Uploaded by User1899

casus 1 man met de burpee

advertisement
Gewrichten:
Scharniergewricht: kan maar in 1 richting bewegen bijvoorbeeld je ellenboog
kogelgewricht: kan in veel richtingen bewegen bestaat uit een kogel en een kom bijvoorbeeld je
schouder en je heup.
Rolgewricht: hier rollen 2 botten over elkaar heen bijvoorbeeld in je onderarm hier rollen je
spaakbeen en je ellepijp over elkaar heen waardoor je je arm kan draaien
Knie bestaat uit 2 gewrichten dat bestaat uit 3 botstukken
Gewricht
Tibiofemorale
I>Werking->
Aanhehtingsplaats voor
spieren banden
patellofemorale
Naam Latijns+plek
Tussen femur en tibia
Ronde uiteinde femurcondylen
maakt contact met relatief
platte tibiaplateau
fibula
Naam Nederlands+plek
Tussen dijbeen en scheenbeen
Ronde uiteinde dijbeen maakt
contact met het relatief platte
scheenbeen
kuitbeen
Bovenbeen en de patella
Tussen bovenbeen en
knieschijf zit een kapsel
omheen daarom is het een
gewricht.
Belangrijke bewegingen van de knie:
1. Flexie->buigen van de knie
2. Extensie->strekken van de knie
3. Endorotatie->draaien van de knie naar binnen
4. Exorotatie ->draaien van de knie naar buiten
Patella(knieschijf) beweegt in een trochlea(spoor) in het bovenbeen, het is een soort geul. Wanneer
hij niet meer goed ‘spoort’ kunnen er klachten onstatan in de knie.
Gewrichtskapsel zorgt voor stabiliteit en is aan de binnenkant bedekt met slijmvlies wat
gewrichtssmeer produceert. Dit bevat voedingsstoffen voor het kraakbeen. Banden zorgen ook voor
stabiliteit van het kniegewricht. Dit kan gezien worden als plaatselijke versteviging van het kapsel.
Soort band
Ligamentum cruciatum
anterium(voorste
kruisband)
Plek van de band
Binnenin de knie
Ligamentum cruciatum
posterius(achterste
kruisband)
Binnenin de knie
Binnenste colleterale
band
Buitenste colleterale
band
Loopt van dijbeen naar
scheenbeen
Loopt van buitenzijde
dijbeen naar het
kuitbeen
Functie van de band
Verbind bovenbeen met onderbeen, zorgt
ervoor dat het onderbeen ten opzichte van
het bovenbeen niet te ver naar voren kan
schuiven. En geven stevigheid bij
draaibewegingen
Verbind bovenbeen met onderbeen, zorgt
ervoor dat het onderbeen ten opzichte van
het bovenbeen niet te ver naar achteren
kan bewegen. En geven stevigheid bij
draaibewegingen
Ervoor zorgen dat je benen niet in een Xvorm gaan staan
Ervoor zorgen dat je benen niet in een Ovorm gaan staan
Ligging
Gekruist
Gekruist
NVT
NVT
De patella
De patella word omringd door retinaculum(bindweefsel). Dit dient als een aanhechtingsplaats voor
spieren, en zorgt voor steun en stabiliteit van het pattelofemoralegewricht.
onder de knieschijf ligt het ligamentum pattelae. Dit is het grootste ligament van de knie en wordt
ook wel de knieschijfpees genoemd. Door deze platte lange band zit de knieschijf vast aan het
scheenbeen, hierdoor kunnen krachten overgegeven worden naar het onderbeen.
Meniscus
De binnenste en buitenste meniscus zorgen ervoor dat het bovenbeen en het onderbeen op elkaar
passen. Dit zijn 2 half vormige cirkels die dus voor kunnen zorgen dat er 2 botstukken op elkaar
kunnen worden aangesloten. Ze zorgen voor meer stabiliteit en gewichtsverdeling het zijn de
schokdempers van de knie.
Spieren van de knie
Aan de voorkant van de knie loopt de grote sterke musculus quadriceps femoris. Deze spier is
opgebouwd uit 4 delen hij loopt vanaf het bovenbeen richting de knieschijf en hecht zich net boven
de knieschijf aan. Daarna gaat hij onder de knie verder als kniepees die voor de extensie(strekken)
van de knie zorgt
De hamstrings
Aan de achterzijde van het bovenbeen zitten de hamstrings die voor de flexie(buiging) van het buigen
van de knie. 2 spieren lopen van de zitknobbel richting de binnenkant van de knie, en de andere
loopt naar de buitenkant. Op deze manier kunnen ze de knie ook helpen met het draaien
naast de hamstrings loopt aan de achterzijde nog een spier de musculus gastrocnemius, deze spier
maakt deel uit van de kuit en kan de knie helpen met het buigen
dieper in de knieholte ligt nog een spier de musculus popliteus, deze zorgt voor het naar binnen en
buiten draaien van het onderbeen en zet hierbij de buiging van de knie in.
Aan de buitenkant van het bovenbeen loopt een grote peesplaat, de tractus iliotibialis. Deze
peesplaat ontspringt bij de bekkenrand en de bilspieren en loopt via de zijkant van het bovenbeen
naar de zijkant van het onderbeen. Deze peesplaat hecht zich aan net onder de knie op het scheenen kuitbeen. De muscululs tensor fascia latae behoort tot de heupspieren maar fungeert ook als het
ware als peesplaatspanner. Bij aanspannen van de musculus tensor fascia latae wordt de peesplaat
ook aangetrokken. Men kan dus zeggen dat de musculus tensor fascia latae indirect zorgt voor de
stabiliteit van het kniegewricht.
In de lies, aan de binnenzijde van het bovenbeen lopen de adductoren. Deze zorgen met name voor
het naar binnen bewegen van het been vanuit de heup.
Vlakken en assen
Vlakken
*Start in anatomische positie
1. Wat voor gewricht is het? -> bepaald in welke richtingen het bot kan
bewegen (Kogelgewricht, scharniergewricht etc.)
- Scharniergewricht: kan maar in 1 richting bewegen bijvoorbeeld je ellenboog
-kogelgewricht: kan in veel richtingen bewegen bestaat uit een kogel en een kom
bijvoorbeeld je schouder en je heup.
-Rolgewricht: hier rollen 2 botten over elkaar heen bijvoorbeeld in je onderarm hier rollen je
spaakbeen en je ellepijp over elkaar heen waardoor je je arm kan draaien
Vlak of as
Saggitale vlak
Plaatjes
uitleg
verdeelt het lichaam doormidden in
een linker stuk en een rechter stuk.
Met een doorsneden van hoofd tot
kruis.
Frontale vlak
Verdeelt het lichaam in een voor- en
achterkant, met een doorsneden van
hoofd tot voet.
Transversale/horizontale
vlak
Verdeelt het lichaam in een bovenkant
en een onderkant, met een doorsnede
door de buik en armen in rust fase
Sagittale
vlak/Transversale as
Frontale vlak/ saggitale
vlak
Transversale/Horizontale
vlak -> Longitudinale as
Bewegingen
*Per gewricht zijn er bewegingen mogelijk in de 3 verschillende vlaktes met de bijhorende assen. De
vorm van de beweging is afhankelijk van het gewrichtstype. Botten bewegen in anatomische
vlakken en roteren/bewegen rond een as.
Bij deze een paar voorbeelden:

Sagittale vlak-> Flexie/ anteversie + Extensie(naar voren buigen)/ retroversie (naar achteren
buigen/ kniegewricht)


Frontale vlak -> Abductie(omhoog) + Adductie (omlaag, schoudergewricht)
Transversale/Horizontale vlak -> External/ lateral rotatie
+ Internal/ medial rotatie (Schoudergewricht)
Kniegewricht (casus 1)
*Scharniergewricht -> geen vrije beweging
Bewegingsmogelijkheid -> Sagittale vlak (Flexie + Extensie)
De heup
Het heupgewricht(articulatio coxae) is een kogelgewricht en vormt een verbinding tussen de
femur(dijbeen) en een bekkenhelft. Kogelgewricht bestaat uit een kom en een bolvormige kop,
hierdoor kan de heup veel kanten op bewegen. Er zit kraakbeen tussen de kom en de kop om slijtage
te voorkomen. Kraakbeen is glad en sponzig en wordt gevormd in het gewrichtskapsel als
smeermiddel. De heupkom(acetabulum) is onderdeel van de bekken, de heupkop is een onderdeel
van het dijbeen. De rechter- en linkerbekkenhelft vormen samen de bekken. Elke bekkenhelft bestaat
uit 3 verschillende botstukken die zijn vergroeid tot een: het darmgeheel, het zitbeen en het
schaambeen.
Beweging van de heup
Omdat het heupgewricht(articulatio coxae) een kogelgewricht is is het mogelijk om het bovenbeen
ten opzichte van de bekken in bijna alle richtingen te bewegen. Het naar voren brengen wordt
anteflexie genoemd en het naar achteren brengen retroflexie. Wanneer je het bovenbeen zijwaarts
wilt bewegen heet dit abductie. Wanneer je het naar binnen beweegt heet dit adductie. Naar binnen
heet endorotatie en naar buiten heet exorotatie.
Kapsels en banden van de heup
om het heupgewricht(articulatio coxae) zit een gewrichtskapsel. Dit wordt versterkt door de
gewrichtsbanden(ligamenten). Gewrichtskapsel zorgt voor bescherming en aanmaak gewrichtsstof
voor kraakbeen. Ook zorgt hij ervoor dat verschillende bewegingen geremd worden wanneer nodig.
Bij volwassenen wordt het naar binnen en buiten draaien van het bovenbeen eerder geremd dan bij
kinderen.
de banden die vanaf de bekken naar het dijbeen lopen zijn bedoeld voor een beweging af te remmen
of toe te laten. Zij zitten onder de kop van het dijbeen vast. Het ligament capitis femoris deze heeft
een belangrijke taak namelijk de kop van het dijbeen voorzien van bloed door middel van bloedvaten
die eromheen zitten. Zonder deze band zou de heup afsterven.
Spieren en pezen van de heup
rond het heupgewricht liggen de spieren die de bewegingen in de heup mogelijk maken. Er zijn in
totaal elf spieren die ervoor zorgen dat de heup kan buigen, deze zitten vooral aan de voorzijde van
de heup. De spieren voor het strekken van de heup zitten aan de achterkant bij de bil.
het zijwaarts heffen wordt gedaan door de spieren aan de buitenkant en het naar binnen bewegen
van het been wordt gedaan door de lies. Het naar buitendraaien van de heup wordt door de korte
spieren bij de bil in de buurt van het gewricht gedaan.
Download