nectar paragraaf 9.4 VWO

advertisement
BIOLOGIE NECTAR 9.4 JE BLOED STROOMT
Hoe vervoert je bloed stoffen?
 Bloed bestaat uit bloedplasma en bloedcellen.
 Het bloed vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar:
 Cellen van spieren
 Organen
 Voedingsstoffen gaan door de darmwand van de dunne darm en lossen
op in het bloedplasma.
 Een deel van de bloedcellen bestaan uit de witte bloedcellen:
 Bestrijden ziekteverwekkers
 De meeste bloedcellen zijn rode bloedcellen:
 Vervoeren zuurstof en zorgen voor de rode kleur van het bloed,
doordat ze ijzer bevattende hemoglobine bevatten.
 In de longen hecht zuurstof zich aan de hemoglobine, in de organen
wordt het zuurstof los gelaten.
Welke soorten slagaders zijn er?
 Slagaders:
 Voeren bloed naar de organen.
 Het hart pompt bloed in de longslagader en de aorta (grootste
slagader van het lichaam)
 Vanaf de aorta vertakken zich kleinere slagaders naar de
organen.
 Een slagader wordt vernoemd naar de orgaan waar het bloed
naartoe gaat.
 Haarvaten:
 De slagaders vertakken zich tot kleinere bloedvaten. De kleinste
zijn de haarvaten.
 Bloeddruk: laag, en het bloed stroomt langzaam.
 Haarvaten hebben dunne wanden met gaatjes. Hierdoor krijgen
de cellen zuurstof en voedingsstoffen.
 Ook afvalstoffen gaan de haarvaten in.
 Aders:
 De haarvaten komen weer bij elkaar in de aders.
 Vervoeren het bloed terug naar het hart.
 Zijn ook vernoemd naar het orgaan waar het bloed vandaan
komt.
 Bloeddruk: laag, en het bloed stroomt langzaam.
 De wanden zijn dun en slap.
 Veel aders bevatten kleppen om het bloed de goede kant op te
laten stromen.
 Alle aders, behalve de longader, komen uit in de holle aders.
Hoe klopt je hart?
 De slagaders die het hart zelf van voedingsstoffen en zuurstof voorzien,
heten de kransslagaders
 Je hart bestaat uit vier, met bloedgevulde, ruimten:
 Een linker- en een rechter BOEZEM
 Een linker- en een rechter KAMER
 Tussen de boezems en de kamers zitten de hartkleppen:
 Deze zorgen ervoor dat het bloed maar één kant op kan
stromen.
 Aan het begin van de longstagader en de aorta zitten de
slagaderkleppen.
 De hartslag bestaat uit drie stappen:
 Boezems trekken samen
 Kamers trekken samen
 Hartpauze
 Impulsen veroorzaken het samentrekken van de spiervezels van het
hart:
1. Impulsen ontstaan in de sinusknoop
2. Impulsen gaan over de boezems
3. Impulsen komen bij de AV-knoop
4. Impulsen gaan via de harttussenwand naar de punt van het hart
5. Impulsen gaan door de wand van de kamers
 Het ontstaan en geleiden van de impulsen kun je aan de buitenkant
van je lichaam meten:
 Een onderzoeker plaatst elektroden op je borst, polsen en enkels
en sluit ze aan op een schrijver.
 De schrijver maakt een elektrocardiogram of ecg.
Hoe stroomt het bloed door je lichaam?
 Het bloed stroomt afwisselend door de kleine bloedsomloop en de
grote bloedsomloop:
 De kleine bloedsomloop:
 Begint in de rechterkamer
 De rechterkamper pompt zuurstofarme bloed via de
longslagaders naar de longen
 In je longen komt er zuurstof bij het bloed en gaat de CO2 naar
de lucht
 Het zuurstofrijke bloed gaat via de longslagaders naar de
linkerboezem van je hart
 Grote bloedsomloop:
 Begint in de linker kamer
 Het bloed gaat via de aorta en de een slagader naar een orgaan
 het zuurstofarme bloed stroomt terug via een ader en holle ader
Wat is bloeddruk?
 Bloeddruk: bloed drukt tegen de wanden van bloedvaten.
 Bestaat uit twee waarden:
 Bovendruk:
Tijdens het samentrekken van de kamers
 Onderdruk:
Tijdens de hartpauze
 De bloeddruk is het hoogst in je slagader, en het laagst in je
ader.
 Bloeddruk meet je in een armslagader:
 Je doet een manchet om de arm en pompt deze op. Als
je niks meer hoort met de stethoscoop is de slagader
dichtgedrukt.
 Daarna laat je lucht uit de manchet ontsnappen, tot je
harttonen hoort. op dat moment lees je de bovendruk af
 Als de lucht verder uit de manchet loopt, blijf je tonen
horen. Op het moment dat je geen geluiden hoort lees
je de onderdruk af.
 De bloeddruk wordt gemeten in kwikdruk.
 110/70, zo wordt bloeddruk aangeduid. 110 is de bovendruk,
70 is de onderdruk
Krijgt elk orgaan steeds evenveel bloed?
 In rust geeft de sinusknoop ongeveer 70 impulsen per minuut af.
 Je hart slaat dan ook 70 keer.
 Bij iedere slag pompt elke kamer 70 ml bloed in de slagaders.
 Als je intensief sport wel meer dan 200 keer samentrekken
 De verdeling van bloed tussen organen veranderd tijdens sporten:
 Spieren krijgen meer bloed, de rest minder
Download