Samenvatting natuurverkenning milieu (24234)

advertisement
Samenvatting natuurverkenning ‘milieu’
In dit boekje ging het over de volgende 4 onderwerpen:
1.
2.
3.
4.
Het ontstaan van planeet aarde
Milieu en biotoop
Voedselkringlopen
De rol van de mens
Het ontstaan van planeet aarde
Als het gaat over het ontstaan van de aarde zijn er veel verschillende verklaringen. Van alle
verklaringen is er geen 1 zeker! In de bijbel staat ook een verhaal over het ontstaan van de aarde:
volgens de bijbel heeft god de aarde geschapen. Geschapen komt van het woord scheppen. Dat
betekend iets maken uit niets. Dit verhaal vinden we in Genesis 1. Volgens de bijbel heeft de
schepping 6 dagen geduurd. De aarde zou dan 6000 jaar oud zijn. Als mensen zeggen dat ze
GELOVEN dat het zo is gegaan betekend dit dat je er geen verklaring voor nodig heb, want dat is de
zekerheid die het geloof je geeft! In de 6 dagen is er veel gebeurd. Iedere dag schiep God wat. Op de
3de dag bijv. de scheiding tussen water als vloeistof en water als damp (water en aarde) god heeft ook
lichten aan de hemel gezet. Die bewegen ten opzichten van elkaar. God heeft op de 5de dag levende
wezens gemaakt zoals dieren.
Ook is het verhaal van de oerknal er. Mensen proberen onderzoek te doen naar het ontstaan van de
aarde op grond van dingen en verschijnselen van nu. 1 van de veronderstellingen is dat de aarde en
zonnestelsel is ontstaan uit een ronddraaiende nevelvlek die oorspronkelijk kouden enorm groot
was. (sommige mensen zeggen dan dat god die nevelvlek heeft gemaakt) De deeltjes van die vlek
gaan steeds dichter naar elkaar toe waardoor de tempratuur oploopt. Op een gegeven moment is de
tempratuur zo hoog dat de deeltjes uit elkaar spatten. Sommige deeltjes blijven bij elkaar andere
niet. Deze klap noemen de ‘grote klap’ of in het Engels ‘big bang’. Na de grote klap zijn er planeten en
hemellichamen ontstaan. Ook d planeet aarde. De binnenkant is erg heet nog maar de buitenkant
koelt af. Er ontstaat gesteente en daar tussen gaat er water stromen. Vlak na de grote knal gaan er
ook gassen naar andere delen van het heelal. (helium en waterstof) stikstof, methaan en ammoniak
gaan een onderdeel van de atmosfeer vormen. Nu kan er leven op aarde komen. De schorpioen is als
eerste uit zee gekomen waarschijnlijk. Volgens het verhaal van de oerknal kan dit proces wel
honderden miljoenen jaren hebben geduurd. Er word geschat dat de aarde vanaf de klap al 4500
miljoen jaar oud is.
na de schepping van de aarde kwam de mens. Volgens de bijbel heeft god die gemaakt uit stof en
heeft hij zelf de adem in de neus geblazen. Vanaf toen kon de mens kiezen uit goed of kwaad. We
hebben toen gekozen voor het kwaad, maar gelukkig leer god ons om voor het goede te vechten.
Helaas lukt dat niet altijd. dat zijn we ook terug in het milieu. Daarom gaan we nu leren over het
milieu.
Milieu en biotoop
Wat is nu eigenlijk een milieu? Een milieu is een bepaalde omgeving, zonder het in verband te
brengen met een dier op plant. Wat is een biotoop? Een omgeving waarin een bepaald organisme
leeft. We hebben verschillende soorten organisme: mensen, dieren, planten, bacteriën en
schimmels. Ieder organisme is te herkennen aan levensverschijnselen zoals groei, voortplanting,
waarneming, ademen, uitscheiden, bewegen en voeden. Wat is nu het verschil tussen milieu en
biotoop. Een milieu is een bepaald gebied, maar is niet gericht op een bepaald organisme. Een
biotoop is een bepaald gebied maar wel gericht op een organisme. Het is aangepast op het leven van
dat organisme. Daar is voedsel, juiste tempratuur, gelegenheid tot voortplanting en ga zo maar door.
In een biotoop kom je levende en levenloze dingen tegen. Levende dingen zijn dingen die van dieren
of planten afkomen. Levenloze dingen zijn dingen die niet ademen, maar wel natuur zijn. Denk aan
water. Ieder dier heeft een eigen biotoop:
Rund: grasland met bloemen, bosrand met poel, roofdieren en vogels.
Zeehond: water van 10 graden, garnalen en makrelen, strand, zuurstof in de lucht.
We hebben een kunstmatig en een natuurlijke biotoop. Een kunstmatige biotoop is een biotoop die
de mens heeft ingericht. Zoals polders. Die hebben we ingericht voor koeien zodat we melk krijgen,
maar ook een stal is een kunstmatige biotoop. Daar is ook alles wat een koe nodig heeft. Meestal.
Een natuurlijke biotoop is een biotoop die door de natuur is ingericht zoals de Waddenzee
bijvoorbeeld. De mens heeft daar (bijna) niets aan veranderd.
In Nederland liggen de verschillende milieus niet ver uitelkaar. Zo hebben we tussen Dordrecht en
Tilburg 3 milieus: de Biesbosch, de polders en de Drunense duinen.
We hebben ook nog sloot en plas. Weer een ander milieu. Hierin zijn verschillende milieufactoren te
vinden. Milieufactoren uit de levende natuur noemen we biotische factoren. Milieufactoren uit de
levenloze natuur noemen a-biotische factoren. Bij de biotische horen bijv. riet, kikkerdril,
eendenkroos enz. bij de a-biotische horen: water, steentjes enz. als de biotische en a-biotische
factoren goed met elkaar over weg kunnen, ontstaat er een leefgemeenschap die zichzelf in stand
houdt.
We gaan nu de planten behandelen als biotische factor. Van wal naar water zijn er 4 dieptezones: 1.
De oeverzone 2. De zone van de amfibieplanten 3. De zone van de waterplanten 4. Het open water.
In ieder zone groeien weer andere planten dit noemen we een plantentrap.
De oeverzone: aan de landzijde groeien verschillende soorten grassen, zeggen, elzen en wilgen zoals
de waterwilg en de zwarte els. Waar land over gaat in water vinden we groot hoefblad, speenkruid
en de dotterbloem. Net in het water begint het riet te groeien. Riet is hoger dan grassen moet
daardoor sterker zijn. Dat is het ook door de kiezelzuren die als een netwerk gerangschikt in de
stengel zitten. Tussen het riet op ondiepe plaatsen vind je de gele lis, de lisdodde, de zwanenbloem,
de egelskop, de moerasspirea en de moerasvergeet-mij-nietje. De moerasvergeet-mij-nietje behoort
tot een ruwe familie die heet: de ruwbladige.
De zone van amfibieplanten: hier staan planten die zowel boven als onder de waterspiegel leven.
Bijv. het pijlkruid. Deze plant maakt 2 soorten bladeren. 1 voor onder en 1 voor boven het water.
Onder water: lange, smalle, die geen hinder ondervinden van de stroming. Boven water: stevige
pijlvormige bladeren. De waterlelie en de gele pomp hebben lange, slappe stengels, met veel
luchtkanalen om de wortels te voorzien van zuurstof.
De zone van de echte waterplanten: in het water leven allerlei planten, maar er drijven ook planten
zoals bijv. het eendenkroos.
Het open water: in het openwater leven hele kleine, maar ook grote planten. Plankton is zo klein dat
je het eigenlijk onder een microscoop moet leggen.
Nu krijgen we de dieren. In een plas komen ook veel vogels voor. Het dierenrijk kunnen we in 8
groepen opdelen: 1. Eencellige dieren. 2. Sponzen. 3. Holtedieren, zoals kwallen. 4. Wormen. 5.
Weekdieren, zoals slakken en mosselen. 6. Geleedpotigen, zoals insecten en spinnen. 7.
Stekelhuidigen, zoals een zee-egel. 8. Gewervelden. Om te bepalen waar een die hoort kijken we
vooral naar het skelet. Die geeft stevigheid en bescherming. Dieren die aan de buitenkant een skelet
hebben (pantser) delen we in bij de weekdieren en de geleedpotigen. Eencellige dieren, holte dieren
en wormen hebben geen skelet. Sommige dieren hebben net als de mens een inwendig skelet. Dit
zijn gewervelde dieren. Die kunnen we op delen in 5 groepen. 1. Vissen 2. Amfibieën 3. Reptielen 4.
Vogels 5. Zoogdieren.
We hebben het nu gehad over biotische factoren nu gaan we het hebben over a-biotische factoren.
Die factoren zijn net zo belangrijk als de biotische factoren. Kijk maar naar een kijken bij a-biotisch
hoort zuurstof in de lucht, zuurstof in het water etc. die zuurstof is nog belangrijker dan eten. In
water zit minder zuurstof dan inde lucht daarom kan een kikker beter ademhalen op het land. In 1
liter lucht zit 210 ml zuurstof. In 1 liter water zit 50 ml zuurstof Op het land haalt de kikker adem met
z’n longen en z’n huid. Onder water met z’n huid. Niet alle a-biotische factoren zijn even belangrijk
als de rest. Zuurstof is heel belangrijk. Dat het water warm is minder belangrijk.
Je hebt open en gesloten biotopen. Wat is nu het verschil? Een gesloten biotoop wil zeggen dat het
voor het dier belangrijk is om daar te blijven. Om zichzelf in leven te houden en om de biotoop tot
stand te houden. Als er planteneters uit de sloot weg gaan en er geen dier voor in de plaats komt dan
kan de sloot of plas dichtgroeien. dit noemen we: de sloot verlandt. Dit kan gevolgen hebben voor de
andere dieren. Een snoek bijv. kan er dan niet meer leven. Een open biotoop wil zeggen dat het dier
wel weg kan gaan, maar er moet dan wel een ander voor in de plek komen anders kan het ook nare
gevolgen hebben voor andere dieren. Voor eenden is een sloot een open biotoop.
Voedselkringlopen
Voedsel is 1 van de belangrijkste milieufactoren. Als een dier een dier eet kan die ook weer worden
gegeten. Dit noemen we een voedselketen. Definitie: een eenvoudige rangschikking, waarin we
aangeven wie wat eet. Dit doen we in volgorde van soorten die eten en gegeten worden.. Een dier
kan ook verschillende dingen lekker vinden. Ook dat dier word opgegeten. Verschillende
voedselketen gaan nu door elkaar lopen dit noemen we een voedselweb. Definitie: verschillende
voedselketens in een diagram. We zetten pijlen tussen de eter en het voedsel. We beginnen bij het
voedsel en eindigen bij de eter. De pijl staat dus richting de eter. De pijlen lopen vaak naar rechts,
want anders zouden kleine dieren, grote dieren eten en dat komt weinig voor in de natuur. Dat
betekend wel dat alle voedingsstoffen die in het begin (een plant staat altijd aan het begin van een
voedselketen) zijn gegeten nu bij meest rechtse dier zitten, maar die dieren gaan ook dood en
verteren. De voedingsstoffen gaan dan de grond in. Dat verteren gaat niet vanzelf. De planten en
dieren worden opgegeten door wormen, bacteriën, paddenstoelen en andere schimmels. Deze groep
organisme noemen we reducenten. De reducenten brengen de voedingsstoffen weer bij de planten.
Die kunnen weer groeien, maar worden ook weer opgegeten. De voedingsstoffen maken dus een
rondje. Dit noemen we een voedselkringloop. Definitie: hier kon het voedsel een rondje maken. de
reducenten vormen de sluiters van de kringloop. Reducenten eten dus ook de grote dieren. Een dode
leeuw bijv. eten ze ook. We hebben planten, planteneters, vleeseters en alleseters. De planten eters
eten de planten en de planteneters worden gegeten door de vleeseters. De vleeseters worden
gegeten door de alleseters, maar de alleseters worden ook gegeten door de vleeseters. Al deze
dingen worden dood door de reducenten weer gegeten. Die geven dan weer de voedingsstoffen aan
de planten. In een bos hebben we een ingewikkeld voedselweb. Dat wil zeggen dat er heel heel veel
dieren elkaar eten. De planten en dieren uit zo’n voedselweb vormen een leefgemeenschap. Alle
dieren en planten hebben te maken met een biologisch evenwicht. Definitie: elk jaar gaan er
ongeveer evenveel planten dood, als dat er bij komen. In de natuur zien we steeds hetzelfde. Er is
een evenwicht. Dat word verstoord dor bijv. een ziekte. Bijv: er was een konijnenziekte. Veel
konijnen gingen dood. De dieren die het konijn eten hadden geen eten meer en de dieren die dieren
eten hadden ook geen eten meer want de dieren die het konijn aten gaan ook dood. De konijnen die
de ziekte overleven kunnen zich weer voortplanten en dus wordt het evenwicht weer recht gezet.
Een veldmuis en een uil hebben ook zo’n evenwicht. Veel uilen word minder muizen waardoor
andere uilen geen eten meer hebben.
De rol van de mens
Door de veranderingen van de mens is er nergens meer natuurlijk landschap te vinden. Overal is er
nu cultuurlandschap. Natuurlandschap ontstond door de werking van de natuur. De wilde stromen
van de rivier zorgde ervoor dat er overal zand, grind en keien kwamen te liggen. Het ijs zorgde ook
voor zand en keien. Gletsjers duwde dit vooruit. Toen het ijs smolt ontstonden er heuvelruggen. Door
de wind kwamen er zandverstuivingen. Het klimaat werd warmer dus er kwamen meer planten en
dus werd Nederland bedekt met bomen.
De eerste mensen deden niks met de natuur. Ze leefde van wat de natuur hun gaf. Toen we ontdekte
dat we konden zaaien en oogsten en zelf dieren konden houden veranderde de mens de natuur zo
dat de kans op overleven groter werd. We ontdekte dat we beter konden zaaien op stukken
afgebrand bos. De as is namelijk erg vruchtbaar doordat er veel voedingsstoffen inzitten. Op
onvruchtbare akkertjes lieten ze schapen grazen. Er was alleen heide, want de schapen aten de jonge
boompjes kaal. ’s Avonds poepte ze en dat strooide men uit op het akkertje waardoor het nog
vruchtbaarder werd. Op vochtige plekken ging gras groeien. Als ze dat gras afmaaien noemt men het
hooilanden. Vee ging daar ook grazen. We krijgen een gevarieerd landschap, maar de bossen
moesten verdwijnen, want er kwamen meer mensen.
Kleding, huizen en vervoersmiddelen kwam steeds meer vraag naar. De techniek was aardig aan het
ontwikkelen. Deze tijd noemen we de industriële revolutie. Die begon in Engeland met de uitvinding
van de stoom machine in 1770 door Izaak Watts. In de loop van de tijd was in heel Europa de
industriële revolutie. Eerst werd alles gedaan door mankracht of met behulp van dieren. Nu werd
alles gemechaniseerd. Dat wil zeggen dat alles nu automatisch ging. Hierdoor kon er veel meer
worden geproduceerd. Veel producten leidt tot overschoten tenzij je de prijs flink laat dalen. De
machines gebruiken veel energie (steenkool. Later aardolieproducten: dieselolie, stookolie en
benzine.) er komt ook concurrentie. Verkopers moeten de nadruk op speciale eigenschappen gaan
leggen. Door de machines krijgen mensen veel vrije tijd. We doen minder maar krijgen meer.
Kunstmest is ook een uitvinding waardoor we veel meer kunnen verbouwen.
De industriële revolutie nam ook veel milieuproblemen met zich mee:
1. door bevolkingstoename worden veel natuurgebieden weg gehaald en komen er huizen ook
komen er meer wegen.
2. Sommige planten kunnen niet tegen de voedingsstoffen in kunstmest waardoor ze verdwijn.
Alle kunstmest die niet word gebruikt komt dan in het oppervlaktewater. Ook mest van
dieren word gebruikt om de grond vruchtbaarder te maken. als je teveel mest op het land
krijgt word het met de regen het oppervlakte en grond water in gespoeld. Men probeert de
beken recht te trekken en grond te egaliseren. Hierdoor is er weinig afwisseling en gaan de
dieren die afwisseling nodig hebben dood. Grote stukken land met hetzelfde gewas wordt
vaak bespoten met bestrijdingsmiddelen waardoor er ook minder voedsel voor andere
dieren komt.
3. Door verzurende stoffen zoals zwaveldioxide, (ontstaat bij verbranding in de lucht van olie,
diesel en kolen) stikstofdioxide (ontstaat door verbrandingsprocessen met de auto) en
ammoniak (zit in mest dat boeren gebruiken) we hebben een keer te maken gehad met zure
lucht hierdoor leek het erop dat bomen dood zouden gaan. Door maatregelen van de
overheid is dit meegevallen (auto’s kregen een katalysator, snelheidslimieten verminderd,
mest moest in de grond worden geplaatst niet er op gestrooid) nu gaat het goed met de
bomen, maar in het bos staan vaak alleen nog maar bomen die tegen stikstof kunnen.
4. Door de industriële revolutie werd er meer brandstof verbruikt. Dit geeft koolstofdioxide. In
ons lichaam gebeurd dat ook met verbranding. Voor de revolutie was die uitstoot niet zo erg,
want planten hebben dit nodig om te kunnen leven, maar tijdens de revolutie en nu nog is er
zoveel geproduceerd dat er overtollig koolstofdioxide in de lucht is te vinden. Koolstofdioxide
is een broeikasgas. De zon verwarmd de aarde, maar de warmte gaat op een gegeven
moment ook weer van de aarde af. Dat is goed anders zou de aarde opwarmen, maar de
koolstofdioxide houdt de warmte tegen om weer weg te gaan. Hierdoor zou het op aarde
warmer worden en zullen gletsjers gaan smelten waardoor het waterpeil gaat stijgen. Dit
zorgt voor wateroverlast in lage landen, zoals Nederland. Als water warm word, zet het uit
hierdoor zal het waterpeil nog meet stijgen. Daardoor zijn er op de wereld al verschillende
conferenties geweest waarin landen afspraken maken. helaas willen weinig landen hieraan
meedoen, omdat het voor die landen niet mogelijk is. uiteindelijk is er afgesproken dat ieder
land eraan zal doen wat hij kan. In NL zijn we hard bezig. De EU heeft afgesproken dat er in
2020 30% afname van CO-2 zal zijn en dat er een stijging van 20% zal zijn voor duurzame en
groene energie.
Op ieder organisme zit een rem… behalve op die van de mens. Tegenwoordig worden er steeds
meer mensen geboren dan dat er dood gaan. Tussen 1950 en 2000 zijn er ruim 4 miljard mensen
bij gekomen! In 1804 waren er nog maar 1 miljard mensen. Er wordt verwacht dat in 2050 op de
9,2 miljard zitten en dat er in 2075 een bevolkingsafname zal plaatsvinden. Dat gebeurd al in
landen zoals Italië. Daar wil men minder dan 2 kinderen! Overbevolking is dus een groot
probleem, maar het is moeilijk op te lossen. Als het wordt opgelost zijn ook meteen de voedsel-,
grondstoffen-, energie en het vervuiling probleem opgelost. Het probleem van overbevolking ligt
vooral in de ‘derde wereld’ daar willen mensen veel kinderen. Dat heeft te maken met armoede
en kindersterfte. Door de armoede willen mensen veel kinderen, zodat ze een handje kunnen
helpen. Er is weinig geld in dat land. Als je ziek bent is er slechte medische hulp. Als baby ben je
erg kwetsbaar. Je kan daar dus snel dood gaan. Er zijn 2 manieren om dit op te lossen:
1. Zorgen voor welvaart in het land en minder kindersterfte. Nadeel: kost veel geld, maar
duurt lang.
2. Gezinnen over halen of soms dwingen niet meer kinderen te nemen. Dit gebeurd op de
volgend manieren:
1. Voorlichting over gezinsgrootte geven
2. Mensen geld geven om zich te steriliseren
3. Voorbehoedsmiddelen uitdelen
4. Mensen te straffen die meer dan 4 kinderen hebben
Als je iets wil verkopen moet je reclame maken. reclame makers hebben een doelgroep. Als het over
een wasmiddel gaat zijn vrouwen de doelgroep. Ze proberen het voor hun zo aantrekkelijk mogelijk
te maken. (nog witter wasser dan dat het al was) de jeugd is ook een doelgroep. Ons pakken ze in
met onze behoeftes. ‘koop deze broek dan zie je er nog hipper uit!’ of de reclame van Axe. Als je dit
spuit zullen alle vrouwen voor je vallen.’ Op een advertentie worden meestal op 3 vragen antwoord
gegeven. Wat is de doelgroep?, welk artikel of product willen ze dat je koopt?, waarom moet je het
volgens het kopen?
We willen steeds meer hebben. Hierdoor gaan we meer produceren! Het gevolg is dat de
grondstoffen op raken. Ons afval word niet op een normale manier weggegooid. We loosde het maar
gewoon. Dit had nare gevolgen: stortplaatsen raakte vervuild doordat we niet wisten dat het giftige
stoffen waren. Dorpen werden op die stortplaatsen gebouwd. Het oppervlakte water raakt ook
vervuilt. Het werd ook al vervuild door de meststoffen. Fabrieken lozen ook veel in de lucht. Nu
hebben we hoge schoorstenen. Hierdoor worden de afvalstoffen hoog in de lucht geloosd waardoor
mensen op de grond er minder last van hebben.
Fabrieken maken dus veel afval, maar ze draaien ook voor ons. Fabrieken gaan steeds minder lozen
omdat er boetes opstaan. Wij zelf kunnen trouwens ook heel goed vervuilen hoor! Pakjes die wij
gebruiken komen misschien wel in de prullenbak, maar ze zijn niet meer te gebruiken. Het wordt op
een vuilnisbelt gegooid of verbrandt. We hoeven niet te vervuilen, maar we doen het toch omdat we
meer moeite moeten doen om iets weg te gooien. Neem statiegeld flessen, je moet ze bewaren en
weer terug naar de winkel brengen. Kauwgom is gemaakt van een soort plastic. We gooien het op
straat. Hierdoor krijgen we zwarte plekken op straat. Of we plakken het onder de tafel. Kauwgom zit
in een blitser en een kartonnen hoesje. Die blitser kan je niks mee. Als de kauwgom alleen in het
karton zat, zou veel beter zijn voor het milieu.
Blikjes is ook zo’n ding. Blikjes worden gemaakt van staal. Staal is erg belangrijk voor ons. Het is
stevig, hard, buigzaam en oude stalen producten kunnen we omsmelten. De belangrijkste
grondstoffen voor staal zijn. ijzererts, steenkool en schroot. In hoogovens wordt met behulp van
steenkool de ijzererts zo heet gemaakt dat het smelt. Er ontstaat ruwijzer. Dit ijzer gaat naar de
oxystaalfabriek. Het ruwijzer wordt in een vat gedaan en er wordt schroot bij gedaan. Dit smelt. Er
wordt dan zuurstof bij gedaan. Er ontstaat een enorme hitte. Hierbij worden deeltjes koolstof
verbrand die in het ijzer zijn achtergelaten vanuit het steenkool. Wat er nu is ontstaan noemen we
staal. Als het afgekoeld is, is het hard en buigzaam. Veel beter dan ijzer. Dat krijgt namelijk snel
scheurtjes. Uiteindelijk wordt het gegoten in lange platen. Las het materiaal dun moet zijn gaat het
naar de wasinstallatie. Daar wordt het tussen soort van 2 deegrollers steeds langer en dunner
gemaakt. Uiteindelijk is het zo lang dat het wordt opgerold om te vervoeren. Het dunne staal van een
blikje is nog dunner. Dit wordt gemaakt in de koudbandwalserij. Als het op is gooien we de blikjes in
een prullenbak. Niet zo goed. Het kost veel geld om ze er weer uit te halen. We doen dit met
magneten. De blikjes gaan terug naar de hoogovens. Ze worden dan als schroot samen met ruwijzer
in de oxystaalfabriek omgesmolten tot nieuw staal. dit is de staal kringloop: ruwijzerstalenproducten-schroot—nieuwstaal.
Ook de landbouw draagt bij aan de vervuiling. Er is wel verandering ondertussen: alleen middelen die
snel afbreekbaar zijn en weinig schade aan mens en milieu toebrengt, mag worden gebruikt.
sommige middelen zijn ook verboden. Er zijn stroken graan bijv. langs de sloot waar geen
bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Hierdoor kan het niet in de sloot komen! Er zijn ook boeren
die bewust geen bestrijdingsmiddelen gebruiken. Dit noemen we de biologische boeren. Boeren die
dieren houden zorgen er voor dat dieren genoeg ruimte hebben. Willen ziektes voorkomen op
natuurvriendelijke manieren met bijv. lieveheersbeestjes. Biologische producten zijn duurder. Veel
boeren willen biologisch zijn, maar slechts 2% van de mensen wil dit kopen!
We hebben het erover gehad dat veel natuurgebieden verdwijnen. De regering doet hier iets aan
door natuurkerngebieden aan te wijzen. Deze gebieden staan met elkaar in verbinding doordat ze
van het ne gebied naar het andere gebied lopen. Dit noemen we een ecologische verbindingszone.
Leer ook!!:
Van een stukje tekst kunnen zeggen of het over milieu of over biotoop gaat. (doelstelling 1) (2.1 +
2.2)
Enkele aanpassingen van amfibieplanten noemen (doelstelling 9) (2.7)
Enkele gewervelde dieren van sloot of plas kennen en die in groepen kunnen delen (doestelling 10)
(2.8 + 2.9)
Bij milieufactoren onderscheid kunnen maken tussen biotisch en a-biotisch en aan kunnen geven of
deze factoren belangrijk zijn voor een bepaald dier. (doelstelling 15) (2.11 + 2.12)
De zin: ‘een levensgemeenschap is een web van voedselkringen’ met enkele voorbeelden kunnen
verduidelijken (doelstelling 23) (3.9)
De betekenis van het woord evenwicht in een leefgemeenschap met 2 voorbeelden kunnen
verduidelijken (doelstelling 24) ( 3.9 + 3.10)
Kunnen vertellen wat er gaande is om het Kyoto-verdrag (doelstelling 38) ( 4.5)
Een advertentie kunnen analyseren aan de hand van de drie vragen (doelstelling 42) (4.8)
Eigen toevoegingen:
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
__________________________________________________________________________________
Download
Random flashcards
mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Rekenen

3 Cards Patricia van Oirschot

Create flashcards