Beslissen en het brein - The Customer Connection

advertisement
Beslissen en het brein
E E N V ERKENNING VA N D E N EU R O- EC ON OMIE E N H A A R T O E PA S S I N G I N M A R KE T I N G
Ale Sm idts
Hoe maken mensen keuzes? Hoe komt een voorkeur voor Pepsi of
Coca-Cola tot stand? Waarom werken mensen samen en waarom
vinden we een eerlijke verdeling zo belangrijk? Waarom zijn mensen
vooral op de korte termijn en minder op de lange termijn gericht? Hoe
worden we beïnvloed door anderen in ons keuzegedrag? Kunnen we
keuzegedrag voorspellen? Dit zijn vragen waar zowel de economie als
de psychologie veel aandacht voor hebben en waarvoor beide disciplines verschillende modellen en theorieën hebben ontwikkeld. Sinds een
jaar of tien is er een nieuw interdisciplinair vakgebied ontstaan op de
grens van de sociale en natuurwetenschappen: de neuro-economie
(‘neuroeconomics’). Het doel van neuro-economie is om menselijk
keuzegedrag beter te begrijpen en te verklaren door de kennis van
neurowetenschappen te verbinden met die van de psychologische en
economische beslissingstheorie. Door moderne neurowetenschappelijke technieken, in het bijzonder functionele magnetische resonantie
imaging (fMRI) en het elektro-encefalogram (EEG) kunnen hersenprocessen die ten grondslag liggen aan onze keuzes direct gemeten en
van seconde tot seconde gevolgd worden. Hierdoor is een revolutie
ontstaan in onze kennis over hoe mensen beslissingen nemen.
Prof. dr. ir. Ale Smidts is
hoogleraar Marktonderzoek bij de vakgroep
Marketing van de
Rotterdam School of
Management (RSM),
Erasmus Universiteit en
directeur van het
Erasmus Center for
Neuroeconomics.
Inleiding
Neuro-economisch onderzoek toont overtuigend aan dat dieren en mensen
vergelijkbare vormen van irrationaliteit vertonen, dat genen en hormonen
grote invloed uitoefenen op onze beslissingen en dat het menselijke brein
beschikt over verschillende routes van besluitvorming (Klucharev en Smidts,
2009). De kernbewering is dat keuzes het resultaat zijn van wedijverende
neurale systemen gevormd door evolutie en natuurlijke selectie. De balans
tussen die netwerken bepaalt de uiteindelijke keuze. Verstoring van die balans
door bijvoorbeeld (ongerelateerde) emoties of externe omstandigheden resulteren in ander keuzegedrag. Kennis van de werking van het brein kan ook
verklaren waarom we ons niet altijd gedragen volgens het rationele economi65
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Ale Sm idt s
sche beslissingsmodel van het maximaliseren van verwacht nut. Zo is er sterk
bewijs voor een evolutionaire oorsprong van menselijke afwijkingen van dit
model (de zogenaamde decision biases). Een bekend voorbeeld van zo’n afwijking is het bezitseffect (endowment effect). Dat is het verschijnsel dat mensen meer waarde toekennen aan een voorwerp zodra ze het bezitten. In recent
onderzoek is aangetoond dat kapucijnaapjes eveneens een bezitseffect kennen
(Lakshminaryanan et al., 2008). Zulke resultaten wijzen erop dat biases in
ons keuzegedrag gebaseerd zijn op evolutionair oude neurale systemen, die
bij zowel mensen als dieren aanwezig zijn.
Een kernonderwerp van de neuro-economie is hoe hersenen het nut van een
keuzealternatief berekenen (Knutson et al., 2005) en hoe de hersenen omgaan
met risico’s en onzekerheid bij financiële besluitvorming (Kuhnen en Knutson, 2005). De economische nutstheorie vormt daarbij het referentiekader.
Immers om een keuze te kunnen maken dient het brein van elk alternatief de
waarde te bepalen om vervolgens het alternatief met de hoogste waarde te
kiezen. In het boek van Paul Glimcher (2011), een van de grondleggers van
de neuro-economie, worden de meest recente inzichten op dit gebied van de
waardering en keuze van alternatieven fraai samengebracht (zie ook Fehr en
Rangel, 2011). Een belangrijk inzicht is dat ‘nut’ per definitie relatief is:
hersenen zijn gebouwd om vooral verschillen tussen stimuli waar te nemen
(bijvoorbeeld verschillen in lichtintensiteit of geluidssterkte). Ook bij het
berekenen van het nut van een keuzealternatief blijkt dat het brein gevoeliger
is voor relatieve winsten en verliezen dan voor de absolute waarde van een
alternatief (zogenaamde reference dependent valuation). Dit is uiteraard in
tegenspraak met de economische rationele keuzetheorie, maar geeft een veel
betere beschrijving van werkelijk keuzegedrag. Dit principe van de relatieve
waardering van alternatieven ten opzichte van een referentiepunt vormt ook
de basis van de bekende prospecttheorie van Kahneman en Tversky uit 1979
(zie Kahneman, 2011). Een andere robuuste bevinding na tien jaar neuroeconomisch onderzoek is dat het ventrale striatum (met als belangrijk onderdeel de nucleus accumbens) en de mediale prefrontale cortex kernstructuren
zijn die het nut van een alternatief, op het moment van keuze, representeren
en daarmee het gedrag sturen.
Daarnaast is in de neuro-economie inmiddels veel onderzoek uitgevoerd naar
de hersenmechanismen achter diverse economische afwijkingen van het rationele model en anomalieën, zoals de afkeer van verlies (loss aversion) (Tom et
al., 2007), framing (De Martino et al., 2006) en de overdreven sterke waardering voor onmiddellijk te verkrijgen uitkomsten ten opzichte van uitgestelde
beloningen (temporal discounting; McClure et al., 2004; Kable en Glimcher,
2007).
In dit artikel kan ik slechts enkele bevindingen behandelen die illustreren hoe
kennis van het brein ons helpt om keuzes beter te verklaren. Voor een uitgebreidere behandeling van de neuro-economie verwijs ik naar Klucharev en Smidts
(2009): dat een belangrijke basis vormde voor het eerste deel van dit artikel. Ik
beperk mij hier tot een illustratie van neuro-economisch onderzoek naar achtereenvolgens impulsiviteit, framing en de invloed van de sociale context op ons
66
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
gedrag. Vervolgens ga ik in op de belangrijkste praktische toepassing van neuroeconomisch onderzoek: de neuromarketing. Daarbij geef ik als voorbeeld hoe
consumenten worden beïnvloed door beroemde personen in reclame en behandel ik kort de potentiële rol van het brein in het voorspellen van (markt)gedrag.
Eerst ga ik nu nader in op de genoemde wedijver van neurale systemen.
1. Wedijver in het brein: affectieve versus deliberatieve
systemen in de hersenen
Ale Sm idts
Veel empirisch onderzoek laat zien dat het beslissingsproces vaak anders
verloopt dan wordt verondersteld in de rationele economische keuzetheorie.
De gedragseconomie laat veel voorbeelden zien hoe menselijk keuzegedrag
vaak afwijkt van het verwachte nutsmodel. Bovendien blijken voorkeuren
en keuzes niet stabiel te zijn maar gemakkelijk door de context veranderd
te worden (Klucharev en Smidts, 2009). In de psychologie is daarom voorgesteld dat er mogelijk twee gescheiden systemen voor informatieverwerking bestaan: een snel, automatisch en onbewust systeem (systeem 1) en een
traag, deliberatief en bewust systeem (systeem 2; Kahneman, 2003). Evolutionair gezien is systeem 1 oud, terwijl systeem 2 relatief nieuw is. Psychologen spreken in dit verband van duale proces modellen. Systeem 1 produceert als het ware een snel intuïtief antwoord op een keuzeprobleem, terwijl
systeem 2 de kwaliteit van die eerste response beoordeelt en over kan gaan
tot bijstelling of zelfs tot volledige correctie van de initiële keuze. Het recente boek van Kahneman (2011) biedt een fraaie en leesbare duiding van
menselijk keuzegedrag in het licht van dit snelle versus langzame model.
Een andere benaming voor deze systemen is respectievelijk het affectieve en
het deliberatieve systeem.
Het bestaan van meerdere systemen die betrokken zijn bij keuzes is juist ook
een kerngedachte binnen de neurowetenschap en neuro-economie. Zoals
boven al is gesteld veronderstelt men dat er verschillende complexe neurale
netwerken betrokken zijn bij het waarderen van keuzealternatieven en dat de
balans tussen de systemen vervolgens de uiteindelijke keuze bepaalt. Hoewel
er veel discussie is over het precieze aantal waarderingssystemen en de reikwijdte ervan, staat wel vast dat gedrag tenminste beïnvloed kan worden door
zogenaamde pavloviaanse, habituele en doelgerichte waarderingssystemen
(Rangel et al., 2008). De eerste twee neurale systemen zijn in hoge mate geautomatiseerd, terwijl het doelgerichte systeem veel meer cognitief gecontroleerd en weloverwogen is. Historisch gezien is er geen een-op-eenkoppeling
tussen deze drie neurale waarderingssystemen en de duale modellen uit de
psychologie, maar er is wel een duidelijke overeenkomst. Globaal gesproken
vallen pavloviaanse en habituele systemen onder systeem 1, terwijl het doelgerichte systeem valt onder systeem 2. Neuro-economisch onderzoek richt
zich momenteel voornamelijk op de interactie tussen de affectieve (systeem 1)
en deliberatieve (systeem 2) stromen van duale modellen (Klucharev en
67
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Smidts, 2009). Een mooie illustratie van de interactie tussen deze systemen is
impulsiviteit in keuzegedrag.
2. Impulsiviteit en zelfbeheersing: intertemporele keuzes
Ale Sm idt s
Een belangrijke keuze die mensen dagelijks maken is die tussen onmiddellijke behoeftebevrediging (een kortetermijnwinst) versus uitgestelde behoeftebevrediging (een langetermijnwinst). Een bekend voorbeeld is de keuze tussen chocoladetaart als toetje (heerlijk rijk van smaak, maar bevat veel
calorieën) of een fruitsalade (wellicht iets minder lekker, maar veel gezonder). Andere voorbeelden van de spanning tussen het nu en de toekomst
zijn sparen voor later, investeren in een opleiding, investeren in een duurzame bedrijfsvoering, toonladders oefenen, niet roken en meer bewegen. Een
verstandige keuze is vaak die waarbij voldoende rekening wordt gehouden
met de consequenties van het huidige gedrag op de lange termijn. Mensen
verschillen echter sterk in de mate waarin men die langere-termijnconsequenties meeneemt in zijn keuzes. Sommigen zijn erg ongeduldig en sterk
gericht op onmiddellijke
behoeftebevrediging. Waar psychologen bij dergelijke keuzes spreken over
impulsiviteit en (gebrek aan) zelfbeheersing, spreken economen over verschillen in temporele verdiscontering (temporal discounting): hoe wordt een toekomstig (en beter) alternatief verdisconteerd naar het heden?
Bij intertemporele keuzes draait het om de relatieve waarde die mensen toekennen aan twee of meer beloningen op verschillende tijdstippen. Als mensen mogen kiezen tussen € 15 nu of € 15 euro over een week dan zal iedereen voor nu € 15 kiezen. Bij een keuze tussen € 15 nu en € 50 over een
week zal vrijwel iedereen voor € 50 over een week kiezen. De meeste mensen zijn graag bereid een week te wachten om € 35 extra te verkrijgen. Het
punt waar iemand de hogere latere beloning kiest verschilt echter tussen
personen; sommigen zijn bereid voor € 5 een week te wachten, anderen
wachten alleen als ze minimaal € 10 extra krijgen et cetera. Met dit soort
keuzes kan worden bepaald in welke mate iemand bereid is onmiddellijke
behoeftebevrediging uit te stellen en het vormt daarmee een directe maat
van de impulsiviteit en geduld van een persoon. Dergelijke hypothetische
vragen van € 15 nu versus € 20 over een maand lijken op het eerste gezicht
erg abstract, maar uit divers onderzoek is gebleken dat de antwoorden op
deze hypothetische keuzes opmerkelijk goed het werkelijke gedrag voorspellen zoals spaargedrag (Ashraf et al., 2006), eetgedrag leidend tot overgewicht (Weller et al., 2008) en impulsief en riskant gedrag als gokken en
onveilige seks (Chabris et al., 2008). Overigens komt uit veel onderzoek het
verschijnsel van hyperbolische verdiscontering naar voren. Dit houdt in dat
mensen een overdreven hoge waarde toekennen aan beloningen die snel
verkregen kunnen worden; ons menselijk brein heeft een duidelijke voorkeur voor kleinere directe beloningen ten opzichte van hogere uitgestelde
beloningen.
68
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
H E R S ENPROCESSEN EN IMPU LS IEF G ED R A G
Ale Sm idts
Wat is nu het onderliggende hersenmechanisme bij intertemporele keuzes? De
afweging tussen de kortetermijn- en langetermijnvoorkeuren kan gezien worden als de spanning tussen systeem 1 en 2. Hierbij zou gerichtheid op de korte
termijn dan worden gereguleerd door het emotionele systeem 1, terwijl gerichtheid op de lange termijn zou worden gereguleerd door het deliberatieve systeem 2 (Klucharev en Smidts, 2009). In een zeer invloedrijk neuro-economisch
onderzoek van McClure et al. (2004) werd dit idee bevestigd en gepreciseerd.
Sam McClure liet mensen in de fMRI-scanner een groot aantal intertemporele
keuzes maken (zoals € 50 nu versus € 60 over een maand) en hij bepaalde op
basis daarvan hoe ongeduldig iemand was. De mate van ongeduld bleek nu
sterk gerelateerd aan de balans (wedijver) tussen activatie van de zogenaamde
bèta-gebieden versus die van de delta-gebieden. Als de bèta-gebieden de overhand hadden dan koos men voor het nu, als de delta-gebieden de overhand
hadden voor de toekomst. De bèta-gebieden betroffen onder meer het ventrale
striatum en de mediale orbitofrontale cortex, beide klassiek limbische (emotionele) structuren (het affectieve systeem). Delta-gebieden zijn de dorsolaterale
prefrontale cortex en aanverwante hersenstructuren die de hogere cognitieve
functies van planning en controle representeren (het deliberatieve systeem).
Het onderzoek van McClure toont derhalve aan dat ongeduld (bèta-systeem)
verband houdt met limbische structuren. Een interessante (en verontrustende)
implicatie hiervan is dat mensen dus ook ongeduldiger en impulsiever kunnen
worden als hun limbische systeem wordt geactiveerd door andere, irrelevante
oorzaken, bijvoorbeeld seksuele opwinding of een opgewekte stemming. Van
den Bergh et al. (2009) hebben inderdaad aangetoond dat als mannen werden blootgesteld aan seksuele signalen (bijvoorbeeld door hen vrouwelijk
ondergoed in handen te geven en die te laten beoordelen op kwaliteit van het
materiaal) zij hierdoor ongeduldiger werden bij intertemporele keuzes met
betrekking tot geld en streefden naar onmiddellijke bevrediging.
Al met al bevestigen de onderzoeksresultaten van McClure de hypothese van
duale informatieverwerking en tonen zij een wedijver tussen emotionele en
deliberatieve neurale netwerken bij intertemporele keuzes. Tevens is er nu een
directe verbinding gelegd tussen de psychologische literatuur over impulsiviteit en zelfbeheersing, de economische literatuur over intertemporele keuzes
en de neurowetenschappelijke literatuur over de functie van het affectieve en
deliberatieve systeem (bèta- en delta-gebieden). Er is als het ware een nieuwe
taal ontstaan die de drie monodisciplines koppelt en het mogelijk maakt om
over het gedrag zinvol onderling van gedachten te wisselen.
3. Framing
Veel economische keuzes blijken erg gevoelig voor de context. Een zeer
bekend en robuust effect van de context op besluitvorming is de zogenaamde
framing van het probleem (Tversky en Kahneman, 1981). Framing is het
69
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Ale Sm idt s
fenomeen dat beslissers andere keuzes maken afhankelijk van hoe de keuzealternatieven worden gepresenteerd, terwijl de werkelijke keuzes gelijk zijn.
Zo is er objectief gezien geen verschil tussen een product dat 25% vet genoemd wordt en een product dat 75% mager is; evenzo zou de beslissing of
er wel of niet een vaccinatiecampagne gehouden moet worden op een eiland
van zeshonderd personen niet mogen afhangen van de vraag of gezegd wordt
dat tweehonderd personen gered zullen worden of dat vierhonderd personen
zullen sterven, maar psychologisch en in keuzegedrag blijken deze verschillende frames veel uit te maken.
In het bijzonder treedt het framingeffect op bij risicogedrag in het kader van
een winst- versus een verliesscenario. Stelt u zich twee scenario’s voor. In het
eerste scenario (dat noemen we het ‘winstframe’-scenario) ontvangt u € 50
om mee te doen aan het onderzoek. Vervolgens wordt u gevraagd een keuze
te maken tussen twee opties: Behoud € 20 of doe mee aan een loterij waarin
er 40% kans is om alles (€ 50 euro) te behouden en 60% kans om alles te
verliezen. In het tweede scenario (het ‘verliesframe’-scenario) krijgt u ook
€ 50, maar wordt u de keuze gegeven tussen: verlies € 30 of doe mee aan een
loterij met 40% kans om alles te behouden en 60% kans om alles te verliezen. Objectief gezien zijn beide keuzes gelijk: een keuze tussen een zeker bezit
van € 20 tegenover 40% kans op € 50 en 60% kans op 0. Rationele beslissers die het verwachte nutsmodel volgen zouden in beide scenario’s dezelfde
keuze moeten maken. Het blijkt echter dat mensen vaak de veilige, risicomijdende optie van € 20 kiezen in het winstframe en juist voor de loterij kiezen
in het verliesframe. Het framen van de keuze in een winst (behoud € 20 van
de € 50) of een verlies (verlies € 30 van de € 50) bepaalt dus het keuzegedrag.
Een mogelijke verklaring voor dit merkwaardige gedrag is dat de emotionele
betekenis van de woorden ‘behoud’ en ‘verlies’ fundamenteel verschilt. Daarbij zijn beslissers normaal gesproken risicozoekend bij verliezen en risicomijdend bij winsten (prospecttheorie, zie Kahneman, 2011).
H E R S E NPROCESSEN BIJ FR A MIN G
Het framingeffect werd in de scanner onderzocht door De Martino et al.
(2006). Hij liet mensen een hele serie keuzes maken tussen een vast bedrag en
een loterij zoals boven omschreven. Het bleek dat activiteit van de amygdala
(een deel van het affectieve systeem 1) het asymmetrische patroon van de
keuze door de framing kon verklaren: er was een sterkere amygdala-activatie
wanneer mensen de natuurlijke en intuïtieve beslissing namen: de veilige optie in het winstframe en de risicovolle optie in het verliesframe. Soms koos
een persoon echter niet voor de natuurlijke reactie en koos men bijvoorbeeld
voor de risicovolle optie in het winstframe of de veilige optie in het verliesframe. In dergelijke tegennatuurlijke keuzes bleek de anterieure cingulaire
cortex (ACC) zeer actief (deel van het deliberatieve systeem 2). Dit gebied is
betrokken bij het monitoren en reguleren van conflicten. Dit suggereert dat
als een individu een keer weerstand biedt aan de natuurlijke reactie van het
affectieve systeem 1, dit door het brein als een conflict wordt ervaren.
70
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
Ale Sm idts
Interessant aan het onderzoek van De Martino was verder dat hij grote verschillen vond tussen personen in hun gevoeligheid voor framing. Sommige personen vertonen zelden framinggedrag (zij maken consistent rationele keuzes),
terwijl anderen heel consistent framinggedrag vertonen (zij volgen consistent
hun emotionele keuze). Het bleek dat activatie van de mediale orbitofrontale
cortex dit verschil tussen individuen kon verklaren. Dit gebied speelt een belangrijke rol in het integreren van informatie van het affectieve en deliberatieve
systeem en is derhalve belangrijk bij het reguleren van emoties. Het gebied
staat tevens in directe verbinding met de amygdala. Een sterkere emotionele regulatie zorgt er dus voor dat mensen minder gevoelig zijn voor framing.
De cruciale rol van de amygdala en de mediale orbitofrontale cortex bij framing werd bevestigd in vervolgonderzoek waarin gekeken werd naar genetische verschillen (Roiser et al., 2009). Daarbij ging de aandacht uit naar het zogenaamde serotonine transporter gen (SERT), waarvan bekend is dat het van
invloed is op amygdala-activiteit. Mensen met de zogenaamde korte
allel-versie van dit gen hebben hogere niveaus van serotonine waardoor er een
sterkere activatie optreedt van de amygdala als reactie op emotionele stimuli
dan bij mensen met de lange allel-versie van het gen. Inderdaad bleken mensen
met de korte allel-versie veel gevoeliger voor het framingeffect. Tevens bleek
dat de verbinding tussen mediale orbitofrontale cortex en de amygdala bij die
personen sterker en efficiënter was. Met andere woorden: een betere verbinding
tussen beide hersenstructuren zorgt ervoor dat de terugkoppeling van de frontale cortex sterker is waardoor een rationelere keuze wordt bereikt.
Samengenomen betekent het dat we opnieuw zien dat de balans tussen de
emotionele reactie (systeem 1) en de regulatie daarvan (systeem 2) bepaalt
hoe sterk iemand een framingeffect vertoont. En bovendien dat er individuele
verschillen in rationaliteit zijn die een genetische oorsprong hebben.
4. De invloed van anderen op keuzegedrag
Tot nu toe sprak ik over individueel keuzegedrag. De mens is echter een sociaal dier en daarom speelt de sociale context een belangrijke rol bij veel beslissingen. Er bestaat inmiddels een rijke stroom van onderzoek naar hersenprocessen in sociale interacties. Hierbij worden kernbegrippen als altruïsme, vertrouwen, coöperatie, competitie, eerlijkheid en wraak onderzocht. Kennis van
de biologische basis van deze processen is belangrijk voor zowel de samenleving als voor organisaties. Op basis van bekende keuzesituaties uit de speltheorie zoals het ultimatum spel en het dictator spel worden deze fundamentele
processen onderzocht. Rilling en Sanfey (2011) geven een uitstekende samenvatting van de recente inzichten van hersenonderzoek bij sociale interacties.
Hersenonderzoek naar sociale interactie is geen sinecure omdat mensen alleen
in de fMRI-scanner liggen. Het creëren van een sociaal relevante context vergt
daarom veel creativiteit. Een voorbeeld van eigen onderzoek naar sociale interactie betrof conformisme: de neiging om onze mening en ons gedrag aan te
passen in de richting van personen die belangrijk voor ons zijn (zoals vrienden,
71
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Ale Sm idt s
familie en collega’s). Wij lieten personen in de scanner een groot aantal gezichten beoordelen op aantrekkelijkheid (Klucharev et al., 2009, 2011). Nadat zij
hun eigen oordeel hadden gegeven kregen zij het oordeel te zien van anderen
over hetzelfde gezicht. Dat oordeel was soms positiever, soms negatiever en
soms gelijk aan het eigen oordeel. Een half uur na scanning werd hen gevraagd
de 222 gezichten opnieuw te beoordelen. Het bleek dat men het oordeel over
het gezicht had aangepast in de richting van de groepsmening: men was positiever (negatiever) geworden over een gezicht als de groep positiever (negatiever)
was geweest en hun oordeel was gelijk gebleven als de groepsmening overeen
kwam met de eigen mening. Kortom: de eigen mening was automatisch aangepast. Uit de analyse van de hersenprocessen bleek dat aanpassing in de richting
van de groep gedreven werd door een sterke activatie van de posteriore mediale prefrontale cortex (het zogenaamde foutmeldingsgebied) en een de-activatie
van de nucleus accumbens. Beide gebieden maken deel uit van het dopamine
gedreven netwerk dat de basis vormt van leren door straf en beloning. Simpel
gesteld, afwijken van de groep genereert in het brein een foutmelding en voelt
als een straf. Deze signalen zorgen ervoor dat we onze mening aanpassen. Tevens bleek dat individuen verschillen in de mate van conformisme. Een detailanalyse liet zien dat juist de sterkte van de de-activatie van de nucleus accumbens voorspellend was voor de mate waarin een individu zich aanpaste in de
richting van de groep.
Zoals gesteld in Smidts et al. (2012) laat dit voorbeeld zien dat ook complex
sociaal gedrag zo gemodelleerd kan worden dat het onderzocht kan worden
in een fMRI-scanner. Het gedrag van relevante personen in de omgeving (bijvoorbeeld binnen het gezin of de vriendenkring) en de daarmee samenhangende sociale normen hebben een sterke invloed op ons gedrag. Ons onderzoek toont aan dat een zeer basaal en automatisch proces ten grondslag ligt
aan dit aanpassingsgedrag aan de groep. Dit fundamentele proces verklaart
wellicht kuddegedrag op financiële markten of waarom bij hotelgasten het
hergebruik van badhanddoeken substantieel toeneemt, als er in hun hotelkamer een kaartje hangt met de boodschap ‘75% van de gasten in deze hotelkamer hergebruiken hun badhanddoek’. Het expliciet maken van de sociale
norm geeft onbewust een sterke hersenimpuls om het gedrag aan te passen.
In het geval van de badhanddoeken werkte dat beter dan het geven van allerlei rationele argumenten over energie- en milieubesparing. Dergelijke sociale
norminformatie kan voldoende zijn voor mensen om mee te gaan met deze
norm. Dit omdat men dan de meest fundamentele sociale fout voorkomt – te
verschillend zijn van anderen. Gelukkig kan ook het deliberatieve systeem 2
geactiveerd worden om deze automatische neiging te corrigeren en daarmee
uitwassen van kuddegedrag te voorkomen.
5. Neuro-economie in de praktijk: neuromarketing
Een belangrijk toepassingsveld van neuro-economisch onderzoek is neuromarketing. Andere toepassingsgebieden zijn bijvoorbeeld neurofinance,
72
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
Ale Sm idts
neuro-ethiek en neuroIS, maar het marketingveld heeft als een van de eerste
ingezien dat kennis van het brein van groot belang zou kunnen zijn bij het
begrijpen en voorspellen van consumentengedrag (Smidts, 2002; Ariely en
Berns, 2010). Methoden als EEG en fMRI bieden de mogelijkheid om bij
marktonderzoek niet meer alleen te vertrouwen op wat klanten in enquêtes
zeggen over een product, merk of reclame, maar rechtstreeks te meten hoe
hun brein reageert op bijvoorbeeld een advertentie of een nieuw verpakkingsontwerp. Het doel van neuromarketing is omschreven als het beter begrijpen
van de klant en haar reactie op marketingstimuli (zoals product, reclame, assortiment) door de processen in de hersenen direct te meten en in de theorievorming en stimuli-ontwikkeling te betrekken (Smidts, 2002). Voor de marketingpraktijk is het einddoel derhalve om op basis van de hersenreacties
effectievere stimuli te ontwikkelen (bijvoorbeeld een product dat gezond
maar toch lekker is, of een reclame die meer aandacht trekt, beter onthouden
wordt en een positievere attitude tegenover het merk bewerkstelligt).
Inmiddels zijn er al veel neuromarketingbedrijven die hun diensten aanbieden
met redelijk groot succes. Hierbij valt op dat neuromarketing breed gedefinieerd
wordt. Niet alleen bedrijven die hersenreacties meten door middel van EEG of
fMRI afficheren zich als neuromarketeer, maar ook marktonderzoekers die conventionele psycho-fysiologische technieken toepassen zoals oogbewegingsonderzoek, het meten van hartslag en huidweerstand en (automatische) classificatie
van gezichtsuitdrukkingen (face reading). Van de bedrijven die hersenscans toepassen maken de meesten gebruik van EEG in het bijzonder voor het analyseren
van reclame (bijvoorbeeld Neurofocus en Neuroinsight), terwijl er relatief weinig
gebruik wordt gemaakt van fMRI. Een uitzondering daarop is Neurensics in
Nederland. Overigens is Neurofocus in 2011 aangekocht door Nielsen, het oudste en grootste marktonderzoekbureau ter wereld, wat aangeeft dat ook traditionele marktonderzoekers brood zien in de neurobusiness.
B E KE NDE PERSONEN IN R EC LA ME
Wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de neuromarketing (of meer
in het algemeen consumer neuroscience) is bijvoorbeeld uitgevoerd naar hoe
het brein reageert op bekende en onbekende merken, hoe reclame effect heeft
op geheugen en attitude, en wat het effect is van de prijs op de beoordeling
van een product (zie bijvoorbeeld Plassmann et al. (2012) en Yoon et al.
(2012) voor een recent overzicht van de belangrijke studies en inzichten).
Ons eigen onderzoek heeft zich gericht op de verklaring waarom (en wanneer) beroemde personen in reclame een positief effect hebben op geheugen
en koopintentie (Klucharev et al., 2008; Stallen et al., 2010). Beroemde personen worden zeer frequent in reclame toegepast en er worden hoge bedragen betaald voor hun aanprijzing. De vraag is dan gerechtvaardigd waarom
bijvoorbeeld George Clooney zoveel effect heeft bij het aanprijzen van een
bepaald koffiemerk.
In het geval een bedrijf gekozen heeft om een reclamecampagne met een
bekende persoon te ontwerpen, dan biedt het volgende breingebaseerde drie
73
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
fasenmodel een handvat bij het selecteren van de bekende persoon: aan welke
kenmerken dient hij of zij te voldoen om effectief te zijn? De volgende drie
keuzes zijn cruciaal:
Ale Sm idt s
1. Kies een zeer bekend gezicht
Ten eerste dient de reclamecampagne de kans te maximaliseren om de aandacht te trekken door een gezicht te selecteren dat bij de doelgroep zeer bekend is. Omdat gezichten zo cruciaal zijn voor ons overleven (onder andere
om snel te kunnen bepalen of iemand te vertrouwen is of een bedreiging
vormt: binnen een tiende van een seconde hebben we ons een oordeel gevormd over iemands betrouwbaarheid (Willis en Todorov, 2006)) is het brein
gespecialiseerd in het herkennen en emotioneel duiden van gezichten. In een
drukke straat lopend zal uw brein automatisch gezichten scannen. Zodra een
bekend gezicht voorbij komt, zal dit gezicht uw aandacht trekken en is de
kans groot dat u die persoon bewust waarneemt en er aandacht aan besteedt.
Dit proces verloopt snel en automatisch. Met reclame werkt dit op een vergelijkbare manier. In onze huidige mediarijke samenleving wordt ons brein dagelijks overspoeld met talloze reclame-uitingen op tv, op straat, in tijdschriften of op internet. De kans dat de klant aandacht besteedt aan de reclame (en
derhalve ook aan het geadverteerde merk) wordt vergroot als er een bekend
gezicht voorbij komt. Kortom: met een bekend gezicht is er een grotere kans
om door de advertising clutter te breken.
2. Kies een persoon die geloofwaardig is voor het product
De tweede voorwaarde voor een effectieve reclamecampagne is een geloofwaardige verbinding tussen de bekende persoon en het product of merk. Dit
wordt ook wel de expertiseverbinding genoemd. Voor de consument moet de
combinatie logisch en duidelijk zijn gegeven de kennis die men heeft over de
bekende persoon en het betreffende product. Terwijl de tennisser Novak
Djokovic wel een duidelijke en geloofwaardige combinatie vormt met bijvoorbeeld een sportschoen of deodorant zal hij niet direct gekoppeld worden
aan een laptop of thee. Karin Bloemen past uitstekend bij een cholesterolverlagende margarine gezien haar leeftijd en postuur. Consumenten zullen het
geloofwaardig vinden dat zij mogelijk cholesterolproblemen heeft waarvoor
zij waarschijnlijk een oplossing heeft gevonden (de margarine) en waardoor
haar advies kan worden opgevolgd. Het brein verwerkt zo’n logische koppeling uiterst snel en voornamelijk emotioneel. Vaak zal pas na cognitieve verwerking in een latere fase de logica van de verbinding bestendigd worden.
Ons hersenonderzoek met fMRI (Klucharev et al., 2008; Smidts et al., 2009)
liet zien dat als er een geloofwaardige verbinding is tussen de bekende persoon en het product er twee effecten optreden: 1) de hippocampus (een cruciaal gebied voor het geheugen) wordt sterker geactiveerd waardoor het product/merk beter opgeslagen wordt in het langetermijngeheugen (zodat het
product/merk op het aankoopmoment gemakkelijker herinnerd wordt), en 2)
door een sterkere activatie van een kerngebied betrokken bij leren en beloning (de nucleus caudatus) vindt er een emotionele opwaardering plaats van
74
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
het product. Dit leidt tot een positievere attitude en een grotere koopintentie.
Zonder een geloofwaardige verbinding vinden dergelijke hersenprocessen niet
of minder sterk plaats waardoor de reclame letterlijk het ene oor in en het
andere oor uit gaat en er ook geen emotionele herwaardering is van de stimulus. De bekende persoon vormt derhalve de context waarin het product beoordeeld wordt en alleen een geloofwaardige context heeft positieve gevolgen
op het brein en keuzegedrag.
Ale Sm idts
3. Maximaliseer de overige positieve kenmerken van de persoon
Tot slot de derde voorwaarde voor een succesvolle campagne. Gegeven een
hoge bekendheid en een geloofwaardige koppeling met het product, moet de
bekende persoon fysiek aantrekkelijk zijn, te vertrouwen zijn, aardig gevonden worden en kunnen optreden als rolmodel. Dergelijke positieve eigenschappen bevorderen namelijk de zogenaamde affect transfer. Hiermee wordt
bedoeld dat (positieve) associaties van de persoon automatisch en onbewust
verbonden worden aan het product. Hierdoor wordt de attitude tegenover
het product positiever. Uit ons hersenonderzoek (Stallen et al., 2010) bleek
dat een beroemde persoon sterke geheugenassociaties oproept. Dit betreft
zowel algemene kennis over de persoon (actrice X speelde in film A en houdt
van honden en snelle auto’s) alsook autobiografische herinneringen van de
persoon in verband met die bekende persoon (bijvoorbeeld de herinnering aan
een plezierige avond toen men samen met een vriendin naar film A keek met
actrice X). Door bekende personen te gebruiken die (veel) positieve associaties
oproepen bij de doelgroep, kunnen deze positieve associaties overgedragen
worden op het product. In het brein was affect transfer meetbaar in een sterkere activatie van de mediale orbitofrontale cortex (een gebied dat het ‘nut’
van een keuzealternatief representeert (zie boven)). Aangezien herinneringen
cruciaal blijken te zijn voor een effectieve overdracht van affect, is het aanbevelingswaardig om in reclames geheugensteuntjes op te nemen zoals de naam
van de bekende persoon of een recente film waarin hij/zij gespeeld heeft.
Samengevat blijkt dat bestudering van het onderliggende hersenproces
belangrijke informatie oplevert die in dit geval reclamemakers kan helpen bij
het selecteren van een geschikte bekende persoon voor een reclamecampagne.
Aangezien geschat wordt dat de helft van de campagnes met een bekende
persoon mislukt (Rossiter en Smidts, 2012), lijkt er in de praktijk niet adequaat geselecteerd te worden. Gezien de hoge kosten van het inhuren van een
bekende persoon (zeker bij internationale reclamecampagnes) zou een hersenscan bij de doelgroep naar de effectiviteit van een bekende persoon die men
overweegt in te huren, van grote waarde kunnen zijn.
NE U R AL E FOCUSGR OEPEN : D E MA R K T V OOR S P E L L E N O P B A S I S VA N H E R S E N R E A C T I E S
Naast aandacht voor het onderliggende proces van consumentengedrag komt
er steeds meer onderzoek naar de waarde van zogenaamde neural focus groups
om het gedrag van consumenten in de markt te voorspellen. Het doel hierbij is
75
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Ale Sm idt s
om een marketingstimulus zoals een nieuw reclamefilmpje of een nieuw verpakkingsontwerp met fMRI of EEG te testen bij een relatief kleine vertegenwoordiging uit de doelgroep (ongeveer 30 personen) om daarmee het effect te
voorspellen van het product of de reclame in de markt. Dit onderzoek staat
weliswaar nog in de kinderschoenen, maar de eerste resultaten zijn hoopgevend. Zo hebben Berns en Moore (2011) onlangs laten zien dat de hersenreactie op nieuwe popsongs van 27 jongeren in de fMRI-scanner (gemeten in
2006) voorspellend was voor het succes van die popsongs in de Amerikaanse
markt (gemeten door de cumulatieve verkopen van een popsong in de jaren
2007-2010). Het effect was nog niet zo sterk (een correlatie van 0,32 dus zo’n
9% verklaarde variantie van de verkoop), maar wel statistisch significant. Dit
is een opmerkelijk resultaat, omdat blijkbaar de gemiddelde activiteit van 27
breinen in reactie op een nieuwe popsong iets zegt over hoe de Amerikaanse
populatie/markt deze waardeert. De meest opmerkelijke bevinding was echter
dat de traditionele vorm van marktonderzoek waarbij mensen wordt gevraagd
op schaaltjes aan te geven hoe positief of negatief ze zijn over het product (in
dit geval gaven de 27 jongeren per popsong aan hoe positief ze daarover waren) niet voorspellend was voor de verkoop.
Vergelijkbare resultaten zijn gevonden door Emily Falk in een serie van onderzoeken onder rokers die willen stoppen met roken (Falk et al., 2010, 2011,
2012). In haar meest recente onderzoek uit 2012 liet zij rokers in de fMRIscanner reclamefilmpjes zien van drie verschillende campagnes A, B en C. De
drie reclamecampagnes verschilden in argumentatie en aanpak om rokers te
bewegen te stoppen, maar alle reclamefilmpjes waren zogenaamde
1-800-QUIT-NOW-advertenties die opriepen om het genoemde nummer te bellen voor advies en steun bij het stoppen. In de scanner gaven de rokers ook een
beoordeling van elk filmpje op een aantal uitspraken, bijvoorbeeld, ‘deze reclame motiveert mij om te gaan stoppen’, ‘de argumenten in deze reclame spreken
mij aan’. De drie campagnes werden vervolgens ook daadwerkelijk op televisie
uitgezonden. Door het aantal personen dat belde voor advies naar aanleiding
van campagne A, B of C te registreren, kon vastgesteld worden welke campagne het meest overtuigend was en rokers daadwerkelijk aanzette tot stopgedrag.
Het bleek nu dat het oordeel van de rokers over reclames niet verklarend was
voor het gegenereerde aantal bellers door een campagne, maar dat hun hersenreactie juist wel voorspellend was! Opnieuw hoopgevende resultaten over het
nut van neurale focusgroepen bij het evalueren en selecteren van nieuwe producten en communicatiecampagnes. Overigens is het noodzakelijk om deze resultaten in uitgebreider en beter opgezet onderzoek te valideren. Verder wetenschappelijk onderzoek is ook zeker nodig om de sterke en vaak overdreven
claims van neuromarketingbedrijven op hun waarde te wegen.
6. Conclusie
De neuro-economie heeft zich in tien jaar tijd stormachtig ontwikkeld. Onze
recente studie laat zien (Levallois et al., 2012) dat de neuro-economie als vak76
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
Ale Sm idts
gebied inderdaad een unieke interdisciplinaire samenwerking betreft. Teams
van biologen/neurowetenschappers, psychologen en economen werken samen
om economisch keuzegedrag te analyseren. Dat is op deze wijze nog niet eerder vertoond in de geschiedenis. Bovendien bleek uit deze studie dat gebalanceerde interdisciplinaire teams (teams waarin geen enkele monodiscipline de
overhand heeft) een centrale rol spelen in het netwerk van neuro-economen
en ook een grotere invloed hebben op de ontwikkeling van het veld. Kortom:
interdisciplinariteit werpt zijn vruchten af. Neuro-economen zijn tevens in
staat gebleken om in neurowetenschappelijke toptijdschriften als Neuron en
Journal of Neuroscience te publiceren, evenals in multidisciplinaire toptijdschriften als Science, Nature Neuroscience en PNAS. De neuro-economie
heeft daarmee vooral invloed op de neurowetenschappen. Het is veelbelovend om te zien hoe de samenballing van kennis uit drie monodisciplines ons
kan helpen keuzegedrag beter te begrijpen. Op basis van deze groei in kennis
mag ook verwacht worden dat er op termijn betere interventies en effectiever
beleid ontwikkeld kan worden om bijvoorbeeld gezond en duurzaam gedrag
te stimuleren. Opvallend is echter tevens dat de invloed van de neuro-economie op de economische wetenschap vooralsnog beperkt lijkt en dat economische tijdschriften nog niet echt open staan voor bijdragen vanuit de neuroeconomie (Levallois et al., 2012). Met deze trage acceptatie lijkt zich de
geschiedenis van de experimentele economie en gedragseconomie te herhalen.
We verwachten echter dat het slechts een kwestie van tijd is dat ook de economische wetenschap de grote betekenis van de neurobiologie in menselijk
gedrag leert waarderen. Neuro-economie kan daarbij optreden als een lingua
franca of handelstaal om de verschillende monodisciplines effectief met elkaar te laten samen werken in het oplossen van de grote problemen in de samenleving en in organisaties die juist interdisciplinair van aard zijn.
UI TD AGINGEN V OO R D E N EU R O- EC ON OMIE
Neuro-economie is wel nog steeds een jong veld van onderzoek en het kent
nog vele uitdagingen. Nieuwe methoden en technieken die de ontwikkeling
van neuro-economie verder zullen stimuleren dienen zich aan. Een belangrijke trend is om hersenprocessen wiskundig te modeleren waardoor hypotheses
veel scherper getest kunnen worden (de zogenaamde computational neuroscience, zie bijvoorbeeld Fehr en Rangel, 2011). Daarnaast worden er nieuwe
analysetechnieken zoals machinaal leren en classificatietechnieken uit de
kunstmatige intelligentie toegepast. Hiermee kunnen patronen in het brein
opgespoord worden waarmee gedrag voorspeld kan worden. Juist deze nieuwe technieken lijken zeer veelbelovend voor vraagstukken binnen de neuromarketing (Ariely en Berns, 2010). Ook de rol van genen en hormonen in
keuzegedrag is van groeiende betekenis in het bijzonder bij het begrijpen van
sociale interacties.
Daarnaast zijn er een aantal inhoudelijke uitdagingen. Voor het voeren van
adequaat economisch beleid en bij managementbeslissingen is het belangrijk
om rekening te houden met verschillen tussen individuen en culturen. De eco77
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Ale Sm idt s
nomische wetenschap heeft daar relatief weinig over te zeggen, maar de neurowetenschappen hebben juist een grote kennis van structurele en functionele
verschillen tussen individuen. Bijvoorbeeld hoe leeftijd en leefomstandigheden de ontwikkeling en de werking van het brein beïnvloeden. Deze kennis
kan helpen om een diepgaand inzicht te verkrijgen in de rol van bijvoorbeeld
sociaal economische status en leefgedrag op iemands functioneren en gedrag.
Om de rol van het brein bij deze individuele verschillen in economisch gedrag
adequaat in kaart te kunnen brengen zijn wel grotere hersenstudies nodig. De
huidige studies omvatten gewoonlijk slechts enkele tientallen personen. Terwijl de huidige studies vaak slechts enkele tientallen personen omvatten zullen daarvoor wel grotere studies nodig zijn om deze individuele verschillen in
economisch gedrag adequaat in kaart te brengen. Ook zal er meer aandacht
geschonken moeten worden aan de vertaling en validering van resultaten in
het laboratorium naar het veld. Aangetoond zal moeten worden dat bijvoorbeeld neurale focus groepen inderdaad zinvolle resultaten opleveren die beter
voorspellen dan simpeler methoden.
Mijn algemene conclusie is dat het succes van de neuro-economie in de eerste
tien jaar al bewijst dat de geest uit de fles is: de rol van de biologie en neurowetenschappen is niet meer te weg te denken uit de sociale wetenschappen.
Literatuur
78
Ariely, D., en G.S. Berns – Neuromarketing: The hope and hype of neuroimaging in business. – In: Nature Reviews Neuroscience 11 (2010), p. 284-292
Ashraf, N., D. Karlan, en W. Yin – Tying Odysseus to the mast: evidence from
a commitment savings product in the Philippines. – In: The Quaterly Journal
of Economics 121 (2006), p. 635-672
Bergh, B. van den, S. Dewitte, en L. Warlop – Bikinis instigate generalized impatience in intertemporal choice. – In: Journal of Consumer Research 35
(2008), p. 85-89
Berns, G.S., en S.E. Moore – A neural predictor of cultural popularity. – In:
Journal of Consumer Psychology 22 (2012), p. 154-160
Chabris, C.F., D. Laibson, C.L. Morris, J.P. Schuldt, en D. Taubinsky – Individual laboratory-measured discount rates predict field behavior. – In: Journal
Risk Uncertain 37 (2008), p. 237-269
Falk, E.B., E.T. Berkman, T. Mann, B. Harrison, en M.D. Lieberman – Predicting persuasion-induced behavior change from the brain. – In: The Journal
of Neuroscience 30 (2010), p. 8421- 8424
Falk, E.B., E.T. Berkman, D. Whalen, en M.D. Lieberman – Neural activity
during health messaging predicts reductions in smoking above and beyond
self-report. – In: Health Psychology 30 (2011), p. 177-185
Falk, E.B., E.T. Berkman, en M.D. Lieberman – From neural responses to
population behavior: Neural focus group predicts population-level media
effects. – In: Psychological Science 23 (2012), p. 439-445
Fehr, E., en A. Rangel – Neuroeconomic foundations of economic choice recent advances. – In: Journal of Economic Perspectives 25 (2011), p. 3-30
BESLISSEN EN HET BREIN
NUM M ER 6 - NOV EM BE R/ D E CE MB E R 2 0 1 2
BESLISSEN EN HET BREIN
Ale Sm idts
Glimcher, P.W. – Foundations of neuroeconomic analysis. – Oxford : Oxford
University Press, 2011
Kable, J.W., en P.W. Glimcher – The neural correlates of subjective value
during intertemporal choice. – In: Nature Neuroscience 10 (2007), p. 16251633
Kahneman, D. – Thinking fast and slow. – New York : Farrar, Straus and
Giroux, 2011
Kahneman, D. – A perspective on judgment and choice: mapping bounded
rationality. – In: American Psychologist 58 (2003), p. 697-720
Klucharev, V.A., A. Smidts, en G. Fernandez – Brain mechanisms of persuasion: how ‘expert power’ modulates memory and attitudes. – In: Social
Cognitive & Affective Neuroscience 3 (2008), p. 353-366
Klucharev, V.A., K. Hytonen, M. Rijpkema, A. Smidts, en G. Fernandez –
Reinforcement learning signal predicts social conformity. – In: Neuron 61
(2009), p. 140-151
Klucharev, V.A., en A. Smidts – Zit irrationaliteit in de aard van de mens?
De neurobiologie van besluitvorming. – In: W.L. Tiemeijer, C.A. Thomas en
H.M. Prast (red.) – De menselijke beslisser. Over de psychologie van keuze en
gedrag (p. 213-235). – Amsterdam : Amsterdam University Press, 2009
Klucharev, V.A., M.A.M. Munneke, A. Smidts, en G. Fernandez – Downregulation of the posterior medial frontal cortex prevents social conformity. – In:
Journal of Neuroscience 31 (2011) 33, p. 11934-11940
Knutson, B., J. Taylor, M. Kaufman, R. Peterson, en G. Glover – Distributed
neural representation of expected value. – In: Journal of Neuroscience 25
(2005), p. 4806-4812
Kuhnen, C.M., en B. Knutson – The neural basis of financial risk taking. – In:
Neuron 47 (2005), p. 763-770
Lakshminaryanan, V., M.K. Chen, en L.R. Santos – Endowment effect in capuchin monkeys. – In: Philosophical Transactions of the Royal Society BBiological Sciences 363 (2008), p. 3837-3844
Levallois, C., J.A. Clithero, P.F. Wouters, A Smidts, en S.A. Huettel – Translating upwards: Linking the neural and social sciences via neuroeconomics. –
In: Nature Reviews Neuroscience 13 (2012), p. 789-797
Martino, B. de, D. Kumaran, B. Seymour, en R.J. Dolan – Frames, biases, and
rational decision-making in the human brain. – In: Science 313 (2006),
p. 684-687
McClure, S.M., D.I. Laibson, G. Loewenstein, en J.D. Cohen – Separate neural systems value immediate and delayed monetary rewards – In: Science 306
(2004), p. 503-507
Plassmann, H., T.Z. Ramsoy, en M. Milosavljevic – Branding the brain: A critical
review and outlook. In: Journal of Consumer Psychology 22 (2012), p. 18-36
Rangel, A., C. Camerer, en P.R. Montague – A framework for studying the
neurobiology of value-based decision making. – In: Nature Reviews Neuroscience 9 (2008), p. 545-556
Rilling, J.K., en A.G. Sanfey – The neuroscience of social decision-making. –
In: Annual Review Psychologist 62 (2011), p. 23-48
79
NUM M ER 6 - NOV EM BER /DECE MB E R 2 0 1 2
Ale Sm idt s
Roiser, J.P., B. de Martino, G.C.Y. Tan, D. Kumaran, B. Seymour, N.W. Wood,
en R.J. Dolan – A genetically mediated bias in decision making driven by
failure of amygdala control. – In: The Journal of Neuroscience 29 (2009),
p. 5985-5991
Rossiter, J.R., en A. Smidts – Print advertising: Celebrity presenters. – In:
Journal of Business Research 65 (2012), p. 874-879
Smidts, A. – Kijken in het brein: Over de mogelijkheden van neuromarketing
(25 oktober 2002). – Rotterdam : Erasmus Research Institute of Management – Inaugural Lectures, 2002
Smidts, A., V.A. Klucharev, en G. Fernandez – Een beroemde persoon die een
product aanprijst: Wat vindt uw brein daarvan? – In: A.E. Bronner et al.
(red.) – Ontwikkelingen in het Marktonderzoek/Jaarboek MarktOnderzoekAssociatie (p. 103-117). – Haarlem : Spaar en Hout, 2009
Smidts, A., V.A. Klucharev, en G. Fernandez – De breinbasis van kuddegedrag. – In: MemoRad 17 (2012), p. 86-88
Stallen, M., A. Smidts, M. Rijpkema, G. Smit, V.A. Klucharev, en G. Fernandez – Celebrities and shoes on the female brain: The neural correlates of product processing in the context of fame. – In: Journal of Economic Psychology
31 (2010), p. 802-811
Tom, S.M., C.R. Fox, C. Trepel, en R.A. Poldrack – The neural basis of loss
aversion in decision-making under risk. – In: Science 315 (2007), p. 515-518
Tversky, A., en D. Kahneman – The framing of decisions and the psychology
of choice. – In: Science 211 (1981), p. 453-458
Weller, R.E., E.W. Cook, K.B. Avsar, en J.E. Cox – Obese women show greater delay discounting than healthy-weight women. – In: Appetite 51 (2008),
p. 563-569
Willis, J., en A. Todorov – First impressions: making up your mind after a
100-ms exposure to a face. – In: Psychological Science 17 (2006), p. 592-598
Yoon, C., R. Ganzalez, A. Bechara, G.S. Berns, A.A. Dagher, L. Dube, S.A.
Huettel, J.W. Kable, I. Liberzon, H. Plassmann, A. Smidts, en C. Spence –
Decision neuroscience and consumer decision making. – In: Marketing Letters 23 (2012), p. 473-485.
80
BESLISSEN EN HET BREIN
Download