Collegedictaat Theorie van de Geschiedenis II 2005

advertisement
Collegedictaat Theorie van de Geschiedenis II 2005
Aan dit dictaat hebben meegewerkt:
Fetjse Reinsma, Kaan Özgök, Wybo Wiersma, Pieter Huistra, Thomas Spekschoor,
Wouter Oortman, Magreet Tiwow en Jelte Olthof
1
College 1: 8 februari 2005
De eerste twee colleges zullen een synopsis vormen over de problemen van de
geschiedfilosofie. Daarna zullen een aantal thema’s aan bod komen die na 1986 speelden,
aangezien het boek al in 1986 is verschenen en dus niet up-to-date is. Aan bod komt de
thematiek van de microhistorie, de privatisering van het verleden, de lieux de mémoire
(herinnering) en het trauma (holocaust) en de omgang daarmee eind jaren tachtig begin
jaren negentig. Herman Paul (aio) zal een college spreken over Hayden White.
Geschiedfilosofie bestaat uit 3 componenten:
1. historiografie (al is hier discussie over of dit onder de geschiedfilosofie valt)
2. speculatieve geschiedfilosofie
3. kritische analytische geschiedfilosofie
Geschiedenis heeft een dubbelzinnige betekenis.
1. Dingen die gebeurd zijn (res gestae)
2. Verhaal over de dingen die gebeurd zijn (historia rerum gestarum)
Deze dubbelzinnige betekenis suggereert dat de twee niet zonder elkaar kunnen.
Geschiedenis is er pas nadat er reflectie heeft plaatsgevonden. Pas tijdens het historische
besef wordt het verleden een object.
Speculatieve geschiedfilosofie
De speculatieve geschiedenis gaat uit van geschiedenis als res gestae. De speculatieve
geschiedfilosofie hecht belang aan de reflectie van het verleden en wil op deze wijze een
grote lijn ontwaren in de geschiedenis. Hiervoor heb je een bepaalde afstand nodig. Je
moet jezelf boven de geschiedenis uit tillen (bird’s eye’s point of view). De theorieën van
de speculatieve geschiedfilosofen worden gekenmerkt door drie dingen:
1. periodisering
2. een motor in de geschiedenis
3. toekomstvoorspellingen: al zijn sommigen hier erg voorzichtig mee. Hegel houdt
zich bijvoorbeeld alleen met het verleden bezig en wat hij over de toekomst zegt
is vrij ambigu. Anderen zien een bepaalde tendens maar zijn van mening dat hier
iets aan gedaan kan worden zodra men zich bewust wordt van die ontwikkeling.
Een voorbeeld hiervan is Toynbee. Hij stelt dat de geschiedenis op een afgrond
afstevent. Tonybee meent dat het Katholicisme de enige manier is waarop we
deze ontwikkeling een halt kunnen toeroepen.
Een goed voorbeeld van een speculatieve geschiedfilosoof is Karl Marx. Ten eerste
brengt hij een bepaalde periodisering aan. Hij begint met de primitieve samenlevingen
van de nomaden en de jagers en verzamelaars. Hier is wel een werkverdeling tussen man
en vrouw, maar daar gaat Marx niet echt op in (maar Engels wel). Daarna volgt de
Oudheid waar de slaven tegenover de burgers staan en het plebs tegenover het patriciaat.
Er was een sociaal economische oppositie. In de middeleeuwen is dit ook zichtbaar door
de verhouding van horigen ten opzichte van de adel. Uiteindelijk komt de bourgeoisie
tegenover het proletariaat te staan en wordt het verschil tussen de twee klassen wordt
steeds groter. Bedrijven komen in steeds minder handen terecht waardoor het aantal
2
kapitalisten afneemt maar het proletariaat groeit. Uiteindelijk kan zo’n samenleving niet
voortbestaan en zal de klasseloze maatschappij een feit zijn. De motor achter deze
ontwikkeling vormen de klassenfricties (bepaald door conflict tussen productiekracht en
productieverhoudingen). Het einddoel vormt de klassenloze maatschappij waar geen
ongelijke arbeids- en inkomstenverhoudingen zijn.
In de tweede helft van de twintigste eeuw worden de speculatieve systemen sterk
bekritiseerd, onder anderen door Karl Popper in zijn werk: Poverty of historicism (1954).
Hij is van mening dat de toekomst voorspellen niet mogelijk is. Hij beargumenteert dit in
drie stappen:
1. Iedere samenleving (aard van de samenleving) is afhankelijk van, of wordt zelfs
bepaald door het niveau van wetenschappelijke kennis.
2. Je kunt niet voorspellen wat toekomstige wetenschappelijke kennis zal zijn. Want
als je wist wat de kennis zou worden dan zou het al geen toekomstige kennis meer
zijn.
3. Door I en II te combineren is de conclusie dat een toekomstige samenleving dus
niet voorspelbaar is.
Speculatieve geschiedfilosofen maken veel gebruik van pseudo-wetenschappelijke
argumentatiepatronen.
Volgens Popper wordt ook het begrip wet verkeerd gebruikt, een term die speculatieve
geschiedfilosofen vaak in de mond nemen. Het is onwetenschappelijk om die term zo te
gebruiken. Natuurwetenschappen maken op een andere manier gebruik van wetten. Het
gaat bij de natuurwetenschappelijke wetten om onveranderlijke zaken. Wetten zijn wel
toepasbaar in de geschiedenis maar dan alleen op primitieve samenlevingen, die cyclisch
zijn. Ook hier wordt alles steeds herhaald (seizoensgebonden). Op dynamische
samenlevingen is het onmogelijk aangezien er geen parallel is met de
natuurwetenschappen.
Nu is een uitzondering op een natuurwet echter ook mogelijk. Ankersmit noemt het
voorbeeld van de planeten die altijd op een bepaalde snelheid om de zon draaien. Deze
kunnen echter worden vertraagd doordat ze een gaswolk moeten passeren. Omdat de
planeten worden afgeremd neemt hun kinetische energie af en wordt de baan om de zon
kleiner. Deze verandering zou vergelijkbaar kunnen zijn met een menselijke
samenleving, maar de geschiedenis werkt toch anders. Bij het zonnestelsel gaat het over
algemene wetmatigheden die veranderen als de beginwaarde anders is. Dit is binnen de
geschiedbeoefening niet het geval. Conclusie is dat de speculatieve geschiedfilosofie
onzin is. Sinds de kritiek van Popper (en enkele anderen zoals Mandelbaum) heeft
niemand zich echt meer met de speculatieve geschiedfilosofie bezig gehouden.
Rehabilitatie van de speculatieve geschiedfilosofie
Haskell Fain schreef het werk Between philosophy and history (1973) en zorgde daardoor
voor een rehabilitatie van de speculatieve geschiedfilosofie. Historici proberen vaak
dingen te verklaren aan de hand van causaliteit. De standaardtheorie over causaliteit is
van David Hume. Hume zet uiteen dat causaliteit alleen in onze ideeënwereld, in onze
geest, bestaat. Causaliteit is volgens hem niets anders dan dat onze geest een link legt
3
tussen gebeurtenissen die zich vaak opvolgend voordoen. Als op gebeurtenis A veelal
gebeurtenis B volgt wordt gebeurtenis A gezien als oorzaak van gebeurtenis B. Echter de
geest legt deze link, buiten de geest is er geen verband in de zin dat A B produceert zoals
een Colafabriek flessen Cola produceert.
Fain heeft bezwaar tegen het toepassen van de standaardtheorie van causaliteit op de
geschiedbeoefening omdat die geen enkele beperking oplegt aan wat voor categorieën
van dingen causaal gerelateerd wordenk . Dingen uit één categorie kunnen niet oorzaken
zijn voor dingen uit een totaal andere categorie. Zo gaat een historicus niet te werk. Als er
bij zonnevlekken altijd een Nederlands kabinet valt, zal een historicus dit niet als oorzaak
aanduiden, dat zou waanzin zijn. Een historicus maakt niet zulke rare sprongen. Vandaar
dat de speculatieve geschiedfilosofie wel belangrijk is. Er zijn namelijk bepaalde lagen
die bijeen horen. De historicus moet binnen die laag blijven. De speculatieve
geschiedfilosofie bepaald wat een bepaalde laag is. Marx richtte zich bijvoorbeeld op
sociaal economische aspecten, maar Herder op culturele aspecten. De speculatieve
geschiedfilosofie geeft de matrix waarbinnen een verhaal moet blijven en is dus van
belang.
World History
World History is iets totaal anders dan Global History. Global History gaat over een
bepaalde tijd maar dan op wereldniveau. World History heeft echter hetzelfde object als
de speculatieve geschiedfilosofie, het geeft de geschiedenis weer vanaf het vroege begin
tot het heden. Ook hier wordt geprobeerd mechanismen aan te wijzen die de gang van
geschiedenis bepalen. William McNeill is van mening dat interculturele contacten voor
verandering zorgen. Ook is hij van mening dat er meer aandacht moet worden besteed
aan epidemieën en ziektes. Historici kijken vooral naar wat mensen elkaar aan hebben
gedaan, maar veel doden werden veroorzaakt door epidemieën en ziektes.
De World History probeert vaak een antwoord te geven op de vraag waarom het Westen
superieur is. Jared Diamond beweerde in zijn boek Guns germs and steel, dat in het
Westen de juiste dieren voor een goedlopend boerenbedrijf aanwezig waren. Daarnaast
wilden hier ook nog allerlei soorten graan groeien. In andere delen van de wereld waren
wel een aantal dezelfde kenmerken, maar niet de combinatie die er in het Westen was.
Er zijn dus grote overeenkomsten tussen speculatieve geschiedfilosofie en World History.
Beide geven een overzicht van het vroege begin tot het heden en beide zijn op zoek naar
de motor van de geschiedenis. Speculatieve geschiedfilosofie was herboren!
Kritisch-analytische geschiedfilosofie
De kritisch-analytische geschiedfilosofie hecht meer waarde aan de geschiedenis in de
betekenis van verhaal van gebeurde zaken (historia rerum gestarum). Centraal staat de
vraag hoe je van het verleden tot een historisch verhaal komt. Hoe kan er kennis van
gemaakt worden? Het is de wetenschapsfilosofie van de geschiedbeoefening. Alle vragen
die bij andere wetenschappen worden gesteld, kunnen ook bij geschiedbeoefening
worden gesteld.
4
Probleem 1: kentheorie of epistemologie
De kentheorie onderzoekt de voorwaarden voor de mogelijkheid van betrouwbare kennis.
Hoe is kennis mogelijk ?
De wetenschap maakt kennis mogelijk, maar ook die zit er soms naast. Maar waarom is
de wetenschap in staat kennis te verkrijgen ?
Het antwoord van de logisch-positivisten (waaronder R. Carnap) is dat dit mogelijk is
door inductie. Door een logisch redenatiepatroon op de feiten los te laten ontstaat er een
theorie.
Het constructivisme vraagt zich af wat dat voor de geschiedbeoefening betekent. Hoe is
kennis van het verleden mogelijk?
Lord Bertrand Russell is van mening dat het denkbaar is dat de wereld slechts 5 minuten
geleden is geschapen, inclusief de herinneringen die de mensen hebben. Praktisch maakt
het niet uit of Russell gelijk heeft aangezien kennis van het verleden alleen van belang is
om onszelf te oriënteren in het heden. Toch is het niet bevredigend en moet de bewering
van Russell kunnen worden weerlegd. Dit is mogelijk in twee stappen:
1. Russell heeft de 5 minuten volstrekt willekeurig genomen. Waarom geen uur, een
jaar of een eeuw? Er is niet een duidelijke breuk tussen de 5 minuten en de rest.
Russell heeft geen reden om voor een bepaald moment te kiezen. Alleen het
antwoord ‘nu’ zou mogelijk zijn.
2. Maar als Russell zegt dat de wereld nu is geschapen is het mogelijk hem te
pakken. Want wat zal hij morgen zeggen?? Hij heeft twee opties. De eerste optie
is zeggen dat de wereld op dat moment zal zijn geschapen. Dat zou echter
inconsistent zijn aangezien de wereld dan op 2 momenten zou zijn geschapen. De
optie die overblijft is het antwoord dat de wereld gisteren is geschapen, maar dan
komen we weer bij stap 1 uit. Het kiezen voor gisteren voor het ontstaan van de
wereld is weer volstrekt willekeurig.
Conclusie is dat het verleden echt heeft bestaan.
Probleem 2: toetsbaarheid
Het verleden is er niet, het is niet hier en nu gegeven. Een historicus kan het vertellen,
maar dat is wetenschappelijk onjuist. Het verleden moet hier en nu aanwezig zijn om de
kennis van de historici te toetsen (bewijsvoering). Kennis uit het verleden is niet te
toetsen aan dat verleden en dus onwetenschappelijk.
Het constructivisme heeft hier echter een antwoord op. Er zijn wel resten van het
verleden in het hier en nu waarneembaar. Door redeneren kan het verleden worden
gereconstrueerd. Deze reconstructie kan echter niet worden getoetst aan het verleden zelf.
Vandaar dat constructivisten zichzelf geen re-construvisten noemen. De
reconstructivisten vinden de constructivisten eigenlijk te bescheiden. Volgens hen moet
er vertrouwen zijn in het denken van de historicus, aangezien exacte wetenschappen ook
5
aan reconstructie doen. De afmetingen van een atoom bijvoorbeeld zijn niet na te meten
maar wel te berekenen.
College 2: 15 februari 2005
In hoeverre is kennis van het verleden mogelijk? Hoe kan je er zeker van zijn dat de
kennis die je hebt van het verleden ook de waarheid behelst? Wat betekent het om kennis
te hebben en wat bedoelen we wanneer we zeggen ‘a weet dat p’ (waarbij a staat voor een
bepaalde persoon en p voor een bepaalde uitspraak over de wereld, zoals ‘Zalm heeft de
gulden verramsjt’. Dat betekent dan de volgende drie dingen:
1 a gelooft dat p
2 p is waar
3 er is bewijsmateriaal voor p (hierover lopen de meningen weliswaar uiteen)
Naar aanleiding van het bovenstaande rijst de vraag: “Hoe is het gesteld met de waarheid
van de geschiedenis?”
Wanneer mensen spreken over de waarheid met betrekking tot het verleden is het uiterst
belangrijk je te realiseren dat waarheid als concept alleen betrekking heeft op uitspraken
over het verleden. Waarheid is onlosmakelijk verbonden met taal. Men kan waarheid niet
toepassen op de Res Gestae (gebeurtenissen/daden). De taal bedekt de gebeurtenissen van
de werkelijkheid van het verleden, daarop is het concept van waarheid alleen toepasbaar
ontleent en niet op (iets in) het verleden zelf.
Wat betekent waarheid eigenlijk? Veel filosofen waaronder Plato dachten erover na.
Voor hem was al datgene wat zich op aarde voordeed een afspiegeling/ illusie van een
andere dimensie waar de echte waarheden zich bevonden.
Er zijn, als het gaat om uitspraken over waarheid, twee theorieën te onderscheiden:
1. Correspondentietheorie
2. Coherentietheorie
Correspondentietheorie
‘Wanneer een uitspraak correspondeert met een bepaalde stand van zaken van de
werkelijkheid.’ Bijvoorbeeld iemand doet de uitspraak dat een tafel 1,5 meter lang is. Je
kan dan vervolgens de proef op de som nemen door de tafel op te meten en de uitspraak
te toetsen aan de werkelijkheid. Dit levert een plausibele definitie op. Toch zijn er
problemen, waaronder de paradox van de Kretenzer. De inwoner van Kreta die zegt dat
alle Kretenzers liegen en daarmee impliceert dat hij zelf ook liegt waardoor hij eigenlijk
de waarheid spreekt waarmee zijn eigen stelling weer wordt ontkracht. Op die manier
blijft het maar doortollen en nooit is er dan een vaste correspondentie tussen uitspraak en
werkelijkheid. Voor de logica is dit van belang.
Wat betekent corresponderen? Corresponderen is eigenlijk het gebruik van taal, maar hoe
kan een stukje taal de werkelijkheid weergeven? Met deze correspondentietheorie valt
pas te werken wanneer er een schema in de vorm van een gemeenschappelijke
6
achtergrond voorhanden is. Een soort van gemene deler tussen taal en werkelijkheid.
Maar dit is juist het probleem bij de relatie tussen taal en werkelijkheid, twee totaal
verschillende dingen. Een ‘oplossing’ wordt bedacht door de Poolse logicus Alfred
Tarski in de vorm van de zogenaamde T-sentences. Hij stelt een definitieregel voor voor
hoe waarheid te definieren voor individuele uitspraken (zoals ‘sneeuw is wit’). En voor
die uitspraak ziet de betreffende T-sentence er dan als volgt uit: “‘sneeuw is wit’ is waar
dan en slechts dan alleen dan als sneeuw wit is.” Het zit ‘m daarin dat Tarski de uitspraak
dat iets waar is nu van toepassing laat zijn op de uitspraak (‘sneeuw is wit’)zelf i.p.v. de
werkelijkheid. Een uitspraak over een uitspraak als het ware. En dan vermijd je dat
vervelende probleem van hoe het nu zit met die correspondentie tussen taal en
werkelijkheid.
Coherentietheorie
’De uitspraak is waar alleen wanneer die uitspraak cohereert met een aantal andere
uitspraken waarvan de waarheid al vaststaat.’ Wanneer deze uitspraak dus overeenstemt
met andere, als waar aanvaarde, uitspraken. Een probleem hierbij is dat bij deze theorie
het definiendum, dat wat gedefinieerd is, terugkomt in het definiens, dat wat gedefinieerd
dient te worden en de definitie dus geen begripsverheldering oplevert.
Beide theorieën zorgen voor veel debat bij filosofen. De correspondentietheorie definieert
de waarheid waar de coherentietheorie uitlegt hoe men tot die waarheid komt. De
correspondentietheorie werkt niet voor historici omdat het verleden niet meer bestaat, je
kan de uitspraak die je doet immers niet meer toetsen aan zaken die niet meer tot de
tegenwoordige werkelijkheid behoren.
Daarom werken historici liever met de coherentietheorie. Deze vorm zorgt ervoor dat
voorgaande theorieën als ‘kompas’ werken voor later onderzoek naar waarheden. Een
belangrijk punt bij de coherentietheorie is de zogenaamde thesis of theory-ladeness of
emperical facts. Deze these behelst dat reeds bekende standpunten de attitude ten aanzien
van nieuwe empirische feiten vormgeven en sterk beïnvloeden. Historici kijken namelijk
naar de werkelijkheid door een bril die bestaat uit wat er tot dan toe verzameld is aan
theorie en kennis. De consequentie hiervan is dat aanvaardde theorieën uit het verleden
als ‘zoeklicht’ fungeren voor het heden, zonder deze theorieën is er geen licht in het
donker.
Hans Ulrich Wehler stelt bijvoorbeeld dat daar waar de ontwikkeling van de politiek en
de economie in de 19e eeuw in heel West Europa gelijke tred houden, in Duitsland de
politieke ontwikkeling achterblijft bij de economische. Hiermee fundeert hij zijn
wereldberoemde Sonderwegthese. Echter, deze constatering werkt alleen bij de gratie van
de theorie die de relatie legt tussen politieke- en economische modernisering. Een
toepassing derhalve van de coherentietheorie. Je zou kunnen stellen dat deze deeltheorie
alleen maar relevantie heeft voor Wehler, maar toch moet je het gebruiken. Kant zegt
hierover: “concepten zonder empiristische inhoud zijn leeg maar zonder concepten zijn
we blind.” Met andere woorden; je moet ergens van uit kunnen gaan.
7
Pragmatische theorie
Een uitspraak is pas waar wanneer het een goede handleiding vormt voor de praktijk.
Wanneer je bijvoorbeeld op basis van een uitspraak succesvol kan handelen. Voor
historici is deze theorie van gering belang.
Waarheid van historische uitspraken
Na de behandeling van de kentheorieën en de waarheid zijn we aangekomen bij de
uitspraken. Wat is de waarheid van uitspraken? Carl Becker gaat vraagt door: “What are
historical facts?” Hij komt tot een driedelige vraagstelling.
1. Wat zijn historische feiten? – Volgens Becker gaat een feit verder dan wat wij
tegenwoordig een feit zouden noemen. De uitspraak “Caesar stak in 49 voor
Christus de Rubicon over” zouden wij als een feit bestempelen. Hij bedoelt
daarmee echter dat de context van wat wij het feit zouden noemen ook tot het feit
behoort. Het gaat om Caesar die als legerleider Rome niet te dicht mag naderen,
dus de historische interpretatie hoort bij het feit zelf. Deze verbanden moeten door
historici gelegd worden voordat zij feiten als feiten kunnen onderscheiden.
2. Waar zijn historische feiten? – Becker zegt dat het feit zich afspeelt in het hoofd
van de historicus, niet daarbuiten. Wanneer historici peinzen over gebeurtenissen
in het verleden zijn het historische feiten. Dat is voor leken vreemd omdat de
algemene opvatting van een historisch feit is dat het verankerd moet zijn in de
werkelijkheid. Ook hier blijft de verwarring tussen taal en werkelijkheid een rol
spelen, het verleden wordt vaak verward met het denken over het verleden. Dit
onderscheid wordt vaak genegeerd.
3. Wanneer zijn het historische feiten? – Volgens Becker als historici erover
debatteren en discussiëren.
Wat Becker over het hoofd ziet is dat hij feiten verward met de discussie erover. Je moet
dus het onderscheid blijven maken tussen feit en uitspraak over het feit. Feiten zijn
standen van zaken in de werkelijkheid zelf, er bestaan geen onware feiten.
Werkelijkheids-uitspraken
Er zijn drie soorten uitspraken over de werkelijkheid te onderscheiden:
1. Singuliere uitspraken – Uitspraken die over een individuele stand van zaken gaan
in het verleden. Voorbeeld: “Op 25 juni 1988 schoot Marco van Basten het
Nederlandse elftal naar de Europese titel.”
2. Algemene uitspraken – Dit zijn uitspraken die een algemene stand van zaken in
het verleden weergeven; generalisaties van singuliere uitspraken. Hier zijn twee
soorten te onderscheiden:
a. Empirische algemene uitspraken - Algemene uitspraken die empirisch
onderbouwd zijn. Voorbeeld: “In de middeleeuwen waren er veel mensen
katholiek.” Deze uitspraken neigen soms naar generalisaties.
8
b. Definiërende algemene uitspraken - Deze zijn niet empirisch gefundeerd
maar definiëren iets. Voorbeeld: “Alle revoluties komen voort uit de
klassenstrijd.”
3. Universele uitspraken - Uitspraken die je met name aantreft in de exacte
wetenschappen omdat ze een algemene geldigheid kennen. Deze uitspraken gaan
overal en ten allen tijde op. Deze uitspraken zijn niet ruimtelijke en temporele
beperkt. Wanneer er echter iets gebeurt dat de uitspraak tegenspreekt is deze
geldigheid volledig kwijt. Universele uitspraken doen over het verleden is
onmogelijk. Toch proberen sommige historici dit door middel van trucs wel te
bewerkstelligen. Door algemene uitspraken over het verleden om te ‘bouwen’ tot
universele. De vrij algemene uitspraak: “zeeslagen verliepen in de 18e eeuw
wanordelijk,” met een beetje gegoochel veranderen naar “wanneer
oorlogsschepen worden gebouwd zoals in de 18e eeuw het geval was zullen
zeeslagen chaotisch verlopen.”
Verklaringen voor deze pogingen kunnen worden gevonden in tegenstelling tussen de
aanhangers van de Unity of Science en hun tegenhangers van de Method Dualism. De
laatsgenoemenden vinden dat er een groot verschil is en blijft tussen geschiedenis en de
exacte wetenschappen. In de geschiedenis is het subject ook het object van het
onderzoek. Volgens hen zijn de Alfa-wetenschappen superieur omdat het vakgebieden
betreft die door mensen zijn geschapen en dat schept de mogelijkheid tot inleven in de
materie. Bij de exacte wetenschap is er altijd een zekere afstand.
De aanhangers van de Unity of Science streven naar een harmonie tussen de
wetenschapstakken en concentreren zich op de algemene toepasbaarheid van diverse
theorieën. Zij willen het verleden verklaren zoals exacte wetenschappen hun
vraagstukken verklaren. Zij passen hierbij de zogeheten Covering Law Model toe. De
kritiek op hen is dat men vindt dat het in de geschiedenis draait om zaken die strijdig zijn
met algemene wetmatigheden.
Inleven is ook het grondbeginsel van de hermeneutische wetenschap / historie. de
beroemde uitspraak: “history is reenactment of the past in the historians mind” is hier
van toepassing. Er zijn in de Hermeneutiek twee varianten te onderscheiden:
1. Duitse Hermeneutische traditie - Deze richt zich met name op de
tekstinterpretatie. Wat betekent een tekst? Dit is iets tussen jou zelf en de tekst.
De Duitsers erkennen geen plaats voor de auteursintentie en vinden dat flauwekul
omdat iemand die denkt een tekst te snappen altijd vanzelf denkt te weten wat de
auteur er mee wilde. Zij zien geen plek voor de auteursintentie in de historische
traditie.
2. Angelsaksische Hermeneutische traditie – Deze richten zich vooral op de
motieven van de historische actoren.
9
College 3: 22 februari 2005
Stelling: Historici die niet kunnen bijdragen aan de oplossing van de huidige
maatschappelijke problemen moeten een ander vak kiezen.
Robin George Collingwood was het hier mee eens.
Collingwood
Collingwood zag de historicus niet als een archiefrat of als een feitenfetisjist. De
historicus was in zijn ogen een nieuw soort menswetenschapper. De historicus moest een
bedrijver worden van de New Science of Human Affairs. New Science is een
rapprochement van theory and practice, een bijeenkomen van filosofie en geschiedenis.
New Science verliest zich niet in academische kwesties maar New Science zoekt de
kennis die het verschil maakt.
Het bijeenkomen van geschiedenis en filosofie is als volgt:
1) Geschiedenis moet een stevig filosofisch fundament krijgen:
a. Nature: Wat is geschiedenis ?
b. Object: Waar houdt de geschiedenis zich mee bezig ?
c. Method: Wat is de historische methode ?
d. Aim: Wat is het nut van de geschiedwetenschap ?
Deze vragen kunnen niet beantwoord worden zonder antwoord op vragen als:
Wat is de aard van tijd, handelingen, processen, etc... daarmee zijn we bij de
filosofie aanbeland.
2) Filosofie moet historischer worden. De vragen en begrippen van de filosofie zijn
niet eeuwig maar ze zijn bepaald door hun historische context. Ze moet zich dit
bewust zijn. Wil de filosofie relevant worden dan moet ze de eigen tijd in een
historische context plaatsen.
Tijdens zijn studie las Collingwood alle grote filosofen vanaf Plato tot aan zijn eigen tijd.
In Engeland was dit uitzonderlijk aangezien alles na Hume daar te modern gevonden
werd. Daarnaast deed hij aan archeologie. Hier leerde hij:
1) het doen van systematisch onderzoek
2) het vraag en antwoord gebeuren. Er is een overkoepelende vraag die het
beantwoorden van deelvragen vereist, die op hun beurt weer deelvragen kunnen
hebben etc... (auto stuk; wat is er mis ?: bougie stuk?; olie op ?; etc...)
Collingwood in actie
Hij kwam in botsing met zijn docenten die realisten waren.
Het realisme was niet fout volgens Collingwood, ze was alleen te beperkt. Het realisme
was gebaseerd op human stupidity. Voor concrete zaken zoals potloden gaat ze nog wel
goed, maar hoe moet het bijvoorbeeld met geschiedenis ? De geschiedenis bestaat
immers niet meer. Hoe moet men daar uitspraken toetsen aan "de werkelijkheid" ?
Het realisme stelt dat de werkelijkheid is wat ze is, terwijl de werkelijkheidsbeleving
historisch bepaald is en dus aan verandering onderhevig.
10
Deze zaken hielden Collingwood bezig toen WO I uitbrak. Hij kwam bij de Intelligence
van de Marine (een bureaubaantje; hij interpreteerde kaarten). Daar kwam hij los van zijn
docenten. Hij verliet het realisme, o.a. omdat hij de oorlog zag als een triomf van de
natuurwetenschappen. Hij ontkende niet dat de natuurwetenschappen ook veel goeds
gebracht hadden, maar voor menselijke zaken waren ze per definitie ongeschikt; dat was
misbruik. Hij wilde a new science of human affairs. Een praktische wetenschap gebaseerd
op geschiedenis en filosofie.
Zijn vragen waren de volgende:
1) Wat onderscheidt de geschiedwetenschap van de (natuur-) wetenschap ?
2) Hoe is geschiedenis als wetenschap mogelijk ?
3) Is geschiedenis een wetenschap, en zo ja: waarom ?
Kant had zich in de 18e eeuw al deze laatste vraag gesteld voor de natuurwetenschappen.
Dit heet de transcendentale vraag: een vraag naar de voorwaarden van kennis.
Het centrale probleem is dat het verleden er niet meer is; dus werkt het realisme niet. De
Italiaanse idealisten hadden een oplossing voor dit probleem. Ze redeneerden als volgt.
De geschiedenis is niet meer werkelijkheid, maar een constructie van de menselijke geest
en dus heel individueel. Hou dan maar op met kijken of uitspraken kloppen met het
verleden. Dit is het Constructivisme.
Collingwood vond het constructivisme gevaarlijk omdat het niets kon beginnen tegen
fascistische geschiedschrijving die alles zo verdraaide dat het fascisme het einddoel van
de geschiedenis werd. Vico, Machiavelli, Dante en de Romeinen werden gepresenteerd
als proto-fascisten. Kritiek hierop moest mogelijk zijn.
Collingwood vond in 1928 in het Franse plaatsje Die een betere basis voor zijn Science of
Human Affairs dan het realisme of het Constructivisme. Het Reconstructivisme.
Zijn inspiratie hierbij was de archeologie. De archeologie gaat om meer dan beschrijven
en ordenen van lagen; ze draait altijd om functies. Stenen zijn een huis, scherven zijn deel
van aardewerk met een functie voor de mensen die leefden in het huis. De vraag is altijd:
Waar is dit voor ? Zo kwam Collingwood bij zijn eerste principe:
'All history is the history of thought' (denken moet je ruim zien)
Van een fibula kom je bij toga's en van daaruit bij de redenen en de situaties waarin die
gedragen werden. Je moet heel veel gedachten verbinden om te verklaren waarom er
griekse muntjes bij de muur van Hadrianus gevonden zijn. Om deze gedachten te kunnen
hebben moet je de gedachtenwereld van de cultuur van toen begrijpen.
Een probleem is: Hoe is kennis van een verleden gedachte mogelijk.
Re-enactment van het verleden in gedachten is de oplossing. Gedachten kunnen herhaald
worden. Je kunt nu denken dat je net dacht dat je dit las. Qua inhoud is de gedachte het
11
zelfde. De context waaronder ook de emoties en gevoelens vallen, is vluchtig en anders,
maar dat is niet relevant. Je kunt je eigen vroegere gedachten herdenken op basis van je
dagboek. Zo kun je ook de gedachten van Caesar opnieuw denken.
Het gaat dus niet om het construeren maar om het reconstrueren van gedachten die
geweest zijn, maar die dus ook weer herhaald kunnen worden. Hierover kan men dus
debatteren.
Deze re-enactment lijkt erg op de hermeneutiek van Dilthey. Collingwood zou daar mee
ingestemd hebben. Hij zag Dilthey als een genie omdat die ingezien had dat de historicus
altijd zijn object van binnenuit probeert te begrijpen terwijl de natuurwetenschapper de
zaak altijd van buitenaf bekijkt. Collingwood heeft echter ook kritiek op Dilthey. De
identificatie is niet zo volledig als Dilthey stelt. Je gaat niet op in Caesar als je jezelf met
hem identificeert. Een historicus blijft zichzelf terwijl hij zich inleeft. Hoe kan dit ?
Collingwood maakt onderscheid tussen:
1) de onmiddelijke ervaring: het geheel van gedachtes en gevoelens wat door ons
heen gaat op een bepaald moment.
2) de middelijke ervaring: de logische structuur van het denken.
Het gaat bij het inleven altijd om het tweede, het middelijke denken. Misschien was
Pythagoras wel verliefd toen hij zijn stelling uitdacht ? Dit doet er uiteindelijk echter niet
toe voor het begrip van zijn stelling. Ook in geval van Caesar kun je zeggen dat een losse
sandaal o.i.d. er niet toe deed. Hoewel de logica van dat moment een stuk vager is dan de
wiskundige logica van Pythagoras, kan het wel gereconstrueerd worden. Men kan de
posities herleiden, de betekenis van het oversteken van de Rubicon, Romeinse deugden,
etc. Het is niet makkelijk, maar het kan volgens Collingwood.
Reconstructie is erg intensief; het vereist:
1) Verbeelding: Op basis van bronnen etc. creatief denken over wat er gebeurd kan
zijn.
2) Kritisch vermogen: Ook je inbeelden in wat de reconstructie is van een collegahistoricus vereist verbeeldingskracht. Je kunt niet kritisch zijn als je je niet kunt
inbeelden in wat een ander denkt.
Omdat Dilthey geen onderscheid maakte tussen de middelijke en de onmiddelijke
ervaring kwam hij teveel bij herbeleven/aanvoelen uit. Voor Collingwood gaat het om het
kritische herdenken.
Hierin verschilt Collingwood ook van Gadamer. Die stelt dat de historicus vanuit zijn
eigen Weltanschauung streeft naar een horizon versmelting met het verleden. De verleden
ervaring zelf is nooit te kennen. De historicus kan het verleden alleen maar zien binnen
zijn eigen ervarings-horizon. Strikt genomen is er geen kritiek mogelijk binnen het model
van Gadamer.
Collingwood vond het begrip ervaringshorizon veel te vaag. Zijn mening was dat we wel
iets kunnen kennen van het verleden: namelijk de gedachten. Bij Collingwood is wel
12
kritiek mogelijk. Namelijk op de (on)volledigheid van de reconstructie in relatie tot de
bronnen.
Hij had hiermee antwoord op zijn vragen:
1) Het onderscheid tussen de geschiedwetenschap en de natuurwetenschap is dat de
geschiedenis vanuit de gedachten kijkt - van binnenuit - terwijl de
natuurwetenschap van buiten af kijkt.
2) Geschiedenis mogelijk als wetenschap dankzij de Re-enactment.
3) Geschiedenis is een wetenschap omdat het mogelijk is om reconstructies kritisch
te benaderen dankzij de encapsulation doctrine(het inleven vereist niet het
werkelijk zijn)
Hiermee had Collingwood de basis gelegd voor de Science of Human Affairs. In de jaren
dertig ging hij er mee aan de slag. In 1933 liet hij zien in zijn Essay on Philosophical
methods dat concepten een historische oorsprong hebben (plicht veronderstelt recht en
nut, etc. Filosofen moeten oog krijgen voor het overlappende karakter van filosofische
concepten). Er moest rekening gehouden worden met oude betekenislagen. Collingwood
zag als hoofdtakken de volgende gebieden: Kunst, Geschiedenis, Ethiek en Politiek
In 1937 maakt hij zijn Principles of Art. Dit is nog steeds een veel gelezen werk in de
esthetica. Hij laat hierin zien hoe de kunst zich ontwikkelde vanaf de tijd van de Grieken
tot in onze tijd. Terwijl het boek nog bij de drukker ligt voor proefdrukken krijgt hij zijn
eerste attack. Hij heeft niet lang meer te leven. Hij vertrekt naar Nederlands Indië.
Daar schrijft hij zijn Principles of History. In 1939 komt hij terug. Daar zit hij dan met
zijn manuscripten terwijl de oorlog aan het uitbreken is. Hij wil iets tegen de oorlog doen
met zijn New Science of Human Affairs.
Zijn laatste boek is The New Leviathan. Hij krijgt meer attacks. Zijn handschrift
verslechtert na elke attack zichtbaar. In 1942 gaat hij erg achteruit na een attack. Hij
wordt als een kasplant. In 1943 sterft hij.
Hij laat 4000 pagina's achter en de fundamenten van de New Science of Human Affairs.
Er is na WOII weinig meer mee gedaan. Men wilde geen grote woorden meer horen, het
detail bracht tenminste geen oorlog. Pas in de jaren vijftig pakte iemand het weer op.
Dray was net als Collingwood tegen de positivistische benadering van de geschiedenis.
Hij gebruikte de theorieën van Collingwood echter om te verklaren hoe het toegaat in de
geschiedenis. Niet om de transcendentale vraag te beantwoorden. Het werd een
handelingsmodel:
1) Er is een situatie van type C waarin A zich bevindt
2) X is juist in situaties van type C
-> A deed C
White valt Collingwood aan. Toch stelde White in een mailtje dat Collingwood zijn grote
voorbeeld is. Collingwood weidde namelijk 1/4e deel van een door hem gegeven collegereeks aan het belang van het verhaal binnen de geschiedwetenschap.
13
Meer dan ooit is een New Science of Human Affairs nodig! De historici zijn als een Nero
aan het spelen op hun harp, terwijl Rome brandt. Gooi weg die harp of kies een ander
vak! (aldus R. Peters)
College 4: 1 maart 2005
Omdat Ankersmit in het buitenland zit, wordt hij vervangen door Herman Paul. Paul is
aio en het onderwerp van zijn promotieonderzoek is het werk van Hayden White. White
is dan ook het onderwerp van het college.
Hayden White wordt vaak bekritiseerd vanwege zijn literatuurwetenschappelijke kijk op
het verleden. Hij wordt van werkelijk van alles beticht wat lelijk is, maar er zijn ook
mensen die vinden dat White een buitengewoon belangrijke geschiedfilosoof is. Hij is
dus een omstreden denker, vandaar dat Paul zich de volgende vraag stelt in dit college:
Wat roept White nu voor gevoel op, en wat zegt hij dat dit gevoel veroorzaakt? Paul zal
twee antwoorden aandragen: ten eerste het standaardantwoord, en vervolgens een
eigen(wijs) antwoord op dezelfde vraag.
Hayden White werd geboren in 1928 en is nog altijd onder ons, zoals bleek toen hij in
april hier in Groningen een gastcollege kwam geven. Hij begon zijn wetenschappelijke
carrière als mediëvist, maar hij raakte gedurende zijn loopbaan geïnteresseerd in de
intellectuele traditie. Zo kwam hij uiteindelijk terecht bij de negentiende eeuw en de
geschiedfilosofie als zijn onderzoeksveld. Hij is bekend geworden door zijn boek
Metahistory (1973).
De reputatie die White vestigt begint met het artikel 'The burden of history', ook al is het
artikel niet erg toegespitst. Hierin roept hij historici op terug te keren tot de methode van
geschiedschrijving die de negentiende-eeuwse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt
hanteerde in zijn Die Kultur der Renaissance in Italien, en wel om twee redenen. Ten
eerste maakte Burckhardt hierin gebruik van de artistieke vormen van zijn tijd. Hij was
een soort pointillist in de geschiedschrijving door allerlei kleine schetsen in zijn werk te
verzamelen en tot één geheel te maken. Burckhardt verbond zijn stijl van
geschiedschrijving dus met een heersende kunststroming. In 1966, het jaar van
verschijning van het artikel, was er in de geschiedschrijving geen positief verband meer
met de kunst, aldus White. De geschiedschrijving was op een culturele achterstand gezet.
In de tweede plaats komt de interpretatie van Burckhardt in één leidend idee bijeen, te
weten de renaissance, de wedergeboorte. Renaissance is een metafoor die Burckhardt
hanteert, en wat er in de geschiedenis gebeurde dat buiten die metafoor valt, nam hij niet
op in zijn boek. Volgens White wil Burckhardt niet de hele waarheid vertellen, maar
slechts één waarheid, waarin hij niet alles uit de geschiedenis wil opnemen. Deze
metafoor van de renaissance brengt zo in het werk van Burckhardt de ordening aan, en
maakt van zijn werk een geheel. White benadrukt het belang van zo’n ordenend principe
en zal later zelfs zeggen dat die metafoor zelfs belangrijker is dan de historische data.
Deze these van White riep en roept natuurlijk vragen op. Burckhardt moest toch wel eerst
14
zijn data kennen, voordat hij tot die metafoor kon komen? Op deze vraag geeft White
antwoord in zijn boek Metahistory. Dit boek heeft eigenlijk twee lagen: aan de ene kant
behandelt het de negentiende eeuw, maar aan de andere kant is het een theoretisch boek,
met de negentiende eeuw slechts als case study. White beschrijft de negentiende-eeuwse
historische cultuur aan de hand van het werk van een aantal toonaangevende historici.
Zijn keuze voor de negentiende eeuw is zeker niet verwonderlijk, omdat deze eeuw de
bakermat is van de moderne geschiedschrijving.
In zijn boek kiest White voor een nieuwe insteek. Hij bekijkt de teksten van de grote
negentiende-eeuwse historici en bestudeert deze niet als teksten over het verleden, maar
juist als de tekst op zich, als literatuur. De grote werken van Ranke en zijn tijdgenoten
ziet hij als teksten met een bepaalde vorm en bepaalde verhaallijnen. En deze teksten
moeten volgens White dan ook geanalyseerd worden met de instrumenten uit de
literatuurwetenschap. In 1973, toen het boek uitkwam, was het structuralisme de
overheersende stroming in de literatuurwetenschap en White haalde veel inspiratie uit het
werk van de structuralist Frye voor zijn Metahistory.
White onderscheidt een aantal lagen in historische teksten. Volgens hem ligt het verschil
tussen de verschillende negentiende-eeuwse historici in de verhaallijnen en
argumentatiestructuren die zij hanteren. Wat werkelijk telt zijn niet de bronnen die een
historicus gebruikt, maar juist de ordening die hij er in aanbrengt. White gaat als volgt te
werk: hij kijkt naar de argumentatiestructuren, naar verhalen en naar de ‘moraal van het
verhaal’ in een historische tekst. Hij onderscheidt dus verschillende dimensies. White
kent vier van deze dimensies:
1. troop
2. plot
3. argumentatie
4. ideologie.
Bij elk van deze vier categorieën horen dan weer vier typen, en zo weet White alle door
hem bestudeerde historici in een schema onder te brengen.
Ranke is hier een voorbeeld van. Volgens hem zijn er aan Ranke’s geschiedschrijving
twee dingen karakteristiek. Ten eerste is dat de leer van de Historische Ideeën: volgens
Ranke is er in ieder tijdvak een Historische Idee, die voor dat tijdvak essentieel is. De
taak van de historicus is nu deze idee op het spoor te komen om aan de hand daarvan de
wereld van het verleden te kunnen verklaren. Ten tweede heeft Ranke een voorkeur voor
de natiestaat. Volgens hem is het Ancien Régime een tijd van spanningen en allerhande
tegenstellingen, die met het ontstaan van de natiestaat tot rust komen.
De ideeënleer van Ranke lijkt een reductie van een tijdvak te zijn tot één bepaald idee.
Maar het is dan wel een reductie tot de kern van de zaak, een verschijnsel dat in de
retorica een synecdoche genoemd wordt. Dit is kenmerkend voor de geschiedschrijving
van Ranke, het is wat White de ‘troop’ van zijn geschiedverhaal noemt. Met de troop
duidt hij de meest basale gedachte in een geschiedverhaal aan, dus in het geval van Ranke
de Historische Idee. Eigenlijk doet Ranke met de natiestaat (zijn ideologie) iets
15
soortgelijks. Hiermee verzoent hij tegenstellingen in zijn verhaal. White vindt daarom de
plot van Ranke een ‘komisch’ karakter hebben (komisch in de betekenis van ‘in een
blijspel’), alles komt goed en eindigt in een harmonie in zijn verhaal. Wat nu van belang
is aan dat schema van White is niet het helemaal te kennen, maar te weten dat White een
aantal lagen in het geschiedverhaal onderscheidt.
Het voorgaande heeft echter nog geen antwoord op de vragen naar de verhouding tussen
interpretatie van bronnen en de bronnen zelf, noch het belang van die twee. White gaat
zich in de loop van zijn carrière steeds meer bezig houden met het plot; hierover gaat ook
zijn essaybundel The content of the form uit 1987. Hij vergelijkt hierin het moderne plot
in het geschiedverhaal met de premoderne geschiedschrijving. In de Middeleeuwen zijn
er slechts kronieken, opsommingen van feiten die de geschiedenis vormen. In het
moderne geschiedverhaal komt dan voor het eerste the narrative voor, er moeten relaties
gelegd worden tussen historische gebeurtenissen. Volgens White begint de historicus zijn
werk met de gedachte van het totaal, en daaraan koppelt hij de feiten. Voor White gaat de
form vooraf aan de content, de vorm bepaalt de inhoud.
The content of the form betekent echter nog meer bij White. Volgens hem is de
verhaalvorm een voertuig voor ideologie en een morele boodschap. De keuze voor een
bepaald verhaal verraadt iets over de historicus. Het verhaal dat de historicus kiest strijkt
immers altijd plooien in de geschiedenis plat. Het verhaal schept een eenheid die in de
geschiedenis zelf niet voorkomt. Als een historicus beseft dat hij dit doet is het niet erg,
maar als hij dat niet weet dan suggereert hij een eenheid in de geschiedenis die er
helemaal niet is. Dit verhaal dat eenheid suggereert werd in de negentiendee eeuw ingezet
om de nationale eenheid te scheppen.
Er is ook wel kritiek gekomen op White. Men vraagt zich af of een verhaal wel iets is dat
coherentie geeft, dat plooien gladstrijkt. Voor de 19e eeuw gaat dit misschien op, maar nu
toch niet meer? White gaat op deze kritiek niet verder in, maar wat hij zou kunnen
antwoorden is dat historici juist wel nog die negentiende-eeuwse verhaalvorm gebruiken.
White heeft met zijn werk een brug geslagen tussen de literatuur en de geschiedenis, door
zijn bestudering van plots en tropen. Maar hoe komt het dat hij zo geïnteresseerd is in dit
snijvlak tussen literatuur en geschiedschrijving? Als men zich deze vragen stelt, blijkt er
nog veel meer te zeggen over het werk van Hayden White.
Paul geeft dan nu ook zijn eigen(wijze) antwoord op de vraag waarom White zo’n
deining heeft veroorzaakt. Paul is namelijk niet bevredigd door het antwoord dat in het
voorafgaande gegeven is, en wel om twee redenen:
1. waarom veroorzaakt White die deiningen,, wat is zijn agenda?
2. de standaardinterpretatie is niet te rijmen met grote delen zijn werk
White kijkt altijd naar hoe de historicus naar de geschiedenis kijkt, en hij spreekt daarbij
altijd over ideologie. White is tegen wat hij ‘ironici’ noemt (positivisten, die gewoon
lekker aan geschiedschrijving willen doen zonder over theorie na te denken, en denken
dat ze gewoon objectief te werk kunnen gaan). In het tweede antwoord, het antwoord van
16
Paul, komt dit aan bod.
White is sterk gekant tegen een geschiedschrijving van historici die alleen maar in de
bibliotheek zitten, een geschiedschrijving die gelooft in objectiviteit. Hij is tegen deze
vorm van geschiedschrijving die geen culturele betekenis heeft. White is opgegroeid in
een Amerika waar juist deze geschiedschrijving in hoog aanzien stond. Hij verzet zich
tegen deze historici die denken alleen wetenschappelijk te zijn. Hij gebruikt in zijn strijd
tegen deze positivisten steeds verschillende methoden, en steeds gebruikt hij voor zijn
aanvallen de vorm van het essay. Ook voor White zelf geldt dus ‘the form is the content’.
De kritiek op White is vaak geweest dat hij wel steeds kritisch is, maar geen alternatief
biedt: “White weet wel wat hij niet wil, maar niet wat hij wel wil”. Hiermede is Paul het
niet eens, en hierom kijkt hij nog eens naar het werk Metahistory uit 1973. Hierin doet
White uitspraken over wat een historisch feit is. De meningen over wat een historisch feit
is lopen nogal uiteen (bijvoorbeeld Collingwood met zijn re-enactment of the past
tegenover Braudel met zijn longue durée).
Geschiedschrijving veronderstelt volgens White een bepaalde wereldbeschouwing. Voor
White begint dit met wat hij ‘prefiguraties’ noemt. Het zijn iemands prefiguraties die
bepalen hoe zijn historische werkelijkheid eruitziet. Deze prefiguraties verbindt White
met de tropen, de basisideeën van historici (zoals bij Ranke de Historische Idee). Het gaat
om ontologische ideeën die historici hebben, de metafysica van de historicus. Volgens
White moeten historici anti-ironische geschiedschrijving schrijven en zich mengen in het
publieke debat.
Terug naar het schema van White. Ranke past precies horizontaal in zijn schema, dat wil
zeggen: bij Ranke komen plot, troop, argumentatie en ideologie overeen qua stijl. Omdat
Ranke dus weinig verrassend is, vindt White hem maar een saaie historicus. Het zijn juist
die historici, die kris-kras door zijn schema gaan, die juist origineel en goed zijn. De
historici die White waardeert zijn De Tocqueville en Michelet, die hun zaak met
verrassende middelen bepleiten.
White bepleit dus een aantal dingen:
1. Een individuele, moreel betrokken en existentiële geschiedschrijving.
2. White is tegen positivisten en voor betrokkenheid, maar hij geeft geen recept voor
geschiedschrijving.
3. Voor White is zo’n moreel geladen geschiedschrijving niet dé waarheid, zoals in
de traditionele geschiedschrijving, maar een waarheid.
White maakt de zingeving van het verleden afhankelijk van de creativiteit van de
historicus. Maar wat betekent dit allemaal? Is de geschiedschrijving afhankelijk van de
zingeving van de historicus? Wordt zo de taak van de historicus niet ondermijnd? Hoe is
nu nog de ene interpretatie van het verleden boven de andere te verheffen?
Het sublieme is een term uit de esthetica, het slaat op een ervaring van onbeheersbaarheid
van de wereld. Voor White is de historische werkelijkheid subliem. Zij is voor hem
ontdaan van elke betekenis en chaotisch, zolang de historicus geen betekenis aan de
17
historische werkelijkheid verleent. We moeten ons er volgens White van bewust zijn dat
zingeving een individueel project is.
White schurkt zo dicht aan tegen het existentialisme van Camus en Sartre. Hij kent hun
werk niet van a tot z, maar het is wel zeker op zijn werk van invloed geweest. Het
existentialisme was een praktische filosofie van het alledaagse leven, en was daarom voor
White heel aantrekkelijk. Daarom is het zinvol in verband met White te spreken van een
existentieel humanisme. Dit zou drie beginselen van hem verklaren:
1. de werkelijkheid heeft geen betekenis
2. de individuele mens geeft betekenis aan de wereld
3. deze individuele menselijke zingeving heeft een voorlopig karakter, omdat een
interpretatie altijd in het hier en nu ontstaat.
Omwille van deze drie beginselen roept White op tot creativiteit, historici moeten van
hem van de gebaande paden afwijken. Het is ook hierom dat White geen verantwoording
aflegt over wat hij in het verleden gezegd heeft, zijn denken is altijd on the move, in het
hier en nu.
Wat in het eerste antwoord is verteld, is een deel van White’s geschiedfilosofie, maar
waar het echt om gaat is het tweede antwoord.
Tot slot kunnen we een balans opmaken van het werk van White in vijf punten:
1. White heeft een krachtige en overtuigende kritiek geuit op het idee dat wij de
verleden werkelijkheid kunnen kennen.
2. Hij heeft een aanzet gegeven tot een geschiedfilosofie waarin de tekst centraal
staat.
3. Als gevolg van de analyses van White is er veel meer aandacht voor stijl en
representatie. Dit heeft geleid tot een opleving van de geschiedschrijving.
4. White is ook een inspiratiebron geweest voor experimentele geschiedschrijving,
bijvoorbeeld een geschiedschrijving die feit en fictie door elkaar laat lopen. White
vroeg zich al vroeg af waarom geschiedschrijving niet door eigentijdse artistieke
vormen werd geïnspireerd.
5. Ten vijfde heeft White duidelijk gemaakt dat de historische wetenschap aan
zichzelf niet genoeg heeft. Het metafysische, esthetische en ideologische is
noodzakelijk (de prefiguraties).
College 5: 8 maart 2005
In de vorige vier colleges werd een situatie geschetst van de stand van de
geschiedfilosofie tot aan de jaren tachtig. In de volgende drie colleges kijken we naar de
situatie na 1980, dus na de verschijning van ons handboek. Hierin behandelen we drie
zaken:
1. Postmodernisme en microstorië (deze week)
2. Herinnering en herdenking van een trauma (volgende week)
3. Ervaring (laatste week)
Om het postmodernisme en de micro-storie (Italiaanse meervoud van microstoria, het
18
woord voor een miniverhaal) te verklaren neemt Ankersmit een klein aanloopje vanaf de
18e - en 19e-eeuw. In de 18e eeuw had men de overtuiging dat de taak van de historicus
vooral was om te berichten over de ideeën en de denkwijzen van de ‘grote mannen’
(koningen, bisschoppen, enz.). De vraag is wat dan de eigenschappen waren die je als
historicus moest hebben. Dit waren er twee.
1. Hij moet zich kunnen verplaatsen in deze grotere mannen en moet het
machtsspelletje doorzien. Hiervoor is slechts een flinke dosis gezond verstand
nodig, zo is de overtuiging van Ankersmit. Aangezien iedereen over zichzelf
denkt dat hij gezond verstand heeft is dit geen enkel probleem.
2. Verder werd beklemtoond dat je toch ook vooral goed moet kunnen schrijven.
Daarom was in de 17e- en 18e-eeuw de geschiedenis vaak ingedeeld bij de
retorica.
Dit veranderde tijdens, maar vooral na de Franse Revolutie. Hierin blijkt dat er in de loop
van de geschiedenis ook andere dingen bepalend zijn dan de ‘grote mannen’. De
Revolutie loopt uit op een fiasco, terwijl de intenties van de verschillende individuen in
de Franse Revolutie goed waren. Guicciardini had al eerder ‘ontdekt’ dat handelingen
van individuen veel onbedoelde effecten met zich meebrachten, maar nu kwam men
erachter dat dit proces ook op collectieve schaal (trans-individueel) plaats kon vinden.
Toen men zich dit bewust werd, groeide de overtuiging dat er meer nodig was om een
goed historicus te worden. Onder andere Ranke schrijft hierover. Men gaat er van uit dat
de historicus goed onderbouwd moet zijn in de sociologie, de economie en de
psychologie om het verleden in te schatten. Geschiedenis wordt daarmee een vak apart.
De historicus moet van vele, onpersoonlijke krachten, op de hoogte zijn. De
geschiedschrijving wordt hiermee een vak met een duidelijker object en een methode.
Alles wat bij een wetenschapsdiscipline hoort komt in deze tijd op, zoals specifieke
tijdschriften e.d..
Zoals bij alle wetenschappen het geval was kon de geschiedschrijving nu ook in de
metafoor van de kathedraal gevat worden. Geschiedschrijven was helpen aan het bouwen
van de kathedraal van historische kennis. Je wist al ongeveer hoe deze kathedraal er uit
ging zien, maar vele afzonderlijke delen moesten nog ingevuld worden. Deze situatie was
nog vrij overzichtelijk, hier komt echter een einde aan in de jaren zestig van de vorige
eeuw. Habermas verwoordt dit met de term die neue unübersichtlichkeit.
Dit valt uit te leggen met de metafoor van een hele grote stad. Iedere
geschiedwetenschapper gaat zijn eigen gang en is niet op de hoogte van het werk van een
ander. Dit terwijl dit voor de jaren zeventig nog niet het geval was. Het totaalbeeld
verdween bij de historicus. Het verleden privatiseerde, iedereen heeft zijn eigen
persoonlijke geschiedenis en trekt zich terug in zijn eigen privéwereld.
Dit komt vooral door de overproductie. Vroeger waren er veel minder historici die met
elkaar dus veel minder werk produceerden. Hierdoor ontstond een soort objectieve
realiteit van het verleden die iedereen accepteerde. Doordat het leger historici groeide en
iedereen probeert origineel te zijn en te ontwaren, ‘verdampt’ het verleden. Iedereen
krijgt een eigen notie van dit verleden en krijgt zijn eigen specialiteit. Sommigen
19
beschouwen een bepaald deel van de geschiedenis zelfs tot hun eigendom, zoals sommige
vrouwen met vrouwengeschiedenis hebben en negers met negergeschiedenis. Bijkomend
probleem is dat iedereen ook slechts geïnteresseerd is in het eigen terreintje en dit is wat
de postmodernisten onder de aandacht willen brengen.
Al in 1888 gebruikt Toynbee voor het eerst het woord postmodernisme. In de jaren zesitg
en zeventig krijgt het een grote naam, eerst in de architectuur. Men bedacht zich dat de
architectuur die er op dat moment was vooral bestond uit ‘sigarendozen’.
Postmodernisten hadden daar bezwaar tegen en wilden een speelsere architectuur, wat
ook gebeurt in de jaren tachtig. Hierna wordt het postmodernisme getransformeerd naar
de beeldende kunst. In de jaren zestig en zeventig was kunst heel abstract en konden de
meest idiote dingen mooi gevonden worden. De postmodernisten vonden dit te ver
doorslaan en wilden weer meer figuratieve kunst. Hoewel hun figuratieve kunstwerken
volgens Ankersmit vaak ‘een beetje griezelig en duister’ zijn, was er wel uitgegaan van
een herkenbaar figuur.
Opvallend is dat het postmodernisme in de wetenschap een hele andere inhoud krijgt.
In 1978 komt J.F. Lyotard in opdracht van de Canadese regering, die een overzicht wilde
van de toenmalige kenniseconomie, met het boek La condition post-moderne. Hij werd
hier wereldberoemd mee. In 1981 schrijft hij zijn hoofdwerk Le Différend. Hierna schrijft
hij nog een aantal boeken, maar Ankersmit en vele van zijn collega’s op een congres in
Atlanta, hebben het dan al opgegeven, omdat het onbegrijpelijk schijnt te zijn geweest.
La condition post-moderne is een aanval op de metanarratieven. Dit zijn de grote
verhalen die je over de geschiedenis kunt vertellen, zoals het vooruitgangsverhaal of het
Marxistische verhaal. Lyotard stelt dat het einde voor deze verhalen is gekomen. Ze
klinken weliswaar prachtig, maar dat zijn ze niet. Ze kwamen, volgens Lyotard, voort uit
het modernisme, waarmee hij eigenlijk de Verlichting bedoelde. Lyotard stelt dat de grote
verhalen in de geschiedenis ook veel slechts hebben gebracht, zoals rampen, oorlogen en
milieuvervuiling, maar dat deze in de metanarratieven niet naar voren komen.
Zygmunt Bauman zet dit nog sterker aan in zijn boek Modernity and the holocaust. Hij
stelt hierin dat de Verlichting ervoor zorgde dat mensen greep wilden hebben op de
wereld, zoals een tuinman greep wil hebben op zijn tuin. Deze tuinman doodt daarom het
onkruid en het ongedierte, wat een metafoor is voor wat de joden voor Hitler waren. Het
in de Verlichting ontstane maakbaarheidsideaal maakte het volgens Bauman voor Hitler
mogelijk de joden uit te roeien.
Wat Lyotard volgens Ankersmit niet wist is dat dit alles niet zo nieuw was. Hij deed
eigenlijk wat Popper al eerder had gedaan met zijn aanval op de speculatieve systemen.
Ook de negatieve ideeën over de Verlichting waren niet nieuw en al eerder geuit door
Jakob Talmon in zijn The origins of totalitarianism and democracy van 1951.
Hier is één uitzondering op. Lyotard wil van de metanarratieven af en wil naar de kleine
narratieven. Dat is vernieuwend. Hij karakteriseert deze aan de hand van Thomas Kuhn’s
20
The structure of scientific revolutions. Kuhn stelt dat de geschiedenis van elke
wetenschap is te periodiseren. Iedere periode is bij Kuhn een paradigma waarin iedere
wetenschapper van die tijd denkt. Zo zouden in de natuurwetenschappen eerst
Aristoteles, toen Newton en tenslotte Einstein een nieuw paradigma hebben ingezet. De
relatie tussen deze paradigma’s is er één van incommensurabiliteit. Dit houdt in dat het
verschil tussen de paradigma’s zo groot is dat er geen common ground meer onder te
vinden is. Je kunt theorieën uit verschillende paradigma’s niet meer vergelijken, omdat ze
te veel van elkaar verschillen. Lyotard projecteert dit op micronarratieven. De
incommensurabiliteit zou door deze micronarratieven zo groot zijn geworden dat niet
meer te beslissen is over gelijk of ongelijk.
Lyotard onderscheidt twee soorten conflicten.
1. Litige, een gerechtelijke twist. Deze zijn oplosbaar met behulp van het wetboek
(een gezamelijk paradigma).
2. Differend, een niet op te lossen conflict.
Deze laatste situatie is ontstaan in de condition post-moderne. De hele wereld is
gefragmenteerd. Er is niet meer één centrum. Dit heeft zich op alle gebieden zichtbaar
gemaakt, bijvoorbeeld ook in de politiek. Frissen stelt dat de werkelijke macht van
Nederland niet meer in Den Haag ligt, maar op de plekken waar burger en overheid met
elkaar in contact komen.
Maar wat heeft dit met de geschiedschrijving te maken? Daarvoor komen we bij de
microstorië. Voorbeelden van microstorië:
1. Montaillou van Le Roy Ladurie. Aan het eind van de middeleeuwen zijn er nog
enkele ‘pockets’ van heidendom over. Deze gaan zich in toenemende mate tonen,
door de verdere arbeidsverdeling. Eén van de plekken die in deze tijd ontdekt en
gechristianiseerd wordt is Montaillou een klein dorpje in de Pyrieneën. Dit dorpje
wordt tussen 1290 en 1305 doorgelicht door de inquisitie, die alle interviews met
dorpsbewoners op schrift heeft gesteld. Le Roy Ladurie gebruikt deze bronnen
(overigens niet als eerste) en hij maakt er een microstoria van.
2. Natalie Zemon Davis, Le Retour de Martin Guerre uit 1984. Dit speelt zich af in
de Provence, waar een boer woont (Martin Guerre) die in bed niet al te veel klaar
maakt. Hier baalt zijn vrouw nogal van en hijzelf eigenlijk ook. Hij besluit uit het
dorp te vertrekken, waarna een ander, op zijn bedprestaties na op hem gelijkende
man, zijn plek inneemt. Als Guerre na vijftien jaar terugkomt in zijn voormalige
woonplaats blijkt dat niemand dit gemerkt heeft. Hier schopt hij nogal wat stennis
over, een verhaal dat Davis verwoordt.
3. Het beroemdste voorbeeld van een microstoria is misschien wel De kaas en de
wormen van Ginzburg uit 1976. Dit gaat over een Italiaanse molenaar met een
rijke fantasie. Hij pikte door zijn werk allerlei verhalen op en kwam zo op een
theorie over het universum aan de hand van kaas (oersoep waaruit ons universum
ontstond) en wormen (wezens die daarin ontstaan zijn, wij...). Dit vertelde hij aan
de boeren die bij hem langs kwamen. Dit beviel de inquisitie niet zo en na
verschillende waarschuwingen, waarbij opgemerkt dient te worden dat de
inquisitie lang zeer terughoudend bleef, belandt de molenaar op de brandstapel.
21
Wat opvalt aan deze verhalen is dat ze op wereldschaal helemaal niets voorstellen, dus is
de vraag wat je er wel mee kunt. Kun je ze in een wijdere betekenis zetten? Ginzburg
komt hierover in zijn boek Sporen met een theorie. Hij stelt dat de microstorië een soort
spoor zijn van het verleden, waarmee je een groter deel van dat verleden kunt verklaren,
zoals een detective dat met sporen van een misdaad doet. Hij combineert inductie en
deductie, wat de methode van abductie oplevert.
De vraag blijft waar de microstorië sporen van zijn. Hierover komt Ginzburg met twee
theorieën, met name met betrekking op zijn eigen boek.
1. Er is een hele oude lang doorlopende boerenfilosofie, waarvan je een spoor krijgt
als je het verhaal van de kaas en de wormen leest.
2. Je ziet in zo’n microstoria in samengebalde vorm een groter deel van de
geschiedenis. Dit onderbouwt hij met de homeopathie van Hahnemann. Die stelt
dat een medicijn het meest effectief is in hele kleine hoeveelheden, omdat er een
geleidende schaal zou zijn tussen kwaliteit en kwantiteit. Dit koppelt Ginzburg
aan de geschiedenis, door te stellen dat je, als je een tijd echt goed wilt begrijpen,
er een heel klein deeltje van moet lezen. Ankersmit verwerpt deze theorie.
Later komt Ginzburg nog met andere argumenten om de microstorië te verdedigen:
1. Kunsthistorici in het algemeen en Morelli in het bijzonder, hielden zich lang bezig
met de toeschrijving van schilderijen. Dit was belangrijk want vervalsingen
konden, onterecht, veel geld waard worden. Morelli stelt dat je deze vervalsingen
lang niet altijd kunt herkennen aan de grote lijnen of aan de kleuren, maar juist
aan de details, zoals de tenen, de oren en de nagels. Daarin verraadt de vervalser
zich vaak. Ginzburg stelt dat dit ook zo is met de microstorië. Hierin zit het
vermogen om een tijd te reconstrueren.
2. Tenslotte is er nog een Freudiaans argument van Ginzburg gekomen. In de
psychoanalyse worden vaak hele kleine details, waarvan je zelf de betekenis niet
kent, gebruikt om je persoonlijkheid te karakteriseren. Microstorië kunnen dit
doorkijkje geven in een complete samenleving.
College 6: 15 maart 2005
Wat moet je met microstoria? Op zich zijn die gebeurtenissen waar het in de micro-storie
om gaat van verdwijnend klein belang in vergelijking met zaken als de geboorte van de
moderne tijd, de religie-oorlogen etc. Het heeft weinig importantie (uitspraak toelichten:
waarom?). Maar volgens Carlo Ginzburg is het een soort van spoorzoeken. Een serieuze
oplossing voor het nut van microstoria is het feit dat het een representatief is voor een
groter geheel(voorbeeld Menoccio). De term die hier bij hoort is ‘thick description’.
Clifford Geertz, een Amerikaanse antropoloog, gebruikte de term in de bundel The
interprediction of cultures. De term is geïntroduceerd door Gilbert Ryle. Ryle gaf twee
betekenissen aan de term, namelijk toeval (1) en verstandshouding (2). Bij 1 moet je
denken aan een persoon met een tic aan zijn oog, onbewust knippert hij steeds. Bij
verstandhouding moet je denken aan twee mensen die bewust naar elkaar knipperen. Het
eerste geval is toeval, het tweede is een teken van verstandshouding. Beide gevallen zijn
22
anders. In het eerste geval is de knipper toeval en heeft geen betekenis. Het tweede geval
is ‘thick description’, de knipper heeft wel betekenis en moet daarom geïnterpreteerd
worden door de persoon waar de knipper aan gericht is. Het is een boodschap doorgeven
door te communiceren. Bij de term ‘thick description’ gaat het om aandacht voor alle
betekenissen. Hier draait het bij antropologie ook om.
Drie elementen van ‘thick desciption’:
1. interpretive (interpretatie).
2. social discours (sociale discours)
3. proberen om een betekenis te zien die toepasbaar is, je moet het los zien van de
context.
Boek van Geertz: Balinese cockfighting. In dit boek komt de sociale cultuur van Bali tot
uitdrukking (de hele cultuur wordt als weerspiegeld gezien in de hanen-gevechten).
Volgens Leibniz is de hele wereld in een regendruppel samengevat. Zo is het ook met
‘thick description’. Het is een kleine gebeurtenis, maar het heeft een grote betekenis. Dat
‘kleine’ is de link met microstoria.
Geertz kaart een methodologisch probleem aan. Het kleine kan niet worden opgelost. Er
moet goed naar worden gekeken.
Geertz heeft invloed op Darnton, de schrijver van de microstoria ‘The great catmassacre’
( in Parijs). ‘Catmassacre’ moet je associëren met een massamoord op poezen in de 18e
eeuw. In dit verhaal komt de sociale plattegrond van Parijs duidelijk naar voren en dan
zijn er allemaal sexuele connotaties (cf. ‘poesje’) en je kan dan zien hoe het gesteld is
met de historiciteit van de sexualiteit. Sex wordt dus historisch gecontextualiseerd.
Foucault heeft een andere oplossing. Foucault schreef eigenlijk de eerste microstoria in
1968, Ik Pierre Riviere die mijn moeder, zuster en broer gewurgd heb. Het speelt zich af
in 1858. Pierre wordt opgepakt en schrijft in de gevangenis zijn verhaal, waarom heeft hij
zijn familie vermoord. Consternatie alom, het was ongehoord dat hij erover schreef. Dat
hij ze had vermoord viel nog binnen de perken, maar dat hij erover schreef kon absoluut
niet.
Foucault’s gedachte was dat de aard van de menselijke samenleving vooral spreken is,
een discours, associatie- structuren van taal. Kletsen gaat niet willekeurig. Een discours is
een zelfstandige macht die het denken bepaalt, het zou de tijdsgeest genoemd kunnen
worden. Hoe kreeg je hier grip op? Dat gaat via de uitsluiting: een tijd is wat in die tijd
wordt uitgesloten en verboden, wat, kortom, naar de marge wordt gedreven. En dat is nu
juist de plaats waar de micro-storie zich afspelen. Vandaar dat die micro-storie een
belang hebben dat veel groter is dan dat van zo’n micro-storia op zichzelf. Foucault keek
waar ‘spreken’(discours) voor was. Volgens hem was het de entree tot sociale
werkelijkheid. Te vergelijken met een microscoop, hiermee krijg je ook toegang tot de
werkelijkheid.
Foucault stelt dat er een kras op de microscoop zit. Een bepaald deel van de
23
werkelijkheid zie je niet. Je wordt je er pas van bewust dat je iets niet ziet door de kras.
De cruciale gedachte bij Foucault is dat pas als we kijken naar wat een discourse uitsluit
(zoals schrijven over een moord, of seks, of het gevangeniswezen) we door krijgen hoe
een discours er uitzag. Volgens Foucault moet je niet kijken naar wat het doorlaat, maar
wat het niet doorlaat. Kijken wat ‘discours’ verbied. De regels van spreken:
1. het verbod
2. het taboe
3. het onware
Foucault richt de aandacht op marginalisatie, homo’s. vrouwen, etc.. De waarheid van de
cultuur ligt in de perifirie. Daar gaat microstoria over. Menoccio vertelde ook wat over de
tijd waarin het zich afspeelde.
Herinnering en herdenking
Privatisering van het verleden. De gedachte hierachter is dat contact bemiddeld wordt
door grote dingen in de geschiedenis. Vijftig jaar geleden was er een brug tussen heden
en verleden. Geschiedenis was geschiedenis van natie, etc... Sinds de postmoderne
privatisering van het verleden is dat anders. Het verleden is opgedeeld. Het gaat niet meer
om de grote lijnen in de geschiedenis. Individuen bestuderen fragmenten. Herinnering
gaat belangrijke rol spelen in privatisering van het verleden. Herinnering associeer je met
individuen. Collectieve herinnering is namelijk een metafoor, het bestaat niet.
Boek van Patrick Hutton ‘History in the art of memory’. Hutton geeft beschrijving over
hoe herinneringen een rol spelen. Als je ‘memory’ vervangt door ‘history’ veranderd er
weinig. Hetzelfde geldt voor herdenking (een aspect van het verleden herinneren ->
privatisering). In de jaren negentig van de 20ste eeuw is er veel herdacht.
Maurice Halbwachs (Frankrijk) schreef veel over (collectieve) herinnering. Hij was een
socioloog. In de WOII werd hij vermoord door de Duitsers (hij was een jood). Hij was
betrokken bij de oprichting van de ‘Annales’ school.
Halbwachs schreef in zijn boek Çadres sociaux de la memoire, ‘het sociale aspect van de
herinnering’, over de collectieve herinnering. Het begint met de droom, het meest
individuele. Wat Freud hierover zegt in Traumdeutung. Hoe geeft een droom je toegang
tot het onderbewuste. Een droom geeft je hier de waarheid over. Bij gekken is iets mis in
de ‘diepte’. Kom je te weten door de dromen; het geeft je inzichten. Er wordt een
onderscheid gemaakt tussen manifeste (1) en latente (2) droominhoud. Manifeste inhoud
kun je herinneren, latente droominhoud is datgene wat de droom je eigenlijk wilde
vertellen. Via de manifeste droominhoud kan men de latente achterhalen. Je moet van de
manifeste naar latente droominhoud om de betekenis van een dromen te achterhalen. Dit
doe je via ‘verdichting’ en ‘verschuiving’.
Bijvoorbeeld; een (Franse) dochter die droomde dat ze haar (alcoholistische) vader zes
rozen (‘six roses’) gaf in een droom duidde op het hem toewensen van cirrose (in het
Frans ‘cirrhose’ - en dat spreek je dus net zo uit als ‘six roses’ - is een leveraandoening
die voortkomt uit overmatig drankgebruik). Dit is een verschuiving. De dochter die zicht
24
stoort aan het drinkgedrag van haar vader en die haar vader gelijkstelt aan zijn
dronkenschap doet ook aan verdichting (vader > dronkenschap).
Halbwachs moet niks hebben van de gedachten van Freund. Hij gaat hierover
discussiëren met zijn leermeester Henri Bergson. Halbwachs had echter wel respect voor
Freud.
Bergson's dureé lijkt op Dilthy's ‘Erlebnis’. Een ervaring van nu is gekleurd door het
verleden en de toekomst. Ervaring is nooit een individueel moment. Er is dureé, bepaald
door de vroege ervaring, bij ieder mens is deze anders. Hier verzet Halbwachs zich tegen.
Bij hem is herinnering bepaald door kleur. Historische herinnering is sociaal, gevoed
door wat mensen gemeen hebben in sociaal cultuur. Halbwachs is op dit punt dus niet
eens met Bergson. Bergson ziet de herinnering als iets individueels en Halbwachs ziet het
niet als iets individueels. Herinnering is een spiegel van alle manifeste en latente
droominhouden. Wel worden er bepaalde grenzen gesteld door cultuur, net zoals bij
Foucault werden er bepaalde regels gesteld door het discours.
Volgens Halbwachs is onze herinnering opgebouwd uit collectieve en sociale elementen,
niet individuele dingen, zoals bijvoorbeeld een huis. Halbwachs was een marxist, daarom
is hij een aanhanger van deze gedachte. Niets is van onszelf in onze herinneringen, het
komt allemaal van buiten. Een soort winst- en verliesrekening. Verlies is de collectieve
herinnering, winst is toegang tot het verleden, door onze herinnering.
‘Herinner dat’ kun je zeggen van je geboorte, maar je kunt niet zeggen ‘herinneren’. Bij
Halbwachs kan dit wel. Herinnering gaat veel verder terug. Het is niet gebonden aan je
eigen levensstijl. Hij kan herinneren wat er zich afspeelde voor zijn geboorte (dat is een
winst) maar het individuele ben je kwijt (dat is (te zien als) een verlies). Er zit wel wat in
wat Halbwachs zegt. Bijvoorbeeld het nationalisme in SU in de jaren ’80. Het
nationalisme is toch weer teruggekomen, het zat in de herinneringen.
In de jaren ’80 van de 20ste eeuw komt de herinneringscultus op. Historici hebben hier
een grote invloed op gehad. Een zeer belangrijk persoon hierin was Pierre Nora (1931leeft nog), hij was de laatste van de Franse filosofen. Heden ten dage zijn er nog maar
weinig belangrijke en beroemde Franse filosofen.
Nora schreef het boekwerk Les lieux de memoire. Het bestaat uit 3 delen:
1. ‘Le Republic’
2. ‘La nation’
3. ‘France’
In zijn geheel bestaat het boekwerk uit meer dan 7000 bladzijden. Nora heeft het niet
alleen geschreven, het was het eindproduct van collectieve arbeid.
In 1974 kwam hij met een 4-delige serie, ‘Faire de l’histoire’. Het was een imperialistisch
werk. “Wij veroveren de hele historische wereld”.
25
De titel ‘les lieux de mémoire’ is gebaseerd op het verhaal over de edelman Scopas en de
dichter Simonides van Keos (6e eeuw voor christus).
Het verhaal gaat als volgt; Scopas organiseerde een feest en huurde de dichter Simonides
in om een gedicht te schrijven ter ere van zichzelf. Maar Simonides vertelde niet alleen
positieve dingen over Scopas maar ook over Castor en Pollux. Scopas is niet tevreden en
hij betaald maar voor de helft, de andere helft moet Simonides volgens Scopas maar
halen bij Castor en Pollux. Een bediende vraagt de dichter om buiten te komen, er zouden
2 mannen (Castor en Pollux) staan te wachten op hem. Hij is nog maar net buiten of het
huis stort in, niemand, behalve Simonides overleeft het (dankzij Castor en Pollux die hem
op het juiste moment naar buiten lieten komen). De mensen in het dorp willen weten wie
er allemaal bij de ramp zijn omgekomen. De dichter gaat zich de personen herinneren in
het huis door een locatie met een herinnering te verbinden. Je kunt dingen herinneren
door ze aan een locatie te verbinden. Vandaar de titel voor zijn boekwerk.
Francis Yates schrijft hierover in zijn The art of memory (1966). Zij behandelt allerhande
mnemotechnieken en noemt ook het verbinden van herinneringen aan een locatie.
Herinneringen die verbonden zijn aan een locatie zijn weer op te halen door in gedachten
naar die locatie toe te gaan. Yates laat zien hoe belangrijk dergelijke technieken waren
voor de komst van het boek.
Pierre Nora schreef Les lieux de memoire (de plekken waar het leven nog in verbinding
staat met de geschiedenis). Nora was een marxist, het belang voor het levende verleden is
groot, geschiedenis is heel wezenlijk. Voor hem was dee Franse Revolutie een cruciaal
moment in de geschiedenis, een mening die in de jaren tachtig door een boek van
François Furet, La révolution française, aan inflatie onderhevig was.
Volgens Nora heeft geschiedschrijving een antithetische (oppositionele) verhouding tot
de herinnering. Daar waar de geschiedschrijving constant tracht mythes van het verleden
te ontmaskeren voedt de herinnering de mythe juist om de interessevoor en het belang
van de geschiedenis in stand te houden. Een soortgelijk idee was al eerder geventileerd
door Nietzsche in diens Over het nut en nadeel van geschiedenis. Hierin stelt hij dat de
wetenschappelijke geschiedschrijving geen brug naar het verleden vormt maar eerder een
scherm is wat er voor geplaatst wordt, waardoor het contact met het verleden verloren
gaat. Net als Nora stelt hij dat de herinnering van belang is om deze kloof te overbruggen,
maar waar Nora de kloof wijt aan de modernisering schrijft Nietzsche haar aan de
wetenschappelijke geschiedschrijving toe.
Alles wat het verleden begrijpt ontstaat in de laatste 200 jaar. De spanning tussen
‘herinnering’ en ‘geschiedenis’ neemt toe. Volgens Nora zitten we in een belangrijke
laatste fase waar ‘herinnering’ en ‘geschiedenis’ definitief verstoort is. Dat komt volgens
Nora door 3 dingen:
1. ideologie (marxisme)
2. mediatisering (TV)
3. globalisering (alles wat interessant is voor de wereld komt in het nieuws).
Nora gebruikt de metafoor van eb en vloed. Vloed is ‘milieu l’histoire’, we leven als
26
vissen in het water in het verleden. Bij eb trekt herinnering weg, ‘lieux memoire’,
overgebleven poeltjes waar de band met het verleden nog in stand is. Het wordt voorlopig
niet meer vloed, het water zakt weg, de band met het verleden loopt weg. Daarom schreef
Nora een boek.
Volgens meneer Ankersmit is dat een rare constructie. Wat helpt dat nou? Het is een
mooi idee, de herinnering moet je in kaart brengen. Maar kun je dan herinneringen
oppakken, herinnering stapelt zich juist op tussen herinnering en verleden. Nora schrijft
over de herinnering aan een verleden, niet over het verleden zelf.
Volgens Nora wordt de natie niet meer bestudeerd, maar de herinnering aan de natie. Een
voorbeeld van Nora is het door heel Frankrijk gebruikte schoolboek Le Tour de France
de deux enfants. Twee kinderen maken een reis door Frankrijk en dan wordt vertelt wat er
gebeurt is op de plekken waar ze langs reizen. Iedereen in Frankrijk leert op deze manier
hetzelfde. Er wordt een vorm van een nationaal besef gecreëerd, er vindt ‘invention of
tradition’ plaats.
College 7: 22 maart 2005
Hegel, Vorlesungen uber die Philosophie der Geschichte
Veel van Hegel’s werk is alleen maar bekend in de uitgewerkte vorm van zijn colleges
gegeven in de periode 1880 - 1890. Vorlesungen bestaat ook uit collegedictaten die zijn
zoon heeft gebundeld. Het werk bestaat uit vier delen:
1.Die Vernunft in der Geschichte: theoretische deel
2.Die Orientalische Welt
3.Die Griechisch-Römische Welt
4.Die Germanische Welt
We concentreren ons op de passage een hoofdstuk uit de Griechisch-Römischen Welt. De
passage is afkomstig uit het derde deel: Das Verderben der Griechischen Sittlichkeit,
oftewel over de ondergang van de Griekse zedelijkheid.
Om de passage goed te begrijpen is om te beginnen kennis van Hegel’s filosofie in het
algemeen noodzakelijk. Hegel's geschiedfilosofie is een soort van kosmologie, een
geschiedenis van alles. De geschiedfilosofie van Hegel geeft als het ware in de
menselijke geschiedenis een herhaling te zien van de kosmologie. Bij de kosmologie gaat
het om hoe uit een bepaalde dode materie op een bepaald moment de geest, inclusief
bewustzijn tot stand komt, een geest die in staat is om te reflecteren en na te denken over
de werkelijkheid. Dat is de grootste triomf in de evolutie, van dode materie tot een wezen
wat in staat is om na te denken over de werkelijkheid, om te spiegelen.
In Hegel's geschiedfilosofie herhaalt zich dit. Er is een gelijk proces te ontwaren in de
menselijke geschiedenis. De eerste fase, de Oriëntalische Welt correspondeert met het
stadium van de dode materie. Het denken en reflecteren ontstaat in de GriechischRömischen Welt. In de Germanischen Welt wordt dit proces voltooid. Dit proces van
bewustwording kom je in het gehele oeuvre van Hegel tegen.
27
In de Oriëntalische Welt is de mens nog quasi natuur, hij noemt dit de objectieve fase.
Object, datgene tegenover je is, is de natuur. Het subject zijn wij zelf. Het patroon van het
menselijke gedrag, het functioneren, zijn algemene wetmatigheden. Denk aan seizoenen,
rituelen en vaste gewoontes. In deze fase is er geen sprake van geschiedenis. Er zijn
natuurlijke wetmatigheden die de wereld beheersen. En net zoals de natuur geen
geschiedenis heeft, heeft de objectieve fase dat ook niet. In de deze fase kan de
geschiedenis zich niet hechten. Dat is de Oriëntalische Welt. Er is daarom ook geen
sprake van vrijheid omdat men niet in staat is de natuur te beïnvloeden. Deze fase
kenmerkt zich door een “Geist an sich”.
Hegel zet deze denkbeelden uiteen met een aantal voorbeelden. Hij gebruikt hiervoor gek
genoeg het contemporaine China van 1830. Hij stelt dat daar geen echte historische
ontwikkeling is geweest. En als je dus terug wil naar het verleden, je daarom kunt
beginnen met het bestuderen van China. Hierna bespreekt hij Indië en eindigt met
Egypte, dat een stuk ouder is dan China. Hij eindigt met Egypte omdat hij het gevoel
heeft dat in Egypte de eerste aankondiging is van de overgang van de objectieve naar de
subjectieve fase. Denken, d.wz. de subjectiviteit wordt een autonome kracht. De metafoor
die hierop van toepassing is, is de sfinx: de mens kruipt uit de leeuw. Je ziet gebeuren hoe
de mens van de ene fase in de andere fase kruipt. Deze overgang was niet definitief, het
Mohammedanisme onderstreept deze stelling. Tijdens het Mohammedanisme keert men
terug naar de eerdere fase, de natuurlijke fase. In de Mohammedaanse wereld (zesde tot
en met de tiende eeuw) zijn er geen herkenbare individuen waaraan de geschiedenis zich
hechten kan. Het is een komen en gaan van rijken.
De tweede wereld is de Grieks-Romeinse wereld. De (niet-definitieve) overgang naar de
subjectieve werkelijkheid wordt gemaakt in Griekenland. Hierin ontstaat een subjectieve
wereld. Er ontstaat de mogelijkheid om te spiegelen, het vermogen om waarheid te
ontwikkelen en om uitspraken te doen over de werkelijkheid. Er ontstaat individualiteit.
De “Geist für sich”. Nu kan een mens een wereld creëren die in overeenstemming is met
zijn wensen. Er is in dat geval sprake van vrijheid. Dat is niet het eindpunt.
Het eindpunt is de derde fase, de Germaanse wereld. In die fase is er sprake van de
absolute Geist. In deze fase komt de mens tot een adequaat zelfinzicht. Er vindt
voltooiing van de werkelijkheid plaats en er is geen conflict tussen object en subject. De
mens is volkomen vrij. Van de Geist an sich, naar de Geist für sich is er in de derde fase
een combinatie opgetreden, de “Geist an und für sich”. Met voltooiing in de derde fase
bedoelt Hegel niet de voltooiing van de wetenschap. Het is niet zo dat er een volkomen
adequate visie op de werkelijkheid. Maar de mens is in staat om de werkelijkheid in
zichzelf op te nemen.
Hegel over Socrates
Citaat Duitse tekst ter ondersteuning
‘Früher galten die Gesetze unbedingt, die menschliche Individualität stand in
Einheit mit dem Allgemeinen. Die Götter ehren, für das Vaterland sterben, war
28
ein allgemeines Gezetz, und jeder erfüllte den allgemeinen Inhalt ohne
Untersuchung. Da aber ging der Mensch in sich, fing an zu forschen, ob er sich
dem Inhalt fügen wollte und müsse. Dieser erwachte Gedanke brachte den Göttern
Griechenlands und der schönen Sittlichkeit den Tod. Das Denken erscheint also
hier als das Prinzip des Verderbens, und zwar des Verderbens der schönen
Sittlichkeit; denn indem er sich affirmativ weiss, stellt es Vernunftprinzipien auf,
die in einem wesentlichen Verhältnisse zur vorhandenen Wirklichkeit und im
Gegensatze gegen die beschränkende Sitte stehen. (..) Die Griechen wussten wohl
was sittlich war in jeder Beziehung; aber das der Mensch dies in sich suchen und
aus sich finden müsse, das ist der Standpunkt des Sokrates. (..) Sokrates hat die
Innerlichkeit des Menschen zu seinem Bewusstsein gebracht, so dass in dem
Gewissen das Mass der Rechten und Sittlichen aufgestellt wurde. Darin lag der
Gegensatz des bisherigen Sittlichen zu dem der folgenden Zeit; die früheren
Griechen hatten kein Gewissen. Sokrates ist als moralischer Lehrer berühmt; in
Wahrheit aber ist er der Erfinder der Moral. Er hat den Gedanken als das Höchste,
als das Bestimmende ausgesprochen. Sittlichkeit haben die Griechen gehabt; aber
welche moralische Tugenden, Pflichten usw. der Mensch habe, das wollte sie
Sokrates lehren.’1
Het moment van bewustwording is cruciaal in de geschiedenis. En dat associeert Hegel
met Socrates. Hij speelt een belangrijke rol in de subjectieve fase. Het gaat hierbij om het
conflict tussen Socrates en de Atheense staat. Hegel gaat speculeren over wat er achter de
veroordeling van Socrates schuilt. In de tijd van Socrates liet men zich leiden door de
wetten van de natuur. Men nam aan dat de wereld gewoon zo was. Socrates vroeg zich af
of we de inhoud van het verleden wel zonder meer moesten accepteren en stimuleerde
mensen zo over zichzelf na te denken. Doordat men over zichzelf ging nadenken, ging de
oude wereld van natuurwetten en wetten van goden, verloren. Griekse goden en zeden
gingen ten onder. Vóór de verspreiding van de ideeën van Socrates wisten de mensen hoe
ze zich moesten gedragen zonder daarvoor een legitimering in zichzelf te zoeken. De
bijdrage van Socrates was dat de maatstaf het innerlijke geweten werd. Het menselijke
geweten was de maatstaf voor wat rechtvaardig en zedelijk was. Vroegere Grieken
hadden geen geweten. Socrates toonde de innerlijkheid, en hij staat bekend als de leraar
van het moraal. Maar juist omdat hij ons op ons innerlijk heeft gewezen, is Socrates in
feite de uitvinder van de moraal! Vanwege het ontwrichtende karakter van zijn
denkbeelden voor de Atheense samenleving kreeg Socrates de gifbeker. De tragiek van
de dood van Socrates schuilt in het feit dat hij zijn plicht ten opzichte van het vaderland
vervulde: de noodzaak om over zichzelf na te denken. Tragiek heeft te maken met dat er
twee goede partijen zijn in plaats van één goede en één kwade. Dat is voor ons moeilijk te
accepteren. Geschiedenis is tragisch en vaak hebben beide partijen gelijk. Zowel Socrates
als Athene hadden gelijk. Athene had ook gelijk omdat het nieuwe principe van Socrates,
de subjectiviteit, de staat ondergroef die gefundeerd was op het objectieve principe. Beide
hadden aldus Hegel gelijk.
G.W.F. Hegel, Vorlesungen über die Philosophie der Weltgeschichte, Hamburg 1976, Band II - IV, 640644.
1
29
‘Nachher hat das athenische Volk das Urteil bereut, und auch das war gehörig. (..) Sie
sahen ein, daß sie ebenso mitschuldig oder ebenso freizusprechen seien, weil das Prinzip
des Sokrates bei ihnen schon feste Wurzel gefaßt habe, schon ihr eigenes Prinzip
geworden sei, nämlich das Prinzip der Subjektivität.’2
Wat in Athene objectief gegroeid was, maakte Socrates subjectief: De prachtige Griekse
wereld die heel natuurlijk was ontstaan, leek op een bepaald moment in de vierde eeuw
zo volmaakt dat het leek alsof het bedacht was door de mens. En dat terwijl het door de
natuur tot stand gekomen was. De terdoodveroordeling van Socrates vormt het bewijs dat
op dat moment de subjectiviteit al in de mensen was doorgedrongen. Ze wisten dat
Socrates een punt maakte met de moeilijke vragen die hij stelde. Indien de subjectiviteit
niet tot de mensen was doorgedrongen hadden ze de Socrates afgedaan als een dorpsgek.
In die zin pleegde de oude wereld zelfmoord en werd er plaatsgemaakt een nieuwe.
Dit is de grondvorm van historische ervaring. De grondvorm van het historische proces
ligt namelijk bij breuken. Een breukervaring is de grondvorm omdat het een gebeuren is
die gepaard gaat met pijn en verlies. Transities zijn altijd traumatisch. Je raakt altijd iets
kwijt. De Atheners hadden moeite met het afscheid nemen van de oude wereld. Overgang
van oude naar nieuwe identiteit. Overgang bestaat daaruit dat die nieuwe identiteit in
essentie een "het opgeven", een negatie (ontkenning) van de oude identiteit. De inhoud
van de nieuwe identiteit is de ontkenning van de oude identiteit. Zij, het Atheense volk,
werden hier wat zij niet meer waren. In de 19de eeuw is dat uitgedrukt in een gedicht van
Emily Dickinson: “the heart cannot forget/ unless it contemplate/ what it declines”. De
overgang van de oude naar de nieuwe identiteit betekent een ontkenning van de oude.
Hierdoor blijft die vroegere identiteit in zekere zin behouden, de oude identiteit wordt
binnenste buiten gekeerd.
Trauma en het sublieme
Het begrip “trauma” is voor het eerst gebruikt in Frankrijk in de jaren tachtig. Ter
illustratie haalt Ankersmit het voorbeeld aan van een vrouw die bij wijze van grap wordt
verteld dat haar man is verongelukt. Door het schokkende nieuw verliest de vrouw het
bewustzijn. Waneer ze bijkomt, is ze niet in staat om zich dat moment te herinneren. Dat
is karakteristiek voor trauma: het onvermogen om zich een traumatische ervaring te
herinneren omdat de ervaring zo verschrikkelijk is, dat het geen plaats kan worden
gegeven omdat het je hele voorstellingsvermogen en verwachtingspatroon te boven gaat.
De enige oplossing is dan de psychoanalyse waarbij men probeert terug te gaan tot die
ervaring en daar dan eindeloos over te gaan praten. Op die manier kan er een verzoening
tot stand komen met de ervaring. In de Eerste Wereldoorlog konden soldaten
bijvoorbeeld zich soms de meest verschrikkelijke ervaringen niet meer herinneren, maar
ze hadden wel de meest afschuwelijke nachtmerries. Verhalen vertellen bleek in zo’n
geval de oplossing.
In de geschiedenis zien we ook dat trauma’s moeten worden verwerkt. De Franse
Revolutie en de Industriële Revolutie zijn beide een voorbeeld van traumatische
2
Hegel, Vorlesungen, II-IV, 646.
30
ervaringen. Men raakte de vertrouwde omgeving kwijt en dat werd als een geweldig
verlies ervaren. Het was een traumatische gebeurtenis. Net als in de psycho-analyse
werden er eindeloze verhalen verteld, maar dan niet door patiënten maar door historici.
De belangstelling voor de geschiedenis kan men daarom ook zien als traumaverwerking.
Het fenomeen “trauma” staat momenteel zeer in de belangstelling, in het bijzonder door
de bijdrage van Dominic LaCapra. Hij schrijft vooral over de Holocaust. Dit zijn echter
individuele ervaringen en niet de ervaring van een cultuur. Ankersmit vraagt zich af of je
de sprong kunt maken van het individu naar de cultuur. Hij is hier kritisch over. In de
westerse cultuur hebben we geen wereld verloren in de Holocaust. De Holocaust leverde
geen collectief trauma op omdat we er niets mee verloren dat voor de beschaving
essentieel is. Niemand wil terrug naar de Holocaust. Daarom zijn we nu ook niet
gedwongen om te leven met de realiteit van de Holocaust terwijl dit wel het geval was
met de Franse Revolutie en met de Industriële Revolutie. Want men wist na 1815 dat men
met die zo verontrustende nieuw reealiteiten voortaan zou moeten leven, of men dat nu
leuk vond of niet. Hitler heeft ons niets nagelaten waar we naar terug zouden kunnen
verlangen in de zin van een historische categorie. Kortom, vele individuen moesten een
trauma verwerken, maar de beschaving niet. Hitler hebben we namelijk niet
geïnternaliseerd en deel laten uitmaken van onze wereld.
Drie onderdelen filosofie: goede, ware en schone (esthetica). Het sublieme hoort thuis bij
de esthetica. Het “sublieme” wordt voor het eerst gebruikt in de eerste eeuw na Christus
door Longinus in Over het verhevene. Hierin wordt de retorische categorie “taalgebruik”
besproken. Longinus is een Romein maar hij haalt zijn voorbeeld uit het Oude Testament.
Zo is in Genesis geschreven: God zei; “Er is licht”, en er was licht.
Het “Sublieme” verdwijnt dan een tijd maar komt terug in rond de 17de/18de eeuw met
een andere inhoud. De 17de/18de eeuw is de tijd waarin de filosofie zich sterk met de
kentheorie bezighield. Hoe is kennis van de werkelijkheid mogelijk? Hume, Kant, Locke,
Descartes buigen zich over deze vraag. Het sublieme gaat daar boven uit. Waarom stijgt
het sublieme boven deze vraag uit? Waarom komen deze filosofen tot ideeën die hun
eigen systemen onderuit halen? Burke baseerde zich bijvoorbeeld op de “Locke-aanse”
kentheorie. In Inquiry of sublime & the beautiful is het sublieme een combinatie van pijn
en plezier. Dit kan juist niet volgens de “Locke-aanse” kentheorie. Kant stelt
“Einbildungskracht” in Kritik der Reinen Vernunft aan de orde. In de derde kritiek gaat
Einbildungskracht in discussie met de rede. Waarom?
Wanneer je kentheorie bedrijft objectiveer je het proces van kentheorie. Wat is dan je
positie? Dat is het standpunt van het sublieme, waarbij allerlei rare dingen mogelijk
worden. Vanaf het platform van het sublieme ben je de wereld kwijt. De wereld die we
begrijpen, die toegankelijk is, ben je kwijt. Het sublieme is daarom een totaal verlies.
En daar gaat het om bij historici: de sublieme ervaring: wanneer men de overgang maakt
van de ene kentheorie naar de andere, zit daartussen een moment dat je niets hebt: en dat
is de sublieme ervaring, een verschrikkelijke ervaring, een moment van pijn en verlies.
31
Hoe hangt dat samen met het begrip ervaring? De relatie tussen het sublieme, pijn en
ervaring. Kentheorie: ene kant het kennend subject en aan de andere kant gekend object.
In Kentheorie probeert men alles toe te schrijven aan dan wel het subject, dan wel het
object. Daartussen zit de ervaring.
Kentheoretici willen het ervaringsbegrip marginaliseren. De ervaring toont, manifesteert,
zich op het moment dat men overgaat van bijvoorbeeld ene de kentheorie in de andere of
van ene identiteit in de andere, of van de ene wereldbeschouwing in de andere. Dan kan
de ervaring zich manifesteren en autonomie krijgen die het binnen het traditionele model
nooit had. Een concreet voorbeeld: het subject voelt pijn, en uit dit verbaal: “au”. Au” is
het moment dat de ervaring spreekt. De ervaring bevindt zich tussen subject en object.
Er is een neiging om ervaringen te minimaliseren. Ervaring kan pas autonomie krijgen als
je alleen de ervaring hebt. Kun je alleen ervaring hebben? Ja, wanneer je verschrikkelijk
pijn hebt. In het niemandsland tussen subject en object bevind zich ervaring / sublieme.
Deze fundamentele breukervaringen kleuren de geschiedschrijving.
Schokgolven van de Franse Revolutie zijn nu nog steeds voelbaar. Wij zijn daarom ook
de erfgenamen van de Franse Revolutie. De historicus kan met de breukervaring kompas
geven aan de maatschappij. Dat is de taak van historici. Historici vormen het Delfisch
Orakel in tijden van breuken.
32
tentamen 9 juni 2004
175x
LEES DIT EERST VOORDAT U DE VRAGEN GAAT BEANTWOORDEN!
1. Schrijf Uw naam en adres bovenaan het papier waarop U de vragen beantwoordt. Geef
tevens aan of U het tentamen al eerder aflegde en, zo ja, wanneer dat was en welke
cijfers U toen behaalde.
2. Beantwoord de vragen kort en bondig. Een uiteenzetting van overbodige zaken beinvloedt
de beoordeling eerder in negatieve dan in positieve zin. Aan de andere kant moet U
natuurlijk niets weglaten dat naar uw idee tot de kern van de zaak behoort.
3. SCHRIJF VOORAL DUIDELIJK. ALS IK IETS NIET KAN LEZEN, SLA IK HET
OVER EN DAT HEEFT UITERAARD ZIJN CONSEQUENTIES VOOR UW
EINDCIJFER.
4. Lever ook de vragen in.
5. Beantwoord ZES van de onderstaande ACHT vragen – NIET MEER EN NIET
MINDER!
HOORCOLLEGE
1. Wat valt in te brengen tegen de zogenaamde paradox van Russell volgens welke het in
principe denkbaar is dat heel het verleden niet bestaat en dat de wereld met alles daarin
slechts een minuut of vijf geleden door God geschapen werd?
2. Wat verstaat Collingwood onder ‘historical imagination’?
3. Leg uit wat Hayden White bedoelt als hij aan Ranke een ‘synecdochische prefiguratie’
toeschrijft?
4. Welk bezwaar kan ingebracht worden tegen Hayden White’s geschiedtheorie?
HANDBOEK MUNSLOW PLUS AANVULLENDE LITERATUUR
1. Wat verstaat Munslow onder 1) de ‘reconstructionist view of the past’, 2) de
‘constructionist view of the past en 3) de ‘deconstructionist view of the past’?
2. Wat verstaat men onder 1) de correspondentietheorie van de waarheid en 2) de
coherentietheorie van de waarheid? En welke van deze twee voldoet het beste voor de
geschiedbeoefening?
3. Wat verstaat men onder het 'covering law model'? Geef er een nauwkeurige beschrijving
van (de bezwaren die ertegen ingebracht werden hoeft U niet op te sommen).
4. Hoe hangen in Dilthey’s hermeneutiek de drie begrippen ‘Erlebnis’, ‘Ausdruck’ en
‘Verstehen’ met elkaar samen?
Veel succes en maak er wat moois van!
33
Download