O_413-arbeid-1_u 51.00KB

advertisement
317499324
1
Opgave 1.
a. Het arbeidsaanbod (de beroepsbevolking): 65% van 60% van 20 miljoen = 7,8 miljoen personen.
b. Aanbod van arbeid = aantal werkenden + aantal werklozen
Vraag naar arbeid = aantal banen + aantal vacatures
Evenwicht: aanbod = vraag  aantal werklozen = aantal vacatures
Dat is hier niet het geval: geen evenwicht.
c. 1. Als het om een verschuiving binnen de beroepsbevolking gaat (hetgeen waarschijnlijk is), dan is er
geen invloed op de participatiegraad. Ook mogelijk: toenemende werkloosheid ontmoedigt het
aanbod, waardoor de participatiegraad afneemt.
2. Heeft geen invloed, noch op de beroepsbevolking, noch op de beroepsgeschikte bevolking.
Overigens is ook hier een ontmoediginggseffect denkbaar, waardoor de participatiegraad afneemt.
Opgave 2.
a. Over een centraal akkoord onderhandelen de werkgeverscentrale, de werknemerscentrales en de
rijksoverheid. Over een cao onderhandelen werkgevers(bonden) en vakbonden.
b. CAO
– heeft betrekking op groepen personen en bedrijven;
– geeft algemene kaders en minimumbepalingen;
– bindt – mits algemeen verbindend verklaard – ook diegenen die geen lid zijn van de contracterende
partijen.
Arbeidsovereenkomst
– heeft betrekking op individuen en afzonderlijke bedrijven;
– geeft concrete en bindende arbeidsvoorwaarden;
– bindt alleen de contracterende partijen.
c Arbeid is niet homogeen
– de markt is niet transparant;
– zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde bestaan monopolie-elementen.
d. Er kunnen dan fricties op de arbeidsmarkt ontstaan, zoals een afname van de bereidheid om in de
desbetreffende bedrijfstak werk te zoeken, of een afname van de bereidheid zich te laten scholen voor
het werk in de desbetreffende bedrijfstak.
e. Een initiële loonsverhoging is een verhoging van (alle) CAO-lonen met een overeengekomen
percentage (bedrag). De automatische prijscompensatie is een verhoging van de CAO-lonen die
voldoende wordt geacht om de aantasting van de koopkracht van de lonen ten gevolge van een stijging
van de kosten van levensonderhoud te compenseren.
Opgave 3.
2.280.000
a. De gemiddelde arbeidsproductiviteit op jaarbasis is –––––––– = 6.000 eenheden product.
380
5% korter werken betekent een 5% lagere arbeidsproductiviteit. De productie per werknemer wordt dan
5.700 eenheden product. Om nu 2.280.000 eenheden product per jaar te produceren zijn 400
werknemers nodig. Immers 400  5.700 = 2.280.000 eenheden product
b. Totale loonkosten bij 380 werknemers op jaarbasis: 380  € 2.180  12 = € 9. 940.800.
Wanneer de werktijdverkorting niet mag leiden tot hogere loonkosten per eenheid product, mogen de
€ 9.940.800
loonkosten per werknemer per maand hoogstens gelijk zijn aan ––––––––– = € 2.071
400  12
c. Ja, een stijging van de arbeidsproductiviteit betekent bij gelijkblijvende productie een daling van de
vraag naar arbeid. Het werkgelegenheidseffect van een verkorting van de werktijden, waardoor in
eerste aanleg de arbeidsproductiviteit daalde en de vraag naar arbeid toenam, kan hierdoor verloren
gaan.
Opgave 4.
a. De arbeidsproductiviteit nam toe: de productie groeide sneller dan de werkgelegenheid.
b. Ouderen werken langer door, door betere kinderopvang werken vrouwen vaker en langer.
c. Dat kan niet uit het artikel worden opgemaakt. De participatiegraad neemt weliswaar toe, maar er is
niets bekend over de omvang van de beroepsgeschikte bevolking.
d. Toegenomen: aan de toegenomen vraag naar arbeid werd slechts gedeeltelijk voldaan.
Opgave 5.
317499324
2
a. Het aanbod van arbeid neemt toe: een groter deel van de beroepsgeschikte bevolking is beschikbaar
voor betaald werk.
b. De vraag naar arbeid neemt toe: de productie neemt toe en dat brengt meer werkgelegenheid met zich
mee.
c. De vraag naar arbeid neemt af: dezelfde productie kan met minder werknemers gerealiseerd worden.
d. Het aanbod van arbeid neemt toe: mensen die vroeger arbeidsongeschikt waren, zijn nu werkloos of
aanvaarden een baan en behoren nu dus tot de beroepsbevolking.
e. De vraag naar arbeid neemt af: er wordt relatief meer kapitaal ingeschakeld.
Opgave 6.
103
a. –––
101
b. Doordat lagere lonen kunnen worden betaald, wordt het eerder rendabel arbeidsplaatsen voor minder
productieve arbeid te creëren.
Of: Doordat lagere lonen kunnen worden betaald, vindt er minder substitutie plaats van arbeid door
kapitaal.
c. De laagstbetaalde werknemers kunnen van hun inkomen niet meer leven omdat ze onder het
bestaansminimum terecht komen.
of: De sociale uitkeringen zullen ook omlaag moeten en de uitkeringsgerechtigden komen dan onder het
bestaansminimum terecht.
of: De inkomensverschillen worden dan groter hetgeen niet wordt nagestreefd.
d. De werkgevers kunnen de vraag naar arbeid gemakkelijker afstemmen op de behoefte aan arbeid
waardoor er minder lang wordt geaarzeld om mensen in dienst te nemen.
e. De arbeidstijden kunnen variëren of er kan meer met uitzendkrachten worden gewerkt, zodat de
aanwezigheid van het personeel beter is afgestemd op de hoeveelheid werk die moet worden verzet.
Opgave 7.
a. Het brutoloon is steeds toegenomen en de werknemerslasten zijn steeds afgenomen. Het nettoloon is dus
gestegen.
b. De wig is het verschil tussen het nettoloon en de arbeidskosten. Het nettoloon is toegenomen (zie vraag
a). De arbeidskosten bestaan uit het brutoloon plus de werkgeverslasten. Aangezien de werkgeverslasten meer gedaald zijn dan het brutoloon gestegen, zijn de arbeidskosten gedaald. De wig is dus in
omvang afgenomen.
c. Een hoger nettoloon betekent meer effectieve vraag, meer productie en een hogere werkgelegenheid.
d. Een kleinere wig kan vakbonden er vanaf doen zien met hoge looneisen te komen. De arbeidskosten
dalen en er vindt minder substitutie van arbeid door kapitaal plaats.
Opgave 8.
De productie is toegenomen van 4 miljoen naar 5 miljoen stuks, met 20% dus. Aangezien de
arbeidsproductiviteit eveneens met 20% toenam, is per saldo evenveel arbeid als in jaar 1 nodig.
Opgave 9.
a. Er wordt minder in deeltijd gewerkt: de werkgelegenheid in personen stijgt minder snel dan die in
arbeidsjaren.
b. Meer vakantiedagen, kortere werkweken
c. Een betere benutting van de kapitaalgoederenvoorraad, waardoor de gemiddeld constante kosten
omlaag kunnen.
d. De werkgelegenheid in arbeidsjaren neemt toe (aangenomen dat de productie eveneens toeneemt.
Opgave 10.
a. Meer gehuwde vrouwen werken, vervroegde uittreding komt minder vaak voor
100
b. De beroepsgeschikte bevolking telt –––
75
beroepsgeschikte bevolking behoren 16.154 –
5.834
––––––
16.154
317499324
c. Ja, het arbeidsaanbod is hetzelfde als de beroepsbevolking en deze is toegenomen.
Opgave 11.
4.242.000
Participatiegraad van mannen: ––––––––  100% = 79%
5.400.000
2.856.000
Participatiegraad van vrouwen: ––––––––  100% = 54%
5.263.000
Opgave 12.
Het aanbod van arbeid is de beroepsbevolking;
de vraag naar arbeid bepaalt de werkgelegenheid,
van vacatures is sprake wanneer het aanbod van arbeid kleiner is dan de vraag naar arbeid.
Opgave 13.
a. De werkgelegenheid in personen is gelijk aan het aantal mensen dat werkt – de werkzame
beroepsbevolking. In 1998 is deze 6.957.000  348.000 = 6.609.000 personen.
149.000
b. Werkloze mannen: ––––––––  100% = 3,55%
4.196.000
199.000
werklozen vrouwen: –––––––– 100% = 7,21%
2.761.000
Opgave 14.
c.
Opgave 15.
112
a. Verandering loonkosten per eenheid product: –––  100 – 100 = 1,82%.
110
110
b. Verandering arbeidsproductiviteit: –––  100 – 100 = 1,85%.
108
Opgave 16.
a. Totale loonkosten per jaar: 30  € 16,70  1.570 + 10  € 11,60  1.090 = € 913.010.
€ 913.010
Loonkosten per tuinset: –––––––– = € 158,78.
5.750
5.750
b. Gemiddelde arbeidsproductiviteit: –––––––––––––––––––– = 0,099  0,10 tuinset.
30  1.570 + 10  1.090
Opgave 17.
d.
Opgave 18.
c.
Opgave 19.
b.
Opgave 20.
c.
3
317499324
Opgave 21.
a.
Opgave 22.
b.
Opgave 23.
c.
Opgave 24.
a.
Opgave 25.
a.
Opgave 26.
c.
Opgave 27.
a.
Opgave 28.
b.
Opgave 29.
d.
4
Download