De Organisatie van Afrikaanse Eenheid en de Afrikaanse Unie: hun

advertisement
Afrikaanse Talen en Culturen
Academiejaar 2009 - 2010
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid
en de Afrikaanse Unie:
hun optreden in conflicten
Casus: Westelijke Sahara
Promotor: Prof. Dr. Koenraad Stroeken
Masterproef, voorgelegd voor het behalen van de graad van Master in de Afrikaanse
Talen en Culturen door SANNE NAUDTS
Sanne Naudts
[email protected]
00604337
Master Afrikaanse Talen en Culturen
Masterproef
AMAFRI01000003
Academiejaar 2009-2010
Promotor:
Prof. Dr. Koenraad Stroeken
[email protected]
Vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen
4
Voorwoord
Een voorwoord schrijft men gewoonlijk wanneer het onderstaande werk voltooid is,
en wanneer een dankwoord op zijn plaats is. In dit geval is dat niet anders. Ik zou
dit werk nooit hebben kunnen volbrengen zonder de ondersteuning van een aantal
mensen.
Eerst en vooral gaat mijn diepe dankbaarheid uit naar mijn promoter, Prof. Dr.
Koenraad Stroeken. Hij heeft met zeer veel waardevolle tips en aanwijzingen
gegeven, en deze paper in de goede richting helpen sturen. Hartelijk bedankt voor de
zeer gewaardeerde begeleiding.
Vervolgens wil ik ook mijn dankbaarheid uiten ten opzichte van mijn ouders, zus en
vriend, die mij doorheen het laatste jaar enorm veel steun en moed hebben gegeven.
Dankjewel voor alle huishoudelijke taken die jullie van me hebben overgenomen,
dankjewel voor het begrip opbrengen voor mijn slecht humeur in stressperiodes,
dankjewel voor het me moed inspreken wanneer ik het even niet meer zag zitten,
dankjewel om me af en toe aan te manen terug aan het werk te gaan, dankjewel om
mijn isolatie van jullie, vooral in de laatste weken, te verdragen, dankjewel voor
jullie nuttige aanwijzingen wanneer ik vast zat, dankjewel om klaar te staan
wanneer ik jullie nodig had, dankjewel…
In het bijzonder ook een dankjewel aan mama, Lotte en Hilde, die op het laatste
nippertje nog een aantal stukken tekst van me hebben herlezen. Jullie hebben zo dit
werk bespaard van nog meer type- en spellingfouten, waarvan er ongetwijfeld nog in
staan. Jullie hebben ook vele geapprecieerde suggesties gedaan aangaande de stijl
van dit werk. Dankjewel…
Beste lezer, ik hoop dat je doorheen dit werk mijn geboeidheid voor het onderwerp
een beetje kunt ervaren.
5
6
Inhoud
Voorwoord ...................................................................................................................... 5
Lijst met afbeeldingen ................................................................................................. 11
Lijst met afkortingen ................................................................................................... 13
Inleiding ....................................................................................................................... 17
Hoofdstuk 1:
Eenheid
1.1
Aanloop naar de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse
23
Gemeenschappelijke kenmerken van Afrikaanse staten ............................. 24
1.1.1
Economie ................................................................................................. 24
1.1.2
Sociale stratificatie ................................................................................. 25
1.1.3
Politieke aspecten ................................................................................... 26
1.2
Buitenlands beleid en internationale relaties .............................................. 28
1.2.1
Buitenlands beleid .................................................................................. 28
1.2.2
Structuren in de internationale relaties ................................................ 30
1.3
Ideologische fundamenten voor de OAE ....................................................... 33
1.3.1
Nationalisme........................................................................................... 33
1.3.2
Panafrikanisme ...................................................................................... 34
1.4
Samenwerking, onenigheid en verzoening in de aanloop naar de oprichting
van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid ........................................................... 38
1.4.1
Redenen voor samenwerking ................................................................. 38
1.4.2
Redenen voor onenigheid........................................................................ 39
1.4.3
Opdeling van Afrikaanse staten............................................................. 40
1.4.4
Verzoening .............................................................................................. 41
1.5
De oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid ......................... 43
1.5.1
Conferentie van Ministers van Buitenlandse Zaken ............................. 43
1.5.2
Conferentie van Staatshoofden en Regeringsleiders ............................. 46
Hoofdstuk 2:
2.1
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid en de Afrikaanse Unie ...... 51
Organisatie van Afrikaanse Eenheid ............................................................ 52
2.1.1
Instellingen en organen .......................................................................... 52
2.1.2
Doelstellingen ......................................................................................... 55
2.1.3
Het budget van de OAU ......................................................................... 56
2.2
De Afrikaanse Unie ....................................................................................... 57
7
2.2.1
Instellingen............................................................................................. 57
2.2.2
Doelstellingen ......................................................................................... 57
2.2.3
Evaluatie van de OAE, toekomst van de AU ......................................... 60
2.3
De OAE en AU in relatie met de Verenigde Naties...................................... 61
2.3.1
Samenwerking tussen de OAE/AU en VN ............................................. 61
2.3.2
Representatie van Afrika in VN-organen .............................................. 61
Hoofdstuk 3:
3.1
Kolonisering en postkoloniaal conflict management ......................... 63
Kolonisering en dekolonisering ..................................................................... 64
3.1.1
Betekenis ................................................................................................ 64
3.1.2
Kolonisering............................................................................................ 64
3.1.3
Dekolonisering ........................................................................................ 65
3.1.4
VN-resolutie 1514................................................................................... 66
3.1.5
Soevereiniteit.......................................................................................... 66
3.2
Dekolonisering door de OAE: Liberation Committee ................................... 69
3.3
Conflictbeheersing door de OAE en de AU ................................................... 72
3.3.1
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid ............................................... 72
3.3.2
De Afrikaanse Unie ................................................................................ 75
Hoofdstuk 4:
4.1
De Westelijke Sahara – Situering conflict ......................................... 77
Facts and Figures .......................................................................................... 78
4.1.1
Natuurlijke omgeving............................................................................. 78
4.1.2
Bevolking ................................................................................................ 78
4.2
Natuurlijke rijkdommen in de Westelijke Sahara ....................................... 80
4.2.1
Fosfaat .................................................................................................... 80
4.2.2
Visgronden .............................................................................................. 81
4.2.3
Olie & aardgas ........................................................................................ 83
4.3
Internationale context ................................................................................... 85
4.3.1
Aandeel van Westerse landen in het conflict......................................... 85
4.3.2
Internationale organisaties en instellingen........................................... 88
4.4
Geschiedenis .................................................................................................. 91
4.4.1
Korte geschiedenis tot aan de kolonisatie ............................................. 91
4.4.2
Schematische chronologie van het conflict ............................................ 92
Hoofdstuk 5:
5.1
Conflict Management in de Westelijke Sahara.................................. 97
Verloop van het conflict ................................................................................. 98
5.1.1
Spaanse kolonisering ............................................................................. 98
8
5.1.2
Kwijnende kolonisering .......................................................................... 98
5.1.3
Voorbereiding op de Spaanse terugtrekking.......................................... 99
5.1.4
Spaanse terugtrekking ......................................................................... 100
5.1.5
Vredesplan van de VN en de OAE, voorbereidingen voor een
referendum en blijven zoeken naar een oplossing ............................................. 108
5.2
Een aantal controverses .............................................................................. 113
5.2.1
Mensenrechten ..................................................................................... 113
5.2.2
Natuurlijke rijkdommen....................................................................... 113
5.2.3
Status van de SADR ............................................................................. 114
5.3
Evaluatie van de rol van de OAE, AU en de VN ........................................ 115
Besluit ........................................................................................................................ 119
Bibliografie................................................................................................................. 123
Wetenschappelijke Literatuur ............................................................................... 124
Bronnen en documenten ........................................................................................ 131
Bronvermelding afbeeldingen in bijlage ................................................................ 140
Bijlagen ...................................................................................................................... 141
Bijlage 1: Classificatie van Afrikaanse staten .......................................................... 142
Bijlage 2: Charter ter oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. ...... 147
Bijlage 3: Constitutive Act ter oprichting van de Afrikaanse Unie .......................... 159
Bijlage 4: Resolutie 1514 (XV) ................................................................................... 173
Bijlage 5: Kaart van de Westelijke Sahara ............................................................... 175
Bijlage 6: Kaart van de VN-missie MINURSO ......................................................... 177
9
10
Lijst met afbeeldingen
Figuur 1: Kaart Westelijke Sahara door VN............................................................. 175
Figuur 2: Kaart van MINURSO in de Westelijke Sahara door VN.......................... 177
De bronvermelding voor deze afbeeldingen is opgenomen in de bibliografie.
11
12
Lijst met afkortingen
AfDB
AFESD
AHG
AMU
AU
AUA
AUC
AV
CIA
CIAHSG
CoM
EGKS
EU
GA
ICJ
ILO
IMF
ICO
MINURSO
African Development Bank
Arabic Fund for Economic and Social Development
Assembly of Heads of State and Government (OAE)
Arabische Magreb Unie
Afrikaanse Unie / African Union
African Union Assembly
African Union Commission
Algemene Vergadering (van de VN)
Central Intelligence Agency
Conference of Independent African Heads of State and Government
Council of Ministers (OAE)
Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
Europese Unie
General Assembly (of the UN)
International Court of Justice
International Labour Office
Internationaal Monetair Fonds
Islamic Conference Organisation
Mission des Nations unies pour l'Organisation d'un Référendum au
Sahara Occidental
OAE
Organisatie van Afrikaanse Eenheid
OAU
Organization of African Unity
OIC
Organisatie Islamitische Conferentie
OUA
l‟Organisation de l‟Unité Africaine
POLISARIO Frente Popular de Liberación de Saguía el Hamray Río de Oro
PSC
Peace and Security Council
SADR
Sahrawi Arab Democratic Republic
SAPs
Structural Adjustment Plans
SC
Security Council (of the UN)
UMA
Union Maghreb Arabe
UN
United Nations
UNDESA
United Nations Department of Economic and Social Affairs
USA
United States of America
VN
Verenigde Naties
WB
Wereldbank
WE
Wikipedia (Engels) – zie bibliografie
WHO
Wereldhandelsorganisatie
WN
Wikipedia (Nederlands) – zie bibliografie
WSRW
Western Sahara Resource Watch
WTO
World Trade Organisation
13
14
… the sacred principle
of self-determination…
OAU - AHG/Res. 81 (XIII)
15
16
Inleiding
Omschrijving van het onderwerp
Aan het begin van dit masterjaar bracht een vak over de Europese integratie me bij
het besef dat ook in Afrika een organisatie bestaat die zich richt op het
samenbrengen en verenigen van de staten op dat continent: de Afrikaanse Unie. Ik
wilde te weten komen hoe deze organisatie in elkaar zat. Al snel bleek dat de
Afrikaanse Unie en vooral haar voorganger, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid,
in de eerste plaats gericht was in het licht van de onenigheid en vijandigheid tussen
de Afrikaanse staten in de jaren 1960. Dit in tegenstelling tot de Europese Unie – of
althans de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, waarmee de Europese
integratie van start is gegaan – die geboren is vanuit een verlangen naar
samenwerking op economisch vlak. De Organisatie van Afrikaanse Eenheid werd
opgericht uit het verlangen eenheid te brengen onder de verschillende Afrikaanse
volkeren en staten, en om de vernedering en onvrijheid van de koloniale periode een
halt toe te roepen.
Nu zijn aspiraties op papier sneller geschreven dan in de praktijk te brengen. De
Organisatie van Afrikaanse Eenheid mocht dan wel mooie doelstellingen
geformuleerd hebben, dat betekende nog niet dat ze deze kon realiseren. Daarom
wilde ik onderzoeken wat de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, en haar opvolger
de Afrikaanse Unie, heeft betekend in het omgaan met conflicten en kolonisering op
het continent. Om dit onderzoek bevattelijk te houden, besloot ik dit aspect te
onderzoeken in het kader van een bepaalde casus. Ik koos ervoor het conflict rond de
Spaanse Sahara, later Westelijke Sahara, te behandelen.
De keuze voor net deze casus heeft de volgende redenen: ten eerste is het conflict
gestart in het midden van de jaren 1970, toen de Organisatie voor Afrikaanse
Eenheid een tiental jaar aan de slag was en al enige ervaring had kunnen opbouwen
in het omgaan met conflicten en gevallen van dekolonisatie. Ten tweede is het
conflict nog steeds niet opgelost, wat enerzijds maakt dat ik ook de rol van de
Afrikaanse Unie – die in 2000 werd opgericht – in dit conflict kan onderzoeken.
Anderzijds maakt dit mogelijk om moderne bronnen zoals internet te raadplegen bij
het onderzoek. Ten derde situeerde het onderwerp van mijn bachelorpaper zich in
West-Afrika, waardoor ik al enige vertrouwdheid heb met de geschiedenis van dit
gebied.
Ik zal dus onderzoeken wat en hoe groot de rol was/is van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid (OAE) en de Afrikaanse Unie (AU) in de ontwikkeling van het
conflict in de Westelijke Sahara en in het vinden van een mogelijk oplossing
daarvoor. Een definitieve oplossing is nog niet gevonden, want het conflict gaat
vandaag nog steeds verder, met weinig kans dat er in de nabije toekomst een einde
aan komt.
17
Om de vraag naar de rol van de OAE en AU enigszins goed te kunnen beantwoorden,
is het nodig eerst de visie van de OAE en de AU op conflict management te
achterhalen. Zo kan ik hun optreden in de Westelijke Sahara beter kaderen. Het
optreden van de OAE en AU is daarnaast afhankelijk van de redenen waarom een
conflict is ontstaan. Soevereiniteit blijkt hier het sleutelbegrip. Daarom zal ik
bekijken wat de visies zijn van de verschillende partijen op soevereiniteit in dit
conflict. Het derde en laatste onderdeel van de hoofdvraag is welke acties en
initiatieven de OAE en AU hebben ondernomen om te pogen een einde te brengen
aan dit conflict.
Om binnen de reikwijdte van deze opdracht te blijven, is het noodzakelijk het
onderwerp enigszins te beperken. 1 Er zijn dan ook een aantal aspecten of
onderwerpen die in deze paper niet aanbod komen of waarnaar slechts verwezen
wordt. Zo ga ik niet in op het discours rond mensenrechten en de eventuele
schendingen daarvan door partijen aan het conflict enerzijds, en op het discours van
rechten van volkeren anderzijds. Enkel de elementen van deze onderwerpen die
onmisbaar zijn in dit vertoog worden aangehaald. Daarnaast besteed ik geen
aandacht aan de hele problematiek rond de grote groep vluchtelingen die dit conflict
veroorzaakte, evenmin als aan het leven in deze vluchtelingenkampen. Tot slot komt
het ontstaan van nationalisme onder de Sahrawi‟s (de bewoners van de Westelijke
Sahara) niet aan bod, noch de opbouw of werking van de Sahrawi Arab Democratic
Republic (SADR)2, de staat die het de vrijheidsbeweging Frente Polisario oprichtte in
1976.
Methodologie
Voor het uitvoeren van deze studie heb ik mij in de eerste plaats gebaseerd op de
wetenschappelijke literatuur die al over dit onderwerp verschenen is. Het gaat om
boeken, hoofdstukken uit boeken en artikels uit tijdschriften.
Daarnaast heb ik een groot aantal documenten van de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid en de Afrikaanse Unie, die beschikbaar zijn via de website van de
Afrikaanse Unie, doorlopen. Het gaat enerzijds om zeer veel resoluties van de
Assembly, anderzijds om een heleboel verdragen en akkoorden, waaronder het
Charter van de OAE en de Constitutive Act van de AU. Via de zoekfunctie op die
website heb ik ook vele andere documenten gevonden, die inzicht geven in de
werking en visies van de beide organisaties.
Voor meer uitleg over het leven in de vluchtelingenkampen, het nationalisme onder de Sahrawi‟s en
de werking van de SADR, zie onder meer (Mundy 2007). Zie voor meer uitleg over de OAE en
mensenrechten (Welch 1994) en over de OAE en vluchtelingen (Bakwesegha 1994)
2 Ik zal verder in deze paper altijd de afkorting SADR gebruiken om naar de staat van de Sahrawi‟s te
verwijzen. In de literatuur en andere bronnen zijn evenwel ook andere vertalingen terug te vinden. In
het Nederlands: Democratische Arabische Republiek Sahara (DARS) of Arabische Democratische
Republiek Sahara (ADRS). In het Frans: République Arabe Sahraouie Démocratique (RASD). In het
Spaanse: República Árabe Saharaui Democrática (RASD).
1
18
De verschillende documenten van de OAE en AU hebben steeds een andere functie,
ze worden telkens anders genoemd en de taal waarin ze zijn opgesteld is anders. Het
is dus belangrijk deze documenten en de taal waarin ze zijn opgesteld zeer
nauwkeurig te bekijken, net als er ander materiaal bij te betrekken om zo goed
mogelijk te kunnen interpreteren wat er in de teksten – die soms een behoorlijk
cryptische indruk kunnen geven – bedoeld wordt. (Van Walraven 1996: 28)
Het valt overigens ook moeilijk te bepalen wat de rechterlijke status is van de
verklaringen, beslissingen, akkoorden, conventies, resoluties en andere documenten
van de organen van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en de Afrikaanse Unie.
De teksten en documenten geven daartoe zelf geen hint. Op die manier hebben de
lidstaten zelf enige vrijheid om de OAE en de AU te ontwikkelen zoals zij haar zien,
een optie tussen een losse, intergouvernementele samenwerking, of als een strakke
supranationale organisatie. De regels die de interne werking van de organisatie
bepalen, zijn uiteraard wel bindend voor de lidstaten. (Van Walraven 1996: 152;
Djiena Wembou 1994)
Een gedachte die hierover bij mij opkwam was dat staten in principe regels en
conventies kunnen ondertekenen die ze later niet ratificeren of niet uitvoeren.
Doordat de OAE geen echte sancties of straffen kan opleggen, hoeven de staten niet
te vrezen zichzelf nadeel te doen door voor het goede uitzicht een bepaalde beslissing
te ondersteunen en dan later toch te handelen naar eigen goeddunken. Of de
Afrikaanse Unie beter in staat zal zijn het opvolgen van conventies en resoluties af
te dwingen, valt nog af te wachten.
Men moet in ieder geval goed voor ogen houden dat op de website van de Afrikaanse
Unie niet alle resoluties van alle vergaderingen en sessie beschikbaar zijn. Enkel
deze van de Assembly en de Council worden geordend weergegeven, maar ze zijn nog
steeds niet allemaal beschikbaar. Dit staat in schril contrast met het vrij goed
georganiseerde documentensysteem van de Verenigde Naties. (AU s.d.)
Door deze zeer beperkte beschikbaarheid van bronnen, heb ik dus ongetwijfeld een
heleboel informatie gemist. Zo kon ik bijvoorbeeld niet achterhalen wat de
aanbevelingen van het Ad Hoc Comité voor de Westelijke Sahara waren. Via een
persoonlijk elektronisch contact met Klaas Van Walraven kon ik concluderen dat er
in Addis Abeba zelf, waar het hoofdkwartier van de Afrikaanse Unie gevestigd is en
ook de Organisatie van Afrikaanse Eenheid haar hoofdkwartier had, geen archief is.
Blijkbaar houdt elk departement en elke dienst zijn eigen documenten wat bij. Om
deze te kunnen raadplegen, moet je een persoonlijk contact leggen met de mensen
die deze documenten beheren.
Als de documenten van de OAE en de AU in papieren vorm al niet zo goed
georganiseerd en gearchiveerd zijn, is het ook wel logisch dat ze in digitale vorm nog
moeilijker te raadplegen zijn. Om te beginnen vergt het al een enorme inspanning
om zelfs een goed georganiseerd archief te digitaliseren. Een tweede redenen is
waarschijnlijk ook geldgebrek. De OAE en AU kampen met grote budgettaire
19
tekorten, en het is begrijpelijk dat ze hun geld liever in projecten steken die de
Afrikaanse bevolking ten goede komen. Ten slotte is het ook mogelijk dat de
Afrikaanse Unie er het nut niet helemaal van inziet om al hun documenten – of toch
een groot deel daarvan – digitaal beschikbaar te maken. (Van Walraven 2010)
Naast wetenschappelijke literatuur en documenten allerhande van de OAE en AU
heb ik ook enkele resoluties van de Verenigde Naties geraadpleegd, die verband
hielden met mijn onderwerp.
Tenslotte heb ik, omdat het conflict in de Westelijke Sahara nog altijd een actueel
conflict is, ook een beetje de actualiteit proberen volgen. Hier en daar is een
verwijzing opgenomen naar een recent nieuwsartikel en voor het actualiseren van
het historische overzicht van het conflict heb ik gebruik gemaakt van de
nieuwsitems op de websites van een aantal persagentschappen.
Tendensen
Tijdens het schrijven aan deze masterproef heb ik een aantal tendensen opgemerkt,
sommige daarvan sluiten redelijk centraal aan bij het onderwerp van deze paper,
andere hebben minder te maken met de centrale these. Ik soms ze hieronder
allemaal op. Deze tendensen zullen verduidelijkt worden doorheen deze paper en
sommige zullen terugkeren in het besluit.
Stichters van OAE worden steeds opnieuw verheerlijkt in verschillende documenten.
De oprichting van de OAE was ook een grote verwezenlijking, maar ook alleen maar
omdat ze is blijven duren. Andere samenwerkingsverbanden die in dezelfde periode
werden opgericht, zijn niet blijven duren, terwijl het veelal om dezelfde leiders ging
die de OAE hadden opgericht. Idee voor verder onderzoek zou dan ook kunnen zijn:
waarom is de OAE dan wel blijven duren? Ging het om een goede combinatie van
intergouvernementaliteit en supranationaliteit, of zijn er ook andere factoren in het
spel?
Gedurende de decennia volgend op de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid, blijkt uit de documenten van de OAE dat men steeds verder wil gaan in
samenwerken en integreren. Er is een sterke tendens van intergouvernementaliteit
naar supranationaliteit. De Afrikaanse Unie heeft de ambitieuze plannen om ooit toe
te komen aan een „Verenigde Staten van Afrika‟, een confederatie waarvan de
afzonderlijke delen federaties van staten zijn, overeenkomstig de huidige regionale
economische gemeenschappen. De vraag is echter of Afrika klaar is voor zoveel
integratie en supranationaliteit, nog maar een halve eeuw nadat men over
supranationaliteit niks wilde horen? Zal de Afrikaanse Unie deze plannen ooit
kunnen waarmaken?
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid in het laatste decennium van haar bestaan
en ook de Afrikaanse Unie hebben meer dan de OAE in haar eerste dertig jaar een
multisectoriële aanpak. In het begin was de OAE vooral gericht op dekolonisering –
20
dat is overigens het enige terrein waarin de Organisatie echt succesvol was – en het
oplossen van politieke conflicten. Langzaamaan kwam er ook wel wat meer aandacht
voor economische en sociale zaken, maar die bleven eerder op de achtergrond. Pas
vanaf de jaren 1990 komt er meer aandacht voor economische en sociale
ontwikkeling. De Afrikaanse Unie wil duidelijk tegelijkertijd inzetten op
conflictbeheersing en goed bestuur, en sociale en economische ontwikkeling. Dit
maakt anderzijds ook dat de Afrikaanse Unie minder dan de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid een duidelijke focus heeft. Bovendien heeft de organisatie ook
niet de middelen om zoveel ambities op zoveel verschillende terreinen waar te
maken. De kans is dat er door dit gebrek aan focus net veel minder vooruitgang
merkbaar wordt.
Daarnaast is er een evolutie merkbaar van dekolonisatie naar conflictbeheersing en
daarmee samenhangend de andere invulling van het principe van non-interventie.
Uiteraard is het nu niet echt meer mogelijk om nog veel gebieden te dekoloniseren in
Afrika, maar door de strakke invulling van het principe van non-interventie, dat
gebood dat men zich niet zou moeien met de interne aangelegenheden van een
lidstaat, was echte conflictbeheersing door de OAE niet echt mogelijk. De meeste
conflicten in Afrika spelen zich immers af binnen staten. Met de oprichting van de
Peace and Security Council in de Afrikaanse Unie is duidelijk geworden dat lidstaten
nu wel aanvaarden dat er vanuit continentaal niveau wordt tussengekomen in
interne aangelegenheden in lidstaten.
Een grote constante doorheen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, en ook wel bij
de Afrikaanse Unie, wat betreft conflictbeheersing, lijkt het toepassen van stille
diplomatie. Het lijkt alsof een aantal leidende figuren binnen de OAE – leden van de
Assembly, of ook wel de Secretary-General – conflicten liever proberen op te lossen
via persoonlijke contacten en informele gesprekken, dan in het groot en breed en op
het officiële niveau veel dingen te verklaren, maar daardoor misschien moeilijker de
partijen in een conflict te kunnen overtuigen voor het vinden van een mogelijke
oplossing. Daardoor wordt het natuurlijk ook net moeilijker voor een onderzoeker of
student als ik, om de achterhalen welke de bijdrage van de OAE was in het oplossen
van het conflict.
Een grote constante doorheen het bestaan van de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid en de Afrikaanse Unie is de goede relatie met de Verenigde Naties. Uit
resoluties van beide internationale organisaties blijkt dat ze deze goede verhouding
en nuttige samenwerking apprecieert en wil verder zetten. De OAE en AU zijn
natuurlijk deels afhankelijk van de VN voor ondersteuning op allerlei vlakken, maar
ook de VN van haar kant meent de inspanningen van de OAE en de AU te
waarderen.
Opbouw van de paper
In een inleidend hoofdstuk probeer ik de redenen voor het oprichten van de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid te achterhalen. Eerst bespreek ik daarin een
21
aantal gemeenschappelijke kenmerken van Afrikaanse staten. Vervolgens komen
het buitenlands beleid en de internationale relaties van deze landen aan bod. In een
derde deel vertel ik over het nationalisme en panafrikanisme. Het vierde deel van
dat eerste hoofdstuk bestaat uit een overzicht van de conferenties in de aanloop naar
de Conference of Independent African Heads of State and Government (CIAHSG),
waar de OAE werd opgericht, net als een verslag van deze laatste conferentie.
Het tweede hoofdstuk behandelt de interne structuur en werking van de Organisatie
van Afrikaanse Eenheid en haar opvolger, de Afrikaanse Unie. Ook hun
doelstellingen en visies op een aantal onderwerpen als kolonialisme,
conflictbeheersing en socio-economische ontwikkeling komen kort aan bod. Op het
einde van dat hoofdstuk bekijk ik nog de relatie tussen de OAE/AU en de Verenigde
Naties, een organisatie die evengoed een sleutelrol heeft gespeeld – en dat nog steeds
doet – in het conflict rond de Westelijke Sahara.
In het derde hoofdstuk besteed ik aandacht aan de invullen van de concepten
„kolonisering‟ en „dekolonisering‟, evenals wat deze in de praktijk betekenden, net als
van het begrip soevereiniteit. In een tweede deel in dat hoofdstuk ga ik in op de
instellingen en visies op conflictbeheersing door de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid en de Afrikaanse Unie.
Het vierde hoofdstuk gaat dan dieper in op het conflict in de Westelijke Sahara. Het
vangt aan met een overzicht waarin facts and figures over het gebied worden
gepresenteerd, zoals oppervlakte, opbouw en grootte van de bevolking, taal, klimaat,
enz. Daarop volgt wat meer uitleg over de natuurlijke rijkdommen die te vinden zijn
in de Westelijke Sahara en welke rol die spelen in het conflict. Een derde deel staat
stil bij internationale context van het conflict, in het bijzonder de rol van een aantal
Westerse landen. Het vierde en laatste deel biedt een beknopt historisch overzicht
van de belangrijkste gebeurtenissen in het verloop van het conflict. Dit overzicht is
aangevuld en geactualiseerd tot eind april 2010.
Het vierde en laatste hoofdstuk vangt aan met een uitgebreide historische
bespreking van het conflict, waarin aandacht is voor de posities en motieven van de
verschillende partijen. Het wordt gevolgd door een korte bespreking van een aantal
terugkerende controverses. Ten slotte evalueer ik de rol van de OAE/AU en deze van
de Verenigde Naties in dit conflict, met nadruk op de acties en poging die ze hebben
ondernomen om het conflict op een vredevolle en duurzame manier te proberen.
beëindigen.
Mijn betoog wordt afgesloten door het besluit.
Helemaal aan het einde van deze bundel bevinden zich ook een aantal bijlagen.
Daarin zijn de classificatie van de Afrikaanse Staten, het Charter van de OAE, VNResolutie 1514, een kaart van de Westelijke Sahara en een kaart van de VN-missie
MINURSO opgenomen.
22
Hoofdstuk 1: Aanloop naar de oprichting van de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid
De Organisatie voor Afrikaanse Eenheid werd niet zonder reden opgericht. De
staatshoofden en regeringsleiders van de onafhankelijke Afrikaanse staten in het
begin van de jaren 1960 zouden niet de moeite genomen hebben jaarlijkse
bijeenkomsten te organiseren om gemeenschappelijke thema‟s te bespreken. Ze
zouden geen geld vrijmaken om een permanente structuur op te zetten die de
continuïteit tussen deze jaarlijkse bijeenkomsten moest bewaren, en om de
beslissingen van deze samenkomsten in de praktijk te brengen. Deze staten hadden
op het moment van de oprichting geen geld te over. Daarnaast waren deze nieuwe
staten nauwelijks ervaren in het voeren van een buitenlands beleid. Ze moesten nog
uitzoeken hoe ze hun eigen staat, bevolking en territorium gingen besturen. Laat
staan dat het dan eenvoudig was internationale relaties met andere beginnende
staten aan te gaan, waarbij het de bedoeling was een gemeenschappelijk standpunt
te produceren aangaande onderwerpen op continentaal en globaal niveau. Er moeten
dus goede redenen geweest zijn voor deze stichters van de Organisatie voor
Afrikaanse Eenheid om deze inspanningen te leveren.
In dit hoofdstuk moet duidelijk worden met welke redenen de Afrikaanse
staatshoofden deze organisatie hebben opgericht. Ik probeer een aantal gelijkenissen
tussen de verschillende Afrikaanse staten op economisch, sociaal en politiek vlak
aan te geven. Vervolgens komen het buitenlands beleid en de internationale relaties
van deze landen aan bod. Daarna volgt enige uitleg over twee ideologieën die een
belangrijke rol speelden in de oprichting van de OAE, met name het nationalisme en
het panafrikanisme. Dan bespreek ik de tendensen van onenigheid en verzoening die
in het begin van de jaren 1960 de Afrikaanse interstatelijke relaties kenmerkten en
de conferenties waarop deze tendensen tot uiting kwamen. Tenslotte komt een
bespreking van de Conferentie van Onafhankelijke Afrikaanse Staatshoofden en
Regeringsleiders, waar de Organisatie van Afrikaanse Eenheid werd opgericht.
23
1.1
Gemeenschappelijke kenmerken van Afrikaanse staten
Het hele continent Afrika wordt vaak als eenheid beschouwd, alsof het eerder één
land is, dan een heel continent, hoewel het ongeveer drie maal groter is dan Europa
en het bestaat uit meer dan vijftig onafhankelijke staten. De diversiteit in Afrika is
dan ook enorm: er bestaan zeer grote etnische, culturele, linguïstische, sociale,
geografische, economische, politieke, historische, enz. verschillen in Afrika. Deze
verschillen kunnen in sommige omstandigheden aanleiding geven tot conflicten, iets
waarvoor Afrika bekend staat in het Westen door de media. (Van Walraven 1996: 36)
Niettemin bestaan er doorheen Afrika ook veel gelijkenissen en is het mogelijk
enkele ruwe generalisaties te maken van de situaties in de verschillende regio‟s.
Deze gemeenschappelijke kenmerken en problemen van vele tot alle Afrikaanse
landen, zijn mede een overweging geweest bij het oprichten van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid. (Van Walraven 1996: 36)
1.1.1
Economie
Afrika wordt gekenmerkt door een sterke onderontwikkeling. Er is slechts een
beperkte industrialisering in een klein aantal landen, met name Zuid-Afrika,
Zimbabwe en landen in Noord-Afrika. In een aantal landen houdt men zich bezig
met het aanboren van de beschikbare minerale grondstoffen, die zeer gegeerd zijn op
de internationale markt. De meeste landen zijn dus aangewezen op inkomsten uit de
landbouw. Deze is nog steeds een van de belangrijkste economische activiteiten.
Jammer genoeg kan deze landbouw in sommige gevallen maar nauwelijks voorzien
in het overleven van de bevolking. Omwille van het belang van landbouw wonen de
meeste Afrikanen nog op het platteland, maar met een zeer sterke
verstedelijkingsgraad wordt verwacht dat deze balans snel kan omslaan. (Van
Walraven 1996: 36; UNDESA 2008; Ellis 1996: 13)
Deze economische situatie heeft zijn wortels in de kolonisering. De Europese
kolonisatoren zagen hun Afrikaanse kolonies vooral als producenten van
landbouwgrondstoffen en leveranciers van bodemrijkdommen. Industrialisering van
de kolonies was niet de bedoeling. De infrastructuur die de kolonisatoren
uitbouwden was er in de eerste plaats op gericht om deze grondstoffen zo snel
mogelijk naar de koloniale metropool te kunnen vervoeren. Na de dekolonisatie
werden de bestaande economische verhoudingen grotendeels verder gezet. Aldus zijn
de inkomsten van Afrikaanse landen sterk afhankelijk van de fluctuerende prijzen
voor grondstoffen op de internationale markt, en daardoor zijn buitenlandse
investeringen en ontwikkelingshulp vitaal voor hun economisch overleven. Volgens
Kwame Akonor doen Afrikaanse staten echter nog steeds niet genoeg moeite om deze
afhankelijkheid te verminderen. (Van Walraven 1996: 36-37; Clairmonte 1969: 492;
Akonor 199-200; Ellis 1996: 12)
Armoede komt op grote schaal voor. Deze armoede is mee verantwoordelijk voor een
lage levensverwachting en een hoge bevolkingsgroei, die er beide voor zorgen dat
Afrika een jong continent is. Al deze aspecten, en nog vele andere, spelen mee in de
24
vrij bedroevende socio-economische leefomstandigheden van vele Afrikanen. (Van
Walraven 1996: 37; UNDESA 2009; UNDESA 1999; Ashford 2007: 2)
Bij de strijd om onafhankelijkheid was economische groei een belangrijk thema voor
de Afrikaanse elite. Eenmaal onafhankelijk, kozen de Afrikaanse regeringen voor
ruwweg twee benaderingen, namelijk staatskapitalisme en staatsocialisme. In beide
benaderingen was een belangrijke rol weggelegd voor de staat, en uitte men zijn
ongenoegen over het bestaande internationale economische systeem, zij het in
verschillende mate. (Van Walraven 1996: 37-38)
In de jaren 1980 deelde Afrika in de gevolgen van de economische crisis. Lage
grondstofprijzen, waardoor de opbrengsten uit export drastisch terugvielen,
gecombineerd met dure import, maakte dat Afrikaanse landen steeds dieper in de
schulden raakten. Ze moesten aankloppen bij instanties als het Internationaal
Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB) voor financiële hulp, maar deze kon
de groei in schulden niet compenseren. De hulpbetalingen werden gekoppeld aan
Structural Adjustment Plans (SAPs), die aangaven waar landen moesten besparen
om hun economie terug in evenwicht te krijgen. Na vele jaren bleek echter dat de
SAPs het tegenovergestelde effect hadden dan waarvoor ze opgelegd waren: Afrika
had te maken met een steeds groeiende marginalisering in de wereldeconomie en
met een stagnatie of zelfs reductie van buitenlandse private investeringen. De
desastreuze gevolgen op socio-economisch vlak waren niet te overzien. (Van
Walraven 1996: 38-39; Ellis 1996: 1)
1.1.2
Sociale stratificatie
De sociale opbouw van de gemeenschappen in Afrika is extreem complex en aldus
hier moeilijk samen te vatten met voldoende nuancering. De complexiteit is in grote
mate te wijten aan de culturele heterogeniteit op het continent, vele verschillende
verwantschapssystemen en diverse etnische gemeenschappen en identiteiten.
Daarnaast zijn er ruimere culturele complexen, linguïstische barrières, regionale
ongelijkheden, verschillende religies en variaties in de manieren waarop mensen in
hun levensonderhoud voorzien. (Van Walraven 1996: 39-40)
Globaal genomen zijn Afrikaanse samenlevingen opgebouwd uit de bourgeoisie, een
grote massa boeren, een kleine klasse van arbeiders en een groep van permanente
werklozen. De bourgeoisie bestaat uit rijke ondernemers in de landbouwsector,
bijvoorbeeld plantage-eigenaars; kleine zakenlui zoals handelaars en transporteurs;
vaklui; mensen die universitaire studies hebben genoten; ambtenaren die investeren
in eigendom; journalisten; politici en soortgelijke mensen. (Van Walraven 1996: 40)
Er zijn in Afrika maar weinig grote privéondernemingen, grote bedrijven zijn in
handen van de staat of van buitenlands kapitaal. Op die manier is politieke macht
de belangrijkste toegang tot economische welvaart. Dat uit zich in uitgebreide en
ingewikkelde patronagenetwerken en het bestaan van informele sectoren. Voor de
samenstelling van die netwerken maakt men vaak gebruik van – of manipuleert
men – etnische identiteiten, die dienen als bindmiddel binnen het netwerk. Het
25
belang van etniciteit in de economische sfeer heeft een weerslag in het economische
beleid. Daarin probeert men ofwel het evenwicht te bewaren tussen de belangen van
verschillende etnische groepen, ofwel worden bepaalde etnische groepen of
identiteiten systematisch gediscrimineerd of gefavoriseerd. (Van Walraven 1996: 4041; Diamond 2008: 138)
In het licht van de redenen voor de oprichting van de Organisatie voor Afrikaanse
Eenheid wordt verder gefocust op de bourgeoisie, omdat voornamelijk zij de dragers
zijn van het gedachtegoed van het nationalisme en panafrikanisme (zie infra) en de
motor zijn achter de Afrikaanse nationale en internationale politiek. Van Walraven
duidt de verschillende groepen in de bourgeoisie aan met de benaming „the modern
elite‟, een term die een zekere sociale mobiliteit impliceert, net als het feit dat sociale
status niet permanent is. (Van Walraven 1996: 40-41)
Leden van de moderne elite worden beschouwd als belangrijke mediatoren tussen
wat worden gezien als Westerse en traditionele waarden. Zij hebben namelijk
enerzijds deels een Westerse opvoeding en Westers onderwijs genoten, wat enige
vervreemding van „traditie‟3 teweegbrengt, maar anderzijds hebben zij, net als hun
landgenoten af te rekenen met racisme en onderdrukking. Binnen ideologieën als
nationalisme, panafrikanisme en diverse vormen van socialisme, vindt deze elite een
manier om met die onderdrukking en dat racisme om te gaan. Hun houding ten
aanzien van „traditionele‟ waarden kan variëren. Enerzijds kunnen die waarden
worden afgewezen, anderzijds kunnen ze worden geïdealiseerd of in nog andere
gevallen worden ze samengebracht met moderne waarden. (Van Walraven 1996: 4142)
1.1.3
Politieke aspecten
Met het bereiken van politieke onafhankelijkheid kon de Afrikaanse elite haar
gevoel van minderwaardigheid enigszins verzachten, maar het bleef niettemin steeds
aanwezig ten aanzien van het Westen. Daarnaast blijft een gevoel van
kwetsbaarheid tegenover interne en externe vijanden. Binnen de elite is er
voortdurend strijd om privileges en men moet tegelijkertijd het bezit van die
privileges en van een Westers geïnspireerde levensstijl verantwoorden tegenover de
bevolking. Dit groeide naarmate de economische omstandigheden achteruit gingen.
Er zijn dus veel bronnen voor spanning en conflicten in de relatie tussen de staat en
wie haar vertegenwoordigt, en de samenleving. (Van Walraven 1996: 42)
De toegang tot de staatsmacht en economische welvaart is in Afrika vrij beperkt. Er
bestaat een grote kloof tussen armen en rijken. Om haar macht te kunnen behouden
Traditie is voortdurend onderhevig aan veranderingen en wordt constant opnieuw gecreëerd,
waardoor traditie – in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt – eigenlijk nooit naar hetzelfde
verwijst. Bovendien hangt de betekenis of inhoudt van traditie ook sterk af van wie haar bepaalt. Een
goed deel van de traditie waarnaar verwezen wordt in deze paragraaf, bestaat uit een idealisering van
een Afrikaans verleden door de Afrikaanse elite en verwijst dus niet noodzakelijk naar historische
praktijken of gedachtegoed. Zie ook Pinxten & De Munter 2009, Hobsbawn 1983: 1 en Ranger 1983:
211-262.
3
26
tegenover de bevolking, versterkt de elite haar interne cohesie. (Van Walraven 1996:
42-43)
Tegenover de bevolking probeert de elite haar positie te versterken door de
autoritaire staat van tijdens de kolonisatie verder te zetten. Zo‟n staat hoeft geen
verantwoording af te leggen tegenover de bevolking over haar daden. Een
charismatisch leider kan zo‟n autoritaire staat versterken. Deze bekleed dan meestal
de functie van president en ultieme machthebber, omdat hij de hoogste positie heeft
zowel binnen de rechterlijke, wetgevende als uitvoerende macht. (Van Walraven
1996: 43-44 en 46)
Bovenop het autoritaire karakter van Afrikaanse staten komt dat tot in de jaren
1990 het eenpartijstelsel gebruikelijk was. Dit systeem had vooral tot doel
ontwikkeling van organisaties binnen de civil society – waartoe iedereen behoort die
niet deel uitmaakt van de staat – wordt tegengehouden. (Van Walraven 1996: 44-45)
In Afrika is het leger of zijn gewapende groepen zeer belangrijk voor controle over de
staat en de samenleving. Ze worden daar vooral ingezet voor het verzekeren van de
interne veiligheid, in plaats van tegenover externe vijanden. Er worden pogingen
gedaan om het leger, dat bijna enkel uit infanterie bestaat, buiten het
staatsapparaat te houden, maar dat is, gezien de vaak grote macht van het leger,
niet eenvoudig. (Van Walraven 1996: 45)
In de jaren 1970 en 1980 konden door economisch en politiek verval, soms zelfs een
regelrechte „state collapse‟, langzaamaan terug civil society-organisaties bestaan.
Tegelijk groeide echter het aantal gewapende groepen, van wie het verzet soms
uitgroeide tot regelrecht burgeroorlogen. De staatssoevereiniteit verminderde verder
tijdens de jaren 1980 en 1990, onder meer door buitenlandse interventie en
afhankelijkheid van buitenlandse hulp. (Van Walraven 1996: 46-47; Ellis 1996: 8)
Door de druk vanuit de civil society, vooral vanuit de bevolking in de stedelijke
gebieden, en door veranderingen op internationaal niveau (niet in het minst door het
einde van de Koude Oorlog), was er in de jaren 1990 nood aan een
meerpartijensysteem en meer democratisering. Een aantal organisaties gingen zich
specifiek bezig houden met het promoten van democratisering en good governance.
Helaas werd het meerpartijensysteem bevolkt door dezelfde politici als voorheen, en
er was dus opnieuw geen garantie voor stabiliteit. In sommige gevallen kreeg de
regeringspartij de kans zich te versterken ten aanzien van de verdeelde posities
binnen de oppositie en aldus het eenpartijstelsel enigszins door te zetten. In andere
gevallen ontstond er een complete impasse tussen grote delen van de civil society en
de staatselite, waardoor er maar weinig werd verwezenlijkt. In nog andere gevallen
leidde dit systeem tot een regelrechte burgeroorlog. Ellis verwoordt immers treffend:
„democratization […] means different things to different people‟. (Ellis 1996: 7) Zo
kwam het dat aan het begin van de jaren 1990 de staatselite meestal ofwel in een
oorlog verwikkeld was, ofwel lam was gelegd door de tegenstellingen met de civil
society. (Van Walraven 1996: 47-48; Diamond 2008: 138, 141; Ellis 1996: 6)
27
1.2
Buitenlands beleid en internationale relaties
Om de redenen voor het oprichten van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid
verder te achterhalen, is het nodig een blik te werpen op het buitenlands beleid dat
Afrikaanse staten voerden en de internationale relaties die ze in het licht daarvan
aanknoopten. We kijken kort naar de mogelijkheden voor samenwerking die deze
internationale relaties boden.
1.2.1
Buitenlands beleid
Voornaamste thema‟s
Een eerste belangrijk thema is de veiligheid van de staat en de staatselite, zowel
tegenover interne als externe vijanden. Afrikaanse staten zijn doorgaans niet
expansionistisch ingesteld, maar eerder gericht op het verdedigen van de bestaande
verworvenheden. Het uiten van eventuele vijandigheden tegenover andere staten
werd binnen de perken gehouden door de zwakke economische mogelijkheden. Het
thema staatsveiligheid was vooral belangrijk kort na de onafhankelijkheid. (Van
Walraven 1996: 49-50, 54; Efrat 1964: 22-23)
Voor bereiken en behouden van de staatsveiligheid, is het voor de elite het handigst
als de internationale orde zoveel mogelijk bewaard blijft. Dit brengt immers een
zekere voorspelbaarheid met zich mee, zodat je je een goed beeld kan vormen van de
mogelijke reacties van andere staten. Anderzijds hadden de Afrikaanse staten een
sterk antikoloniaal profiel, ze wilden niet langer een minderwaardige positie
tegenover het Westen. Toch konden deze jonge staten zich uit economische
overwegingen niet veroorloven om de internationale relaties al te veel te willen
veranderen en alzo een conflict met de rijke Westerse landen te veroorzaken. (Van
Walraven 1996: 50, 54)
Vanuit hun antikoloniale houding voorzagen alle onafhankelijke Afrikaanse staten
wel in de steun aan vrijheidsbewegingen in gebieden die nog niet politiek afhankelijk
waren. Bij sommige landen ging dit om actieve steun, andere namen meer een
passieve houding aan. Eenmaal politieke onafhankelijkheid in de meeste landen in
Afrika bereikt was, ging men ook meer aandacht schenken aan economische
bevrijding. (Van Walraven 1996: 54)
Om de internationale relaties toch een beetje te veranderen, zag – en ziet – de
Afrikaanse elite wel wat in African Unity. Eensgezindheid onder de Afrikaanse
staten, tegenover de buitenwereld, kan zowel de positie van Afrika als geheel, als
deze van de individuele landen verbeteren. Zo fungeert African Unity als
hefboommechanisme, een idee dat sterk aanwezig is binnen de organisatie van
Afrikaanse Eenheid. (Van Walraven 1996: 51-52)
Het tweede belangrijke thema binnen het Afrikaanse buitenlands beleid is de
realisatie van economische ontwikkeling. Tot in de jaren 1980 waren er slechts twee
mogelijkheden: samenwerking of confrontatie met de structuren van het
28
internationale economische systeem. In sommige landen bestond de moderne elite in
grote mate uit een handelsklasse die belangen had bij het accepteren van het
toenmalige economische systeem en bij goede banden met het Westen. Deze
verzwakten de antikoloniale houding en steun voor vrijheidsbewegingen om
negatieve impact op de economie te voorkomen. In andere gevallen had de elite een
revolutionaire oorsprong, waardoor zij meer gericht waren op militaire en
economische contacten met het Sovjetblok en meer enthousiast waren voor steun aan
antikoloniale bewegingen. (Van Walraven 1996: 52, 54-55)
Het derde thema non-alignment of „niet-gebondenheid‟ is situeert zich zowel op
politiek als economisch vlak. Het begrip moet in de eerste plaats gezien worden
binnen de context van de Koude Oorlog, en betekende ongeveer dat men zich niet
ging richten op één blok binnen deze globale tegenstelling. Dit principe resulteerde
in enige samenwerking met andere niet-gebonden landen buiten Afrika. Het
probleem was echter dat men het niet altijd eens was over wat men precies moest
verstaan onder dit principe. Op momenten van ontspanning binnen de Koude Oorlog
was het minder belangrijk. (Van Walraven 1996: 53)
Actoren in de besluitvorming
Wat betreft de besluitvorming in het buitenlands beleid, was deze in het begin vooral
in handen van de president. Het staatshoofd was zijn eigen buitenlandminister en de
minister voor buitenlandse zaken fungeerde meestal als zijn loopjongen. Het
buitenlands beleid bestond zo eerder uit een seriële aaneenschakeling van ad hoc
beslissingen, dan uit een coherent beleid. Interstatelijke relaties stonden gelijk aan
goede relaties tussen de staatshoofden, en waren dus weinig instabiel. (Van
Walraven 1996: 56-58)
Vanaf de jaren 1970 en 1980 begonnen de Afrikaanse staten meer diplomatieke
ervaring en meer ervaring met buitenlands beleid te krijgen. Een steeds groter
aantal (kleinere) aangelegenheden werd weggetrokken van de president en door een
korps van diplomaten opgevolgd. Er was meer aandacht voor lange termijnplanning
en meer pragmatiek in de berekening van het buitenlands beleid. Het betekende ook
een stabilisering in de interstatelijke relaties, omdat deze meer en meer gingen
afhangen van diplomaten, en minder van de persoonlijke relatie tussen de
staatshoofden. Niettemin bleef deze persoonlijke relatie op het hoogste niveau van
groot belang. Het buitenlands beleid blijft dus gedomineerd door de president,
enigszins in balans gebracht door het diplomatieke korps. (Van Walraven 1996: 57)
Naast de president, de minister van buitenlandse zaken en een korps van
diplomaten, waren er ook andere actoren die mee het buitenlands beleid bepaalden:
persoonlijke adviseurs van de president, het kabinet of de raad van ministers, het
partijbureau van de president (vooral tijdens het eenpartijstelsel), het ministerie van
buitenlandse zaken, de militaire staf (meestal enkel in militaire aangelegenheden),
en het parlement. Al deze personen en instellingen hadden gedurende de voorbije
29
decennia een verschillende invloed op het buitenlands beleid. Invloed van het volk in
deze was en is zo goed als onbestaande. (Van Walraven 1996: 58-60)
1.2.2
Structuren in de internationale relaties
Wanneer het gaat om de structuren van internationale relaties, dan zijn de
belangrijkste actoren daarin de staten, maar zij zijn niet de enige factoren die deze
relaties bepalen. (Van Walraven 1996: 61) In dit stuk komen de internationale
relaties aan bod die Afrikaanse staten met elkaar hebben en met landen buiten
Afrika.
Afhankelijkheid van niet-Afrikaanse landen
Europa, en bij uitbreiding het Westen, vormt nog steeds de belangrijkst bron van
afhankelijkheid voor Afrikaanse landen, in het bijzonder met de voormalige
koloniale metropolen. De handelsrelaties tussen Europa en Afrika werden enigszins
geregulariseerd in de Yaoundé- en Lomé-akkoorden, maar deze bevatten toch
belangrijke
beperkingen
voor
Afrikaanse
landen.
Investeringen
en
ontwikkelingshulp vanuit het Westen zijn van vitaal belang, al kon de stijging van
deze budgetten de groei van de schuldenlast niet tegenhouden. De steun van de
Sovjetunie aan Afrika is grotendeels weggevallen met de val van het Communisme
in Europa. De invloed van China is de laatste jaren echter groter geworden. (Van
Walraven 1996: 62-63; Mazama 2007: xiv; Africa Monitor-West & Central Africa
2006; Ellis 1996: 5)
Naast afhankelijkheid in de economische sfeer heeft Afrika ook te maken met
afhankelijkheid op militair vlak. Hier ligt de dominantie niet bij Europa, maar des te
meer bij de USA en de Sovjet-Unie, vooral tijdens de Koude Oorlog. Beide landen
kwamen toen actief tussen in Afrikaanse conflicten en Afrikaanse landen knoopten
banden aan met staten uit beide blokken. Toch is er nog steeds enige invloed van de
Fransen en Britten, die Afrikaanse staten op verschillende terreinen ondersteuning
bieden. Frankrijk is de belangrijkste niet-Afrikaanse militaire macht op het
continent. (Van Walraven 1996: 63-64)
Militaire interventie tussen en binnen Afrikaanse landen neemt eerder de vorm aan
van subversie en guerrilla – ook door staatslegers – dan van conventionele
oorlogsvoering. Deze vorm is veel goedkoper en maakt het gemakkelijker om rebellen
te helpen. Toch brengt deze zwakheid van het nationale leger ook risico‟s met zich
mee: het land waartegen deze subversieve acties gericht zijn, kan met gelijke munt
terugbetalen. (Van Walraven 1996: 67)
De grote afhankelijkheid maakt dat Afrika af te rekenen krijgt met vele
buitenlandse interventies, waartegen ze zich niet kan verzetten. Deze buitenlandse
inmenging draagt vaak bij tot de verergering of verlenging van Afrikaanse
conflicten, al werd ze na de Koude Oorlog wel enigszins teruggeschroefd. In de
perceptie van Afrikanen is de afhankelijkheid van het buitenland mogelijks groter
dan de empirische afhankelijkheid, waardoor ze ook niet geneigd zijn de banden met
30
meer welvarende landen te verbreken of die relaties radicaal de veranderen. (Van
Walraven 1996: 64-65)
Inter-Afrikaanse relaties
De grote afhankelijkheid van buitenlandse instanties en staten betekent dat de
afzonderlijke Afrikaanse landen tegenover elkaar wat meer onafhankelijkheid
bezitten. Men benadrukt sterk de gelijkheid van de Afrikaanse staten. Sommige
landen kunnen na enkele decennia van enige economische ontwikkeling echter wel
wat invloed uitoefenen over staten in hun buurt, al blijft die invloed beperkt en is
het land in kwestie zelf nog steeds afhankelijk van buitenlandse staten. (Van
Walraven 1996: 66)
Een staat kan proberen invloed uit te oefenen op zijn buurlanden door een stabiel
buitenlands beleid op te zetten, dat wordt uitgevoerd door een efficiënt diplomatiek
korps. Zo kan een staat beschouwd worden als betrouwbaar en geloofwaardig. Deze
invloed kan versterkt worden door kwalitatief politiek leiderschap, dat bijvoorbeeld
deels voortkomt uit charisma en goede persoonlijke banden tussen staatshoofden.
Maar het belang van de invloed van leiders kan ook het gevolg zijn van de
onderontwikkelde staat van andere vormen van macht en van onervarenheid in
buitenlands beleid. (Van Walraven 1996: 67-68)
Geen enkele staat in Afrika heeft echter overwicht over een van de andere
Afrikaanse landen, waardoor het niet mogelijk is een ander land tot iets te dwingen
of op een bepaalde manier te beïnvloeden. Het gevolg van de relatieve gelijkheid van
de Afrikaanse staten is dat continentale samenwerking in principe wel nog gaat,
maar steeds moeilijker wordt naarmate het aantal actoren stijgt. Zonder een
dominante staat worden akkoorden minder goed opgevolgd en kunnen sancties
daarvoor moeilijker uitgevoerd worden. Anderzijds bestaan er wel internationale
regimes waarop Afrikaanse staten kunnen terugvallen voor samenwerking, maar
het gaat hier om een losse samenwerking die weinig verplichtingen met zich
meebrengt. (Van Walraven 1996: 68-69)
Mogelijkheden tot samenwerking
Samenwerking betekent dat actoren hun gedrag aanpassen volgens werkelijke of
verwachte voorkeuren van anderen via een proces van beleidscoördinatie. Deze
samenwerking kan zwijgzaam verlopen, kan via expliciete onderhandeld zijn of
opgelegd zijn door een ander. (Van Walraven 1996: 69)
Op diplomatiek vlak zijn de banden tussen buurlanden meestal het sterkst, gevolgd
door de relatie met de voormalige koloniale metropool. Verder voorziet een Afrikaans
land diplomatieke vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties en donoren van
officiële ontwikkelingshulp. Soms worden er ook regionale missies opgezet, waarbij
een aantal gezanten en groep van staten vertegenwoordigt. Het zijn de economisch
en/of militair iets meer machtige staten, of de staten met aspiraties tot leiderschap of
31
een ambitieus buitenlands beleid, die het meest diplomatisch actief zijn en de meeste
ambassades opzetten. (Van Walraven 1996: 69-70)
Militaire samenwerking is vooral gebaseerd op akkoorden, staten komen elkaar
maar zelden militair ter hulp. Door het veelvuldig gebruik van de methodes van
subversion en counter-subversion zijn de morele posities van individuele landen niet
altijd even duidelijk. Ook het concept „agressie‟ is maar moeilijk te definiëren, hoewel
deze agressie verminderde door de publieke veroordeling van subversie. Vele
(binnenlandse) conflicten worden gewoon genegeerd door (andere) Afrikaanse staten.
(Van Walraven 1996: 71)
Coalities en allianties bestaan zowel binnen als buiten de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid. Onder coalitie of alliantie verstaan we het tijdelijk of
permanent samengaan van staten of actoren om een bepaald gemeenschappelijk doel
te bereiken, al dan niet tegenover landen of actoren die buiten deze coalitie staan.
Sommige coalities of allianties hebben een meer tijdelijk karakter, andere zijn meer
permanent. Sommige van deze allianties zijn geïnstitutionaliseerd, andere berusten
gewoon op een afspraak. Elk van deze organisaties kan een positief of negatief effect
hebben op het functioneren van de OAE. Dit hangt onder meer af van de graad van
overlap in de doelstellingen van beide organisaties of hoe lidstaten hun alliantie
aanwenden in het pan-Afrikaanse kader. Een gevolg van deze veelvuldige allianties
zijn de breuklijnen die ontstaan tussen deze verschillende coalities. Op het ontstaan
van de verschillende coalities en de daarbij horende breuklijnen gaan we dieper in
het stuk over samenwerking en verzoening in Afrika voor de oprichting van de OAE.
(Van Walraven 1996: 71-72)
32
1.3
Ideologische fundamenten voor de OAE
In dit stuk bespreken we de ideologieën van het nationalisme en het panafrikanisme,
die een belangrijke rol hebben gespeeld in de oprichting, de opbouw en het
functioneren van de OAE. Deze zijn echter niet alleen gebaseerd op deze twee
ideologieën, maar ook op vele andere ideeën van diverse groepen en mensen die hier
onmogelijk opgenoemd kunnen worden.
1.3.1
Nationalisme
Nationalisme voor de onafhankelijkheid
Het nationalisme in Afrika is nauw verbonden met de antikoloniale beweging en het
streven naar onafhankelijkheid in de koloniale gebieden. In de jaren 1950 al
ontstonden er allerlei sociale bewegingen, die (aspecten van) de Europese
overheersing in vraag stelden. Het Afrikaanse nationalisme was in grote mate een
politieke expressie van sociale grieven, maar het ging ruimer dan alleen dat. Het
uiteindelijke doel was de bevrijding van het koloniale systeem: zelfbestuur in al haar
facetten, volledige autonomie en gelijkwaardigheid van Afrikanen aan Europeanen.
Het was aldus de bedoeling om de welvaart en integriteit van een volk te realiseren
doordat dit volk de controle kon uitoefenen over haar eigen staat. (Van Walraven
1996: 74-75)
Het nationalisme dat in de 20e eeuw vorm kreeg in Afrika, was in grote mate
gebaseerd op het 19e-eeuwse Europese nationalisme. De Afrikanen formuleerden
hun sociale grieven, hun vraag om welvaart en controle over hun eigen staat, volgens
de ideeën van de kolonisator – het nationalisme – om zo een grotere kans te hebben
dat hun vragen ingewilligd zouden worden. Door de vraag om controle over de staat
te verbinden aan meer welvaart, kon de Afrikaanse elite zich verzekeren van de
steun van de bevolking en haar claim zo meer legitimiteit geven. Er heerste een
groot optimisme dat men, eenmaal de onafhankelijkheid verkregen was, deze
welvaart makkelijk zou kunnen realiseren. (Van Walraven 1996: 74-75, 77-78; Ellis
1996: 1, 18)
De nationalistische bewegingen hadden evenwel een sterk elitair karakter, vanwege
de westerse opvoeding die de leiders hadden genoten. Ze konden echter de
ontevredenheid van de bevolking prima coördineren rond het idee van nationale
onafhankelijkheid. Globaal genomen was het nationalisme eerder gebaseerd op een
raciaal bewustzijn, dan op een nationaal/etnisch bewustzijn. Het ging om de creatie
van „africanité‟ of „African-ness‟. Daarin kwam het nationalisme goed overeen met
het panafrikanisme. Nationalisme in Afrika ging ook op een bijzondere manier
samen met moderniteit en traditionalisme. Enerzijds werden traditionele elementen
bestempeld als „achterlijk, anderzijds ging men (andere) traditionele elementen
benadrukken, als voorbeeld voor beschaving en bijzondere Afrikaanse deugden.
Denk hierbij aan de ideeën van African Personality, Négritude en Zairisation. (Van
Walraven 1996: 76-79)
33
Nationalisme na de onafhankelijkheid
De komst van de onafhankelijkheid deed de Afrikaanse elite nadenken over de
manier waarop ze hun eigen staat wilden besturen. Ze voelden zich aangetrokken tot
het socialisme, vanwege de nauwe associatie van het kapitalisme met imperialisme
en kolonialisme. Het socialisme in Afrika verschilde evenwel van het zuivere
Marxisme, men vormde een eigen „Afrikaans socialisme‟ waarin men teruggreep
naar Afrikaanse culturele en traditionele elementen. Dat gaf aanleiding tot een
geperverteerd beeld van de Afrikaanse culturen en tradities, zowel in het Afrikaans
socialisme als het staatsnationalisme. Deze hadden bovendien vooral tot doel de
dominantie van de staatselite te legitimeren en hield niet langer rekening met de
sociale grieven van de massa, die tijdens de onafhankelijkheidsstrijd nog zo
belangrijk waren. (Van Walraven 1996: 73 en 79-82)
De modernistische oorsprong van het nationalisme en de uiting ervan in Westerse
talen droeg verder bij tot de vervreemding tussen de staatselite en haar onderdanen.
Er werd door de eerste vooral nadruk gelegd op symbolen, eerder dan op werkelijke
plannen of een werkelijk beleid, om de bevolking zoveel mogelijk aan haar te binden.
Daarnaast bestond er een traditie van despotisch leiderschap, waarbij autoriteit
verbonden was met een bepaalde persoon en niet een functie, en de tendens om
politieke macht te verheerlijken. Staatshoofden waren als symbolen van de natie,
waarbij ze niet in toom werden gehouden door de beperkingen van traditioneel
leiderschap. Er werd tevens gretig gebruik gemaakt van de terminologie van
verwantschap. Deze aspecten droegen verder bij tot het verder beperken van
deelname van de bevolking aan de staat. (Van Walraven 1996: 81; Diamond 2008:
138)
1.3.2
Panafrikanisme
Het „pan‟ in panafrikanisme duidt op het promoten van solidariteit tussen groepen
die met elkaar verbonden zijn of als verbonden beschouwd worden, door een gedeelde
taal, cultuur, ras, religie, natie en/of geografische regio. Pan-bewegingen zijn meestal
sociale bewegingen. Het panafrikanisme heeft echter maar een nauwe sociale basis,
het is vooral een samengaan van een gedachtegoed met een politiek-culturele
beweging. (Van Walraven 1996: 83; WE 2010d; Decraene 1961: 11)
De beweging streeft naar een vereniging van de Afrikanen in Afrika en de
Afrikaanse diaspora in een wereldwijde Afrikaanse gemeenschap en het is aldus een
uiting van raciale solidariteit. (Decraene 1961: 11; Akonor 2007: 196; Asante 2007:
4-5) In een meer specifieke invulling is men ervan overtuigd dat een intensieve
samenwerking van de landen van geografisch Afrika op verschillende vlakken – en
eventueel een politieke unificatie – een voordeel zou opleveren voor deze landen. Dit
is wat bedoeld wordt met het hefboommechanisme van African Unity. (Van
Walraven 1996: 83; Marah 2007: 23)
Ontstaan
Het panafrikanisme is gebaseerd op ideeën gevoelens die werden geboren bij
(afstammelingen van) tot slaaf gereduceerde Afrikanen. In de diaspora ervoer men
34
de fysieke verwijdering van Afrika en onderging men acculturatie en sociale
vervreemding in de nieuwe omgeving. Er kon maar weinig waarheidsgetrouwe
kennis van Afrika worden bewaard, waardoor een romantisch beeld ontstond van het
continent. (Van Walraven 1996: 84)
Ondanks de afschaffing van de slavernij doorheen de 19e eeuw bleven vele AfroAmerikanen4 en zwarten elders ter wereld zich nog steeds tweederangsburgers
voelen. Ze bleven streven naar gelijke rechten en een gelijke behandeling met de
blanke bevolking ofwel verlangen naar een fysieke of spirituele terugkeer naar
„Moeder Afrika‟. Zij zagen Afrika als een meer gastvrije omgeving, waar ze meer
zelfvertrouwen konden opbouwen. Een concrete realisatie van dit gedachtegoed was
de stichting van de staat Liberia. (Van Walraven 1996: 84)
Voornaamste thema‟s
Het panafrikanisme benadrukte de raciale solidariteit onder alle zwarten, op basis
van een gemeenschappelijk verleden, gemeenschappelijke ervaringen (lees:
onderdrukking) en een gemeenschappelijke cultuur. De Afrikaanse cultuur – voor
zover die bestaat – en Afrika‟s verleden en toekomst werden sterk geïdealiseerd, wat
goed wordt geïllustreerd bij Molefi Kete Asante, in zijn paper over “The Resurgence
of the African World in the 21st Century”. Daarin probeert hij Afrikanen te
overtuigen dat ze geen redenen hebben om zich minderwaardig te voelen, en dit met
soms twijfelachtige argumenten. (Van Walraven 1996: 83-84, 90; Decraene 1961: 7-8;
Asante 2007)
Afrika was de thuis van alle zwarten, waar zij zich vrij konden voelen van
onderdrukking en discriminatie, waar zij weer hun waardigheid konden beleven.
Men streefde naar een verenigd Afrika, met inbegrip van Noord-Afrika en geloofde in
de mogelijkheid van African Unity als hefboommechanisme. (Van Walraven 1996:
83-84, 90; Decraene 1961: 7-8)
De antikoloniale houding van het panafrikanisme was een punt van overeenkomst
tussen het panafrikanisme en het nationalisme. In de loop van de jaren 1950 kreeg
het nationalisme echter de bovenhand. Ten eerste zou onafhankelijkheid enkel
mogelijk zijn binnen de bestaande koloniale grenzen, en niet voor een verenigd
Afrika. Ten tweede vreesde de elite dat een verenigd Afrika niet voldoende hun
belangen zou kunnen waarborgen en verdedigen. Eenmaal de onafhankelijkheid een
feit was, maakte de kwetsbaarheid van de afzonderlijke Afrikaanse staten echter
noodzakelijk om toch aan enige vorm van samenwerking te doen. Een tweede
overeenkomst tussen beide ideologieën was het idee van moderniteit en het streven
naar meer welvaart. (Van Walraven 1996: 83, 89-90; Decraene 34-50)
„Amerika‟ wordt hier begrepen als het hele Amerikaanse content, zowel Noord-Amerika en LatijnsAmerika of Zuid-Amerika. Met Afro-Amerikanen bedoel ik hier dus afstammelingen van Afrikanen
zowel in bijvoorbeeld Brazilië als de USA.
4
35
Vertegenwoordigers
Het panafrikanisme was een ideologie die vooral leefde onder de leden van de elite
en was in de eerste plaats een stedelijk fenomeen. Binnen de elite bestonden evenwel
tegenstelling, bijvoorbeeld tussen conservatieven, progressieven – die vooral de
modernisering promoten – en de gematigden, die iets zien in het samengaan van
nieuwe en traditionele elementen. Er werden panafrikanistische organisaties
opgericht en Pan-African Conferences gehouden. Deze organisaties beperkten zich
echter vaak tot het verzamelen van informatie over wat er elders gebeurde, en
hielden weinig activisme in. (Van Walraven 1996: 83, 86-88: Decraene 1961: 26-33,
51-66)
Belangrijke namen binnen het panafrikanisme zijn Sylvester Williams, W.E.B. du
Bois, Marcus Garvey, Jean Price-Mars, George Padmore, Cheikh Anta Diop en de
Ghanese president Kwame Nkrumah, bijgenaamd Osagyefo of „de verlosser‟. Deze
laatste was een sterke voorvechter van een doorgedreven politieke unificatie binnen
Afrika, met de oprichting van een „Verenigde Staten van Afrika‟, naar het voorbeeld
van de USA. (Decraene 1961: 11-18; Van Walraven 1996: 90-91, 99-117; Gadio 2007:
xi, Mazama 2007: xii, Marah 2007: 17)
Hoogopgeleide Afro-Amerikanen gingen naar Afrika waar zij paradoxaal genoeg
fungeerden als gangmakers voor het Europees kolonialisme. Vele Afro-Amerikanen
en verwesterde West-Afrikanen hadden een ambivalente houding tegenover Afrika.
Enerzijds waren zij op een Westerse wijze opgevoed en opgeleid, en daardoor ook wel
vervreemd van Afrika. Anderzijds kenden zij een groot verlangen naar wat zij zich
voorstelden als „Moeder Afrika‟. Hun fysieke terugkeer naar Afrika, ook al was dit
slecht tijdelijk, draaide meestal uit op een teleurstelling, wat mede een rem was op
de ontwikkeling van de ideologie. (Van Walraven 1996: 84-86, Nkrumah in Zizwe
Poe 2007: 33)
Diversiteit
Lange tijd bestond het panafrikanisme uit niet meer dan een samenraapsel van vage
ideeën, visioenen en dromen, met maar weinig samenhang of concrete plannen of
doelen. De vele uitingen van en strekkingen binnen het panafrikanisme oefenden
invloed uit op elkaar, net als het panafrikanisme invloed ondervond van andere
ideologieën en denkrichtingen. De vaagheid van de ideologie was vooral de wijten
aan een gebrek aan scholing, mede vanwege de raciale onderdrukking, en doordat
het gedachtegoed verspreid was over verschillende continenten, waardoor men ook
niet altijd over een even accurate kennis over Afrika beschikte. (Van Walraven 1996:
83-84; Decraene 1961: 7-8)
De verschillen tussen de Francofone en Lusofone versies en de Angelsaksische
invulling – die wat meer dominant was – van het panafrikanisme werden onder
meer duidelijk op de pan-Afrikaanse congressen. De kolonisatiepolitiek van
Frankrijk en Portugal had gezorgd voor een sterke assimilatie en verbondenheid met
de koloniale metropool, tot zelfs ideeën van een Groot-Frankrijk toe. Dit uitte zich in
36
soms tegengestelde visies over hoe dekolonisatie en samenwerking moest aangepakt
worden. In de Franstalige versies van pan-Afrikaanse samenwerking vindt men
steeds de samenwerking met de voormalige koloniale metropool terug. (Van
Walraven 1996: 78, 86-88 en 90-91)
Hier is het dus belangrijk een onderscheid te maken tussen pan-Afrikaanse
samenwerking en panafrikanisme, aangezien deze laatste steeds gericht was de
autonomie van Afrikanen, en dat bij het eerste begrip niet altijd het geval was. Dit
toont dat bijvoorbeeld het concept „African Unity‟, dat zo centraal staat binnen het
panafrikanisme, op zoveel verschillende manieren kan geïnterpreteerd worden, dat
het zonder de juiste context inhoudsloos is. De realisatie van enige vorm van African
Unity werd verder beperkt door ideeën van panarabisme in Noord-Afrika, gebaseerd
op een islamitisch gevoel van eenheid en solidariteit. (Van Walraven 1996: 78, 86-88
en 90-91; Decraene 1961: 11-18)
37
1.4
Samenwerking, onenigheid en verzoening in de aanloop
naar de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid
We zijn dit hoofdstuk begonnen met het aanhalen van een aantal
gemeenschappelijke aspecten in de economische, sociale, politieke en militaire
realiteit van de nu 53 verschillende staten. Via een overzicht van het buitenlands
beleid en de structuren in de internationale relaties werden de eerste
meningsverschillen zichtbaar, net als door de bespreking van twee belangrijke
ideologieën. In dit gedeelde gaan we verder op deze verschillen in opvatting, maar
komen uiteindelijk uit op de punten waarop de Afrikaanse staten verzoening
bereikten.
1.4.1
Redenen voor samenwerking
Tot in de jaren 1960 heerste er in het algemeen een sfeer van vertrouwen en
eenheid, van optimisme en het geloof in de effectiviteit van het hefboommechanisme.
Men was het dus wel eens dat enige vorm van samenwerking tussen Afrikaanse
landen moest uitgewerkt worden. De samenwerking kon bestaan uit de
harmonisering van het beleid op economisch en politiek vlak. Het zoeken naar
bondgenoten kon daarna zijn voordelen opleveren op het vlak van nationale
veiligheid. Een goede relatie met je buurlanden maakte het minder waarschijnlijk
dat deze buurlanden jou om een of andere redenen zouden aanvallen of subversieve
acties tegen jouw bewind zouden ondersteunen. (Van Walraven 1996: 91-98, 131;
Efrat 1964: 12, 19)
Er werden aan het einde van de jaren 1950 en het begin van de jaren 1960 een
aantal conferenties gehouden, zowel tussen staten als onder niet-gouvernementele
groepen, in navolging van de pan-Afrikaanse conferenties van de voorbije decennia.
Daar werd ruim gebruik gemaakt van de ideeën en het taalgebruik van het
panafrikanisme, maar slechts weinig initiatieven hadden werkelijk hun basis in deze
beweging. Er waren maar weinig regelrechte aanhangers van het panafrikanisme in
regeringskringen. (Van Walraven 1996: 93, 95, 97)
Op deze conferenties werden verschillende initiatieven ondernomen tot
samenwerking. (Van Walraven 1996: 90-97) Telkens wanneer er sprake was van het
institutionaliseren van deze samenwerking moest men nadenken over hoe men dit
zou doen. Zou het gaan om intergouvernementele samenwerking, of onder de
paraplu van een supranationale instelling? En daaraan verbonden: zou het gaan om
een losse samenwerking, met vrijblijvende principes, of op basis van vele concrete
afspraken en regels? En op welke terreinen zou men samenwerken? Niet alle opties
waren zomaar mogelijk, omwille van financiële redenen, of omdat een staat of
supranationale instelling niet het politieke en economische overwicht zou hebben om
de gemaakte overeenkomsten af te dwingen. (Van Walraven 1996: 90-108, Efrat
1964: 11)
38
Men was het vrij snel eens over de noodzaak van goede samenwerking binnen de
VN. In 1958 werd de African Group opgericht, een permanente samenwerking en
overleg van de afgevaardigden van de verschillende Afrikaanse landen binnen de
VN, om zo een gezamenlijk standpunt naar voor te kunnen brengen en meer
overwicht te krijgen in zaken die Afrika aanbelangen. In 1960 werd beslist deze
samenwerking te verlengen. (Van Walraven 1996: 91, 93, 100)
1.4.2
Redenen voor onenigheid
Ondanks de bovengenoemde redenen voor samenwerking, kwam een permanente
continentale samenwerking niet van de grond. De recente dekoloniseringsgolf zorgde
voor een plotse explosie van het aantal politiek actoren, wat samen met de
onervarenheid op het vlak van buitenlands beleid zorgde voor spanningen en
misverstanden. Er bestond competitie tussen de afzonderlijke staten en hun leiders
om overwicht te verwerven ten aanzien van de andere staten. Deze competitie werd
mede bepaald door de angst voor het leiderschap van een ander Afrikaans land of
staatshoofd. Men had net zo lang onder het leiderschap van een ander moeten leven,
dat men dit niet opnieuw wilde laten gebeuren. De meeste Afrikaanse landen
konden zich daarom niet vinden in het idee van de Ghanese president Kwame
Nkruma om een „Verenigde Staten van Afrika‟ te creëren. Samenwerking was dus in
zekere zin tegengesteld aan de net verworven onafhankelijkheid van Afrikaanse
staten. (Van Walraven 1996: 91-93, 97-99, 119; Efrat 1964: 22-23)
De instellingen en samenwerkingsverbanden die toch werden opgericht, bleven
beperkt tot een aantal landen en werden niet uitgebreid over heel Afrika. Op de
conferenties bleek dat de jonge Afrikaanse staten een verschillende houding hadden
op drie terreinen, die een permanente samenwerking in de weg stond. Het ging op
onenigheid op het vlak van (1) anti-(neo)kolonialisme vs. samenwerking met
Europa/het Westen; (2) de graad van samenwerking tussen Afrikaanse staten; en (3)
de wijze waarop die samenwerking zou moeten worden geïnstitutionaliseerd. (Van
Walraven 1996: 109)
In het versterken van deze onenigheid, waren de conferenties van Brazzaville in
december 1960, in Casablanca in januari 1961 en in Monrovia in mei 1961 het meest
doorslaggevend. Daar werden de groepen landen gevormd die nog enige tijd na de
oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid dezelfde houding zouden
aannemen den aanzien van een aantal kwesties. De standpunten van de ene groep
landen lokte reactie uit van de andere, die op hun beurt een conferentie belegden om
hun opinie over een bepaalde gelegenheid te vormen. De verschillende groepen
stonden respectievelijk bekend als de conservatieve (uitsluitend Franstalige staten),
radicale en gematigde landen – al waren de landen van de Brazzaville-conferentie
ook aanwezig in Monrovia, en zijn de Monrovia-landen dus alle landen die niet tot de
Casablanca-groep behoren. Voor een gedetailleerd overzicht van welke landen tot
welke groep behoren, kan u terecht in bijlage 1. Voor meer uitleg over deze opdeling,
zie het volgende onderdeel. (Van Walraven 1996: 103-108)
39
De verschillende houdingen van de Afrikaanse landen op de drie voornoemde
terreinen werd vooral duidelijk in twee grote crises waarmee Afrika in die periode te
kampen kreeg, namelijk de Congo-crisis en de crisis in Algerije. In beide
aangelegenheden was er voornamelijk onenigheid over de inmenging van het Westen
in Afrika en de perceptie van wie als vijand moest worden beschouwd. De radicale
landen, die zoals hun aanduiding weergeeft, radicaal tegen elke vorm van
kolonialisme en neokolonialisme waren, vonden de Westerse inmenging in deze
conflicten onaanvaardbaar. Zij lieten uitschijnen te ijveren voor een volledige
verbreking van de banden met Europa. De Franstalige landen, de Brazzaville-groep,
waren nog doordrongen van de assimilatiegedachte die de Franse kolonisator had
verspreid, en ze wensten hun goede banden met Frankrijk te behouden, ook als dit
een voortzetting was van de ongelijke machtsrelaties. Niet alle landen wensten ook
even actieve ondersteuning te bieden aan vrijheidsbewegingen in de nog
afhankelijke gebieden. (Van Walraven 1996: 91-92, 95-96, 100-103)
Hieraan gekoppeld zijn de diverse invullingen van het begrip niet-gebondenheid, dat
vooral in de context van de Koude Oorlog van belang was. Welke hulp of
ondersteuning kon een Afrikaanse staat van het Westen of het Oostblok aanvaarden
zonder dat dit haar status als niet-gebonden land zou aantasten? (Van Walraven
1996: 92, 115)
1.4.3
Opdeling van Afrikaanse staten
Zoals hierboven duidelijk is geworden, bestonden er in het Afrika van de jaren 1960
diverse breuklijnen tussen de staten op het continent, die, afhankelijk van de
breuklijn die benadrukt werd, andere staten tegenover elkaar zette en andere staten
tot geallieerden maakte. (Van Walraven 1996: 8-12, 415-421)
Een van de breuklijnen was gebaseerd op de lingua franca en voormalige
kolonisator: er werd onderscheid gemaakt – door die landen zelf – tussen Franstalige
en Engelstalige kolonies. Uiteraard waren er ook gebieden in Afrika die door geen
van beide machten werden ingenomen, en waar men een andere lingua franca
hanteerde. Dat maakte echter de scheidingslijn tussen deze twee benaderingen van
kolonisatie en dekolonisatie - ook verwoord in de begrippen direct rule en indirect
rule – er niet minder reëel op. Twijfelgevallen als de Seychellen, Mauritius en de
Kameroen zijn in de bijlage buiten deze opdeling gehouden, net als de landen in
Noord-Afrika. Zodoende geldt de opdeling volgens lingua franca alleen voor SubSahara Afrika. (Van Walraven 1996: 9)
Daarnaast bestaat er een regionale opdeling binnen Afrika, die door de OAE/AU
werd en wordt gebruikt binnen haar institutionele vormgeving. De regionale blokken
spelen een belangrijke rol voor het bereiken van een evenwichtige
vertegenwoordiging in verschillende organen van de OAE/AU. De blokken zijn
achtereenvolgens Noord-Afrika, West-Afrika, Centraal-Afrika, Oost-Afrika en ZuidAfrika. Ook in deze opdeling hebben we te maken met een paar twijfelgevallen:
Soedan en Mauritanië, die respectievelijk in het blok Oost-Afrika en het blok West-
40
Afrika zijn ondergebracht, vertonen qua cultuur en politiek vaak nauwe
gelijkenissen met Noord-Afrikaanse landen. (Van Walraven 1996: 9)
Een derde opdeling is deze tussen Noord-Afrika en Sub-Sahara Afrika. De eerste
categorie bevat dezelfde landen als de categorie Noord-Afrika in de regionale
opdeling, de andere categorie bevat al de andere landen. Ook hier zijn Mauritanië en
Soedan twijfelgevallen. (Van Walraven 1996: 415-421)
Een vierde en laatste manier van opdelen is volgens politieke oriëntatie. Daarin
onderscheid men radicale landen van gematigde en conservatieve staten. Deze
opdeling is enigszins arbitrair en dus zeker niet absoluut geldig. Staten die geneigd
zijn een radiale houding aan te nemen – de Casablanca-staten – zijn of waren vaker
voorstander van actieve hulp aan vrijheidsbewegingen, vragen om fundamentele
veranderingen in het internationaal economisch systeem, zijn vaker te vinden voor
een socialistische geïnspireerd ontwikkelingmodel, zijn sterk gericht op nietgebondenheid, zijn eerder kritisch ten aanzien van buitenlandse aanwezigheid in
Afrika en voeren een eerder zelfbewust, dynamisch, ongeduldig, hoogdravend
buitenlands beleid. (Van Walraven 1996: 9-10; Akonor 2007: 192)
Conservatieve staten – de Brazzaville-groep – daarentegen zijn of waren minder
volhardend in dekolonisatie en probeerden die eerder te bereiken met diplomatische
druk op blanke regimes dan via gewapende vrijheidsstrijd, konden zich verzoenen
met het bestaande internationale economische systeem, kozen eerder voor een
kapitalistisch systeem, wensten goede banden met het Westen of de ex-kolonisator te
behouden en voorden meestal een pragmatisch, stil en ingehouden buitenlands
beleid. De landen in deze categorie waren meestal Franstalige landen, mede
vanwege de wijze waarop de Fransen hun koloniseringmissie zagen en in de praktijk
brachten. (Van Walraven 1996: 10)
De gematigde landen combineerden kenmerken uit beide posities.
De beide posities zoals hierboven geschetst werden concreet gemaakt in specifieke
contexten en conflicten. Niettemin kon een positie van een bepaald land in een
bepaalde aangelegenheid ook volgens andere criteria worden opgebouwd dan deze
hierboven vermeld. Die andere criteria kunnen zijn: de positie van een land binnen
een van de vier voorgaande groepen of categorieën, verandering van oriëntatie na
bijvoorbeeld een staatsgreep, verschillen in nationaal beleid tussen staten die zich in
dezelfde groep situeren, enz. Toch is de onderverdeling nuttig: ideologische
oriëntaties duiden op feitelijke verschillen in buitenlands beleid, en de groepen
hebben bovendien enig bestaan buiten concrete conflicten of aangelegenheden om.
Maar elke andere taxonomie had evengoed zijn voordelen en onvolkomenheden
gehad. (Van Walraven 1996: 10-11)
1.4.4
Verzoening
Eenmaal in 1962 zowel de Congo-crisis als het conflict in Algerije opgelost waren,
verminderde de relevantie van de verschillende groepen enigszins. De Casablanca-
41
groep kwam minder hoogdravend uit de hoek, en zowel de Casablanca- als
Brazzaville-landen stelden zich wat gematigder op. Geen enkele Afrikaanse staat
kon zich immers veroorloven zijn banden met de twee voornaamste blokken te laten
verzuren, want ze waren van deze landen afhankelijk voor ontwikkelingshulp. (Van
Walraven 1996: 115, 118)
President Nyerere riep op om persoonlijke conflicten niet en plein public uit te
vechten, maar die op een serene en discrete manier via besprekingen op te lossen. Er
kwamen een paar verzoeningsconferenties die de staten van de verschillende
groepen weer dichter bij elkaar moesten brengen, al bleef men de samenwerking
binnen deze aparte groepen nog even voortzetten. Binnen deze groepen kreeg men
echter ook te maken met meningsverschillen en een slechtere cohesie. Men besefte
opnieuw dat pan-Afrikaanse samenwerking meer dan nodig was. (Van Walraven
1996: 119, 121-122)
Eind 1962 werd beslist een nieuwe conferentie te houden met de staatshoofden van
de Afrikaanse landen die op dat moment afhankelijk waren. Deze conferentie zou
voorafgegaan worden door een samenkomst van de ministers van buitenlandse
zaken van deze landen, die een aantal onderwerpen en problemen al zouden
bekijken, net als de mogelijkheden voor pan-Afrikaanse samenwerking. Op de
conferentie van de staatshoofden zouden dan de definitieve beslissingen genomen
worden. Het is op deze conferentie in mei 1963 in Addis Abeba dat de Organisatie
van Afrikaanse Eenheid werd opgericht. (Van Walraven 1996: 125)
42
1.5
De oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid
In mei 1963 werden dan de veelbelovende conferenties gehouden met de eerst
ministers van buitenlandse zaken en vervolgens de Afrikaanse staatshoofden. De
eerste conferentie vond plaats tussen 15 en 21 mei in de Ethiopische hoofdstad Addis
Abeba, aangezien de Ethiopische keizer Haile Selassie tot de conferentie had
uitgenodigd. De conferentie van staatshoofden werd gehouden in dezelfde stad, van
22 tot en met 25 mei. Het is op deze laatste conferentie dat de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid werd opgericht.
1.5.1
Conferentie van Ministers van Buitenlandse Zaken
In de aanloop naar de conferentie organiseerden de afzonderlijke blokken nog
vergaderingen onder elkaar en een heleboel landen haalden nog snel een aantal
diplomatieke banden aan. De Brazzaville-staten ondertekenden zelfs nog een
akkoord voor een nieuw samenwerkingsverband, maar stelden de ratificatie daarvan
uit tot na de conferentie van staatshoofden en regeringsleiders. (Van Walraven 1996:
127, 133)
Gastland Ethiopië had ter voorbereiding van de conferentie alle verklaringen en
beslissingen van de conferenties van voorbijgaande jaren doorgestuurd aan alle
deelnemende landen, die daaruit inspiratie konden halen. (Van Walraven 1996: 128129)
Het was overigens de eerste keer in de Afrikaanse geschiedenis, met twee
uitzonderingen, dat alle Afrikaanse leiders op zo‟n hoog niveau samenkwamen,
ongeacht hun ideologische overtuiging. In totaal waren er 31 delegaties aanwezig.
Enkel Marokko was niet vertegenwoordigd op het niveau van het staatshoofd, omdat
koning Hassan II protesteerde tegen de aanwezigheid van Mauritanië. Hij meende
immers dat het grondgebied van dit land historisch deel uitmaakte van Marokko en
vond dat dan ook bij Marokko moest gevoegd worden. Op de oorsprong en gevolgen
van dit Groot-Marokkaans gedachtegoed kom ik later terug in het hoofdstuk over de
Westelijke Sahara. Togo was in het geheel niet vertegenwoordigd op de conferentie,
al lag dat niet aan het land zelf. Dit lag wel aan de andere Afrikaanse leiders die met
het toelaten van het land op de conferentie niet het risico wilden lopen impliciet de
bloedige staatsgreep van het Grunitsky-regime te dogen. (Van Walraven 1996: 127130)
In totaal waren er meer dan 500 officiële gezanten aanwezig op de conferentie,
waarvan 60 participanten observers status hadden, omdat zij leden waren van
nationale partijen uit afhankelijke gebieden. In totaal waren er zo‟n 3000
participanten, met inbegrip van leden van de pers, Ethiopische medewerkers en nietgouvernementele lobbygroepen. Iedereen die verder iets wilde betekenen in Afrika,
moest op deze conferentie aanwezig zijn. De oprichters van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid worden daarom ook wel aangeduid met de term „Founding
Fathers‟. (Van Walraven 1996: 128)
43
Verloop van de conferentie
Op de agenda van de conferentie stond de bespreking van het Ethiopische voorstel
voor een charter tot samenwerking, met de amendementen die op voorhand waren
ingediend door de deelnemende landen. Daarnaast zou men het ook hebben over de
relatie van Afrika met de Verenigde Naties. (Van Walraven 1996: 128-129)
In het begin werd maar weinig vooruitgang geboekt, men verloor twee dagen met het
debatteren over procedurele aangelegenheden en aanverwanten, waaronder de zaak
van Togo. Deze zaak werd uiteindelijk doorgeschoven naar de conferentie van de
staatshoofden, waar beslist werd dit land niet toe te laten. Een gezant van CongoBrazzaville riep op om er meer vaart achter te steken, zodat deze bijeenkomst toch
nog iets zou opleveren. (Van Walraven 1996: 130)
De Ministers van Buitenlandse Zaken kwamen er niet uit om een concrete vorm voor
samenwerking uit te werken. Ze besloten het opstellen van een Charter door te
schuiven naar de conferentie van de staatshoofden of een daaropvolgende
conferentie. Na veel debatteren werden er wel twee subcomités opgericht, waarin
Casablanca-staten en Monrovia-staten zoveel mogelijk werden gemixt. Het eerste
subcomité zou zich buigen over het Ethiopische charter, de oprichting van een
organisatie en een secretariaat. De voorzitter van dit comité werd Tanzania. Een
tweede subcomité zou zich buigen over de relatie tussen Afrika en de VN. (Van
Walraven 1996: 131-133)
Vreemd genoeg sprak Nigeria zich uit tegen het gebruik van de Ethiopische versie
als uitgangspunt voor een charter. Dit voorstel was immers grotendeels gebaseerd op
het akkoord dat de Brazzaville-landen zo kort voor de conferentie nog gesloten
hadden en dat nota bene ondertekend werd in Nigeria. In een stemming onthielden
zowel Nigeria als Ghana zich voor het gebruik van het Ethiopische voorstel, terwijl
de andere landen voor stemden. Nigeria hield echter de poot stijf: ze wilden de
Ethiopische versie niet als uitgangspunt, maar Ethiopië wilde op haar beurt haar
voorstel ook niet intrekken. Omdat deze patstelling tijdsgebrek dreigde te
veroorzaken, ging men verder onderhandelen op het niveau van de subcommissies.
Uiteindelijk kwam men daar overeen om het Ethiopische voorstel te gebruiken als
uitgangspunt voor de onderhandelingen op de conferentie van staatshoofden en
regeringsleiders. Aan deze laatste vroeg men een orgaan te creëren om de
mogelijkheden van dit voorstel te onderzoeken en daarvan verslag uit te brengen op
de volgende conferentie van ministers, waarvan men adviseerde dat ze zes maanden
later zou plaatsvinden. (Van Walraven 1996: 133)
Inhoudelijke beslissingen
Wat betreft het concept African Unity werden de verschillende standpunten van de
voorbije jaren samengevoegd in één compromis. Andere belangrijke thema‟s en
aspecten betroffen de eenheid van het hele continent, de bevrijding van
(neo)kolonialisme, de versterking van de onafhankelijkheid, het proberen beëindigen
van de onderontwikkeling, de erkenning van een „African Personality‟, de
44
verwezenlijking van political union en het belang van waardigheid. Deze thema‟s
duidden eerder op de relaties van Afrika met de wereld, dan op de relaties binnen
Afrika. (Van Walraven 1996: 130; CIAHSG 1963a)
De redenen voor het oprichten van een pan-Afrikaanse organisatie werden
uitgelicht. Enerzijds betrof het interne verlangens, zoals het verbeteren van de socioeconomische situatie op het continent en het verzekeren van de wederzijdse
veiligheid van de staatselites. Anderzijds ging het om extern gerichte wensen, zoals
het geloof in het hefboommechanisme en het verlangen naar gelijkwaardigheid met
andere staatselites in de wereld. Men was ervan overtuigd dat vooruitgang op beide
terreinen elkaar positief zou beïnvloeden. (Van Walraven 1996: 131)
Er werden inhoudelijke discussie gevoerd over de resoluties die zouden worden
doorgegeven aan de staatshoofden en regeringsleiders. Een deel van deze resoluties
werden zonder problemen aanvaard, zoals een resolutie aangaande de Verenigde
Naties. Daarin herbevestigde men het vertrouwen in de VN en wenste men een
goede samenwerking met deze internationale organisatie, maar vroeg men
tegelijkertijd ook om een betere vertegenwoordiging van Afrika in haar belangrijkste
organen. Opdat de Afrikaanse landen met één stem zouden kunnen spreken in de
VN, werd een permanent secretariaat opgericht om de efficiëntie van de UN Africa
Group te verbeteren en de continuïteit te verzekeren. (Van Walraven 1996: 130, 133134, CIAHSG 1963a)
De aanbevelingen aangaande het Ethiopische charter , waarin de belangrijkste
aspecten nog eens werden opgelijst die de dubbele basis vormden voor de
institutionalisering van de Afrikaanse Eenheid, werden relatief goed aanvaard.
Evenzo de resoluties aangaande onderwijs, cultuur, wetenschap, gezondheid en
andere sociale aangelegenheden, en de resoluties over dekolonisatie, Apartheid en
raciale discriminatie. Bij het uitbannen van deze laatste twee zaken wilde men ook
de buitenwereld betrekken, en de sterke taal van de resolutie was een teken dat
Afrika op dat vlak niet langer met zich zou laten sollen. (Van Walraven 1996: 133134, 136-137)
Moeilijker bleken de resoluties aangaande economische zaken, in het bijzonder deze
over de relatie met de EEG en de creatie van een gemeenschappelijke markt. Er
werd gewaarschuwd voor het vergelijken van de Europese met de Afrikaanse
situatie en er werd verduidelijkt dat samenwerking met Europa een Afrikaanse
economische integratie niet hoeft te verhinderen. In de uiteindelijke resolutie was
niks meer te lezen over de relatie met Europa of de creatie van een
gemeenschappelijke markt, maar bevatte wel de vraag om meer controle over de
internationale instellingen die zich bezig hielden met de ontwikkeling van Afrika en
de vraag om meer gelijke handelsrelaties. De aanvaarding van een resolutie over de
ontwapening van Afrika en de rest van de wereld was ook moeilijker. (Van Walraven
1996: 135-136)
45
Evaluatie
Op de conferentie werden een aantal belangrijke moeilijkheden overwonnen, een
aantal controversiële punten werden van de agenda van de conferentie voor
staatshoofden en regeringsleiders gehaald. Men kon zich dan volledig toeleggen op
de wijze waarop men de samenwerking zou institutionaliseren. De conferentie
toonde daarnaast dat de Casablanca-, Monrovia- en Brazzaville-landen toch een
heleboel gemeenschappelijke punten van bezorgdheid hadden, die konden fungeren
als gronden voor verzoening. Een aantal landen, waaronder een paar kleine landen,
hadden de kans om op deze conferentie een voortrekkersrol te nemen. Ghana en
Nigeria werden op hun beurt ingeperkt. (Van Walraven 1996: 137-138)
Door de situatie met het Ethiopische charter kon een definitief akkoord voor
samenwerking pas gesloten worden op de volgende ministerconferentie. Men was
dus nog steeds niet voorbij het „point of no return‟. (Van Walraven 1996: 137)
1.5.2
Conferentie van Staatshoofden en Regeringsleiders
Op de conferentie van staatshoofden werd toch besloten om een charter voor panAfrikaanse samenwerking op te stellen. Men zag het belang van zo‟n samenwerking
voor het kunnen gebruik maken van het hefboommechanisme. Daarnaast meende
men dat het slagen van de conferentie zou afhangen van het feit of er al dan niet een
Charter werd opgesteld en er dus definitief besloten werd tot pan-Afrikaanse
samenwerking. (Van Walraven 1996: 139-140)
Op de conferentie hadden rivaliserende leiders de kans om elkaar eindelijk
persoonlijk te leren kennen. Denkend aan het belang van staatshoofden en de goede
banden tussen hen voor het buitenlands beleid en de internationale relaties tussen
Afrikaanse landen – waarover we het eerder al hadden – zorgden deze persoonlijke
contacten voor werkelijke verzoening tussen landen. Doordat men door deze
contacten meer informatie over elkaar had, en men beter kon inschatten wat de
ander zou denken of doen, waren interstatelijke relaties minder geneigd te escaleren
om een kleinigheid. (Van Walraven 1996: 139)
Voor het opstellen van een Charter besloot men te vertrekken van het voorstel dat
gastland Ethiopië reeds had opgesteld. Dit voorstel werd uiteindelijk bijna integraal
overgenomen in het definitieve charter, met hier en daar minimale aanpassingen. De
resoluties die werden besproken en opgesteld op de conferentie van ministers,
werden meestal zonder debat aangenomen en bekrachtigd. (Van Walraven 1996:
141-143)
Er werd heel wat gedebatteerd over de naam van de nieuwe organisatie. Uiteindelijk
kwam Dahomey met het voorstel „Organisation de l‟Unité Africaine‟ (OUA). Ook de
andere landen konden zich hierin vinden, al vond Liberia dat het equivalent in het
Engels dan zeker „Organization OF African Unity‟ (OAU) moest zijn, en niet
„Organization FOR African Unity‟. Dit laatste zou teveel de indruk geven dat eenheid
onder Afrikaanse landen nog moest worden gecreëerd, terwijl de organisatie een
46
institutionalisering was van een bestaande „organische‟ eenheid. (Van Walraven
1996: 140-141)
Uiteindelijk werd op 25 mei 1963 het Charter tot de oprichting van de Organisatie
van Afrikaanse Eenheid aangenomen, en die dag word sindsdien „African Liberation
Day‟ gevierd. Op 26 mei 1963 volgde een plechtige ondertekening van het Charter.
Helemaal op het einde moest Haile Selassie Kwame Nkrumah nog overhalen om te
tekenen, en Marokko besliste later toe te treden tot de Organisatie. (Van Walraven
1996: 143)
De vorm van de nieuwe samenwerking
Nkrumah deed naar goede gewoonte een oproep voor onmiddellijke supranationale
unificatie, en werd hierin gesteund door Milton Obote, premier van Oeganda. De
andere staten voelden echter niets voor dit voorstel, en gaven de voorkeur aan een
meer flexibele, minimale structuur en een graduele uitwerking van de panAfrikaanse samenwerking. Ze wilden een minimumprogramma, dat „acceptable to
all‟ was. (Van Walraven 1996: 131, 139; Efrat 1964: 22)
Het belangrijkste orgaan dat werd opgericht, was de Assembly of Heads of State and
Government, een jaarlijkse bijeenkomst van alle staatshoofden en regeringsleiders
van de aangesloten Afrikaanse landen. Deze vergadering zou telkens worden
voorbereid door een conferentie van de Ministers van Buitenlandse Zaken, zoals nu
ook het geval was geweest. Deze Council of Ministers zou tweemaal per jaar
samenkomen, eenmaal daarvan net voor de jaarlijkse vergadering van de Assembly.
(Van Walraven 1996: 142; CIAHSG 1963b)
Daarnaast zou ook een Administrative Secretary-General worden aangeduid, die aan
het hoofd zou staan van een General Secretariat. Dat secretariaat, dat voorlopig haar
hoofdkwartier kreeg in Addis Abeba, zou de continuïteit moeten bewaren tussen de
verschillende samenkomsten van de Assembly en Council door. Het zou vooral
zorgen voor administratieve ondersteuning van deze conferenties, zoals bijvoorbeeld
het opstellen en bewaren van documenten. Sommige landen wilden de functie van de
Administrative Secretary-General niet te nauwkeurig omschrijven, en zelfs de
vermelding „Administrative‟ in de titel weglaten. Zo zou deze figuur enige macht
kunnen uitoefenen. (Van Walraven 1996: 142-143; CIAHSG 1963a; CIAHSG 1963b)
De meeste landen waren echter voor het behoud van de vermelding ‟Administrative‟,
als weerspiegeling voor de strikt administratieve aard van deze functie, waarvan de
bekleder weinig macht kon uitoefenen. Deze landen wilden niet het risico lopen dat
deze ambtenaar een politieke figuur zou worden en zo mogelijks concurrentie zou
vormen voor de autoriteit van de staatshoofden en regeringsleiders in de Assembly.
De uiteindelijke keuze voor wie deze functie zou vervullen, net als de definitieve
locatie van het hoofdkwartier van dit secretariaat, werd uitgesteld tot de volgende
samenkomst van de Assembly in juli 1964. (Van Walraven 1996: 142-143, CIAHSG
1963a)
47
Voornaamste principes en domeinen van samenwerking
De voornaamste thema‟s en principes die in het Charter werden aangehaald, waren
grotendeels een weergave van de punten waarop men verzoening of een compromis
had kunnen bereiken onder de Afrikaanse leiders.
Het lijstje van principes bevatte de vaste elementen die ook op de conferenties,
voorafgaand aan deze, steeds werden aangehaald. Het ging om: respect voor de
territoriale integriteit en soevereiniteit van andere staten, non-interventie, het
vredevol oplossen van conflicten, veroordelen van subversie en de drang naar
hegemonie of dominantie en de gelijkheid/gelijkwaardigheid van de Afrikaanse
staten. Uit deze principes blijkt dat men het politieke en territoriale status quo wilde
bewaren, en enkel op de terreinen van niet-gebondenheid en dekolonisering
veranderingen wilde bereiken. (Van Walraven 1996: 139-140; Young 1988: 24;
CIAHSG 1963b: 3-4)
Onder bevrijding begreep men het uitroeien van kolonialisme en Apartheid in
Afrika. Zeker op dit domein was nood aan solidariteit tussen Afrikaanse landen: de
onafhankelijke staten zouden hulp bieden voor de bevrijding van de nog afhankelijke
gebieden. Hiertoe besloot men een „Liberation Committee‟ op te richten, met daaraan
gekoppeld een speciaal fonds. De manier waarop dit fonds zou worden gespijsd van
bijdragen door de lidstaten, leverde enige problemen op tijdens de conferentie. Meer
uitleg over het Liberation Committee volgt in het volgende hoofdstuk. (Van
Walraven 1996: 142-143 en CIAHSG 1963a: 2-4)
Er werd samenwerking voorzien op het vlak van politiek, defensie en veiligheid,
diplomatie, economie, transport en communicatie, onderwijs, cultuur,
gezondheidszorg en hygiëne, voedselvoorziening en wetenschap en techniek. Zo
opgesomd lijkt het wel alsof er geen domein meer was waarop men niet wilde
samenwerken. Het ging er vooral om dat de afzonderlijke staten hun beleid in deze
domeinen zouden afstemmen op de algemene principes die hierboven worden
opgesomd en op het beleid van de andere landen. Het was niet meteen de bedoeling
om gezamenlijk een nieuw beleid in deze domeinen uit te schrijven. (Van Walraven
1996: 141-142: CIAHSG 1963b: 3)
Naast meer uitleg over de Organisatie van Afrikaanse Eenheid in het volgende
hoofdstuk, is het Charter van de Organisatie integraal overgenomen in bijlage 2.
Evaluatie
De conferentie van de ministers en staatshoofden van alle toen afhankelijke
Afrikaanse landen en de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, had
uiteraard een aantal positieve gevolgen. Anderzijds kunnen er ook enkele
bedenkingen geformuleerd worden bij deze conferentie en organisatie.
Met de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid werden de voorbije
coalities en samenwerkingsverbanden grotendeels verbroken, zodat de
48
tegenstellingen tussen Afrikaanse landen minder tot uiting kwamen. De Organisatie
werd de enige organisatie voor samenwerking op continentaal niveau. Naast een
geografische entiteit was Afrika nu ook een politieke entiteit. (Van Walraven 1996:
144, 149; Efrat 1964: 19)
De Organisatie vormde niet zomaar een losse en tijdelijke samenwerking, maar
betekende het begin van een nieuw regime, waarin pan-Afrikaanse principes werden
aanvaard als basis voor interstatelijke relaties. Het idee voor het houden van een
conferentie en het oprichten van een organisatie was niet rechtstreeks ontsproten uit
pan-Afrikaanse overtuigingen, maar de ideologische wortels van de Organisatie
lagen wel deels verankerd in dit gedachtegoed, net als in het gedachtegoed van het
nationalisme. Het Charter vormde een briljant ideologisch compromis: het bracht
ideeën uit verschillende denkrichtingen samen en het geheel was te interpreteren
naar eigen wens. (Van Walraven 1996: 144, 148)
Zoals reeds vermeld zorgde de regelmatige interactie op hoog niveau ervoor dat men
meer informatie over elkaar had en dus beter de beweegredenen van een ander kon
inschatten. Dit had zijn positieve weerslag in het buitenlands beleid van de
Afrikaanse landen ten aanzien van elkaar. De Organisatie optimaliseerde de
samenwerking tussen de vele landen, door het clusteren van verschillende aspecten
en dus side-payments of wederzijdse toegevingen op verschillende domeinen mogelijk
te maken. (Van Walraven 1996:144-145)
De samenwerking op continentaal niveau drukte de kosten van de individuele
landen inzake relaties buiten Afrika. Doordat bijvoorbeeld één delegatie kon worden
gezonden naar besprekingen op wereldniveau, die uit naam van heel Afrika kon
spreken, hoefde niet elk land apart een delegatie te sturen. Wat betreft de Africa
Group in de Verenigde Naties werd op de conferentie in mei 1963 beslist een
permanent secretariaat op te richten, dat deze African Group beter kon
ondersteunen in administratieve taken en zo de efficiëntie en continuïteit kon
verzekeren. (Van Walraven 1996: 144-145)
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid mocht dan al de meeste bestaande coalities
doorbroken hebben, met de samenwerking tussen de Brazzaville-landen bleek dat
moeilijker. De instellingen die door deze groep waren opgericht, werden omgevormd
tot instellingen voor samenwerking buiten de politieke sfeer, maar de politieke band
tussen de landen bleef toch bestaan. (Van Walraven 1996: 144)
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid was strikt intergouvernementeel. Enkel het
secretariaat werd georganiseerd op supranationaal niveau, maar viel volledig onder
de autoriteit van de Assembly, waardoor het weinig kon bijdragen tot de verdere
supranationalisering van de Afrikaanse samenwerking. Er waren maar weinig
concrete verplichtingen voor de lidstaten en de grote mate van
intergouvernementaliteit betekende dat de Organisatie geen sancties kon opleggen
wanneer een lidstaat de principes van het Charter overtrad. Er was ook geen land
dat op economisch, demografisch en politiek vlak dominant genoeg was om deze
49
sancties op te leggen uit naam van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. (Van
Walraven 1996: 145, 147)
Het Westen had in se niks tegen pan-Afrikaanse samenwerking, zolang deze de
Westerse belangen in Afrika en de wereld maar niet in het gedrang bracht. Door de
afhankelijkheid van de Afrikaanse staten van het Westen, hield men automatisch
rekening met Westerse belangen zorgde men ervoor dat deze niet zouden worden
geschaad. Op die manier nam de Organisatie van Afrikaanse Eenheid een gematigd
standpunt in ten aanzien van het Westen. (Van Walraven 1996: 145)
De veelheid van de terreinen waarop men wilde samenwerking had tot gevolg dat de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid als geheel geen echte focus had, dat er geen
groter plan of algemeen doel was waarnaar men werkte. De nadruk lag wel op de
externe doelen – het verbeteren van de positie van Afrika in de wereld – en
dekolonisatie, maar de afwezigheid van consensus over concrete doelen op deze en
andere terreinen, maakte dat de Organisatie als geheel weinig kracht had. (Van
Walraven 1996: 146, 149)
50
Hoofdstuk 2: De
Organisatie
van
Afrikaanse
Eenheid en de Afrikaanse Unie
In het eerste deel bespreek ik de instellingen organen van de organisatie van
Afrikaanse Eenheid, evenals haar doelstellingen. Er volgt ook een korte uitleg over
het budget dat de OAE ter haar beschikking heeft.
In het tweede deel bespreek ik de instellingen en doelstellingen van de Afrikaanse
Unie, met de nadruk op wat is veranderd ten opzichte van de OAE. Daarna maak ik
een korte evaluatie van de OAE die beter zicht geeft op de redenen waarom
Afrikaanse Unie werd opgericht.
Tot slot gaan we even dieper in op de relatie tussen de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid en de Afrikaanse Unie met de Verenigde Naties.
Dit hoofdstuk moet een kader scheppen om later beter de instellingen en visies rond
dekolonisatie en conflictbeheersing – waarover we het hebben in hoofdstuk 3 – en de
rol van de OAE en AU in het conflict in de Westelijke Sahara te begrijpen.
51
2.1
Organisatie van Afrikaanse Eenheid
Na de ondertekening van het Charter op 26 mei 1963 trad het in werking op 13
september 1963 (Ekeh 2009), nadat het – zoals het zelf Charter stipuleerde – werd
geratificeerd door tweederde van de 33 ondertekenende landen. In de decennia die
daarop volgden traden nog 22 andere landen toe en tezamen met de vereniging van
een aantal gebieden en de terugtrekking van Marokko uit de organisatie – waarover
later meer – zorgde dit voor de 53 landen die met het aanbreken van het nieuwe
millennium de Organisatie van Afrikaanse Eenheid omvormden tot de Afrikaanse
Unie. (WE 2010c)
Al deze landen samen herbergen een grote diversiteit aan talen, naar schatting zo‟n
2000 (Maho 2004: 279) Om de goede werking van de Organisatie te verzekeren en
omdat het simpelweg onmogelijk zou zijn documenten te voorzien in al deze talen,
maakt de Organisatie gebruik van vier werktalen, namelijk het Frans, het Engels,
het Portugees en het Arabisch. (CIAHSG 1963b: 10)
2.1.1
Instellingen en organen
In het Charter wordt voorzien in de oprichting van vier instellingen om de
doelstellingen van de Organisatie ten uitvoer te brengen. Het gaat om de „Assembly
of Heads of State and Government‟, de „Council of Ministers‟, het „General Secretariat‟
en ten slotte de „Commission of Mediation, Conciliation and Arbitration‟. (CIAHSG
1963b: 5)
De Assembly5 wordt beschouwd als het hoogste orgaan in de organisatie, aan wie
alle andere organen verantwoording verschuldigd zijn. In de Assembly zal men het
hebben over „matters of common concern to Africa with a view to coordinating and
harmonizing the general policy of the Organization‟. (CIAHSG 1963b: 5) De „general
policy‟ verwijst dan naar de beleidsdomeinen waarin de OAE de lidstaten wil laten
samenwerken. Het gaat om (1) politieke en diplomatische samenwerking, (2)
economische samenwerking, waarin transport en communicatie zijn inbegrepen, (3)
samenwerking in onderwijs en cultuur, (4) samenwerking in het domein van de
gezondheidszorg, volksgezondheid en voedselvoorziening, (5) wetenschappelijke en
technische samenwerking, en ten slotte (6) samenwerking op het terrein van
defensie en veiligheid. (CIAHSG 1963b: 3)
Het gevaar van het willen voeren van zulk een brede samenwerking is echter dat
men op de duur door de bomen het bos niet meer ziet en men niet meer weet wie zich
met wat bezighoudt. Op die manier wordt elk probleem apart opgelost, via een ad
hoc beslissing, maar mist men een „bigger picture‟. Door het voorzien van zo‟n brede
samenwerking gingen de jonge Afrikaanse staten over de grenzen van hun
Wanneer verder in deze paper gesproken wordt over de „Assembly‟, verwijst dit naar de Assembly van
Staatshoofden en Regeringsleiders van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, en niet naar de
„General Assembly‟ van de Verenigde Naties. In dat laatste geval zal steeds voluit „General Assembly‟
geschreven zijn, of het Nederlandse equivalent „Algemene Vergadering‟.
5
52
staatsmanschap. Uiteindelijk focuste de OAE zich vooral op de dekolonisatie, en
waren de andere domeinen van samenwerking van ondergeschikt belang. (Efrat
1964: 22-23; CIAHSG 1963a)
De Assembly is daarnaast het enige orgaan dat de gehele structuur, de functies en
de handelingen van alle andere organen of gespecialiseerde instituten kan herzien.
(CIAHSG 1963b: 5) De opbouw en werking van de Organisatie voor Afrikaanse
Eenheid hangen dus volledig af van de beslissingen van de staats- en
regeringsleiders. De Organisatie heeft daardoor een zeer sterk intergouvernementeel
profiel, in vergelijking met een supranationaal profiel.
De Assembly komt eenmaal per jaar samen, gewoonlijk op de eerste maandag van
juni, in Ordinary Session. Daarnaast is het mogelijk om een Extraordinary Session
samen te roepen, wanneer er dringendere zaken moeten besproken worden. Op deze
bijeenkomsten heeft elk land precies één stem, naar het principe van gelijkheid
tussen staten. (ILO s.d.; CIAHSG 1963b: 5) In de praktijk zijn resoluties van de OAE
echter steeds een compromis, een weergave van een consensus, aangenomen zonder
stemming. Nergens wordt expliciet het beleid van een bepaalde staat veroordeeld, de
resoluties, verklaringen en beslissingen zijn altijd steeds heel omzichtig
geformuleerd. (Van Walraven 1996: 28)
Een tweede orgaan is de Council of Ministers, die meestal bestaat uit de Ministers
van Buitenlandse Zaken, maar in sommige gevallen kunnen het ook de ministers
zijn die bevoegd zijn voor het onderwerp ter discussie. De ministerraad houdt zich
eraan minstens tweemaal per jaar bijeen te komen. Dit gebeurt meestal in februari,
voornamelijk voor het bespreken van budgettaire zaken, en een keer in mei of juni,
ter voorbereiding van de samenkomst van de Assembly. Net als bij deze laatste kan
ook de Council in Extraordinary Session bijeenkomen. Daarnaast worden er in
bepaalde beleidsdomeinen elke twee jaar Ministrial Sectoral Meetings gehouden.
(CIAHSG 1963b: 6 en ILO s.d.)
De belangrijkste taak van de Council is het voorbereiden van de vergaderingen van
de Assembly, en zich verdiepen in de onderwerpen die het van deze laatste
toegewezen krijgt. De Council vormt eigenlijk de uitvoerende macht van de OAE,
daar waar de Assembly in de eerste plaats kan bestempeld worden als wetgevende
macht. Bij de Council zijn dezelfde regels van kracht als bij de Assembly wat het
stemmen betreft. Maar ook hier worden resoluties, beslissingen en verklaringen
aangenomen na consensus, en wordt er dus doorgaans niet gestemd. (CIAHSG
1963b: 6-7)
De derde instelling die door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid werd opgericht,
is het „General Secretariat‟ of Algemeen Secretariaat. Deze wordt geleid door een
„Secretary-General‟ (Secretaris-Generaal) die wordt aangeduid door de Assembly. De
53
Secretary-General wordt bijgestaan door een of meerdere6 Assistent SecretariesGeneral, die elk afkomstig zijn uit een andere geografische regio en op hun beurt ook
door de Assembly worden gekozen. De Secretary-General en zijn Assistenten worden
aangeduid voor een termijn van vier jaar, maar kunnen worden herverkozen. Naast
deze functionarissen bestaat het General-Secretariaat uit een heleboel ambtenaren.
(CIAHSG 1963b: 7 en ILO s.d.)
Zoals aangegeven in het vorige hoofdstuk, was de oorspronkelijke aanduiding van
het hoofd van het Secretariaat „Administrative Secretary-General‟ en had deze
inderdaad een bijna strikt administratieve taak. Doorheen de jaren was zijn
werkelijke macht onderhevig aan politieke wisselvalligheid en sinds de jaren 1990
lijkt de positie mogelijkheden te hebben. (David Meyers 1976; Van Walraven 1996:
127)
Het General Secretariat vormt een soort van fysieke aanwezigheid van de
Organisatie voor Afrikaanse Eenheid. De Assembly en de Council komen regelmatig
bijeen, maar zij vormen geen permanent fysiek orgaan. Het Secretariaat
daarentegen is op elk moment fysiek bereikbaar. Het is gehuisvest in het
Hoofdkwartier van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, in de Ethiopische
hoofdstad Addis Abeba. In deze gebouwen worden ook vergaderingen van de
Assembly en de Council gehouden, al worden vergaderingen van de Assembly vaker
gehouden in het land van de Chairperson van de Assembly. (WE 2010c; ILO s.d.)
Het Secretariaat houdt supervisie over de implementatie van de beslissingen van de
Council en de Assembly door de lidstaten. Het orgaan heeft haar eigen
administratieve taken en voorziet in technische en administratieve diensten voor
andere organen, zoals het voorbereiden van vergaderingen, het bewaren van
documenten, het opstellen van het jaarlijkse rapport, het voorbereiden van het
jaarlijkse budget en de agenda voor de Council, en meer van dergelijke technische
taken. (CIAHSG 1963b: 7 en Van Walraven 1996: 156)
Naast haar locatie in het hoofdkwartier van de OAE, heeft het secretariaat enkele
regionale en subregionale kantoren, voornamelijk in steden waar andere
internationale organisaties hun thuisbasis hebben. Er is bijvoorbeeld een kantoor in
New York, in Genève, Caïro, Brussel, Lagos, Niamey en Dar es Salaam. (ILO s.d.)
Ten slotte is er de „Commission of Mediation, Conciliantion and Arbitration‟, die de
functie heeft om conflicten tussen lidstaten onderling op een vreedzame manier op te
lossen. In het Charter wordt al weinig aandacht aan dit orgaan besteed en in de
jaren nadien bleek het vooral een slapend instituut. (CIAHSG 1963b: 8; Van
Walraven 1996: 157)
Naast deze vier vaste instellingen, kan de Assembly of Heads of State and
Department beslissen „Specialized Commissions‟ op te richten, die zich bezig houden
6
(ILO s.d.) spreekt over vijf Assistent Secretaries-General.
54
met een bepaalde problematiek. Drie daarvan zijn de „Economic and Social
Commission, de „Educational, Scientific, Cultural and Health Commission‟ en de
„Defence Commission‟, waarvan de oprichting voorzien was bij de oprichting van de
OAE als zodanig. De „Commission of Fifteen on Refugees‟ is er bijvoorbeeld één die
later is opgericht. (CIAHSG 1963b: 8 en ILO s.d)
2.1.2
Doelstellingen
Over de doelen die de OAE zou moeten nastreven, bestaat veel onenigheid onder
Afrikaanse politici. Van Walraven meent bovendien dat internationale organisaties
zelden hun eigen doelstellingen kunnen formuleren, en enkel die doelen kunnen
nastreven die hen worden toegeschreven door hun lidstaten. De werkelijke doelen
van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid kunnen we proberen achterhalen de vele
documenten die zo‟n organisatie produceert. (Van Walraven 1996: 24)
De officiële doelstellingen die de Organisatie van Afrikaanse Eenheid moet
nastreven volgens haar lidstaten, staan weergegeven in het Charter. Het gaat om
het promoten van eenheid en solidariteit onder Afrikaanse staten, het coördineren
en intensifiëren van de inspanning van deze staten om een beter leven te bereiken
voor hun bevolking, het verdedigen van de soevereiniteit, territoriale integriteit en
onafhankelijkheid van haar lidstaten, het uitroeien van alle vormen van
kolonialisme, en het promoten van internationale samenwerking, in
overeenstemming met het Charter van de Verenigde Naties en het Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens. Om deze doelen te kunnen bereiken,
moeten de staten hun beleid op de verschillende terreinen harmoniseren, de
coördinatie daarvan moet gebeuren door de OAE. (CIAHSG 1963b: 3)
Belangrijke principes die de OAE in acht moet houden bij het uitvoeren van haar
taken zijn soevereine gelijkheid van lidstaten, non-interventie, respect voor
territoriale integriteit en soevereiniteit, vredevolle oplossing van conflicten, radicale
veroordeling van elke poging tot politieke eliminatie en subversieve activiteit,
toewijding aan het bereiken van onafhankelijkheid voor de nog afhankelijke
gebieden, en tot slot het bevestigen van niet-gebondenheid. (CIAHSG 1963b: 4)
Hier lijkt mij een verschil in klemtoon te liggen met het begin van de Europese
integratie, die 12 jaar voordien, met het oprichten van de Europese Gemeenschap
voor Kolen en Staal, definitief van start ging. Zowel deze EGKS (opgericht in 1951),
als de Europese Economische Gemeenschap (opgericht met de Verdragen van Rome
in 1957) voorzagen vooral in economische samenwerking tussen de toen zes staten in
West-Europa. De pogingen tot meer politieke samenwerking die ondertussen werden
ondernomen, liepen op niets uit. (Dinan 2004)
De Afrikaanse integratie is volgens het Charter van de OAE dan weer eerder gestart
vanuit politieke overwegingen, vooral het vermijden en oplossen van conflicten en
het verzekeren van de veiligheid van de Afrikaanse elites. Er is aandacht voor
economische integratie en samenwerking, maar de klemtoon ligt op het politieke.
(CIAHSG 1963b: 1-4)
55
Het is voorzien dat elk onafhankelijke Afrikaanse staat kan deelnemen aan deze
samenwerking, mits een enkelvoudige meerderheid van lidstaten dit goedkeurt. Het
is omgekeerd ook mogelijk dat een staat niet langer wil meedoen. Het volstaat dat
dit land dit bekend maakt, en indien het zich niet bedenkt, wordt het lidmaatschap
precies een jaar later opgeheven. (CIAHSG 1963b: 10-11)
2.1.3
Het budget van de OAU
Het budget van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid wordt gespijsd door
bijdragen van de lidstaten. De bijdrage van elk land wordt bepaald met behulp van
een beoordelingsschaal opgesteld door de Verenigde Naties. In de beoordelingsschaal
wordt rekening gehouden met de oppervlakte van het land, de bevolking, en het
inkomen per capita. Niettemin kan de bijdrage van één enkele staat nooit de grens
van 20 procent van het totale jaarlijkse budget van de Organisatie overstijgen. Dat
budget ligt meestal tussen de 27 en de 30 miljoen Amerikaanse dollar. De lidstaten
hebben de plicht om hun bijdragen stipt te betalen, maar in de praktijk is dit eerder
een uitzondering. De achterstallen in betalingen waarmee de Organisatie
geconfronteerd wordt, is enorm en heeft uiteraard repercussies op haar werking.
(CIAHSG 1963b: 9 en ILO s.d.)
De begroting van de OAU wordt opgemaakt door het Secretariaat voor een periode
van één jaar, lopend van 1 juni tot 31 mei en moet worden goedgekeurd door de
Council. Na goedkeuring door de Council mag de Secretaris-Generaal geschenken,
legaten of andere donaties aanvaarden ten behoeve van de Organisatie, om het
eerder beperkte budget aan te vullen. (OAE 1963b: 9-10 en ILO s.d.)
56
2.2
De Afrikaanse Unie
Op 9 september 1999 werd op een speciale bijeenkomst van de Assembly in Sirte
beslist om de integratie van de Afrikaanse staten naar een nieuw niveau te tillen.
Daarnaast was er heel wat veranderd in de wereld sinds 1963, en het was nodig om
de werking van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid aan te passen, zodat de
organisatie kon klaar zou zijn voor de nieuwe uitdagingen. De staatshoofden
beslisten om ineens de OAE te laten voor wat ze was, en een nieuwe organisatie op
te richten, naar het voorbeeld van de OAE, maar afgestemd op huidige realiteit in
Afrika. Die nieuwe organisatie werd de Afrikaanse Unie.
Op 11 juli 2000 werd de „Constitutive Act‟ ter oprichting van de Afrikaanse Unie
goedgekeurd. Er werd een overgangsperiode voorzien, waarin de opbouw van de OAE
en haar instellingen konden worden omgevormd tot deze van de Afrikaanse Unie. Op
de bijeenkomst van de Assembly in 2002 werd de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid definitief opgeheven en ging de Afrikaanse Unie van start. (OAU-AHG
2000; AUA 2002b)
Wat was er dan anders aan de Afrikaanse Unie, ten opzicht van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid?
2.2.1
Instellingen
Een aantal instellingen van de OAE bleven in wezen bewaard, maar kregen een iets
andere naam. De „Assembly of Heads of State and Government‟ werd de „Assembly of
the African Union‟, de „Council of Ministers‟ werd de „Executive Council‟, het „General
Secretariat‟ wordt de „Commission‟. Daarnaast wordt de oprichting voorzien van een
Pan-African Parliament, een Court of Justice die een beetje de opvolger is van de
oude Commission of Mediation, Conciliation and Arbitration, een Permanent
Representatives Committee, een aantal Specialized Technical Committees die
voortkomen uit de vroegere Specialized Commissions, een Economic, Social and
Cultural Council, en ten slotte nog een aantal financiële instellingen. (OAU-AHG
2000)
Op het moment van de ondertekening van de Constitutive Act waren slechts de
Assembly, de Executive Council en de Specialized Technical Committees effectief in
staat van functioneren, net omdat deze in grote mate voortbouwden op de
instellingen van de OAE. Het oprichten van de andere voorziene instellingen stond
nog op de agenda voor de toekomst.
Bij de overgang van de OAE naar de AU werd ook Kiswahili aangenomen als
werktaal binnen de nieuwe organisatie. (Akonor 2007: 195)
2.2.2
Doelstellingen
De Afrikaanse Unie heeft een aantal doelstellingen die de OAE voorheen niet had.
57
Om te beginnen is het de bedoeling dat de Afrikaanse Unie een veel grotere mate
van integratie teweeg brengt onder de lidstaten dan de oppervlakkige
„samenwerking‟ en „harmonisering van beleid‟ waar het in de OAE om ging. Op lange
termijn – met de nadruk op „lange‟ – zouden de Afrikaanse staten regionale
federaties vormen die op hun beurt de delen zijn van een confederatie. De huidige
„Regional Economic Communities‟ zouden daarvoor evolueren naar „Regional
Integration Communities‟ en de basis vormen voor de verschillende federaties. Het
geheel vormt dan een soort „Verenigde Staten van Afrika‟, net zoals Nkrumah het in
1963 al gedroomd had. De titel van zijn boek uit 1963 „Africa Must Unite‟ is nu de
slogan de je te zien krijgt, telkens wanneer je de website van de Afrikaanse Unie wil
betreden. De Afrikaanse Unie zal zo dus een veel meer supranationaal karakter
hebben dan de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, die voornamelijk georganiseerd
was op basis van intergouvernementaliteit. Het reeds bestaan van de Regionale
Econmische Gemeenschappen zou erop kunnen wijzen dat de afzonderlijke staten, in
tegenstelling tot vijftig jaar geleden, nu meer bereid zijn een deel van hun
soevereiniteit over te hevelen naar een supranationaal niveau, ook op terreinen die
ze vroeger zagen als de exclusieve bezorgdheid van staten. (AUC 2004; Ibok 2000:
18)
Om deze supranationaliteit te verwezenlijken, wordt het vroegere SecretariaatGeneraal een grotere rol toegewezen. Het wordt een veel sterker orgaan dan in de
OAE en de voormalige functie van Secretaris-Generaal krijgt meer mogelijkheden en
bevoegdheden. Zijn functie zal meer lijken op deze van de Secretaris-Generaal van
de VN, die ook een politieke figuur is, dan op de directeur van een grote
administratie zoals het vroeger was. De naamsverandering van „General-Secretariat‟
naar „Commission‟ en van „(Administrative) Secretary-General‟ naar „Chairperson of
the African Union Commission‟, in overeenstemming met de „Chairperson of the
African Union‟, de voorzitter van de Assembly, moet deze grotere
verantwoordelijkheid en het groter aantal bevoegdheden voor deze functie duidelijk
maken. (OAU-AHG 2000)
Om deze verregaande integratie te willen bereiken, is het de bedoeling om het
panafrikanisme te doen herleven en daar bovendien de bevolking meer bij te
betrekken. Het panafrikanisme was altijd als een ideologie van de elite, net als de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid een instelling was voor de elite. Het gewone
volk had weinig invloed op de werking of doelstellingen van de OAE, als het er zich
al van bewust was dat zo‟n organisatie bestond. Met de oprichting van de Afrikaanse
Unie moet dat dus veranderen. De nadruk wordt gelegd op democratisering en
partnerschap. Er wordt voorzien in de oprichting van een Pan-Afrikaans parlement,
waar parlementariërs uit de verschillende landen in zetelen, en een Economische,
Sociale en Culturele Raad, waarin civil society-organisaties vertegenwoordigd zijn.
Het Pan-Afrikaans Parlement is ondertussen opgericht, in maart 2004, en heeft zijn
zetel in Johannesburg. (AUC 2004; Ibelema 2007: 52)
De Afrikaanse Unie toont zich in haar documenten en de naamgeving van de
functies in de verschillende organen opvallend gendergevoelig. Het is niet alleen de
58
bedoeling om de socio-economische situatie van vrouwen te verbeteren, en hun
gelijkwaardigheid aan mannen beter in de praktijk te willen brengen, maar ook dat
binnen de instellingen van de Afrikaanse Unie, ook vrouwen belangrijke posities
bekleden. (AUC 2004)
Daar waar de Afrikaanse Unie in de eerste plaats gericht was op politieke
samenwerking, ligt de nadruk bij de Afrikaanse Unie ook in grote mate op socioeconomische ontwikkeling. De realiteit van de reeds bestaande economische
gemeenschappen draagt hiertoe bij. In de beginjaren van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid was men er vooral van overtuigd dat men eerst de conflicten in
Afrika zou moeten oplossen, alvorens een effectieve socio-economische ontwikkeling
te kunnen creëren. Deze redering kwam voort uit de terechte observatie dat de
conflicten veel leed veroorzaken voor de bevolking, en hun levensomstandigheden
telkens opnieuw doen verslechteren. Doorheen de jaren werd men er zich echter van
bewust dat de bedroevende socio-economische omstandigheden van vele
gemeenschappen een oorzakelijke factor waren in vele conflicten. Het verbeteren van
de levensomstandigheden van de bevolking kon dus bijdragen aan het voorkomen
van conflicten. (AUC 2004; El-Ayouti 1994: 180)
Daarom wil de Afrikaanse Unie een beleid uitwerken dat tegelijkertijd aandacht
heeft voor socio-economische ontwikkeling als het oplossen van bestaande en
voorkomen van nieuwe conflicten. De socio-economische ontwikkeling situeert zich
zowel op het vlak van bijvoorbeeld handel en landbouw, als gezondheidszorg,
voedselzekerheid en onderwijs. Men wil daarbij bijzondere aandacht besteden aan de
jeugd. Niet alleen omdat de Afrikaanse bevolking in verhouding uit zeer veel
jongeren bestaat, maar ook omdat men zich ervan bewust is dat deze jongeren de
toekomst zijn van het continent en dat zij, mits een goede scholing en gezondheid,
het huidige project van Afrikaanse Eenheid kunnen voortzetten en verder
uitbouwen. De Afrikanen hebben ondertussen begrepen dat een goede toekomst
afhangt van henzelf en daar zelf voor verantwoordelijk zijn. Er heerst eerder een
klimaat van Afro-responsibility dan Afro-pessimism. (AUC 2004)
Het versterken van de integratie in Afrika heeft mede tot doel om het ontstaan van
conflicten op het continent te verminderen. Men hoopt dat, door de interdependentie
tussen staten op verschillende vlakken te vergroten, er minder kans is dat deze
staten met elkaar in conflict gaan. Aldus wil de Afrikaanse Unie inzetten op oplossen
van bestaande conflicten, maar vooral het voorkomen van nieuwe conflicten of
voorkomen dat kleinere spanningen uitgroeien tot een werkelijk conflict. Men wil
een mechanisme oprichten dat tijdig kan waarschuwen voor potentieel explosieve
situaties. Daarnaast moet door een combinatie van het promoten van goed bestuur,
democratie en gerechtigheid, en het bestrijden van allerlei vormen van criminaliteit
de kans dat er zich grote gewapende conflicten voordoen, gevoelig dalen. (AUC 2004)
In de ontwikkelingsprojecten die de Afrikaanse Unie voor ogen heeft, wil ze
vertrekken vanuit de menselijke noden. Het moet niet gaan om het blind vergaren
van materiële rijkdom of het betekenisloos verhogen van cijfers als het „bruto
59
binnenlands product‟ of „gemiddeld inkomen‟. Ontwikkeling moet dus niet – zoals
enkele decennia geleden – uitgaan van cijfers, maar wel van mensen. Ontwikkeling
moet de werkelijke levensomstandigheden van mensen verbeteren, en niet de
statistieken mooier maken. Ontwikkeling moet bovendien een holistisch geheel zijn,
en dus tegelijkertijd vooruitgang nastreven op economisch, sociaal, politiek, milieu,
cultureel en technologisch vlak. (AUC 2004)
2.2.3
Evaluatie van de OAE, toekomst van de AU
Er wordt ook wel gezegd dat een van de overwegingen voor het oprichten van de
Afrikaanse Unie, de magere resultaten van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid
waren. Hoewel de Organisatie van Afrikaanse Eenheid succesvol was in het
uitbannen van kolonialisme en het bereiken van onafhankelijkheid – evenwel met
opvallende uitzonderingen, zoals de kwestie van de Westelijke Sahara – werden de
voorbije vijftig jaar in Afrika gekenmerkt door een groot aantal gewapende
conflicten, een steeds groeiende schuldenlast en op vele plekken een verslechtering
van de levensomstandigheden, zelfs ten opzichte van de koloniale periode. (Akonor
2007: 191)
Georges Balandier vat samen:
“Il existe une Organisation pour l'Unité de l'Afrique, qui
fonctionne comme un organisme moderne, en principe
fédérateur depuis maintenant nombre d'années et dont le
moins qu'on puisse dire est qu'il est resté peu efficace. Il
demeure impuissant face aux situations extrêmes, il n'a pu
intervenir pour apaiser les tragédies, pour mettre l'obstacle des
forces de paix là où les affrontements sont trop rudes et
conduisent à une décivilation.” (Balandier 2003:87)
Met de oprichting van de Afrikaanse Unie kon men verder werken in de geest van de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid, maar anderzijds de mislukkingen van deze
organisatie achter zich laten. De aspiraties van de Afrikaanse Unie voor de toekomst
zijn, zoals hierboven blijkt, alleszins niet mals. Met de overgangsperiode aan het
begin van het nieuwe millennium en het feit dat vele voorziene organen nog niet
opgericht zijn, nog in het proces van oprichting zijn of nog maar net van start zijn
gegaan, is de Afrikaanse Unie vandaag zeker nog niet op haar potentiële
kruissnelheid. Het valt af te wachten of de Afrikaanse Unie de komende decennia
haar ambitieuze doelstellingen kan waarmaken. Kwame Akonor zelf is daar alvast
weinig optimistisch over. (Akonor 2007: 191)
60
2.3
De OAE en AU in relatie met de Verenigde Naties
Zowel de Organisatie van Afrikaanse Eenheid als de Afrikaanse Unie zijn in grote
mate bezig op het terrein van conflictbeheersing en –oplossing. Aangezien alle
onafhankelijke staten in Afrika lid zijn van de Verenigde Naties en dus het Charter
onderschrijven, en in dat Charter bepaald wordt dat de VN de ultieme organisatie is
die zich bezighoud met conflictbeheersing, zou hier een mogelijk belangenconflict
kunnen bestaan. Niettemin is de VN er zich van bewust dat zij zich onmogelijk met
dezelfde toewijding kunnen bezighouden met conflicten in verschillende regio‟s,
zonder de hulp van regionale organisaties. Bovendien word de VN nog steeds in
grote mate bepaald door de belangen van de grote Westerse machten en zijn deze
niet bereidt veel energie en geld te steken in het opvolgen en oplossen van het
zoveelste conflict in het continent dat in de wereld maar een marginale positie heeft.
In dit hoofdstuk hebben we daarom kort over de samenwerking tussen de OAE/AU
en de Verenigde Naties, net als over de representatie van Afrika in de organen – in
het bijzonder de Veiligheidsraad – van deze laatste.
2.3.1
Samenwerking tussen de OAE/AU en VN
In 1965 bevestigen de Assembly van de OAU en de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties beide in een resolutie – respectievelijk resolutie 33 (II) en resolutie
2011 (XX) – dat beide organisaties nauw willen samenwerken daartoe hun beider
Secretarissen-Generaal opdragen de nodige documenten en informatie aan elkaar
uitwisselen. In deze resoluties wordt zodoende formeel bevestigd wat in andere
resoluties van beide organisaties impliciet naar voor komt, namelijk dat ze een goede
relatie met elkaar in willen aanknopen en in stand houden en met elkaar willen
communiceren in een sfeer van transparantie en openheid. (CIASHG 1963a; OAUAHG 1965b; UN-GA 1965)
Zoals hierboven al duidelijk werd gemaakt, is de VN ook een beetje afhankelijk van
de OAE en AU voor het zich bezighouden met conflictbeheersing op het Afrikaanse
continent. De OAE en AU doen dit evenwel niet om de VN te plezieren, maar omdat
ze dit zelf belangrijk vinden en omdat de VN zich misschien niet altijd in dezelfde
mate met deze conflicten zou bezighouden.
Anderzijds zijn de OAE en AU in zeer belangrijke mate afhankelijk van de VN, al
was het maar omdat ze zelf de mensen en middelen niet heeft om vredesmissies en
dergelijke op te zetten. Daarom gebeurt het wel dat de OAE en AU zich bezig houden
met de diplomatieke kant van een conflict, en dat ze voor de praktische bijstand,
vaak in de vorm van een vredeskorps, hulp vragen aan de Verenigde Naties.
(Andemicael 1994)
2.3.2
Representatie van Afrika in VN-organen
Al sinds de oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid wordt in vele
documenten waarvan sprake is van een goede samenwerking tussen de OAE/AU en
de VN, meteen ook vermeld dat de Afrikaanse staten zich toch graag wat beter
61
vertegenwoordigd weten in de organisatie en haar belangrijkste instellingen. Indien
mogelijk zouden de Afrikaanse staten deze betere vertegenwoordiging willen
doortrekken naar andere internationale instellingen en organisaties, zoals het IMF
en de International Bank for Reconstruction and Development. (OAU-AHG 1999a)
Om dit te proberen verwezenlijken, werd al in 1958 beslist de African Group te
vormen en in 1963 om deze te versterken met een permanent secretariaat, , om zo de
samenwerking tussen afgevaardigden uit verschillende Afrikaanse landen en de
coördinatie van „matters of common concern‟ te verbeteren. (CIAHSG 1963a: 6)
Sinds een aantal jaren gaan er binnen de VN stemmen op om de vertegenwoordiging
binnen de VN-Veiligheidsraad te herzien. Dit gaat vooral uit van een aantal landen
die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werden uitgesloten van de
wereldmacht of die toen behoorden tot de Derde Wereld. Ondertussen nemen deze
echter een belangrijke positie in binnen de wereldeconomie. Het gaat in het
bijzonder om de landen die net omwille van hun vraag, bekendstaan als de G4:
Duitsland, Japan, Brazilië en India. Ze nemen het niet langer dat enkel de
zogenaamde overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog de status hebben van
permanent lid in de Veiligheidsraad, terwijl de machtsverhoudingen in de wereld
sindsdien grondig zijn veranderd. (Blum 2005)
Sinds er sprake is van een mogelijke hervorming van de Veiligheidsraad hebben
verschillende groepen van landen plannen ingediend over hoe zij deze hervorming
zien. Meestal komt zo‟n plan neer op het uitbreiden van het aantal leden van de
Veiligheidsraad, en dan enerzijds het afschaffen van het systeem van permanente
leden of anderzijds het uitbreiden van het aantal permanente leden. Er wordt in
deze plannen meestal ook aandacht geschonken aan een meer representatieve
regionale vertegenwoordiging. (Weiss 2003)
Geen van de geformuleerde plannen is tot nu toe echter ten uitvoer gebracht, omdat
de verschillende landen het maar niet eens kunnen worden over welke vorm deze
mogelijke hervorming van de Veiligheidsraad moet aannemen.
62
Hoofdstuk 3: Kolonisering en postkoloniaal conflict
management
In dit hoofdstuk besteed ik eerst aandacht aan de formele betekenis van begrippen
als „kolonisering‟, „kolonialisme‟ en „dekolonisatie‟. Vervolgens ga ik dieper in op wat
de historische invulling van deze begrippen was, met andere woorden hoe de
kolonisering en dekolonisering in Afrika verliepen. Bij dat laatste neemt VNresolutie 1514 een sleutelrol. Ten slotte beschrijf ik de invulling van het begrip
soevereiniteit in het Europese, Islamitische en internationale recht.
In het tweede deel vertel ik wat meer over het Liberation Committee, het orgaan dat
de inspanningen van de OAE voor de dekolonisering van Afrika coördineerde. Het
wordt opgevolgd door een derde deel waarin de mechanismen voor conflictbeheersing
door de OAE en AU worden besproken.
63
3.1
Kolonisering en dekolonisering
In dit deel besteed ik eerst aandacht aan de formele betekenis van begrippen als
„kolonisering‟, „kolonialisme‟ en „dekolonisatie‟. Vervolgens ga ik dieper in op wat de
historische invulling van deze begrippen was, met andere woorden hoe de
kolonisering en dekolonisering in Afrika verliepen. Deze heeft invloed gehad op het
ontstaan van het conflict in de Westelijke Sahara. VN-resolutie 1514 neemt een
sleutelrol in wat betreft dekolonisering. Ten slotte beschrijf ik de invulling van het
begrip soevereiniteit in het Europese, Islamitische en internationale recht.
3.1.1
Betekenis
Voor ik begin aan dit hoofdstuk over kolonisering en dekolonisering, wil ik eerst
uitleggen wat mijn invulling is van de woorden „kolonisering‟, „kolonisatie‟,
„kolonialisme‟, „dekolonisering‟, „dekolonisatie‟.
„Kolonisering‟ en „kolonisatie‟ betekenen „koloniën vormen, nederzettingen vestigen‟.
Ze duiden voor mij op de feitelijke actie van het koloniseren. „Kolonisering‟ geeft
daarbij eerder een proces aan, terwijl „kolonisatie‟ meer wijst op een voltooide actie.
Met „dekolonisering‟ en „dekolonisatie‟ gaat het net hetzelfde. Het gaat om „de
kolonisering of periode van kolonisatie tot een einde brengen‟ waarbij het eerste
alweer duidt op een proces en het tweede duidt op een voltooide actie.
„Kolonialisme‟ verwijst op haar beurt dan meer naar de ideologie van de kolonisator,
de ideologie die uitlegt waarom en hoe er zou moeten gekoloniseerd worden. Voor
zover ik weet bestaat er niet zoiets als „dekolonialisme‟.
3.1.2
Kolonisering
Noord-Afrika had haar eerste contacten met Europa al zes eeuwen voor het begin
van onze tijdrekening, tijdens de periode van de Grieken en Feniciërs. De rest van
Afrika maakte kennis met de Europeanen in de 15e en 16e eeuw. Lange tijd
beperkten dezen hun aanwezigheid tot het bouwen van enkele nederzettingen aan de
kust en tot het tot slaaf maken van de zwarte bevolking. Op de zogenaamde „Congo
Conference‟ in Berlijn in 1884 en 1885 verdeelden de Europese mogendheden
Afrika‟s grondgebied onder elkaar en begon de werkelijke kolonisering van Afrika.
(WE 2010b)
De grenzen werden vastgesteld volgens het goeddunken van deze Europese
mogendheden. Soms volgden de politieke grenzen een natuurlijke grens, zoals
bijvoorbeeld een rivier. In andere gevallen kwamen ze overeen met een lengte- of
breedtegraad. In nog andere gevallen werden ze per verdrag afgesproken, volgens de
feitelijke veroveringen die koloniale legers hadden gemaakt. In nog andere gevallen
kwamen ze overeen met de scheiding tussen politieke entiteiten onder de Afrikanen,
al was dat vaak niet het geval. In de meeste gevallen werden politieke en etnische
gemeenschappen van elkaar gescheiden door de koloniale grenzen. (WE 2010b)
64
3.1.3
Dekolonisering
De dekolonisatie van Afrika begon na de Tweede Wereldoorlog en strekte zich uit
over een periode van vier decennia. Het betekende een overgang in de politieke
opbouw van de wereld: rijken werden omgevormd tot verzamelingen van natiestaten.
De inwoners van deze gebieden waren niet langer de onderdanen van een
buitenlandse heerser, maar werden onafhankelijke burgers. Hoewel de bedoeling
van de dekolonisatie was om vooruitgang te creëren op het vlak van socioeconomisch welzijn en het herwinnen van menselijke waardigheid, resulteerde deze
overgang niet altijd in werkelijke vooruitgang. De enige vooruitgang die plaatsvond,
situeerde zich eerder in de voormalige koloniale metropolen dan in de oud-kolonies.
(Frank 1987: 9)
Ellis beschrijft de dekolonisering of de onafhankelijkheid als een herordening van
het complexe geheel van onderhandelingen/akkoorden tussen kolonisator en elite, en
meent dat er in de grond niet veel veranderd is aan de relaties tussen de Afrikaanse
en Europese elite. (Ellis 1996: 18) Frank op zijn beurt geeft aan dat er voor de
Afrikanen zelf wel veel veranderde. Hij omschrijft de overgang de koloniale naar de
postkoloniale wereld als “perhaps the most revolutionary social transformation in
human history” (Frank 1987: 9) en meent dat deze al bij al vredevol is verlopen.
(Frank 1987: 9-10)
Niettemin zijn er opvallende en pijnlijke uitzonderingen. Het „gemak‟ waarmee de
dekolonisatie verliep, hing in grote mate af van de wijze waarop men deze gebieden
had gekoloniseerd, bijvoorbeeld de zogenaamde direct rule of indirect rule methoden.
In alle gevallen gold één regel als het sine qua non van de dekolonisatie: de koloniale
grenzen zouden niet gewijzigd worden, tenzij op uitdrukkelijke vraag van de
bevolking. (Frank 1987: 9-10; Davidson 1992: hdst. 6; Hazlewood 1967: 3) Frank legt
uit:
“Whether or not the boundaries of empire – decreed by cultural
messianism, mercantilist greed, the Congress of Berlin or all
three – made sense in ecological, geographic or demographic
terms, those boundaries could only be altered with the consent
of the governed”. (Frank 1987: 10)
Slechts in enkele gevallen zijn de grenzen van de koloniale territoria gewijzigd, mét
goedkeuring van de bevolking. Rwanda-Urundi werd gesplitst in de aparte staten
Rwanda en Burundi, het British Togolese Trust Territory en de Gold Coast besloten
samen het land Ghana te vormen, en het Franse Cameroun en het Britse Southern
Cameroon verenigden zich in Kameroen. In het geval van Belgisch Congo, werd het
territorium samengehouden en een secessie van Katanga voorkomen. (WE 2010a;
Frank 1987: 10-11)
De enige gevallen van dekolonisering die een uitzondering vormden op de regel van
de Verenigde Naties (zie infra), waren deze van Westelijk Nieuw Guinea en
Oost-Timor – deze gebieden werden ingenomen door buurland Indonesië, al is
65
Oost-Timor7 sinds kort onafhankelijk – en de Westelijke Sahara, dat werd bezet door
Marokko. Deze laatste kwestie is het onderwerp van nauwer onderzoek in deze
paper en komt verderop aan bod. (Frank 1987: 11)
3.1.4
VN-resolutie 1514
VN-resolutie 1514, aangenomen op 14 december 1960 door de Algemene Vergadering
in haar 15e sessie, vormt de basis van het internationaal recht aangaande
dekolonisering (UN-GA 1960a). De volledige resolutie is opgenomen in bijlage 3.
Novais vat de inhoud samen als:
based on the following tripartite principle: all dependent
peoples are entitled to freedom, defined in terms of the existing
colonial territories, and once such a people had come to be
independent, no residual right of self-determination remained
with any group within it or cutting across its frontiers. (Novais
2009: 61)
In Resolutie 1654, aangenomen door de Algemene Vergadering op 27 november
1961, benadrukt de AV het belang van Resolutie 1514. Ze betreurt dat de bepalingen
daarin nog steeds maar nauwelijks zijn opgevolgd en dringt aan op een snelle
dekolonisering. Om dit vanuit de Verenigde Naties te bevorderen, wordt in de
resolutie een Speciaal Comité opgericht van zeventien leden. Deze Commissie heeft
als taak
„to examine the application of the Declaration [Resolution
1514], to make suggestions and recommendations on the
progress and extent of the implementation of the Declaration
[…]‟. (UN-GA 1961)
In de praktijk betekent dat het Speciale Comité
“to this day oversees and promotes the achievement of those
objectives, monitoring elections and plebiscites preceding selfgovernment, investigating progress towards self-rule and
establishing the conditions and timetables for progress towards
the mandated objective”. (Frank 1987: 10)
3.1.5
Soevereiniteit
De sleutel in het conflict in de Westelijke Sahara is het begrip „soevereiniteit‟ en de
interpretatie daarvan binnen het internationale recht. Historisch werd soevereiniteit
begrepen als „territoriale soevereiniteit‟, een idee uit de late middeleeuwen en dat in
Pedro Pinto Leite maakte een vergelijking tussen de aanslepende dekolonisering van OostTimor en de Westelijke Sahara. (Pinto Leite 2006)
7
66
het huidig internationaal systeem werd vastgelegd met de Vrede van Westfalen in
1648. Die interpretatie van soevereiniteit bevatte ook het idee van „soevereine
gelijkheid‟, wat inhield dat staten gelijk waren aan elkaar voor het internationale
recht (voor zover dat in die tijd bestond). In de geschiedenis en in de praktijk is
„soevereiniteit‟ dus gegroeid als Europees principe, het is geconcipieerd in een
Europese context. (Joffé 1986: 21)
In de 19e werd het idee van de „natiestaat‟ geboren, onder andere bij denkers als
Herder. (Hayes 1927: 722-723) Dit werd toegevoegd aan het concept „soevereiniteit‟.
De notie „soevereine natiestaten‟ werd verder in de praktijk gebracht via de
dekolonisatie, die gebaseerd was op de principes van de Verenigde Naties, van wie
het Charter op haar beurt geïnspireerd was op de „Déclaration de Droits de l‟Homme
et du Citoyen‟ die opgesteld werd ten tijde van de Franse Revolutie. (Joffé 1986: 2122)
Tijdens de kolonisering namen de Afrikanen Europese denkpatronen over, onder
meer over politiek. Dit gebeurde om dialoog tussen de kolonisator en de onderworpen
bevolking mogelijk te maken. Door in de postkoloniale periode de nieuwe staten
vorm te geven binnen de oude koloniale grenzen, rechtvaardigt de koloniale
bevolking haar claim op soeverein staatschap en soevereine territoriale integriteit.
(Joffé 1986: 22-23)
Onder meer in Noord-Afrika probeerden de nieuwe staten de sociale,
etnische/culturele, religieuze en economische variatie in hun gebied onder één
geheel, de staat, samen te brengen. Dit verliep uiteraard niet zonder de nodige
strubbelingen, maar men drong hoe dan ook een nationaal bewustzijn op. De creatie
van nationale uniciteit gaat vaak samen met het creëren van een historische
stamboom, gebaseerd op een mythe. Men creëert met andere woorden een nationale
geschiedenis. (Joffé 1986: 23)
Voor Marokko8 betekende de creatie van een nationale geschiedenis dat zij de
periode van het Marokkaanse sultanaat opnieuw wilde evoqueren. Dat sultanaat
strekte zich echter verder uit dan de grenzen van het hedendaagse Marokko.
Niettemin probeerde men deze gebieden bij de postkoloniale Marokkaanse staat te
voegen. Het probleem voor Marokko was echter dat het internationale recht
gebaseerd is op het Europese en Romeinse recht. Er wordt geen rekening gehouden
met andere rechterlijke tradities, waarin men de relaties tussen politieke entiteiten
anders ziet, zoals bijvoorbeeld in het islamitisch recht. (Joffé 1986: 25)
Het concept „soevereiniteit‟ in het islamitisch recht heeft zijn oorsprong in de
vorming van de eerste islamitische staat in Medina na de Hijra en werd verder
uitgewerkt tijdens de periode van de eerste vier kaliefen. Een belangrijke plicht van
Joffé schreef ook een artikel waarin hij uitgebreid ingaat op de unieke staatsvorm van het
postkoloniale Marokko. De koning bekleed daarin een bijzondere positie, die voor een groot
deel gebaseerd is op de politieke vormgeving van de pre-koloniale staat. (Joffé 1988)
8
67
de kalief bestond eruit ervoor te zorgen dat de Sharia – de islamitische wet – werd
gerespecteerd en dat de mensen onder zijn bestuur dagelijks leefden volgens de
voorschriften van de islam. Als de kalief hierin faalde, kon de moslimgemeenschap
hem afzetten. Het concept bayaa duidt op deze voorwaardelijke trouw van de
gemeenschap aan de kalief, die hem gegeven werd indien deze zich hield aan zijn
plichten onder de Sharia. De populaire legitimatie van zijn religieuze status was dan
ook een cruciaal element voor de kalief om politieke soevereiniteit te kunnen
uitoefenen. (Joffé 1986: 25-26).
De ideale politieke entiteit binnen de islam omvatte de hele umma, de gemeenschap
van moslims, en kwam dus overeen met de dar al-islam, het land van de islam. In de
praktijk bestonden er echter verschillende kleinere politieke entiteiten, sultah
genoemd. In de relatie tussen de sultan – de heerser over zo‟n sultah – gold nog
steeds het principe van bayaa, net als het idee van territoriale soevereiniteit. Al ging
dat vooral om een link tussen de heerser en de gemeenschap(pen) in kwestie:
soevereiniteit gerelateerd aan gemeenschap en op basis van persoonlijke banden.
(Joffé 1986: 26)
Het moderne Marokkaanse sultanaat kon worden beschreven als een religieus
instituut, waarbij loyaliteit en trouw belangrijke onderdelen waren van macht en
soevereiniteit. Ook in de bled as-Siba (het gebied waar de sultan geen directe
controle uitoefende; onderscheid zich van bled al-Makhzen, waar er wel directe
controle van de sultan heerst) gold de autoriteit van de sultan, dan via lokale
vertegenwoordigers of autoriteiten. De autoriteit van de sultan diende in die
gebieden vaak als legitimatie van de lokale autoriteit, of als bemiddelingsinstantie.
Vooral in grensregio‟s, waar de dar al-islam grensde aan de dar al-harb (het land
van de heidenen), was dit het geval. Het delegeren van autoriteit werd aangeduid
met thaghr en omvatte de plicht tot het verdedigen van de grenzen van de
moslimwereld, net als de plicht tot jihad voor het verdedigen van de umma. (Joffé
1986: 26-27)
Het is vanuit deze realiteit en traditie dat Marokko en Mauritanië later hun claim
voor het Internationale Gerechtshof in Den Haag argumenteerden. Zie voor meer
uitleg hierover hoofdstuk 5.
68
3.2
Dekolonisering door de OAE: Liberation Committee
Een van de redenen waarom de Organisatie van Afrikaanse Eenheid werd opgericht,
was vanuit de antikoloniale houding van de Afrikaanse elite. Op dezelfde conferentie
waarop de Organisatie van Afrikaanse Eenheid werd opgericht, benadrukten de
Afrikaanse staatshoofden de noodzaak van zo snel mogelijke dekolonisatie, in
overeenstemming met resolutie 1514 van de Verenigde Naties. De Organisatie zou
op haar beurt de vrijheidsstrijd in de nog niet onafhankelijke gebieden
ondersteunen. Er zou ook gestreden worden tegen de blanke regimes is zuidelijk
Afrika, evenals tegen Apartheid. (CIAHSG 1963a)
Onder vrijheidsbewegingen verstond de OAE dus alleen die groepen die in een
koloniale staat ijverden voor onafhankelijkheid voor het hele koloniale territorium.
De OAE zou dus een afscheidingsbewegingen steunen, evenmin als rebellengroepen
na de onafhankelijkheid. (Van Walraven 1996: 207)
Om deze ondersteuning te bieden, richtten de staatshoofden en regeringsleiders het
„Co-ordinating Committee‟ op, dat ook wel het Committee of Nine werd genoemd,
maar vooral bekend werd als het „Liberation Committee‟. Het bestond uit Algerije,
Ethiopië, Guinee, Congo-Léopoldville, Nigeria, Senegal, Tanganyika, de Verenigde
Arabische Republiek (het latere Egypte) en Oeganda. Het hoofdkwartier van het
comité werd gevestigd in Dar es Salaam. Er werd tevens een Special Fund opgestart,
waarin de lidstaten van de OAE hun bijdragen zouden storten en waarmee het
Liberation Committee haar acties kon financieren. (CIAHSG 1963a)
In de loop van de jaren groeide het lidmaatschap van het comité van de negen
oorspronkelijke leden naar 21 leden. Aan het hoofd van het comité stond een
Executive Secretary, die de baas was van het Executive Secretariat van het comité.
De Executive Secretary werd aangeduid door de Tanzaniaanse regering, de twee
Assistent Executive Secreatries werden aangeduid door het comité zelf, uit twee
verschillende regio‟s. Er bestond een rotatiesysteem, zodat elke regio‟ om de zoveel
jaar een Assistent Executive Secretary kon leveren. Naast haar hoofdkwartier in Dar
es Salaam zette het Liberation Committee ook een aantal regionale kantoren op,
meestal in de buurt van conflictregio‟s. (Van Walraven 1996: 232-233)
Het Liberation Committee had enige autonomie ten aanzien van het Algemeen
Secretariaat in Addis Abeba, hoewel het er administratief gezien, wel een deel van
was. Het Algemeen Secretariaat van haar kant probeerde enige controle over het
Liberation Committee te krijgen. Voor haar beleid was het comité verantwoording
verschuldigd aan de Council en de Assembly, maar het kon ook tegenover deze
organen enige vrijheid verwerven. De antikoloniale taal van het comité was
doorgaans iets harder en radicaler dan die van de OAE in het algemeen en het
comité nam een activistische houding aan. (Van Walraven 1996: 232-234)
69
Het Speciale Fonds waarmee het comité haar acties kon financieren, kreeg te maken
met enorme achterstallen in het betalen van bijdragen, vooral vanwege staten die
verder verwijderd waren van conflictgebieden. Ook landen die zelf geen lid waren
van het comité, werden verondersteld bij te dragen aan het Speciale Fonds. Er
heerste echter geheimhouding rond het gebruik van het geld, uit tactische
overwegingen, maar daardoor hadden vele staten ook de neiging om niet te betalen.
Ze wilden weten wat gebeurde met het geld waarvan ze er toch al niet zoveel
hadden. Door het lidmaatschap uit te bereiden, andere landen observer status toe te
kennen en meer documenten over haar activiteiten te verspreiden, kon het comité
het probleem van achterstallige betaling enigszins oplossen. (Van Walraven 1996:
234-235)
Het Liberation Committee had een sterke voorkeur voor meer actieve en radicale
vrijheidsbewegingen. Het gaf bijvoorbeeld (politieke) steun aan het Polisario,
ondanks de lange onbeslistheid van de OAE wat aan te vangen met de situatie in de
Westelijke Sahara. Vrijheidsbewegingen hadden meer kans op steun van het
Liberation Committee wanneer zij een internationale banden hadden en hun ideeën
aangaande nationalisme en socio-economische organisatie overeenkwamen met die
van de OAE. Niettemin bestond er ook onenigheid tussen vrijheidsbewegingen en
het Liberation Committtee, bijvoorbeeld bij het nemen van beslissingen. (Van
Walraven 1996: 235-236)
Tot 1972 was het aan vrijheidsbewegingen toegelaten om met observer status deel te
nemen aan de vergaderingen van het Liberation Committee, maar ze hadden toen
nog geen toegang tot alle documenten. Er bestond vaak onenigheid over de te volgen
tactiek om de bevrijding te realiseren tussen de bevrijdingsbewegingen en het
Liberation Committee. De vrijheidsbewegingen klaagden ook over het gebrek aan
strijdlust bij de lidstaten en de onenigheid in hun rangen. Daarnaast wilden de
vrijheidsbewegingen ook meer financiële steun. (Van Walraven 1996: 236-237)
Het Liberation Committee moest haar werk doen in vervelende omstandigheden: het
werd vanuit vele verschillende hoeken beïnvloed en kon niet rekenen op voldoende
financiële middelen. De betalingen van het Liberation Committee vielen in het niet
bij de financiële steun die deze bevrijdingsbewegingen soms vanuit het buitenland
kregen. De directe financiële hulp die deze bewegingen kregen van sommige
Afrikaanse staten, is moeilijker in te schatten. Toch was de hulp van het Liberation
Committee niet onbelangrijk. Door haar multilateraal karakter kon het comité de
invloed van Westerse donorlanden beperken en het legitimeerde bovendien de
gewapende strijd van de bevrijdingsbewegingen. Het Liberation Committee wilde per
land slechts één groep ondersteunen, om onderlinge strijd tussen
bevrijdingsbewegingen te vermijden. Het probeerde de verschillende bewegingen van
één land te laten samenwerken of, indien dit niet kon, steunde het comité slechts één
beweging, meestal deze die het meeste werd gesteund door de bevolking en zich
bezig hield met guerrilla-acties tegen de koloniale overheerser. (Van Walraven 1996:
237-240)
70
In 1994 werd in Arusha het Liberation Committee opgeheven, omdat men van
mening was dat de dekolonisering in Afrika voltooid werd. (Van Walraven 1996: 232)
71
3.3
Conflictbeheersing door de OAE en de AU
Afrika staat in het Westen bekend als een continent waar voortdurend gewapende
conflicten heersen. Enerzijds zit de media daar zeker voor iets tussen, dat het vaak
enkel dit beeld van Afrika schetst, anderzijds komen er inderdaad veel gewapende
conflicten voor.
Vaak worden grenzen genoemd als oorzaken van conflicten, omdat deze etnische en
culturele complexen doorsnijden. “Ethnic overhang” en grensoverschrijdende handel
vormen inderdaad een bron van spanningen, maar heel vaak zijn grensconflicten ook
de noemer voor conflicten van een heel andere aard. Er is in Afrika maar weinig
oorlog echt omwille van grenzen. Mocht dit toch het geval zijn, en een grens wordt
verlegd als gevolg van een oorlog, dan zou dit een verstoring betekenen in de
binnenlandse etnische balans en de grensherzieningen zouden een precedent
scheppen. Bovendien hecht men nog steeds veel belang aan de legitimiteit van de
koloniale grenzen en is er maar weinig capaciteit voor conventionele oorlogsvoering,
die een grensherziening zou kunnen afdwingen. (Van Walraven 1996: 67) Zodoende
is het maar weinig waarschijnlijk dat, nu de dekolonisatie in Afrika zo goed als
compleet is, men nog grenzen zou wijzingen.
De meeste conflicten in Afrika zijn interne conflicten, conflicten binnen een staat.
Deze conflicten ontstaan vaak door een samenkomst aan redenen en niet elke partij
in het conflict vecht om dezelfde redenen. Wanneer conflicten tussen landen
voorkomen, zijn die meestal het resultaat van binnenlandse conflicten die uit de
hand zijn gelopen, of van versterkte ongelijkheden tussen landen. (Van Walraven
1996: 68)
Zowel de Organisatie van Afrikaanse Unie als de Afrikaanse Unie deden/doen aan
conflictbeheersing. Hun inspanningen worden hieronder verduidelijkt.
3.3.1
De Organisatie van Afrikaanse Eenheid
Vanaf haar oprichting in 1963 was de organisatie zich ervan bewust dat ze nood had
aan een goede basis die een kader zou bieden voor collectieve regionale actie en
strategische planning in de domeinen van regionale veiligheid, vrede en stabiliteit,
net zoals de promotie van economische ontwikkeling via economische samenwerking
en integratie. De Afrikaanse leiders beseften dat, om een beter leven de creëren voor
de Afrikanen, het noodzakelijk was om de soevereiniteit en territoriale integriteit
van hun staten te verdedigen en om internationale samenwerking te promoten, in
overeenstemming met het Charter van de Verenigde Naties. (Ibok 2000: 3)
De ervaringen van de OAE in het promoten van regionale stabiliteit en het beperken
van de negatieve impact van conflicten in Afrika zijn even gevarieerd als het
lidmaatschap van de Organisatie. Tijdens het eerste decennium van haar bestaan
was de organisatie vooral gefocust op het verzekeren van de reductie van conflicten
en op de lont halen uit spanningen tussen lidstaten, in het bijzonder spanningen die
hun oorzaak hadden in grensdisputen, territoriale claims en ideologische
72
confrontaties. De Organisatie heeft toch wel enig succes kunnen boeken op die
terreinen. (Ibok 2000: 3)
De grootste verwezenlijking van de OAE was in het domein van de dekolonisatie. Bij
haar oprichting kon de Organisatie slechts de helft van haar huidige lidstaten
opnemen, maar tegen 1994 had de vrijheidsstrijd, gevoerd onder het mandaat van
het Liberation Committee, vele vruchten afgeworpen, die culmineerden in het einde
van Apartheid en geïnstitutionaliseerd racisme in Zuid-Afrika. (Ibok 2000: 3-4)
De OAE was dus wel bezig met het oplossen van conflicten, vooral interstatelijke
conflicten, ook al was dat op een ad-hoc basis, met weinig algemene planning. (Jonah
1994: 4) Het Mechanism for Mediation, Arbitration and Conciliation dat is
opgenomen in het Charter van de OAE, bood een basis voor deze conflictbeheersing,
ook al was de bijbehorende commissie eerder een slapend orgaan. De opname van
zulk een mechanisme in het Charter bewees de nood ervan. De redenen waarom het
OAE er niet in slaagde om procedures voor het oplossen van conflicten te formuleren,
lagen vooral in de verschillende percepties en interpretaties van het begrip
soevereiniteit. Niettemin zijn een aantal innovatieve beslissingen genomen, zoals het
vormen van Ad-Hoc Committees waarin staatshoofden zetelden, om specifieke zaken
op te volgen, zoals in de Westelijke Sahara, het conflict tussen Tsjaad en Libië en het
conflict tussen Senegal en Mauritanië. Een aantal personen kregen het mandaat om
tussen te komen in conflicten in de naam van de Assembly. In locale conflicten
werden regionale organisaties ingezet om deze conflicten op te lossen. De rol van de
Secretaris-Generaal heeft doorheen de jaren zinvolle veranderingen ondergaan,
waardoor deze persoonlijk of via Speciale Gezanten het vredevol oplossen van
conflicten kan promoten. (Ibok 2000: 4)
In de jaren 1980 en 1990 kreeg de OAE steeds meer te maken met de ongelijke
internationale economische relaties, die samen met slechte prestaties op het gebied
van goed bestuur, politieke emancipatie en mensenrechten hun impact hadden op de
vrede, veiligheid en stabiliteit in Afrika. (Ibok 2000: 4)
Door het einde van de Koude Oorlog en het verdwijnen van de spanningen in Afrika
die het gevolg waren van deze globale tegenstelling, werden etnische, religieuze en
culturele tegenstellingen steeds meer duidelijk en een reden voor conflict. In die
periode meende de OAE dat intrastatelijke conflicten enkel de zaak waren van de
betreffende staat, en dat de OAE daar niks mee te zien had. Het principe van noninterventie werd gerespecteerd. In de Verklaring van 1990 over de politieke en socioeconomische situatie in Afrika en de fundamentele veranderingen in de wereld, werd
voor het eerst de veranderende aard van conflicten in Afrika erkend: van
interstatelijke conflicten – waarvoor men in het verleden ad hoc comités had
gecreëerd – naar intrastatelijke conflicten. Deze laatste vroegen om een meer
dynamische benadering, gezien de Afrikaanse bezorgdheid om concepten als
soevereiniteit en non-interventie in de interne zaken van lidstaten. In diezelfde
verklaring werd duidelijk gemaakt dat noodzakelijke vooruitgang op sociaal en
73
economisch gebied zouden moeten helpen in het voorkomen van nieuwe conflicten.
(Ibok 2000: 5-6)
De conflicten brachten vele vernieling en humanitaire rampen met zich mee en vele
Afrikaanse leiders en landen konden niet langer staan toekijken hoe een deel van
het continent werd verscheurd door conflicten, enkel en alleen om betwistbare zaken
van technische aard rond het begrip soevereiniteit. Non-interventie hoefde niet ook
onverschilligheid te betekenen. Bovendien wilde men niet langer dat Afrika gezien
werd als een continent van conflicten en ellende. De oplossing was dat nationale en
subregionale mechanismen voor conflictbeheersing werden aangevuld met
mechanismen op continentaal en internationaal niveau, op voorwaarde dat deze
ingebed zouden zijn binnen het kader van de OAE. (Ibok 2000: 6-7)
In de aanloop naar de verklaring van 1990 werden de mechanismen voor
conflictbeheersing van de OAE geëvalueerd en er werd bekeken wat men voor
wijzigingen kon aanbrengen. Centraal stond de gedachte de Afrikanen zelf hun
conflicten moeten oplossen, ook al hebben ze daarvoor ondersteuning voor nodig
vanuit het buitenland. De Verklaring uit 1990 bevatte het voorstel een permanent
Mechanism for the Prevention, Management and Resolution of Conflicts op te richten,
net als de nodige instituten om dit Mechanisme te ondersteunen. In 1993 werd het
Mechanisme dan ook effectief opgericht. (Ibok 2000: 6-7; OAU-AHG 1993b)
Tegelijkertijd met de nieuwe inspanningen van Afrikaanse staten om zich toe te
leggen op het oplossen van conflicten, bleek dat Afrika‟s partners in de rest van de
wereld minder geneigd waren zich direct militair te engageren in Afrika. Enerzijds
had dit als voordeel dat door het verminderen of zelfs uitblijven van externe
interventie, conflicten in Afrika niet nodeloos verlengd zouden worden, of zouden
verlopen volgens de belangen van deze buitenlandse macht. Anderzijds hadden en
hebben de Afrikaanse staten nog steeds niet genoeg eigen middelen om militaire
acties en grondige conflictbeheersing in de praktijk te brengen. Zij hebben daarvoor
de steun – niet alleen financieel, maar ook op het gebied van materiaal,
manschappen, kennis en kunde – van rijkere landen nodig. (Ibok 2000: 7-8)
Het was en is dus nodig de internationale gemeenschap van de goede bedoelingen
van de Afrikaanse staten te verzekeren, zodat deze laatste zich kunnen verzekeren
van de hulp van de eerste. Daarom werd sterk de nadruk gelegd op de mechanismen
voor conflictpreventie. In het licht daarvan bekeek men het opzetten van een Early
Warning Network, gekoppeld aan Early Political Action, samengebracht in een
bescheiden coördinatiefaciliteit in het Conflict Management Center. Dit Netwerk zou
moeten voorzien in het verzamelen van betrouwbare informatie, zodat het goede
beleidsaanbevelingen kan doen. Niettemin wordt de uitvoer van doeltreffende
conflictpreventie, -beheer en –oplossing nog steeds in grote mate beperkt door het
gebrek aan middelen. Gedurende de jaren dat het Mechnisme in werking was, bleek
dat de lidstaten van de OAE niet langer onvoorwaardelijk vasthielden aan de
principes van soevereiniteit en non-interventie, en dat deze principes onder
74
bepaalde, strikte voorwaarden konden overschreden worden. Hieruit blijkt mede de
groeiende positieve houding van lidstaten ten aanzien van de OAE. (Ibok 2000: 8-9)
De rol van de OAE in conflicten in Afrika is gedurende de voorbije decennia niet
altijd even duidelijk geweest, maar dit is vooral de wijten aan de voorkeur van de
Secretaris-Generaal voor stille diplomatie. Niettemin heeft de OAE in elk conflict
wel zijn rol gespeeld, op de voorgrond of op de achtergrond. (Ibok 2000: 9)
3.3.2
De Afrikaanse Unie
De Afrikaanse Unie was zich er bij zijn oprichting van bewust dat er nog veel werk
stond te wachten op het vlak van conflictbeheersing. Zoals hierboven al duidelijk
werd gemaakt, was de Afrikaanse Unie van mening dat men tegelijkertijd moest
werken aan zowel conflictbeheersing als socio-economische ontwikkeling, want dat
verbeteringen op het ene vlak ook voor verbeteringen op het ander vlak zouden
zorgen. Daarnaast besefte men dat de verantwoordelijkheid voor het oplossen van
Afrikaanse conflicten in de eerste plaats bij de Afrikanen zelf lag Niettemin besefte
de Unie dat ze zelf niet genoeg kennis en vooral middelen had om deze inspanningen
voor conflictbeheersing in de praktijk te brengen. De Unie zou haar goede
bedoelingen zo moeten presenteren dat ze de steun van donorlanden van
ontwikkelingshulp en deze van de Verenigde Naties kon verzekeren.
Een eerste inspanning op het vlak van conflictbeheersing werd gedaan al op de
eerste bijeenkomst van de Assembly van de Afrikaanse unie in 2002. Daar werd de
Peace and Security Council (PSC) van de Afrikaanse Unie opgericht. Dit orgaan
vervangt, sinds het protocol op 26 december 2003 in werking trad, het Central Organ
dat werd opgericht bij het OAU Mechanism for Conflict Prevention, Management and
Resolution.
Met de oprichting van deze Vredes- en Veiligheidsraad wil de Assembly allerminst in
het vaarwater komen van de VN-Veiligheidsraad. Ze wil daarentegen een goede
samenwerking tussen beide instellingen, waardoor een meer efficiënte behandeling
van vredes- en veiligheidsproblemen op het Afrikaanse continent mogelijk wordt. De
PSC moet vooral ook de bestaande regionale mechanismen voor conflictbeheersing
met elkaar in harmonie brengen en afstemmen op het algemeen beleid van de
Afrikaanse Unie.
Met de oprichting van de Peace and Security Council wil de Afrikaanse Unie
“an operational structure for the effective implementation of the
decisions taken in the areas of conflict prevention, peacemaking, peace support operations and intervention, as well as
peace-building and post-conflict reconstruction”. (AUA 2002a)
Het orgaan maakt integraal deel uit van de Afrikaanse Unie en wordt ondersteund
door de Commission, een „Panel of the Wise‟, een „Continental Early Warning System‟,
een „African Standby Force‟ en een „Special Fund‟. Tot de taken van de PSC behoren
75
zowel het promoten van vrede, veiligheid en stabiliteit, het anticiperen en
voorkomen van conflicten (peace-building), het helpen oplossen van conflicten (peacemaking) en zorgen voor post-conflict reconstruction. Daarnaast helpt de PSC ook in
het bestrijden van internationaal terrorisme, het uitwerken van een
gemeenschappelijk defensiebeleid voor de hele Afrikaanse Unie en het promoten van
democratie, goed bestuur en respect voor de wet.
De belangrijkste verwezenlijking van de Afrikaanse Unie in de oprichting van de
PSC is dat het principe van non-interventie niet langer als heilig wordt beschouwd.
Binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid was het bijna absoluut ondenkbaar
dat zeker een lidstaat, maar ook de Organisatie zelf zouden tussenkomen in de
interne conflicten of aangelegenheid van een andere lidstaat, al zeker niet op militair
vlak. In de Afrikaanse Unie is het met de oprichting van de PSC en de daarbij
horende „African Standby Force‟ mogelijk dat militairen uit lidstaten in een
gezamenlijk leger onder commando van de Afrikaanse Unie, kunnen tussenkomen in
andere lidstaten. Het principe van non-interventie geldt dus nog steeds tussen
lidstaten, maar niet langer tussen de Afrikaanse Unie en haar lidstaten. (AUA
2002a)
76
Hoofdstuk 4: De Westelijke
conflict
Sahara
–
Situering
Dit hoofdstuk biedt een inleiding op de casus van de Westelijke Sahara. Het conflict
aldaar woedt al sinds het midden van de jaren 1970, en er is nog steeds geen
oplossing voor gevonden. Voorlopig ziet het er ook niet naar uit dat deze in de nabije
toekomst wel zal gevonden worden.
In het vijfde hoofdstuk, dat volgt op dit, wordt dieper ingegaan op de oorzaken en de
toedracht van het conflict, in het bijzonder op de inspanningen van de Organisatie
van Afrikaanse Eenheid en van de Verenigde Naties ter oplossing van het conflict.
Om dit alles goed te kunnen plaatsen, geef ik in dit hoofdstuk wat meer informatie
over de context waarin het conflict is ontstaan en verloopt.
Eerst komen een aantal feitelijke zaken rond de het territorium van de Westelijke
Sahara aanbod: wat uitleg over de natuurlijke omgeving en de bevolking die er
woont. Dit wordt gevolgd door een verdieping aangaande de natuurlijke rijkdommen
in het gebied. Daarbij aansluitend komt een verduidelijking van de internationale
context van het conflict. Tenslotte geef ik een kort historisch overzicht van de
geschiedenis tot aan de kolonisatie en een schematische historische weergave van
het verloop van het conflict in de Westelijke Sahara.
77
4.1
Facts and Figures
In dit stukje geef ik wat informatie over de natuurlijke omgeving in de Westelijke
Sahara, over de mensen die er wonen en hoe deze leven. Dit is voornamelijk een
weergave van de huidige situatie.
4.1.1
Natuurlijke omgeving
De natuurlijke omgeving in de Westelijke Sahara is bijzonder ongunstig voor mensen
om te wonen en te overleven. Zoals de geografische naam aangeeft, is het grootste
deel van de 266 000 km² die het gebied omvat – bijna negen keer groter dan België –
bedekt door lage en vlakke woestijn, met grote oppervlakten rotsen en zand die in
het zuiden en noordoosten kleine bergen vormen. Er heerst een warm en droog
woestijnklimaat, doordat er nauwelijks regen valt. (CIA 2010 en Federale Overheid
België 2008)
Wel staat er voortdurend koude aflandige wind, die mist en zware dauw
veroorzaken. De Harmattan komt gedurende het hele jaar voor, en brengt vaak stof
en zand mee, die de zichtbaarheid sterk beperken. De Sirocco komt voor gedurende
de winter en het voorjaar en is eerder een droge wind, die op zijn beurt ook heel wat
stof en zand met zich meedraagt. (CIA 2010)
Door de zo goed als afwezige neerslag is slechts 0,02% van de totale landoppervlakte
geschikt voor het verbouwen van gewassen, ofwel zo‟n 53,2 km², ongeveer het
equivalent van een gemiddelde Belgische gemeente. (CIA 2010 en WN 2009).
4.1.2
Bevolking
Volgens een Spaanse volkstelling uit 1974 waren er om en bij de 74 000 inwoners in
de Westelijke Sahara. Toen nog waren het grootste deel daarvan nomaden:
gemeenschappen die met elkaar verbonden waren via een gemeenschappelijke taal –
het Hasaniyya Arabisch – en een zelfde cultuur. (Olsson 2006: 12)
Sindsdien is het aantal mensen in het gebied opgelopen tot tussen de 405 210 (CIA
2010) en de 440 000 (UNDESA 2008), onder meer door de influx van Marokkanen
tijdens de Groene Mars, waarover later meer. Dit betekent dat er theoretisch
ongeveer 1,5 personen per km² zouden wonen. Uiteraard wonen bij dit klimaat deze
mensen niet verspreid over het gebied, bijna de helft – of 198 200 inwoners – woont
in de hoofdstad Laayoune – ook geschreven als El Ajún, El Aaiún, La „Youn, al-Ayun.
Andere steden in het gebied zijn Boujdour, Dakhla en Smara. (WN 2010) In totaal
woont er 81% van de bevolking of 356 000 mensen in steden. De
verstedelijkingsgraad ligt rond de 5,9 %. (UNDESA 2008) Er wonen ook nog
ongeveer 102 000 Sahrawi‟s in vluchtelingenkampen nabij Tindouf in Algerije.
(CIA 2010)
Bijna de helft van de bevolking is jonger dan 14 jaar, iets meer dan de helft is tussen
de 15 en de 65, waardoor er nauwelijks mensen ouder zijn dan 65 jaar. Dit komt door
de lage levensverwachting van 54 jaar, door een vrij hoog sterftecijfer. Dit wordt
gecompenseerd door een zeer hoge vruchtbaarheidsgraad, en een zeer hoog
78
geboortecijfer, dat op zijn beurt weer afgezwakt wordt door vrij hoge graad van
kindersterfte. (CIA 2010)
De bevolking bestaat op etnisch vlak voornamelijk uit Arabieren en Imazighen –
deze laatste zijn beter bekend als Berbers. De voornaamste religie is de islam, de
Sahrawi volgen de Sunni-leer en de rechterlijke traditie van Malik. Er wordt
voornamelijk het Hassaniyya Arabisch gesproken, maar ook Marokkaans Arabisch,
Frans en Spaans. (CIA 2010 en WE 2010e)
Een deel van de bevolking zijn nomadische herders, die kudden dromedarissen,
schapen en geiten hoeden. Anderen overleven van de visvangst en het ontginnen van
fosfaat. Door het klimaat is nauwelijks landbouw mogelijk, met als gevolg dat het
grootste deel van het voedsel voor de stedelijke bevolking geïmporteerd wordt. De
weinige landbouw die mogelijk is in oases, voorziet in het telen van fruit en
groenten. Er wordt betaald met de Marokkaanse Dirham. (CIA 2010)
79
4.2
Natuurlijke rijkdommen in de Westelijke Sahara
De Westelijke Sahara bezit een aantal natuurlijke rijkdommen: enerzijds zijn er de
zeer visrijke wateren, anderzijds een aantal bodemrijkdommen. In die laatste
categorie horen bijvoorbeeld zand en een aantal metalen en mineralen zoals fosfaat,
ijzererts, uranium, titanium, vanadium, koper, nikkel, chroom, platina, mangaan en
goud. Het is niet van al deze grondstoffen zeker of ze werkelijk gevonden zijn in het
territorium. Fosfaat is veruit het belangrijkste van dit hele lijstje, maar ook
vanadium, uranium en titanium zijn belangrijke strategische grondstoffen. Ten
slotte is er mogelijk ook olie of aardgas aanwezig. (Shelley 2006: 20; Olsson 2006;
CIA 2010; Ruf 1987: 71)
Doorheen de jaren is het strategisch belang van visvangst en mogelijke olie voor
Marokko vergroot, terwijl dat van fosfaat min of meer stabiel is gebleven. (Shelley
2006: 17)
Wohlgemut meent dat:
“There is no doubt that the question of the natural resources of
Western Sahara such as fish, oil and phosphates has been the
main reason for the interest in the area in question. As in so
many places all over the globe the exploitation of natural
resources including the job opportunities it creates for the
occupiers makes states and people react selfishly and in conflict
with international law.” (Wohlgemuth 2006: 9)
In de Madrid Akkoorden werd al duidelijk hoe belangrijk deze grondstoffen waren:
Spanje was bereid het territorium te verlaten ten voordele van Marokko en
Mauritanië, in ruil voor 35 procent van de opbrengsten uit de exploitatie van fosfaat
en 10 jaar lang het recht om te vissen in Saharaanse wateren. (Pinto Leite 2006: 13)
In afwachting van de uitkomst van een referendum in de Westelijke Sahara en dus
een beslissing over het internationale juridische statuut van het territorium, moet
men volgens Pedro Pinto Leite zijn handen afhouden van de natuurlijke rijkdommen
van het gebied. Het exploiteren ervan is in strijd met het internationale recht. (Pinto
Leite 2006: 16)
4.2.1
Fosfaat
In de biografie van koning Hassan II wordt ontkent dat Marokko het territorium van
de Westelijke Sahara zou hebben ingenomen omwille van het fosfaat. Als reden
wordt gegeven dat de kosten om dit fosfaat te winnen niet zouden opwegen tegen de
inkomsten die eruit zouden worden gehaald. Deze reden valt echter te betwijfelen,
want met de overdracht van de autoriteit over het gebied van Spanje naar Marokko,
nam Marokko ook de moderne infrastructuur over die door Spanje werd
geïnstalleerd bij de fosfaatmijnen in Bou Craa. Bovendien hield Marokko een Spaans
bedrijf aan als partner die kon voorzien in kapitaal en expertise. (Shelley 2006: 19)
80
In de late jaren 1970 kelderden de prijzen van fosfaat vliegensvlug, waardoor
Marokko snel alle hoop verloor om hiervan rijk te worden. Door het innemen van ‟s
werelds op een na grootste reserve van fosfaat, kon Marokko wel verzekeren dat er
geen competitie meer zou komen vanuit het Zuiden. Zo heeft Rabat haar greep op
het wereldaanbod verzekerd en ze behoudt dat tot nu toe. (Shelley 2006: 19)
Het belang van de winning van fosfaat uit de Westelijke Sahara voor Marokko
vandaag blijkt uit het feit dat in 2008 in Marokko (waar de opbrengst van de
Westelijke Sahara bij hoort) 8 miljoen ton fosfaat werd geproduceerd. Alleen de
Verenigde Staten van Amerika (8,590 miljoen ton) en China (15,2 miljoen ton)
produceerden meer.9 (Jasinsky 2010: 56.9 – Table10) De fosfaatrots wordt vanuit
Bou Craa via ‟s werelds grootste transportband vervoerd naar de haven waar
Laayoune, waar de rots wordt verwerkt, maar niet opgezet wordt tot zuur of
meststof. (Shelley 2006: 20; Ruf 1987, 71)
Bou Craa voorziet in een betekenisvol aandeel inkomen en werkgelegenheid voor de
Sahrawi‟s, maar beide zijn aan het verminderen. In 2006 werkten er in totaal
ongeveer 1 900 mensen. In 1968 waren er nog 1 600 Saharawi werknemers, en dat
aantal viel terug tot 567 het jaar na de overname van het gebied door Marokko.
Sahrawi-activisten zeggen dat er nu slechts een 200-tal jobs worden ingenomen door
Sahrawi‟s, en dat dit voornamelijk lagere functies zijn. Volgens hen wordt het
aannemen van werknemers gedaan in Marokko. In de loop van de jaren hebben vele
Sahrawi-werknemers en gepensioneerden geklaagd dat hun lonen en pensioenen
steeds worden teruggeschroefd door Marokko. Het pensioen van oudere werknemers,
dat nog door Spanje wordt betaald, voorziet in noodzakelijk inkomen voor de
gemeenschap. Dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom het Polisario niet
klaagt over de blijvende Spaanse inmenging in Bou Craa. (Shelley 2006: 20)
4.2.2
Visgronden
Het belang van de visvangst voor Marokko zit hem in drie aspecten: (1) Marokko ziet
de ontwikkeling van de Marokkaanse visindustrie als een generator van inkomen en
werkgelegenheid, (2) er is een groeiende internationale vraag naar vis en
zeevruchten, (3) de voorbije jaren werd een enorme groei vastgesteld in het
Marokkaanse aandeel van de visvangst in de Saharaanse wateren. (Shelley 2006:
17)
Zeer veel vissersgemeenschappen in de Westelijke Sahara zijn van oorsprong
Marokkanen die door de zware subsidies van de Marokkaanse overheid werden
overgehaald zich te vestigen in wat Marokko de „Zuidelijke Provincies‟ noemt, en dus
het grondgebied van de Westelijke Sahara is. Deze gemeenschappen hebben hard te
Om de productie van fosfaat in verschillende landen gedurende verschillende jaren te
vergelijken, zie de jaarlijkse rapporten van U.S. Geological Survey.
http://minerals.usgs.gov/minerals/pubs/commodity/phosphate_rock/index.html#myb. Kijk bij
„Minerals Yearbook‟ onder „Annual Publications‟.
9
81
lijden onder de nieuwe bepalingen aangaande visvangst. Niettemin ziet Marokko de
visvangst als een remedie tegen de werkloosheid in de Westelijke Sahara, die
geschat wordt tussen de 25% en de 50%. (Shelley 2006: 17)
In 1960 werd nog 200 000 ton vis per jaar opgehaald, tegen 2001 was dat opgelopen
tot 1 miljoen ton per jaar. De hele visindustrie zet direct en indirect zo‟n 400 000
Marokkanen aan het werk. De export van vis brengt elk jaar ongeveer 1 miljard
dollar op, 15% van de totale inkomsten uit export. (Shelley 2006: 17)
Er wordt vooral gevist op sardines en inktvissen, in het bijzonder de octopus en
pijlinktvis. Door overbevissing en de migratie van scholen is de vangst van sardines
in de wateren die door Marokko worden gecontroleerd, met 80% gedaald. De
voorraad is enkel gezond in het zuiden van de Westelijke Sahara. Inktvissen
voorzien in 80 à 90% van de inkomsten van export en worden bijna alleen in
Saharaanse wateren gevonden. Geschat werd dat in 2007 90% van de Marokkaanse
vangst uit de Saharaanse wateren zou komen. Voor 2006 zorgde Laayoune alleen al
voor 40% van de Marokkaanse vangst. (Shelley 2006: 18)
Dat de visserij voor Marokko een belangrijk domein van de economie is, kunnen we
verder afleiden uit de hoeveelheid geld en middelen die de voorbije jaren
geïnvesteerd is in het heropbouwen van havens als Laayoune, Dakhla en Boujdour.
(Shelley 2006: 18)
Aan al deze economische activiteit hebben de meeste Saharawi‟s zo goed als niks.
Enkele Sahrawi zijn vissers, maar zij kunnen door gebrek aan micro-kredieten vaak
geen boot of werktuigen kopen. Sommige Sahrawi‟s vinden werk in havens. Er zijn
wel een aantal rijke Sahrawi families die aan de kant staan van Marokko en aan wie
wordt toegestaan enkele licenties te controleren en een diepvrieseenheid of een
sardineverwerkingseenheid op te zetten. Deze Sahrawi‟s kunnen patronage verlenen
in de vorm van jobs of vislicenties. (Shelley 2006: 18)
De bescherming van de visvoorraad in deze wateren wordt in de war gestuurd door
massale illegale visserij. Er wordt geschat dat ongeveer 7000 kleinere boten in de
door Marokko gecontroleerde wateren legaal actief zijn, maar dat er zeker ook
evenveel boten illegaal vissen. Daarnaast opereren er ook een handvol grotere
schepen die worden gecontroleerd door invloedrijke Marokkanen en een handvol
Sahrawi‟s. (Shelley 2006: 18)
In 2005 onderhandelde de Europese Unie een akkoord met Marokko over visvangst.
Tot dan toe had de EU al gevist in Marokkaanse en Saharaanse wateren, onder
overeenkomsten die waren afgeleid van de Madrid-Akkoorden. De overeenkomst die
in 2006 werd geratificeerd, vermeldde echter expliciet waters die werden
gecontroleerd door Marokko maar niet onder haar soevereiniteit vielen. (CEU 2006:
14, art.11) De EU had niet de kans genomen om in het nieuw akkoord, dat van nul
zou worden opgesteld, alles volgens het internationale recht te laten verlopen. Op
82
deze manier lijkt het akkoord over visvangst een impliciete erkenning van de huidige
stand van zaken in de Westelijke Sahara.10 (Shelley 2006: 18)
In mei 2008 gaf de Europese Unie, onder druk van een aantal Europarlementariërs,
toe dat schepen uit Europese landen zoals Spanje, Litouwen en Groot-Brittannië,
gaan vissen in de rijke visgronden voor de kusten van de Westelijke Sahara, terwijl
de EU zelf verklaard had dat ze deze natuurlijke rijkdom beschouwden als eigendom
van de Sahrawi‟s. (Rigg 2009: 1; Review of African Political Economy 2006: 345) Het
zijn overigens niet alleen Marokkaanse, Saharaanse en Europese schepen die
illegaal vissen in Saharaanse wateren, maar ook schepen uit bijvoorbeeld Rusland.
(WSRW 2010; Godoy 2010) Het Polisario en sympathisanten strijden tegen het
bestaan
van
dit
akkoord,
zie
bijvoorbeeld
de
campagnewebsite
www.fishelsewhere.eu. (WSRW 2009 en WSRW s.d.)
4.2.3
Olie & aardgas
In 2001 leende Marokko verkenningslicenties uit aan oliemaatschappijen Kerr
McGee (USA) en Total (Frankrijk). Aangezien tot nu toe nog geen olie ontdekt is in
Marokko, kon worden verondersteld dat dit betrekking had op het grondgebied van
de Westelijke Sahara. Tot nu toe is evenmin olie of aardgas ontdekt in de Westelijke
Sahara, maar met de recente ontdekking van olievelden en aardgas in Mauritanië, is
er een vrij grote kans dat er zich ook in de Westelijke Sahara olie of gas bevindt.
(Shelley 2006: 18-19)
Doordat Marokko zelf geen olie te verkopen heeft, is haar economie volledig
afhankelijk van de oliemarkt, de meest volatiele grondstoffenmarkt ter wereld. Als
Marokko zelf olie of aardgas kon produceren, zou ze deze prijsschommelingen
enigszins kunnen nivelleren: door eigen productie zou het land minder olie moeten
kopen op de internationale markt. De voorbije jaren schommelde de kosten voor het
importeren van olie tussen de 17 en 63 procent van de totale importkosten. (Shelley
2006: 18)
Er werd al gezocht naar olie voor de kusten van de Westelijke Sahara ten tijde van
de Spaanse overheersing, maar de oorlog tussen Marokko en het Polisario en de
wettelijke status van het territorium hadden oliecompagnieën na het midden van de
jaren 1970 weggehouden. Met de huidige olieprijzen zou de ontdekking van een
olieveld grote inkomsten opleveren voor Marokko. De nieuwe zoektocht naar olie
sinds 2001 maakt dan ook dat Marokko nog sterker vasthoudt aan het behouden van
het territorium van de Westelijke Sahara. (Shelley 2006: 19)
Hans Correll stelde in zijn wettelijke opinie voor de Verenigde Naties duidelijk dat
de exploitatie van natuurlijke rijkdommen van een non-self-governing territory ten
voordele moet zijn van de bewoners van dit territorium. Van de ontginning van
fosfaat en de visserij merken de Sahrawi‟s weinig voordeel, zoals hierboven al bleek.
Voor een uitgebreide analyse van de vraag of het Fisheries Partnership Agreement van de
EU met Marokko nu wel of niet volgens het internationale recht is, zie (Milano 2006).
10
83
Olie of aardgas is er tot nu toe nog niet gevonden in de Westelijke Sahara en in het
geval dat wel is, duurt het op zijn best nog enkele jaren eer het kan boven gehaald
worden. Maar in het geval dat het wel gevonden wordt is de vraag wie er de
vruchten van zal plukken? (Shelley 2006: 19)
Hier komt hetzelfde strijdpunt boven dat een van de punten is waarom er maar geen
referendum wordt gehouden. Voor het Polisario bestaat de bevolking van de
Westelijke Sahara uit de mensen die er voor 1975 woonden, tezamen met hun
verwanten die sindsdien gevlucht zijn; volgens Marokko horen daar ook de vele
duizenden Marokkaanse kolonisten die sindsdien in het territorium wonen. Als men
daarbij neemt dat het laatste Vredesplan stemrecht zou toekennen aan vele
kolonisten, heeft men het raden naar de positie van de Verenigde Naties in deze. Als
er al olie gevonden wordt, is het weinig waarschijnlijk dat Marokko daar zeer veel
aan zal verdienen, en de Saharaanse bevolking al helemaal niet. (Shelley 2006: 19)
Alzo halen de Sahrawi‟s zo goed als geen voordeel uit de exploitatie van hun
natuurlijke rijkdommen. Ze worden geweerd van de jobs in Bou Craa ten voordele
van Marokkanen, en niet eens ten voordele van Marokkanen die al in het
territorium wonen. Historisch gezien zijn ook maar weinig Sahrawi‟s betrokken bij
de visvangst. Vandaag opereren Sahrawi vissers op kleine boten en worden ze in
moeilijkheden gebracht door het beperkt aantal toelatingen, een gebrek aan
financiële middelen, en maatregelen ter bescherming van het visbestand. Sommige
Sahrawi-notabelen kunnen weinig betaalde jobs bieden in het verwerken van de vis
of de toelatingen voor visvangst controleren. De ontwikkelingen die gebeuren in de
visindustrie zijn bedoeld om ten goede te komen aan de Marokkaanse kolonisten, de
export en dus de Marokkaanse staat. Wat betreft de mogelijke ontginning van olie
zullen de inkomsten rechtstreeks naar de Marokkaanse schatkist gaan en de
werkgelegenheid voor de inwoners van de Westelijke Sahara – Marokkaans of
Sahrawi – uiterst miniem. (Shelley 2006: 20)
Het Polisario probeert de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen tegen te gaan,
onder meer door te dreigen met juridische acties tegen het visvangst akkoord tussen
Marokko en de Europese Unie, het lobbyen van campagnes tegen bedrijven die
werken in de Westelijke Sahara of importeren vanuit dit gebied, en het uitvaardigen
van verkenningslicenties en –opties voor natuurlijke rijkdommen uit naam van de
SADR. (Shelley 2006: 20)
84
4.3
Internationale context
In dit deel schets ik kort de internationale context van het conflict in de Westelijke
Sahara. Uiteraard kwam dit al deels aan bod in het voorbije stukje over de
natuurlijke rijkdommen van het territorium. Hier gaat het vooral om het
geopolitieke belang van Marokko te verduidelijken en de houding van de
voornaamste Westerse spelers in het conflict, namelijk de Verenigde Staten van
Amerika, Frankrijk en Spanje. Tenslotte geef ik nog even weer bij welke
internationale organisaties Marokko en de Westelijke Sahara betrokken zijn,
evenals door welke landen de SADR ondertussen erkend is.
4.3.1
Aandeel van Westerse landen in het conflict
Frankrijk en Spanje zijn als voormalige koloniale machten in het gebied uiteraard
betrokken bij dit conflict, maar misschien is de USA, op de voet gevolgd door
Frankrijk, wel de belangrijkste speler in het conflict. Beide landen geven veel steun
aan Marokko, op allerlei vlakken, al betekent dat niet dat ze de positie van het land
in het conflict onvoorwaardelijk steunen. Een deel van de interesse van deze landen
in het conflict is natuurlijk verbonden aan hun belangen in verband met de
natuurlijke rijkdommen in de Westelijke Sahara (Pinto Leite 2006: 13; Ruf
1987: 71, 79)
Frankrijk en USA – en bij uitbreiding de hele NAVO – beschouwen West-Afrika
daarnaast als hun traditionele invloedssfeer. (Ruf 1987: 82-83)
Het geopolitieke belang van Marokko
Marokko is van groot geopolitiek en strategisch belang voor het westen. Het land
vormt samen met Spanje de poort tot de Middellandse Zee. Gibraltar is één van de
belangrijkste scheeproutes ter wereld. Het is voor de NAVO dan ook van kapitaal
belang om het land aan zijn kant te hebben voor het beschermen van Westerse
belangen in de regio. Daarnaast is het land een van de twee landen in Noord-Afrika
met een betekenisvolle bevolking en een operationeel leger. (Shelley 2004: 6)
Marokko is er steeds in geslaagd om de voordelen van haar locatie goed aan te
wenden, om nuttig te zijn voor het westen en zo beschouwd te worden als te
vertrouwen en om allerlei steun waardig te zijn, zonder daarbij haar eigen
mogelijkheid tot onafhankelijke actie te verliezen. Inzake de Westelijke Sahara is
het de verdienste van Marokko om Frankrijk en de Verenigde Staten aan haar zijde
te houden en om de Sovjet-Unie over te halen dat ze er geen voordelen zou halen zich
te mengen in het conflict. De Sovjet-Unie was een belangrijke handelspartner van
Marokko, maar voorzag langs de andere kant het Polisario van wapens via Algerije.
(Ruf 1987: 82; Shelley 2004: 7)
Het land vormt daarnaast een tegengewicht tegen het radicale Algerije, waar
niettemin nog een deel „Fransen‟ wonen. Op die manier bood Marokko de verzekering
aan het Westen dat Algerije ook lokaal in het oog werd gehouden. (Shelley 2004: 7-8)
Bovendien blijft Marokko nog tot de dag van vandaag beweren dat de oprichters van
85
het Polisario aanhangers zijn van verschillende vormen van communisme. Vroeger
deden deze labels het goed om het Westen te doen schrikken, nu wordt de verwijzing
vooral aangehaald als misplaatste ideologie. (Shelley 2004: 8)
Marokko heeft ook al zijn nut bewezen voor Sub-Sahara Afrika. Het Marokkaanse
leger verzorgde al interventies in Zaïre uit naam van de USA en bood steun aan
vrijheidsbewegingen van verschillende landen, opnieuw aan de zijde van de
Verenigde Staten. (Ruf 1987: 72) Marokko heeft ook diplomatieke banden met Israël
en Arabische regeringen en is een belangrijke stem van „gematigdheid‟ in het
Palestijns-Israëlisch conflict en in de Islamitische wereld als zodanig. Er wordt
gezegd dat dit de reden was voor Israëlische steun aan Marokko aangaande het
conflict in de Westelijke Sahara. Een NAVO-subcommittee beschreef de geopolitieke
houding van Marokko ooit als volgt: “On the international scene, Morocco appears to
be one of the most reliable friends of the West within the Arab world.” (Shelley 2004:
8-10)
De Verenigde Staten van Amerika
De Verenigde Staten hebben op het eerste zicht niets te maken met het conflict in de
Westelijke Sahara, maar zijn toch één van de belangrijkste internationale spelers in
het conflict. Ze zijn één van de belangrijkste, zo niet hét belangrijkste lid van de VNVeiligheidsraad en hebben daar aldus veel invloed. Daarnaast zijn ze ook een
belangrijk lid van de NAVO, die vooral tijdens de Koude Oorlog het geopolitieke
belang van Marokko kon gebruiken. Met de grote voorraad natuurlijke rijkdommen
in het territorium van de Westelijke Sahara, zijn ook op dat vlak de belangen van de
USA aan het conflict verbonden.
De Verenigde Staten willen de bilaterale handel tussen Marokko, Algerije en
Tunesië versterken en de regionale (economische) integratie aanmoedigen. Vooral
het afbreken van interne barrières voor handel en investeringen is voor de USA van
belang. Op politiek vlak is de USA van mening dat Marokko zich economisch
voordeel zou kunnen doen met het oplossen van het conflict in de Sahara en bijgevolg
het wegwerken van de meningsverschillen tussen zichzelf en Algerije. (Shelley 2004:
10-11)
Het belang van het conflict voor de Verenigde Staten blijkt ook uit het feit dat James
Baker, oud-Minister van Buitenlandse Zaken van de USA, een tijdlang de
persoonlijke gezant was van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voor de
Westelijke Sahara. (Shelley 2004: 11-12)
Op economisch vlak, en dan vooral wat betreft landbouwproducten, ondervindt
Marokko een grote concurrentie van Europa in haar handel met de Verenigde
Staten. Daarom hebben beide landen handelsakkoorden afgesloten zodat Marokko
niet teveel nadeel ondervindt van de handel tussen de USA en de EU. (Shelley 2004:
12-13)
86
Op militair vlak mikt de USA op nauwe militaire relaties met Marokko en de
Arabische wereld als zodanig. Ze boden al veel ondersteuning van het Marokkaanse
leger, onder meer ook in haar strijd tegen het Polisario, al ervoer de USA wel enig
ongemak toen bleek dat Amerikaanse wapens werden gebruikt in de strijd tegen het
Polisario. De Verenigde Staten zijn immers één van de belangrijkste leden in de VNVeiligheidsraad. (Shelley 2004: 13-16)
Het is duidelijk dat Marokko steun krijgt van de USA op diplomatisch, materieel,
financieel en militair vlak, om illegale bezetting van de Westelijke Sahara vol te
houden. (Olsson 2006: 12) Het behouden van de controle over de Westelijke Sahara
kost Marokko heel veel en houdt een aantal politieke risico‟s in voor eigen land. Het
is niet zeker of Marokko de bezetting kan blijven volhouden. Soms wordt ook wel
gezegd dat het conflict niet zal opgelost geraken zolang de Verenigde Staten niet met
harde hand op tafel kloppen en beslissen dat het opgelost moet worden. (Shelley
2004: 22-23; Mundy 2009: 115)
Frankrijk
Frankrijk is uiteraard de voormalige koloniale macht van Marokko en heeft – zoals
kenmerkend voor ex-kolonies van Frankrijk – nog steeds een goede relatie met de
voormalige koloniale metropool. Frankrijk en Spanje hebben samen besloten wie
welk deel van noordwest-Afrika zou koloniseren.
De economische akkoorden tussen de USA en Marokko, waarvan net sprake was,
vallen natuurlijk niet zo goed bij de Europese Unie, en dus ook bij Frankrijk en
Spanje. Hoewel Frankrijk nog steeds aan de kant staat van Marokko in het conflict
over de Westelijke Sahara, heeft het ook al contact opgenomen met president
Bouteflika van Algerije. Het land probeert zijn rol te verschuiven van deelnemer
naar bemiddelaar en wil de indruk geven dat haar standpunt rond de Westelijke
Sahara meer gebalanceerd is dan voorheen. Door relaties aan te knopen met Algerije
kan Frankrijk misschien een oplossing bereiken voor de Verenigde Staten buiten de
Verenigde Naties om, en directe gesprekken tussen Marokko en Algerije
bewerkstelligen. De Westelijke Sahara heeft niettemin wat angst rond deze betere
relaties tussen Frankrijk en Algerije. Hoewel dit kan ingaan tegen de Amerikaanse
invloed in het conflict, kan het er ook toe leiden dat een oplossing voor het conflict
boven hun hoofd wordt beslist. (Shelley 2004: 16-18)
Ondanks de beterende relaties tussen Frankrijk en Algerije, zijn deze tussen
Frankrijk en Marokko nog steeds het nauwst, zowel op demografisch als economisch
vlak. Bovendien steun Frankrijk Marokko ook op militair vlak. (Shelley 2004: 18-20)
Spanje
Spanje is natuurlijk de voormalige kolonisator van de Westelijke – toen nog Spaanse
– Sahara en heeft aldus zeker zijn plaats in het conflict. De link met dit land geeft
als eerste een internationale dimensie aan het conflict. (Ruf 1987: 72)
87
Vervolgens is Spanje nog steeds aanwezig in het gebied via enkele kleine stukjes
land in Marokko, in het bijzonder Ceuta en Mellila. Bovendien draagt Spanje nog
steeds de soevereiniteit over de Canarische Eilanden, die liggen tegenover de kust
van de Westelijke Sahara. Op deze eilandengroep bevindt zich een belangrijke
militaire basis van de Verenigde Staten, waarvan gezegd wordt dat ze van groot
belang is voor Amerikaanse spionagesatellieten. (Ruf 1987: 71)
Daarnaast controleren Spanje en Marokko samen de toegang tot de Middellandse
Zee vanuit de Atlantische Oceaan. (Ruf 1987: 72)
De positie van Spanje in dit conflict is doorheen de tijd al een aantal keer veranderd
sinds het land de Westelijke Sahara overdroeg aan Marokko en Mauritanië. Daarbij
werd wel de voorwaarde gevoegd dat er een referendum moest worden
georganiseerd, maar toen dat maar niet werd gedaan, lag Spanje er niet wakker van.
De belangen van het land op het vlak van natuurlijke grondstoffen werden reeds
veilig gesteld. Bovendien had Marokko als tegenprestatie voor deze overdracht de
druk om de beide Spaanse enclaves Ceuta en Mellila ook over te dragen, verminderd.
Langs de andere kant was men in Spanje ook wel geschokt van de militaire macht
die Marokko had getoond bij het innemen van het territorium en het bijbehorende
verlies van waardigheid voor de Spaanse troepen. (Shelley 2004: 20)
In de periode kort na de val van Franco probeerde Spanje Marokko en Algerije met
elkaar te verzoenen. Maar langs de ene kant waren de opbrengsten van visserij en
fosfaat niet zo hoog als Marokko beloofd had, net door de oorlog met het Polisario.
Anderzijds steunde Algerije zonder schaamte de secessionistische bewegingen op de
Canarische Eilanden en in Spaans Baskenland. (Shelley 2004: 20)
Doorheen de tijd koos Spanje in meer gevallen de kant van Marokko dan die van de
Sahrawi‟s. Dit had mede te maken met het feit dat het land in de Europese Unie aan
de zijde wilde staan van Frankrijk en geen conflicten wilde met haar buurland.
(Shelley 2004: 21)
Het leek ook of Spanje het plan voor een referendum onder de VN steunde, maar
uiteindelijk bleek dat het land vooral zijn eigen belangen in de Westelijke Sahara wil
waarborgen, in de eerste plaats op het vlak van grondstoffen. Het land wil daarna
een aparte speler zijn in het conflict – en ook daarbuiten – los van Frankrijk en de
Verenigde Staten. (Shelley 2004: 21-22)
Volgens Paul Rigg zou er een grote discrepantie bestaan tussen de houding van de
Spaanse regering ten aanzien van het conflict in de Westelijke Sahara, en deze van
de Spaanse bevolking. Hij beweert dat deze laatste een grote solidariteit voelt voor
de bevolking van haar voormalige kolonie. (Rigg 2009)
4.3.2
Internationale organisaties en instellingen
Zoals hierboven al bleek, heeft Marokko nauwe banden met enkele landen van de
NAVO, die al bestonden voor het uitbreken van het conflict in de Westelijke Sahara.
Marokko is zelf geen lid van de organisatie. Het land is wel lid van een aantal
88
andere internationale organisaties, namelijk de Afrikaanse Ontwikkelingsbank
(AfDB); de Arabische Liga; de Verenigde Naties (VN) en de daaronder ressorterende
instellingen; het Internationaal Monetair Fonds (IMF); het Arabisch Monetair
Fonds; de Wereldbank (WB) en bijbehorende instellingen; de Organisatie
Islamitische Conferentie (OIC/ICO); de Arabische Maghreb Unie (UMA/AMU); het
Arabische Fonds voor Economische en Sociale Ontwikkeling (AFESD); en de
Wereldhandelsorganisatie (WHO/WTO). (Agentschap NL s.d.; UN-Website 2006)
Voor zover ik heb kunnen bepalen is de SADR enkel lid van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid, vandaag Afrikaanse Unie. Net daarom is Marokko sinds 1984
niet langer lid van de Organisatie. De „Westelijke Sahara‟, noch de „SADR‟ zijn lid
van de Verenigde Naties. Ze staan zelfs niet op de lijst van de niet-leden die
niettemin de status van permanent observer hebben (zoals Palestina en het
Vaticaan). (UN-Website 2008) Dit betekent dat de SADR en Marokko in geen enkele
internationale organisatie rechtstreeks met elkaar worden geconfronteerd, wat hen –
volgens mij – de kans geeft zich te permitteren het conflict te laten aanslepen. Er is
geen enkele internationale organisatie waar de werking rechtstreeks bemoeilijkt
wordt door de onenigheid tussen beide landen. Uiteraard ondervinden een aantal
organisaties wel nadelen van het conflict in hun werking, bijvoorbeeld de VN en de
AMU, maar dit komt vooral doordat hun lidstaten een verschillende mening
koesteren ten aanzien van het conflict. (Shelley 2004: 2, 26-48)
We zouden ons eventueel kunnen afvragen of – wanneer de SADR een verzoek tot
toetreding zou richten aan de VN, en dat verzoek wordt ingewilligd – Marokko dan
ook uit de VN zou stappen, net zoals ze in 1984 deed in de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid. Naar mijn idee is het om te beginnen al zeer onwaarschijnlijk
dat de SADR zou toegelaten worden tot de Verenigde Naties, omdat zo weinig landen
de staat erkennen, en al helemaal geen Westerse landen, die de grootste invloed
hebben binnen de VN. In het onwaarschijnlijke geval dat de SADR toch zou
toegelaten worden, denk ik niet dat Marokko het risico zou nemen zich zo te isoleren
van de rest van de wereld. Bovendien zou Marokko zich waarschijnlijk meer schade
berokkenen dan als ze samen met de Westelijke Sahara in de VN zou zetelen,
aangezien de VN ook op vele andere vlakken ondersteuning kan bieden, die volledig
los staan van dit conflict.
Volgens een onofficiële lijst hebben er in totaal tachtig staten ter wereld de SADR
ooit al erkend. 49 van die staten hebbe nog nooit overwogen om hun erkenning op te
zeggen, 25 daarvan hebben hun erkenning ingetrokken of hebben hun diplomatieke
relaties met de SADR bevroren, met zes van die tachtig staten zijn de relaties terug
hersteld. Dit betekent dat in totaal 35 van de 53 Afrikaanse staten de SADR ooit al
erkend hebben. Twintig daarvan hebben hun erkenning nooit ingetrokken of hebben
hun relaties met de SADR hersteld, met de vijftien andere Afrikaanse staten zijn de
relaties bevroren. De SADR heeft in totaal zestien ambassades over de hele wereld,
waarvan negen in Afrikaanse landen. Een van deze ambassades ligt evenwel in
Kenia, een land waarvan de relaties met de SADR momenteel bevroren zijn. (ARSO
s.d.)
89
Marokko probeerde een tijdlang alle diplomatieke banden te verbreken met elke
staat die de SADR erkende. Ze kon deze strategie alleen niet blijven aanhouden,
want het betekende een steeds grotere isolatie van het land op internationaal
niveau. (Ruf 1987: 75)
90
4.4
Geschiedenis
In dit deel komt eerst een kort overzicht van de geschiedenis van de Westelijke
Sahara en haar omgeving tot aan het begin van de periode van kolonisatie, zo
ongeveer tot de 17e eeuw. Daarna volgt een schematisch overzicht van de
geschiedenis en het verloop van het conflict in de Westelijke Sahara.
4.4.1
Korte geschiedenis tot aan de kolonisatie
Ondanks het droge klimaat in de Sahara, zijn er steeds nauwe contacten geweest
tussen de gemeenschappen ten noorden en deze ten zuiden van de Sahara in
noordwest-Afrika. Al ten tijde van de Romeinen was bekend dat er expedities werden
georganiseerd vanuit de gebieden aan de Middellandse Zee naar de goudrijke
gebieden in het zuiden. Met de introductie van de dromedaris in de 2e eeuw breiden
deze trans-Saharacontacten zich verder uit. Als gevolg van deze contacten, die in de
loop van de volgende eeuwen alleen maar intenser werden is de bevolking in deze
regio van Afrika van gemengde negroïde en Berberse oorsprong. (Naudts 2009a: 1517, Naudts 2009b: 15-16, Gaudio 1993: 11-13)
Tegen de 3e eeuw verspreiden de Zenata- en Sanhadja-Imazighen zich over
noordwest-Afrika en brachten enige culturele eenheid in het gebied. Aan het einde
van de 7e eeuw hadden de eerste Arabische veroveringen plaats. Als gevolg van deze
veroveringen, ontstond er een Arabisch-Imazighen mengcultuur die tot op vandaag
verder leeft in verschillende vormen. De Sahrawi‟s in wat nu de Westelijke Sahara
is, stammen af van de Sanhadja-Imazighen, de Beni Hassan, een Arabische stam die
aan het einde van de 13e eeuw naar het gebied kwam en die aan de basis liggen van
het Hassaniyya Arabisch, en van Afrikanen. (Gaudio 1993: 19-20, Hodges 1983: 30)
Met de komst van de Arabieren werd het netwerk van handelsroutes doorheen de
Sahara verder uitgebouwd. Er was bijvoorbeeld een belangrijke route tussen
Sidjilmasa in het zuiden van Marokko en de Malinese stad Timboektoe aan de Niger.
De routes waren niet alleen vitaal voor handel, maar ook voor intellectuele
uitwisseling tussen de steden in Noord-Afrika en de steden in de Sudan, ten zuiden
van de Sahara. (Thobhani 2002: 11-13)
Marokko en de Westelijke Sahara waren enige tijd samen in een politieke eenheid
onder de Almoraviden en de Almohaden, de latere Marokkaanse dynastie van de
Sa‟di breidde haar gebied ook uit tot bezuiden de Sahara.
Door dit uitgebreid netwerk van handelsroutes dat eeuwenlang stand hield en dat
mede de basis vormde voor culturele uitwisseling en af en toe politieke eenheid, zijn
de bevolkingen in gebieden in Marokko, Algerije, de Westelijke Sahara, Mauritanië,
Mali en zelfs Niger al vele eeuwen op een zekere manier met elkaar verbonden.
Zoals in het voorbije hoofdstuk staat te lezen, zijn de politieke eenheden waarvan
sprake hierboven, niet hetzelfde als moderne natiestaten. De soevereiniteit die de
vorst of leider uitoefende over de Sahrawi‟s was dus nooit zo rechtstreeks als bij een
91
moderne staat. Tony Hodges meent dat zulk een rechtstreeks soevereiniteit ook niet
mogelijk zou geweest zijn in het geval van de Sahrawi‟s. Elke poging
„would have been fruitless given the mobility, dispersal and
military prowess of these nomads and the sheer size,
remoteness and in hospitality of their desert homeland.‟
(Hodges 1987: 1)
Niettemin werd het gebied toch gekoloniseerd door de Spanjaarden. Daarover meer
in het deel over het conflict in de Westelijke Sahara.
4.4.2
Schematische chronologie van het conflict
Hieronder volgt een schematisch overzicht van het verloop van het conflict in de
Westelijke Sahara, vanaf de Conferentie van Berlijn tot eind april 2010. Het
overzicht is overgenomen van Claes Olsson (Olsson (ed.) 2006: 5-7) , aangevuld met
het overzicht uit Toby Shelley (Shelley 2004: viii-ix) en vervolgens aangevuld tot de
stand van zaken in het voorjaar van 2010 door mezelf, met hulp van de nieuwssites
van Al-Jazeera, UN News Agency, Associated Press en Reuters, en Africa Research
Bulletin 2008 (Bailey et al. (eds.) 2008: 17488c-17489c).
Spaanse kolonisering
1884
Op de conferentie van Berlijn verdelen de Europese machten het Afrikaanse
grondgebied onder elkaar. Spanje begint haar kolonisering van de Westelijke
Sahara
1898 Ma el Ainin richt Smara op en zet zijn verzet tegen Spanje en Frankrijk
voort.
1912 De grenzen van de Westelijke Sahara worden vastgelegd door Frankrijk en
Spanje
1913 Franse troepen nemen bezit van Smara
j1920 en 1930 Verzet van de Sahrawi‟s tegen het Franse leger
1934 Spanje en Frankrijk slagen de Sahrawistrijders die de Spaanse stellingen
hadden aangevallen, brutaal neer. Spanje neemt volle bezitting van het
territorium.
1947 Een Spaanse geoloog ontdekt fosfaat in de woestijn.
Kwijnende kolonisering
1956-1958
Veldslagen tussen het Sahrawi-verzet en de Spaanse troepen
1956 Marokko wordt onafhankelijk.
1957 Sahrawi-strijders vallen Spaanse stellingen aan. Spanje en Frankrijk
antwoorden met Opération Écouvillon en duizenden Sahrawi‟s moeten
verhuizen naar de Tarfaya Strip.
1958 Er wordt een militair verdrag gesloten tussen Spanje en Frankrijk, met de
goedkeuring van het Marokkaans regime: Saguia el-Hamra en Río de Oro
vallen voortaan onder het gezag van Spanje, Tarafaya onder dat van
Marokko.
1960 Mauritanië wordt onafhankelijk.
92
1960
1962
1963
1965
De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties stelt verklaring 1514 (XV)
op: Declaration on the Granting of Independece to Colonial Countries and
Peoples.
Algerije wordt onafhankelijk.
De Westelijke Sahara wordt opgenomen op de lijst van de Verenigde Naties
van landen die nog moeten gedekoloniseerd worden.
In een verklaring roept de Algemene Vergadering van de VN Spanje op tot
het houden van een referendum. De oproep wordt herhaald in 1966.
Voorbereiding op de Spaanse terugtrekking
1967-1973
Er wordt een nieuw Sahrawi-verzet gevormd.
1969 Harakat Tahrir word opricht om campagne te voeren voor onafhankelijkheid
van de Sahrawi‟s. Een jaar later wordt de verzetsgroep brutaal neergeslagen
en haar leider wordt niet meer gezien.
1973 Het Frente Polisario wordt opgericht en voert haar eerste acties tegen de
Spaanse stellingen.
1973 Spanje doet enkele inspanningen om de participatie van de locale Djemaa te
vergroten in de administratie van het territorium.
1973 Spanje begint fosfaat te exporteren.
1974-1975
Spanje houdt een volkstelling en formuleert het plan om een
referendum te houden.
Spaanse terugtrekking
1974
1974
(juli) Algerije steunt het Polisario voor de eerste keer.
(augustus) Marokko kondigt aan dat het geen referendum zal aanvaarden
waarin onafhankelijkheid een optie is.
1975 (mei) De Fact Finding Mission van de Verenigde Staten brengt haar bezoek
aan de Westelijke Sahara. Daar noteert ze bij de Sahrawi‟s een grote steun
voor onafhankelijkheid.
1975 (16 oktober) Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag verwerpt de
Marokkaanse en Mauritaanse claims over het territorium van de Westelijke
Sahara.
1975 (6 november) De Marokkaanse Groene Mars wordt gehouden.
1975 (14 november) De Madrid-Akkoorden worden gesloten: Spanje draagt de
Westelijke Sahara over aan Marokko en Mauritanië, en trekt zich niets aan
van haar beloften om een referendum te houden.
1975 (november) Marokkaanse en Mauritaanse troepen vallen binnen in de
Westelijke
Sahara.
Tienduizenden
Sahrawi‟s
vluchten
naar
vluchtelingenkampen in Algerije. Ze vertellen over aanvallen met napalm en
het afslachten van vee door het Marokkaanse leger.
1976 (26 februari) Spanje verklaart zich officieel niet langer verantwoordelijk voor
de Westelijke Sahara.
1976 (27 februari) De Sahrawi Arab Democratic Republic (SADR) wordt
uitgeroepen door het Frente Polisario.
1976-1977
Op twee fronten wordt een guerrillastrijd gevoerd
93
1978
Er vindt een staatsgreep plaats in Mauritanië, die wordt opgevolgd door een
wapenstilstand tussen Mauritanië en het Polisario. De oorlog tussen Marokko
en het Polisario gaat verder.
1979 De Algiers-Overeenkomst wordt gesloten: Mauritanië zegt zijn claims over de
Westelijke Sahara op en erkent het zelfbeschikkingsrecht van de Westelijke
Sahara.
1981-1997
Marokko bouwt en versterkt haar wal.
1984 SADR wordt lid van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en Marokko
verlaat uit protest de Organisatie.
Vredesplan van de VN en de OAE, voorbereidingen voor een
referendum
1988
1989
1991
1992
1995
1997
1997
1998
1999
2000
2001
2001
2001
2002
Marokko en het Polisario aanvaarden een voorstel van de VN en de OAE voor
een wapenstilstand die moet gevolgd worden door een referendum.
Ontmoeting tussen het Polisario en de Marokkaanse koning Hassan II.
De VN richt haar vredesmissie MINURSO op (Mission des Nations unies pour
l'Organisation d'un Référendum au Sahara Occidental), dat de implementatie
van het vredesplan zal opvolgen. De wapenstilstand gaat van start.
Het referendum wordt voor de eerste keer uitgesteld.
Het proces ter identificatie van de stemgerechtigden in het voorziene
referendum wordt gestaakt doordat Marokko en het Polisario andere
opvattingen hebben over wie moet kunnen stemmen.
James Baker, voormalige Minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde
Staten van Amerika wordt aangeduid als de persoonlijke afgevaardigde van
de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Het Polisario en Marokko tekenen in Houston een Akkoord over de
modaliteiten van het voorziene referendum.
Het referendum wordt opnieuw verdaagd.
Het proces ter identificatie van stemgerechtigden wordt verder gezet. Koning
Hassan II overlijdt. Een serie protesten worden gevoerd in het gebied dat
door Marokko wordt gecontroleerd.
Een voorlopige lijst van 86 000 kiezers wordt gepubliceerd. Marokko
presenteert nog eens 130 000 verzoeken, wat het proces in een verdere crisis
brengt.
James Baker stelt zijn Framework Agreement voor, ook bekend als Baker I.
het wordt helaas verworpen door alle partijen.
Marokko geeft twee licenties uit aan oliemaatschappijen Total (Fr.) en Kerr
McGee (USA) om mogelijke oliegebieden in de Westelijke Sahara te
verkennen.
Mohammed Daddach wordt vrijgelaten na 27 jaar in gevangenschap. Hij
wordt ontvangen door een grote menigte in Laayoune en Smara. Aan het
einde van het jaar is er een opstand in Smara.
Koning Mohammed VI van Marokko verklaart dat het proces naar een
referendum overbodig is.
94
Verder zoeken naar een oplossing
2003
2004
2004
2004
2005
2005
2005
2005
2005
2006
2007
2007
2008
2008
2009
2009
2010
James Baker presenteert een tweede versie van zijn Framework Agreement
(Baker II). Het plan wordt in eerste instantie aanvaard door het Polisario,
maar afgewezen door Marokko, omdat het geen steun wil verlenen aan een
referendum waarin onafhankelijkheid een optie is.
De VN overzien de eerste, beperkte familiebezoeken tussen de
vluchtelingenkampen en de bezette territoria.
Marokko wordt gevraagd terug aan de sluiten bij de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid, dan reeds Afrikaanse Unie.
De grens tussen Marokko en Algerije gaat weer open.
De Nederlandse ambassadeur Peter Van Walsum vervangt James Baker als
persoonlijke gezant van de Secretaris-Generaal van de VN voor de Westelijke
Sahara.
Het Polisario dreigt met een nieuwe oorlog voor onafhankelijkheid, Algerije
spreekt opnieuw haar steun uit voor Sahrawi onafhankelijkheid. Als gevolg
hiervan wordt een top van de Arabisch-Maghrebijnse Unie voor onbepaalde
tijd uitgesteld.
Het Polisario laat 404 Marokkaanse krijgsgevangenen vrij.
De Marokkaanse Minister van Binnenlandse Zaken beschrijft het conflict
over de Westelijke Sahara als een zaak tussen zijn eigen land en Algerije.
Marokko sluit een akkoord met de EU dat Europese schepen toelaat te vissen
in de visrijke wateren voor de kust van de Westelijke Sahara.
Marokko bereidt een nieuw plan voor waarin de Westelijke Sahara een zekere
vorm van zelfbestuur zou krijgen. De VN verlengt het mandaat van
MINURSO.
Het Polisario verwerpt het autonomieplan van Marokko. Het plan wordt toch
voorgelegd aan de VN.
De VN roepen op tot gesprekken tussen Marokko en het Polisario. Twee
ontmoetingen worden gehouden later dat jaar, met weinig resultaten.
Gesprekken tussen Marokko en het Polisario worden verder gezet.
VN-gezant Peter Van Walsum verklaart dat onafhankelijkheid van de
Westelijke Sahara een „onrealistische‟ optie wordt.
Christopher Ross wordt aangeduid als nieuwe persoonlijke gezant van de VNSecretaris-Generaal voor de Westelijke Sahara.
Gesprekken tussen Marokko en Polisario worden verder gezet.
De gesprekken tussen Marokko en Polisario gaan nog steeds verder. Op 30
april wordt het mandaat van MINURSO alweer voor een jaar verlengd.
95
96
Hoofdstuk 5: Conflict Management in de Westelijke
Sahara
In dit hoofdstuk geef ik eerst een vrij uitgebreid verslag van het verloop van het
conflict in de Westelijke Sahara, met nadruk op het aandeel van de Verenigde Naties
en dat van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en Afrikaanse Unie. Ik zal
grotendeels de structuur aanhouden die ik in het vorige hoofdstuk heb toegepast op
het schematische historische overzicht, maar hier uiteraard meer informatie geven
over de redeneringen van verschillende partijen en de verbanden tussen de
verschillende gebeurtenissen en acties van partijen aangeven.
Daarna haal ik kort enkele controverses aan, die meespelen in het verloop en een
mogelijke oplossing van het conflict.
Vervolgens evalueer ik de rol van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en deze
van de Afrikaanse Unie in dit conflict, net als deze van de VN.
97
5.1
Verloop van het conflict
5.1.1
Spaanse kolonisering
Tijdens de zogenaamde Congo-Conferentie gehouden in 1884-1885 in Berlijn, maakte
Spanje op 19 januari 1885 haar claim over de Westelijke Sahara bekend. Frankrijk
had tegen dan al haar claim bevestigd over wat later Frans West-Afrika zou worden.
Dit gebied was verbonden met de kolonies die Frankrijk toen al had in Algerije en
Tunesië. De Westelijke Sahara leekt zo wel een Spaans eiland in een Franse
omgeving. (Ruf 1987: 65)
Frankrijk en Spanje hadden als koloniale machten niet meteen veel interesse voor de
zeer droge en schijnbaar arme woenstijngebieden in hun territoria, waar enkel
nomadische stammen woonden. Niettemin verzetten deze nomadische stammen zich
hevig tegen koloniale en militaire penetratie van hun gebied tot 1934. Ze streden
vooral tegen Frankrijk, die de soevereiniteit van Spanje in het gebied niet
respecteerde. Spanje had alleen maar wat troepen gelegerd op enkele plaatsen langs
de kust. (Ruf 1987: 65)
Spanje richtte in 1887 haar eerste nederzetting op in Dakhla, dat toen ook Villa
Cisneros werd genoemd. Grenzen van de Spaanse Sahara werden bepaald via
verdragen tussen 1900 en 1912, net als welke delen van Marokko voor Frankrijk
waren en welke voor Spanje. Pas in 1934 hadden de Spaanse troepen het gebied,
zowel de kust als het binnenland, effectief gepacificeerd en de bevolking militair en
politiek onderworpen. (Ruf 1987: 65; Hodges 1987: 2; CIA 2010)
5.1.2
Kwijnende kolonisering
Met de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 draag Spanje een aantal van de
gebieden die ze daar in handen had, over aan Marokko, maar behoudt ze de
soevereiniteit over andere gebieden, zoals de enclaves Ceuta en Mellila, de Tarfaya
Strip en het gebied rond Ifni. (Ruf 1987: 65)
De
onafhankelijkheidsstrijd
in
Marokko
en
haar
buurlanden
had
onafhankelijkheidsstrijders uit het hele gebied van huidig zuidelijk Marokko tot het
noorden van Mauritanië en een deel van Algerije samengebracht Ook na 1956 werd
de strijd, zowel tegen Spanje als Frankrijk verder gezet, want de leiders van de
onafhankelijkheidsstrijders meenden dat dit geen echte onafhankelijkheid was. In
Februari 1958 werd het verzet brutaal neergeslagen – op vraag van Marokko – in
een gezamenlijke operatie door Spanje en Frankrijk: Operatie Ouragan of
bijgenaamd „Ecouvillon‟. Meteen na de operatie marcheerden de Marokkaanse
troepen zuid-Marokko binnen. Op 10 april 1958 droeg Spanje de Tarfaya Strip over
op Marokko. (Ruf 1987: 65-66)
Het innemen van de Tarfaya Strip en zuid-Marokko maakte deel uit van het plan om
Groot-Marokko te reconstrueren. Dit idee was kort na de onafhankelijkheid
geformuleerd door de partij Istiqlal, maar werd gedeeld door zowat alle politieke
98
partijen – hoewel niet iedereen de grens van dit Groot-Marokko op dezelfde plek
legde. Zelfs na jaren van oorlog en moeilijke bezetting van de Westelijke Sahara
bleef de concensus onder de politieke partijen nog bestaan en bleef de gedachte van
Groot-Marokko levend. (Ruf 1987: 66-67; Novais 2009: 60; Joffé: 1986: 25; Saxena
1995: 25-50)
Volgens dit gedachtegoed behoorden de hele Westelijke Sahara, geheel Mauritanië,
delen van Senegal en Mali en het zuidwesten van Algerije tot wat voor de kolonisatie
het sultanaat van Marokko was. Zoals al duidelijk werd in hoofdstuk 3, bestond de
interne structuur van het Marokkaanse sultanaat in die periode uit een soort van
feodaal systeem, dat vooral werd samengehouden door persoonlijke banden tussen
verschillende leden van de bourgeoisie en verschillende gemeenschappen. De
kolonisatie en de daarbij horende modernisering zorgden voor een erosie van dit
feodale systeem. (Ruf 1987: 66-67)
Redenerend vanuit het Groot-Marokkaanse gedachtegoed, was de onafhankelijkheid
van Mauritanië in 1960 dus niet naar de zin van de Marokkanen. Zij verbraken alle
diplomatieke banden met alle landen die deze nieuwe staat erkenden. Denk hierbij
aan de zwakke vertegenwoordiging van Marokko op de Conferentie van
Staatshoofden en Regeringsleiders in mei 1963 uit protest om de aanwezigheid van
Mauritanië. (Ruf 1987: 66; Van Walraven 1996: 127-128)
In 1963 viel Marokko de regio rond Tindouf in Algerije vanuit dezelfde GrootMarokkaanse aspiratie. Het conflict werd beslecht binnen de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid in 1964 en de koloniale grens werd behouden, overeenkomstig
met de richtlijnen van de Verenigde Naties. (Ruf 1987: 67; OAU-AHG 1964; OAUAHG 1965a)
De irredentistische aanvallen van Marokko vanuit het Groot-Marokkaans
gedachtegoed op haar buurlanden Algerije en Mauritanië, net als later op de
Westelijke Sahara, werden voor een groot deel mee bepaald door de wil om de positie
van Koning Hassan II te versterken in zijn eigen land, ten aanzien van een
verdeelde bevolking. (Ruf 1987: 69, Hodges 1987: 3)
5.1.3
Voorbereiding op de Spaanse terugtrekking
In 1968 brak het verzet tegen de Spaanse kolonisator opnieuw uit onder de
Sahrawi‟s in de Spaanse Sahara. Nu werd dit verzet niet gevoerd door „nomadische
stammen‟ , maar door jonge mensen wiens ouders hadden kunnen genieten van
koloniaal onderwijs. Hun gezamenlijke sociale status en politieke ervaring
betekenden meer voor hen dan hun verwantschap. Het verzet kon ook rekenen op
een belangrijke bijdragen van vrouwen. (Ruf 1987: 68)
Tegen 1969 had Marokko haar claims over Mauritanië definitief opgegeven en sloot
het land vriendschapsverdragen zowel met Mauritanië als Algerije. Op 14 september
1970 besloten de landen samen te werken om de dekolonisatie van de Westelijke
Sahara te versnellen, in overeenkomst met de resoluties van de VN. (Ruf 1987: 68)
99
De Verenigde Naties hadden al in 1966 gevraagd aan Spanje om het gebied te
verlaten en een referendum te houden, zodat de Sahrawi‟s hun recht op
zelfbeschikking konden uitoefenen en dus konden beslissen hoe ze de toekomst van
hun land zagen. In diezelfde resoluties vroeg de Algemene Vergadering ook dat een
VN-missie zou worden gestuurd naar het gebied, om het houden van dit referendum
voor te bereiden en te ondersteunen. Deze aspecten kwamen jaarlijks terug in de
resoluties van de Algemene Vergadering (UN-GA 1966; UN-GA 1967; UN-GA 1968;
UN-GA 1969; UN-GA 1970; UN-GA 1972; UN-GA 1973)
Op 10 mei 1973 hielden de Sahrawi‟s hun verzetsbeweging Frente Popular para la
Liberacíon de Saguia el-Hamra y Río de Oro opgericht, beter bekend als Frente
Polisario of kortweg Polisario, over de doopvont. (Frente Polisario 1976) Deze
beweging streeft sindsdien naar de onafhankelijkheid van het gebied. De eerste
acties tegen Spaanse stellingen werden al uitgevoerd op 20 mei van datzelfde jaar.
(Hodges 1987: 2 en Ruf 1987: 68)
Tot 1973 had Spanje niet willen horen van dekolonisatie van de Spaanse Sahara,
uitgezonderd van een aberratie tussen 1958 en 1964. In 1973 drong dekolonisatie
zich echter op, door een combinatie van de herhaaldelijke oproepen van de Verenigde
Naties en een meer instabiel wordend Franco-regime. Daarom bood Spanje de
autonomie aan aan de Spaanse Sahara en verklaarde zich in augustus 1975 aan de
VN bereid een referendum te houden. Een politiek onafhankelijke Sahara zou voor
Spanje nog steeds economisch nuttig zijn, want afhankelijk van Spaanse hulp. Het
Spaanse aandeel in de Saharaanse grondstoffen werd dus verzekerd. (Hodges 1987:
2; Olsson 2006: 12; Joffé 1986: 19)
5.1.4
Spaanse terugtrekking
Marokko kon zich niet verzoenen met de belofte van Spanje om een referendum te
organiseren. Zeker niet omdat in dat referendum de optie „aansluiten bij Marokko‟
niet zou voorkomen, omdat dit niet strookte met de economische belangen van
Spanje, terwijl dat net het idee was van de Groot-Marokkaanse gedachte. Marokko
meende gebruik te kunnen maken van de politieke instabiliteit in Spanje en richtte
zich daarom tot de Verenigde Naties. De Algemene Vergadering van de VN besloot
dat de claims van Marokko – en Mauritanië – wel degelijk het overwegen waard
waren, en besloot in resolutie 3292 (XXIX) van 1974 de zaak door te schuiven naar
het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Een van de suggesties voor de reden
waarom de Algemene Vergadering zo besliste, was dat de VN te weinig welwillend
was om de principes voor dekolonisatie, opgesomd in resolutie 1514 (XV), toe te
passen. Dit omdat dit de belangen van een aantal belangrijke leden van de VN in het
algemeen en van de VN-Veiligheidsraad in het bijzonder, zou schaden. (Joffé 1978:
16, 19; Olsson 2006: 12; UN-GA 1960a; UN-GA 1974)
Wat nog onduidelijk is, is waarom Mauritanië Marokko steunde in deze claim,
hoewel haar eigen soevereiniteit niet langer in gevaar was. De Mauritaanse
soevereiniteit werd gesteund door Frankrijk en Algerije en het land was ondertussen
een volwaardig lid van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Bilaterale relaties
100
met Marokko zouden niet op gelijke voet verlopen en het land zou de steun van
Algerije verliezen. Misschien wilde Mauritanië liever een klein voordeel dan
helemaal geen voordeel in dit conflict, misschien wilde ze de invloed van Frankrijk in
het gebied versterken. (Ruf 1987: 70)
De positie van Algerije aangaande de claim van Marokko was al vanaf het begin
duidelijk en is nooit veranderd. Als radicale staat had Algerije een sterk
antikoloniaal profiel. Bovendien had Algerije er geen voordeel bij dat buurland
Marokko een gebied met veel natuurlijke rijkdommen zou controleren en nog steeds
niet overtuigd was de grens tussen beide landen te accepteren en respecteren. (Ruf
1987: 70)
De meer conservatieve staten Senegal en Tunesië steunden de eisen van Marokko en
Mauritanië waardoor deze ook binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid enige
steun had. Libië op haar beurt steunde dan weer het Polisario. (Ruf 1987: 70-71)
Tijdens het proces voor het Internationaal Gerechtshof11 presenteerden zowel
Spanje, Marokko en Mauritanië, als Algerije (ter vertegenwoordiging van het
Polisario en de Sahrawi's) hun visie op deze zaak.
Eerst en vooral moest worden onderzocht - zoals gevraagd in resolutie 3292 (XXIX) of de Spaanse Sahara, voor de komst van de Spanjaarden, geen terra nullus was. Dit
zou betekenen dat bij de kolonisatie door Spanje, geen enkele politieke entiteit de
soevereiniteit van het gebied in handen had. Indien het Gerechtshof had geoordeeld
dat dit het geval was, betekende dit dat de historische claims van Marokko en
Mauritanië zouden worden afgewezen en dat de Sahrawi's binnen de koloniale
grenzen onafhankelijkheid zouden krijgen. (Joffé 1986: 24)
Marokko en Mauritanië baseerden hun claim over de Westelijke Sahara op het
principe van territoriale integriteit en dat van “the partial or total disruption of
national unity or territorial integrity of a country” (UN-GA 1960a) zoals die werden
verwoord in resolutie 1514. Beide landen stelden dat de Sahrawi's uit Marokko,
Algerije, de Spaanse Sahara en Mauritanië eigenlijk één volk waren voor de
kolonisatie, en dat ze toen verenigd waren in één politieke entiteit, namelijk het
sultanaat van Marokko. Resolutie 1514 bepaald dat territoria die door de kolonisatie
gescheiden zijn geraakt, terug gere-integreerd mogen worden. In dat opzicht zijn
historische claims dus wel belangrijk. Het aanvoeren van historische territoriale
soevereiniteit was de enige manier waarop men de prekoloniale situatie kon
proberen inpassen in het nauwe internationaalrechtelijke kader dat de Verenigde
Naties hadden gecreëerd. (Olsson 2006: 12; Joffé 1986: 20-21, 23)
Er was inderdaad sprake van bepaalde banden tussen de nomadische
gemeenschappen in de Sahara, en de sultan van Marokko. Zoals in hoofdstuk 3 al
Voor een meer uitgebreide analyse van het proces voor het Internationaal Gerechtshof en
het oordeel dat het Hof uiteindelijk velde, zie (Roussellier 2007).
11
101
werd uitgelegd, was de invulling van het begrip 'soevereiniteit' door het Islamitisch
recht anders dan de betekenis ervan in het Europese recht. De sultan van Marokko
had, op basis van banden tussen personen en gemeenschappen, enige invloed over de
nomadische gemeenschappen in de Sahara. Hij fungeerde op zijn minst als hun
religieuze leider, en autoriteit in religie was een belangrijke voorwaarde voor
autoriteit en soevereiniteit op politiek vlak. Deze persoonlijke en religieuze banden
waren mede de reden dat het Gerechtshof oordeelde dat het principe van terra nullus
niet van toepassing was. (Joffé 1986: 24, 27-28)
Langs de andere kant zou de directe autoriteit – en dus de bled al-Makhzen uit
hoofdstuk 3 – van de Marokkaanse sultan niet verder gereikt hebben dan Oued
Noud, een stad in het zuiden van Marokko, maar een stuk noordelijker dan de
huidige grens tussen Marokko en de Westelijke Sahara. (Ruf 1987: 65) Voor de
gemeenschappen in de bled as-Siba was de Marokkaanse sultan niet echt hun
heerser, maar eerder iemand waarmee ze via andere personen een politieke alliantie
of een soort van vriendschappelijke verhouding hadden.
Bovendien toonde de vraag om onafhankelijkheid van de Sahrawi's uit de Spaanse
Sahara, en de effectieve organisatie van hun eis in het Polisario, dat zij zich een
apart volk voelden. De vraag om onafhankelijkheid is op die manier
zelfrechtvaardigend. Het nationalisme onder de Spaanse Sahrawi's was gegroeid
tijdens de jaren 1950, door de groeiende graad van sedentarisering en modernisering
in de Spaanse Sahara als gevolg van de kolonisatie en werd versterkt door het
gezamenlijk verzet tegen de koloniale aanwezigheid. Het Polisario suggereerde
trouwens dat haar leden een referendum onnodig vonden, vanwege hun evidente
nationalistische sentimenten. Deze benadering sluit de legitimiteit van historische
rechten uit. De redering is dat de koloniale ervaring gebieden en bevolkingen zo kan
veranderen, dat het onzinnig is de dekolonisatie op te lossen in termen van de
prekoloniale situatie. Historische claims waren zo irrelevant voor de dekolonisatie
van de Westelijke Sahara. (Joffé 1986: 18-19)
Algerije ondersteunde deze visie van de Sahrawi's door voor het Internationaal
Gerechtshof het principe uti possdetis te evoqueren. Dit principe stelt dat de grenzen
zoals vastgesteld tijdens de kolonisatie, worden overgenomen bij de dekolonisatie.
Het kwam neer op territoriale integriteit van koloniale territoria. Het werd vooral
toegepast bij de dekolonisatie van Latijns-Amerika in de 19e eeuw, maar in de 20e
eeuw meer en meer verlaten. Niettemin was het als gedachte aanwezig in het
Charter van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en het werd in die context
aangevoerd in de argumentatie van Algerije. De Organisatie van Afrikaanse Eenheid
onderschreef aldus, via de interventie van Algerije in het Gerechtshof, de regel van
de VN wat betreft territoriale integriteit en uitte zich tegen de claims van Marokko
en Mauritanië. De OAE herhaalde dat de grenzen van koloniale gebieden bij
onafhankelijkheid enkel konden worden gewijzigd op uitdrukkelijke vraag van de
bevolking na en akkoord tussen de verschillende betrokken partijen. De annexatie
van de Westelijke Sahara door Marokko is een uitzondering op dit principe. (Joffé
1986: 17-18, Frank 1987: 11; Hodges 1987: 2)
102
De bevolking van de Westelijke Sahara of het Polisario hebben dus niet de kans
gekregen bij te dragen aan het debat in het Internationaal Gerechtshof, al konden ze
gelukkig rekenen op de steun van Algerije en de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid. Wel vond tussen 12 en 19 mei 1975 eindelijk het bezoek plaats van de VNmissie, waarom de Algemene Vergadering al sinds 1965 gevraagd had. De fact
finding mission bracht een bezoek aan zowel de Westelijke Sahara, als Marokko,
Algerije, Mauritanië en Spanje. (Joffé 1986: 16)
De VN-missie is op haar bezoek geïmponeerd door de kracht en de representativiteit
van het Polisario. Het wordt al snel duidelijk dat de verzetsgroep met haar vraag om
onafhankelijkheid de mening van het overgrote deel van de bevolking weerspiegeld
en dat deze laatste dan ook zo goed als volledig achter het Polisario staat. Niemand
lijkt een integratie met Marokko te zien zitten. De aanbeveling van de missie luidde
dan ook om een referendum te organiseren, waarin de Sahrawi's hun recht op
zelfbeschikking konden uitoefenen. Deze aanbeveling ging zo in op de eerdere
gedacht van het Internationaal Gerechtshof of een referendum wel gepast zou zijn.
(Ruf 1987: 69; Hodges 1987: 2; Joffé 1986: 16-17)
Het rapport van de missie heeft als gevolg dat de Algemene Vergadering van de VN
in haar resolutie van 10 december 1975 opnieuw benadrukt dat het absoluut
noodzakelijk is om een referendum te organiseren. Op die manier droeg de VNmissie de eerdere principes over dekolonisatie uit, namelijk territoriale integriteit en
zelfbeschikkingsrecht. Deze hadden volgens hen prioriteit boven eventuele
historische rechten. (Ruf 1987: 69; Hodges 1987: 2; Joffé 1986: 16-17; Frank 1987:
13)
In resolutie 1514 (XV) uit 1960 en 2625 (XXV) uit 1970 van de Verenigde Naties,
staan deze principes duidelijk vermeld:
"all peoples have the right freely to determine, without external
interference, their political status and to persue their economic,
social and cultural development" (UN-GA 1970a)
En verder:
"to transfer all powers to the peoples of those territories,
without any conditions or reservations, in accordance with
their freely espressed will and desire, without any disctinction
to race, creed or colour, in orde to enable them to enjoy complete
independence and freedom" (UN-GA 1960b).
In een referendum moet dus elke optie mogelijk zijn. Deze visie werd eveneens
gereflecteerd in het Charter van de OAE en later in de Caïro Declaration, en vonden
dus ook praktische uiting in de argumenten van Algerije in het proces bij het
Internationaal Gerechtshof. (Joffé 1986: 17, 19-20; CIAHSG 1963b; OAU-AHG
1993a)
103
Dit in acht genomen, zou het eigenlijk niet echt uitmaken wat het advies van het
Internationaal Gerechtshof zou zijn. Er zou hoe dan ook een referendum moeten
georganiseerd worden, waarin elke optie mogelijk was. Zowel onafhankelijkheid,
kolonisatie of autonomie onder Spanje, of integratie met Marokko en Mauritanië.
Op 16 oktober 1975 maakt het Internationaal Gerechtshof haar advies ten aanzien
van de kwestie in de Spaanse Sahara bekend. Helaas voor Marokko en Mauritanië
hanteerde het hof een Europese invulling van het internationale recht, en hield ze
geen rekening met andere rechtstradities, bijvoorbeeld de islamitische. Net als het
internationale recht geen rekening hield met de rechtsregels en wettelijke principes
die van toepassing waren in de gegeven periode. (Joffé 1986: 16, 23-24, 27-28; Frank
1987: 11-12; Hodges 1987: 3; Olsson 2006: 12)
Het Gerechtshof oordeelde dat er inderdaad sprake was van culturele, religieuze en
politieke banden tussen Mauritanië, Marokko en de Westelijke Sahara. Door het
bestaan van deze banden werd het hof overtuigd om het principe van terra nullus
niet van toepassing te verklaren in deze zaak. Anderzijds was het hof van mening
dat het ging om persoonlijke banden en banden tussen gemeenschappen, en hoewel
deze banden enige wettelijke status hadden, het niet ging om territoriale
soevereiniteit. De gemeenschappen waarmee deze banden bestonden leidden een
nomadisch leven en waren dus niet op dezelfde manier aan hun territorium
verbonden als sedentaire gemeenschappen. De relaties met de sultan van Marokko
betekende niet dat hij controle had over het territorium waar deze gemeenschappen
leefden. Het principe van disrupted territory was dus evenmin van toepassing. (Joffé
1986: 16, 23-24, 27-28; Frank 1987: 11-12; Hodges 1987: 3; Olsson 2006: 12; ICJ
1975)
Het Internationaal Gerechtshof verwoordde het zo:
“[…] the materials and information presented to it do not
establish any tie of territorial sovereignty between the territory
of Western Sahara and the Kingdom of Morocco of the
Mauritanian entity. Thus the Court has not found legal ties of
such a nature as might affect the application of resolution 1514
(XV) in the decolonization of Western Sahara and, in
particular, of the principle of self-determination through the
free and genuine expression of the will of the peoples of the
Territory.” (ICJ 1975: p.68, para.162)
Marokko interpreteert het advies van het Internationaal Gerechtshof echter als een
ondersteuning van haar claim. Nog diezelfde dag roept het land haar bevolking op
om de volgende dag in grote getale het nieuw verworven grondgebied binnen te
trekken. De meer dan de 350 000 voorziene burgers trekken op 17 oktober via het
westelijke deel van de grens de Spaanse Sahara binnen. Deze volksverhuizing wordt
de 'Groene Mars' genoemd. Tegelijkertijd trekken via het oostelijke deel van de grens
echter ook Marokkaanse troepen het gebied binnen. Ze verdrijven de Saharaanse
bevolking op brutale wijze. Er is sprake van grove schendingen van de
104
mensenrechten, er worden verhalen verteld over aanvallen met napalm en fosforgas,
over bombardementen op vluchtende burgers en vee. De opinie van het Gerechtshof
werd alzo gebruikt om een Marokkaanse bezetting van de Spaanse Sahara te
legitimeren en om een gewone dekolonisatie uit de weg te gaan. (Ruf 1987: 72-73;
Hodges 1987: 3; Novais 2009: 60; Frank 1987: 12)
De aanvallen van het Marokkaanse leger en de komst van een groot aantal
Marokkaanse burgers, zorgt voor een grote stroom van Sahrawi-vluchtelingen, er is
sprake van een aantal van 60 000. Wetende dat een Spaanse volkstelling uit 1974
sprak van 74 000 inwoners in de Spaanse Sahara, betekent dit dat bijna de hele
bevolking moet vluchten. De vluchtelingen krijgen onderdak in kampen nabij
Tindouf, een stad in het zuidoosten van Algerije, waar ze vandaag nog altijd leven.
(Novais 2009: 60; Frank 1987: 12-13) Het verdrijven van de Sahrawi-bevolking en de
komst van vele Marokkaanse kolonisten, betekende meteen een probleem voor het
geplande referendum. Resolutie 3162 (XXVIII) van de VN maakt immers duidelijk
dat men moet verzekeren "that only the indigenous inhabitants exercice their right to
self-determination and independence" (UN-GA 1973). Hoe zou men daar nu in de
praktijk voor kunnen zorgen?
VN-ambassadeurs waarschuwden de Derde Wereld dat het falen om een gezamenlijk
front te vormen tegen de „usurpation‟ van Marokko en Mauritanië, een precedent zou
worden om in plaats van Europese koloniale overheersing, andere vormen van
kolonisering en imperialisme te tolereren, en dit niet alleen in Afrika, maar ook in
andere delen van de wereld. De Verenigde Naties kunnen echter niet naar behoren
reageren op deze actie van Marokko, evenmin als Spanje, dat in eigen land met
genoeg zorgen zat omwille van het feit dat het fascistische regime van Generaal
Franco bijna ten einde liep. Zowel de VN als Spanje moesten in de praktijk toegeven
aan de eisen van Marokko en Mauritanië. Het internationale recht had een stevig
deuk gekregen. (Frank 1987: 12-13)
Als gevolg van een voldongen feit en vanwege crisis in eigen land, begon Spanje zich
langzaam maar zeker terug te trekken uit de Spaanse Sahara. Op 14 november werd
in Madrid het geheim een tripartiete verdrag getekend tussen Spanje, Marokko en
Mauritanië. Daarin werd voorzien dat in nog tot 28 februari de administratie van
het grondgebied zou worden overgelaten aan de laatste twee landen via gouverneurs,
maar dat Spanje daarbij de soevereiniteit over het gebied verhielp. Na een verdere
reeks van geheime akkoorden en terugtrekking van Spanje, werd op 26 februari
1976 de soevereiniteit van de Spaanse Sahara definitief overgedragen op Marokko
en Mauritanië. Ongeveer tweederde werd toegewezen aan Marokko, het resterende
deel aan Mauritanië. In ruil daarvoor zou Spanje 35 procent van de
fosfaatopbrengsten krijgen van Fosbucraa, het grootste fosfaatbedrijf in de Spaanse
Sahara en nog tien jaar lang mogen vissen in Saharaanse wateren. Marokko en
Mauritanië wilden deze overdracht legitimeren door eind februari haastig een
Djemaa samen te roepen. Deze raad van Sahrawi's moest beslissen over de toekomst
van hun land. De VN oordeelde echter dat dit geen alternatief was voor het houden
van een referendum en erkende de zogenaamde uitkomst van de Djembaa – het
105
verwelkomen van de integratie met Marokko – niet. (Hodges 1987: 2; Ruf 1987: 7273; Frank 1987: 12-13; Hultman 1977: 27)
Waarschijnlijk wilde Spanje wel de resoluties van de VN toepassen en zich schikken
naar het advies van het International Court of Justice, maar door de crisis in eigen
land was men in Madrid niet toe aan het nemen van ingrijpende politieke
beslissingen. Mogelijks hebben de Verenigde Staten en Frankrijk mee druk
uitgeoefend op Spanje om in te stemmen met de Marokkaanse eisen. In het
algemeen kunnen we de hele situatie beschrijven als een „decolonization disaster‟.
(Ruf 1987: 70; Hodges 1987: 3)
Algerije weigerde op haar beurt, net als de Verenigde Naties, de Madrid-Akkoorden
als geldig te verklaren. Ze besloot het Frente Polisario verder te steunen op
financiëel, logistiek en militair vlak, om haar strijd voor de onafhankelijkheid van de
Westelijke sahara verder te zetten, nu tegen Marokko en Mauritanië. Algerije doet
dit enerzijds vanuit haar historische traditie als radicale staat en haar sterk antikoloniale houding, en anderzijds om in te gaan tegen het expansionisme van
buurland Marokko, waar ze zelf eerder al slachtoffer van was. (Frank 1987: 12-13;
Hodges 1987: 3; Ruf 1987: 73)
De Assembly van de OAE verwijst in haar resolutie 81 (XIII) in juli 1976 naar het
“sacred principle of self-determination” (OAU-AHG 1976) sluit zich op die manier
aan bij de Verenigde Naties wat betreft de noodzaak van een referendum. De
staatshoofden en regeringleiders roepen de partijen aan het conflict op om samen te
werken in de zoektocht naar een vredevolle oplossing, zodat er vrede, gerechtigheid
en goed nabuurschap kan heersen in de regio. Om zelf bij te dragen aan het vinden
van een oplossing, vat de Assembly het plan op een Extraordinary Session in te
richten, waaraan het Polisario kan deelnemen. Op die manier kan men misschien
een “lasting and just solution to the problem of Western Sahara” bekomen. (OAUAHG 1976)
De dag na de definitieve overdracht van de Spaanse Sahara, op 27 februari 1976,
roept het Polisario unilateraal haar eigen staat uit, de Sahrawi Arab Democratic
Republic (SADR). Deze staat opereert vanuit de vluchtelingenkampen in Tindouf en
zet van daaruit haar strijd verder. (Hodges 1987: 3)
Het Polisario richt haar strijd in eerste instantie op Mauritanië, omdat dit land de
zwakste schakel is. Het land had maar weinig middelen om de verovering en
bezetting vol te houden en had bovendien te maken met deserteurs in haar leger,
omdat deze soldaten – meestal zelf van oorsprong Sahrawi‟s – zich identificeerden
met de Polisario-strijders. De acties van deze laatste, tot diep in het binnenland van
Mauritanië, zelfs tot in de hoofdstad, leidden tot een interventie van Frankrijk. (Ruf
1987: 73)
De organisatie van Afrikaanse Eenheid roept in 1978 opnieuw op tot het organiseren
van die Extraordinary Session waarvan twee jaar eerder al sprake was, waaruit
106
blijkt dat deze nog niet heeft plaatsgevonden. Om de lidstaten aan te sporen,
benadrukt de OAE haar verantwoordelijkheid in het vinden van een duurzame en
vredevolle oplossing. Op de conferentie wordt een Ad-Hoc Comité opgericht dat de
zaak van de Westelijke Sahara zal blijven opvolgen. In afwachting van een oplossing
roept de Assembly de staten in de regio op om af te zien van alle acties die de
zoektocht naar deze rechtvaardige en vredevolle oplossing in het gedrang zouden
kunnen brengen. (OAU-AHG 1978)
Ondanks Franse „hulp‟ in de vorm van wapens en militair personeel, geeft
Mauritanië in 1979 aan niet langer de soevereiniteit over hun deel van de Westelijke
Sahara te willen opnemen. Deze beslissing komt na toenemende druk van het
Polisario en de crisis in eigen land na een staatsgreep. Het land sluit op 5 augustus
1979 een vredesakkoord met het Polisario, maar voor deze laatste de kans krijgen
om zich in het gebied te vestigen, wordt het onder de voet gelopen door Marokko.
(Ruf 1987: 73 en Hodges 1987: 3)
Om zichzelf te beschermen tegen de aanvallen van het Polisario, bouwt Marokko
tussen 1981 en 1986 verschillende wallen of muren. Deze wallen zijn voornamelijk
opgebouwd uit zand en worden beschermd door mijnenvelden, zware bewapening,
radarinstallaties en elektronische sensors. De eerste wal werd gebouwd rond de
'useful trangle', met name rond de steden Laayoune, Bou Craa en Smara. Dit maakt
het mogelijk om de fosfaatproductie terug op te starten en tegelijkertijd wordt
verhinderd dat het Polisario toegang zou krijgen tot deze economisch vitale steden.
(Hodges 1987: 3; Ruf 1987: 73-74; Pinto Leite 2006: 13; Novais 2009: 60-61)
Tegen 1986 was de vijfde muur afgewerkt, die in totaal zo'n 2250 km lang is. In 1987
zijn er ongeveer 120 000 Marokkaanse troepen aanwezig in de Westelijke Sahara,
een groot deel daarvan moet deze lange muur beschermen. De smalle strook van
ongeveer een tiende van de totale oppervlakte van het territorium die overblijft
buiten de muur, is in handen van de SADR en wordt door het Polisario de „Free Zone‟
genoemd. De mijnenvelden die de muur beschermen maken echter dat het voor
zowel nomaden, dieren als strijders een gevaarlijke aangelegenheid is om in deze
zone rond te zwervan. (Hodges 1987: 3; Ruf 1987: 73-74; Pinto Leite 2006: 13; Novais
2009: 60-61; Landmine and Cluster Munitions Monitor 2009: 1217)
Tegen 1981 lijkt er enige schot in de zaak te komen. Uit resolutie 103 van de
Assembly blijkt dat Koning Hassan II zich bereid heeft verklaard om een
referendum te organiseren in de Westelijke Sahara en de aanbevelingen van het AdHoc Committee rond de Westelijke Sahara te aanvaarden. Hij zal samenwerken met
het comité om een “just, peaceful and lasting solution” voor het conflict te vinden.
Om het zoeken naar een oplossing te ondersteunen en te helpen bij het organiseren
van het referendum, richt de Assembly een Implementation Committee op.
Daarnaast verzoekt de Assembly de partijen in het conflict onmiddellijk een staakthet-vuren in acht te nemen. Het is de bedoeling dat de verschillende partijen ten
laatste in augustus van datzelfde jaar samenkomen met het implementatiecomité
om de modaliteiten van dit staakt-het-vuren te bespreken en het verloop van het
107
referendum te bepalen. De OAE vraagt aan de VN om samen met haar een
vredesmacht te voorzien, om de rust tijdens de organisatie van het referendum en de
daaropvolgende verkiezingen te bewaken. (OAU-AHG 1981; Frank 1987: 14)
De SADR had sinds haar oprichting in 1976 naast een militaire strijd tegen Marokko
en Mauritanië ook een intense en erg succesvolle diplomatieke strijd gevoerd in het
buitenland. Door zich te verzekeren van voldoende buitenlandse steun, kon de SADR
misschien bereiken dat Marokko onder buitenlandse druk haar claim over de
Westlijke Sahara zou opzeggen. Tegen het einde van 1981 hadden al 26 van de toen
50 Afrikaanse staten de Saharaanse staat erkend, en er waren daarnaast vele
andere landen uit de Derde Wereld die dit hadden gedaan. De Afrikaanse steun voor
de SADR was de voorbije jaren gegroeid vanwege de radicale positie van Marokko en
haar weigering om zelfs maar te praten. Omwille van deze nipte Afrikaanse steun,
besliste de Secretaris-Generaal van de OAE in 1982 om de staat als volwaardig lid
toe te laten tot de Organisatie. (Hodges 1987: 3; Ruf 1987: 74-75)
Uit resolutie 104 van 1983 van de Assembly blijkt dat de samenkomst die in 1981
was voorzien, ondertussen nog niet is doorgegaan. Er is dus nog geen staakt-hetvuren afgesproken, laat staan een referendum georganiseerd. Dat referendum moet
volgens de Assembly overigens vrij zijn van administratieve of militaire
beperkingen. Zoals de VN eerder al had bepaald, mag geen enkele optie geweigerd
worden in het referendum. De Assembly roept het Implementation Committee op om
voor december van dat jaar de bijeenkomst met de verschillende partijen toch te
laten doorgaan. De Assembly maakt duidelijk dat ze de zaak op de voet zal blijven
volgen, en hoopt dat deze tegen haar volgende bijeenkomst in de zomer van 1984
toch kan opgelost worden. De Assembly dankt ten slotte de Saharawi leiders voor
“making it possible for [this] Summit to meet by withdrawng form it voluntarily”.
(OAU-AHG 1983)
Marokko kon zich niet verzoenen met deze beslissing en kondigde op 13 november
1983 aan dat ze uit de Organisatie zou stappen. Een jaar later was haar ontslag
officiëel. (Hodges 1987: 3; Ruf 1987: 74-75)
5.1.5
Vredesplan van de VN en de OAE, voorbereidingen voor een
referendum en blijven zoeken naar een oplossing
Marokko heeft met haar ontslag uit de Organisatie van Afrikaanse Eenheid
duidelijk aangegeven dat ze niet gediend is van de partijdigheid van de Organisatie.
Het is dus niet langer mogelijk voorde OAE om de rol van bemiddelaar te spelen in
dit conflict. Deze rol wordt opnieuw opgenomen door de Verenigde Naties, die de
pogingen van de OAE in de voorbije jaren op de voet gevolg en ondersteund hebben.
Begin 1987 heeft het SADR al politieke erkenning gekregen van 67 staten, niet
alleen uit Afrika. Marokko blijft echter de uithoudingsoorlog verder zetten, ondanks
diplomatische verliezen en grote financiële kosten. Dit kan omdat Marokko kan
108
genieten van substantiële militaire en financiële hulp uit zowel Westerse als
Arabische landen. (Hodges 1987: 4)
In 1988 formuleerde de VN met stille steun van de OAE het Settlement Plan, dat
voorzag in een staakt-het-vuren dat werd opgevolgd door een referendum. Om te
bepalen wie mocht stemmen op dit referendum zou worden uitgegaan worden van de
Spaanse volkstelling uit 1974. Het akkoord werd door beide partijen geaccepteerd en
diende tot nog 2003 als basis voor vinden van een oplossing, die helaas niet uit de
bus kwam. (Shelley 2004: 2-3; Novais 2009: 60-61) Uit resolutie 1184 van de Council
of Ministers van de OAU uit 1989 blijkt in ieder geval dat Koning Hassan II van
Marokko en leiders van het Frente Polisario zijn samengekomen op 4 en 5 januari
van datzelfde jaar. De Council moedigt de partijen aan verder te gaan met deze
gesprekken, al blijkt uit deze resolutie niet wat de eerste bijeenkomst heeft
opgeleverd. (OAU-CoM 1989)
Op 6 september 1991 wordt uiteindelijk na 15 jaar oorlog een vredesakkoord
getekend tussen het Polisario en de Marokkaanse autoriteiten. De bedoeling was dat
dit akkoord zou gevolgd worden door een referendum voor zelfbeschikking,
gebaseerd op de Spaanse volkstelling van 1974. Om dit alles te bereiken, zond de VN
een missie om de wapenstilstand te overzien en de implementatie van het
referendum voor te bereiden: de „Mission des Nations Unies pour le referendum en
Sahara Occidental‟, kortweg MINURSO. De taken van MINURSO bestonden erin
kiesgerechtigden te identificeren, de terugtrekking van Marokkaanse troepen te
overzien en ervoor te zorgen dat de militaire eenheden van het Polisario zich in de
overeengekomen gebieden bevonden. (Novais 2009: 61)
Met dit akkoord kwam een einde aan de militaire oorlog tussen het Polisario en
Marokko, wat wel een mijlpaal betekent in het verloop van het conflict. Tussen 1975
en 1991 werd het aantal Marokkaanse troepen opgedreven van 56 000 tot 250 000.
Dat aantal werd onder MINURSO afgebouwd tot ongeveer 160 000 manschappen
vandaag. Ondanks deze positieve evolutie betekende dit allerminst dat een
definitieve oplossing voor het conflict binnen bereik lag. Het conflict mocht dan niet
langer militair uitgevochten worden, het werd des te harder verder gezet op
diplomatisch vlak. Marokko weigert een referendum te accepteren waarin
onafhankelijkheid een optie is. Doordat er sinds 1991 maar weinig vooruitgang is
geboekt, is het conflict bijna volledig van de internationale agenda gegleden. Dat
maakt het nog minder waarschijnlijk dat een oplossing wordt gevonden. (Pinto Leite
2006: 13 en Shelley 2006: 20; Rigg 2009: 1)
Al die tijd, sinds 1975 tot vandaag, zit een groot deel van de Saharaanse bevolking
nog altijd vast in de vluchtelingenkampen. Door het vijandige klimaat in de regio
rond Tindouf - de oase wordt omringt door hamada-woestijn - zijn de bewoners van
de kampen voor hun overleven aangewezen op externe hulp. In 1987 woonden er
ongeveer 165 000 mensen in de kampen, vandaag zou dat aantal gedaald zijn tot
ongeveer 160 000. Niettemin is in de kampen de voorbije decennia een heel
bijzondere sociale organisatie uitgebouwd. Het activisme in de kampen werd tot
109
1991 voornamelijk gedragen door vrouwen, aangezien het overgrote deel van de
mannelijke bevolking zich nuttig maakte als strijder aan de zijde van het Polisario.
Sinds 1976 zijn deze kampen ook de thuisbasis van de Saharaanse staat. (Hodges
1987: 4; Shelley 2004: 2)
Sinds het akkoord in 1991 probeert MINURSO om samen met Marokko en het
Polisario een referendum voor te bereiden. Het meest fundamentele probleem is
daarbij dat Marokko helemaal niet wil meewerken aan een referendum waarbij
onafhankelijkheid een optie is. Daarnaast is het grootste struikelblok het bepalen
van wie zou mogen kiezen bij een referendum. Lang werd uitgegaan van de Spaanse
volkstelling uit 1974, die gewag maakte van 74 000 inwoners in de Spaanse Sahara.
Ondertussen zijn een groot deel daarvan terechtgekomen in de Algerijnse
vluchtelingenkampen en hebben de Groene Mars en het daaropvolgende
subsidiëringbeleid van de Marokkaanse regering meer dan 350 000 Marokkaanse
kolonisten naar het gebied gebracht. Het is dus niet meer zo eenvoudig te bepalen
wie stemrecht zou kunnen krijgen. Verschillende voorstellen in de voorbije jaren
probeerden hiervoor een uitkomst te zoeken.
In 1997 wordt James Baker, voormalige Minister van Buitenlandse Zaken van de
Verenigde Staten van Amerika, aangewezen als persoonlijke afgezant van de
Secretaris-Generaal van de VN, toen Kofi Annan. In 2001 stelde Baker zijn eerste
plan ter oplossing van het conflict voor, dat later bekend stond als Baker I. Het plan
voorzag een periode van vier tot vijf jaar waarin de Westelijke Sahara autonomie zou
hebben, gevolgd door een referendum waarin kon gekozen worden tussen autonomie
en onafhankelijkheid. Het akkoord werd eerst door Marokko onthaald met
enthousiasme, maar het Polisario en Algerije konden zich er niet mee verzoenen. Het
probleem voor hen was dat in dit plan ook Marokkaanse kolonisten zou worden
toegestaan te stemmen.
Met de dood van koning Hassan II van Marokko in 1999 hoopt men even dat er
misschien een doorbraak kan komen in het conflict. Mohammed VI, die zijn vader
opvolgt, blijkt echter al snel een nog radicalere houding aan te nemen aangaande het
conflict. (Zoubir et al. 2004: 54)
In 2003 kwam Baker met een herwerkte versie van zijn plan, Baker II. Het
betekende geen fundamentele verandering ten opzichte van Baker I, maar was wel
gedetailleerder. Zowel Marokko als Algerije wilden dit plan overwegen, maar enkel
met een hele waslijst aan voorwaarden. Polisario leek het plan te verwerpen, maar
veranderde haar standpunt net voor de samenkomst van de Veiligheidsraad eind juli
2003, waarschijnlijk onder druk van Algerije. Het Polisario wilde nu het plan
aanvaarden als basis voor onderhandelingen. De voornaamste reden voor deze
houding was om de zaken gaande te houden, om de Veiligheidsraad betrokken te
houden en om Marokko het wapen van de tijd te ontnemen. Niettemin is het plan er
niet in geslaagd een uitweg uit deze patstelling te creëren. Marokko was immer niet
110
bereid een eventuele onafhankelijkheid van het gebied te accepteren. (Shelley 2004:
3; Novais 2009: 61)
In 2005 vervangt de Nederlandse ambassadeur Peter Van Walsum James Baker als
persoonlijke afgezant van de Secretaris-Generaal van de VN voor de Westelijke
Sahara.
In april 2006 formuleerde Marokko een tegenplan. Het voorzag autonomie in de
context van een democratisch en gedecentraliseerd Marokkaanse koninkrijk voor de
Westelijke Sahara. Dit plan werd als onaanvaardbaar beschouwd door het Polisario
en Algerije, die nog steeds de onafhankelijkheid van het gebied wensten. Ook dit
plan kon dus evenmin de diplomatieke en militaire patstelling doorbreken. Het
mandaat van de VN-missie MINURSO werd ondertussen jaar na jaar verlegd.
Ondanks aanmaningen van VN-Secretaris-Generaal Ban Ki-moon in 2008, dat het
huidige politieke status quo niet geaccepteerd zou worden door de VN en dat er een
meer duurzame oplossing moet komen, is er ondertussen nog maar nauwelijks
vooruitgang geboekt. Er was even het gerucht dat de vluchtelingenkampen zouden
worden verplaatst naar Tifariti, een stadje in de smalle strook van de Westelijke
Sahara tussen de grens met Mauritanië en de Marokkaanse muur. Indien dit
inderdaad was gebeurd, had dit een ernstige opflakkering van het conflict betekent.
(Novais 2009: 61; Africa Monitor-North Africa 2006; Review of African Political
Economy 2006: 336-341)
Op 21 april 2008 vertelde Peter Van Walsum leden van de VN-Veiligheidsraad dat
onafhankelijk voor de Westelijke Sahara een onrealistisch idee geworden was. Deze
uiting viel niet in goede aarde bij het Polisario, dat deze optie open probeerde te
houden tijdens de vier voorgaande gespreksrondes met Marokko. De gesprekken
werden opnieuw opgestart in 2007 in een poging een brug te kunnen slaan tussen de
twee rivaliserende plannen van de beide zijden in het conflict. De onderhandelingen
nabij New York hebben echter maar weinig opgeleverd, wat mogelijks de opinie van
Van Walsum kan verklaren. (Baily et al. (eds.) 2008)
Van Walsum meende dat er geen druk werd gezet op Marokko om zijn claim van
soevereiniteit over het gebied op te geven, en dat aldus onafhankelijk een weinig
“realistische” optie is. De commentaar veroorzaakte verwarring in de
Veiligheidsraad, die werd verondersteld kort daarop te debatteren over dit conflict.
Bovendien leken de commentaren van Van Walsum een eerder rapport van
Secretaris-Generaal Ban Ki-moon tegen te spreken, die daarin geen voorkeur liet
blijken voor een van de twee voorstellen. Van Walsum suggereerde dat verdere
gesprekken beter konden worden gebaseerd op twee „realiteiten‟, namelijk dat de
VN-Veiligheidsraad Marokko niet zou dwingen een referendum te organiseren
omdat het ingaat tegen de belangen van de permanente leden, maar dat de VN
evenmin de soevereiniteit van Marokko over de Westelijke Sahara zou erkennen
zonder een akkoord. In de Veiligheidsraad heerst echter verdeling: Zuid-Afrika en
enkele andere niet-gebonden landen menen dat de Westelijke Sahara als ex-kolonie
een kans moet hebben op onafhankelijkheid, terwijl Frankrijk en de USA het
111
autonomieplan steunen. Washington wenst dat er een einde aan het conflict komt,
zodat de regio zich kan concentreren op het bestrijden van islamterrorisme.(Bailey et
al. (eds.) 2008)
Het is evenwel niet verwonderlijk dat het Polisario de geschiktheid van Van Walsum
als bemiddelaar in het conflict in vraag stelde. Het Polisario is van mening dat elke
oplossing die de optie voor onafhankelijkheid uitsluit, onaanvaardbaar is. Op 30
april 2008 werd uiteindelijk een resolutie aangenomen door de Veiligheidsraad die
opriep tot realisme in het conflict en volgens sommige diplomaten impliciete steun
voor het voorstel van Marokko bevatte. Het huidige status quo was volgens de
Veiligheidsraad geen aanvaardbare oplossing, maar het vinden van een goede,
duurzame oplossing moest gepaard gaan met een „spirit of compromise‟ bij beide
partijen. (Baily et al. (eds.) 2008)
112
5.2
Een aantal controverses
In dit stukje ga ik heel kort in op een aantal controverses, waarvan sommige vaak
terugkeren in de debatten rond het conflict.
5.2.1
Mensenrechten
Marokko is al meerdere malen terecht gewezen door internationale organisaties en
instellingen die zich bezig houden met mensenrechten vanwege de inbreuken
daarop. Er wordt melding gemaakt van marteling, verdwijningen, arrestatie en
opsluiting zonder wettelijke compensatie en executies zonder gerechtelijk oordeel.
Het is bekend dat mensenrechtenschendingen door Marokko tegenover Sahrawi‟s al
voorkwamen voor de bezetting in 1975, maar het is sindsdien zeker verergerd.
(Olsson 2006: 12; Pinto Leite 2006: 12, 14; Human Rights Watch 2010)
Bovendien zijn de schendingen niet gestopt met de komst van MINURSO. Deze
laatste heeft geen voldoende mandaat om de rechten van de mensen in de regio te
beschermen, waardoor Marokko ongestraft kan verdergaan. Het was Frankrijk die
haar veto gebruikte voor een resolutie van eind april 2009 waarin mensenrechten
werden aangehaald. De bondgenoot van Marokko stelde dat de situatie in de bezette
gebieden moest gezien worden als “having a „human dimension‟”, eerder dan een
kwestie van mensenrechten. (Olsson 2006: 12; Pinto Leite 2006: 12, 14; Rigg 2009: 1)
Daarnaast hebben internationale organisaties en instellingen al meermaals
benadrukt dat de acties van Marokko in strijd zijn met UN Resolutie 1514 (XV) en
1541 (XV) die stellen dat zelfbeschikking een onvervreemdbaar recht is van de
Sahrawi‟s, en met het internationale recht in het algemeen. (Olsson 2006: 12)
Het is echter niet alleen Marokko die beschuldigd wordt van systematische
schendingen van de mensenrechten. Marokko beweert zelf ook dat het Polisario het
niet al te nauw neemt met de mensenrechten bij het behandelen van Marokkaanse
krijgsgevangenen.
5.2.2
Natuurlijke rijkdommen
Zij die Marokko steunen halen vaak aan dat het land veel heeft geïnvesteerd in de
infrastructuur en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de Westelijke
Sahara, en dat het leven daar soms beter is dan in Marokko zelf. Dit zou bewijzen
dat het territorium in goede handen is onder Rabat. Zelfs als je de vraag achterwege
laat
of
economische
ontwikkeling
opweegt
tegen
het
verlies
van
zelfbeschikkingsrecht, dan nog moet dit argument worden ontmaskerd. Als we
zouden afgaan op de statistieken, dan is het waar dat de beschikbaarheid in de
Westelijke Sahara van drinkbaar water en elektriciteit doorgaans beter is dan in
vele delen van Marokko. Het is ook zo dat er vele middelen werden gespendeerd aan
het bouwen van wegen, havens en publieke gebouwen. Er zijn een aantal
woningprojecten die men graag toont aan bezoekers. (Shelley 2006: 20)
113
Het is evenwel zo dat de voornaamste reden om zoveel geld te besteden aan sociale
infrastructuur, het complementeren was van het beleid waarbij voedsel en brandstof
in het territorium wordt gesubsidieerd. Ambtenaren worden dubbel betaald en er
wordt een aalmoes voorzien voor wie werkloos is. Dit beleid was nodig om kolonisten
aan te trekken vanuit Marokko, om de ongeveer 74 000 Sahrawi‟s die in het gebied
woonden, aan te vullen. Zonder dit beleid zou het niet mogelijk zijn zoveel kolonisten
te laten leven in dit gebied met de beperkte infrastructuur die was voorzien door de
Spanjaarden. Ondanks deze inspanningen leven vele Marokkanen in afgrijselijke
omstandigheden. Het aantal Sahrawi‟s die kon profiteren van deze sociale uitgaven
is echt marginaal. (Shelley 2006: 20)
Er wordt soms ook aangehaald dat de Westelijke Sahara niet economisch valabel zou
zijn vanwege een kleine bevolking en daarom niet in staat haar grondstoffen zelf te
ontginnen, waardoor de eer toekomt aan Marokko. Toch bepaald resolutie 1514 (XV)
van de VN dat politieke, economische, sociale of onderwijskundige onvoorbereidheid
geen obstakel mag zijn om een territorium niet de onafhankelijkheid te geven.
Bovendien bestaan er in de wereld vele staten die een nog kleinere bevolking hebben
dan de Westelijke Sahara. (Pinto Leite 2006: 16)
5.2.3
Status van de SADR
Binnen de internationale gemeenschap heeft men zich wel al afgevraagd of de SADR
nu wel werkelijk een staat is. Niettemin voldoet de SADR aan de voorwaarden die
werden opgesteld in de Montevideo Conventie waaraan een structuur of entiteit
moet voldoen om een staat te zijn. De SADR heeft een permanente populatie (in de
Westelijke Sahara én de vluchtelingenkampen), een duidelijk bepaald territorium,
een regering en de capaciteit om relaties aan te gaan met andere landen. Het is waar
dat de VN het gebied nog steeds ziet als „a non-self-governing territory‟, wat ook wel
verwarrend is. Niettemin is de SADR sinds 1984 opgenomen als volwaardig lid in de
Organisatie van Afrikaanse Eenheid en werd de staat in 2002, met de lancering van
de Afrikaanse Unie, verkozen tot vicepresident van de Unie. (Pinto Leite 2006: 15)
114
5.3
Evaluatie van de rol van de OAE, AU en de VN
Vanaf het moment dat bleek dat de dekolonisatie van de Spaanse Sahara een
probleem zou worden, hebben de Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse
Eenheid steeds aan één zeel getrokken.(Kouassi 1994: 142-143) Ten eerste wilden ze
absoluut de dekolonisatie van het gebied realiseren, en om die dekolonisatie te laten
verlopen volgens de wensen van de bevolking, moest een referendum worden
georganiseerd. Toen Spanje zich daar bereidt toe verklaarde, maar voor het de kans
had dit te realiseren, het gebied onder de voet werd gelopen door buurland Marokko,
hielden de VN en de OAE vast aan het principe van een referendum. (UN-GA 1966;
UN-GA 1967; UN-GA 1968; UN-GA 1969; UN-GA 1970; UN-GA 1972; UN-GA 1973)
De Verenigde Naties was bereid de redenen van Marokko in overweging te nemen en
stuurde de kwestie door naar het Internationaal Gerechtshof. (UN-GA 1974) De
Organisatie van Afrikaanse Eenheid veroordeelde de acties van Marokko, dat zich
volgens hen gedroeg als een koloniale mogendheid, en dat terwijl de Organisatie –
waar Marokko nota bene lid van was – net streed tegen alle vormen van
kolonisering. (Van Walraven 1996: 252)
In de zomer van 1975 werd in de OAE de eerste resolutie opgesteld aangaande de
Westelijke Sahara. Daarin besloten de Afrikaanse staatshoofden en regeringsleiders
het advies van het Internationaal Gerechtshof af te wachten alvorens zij een
standpunt zouden innemen. In tussentijd vroegen zij aan Spanje om geen enkele
actie te ondernemen die de dekolonisatie van het territorium in het gedrang zou
brengen, iets waartegen het tekenen van de Madrid-akkoorden duidelijk inging.
(OAU-AHG 1975) In oktober 1975 formuleerde het Internationaal Gerechtshof haar
oordeel, dat meteen werd opgevolgd door een expliciete oproep van de VN tot het
houden van een referendum, zodat de Sahrawi‟s eindelijk hun recht tot
zelfbeschikking konden uitoefenen. (UN-GA 1975) De OAE bevestigd dat “sacred
principle of self-determination” in haar resolutie het jaar nadien. (OAU-AHG 1976)
In 1978 beslist de Assembly van de OAE om een Ad-Hoc Committee op te richten om
de kwestie van de Westelijke Sahara te blijven opvolgen en haar eigen
verantwoordelijkheid in het oplossen van het conflict op te nemen. Verder bevestigt
de Assembly opnieuw resolutie 1514 van de VN en de noodzaak om een referendum
te organiseren. (OAU-AHG 1978)
Uit resolutie 103 van de OAE-Assembly in 1981 blijkt dat koning Hassan II bereidt
zou zijn om een referendum te laten doorgaan en dat hij bereid is samen te werken
met het Ad Hoc Comité van de OAE dat de kwestie van de Westelijke Sahara
opvolgt. (OAE-AHG 1981)
In de resolutie wordt eveneens een Implementation Committee opgericht, dat de
aanbevelingen van het Ad Hoc Comité moet helpen implementeren. Om de
organisatie van een referendum mogelijk te maken, vragen de staatshoofden en
115
regeringsleiders van de OAE dat er onmiddellijk een staakt-het-vuren wordt
uitgeroepen en dat het Implementatiecomité als taak heeft te controleren of dit
staakt-het-vuren werd gerespecteerd. Het is daarnaast de bedoeling dat het
Implementatiecomité voor het einde van augustus van datzelfde jaar samenkomt
met de partijen in het conflict, om de modaliteiten van het staakt-het-vuren te
bepalen en de organisatie van het referendum verder uit te werken. Om de vrede en
veiligheid te verzekeren in de Westelijke Sahara in de aanloop naar en tijdens het
referendum, vraagt de Assembly van de OAE aan de VN om, samen met de OAE, te
voorzien in een Vredeskorps. De OAE en VN zullen er tevens samen over waken dat
de Sahrawi‟s effectief hun recht op zelfbeschikking kunnen uitoefenen in het
referendum. (OAE-AHG 1981; Frank 1987: 14)
In februari 1982 liet de Secretaris-Generaal van de OAE de SADR toe tot de
Ministerraad van de OAE, nadat bleek dat een nipte meerderheid van 26 Afrikaanse
staten dit lidmaatschap ondersteunde. Het waren vooral radicale staten en staten
uit Zuidelijk Afrika die gevraagd hadden om de toetreding van de SADR, omdat ze zo
hoopten het Marokkaanse verzet tegen het houden van een referendum en het
dekoloniseren van het territorium, te doorbreken. Deze landen wilden op deze
manier ook een halt toeroepen aan de voortdurende pogingen van Marokko om het
referendum uit te stellen. De toetreding van de SADR wachtte nu enkel nog op de
bevestiging van de Assembly, die voorzien was voor de vergadering in de zomer van
1982. Met deze beslissing had de Secretaris-Generaal echter een van de zwaarste
institutionele crises binnen de OAE ontketend. (Van Walraven 1996: 252-253;
Layachi 1994: 33-34)
De vergadering van de Assembly werd die zomer in 1982 niet gehouden. De
Secretaris-Generaal was door zijn beslissing voorbijgegaan aan de doctrine binnen
de OAE dat een staat in staat moest zijn om een effectieve controle uit te oefenen
over haar territorium en inwoners. Aangezien de SADR opereerde vanuit de
vluchtelingenkampen in Algerije, was dat zeker niet het geval. De beslissing ging
evengoed in tegen de eigen oproep van de OAE om een referendum te houden en de
Sahrawi‟s daardoor zelf te laten beslissen wie over hen mocht heersen. Door de
SADR toe te laten tot de OAE had deze laatste een duidelijke positie in genomen,
tegenover één van haar eigen lidstaten. (Van Walraven 1996: 253)
De Secretaris-Generaal van de OAE meende echter gehandeld te hebben volgens de
procedure die in het Charter wordt voorzien voor de toelating van een nieuw lid.
Andere landen reageerden dat de beslissing om een nieuwe staat toe te laten enkel
toeviel aan de Assembly en niet door de Secretaris-Generaal kon worden genomen.
De erkenning van een staat door individuele landen betekende bovendien niet
automatisch dat de SADR moest worden toegelaten door en tot een collectieve groep.
Tot slot bepaalde het Charter ook dat een kandidaat-lidstaat een “independent
sovereign African state” moest zijn, wat misschien niet echt van toepassing was op de
SADR. Problemen met de interpretatie van het Charter konden worden opgelost in
de Assembly, maar daarvoor was een tweederde meerderheid nodig, die men nooit
bijeen zou krijgen. De tegenstanders van de toelating van de SADR oordeelden aldus
116
dat het Charter was overtreden. Daarnaast waren er nog enkele politieke
overwegingen. Hoewel de meeste staten voorstander waren van het principe van
zelfbeschikkingsrecht, betekende dit niet automatisch dat men het militante en
nationalistische Polisario zou steunen. (Van Walraven 1996: 253)
Deze onenigheid tussen de OAE-lidstaten werd aangevuld met het feit dat voorzien
was dat de top zou plaatsvinden in Libië en dat Kolonel Qadhafi dan Chairman van
de Assembly zou worden. Het land was op dat moment echter betrokken in de crisis
in Tsjaad en niet alle landen in de OAE namen dezelfde houding aan tegenover dat
conflict. Er werd dus gestreden tegen zowel de erkenning van het lidmaatschap van
de SADR, en de locatie en de chairman van de voorziene top. Vele landen besluiten
daarom niet aanwezig te zijn op de volgende top. Omdat op die manier het vereiste
quorum niet wordt gehaald, wordt de top in haar geheel afgelast. (Van Walraven
1996: 254)
Uiteindelijk kon men de top van de zomer van 1983, het jaar nadien, toch laten
doorgaan, maar pas nadat men de SADR had overtuigd niet te komen. In resolutie
104 herhaalt de OAE-Assembly de bereidheid van Hassan II voor het houden van
een referendum en de bepalingen die ze in resolutie 103 had vooropgesteld. (OAEAHG 1983) De VN drukt dat jaar haar steun uit voor resolutie 103. (UN-GA 1983)
Juist voor de samenkomst van de Ministerraad in november 1984 beslisten een
aantal landen nog om de SADR uiteindelijk toch te erkennen. Zo ontstond nu toch
een ruime meerderheid die het lidmaatschap van de SADR ondersteunde en de
toelating van het land tot de OAE kon niet meer verhinderd worden. Marokko stapt
uit protest uit de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, het enige Afrikaanse land dat
deze stap ooit heeft gezet. Een aantal landen had was hier niet rauwig om, want ze
hadden schoon genoeg van de weigering van Marokko om mee te werken aan het
vinden van een vredevolle en duurzame oplossing. (Van Walraven 1996: 254-255;
Zoubir et al. 2004: 54)
De erkenning had de SADR al bij al echter niet geholpen, want nu was de OAE, dat
als Afrikaanse Organisatie toch dichter bij het conflict stond, uitgeschakeld als
bemiddelaar in het conflict. Een betere oplossing was misschien geweest om het
Polisario te erkennen als vrijheidsbeweging en via het Liberation Committee zo hun
zaak te steunen. Er was nu ook een functionerende staat vervangen door een staat
die enkel op papier bestond, maar anderzijds bestonden er geen procedures om een
staat die de basisprincipes van de Organisatie aan zijn laars lapte, te schorsen of uit
de Organisatie te zetten. De kwestie had getoond dat de OAE zeer serieus was wat
betrof haar antikoloniale houding, maar ook dat Marokko bereid was om in haar
zoektocht naar invloed, een aantal fundamentele principes van postkoloniaal Afrika
te overtreden. (Van Walraven 1996: 255-256)
De rol van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid als bemiddelaar in het conflict
werd opnieuw opgenomen door de Verenigde Naties. Deze benadrukte in haar
resolutie 39/40 dat de enige mogelijkheid om uit het conflict te geraken, de
117
implementatie is van resolutie 104 van de OAE – die op haar beurt een herhaling is
van resolutie 103. (UN-GA 1984) Ze herhaalt dit in 1985 en 1986. (UN-GA 1985; UNGA 1986)
In 1989 stelt de OAE haar voorlopig laatste resolutie op aangaande de Westelijke
Sahara. Daarin complimenteert de Ministerraad de OAE-Secretaris-Generaal en
-Chairman, samen met de Secretaris-Generaal van de VN voor de geleverde
inspanningen in het zoeken naar een oplossing in het conflict. De Council noteert ook
met voldoening de ontmoeting tussen Hassan II en het Polisario en roept beide
partijen op om haar gesprekken verder te zetten, zodat een vredevolle oplossing
dichterbij zou komen. (OAU-CoM 1989) Negen jaar later wordt de zaak van de
Westelijke Sahara nog eens aangehaald in een resolutie van de OAE, die de kwestie
doorverwijst naar de volgende Ministerraad. (OAU-AHG 1998) Daar komt de
kwestie echter niet meer aan bod. Sindsdien heeft noch de OAE, noch de AU ooit –
voor zover ik kan nagaan – een resolutie geschreven aangaande de Westelijke
Sahara.
In 2004 staat in de bijlage van een visiedocument van de Commissie van de
Afrikaanse Unie wel te lezen: “It is absolutely necessary that Morocco rejoin the
African Union” (AU-AUC 2004: 54) De projecten die de Afrikaanse Unie voorziet,
zowel op vlak van conflictbeheersing, als op het vlak van socio-economische
ontwikkeling, zouden in ieder geval efficiënter kunnen werken indien Marokko, als
enige Afrikaanse land geen lid, zich terug zou aansluiten bij de AU. Er is echter
weinig kans dat Marokko dit zal doen zolang er geen oplossing is gevonden voor het
conflict. Het lidmaatschap van de SADR was immers de reden om zich uit de
organisatie terug te trekken.
De VN12 gaat in ieder geval verder met het zoeken naar een oplossing in de kwestie
van de Westelijke Sahara. Ze formuleert daartoe verschillende plannen, zoals de
Settlement Proposals for the Peace Plan in the Western Sahara in 1988 die in 1991
aanleiding gaven tot het tekenen van een Vredesplan en de oprichting van
MINURSO door de Veiligheidsraad. (Solà-Martín 2007: 399-400) De OAE leverde
enkele observatoren voor deze VN-missie. (Ibok 2000: 16) Latere plannen van de VN
konden helaas minder vooruitgang forceren en men is vandaag nog altijd op zoek
naar een voorstel dat de huidige patstelling kan doorbreken, dit alles met de stille
steun van de OAE/AU. Een vernieuwde internationale aandacht zou mogelijks
kunnen helpen. (Ibok 2000: 16; Africa Monitor-North Africa 2008; Africa MonitorNorth Africa 2009; Shelley 2004: 3-4; Rigg 2009: 2)
Aangezien ik in deze paper vooral aandacht wil besteden aan de rol van de OAE en AU,
heb ik de rol van de VN hier niet meer verder uitgewerkt. De inspanningen van de VN
werden in eerdere delen van deze paper al aangehaald. Voor een meer uitgebreidere analyse
van de rol van de VN, zie (Pointier 2004)
12
118
Besluit
Ondanks vele tegenstellingen in Afrika in de vroege jaren 1960, vonden de
staatshoofden en regeringsleiders van de toen afhankelijke landen toch genoeg
redenen om een pan-Afrikaans samenwerkingsverband op te zetten. De Organisatie
van Afrikaanse Eenheid was een strikt intergouvernementele organisatie, die zich
niet wilde inmengen in de interne zaken van haar leden, maar zich daarentegen
meer richtte op externe doelen, zoals de strijd tegen het kolonialisme.
Het terrein van de dekolonisatie blijkt ook wel het enige waar de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid enige vooruitgang heeft geboekt. Om echter de uitdagingen aan
te kunnen die de veranderde realiteit stelt aan het begin van het nieuwe millennium
en om de mislukkingen van de OAE enigszins achter zich te kunnen laten, wordt in
2000 de Afrikaanse Unie opgericht, die twee jaar later haar werk start.
De nieuwe organisatie richt zich meer op supranationaliteit en integratie, een
multisectoriële aanpak, en vervangt het principe van non-interventie voor nonindifference wat betreft conflicten op het continent, zowel interstatelijke als
intrastatelijke conflicten. Dit in tegenstelling tot de intergouvernementaliteit, de
focus op dekolonisatie en het heilige principe van non-interventie in de OAE. Het
valt echter wel nog af te wachten of de Afrikaanse Unie haar ambitieuze
doelstellingen zal kunnen omzetten in de praktijk. Een belemmering hiervoor zijn
zowel het tekort aan financiële middelen, als aan menselijke kunde.
De nieuwe aanpak van conflictbemiddeling heeft in ieder geval nog geen resultaten
opgeleverd in het conflict in de Westelijke Sahara. De rol van de OAE – en zodoende
ook die van haar opvolger – in dit conflict was grotendeels uitgespeeld toen de OAE
met de toelating van de SADR tot de organisatie in 1983 haar positie als neutrale
bemiddelaar verspeelde. Marokko trok zich terug uit de Organisatie en de OAE
moest zich beperken tot het in stilte steunen van de inspanningen van de Verenigde
Naties.
Door al deze stille diplomatie en de beperkte elektronische beschikbaarheid van
OAE/AU-documenten, is het zeer moeilijk om de effectieve rol van de OAE en de AU
in dit conflict te achterhalen, zeker sinds de terugtrekking van Marokko uit de
organisatie. We moeten het stellen met enkele algemeen geformuleerde resoluties en
vage documenten, om de rol van de OAE te achterhalen.
Gelukkig kunnen we deze complementeren met de rol van de Verenigde Naties, die
haar inspanningen beter documenteert en publiek maakt. We kunnen uit deze
documenten opmaken dat de algemene positie van de VN doorgaans overeenkomt
met deze van de OAE en AU – of omgekeerd. Helaas wordt de VN zelf geplaagd door
de tegenstelling tussen enerzijds de mening van de Algemene Vergadering, en
anderzijds de belangen van een aantal machtige leden in de organisatie.
119
De VN als zodanig wenst zich zoveel mogelijk aan haar eigen resoluties te houden.
Ze wil dat er een referendum wordt gehouden, waarin geen enkele optie wordt
uitgesloten voor de Sahrawi‟s. Onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara is voor
de VN op zich geen must, tenzij de Sahrawi zelf in zo‟n referendum verklaren dat ze
onafhankelijkheid wensen. De modaliteiten van het referendum vormt op zich al het
grootste probleem. Er is ten eerste onenigheid over wie daarin zou mogen stemmen.
Het Polisario wil alleen de Sahrawi‟s laten stemmen, zij die de vroegere Spaanse
Sahara bewoonden en hun afstammelingen, Marokko wil ook de andere stammen,
die zij ook als Sahrawi beschouwen – binnen de context van een Groot-Marokko – in
dit referendum hun mening laten uiten. (Zoubir et al. 2004: 54; Jensen 2005: 59-71)
Als het Polisario zijn zin zou krijgen, is het zo goed als zeker dat de uitkomst van het
referendum onafhankelijkheid zou zijn. Als Marokko zijn zin zou krijgen, is de kans
veel groter dat het integratie bij Marokko wordt.
Ten tweede wil het Polisario geen referendum aanvaarden waarin de optie voor
onafhankelijkheid niet in voor komt. Marokko heeft dan net de tegenovergestelde
mening. Zij wil geen referendum aanvaarden waarin onafhankelijkheid wel als een
optie voorkomt. De reden voor Marokko is zeker en vast hun verlangen om opnieuw
het Groot-Marokko te construeren – en met het verhinderen van de annexatie van
Mauritanië en het zuidwesten van Algerije in de jaren 1960, is de integratie van de
Westelijke Sahara in Marokko de enige manier om daar nu nog aan tegemoet te
komen. Daarnaast zou het voor het Marokkaanse koningshuis een stevige opdoffer
zijn om na decennia van bezetting, opeens haar troepen uit het gebied terug te
trekken, als een geslagen hond. Indien dit inderdaad zou gebeuren, zou dit ernstige
gevolgen kunnen hebben voor de interne stabiliteit in Marokko. Tot slot is er in de
loop van de tijd ook het aspect natuurlijke rijkdommen bij gekomen. De
aanwezigheid van fosfaat en rijke viswateren waren mogelijks een reden voor de
Marokkaanse bezetting, maar nu er naar alle waarschijnlijkheid ook olie of aardgas
aanwezig zou zijn in het gebied, is de kans dat Marokko bereidt is zich terug te
trekken, nog kleiner geworden.
Een aantal machtige leden van de Verenigde Naties, in het bijzonder Frankrijk en de
Verenigde Staten van Amerika, steunen echter Marokko in hun bezetting van het
gebied en houden zich niet aan de algemene oproep van de VN voor een referendum.
Deze landen doen dat uiteraard uit eigenbelang: ze vinden de geopolitieke locatie
van Marokko te belangrijk om hun goede relatie met het land te verliezen en
anderzijds halen ze veel winsten uit de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen.
Zolang alle leden van de Verenigde Naties zich niet scharen acht de principes die de
organisatie naar voor schuift, is het weinig waarschijnlijk dat ook uit die hoek een
oplossing te verwachten valt.
Zolang zowel Marokko als het Polisario radicaal vasthouden aan hun eigen wensen
en er op internationaal niveau niet met eensgezinde stem wordt gesproken, is er
weinig kans dat er een oplossing voor dit conflict uit de bus komt. Het risico bestaat
dat men de hele kwestie uiteindelijk zo moe wordt dat de huidige de facto situatie
120
aanvaart wordt. Misschien is er over enkele decennia zoveel veranderd in de wereld
dat er dan opnieuw kans is op een oplossing.
121
122
Bibliografie
1) De bronnen zijn onderverdeeld in twee categorieën. De eerste categorie bevat
wetenschappelijke literatuur, de tweede categorie alle bronnen en documenten die
niet tot de eerste categorie behoren. Aan het einde staan een bronvermelding van de
afbeeldingen in bijlage.
2) De referenties zijn opgesteld in de taal waarin de betreffende bron of tekst is
geschreven.
3) Van veel literatuur, bronnen of documenten wordt als auteur een organisatie of
instelling vermeld. Om de referenties in mijn tekst kort te houden, heb ik in die
referenties telkens de afkortingen van deze organisaties of instellingen gebruikt. De
afkortingen zijn weergegeven in deze bibliografie.
4) De afkortingen LB en MT in de referenties staan respectievelijk voor „Laatst
Bewerkt‟ en „Mijn Toegang‟.
5) Zoals ik in de inleiding al heb weergegeven, heb ik een groot aantal documenten
gelezen van de OAE en AU. Deze bleken echter niet allemaal relevant voor deze
thesis en een groot deel is dan ook niet opgenomen in deze bibliografie. Een aantal
hebben wel meegespeeld in de algemene gedachte in sommige stukken van mijn
paper.
123
Wetenschappelijke Literatuur
Africa Monitor: North Africa
2006 Political Outlook - The Only Game in Town. Africa Monitor: North Africa,
Vol.11, No.5, p2.
2008 Polisario Raises Threat Of Saharan Struggle. Africa Monitor: North Africa,
Vol.12, No.2, p1-2.
2009 Political Outlook - Envoy Has Work Cut Out. Africa Monitor: North Africa,
Vol.14, No.3, p.3.
Africa Monitor: West & Central Africa
2006 China‟s Involvement. Africa Monitor: West & Central Africa, Vol.7, No.12,
p.1+6.
Akonor, Kwame
2007 Stuffing Old Wine in New Bottles: the Case of the African Union. In Mazama,
Ama, Africa in the 21st Century: Toward a New Future, New York, Routledge,
p.191-209.
Andemicael, Berhanykun
1994 OAU-UN Relations in a Changing World. In El-Ayouti, Yassin (ed.), The
Organization of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger
Publishers, p.119-138.
Asante, Molefi Kete
2007 The Resurgence of the African World in the 21st Century. In Mazama, Ama,
Africa in the 21st Century: Toward a New Future, New York, Routledge,
p.3-16.
Ashford, Lori S.
2007 Africa‟s Youthful Population: Risk or Opportunity? Population Washington:
Population Reference Bureau. http://www.prb.org/pdf07/AfricaYouth.pdf
Baily, Virginia and Veronica Hoskins (eds.)
2008 Western Sahara. Independence: An “Unrealistic Goal”. Africa Research
Bulletin – Political, Social and Cultural Series, Vol.45, No.4, p.17488c-17489c.
Oxford: Blackwell Publishing Ltd, April 2008.
Bakwesegha, Christopher
1994 The OAU and African Refugees. In El-Ayouti, Yassin (ed.), The Organization
of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger Publishers, p.77-96
Balandier, Geoges
2003 Civilisé, dit-on. Paris: Presses Universitaires de France.
124
Blum, Yehuda Z.
2005 Proposals for UN Security Council Reform. The American Journal of
International Law, Vol.99, No.3, p.632-649
Clairmonte, Frederick
1969 Book Review: Unity or Poverty? The Economics of Pan-Africanism by
Reginald H. Green and Ann Seidman. Canadian Journal of African Studies,
Vol.3, No.2, Special Issue: Unemployment in Africa, p.489-493.
David Meyers, B.
1976 The OAU‟s Administrative Secretary-General. International Organization,
Vol.30, No.3, p.509-520.
Davidson, Arthur
1992 The Black Man's Burden: Africa and the Curse of the Nation-state. New York:
Times Books.
Decraene, Philippe
1961 Le Panafricanisme. Paris: Presses Universitaires de France
Diamond, Larry
2008 Progress and Retreat in Africa: The Rule of Law Versus the Big Man. Journal
of Democracy, Vol.19, No.2, p.138-149.
Dinan, Desmond
2004 Europe Recast. A History of European Union. Hampshire: Palgrave
Macmillan, Lynne Rienner Publishers.
Djiena Wembou, Michel-Cyr
1994 The OAU and International Law. In El-Ayouti, Yassin (ed.), The Organization
of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger Publishers, p.15-25.
Efrat, Edgar S.
1964 Pan-Africanism: Problems and Prospects. Bulletin of African Studies in
Canada, Vol.2, No.1, p.11-24.
El-Ayouti, Yassin (ed.)
1994 The Organization of African Unity after Thirty Years. Westport: Praeger
Publishers.
El-Ayouti, Yassin
1994 An OAU for the Future: An Assessment. In El-Ayouti, Yassin (ed.), The
Organization of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger
Publishers, p.179-191.
125
Ellis, Stephen
1996 Africa after the Cold War: New Patterns of Government and Politics.
Development and Change, Vol.27, p.1-28.
Frank, Thomas M.
1987 The theory and practice of decolonization: the Western Sahara case. In
Lawless, Richard & Laila Monahan (eds.), War and Refugees. The Western
Sahara Conflict, Londen: Printer Publishers, p.9-15.
Gadio, Cheikh Tidiane
2007 Foreword. In Mazama, Ama, Africa in the 21st Century: Toward a New Future,
New York, Routledge, p.xi-xii.
Gaudio, Attilio
1993 Les populations du Sahara Occidental. Histoire, vie et culture. Paris: Éditions
Karthala.
Hayes, Carlton J.H.
1927 Contributions of Herder to the Doctrine of Nationalism. In The American
Historical Review, Vol. 32, No. 4 (Jul., 1927), pp. 719-736.
Hazlewood, Arthur (ed.)
1967 African Integration and Disintegration. Case Studies in Economical and
Political Union. London: Oxford University Press.
Hazlewood, Arthur
1967 Introduction: Problems of integration among African States. In Hazlewood,
Arthur (ed.), African Integration and Disintegration. Case Studies in
Economical and Political Union. London: Oxford University Press.
Hobsbawn, Eric & Terence Ranger (eds.)
1983 The Invention of Tradition. Cambridge: Cambridge University Press.
Hobsbawn, Eric
1983 Introduction: Inventing Traditions. In Hobsbawn Eric & Terence Ranger
(eds.), The Invention of Tradition, Cambridge: Cambridge University Press,
p.1-14.
Hodges, Tony
1983 The Origins of Saharawi Nationalism. Third World Quarterly, Vol. 5, No.1,
p.28-57.
1987 Introduction. In Lawless, Richard & Laila Monahan (eds.), War and Refugees.
The Western Sahara Conflict, Londen: Printer Publishers, p.1-5.
Hultman, Tami
1977 The Struggle for Western Sahara. A Journal of Opinion, Vol.7, No.1, p.27-32.
126
Ibelema, Minabere
2007 Neo-Pan-Africanism and Presidents William Clinton and George W. Bush‟s
Images in the Nigerian Press. In Mazama, Ama (ed.), Africa in the 21st
Century. Toward. A New Future. New York: Routledge, p.51-67.
Jensen, Erik
2005 Western Sahara. Anatomy of a Stalemate. International Peace Academy
Occasional Paper Series. Londen: Lynne Rienner Publishers.
Joffé, George
1986 The International Court of Justice, and the Western Sahara Dispute. In
Lawless, Richard & Laila Monahan (eds.), War and Refugees. The Western
Sahara Conflict, Londen: Printer Publishers (1987), p.16-30.
1988 Morocco: Monarchy, Legitimacy and Succession. Third World Quarterly,
Vol.10, No.1, Special Issue: Succession in the South, p.201-228.
Jonah, James O.C.
1994 The OAU: Peace Keeping and Conflict Resolution. In El-Ayouti, Yassin (ed.),
The Organization of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger
Publishers, p.3-13.
Kouassi, Edmond Kwam
1994 OAU-UN Interaction over the Last Decade. In El-Ayouti, Yassin (ed.), The
Organization of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger
Publishers, p.139-146.
Layachi, Azzedine
1994 The OAU and Western Sahara: A Case Study. In El-Ayouti, Yassin (ed.), The
Organization of African Unity After Thirty Years. Westport: Praeger
Publishers, p.27-39.
Lawless, Richard and Laila Monahan (eds.)
1987 War and Refugees. The Western Sahara Conflict. London: Pinter Publishers.
Maho, Jouni Filip
2004 How many languages are there in Africa, really? In Bromber, Katrin & Birgit
Smieja (eds.), Globalisation and African Languages: Risks and Benefits,
Berlin: Mouton/Walter de Gruyter. P.279-296.
Marah, John K.
2007 Kwame Nkrumah‟s Continental Africa: A Dream Deferred but Not Forgotten.
In Mazama, Ama (ed.), Africa in the 21st Century. Toward. A New Future.
New York: Routledge, p.17-31.
Mazama, Ama (ed.)
2007 Africa in the 21st Century. Toward a New Future. New York: Routledge.
127
Mazama, Ama
2007 Preface: The African Century. In Mazama, Ama (ed.), Africa in the 21st
Century. Toward. A New Future. New York: Routledge, p.xiii-xiv.
Mundy, Jacob A.
2007 Performing the nation, pre-figuring the state: the Western Sahara refugees,
thirty years later. Journal of Modern African Studies, Vol.45, No.2, p.275-297.
2009 Out with the Old, in with the New: Western Sahara back to Square One?
Mediterranean Politics, Vol.14, No.1, p.115-122.
Milano, Enrico
2006 The new Fisheries Partnership Agreement between the European Community
and the Kingdom of Morocco: fishing too south? Anuario Espanol de Derecho
Internacional, Vol.XXII, p.413-457.
Naudts, Sanne
2009a De islam in West-Afrika. En de bijdrage van de islam in intellectuele cultuur
in de Sudan. Bachelorproef eerste zit (mei 2009), Universiteit Gent:
Afrikaanse Talen en Culturen
2009b Timboektoe als centrum van kennisoverdracht. Waarom Timboektoe in de 15e
en 16e eeuw als belangrijk centrum van kennisoverdracht fungeerde in de
Islamitische wereld en hoe de structuren van kennisoverdracht eruit zagen.
Bacherlorproef tweede zit (september 2009), Universiteit Gent: Afrikaanse
Talen en Culturen
Novais, Rui Alexandre
2009 An unfinished process: the Western Sahara as a post-scriptum of the colonial
period. Africana Studia, No.12, p.58-66. Porto: Centro de Estudos Africanos
Da Universidade do Porto.
Olsson, Claes (ed.)
2006 The Western Sahara Conflict: The Role of Natural Resources in
Decolonization. By Pedro Pinto Leite, Claes Olsson, Mangus Schöldtz, Toby
Shelley, Pål Wrange, Hans Corell and Karin Scheele. Current African Issues,
No.3. Uppsala: Nordiska Afrikainstitutet.
Pinxten, Hendrik & Koenraad De Munter
2009 Tradities zijn verandering. Volkskunde, Vol.110,
Gravenwezel: Centrum voor Studie en Documentatie.
No.3-4,
p.271-292.
Pointier, Laurent
2004 Sahara occidental. La controverse devan les Nations unies. Paris: Éditions
Karthala.
128
Ranger, Terence
1983 The Invention of Tradition in Colonial Africa. In Hobsbawn, Eric & Terence
Ranger (eds.), The Invention of Tradition, Cambridge: Cambridge University
Press, p.211-262.
Pinto Leite, Pedro
2006 International legality vs. Realpolitik: the Cases of Western Sahara and EastTimor. In Olsson, Claes (ed.), The Western Sahara Conflict: The Role of
Natural Resources in Decolonization. By Pedro Pinto Leite, Claes Olsson,
Mangus Schöldtz, Toby Shelley, Pål Wrange, Hans Corell and Karin Scheele.
Current African Issues, No.3. Uppsala: Nordiska Afrikainstitutet, p.11-16.
Rigg, Paul
2009 Absolute Friends: The largest solidarity movement between two peoples offers
hope in Western Sahara. New Internationalist, 8 June 2009. Harborough:
New Internationalist.
http://www.newint.org/features/special/2009/06/08/absolute-friends/
Review of African Political Economy
2006 Briefings. Review of African Political Economy, Vol.33, No.108, p.325-368.
Roussellier, Jacques Eric
2007 Elusive Sovereignty. People, Land and Frontiers of the Desert: The Case of
the Western Sahara and the International Court of Justice. The Journal of
North African Studies, Vol. 12, No.1, p.55-78
Ruf, Werner
1987 The Role of World Powers: Colonial Transformations and King Hassan‟s Rule.
In Lawless, Richard & Laila Monahan (eds.), War and Refugees. The Western
Sahara Conflict, Londen: Printer Publishers (1987), p.65-97.
Saxena, S.C.
1995 Western Sahara: No Alternative to Armed Struggle. Delhi: Kalinga
Publications.
Shelley, Toby
2004 Endgame in the Western Sahara: What future for Africa‟s Last Colony?
London: Zed Books.
2006 Natural Resources and the Western Sahara. In Olsson, Claes (ed.), The
Western Sahara Conflict: The Role of Natural Resources in Decolonization. By
Pedro Pinto Leite, Claes Olsson, Mangus Schöldtz, Toby Shelley, Pål Wrange,
Hans Corell and Karin Scheele. Current African Issues, No.3. Uppsala:
Nordiska Afrikainstitutet, p.17-21.
129
Solà-Martín, Andreu
2007 The Western Sahara Cul-de-Sac. Mediterranean Politics, Vol.12, No.3, p.399405.
Thobhani, Akbarali
2002 Western Sahara Since 1975 Under Moroccan Administration. Social,
Economic, and Political Transformation. New York: the Edwin Mellen Press.
Van Walraven, Klaas
1996 Dreams of Power. The Role of the Organization of African Unity in the Politics
of Africa 1963-1993. Leiden: Rijksuniversiteit, proefschrift doctoraat.
Weiss, Thomas G.
2003 The Illusion of UN Security Council Reform. The Washington Quarterly, Vol.
26, No. 4, p.147-161.
Welch Jr., Claude E.
1994 The OAU and Human Rights: Regional Promotion of Human Rights. In ElAyouti, Yassin (ed.), The Organization of African Unity After Thirty Years.
Westport: Praeger Publishers, p.53-75.
Wohlgemuth, Lennart
2006 Introduction. In Olsson, Claes (ed.), The Western Sahara Conflict: The Role of
Natural Resources in Decolonization. By Pedro Pinto Leite, Claes Olsson,
Mangus Schöldtz, Toby Shelley, Pål Wrange, Hans Corell and Karin Scheele.
Current African Issues, No.3. Uppsala: Nordiska Afrikainstitutet, p.9.
Young, Merwin Crawford
1988 The Colonial State and Post-Colonial Crisis. In Gifford, Prosser & Roger Louis
(eds.), Decolonization and African Independence: The Transfer of Power, 19601980. New Haven: Yale University Press, p.1-31.
Zizwe Poe, Daryl
2007 The Philosophical Challenges for Africans in the 21st Century. In Mazama,
Ama (ed.), Africa in the 21st Century. Toward. A New Future. New York:
Routledge, p.33-49.
Zoubir, Yahia H.; Benabdallah-Gambier, Karima
2004 Morocco, Western Sahara and the future of the Maghrib. Journal of North
African Studies, Vol.9, No.1, p.49-77.
130
Bronnen en documenten
African Union (AU)
s.d.
African Union Website. http://www.africa-union.org/
2009 African Union Scientific Awards. Information Guide. Addis Ababa: African
Union. LB April 2009, MT 20 April 2010.
http://www.africa-union.org/root/au/conferences/2009/june/hrst/award.html
(Information Guide)
African Union – Assembly of the African Union (AUA)
2002a Protocol Relation to the Establishment of the Peace and Security Council of the
African Union. Assembly of the African Union, First Ordinary Session,
Durban, South Africa, 9 July 2002. Addis Ababa: African Union.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Treaties/Text/Protocol_peace%20and%20securit
y.pdf
2002b The Durban Declaration in Tribute to the Organization of African Unity and
on the Launching of the African Union. Assembly of the African Union, First
Ordinary Session, Durban, South Africa, 10 July 2002. Addis Ababa: African
Union.
http://www.au2002.gov.za/docs/summit_council/audecis.pdf
African Union – Commission of the African Union (AUC)
2004 Africa, Our Common Destiny. Guideline Document. Prepared by the
Commission of the African Union. Addis Ababa: Commission of the African
Union, May 2004.
http://www.africa-union.org/AU%20summit%202004/Volume%205%20%20Africa%20Our%20Common%20Destiny.pdf
Agentschap NL
s.d.
Marokko: Verdragen. Ministerie van Economische Zaken, Nederland. LB s.d.,
MT 21 mei 2010.
http://www.evd.nl/zoeken/showbouwsteen.asp?bstnum=3729&location=
Al-Jazeera
s.d.
Al-Jazeera News Agency – Online Archive. MT 20 May 2010.
http://english.aljazeera.net/
Associated Press
s.d.
Associated Press News Agency – Online Archive. MT 20 mei 2010.
http://www.ap.org/
131
Association de soutien à un référendum libre et régulier au Sahara
Occidental (ARSO)
s.d.
List of states which recognize the SADR. LB s.d., MT 21 May 2010.
http://www.arso.org/03-2.htm
Central Intelligence Agency (CIA)
2010 CIA World Fact book – Western Sahara. Washington: CIA. LU s.d., MA 17
March 2010.
https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/index.html
Conference of Independent African Heads of State and Government
(CIAHSG)
1963a Resolutions adopted by the First Conference of Independent African Heads of
State and Government. Addis Ababa, Ethiopia, from 22 to 25 May 1963. Addis
Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/aHoGAssembly1963.pdf
1963b Organization of African Unity Charter. First Conference of Independent
African Heads of State and Government, Addis Ababa, Ethiopia, 25 May
1963. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Treaties/text/OAU_Charter_1963.pdf
Council of the European Union (CEU)
2006 Council Regulations on the Conclusion of the Fisheries Partnership Agreement
between the European Community and the Kingdom of Morocco + Fisheries
Partnership Agreement Morocco. Brussels: Council of the European Union.
http://www.vest-sahara.no/files/dated/2008-0515/fisheries_partnership_agreement_eu-morocco.pdf
Ekeh, Peter P.
2009 Charter of the Organization of African Unity. Buffalo, State University of New
York: Urhobo Historical Society. LB 2009, MT 11 April 2010.
http://www.waado.org/NigerDelta/Documents/ConstitutionalDocuments/OAU
Charter-1963.html
Federale Overheid België
2008 Geografische beschrijving van België. Brussel: Federale Overheid. LB s.d., MT
17 maart 2010. http://www.belgium.be/nl/over_belgie/land/geografie/
Frente Polisario
1976 Proclamation of the First Government of the Saharawi Arab Democratic
Republic. Beschikbaar op http://www.arso.org/03-1.htm
132
Godoy, Julio
2010 Afrika kreunt onder illegale visvangst. Afrika Nieuws, 29 maart 2010.
http://www.afrikanieuws.nl/site/list_message/26651
Human Rights Watch
2010 Morocco/Western Sahara: Country Summary, January 2010.
http://www.hrw.org/en/node/87731
Ibok, Sam
2000 Conflict Prevention, Management and Resolution in Africa. United Nations
Public Administration Network. New York: United Nations.
http://unpan1.un.org/intradoc/groups/public/documents/cafrad/unpan011836.p
df
International Court of Justice (ICJ)
1975 Western Sahara Advisory Opinion, ICJ Reports, 16 October 1975. The Hague:
International Court of Justice. http://www.icj-cij.org/docket/files/61/6195.pdf
International Labour Office (ILO)
2010 Organization of African Unity. Globalisation and Workers‟ Rights.
International Labour Office: Bureau for Workers‟ Activities. LB s.d., MT 29
January 2010.
http://actrav.itcilo.org/actrav-english/telearn/global/ilo/law/oau.htm
Jasinsky Stephen M.
2010 2008 Minerals Yearbook. Phosphate Rock [Advance Release]. Reston: U.S.
Geological Survey (U.S. Department of the Interior).
http://minerals.usgs.gov/minerals/pubs/commodity/phosphate_rock/myb12008-phosp.pdf
Landmine and Cluster Munitions Monitor
2009 Landmine Report 2009 – Western Sahara. Ottawa: Landmine and Cluster
Munitions Monitor.
http://www.themonitor.org/index.php/publications/display?act=submit&pqs_year=2009&pqs_
type=lm&pqs_report=western_sahara&pqs_section=
Organization of African Unity (OAU) – Assembly of Heads of State and
Government (AHG)
1964 Border disputes among African States. AHG/Res. 16 (I), Assembly of Heads of
State and Government, First Ordinary Session, Cairo, United Arab Republic,
17 to 21 July 1964. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/bHoGAssembly1964.pdf
133
1965a Report of the Ad Hoc Commission for the Algero-Moroccan Border Dispute.
AHG/Res. 32 (II), Assembly of Heads of State and Government, Second
Ordinary Session, Accra, Ghana, 21 to 26 October 1965. Addis Ababa:
Organisation for African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/cHoGAssembly1965.pdf
1965b Relations between the Organization of African Unity and the United Nations.
AHG/Res. 33 (II), Assembly of Heads of State and Government, Second
Ordinary Session, Accra, Ghana, 21 to 26 October 1965. Addis Ababa:
Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/cHoGAssembly1965.pdf
1975 Resolution on the So-Called Spanish Sahara. AHG/Res. 75 (XII), Assembly of
Heads of State and Government, Seventh Ordinary Session, Kampala,
Oeganda, 28 July to 1 August 1975. Addis Ababa: Organisation of African
Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/lHoGAssembly1975.pdf
1976 Resolution on the convening of the extraordinary summit on the question of
Western Sahara. AHG/Res. 81 (XIII), Assembly of Heads of State and
Government, Thirteenth Ordinary Session, Port-Louis, Mauritius, 2 to 6 July
1976. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/AU/Documents/Decisions/hog/mHoGAssembly1976.pdf
1978 Resolution of the Question of Western Sahara. AHG/Res. 92 (XV), Assembly of
Heads of State and Government, Fifteenth Ordinary Session, Khartoum, 18 to
22 July 1978. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/AU/Documents/Decisions/hog/oHoGAssembly1978.pdf
1981 Resolution on Western Sahara. AHG/Res. 103 (XVIII), Assembly of Heads of
State and Government, Eighteenth Ordinary Session, Nairobi, Kenya, 24 to
27 June 1981. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/rHoGAssembly1981.pdf
1983 Resolution on Western Sahara. AHG/Res. 104 (XIX), Assembly of Heads of
State and Government, Nineteenth Ordinary Session, Addis Ababa, Ethiopia,
6 to 12 June 1983. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/sHoGAssembly1983.pdf
1993a 1993 Cairo Declaration on the Occasion of the Thirtieth Anniversary of the
Organization of African Unity. AHG/Decl. 1 (XXIX), Assembly of Heads of
State and Government, Twenty-ninth Ordinary Session, Cairo, Egypt, 28 to
30 June. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/3HoGAssembly1993.pdf
134
1993b Declaration of the Assembly of Heads of State and Government on the
Establishment within the OAU of a Mechanism for Conflict Prevention,
Management and Resolution. AHG/Decl. 3 (XXIX), Assembly of Heads of State
and Government, Twenty-ninth Ordinary Session, Cairo, Egypt, 28 to 30
June. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/3HoGAssembly1993.pdf
1998b Decision on Western Sahara. AHG/Dec. 131 (XXXIV), Assembly of Heads of
State and Government, Thirty-fourth Ordinary Session, Ouagadougou,
Burkina Faso, 8 to 10 June 1998. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/8HoGAssembly1998.pdf
1999a Algiers Declaration. AHG/Decl.1 (XXXV), Assembly of Heads of State and
Government, Thirty-fifth Ordinary Session, Algiers, Algeria, 12 to 14 July
1999. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/root/au/Documents/Decisions/hog/9HoGAssembly1999.pdf
2000 The Constitutive Act of the African Union. Assembly of Heads of State and
Government, Thirty-Sixth Ordinary Session, Lomé, Togo, 11 July 2000. Addis
Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africa-union.org/root/au/AboutAu/Constitutive_Act_en.htm
Organisation of African Unity (OAU) – Council of Ministers (CoM)
1989 Resolution on Western Sahara. CM/Res. 1184 (XLIX), Council of Ministers,
Forty-ninth Ordinary Session, Addis Ababa, Ethiopia, 20 to 25 February
1989. Addis Ababa: Organization of African Unity.
http://www.africaunion.org/Official_documents/council%20of%20minsters%20meetings/com/32
CoM_1989a.pdf
Reuters
s.d.
Reuters News Agency – Online Archive. MT 20 May 2010.
http://www.reuters.com/
United Nations (UN) – General Assembly (GA)
1960a Resolution 1514 (XV): Declaration on the Granting of Independence to
Colonial Countries and Peoples. Resolution 1514 (XV), 15th Session of the
General Council, 14 December 1960. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/152/88/IMG/NR015288.pdf?OpenEle
ment
1960b Resolution 1541 (XV): Principles which should guide Members in determining
whether or not an obligation exists to transmit the information called for
under Article 73e of the Charter. Resolution 1541 (XV), 15th Session of the
General Council, 15 December 1960. New York: United Nations.
135
1961
1965
1966
1967
1968
1969
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/153/15/IMG/NR015315.pdf?OpenEle
ment
Resolution 1654 (XVI): The situation with regard to het implementation of the
Declaration on the granting of independence to colonial countries and peoples.
Resolution 1654 (XVI), 16th Session of the General Assembly, 27 November
1961. New York, United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/167/07/IMG/NR016707.pdf?OpenEle
ment
Resolution 2011 (XX): Co-operation between the United Nations and the
Organization of African Unity. Resolution 2011 (XX), 20th Session of the
General Assembly, 11 October 1965. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/217/74/IMG/NR021774.pdf?OpenEle
ment
Resolution 2229 (XXI). Question of Ifni and Spanish Sahara. Resolution 2229,
21st Session of the General Assembly, 20 December 1966. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/005/32/IMG/NR000532.pdf?OpenEle
ment
Resolution 2354 (XXII). Question of Ifni and Spanish Sahara. Resolution
2354, 22nd Session of the General Assembly, 19 December 1967. New York:
United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/236/89/IMG/NR023689.pdf?OpenEle
ment
Resolution 2428 (XXIII). Question of Ifni and Spanish Sahara. Resolution
2428, 23rd Session of the General Assembly, 18 December 1968. New York:
United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/243/88/IMG/NR024388.pdf?OpenEle
ment
Resolution 2591 (XXIV). Question of Spanish Sahara. Resolution 2591, 24th
Session of the General Assembly, 16 December 1969. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/257/24/IMG/NR025724.pdf?OpenEle
ment (deel 1)
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/257/25/IMG/NR025725.pdf?OpenEle
ment (deel 2)
136
1970a Resolution 2625 (XXV). Declaration on Principles of International Law
concerning Friendly Relations and Co-operation among States in accordance
with the Charter of the United Nations. Resolution 2625, 25th Session of the
General Assembly, 24 October 1970. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/348/90/IMG/NR034890.pdf?OpenEle
ment
1970b Resolution 2711 (XXV). Question of Spanish Sahara. Resolution 2711, 25th
Session of the General Assembly, 14 December 1970. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/349/76/IMG/NR034976.pdf?OpenEle
ment
1972 Resolution 2983 (XXVII). Question of Spanish Sahara. Resolution 2983, 27th
Session of the General Assembly, 14 December 1972. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/270/13/IMG/NR027013.pdf?OpenEle
ment
1973 Resolution 3162 (XXVIII). Question of Spanish Sahara. Resolution 3162, 28th
Session of the General Assembly, 14 December 1973. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/282/34/IMG/NR028234.pdf?OpenEle
ment
1974 Resolution 3292 (XXIX). Question of Spanish Sahara. Resolution 3292, 29th
Session of the General Assembly, 13 December 1974. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/738/94/IMG/NR073894.pdf?OpenEle
ment
1975 Resolution 3458 (XXX). Question of Spanish Sahara. Resolution 3458, 30th
Session of the General Assembly, 10 December 1975. New York: United
Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/001/71/IMG/NR000171.pdf?OpenEle
ment
1983 Resolution 38/40: Question of Western Sahara. Resolution 38/40, 38th Session
of the General Assembly, 7 December 1983. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/444/32/IMG/NR044432.pdf?OpenEle
ment
137
1984 Resolution 39/40. Question of Western Sahara. Resolution 39/40, 39th Session
of the General Assembly, 5 December 1984. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/460/17/IMG/NR046017.pdf?OpenEle
ment
1985 Resolution 40/50. Question of Western Sahara. Resolution 40/50, 40th Session
of the General Assembly, 2 December 1985. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/477/57/IMG/NR047757.pdf?OpenEle
ment
1986 Resolution 41/16. Question of Western Sahara. Resolution 41/16, 41st Session
of the General Assembly, 31 October 1986. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/495/24/IMG/NR049524.pdf?OpenEle
ment
1987 Resolution 42/78. Question of Western Sahara. Resolution 42/78, 42st Session
of the General Assembly, 4 December 1987. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/513/10/IMG/NR051310.pdf?OpenEle
ment
1988 Resolution 43/33. Question of Western Sahara. Resolution 43/33, 43st Session
of the General Assembly, 22 November 1988. New York: United Nations.
http://daccess-ddsny.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/530/12/IMG/NR053012.pdf?OpenEle
ment
United Nations – Department of Economic and Social Affairs (UNDESA) –
Population Division
1999 The World at Six Billion. New York: United Nations.
http://www.un.org/esa/population/publications/sixbillion/sixbillion.htm
2008 Urban Population, Development and the Environment 2007. New York,
United Nations
http://www.un.org/esa/population/publications/2007_PopDevt/Urban_2007.pdf
2009 Millennium Development Goals Report 2009. New York, United Nations.
http://www.un.org/millenniumgoals/pdf/MDG_Report_2009_ENG.pdf
United Nations (UN) – News Agency
s.d.
United Nations News Service – Online Archive. MT 20 May 2010.
http://www.un.org/News/
United Nations (UN) – Website
2006 Member States of the United Nations. Based on Press Release ORG/1469 of 3
July 2006. LB: 3 July 2006, MT: 31 March 2010.
http://www.un.org/en/members/index.shtml
138
2008 Permanent Observers: Non-member States and Entities. Based on the United
Nations Protocol's Blue Book, "Permanent Missions to the United Nations
No.298", March 2008. LB: Last updated with ST/SG/SER.A/298 (29 February
2008), MT: 31 March 2010.
http://www.un.org/en/members/nonmembers.shtml
Van Walraven, Klaas
2010 Persoonlijke elektronische communicatie. 20 mei 2010
Western Sahara Resource Watch (WSRW)
s.d.
Campaign Website Fish Elsewhere. http://www.fishelsewhere.eu/
2009 About the EU-Moroccan Fisheries Agreement. Campaign Website Fish
Elsewhere. http://www.fishelsewhere.eu/index.php?cat=147&art=0
2010 WSRW concerned about Russian Fisheries in occupied Western Sahara.
WSRW website.
http://www.wsrw.org/index.php?parse_news=single&cat=105&art=1381
Wikipedia (Engels) (WE)
2010a Cameroons. Wikipedia (Engels), LB 9 March 2010, MT 15 April 2010.
http://en.wikipedia.org/wiki/Cameroons
2010b Colonization of Africa. Wikipedia (Engels), LB 16 May 2010, MT 24 May
2010.
http://en.wikipedia.org/wiki/Colonisation_of_Africa
2010c Organisation of African Unity. Wikipedia (Engels), LB 28 January 2010, MT
28 January 2010.
http://en.wikipedia.org/wiki/Organization_of_African_Unity
2010d Pan-Africanism. Wikipedia (Engels), LB 26 January 2010, MT 27 January
2010.
http://en.wikipedia.org/wiki/Pan-Africanism
2010e Western Sahara. Wikipedia (Engels), LB 15 May 2010, MT 19 May 2010.
http://en.wikipedia.org/wiki/Western_Sahara
Wikipedia (Nederlands) (WN)
2009 Lijst van Belgische gemeenten naar oppervlakte. Wikipedia (Nederlands), LB
27 september 2009, MT 19 mei 2010.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Belgische_gemeenten_naar_oppervlakt
e
2010 Westelijke Sahara. Wikipedia (Nederlands), LB 10 april 2010, MT 14 april
2010. http://nl.wikipedia.org/wiki/Westelijke_Sahara
139
Bronvermelding afbeeldingen in bijlage
United Nations – Department of Peacekeeping Operations, Cartographic
Section
2004 Western Sahara. January 2004. New York: United Nations.
http://www.un.org/Depts/Cartographic/map/profile/wsahara.pdf
2010 MINURSO – April 2010. New York: United Nations.
http://www.un.org/Depts/Cartographic/map/dpko/minurso.pdf
140
Bijlagen
Bijlage 1: Classificatie van Afrikaanse staten
Bijlage 2: Charter ter oprichting van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid.
Bijlage 3: Constitutive Act ter oprichting van de Afrikaanse Unie
Bijlage 4: Resolutie 1514 (XV)
Bijlage 5: Kaart van de Westelijke Sahara
Bijlage 6: Kaart van de VN-missie MINURSO
141
Bijlage 1: Classificatie van Afrikaanse staten
Overgenomen uit Van Walraven 1996: 417-421
A. Regionale categorieën
Noord-Afrika
Algerije
Egypte
Libië
Marokko*
Tunesië
West-Afrika
Benin (Dahomey)
Burkina Faso (OpperVolta)
Gambia
Ghana
Guinee-Bissau
Guinee-Conakry
Ivoorkust
Kaapverdië
Liberia
Mali
Mauritanië
Niger
Nigeria
Senegal
Sierra Leone
Togo
(Zaïre/CongoLéopoldville)
Equatoriaal Guinee
Gabon
Kameroen
Republiek Congo
(Congo-Brazzaville)
Rwanda
São Tomé en Príncipe
Tsjaad
Oost-Afrika
Comoren
Djibouti
Eritrea
Ethiopië
Kenia
Madagaskar
Mauritius
Oeganda
Seychellen
Soedan
Somalië
Tanzania
Zuidelijk Afrika
Botswana
Lesotho
Malawi
Mozambique
Namibië
Swaziland
Zambia
Zimbabwe
Zuid-Afrika
Centraal Afrika
Angola
Burundi
Centraal Afrikaanse
Republiek
Democratische
Republiek Congo
B. Noord-Afrika en Sub-Sahara Afrika
Noord-Afrika
Algerije
Egypte
Libië
Marokko*
Tunesië
Sub-Sahara Afrika
Angola
Benin (Dahomey)
Botswana
Burkina Faso (OpperVolta)
Burundi
Centraal Afrikaanse
Republiek
Comoren
142
Democratische
Republiek Congo
(Zaïre/CongoLéopoldville)
Djibouti
Equatoriaal Guinee
Eritrea
Ethiopië
Gabon
Gambia
Ghana
Guinee-Bissau
Guinee-Conakry
Ivoorkust
Kaapverdië
Kameroen
Kenia
Lesotho
Liberia
Madagaskar
Malawi
Mali
Mauritanië
Mauritius
Mozambique
Namibië
Niger
Nigeria
Oeganda
Republiek Congo
(Congo-Brazzaville)
Rwanda
São Tomé en Príncipe
Senegal
Seychellen
Sierra Leone
Soedan
Somalië
Swaziland
Tanzania
Togo
Tsjaad
Zambia
Zimbabwe
Zuid-Afrika
C. Engelstalige en Franstalige staten
Engelstalige staten
Botswana
Eritrea
Ethiopië
Gambia
Ghana
Kenia
Lesotho
Liberia
Malawi
Mauritius
Namibië
Nigeria
Oeganda
Seychellen
Sierra Leone
Soedan
Somalië
Swaziland
Tanzania
Zambia
Zimbabwe
Zuid-Afrika
Franstalige staten
Benin (Dahomey)
Burkina Faso (OpperVolta)
Burundi
Centraal Afrikaanse
Republiek
Comoren
Democratische
Republiek Congo
(Zaïre/CongoLéopoldville)
Djibouti
Gabon
Guinee-Conakry
Ivoorkust
Kameroen
Madagaskar
Mali
Mauritanië
Niger
Republiek Congo
(Congo-Brazzaville)
Rwanda
Senegal
Togo
Tsjaad
D. Radicale en gematigde-conservatieve staten°
Radicale staten
Algerije
Angola
Benin (Dahomey) (vanaf 1972/1974)
Burkina Faso (Opper-Volta) (vanaf
1983)
Kaapverdië
143
Republiek Congo (Congo-Brazzaville)
(vanaf 1964)
Egypte (tot 1972)
Equatoriaal Guinee (in de jaren 1970)
Ethiopië (na 1974)
Ghana (tot 1966 en vanaf 1982)
Guinee-Conakry (tot de vroege jaren
1980)
Guinee-Bissau
Libië (vanaf 1969)
Madagaskar (na 1972)
Mali
Marokko* (van 1960 tot 1962/1963)
Mozambique
RASD (SADR)
São Tomé en Príncipe
Seychellen (vanaf 1977)
Somalië (van 1969 tot 1977)
Soedan (van 1964 tot de vroege jaren
1970)
Tanzania
Zimbabwe
Gematigde-conservatieve staten
Benin (Dahomey) (tot 1972/1974)
Botswana
Burkina Faso (Opper-Volta) (tot 1983)
Burundi
Kameroen
Centraal Afrikaanse Republiek
Tsjaad
Comoren
Republiek Congo (Congo-Brazzaville)
(tot 1964)
Djibouti
Egypte (vanaf 1972)
Equatoriaal Guinee (vanaf de jaren
1980)
Ethiopië (tot 1974)
Gabon
Gambia
Ghana (van 1966 tot 1982)
Guinee-Conakry (vanaf de vroege
jaren 1980)
Ivoorkust
Kenia
Lesotho
Liberia
Libië (tot 1969)
Madagaskar (tot 1972)
Malawi
Mauritanië
Mauritius
Marokko* (vanaf 1962/1963)
Niger
Nigeria
Rwanda
Senegal
Seychellen (van 1976 tot 1977)
Sierra Leone
Somalië (tot 1969 en vanaf 1977)
Soedan (tot 1963 en vanaf de jaren
1970)
Swaziland
Togo
Tunesië
Oeganda
Democratische Republiek Congo
(Zaïre/Congo-Léopoldville)
Zambia
Noten:
°Deze lijst is net als de andere gepubliceerd in Van Walraven 1996 en is dus
enigszins verouderd. Van Walraven geeft zelf aan dat de opdeling maar relevant was
tot midden jaren 1980, en dus maar geldt tot ongeveer 1985. Namibië, Zuid-Afrika
en Eritrea zijn bovendien niet opgenomen. Meer uitleg bij deze classificatie in (Van
Walraven 1996: 8-12, 415-416).
144
De Sahrawi Arab Democratic Republic is enkel in deze lijst opgenomen, wegens een
gebrek aan data, zoals Van Walraven het uitlegt. In een recenter document (april
2009) van de Afrikaanse Unie betreffende wetenschappelijke prijzen, wordt SADR in
de bijlage opgenomen in de lijst van Noord-Afrikaanse staten. (AU 2009: 13)
*Marokko is in deze lijsten opgenomen, hoewel het land maar tot 1984 lid was van
de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Tijdens haar lidmaatschap werd het land
volgens deze lijsten geclassificeerd. Mocht Marokko misschien ooit aansluiten bij de
Afrikaanse Unie, zou het land waarschijnlijk terug ondergebracht worden in dezelfde
categorieën, zeker wat betreft regionale indeling, omdat die binnen de AU gebruikt
wordt voor institutionele doeleinden.
145
146
Bijlage 2: Charter ter oprichting van de Organisatie
van Afrikaanse Eenheid.
Conference of Heads of State and Government – Addis Ababa, 1963
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
Bijlage 3: Constitutive Act ter oprichting van de
Afrikaanse Unie
Assemby of Heads of State and Government of the Organisation of African Unity.
The Constitutive Act
We, Heads of State and Government of the Member States of the Organization of
African Unity (OAU):
1. The President of the People's Democratic Republic of Algeria
2. The President of the Republic of Angola
3. The President of the Republic of Benin
4. The President of the Republic of Botswana
5. The President of Burkina Faso
6. The President of the Republic of Burundi
7. The President of the Republic of Cameroon
8. The President of the Republic of Cape Verde
9. The President of the Central African Republic
10. The President of the Republic of Chad
11. The President of the Islamic Federal Republic of the Comoros
12. The President of the Republic of the Congo
13. The President of the Republic of Côte d'Ivoire
14. The President of the Democratic Republic of Congo
15. The President of the Republic of Djibouti
16. The President of the Arab Republic of Egypt
17. The President of the State of Eritrea
18. The Prime Minister of the Federal Democratic Republic of Ethiopia
19. The President of the Republic of Equatorial Guinea
20. The President of the Gabonese Republic
21. The President of the Republic of The Gambia
22. The President of the Republic of Ghana
23. The President of the Republic of Guinea
24. The President of the Republic of Guinea Bissau
25. The President of the Republic of Kenya
26. The Prime Minister of Lesotho
27. The President of the Republic of Liberia
28. The Leader of the 1st of September Revolution of the Great Socialist People's
Libyan Arab Jamahiriya
29. The President of the Republic of Madagascar
30. The President of the Republic of Malawi
31. The President of the Republic of Mali
32. The President of the Islamic Republic of Mauritania
33. The Prime Minister of the Republic of Mauritius
34. The President of the Republic of Mozambique
159
35. The President of the Republic of Namibia
36. The President of the Republic of Niger
37. The President of the Federal Republic of Nigeria
38. The President of the Republic of Rwanda
39. The President of the Sahrawi Arab Democratic Republic
40. The President of the Republic of Sao Tome and Principe
41. The President of the Republic of Senegal
42. The President of the Republic of Seychelles
43. The President of the Republic of Sierra Leone
44. The President of the Republic of Somalia
45. The President of the Republic of South Africa
46. The President of the Republic of Sudan
47. The King of Swaziland
48. The President of the United Republic of Tanzania
49. The President of the Togolese Republic
50. The President of the Republic of Tunisia
51. The President of the Republic of Uganda
52. The President of the Republic of Zambia
53. The President of the Republic of Zimbabwe
INSPIRED by the noble ideals which guided the founding fathers of our Continental
Organization and generations of Pan-Africanists in their determination to promote
unity, solidarity, cohesion and cooperation among the peoples of Africa and African
States;
CONSIDERING the principles and objectives stated in the Charter of the
Organization of African Unity and the Treaty establishing the African Economic
Community;
RECALLING the heroic struggles waged by our peoples and our countries for
political independence, human dignity and economic emancipation;
CONSIDERING that since its inception, the Organization of African Unity has
played a determining and invaluable role in the liberation of the continent, the
affirmation of a common identity and the process of attainment of the unity of our
continent and has provided a unique framework for our collective action in Africa
and in our relations with the rest of the world.
DETERMINED to take up the multifaceted challenges that confront our continent
and peoples in the light of the social, economic and political changes taking place in
the world;
CONVINCED of the need to accelerate the process of implementing the Treaty
establishing the African Economic Community in order to promote the socioeconomic development of Africa and to face more effectively the challenges posed by
globalization;
160
GUIDED by our common vision of a united and strong Africa and by the need to
build a partnership between governments and all segments of civil society, in
particular women, youth and the private sector, in order to strengthen solidarity and
cohesion among our peoples;
CONSCIOUS of the fact that the scourge of conflicts in Africa constitutes a major
impediment to the socio-economic development of the continent and of the need to
promote peace, security and stability as a prerequisite for the implementation of our
development and integration agenda;
DETERMINED to promote and protect human and peoples' rights, consolidate
democratic institutions and culture, and to ensure good governance and the rule of
law;
FURTHER DETERMINED to take all necessary measures to strengthen our
common institutions and provide them with the necessary powers and resources to
enable them discharge their respective mandates effectively;
RECALLING the Declaration which we adopted at the Fourth Extraordinary Session
of our Assembly in Sirte, the Great Socialist People's Libyan Arab Jamahiriya, on
9.9. 99, in which we decided to establish an African Union, in conformity with the
ultimate objectives of the Charter of our Continental Organization and the Treaty
establishing the African Economic Community;
HAVE AGREED AS FOLLOWS:
Article 1
Definitions
In this Constitutive Act:
"Act" means the present Constitutive Act;
"AEC" means the African Economic Community;
"Assembly" means the Assembly of Heads of State and Government of the Union;
"Charter" means the Charter of the OAU;
"Commission" means the Secretariat of the Union;
"Committee" means a Specialized Technical Committee of the Union;
"Council" means the Economic, Social and Cultural Council of the Union;
"Court " means the Court of Justice of the Union;
"Executive Council" means the Executive Council of Ministers of the Union;
"Member State" means a Member State of the Union;
"OAU" means the Organization of African Unity;
"Parliament" means the Pan-African Parliament of the Union;
"Union" means the African Union established by the present Constitutive Act.
161
Article 2
Establishment
The African Union is hereby established in accordance with the provisions of this
Act.
Article 3
Objectives
The objectives of the Union shall be to:
(a) achieve greater unity and solidarity between the African countries and the
peoples of Africa;
(b) defend the sovereignty, territorial integrity and independence of its Member
States;
(c) accelerate the political and socio-economic integration of the continent;
(d) promote and defend African common positions on issues of interest to the
continent and its peoples;
(e) encourage international cooperation, taking due account of the Charter of the
United Nations and the Universal Declaration of Human Rights;
(f) promote peace, security, and stability on the continent;
(g) promote democratic principles and institutions, popular participation and good
governance;
(h) promote and protect human and peoples' rights in accordance with the African
Charter on Human and Peoples' Rights and other relevant human rights
instruments;
(i) establish the necessary conditions which enable the continent to play its rightful
role in the global economy and in international negotiations;
(j) promote sustainable development at the economic, social and cultural levels as
well as the integration of African economies;
(k) promote co-operation in all fields of human activity to raise the living standards
of African peoples;
(l) coordinate and harmonize the policies between the existing and future Regional
Economic Communities for the gradual attainment of the objectives of the Union;
(m) advance the development of the continent by promoting research in all fields, in
particular in science and technology;
(n) work with relevant international partners in the eradication of preventable
diseases and the promotion of good health on the continent.
Article 4
Principles
The Union shall function in accordance with the following principles:
(a) sovereign equality and interdependence among Member States of the Union;
(b) respect of borders existing on achievement of independence;
(c) participation of the African peoples in the activities of the Union;
(d) establishment of a common defence policy for the African Continent;
162
(e) peaceful resolution of conflicts among Member States of the Union through such
appropriate means as may be decided upon by the Assembly;
(f) prohibition of the use of force or threat to use force among Member States of the
Union;
(g) non-interference by any Member State in the internal affairs of another;
(h) the right of the Union to intervene in a Member State pursuant to a decision of
the Assembly in respect of grave circumstances, namely: war crimes, genocide and
crimes against humanity;
(i) peaceful co-existence of Member States and their right to live in peace and
security;
(j) the right of Member States to request intervention from the Union in order to
restore peace and security;
(k) promotion of self-reliance within the framework of the Union;
(l) promotion of gender equality;
(m) respect for democratic principles, human rights, the rule of law and good
governance;
(n) promotion of social justice to ensure balanced economic development;
(o) respect for the sanctity of human life, condemnation and rejection of impunity
and political assassination, acts of terrorism and subversive activities;
(p) condemnation and rejection of unconstitutional changes of governments.
Article 5
Organs of the Union
1. The organs of the Union shall be:
(a) The Assembly of the Union;
(b) The Executive Council;
(c) The Pan-African Parliament;
(d) The Court of Justice;
(e) The Commission;
(f) The Permanent Representatives Committee;
(g) The Specialized Technical Committees;
(h) The Economic, Social and Cultural Council;
(i) The Financial Institutions;
2. Other organs that the Assembly may decide to establish.
Article 6
The Assembly
1. The Assembly shall be composed of Heads of States and Government or their duly
accredited representatives.
2. The Assembly shall be the supreme organ of the Union.
3. The Assembly shall meet at least once a year in ordinary session. At the request of
any Member State and on approval by a two-thirds majority of the Member States,
the Assembly shall meet in extraordinary session.
163
4. The Office of the Chairman of the Assembly shall be held for a period of one year
by a Head of State or Government elected after consultations among the Member
States.
Article 7
Decisions of the Assembly
1. The Assembly shall take its decisions by consensus or, failing which, by a twothirds majority of the Member States of the Union. However, procedural matters,
including the question of whether a matter is one of procedure or not, shall be
decided by a simple majority.
2. Two-thirds of the total membership of the Union shall form a quorum at any
meeting of the Assembly.
Article 8
Rules of Procedure of the Assembly
The Assembly shall adopt its own Rules of Procedure.
Article 9
Powers and Functions of the Assembly
1. The functions of the Assembly shall be to:
(a) determine the common policies of the Union;
(b) receive, consider and take decisions on reports and recommendations from the
other organs of the Union;
(c) consider requests for Membership of the Union;
(d) establish any organ of the Union;
(e) monitor the implementation of policies and decisions of the Union as well ensure
compliance by all Member States;
(f) adopt the budget of the Union;
(g) give directives to the Executive Council on the management of conflicts, war and
other emergency situations and the restoration of peace;
(h) appoint and terminate the appointment of the judges of the Court of Justice;
(i) appoint the Chairman of the Commission and his or her deputy or deputies and
Commissioners of the Commission and determine their functions and terms of office.
2. The Assembly may delegate any of its powers and functions to any organ of the
Union.
Article 10
The Executive Council
1. The Executive Council shall be composed of the Ministers of Foreign Affairs or
such other Ministers or Authorities as are designated by the Governments of
Member States.
164
2. The Executive Council shall meet at least twice a year in ordinary session. It shall
also meet in an extra-ordinary session at the request of any Member State and upon
approval by two-thirds of all Member States.
Article 11
Decisions of the Executive Council
1. The Executive Council shall take its decisions by consensus or, failing which, by a
two-thirds majority of the Member States. However, procedural matters, including
the question of whether a matter is one of procedure or not, shall be decided by a
simple majority.
2. Two-thirds of the total membership of the Union shall form a quorum at any
meeting of the Executive Council.
Article 12
Rules of Procedure of the Executive Council
The Executive Council shall adopt its own Rules of Procedure.
Article 13
Functions of the Executive Council
1. The Executive Council shall coordinate and take decisions on policies in areas of
common interest to the Member States, including the following:
(a) foreign trade;
(b) energy, industry and mineral resources;
(c) food, agricultural and animal resources, livestock production and forestry;
(d) water resources and irrigation;
(e) environmental protection, humanitarian action and disaster response and relief;
(f) transport and communications;
(g) insurance;
(h) education, culture, health and human resources development;
(i) science and technology;
(j) nationality, residency and immigration matters;
(k) social security, including the formulation of mother and child care policies, as
well as policies relating to the disabled and the handicapped;
(l) establishment of a system of African awards, medals and prizes.
2. The Executive Council shall be responsible to the Assembly. It shall consider
issues referred to it and monitor the implementation of policies formulated by the
Assembly.
3. The Executive Council may delegate any of its powers and functions mentioned in
paragraph 1 of this Article to the Specialized Technical Committees established
under Article 14 of this Act.
165
Article 14
The Specialized Technical Committees
Establishment and Composition
1. There is hereby established the following Specialized Technical Committees,
which shall be responsible to the Executive Council:
(a) The Committee on Rural Economy and Agricultural Matters;
(b) The Committee on Monetary and Financial Affairs;
(c) The Committee on Trade, Customs and Immigration Matters;
(d) The Committee on Industry, Science and Technology, Energy, Natural
Resources and Environment;
(e) The Committee on Transport, Communications and Tourism;
(f) The Committee on Health, Labour and Social Affairs; and
(g) The Committee on Education, Culture and Human Resources.
2. The Assembly shall, whenever it deems appropriate, restructure the existing
Committees or establish other Committees.
3. The Specialized Technical Committees shall be composed of Ministers or senior
officials responsible for sectors falling within their respective areas of competence.
Article 15
Functions of the Specialized Technical Committees
Each Committee shall within its field of competence:
(a) prepare projects and programmes of the Union and submit it to the Executive
Council;
(b) ensure the supervision, follow-up and the evaluation of the implementation of
decisions taken by the organs of the Union;
(c) ensure the coordination and harmonization of projects and programmes of the
Union;
(d) submit to the Executive Council either on its own initiative or at the request of
the Executive Council, reports and recommendations on the implementation of the
provisions of this Act; and
(e) carry out any other functions assigned to it for the purpose of ensuring the
implementation of the provisions of this Act.
Article 16
Meetings
Subject to any directives given by the Executive Council, each Committee shall meet
as often as necessary and shall prepare its Rules of Procedure and submit them to
the Executive Council for approval.
166
Article 17
The Pan-African Parliament
1. In order to ensure the full participation of African peoples in the development and
economic integration of the continent, a Pan-African Parliament shall be established.
2. The composition, powers, functions and organization of the Pan-African
Parliament shall be defined in a protocol relating thereto.
Article 18
The Court of Justice
1. A Court of Justice of the Union shall be established;
2. The statute, composition and functions of the Court of Justice shall be defined in a
protocol relating thereto.
Article 19
The Financial Institutions
The Union shall have the following financial institutions whose rules and
regulations shall be defined in protocols relating thereto:
(a) The African Central Bank;
(b) The African Monetary Fund;
(c) The African Investment Bank.
Article 20
The Commission
1. There shall be established a Commission of the Union, which shall be the
Secretariat of the Union.
2. The Commission shall be composed of the Chairman, his or her deputy or deputies
and the Commissioners. They shall be assisted by the necessary staff for the smooth
functioning of the Commission.
3. The structure, functions and regulations of the Commission shall be determined
by the Assembly.
Article 21
The Permanent Representatives Committee
1. There shall be established a Permanent Representatives Committee. It shall be
composed of Permanent Representatives to the Union and other Plenipotentiaries of
Member States.
2. The Permanent Representatives Committee shall be charged with the
responsibility of preparing the work of the Executive Council and acting on the
Executive Council's instructions. It may set up such sub-committees or working
groups as it may deem necessary.
167
Article 22
The Economic, Social and Cultural Council
1. The Economic, Social and Cultural Council shall be an advisory organ composed of
different social and professional groups of the Member States of the Union.
2. The functions, powers, composition and organization of the Economic, Social and
Cultural Council shall be determined by the Assembly.
Article 23
Imposition of Sanctions
1. The Assembly shall determine the appropriate sanctions to be imposed on any
Member State that defaults in the payment of its contributions to the budget of the
Union in the following manner: denial of the right to speak at meetings, to vote, to
present candidates for any position or post within the Union or to benefit from any
activity or commitments, therefrom;
2. Furthermore, any Member State that fails to comply with the decisions and
policies of the Union may be subjected to other sanctions, such as the denial of
transport and communications links with other Member States, and other measures
of a political and economic nature to be determined by the Assembly.
Article 24
The Headquarters of the Union
1. The Headquarters of the Union shall be in Addis Ababa in the Federal Democratic
Republic of Ethiopia.
2. There may be established such other offices of the Union as the Assembly may, on
the recommendation of the Executive Council, determine.
Article 25
Working Languages
The working languages of the Union and all its institutions shall be, if possible,
African languages, Arabic, English, French and Portuguese.
Article 26
Interpretation
The Court shall be seized with matters of interpretation arising from the application
or implementation of this Act. Pending its establishment, such matters shall be
submitted to the Assembly of the Union, which shall decide by a two-thirds majority.
168
Article 27
Signature, Ratification and Accession
1. This Act shall be open to signature, ratification and accession by the Member
States of the OAU in accordance with their respective constitutional procedures.
2. The instruments of ratification shall be deposited with the Secretary-General of
the OAU.
3. Any Member State of the OAU acceding to this Act after its entry into force shall
deposit the instrument of accession with the Chairman of the Commission.
Article 28
Entry into Force
This Act shall enter into force thirty (30) days after the deposit of the instruments of
ratification by two-thirds of the Member States of the OAU.
Article 29
Admission to Membership
1. Any African State may, at any time after the entry into force of this Act, notify the
Chairman of the Commission of its intention to accede to this Act and to be admitted
as a member of the Union.
2. The Chairman of the Commission shall, upon receipt of such notification, transmit
copies thereof to all Member States. Admission shall be decided by a simple majority
of the Member States. The decision of each Member State shall be transmitted to the
Chairman of the Commission who shall, upon receipt of the required number of
votes, communicate the decision to the State concerned.
Article 30
Suspension
Governments which shall come to power through unconstitutional means shall not
be allowed to participate in the activities of the Union.
Article 31
Cessation of Membership
1. Any State which desires to renounce its membership shall forward a written
notification to the Chairman of the Commission, who shall inform Member States
thereof. At the end of one year from the date of such notification, if not withdrawn,
the Act shall cease to apply with respect to the renouncing State, which shall thereby
cease to belong to the Union.
2. During the period of one year referred to in paragraph 1 of this Article, any
Member State wishing to withdraw from the Union shall comply with the provisions
of this Act and shall be bound to discharge its obligations under this Act up to the
date of its withdrawal.
169
Article 32
Amendment and Revision
1. Any Member State may submit proposals for the amendment or revision of this
Act.
2. Proposals for amendment or revision shall be submitted to the Chairman of the
Commission who shall transmit same to Member States within thirty (30) days of
receipt thereof.
3. The Assembly, upon the advice of the Executive Council, shall examine these
proposals within a period of one year following notification of Member States, in
accordance with the provisions of paragraph 2 of this Article;
4. Amendments or revisions shall be adopted by the Assembly by consensus or,
failing which, by a two-thirds majority and submitted for ratification by all Member
States in accordance with their respective constitutional procedures. They shall
enter into force thirty (30) days after the deposit of the instruments of ratification
with the Chairman of the Commission by a two-thirds majority of the Member
States.
Article 33
Transitional Arrangements and Final Provisions
1. This Act shall replace the Charter of the Organization of African Unity. However,
the Charter shall remain operative for a transitional period of one year or such
further period as may be determined by the Assembly, following the entry into force
of the Act, for the purpose of enabling the OAU/AEC to undertake the necessary
measures regarding the devolution of its assets and liabilities to the Union and all
matters relating thereto.
2. The provisions of this Act shall take precedence over and supersede any
inconsistent or contrary provisions of the Treaty establishing the African Economic
Community.
3. Upon the entry into force of this Act, all necessary measures shall be undertaken
to implement its provisions and to ensure the establishment of the organs provided
for under the Act in accordance with any directives or decisions which may be
adopted in this regard by the Parties thereto within the transitional period
stipulated above.
4. Pending the establishment of the Commission, the OAU General Secretariat shall
be the interim Secretariat of the Union.
5. This Act, drawn up in four (4) original texts in the Arabic, English, French and
Portuguese languages, all four (4) being equally authentic, shall be deposited with
the Secretary-General of the OAU and, after its entry into force, with the Chairman
of the Commission who shall transmit a certified true copy of the Act to the
Government of each signatory State. The Secretary-General of the OAU and the
Chairman of the Commission shall notify all signatory States of the dates of the
deposit of the instruments of ratification or accession and shall upon entry into force
of this Act register the same with the Secretariat of the United Nations.
170
IN WITNESS WHEREOF, WE have adopted this Act.
Done at Lome, Togo, this 11th day of July, 2000.
CONSTITUTIVE ACT OF THE AFRICAN UNION
ADOPTED BY THE THIRTY-SIXTH ORDINARY SESSION OF THE ASSEMBLY
OF HEADS OF STATE AND GOVERNMENT
11 JULY, 2000 - LOME, TOGO
1. People's Democratic Republic of Algeria
2. Republic of Angola
3. Republic of Benin
4. Republic of Botswana
5. Burkina Faso
6. Republic of Burundi
7. Republic of Cameroon
8. Republic of Cape Verde
9. Central African Republic
10. Republic of Chad
11. Islamic Federal Republic of the Comoros
12. Republic of the Congo
13. Republic of Côte d'Ivoire
14. Democratic Republic of Congo
15. Republic of Djibouti
16. Arab Republic of Egypt
17. State of Eritrea
18. Federal Democratic Republic of Ethiopia
19. Republic of Equatorial Guinea
20. Republic of Gabon
21. Republic of The Gambia
22. Republic of Ghana
23. Republic of Guinea
24. Republic of Guinea Bissau
25. Republic of Kenya
26. Kingdom of Lesotho
27. Republic of Liberia
28. Great Socialist People's Libyan Arab Jamahiriya
29. Republic of Madagascar
30. Republic of Malawi
31. Republic of Mali
32. Islamic Republic of Mauritania
33. Republic of Mauritius
34. Republic of Mozambique
35. Republic of Namibia
36. Republic of Niger
37. Federal Republic of Nigeria
38. Republic of Rwanda
39. Sahrawi Arab Democratic Republic
171
40. Republic of Sao Tome and Principe
41. Republic of Senegal
42. Republic of Seychelles
43. Republic of Sierra Leone
44. Republic of Somalia
45. Republic of South Africa
46. Republic of Sudan
47. Kingdom of Swaziland
48. United Republic of Tanzania
49. Republic of Togo
50. Republic of Tunisia
51. Republic of Uganda
52. Republic of Zambia
53. Republic of Zimbabwe
172
Bijlage 4: Resolutie 1514 (XV)
Verenigde Naties, Algemene Vergadering – 14 december 1960
1514 (XV)
Declaration on the granting of indpendence to colonial
countries and peoples
The General Assembly,
Mindful of the determination proclaimed by the peoples of the world in the
Charter of the United Nations to reaffirm faith in fundamental human rights, in the
dignity and worth of the human person, in the equal rights of men and women and of
nations large and small and to promote social progress and better standards of life in
larger freedom,
Conscious of the need for the creation of conditions of stability and well-being
and peaceful and friendly relations based on respect for the principles of equal rights
and self-determination of all peoples, and of universal respect for, and observance of,
human rights and fundamental freedoms for all without distinction as to race, sex,
language or religion,
Recognizing the passionate yearning for freedom in all dependent peoples
and the decisive role of such peoples in the attainment of their independence,
Aware of the increasing conflicts resulting from the denial of or impediments
in the way of the freedom of such peoples, which constitute a serious threat to world
peace,
Considering the important role of the United Nations in assisting the
movement for independence in Trust and Non-Self-Governing Territories,
Recognizing that the peoples of the world ardently desire the end of
colonialism in all its manifestations,
Convinced that the continued existence of colonialism prevents the
development of international economic cooperation, impedes the social, cultural and
economic development of dependent peoples and militates against the United
Nations ideal of universal peace,
Affirming that peoples may, for their own ends, freely dispose of their
natural wealth and resources without prejudice to any obligations arising out of
international economic co-operation, based upon the principle of mutual benefit, and
international law,
Believing that the process of liberation is irresistible and irreversible and
that, in order to avoid serious crises, an end must be put to colonialism and all
practices of segregation and discrimination associated therewith,
Welcoming the emergence in recent years of a large number of dependent
territories into freedom and independence, and recognizing the increasingly powerful
trends towards freedom in such territories which have not yet attained
independence,
Convinced that all peoples have an inalienable right to complete freedom, the
exercise of their sovereignty and the integrity of their national territory,
173
Solemnly proclaims the necessity of bringing to a speedy and unconditional
end colonialism in all its forms and manifestations;
And to this end
Declares that:
1. The subjection of peoples to alien subjugation, domination and exploitation
constitutes a denial of fundamental human rights, is contrary to the Charter of the
United Nations and is an impediment to the promotion of world peace and cooperation.
2. All peoples have the right to self-determination; by virtue of that right
they freely determine their political status and freely pursue their economic, social
and cultural development.
3. Inadequacy of political, economic, social or educational preparedness
should never serve as a pretext for delaying independence.
4. All armed action or repressive measures of all kinds directed against
dependent peoples shall cease in order to enable them to exercise peacefully and
freely their right to complete independence, and the integrity of their national
territory shall be respected.
5. Immediate steps shall be taken, in Trust and Non-Self-Governing
Territories or all other territories which have not yet attained independence, to
transfer all powers to the peoples of those territories, without any conditions or
reservations, in accordance with their freely expressed will and desire, without any
distinction as to race, creed or colour, in order to enable them to enjoy complete
independence and freedom.
6. Any attempt aimed at the partial or total disruption of the national unity
and the territorial integrity of a country is incompatible with the purposes and
principles of the Charter of the United Nations.
7. All States shall observe faithfully and strictly the provisions of the Charter
of the United Nations, the Universal Declaration of Human Rights and the present
Declaration on the basis of equality, non-interference in the internal affairs of all
States, and respect for the sovereign rights of all peoples and their territorial
integrity.
947th plenary meeting,
14 December 1960.
174
Bijlage 5: Kaart van de Westelijke Sahara
Verenigde Naties – Kaart van de Westelijke Sahara – situatie januari 2004
Figuur 1: Kaart Westelijke Sahara door VN
175
176
Bijlage 6: Kaart van de VN-missie MINURSO
Verenigde Naties – Kaart van de aanwezigheid van MINURSO in de Westelijke
Sahara – Situatie April 2010
Figuur 2: Kaart van MINURSO in de Westelijke Sahara door VN
177
Download