Dagactieve nachtvlinders Rupsen

advertisement
Dagactieve nachtvlinders
Rupsen
Wordt u ook ieder voorjaar weer vrolijk bij het zien van de
lieveling
grotebeer
kolibrivlinder
rups oranjetipje
rups klein koolwitje
rups landkaartje
eerste vlinders? Maar wat weten we eigenlijk van deze beestjes met
hun vaak bonte vleugels? En waar kun je in je eigen stad vlinders
tegenkomen?
In deze gids biedt Milieucentrum Utrecht een inkijkje in de wereld
van vlinders bij u om de hoek. Toegankelijke informatie over hoe
vlinders functioneren: hoe zij waarnemen, zich voortplanten en de
beste plek voor hun nageslacht zoeken. Afgewisseld met beschrijvingen van parken en tuinen in de stad Utrecht waar vlinderkenners
verscheidene vlindersoorten hebben gespot. Groene oases waar
mensen zich inzetten om het vlinders en andere nuttige insecten
naar de zin te maken.
En wilt u zelf meer vlinders in de tuin, dan biedt deze gids ook een
schat aan informatie en tips om uw eigen vlinderparadijs te creëren.
Kortom: een gids voor een (nog) kleurrijker zomer in Utrecht!
grootavondrood
VLINDERGIDS VAN UTRECHT
muntvlindertje
rups zwartsprietdikkopje
rups groot koolwitje
rups kleine vos
vlinders ontdekken in Utrechtse tuinen en parken
rups boomblauwtje
rups gehakkelde aurelia
rups argusvlinder
rups distelvlinder
sintjansvlinder
bontebessenvlinder
gammauil
Een uitgave van Milieucentrum Utrecht
sintjacobsvlinder
0 978908 073450
rups citroenvlinder
rups sintjacobsvlinder
rups dagpauwoog
rups atalanta
atalanta
argusvlinder
boomblauwtje
bont
zandoogje
citroenvlinder
dagpauwoog
distelvlinder
bruin
zandoogje
gehakkelde
aurelia
eikenpage
klein
geaderd witje
klein
koolwitje
groot
koolwitje
icarusblauwtje
kleine vos
kleine
vuurvlinder
landkaartje
oranjetipje
zwartsprietdikkopje
VLINDER
GIDS VAN
UTRECHT
vlinders ontdekken in Utrechtse tuinen en parken
1
Colofon:
Deze publicatie van Milieucentrum Utrecht is mogelijk gemaakt door de Stimuleringsregeling
Initiatieven Duurzame Ontwikkeling, gemeente Utrecht en door een bijdrage uit het ‘Meerjaren Groenprogramma 2008 - 2012”
Met dank aan: Vlinderstichting (gebruik tekeningen, vlinderplantentop 50), Tieneke de
Groot en Marian Peters (inhoudelijk advies), Herman Offereins (vlinderfoto’s), beheerders
en bewoners betrokken bij parken en tuinen in Utrecht.
Research en redactie: Arjan Berm, Arie Bosma, Inge Dekker, Nathalie van Doesburg,
Jolanda Lagendijk, Roland Pereboom, Sim Visser
Eindredactie: Susan van Schijndel, Inge Dekker
Tekeningen vlinders en rupsen: Annemarie van Lierop, Renée den Besten
Fotografie parken en tuinen: Heleen Hüpscher, Martijn van Andel, Sim Visser, Ellen
Alzer, Theo de Ronde
Fotografie vlinders: Herman Offereins, Heleen Hüpscher. Sim Visser, Jarno Beijk
Gebruikte foto’s uit Flickr en Wikipedia: Fotografen Flickr : Zach Putnam, Dnnya17,
Morganglines, Heliosphere, Tico, AnneTanne, Don DeBold. Wikipedia : Jean-Pierre Hamon,
Olaf Leilinger, Luc Viatour, Karol Kin, Shaddack, Richard Bartz, Plantsurfer, B. Kimmel, Teun
Spaans, Franz Xaver, Jean-Pol Grandmont
Beeldredactie: Heleen Hüpscher
Vormgeving: Marike Stokker
Kaart: Paul Mouwes
Druk: Roto Smeets Grafiservices, Utrecht
Projectcoördinatie: Inge Dekker, Arie Bosma
Deze uitgave is gedrukt op Revive 50, FSC mixed credit
Oplage: 2.000
ISBN/EAN: 978-90-807345-0-0
Stichting Milieucentrum Utrecht (MCU) is een onafhankelijke organisatie die bijdraagt aan
een groen, duurzaam en natuurlijk leefklimaat in de stad.
Voor meer informatie:
Oudegracht 60
3511 AS Utrecht
030-2367240
ma.-vr. 09.00 - 17.00 uur
email: [email protected]
www.milieucentrumutrecht.nl
© Stichting Milieucentrum Utrecht, juni 2011.
Alle rechten voorbehouden. Overname in enigerlei vorm alleen na schriftelijke toestemming
van MCU. Aan de informatie in deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.
2
Vlinders dichterbij brengen
Vlinders vindt vrijwel iedereen mooi. Wie wordt er niet vrolijk van de eerste vlinders in het
voorjaar? Het is alsof zij de belofte van de naderende zomer in zich dragen, zo ontspannen
fladderend van bloem naar bloem.
Maar wat weten we eigenlijk van vlinders, meer dan dat zij vaak bontgekleurde patronen
hebben en voortkomen uit rupsen? En waar kun je, in je omgeving, meer vlindersoorten
tegenkomen dan het bekende koolwitje en de kleine vos?
In deze gids biedt Milieucentrum Utrecht een inkijkje in de wereld van de vlinders bij u om
de hoek. Informatie over het functioneren van vlinders is afgewisseld met beschrijvingen van
parken en tuinen verspreid over de stad. In deze groene oases zetten beheerders en bewoners zich in om het vlinders en andere nuttige insecten naar de zin te maken. Veelal zijn op
deze plekken door vlinderkenners verschillende vlindersoorten waargenomen.
Vlinders zijn niet alleen mooi. Ze zijn ook nuttig. Op hun zoektocht naar nectar dragen zij bij
aan de bestuiving van planten. Als vlinder of als rups vormen zij voedsel voor andere dieren,
zoals vogels en vleermuizen. Vaak worden vlinders gezien als een graadmeter voor de kwaliteit van lokale ecosystemen. Waar vlinders voorkomen, treft men vaak ook andere nuttige
insecten als zweefvliegen, hommels en bijen aan.
Maar vlinders zijn ook kieskeurige insecten. Zij stellen eisen aan hun omgeving. De meeste
vlinders kunnen geen grote afstanden afleggen zonder groene ‘stapstenen’ als nectarplanten,
bomen en struikgewas. Door de toenemende verstening van onze steden wordt het voor
vlinders niet bepaald gemakkelijker zich te verspreiden.
U kunt als bewoner van de stad echter uw ‘steentje’ bijdragen door uw tuin of woonomgeving vlindervriendelijker in te richten. Ook hiervoor geeft deze gids de nodige informatie en
tips.
Wij hopen dat u door de Vlindergids van Utrecht met andere ogen naar vlinders en insecten
in uw omgeving gaat kijken. Wij hebben ons beperkt tot vlinders die overdag of rond de
schemering waarneembaar zijn en de beschreven vlinderspots zijn slechts een selectie van
het totaal aan Utrechtse tuinen en parken.
Voor wie meer wil: achterin deze gids vindt u een aantal organisaties en websites die meer
informatie bieden over vlinders, parken en tuinen en natuurexcursies in en om Utrecht.
Wilt u graag eens met een vlinderkenner op stap? De publicatie van deze gids wordt in de
zomer van 2011 begeleid door een aantal excursies in de beschreven parken. Kijk voor nadere informatie op onze website: www.milieucentrumutrecht.nl
Veel leesplezier gewenst!
Milieucentrum Utrecht
3
4
inhoud
Colofon
Inleiding
2
3
Vlinders in soorten en maten
6
Utrecht West: De Wilgenhof
8
Schoonheid met een doel
12
Utrecht Noordwest: Park Vechtoever
14
Van eitje tot vlinder
18
Utrecht Overvecht: Park De Gagel en Natuurtuin Klopvaart
20
Vlinders en seizoenen
24
Utrecht Noordoost: Griftpark en Vlindertuin Alexander Numankade 26
Vlinders en planten
30
Utrecht Oost: Voorveldse Polder en Natuurpark Bloeyendael
34
Andere nuttige insecten
38
Utrecht Binnenstad: Pandhof Sinte Marie
40
Tuinieren voor vlinders
44
Vlinderplanten top 50
48
Utrecht Zuidwest: Park Transwijk en Stadsboerderij Eilandsteede
50
Bedreigingen voor vlinders
54
Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern: Leidsche Rijn Park (Maximapark)
56
Vlindervriendelijk natuurbeheer
60
Relevante organisaties
62
5
Vlinders in soorten en maten
Vlinders kunnen overdag, ’s nachts
of in de schemer actief zijn. Daarom
zijn ze ingedeeld in twee groepen:
dagvlinders en nachtvlinders.
In Nederland komen ongeveer
vijftig soorten dagvlinders voor.
Helaas zijn er in de afgelopen vijftig
jaar zeventien soorten verdwenen,
onder meer door de toenemende
verstedelijking. De grootste dagvlinder van Nederland is de koninginnenpage. Hij kan 8 tot 10 cm
groot worden. De meest zeldzame
vlinder in Nederland is de grote
ijsvogelvlinder. Hij komt alleen nog
nachtpauwoog op Terschelling voor.
In Europa leven meer dan tienduizend soorten nachtvlinders. In Nederland zijn zeker tweeduizend soorten bekend waarvan dertienhonderd tot de zogenaamde kleine vlinders (micronachtvlinders) behoren. Deze zijn vaak zeer klein en moeilijk te herkennen. De overige
soorten, die makkelijker te herkennen zijn, zijn de grote nachtvlinders (macro-nachtvlinders).
De grootste nachtvlinder in Nederland is de nachtpauwoog, die 10 tot 15 cm kan worden.
Wereldwijd zijn er zo’n 160 duizend vlinders bekend. De spanwijdte van hun vleugels varieert
van enkele millimeters tot wel 30 cm. De grootste vlinder ter wereld is de atlasvlinder. Deze
vlinder leeft in Zuidoost-Azië en wordt wel 30 cm. groot.
Een verschil van dag en nacht
Tussen dag- en nachtvlinders bestaan een aantal verschillen. Het meest opvallende verschil
zit hem in de voelsprieten. Dagvlinders hebben dunne voelsprieten met aan het uiteinde een
knopje. Bij nachtvlinders ontbreekt dit knopje. Hun voelsprieten hebben verschillende vormen zoals draadvormig, borstelig of licht tot zeer sterk geveerd. Nachtvlinders kunnen nog
beter ruiken dan dagvlinders. Dit is nodig omdat ze in het donker niet goed kunnen zien. Met
de voelsprieten kunnen ze dan gemakkelijk voedsel of een partner vinden.
De dagvlinder kan zijn vier vleugels onafhankelijk van elkaar bewegen. In rusttoestand zijn de
vleugels omhoog geklapt, recht boven het lijf. Alleen bij dikkopjes is dit anders.
Een nachtvlinder heeft doorgaans een verbinding tussen de voorvleugels en de achtervleugels, waardoor hij deze niet onafhankelijk van elkaar kan bewegen. De vleugels liggen in rust
langs het lichaam.
Dagvlinders hebben over het algemeen felle kleuren, veelal aan de bovenkant van de vleugels.
Met het openklappen van hun vleugels kunnen zij hun vijand laten schrikken. Veel nachtvlinders hebben camouflagekleuren zoals bruin, grijs of zwart omdat ze zich overdag voornamelijk verborgen moeten houden voor hun vijanden.
6
Let op de voelsprieten en vleugels van de sint-jansvlinder, de gehakkelde aurelia en de zuringspanner (nachtvlinder)
Dagactieve nachtvlinders
Er zijn in Nederland zo’n ruim honderd soorten grotere nachtvlinders die ook overdag actief
zijn: de dagactieve nachtvlinders. Deze vlinders hebben over het algemeen felle kleuren
om hun vijanden af te schrikken en elkaars soort te
herkennen.
Voor sommige soorten is zonneschijn noodzakelijk,
andere soorten zijn actief rond zonsopkomst of vlak
voor de schemering. De kans om dagactieve nachtvlinders te vinden is het grootst op warme en windstille dagen.
De meest voorkomende zijn de gamma-uil, de sintjacobsvlinder, de sint-jansvlinder, het muntvlindertje
en de kolibrievlinder.
muntvlindertje op een dropplant
Er zaten twee motten…. in mijn ouwe jas!
Zeer berucht is het vlindertje dat gaten in kledingstukken maakt: de kledingmot. Deze
mot behoort tot de nachtvlinders. Alleen de rupsen
van de kledingmot eten wol, katoen of zijde. De
volwassen vlinders zijn niet in staat te eten vanwege
hun nauwelijks ontwikkelde monddelen. Zij kunnen toch nog zo’n dertig dagen leven en leggen hun
eitjes op plekken waar geschikt voedsel is voor hun
kroost.
Kledingmotten zijn zeer klein: ze worden ongeveer 12 tot 16 millimeter. Vind je een
grotere mot in huis dan is dit doorgaans niet de mot die gaten in je wollen vest eet.
Mottenballen (kamfer), stukken toiletzeep of sinaasappels met kruidnagels zouden de
kledingmot afschrikken.
7
Utrecht West
De Wilgenhof
Opladen voor de oversteek
8
Voor vlinders is het niet altijd makkelijk drukke verkeersaders over te
steken. Groene plekken langs auto- en waterwegen en spoorlijnen zijn
daarom belangrijk. In Utrecht West vinden we zo’n tuin waar vlinders zich
even kunnen opladen.
Pal langs de spoorlijn ligt in de wijk West ter hoogte van het Majellapark buurttuin De
Wilgenhof. Een aantal buurtbewoners heeft daar een eigen groentetuintje. Maar er zijn
ook gemeenschappelijke delen, zoals de bloemenborder, de ruigte rond de vijver, een
kruidentuin, aardbeienbedden en ... een speciale insectentuin.
Er wordt hier biologisch getuinierd, met respect voor de natuur, zonder gebruik van
chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Dat is beter voor vlinders en voor allerlei
andere insecten, vogels en voor bodemdiertjes. Zo houden zij elkaar in evenwicht en kan
voorkomen worden, dat één soort insecten de overhand krijgt in de tuin.
Insectentuin
Insecten zijn vaak noodzakelijk voor de bevruchting van bloemen en groenten en dienen
als voedsel voor vogels in de stad. Daarom is in De Wilgenhof een insectentuin aangelegd. Met wallen van wilgentenen en stukken hout die mogen verteren. Veel insecten
leggen hun eitjes op dat soort plekken. Voor de solitaire bijen (alleenlevende bijen) is een
bijenhotel gemaakt. De bijen leggen daarin hun eitjes. De larven ontwikkelen zich met
meegekregen reservevoeding in het hotel tot bij.
Insectenplanten
In De Wilgenhof zijn voor vlinders en andere insecten ook goeie nectarplanten te vinden.
Zo is er de bekende vlinderstruik (buddleia davidii). De eenjarige borago of komkommerplant is heel populair bij hommels en bijen, zoals de solitaire andoornbij, de gouden
metselbij en de nepetabij (nepeta = kattenkruid). De felblauwe bloempjes zijn ook eetbaar
en mooi in een salade. Ook groeit er het gele boerenwormkruid. De ondiepe buisbloempjes van deze plant zijn vooral geliefd bij insecten met een korte tong zoals vliegen,
kevers, wespen en bijen. Er is zelfs een speciale wormkruidbij, die voor haar nageslacht
helemaal is aangewezen op deze plant. Ook vlinders, vooral dikkopjes, zandoogjes en
blauwtjes, zijn trouwe gasten. De naam boerenwormkruid kreeg de plant omdat boeren
hem van oudsher gebruiken ter genezing van wormen in de ontlasting.
In de groentetuintjes van De Wilgenhof groeien ook veel vergeet-mij-nietjes (myosotis),
die in het voorjaar graag bezocht worden door hommels. Wat heel speciaal is in De
Wilgenhof zijn de klaverpaden tussen de perkjes. Op bloeiende klaver komen ook veel
vlinders, bijen en hommels af. Bovendien is de klaverplant in staat om stikstof uit de lucht
vast te leggen in de grond door wortelknolletjes. Dat is weer goed voor de grond en de
groei van de groentes.
Natuurbelang
Zo pal langs de spoorlijn is De Wilgenhof rond 2000 ontstaan. Het was toen een verwaarloosde schooltuin van scholen in de buurt die hun deuren hadden gesloten. Enkele
buurtbewoners hebben het beheer overgenomen van de gemeente en een tuin ingericht
9
waar kinderen in hun vrije tijd konden tuinieren. Geleidelijk aan is de tuin steeds verder
uitgebreid, maar steeds was er de dreiging dat de tuin zou moeten wijken voor verbreding
van de spoorlijn.
De laatste jaren is de gemeente het natuurbelang van spoorbermen en oevers van waterlopen echter steeds meer gaan waarderen. Daarom mag De Wilgenhof nu blijven en zijn er
zelfs plannen voor de aanleg van een openbare boomgaard en misschien wel de bouw van
een kas.
Aan het gemeenschappelijke tuinonderhoud wordt gewerkt op zogenaamde ‘samenwerkdagen’ die zo’n drie keer per maand, vaak in het weekend worden gehouden. Dan is ook
iedereen welkom die meer wil weten over biologisch tuinieren. Bezoekers zijn vooral ook
welkom op de jaarlijkse open dag, die meestal in juni wordt gehouden. Dan is er van alles te
doen en te weten te komen over biologisch tuinieren.
Adres:
De Wilgenhof is te vinden aan de Cremerstraat in wijk West, ter hoogte van het Majellapark.
Meer informatie:
www.wilgenhofutrecht.nl
Vlinders gespot in De wilgenhof
dikkopjes
zandoogje
blauwtje (afbeelding icarusblauwtje)
10
11
Schoonheid met een doel
Vlinders zijn bij mensen zo geliefd vanwege de vaak uitbundige kleuren en patronen op hun
vleugels. Die kleurpatronen zijn er niet alleen voor de sier, maar vergroten ook de overlevingskansen van de vlinder in de natuur.
Kleuren en patronen
sint-jansvlinder, dagpauwoog en de rups van de sint-jacobsvlinder
Zo heeft de dagpauwoog patronen van ogen op zijn vleugels. Daarmee kan hij dieren laten
schrikken die denken aan hem een lekker maaltje te hebben. Als hij plotseling zijn vleugels
opent, raakt zijn vijand in verwarring en kan de vlinder nog op tijd ontsnappen.
Ook kleuren beschermen de vlinder tegen natuurlijke vijanden zoals vogels. Vaak betekent
een felle kleur: Pas op, ik ben giftig! De sint-jacobsvlinder is hier een voorbeeld van. De rups
van deze dagactieve nachtvlinder is geel met zwart gestreept en de vlinder zwart met fel
rood. In de insectenwereld betekent de combinatie geel-zwart: gevaar.
Sommige vlinders hebben wel felle kleuren, maar zijn niet giftig. Zij ‘imiteren’ dan met hun
kleuren de giftige vlinders om vijanden te misleiden. Dit verschijnsel noemt men mimicry.
Veel vlindersoorten die giftig zijn voor andere dieren, hebben als rups van giftige planten
gegeten. De rups slaat het gif op en na de verpopping is de vlinder nog steeds giftig.
De vleugels van witjes scheiden een geurstof af die vogels niet lekker vinden. Daarom
worden witjes minder vaak opgegeten.
De meeste vlinders maken als ze stilzitten gebruik van camouflage. Zij klappen hun vleugels
dan samen boven de rug, waardoor alleen de onopvallende kleuren aan de onderzijde van de
voor- en achtervleugels te zien zijn. Zo vallen zij minder snel ten prooi aan andere dieren.
Veel vlinders zijn naar de kleur van hun vleugels vernoemd, zoals de familie van de witjes en
de blauwtjes, het groentje en het citroentje.
Schubben als dakpannetjes
De vleugels van vlinders zijn opgebouwd uit schubben, het ‘poeder’ dat op je vingers achterblijft als je een vlinder per ongeluk aanraakt.
Meestal zijn de schubben ovaal en bedekken ze de vleugel dakpansgewijs. Omdat ze gevuld
12
zijn met lucht, wegen ze weinig en houden ze warmte vast. Een waterafstotend waslaagje
op de schubben houdt de vlinder droog tijdens een regenbui. Kleurstoffen zorgen voor de
mooie kleuren van de vleugels.
De kleuren van de vleugels kunnen versterkt worden door de vorm en ligging van de schubben. Soms zie je een metaal- of parelmoerachtige glans op de vlindervleugels. Dit komt
doordat de schubben het licht weerkaatsen.
De vlinder als symbool
In veel culturen spreken vlinders tot de verbeelding en krijgen zij een symbolische
betekenis toegekend. Zo is het Griekse woord voor vlinder psyche, wat ook ziel
betekent. De vlinder wordt hier dus gezien als symbool voor de menselijke ziel. Vanwege
zijn teerheid en korte levensduur symboliseerde de vlinder in de Oudheid ook de kortstondigheid van het leven. Vanwege zijn gedaanteverwisseling van pop tot vlinder verbindt men in het
Christendom de vlinder met de cyclus van leven,
dood en wederopstanding. In Azië vereert men
de nachtvlinder, omdat men hierin de ziel van een
overledene herkent. Men beschouwt deze insecten
daarmee als beschermers van de levenden. Chinezen
zien de vlinder als symbool van huwelijksgeluk en
vreugde.
Waarschijnlijk is het Nederlandse woord vlinder
afgeleid van het Nieuwhoogduitse flindern of het
Vlaamse vlinderen, beide betekenen wegfladderen.
De Galactische vlinder, symbool van de Azteken
13
Utrecht Noordwest
Park Vechtoever
Vlinderen op stand
14
Aan de noordwestkant van Utrecht kunnen vlinders ‘op stand’ terecht langs
de idyllische rivier de Vecht. Als een groen lint strekt Park Vechtoever zich
uit vanaf de Marnixbrug tot aan Oud-Zuilen. Sinds 2001 is dit park ecologisch ingericht: men zou graag zien dat het oranjetipje zich hier blijvend
vestigt. Dichtbij in de Springertuin proberen vrijwilligers zelfs de ’zuidelijke’
koninginnenpage onderdak te bieden.
Nat en droog
Wie op zoek wil naar vlinders langs de Vecht in Utrecht treft het meeste kans in het
noordelijkste deel van het Park Vechtoever. Dit is het ruigste en meest natuurlijke deel,
waar de meeste vlinders voorkomen. In dit aan Oud-Zuilen grenzende gebiedje is ook
een kleine hoogstamboomgaard. Een wandelpad door dit parkdeel scheidt een nat en een
droog deel. Deze combinatie maakt dit gebied interessant voor natuurliefhebbers: aan
beide zijden van het pad tref je hele verschillende vegetaties en een grote verscheidenheid
aan bloeiende planten aan. Planten die groeien in het natte deel zijn onder meer moerasvergeet-mij-nietje, watermunt, moerasspirea, harig wilgenroosje, oranje havikskruid,
ereprijs, pinksterbloem, koekoeksbloem en kattenstaart. In de droge zone zijn planten
zoals boerenwormkruid, kaasjeskruid, wilde peen, margriet, centaurie en wilde geranium
ingezaaid. De dominante plantensoort is het warmgeel bloeiende boerenwormkruid en dit
geeft een spectaculair effect in combinatie met de centaurie. Toch is het de bedoeling dat
door uitgekiend maaibeheer het boerenwormkruid geleidelijk plaats maakt voor andere
plantensoorten die passen bij droog hooiland.
In juni en tijdens de tweede bloeiperiode eind augustus is dit parkdeel een ware bloeiende
jungle waar veel vlinders, hommels en zweefvliegen op af komen. Je kunt hier vlinders
treffen zoals klein koolwitje, atalanta, kleine vos, dagpauwoog, icarusblauwtje, boomblauwtje en de kleine vuurvlinder. Aangezien de waardplant pinksterbloem er ook groeit,
kan bij een juist beheer het oranjetipje worden verwacht. Op het wandelpad zie je ook
vaak libellen die zich opwarmen in de zon.
En tref je er tijdens je bezoek toch geen vlinders, dan biedt de achtergrond van het
pittoreske dorpje Oud-Zuilen altijd nog visueel soelaas.
In het parkdeel van de Vechtoever dat loopt van de Marnixbrug tot aan het oude gemeentehuis van Zuilen (Daelwijck) gaat het vooral om grasland dat twee keer per jaar gemaaid
wordt. Ter hoogte van de hortensiatuin bij de Jacob Cabeliaustraat is ook een ruigtehoekje gecreëerd met distel en brandnetel die als waardplant kunnen dienen voor een
aantal dagvlindersoorten.
Bewust maaien
Om vlinders en andere insecten te trekken en de juiste vegetatie een kans te bieden
worden in het noordelijk deel van het Park Vechtoever verschillende beheertypen toegepast.
In het droge hooilandgebied vindt extensief maaibeheer plaats. Dat betekent dat er twee
keer per jaar wordt gemaaid in de periode rond half juni en begin oktober. Daarbij houdt
men rekening met vlinders en andere insecten door smalle langwerpige stroken van circa
15
150-200 meter lang niet te maaien. Hierdoor ontstaat structuurvariatie en beschutting voor
rupsen, vlinders en andere insecten.
Afhankelijk van de weersomstandigheden blijft de rest van het maaisel één tot twee weken
liggen, zodat het zaad van de planten zich kan verspreiden en vlinders en andere insecten hun
toevlucht kunnen zoeken in de nog overeind staande stroken.
Natuurplan Vechtoever
Het Park Vechtoever is onderdeel van het project Natuurplan Vechtoever en is in 2002
gerealiseerd. Doelstellingen van dit plan zijn onder meer verbetering van de gebruikswaarde en verhoging van de natuurwaarde. Ook moet de samenhang versterkt worden
tussen het groen langs de Vecht in de bebouwde kom van Utrecht en dat langs de Vecht
in het landelijk gebied (uit: Beheerrichtlijnen Park Vechtoever, IWO 2007). Hierbij is
de dagvlinder oranjetipje een gewenste doelsoort. Het beheer dient hierop te worden
afgestemd om deze soort blijvend in het gebied te vestigen. De Dienst Stads-werken
(Noordwest) van de gemeente Utrecht is verantwoordelijk voor het beheer. Het
beheergebied is onderverdeeld in drie deelgebieden: van Marnixbrug tot Fortlaan, van
Fortlaan tot Sporthal Zuilen en de weide met de prinses Amaliaboom. Met name het
laatste en meest noordelijke gebied is ecologisch het meest interessant en kansrijk voor
bijzondere soorten dagvlinders zoals het oranjetipje.
16
In de natte zone is sprake van ruigte die overgaat in
struweel van elzen en wilgen. Bij ruigte en struweel
vindt een minder intensief beheer plaats dan bij het
droge hooiland. De ruigtevegetatie van niet-houtige
planten zoals wilgenroosje wordt doorgaans één
keer per drie jaar gemaaid. Het struweel van houtige
struiken en jonge bomen zaagt men gemiddeld één
keer per vijf tot tien jaar kort af. Daarbij laat men
steeds een derde deel overeind staan. Hierdoor
ontstaat een lijnelement waarop vlinders zich kunnen oriënteren en dat tevens beschutting geeft. De
beheerder van het gebied overweegt om in de nu nog
open centrale droge hooilandzone ook meer blijvende structuurvariatie aan te brengen met
ruigte en struweel.
Verderop richting Oud-Zuilen is een hakhoutbosje waar brandnetels en kleefkruid groeien.
Vroeger werd hakhout gebruikt voor allerlei praktische toepassingen zoals bezemstelen. Een
hakhoutbosje bestaat uit bomen die gemiddeld één keer per tien jaar worden afgezaagd.
Tenslotte is er in het gebied extra variatie tussen nat en droog aangebracht door de aanleg
van twee poelen. Regelmatig verwijdert men hier vegetatie en houtaanwas om dichtgroeien
te voorkomen.
Tip: In de omgeving
Zeker de moeite waard om even langs te gaan is de Springertuin rond het voormalige
gemeentehuis van Zuilen, waarvan de tuin onlangs gerenoveerd is en weer is teruggebracht
naar het oorspronkelijke ontwerp van tuinarchitect Leonard Springer (www.zuilenenvecht.
nl/springertuin). Bovendien is het de bedoeling om een vlinderhoekje in de tuin te realiseren
met schermbloemigen en in de zomer van 2011 een aantal poppen van koninginnenpages uit
te zetten. Deze prachtige vlinder die leeft in warmere streken, zou het in de beschutting van
de ommuurde moestuin best ook naar zijn zin kunnen hebben. Verder kunt u in de omgeving
een kopje koffie drinken bij Fort aan de Klop en kunt u het Slot Zuylen en tuin bezoeken.
Voor openingstijden zie www.slotzuylen.nl en www.fortaandeklop.com.
Adres:
Het beschreven (noordelijk) deel van Park Vechtoever is bereikbaar via de Daalseweg. Dit
deel is niet toegankelijk voor honden.
Vlinders gespot in Park Vechtoever
klein koolwitje
atalanta
kleine vos
dagpauwoog
icarusblauwtje
boomblauwtje
kleine vuurvlinder (afbeelding)
17
Van eitje tot vlinder
De levenscyclus van een vlinder bestaat uit vier fasen: ei, rups, pop en vlinder. Dit heet een
generatie. Afhankelijk van de soort telt de vlinder één, twee of drie generaties per jaar. De
meeste soorten leven twee tot drie weken als vlinder. In deze korte tijd moeten zij zich
voortplanten om zeker te zijn van hun voortbestaan.
Soort zoekt soort
Vlinders die overdag actief zijn herkennen elkaar aan hun kleuren en aan hun geuren (feromonen). Bij dagvlinders gaan doorgaans de mannetjes op zoek naar de vrouwtjes. Daarvoor
kennen ze drie strategieën: verkenningsvluchten, een territorium bezetten of samen met
andere mannetjes op een opvallende plek rondhangen (zoals rond een markante boom).
Als een mannetje met een vrouwtje wil paren, maakt hij dit kenbaar door te baltsen. Bij sommige vlindersoorten waaieren de mannetjes speciale geurstoffen naar haar toe, waardoor de
vrouwtjes het mannetje als ‘soorteigen’ herkennen. De paring vindt plaats via de geslachtsorganen die aan het einde van het achterlijf
zitten. Bij de mannetjes zijn dit de laatste twee
onderdelen van het lichaam. Het vrouwtje heeft
inwendig een lange legbuis.
Daarnaast hebben mannetjes twee haken aan de
punt van het achterlijf waarmee ze het vrouwtje
vasthouden tijdens de paring. Het samenkomen
kan één tot enkele uren duren. Na de paring
slaat het vrouwtje de zaadcellen van het mannetje op en de bevruchting vindt pas plaats als
zij de eitjes afzet. Het mannetje geeft naast de
zaadcellen ook eiwitten mee die het vrouwtje
paring tropische vlinders gebruikt voor de aanmaak van haar eitjes.
Eitjes
Na de bevruchting gaat het vrouwtje op zoek naar geschikte planten om haar eitjes op te
leggen. De planten dienen als voedsel voor de rupsen die uit de eitjes komen. Deze plantensoorten worden waardplanten genoemd.
Zodra het vrouwtje op een plant landt, herkent zij via speciale smaakharen aan de onderkant
van haar poten, direct of het de juiste plant is.
De voorkeur voor een bepaalde soort waardplant is voor elke vlindersoort weer anders.
Afhankelijk van de soort leggen de vrouwtjes de
eitjes één voor één op telkens nieuwe planten,
andere leggen ze in groepjes bij elkaar.
De eitjes kunnen per soort enorm verschillen.
Er zijn ronde, platte en kegelvormige eitjes en
het oppervlak kan stekelig, glad of geribbeld
zijn. Ook de kleur varieert van wit, geel, blauw,
groen tot oranje en rood.
vlindereitjes
18
Rupsje nooit genoeg
Uit de eitjes komen na twee tot drie weken de rupsen. De ontwikkeling
van de rups hangt ook af van temperatuur en vochtigheidsgraad. Hoe
warmer het buiten is, hoe sneller het gaat.
Het leven van rupsen bestaat voornamelijk uit eten, eten en nog eens
eten. Zij moeten goed groeien en energie opslaan die later gebruikt
wordt voor de verandering tot vlinder. Eerst eet de rups de dooier en
zijn eierschaal op, deze zitten vol met belangrijke bouwstoffen. Dan gaat
hij verder met boombladeren, kruiden, grassen, bloemen of vruchten.
Rupsen van nachtvlinders voeden zich ook wel met droog hout, mos,
rottende bladeren en paddenstoelen.
De huid van de rups kan niet met hem meegroeien. Daarom vervelt hij
zo’n drie tot vijf keer in zijn leven. De fase van een rups verschilt per
vlindersoort in tijdsduur en hangt sterk samen met het seizoen waarin
de rups leeft.
rups van de helmkruidvlinder (nachtvlinder)
Aan een zijden draadje
Is de rups volgroeid dan zoekt hij een geschikte plek om te verpoppen. De sleedoornpage en
heidevlinder doen dit in een laag gevallen bladeren of
in de grond. Maar meestal verpopt de rups zich aan
een takje of stengel, of tussen de bladeren van een
plant. Met een zijden draadje spint de rups zichzelf
vast. Hij stroopt de laatste rupsenhuid van zich af
en de pop komt te voorschijn. Binnen de pophuid
worden bijna alle lichaamsdelen afgebroken en opnieuw opgebouwd tot een vlinder.
De periode van pop tot vlinder varieert per soort
van enkele dagen tot enkele maanden en is afhankelijk
van de fase waarin de soort overwintert.
De geboorte van de vlinder
Als de gedaanteverwisseling voltooid is, barst de pop open en kruipt de vlinder naar buiten.
Meestal gebeurt dit ’s ochtends. Er zijn dan nog
weinig vijanden actief voor de nog kwetsbare vlinder.
De vleugels zijn klein, vochtig en opgevouwen en de
vlinder zoekt een plekje waar hij de ruimte heeft om
zijn vleugels te spreiden. Door met kracht bloed in
de aderen van zijn vleugels te pompen, maakt hij zijn
vleugels groter. Vervolgens blijft de vlinder een paar
uur hangen om zijn vleugels te laten drogen.
Als zijn vleugels volledig gespannen en hard zijn, gaat
de vlinder voor het eerst vliegen. Hij gaat op zoek
naar soortgenoten om te paren en zo begint de hele
cyclus weer van voren af aan.
een ontpoppende vlinder
19
Utrecht Overvecht
Park de Gagel en
Natuurtuin Klopvaart
De groene loper uit voor vlinders
en insecten
20
Wie in de wijk Overvecht eens op zoek wil naar vlinders, kan terecht in Park
de Gagel, waar onder meer een heemtuin is ingericht. Ook toverden bewoners op een van de uitlopers van het park een voormalig schooltuinencomplex om tot de vlinder- en insectvriendelijke Natuurtuin Klopvaart.
Midden in Overvecht Noord ligt Park de Gagel. Dit grote park bestaat uit een centraal
gedeelte met daaraan ‘uitlopers’ van aangrenzende stukken die van het centrale deel zijn
gescheiden door doorgaande wegen zoals de Gangesdreef en de Mekongdreef.
In 2005 is het centrale deel van het park heringericht, in nauw overleg met bewoners en
betrokken organisaties. Daarbij kwam er onder meer ruimte voor een heemtuin.
Heemtuin en vlindertuin
Het begrip Heemtuin werd geïntroduceerd door de bekende onderwijzer en natuurbeschermer Jac. P. Thijsse (1865-1945). Hij wilde met de aanleg van een tuin met uitsluitend
inheemse flora en fauna een educatief plantsoen dichtbij de mensen creëren. De heemtuin
in Park de Gagel bestaat uit twee delen: een fleurige tuin in het midden en daaromheen
een talud met bomen en gras. De inrichting van de heemtuin is begeleid door een werkgroep van direct betrokkenen, met advies van de Vlinderstichting.
Omdat de tuin een rol speelt in de ecologische verbindingen in de stad is een deel
ingericht voor vlinders en insecten. De tuin is bijvoorbeeld zo ontworpen dat er weinig
wind komt, maar wel veel zon.
De Beheergroep De Gagel draagt er zorg voor dat de vlindervriendelijke beplanting gehandhaafd blijft. Men vindt er veel nectarrijke bloemen zoals lavendel, koninginnenkruid,
aster, kattenkruid, steentijm en hemelsleutel. Bovendien zijn er in de nabijheid twee taluds
waar veel brandnetels groeien, die fungeren als waardplanten voor rupsen en vlinders.
In dit gebied kan men een veelheid aan vlindersoorten waarnemen waaronder zwartsprietdikkopje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, kleine vos, argusvlinder, klein geaderd
witje, klein koolwitje, gehakkelde aurelia, atalanta, dagpauwoog en citroentje.
Natuurtuin Klopvaart
Voor vlinderliefhebbers is even verderop Natuurtuin Klopvaart zeer de moeite waard.
Deze tuin ligt op een van de uitlopers van Park de Gagel, aan de Vancouverdreef in Overvecht Noord. Dit vroegere schooltuinencomplex is nu een grotendeels door bewoners
ontworpen en ecologisch onderhouden wijktuin.
In de natuurtuin is veel aandacht voor insect- en vlindervriendelijke beplanting.
Zo zijn er plekken gemaakt waar vlinders kunnen overwinteren. Ook zijn planten aangeplant waar vlinders kunnen foerageren, of die rupsen voedsel bieden.
Je treft hier onder meer aan: vlinderstruik, maarts viooltje, marjolein, herfstaster, vuilboom, muizenoor, teunisbloem, jacobskruiskruid, boerenwormkruid, wilde tijm, ijzerhard,
dagkoekoeksbloem, hemelsleutel, koninginnenkruid, prunus, margriet, vlier en witte
klaver.
Vlinders die hier regelmatig worden waargenomen zijn: kleine vos, dagpauwoog, atalanta,
gehakkelde aurelia, bontzandoogje, icarusblauwtje, boomblauwtje, distelvlinder, koolwitje
en oranjetipje.
Ook zijn er voorzieningen gemaakt zoals een bijenstal en een bijenhotel, en zijn er veel
21
‘rommelplekjes’ met houtstammetjes en stenen die schuilhoekjes bieden voor insecten.
Er wordt nog gewerkt aan bewegwijzering en informatiebordjes voor bezoekers.
Adres en openingstijden Natuurtuin Klopvaart:
Vancouverdreef 70.
Dinsdag tot en met vrijdag van 11.00 tot 16.00 uur van april tot 1 november. Daarnaast in dit
seizoen de eerste zondag van de maand.
Tip:
Net ten noorden van de wijk Overvecht, aan de overzijde van de Karl Marxdreef/N 230 ligt
het Gagelbos, dat deel uitmaakt van het Noorderpark. Hier gaat de stad over in het landelijk
veenweidegebied dat zich uitstrekt tot het Gooi. Landbouwgrond is hier heringericht voor
recreatie en natuurontwikkeling.
Vlinders die in het Gagelbos zijn gespot: zwartsprietdikkopje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, kleine vos, argusvlinder, klein geaderd witje, klein koolwitje, gehakkelde aurelia,
atalanta, dagpauwoog en citroentje.
22
Park op puinheuvel
Park de Gagel valt van de buitenkant vooral op door de grote centrale heuvel, die
gemaakt is van het puin van de oude Jaarbeurs, die in 1941 werd afgebroken. Het park
is vernoemd naar fort de Gagel dat ten noorden van het park ligt. Dat dankt zijn naam
weer aan de inheemse struik gagel (myrica gale), die hier veel voorkwam toen het nog
veenweidegebied was. Vanwege de kruidige geur waren gedroogde gageltakjes vroeger
gewild om de linnenkast vrij te houden van vlooien.
Het park is in 1975 aangelegd en is ontworpen met een landschappelijk karakter, gekenmerkt door verspreid staande beplanting, hoogteverschillen en een vloeiend padenverloop. Wat in het park opvalt, zijn de ruime zichtlijnen waardoor het zowel van binnen
naar buiten als andersom een gevoel van openheid geeft. Langs de noordoostelijke rand
zorgen de bomen voor een bosachtige sfeer. Het bomenbestand bestaat louter uit inheemse soorten. De heesters geven het park haar ruimtelijke structuur. Verder valt het
ruime gebruik van hagen op, die dienen om beslotenheid te realiseren of uitnodigen om
kleinere ruimtes binnen het park te bezoeken.
Naast de Heemtuin en Natuurtuin Klopvaart zijn ook andere delen van Park de Gagel
een bezoekje waard zoals de Vogelhaag, de Bloementuin, de paddenpoel en het ecologisch beheerde Sjanghaipark. Ook is er een Terrastuin, die opvalt door de niveauverschillen en een Watertuin met een vijver die beheerd wordt als ecologische poel.
Vlinders gespot in Park de Gagel en Natuurtuin Klopvaart
icarusblauwtje, boomblauwtje, distelvlinder, oranjetipje,
kleine vuurvlinder, kleine vos, argusvlinder, klein geaderd
witje, klein koolwitje, gehakkelde Aurelia, atalanta, dagpauwoog, citroentje, kleine vuurvlinder, bont zandoogje,
zwartsprietdikkopje (afbeelding)
23
Vlinders en de seizoenen
Geen vlinders zonder zon
Vlinders zijn koudbloedige insecten. Dit betekent dat ze zelf geen lichaamswarmte kunnen
aanmaken. Hoe warm ze zich voelen, is afhankelijk van de temperatuur van de omgeving.
Als het koeler is dan 12 graden Celsius kunnen veel vlindersoorten simpelweg niet vliegen.
Op koude, bewolkte dagen houden de meeste vlinders zich schuil.
Dagvlinders kunnen pas vliegen als hun temperatuur rond de 20 graden is, maar 30 graden
is beter. Ze hebben de warmte van de zon nodig om actief te worden en te kunnen vliegen.
Door lekker te zonnebaden met de vleugels wijduit warmt de vlinder zichzelf op. Witjes
houden de vleugels schuin in de zon, zodat het zonlicht naar het lichaam kaatst. Donker gekleurde vlinders, zoals de dagpauwoog, strekken de vleugels horizontaal uit. Zo is het oppervlak dat door de zon beschenen wordt het grootst. Andere vlinders zoals de citroenvlinder
en de heivlinder spreiden de vleugels niet open, maar gaan dwars op het zonlicht zitten.
Warm in de nacht
’s Nachts is het een stuk koeler dan overdag en er is geen zonlicht. Toch moeten nachtvlinders zich opwarmen om te kunnen vliegen. Veel
soorten hebben daarom stevige vliegspieren. Door
met de spieren te trillen, warmen ze zich op tot de
juiste temperatuur is bereikt om te kunnen vliegen.
De dichte beharing die veel nachtvlinders hebben,
helpt warmte vast te houden en het isoleert tegen
de kou in de nacht.
Een bijkomend gunstig effect van de dichte
lichaamsbeharing is dat het de ultrasone geluiden
van vleermuizen dempt. Hierdoor is de vlinder
moeilijker te vinden. Dat komt van pas, want vleermuizen eten graag vlinders.
maantandvlinder
Ieder zijn eigen plek
De favoriete leefomgeving is voor iedere vlindersoort weer anders. Deze hangt onder meer
af van de temperatuur, de hoeveelheid licht en de luchtvochtigheid. Er zijn vlinders te vinden
in heidevelden, graslanden, moerassen, duingebieden, parken, bossen maar ook in je eigen
tuin. Vooral op beschutte plekjes kan het lekker warm worden. Daarom kun je vlinders vaak
vinden in de luwte van struiken en heggen.
Waar een vlindersoort voorkomt hangt ook nauw samen met de aanwezigheid van waardplanten. Dit zijn de plantensoorten waar het vlindervrouwtje haar eitjes op legt.
Overwinteren
De meeste vlindersoorten die in Nederland voorkomen, overwinteren hier afhankelijk van
de soort als ei, rups, pop of volgroeide vlinder. Als vlinder houden ze een soort winterslaap
waarbij ze van te voren genoeg reserves hebben opgeslagen om de winter door te komen.
Bij overwinterende vlinders, poppen en rupsen wordt binnenin het lichaam een stof aange24
maakt die op antivries lijkt, waarmee ze de vorst kunnen overleven. Temperaturen van -10 graden Celsius zijn zo geen probleem. De eitjes hebben een speciaal laagje, zodat de schrale
wind en regen minder invloed hebben.
Vlinders kruipen weg in een beschut hoekje zoals in een holle
boom, een beschutte schuur of op een vorstvrije plek als een
zolder. Ook rupsen of poppen trekken zich terug op een
beschutte plek zoals in de grond of onder een laag takken en
bladeren. Soms hangen poppen goed gecamoufleerd aan een
stengel. Eitjes worden gelegd in de stengels van grassen of tussen
afgestorven bladeren.
Soorten die als pop, rups of eitje overwinteren, moeten bij het
warmer worden in het voorjaar nog een stukje van hun ontwikkeling afmaken. De zogenaamde ‘vlinderoverwinteraars’
hoeven dat niet. Dit zijn ook de soorten die in het voorjaar rond
maart als eerste tevoorschijn komen. Bijvoorbeeld de citroenstengel met vlindereitjes
vlinder, de kleine vos, de dagpauwoog en de gehakkelde aurelia.
Soms, als de zon al heel veel schijnt en de vlinders zich genoeg kunnen opwarmen, is er kans
dat je ze al in februari ziet.
Later in het voorjaar komen de vlinders tevoorschijn die als pop hebben overwinterd, zoals
het oranjetipje, boomblauwtje, koolwitje en klein geaderd witje.
Nog later in het voorjaar verschijnen de vlinders die als rups hebben overwinterd, zoals
het oranje zandoogje. Daarna komen de eitjes uit van het zwartsprietdikkopje, familie van
de dikkopjes. Het is een van de weinige vlinders die overwintert als eitje waarin zich een
ontwikkelde rups bevindt.
Junidip
Vanaf het voorjaar tot de herfst zijn er vlinders te zien. Terwijl in juni overal tuinen in bloei
staan, vliegen er echter maar weinig vlinders. Dit hangt samen met de levenscyclus. In deze
tijd zijn vooral eieren, rupsen en poppen aanwezig; de nakomelingen van de vlinders die in
het voorjaar geleefd en gepaard hebben. Deze periode noemen kenners de junidip.
Afhankelijk van de warmte in het voorjaar kan de junidip al eind mei beginnen. Vanaf eind
juni komen de zomervlinders tevoorschijn. Juli en augustus zijn dan de echte topmaanden, bij
droog en zonnig weer zijn er veel vlinders waar te nemen.
Trekvlinders
Vlinders hebben een biologische klok die ze vertelt welk seizoen het is. Voor sommige
soorten is het in de winter te koud in Nederland. Deze vlinders vliegen dan in de herfst
zuidwaarts naar een warm land en de nazaten van deze vlinders komen in het voorjaar
terug. Men noemt deze soorten trekvlinders. Bekende trekvlinders zijn de atalanta en de
distelvlinder. Grote vlinders vliegen soms met dertig kilometer per uur en vaak op eigen
kracht, ook met tegenwind, in een ‘zelfgekozen’ richting. Zij maken waarschijnlijk gebruik
van bepaalde lichtgolven om hun route te bepalen. Kleine vlinders, zoals blauwtjes en
sommige nachtvlinders, maken bij de trek gebruik van de wind. Zo waaien zij, vaak op
grote hoogte naar andere gebieden.
25
Utrecht Noordoost
Het Griftpark en de
Vlindertuin Alexander
Numankade
Fladderen langs groene muren en
kapellen
26
In het populaire Griftpark is in twintig jaar tijd een prachtig stukje vlindervriendelijke natuur gecreëerd door een aantal enthousiaste vrijwilligers.
Wie ook nog eens de moeite neemt het riviertje de Biltse Grift vanuit het
park te volgen, wordt beloond met een tuin die speciaal voor vlinders is
aangelegd.
Waar eens de Gemeentelijke Gasfabriek lag, ligt nu het veel bezochte Griftpark. Dit park
is er niet zonder slag of stoot gekomen. Het eerste ontwerp voor de inrichting dateert al
uit 1978. Bewoners uit de omliggende wijken waren al enthousiast aan het werk gegaan
met de aanleg, toen in 1980 bleek dat de bodem van het voormalige Gas- en Vaaltterrein
te zwaar verontreinigd was en eerst gesaneerd moest worden. In 1999 kon het park officieel geopend worden. Door het park loopt het riviertje de Biltse Grift. Hieraan dankt
het park zijn naam.
Het Griftpark heeft onder andere een 220 meter lange ecomuur, een bloementuin en
een speciaal stukje tuin, de Groene Kapel genaamd, dat zich bevindt aan de kant van
de Blauwkapelseweg. Vlindersoorten die regelmatig zijn waargenomen, zijn: kleine vos,
gehakkelde aurelia, dagpauwoog, atalanta, distelvlinder, bont zandoogje, klein koolwitje en
klein geaderd witje.
Ecomuur en natuurkern
De ecomuur in het Griftpark was nodig om de grond van de daarnaast gelegen natuurkern
op zijn plaats te houden. De onderste laag van dit parkdeel bestaat uit beton, waarmee de
ingepakte vervuilde grond van de gasfabriek is afgedekt. Voor deze betonlaag is een muur
gemetseld. Tussen muur en beton zit een laag aarde van tien centimeter en in de muur
zijn vierduizend ruimten vrijgelaten om planten in te kunnen plaatsen. Er zijn ongeveer
tachtig verschillende soorten planten gebruikt die water krijgen uit de vijver via een watergeefsysteem. De muur trekt veel vlinders en insecten aan. Rupsen zijn hier regelmatig
te vinden. De kolibrievlinder doet de muur een enkele keer aan.
De natuurkern in het Griftpark is ingezaaid met wilde bloemen en planten. Die zijn belangrijk voor insecten. Het maaibeleid wordt hierop aangepast. Er wordt nooit in één keer
gemaaid omdat anders de biotoop van de daar levende insecten wordt vernietigd.
Groene Kapel
In de winter van 2000 ontstond bij een aantal buurtbewoners het idee om in de hoek
naast de schooltuinen een aantal ecologische bouwwerken van steen te maken, onder de
naam De Groene Kapel. Later werden deze bouwwerken met een grote diversiteit aan
planten beplant. Dit heeft ertoe geleid dat de huidige groene kapel voor zowel mens als
dier een aantrekkelijke plek is geworden. Door het materiaal dat is gebruikt bij de bouw
van de muren, kalkrijke stenen en voedselarme grond, zijn er veel planten te vinden die
aantrekkelijk zijn voor vlinders.
Bloementuin
De bloementuin in het Griftpark ligt tegenover de waterval en naast de kruidentuin. Deze
tuin is ingeplant met onder meer zenegroen, koninginnenkruid, veel verschillende soorten
tuingeraniums en diverse rozensoorten.
27
Er is in de naaste omgeving ook een oude boomgaard met bijenstal. Het terrein van de
boomgaard is geheel natuurlijk gehouden. Je kunt er komen via de kleine kruidentuin. In de
kruidentuin is onder meer marjolein te vinden.
Vlindertuin aan de Alexander Numankade
Wanneer we de Biltse Grift volgen in de richting van het voormalige Ooglijders Gasthuis,
komen we vlak na het voormalige Utrechts Archief en net achter het bijzondere pand van
het Therapeuticum een ware vlindertuin tegen. Deze bestaat uit een eenvoudig wandelpad
waar aan weerszijden een keur aan verschillende planten te vinden is die op verschillende
tijden in het jaar in bloei staan. De bloemencirkel in de kinderspeeltuin is tevens onderdeel
van de vlindertuin. Het ontstaan van deze tuin hangt samen met het project vlinderbaan,
opgezet in 2003 door de Stichting Vlinderbaan. Doel hiervan was om tussen het centrum van
Utrecht en Amersfoort een twintig kilometer lange en drie kilometer brede baan te maken
waarbinnen natuurgebieden, wegbermen, spoordijken en oevers vlindervriendelijk worden
ingericht en beheerd. Een medewerker van de Vlinderstichting kwam op het idee om bij de
Alexander Numankade een tuin aan te leggen die een toevoeging zou kunnen vormen op
deze vlinderbaan.
In de vlindertuin zijn zowel een keur aan nectarplanten, als verschillende waardplanten te
vinden. Struiken die in de tuin te vinden zijn, zijn kornoelje, egelantier, sleedoorn en meidoorn.
Ook is gezorgd voor zonnige plekken en beschutte plekken. Als natuurlijke heg is gekozen
voor een rij rozenbottelrozen. Veel dood materiaal wordt bewust niet opgeruimd, waardoor
ook andere insecten zich hier thuis voelen. Daarnaast zijn twee moerasjes aangelegd.
Adres:
De Vlindertuin vindt u bij het deel van de Alexander Numankade dat alleen als fietspad is
ingericht, achter de kinderspeeltuin (tussen Dekhuyzenstraat en Hekmeijerstraat). De tuin is
altijd te bezoeken.
Het Griftpark is gelegen aan de Blauwkapelseweg.
Vlinders gespot in Het Griftpark en vlindertuin Alexander
Numankade
kleine vos
dagpauwoog
atalanta
distelvlinder
bont zandoogje
klein koolwitje
klein geaderd witje
kolibrivlinder (dwaalgast)
gehakkelde Aurelia (afbeelding)
28
distelvlinder
29
Vlinders en planten
Wat eten vlinders?
Eigenlijk kunnen vlinders niet eten, omdat ze geen kaakdelen hebben. De benodigde calorieën om te leven hebben ze opgebouwd in hun tijd als rups. Maar de vlinder heeft extra
energie nodig voor het vliegen en voortplanten. Hiervoor hebben de meeste vlinders een
dunne oprolbare tong, waarmee ze energierijke nectar uit bloemen kunnen opzuigen. Hierin
zitten veel suikers, die nodig zijn voor de energieverbranding, net zoals sporters druivensuiker innemen. Nectar bevat ook kleine hoeveelheden eiwitten en vitamines. Een bijkomend
gunstig effect is dat de vlinders bij het drinken van de nectar de bloemen bestuiven.
Vooral in het najaar komen soorten als atalanta en gehakkelde aurelia ook af op rottend
fruit, vanwege het gistingsproces. Hierdoor zijn de suikers beter opneembaar voor de
vlinders. Eikenpages eten de suikerhoudende honingdauw op die op boombladeren ligt. Dit is
een afscheidingsproduct van bladluizen.
vlinders op rottend fruit
roltong van de vlinder
tropische vlinder op vijgen
Sommige vlinders halen voedingstoffen en mineralen uit mest. Ook zie je soms bepaalde
vlinders rond opdrogende plassen, waar ze voornamelijk mineralen opnemen. Dit is waarschijnlijk de reden waarom sommige vlinders vooral in warmere streken worden aangetrokken door een bezweet lichaam, waar ze zich aan ons zoute zweet tegoed doen. Dit
gedrag wordt echter ook wel eens in warme droge zomers in Nederland waargenomen.
Waardplanten
De rupsen van vlinders zijn voor hun voedsel afhankelijk van de bladeren van planten, struiken of bomen. Rupsen hebben vaak een bepaalde voorkeur voor planten. De plantensoorten
waar een rups van leeft noemen we waardplanten. Elke rups is dus afhankelijk van bepaalde
waardplanten. De eitjes worden dan ook meestal aan de onderkant van de bladeren van deze
planten afgezet, zodat ze minder opvallen. De rupsen van de meer algemeen voorkomende
vlindersoorten hebben keuze uit meerdere soorten waardplanten. De rupsen van de distelvlinder bijvoorbeeld, komen voor op distel, brandnetel, kaasjeskruid en kruisbes. Daarnaast
bestaan er ook specialisten zoals dagpauwoog en kleine vos. Hun rupsen vind je alleen op
brandnetels. Omdat de brandnetel een zeer algemene plantensoort is, zijn deze vlinder30
soorten veel gezien. Sommige vlindersoorten zijn
echter afhankelijk van een zeer zeldzame waardplant.
Omdat deze waardplant alleen in een zeer specifieke omgeving groeit, is de daarop voorkomende
vlindersoort vaak ook bedreigd in zijn voortbestaan.
Voorbeelden hiervan zijn het gentiaanblauwtje en de
zilverenmaan. Opvallend is dat een vlinder geregeld
vernoemd is naar zijn waardplant: distelvlinder, gentiaanblauwtje, koolwitje, eikenpage, sleedoornpage.
Nectarplanten
De meeste vlinders zijn afhankelijk van bloeiende
rupsen van de kleine vos op een brandnetel
planten waar ze hun nectar vandaan kunnen halen.
Niet elke bloeiende plant is hiervoor echter geschikt.
Zo zijn planten met klokvormige bloemen, zoals
vingerhoedskruid, monnikskap en akelei niet geschikt
voor vlinders, omdat de vlinder daar niet bij de
nectar kan komen. Daarentegen zijn de vlinderstruik
(buddleja davidii), phlox, sering, lavendel, salie, aster
en hemelsleutel (sedum spectabile) ideale tuinplanten
voor veel soorten vlinders. Ook de klimop trekt
tijdens de bloei in de nazomer veel vlinders aan omdat het dan nog maar een van de weinige bloeiende
planten is. Voorbeelden van wilde nectarplanten
zijn distels, braam, kattenstaart, koninginnenkruid
en hemelsleutel. Vlinders blijken een verschillende
kolibrievlinder
voorkeur te hebben voor de kleur van bloemen.
Wat is bestuiving?
De meeste bloeiende planten zijn voor hun voortplanting afhankelijk van insecten, waaronder ook vlinders. Bij het opnemen van nectar raakt de vlinder de meeldraden aan waardoor stuifmeelkorrels op het lichaam van de vlinder terechtkomen. Wanneer de vlinder een
andere bloem bezoekt, worden stuifmeelkorrels aan de stamper, het vrouwelijke deel van de
bloem, overgedragen. Zo vindt bevruchting van de plant plaats. De meeste planten zijn voor
de bestuiving niet geheel afhankelijk van vlinders, maar bij tabaksplant en kamperfoelie spelen
nachtvlinders als pijlstaarten wel een belangrijke rol in de bestuiving. Om juist deze nachtvlinders aan te trekken geurt de kamperfoelie pas ’s avonds het sterkst.
Hoe herkennen vlinders planten?
Vlinders hebben verschillende mogelijkheden om planten te kunnen herkennen. Zij maken
daarbij gebruik van zicht, geur en smaak.
31
distelvlinder
Zicht
Een dagvlinder kijkt met facetogen naar de wereld, dit zijn eigenlijk een heleboel deelogen
bij elkaar. Een vlinder ziet de wereld dus als een raster van kleine beeldjes. Hiermee kan een
vlinder licht en kleuren waarnemen. Vlinders kunnen bovendien ultraviolet licht waarnemen,
dat is licht met een kortere golflengte dat voor mensen niet waarneembaar is. Vlinders hebben een groot blikveld, maar kunnen niet van dichtbij scherp stellen. In ultraviolet licht zien
de kleuren van bloemen er heel anders uit dan in daglicht en hierdoor zijn vlinders in staat
om nectarrijke bloemen op te sporen.
facetoog vlinderhoofd
Geur
bloem gewoon en UV licht
Vlinders hebben geen neus, maar hebben op hun antennes wel receptoren waarmee ze geur kunnen waarnemen. Ze ruiken dus met hun antennes. Nachtvlinders
zijn vrijwel geheel afhankelijk van geurwaarneming. Zij
hebben vaak sterk ontwikkelde antennes die eruit zien
als een soort veer. Hiermee hebben ze een veel groter
oppervlak aan receptoren om geuren waar te nemen.
Dagvlinders kunnen niet van grote afstand een geschikte
waard- of nectarplant waarnemen, maar dichtbij een
plant wordt geurwaarneming wel belangrijker.
32
Smaak
Vlinders beschikken ook over smaakzintuigen aan de onderkant van de poten. Dit zijn
een soort haartjes waarmee een vlinder de geur van een plant kan herkennen. Zo kunnen
vlinders als het ware proeven of een bepaalde plant ‘lekker’ is voor de rupsen. Daarnaast
kunnen vlinders met deze sporen op hun poten de windrichting bepalen. Voordat een vlinder
opstijgt, steekt hij daarom eerst een poot omhoog.
atalanta op bloem van de vlinderstruik
33
Utrecht Oost
Voorveldse Polder en
Natuurpark
Bloeyendael
Vlinders spotten tussen asfaltwegen
34
Aan de oostkant van de stad liggen vlak bij de drukke snelweg A 27 de
parken Voorveldse Polder en Natuurpark Bloeyendael. De parkdelen zijn
gescheiden door de Biltse Straatweg en omringd door drukke verkeersaders.
Toch zijn hier verscheidene vlindersoorten waar te nemen. Niet in de laatste
plaats door het insectvriendelijke beheer dat in deze parken gevoerd wordt.
Vlinders in de Voorveldse Polder
Het park de Voorveldse polder ligt aan de oostrand van Utrecht omsloten door de
drukke A 27, de Biltsestraatweg, de Sartreweg en de Biltse Rading. Omdat park de Voorveldse Polder aan de rand van de stad ligt, biedt dit voor vlinders kansen om vanuit het
buitengebied hiernaartoe te komen en hiervandaan westelijker te trekken. De meest bijzondere vlinder die regelmatig in dit gebied waar te nemen is, is het bont zandoogje. Dit
is een echte bosvlinder die graag een open plekje opzoekt om te zonnen. Verder komen
in dit park het boomblauwtje, de eikenpage, de atalanta, de kleine vos, het landkaartje,
het groot koolwitje en de gehakkelde aurelia voor. Die laatste is hier veelvuldig gespot.
Voor de kleinere vlindersoorten vormt de A27 helaas een aanzienlijke hindernis. Zij kunnen namelijk geen grote afstanden vliegen, voor deze soorten is het overstijgen van de
snelweg geen optie.
Beheer
Karakteristiek voor het park zijn bosjes afgewisseld met stukken hooi- of grasland met
verspreide bomen. Daartussendoor lopen nog een aantal smalle watergangen. De meest
voorkomende bomen in het park zijn gewone es en zomereik. Daarnaast groeit er zwarte
els, populier, iep, schietwilg, gewone esdoorn en veldesdoorn.
In het park wordt extensief maaibeheer toegepast. Dit betekent dat er maximaal twee
keer per jaar wordt gemaaid, één keer in het voorjaar en één keer in het najaar. Dit heeft
tot gevolg dat de inheemse wilde bloemen tussen de grassen goed kunnen groeien en
hoog kunnen worden. Hierdoor wordt het gebied voor vlinders een stuk interessanter en
visueel ook aantrekkelijker. Deze planten zorgen er bovendien voor dat het gras niet zo
snel ‘omvalt’ als het te lang wordt.
Om meer vlinders te lokken zijn in 2005 vlinderstruiken (buddleja davidii) en zuurbesstruiken (berberis) geplant. In het deels in het park gelegen fort ligt nu een bijenschans.
Natuurpark Bloeyendael
Het natuurpark Bloeyendael is omsloten door de A27, de Biltsestraatweg, de A28, de
Waterlinieweg en het kantorenpark Rijnsweerd Noord. Het park is aangelegd in de winter van 1975/1976 in de voormalige Johannapolder door de gemeente Utrecht. Het park
zoals we dat nu zien heeft een grote natuurwaarde. Toch was het voortbestaan van dit
park in het verleden even spannend. In 1990 had de gemeente plannen om hier grootschalige hoogbouw neer te zetten en van dit gebied een soort Manhattan van Utrecht te
maken. Gelukkig heeft de actiegroep Bloeyendael dit weten te voorkomen. Toen zeker
werd dat dit gebied behouden bleef is de actiegroep omgezet in de tegenwoordige stichting Bloeyendael. Vrijwilligers van deze stichting zetten zich in voor behoud en voortbestaan van dit gebied.
35
Bloeyendael
Voorveldse Polder
Intiemer
Het aanzicht van het park is door de vele begroeide wallen en smalle geheimzinnige paadjes
een stukje intiemer dan het naast gelegen Voorveldse Polder. Het park omvat grotere en
kleinere waterpartijen, bosjes, moerasbos, struwelen, grasland, het zuidelijk gedeelte van
Fort de Bilt, een imkerij en volkstuinen. Het park wordt vooral gebruikt voor rust, passieve
recreatie en educatie, terwijl de Voorveldse Polder meer bedoeld is voor actieve recreatie.
Park Bloeyendael is om meerdere redenen bijzonder. Zo ligt het pal naast het grote kantorenterrein Rijnsweerd. Bijzonder in Nederland is dat in dit park grootstedelijke bebouwing
is gecombineerd met waardevolle natuur.
Die natuur laat zich in het voorjaar al volop bewonderen, als vele duizenden stinsenplanten
bloeien, zoals het sneeuwklokje en de wilde narcis. Daarna zorgen fluitenkruid, boterbloem
en zuring tot eind juni voor een afwisselend kleurenscala. Het waterpeil in de diverse weiden
verschilt. Op lagere stukken zijn orchideeën teruggekeerd. In een lage heemtuin achter het
activiteitengebouw Bloeyendael-Binnen zijn zeldzame planten zoals lente- en zomerklokje
volop aanwezig.
Zeldzame vogels die hier voorkomen zijn de ijsvogel en de nachtegaal. Het gebied is in de
winter een belangrijk voedselgebied voor vogels van buiten de stad. Om het vogels nog meer
naar de zin te maken zijn honderden nestkastjes opgehangen, die vooral door kool- en pimpelmezen worden bewoond. De bonte specht vindt deze kastjes ook erg leuk maar dan om
een andere reden, om er lekker in te hakken…
Zelfs de ringslang komt hier voor. Om deze ongevaarlijke slang een kans te geven in het park
zijn broedhopen van bergen takken, bladeren en plaggen neergelegd.
Oranjetipje
Het park is omzoomd door wallen die zijn beplant met inlandse besdragende bomen. De
vruchten bieden voedsel aan vogels, bloesem en blad aan diverse vlinders. Ook groeien in het
park veel vlinderlokkende planten zoals maarts viooltje, wegedoorn, meidoorn en pinksterbloem.
De weiden in het park worden tweemaal per jaar gemaaid: één keer in juli na het rijpen van
de zaden en één keer in september (extensief maaibeheer). De slootkanten worden alleen in
september gemaaid zodat door het jaar heen variatie in bloemenrijkdom ontstaat. Op een
eiland in het park zijn vlinderstruiken aangeplant om meer vlinders te lokken.
Het vlindervriendelijk beheer heeft resultaat! Dit park was tot 2011 namelijk het enige park
in Utrecht waar het oranjetipje al werd waargenomen. Verder komen hier het groot koolwitje, de atalanta, het klein geaderd witje, de gehakkelde aurelia en het bont zandoogje voor.
In 2003 zijn zebrarupsen van de sint-jacobsvlinder waargenomen op het jacobskruiskruid in
36
Functioneel verleden en heden
Het gebied waar nu Park Voorveldse Polder ligt was vroeger moeras en is in de twaalfde
eeuw ontgonnen. De manier waarop dat toen gebeurd is, is nu nog terug te vinden in het
stuk rond het knotwilgenveld aan de oostkant van het park. Het park maakt ook deel
uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie omdat er nog een stuk van Fort De Bilt in ligt.
Dit is eigenlijk de helft van wat vroeger één fort was, de andere helft ligt in Natuurpark
Bloeyendael. Park Voorveldse Polder is rond 1970 aangelegd. De kern van het gebied
wordt bepaald door een grote camping die omringd is door een brede watergang. Verder
zijn er sportvelden, een tennisbaan, twee maneges, bosjes, hooilanden en boomweiden.
De westkant van het park is vooral bedoeld voor recreatie. Voor de natuur moet je aan
de oostkant zijn. Wil je vlinders spotten, dan moet je dus vooral aan deze kant van het
park zoeken.
het park. De rupsen zijn giftig doordat zij van dit giftige kruiskruid eten. De rups ontpopt
zich uiteindelijk tot een mooie zwartrode dagactieve nachtvlinder.
Ook bijzonder in het park is de grote imkerij. Hier wordt de honingbij gekweekt. Dit gebeurt
op een voor de bijen vriendelijke wijze, waarbij het belang van de bij voorop staat en niet van
de imker.
Adres:
Beide parken Voorveldse Polder en Natuurpark Bloeyendael zijn te bereiken via de Biltsestraatweg. Deze weg scheidt de parken van elkaar. Via de fietstunnel onder de Berekuil kunt
u van het ene naar het andere parkdeel lopen of fietsen.
Meer informatie:
www.bloeyendael.nl (Stichting Bloeyendael)
www.voorveldsepolder.nl (Stichting Voorveldse Polder)
Vlinders gespot in Voorveldse polder en Natuurpark Bloeyendael
bont zandoogje, boomblauwtje, eikenpage, atalanta, kleine vos, landkaartje, groot koolwitje,
gehakkelde aurelia, klein geaderd witje, sint
jacobsvlinder, oranjetipje (afbeelding)
37
Andere nuttige insecten
Plekken waar veel vlinders voorkomen zijn vaak ook aantrekkelijk voor andere insecten. Op
een vlinderrijke plaats tref je vaak hommels, bijen en zweefvliegen aan. Ook deze insecten
zijn voor hun energievoorziening afhankelijk van de nectar van bloemen. Hommels en bijen
verzamelen stuifmeel en nectar voor hun nageslacht. Het dient als voedsel voor hun larven.
Vlinders en zweefvliegen hebben het alleen voor zichzelf nodig.
Hommels, bijen en zweefvliegen spelen een nog belangrijkere rol bij de bestuiving van
planten dan vlinders. Daarom gaan we in dit hoofdstuk kort in op enkele insectensoorten die
je ook vaak in tuinen en parken tegenkomt.
Bijen
De meest bekende bij is de honingbij, die van belang
is voor bestuiving en teelt van cultuur-gewassen zoals
fruit en noten. Daarnaast levert een bijenkolonie
ook bruikbare producten op waaronder honing en
bijenwas. Wat veel mensen niet weten is dat er ook
veel andere solitaire bijensoorten leven, die soms
geheel afhankelijk zijn van bepaalde soorten bloeiende planten. Zoals de naam al zegt leven solitaire
bijen niet in een bijenvolk, maar op zichzelf. Hun
larven hebben doorgaans minder zorg nodig. Alle
bijensoorten spelen wel een belangrijke rol in de bestuiving van planten. Een bij heeft weliswaar een angel
solitaire bijen waarmee hij kan steken, maar gebruikt deze alleen
om zich te verdedigen bij bedreiging. In tegenstelling
tot wespen zijn bijen niet agressief, maar je moet natuurlijk niet te dicht bij een nest komen
of een bij vastpakken.
De laatste jaren is de zogenaamde bijensterfte geregeld in het nieuws. De website www.
bijensterfte.nl beoogt kennis en ontwikkelingen in wetenschap en beleid rond de vele oorzaken van bijensterfte inzichtelijk en toegankelijk te maken voor een breed publiek.
Hommels
Ook hommels worden steeds meer gebruikt bij de bestuiving van cultuurgewassen. Het
grote verschil met de honingbij is dat het volk van de hommel niet overwintert. Alleen de
nieuwe generatie hommelkoninginnen overwintert. Bij de eerste warme lentestralen en de
eerste bloeiende planten zie je de nieuwe hommelkoningin de ontluikende krokussen binnenvliegen. De hommelkoningin geeft in insectenland de start van de lente aan. Qua sociale
structuur zit de hommel tussen de solitaire bij en de honingbij in. De hommel maakt namelijk
veel kleinere nesten dan de honingbij. Ook hommels hebben een angel, maar ze zullen niet
steken als je ze met rust laat.
In vergelijking met bijen zijn hommels veel beter aangepast aan koude leefomstandigheden.
Het verspreidingsgebied van de hommel loopt van gebieden met een gematigd klimaat tot
aan Arctische regio’s. Door zijn beharing kan de hommel beter warmte vasthouden. Ook kan
38
hij zijn lichaam een beetje opwarmen door spiertrekkingen. Zo kan hij al bij een buitentemperatuur van 6 graden Celsius vliegen. De hommel is hierdoor veel beter in staat dan de
honingbij om ook tijdens koude bewolkte dagen voedsel te zoeken.
Zweefvliegen
Zweefvliegen zijn weliswaar verwant aan de huisvlieg, maar ze maken geen
hinderlijk geluid en zijn zelfs heel nuttig. Niet alleen bestuiven ze bloemen,
maar bij een aantal soorten leven de larven van bladluizen. Per dag kan een
larve tot wel zestig bladluizen per dag verorberen en tijdens het hele larvestadium wel zevenhonderd. In het volwassen stadium spelen zweefvliegen
een belangrijke rol bij de bestuiving van planten met schermvormige bloemen zoals fluitenkruid en bereklauw. Hier kom je ze dan ook vaak tegen.
Geel met zwart is niet zo apart
Geel met zwart gestreepte en andere kleurige zweefvliegen worden nogal eens aangezien
voor wespen of bijen. Met dit streepjespak schrikken echter ook zweefvliegen hun mogelijke
vijanden af. Voor mensen zijn ze volstrekt ongevaarlijk want ze kunnen niet steken. Vaak
kun je het verschil tussen zweefvliegen en wespen of bijen goed herkennen aan het gedrag.
Zweefvliegen blijven stil in de lucht hangen en schieten dan opeens pijlsnel weg om vervolgens ergens anders weer te blijven hangen. Dit is vaak stoer, territoriaal gedrag van de mannetjes die soortgenoten en andere vliegende insecten zo wegjagen. Van dichtbij zijn duidelijk
de vliegachtige kenmerken van de zweefvlieg te zien zoals de relatief grote ogen en de
typische tong met zuignap. Ze gebruiken hun poten veelvuldig om hun lijf en voetjes te ‘wassen’. Met die voetjes proeven ze namelijk ook. De voetjes van (zweef)vliegen zijn eigenlijk
neus en tong tegelijk. Schone voetjes zijn dus belangrijk om goed te kunnen proeven waarop
ze lopen.
De zwart-gele limonadewesp is vooral later in de zomer hinderlijk voor mensen.
Wespen leven niet van nectar, het zijn namelijk vleeseters. Net als bijen en hommels leven
wespen in een volk met een koningin en werksters. De werksters gaan op jacht naar vliegen, muggen, luizen, rupsen en spinnen. Wespen eten ook van dode dieren en helpen dus
opruimen in de natuur. Aan het eind van de zomer, als de koningin geen eitjes meer legt,
zit de taak van de werksters erop en hoeven ze alleen nog eten voor zichzelf te zoeken. Ze
hebben dan een voorkeur voor zoetigheid. Vandaar dat ze dan graag op onze frisdrank of
pannenkoek afkomen.
wesp
zweefvlieg
39
Utrecht Binnenstad
Pandhof Sinte Marie
Bloemenparadijs in middeleeuwse
setting
40
Midden in de historische binnenstad van Utrecht ligt de Pandhof Sinte
Marie. Vrijwilligers toverden deze middeleeuwse plek om tot een heemtuin
met meer dan driehonderd plantensoorten. Een oase van rust en kleur met
veel nectarplanten voor vlinders en bijen.
In 1987 ontstond het initiatief om deze oude pandhof aantrekkelijker te maken met
nieuwe beplanting. Tot dan toe beheerde de gemeente de tuin op onderhoudsvriendelijke
wijze. De betrokken vrijwilligers wilden zich bij de samenstelling van de beplanting laten
inspireren door het historisch karakter van de plek.
In de middeleeuwen werden pandhoven vooral gebruikt voor medicinale planten. Ook had
zo’n tuin educatieve waarde, om bijvoorbeeld elementaire landbouwkennis over bemesting en roulatie van gewassen aan de stadsbevolking over te brengen.
Het tuinontwerp van de Pandhof Sinte Marie is geïnspireerd op een model uit de Renaissance-periode (15e/16e eeuw). Omdat over de beplanting van deze specifieke pandhof
niets bekend was, gaf dit de werkgroep ruimte om zelf voor bepaalde thema’s te kiezen.
Vanwege de relatie van de plek met de verdwenen Mariakerk, ontstond een fascinatie
voor het verzamelen van planten die iets met Maria van doen hadden. Inmiddels beschikt de tuin over de grootste collectie Mariaplanten van Nederland. Daarnaast worden
soorten verzameld zoals verfplanten, gebruikskruiden, geneeskrachtige kruiden en zelfs
giftige kruiden.
Drachtplanten
De tuin is verdeeld in vier grote vakken en enkele borders. Er is een informatiebord
waarop de verschillende plantvakken te vinden zijn. Meer dan 25 planten zijn via symboolbordjes te herkennen.
Een van de met buxus omzoomde vakken heeft als thema ‘nuts- en drachtplanten’. Het
woord drachtplant wordt meestal gebruikt door bijenhouders om nectarplanten aan te
duiden. Voor hommels en bijen zaait men in de pandhof meestal wat phacelia. In de tuin
zijn ook drie soorten kaardenbollen te vinden: dipsacus fullonum, dipsacus, pilosus en
dipsacus laciniatus. Daarnaast is er kattenkruid (nepeta carica) te vinden, diverse bolgewassen en veel vroegbloeiende planten zoals judaspenning.
Ook in de andere vakken komt de bezoeker planten tegen die vlinders aantrekken. Veel
van de planten die opgenomen zijn de in Vlinderplantentop 50 van de Vlinderstichting (zie
pagina 48) zijn in de pandhof te vinden. Omdat in het tuinieren ook rekening gehouden
wordt met de lokale grondsoort (klei) komen sommige planten uit de lijst hier niet voor,
zoals heide.
Vlinders die je in de pandhof tegen kunt komen zijn het klein koolwitje en de atalanta.
Ook de gehakkelde aurelia is hier meermaals waargenomen.
Oudste Pandhof van Nederland
De geschiedenis van de Pandhof Sinte Marie gaat terug tot de elfde eeuw. De toenmalige
bisschop Bernoldus liet vier kapittelkerken in de vier windstreken van de stad bouwen: de
Janskerk in het noorden, de Pieterskerk in het oosten, de Pauluskerk in het zuiden en de
Mariakerk in het westen. De bijbehorende pandhoven waren alleen toegankelijk voor de
colleges van kanunniken, niet voor de gewone burgerij. Deze geestelijken, die ook wereld41
lijk bestuurders waren van de kapittelkerken en omliggende gebieden, bewoonden de huizen
rondom de kerken. De gebieden die hun eigendom waren vielen niet onder het stadsbestuur.
De Mariaplaats werd in de elfde eeuw begrensd door een gracht, en viel onder bestuurlijke
bevoegdheid van het kapittel van de Mariakerk. Die kerk is in de negentiende eeuw afgebroken. Het pandhof bleef bewaard met het restant van een elfde eeuwse overdekte gang, die
van de Mariakerk leidde naar de vergaderzaal van de kanunniken. Het is de oudst bewaard
gebleven pandhof in Nederland.
Adres en openingstijden:
Pandhof Sinte Marie vindt u op de Mariaplaats, naast het gebouw van Kunsten en Wetenschappen. De tuin is toegankelijk tussen 8.00 en 20.00 uur. Jaarlijks organiseren de vrijwilligers een stekjesmarkt.
Meer informatie:
www.pandhofsintemarie.nl
Vlinders gespot in Pandhof Sinte Marie
klein koolwitje
gehakkelde aurelia
atalanta (afbeelding)
42
Vlinderfototip
Vlinders zijn koudbloedige dieren en zijn voor activiteit dus afhankelijk van de temperatuur. Bij koud en regenachtig weer, maar ook bij zomerse hitte zal je weinig vlinders
treffen. Daarnaast bestaat er in juni een zogenaamde vlinderdip, doordat de eerste generatie vlinders gestorven is en de rupsen nog niet ontwikkeld zijn tot nieuwe vlinders.
Vlinders fotograferen is bovendien extra lastig omdat ze vaak onrustig fladderen van de
ene naar de andere nectarplant. De beste periode om vlinders te fotograferen is op een
frisse zonnige ochtend.
De vlinders zijn dan nog koud en passief van de frisse nacht en zullen zich in de zon gaan
opwarmen met de vleugels open om zoveel mogelijk warmte op te kunnen vangen. Vaak
zie je vlinders zich zo opwarmen op een door de zon beschenen wandelpad. Wel op tijd
uit de veren dus voor een mooie foto.
43
Tuinieren voor vlinders
Vlinders zijn een belangrijk onderdeel van de natuur. De rupsen eten enorme hoeveelheden
aan overschot van planten. Ook vormen zij een belangrijke voedselbron voor veel andere
dieren, zoals vogels. Vlinders spelen ook een rol in de bestuiving van planten. Sommige plantensoorten bloeien ‘s nachts, zoals kamperfoelie, teunisbloem en avondkoekoeksbloem en
zijn voor hun bestuiving volledig afhankelijk van nachtvlinders.
Waarom zelf een vlindertuin aanleggen?
Nederland is de laatste decennia meer en meer verstedelijkt en versteend door aanleg
van infrastructuur, bedrijventerreinen en woningbouw. Leefgebieden van vlinders komen
daardoor in de knel. Ook intensivering van de landbouw en toename van stikstof in de lucht
zijn nadelig voor de vlinderstand. Door verkeerd beheer van wegbermen en graslanden
wordt (mogelijk) leefgebied ongeschikt gemaakt. Bestaande leefgebieden van vlinders raken
geïsoleerd ten opzichte van elkaar. De vlinders kunnen niet meer van de ene fraaie plek naar
de andere vliegen.
Omdat de meeste vlinders geen lange afstanden kunnen afleggen zijn ze in de stedelijke
omgeving afhankelijk van parken, bloemrijke gebieden en tuinen. Zo kunnen ze van het ene
gebied naar het andere gaan en uitrusten en aansterken.
Onze eigen tuin kunnen we ook zo inrichten dat het een verblijfplaats voor vlinders en andere insecten wordt en zo ook een schakel vormt tussen hun leefgebieden.
Het is niet alleen belangrijk voor de natuur, maar natuurlijk ook leuk om vlinders in je tuin te
ontmoeten. Daar wordt toch iedereen vrolijk van?
Een kieskeurig beestje
Vlinders zijn prachtig, maar ze zijn ook best kieskeurig. Ze voelen zich niet zomaar thuis.
Hieronder een aantal tips om je tuin vlindervriendelijk te maken. In een vlindertuin kunnen na verloop van tijd zo’n vijftien tot twintig algemene soorten worden gezien waaronder
dagpauwoog, citroenvlinder, gehakkelde aurelia, klein geaderd witje, kleine vos, landkaartje
en bont zandoogje.
44
Voedsel
• Vlinders zijn op zoek naar voedsel zoals nectar. Een goede vlinderplant geeft veel nectar.
Geschikte vlinderplanten zijn doorgaans soorten met bloemen waarvan de binnenste krans
van bladen diep ligt. Deze krans is vaak het kleurigste en opvallendste deel van de bloem.
Vlinders kunnen met hun lange roltong bij de nectar terwijl andere insecten die niet kunnen
bereiken. Planten met ‘dubbele’ of gevulde bloemen zijn minder aantrekkelijk voor bestuivende insecten.
Het is belangrijk te zorgen voor verschillende planten met in elk seizoen bloeitijden. Door
van de lente tot de herfst voor nectarplanten te zorgen, kunnen vlinders altijd in de tuin
terecht.
Dagvlinders zijn vooral gek op felle kleuren zoals paars, rood, roze, oranje, blauw en geel.
Nachtvlinders komen vooral af op witgekleurde bloemen. Een zeer goede vlinderlokkende
plant die niet mag ontbreken in de tuin is de vlinderstruik: buddleja davidii. Dit is een echte
lekkernij voor de vlinders. In deze gids is een door de Vlinderstichting samengestelde
Vlinderplanten top 50 opgenomen (pagina 48).
• Sommige vlinders, zoals de atalanta, zijn gek op rottend fruit. Leg in het najaar op een beschut plekje op een schaal wat oude appels, pruimen, peren of bananen en de vlinders zullen
je dankbaar zijn.
• In droge tijden kan een vlinderdrinkbak een oplossing zijn om aan de vochtbehoefte tegemoet te komen.
Voortplantingsplekken
• Om voor het nageslacht te zorgen leggen de vlinders hun eitjes op waardplanten. Deze
zijn dus ook belangrijk om in de tuin te hebben zodat de rupsen voldoende voedsel hebben.
De eisen van de vlinder en de rups verschillen geregeld. Een vlinder kan slechts leven als een
waardplant en nectarplant op korte afstand van elkaar aanwezig zijn. De grote brandnetel is
de waardplant van onder andere de kleine vos, dagpauwoog, gehakkelde aurelia en atalanta.
Niet bepaald een geliefde tuinplant, om hem in toom te houden kun je hem in een emmer
(met gaatjes onderin) of grote pot planten. Favoriet bij enkele soorten rupsen zijn koolplanten. Poot er een paar in de tuin die verorberd mogen worden.
• Ook zijn verschillende grassoorten favoriet bij veel rupsen, voor hen is het belangrijk dat
de bloemenweides niet in één keer, maar in gedeeltes gemaaid worden. Zo hebben ze een
grotere kans van overleven.
Variatie
• Vlinders houden van een gevarieerd landschap. Afwisseling van struiken, bomen, planten en
gras helpt vlinders zich te oriënteren in het landschap. Net zoals wij onze omgeving herkennen aan sommige gebouwen. Als er geen hoge én lage planten zijn verdwalen de vlinders.
Ook gebruiken mannetjes hoge planten als uitkijkpost om vrouwtjes te zoeken en ter
verdediging van hun territorium. Schik de gekozen planten, hagen en struiken zodanig dat de
laagblijvende vooraan in de vlindertuin komen.
45
• Veel zon en warmte zijn noodzakelijk voor de vlinder. Kies als vlindertuin een plek die op
het zuiden ligt. Nectarplanten gedijen vaak uitstekend op zonnige plekken.
Leg ook een aantal stenen of dakpannen neer die in de ochtend al zon opnemen zodat de
vlinders zich in de voormiddag hieraan kunnen opwarmen.
• Vlinders houden van beschutte plekjes tegen de wind, maar ook zoeken ze schaduwplekjes
in een hete zomer. Deze kunnen gecreëerd worden door middel van hagen, struiken, stenen
muurtjes of een schutting.
• Heeft u geen tuin dan kunt u ook een aantal waard- en nectarplanten in een pot op het
balkon te zetten. Houd er wel rekening mee dat u boven de tweede etage weinig vlinderbezoek meer kunt verwachten.
Overwinteringsplekken
• Onderhoud is van invloed op de aanwezigheid van vlinders in de tuin. Vlinders houden
van rommelhoekjes waar ze een plekje kunnen
vinden om te overwinteren als vlinder, rups of
pop. Een houtstapel van snoeihout biedt een
goede plek hiervoor. Of een tegen de muur
groeiende klimop. Sommige vlinders en rupsen
kruipen onder afgevallen bladeren, onder een
bloempot of tussen afgestorven planten. Door
wat plantmateriaal in de winter te laten liggen,
kunnen zij in de tuin overwinteren. Ook andere
dieren zoals vogels of egels verstoppen zich
rommelhoekje vaak in zulke tuinhoekjes.
• Vlinders die in Nederland overwinteren doen
dat graag tussen vegetatie, in een schuurtje of
op een zolder. In de stad kun je extra gelegenheid bieden met het ophangen van een vlinderoverwinteringskastje. Dit lijkt op een vogelnestkastje, maar heeft in plaats van een rond
gat een paar smalle gleuven. Ze zijn kant-enklaar te koop, maar je kan ze ook zelf maken
van hout met een waterdicht dak. Aan de
zijkant zitten een paar lange spleten, waarlangs
de vlinders binnen kunnen komen. Leg er wat
vlinderoverwinteringskastje blaadjes, schors en takjes in. Hang het op aan
de stam van een boom, of tegen het huis op
een plek waar het niet kan inregenen. Maar niet in de volle zon. Hang je hem op ooghoogte
dan kun je zien of de kast bewoond is.
En tot slot, maar dit geldt natuurlijk voor alle dieren en levende wezens: vlinders houden niet
van gif en bestrijdingsmiddelen!
46
Bijenblok en insectenhotel
Naast vlinders kun je ook andere nuttige insecten aantrekken in de tuin. Bijvoorbeeld met een
bijenblok of insectenhotel. Bijen die niet in een
volk leven (solitaire bijen) maken hier dankbaar
gebruik van. Ze stoppen hun eitjes in kleine
gaatjes samen met wat voedsel en die gaatjes
metselen ze dicht met aarde en strootjes.
Een bijenblok is een blok hout met een heleboel gaatjes van verschillende groottes, waar de
bijen hun eitjes in kunnen stoppen. Je kunt het
beste gaten met een diameter van 3, 4, 5, 6 en
8 millimeter boren. De gaten moeten zo diep
mogelijk gemaakt worden en aan de achterkant
dicht zijn. Neem dus een dikke schijf. Naaldhout is hiervoor niet geschikt in verband met
de hars die hieruit lekt. Hang het houtblok op
een zonnige, liefst droge plek. Laat het iets
schuin voorover hangen, zodat de regen niet in
de gaten loopt. Wanneer een gaatje is opgevuld
met een beetje klei weet je dat het gaatje in
gebruik is genomen.
Ook van stukken rietstengel, bamboestokjes en
vlierstengels kun je een insectenhotel maken.
De stokjes moeten aan één kant open zijn en
aan de andere kant dicht.
Deze extra hulp voor bijen moet het hele jaar insectenhotel
door buiten blijven hangen. De meeste bijtjes
brengen namelijk als pop de winter door in het blok en komen in het voorjaar naar buiten
gekropen. Als dichte gaatjes weer open zijn, is het bijtje dus alweer gevlogen.
Aan de slag voor vlinders
Vlindervoedertafel
Teken enkele kleurrijke bloemen op een hoog smal tafeltje. Zorg dat dit tegen de regen
kan. In het midden van elke bloem maak je een gaatje en hang hierin een pipetje met een
suikerrijke oplossing. Meng daartoe honing of suiker met drie keer zoveel water, bijvoorbeeld één eetlepel honing en drie eetlepels water, door elkaar. Dit honingwater doe je in
een klein buisje, zodat de vlinders er goed van kunnen drinken. Doe het niet in een grote
bak, anders gaan vlinders er op zitten en plakken ze vast.
47
Vlinderplanten top 50
Er zijn veel planten ‘vriendelijk’ voor vlinders en andere insecten, omdat ze nectar geven
of fungeren als waardplant voor rupsen. Teveel om allemaal te noemen. Daarom heeft de
landelijke Vlinderstichting er vijftig geselecteerd, die allemaal een meerwaarde voor insecten
hebben. De lijst is op kleur geordend.
Blauwe bloemen
* Vlinderstruik (Buddleja spec.)
* Maarts viooltje (Viola odorata)
* Marjolein (Origanum marjorana, origanum vulgare)
* Kruipend zenegroen (Ajuga reptans)
* Slangenkruid (Echium vulgare)
* Herfstaster (Aster spec.)
* Luzerne (Medicago sativa)
* Vergeet-mij-nietje (Myosotis)
herfstaster
Gele bloemen
* Sporkenhout/Vuilboom (Rhamnus frangula)
* Muizenoor (Hieracium pilosella)
* Gewone paardenbloem (Taraxacum officinale)
* Gewone rolklaver (Lotus corniculatus)
* Grote teunisbloem (Oenonthera erythrosepala)
* Gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata)
* Gewone zandkool (Diplotaxus tenuifolia)
* Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea)
* Leeuwentand (Leontodon spec.)
* Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)
* Klimop (Hedera helix)
grote teunisbloem
Lila bloemen
* Peperboompje (Daphne mezereum)
* Akkerdistel (Cirsium arvense)
* Wilde tijm (Thymus serpyllum)
* Beemdkroon (Knautia arvensis)
* IJzerhard (Verbena spec.)
* Munt (Mentha spec.)
* Zulte/Zeeaster (Aster tripolium)
Roze / rode bloemen
* Pinksterbloem (Cardamine pratensis)
* Dagkoekoeksbloem (Silene dioica)
* Adderwortel (Polygonum bistorta)
* Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi)
48
akkerdistel
* Engels gras (Armeria spec.)
* Braam (Rubus spec.)
* Gewone dophei (Erica tetralix)
* Grote kattenstaart (Lythrum salicaria)
* Hemelsleutel (Sedum telephium)
* Speerdistel (Cirsium vulgare)
* Knoopkruid (Centaurea jacea)
* Marjolein (Origanum ‘Nymphenburg’)
* Muskuskaasjeskruid (Malva moschata)
* Struikhei (Calluna spec.)
* Koninginnenkruid (Eupatorium purpureum ‘Atropurpureum’)
Witte bloemen
* Prunus (Prunus spec.)
* Gewone margriet (Leucanthemum vulgare)
* Gewoon duizendblad (Achillea millefolium)
* Margriet (Chrysanthemum maximum ‘Gruppenstolz’)
* Vlier (Sambucus spec.)
* Engelwortel (Angelica spec.)
* Witte klaver (Trifolium repens)
* Wilde bertram (Achillea ptarmica)
dagkoekoeksbloem
Bron:
website Vlinderstichting: www.vlinderstichting.nl (Vlinders in
de tuin)
In de gids Vlinders en libellen in de tuin, praktische tips en
tuinideeën is, naast veel informatie over tuinieren voor deze
kleine dieren, een uitgebreide plantenlijst opgenomen, waarbij
ook zaken als bloeitijd, gewenste grondsoort, standplaats en
andere bijzonderheden vermeld staan. Word u donateur van
de Vlinderstichting dan krijgt u dit boek gratis.
engelwortel
distelvlinder op een vlinderstruik
49
Utrecht Zuidwest
Park Transwijk en
Stadsboerderij Eilandsteede
Natuur- en mensvriendelijk
tuinieren op een stedelijk eiland
50
Sinds het voorjaar van 2011 beschikt Park Transwijk over een tuin waar
wijkbewoners en schoolkinderen naar hartenlust kunnen tuinieren. Door
de natuurvriendelijke invulling biedt de tuin ook plek aan verscheidene
vlindersoorten. Maar ook voor menselijke bezoekers valt er het nodige te
ontdekken.
Stadsboerderij Eilandsteede
De tuin bij stadsboerderij Eilandsteede is tijdens openingstijden vrij toegankelijk. Deze
zonnig gelegen tuin bevindt zich tegenover de boerderij en is omheind met hekken. Stadsboerderij Eilandsteede werd in 2007 geopend en omvat een kinderboerderij, speeltuin en
de tuin. Het beheer is in handen van de gemeentelijke afdeling Natuur- en MilieuCommunicatie (NMC).
De helft van de tuin wordt gebruikt voor het project Groene Vingers. Leerlingen van de
basisschool maken hier kennis met tuinieren. Om de betrokkenheid van bewoners uit de
wijk te vergroten, werd de andere helft van de tuin omgevormd tot wijktuin oftewel de
vrijetijdstuin.
Wijkbewoners en vrijwilligers kregen inspraak over de inrichting. Samen met NMCmedewerkers is in het najaar van 2010 de basis gelegd. Sinds 10 april 2011 is de tuin
officieel in gebruik. Mensen uit de omgeving die graag willen tuinieren maar geen tuin hebben, konden zich opgeven voor een stukje tuin. Zij kunnen een eigen natuurvriendelijke
invulling aan dit stukje geven zoals een bloementuin of kleine moestuin. Zonder gebruik te
maken van chemische bestrijdingsmiddelen of kunstmest.
Levendige tuin
Rondlopen in deze tuin is een ware ontdekkingstocht. Zo staan er informatiebordjes met
leuke wetenswaardigheden. Naast lekker rondlopen of zitten aan een van de picknicktafels, kan je plukken en proeven van de seizoensrijpe bessen en vruchten. Zo zijn er
struiken van de aalbes, kruisbes, witte en zwarte bes, Japanse wijnbes, braam en framboos. Vlinders houden van de bloemen van deze vruchtenstruiken. Je vindt er ook een
aantal appel-, peren- en kweeperenbomen.
Voor de vlinders zijn er vlinderstruiken, de meidoorn, koekoeksbloem en knopig helmkruid. Dit helmkruid is een waardplant waarop rupsen van de kuifvlinder en de kuifvlinder
zelf zijn gesignaleerd. Koolplanten zijn er speciaal voor de rupsen van de koolwitjes. Zij
mogen deze helemaal kaal eten.
Qua beplanting is vooral gekozen voor inheemse planten en variatie, wat goed is voor
vlinders. Er is rekening gehouden met vroege en late bloeiers zodat er doorlopend nectar
te vinden is.
Vlinders zal je er op een zonnige dag vast wel zien zoals koolwitjes en de gehakkelde
aurelia. Andere mogelijke gasten zijn de eikenpage, de kleine vos, klein geaderd witje,
icarusblauwtje en de distelvlinder.
Bijendans
Voor de bijen is ook ruimte in de tuin. Ze worden aangetrokken door de lindebomen.
Ook kom je in de tuin veel phacelia tegen dat bijenvoer betekent: een echte bijenplant
51
met blauwviolette bloemen die ook vlinders en hommels aantrekt. Deze plant bloeit van juli
tot september.
Er zijn insectenblokken en plekjes voor solitaire bijen en bij een van de stapelmuurtjes
bevindt zich een hommelkast. Een van de paadjes brengt je bij de bijenstal waarin vijf bijenvolken leven. Eilandsteede heeft een eigen imker en de linde- en zomerhoning is hier te
koop. Onder de noemer Vliegend Volk gaan leerlingen van de basisschool hier in juni zelf de
bijenstal in en in de tuin en het park onderzoeken ze het bloembezoek van de bijen.
Eén plekje van de tuin is gereserveerd voor de bijendans. Zin om een dansje te maken? Hier
wordt uitgelegd hoe de bijen dat doen om elkaar de weg naar honing te wijzen.
Vlinders gespot in Park Transwijk en stadsboerderij
Eilandsteede
kuifvlinder (nachtvlinder)
kleine vos
klein geaderd witje
icarusblauwtje
distelvlinder
dagpauwoog
atalanta
eikenpage (afbeelding)
52
Opknapbeurt voor na-oorlogs park
Park Transwijk is tussen 1956 en 1964 aangelegd in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid,
met lange en duidelijke zichtlijnen die een gevoel van openheid en ruimte moesten
geven. Het park was vooral bedoeld voor bewoners van de nieuwe wijk Kanaleneiland,
gebouwd om de naoorlogse woningnood op te vangen.
Rond de eeuwwisseling bleek het park verouderd qua opzet en het werd matig bezocht.
Het park moest weer veilig, bereikbaar en toegankelijk worden. Tussen 2003 en 2006
kreeg het daarom een flinke opknapbeurt.
Paden werden verbeterd, er kwamen natuurvriendelijke oevers, een waterpartij met een
prachtige fontein en een junglebrug. Om het park aantrekkelijker te maken kwamen er
nieuwe voorzieningen: stadsboerderij Eilandsteede met een paviljoen, een wijktuin met
schooltuinen, een skatebaan en een (bouw)speeltuin met kinderopvang. De grote weide
is geschikt gemaakt voor evenementen en biedt bewoners picknickruimte.
Bij de herinrichting van het park zijn waardevolle bomen en heesters zoveel mogelijk
gespaard. De meeste voorkomende boomsoorten zijn: eik, es, els, veldesdoorn, plataan,
linde, meelbes en acacia (robinia). Aan de achterzijde van de kantoren aan de Lomanlaan
groeien sleedoornstruiken die in april prachtige witte bloesem geven. Ook zijn vlinderstruiken (buddleja’s) geplaatst bij de hoofdingang van het park aan de Beneluxlaan. Deze
trekken in de zomer veel dagpauwogen en atalanta’s aan. In 2009 was er een invasie van
de trekvlinder de distelvlinder.
Een stapel vol leven
Er is ook gedacht aan een insectenhoek. Stapeltjes hout afgewisseld met stenen en takken
bieden plek aan allerlei nuttige beestjes zoals kevers, duizendpoten, oorwurmen, pissebedden en regenwormen. Hier komen dan weer egels, muizen en vogels op af. Verder vind je er
een wilgenhut en -tunnel en een voorbeeld van een natuurlijke schutting.
Adres:
Stadsboerderij Eilandsteede is te vinden aan de Vreugdenhillaan 31 in Park Transwijk.
Openingstijden: dinsdag tot en met zondag van 10-17 uur (maandag gesloten).
53
Bedreigingen voor vlinders
Een vlinder is gedurende zijn hele levenscyclus van ei tot vlinder kwetsbaar. Naast vele natuurlijke vijanden speelt de mens een belangrijke rol in de achteruitgang van een groot aantal
vlindersoorten. Daarnaast zijn een aantal nachtvlindersoorten in een negatief daglicht komen
te staan vanwege rupsenplagen. Tenslotte heeft ook klimaatverandering op bepaalde vlindersoorten een negatief effect. Hieronder wordt op deze bedreigingen ingegaan.
Natuurlijke vijanden
Vlinders hebben vele natuurlijke vijanden. Veel eitjes verdwijnen in de maag van grazende
dieren die planten eten waarop de eitjes zijn afgezet. Ook vormen rupsen vaak een belangrijk
onderdeel van het menu van vogels en hun jongen in het voorjaar. Daarnaast zijn er ook nog
parasitaire sluipwespen die eitjes in de rupsen leggen, zodat de rups van binnenuit wordt
opgegeten door de larven van de sluipwespen. Het is voor een rups eten of gegeten worden.
Verder vallen vlinders ten prooi aan vogels en roofinsecten zoals libellen, wespen, horzels,
roofvliegen en spinnen. Het is voor een vlinder dan ook van belang veel nakomelingen te
krijgen om de soort in stand te kunnen houden.
Menselijke invloed
De mens heeft op meerdere manieren invloed op de vlindergemeenschap. Het gebruik van
bestrijdingsmiddelen en het volledig en te vaak maaien van graslanden hebben een nadelig
effect. Verder is het landgebruik van grote invloed voor vlinders. Door eenzijdig gewasgebruik en overbemesting ontstaan als het ware vlinderwoestijnen waar enerzijds geen voedsel
voor de rupsen te vinden is en anderzijds geen nectarplanten voorkomen. Daarnaast hebben
vlinders baat bij windluwe plekken die te vinden zijn bij bosschages en ruigten. Veel agrarische gebieden en groenvoorzieningen in de stad zijn door het gebrek aan luwe plaatsen niet
goed passeerbaar voor veel vlindersoorten. Ook de geïsoleerde ligging van wel geschikte
gebiedjes beperkt de vlinder zich te verspreiden.
Rupsenplagen
Hoewel weinig mensen iets tegen vlinders hebben, ligt dat heel anders voor de rupsen.
Vaak worden rupsen als schadelijk beschouwd vanwege hun vraatzucht. Zo ziet menig
moestuinhouder liever geen rupsen van het koolwitje tussen zijn koolplanten. Een rupsen-
niet zo
54
maar zo
rupsen van de stippelmot
eikenprocessierupsen
plaag kan in de hand gewerkt worden door eenzijdige plantenteelt die het voor de rupsen
een walhalla maakt.
Een opvallend verschijnsel veroorzaakt de stippelmot. De rups van de stippelmot kan onder
bepaalde gunstige omstandigheden massaal op bepaalde struiken en bomen voorkomen. Een
hele struik of boom raakt dan soms overdekt met spinsel, en wordt geheel kaalgevreten. Dit
ziet er erger uit dan het in feitelijk is, want de betreffende struik of boom kan na het uitvliegen van de motten zijn bladkroon weer herstellen.
Van een andere orde is de eikenprocessierups, omdat die in bepaald stadium gezondheidsproblemen voor de mens zelf geeft. De haren van de processierups, brandharen genoemd,
kunnen irritatie geven aan de ogen, huid en luchtwegen wanneer men in de buurt van een
kolonie processierupsen verkeert. De eikenprocessierups is een soort die zich vermoedelijk
door klimaatverandering steeds noordelijker verspreidt en nu dus jaarlijks ook in Nederland op een aantal locaties voor overlast zorgt. Waarschijnlijk hebben de meeste natuurlijke
vijanden van deze rupsen, zoals sluipwespen, Nederland nog niet bereikt.
Klimaatverandering
Door klimaatverandering kunnen leefgebieden van plant- en diersoorten gaan verschuiven.
Dit betekent dat van oorsprong zuidelijk voorkomende plant- en diersoorten hun verspreidingsgebied naar het noorden zullen uitbreiden. Naast de eikenprocessierups zullen ook
‘opportunistische’ (dat zijn soorten die zich makkelijk kunnen aanpassen) treksoorten als
koninginnenpage, kolibrievlinder, staartblauwtje en braamparelmoervlinder vaker in Nederland te zien zijn. Andere soorten, met name vlinders die van planten houden die in koudere
gebieden groeien, zullen door een opwarmend klimaat verdwijnen uit Nederland. Vooral
voor honkvaste specialisten vormt klimaatverandering een probleem, omdat ze vaak afhankelijk zijn van bepaalde waardplanten en niet
makkelijk grote afstanden overbruggen. Wanneer door klimaatverandering de waardplant
van een bepaalde vlindersoort verdwijnt dan
zal die vlindersoort ook verdwijnen. Voor
deze vlindersoorten is het dan ook van belang
dat er speciale vlindercorridors worden
aangelegd, zodat vlinders de mogelijkheid
krijgen om zich naar geschiktere gebieden te
kunnen verplaatsen.
koninginnenpage
55
Leidsche Rijn en
Vleuten-De Meern
Leidsche Rijn Park
(Maximapark)
Vlinders trekken in de Vinex
56
Hoe kun je vlinders ‘zichtbaar’ maken in een splinternieuw stadspark middenin de Vinexwijk? Toen parkrentmeester Joop Spaans in mei 2010 het huis
Utrechtseweg 4 in bruikleen kreeg, was het idee voor een vlinder- en
insectentuin rond het huis snel geboren. Zoonlief stortte zich op het ontwerp. Zomer 2011 gaat de tuin ‘in première’.
Voor parkbeheerder Joop Spaans en zijn medewerkers fungeert het huis aan de Utrechtseweg nr. 4 de komende jaren als onderkomen voor het werk aan het Leidsche Rijn
Park. Dat moet in totaal driehonderd hectare gaan beslaan en wordt omsloten door het
zogenaamde ‘lint’: een geasfalteerd vrije tijdspad met het motief van madeliefjes in de
rand. Langs dat lint wil Spaans de komende jaren inheemse bloemenmengsels inzaaien om
insecten en vlinders te lokken. Niet alleen van ecologisch belang, maar ook een ‘psychologische truc’. Zo’n jong park met dunne sprietjes van bomen geeft bezoekers nog niet echt
een gevoel van wat een park moet zijn, merkt hij. “Zo richt je de blik van mensen af van
die dunne boompjes naar bloemen en bezoekende insecten.”
Zo vader zo zoon
Spaans probeert het maximum uit de plek te halen met de mogelijkheden die hij heeft.
De komende jaren fungeert de beheerspost ook als startpunt voor publieksrondleidingen
die Spaans verzorgt. Daarom leek het hem en zijn medewerkers leuk om de tuin rond
het vroeg-twintigste eeuwse huis om te toveren tot een insect- en vogelvriendelijke tuin.
Maar waar haal je de middelen vandaan in een tijd van bezuinigingen? Het toeval hielp een
handje, want zoon Dirk was voor zijn opleiding bos- en natuurbeheer nog op zoek naar
een afstudeeropdracht.
Om een idee te krijgen van wat er aan vlinders al voorkomt in het Leidsche Rijn Park,
voerde Dirk in augustus 2010 een dag-inventarisatie uit in het park. Hij kwam daarbij uit
op meer dan tweehonderd exemplaren van klein en groot koolwitje, één atalanta, één
distelvlinder, twee bondzandoogjes en twee icarusblauwtjes. Libellen bleken die dag een
stuk talrijker. Dirk telde er meer dan 430 van tien soorten.
Om de tuin rond het huis insect- en vogelvriendelijk in te richten, nam Dirk een aantal
maatregelen in het ontwerp. In de voortuin plaatste hij een kleine vijver en nestkastjes.
Een flink aantal bestaande bomen en heesters liet hij staan. Coniferen als taxus en
chamaecyparis bieden de vogels nestelgelegenheid. Een volwassen hulst naast het huis
werd ook gehandhaafd, deze biedt in de winter veel bessen aan de vogels. Een rijtje als
knotboom gesnoeide robinia’s langs het oprijlaantje biedt in de winter verblijf aan puttertjes.
In de driehoekige tuin projecteerde Dirk een kronkelende padenstructuur, waarmee een
korte wandeling lang de verschillende perken kan worden gemaakt. In de buitenpunt staat
een grote groep vlinderstruiken (buddleja davidii) in verschillende kleuren en varianten.
Ook werd spiraea (bumalda) aangeplant, ribes (sanguineum), krentenboompjes (amelanchier lamarkii) en lijsterbes (sorbus aucuparia).
Om in het vroege voorjaar iets voor hommels te betekenen werden er bolletjes, o.a.
scilla sibirica geplant. Een groot plantvak parallel aan de Utrechtseweg is ingezaaid met
inheemse nectarplanten zoals avondkoekoeksbloem, damastbloem, kaardenbol, knoopkruid, margriet, rode klaver en vogelwikke. In de vaste planten vakken onder meer
57
hemelsleutel (sedum spectabile) en zonnehoed (echinacea ).
Klap op de vuurpijl is het enorme insectenhotel dat zichtbaar vanaf de weg in de tuin moet
komen te liggen (in aanleg voorjaar 2011). Daar kunnen allerlei solitaire bijen en insecten hun
nageslacht veilig stellen.
Interessante soorten
Het parkdeel waar de beheerspost aan grenst heet het Binnenhof, gelegen ten zuiden van
de spoorlijn Utrecht-Gouda. In het noordelijker gelegen parkdeel het Buitenhof ligt het accent meer op natuurontwikkeling. Het maaibeheer is daar in handen van vrijwilligers van de
vereniging Landschapsbeheer Vleuten-De Meern. Toch wordt in het hele park aan ecologisch beheer gedaan. Dit betreft dan vooral maaibeheer: twee keer per jaar, meestal in juni
en september. Het maaisel wordt afgevoerd om verrijking van de grond te minimaliseren.
Sommige stukken waar iets ‘interessants’ groeit zoals wilde peen of slangenkruid, worden bij
dat maaien met rust gelaten. Deze soorten kunnen zich dan verder uitzaaien. Bosbaas Karel
Spek die de bijzondere plekken in het park goed kent, instrueert de maaiers hierop.
Ecologisch slagadertje
Het Leidsche Rijn Park is aangelegd in een oud tuindersgebied. Tuinders kijken vaak op een
andere manier naar groenbeheer. Lang gras, wilde bloemen, distels in een park, dat spreekt
bewoners met een tuindersachtergrond niet zo aan, merkte Spaans. Doordat de grond
nog veel stikstof bevat hebben distels in een vergraven parkdeel vaak een tijd vrij spel. Dit
probeert Spaans tegen te gaan door stukken met veel distel regelmatig kort te maaien en de
planten zo uit te putten. Hij legt in zijn rondleidingen echter ook uit dat die distels nou net
wel interessant zijn voor de ecologie: “Er komen namelijk wel zestig soorten insecten op af.”
Overigens is Spaans erg blij met de resten van de oude tuinderscultuur. De oude Alendorperweg, waar veel tuinders hun huizen en erven hebben en voorheen ook kassen, biedt
58
veel volwassen groen, waaronder fruitbomen. Dieren die hier voorkomen, zoals de groene
specht, gebruiken het aangrenzende park weer als foerageergebied. Dit ‘ecologische slagadertje’ zoals hij de weg betitelt, biedt een belangrijke meerwaarde in de ‘pioniersfase’
waarin het Leidsche Rijn Park zich momenteel nog bevindt.
Adres en openingstijden:
De vlindertuin bij Utrechtseweg 4 is vrij toegankelijk, tot zonsondergang, mits u op de paden
blijft en geen bloemen plukt. Tegenover de tuin ligt ook de hoofdingang van het Leidsche Rijn
Park.
Meer info:
www.utrecht.nl/smartsite.dws?id=341161
www.leidscherijnpark.nl (St. Vrienden van het Leidsche Rijn Park)
www.landschapsbeheervleutendemeern.nl
Vlinders gespot in Leidsche Rijn Park
klein koolwitje
groot koolwitje
atalanta
distelvlinder
icarusblauwtje
bont zandoogje (afbeelding)
59
Vlindervriendelijk natuurbeheer
Deze vlindergids vestigt de aandacht op een aantal tuinen en parken in de stad Utrecht waar
getracht wordt vlinders en andere insecten te trekken. Vlindervriendelijk beheer is mensenwerk. Om verschillende vlindersoorten een leefgebied te bieden, is variatie in beplanting en
vegetatiestructuur nodig. Daarnaast hangen de mogelijkheden sterk samen met de omvang
en ligging van het terrein.
Vlindertuinen
De meeste vlindergebieden in de stad zijn van beperkte omvang. Vaak gaat het om op zichzelf
staande vlindertuinen of een deel van een grotere groenstructuur zoals een park dat voor
vlinders is ingericht. Veel van deze tuinen zijn
vooral ingericht om vlinders aan te trekken met
verschillende nectarbloemen. Hier komen met
name trekvlinders en meer algemene vlindersoorten op af. Om een vlindertuin succesvol te
maken, is variatie in soorten en bloeiperiodes
wenselijk, zodat er gedurende het hele seizoen
van voor- tot najaar iets voor verschillende
vlinders te halen valt. Binnen grotere parken
kan er naast ruimte voor nectarplanten ook
een hoekje met waardplanten gecreëerd
worden. Dit moet dan wel zo beheerd worden
dat de rupsen de kans krijgen zich te ontwikkelen. Op deze manier kan er een blijvende
kleine vos op margriet
vlinderpopulatie ontstaan.
Natuurlijk beheerde gebieden
60
In Utrecht vinden we ook grotere natuurlijk
beheerde parken, zoals het Gagelbos, het Vechtoeverpark en Natuurpark Bloeyendael. Het
beheer is hier doorgaans grootschaliger van
aard. In dit soort gebieden komen vaak bijzondere vlindersoorten voor zoals het oranjetipje.
Naast nectarplanten komen hier ook meer
waardplanten voor, waardoor deze parken ook
hele vlinderpopulaties kunnen herbergen. Zoals
de pinksterbloem, waarvan de zaadjes voedsel
vormen voor de rups van het oranjetipje.
Idealiter vindt de eerste maaibeurt in het jaar
pas plaats als een aantal gewenste rupsensoorten zich met de planten hebben kunnen
gefaseerd maaibeheer in langwerpige stroken
voeden. Hiervoor is zogenaamd extensief maaibeheer noodzakelijk. Afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem dient er een of twee keer per jaar gemaaid te worden. De periode
dat gemaaid wordt is doorgaans begin zomer en begin herfst. Even belangrijk als de maaifrequentie is om gefaseerd te maaien. Dat wil zeggen dat er grofweg bij iedere maaibeurt tien
tot vijfentwintig procent van de vegetatie blijft staan en dan met name in lange stroken. Zo
hebben rupsen en andere insecten de mogelijkheid zich naar deze stroken te verplaatsen en
ontstaat bovendien structuurvariatie. Het beste is daarom om het maaisel een paar dagen te
laten liggen, maar niet langer dan een week, omdat anders het maaisel gaat verteren. Als je
dus als wandelaar een strook uitgebloeide bloemen ziet, dan is het geen verwaarloosd stuk
dat per ongeluk is vergeten, maar bewust beheer voor vlinders en andere insecten.
De basis voor gunstig vlinderbeheer is voldoende variatie in vegetatiestructuur. Vlinders
gebruiken structuren in de vegetatie om zich te oriënteren en om territoria af te bakenen.
Bij het inrichten van parken en vlindertuinen is het ook van belang te kijken naar verbindingsbanen in de vorm van bloemrijke wegbermen, ecoducten, houtwallen of struweel waarlangs
vlinders zich kunnen verplaatsen.
61
Relevante organisaties
Landelijke organisaties en websites:
Vlinderstichting: www.vlinderstichting.nl
Vlindernet: www.vlindernet.nl
Actie voor bedreigde dagvlinders: www.tienvoor12.nu
Vlindertelling: www.vlindermee.nl
Waarnemingen natuur: www. waarneming.nl
VSB Vlindertuinen: www.vlindertuinen.nl
Natuurboeken, veldgidsen: www.knnvuitgeverij.nl
Natuurexcursies in Utrecht en omgeving:
Zie Groene Agenda op www.milieucentrumutrecht.nl
IVN, vereniging voor natuur -en milieueducatie:
www. ivnvechtplassen.org/excursies
www. ivn.nl/heuvelrugenkrommerijn
KNNV, vereninging voor veldbiologie: www5.knnv.nl/afdeling-utrecht
Parken en (zelfbeheer)tuinen in Utrecht:
Website gemeente Utrecht: www.utrecht.nl > Wonen en wijken > Parken en groen
Botanische tuinen Universiteit Utrecht, Tropisch Vlinderfestival (juni - september):
www.uu.nl/NL/BotanischeTuinen
foto op pagina 4: icarusblauwtje
62
kleine vuurvlinder op boerenwormkruid >
63
64
Download