DEEL I: VAN MYSTERIE NAAR ONTLUISTERING

advertisement
DEEL I: VAN MYSTERIE NAAR ONTLUISTERING
1. Geloof en christendom onderhevig aan de tijd?
Om een antwoord te vinden op deze vraag, moeten we kijken naar de Westerse cultuur. Wij zijn
onwennig i.v.m. religie. Deze vervreemding is gebeurd is een aantal stadia.
1.
PREMODERNITEIT: De kerk had een centrale plaats in het dorp. Godsdienst
bepaalt de basis van de samenleving en is ook de sluitsteen van de
maatschappij. Godsdienst heeft iets te zeggen op alle vlakken vb. Politiek,
cultuur,… = RELIGIEUZE CULTUUR
2.
MODERNITEIT: Religie neemt geen centrale plaats meer in de door de
secularisatie. Men gaat nadruk leggen op de (culturele) emancipatie. Hierdoor
scheiden het kerkelijke en het wereldlijke zich.
Wat is de oorsprong van de secularisatie? A) De opkomst van de positieve
wetenschappen. Wetenschap en religie zijn uit elkaar gegroeid, dit leidt niet
noodzakelijk tot ongeloof! Vb. Het idee dat de aarde een centrale plaats
inneemt in het universum wordt in vraag gesteld en tegen gesproken.
B) De Bijbel zelf: vb. Het scheppingsverhaal: God schept de mens en maakt
hierdoor zelf een onderscheid tussen God en mens. God en mens hebben elk
Een eigen verantwoordelijkheid.
3.
POSTMODERNITEIT: De modellen uit de moderniteit om de werkelijkheid te
verklaren blijken eindig te zijn. WO I en WO II zijn een gevolg van de
wetenschappelijke evoluties. Men aanvaardt niet langer dat de moderniteit
alles te zeggen heeft, men gaat fragmentariseren omdat de totale WKH
beangstigend is. “Het grote verhaal” uit de moderniteit kan niet op alles een
antwoord geven en de mensen worden hierdoor argwanend. Hierdoor komt
religie in moeilijkheden want dit is ook een groot zingevingsysteem. De mens
haalt nu verschillende elementen uit verschillende religies en vormt zo zijn
eigen “groot verhaal” dat niet van buitenaf wordt opgelegd. = Religie-shoppen
→ We beseffen wel hoe klein en broos alles is, maar er is geen vraag uit de grote cultuur
naar verklaring. Niet alles is te verklaren, er is meer dan het objectief tastbare, er is iets
wat ons overstijgt: het TRANSCENDENTE. We kunnen dit niet vatten of beschrijven. Vb.
Waarom ben ik verliefd op een bepaalde persoon?
→ Godsdienst is op zijn retour want de kerken lopen leeg, maar er is ook een opbloei van
religiositeit. Religie is niet langer gelijk aan godsdienst, het is een verbondenheid met iets
groter, iets dieper. Zelfs binnen de positieve wetenschap is er nood aan religie want er
zijn processen die het zelf niet kan controleren. Vb. Een ei bakken: dit is niet
onomkeerbaar en dus beheersbaar.
De opbloei wordt niet meer gezien als een groot verhaal, de stap naar God wordt niet
meer gezet. Godsdienst en religie zijn geprivatiseerd. De mens heeft nood aan religie
omdat hij niet alles kan verklaren. Hierdoor is de mens van nature uit religieus.
→ Etymologisch: religie~opnieuw lezen
~samenbinden
Religie kan dus gezien worden als een herlezing van datgene dat de mens samenbindt.
Men voelt zich verbonden met iets dat ons overstijgt.
→ Religie is niet noodzakelijk gelijk aan de joods-christelijke gemeenschap. Deze gaat
namelijk van immanent naar transcendent. Er is niet zomaar een vage kracht, maar
iemand nl. God. Deze nadruk op het transcendente is typisch voor een monotheistische
godsdienst.
Besluit: Door de moderniteit en de postmoderniteit is godsdienst in een crisis geraakt. Een deel
van de oorzaak ligt dus in de evolutie van de cultuur. Een ander deel van de oorzaak ligt in het
fundament van de joods-christelijke traditie. Dit is de Bijbel en deze is ons vreemd, men is er niet
mee vertrouwd.
2. De Bijbel: een 'vreemd' fundament
Exegese: het uitleggen van bijbelteksten. Als de bijbel voor iedereen toegankelijk was, was dit
niet nodig; Vroeger was de bijbel verboden lectuur omdat er zoveel uitleg gegeven werd (in
voetnoten) en dit kon leiden tot ketterij.
In het dagelijkse leven doen we voortdurend aan interpretatie. Vb. Retorische vraag, ironische
opmerking,… Er ontstaan conflicten als je het taalgebruik verkeerd inschat (ook van toepassing in
geschreven taal). Er zijn een aantal specifieke taalgebruiken vb. psychologisch jargon, juridisch
jargon,… Ook de bijbel heeft zijn eigen taal.
→ De moeilijkheidsgraad is afhankelijk van 2 factoren:

gemeenschappelijke achtergrond tussen lezer en auteur

aard van spreken/ schrijven: vb. technisch, vriendschappelijk,…
→ Er zijn een 7-tal factoren die het begrijpen van de Bijbel bemoeilijken:
1. Lezers van de bijbel zijn buitenstaanders.
De boeken zijn niet gericht op mensen van de 21
ste
eeuw. De gemeenschappelijke
achtergrond met de auteurs ontbreekt. We moeten ons in de plaats stellen van de
auteurs en de ontvangers.
Vb. 10 geboden zijn niet gericht op vrouwen, op armen. Het is gericht aan de
mannelijke Israëlieten in 7 V.C.
Vb. profeten richten zich tot Jeruzalem, Babylon. Het is niet gericht tot Leuven.
Vb. Brieven van Paulus zijn niet aan ons gericht, maar aan de christenen van
Korinthië.
2. Taal
Je kan nooit alle finesse van een taal doorgronden. De Bijbel is geschreven in dode
talen, we hebben er geen verwantschap mee. Vb. Hebreeuw, Aramees, Oudgrieks,
Latijn,… Elke taal is een interpretatie, het is telkens een vertaling van een oude tekst.
Vb. De geest van God zweeft over de wateren. (vertaling)
Een sterke wind zweeft over de wateren. (andere mogelijke vertaling)
3. Culturele kloof
De sociale structuren van nu zijn anders als toen. Vb. Slavernij, patriarchaal, reizen
duurde veel langer,…
Vb. Genesis: Als je vrouw onvruchtbaar is, ga je naar een slavin en als deze een kind
krijgt, is het jouw kind.
4. Historische kloof
De bijbelteksten zijn 2000-3000 jaar ouder dan ons. In het dagelijkse leven voel je op
een paar jaar al een kloof. Vb. mode De kloof met de bijbel is temporeel dus enorm.
5. De auteur van de bijbel is anoniem
De boeken staan op naam van iemand, maar men weet niet wie de teksten
geschreven heeft. Men nam verschillende teksten en zette deze dan samen onder de
naam van een belangrijk iemand (vb. Mozes) om zo de teksten meer gezag te geven.
(= pseudo-grafie) Uit de tegenstrijdigheden in de teksten blijkt dat het jaren heeft
geduurd om de boeken te schrijven en dat er verschillende auteurs aan gewerkt
hebben. De boeken zijn langzaam gegroeid en aangepast aan nieuwe situaties.
Vb. Daniël: Hij voorspelt correct wat er 3 eeuwen verder zal gebeuren, maar hij
maakt enorme fouten over zijn eigen tijd. Het boek is dus op naam gezet van iemand
die vroeger leefde.
6. Verschillende handschriften
Er zijn verschillende bijbels en verschillende geschriften waarop de bijbel is
gebaseerd. Door het handmatig overschrijven van de teksten treden er fouten en
vervormingen op. We hebben één tekst uit de grote traditie genomen die toevallig de
belangrijkste is geworden. We kunnen dus slechts spreken van een bijbel en niet van
de bijbel.
7. Onderscheid tussen een klassieker en de Schrift
Binnen een geloofsgemeenschap is de bijbel meer als een klassieker, het is
normatief.Dit heeft invloed op hoe men de teksten leest, men heeft er geen oordeel
over.
DEEL II: RESPONS OP DE ONTLUISTERING
1.
Ontreddering en kramp: de bekommernis om waarheid en realiteit
a. Kinderlijke naïviteit
Men heeft geen idee van de problemen rond de bijbel, men stelt zich geen kritische vragen. Men
zet niet de stap in de moderniteit: ‘Is dit allemaal echt gebeurd?’ Men neemt alles zoals een kind
op, als een verhaal. Het is geen ‘doen alsof’ want dit zou betekenen dat je op een bepaald
moment toch vragen hebt gesteld. ~ gemakkelijke oplossing!
“Is dit allemaal echt gebeurd?” Dit een vraag die je altijd moet stellen i.v.m. religie. Er zijn
verschillende antwoorden mogelijk.
b. Fundamentalisme: tussen letterlijke en symbolische lezing
Fundamentalisme is een etiket dat je op iemand anders plakt. Men noemt zichzelf nooit
fundamentalist. ~ negatieve zelfbevestiging Fundamentalisme roept het beeld op van zich
overleveren aan de onfeilbare Heilige Tekst. Men sluit rede, verstand en respect voor een andere
mening uit.
Fundamentalisme is het tegendeel van onszelf. Redelijkheid wil zeggen dat men openstaat voor
discussie, maar de redelijkheid zegt ook dat fundamentalisme niet kon omdat ze redelijkheid
uitsluit. Dit wijst ons op een tegenstelling.
Christelijk fundamentalisme wordt onderverdeeld in katholiek of protestants. Het gaat dus niet om
sociaal, politiek,…. fundamentalisme.
Hoe kunnen we beschrijven wat fundamentalisme is?
1) We kunnen alle fundamentalistische groepen beschrijven en het gemeenschappelijke
eruit halen.Dit is echter praktisch onmogelijk: hoe gaat men discrimineren, het mondiaal
bekijken,…
2) Men kan gaan kijken naar de oorsprong van het fundamentalisme. Deze term dateert van
rond 1900. De oorsprong ligt bij de evangelische protestanten in de USA. Binnen het
protestantisme heeft men geen centraal gezag en er ontstaan dus heel gemakkelijk
schisma’s. Binnen de protestanten vond men dat men in de moderniteit veel te laks was
geworden en men gaat een reactie krijgen tegen de moderniteit. Vb. De evolutieleer werd
gezien als uiting van een verziekte maatschappij. Er werden boekjes uitgegeven onder
de naam ‘The Fundamentals’, deze gaven de fundamenten tegen de moderniteit.
→Onfeilbaarheid van de Schrift
→De maagdelijke geboorte van Christus
→De verzoening tussen God en mens door het bloed van Christus
→De verrijzenis van Christus
→De kracht en echtheid van zijn wonderen
Deze punten kunnen echter niet dienen als definitie van fundamentalisme omdat
fundamentalisme veel ruimer is. Vb. Chiliasme of millenialisme: de leer van het
duizendjarige rijk. Dit vinden we terug in alle fundamentalistische groeperingen.
‘The fundamentals’ zijn ook typisch Amerikaans en passen dus niet goed bij het
katholieke fundamentalisme.
Vb. De bijbel is Gods woord. (protestants fundamentalisme)
Vb. De bijbel bevat Gods woord. (katholiek fundamentalisme)
De bijbel is niet zo belangrijk voor het katholieke fundamentalisme, maar de hiërarchie
wel, het is een omvattend model waar iedereen zich moet inpassen. Wat het Christelijk
fundamentalisme min of meer gemeenschappelijk heeft is dat ze de bijbel in min of
meerdere mate fundamentalistisch lezen.
3) Kijken naar de achtergronden. Er zijn twee processen van de moderniteit die belangrijk
zijn in het ontstaan van het fundamentalisme.
a) Differentiatie: Het allesbeheersende christendom wordt opgesplitst in
verschillende sferen die autonoom zijn. Vb. politiek, economie, recht, religie,…
Religie wordt weggedrukt naar de privé-sfeer. Religie is niet langer christenheid.
Religie beklemt niet meer, maar de bescherming is ook verdwenen. Men gaat
kleine gemeenschappen opzoeken (= lokaliseren). Door de mondialisering is het
mogelijk dat er fundamentalistische groepen ontstaan. Als de moderne staat zich
dan nog gaat bemoeien met zaken waar de godsdienst zich vroeger mee
bemoeide (vb. begin en einde van het leven, seksualiteit), is dit een uitnodiging
tot fundamentalisme. Doordat er geen zingeving meer is, legt de staat regels op
in deze gebieden en dit wil men ook niet. = dédifferentiëren
b) Functionele rationalisering.
Men wordt altijd geconfronteerd met iets waar men niet tegenop kan vb. de
natuur. Dit lokt het verlangen uit om te gaan beheersen. Men wendt zich echter
niet langer tot God om de wereld te begrijpen en beheersen, maar er komt een
beheersing door techniek. Vb. bliksemafleiders Men gaat echter ook constant de
oplossingen die men heeft bevragen = permanente kritische reflexiviteit. Dit heeft
geleid tot een cultuur van verandering, zelfs in de wetenschap is niets zeker. Op
zich is dit niet slecht, maar het heeft ook geleid tot chaos. Er is geen zekerheid
meer, voor alles zijn er meerdere antwoorden en het is moeilijk een keuze te
maken tussen de verschillende antwoorden.
Vb. Wie heeft het eerste boek van de bijbel geschreven? Vroeger was het
antwoord Mozes, nu zijn er verschillende theorieën en krijg je geen antwoord
meer.
Ook het christendom is onderhevig aan permanente kritische reflectie. Er zijn
verschillende mogelijkheden en dit leidt tot eindeloze discussies. Er is geen
zekerheid meer op vlak van religie en men wil een antwoord. Vb. Wie heeft de
wereld geschapen? God. Dit is geen goed antwoord meer tegenwoordig. Nu de
houvast weg is, is dit een voedingsbodem geworden voor fundamentalisme. Het
fundamentalisme ziet zichzelf als verdediger van een Heilige God, verdedigers
van de theologische ernst. Ze zijn van mening dat men het bovenmenselijke
moet aanvaarden.
↓↓
Twee, op zich positieve, processen dragen in zich de mogelijkheid tot
fundamentalisme (omdat fundamentalisme zekerheid geeft). Het hoeft echter niet
zo te lopen.
Karakteristieken van het fundamentalisme
1) Economisch/ sociaal verschijnsel?
Het kan niet bewezen worden dat fundamentalisme een reactie is op statusverlies. Het
sociaal-economisch zal misschien wel meespelen, maar het heeft vooral te maken met
religieuze identiteit. Fundamentalisme draait om ‘deep life issues’, het diepe in de mens.
Ze verdedigen een stabiele levensstijl, het economische staat slechts in de marge.
2) Zich als minderheid zien
* Fundamentalisten zien zichzelf als een minderheid die de strijd moet aangaan met een
meerderheid of zich moet afsluiten van de meerderheid. Ze zijn gekenmerkt door
‘Zelotisch separatisme’ ~ strijdend, zich afsluitend. Er zijn echter nog verschillende
houdingen mogelijk: in de Kerk blijven of eruit stappen.
Vb. Getuigen van Jehova: kleine groep uitverkorenen tegenover een
meerderheid. Alle organisaties zijn verdorven (‘Grote Hoer’), ze zetten zich dus buiten de
meerderheid.
Vb. Ms. Lefèvre: Hij bleef binnen de Kerk, maar hield vast aan de gewoontes van
oor het Concilie. Hij was een minderheid in de Kerk die wou dat die Kerk veranderde.
* Er wordt door fundamentalisten steeds een sterk onderscheid gemaakt tussen Goed en
Kwaad. Ze houden vast aan een monicheïstisch dualisme.
Vb. Etiologieën: fictieve verhalen om iets te verklaren zonder historische waarde.
Een slang kruipt als straf omdat ze de mens verleid heeft tot het kwaad. De slang wordt
gezien als Satan en Eva is de symbolische echtgenote van God. De nakomelingen van
Eva zijn de getuigen van Jehova en de nakomelingen van de slang zijn de politieke
macht, de handelaars en de valse religies.
→ Er is dus een duidelijk dualisme tussen Goed en Slecht. Men houdt vol dat wat in de
bijbel staat echt gebeurt is, men vergeet echter dat er ook nog een symbolische
betekenis is.
* Fundamentalisten kunnen geen compromissen sluiten. Er is duidelijke scheiding tussen
goed en kwaad en er is geen compromis tussen mogelijk. Hierdoor zal fundamentalisme
ook nooit een massabeweging worden want daarvoor zijn compromissen nodig.
Fundamentalisten zijn dus een strijdende minderheid.
3) Denkstijl
Men gaat gedrag legitimeren door dingen die buiten de mens staan, door de bijbelse
teksten. Het is een makkelijke oplossing omdat men extern gezag aanneemt zonder zelf
nog na te denken. Men is autoriteitsbezeten.
Vb. Ik doe wat de paus zegt.
Bijbels fundamentalisme houdt in dat men de bijbel gelijk geeft. Ook de katholieke kerk
bezondigt zich hier aan! De teksten worden uit hun context gehaald en op
fundamentalistische wijze geïnterpreteerd. Men zet verschillende teksten samen als
legitimatie.
Vb. Vrouwelijke priesters kunnen niet want de man is het beeld van God, de
vrouw is uit de man geschapen. Hiermee wordt verwezen naar een brief van Paulus.
→ Bijbels fundamentalisme is moeilijk te definiëren.
* Men ziet de bijbel als een pasklaar antwoordenboek en legt de nadruk op de
onfeilbaarheid van de bijbel = inerrantia van de bijbel.
Vb. Getuigen van Jehova: de bijbel voorspelt wat er gaat gebeuren.
Vb. Openbaringen: God deelt mee wat hij te zeggen heeft en aangezien God het
zegt moet het wel waar en correct zijn.
Fundamentalisten gaan openbaringen vaak gelijkstellen aan voorspellingen. Profeten
waren echter geen voorspellers, maar iemand die het woord van god gaat meedelen. Als
je openbaring gelijkstelt aan voorspelling, is dit een fundamentalistische manier van
interpreteren. In de bijbel vind je alleen verwachtingen.
Vb. De verwachting van de Messias
Vb. Apocalyps voorspelt niets. Het geeft enkel de situatie van het vroege
e
christendom weer. Het is geschreven in de 1 eeuw N.C. Men verwachtte dat Jezus ging
terugkomen om een nieuw tijdperk aan te kondigen, maar dit gebeurde niet. Apocalyps is
geschreven om de mensen steun te bieden en het wekt alleen de verwachting op van de
verrijzenis van Christus, maar het voorspelt deze niet.
De bijbel is niet vrij van dwaling, er zitten vaak tegenstrijdigheden in. Maar het gebruiken
van de bijbel als voorspeller is zeker niet nieuw.
Vb. Gemeenschap van Kum-Raan zagen de geschriften al als voorspellend. De
mensen pasten de teksten toe op de problemen die zij kenden. ‘De babyloniërs die gaan
komen’ werden gezien als de Romeinen die kwamen.
Vb. De bijbelcode: de bijbel zit vol met codes om te voorspellen. Dit is
fundamentalistische onzin.
* Literalisme: men gaat aannemen dat de teksten historisch correct zijn. Afhankelijk van
de toepassing worden sommige dingen echter ook symbolisch opgenomen. Men gaat
dus zonder reden schipperen tussen het letterlijke en het symbolisch.
Vb. de 12 stammen van Israël worden symbolisch opgenomen, maar 144 000
gezalfden wordt opgenomen als een letterlijk getal.
Vb. De wereld is geschapen in 6 dagen. Dit neemt men letterlijk, maar omdat het
ongeloofwaardig is, maakt men de sprong naar het symbolisch: Voor God is een dag als
1000 jaren.
Ook in exegese schippert men tussen het letterlijke en het symbolische, maar dit gebeurt
na een hele lezing. Fundamentalisme bepaalt op voorhand wat letterlijk en symbolisch is.
Vb. De historische ezelin heeft echt gesproken (fundamentalistisch)
Het gaat niet om een historische ezelin die gesproken heeft, het gaat om de
boodschap die er achter zit. (exegese)
* Fundamentalisme geeft een eenduidige uitleg van de bijbel. Er is geen ruimte voor
discussie, voor kritische reflectie.
4) Extreme negativiteit ten opzicht van de geschiedenis
Alles ligt vast voor eens en altijd, maar er is nog wel iets dart nog moet komen. Dit is de
eindtijdverwachting, het apocalyptische. Deze verwachting is eigen aan het christelijke
fundamentalisme.
Christelijke kerken hebben geen leer van het duizendjarige rijk, zij geloven dat het Rijk
Gods zich voltrekt in deze wereld. Het gaat om het geloof dat God met de wereld bezig is.
Fundamentalistische bewegingen leggen de nadruk op de situatie waarin we ons nu
bevinden. Prémilleniarisme: deze tijd is slecht en God gaat ingrijpen en dan zijn rijk
stichten.
Opmerkingen
1) Katholiek fundamentalisme bestaat sinds de jaren ’70. Daarvoor werd fundamentalisme
verbonden met het protestantisme. Het is plausibel dat binnen alle stromingen van de
christelijke kerk fundamentalisme opkomt. Het zullen echter altijd klein, plaatselijke
groepjes, minderheden blijven.
2) De katholieke kerk biedt vele mogelijkheden tot fundamentalisme. Er zijn verschillende
groepjes dis zich bezighouden met verschillende aspecten van het katholicisme omdat ze
een ander antwoord geven op de vraag ‘wat is essentieel voor mijn geloof?’
Vb. Mis in het Latijn, het celibaat,…
3) De katholieke kerk bestaat uit een machtscentrum in Rome, een traditie van 2000 jaar en
het geloof van het volk. Men kan dus moeilijk vanuit een bepaalde structuur iets opleggen.
Het is dus moeilijk om te zeggen of er een fundamentalistische groepering aanwezig is.
Vb. Tweede Vaticaans concilie wilde een openheid naar de wereld. Dit is vaak een
breekpunt omdat het tegen de traditie ingaat en het kan dus makkelijk leiden tot
fundamentalisme.
Conclusie
Het is eigen aan religie dat het een fundamentalistische dreiging in zich meedraagt. Er zijn echter
3 aandachtspunten waar men op moet letten, wil een religie niet fundamentalistisch worden.
1) Men moet een onaanspreekbare God hebben. Niemand kan zeggen wie God is. Het
overstijgt ons, het impliceert twijfels en vragen het gaat om een religieuze
transcendentie.In het fundamentalisme heeft men een duidelijk beeld van hoe God is.
Vb. Jodendom spreekt naam van God niet uit, ze hebben het over JHWH: ‘De Heer’
2) Er kan nooit iets definitiefs gezegd worden over geloof. Geloof ontwikkelt, het ligt nooit
vast. Religie is hetzelfde anders.
3) De kerk moet gerelativeerd worden, het staat in relatie tot de rest. De kerk is er voor de
wereld, niet voor zichzelf. Men moet zich niet afsluiten van de wereld en zichzelf in vraag
durven stellen. Men moet zich durven laten raken door de wereld.
c. Historisering van bijbelse verhalen
Men gaat proberen verhalen uit de bijbel plausibel te maken zodat ze historisch kunnen kloppen.
Vb. De tien plagen van Egypte. Historisch gezien kan het verhaal niet waar zijn, maar men kan
naturalistische verklaringen uitdenken zodat het verhaal toch zou kloppen. Men gaat het verhaal
dus een historische werkelijkheid geven.
Door een vulkaanuitbarsting op een Grieks eiland wordt steengruis naar Egypte gevoerd. De rode
assen kleuren het water van de Nijl rood, hierdoor wordt deze verontreinigd en vluchten de
kikkers naar het land. De kikkers sterven door de hitte en dit lokt vliegen en muggen. Deze
veroorzaken veepest en huiduitslag. De waterdamp die vrijkwam met de vulkaanuitbarsting
veroorzaken hevige regens en onweer. Door deze overdaad aan water wordt Egypte vruchtbaar.
Dit trekt zoveel sprinkhanen aan dat het er zwart van ziet. Het steengruis van de uitbarsting komt
terecht op de huizen van de Egyptenaren en deze storten in. De Israëlieten blijven gespaard
omdat ze in stevige, stenen huizen wonen.
Vb. Jezus loopt over water. Jezus liep over de dode zee.
→ De verklaringen om de bijbel gelijk te geven doen onrecht aan de bedoeling van de teksten. Ze
breken de boodschap van de teksten.
2. De ontluistering overstegen: verrijking in kritische omgang
a. Bijbel, historiciteit en (historisch-)kritische exegese
In hoeverre geeft de bijbel een historisch goede weergave?
Vb. Als men het OT wil geloven valt de geschiedenis van het oude Israël samen met de
geschiedenis van één familie.
Vb. Ideaalleeftijden: mensen leven in de bijbel 120 jaar
Men gaat proberen de verhalen historisch te dateren. Men had echter geen chronologie. Men
heeft geprobeerd de tijdstippen van belangrijke gebeurtenissen te berekenen aan de hand van
astronomie en de geschiedenis van Egypte en Mesopotamië. De bijbelse chronologie zegt echter
niets over de werkelijke datums dat er gebeurtenissen gebeurt zijn. Het is geen profane
geschiedenis, maar religieuze lectuur. Het is het verhaal van God met zijn volk. De verhalen zijn
etiologieën, verhalen waarmee men zaken probeert te verklaren.
Vb. Volkeren waar men problemen mee heeft komen voort uit een slechte, incestueuze relatie.
Vb. Boek Job (wijsheidsliteratuur): men gaat overtuigingen in vraag stellen: “Is het zo dat het
slechte altijd een oorzaak heeft?” Dit is een algemene menselijke thematiek en heeft niets te
maken met de historische figuur van Job.
→ Historische kritische exegese: het is niet omdat een verhaal niet echt gebeurd is dat er geen
waarde inzit! Het gaan om zingevingvragen en er zit dus wel iets ‘waar’ in.
b. De opkomst en ontwikkeling van de historisch-kritische exegese
Hoe kunnen we met de bijbel omgaan binnen het concept van waarheid?
De vragen waar de auteurs van de bijbel mee bezig waren, zijn nog altijd van belang voor de
hedendaagse mens. Men houdt zich bezig met vragen als: “Wie is God?” Het is iets dat de mens
overstijgt, maar God houdt zich ook met de mens bezig. Men wil verwoorden hoe de mens door
het hogere geraakt wordt, dit kan gebeuren ten goede: vb. God als herder, of ten slecht: vb. God,
waarom ben ik geboren? God, waarom hebt ge mij verlaten? Dit is een vervloeking van God.
Doorheen de bijbel heeft men uiting van de mens die het transcendente niet snapt. Er is
doorheen het OT en het NT een worsteling met de aan- of afwezigheid van God.
Het christendom heeft lange tijd moeite gehad met de verwijtende teksten en deze verboden.
Historisch kritische exegese probeert te achterhalen wat de boodschap van de teksten is.
DEEL III: DE BIJBEL: EEN (G)OUDE(N)GIDS?
De bijbel is oud, maar het is de basis van de hele Westerse samenleving. Dit kan ten goede en
ten slechte zijn. Vb. Slavernij werd erdoor gelegitimeerd.
Kunnen de vragen uit de bijbel nu nog iets te zeggen hebben?
1. De verhouding tussen Oude en Nieuwe Testament
- Het NT bevat getuigenissen over Jezus. Het geeft een beeld van hoe de vroege christenen
Jezus zagen.
- OT en NT zijn christelijke termen. Het OT is gemeenschappelijk voor joden en christenen.
- Het christendom heeft vooral aandacht gehad voor het NT. Men heeft het OT lang
stiefmoederlijk behandeld. Vb. Stukken uit willen schrappen, commentaar op geven,… Het werd
enkel bekeken voor wat nog van belang was voor het christendom. Vb. Het scheppingsverhaal
MAAR
* Bij de wortels van het christendom blijkt hoe belangrijk het OT is. Het OT was de heilige schrift
voor Jezus. In het NT wordt er vaak verwezen naar het OT. De auteurs van het NT leefden met
het OT. Men moet het NT lezen met het OT als achtergrond.
* De vroege Kerk zette het OT voor het NT: het is las fundament voor het NT. Men heeft het OT
ook gehouden zoals het was, het is niet veranderd. De vroege kerk zag de joodse heilige schrift
als basis voor de bijbel. Toen er een breuk kwam tussen beide godsdiensten, heeft men niet
gebroken met het OT.
- Recent probeert men het OT weer de plaats te geven die het verdient, maar men blijft moeite
hebben met de teksten. Vb. wraakpsalmen
- Men heeft het OT willen schrappen omdat het lijkt alsof er een andere God is in het OT en het
NT, maar dit kan niet volgens de Kerk. Het christendom kan niet zonder het OT.
- Bij de Joden heerst er een Messiasverwachting. Bij de Christenen is deze verwachting vervuld
door Jezus.
- Er zijn 3 modellen om de relatie tussen OT en NT, tussen Jodendom en christendom te duiden.
1) Het contrastmodel: Er zijn tegenstellingen tussen het OT en het NT.
Het OT predikt alleen heil voor de Joden: particularisme ↔ het NT predikt heil voor iedereen:
universalisme.
Het OT geeft wetten (mogen, moeten,…) ↔ het NT geeft de blijde boodschap: het evangelie.
MAAR Dit doet geen recht aan het OT, het dualisme gaat niet op.
2) Het vervullingsmodel: Het NT is een vervulling van het OT, hieruit volgt dat het OT niet
af is. Het Jodendom is een godsdienst die niet af is. Dit model doet geen recht aan het jodendom
en het OT. Dit model is gebaseerd op een tekst van Jeremia in het OT, hierin belooft God een
nieuw verbond te sluiten. Dit verbond zou gesloten zijn met Jezus. Dit is misbruik van de tekst.
Ook het jodendom heeft deze tekst misbruikt: het verbond is niet vervuld want niet iedereen kent
Christus. Het zal dus pas op het einde der tijden vervuld worden. Dit is echter niet waar de tekst
e
om gaat. De tekst is bedoeld om steun te bieden aan de Israëlieten (6 eeuw VC) die zich
verlaten voelden door God. Er wordt de hoop gegeven dat er weldra een nieuw verbond gaat
gevormd worden.
Nog een voorbeeld van belofte en vervulling vinden we bij Jesajah. ‘De jonge vrouw zal zwanger
worden en een kind baren met de naam emmanuel (god met ons).’ In het NT wordt deze belofte
vervuld met Maria die zwanger is van Jezus. Vanuit de interpretatie heeft men het OT
opgenomen in het NT met de vertaling als maagd ipv jong meisje. Grote figuren moeten op een
bijzondere wijze geboren worden. Dit duidt op het belang van de persoon van Jezus.
3) Het evolutiemodel: Het OT is het begin, iets primitiefs, het NT is ontwikkeld. Er is een
evolutie van slecht naar goed.
Al deze modellen gaan ervan uit dat het christendom de enige legitieme voorzetting is van het OT,
maar het NT is slechts 1 mogelijke voorzetting. Het OT zelf is af, het heeft een waarde op zich.
Het heeft echter een open einde en kan dus op verschillende manieren verder geschreven
worden. Zowel het jodendom als het christendom hebben dit dan ook gedaan (Talmud en NT).
2. God en mens in relatie
a. Van mens tot mens, van mens tot God: de decaloog in Exodus 20,1-17
Er zijn twee verschillende versies van de decaloog in de bijbel. Dit is een probleem voor een
fundamentalistische lezing, maar niet voor een historisch kritische lezing. Ze zijn namelijk in een
andere tijd en door een andere auteur geschreven.
1. De teksten zijn tot stand gekomen in een patriarchale maatschappij. De bewoordingen
zijn dus verouderd, maar dit betekent niet dat de achterliggende bedoelingen verouderd
zijn.
2. De tien geboden zijn ingebed in een context. Ze zijn ingebed in de eerste 5 boeken van
het OT (de Pentateuch), deze verhalen hoe Israël geleid en bevrijd is door God. De
decaloog is een antwoord op iets, er komt eerst een indicatief (nl. dit is wat Ik gedaan
heb) en dan pas een imperatief. Als je aanneemt dat Ik achter de bevrijding zit, dan
komen de geboden en moet je doen wat ik zeg. Ook het geweld dat in het OT voorkomt
is een antwoord op iets nl op het onrecht dat de mensen is aangedaan.
3. De geboden zijn moeilijk te tellen en ook de volgorde ligt niet vast. De decaloog heeft een
ingewikkeld ontstaansproces gekend. Waarschijnlijk heeft de decaloog zijn definitieve
e
e
vorm pas gekregen in de 5 ,6 eeuw, maar het eindproduct heeft een duidelijke bedoeling.
4. De benoeming 10 geboden is onterecht, het zijn eerder verboden. Het negatieve aspect,
het ‘niet doen’ staat centraal. Men heeft twee soorten recht. Het apodictische recht: iets
wordt geponeerd: het is zo en niet anders, Vb. de tien geboden, en het casuistische recht:
indien dit gebeurt, moet je dat doen. De formulering als verboden roept weerstand op: de
mens wil autonoom zijn. Het negatieve aspect wordt in een vertaling vaak positief
voorgesteld, maar een verbod is veel rijker dan een gebod. Een verbod stelt een grens
die er voor zorgt dat de gemeenschap leefbaar blijft. Het zegt iets over één aspect en laat
de rest open. Doordat een verbod specifieker is als een gebod wordt er een grotere
vrijheid gecreëerd. Vb. “Geen fietsen plaatsen”, dit impliceert dat je er eigenlijk wel
brommers mag plaatsen.
5. De decaloog is gericht op een mannelijke, volwassen, individuele Israëliet. De decaloog
is dus zeer specifiek gericht. Er dient echter een onderscheid gemaakt te worden tussen
de geadresseerde en de algemene geldigheid van de tekst. In de tekst wordt een sociale
bekommernis verwoord. Vb. De sabbat is voor iedereen: iedereen moet rusten ook
vrouwen en slaven.
6. De decaloog geeft een verscheidenheid aan voorschriften. De eerste verzen gaan over
de relatie tussen God en mens. Deze is verticaal. De volgende verzen gaan over de
relatie tussen mensen onderling, de intermenselijke, horizontale relaties.
Hierin ziet men ook het belang van de tien geboden. God spreekt rechtstreeks, in directe
rede met de mens. Dit gebeurt nergens anders in de bijbel.
Na de decaloog zijn er nog 3 hoofdstukken met de casuïstische uitwerking van de decaloog.
Het verbod op moord
Het gaat over moord met voorbedachten rade, bij daden in een opwelling heeft een gebod weinig
zin. Er wordt een grens gesteld, als deze grens overschreden wordt, is samenleven niet meer
mogelijk. Het gaat over het veilig stellen van de maatschappij, men zoekt naar een evenwicht
tussen eigenbelang en algemeen welzijn in de geboden.
Hoe werd dit gebod ontvangen?
Het gebod werd veel breder geïnterpreteerd als bedoeld in het OT. Vb. Tegen oorlog, tegen
doodstraf
Het NT heeft het verbad doorgetrokken naar psychische moorden (Vb. haat, uitbuiting) Men heeft
het gespiritualiseerd. Men heeft het gebod opengetrokken naar respect voor het leven dat ons
geschonken is. Het krijgt vorm in het Messiaans perspectief. Het verbod wordt ook
opengetrokken naar een eindtijdverwachting: vrede en een algemene overwinning op de dood. Er
zullen geen moorden meer zijn, en er zal een situatie zijn van algemene vrede. Vb. Wolf en lam
zullen samenleven (=schifre). Er komt een verwachting van overwinning op de dood.
Wat kan je met de teksten doen?
De bijbel als receptenboek: men vindt er echter geen pasklare oplossingen in terug. Men kan er
echter wel inspiratie in opdoen daar te kijken hoe ze vroeger met problemen omgingen en men
kan er steun in vinden omdat men met dezelfde thema’s worstelt als nu.
Fundamentele kwesties: - De teksten zijn bizar (~cultuurschok). Vb. Trouwen met de broer van
overleden echtgenoot. Maar we kunnen wel op zoek gaan naar de elementen die de kern van het
mens zijn raken. Er komen vragen uit alle tijden in voor, dit kan een steun bieden.
- Paradox van de algemene formulering vs de concrete gebeurtenissen.
De achterliggende bekommernis van de teksten is de mens, de maatschappij. De toepassing van
wetten gebeurd vanuit casussen. Er is eerst een aanbod en dan een vraag. De indicatief volgt op
de imperatief. Men gaat vanuit het concrete zoeken naar een dieperliggende grond.
b. Sociale rechtvaardigheid: Het 'Jubeljaar' in de joods-christelijke traditie
Het jubeljaar is een joodse term uit het OT. In de katholieke kerk wordt het jubeljaar sterk
verbonden met aflaten. Centraal staat het in vrijheid stellen. Verschillende organisaties ijverden
voor een kwijtschelding van de schulden aan de derde wereld ter gelegenheid van het jubeljaar.
Door de materiële schuldenlast hebben de mensen geen waardig leven meer. Kwijtschelding van
materiële schulden is gebaseerd op het OT. Godsdienst staat dus niet los van het leven. Het wil
vrijheid geven, het menselijke leven propaganderen.
→ Lev. 25: “Om de 50 jaar moet er een heilig jaar zijn, het moet een jubeljaar zijn: iedereen wordt
hersteld in zin vroeger bezit en krijgt zijn vrijheid weer.”
Deze wet is tot stand gekomen in een socio-economische situatie, maar ook binnen een religie.
Het oude Israël was relatief egalitair. Het bestond uit boeren en herders. Elke familie had een
eigen stuk grond dat men niet mocht verkopen (= erfbezit). Het was noodzakelijk om te kunnen
overleven. Grootgrondbezit is dus onmogelijk en verboden.
→ Men beoogt hier een religieus gefundeerd evenwicht tussen eigenbelang en algemeen welzijn.
Eigenbelang is de motor van de economie, maar een economie met uitsluitend eigenbelang werkt
ook niet.
Er is echter een grote discrepantie tussen theorie en praktijk. Door de invoering van het
koningsschap en het innen van belastingen, kwam men in de problemen in een agrarische
maatschappij. Als de oogst tegenviel, kon je geen belastingen betalen en moest je gaan lenen.
Door het kredietrecht vroeg men hoge interesten en indien je niet kon betalen, macht de
schuldeiser op alles beslag leggen. Zo ontstond er schuldslavernij. Een groot deel van de
bevolking kwam in de slavernij terecht met slechts een kleine bovenklasse. Men kon de socioeconomische wetmatigheden niet doorbreken dus was er geen hoop om uit de slavernij te komen.
Religie heeft deze situatie wel proberen te doorbreken met drie wettencomplexen:
1. Verbondsboek (exodus)
2. Deutronomium
3. De Heiligheidswet (leviticus)
De voorschriften zijn religieus gefundeerd om het evenwicht tussen eigenbelang en algemene
welzijn te bewaren.
1. Renteverbod en het pandrecht
Exodus: Als je aan iemand geld leent, mag je geen rente vragen. Als je iets in pand
neemt, moet je dit teruggeven. Aan het bestaansminimum mag je niet raken, rente is nefast voor
de maatschappij want het kan leiden tot woekeren. ‘God is vol medelijden’, ook de mens moet
dan medelijdend zijn.
Deutronomium: Je mag geen rente vragen van je broeder. Het is een uitbreiding van
exodus. Rente vormt een gevaar voor de gemeenschap.
2. Wet van het zevende jaar
Exodus: Het zevende jaar wordt het land niet bebouwd zodat de armen kunnen eten van
wat erop groeit. De regel voor de landbouw (het land laten herstellen), wordt uitgebreid met een
caritatieve functie. Er is een evenwicht tussen eigenbelang (6 jaar bebouwen) en algemeen
belang (1 jaar voor de armen, perceel voor perceel).
Deutronomium: De wet wordt uitgebreid naar kredietverschaffing. Om de zeven jaar
moeten de schulden in het hele land kwijtgescholden worden op religieuze gronden. Deze
kwijtschelding is echter niet typisch joods-christelijk. Vroeger vonden er ook kwijtscheldingen
plaats als vb. er een nieuwe koning de troon besteeg.Het is wel uniek dat het om de zeven jaar
moet plaatsvinden.
3. Slavernij
Exodus: Slavernij van mensen die in armoede terecht zijn gekomen wordt niet afgeschaft,
maar het wordt wel menselijker gemaakt. Slaven mogen 6 jaar dienen en het zevende jaar zijn ze
vrij om te gaan. Dit geldt echter alleen voor de mannelijke slaven. Indien een mannelijke slaaf
getrouwd was voor men slaaf werd, mag hij zijn vrouw meenemen na 6 jaar. Anders blijft de
vrouw de meester toe behoren. ~ Kwijtschelding van de schulden
Deutronomium: Slaven en slavinnen mogen zich na zeven jaar weer vrij noemen. Men
mag zijn slaaf ook niet met lege handen laten vertrekken anders is hij vlug terug veroordeeld tot
slavernij. Je moet je slaaf meegeven naargelang wat je zelf hebt. Hier ziet men weer het
evenwicht tussen eigen- en algemeen belang op religieuze gronden. De fundering van deze wet
ligt erin dat ze zelf slaaf zijn geweest in Egypte en dat Jahweh hun verlost heeft.
Liviticus 25: De heiligheidswet
Wet van het Jubeljaar: men probeert een religieus evenwicht te creëren tussen eigenbelang en
e
het belang van de maatschappij. Deze wet kwam tot stand in 6 eeuw VC en bestaat uit 2 delen:
het sabbatjaar en het jubeljaar.
1. Het sabbatjaar: Men mag het land 6 jaar bewerken, het zevende jaar is een sabbatjaar.
Heel het land moet dan rusten. Dit wordt gelegitimeerd doordat God ook de zevende dag gerust
heeft en dat de mens dit dan ook moet doen. Het is een herinnering dat de natuur meer is als een
gebruiksmiddel voor de mens. De natuur moet terug tot zichzelf komen, de aarde is een
geschenk. Dit is economisch een zéér zware eis!!
2. Het jubeljaar: - Na zeven sabbatjaren (49 jaar) is het 50
ste
jaar een jubeljaar. De slaven
moeten dan worden vrijgelaten. Dit lijkt een achteruitgang t.o.v de vorige wetten. Maar in de tekst
wordt ook gezegd dat er eigenlijk geen slavernij mag zijn, er mogen alleen dagloners zijn. De
mensen moeten per dag betaald worden. Het is dus een afschaffing van de slavernij voor de
Israëlieten. Dit wordt religieus onderbouwd: God heeft de mensen bevrijdt, ze moeten dus werken
voor Hem en niet voor iemand anders. Slaven mogen echter nog wel bij andere volkeren gehaald
worden. Dit is lange tijd de legimitatie geweest voor de slavernij van de zwarten. Er is een
dubbele moraal om dat de Israëlieten zichzelf zagen als het enige uitverkoren volk.
- Na 50 jaar moeten ook alle eigendommen terug gegeven worden. Dit
lijkt ook een sterke achteruitgang, maar teruggave zou overbodig moeten zijn. Het volk heeft de
plicht te zorgen voor zijn broeder die in armoede vervalt. Men moet proberen zijn grond te
behouden of zo vlug mogelijk het vruchtgebruik van de grond terugkopen. Men kan zijn grond
nooit kwijtraken, alleen het vruchtgebruik ervan en dit kan men dan terugkopen.
Opmerkingen:
* In het OT bestaat het kwijtschelden van de schulden uit het materiele en niet uit zonden zoals
vaak gedacht wordt in het christendom.
* De Wet van het Jubeljaar is nooit in praktijk gebracht. De wet is geschreven om het land terug
te geven aan de Israëlieten die lang in ballingschap geleefd hadden. Hun land was ondertussen
ingenomen door anderen.
* Het Jubeljaar werd daarom niet meer gezien als iets concreets, maar het werd geprojecteerd
naar een Messiaanse tijd. De Messias gaat slaven vrijlaten, eigendom teruggeven,…
* Jezus wordt gezien als de vervulling. Jezus bevrijdt daadwerkelijk en niet enkel spiritueel.
Vb. Hij laat blinden zien, laat gevangen vrij,…
CONCLUSIE: "Naar wie zouden wij gaan, Heer? U hebt woorden
van eeuwig leven!" naar Joh 6,68
- In het fundament heeft de joods-christelijke traditie nog iets te zeggen, de wetten hebben nog
betekenis.
- Er is een aanpassing aan de veranderende wereld. Religie moet zich kunnen aanpassen aan
veranderende omstandigheden.
- Geloof is een radicale zaak. Het vordert op tot het nemen van initiatieven. Je moet zelf
bevrijdend optreden. Geloof moet dynamisch zijn om in een onrechtvaardige wereld niet tevreden
te zijn met een status quo.
- Geloof vordert op tot een universalistische invulling. De bijbel als fundament roept op tot
bepaalde dingen!
Download