aangepast aan de doelgroep wat zich bijvoorbeeld laat merken in het hoofdartikel. Dat geldt
voor alle kranten.
Een van de nadelige effecten van deze concurrentie is het feit dat berichten onvoldoende worden
gecontroleerd voor ze de wereld worden ingestuurd
waardoor de goede naam van mensen vaker te
grabbel wordt gegooid. Deze ontwikkeling is niet
typisch voor ons land. Het fenomeen doet zich voor
in elk land van de westerse wereld. Je hoeft enkel
maar te kijken naar de manier waarop tegenwoordig tal van artikels geproduceerd worden: iemand
beweert iets en dat wordt zonder verder onderzoek
in de krant gezet en als één krant het verhaal brengt,
komt het in het tv-journaal en op dat moment is het
voor iedereen nieuws.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 105
___________________________________
Discussiegroep 3, verslaggever: Bart Pattyn
Door de verantwoordelijke van de televisienieuwsdienst in ons gezelschap werd gesteld dat er zich
voor wat betreft de berichtgeving niet echt
problemen in verband met commerciële druk
voordoen. Alleen op het vlak van de human intrestprogramma's kan men zich vragen stellen over
de genuanceerdheid en de kwaliteit van de geboden
informatie.
Er werd gevraagd of de beheersovereenkomst
die de Vlaamse Gemeenschap met de VRT heeft
gesloten concurrentie voor de televisienieuwsdienst
niet een reëel en in zekere zin bedreigend gegeven
maakt. Zal de verleiding niet groot worden om op
een vlotte manier meer sensationele berichtgeving
te verzorgen om de kijkcijfers op te trekken? [In de
beheersovereenkomst die de Vlaamse Gemeenschap met de VRT heeft gesloten werd overeengekomen dat de informatieprogramma's een
dagelijks bereik van 1,5 miljoen kijkers moeten
halen. Bij de bespreking van het evaluatierapport in
juli '98 [stuk 1128(1997-1998) nr.1] bleek dat men
toen met 1.413.900 die norm niet haalt. De VRT
werd echter vijf jaar de tijd gegeven om die norm te
halen. Sommige leden van de commissie vonden
dat de drempel van 1,5 miljoen aan de lage kant
(Carl Decaluwé, Tuur Van Wallendael) en vroegen
zich af, hoewel ze de kwaliteit van de programma's
ijzersterk noemden de vormgeving niet te koel was.
(Michel Doomst).] De verantwoordelijke van de
televisienieuwsdienst bleef erbij dat de norm die in
de beheersovereenkomst werd gesteld perfect haalbaar is binnen de afgesproken termijn. De norm kan
gezien worden als een uitdaging en een motief om
de kwaliteit te verbeteren en hoeft niet als een
bedreiging te worden beschouwd.
Tijdens het gesprek werd er tevens op gewezen
dat de politieke druk op de pers groter is dan de
commerciële druk. Zo stuurde de regering aan op
een striktere persregulering op het moment dat de
corruptieschandalen aan het licht kwamen. Men
vestigde er de aandacht op dat we op dit ogenblik
in België al meer dan genoeg middelen hebben om
de pers te controleren en dat er werkelijk geen be-
___________________________________
hoefte bestaat aan meer initiatieven op dit vlak.
Discussiegroep 4, verslaggever: Erik Van Leeuw
Met betrekking tot het voorstel van Koen Raes om
op de televisie een programma te verzorgen waarin
mediakritiek aan bod zou kunnen komen werd
opgemerkt dat er een jaar of vijf geleden op de
toenmalige BRTN zo'n programma bestond maar het
werd afgevoerd. De inhoud van brieven in kranten
toont duidelijk aan dat de mensen wel degelijk
bezorgd zijn over de inhoud van televisieprogramma's en wat er gebeurt in de media. In Finland
bestaan er twee dergelijke programma's maar ze
zijn niet zonder fouten. Het probleem met het eerste
programma is dat het te kritisch is en het probleem
met het tweede dat het te commercieel is.
In verband met de tweede vraag werd de oproep
van rector Oosterlinck tot meer intellectuele
eerlijkheid zeer waardevol genoemd, maar de vraag
blijft hoe je die eerlijkheid kunt stimuleren. Misschien kan het door het organiseren van trainingen
die tot een mentaliteitswijziging kan aanzetten. Het
ligt niet voor de hand in België nog een
mediacommissie op te richten, gezien er reeds twee
bestaan. Zelfregulering lijkt een aantrekkelijker
alternatief.
Voor
een
zelfregulerende
perscommissie lijkt het essentieel volledig onafhankelijk te functioneren. Idealiter zetelen in een
dergelijke commissie journalisten, uitgevers en
vertegenwoordigers van de groepen van onze
samenleving. Sommigen vinden dat het een initiatief van uitsluitend mediamensen zou moeten zijn
maar anderen merkten op dat als dergelijke commissie niet door de wet wordt ingesteld ze weinig
of geen slagkracht zal hebben. Kaarle Nordenstreng
opperde dat deze commissie een ereraad zou
moeten zijn en er werd ook voorgesteld dat de
beslissingen van deze commissie gepubliceerd
zouden worden in de krant. In Zweden bestaat er
een financiële sanctie als een medium schuldig
wordt bevonden.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 106
___________________________________
Met de vraag naar wat kwaliteit inhoudt, stelde
de heer Van Mechelen, [huidige minister van
Economie, Media en Ruimtelijke Ordening in de
Vlaamse Regering] een ander punt aan de orde. Het
is noodzakelijk dat de consument de keuze heeft
tussen commerciële en openbare televisie. Kwaliteit
heeft immers te maken met keuzevrijheid. Het kan
niet dat iemand oplegt waar de mensen naar zouden
moeten kijken. De openbare omroep moet volgens
hem inderdaad kwaliteit bieden en de commerciële
zenders moeten de vrijheid hebben uit te zenden
wat ze willen. Er is nood aan kwaliteitsnormen
voor de openbare omroep maar niet voor de
commerciële zenders.
Niet iedereen was het eens met dit standpunt. Er
werd opgemerkt dat ook als er de keuze bestaat
tussen openbare en commerciële media mensen niet
echt vrij kunnen kiezen. Kinderen zouden
bijvoorbeeld geneigd zijn onnadenkend op
commerciële zenders af te stemmen. Alleen door
hen met de media te leren omgaan maakt men van
hen bewustere en in die zin vrijere mediagebruikers. Pluriformiteit lijkt desalniettemin onontbeerlijk. Zo zou in Engeland de concurrentie
hebben geleid tot kwaliteit. Ook de diversifiëring
van de media: het afstemmen op specifieke doelgroepen zou kwaliteit in de hand werken.
Commercialisering leidt volgens sommigen per
definitie tot een kwaliteitsvermindering. Als illustratie werd de berichtgeving van CNN besproken.
De vlotte presentatie van iets dat op vuurwerk leek
betrof per slot van rekening beelden van de bombardementen boven Bagdad. Door de keuze van het
beeldmateriaal gaf men het publiek de indruk dat
het om een propere oorlog ging terwijl er zich een
smerige oorlog voltrok.
Tenslotte werd opgemerkt dat kwaliteit niet
enkel wordt gegarandeerd door goede wetten en
structuren. De verantwoordelijkheid voor kwaliteit
ligt nog altijd in de eerste plaats bij de journalist.
Slotwoord — Clifford Christians
Ondanks objecties die hier gemaakt werden, blijf ik
geloven in participatieve vormen van commu-
___________________________________
nicatie. Het publiek is over het algemeen heel goed
in staat een onderscheid te maken tussen
sensationeel nieuws en infotainment aan de ene
kant en degelijk nieuws aan de andere kant. Goede
journalistiek bestaat en dat vertegenwoordigers
ervan zitten vandaag rond deze tafels.
Professor White daagde ons uit om de biografieën van grote journalisten te lezen, mensen die het
ideaal belichamen, die in staat zijn om te gaan met
het publiek op een manier die ons inspireert en ik
geloof dat we vandaag hiervan enkele voorbeelden
hebben gehoord en dit stemt me zeer hoopvol. Ik
ben ervan overtuigd dat er voorbeelden bestaan van
het soort kwaliteitsjournalistiek waar Bart Pattyn
het in zijn vragen over heeft en dat de mensen daar
ook respect voor hebben. Er bestaan journalisten
die vijandig staan tegenover het commerciële systeem, die zichzelf ertegen beschermen, die zich op
een ernstige manier bezighouden met nieuwsduiding en onderling treuren over de commercialisering.
Aan onze tafel begon de discussie waar professor White mee eindigde: we moeten het goede
populair maken en het populaire goed. Deze
opdracht ligt niet uitsluitend in de handen van
journalisten en mediamakers: ook onze universiteiten en overheidsdiensten zijn bij dit project betrokken. We zijn allemaal verantwoordelijk voor
het algemeen goed. Democratie veronderstelt niet
alleen vrije informatie maar ook scholing en
opvoeding. Als mensen vandaag de democratische
levenswijze kunnen beschouwen als het resultaat
van een complex systeem waarin allerlei factoren
een rol spelen zoals opvoeding, rechtspraak,
toegepaste wetenschap, geneeskunde, internationale
politiek en dergelijke dan is dat waarschijnlijk
omdat universiteiten erin slagen afgestudeerden
met burgerzin af te leveren. Om aan die nood te
blijven voldoen is het belangrijk dat de dialoog tussen mensen die onderzoek en onderwijs verzorgen
enerzijds en mensen die in de concrete praktijk
staan behouden blijft. Dergelijke uitwisseling van
ideeën kan alleen maar inspirerend werken, zoals
we vandaag trouwens mochten ondervinden.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 9 (1999)2, p. 107
Download