Borstvoeding < 34 weken

advertisement
Arteveldehogeschool
Katholiek Hoger Onderwijs Gent
Postgraduaat lactatiekunde
Campus Kantienberg
Voetweg 66, BE-9000 Gent
Borstvoeding < 34 weken
Jong geleerd is oud gedaan?
Academiejaar:
2009 – 2010
Persoonlijke paper voorgedragen door:
Elke MOENS
tot het bekomen van het getuigschrift lactatiekunde
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
1
DANKWOORD
Ik wil graag mijn werkgever bedanken. Ronald Vermeulen en Brigitte Claes hebben me doorheen
de opleiding zeer goed gesteund.
Ik bedank ook graag mijn lesgevers, in het bijzonder Karin De Graaf en Gonneke van Veldhuizen
voor het overbrengen van hun kennis en passie én voor het begeleiden van mijn paper.
Ook bedankt aan mijn trouwe bondgenoot bij al mijn eindwerken: mijn papa. Ik reken erop dat
je ook nu weer mijn spellingsfouten hebt gevonden.
Ondergetekende bevestigt hierbij dat zij de volledige verantwoordelijkheid draagt van de
persoonlijke paper en dat deze mag worden geraadpleegd en vrij mag worden gefotokopieerd.
Bij het citeren moet steeds de titel en de auteur van de verhandeling worden vermeld.
Elke Moens
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
2
Abstract
Achtergrond
Nu wordt vaak gesteld dat kinderen pas mogen leren drinken eens ze een postconceptionele
leeftijd van 34 weken hebben. Soms moeten kinderen eerst nog aan de fles leren drinken
vooraleer ze aan de borst mogen. Hierdoor wordt volledige borstvoeding vaak pas laat bereikt en
moeten moeders gedurende zeer lange tijd kolven.
Doel
Beoordelen of een kind voor 34 weken kan starten met borstvoeding en of dit voordelen oplevert
voor de lactatie.
Besluit
Borstvoeding voor 34 weken is mogelijk. Een stappenplan is hiervoor uitgewerkt: het kind vaak
laten kangoeroeën; eens het kind niet meer beademd is en fysiologisch stabiel, kan gestart
worden met tepelen; op geleide van het kind de overgang naar borstvoeding maken,
onafhankelijk van postconceptionele leeftijd en gewicht.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
3
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
4
Inhoudsopgave
1. Inleiding ............................................................................................ 7
2. Uitdagingen met betrekking tot de borstvoeding ..................................... 8
2.1 Algemeen ........................................................................................................... 8
2.2 Uitdagingen voor de moeder ................................................................................. 8
2.3 Uitdagingen voor het kind ..................................................................................... 9
3. Anatomie en fysiologie van de prematuur met betrekking tot de
borstvoeding .................................................................................... 10
3.1 Orale ontwikkeling in de normale pasgeborene ...................................................... 10
3.1.1 Algemeen ................................................................................................. 10
3.1.2 Het palatum of gehemelte .......................................................................... 10
3.1.3 De tong en lippen ...................................................................................... 10
3.1.4 De epiglottis ............................................................................................. 10
3.1.5 De larynx ................................................................................................. 10
3.1.6 De kaken .................................................................................................. 11
3.1.7 Zuigen, slikken en ademen ......................................................................... 11
3.2 Anatomische en fysiologische karakteristieken van de prematuur ............................ 12
3.2.1 Interne karakteristieken van de prematuur ................................................... 12
3.2.2 Externe karakteristieken van de prematuur .................................................. 12
3.2.3 Fysiologische immaturiteit .......................................................................... 12
3.2.4 Metabole immaturiteit ................................................................................ 12
3.2.5 Neurologische immaturiteit ......................................................................... 12
4. Initiëren van de borstvoeding ............................................................. 13
4.1 Algemeen ......................................................................................................... 13
4.2 Fysiologische stabiliteit tijdens de borstvoeding ..................................................... 13
4.3 “Preterm Infant Breastfeeding Behaviour Scale” .................................................... 14
5. Stappenplan voor borstvoeding bij een prematuur < 34 weken ............... 16
5.1 Ontwikkelingsgerichte zorg ................................................................................. 16
5.2 Skin-to-skin ...................................................................................................... 16
5.3 Niet-nutritief zuigen ........................................................................................... 17
5.4 Initiatie borstvoeding ......................................................................................... 18
6. Positie van de baby ........................................................................... 19
7. Optimaliseren van de melkstroom naar de baby .................................... 20
7.1 Algemeen ......................................................................................................... 20
7.2 Tepelhoedje ...................................................................................................... 20
8. GVO ................................................................................................ 22
8.1 GVO aan de ouders ............................................................................................ 22
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
5
8.1.1 Prenataal .................................................................................................. 22
8.1.2 Postnataal ................................................................................................ 22
8.2 Opleiding aan het personeel werkzaam op een NICU .............................................. 23
9. Praktijk ............................................................................................ 24
10. Besluit ............................................................................................. 26
Literatuurlijst ………………………………………………………………………………………………………27
Lijst van figuren ………………………………………………………………………………………………….29
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
6
1. Inleiding
Borstvoeding geven aan een prematuur geboren kind op een intensieve neonatale zorgeenheid
gaat gepaard met het nemen van verschillende hindernissen. Daarom is het de taak van de
artsen, verpleegkundigen, vroedvrouwen en lactatiekundigen werkzaam op de NICU (neonatal
intensive care unit) om in te staan voor een goed borstvoedingsbeleid.
Ikzelf heb op school geleerd dat een kind pas kan leren drinken op een postconceptionele leeftijd
(PCL) van 34 weken. Ook op de NICU waar ik actief ben, hanteren we die regel. Voor deze
leeftijd mag een kind “tepelen”, dwz niet-nutritief zuigen aan een afgekolfde borst.
Maar wanneer starten we dan best met dat tepelen? Een rondvraag op het werk leert me dat
niemand het zeker weet. Ook vraag ik me af of de stelregel wel klopt: “kinderen mogen pas
leren drinken vanaf 34 weken”. Want doorheen de 4 jaar dat ik werkzaam ben op de NICU heb
ik geleerd dat ieder kind in alles individueel moet worden beoordeeld en dat we die kleine
prematuren niet mogen onderschatten!
De volgende vraag die zich automatisch stelt is: als we vroegtijdig een goed borstvoedingsbeleid
instellen, heeft dat dan een positief effect op borstvoeding?
De specifieke onderzoeksvraag is: kan borstvoeding gestart worden bij een prematuur jonger dan
34 weken gestationele leeftijd? Zo ja, wanneer en geeft dit positieve effecten op lange termijn?
Om op deze vraag een antwoord te vinden, heb ik een literatuurstudie gedaan. De literatuur heb
ik onder meer gevonden via Medscape, Cebam, Uptodate.com, Elin (de databank van de
Arteveldehogeschool) en in de Cochrane Database. De relevante onderzoeksbevindingen worden
hierna gebundeld.
Het werk is als volgt opgebouwd:
-
Reflectie op de uitdagingen op een NICU met betrekking tot de borstvoeding
Bespreking van de anatomie en fysiologie van de prematuur in functie van de
borstvoeding
Initiatie van de borstvoeding
Stappenplan borstvoeding voor een kind < 34 weken
Positie van de baby
Optimaliseren van de melkstroom naar de baby
GVO aan de ouders
Praktijkgedeelte
Besluitvorming
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
7
2. Uitdagingen met betrekking tot de borstvoeding
2.1 Algemeen
Moedermelk is dé ideale voeding voor alle kinderen, maar is zo mogelijk nog belangrijker bij
premature kinderen (= zwangerschapsduur <37 weken) of bij kinderen met een laag
geboortegewicht (= minder dan 2.5kg) (Genna, C.W. 2008). Het bevordert het
imuunsysteem van de prematuur, het verlaagt het risico op NEC of necrotiserende
enterocolitis (Isaacson, L.J. 2006), stimuleert de soms bemoeilijkte moeder-kind binding,…
Toch liggen de borstvoedingscijfers (incidentie en duur) voor deze kinderen in
geïndustrialiseerde landen lager dan bij voldragen baby’s (Callen, J. & Pinelli, J. 2005). Deze
lagere cijfers zijn mede te wijten aan de uitdagingen rond borstvoeding die een premature
baby en zijn ouders ervaren. Voorbeelden van uitdagingen zijn het behalen en behouden
van een goede melkproductie en de overgang van sondevoeding naar borstvoeding.
Veel moeders van een prematuur geboren kind starten met borstvoeding. Toch is de duur
van borstvoeding voor deze hoog-risicogroep beduidend korter. Furman enquêteerde 119
moeders van kinderen met een zeer laag geboortegewicht. De kinderen hadden een
gemiddeld geboortegewicht van 1056 gram en een gemiddelde zwangerschapsduur van 28
weken. 73% van de moeders startten met borstvoeding, maar enkel 34% gaf nog
borstvoeding na 40 weken postconceptionele leeftijd. Op 4 maanden gecorrigeerde leeftijd
kregen 16% van de kinderen nog moedermelk, exclusief of met bijvoeding (Isaacson, L.J.
2006).
Een veelgebruikte verklaring voor de lagere borstvoedingscijfers, is het immatuur of
ongecoördineerd zuiggedrag. Het vertraagt de realisatie van een goede borstvoeding en
maakt het de moeder moeilijk om een goede lactatie te behouden (Nyqvist, K.H. 2008).
Premature kinderen met een zwangerschapsleeftijd van minder dan 32 weken moeten vaak
gedurende een lange periode in het ziekenhuis verblijven. Ook dit staat in relatie met een
lagere incidentie en duur van de borstvoeding (Nyqvist, K.H. 2008).
De duur van borstvoeding geven ligt ook lager dan de initiële doelstelling van de moeder
(Riordan, J. & Wambach, K. 2010; Isaacson, L.J. 2006).
2.2 Uitdagingen voor de moeder
Ouders van een prematuur geboren kind, bewandelen vaak een moeilijk parcours. Een
prematuur geboren kind brengt veel emoties teweeg bij de ouders. Hun eerste bezorgdheid
is hun kind. Vaak wordt het initiëren van het kolven hierdoor uitgesteld. Doorheen de
opname van het kind worden de ouders geconfronteerd met onverwachtse situaties, stress,
vermoeidheid,… Moeders kolven vaak ook minder frequent wanneer hun kind is opgenomen
op een NICU. Vaak mogen ze hun kind pas aanleggen vanaf 34 weken of wordt er eerst
gestart met flesvoeding. Al deze factoren bemoeilijken een goede lactatie.
De geboorte en hospitalisatie van een prematuur geboren kind kan zorgen voor gevoelens
van angst en onzekerheid bij de ouders. Vaak gaan ze door een rouwproces omdat ze de
zwangerschap niet hebben kunnen volmaken. De gezondheid van de moeder, de
mogelijkheid tot borstvoeding en de overlevingskansen van hun kind worden soms in vraag
gesteld. Dit kan de keuze voor borstvoeding beïnvloeden en/of de start van het afkolven
verlaten.
Maternele complicaties die vaak voorafgaan aan een premature bevalling kunnen zowel de
start van het kolven als de melkproductie beïnvloeden. Bedrust voor de bevalling,
premature arbeid, hypertensie, bloedverlies en bepaalde medicatie kunnen een negatieve
invloed hebben op de melkproductie (Isaacson, L.J. 2006).
Moeders ervaren vaak een verlaging van de totale melkproductie door stress, zoals bij een
deterioratie van hun kind. Stress, vermoeidheid en pijn kunnen de prolactinespiegel
verlagen met een negatieve invloed op de melkproductie. (Jones, E., Jones, P., Dimmock, P.
2004). Vaak moeten moeders weken- of maandenlang afkolven voor hun kind aan de borst
mag. Moeders ondervinden dan soms last van een teruglopende melkproductie (Callen, J. &
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
8
Pinelli, J. 2005) of kolfmoeheid. Ook de frequentie van kolven neemt soms af na verloop
van tijd.
Wanneer rooming-in niet mogelijk is, is de kans dat moeders stoppen met borstvoeding 3x
hoger (Dennis, C-L. 2002). Rooming-in ondersteunt veelvuldig contact met de baby en
geeft de moeder de mogelijkheid om meer in te gaan op de signalen van haar kind.
2.3 Uitdagingen voor het kind
Een opname op een neonatale intensieve zorgeenheid kan voor een kind zeer stressvol zijn.
De omgeving zelf kan voor veel stress zorgen, waarbij veel licht en geluid een grote rol
spelen. Het kind heeft vaak al veel meegemaakt voor het toe is aan drinken: beademing,
aspiratie van de luchtwegen, sepsis, pijn,… Complicaties kunnen optreden: bloedingen,
neurologische problemen, bronchopulmonale dysplasie,… Deze complicaties kunnen een
negatieve invloed hebben op de borstvoeding (vb. lethargie door neurologische problemen,
langdurige respiratoire moeilijkheden door longlijden en longschade,…).
De prematuriteit zelf zorgt ervoor dat het kind anatomisch en fysiologisch nog niet volledig
ontwikkeld is, wat van grote invloed is op de borstvoeding. Zo ondervindt het kind
moeilijkheden om aan de borst te blijven, wordt het zeer snel moe, … (Hurst, N. 2005).
Het kind moet ook in staat zijn om cardiorespiratoir stabiel te blijven. Kan het kind nog
onvoldoende coördineren, kunnen apneu’s, bradycardieën en verslikken zich voor doen
tijdens de borstvoeding.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
9
3. Anatomie en fysiologie van de prematuur met betrekking tot de
borstvoeding
3.1 Orale ontwikkeling in de normale pasgeborene
3.1.1 Algemeen
Pasgeborenen hebben verschillende complexe orale vaardigheden om hun behoefte aan
voeding te handhaven en om zo goed te kunnen groeien. Zuigen is een dynamisch
proces, want het kind past zich voortdurend aan zijn verder ontwikkelende anatomie
aan.
In de embryonale fase, ongeveer ten tijde van de sluiting van de neurale buis, worden
de fasciale en faryngeale zones ontwikkeld uit specifieke cellen. Verdere ontwikkeling
gebeurt door celdifferentiatie van het endoderm, die later het maag-darmkanaal vormt.
Een foetus kan al vruchtwater slikken vanaf 11 weken en heeft een zuigreflex op 24
weken (Lau, C. 2008; Riordan, J. & Wambach, K. 2010). Volgens oudere studies kan
een foetus pas zuigen en slikken op 32 weken en een goede coördinatie van zuigenslikken zou pas op 37 weken aanwezig zijn. Toch werd in een recentere Zweedse studie
efficiënt zoekgedrag en het aanhappen van tepel en tepelhof geobserveerd bij kinderen
van 28 weken, veel eerder dan oorspronkelijk werd aangenomen (Nyqvist, K.H., Ewald,
U., Sjödén P.O. 1999; Nyqvist, K.H. 2008).
3.1.2 Het palatum of gehemelte
In tegenstelling tot het palatum van een volwassene, is het palatum bij een kind kort,
wijd en weinig gewelfd. Dwarse plooien op het harde gehemelte helpen de pasgeborene
de borst vast te houden tijdens het drinken. Het harde gehemelte geeft samen met de
tong compressie van de tepel en houdt deze op zijn plaats. Het zachte gehemelte gaat
de neusholte tijdens het slikken afsluiten zodat de melk kan passeren.
3.1.3 De tong en lippen
De tong vult de smalle mondholte van de pasgeborene. Hierdoor is de mate en de
richting waarin de tong kan bewegen, beperkt. Smaakpapillen op de tong, voornamelijk
op de tip van de tong, zijn vanaf de geboorte aanwezig.
De lippen zijn in staat om een luchtdichte sluiting te vormen rond de borst. De lippen
zijn naar buiten gekruld, waardoor de mucosa van de mond deels naar buiten toe
gericht is. Deze mucosa heeft kleine zwellingen wat het vasthouden van de borst
makkelijker maakt.
3.1.4 De epiglottis
De epiglottis van de pasgeborene ligt net onder het zachte gehemelte. Dit in
tegenstelling tot de epiglottis van een volwassene. Hierdoor kan voeding rechtstreeks
naar de slokdarm.
Tijdens het slikken heeft de epiglottis een belangrijke rol in het afsluiten van de toegang
naar de longen. Hierdoor gaat de voeding naar de slokdarm in plaats van naar de
trachea.
3.1.5 De larynx
In vergelijking met de larynx van een volwassene, ligt die van een pasgeborene hoger
in de mondholte en neemt hij meer ruimte in. De larynx is kort en trechtervormig.
Wanneer vocht via de mond passeert, verheft de larynx zich zodat het vocht
gemakkelijk naar de farynx kan.
Door het verheffen van de larynx tijdens het slikken wordt de luchtweg beschermt.
Veel meer dan door de epiglottis en de sluiting van de stembanden.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
10
3.1.6 De kaken
De pasgeborene heeft vetkussentjes aan beide kaken om het zuigen te ondersteunen.
De vetkussentjes geven stabiliteit en voorkomen het invallen van de kaken.
3.1.7 Zuigen, slikken en ademen
Zuiggedrag ontwikkelt vroeg in de zwangerschap. Foetussen vertonen een zuigreflex
vanaf 24 weken zwangerschapsduur. Vanaf 28 weken kan een preterme baby een
cyclus van zuigen-slikken-ademen aan de borst coördineren. Aan 32 weken kan een
baby een serie van meer dan 10 zuigbewegingen maken met een maximum van 30
zuigbewegingen in één serie (Riordan, J. & Wambach, K. 2010; Nyqvist, K.H., Ewald,
U., Sjödén, P.O. 1999).
Een normaal zuigpatroon tijdens borstvoeding bestaat uit een herhaald zuig-slik
patroon. De pauzes tussen het zuigen zorgen ervoor dat het kind kan herstellen van
enige respiratoire nood die tijdens het zuigen kan ontstaan (Lang, S. 2002). Kinderen
met respiratoire of cardiale problemen hebben langere pauzes nodig tussen het zuigen
om te herstellen.
In een normale, gecoördineerde cyclus blijft het kind ademen tijdens het zuigproces.
Maar wanneer het kind begint te slikken en het grootste deel van de melk in de pharynx
komt, wordt het ademen gedurende een korte tijd onderbroken. Een slikapnoe duurt
ongeveer 0,5 seconden (figuur 1).
Figuur 1: normale coördinatie van zuigen, slikken en ademen in vergelijking met
abnormale patronen.
Het patroon van zuigen, slikken en ademen verandert als de baby zich verder
ontwikkeld. Eerst is het een reflexmatige actie maar door oefening, gewaarwording en
neurologische ontwikkeling wordt het een vrijwillig proces (Riordan, J. & Wambach, K.
2010).
Om efficiënt te kunnen drinken, moeten ze het zuigen, slikken en ademen goed kunnen
coördineren. De zoekreflex, alsook de kokhalsreflex en hoestreflex moeten werken en
het kind moet een goede oesofagale peristaltiek hebben. Deze reflexen starten zich te
ontwikkelen tijdens de foetale periode en zijn matuur aan een terme leeftijd (Lang, S.
2002).
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
11
3.2 Anatomische en fysiologische karakteristieken van de prematuur
3.2.1 Interne karakteristieken van de prematuur
Voor borstvoeding is een intacte structuur en functie van de mondholte (lippen,
wangen, tong, hard en zacht gehemelte en de kaak) vereist. Ook de spieren van de
mond, tong, wang en pharynx zijn betrokken. Ze zorgen ervoor dat het kind zijn
vacuüm kan bereiken. Bij een prematuur kunnen deze spieren te zwak zijn.
Bij een prematuur geboren < 34 weken ontbreken de vetkussentjes waardoor het kind
stabiliteit mist en de kaken kunnen invallen tijdens het drinken.
3.2.2 Externe karakteristieken van de prematuur
-
lage musculaire tonus
een groot hoofd in verhouding met de zwakke musculatuur van de nek
smalle mond: kan het aanhappen van de tepel en tepelhof bemoeilijken
3.2.3 Fysiologische immaturiteit
Een prematuur heeft een cardiorespiratoire immaturiteit waardoor bradycardieën,
onregelmatige ademhaling, apnoe (onderbreken van de ademhaling gedurende meer
dan 20 sec) en saturatiedalingen tijdens de voeding zich kunnen voordoen.
Kinderen met neurologische, respiratoire en cardiale afwijkingen kunnen moeilijkheden
hebben met de opvolging van zuigen-slikken. Andere prematuren hebben een normaal
zuigpatroon, maar hebben de kracht niet om het vol te houden.
3.2.4 Metabole immaturiteit
Prematuren hebben weinig subcutaan vet, bruin vet en glycogeen. Dit geeft een
verhoogd risico op hypothermie en hypoglycemie. Probeer dit te voorkomen door een
stressreducerend beleid, goede skin-to-skin tijdens de borstvoeding en door frequent te
voeden.
3.2.5 Neurologische immaturiteit
Een immatuur motorisch systeem en een lage musculaire tonus zorgen ervoor dat een
prematuur kind moeilijk een houding kan verkrijgen én houden met:
flexie van de heupen, knieën en voeten
flexie van de armen met de handen naar de middellijn bij het gezicht
hoofdcontrole
Zonder aangepaste steun kan het kind niet aan de borst blijven met een recht
bovenlichaam, zonder in elkaar te gaan zakken. Een lage spiertonus resulteert in slecht
aanhappen, minder efficiënt zuigen en moeilijkheden om aan de borst te blijven.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
12
4. Initiëren van de borstvoeding
4.1 Algemeen
Voor een prematuur geboren kind is voeding een leerproces en omvat de coördinatie van
complexe anatomische structuren, reflexactiviteit en sociale factoren (Isaacson, L.J. 2006).
Op welke PCL een kind kan starten met borstvoeding ligt niet vast. Vaak wordt gestart met
orale voeding rond 34 weken. Dan krijgen ze geleidelijk aan een zuigpatroon die gelijkt op
dat van een voldragen baby. Omdat er geen universeel vastgestelde criteria zijn, zijn er
grote verschillen tussen de verschillende neonatale centra omtrent het initiëren van
borstvoeding. In een retrospectieve Australische studie van 472 preterme kinderen werd
orale voeding gestart op een gemiddelde leeftijd van 34w3d (Abrams, S.A. & Hurst, N.A.
2009).
Toch zijn gestationele en postconceptionele leeftijd onbetrouwbare criteria voor het
beoordelen van de vaardigheden van een kind om te drinken (Abrams, S.A. & Hurst, N.A.
2009). Oraal gedrag, zoals zoekgedrag en non-nutritief zuigen zijn betere criteria.
Borstvoeding kan worden gestart zodra een kind geen beademing of CPAP (Continuous
Positive Airway Pressure) nodig heeft en geen tekenen van ernstige fysiologische instabiliteit
vertoont. Een zuurstofbril is geen obstakel. Leeftijd of gewicht zijn geen bepalende
factoren.
De auteurs Elizabeth Jones en Stephen Andrew Spencer (2005) stellen volgende richtlijnen
voor: het kind moet
- bolusvoedingen kunnen verwerken
- secreties kunnen doorslikken
- fysiologisch stabiel zijn
- een stabiele respiratie hebben (>70 ademhalingen per minuut inhibeert de orale respons)
- ritmisch non-nutritief kunnen zuigen
- een zwangerschapsleeftijd van 32-34 weken hebben
Zoals hierboven aangetoond, zijn er nog auteurs die een zwangerschapsleeftijd van 32-34
weken voorop stellen om te kunnen drinken.
Borstvoedingsmomenten zouden niet mogen beperkt worden in frequentie en duur. Wel
moet worden gekeken naar wat een kind aankan. Wanneer en hoeveel voeding wordt
bijgegeven moet individueel beslist worden, in samenspraak met de moeder.
4.2 Fysiologische stabiliteit tijdens de borstvoeding
Om te starten met orale voeding, wordt van een kind verwacht dat het zuigen, slikken en
ademen kan coördineren. De fysiologische respons van een prematuur op orale voeding is
in het verleden uitgebreid bestudeerd. Jammer genoeg zijn veel van deze studies gebaseerd
op flesvoeding en mogen dus niet zomaar toegepast worden op borstvoedingskinderen.
Observaties tijdens flesvoeding waren ongecoördineerd zuigen en slikken, verminderde
ademhaling, hogere incidentie van bradycardieën, apnoe’s en desaturatie, lagere
saturatiewaarden (ook na de voeding) en lagere temperatuur. Tijdens borstvoeding blijven
premature kinderen stabiel (Genna, C.W. 2008; Riordan, J. & Wambach, K. 2010).
Deze verschillen kunnen makkelijk worden verklaard. Aan de borst kan het kind zelf het
zuigen, slikken en ademen controleren. Een borstvoedingskind met een immatuur
zuigpatroon zuigt eerst en gaat dan tijdens een pauze ademen (figuur 2). Dit kan resulteren
in korte saturatiedalingen die voorbij gaan als het kind stopt met zuigen. Na een periode
van snel ademen, vertraagt de ademhaling en start het kind terug met zuigen. Zolang het
kind zijn eigen ritme mag bepalen, veroorzaakt dit geen problemen.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
13
Figuur 2: een immatuur zuigpatroon
Skin-to-skin contact en hogere temperatuur van de borstkas van de moeder (oxytocine
effect) resulteren in een hogere lichaamstemperatuur bij het kind tijdens de borstvoeding
(Genna, C.W. 2008).
4.3 “Preterm Infant Breastfeeding Behaviour Scale”
De “Preterm Infant Breastfeeding Behaviour Scale” of PIBBS (Nyqvist, K.H., Ewald, U.,
Sjödén P.O. 1999) is een score die werd ontwikkeld (en voorheen bevestigd als
betrouwbaar) om het gedrag van premature baby’s aan de borst te beoordelen. Daarmee
voerden ze de eerste prospectieve, beschrijvende studie ooit uit over de ontwikkeling van
gedrag van premature baby’s aan de borst. De PIBBS is een methode om de orale
motorische competentie van een kind te observeren door professionals én moeders. Door
haar kind op een systematische manier te observeren, ontwikkeld de moeder de
vaardigheden om haar kind zijn mogelijkheden en ontwikkeling in te schatten. Aan de hand
van de resultaten van de PIBBS kunnen praktische tips gegeven worden aan de moeder
zodat de competenties van het kind kunnen worden verbeterd.
Observatie van de borstvoeding volgens de PIBBS
-
Zoekgedrag (bewegingen van de lipjes, openen van de mond, extensie van de tong,
draaien hoofdje, …)



-
Hoeveel van de borst omvatte het mondje?




-
geen zoekgedrag
weinig zoekgedrag
duidelijk zoekgedrag (simultaan openen van de mond en draaien van het hoofd)
niets, de mond raakte maar net de tepel
deel van de tepel
volledige tepel
tepel en deel van het tepelhof
Aanhappen en aan de borst blijven



bleef niet aan de borst
bleef minder dan een minuut aan de borst
hoeveel minuten bleef het kind aan de borst (inclusief pauzes, met deel van de borst
in de mond): 1->10 minuten
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
14
-
Zuigen





-
Langste zuigserie

-
geen activiteit aan de borst
geen zuigen, enkel likken
alleenstaande zuigbewegingen, occasioneel zuigseries (2-9x zuigen)
2 of meer korte zuigseries, occasioneel lange zuigseries (>10 zuigbewegingen)
2 of meer opeenvolgende lange zuigseries
maximum aantal keren zuigen voor een pauze
Slikken



geen slikken opgemerkt
occasioneel slikken
opeenvolgend slikken
71 moeders van 71 kinderen, geboren met een zwangerschapsduur tussen 26 en 35 weken
en zonder ernstige ziekte, gebruikten de PIBBS als borstvoedingsdagboek. Zo werden er
meer dan 4000 PIBBS bijgehouden (Nyqvist, K.H., Ewald, U., Sjödén P.O. 1999). Er werd
gestart met borstvoeding zodra het kind geen respiratoire ondersteuning meer nodig had
(beademing of CPAP), ongeacht de zwangerschapsduur, de postconceptionele leeftijd of het
gewicht. De moeders kregen wekelijkse borstvoedingscounseling gebasseerd op de PIBBS.
Ze hadden de mogelijkheid om te verblijven in een privé ouderkamer. Zodra er tekenen
waren van effectieve melkinname, werd gestart met wegen voor en na de borstvoeding.
Ongeacht de PCL vertoonden alle kinderen de eerste dag een zoekreflex en hapten aan, de
helft van de kinderen op een efficiënte manier. De meeste kinderen bleven gedurende een
korte periode van vijf minuten of meer aan de borst. Bijna alle kinderen maakten
zuigbewegingen.
Duidelijk zoekgedrag, efficiënt aanhappen van de tepel en een deel van het tepelhof en het
vasthouden van de borst voor een langere periode werd al gezien bij kinderen met een
zwangerschapsleeftijd van 28 weken. Sommige kinderen van 32 weken zogen in lange
series. Moeders hoorden hun kinderen herhaaldelijk slikken bij een leeftijd van ten vroegste
31 weken. 94% van de kinderen kregen borstvoeding bij ontslag, waarvan 80% alles
rechtstreeks aan de borst dronk. Sommige kinderen haalden een volledige borstvoeding
met een imatuur zuigpatroon. De meeste kinderen dronken kleine volumes per keer,
sommige konden tot 40ml innemen per keer.
Tabel:
Gebeurtenis
Start borstvoeding
Eerste nutritief zuigen (>5ml)*
Exclusieve borstvoeding
aantal
71
71
57
PCL
mediaan
33.7 (27.9-35.9)
34.3 (30.6-37.7)
36 (33.4-40.0)
Postnatale leeftijd
mediaan
1 (0-20)
8 (1-46)
19 (2-68)
* controle melkinname door wegen
Een lage zwangerschapsduur bij geboorte werd geassocieerd met vroegtijdig efficiënt
borstvoedinggedrag en een hoge incidentie van exclusieve borstvoeding. Dit ondersteunt de
theorie dat de motorische ontwikkeling van kinderen sneller plaatsvind door ervaring
(Genna, C.W. 2008). Orale motorische vaardigheden worden gestimuleerd door prikkeling
van de lippen met de tepel, het in contact komen van de tepel met het harde verhemelte en
melkstroom in de mond.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
15
5. Stappenplan voor borstvoeding bij een prematuur < 34 weken
5.1 Ontwikkelingsgerichte zorg
De motorische ontwikkeling van een prematuur wordt versterkt wanneer de zorg en de
zorgomgeving wordt aangepast aan het kind zelf, afhankelijk van zijn mogelijkheid tot
zelfregulatie en zijn maturatie van het centraal zenuwstelsel (Nyqvist, K.H., Ewald, U.,
Sjödén P.O. 1999).
Een manier van ontwikkelingsgerichte zorg is NIDCAP. NIDCAP staat voor Newborn
Individualised Developmental Care and Assesment Program. Het is een methode waarbij de
zorg zoveel mogelijk wordt aangepast aan het ontwikkelingsniveau van het individuele, te
vroeg geboren kind. Hierbij spelen observatie en het betrekken van de ouders in de zorg
voor het kind, een belangrijke rol.
Er wordt gekeken naar het kind in zijn individuele omgeving, emotionele toestand en
ontwikkelingsfase. Ook zijn poging tot zelfregulatie en interactie met behulp van
toenadering en afwijkend gedrag wordt bekeken.
Onderzoek toont aan dat NIDCAP zorgt voor kortere periodes aan de beademing, minder
dagen sondevoeding en een kortere opname. Verdere resultaten van het uitvoeren van
NIDCAP zijn een snellere groei, meer gewichtstoename per dag en een verbeterde
ontwikkeling van de neonaat (Als, H. et al. 2003).
Extreem prematuren die worden verzorgd volgens de principes van NIDCAP bereiken sneller
volledige borstvoeding dan kinderen die op de conventionele manier worden verzorgd (Als,
H. et al., 2003).
In Vlaanderen is er voorlopig maar 1 NIDCAP-centrum. Dit impliceert niet dat er niet aan
ontwikkelingsgerichte zorg wordt gedaan in de andere NICU’s. NIDCAP is een manier van
ontwikkelingsgerichte zorg waarnaar iedereen kan streven. Dit kan door de zorgverlening
zoveel mogelijk in dienst te stellen van het kind en zijn ouders. Voorbeelden hiervan zijn:
het eerbiedigen van de slaapfases, uren van verzorging aanpassen aan het kind in plaats
van aan de verzorgende, externe stressfactoren zoals geluid, licht en manipulaties zoveel
mogelijk reduceren, kangoeroeën stimuleren, nauwkeurige observatie van het kind, instellen
van een goed pijnbeleid indien nodig, goede positionering van het kind, ouderparticipatie,…
Ontwikkelingsgerichte zorg moet worden gestart zodra een kind wordt opgenomen en
voortgezet worden tot ontslag!
5.2 Skin-to-skin
Wereldwijd hebben studies bewezen dat “skin-to-skin care” of “kangoeroeën” (figuur 3) vele
voordelen oplevert voor de premature baby en de moeder.
Het is onder meer effectief in het bevorderen van de fysiologische stabiliteit van de (hoogrisico) prematuur. Baby’s die gekangoeroed worden, huilen minder, zijn vaker stil en alert
en bevinden zich meer in een diepe slaap. Ze gaan sneller van een incubator naar een open
bedje en gaan sneller naar huis.
De positieve relatie tussen kangoeroeën en lactatie werd ook aangetoond. De
borstvoedingsduur lijkt hoger te zijn bij kinderen die hebben mogen kangoeroeën dan de
kinderen die in de incubator bleven (Riordan, J. & Wambach, K. 2010. World Health
Organisation, 2003). De overgang van sondevoeding naar borstvoeding kan sneller
verlopen. Ook de melkproductie kan toenemen als moeders mogen kangoeroeën (Callen, J.
& Pinelli, J. 2005). Kangoeroeën zou de moeder aanzetten tot het aanmaken van specifieke
antistoffen voor haar kind. De moeders zijn in staat om tijdens het kangoeroeën duidelijk
zoekgedrag te observeren. Terzelfder tijd krijgen de moeders zelfvertrouwen in het
vasthouden en verzorgen van hun baby, wat de overgang naar borstvoeding kan stimuleren.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
16
Figuur 3: kangoeroeën (premature baby van 24w3d, 1.30u na geboorte)
Een review heeft aangetoond dat kangoeroeën geassocieerd wordt met een stijging van
borstvoeding bij premature en dysmature kinderen opgenomen op een neonatale intensieve
zorgeenheid (McInnes, R.J., Chambers, J. 2010).
5.3 Niet-nutritief zuigen
Niet-nutritief zuigen kan met een speentje of aan de borst van de mama. Bij niet-nutritief
zuigen aan de borst kolft de mama de borsten leeg voor ze haar kindje aan de borst legt.
Ze wordt dus verondersteld om haar kindje goed te positioneren ter hoogte van de borst,
maar moet verder het initiatief aan het kind laten. Eventueel kan het kind subtiel geprikkeld
worden door de tepel ter hoogte van de lipjes en het philtrum.
In deze eerste fase verwachten we dat het kind gaat zoeken, likken en happen naar de
tepel. Ondertussen leert het kind de geur en eventueel ook de smaak van de moedermelk
kennen. Zo leert de moeder haar kind te observeren in functie van de borstvoeding en kan
ze mee helpen bepalen wanneer haar kind klaar is om te drinken.
Niet-nutritief zuigen aan de borst kan gestart worden zodra een kind is geëxtubeerd. Nasale
CPAP is geen directe exclusiecriterium (Jones, E. & Spencer, S.A. 2005)! Figuur 4 toont een
kind met CPAP aan de borst.
Figuur 4: niet-nutritief zuigen bij een kind met CPAP
In een Cochrane review werden de voordelen van niet-nutritief zuigen bij prematuren
besproken (Pinelli, J. & Symington A., 2009). De auteurs vonden een significante daling in
de hospitalisatieduur van het kind. Kinderen met een extreem laag geboortegewicht
maakten de overschakeling van sondevoeding naar orale voeding sneller bij gebruik van
niet-nutritief zuigen, waarschijnlijk door de versnelde maturatie van de zuigreflex.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
17
Andere, vaak genoemde voordelen zoals betere gewichtsevolutie en een betere peristaltiek
zijn niet consistent bevonden. Er zijn geen negatieve korte termijn effecten gevonden.
Verder onderzoek is vereist naar langdurige effecten.
Vroegtijdige zuigervaringen kunnen de overgang van ongecoördineerd naar gecoördineerd
zuigen, slikken en ademen versnellen. Het is tevens een positieve stimulatie van de mond,
naast de negatieve prikkels die een kind krijgt op de NICU zoals intubatie, aspiratie en het
plaatsen van een voedingssonde (Riordan, J. & Wambach, K. 2010).
Het niet-nutritief zuigen kan gecombineerd worden met sondevoeding zodat het kind de
associatie legt tussen zuigen en maagvulling. Tijdens het niet-nutritief zuigen kan het kind
de geur van de moedermelk ruiken, wat bevorderend werkt.
Het levert ook voor de moeder voordelen op: de melkproductie kan verhogen (Jones, E. &
Spencer, S.A. 2005; Callen, J. & Pinelli, J. 2005) en de moeder leert vroegtijdig hoe ze haar
kind aan de borst moet vasthouden.
5.4 Initiatie borstvoeding
Wanneer het kind een goede zoekreflex heeft, de borst goed kan aanhappen en goed
zuiggedrag vertoont, kan er gestart worden met borstvoeding. Toch zijn er kinderen die
goed zoeken, aanhappen en zuigen, maar die nog geen hoge melkstroom kunnen
verwerken. Hun coördinatie van zuigen-slikken-ademen is nog niet volledig ontwikkeld.
Hier kan de mama haar borsten gedeeltelijk leegkolven zodat de melkflow trager is (Abrams,
S.A. & Hurst, N.A. 2009). Naarmate het kind verder ontwikkeld en het zuigen en ademen
beter kan coördineren, kan de mama minder gaan voorkolven en uiteindelijk niet meer
voorkolven.
In een eerste fase wordt er nog voeding bijgegeven, eens het kind goed drinkt kan de
bijvoeding verminderd en uiteindelijk worden weggelaten.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
18
6. Positie van de baby
Van zodra een moeder start met niet-nutritieve borstvoeding, is het belangrijk dat ze uitleg
krijgt over een goede houding voor haar kind (Isaacson, L.J. 2006). Zo leert de mama al
vanaf het begin hoe ze haar kind goed aanlegt. Met een goede houding zal het niet-nutritief
zuigen beter verlopen en nadien ook het nutritief zuigen.
Bij een prematuur kind is het belangrijk dat de gekozen houding een goede steun van het
hoofd en de nek verzekert en een open luchtweg garandeert. Indien nodig biedt de
professional hulp bij het ondersteunen van de baby.
Zowel de rugbyhouding als de doorgeschoven houding zijn nuttig bij premature baby’s
(Jones, E. 2005; Isaacson, L.J. 2006; Abrams, S.A. & Hurst, N.M. 2009). Bij deze
houdingen kan de moeder met haar ene arm het hoofd van de baby goed ondersteunen en
heeft ze haar andere hand vrij om de borst te ondersteunen of te vormen.
Premature baby’s hebben soms moeite om aan de borst te blijven. Hierbij is het nuttig als
de moeder de borst gaat ondersteunen en vormen zodat de borst niet op de kin van de baby
rust (Mohrbacher, N. & Stock, J. 2005). Vaak is dit gedurende de hele voeding nodig. De
moeder kan tevens haar wijsvinger onder zijn kin houden om hem te helpen aan de borst te
blijven.
Heeft een kind nog meer steun nodig, dan kan de U-greep of Dancerhand-greep (figuur 5)
gebruikt worden. Hierbij wordt de kin en kaak van de baby ondersteund. Als de baby zijn
kaken op de plaats houdt door zijn wangen in te zuigen, dan kan de U-greep nuttig zijn
(Mohrbacher, N. & Stock, J. 2005).
Figuur 5: U-greep
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
19
7. Optimaliseren van de melkstroom naar de baby
7.1 Algemeen
Melkstroom tijdens borstvoeding is de beweging van melk van de maternele borst naar het
drinkende kind met voldoende melkaanmaak, ejectie en secretie (Hurst, N. 2005).
Melkstroom naar de baby is mede afhankelijk van de vaardigheden van de baby. Hij moet
voldoende krachtig kunnen zuigen en de melkkanalen kunnen dicht drukken. Soms kan het
zijn dat een kind weinig efficiënt zuigt maar toch melk krijgt doordat de mama een goede
melkstroom en toeschietreflex heeft.
Immatuur zuiggedrag is één van de grootste redenen van problemen bij de melktransfer bij
premature kinderen (Nyqvist, K.H., Ewald, U., Sjödén P.O. 1999). Het zuiggedrag van een
prematuur wordt gekenmerkt door lage zuigkracht en onregelmatige zuigseries wat
resulteert in een matige melktransfer en ineffectieve orale voeding.
We trachten het kind zoveel mogelijk te steunen. Omdat een prematuur kind snel moe
wordt, kan het frequenter voeden leiden tot een betere melkinname. Tijdens de
borstvoeding kan er borstcompressie gegeven worden. Hierdoor krijgt het kind makkelijker
melk in de mond en wordt het gestimuleerd om te slikken.
7.2 Tepelhoedje
Het zuigpatroon van een gezonde voldragen baby wordt gekenmerkt door de ritmische
afwisseling van twee soorten druk: negatieve (suctie) en positieve (compressie) druk.
Suctie is de intra-orale druk die wordt verkregen als de baby melk in de mond zuigt.
Positieve druk ontstaat door compressie van de tepel tussen de tong en het harde
verhemelte waardoor melk geëjecteerd wordt.
Het overgrote deel van problemen bij de melktransfer zijn te wijten aan prematuriteit of
incorrect zuiggedrag. De relatieve lage suctiedrukken en de onregelmatige zuigseries van
het kind voldoen vaak niet om een goede melkstroom te garanderen of om aan de borst te
kunnen blijven.
Het gebruik van een tepelhoedje kan de melktransfer bij deze prematuren verhogen en het
kind langer aan de borst houden (Riordan, J. & Wambach, K. 2010; Abrams, S.A. & Hurst,
N.A. 2009). Wanneer het kind begint te zuigen, kan de vacuüm langer behouden blijven
waardoor er een betere melkstroom plaatsvindt. Een studie bij 34 premature kinderen
(Riordan, J., Wambach, K. 2010) toonde een significante stijging in melkinname bij het
gebruik van een silicone tepelhoedje dan zonder (18.4 ml <-> 3.9 ml).
In een retrospectieve studie bij 15 prematuren, werd het tepelhoedje gebruikt na minstens 5
mislukte pogingen om aan de borst te blijven of om tot melktransfer te komen zonder een
tepelhoedje (Genna, C.W. 2008). 9 van de 15 dronken minimum de helft of meer van de
voorgeschreven hoeveelheid bij gebruik van het tepelhoedje.
Doordat het tepelhoedje diep in de mond komt, wordt de baby meer gestimuleerd. Het kind
gaat daardoor zuigen (compressie en suctie) en beter aan de borst blijven. Zo kan een
grotere melkinname worden bekomen.
Figuur 6 toont een kind met een PCL van 32w3d. Twee dagen na het stoppen van de
beademing startte het kind met tepelen. Hij had een goede zoekreflex en hapte goed aan.
Toch kon hij de borst niet goed vasthouden, tot grote frustratie van het kind. Uiteindelijk
werd gestart met een tepelhoedje. Met het tepelhoedje hield hij de borst goed vast en werd
het vacuüm behouden. De mama stopte dan volledig met voorkolven. Al snel kon je hem
duidelijk zien en horen slikken.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
20
Figuur 6: baby met een PCL van 32w3d drinkt aan de borst met een tepelhoedje
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
21
8. GVO
8.1 GVO aan de ouders
Veel vrouwen kunnen overtuigd worden van het belang van borstvoeding voor hun
kwetsbaar kind, indien ze een goede begeleiding krijgen (Jones, E., Jones, P., Dimmock,
P. 2004). Hierbij is het belangrijk dat een goed GVO-beleid wordt ingesteld van zodra
het mogelijk is.
Meerdere studies hebben aangetoond dat een goede educatie de moeder aanzet om
sneller te starten met kolven, frequenter te kolven en ook de borstvoedingsduur stijgt
(Ahmed, H. 2008).
8.1.1 Prenataal
Wanneer een moeder prenataal wordt opgenomen op de materniteit met de kans op
een vroeggeboorte, is het belangrijk dat de ouders worden ingelicht over de
mogelijkheid tot borstvoeding bij een prematuur én over het belang van borstvoeding
bij een prematuur. Ook afkolven wordt besproken: hoe afkolven, wanneer te starten,…
informatiebrochures kunnen daarbij een hulp zijn.
Naast informatie over de borstvoeding zelf, kan er over kangoeroeën gesproken
worden: wanneer het kan, de voordelen, hoe,… Een rondleiding op de NICU is ook een
optie.
Ik denk dat het voornamelijk belangrijk is dat de informatie wordt afgestemd op de
noden van de ouders. Vaak is het nodig dat de informatie stapsgewijs wordt gegeven.
8.1.2 Postnataal
a) Eerste dagen
De eerste dag wordt informatie gegeven over het beleid rond afkolven en
bewaren van moedermelk. Een éénvormige uitleg op de materniteit en neonatale
intensieve zorgeenheid is vereist. Ook hier kunnen brochures een hulp zijn. Er
wordt informatie gegeven over de huidige voedingstoestand van het kind.
Het is belangrijk de gegeven informatie te herhalen en zo zeker te zijn dat de
ouders alles goed hebben begrepen. De eerste dagen wordt nagevraagd hoe het
afkolven verloopt en wordt er verdere uitleg gegeven indien nodig.
Kangoeroeën wordt besproken met de ouders en indien de toestand van het kind
het toelaat, zo snel mogelijk uitgevoerd.
Als het kind fysiologisch stabiel is, kan al gestart worden met tepelen. Ook hier
wordt eerst een grondige uitleg gegeven aan de ouders.
b) Tijdens het verdere verblijf
Afhankelijk van de conditie van het kind de ouders stap voor stap begeleiden in
het proces van borstvoeding:
Kangoeroeën
Tepelen + uitleg geven over houdingen en positie van het kind
Overgang naar voedend zuigen, dus afbouwen of stoppen van het voorkolven
Observaties naar goed drinkgedrag
Afbouwen van bijvoeding
Voeding op vraag
Ontslagplanning
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
22
8.2 Opleiding aan het personeel werkzaam op een NICU
Op een neonatale intensieve zorgeenheid werken mensen met verschillende opleidingen en
diploma’s zoals neonatologen, assistent-kinderartsen, vroedvrouwen, verpleegkundigen en
pediatrisch verpleegkundigen. Niet iedereen heeft vanuit zijn opleiding de kennis en
vaardigheden verworven om een lactatie te begeleiden.
Het tekort aan gespecialiseerde adviezen en begeleiding wordt in vele studie aangehaald als
de grootste hindernis voor initiatie van borstvoeding (Jones, E., Jones, P., Dimmock, P.
2004).
Moeders van een prematuur geboren kind zijn zelf zeer kwetsbaar en hebben vaak ook een
kwetsbare lactatie. Om deze vrouwen goed te kunnen begeleiden, is het nodig dat de
neonatale verpleegkundigen kennis hebben van de fysiologie van de borst en de lactatie,
technieken van afkolven,… Ze moeten in staat zijn om problemen met de lactatie te
onderkennen en te behandelen. Praktische ervaring met het begeleiden van een
borstvoeding behoort ook tot het takenpakket.
Een Cochrane review (Britton, C. et.al. 2007) bevestigt de effectiviteit van alle vormen van
professionele begeleiding op de duur van de borstvoeding. Het is niet duidelijk welk soort
begeleiding een positief effect heeft. Al deze vormen van professionele begeleiding hadden
een nog grotere invloed op de duur van de exclusieve borstvoeding dan bij iedere vorm van
borstvoeding. De duur van exclusieve borstvoeding was significant langer bij het gebruik
van de training van de WHO/UNICEF.
Mijn eigen ervaring zegt me dat onze borstvoedingsbegeleiding veel beter zou verlopen als
er meer bijscholing komt voor het personeel. Er is bij ons nog geen lactatiekundige
werkzaam. Wij werken met voornamelijk pediatrisch verpleegkundigen (60% van het totale
personeel moet pediatrisch verpleegkundige zijn om de erkenning van NICU te krijgen. De
andere 40% mogen bestaan uit verpleegkundigen en vroedvrouwen). De verpleegkundigen
erkennen zelf dat hun opleiding omtrent borstvoeding zeer summier was en vertellen dat ze
vaak onzeker zijn om een borstvoeding te begeleiden.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
23
9. Praktijk
In mijn praktijkgedeelte bespreek ik het ontstaan van het nieuw borstvoedingsbeleid op de
neonatale intensieve zorgeenheid in het UZ Antwerpen waar ik werkzaam ben.
De belangrijkste pijlers van ons oud protocol:
-
Start borstvoeding:
Voorwaarden:
 het kind heeft een postconceptionele leeftijd van 34 weken
 meer dan de helft van het toegediende vocht is voeding
 de baby krijgt bolusvoeding
 de eerste maal wordt overleg gepleegd met de arts (vb. vochtbeperking)
-
Zolang het kind in de “aanleerfase” van borstvoeding zit, worden er geen flessen gegeven
-
Bijvoeden gebeurt door middel van een maagsonde
-
Er wordt gestart met flesvoeding eens de aanleerfase voorbij is (enkel wanneer de mama
niet aanwezig is). Dit impliceert dat het kind vlot aan de borst kan drinken.
Niet-nutritief zuigen of tepelen stond bij ons niet beschreven in het protocol maar mocht wel
worden toegepast. Onder de 60 collega’s bestond er een grote variatie qua toepassing.
Sommigen hadden er geen aandacht voor en anderen wel. Wanneer er werd gestart met tepelen
was ook heel verschillend. Gemiddeld werd er pas na 33 weken gestart met tepelen. Maar
jammer genoeg gebeurde het ook dat een kind al 34 weken was en nog nooit aan de borst had
gelegen, ook niet om te tepelen. Dit was te wijten aan onduidelijke richtlijnen en angst.
Sommige collega’s hadden schrik dat het kind misschien toch melk in de mond zou krijgen en
zich zou verslikken.
Ook kangoeroeën staat nergens in een protocol beschreven. De laatste jaren is er een duidelijke
evolutie en laten we de kinderen, indien stabiel, dagelijks kangoeroeën (minimum 1u). Indien er
duidelijke indicaties zijn, wordt de frequentie teruggeschroefd. Er bestaat nog geen consensus
over de frequentie van kangoeroeën bij kinderen die geen kilo wegen. Voor de start van mijn
opleiding lactatiekunde, ben ik begonnen aan een literatuurstudie die wordt verdergezet na mijn
opleiding.
Na het opzoeken en lezen van de literatuur omtrent de mogelijkheid tot borstvoeding < 34
weken, ben ik met een collega van de borstvoedingsgroep gaan samen zitten. Van onze
hoofdverpleegkundige hebben we meerdere dagen beschikbaar gekregen om rond borstvoeding
te werken. We hebben eerst de literatuur grondig overlopen.
De nieuwe inzichten werden op een werkvergadering voor alle collega’s al even toegelicht met de
boodschap dat we deze inzichten zouden verwerken in het borstvoedingsprotocol.
Daarna hebben we het protocol aangepast. De wijzigingen in het protocol (enkel degene van
toepassing voor de paper) zijn:
-
De BH van de moeder laten uitdoen tijdens het kangoeroeën
-
Beschrijving van het niet-nutritief zuigen
Bij het tepelen wordt van de moeder verwacht dat ze eerst afkolft. Tepelen kan gestart
worden vanaf het moment dat het kind geëxtubeerd is. Leeftijd en gewicht zijn hierbij niet
van belang! Dus van zodra een kind niet meer beademd is en kan kangoeroeën, wordt
gestart met het proces van niet-nutritief zuigen:
 dagelijks kangoeroeën zodat moeder en kind aan elkaar kunnen wennen;
 kindje laten kangoeroeën in een houding waarbij de mond en neus ter hoogte van de
tepel liggen (eventueel de moeder een druppeltje melk laten uitduwen zodat de baby kan
wennen aan de geur en smaak van de melk);
 als de baby goed zoekt, aanhapt en zuigt, is hij klaar om te leren drinken.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
24
-
Overgang naar borstvoeding
Voorwaarden:
 meer dan de helft van het toegediende vocht is voeding;
 de baby krijgt bolusvoeding (uitzonderingen te bespreken met de arts)
 vraag de eerste maal toestemming aan de arts vooraleer de baby aan te leggen (kan
belangrijk zijn ivm vochtbeperking).
De leeftijd van het kind is dus geen bepalende factor meer! Er wordt gestart met het kind
1x aan te leggen zonder voor te kolven. Gaat dit goed, kan de frequentie worden
opgedreven op maat van het kind. Streefdoel: minimum 2-3 maal per dag tijdens de
aanleerfase. Nadien wordt de mama gestimuleerd om frequenter aan te leggen in functie
van ontslag.
Gaat de borstvoeding minder goed (meer bradycardieën, saturatiedalingen of apnoe’s
tijdens het aanleggen of nadien) schakelen we terug over naar tepelen of laten we de mama
gedeeltelijk voorkolven.
Dit nieuwe protocol werd voorgesteld aan de andere leden van de borstvoedingswerkgroep (1
neonatoloog, 1 unit verantwoordelijke, 1 vroedvrouw, 1 verpleegkundige en 1 pediatrisch
verpleegkundige). Het werd uitvoerig besproken en unaniem goedgekeurd. Het werd officieel
voorgesteld op een werkvergadering (16 maart). Een 25tal van de collega’s waren daar
aanwezig. De rest werd persoonlijk aangesproken en ingelicht. Het borstvoedingsprotocol werd
op verschillende plaatsen uitgehangen en ging officieel van start.
De neonatoloog die deel uitmaakt van de borstvoedingswerkgroep stelde het nieuwe protocol
voor aan de andere neonatologen. De neonatologen reageerden zeer positief op het nieuwe
protocol, maar hadden graag meer uitleg. Hiervoor werd ik uitgenodigd op één van hun
vergaderingen om aan de hand van de literatuur de aanpassingen te staven.
We zijn nu 1.5 maand verder. De toepassing van het nieuwe protocol verloopt moeizaam. Er is
geen expliciete weerstand, maar zoals ook voordien het geval was, moeten vele collega’s
gestimuleerd worden om tijd te investeren in de borstvoeding. Ook de angst blijft voor een stuk
aanwezig. Veel collega’s voelen dat hun kennis en praktische vaardigheden betreffende
borstvoeding ontoereikend zijn.
Mede hiervoor wordt door mezelf, met ondersteuning van de borstvoedingswerkgroep, een
bijscholing georganiseerd voor alle collega’s, artsen en geïnteresseerden. In totaal zijn er 6 data
over het hele jaar voorzien. De hoofdverpleegkundige plant iedereen in, zodat iedereen de
bijscholing heeft bijgewoond. De eerste bijscholing vond plaats eind maart. De aanwezigen
waren: 1 logopediste, 1 hoofdverpleegkundige, 1 opleidingsverantwoordelijke en tevens unit
verantwoordelijke, 1 vroedvrouw, 8 verpleegkundigen en 2 studenten. De bijscholing werd zeer
positief onthaald. Nadien hoorde ik er nog regelmatig over praten. Regelmatig stellen die
mensen mij ook gerichte vragen over de borstvoeding en borstvoedingsproblemen.
Volgende maand wordt het nieuwe protocol geëvalueerd door de werkgroep. We zullen
bespreken hoe de toepassing van het nieuwe protocol in de praktijk verloopt en hoe we de
toepassing nog kunnen verhogen. Sowieso denk ik dat de geplande bijscholingen in dit kader
belangrijk zijn. Deze bijscholing loopt nog tot december, dus sowieso moeten we het nog wat
tijd geven. Er wordt ook nagedacht over hoe we de perifere ziekenhuizen waarnaar veel
kinderen terugkeren eens ze aan bepaalde criteria voldoen (vb. gewicht van minimum 1500
gram, minimum 32 weken PCL, enkel orale voeding,…), kunnen geïnformeerd worden over dit
nieuwe beleid.
Zelf heb ik al goede ervaringen gehad met de toepassing van het nieuwe protocol. Nu leg ik
tijdens het kangoeroeën, de kinderen ter hoogte van de borst. Ik geef ook goede informatie aan
de mama over wat ze mag verwachten, over een goede positie voor het kind en de moeder zelf.
Ik zorg ook voor een goede opvolging. Vaak hebben de kinderen ons aangenaam verrast! Al
verschillende keren dronken kinderen effectief tijdens de 32ste week. De mama’s krijgen door het
vroegtijdig tepelen en borstvoeding zo’n positieve stimulans om de lactatie verder te zetten en
frequent te kolven.
Maar om te zien of het protocol goed werkt en of er aanpassingen moeten gebeuren, hebben we
nog veel meer oefening nodig. Dit is nog maar het begin, maar ik ben zeer enthousiast!
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
25
10. Besluit
Er wordt nog vaak gesteld dat er pas gestart kan worden met orale voeding wanneer een baby
een postconceptionele leeftijd van 34 weken heeft bereikt. Dan pas zou de baby het zuigen,
slikken en ademen kunnen coördineren. Deze paper stelt die regel aan de kaak. Is het wel zo
dat een prematuur pas vanaf 34 weken kan drinken. Kan borstvoeding gestart worden bij een
prematuur jonger dan 34 weken gestationele leeftijd? Zo ja, wanneer en geeft dit positieve
effecten op lange termijn?
Orale vaardigheden zijn al vroegtijdig aanwezig. Een foetus vertoont een zuigreflex vanaf 24
weken zwangerschapsduur. Vanaf 28 weken kan een prematue baby een cyclus van zuigen,
slikken en ademen aan de borst coördineren. Aan 32 weken kan een baby een serie van meer
dan 10 zuigbewegingen.
Het patroon van zuigen, slikken en ademen verandert als de baby zich verder ontwikkeld. Eerst
is het een reflexmatige actie maar door oefening, gewaarwording en neurologische ontwikkeling
wordt het een vrijwillig proces.
Gestationele en postconceptionele leeftijd worden door de meeste auteurs als onbetrouwbare
criteria beschouwd voor het beoordelen van de vaardigheden van een kind om te drinken. Oraal
gedrag, zoals zoekgedrag en non-nutritief zuigen zijn betere criteria.
Borstvoeding kan worden gestart zodra een kind geen beademing of CPAP nodig heeft en geen
tekenen van ernstige fysiologische instabiliteit vertoont. Een zuurstofbril is geen obstakel.
Leeftijd of gewicht zijn geen bepalende factoren.
K.H. Nyqvist (1999) bestudeerde met de Preterm Infant Breastfeeding Behaviour Scale de
motorische competenties aan de borst van prematuren tussen 26 en 35 weken. Ongeacht de PCL
vertoonden alle kinderen de eerste dag een zoekreflex en hapten aan. Bijna alle kinderen
maakten zuigbewegingen.
Duidelijk zoekgedrag, efficiënt aanhappen van de tepel en een deel van het tepelhof en het
vasthouden van de borst voor een langere periode werd al gezien bij kinderen met een
zwangerschapsleeftijd van 28 weken. Sommige kinderen van 32 weken zogen in lange series.
Moeders hoorden hun kinderen herhaaldelijk slikken bij een leeftijd van ten vroegste 31 weken.
94% van de kinderen kregen borstvoeding bij ontslag, waarvan 80% alles rechtstreeks aan de
borst dronk. Sommige kinderen haalden een volledige borstvoeding met een immatuur
zuigpatroon. De meeste kinderen dronken kleine volumes per keer, sommige konden tot 40ml
innemen per keer.
Deze uitkomsten stroken deels met mijn verwachtingen. Ik was er van overtuigd dat veel
kinderen al kunnen drinken voor ze 34 weken oud zijn. Toch had ik niet gedacht dat er
prematuren zijn die zo snel kunnen drinken. Sowieso is er een zeer grote variatie mogelijk. Ik
denk dat het belangrijk is dat we ons laten leiden door het gedrag van een kind. Geeft een kind
aan dat hij aan de borst wil, moeten we hem zo goed mogelijk ondersteunen. Geeft een kind aan
dat hij veel wil slapen, respecteren we dat. Dan kan hij kangoeroeën ter hoogte van de borst
zodat hij kan starten wanneer hij er wel klaar voor is.
Toen de literatuur aantoonde dat borstvoeding voor 34 weken mogelijk is, heb ik een
stappenplan uitgewerkt om te starten met borstvoeding.
Stap 1 is het toepassen van ontwikkelingsgerichte zorg. Onderzoek toont aan dat het toepassen
van NIDCAP, een manier van ontwikkelingsgerichte zorg, resulteert in kortere periodes aan de
beademing, minder dagen sondevoeding en een kortere opname. Verdere resultaten van het
uitvoeren van NIDCAP zijn een snellere groei, meer gewichtstoename per dag en een verbeterde
ontwikkeling van de neonaat. Extreem prematuren die worden verzorgd volgens de principes
van NIDCAP bereiken sneller volledige borstvoeding dan kinderen die op de conventionele manier
worden verzorgd.
Stap 2 is het kangoeroeën. De belangrijkste voordelen van kangoeroeën voor de borstvoeding
zijn: stijging van de melkproductie, de borstvoedingsduur lijkt hoger te zijn bij kinderen die
hebben mogen kangoeroeën, de overgang van sondevoeding naar borstvoeding kan sneller
verlopen en een stijging van borstvoeding bij premature en dysmature kinderen opgenomen op
een neonatale intensieve zorgeenheid
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
26
Stap 3 is het niet-nutritief zuigen aan de borst. Niet-nutritief zuigen aan de borst kan gestart
worden zodra een kind is geëxtubeerd. Nasale CPAP is geen directe exclusiecriterium. Kinderen
met een extreem laag geboortegewicht maken de overschakeling van sondevoeding naar orale
voeding sneller bij gebruik van niet-nutritief zuigen. Niet-nutritief zuigen zorgt voor een daling in
de hospitalisatieduur van het kind. De melkproductie van de moeder kan stijgen en ze leert
vroegtijdig hoe ze haar kind aan de borst moet leggen.
In deze fase verwachten we dat het kind gaat zoeken, likken en happen naar de tepel.
Ondertussen leert het kind de geur en eventueel ook de smaak van de moedermelk kennen.
Wanneer het kind goed aanhapt en zuigt, kan er worden overgegaan naar stap 4, nutritief
zuigen. Hierbij kolft de mama niet meer voor, indien nodig nog gedeeltelijk.
Immatuur zuiggedrag is één van de grootste redenen van problemen bij de melktransfer bij
premature kinderen. Het zuiggedrag van een prematuur wordt gekenmerkt door lage zuigkracht
en onregelmatige zuigseries wat resulteert in een matige melktransfer en ineffectieve orale
voeding. We kunnen de melkstroom stimuleren door het kind een goede houding te geven,
frequent te voeden, borstcompressie te gebruiken of door een tepelhoedje te gebruiken.
Het gebruik van een tepelhoedje kan de melktransfer bij deze prematuren verhogen en het kind
langer aan de borst houden. Deze bevindingen worden in verschillende studies aangetoond. Zelf
stel ik me de vraag vanaf wanneer we een tepelhoedje dan proberen. Doen we dat dan ook voor
34 weken? Of geven we ze de tijd om verder te ontwikkelen en te oefenen? Zelf heb ik nog
maar 1 keer een tepelhoedje voor 34 weken gebruikt. Het kindje was 32w3d en maakte zich
kwaad omdat hij niet goed aan de borst kon blijven. Met tepelhoedje lukte het wel en was hij
zeer tevreden. Dan vind ik het goed om het gebruiken. Maar wat bij kleine prematuren die niet
zo lang aan de borst blijven, maar telkens rustig opnieuw happen? Hopelijk zal ervaring het
uitwijzen.
We kunnen de borstvoeding in incidentie en duur optimaliseren door een goede educatie van de
moeder. Meerdere studies hebben aangetoond dat een goede educatie de moeder aanzet om
sneller te starten met kolven, frequenter te kolven en ook de borstvoedingsduur stijgt. Ook een
goede opleiding van het personeel heeft een bewezen positieve invloed op de duur van de
borstvoeding.
Welke zijn nu de positieve effecten van het vroegtijdig starten met borstvoeding? De positieve
effecten zitten hem vooral in het aanbieden van het totaalpakket van ontwikkelingsgerichte zorg,
kangoeroeën, niet-nutritief zuigen en vroegtijdige orale oefening. Er zijn tal van positieve
elementen voor zowel moeder als kind. De moeder ervaart een stijging van de melkproductie.
Ze ontwikkelt snel de competenties om haar kind goed aan te leggen. Ook de kolfmoeheid wordt
tegengegaan. Het kind bereikt sneller volledige borstvoeding en de hospitalisatieduur wordt
verkort.
Volgens mij zijn dit zeer belangrjike positieve effecten en dus zeker de moeite waard! Negatieve
effecten zijn niet beschreven.
In deze paper heb ik niet kunnen aantonen dat het vroegtijdig initiëren van borsvoeding de duur
van borstvoeding geven verlengd. Verder onderzoek is daarvoor nodig.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
27
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
28
Literatuurlijst
Boeken
Genna, C.W. (2008). Supporting sucking skills in breastfeeding infants. Sudbury: Jones and
Bartlett Publishers.
Jones, E., King, C. (2005). Feeding and nutrition in the preterm infant. Oxford: Elsevier
Churchill Livingstone.
Mohrbacher, N., Stock, J. (2005). Handboek lactatiebegeleiding. Utrecht: Uitgeverij Lemma.
Riordan, J., Wambach, K. (2010). Breastfeeding and human lactation. Sudbury: Jones and
Bartlett Publishers.
Artikels
Abrams, S.A., Hurst N.A. (2009). Breastfeeding the preterm infant. www.uptodate.com.
Ahmed, A.H. (2008). breastfeeding preterm infants: an educational program to support mothers
of preterm infants in Cairo, Egypt. Pediatric Nursing, 34(2), 125-130.
Britton, C., McCormick, F.M., Renfrew, M.J., Wade, A., King, S.E. (2009). Support for
breastfeeding mothers. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, 1, CD001141.
Callen, J., Pinelli, J. (2005). A review of the literature examining the benefits and challenges,
incidence and duration, and barriers to breastfeeding in preterm infants. Advances in Neonatal
Care, 5(2), 72-88.
Dennis, C-L. (2002). Breastfeeding initiation and duration: a 1990-2000 literature review.
Journal of obstetric, gynaecologic and neonatal nursing, 31(1), 12-32.
Hurst, N. (2005). Assessing and facilitating milk transfer during breastfeeding for the premature
infant. Elsevier Inc., 5(1), 19-26
Isaacson, L.J. (2006). Steps to successfully breastfeed the premature infant. Neonatal
Network, 25(2), 77-86.
Jones, E., Jones, P., Dimmock, P. (2004). Evaluating preterm breastfeeding training. The
practising midwife, 7 (9), 19-24.
Jones, E., Spencer, S.A. (2005). How to achieve successful preterm breastfeeding. Infant, 1(4),
111-115.
Lau, C. (2008). Sucking and swallowing disorders in the newborn. www.uptodate.com.
McGrath, J.M., Braescu, A.V. (2004). State of the science: feeding readiness in the preterm
infant. The journal of perinatal and neonatal nursing, 18(4), 353-368.
McInnes, R.J., Chambers, J. (2010). Infants admitted to neonatal units – interventions to
improve breastfeeding outcomes: a systematic review 1999-2007. Maternal and Child Nutrition,
4(4), 235-263.
Nyqvist, K.H. (2008). Early attainment of breastfeeding competence in very preterm infants.
Acta Pædiatrica, 97(6), 776-781.
Nyqvist, K.H., Ewald, U., Sjödén, P.O. (1999). Development of preterm infants’ breastfeeding
behavior. Early Human Development, 55, 247-264.
Pinelli, J., Symington, A.J. (2009). Non-nutritive sucking for promoting physiologic stability and
nutrition in preterm infants (Review). The Cochrane Database of Systematic Reviews 2005, 4,
CD001071.
World Health Organisation, Dept. of Reproductive Health and Research (2003). Kangaroo Mother
Care: a practical guide. www.who.int.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
29
Websites
www.stpierre-bru.be
www.neonatologie.web-log.nl
www.nidcap.org
www.amphia.nl
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
30
Lijst van Figuren
Figuur 1: Normale coördinatie van zuigen, slikken en ademen in vergelijking met abnormale
patronen. Bron: Riordan, J., Wambach, K. (2010). Breastfeeding and human lactation.
Sudbury: Jones and Bartlett Publishers.
Figuur 2: Een immatuur zuigpatroon. Bron: Jones, E., King, C. (2005). Feeding and nutrition in
the preterm infant. Oxford: Elsevier Churchill Livingstone.
Figuur 3: kangoeroeën (premature baby van 24w3d, 1.30u na geboorte). Bron: Elke Moens.
Figuur 4: niet-nutritief zuigen bij een kind met CPAP. Bron: Jones, E., Spencer, S.A. (2005).
How to achieve successful preterm breastfeeding. Infant, 1(4), 111-115.
Figuur 5: De U-greep. Bron: Jones, E., King, C. (2005). Feeding and nutrition in the preterm
infant. Oxford: Elsevier Churchill Livingstone.
Figuur 6: baby met een PCL van 32w3d drinkt aan de borst met een tepelhoedje. Bron: Elke
Moens.
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
31
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
32
_________________________________________________________________________
Borstvoeding < 34 weken: jong geleerd is oud gedaan?
33
Download
Random flashcards
mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Create flashcards