Examensamenvatting KADER

advertisement
1
Biologie
Examensamenvatting KADER
1
Waar vind je wat?
pagina
1
2
3
onderwerp
Waar vind je wat?
Waar vind je wat?
cellen, weefsel, organen, plantaardige cel, dierlijke cel, kenmerken van chromosomen
20
21
gewone celdeling, ordening, vissen, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren,
voortplanting, reductiedeling,, voortplantingsstelsel man
afbeelding voortplantingsstelsel man en vrouw, voortplantingsstelsel vrouw
verschil zaadcel&eicel, primaire geslachtskenmerken, secundaire geslachtskenmerken,
menstruatiecyclus, werking pil, bevruchting, menstruatiecyclus
SOA's, embryonale ontwikkeling, fasen in geboorte
genotype, fenotype, gen, geslachtschromosomen, een-en twee-eiige tweeling
homozygoot, heterozygoot, dominant, recessief, kruisingsschema, stamboom,
geslachtelijke voorplanting, ongeslachtelijke voortplanting, veredeling
mutatie, kanker, erfelijkheidsonderzoek, biotechnologie
bouw en taak zenuwstelsel, gevoelszenuwcel, bewegingszenuwcel, schakelcel,
ruggenmerg
grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam, ruggenmerg, reflexboog, reflex
hormoonstelsel, hormoonklier, hypofyse, schildklier, eilandjes van Langerhans, bijnier,
zintuigwerking, prikkel, adequate prikkel
oog, pupilreflex, werking oog
bouw en werking netvlies, bouw en werking oor
taak geraamte, tekening geraamte, pijpbeenderen, platte beenderen, zoolgangers,
teengangers, topgangers, samenstelling been
beenverbindingen, bouw gewricht, bouw en werking spieren
lichaamshouding, sportbeoefening, blessures
gedrag, supranormale prikkel, sleutelprikkel, soorten gedrag, vergelijking menselijk en
dierlijk gedrag
organische stoffen, anorganische stoffen, enzymwerking,fotosynthese, assimilatie
verbranding, grondstofwisseling, ongeslachtelijke voortplanting bij planten, bloem
22
bestuiving, insectenbloem, windbloem, vruchtontwikkeling, vruchtverspreiding , zaden
23
kenmerken een-twee jarige planten, taak wortel-stengel-blad, houtvaten, bastvaten,
transport
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
2
Waar vind je wat?
stevigheid bij planten, bescherming tegen uitdroging, biotische en abiotische factoren,
24 individu, populatie, levensgemeenschap, ecosysteem, autotroof, heterotroof, voedselketen,
voedselnet
25 producent, reducent, consument, koolstofkringloop, stikstofkringloop, voedselpiramide
26 successie, pionierecosysteem, climaxecosysteem, aanpassingen van dieren aan hun biotoop
27
28
29
30
31
32
33
34
35
aanpassingen van planten aan hun biotoop, milieu, oorzaken milieuprobleem,
voedselproductie
chemische en biologische bestrijding, recombinant DNA, kunstmatige inseminatie,
landbouwmethoden in Nederland
monocultuur, zure regen, luchtvervuiling, broeikaseffect, vermesting
waterbloei,watervervuiling, ontbossing, erosie, verdroging, bodemvervuiling
afvalverwerking, maatregelen om milieu te beschermen, voedselproductie door schimmels en
bacteriën
conservering voedsel, voedingsmiddel, voedingsstof, gezonde voeding
vertering, darmperistaltiek, tanden en kiezen, tandplak
delen spijsverteringsstelsel, verteringssappen
invloed van voedsel op gebit en darmkanaal,, verband lichaamsgrootte en gaswisseling,
gaswisseling bij insecten en gewervelde dieren, verschil ingeademde/uitgeademde lucht
36 onderdelen menselijk ademhalingstelsel
37 ribademhaling, middenrifademhaling, CARA, hooikoorts, effect van roken
38 samenstelling en taak van bloed, bloedarmoede, leukemie, bloederziekte, bouw van het hart
39 werking hart, ader, slagader, haarvat, onderdelen bloedomloop
zuurstof en glucosegehalte bloed, hart- en vaatziekten,weefselvloeistof, lymfe, inwendig
40
milieu
41 werking en taak lever, hepatitis, uitscheidingsstelsel
42 bouw van de huid, lichaamstemperatuur, antistoffen, immuniteit
43 bloedfactoren, transfusie, resusfactor
3
CELLEN
Doelstelling 1
Je moet kunnen omschrijven wat een weefsel en wat een orgaan is.

Weefsel: een groep cellen met dezelfde bouw en dezelfde functie(s).
- Bij veel weefsels komt tussencelstof voor tussen de cellen.
- Voorbeelden: kraakbeenweefsel, spierweefsel.

Een orgaan is een deel van een organisme met een of meer functies.
- Een orgaan bestaat uit verschillende weefsels.

Organenstelsel: een groep van samenwerkende organen, die gezamenlijk een bepaalde functie hebben.
Doelstelling 2
Je moet in een afbeelding van de romp van een mens de organen kunnen benoemen.
Het middenrif scheidt de romp van de mens in de borstholte en de buikholte.
- Organen in de borstholte: o.a. slokdarm, longen en hart.
- Organen in de buikholte: o.a. slokdarm, maag, lever, alvleesklier, dunne darm, dikke darm, nieren.
Doelstelling 3
Je moet in een afbeelding van een plantaardige cel met celwand de delen kunnen
benoemen.
-Cytoplasma (celplasma) met celmembraan.
- Plastiden (bladgroenkorrels, kleurstofkorrels of zetmeelkorrels).
-Celkern.
- Kernplasma met kernmembraan.
-Vacuole(n).
-Celwand met intercellulaire ruimten.
Doelstelling 4
Je moet de kenmerken en functies van de delen van een
plantaardige cel met celwand kunnen noemen.
- Cytoplasma (celplasma): bestaat uit water met opgeloste stoffen.
- Celmembraan: de buitenste laag van het cytoplasma.
In het cytoplasma kunnen plastiden voorkomen.
-Celkern: regelt alles wat er in de cel gebeurt.
De celkern bestaat uit kernplasma.
- Kernmembraan: de buitenste laag van het kernplasma.
- In het kernplasma bevinden zich de chromosomen.
-Vacuole(n): blaasje(s) in het cytoplasma, gevuld met vocht.
Jonge plantencellen hebben veel kleine vacuolen.
Oudere plantencellen hebben één grote, centrale vacuole.
-Plastiden: korrels in het cytoplasma.
Bladgroenkorrels (groen): hierin vindt fotosynthese plaats.
Kleurstofkorrels (geel, oranje of rood): geven bloemen en vruchten hun kleur.
Zetmeelkorrels (kleurloos): hierin is zetmeel opgeslagen.
Plastiden kunnen van de ene soort overgaan in de andere soort.
-Celwand: een stevig laagje om de cel heen.
Een celwand behoort niet tot de cel, maar is tussencelstof.
Een celwand bestaat uit dood materiaal.
Intercellulaire ruimten: holten tussen de celwanden. Intercellulaire ruimten zijn gevuld met lucht.
Doelstelling 5
Je moet van een dierlijke cel de delen kunnen noemen met hun
kenmerken en functies.
- Cytoplasma (celplasma): bestaat uit water met opgeloste stoffen.
- Celmembraan: de buitenste laag van het cytoplasma.
- Celkern: regelt alles wat er in de cel gebeurt. De celkern bestaat uit
kernplasma.
- Kernmembraan: de buitenste laag van het kernplasma.
In het kernplasma bevinden zich de chromosomen.
In dierlijke cellen komen geen plastiden en geen grote, centrale
vacuolen voor.
-Om de cellen zitten geen celwanden.
Doelstelling 6 Je moet de kenmerken van chromosomen kunnen noemen .
-Chromosomen zijn dunne 'draden' in elke celkern.
- In deze draden komt de stof DNA voor.
- De stof DNA bevat de informatie voor erfelijke eigenschappen.
- Elke celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een organisme.
-Elke soort organisme heeft een vast aantal chromosomen in elke celkern.
-Bij een mens bevat de kern van elke lichaamscel 46 chromosomen.
-In elke lichaamscel komen de chromosomen in paren voor.
- De twee chromosomen van een paar zijn gelijk in lengte en in vorm.
- Bij een mens bevat de kern van elke lichaamscel 23 paren chromosomen.
4
Doelstelling 7
je moet het doel en het verloop van een gewone celdeling kunnen beschrijven.
-Doel; de vorming van nieuwe cellen voor groei, vervanging en herstel.
-Verloop:
-Voor de celdeling is elk chromosoom een langgerekte, dunne draad. De chromosomen zijn niet
zichtbaar.
-Elk chromosoom vormt een tweede draad erbij (een 'kopie'}
- De chromosomen worden korter en dikker. Hierdoor worden ze zichtbaar
- De chromosomen gaan in het midden van de cel liggen.
- De twee draden van elk chromosoom gaan uit elkaar. Elke draad is een afzonderlijk
chromosoom geworden.
- Er ontstaan twee kernen en twee cellen.
-De chromosomen worden weer draadvormig. Hierdoor zijn ze niet meer zichtbaar.
- Elke dochtercel bevat dezelfde informatie voor erfelijke eigenschappen als de moedercel.
- Elke dochtercel bevat evenveel chromosomen als de moedercel
- Na de celdeling wordt elke dochtercel net zo groot als de moedercel.
ORDENING
Vissen.
- De huid is bedekt met schubben en slijm.
- De lichaamstemperatuur is niet constant (koudbloedig). - Ze halen adem met kieuwen.
- Ze planten zich voort door eieren zonder schaal. - Ze leven in het water.
- Voorbeelden: haai, haring, paling, schol, snoek.
Amfibieën.
- De huid is bedekt met slijm.
- De lichaamstemperatuur is niet constant (koudbloedig).
- Ze halen eerst adem met kieuwen en huid, later met longen en huid.
- Ze planten zich voort door eieren zonder schaal.
- Ze leven in het water en op het land.
- Voorbeelden: kikker, pad, salamander.
Reptielen.
- De huid is bedekt met droge schubben.
- De lichaamstemperatuur is niet constant (koudbloedig).
- Ze halen adem met longen.
- Ze planten zich voort door eieren met leerachtige schaal.
- Ze leven vooral op het land.
- Voorbeelden: hagedis, krokodil, schildpad, slang.
Vogels.
- De huid is bedekt met veren.
- De lichaamstemperatuur is constant (warmbloedig). - Ze halen adem met longen.
- Ze planten zich voort door eieren met kalkschaal. - Ze leven vooral in de lucht.
- Voorbeelden: ekster, fuut, mees, ooievaar, spreeuw, valk, zwaan, zwaluw.
Zoogdieren.
- De huid is bedekt met haren.
- De lichaamstemperatuur is constant (warmbloedig).
- Ze halen adem met longen.
- Ze planten zich levendbarend voort.
- Ze leven vooral op het land.
- Voorbeelden: egel, hert, mol, muis, vleermuis, vos, walvis, wezel, zeehond.
VOORTPLANTING
Doelstelling 1 Je moet het doel en het verloop van reductiedeling kunnen beschrijven .
-Doel: de vorming van geslachtscellen uit moedercellen.
- Bij reductiedeling wordt het aantal chromosomen per celkern verminderd tot de helft.
- In geslachtscellen komen de chromosomen enkelvoudig voor.
Verloop in fasen.
- De chromosomen worden korter en dikker en daardoor zichtbaar.
- De twee chromosomen van een paar gaan tegenover elkaar liggen in het midden van de cel.
- De twee chromosomen van een paar gaan uit elkaar.
- Er ontstaan twee kernen en twee cellen.
Doelstelling 2
Je moet in een afbeelding van het voortplantingsstelsel van een man de delen kunnen
benoemen.
Balzak en penis (aan de buitenkant zichtbaar).
- In de balzak: teelballen en bijballen.
- In de penis: zwellichamen, urinebuis, eikel en voorhuid.
- Zaadleiders, zaadblaasjes en prostaat (in de onderbuik).
Doelstelling 3
Je moet de functies en kenmerken van de delen van het voortplantingsstelsel van een
man kunnen noemen.
Teelballen (testes): produceren van spermacellen (zaadcellen) en van het mannelijk
geslachtshormoon. Bij de productie van spermacellen vindt reductiedeling plaats. Sperma bestaat uit
spermacellen met vocht uit de zaadblaasjes en uit de prostaat.
5
Bijballen: tijdelijk opslaan van spermacellen.
Balzak: huidplooi waarin teelballen en bijballen liggen.
De temperatuur in de balzak is iets lager dan die in de buikholte. Dat is gunstig voor de ontwikkeling van
spermacellen.
Zaadleiders (spermaleiders): vervoeren van spermacellen.
Zaadblaasjes: vocht toevoegen aan spermacellen waardoor deze beter gaan bewegen.
Prostaat: vocht met voedingsstoffen toevoegen aan spermacellen.
Urinebuis: vervoeren van urine en sperma.
Penis: inbrengen van sperma in een vagina.
Zwellichamen: brengen de penis in erectie.
Eikel: gevoelig voor seksuele prikkels.
Voorhuid: huidplooi om de eikel.
Doelstelling 4
Je moet in een afbeelding van het voortplantingsstelsel van een vrouw de delen
kunnen benoemen.
Vagina, kleine en grote schaamlippen en clitoris (aan de buitenkant zichtbaar).
Eierstokken, trechters, eileiders en baarmoeder (in de onderbuik).
Doelstelling 5
Je moet de functies en kenmerken van de delen van het voortplantingsstelsel van een
vrouw kunnen noemen.
Eierstokken (ovaria): produceren van eicellen en van het vrouwelijk geslachtshormoon.
- Bij de productie van eicellen vindt reductiedeling plaats.
- Bij de geboorte zijn in de eierstokken reeds alle cellen aanwezig die zich tot eicel kunnen
ontwikkelen.
- Eicellen ontwikkelen zich in follikels.
Trechters: opvangen van eicellen die uit de eierstokken vrijkomen.
Eileiders: vervoeren van eicellen.
Baarmoeder (uterus): hierin vindt de ontwikkeling van een embryo plaats.
- De baarmoeder heeft een dikke, gespierde wand, die met slijmvlies is bekleed.
Vagina (schede).
- Hierin komt het sperma bij geslachtsgemeenschap (coïtus) terecht.
- Bij menstruatie worden stukjes baarmoederslijmvlies, slijm en bloed via de vagina
verwijderd.
- Bij de geboorte komt het kind via de vagina ter wereld.
Clitoris (kittelaar): gevoelig voor seksuele prikkels.
Kleine schaamlippen: produceren van slijm, waardoor de toegang tot de vagina glad wordt.
Grote schaamlippen: liggen om de kleine schaamlippen heen.
Maagdenvlies: sluit de vagina gedeeltelijk af.
6
Doelstelling 6
Je moet de kenmerken van spermacellen en eicellen kunnen noemen.
Spermacellen
Eicellen
- erg klein;
- in verhouding groot;
•
- kunnen zelf bewegen
(met de zweepstaart);
- kunnen niet zelf bewegen;
- bevatten geen reservevoedsel;
- komen per zaadlozing met
- bevatten veel reservevoedsel;
- komen meestal afzonderlijk vrij,
vele miljoenen tegelijk vrij;
eenmaal per vier weken.
Doelstelling 7
Je moet primaire en secundaire geslachtskenmerken kunnen noemen bij jongens
en bij meisjes.
Primaire geslachtskenmerken zijn reeds bij de geboorte aanwezig.
- Bij jongens: o.a. balzak en penis.
- Bij meisjes: o.a. schaamlippen en vagina.
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan in de puberteit onder invloed van geslachtshormonen.
- Bij jongens: onder invloed van het mannelijk geslachtshormoon o.a. een zwaardere
stem,zwaardere spieren, baardgroei en haargroei rond de
geslachtsorganen, in de oksels en vaak ook op de borst.
- Bij meisjes: onder invloed van het vrouwelijk geslachtshormoon o.a. borstontwikkeling,
haargroei rond de geslachtsorganen en in de oksels, een wijder bekken en
een dikkere onderhuidse vetlaag.
Doelstelling 8
Je moet kunnen beschrijven wat er gebeurt tijdens de menstruatiecyclus en wat de
invloed van de pil hierop is.
De menstruatiecyclus begint met de eerste dag van de menstruatie.
De eerste twee weken van de menstruatiecyclus :
- Onder invloed van hormonen uit de hypofyse rijpen follikels in de eierstokken (dit gebeurt vanaf de
puberteit tot aan de overgang).
- Cellen in de wand van de follikels produceren het vrouwelijk geslachtshormoon.
- Onder invloed van het vrouwelijk geslachtshormoon wordt het baarmoederslijmvlies dikker en bevat het
veel bloedvaten.
Halverwege de menstruatiecyclus: ovulatie.
- Een rijpe follikel neemt veel vocht op en barst open.
- Ovulatie: de rijpe eicel komt vrij.
- Vindt binnen 12 uur geen bevruchting plaats, dan gaat de eicel te gronde en worden de
resten in het bloed opgenomen.
Na de ovulatie.
- Uit het in de eierstok achtergebleven follikelweefsel wordt het gele lichaam gevormd.
- Het gele lichaam produceert hormonen, waardoor het baarmoederslijmvlies nog dikker wordt
en voedingsstoffen voor het embryo gaat afscheiden.
Aan het eind van de menstruatiecyclus.
- Het gele lichaam begint af te sterven, waardoor er te weinig hormonen worden
geproduceerd om het baarmoederslijmvlies in stand te houden.
- Er treedt menstruatie op: een deel van het baarmoederslijmvlies wordt afgestoten (14
dagen na de ovulatie).
- De menstruatiecyclus begint opnieuw.
Invloed van de pil.
- In de eierstok rijpen geen follikels meer.
- Er vindt geen ovulatie plaats.
- Het baarmoederslijmvlies wordt minder dik.
- De menstruatie worden minder hevig.
Doelstelling 9
Je moet kunnen beschrijven hoe bevruchting plaatsvindt en welke veranderingen er
daarna optreden in de menstruatiecyclus.
Geslachtsgemeenschap in de periode van 3 dagen voor de ovulatie tot een halve dag na de ovulatie kan
leiden tot bevruchting.
- Een onbevruchte eicel blijft na de ovulatie slechts 12 uur in leven.
- Een spermacel kan in het lichaam van een vrouw 3 dagen in leven blijven.
Bevruchting: de kern van de eicel versmelt met de kern van een spermacel.
- Na het binnendringen van de kop van een spermacel wordt de buitenste laag van de eicel
ondoordringbaar voor andere spermacellen.
- Bevruchting vindt plaats in een eileider.
- De bevruchte eicel deelt zich een aantal keren. Er ontstaat een klompje cellen.
Innesteling: het klompje cellen zet zich vast in het baarmoederslijmvlies (5 of 6 dagen na de ovulatie).
Zwangerschap.
- Het gele lichaam blijft in stand en blijft hormonen produceren.
- Het baarmoederslijmvlies blijft dik en klierrijk. Er treedt geen menstruatie op.
- Er rijpen geen nieuwe follikels in de eierstokken en er vindt geen ovulatie plaats.
7
Doelstelling 10
Je moet seksueel overdraagbare aandoeningen kunnen noemen met de verschijnselen
en de ziekteverwekkers.
Seksueel overdraagbare aandoeningen (geslachtsziekten): ziekten die je alleen kunt krijgen via intiem
lichamelijk contact met een besmette persoon.
Gonorroe (druiper).
- Verschijnselen: er komt slijm en etter uit de penis of vagina en het urineren kan pijn doen.
- Ziekteverwekkers: bacteriën.
Syfilis.
- Verschijnselen: eerst een zweertje aan de geslachtsorganen, mond, tong of anus; later
verlammingen en geestelijke achteruitgang.
- Ziekteverwekkers: bacteriën.
Candida.
- Verschijnselen: een jeukende ontsteking met veel afscheiding uit de vagina ('witte vloed').
- Ziekteverwekkers: schimmels.
AIDS: een ongeneeslijke aantasting van het afweersysteem tegen ziekteverwekkers.
- Geen kenmerkende ziekteverschijnselen.
- Ziekteverwekker: het AIDS-virus (HIV).
- Besmetting: door het binnenkrijgen van bloed, sperma of vocht uit de vagina van een besmette
persoon. Besmetting gebeurt vooral door geslachtsgemeenschap of doordat meerdere
druggebruikers dezelfde spuiten of naalden gebruiken.
- Iemand die besmet is met het AIDS-virus maar nog geen ziekteverschijnselen heeft, is seropositief.
Doelstelling 11 Je moet de embryonale ontwikkeling kunnen beschrijven.
In een eileider ontwikkelt een bevruchte eicel zich tot een klompje cellen.
- Hierbij vindt nog geen groei plaats.
Innesteling in het baarmoederslijmvlies.
- Het embryo neemt zuurstof en voedingsstoffen op uit het baarmoederslijmvlies.
-Vorming van de placenta (bestaat gedeeltelijk uit weefsels van de moeder en
gedeeltelijk uit weefsels van het embryo).
- Het bloed van de moeder stroomt vlak langs het bloed van het embryo, maar blijft ervan
gescheiden.
- Zuurstof en voedingsstoffen (o.a. glucose) gaan van het bloed van de moeder naar het
bloed van het embryo.
- Koolstofdioxide en andere afvalstoffen gaan van het bloed van het embryo naar het
bloed van de moeder.
Vorming van twee vruchtvliezen en vruchtwater (weefsels van het embryo).
- Functie: bescherming tegen stoten, tegen uitdroging en tegen wisselingen van de
temperatuur. Bovendien kan het embryo zich in het vruchtwater gemakkelijk bewegen.
Navelstreng (weefsels van het embryo).
- Navelstrengslagaders (van het embryo naar de placenta): hierdoor stroomt bloed dat r ijk
Is aan koolstofdioxide en andere afvalstoffen, en arm is aan zuurstof en
voedingsstoffen.
- Navelstrengader (van de placenta naar het embryo): hierdoor stroomt bloed dat rijk is aan
zuurstof en voedingsstoffen, en arm is aan koolstofdioxide en andere afvalstoffen.
Vanaf de derde maand wordt het embryo foetus genoemd.
- Bij een embryo of foetus werken hersenen, spieren, hart en bloedvaten al.
Doelstelling 12 Je moet de drie fasen van de geboorte kunnen noemen met de kenmerken.
Ontsluiting.
- De geboorte begint met weeën (samentrekkingen van spieren in de baarmoederwand).
- Indalen van de foetus: het onderste deel van de baarmoederwand en de
baarmoederhals worden rond het hoofdje van de foetus getrokken.
- De opening in de baarmoederhals wordt groter, de vruchtvliezen breken en het
vruchtwater vloeit weg.
Uitdrijving.
- Door persweeën (krachtige weeën waarbij ook spieren in de buikwand
zich samentrekken) komt het kind ter wereld.
- De navelstreng wordt afgeklemd en doorgeknipt.
- Bij de baby beginnen de organen voor ademhaling, vertering en uitscheiding te werken.
(De voortplantingsorganen beginnen pas in de puberteit te werken.)
Nageboorte.
- De placenta, de resten van de navelstreng en de vruchtvliezen worden uitgedreven.
8
ERFELIJKHEID
Doelstelling 1 Je moet kunnen omschrijven wat een genotype, wat een fenotype en wat een gen is.
Genotype: de informatie voor de erfelijke eigenschappen van een organisme.
- Deze informatie ligt in de chromosomen in de kern van e lke lichaamscel.
- Het genotype is het geheel van genen dat in een celkern aanwezig is.
- Het genotype van een organisme ligt vast op het moment van bevruchting.
Fenotype: het uiterlijk (de zichtbare eigenschappen) van een organisme.
- Het fenotype komt tot stand door het genotype en door invloeden uit het milieu.
Gen: een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor één erfelijke eigenschap.
- Een chromosoom bevat vele genen.
- In lichaamscellen komen genen in paren voor.
- In geslachtscellen komen genen enkelvoudig voor.
•
Doelstelling 2
Je moet kunnen beschrijven op welke wijze de geslachtschromosomen het geslacht van
een mens bepalen.
Bij de mens komen in een lichaamscel 23 paar chromosomen voor:
- 22 paar'gewone'chromosomen;
-1 paar geslachtschromosomen.
Bij de mens komen in een geslachtscel 23 chromosomen voor:
- 22'gewone'chromosomen;
-1 geslachtschromosoom.
De geslachtschromosomen bepalen of iemand een man of een vrouw is.
- Ook beïnvloeden ze de gehaltes aan mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen in het
bloed.
Bij een man (♂):
- in een lichaamscel 2 ongelijke geslachtschromosomen (XY);
- in een spermacel een X-chromosoom of een Y-chromosoom.
Bij een vrouw (♀ ):
- in een lichaamscel 2 gelijke geslachtschromosomen (XX);
- in een eicel een X-chromosoom.
Het geslacht van een mens wordt bepaald op het moment van bevruchting.
De spermacel bepaalt het geslacht:
- een meisje ontstaat als een eicel (met een X-chromosoom) wordt bevrucht door een
spermacel met een X-chromosoom;
- een jongen ontstaat als een eicel (met een X-chromosoom) wordt bevrucht door een
spermacel met een Y-chromosoom.
Doelstelling 3
Je moet kunnen beschrijven hoe een twee-eiige tweeling en hoe een eeneiige tweeling
ontstaat.
Een twee-eiige tweeling ontstaat als twee eicellen worden bevrucht.
- Bij de bevruchting zijn twee spermacellen betrokken.
- Een twee-eiige tweeling kan van hetzelfde geslacht zijn, maar kan ook van verschillend
geslacht zijn.
Een eeneiige tweeling ontstaat uit één bevruchte eicel.
- Bij de bevruchting is één spermacel betrokken.
- Tijdens de eerste delingen van de bevruchte eicel laten cellen van elkaar los.
- Een eeneiige tweeling is altijd van hetzelfde geslacht.
9
Doelstelling 4
Je moet kunnen omschrijven wat homozygoot, heterozygoot, dominant en recessief
betekent
Homozygoot: het genen paar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke genen.
Heterozygoot: het genen paar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke genen.
Dominant gen: een gen dat altijd tot uiting komt in het fenotype.
- Een dominant gen wordt aangegeven met een hoofdletter.
- Organismen waarbij een dominant gen tot uiting komt in het fenotype, kunnen homozygoot of
heterozygoot zijn voor deze eigenschap.
Recessief gen: een gen dat alleen tot uiting komt in het fenotype, als er geen dominant gen aanwezig is.
- Een recessief gen wordt aangegeven met een kleine letter.
- Organismen waarbij een recessief gen tot uiting komt in het fenotype, zijn homozygoot voor
deze eigenschap.
Doelstelling 5
Je moet een kruisingsschema op kunnen stellen.
In een kruisingsschema worden de generaties aangegeven met letters.
- P: de ouders;
- F1 : d e e e r s t e g e n e r a t i e n a ko m e l i n g e n ;
-F2: de generatie nakomelingen die ontstaat door onderling voortplanten van F1 –
individuen.
Het opstellen van een kruisingsschema.
- Geef de genotypen van de ouders in een kruising weer.
- Stel vast welke genen de geslachtscellen van beide ouders kunnen bevatten.
- Ga na welke mogelijkheden er bestaan voor de versmelting van een eicelkern en een
spermacelkern.
Kruisingsschema van een kruising:
-P
AA x aa
- geslachtscellen A
a
- F1
Aa
Aa
x
Aa
- geslachtscellen A of a
A of a
-F2
A
a
A
AA
Aa
a
Aa
aa
- Verhouding in de F2:
genotypen: AA : Aa : aa = 1 : 2 : 1;
fenotypen: fenotype waarbij het dominante gen tot uiting komt: fenotype waarbij het recessieve gen
tot uiting komt = 3 : 1.
Doelstelling 6
Je moet bij een gegeven kruising genotypen en fenotypen van ouders en/of nakomelingen
kunnen afleiden.
P: Aa x aa.
Verhouding in de F1
- genotypen:
Aa : aa = 1 : 1
- fenotypen:
fenotype waarbij het dominante gen tot uiting komt: fenotype waarbij het recessieve gen tot uiting
komt =1:1.
P: Aa xAa.
Verhouding in de F1.
- genotypen:
AA : Aa : aa = 1 : 2 : 1
- fenotypen:
fenotype waarbij het dominante gen tot uiting komt: fenotype waarbij het recessieve gen tot uiting
komt = 3 : 1.
Doelstelling 7
Je moet uit een gegeven stamboom af kunnen leiden welke genotype individuen hebben en
welk gen dominant is en welk gen recessief.
Als twee ouders met gelijk fenotype een nakomeling krijgen met een afwijkend fenotype, zijn beide ouders
heterozygoot voor deze eigenschap (Aa).
De nakomeling is dan homozygoot recessief voor deze eigenschap (aa).
Doelstelling 8
Je moet kunnen beschrijven wat geslachtelijke voortplanting, wat ongeslachtelijke voortplanting en
wat veredeling is.
Bij geslachtelijke voortplanting versmelten twee geslachtscellen.
- Geslachtscellen ontstaan door reductiedeling. Hierbij hebben de dochtercellen veel verschillende
genotypen.
- Welke geslachtscellen bij bevruchting versmelten, is afhankelijk van het toeval. Hierdoor
ontstaan telkens nieuwe genotypen.
- Bij geslachtelijke voortplanting is het genotype van de nakomeling(en) verschillend van dat van
de ouder(s).
10
Bij ongeslachtelijke voortplanting groeit een deel van 'een individu uit tot een nieuw individu.
- Bijvoorbeeld: stekken (bij kamerplanten), knollen (bij aardappelen).
- Groei vindt plaats door gewone celdeling. Hierbij hebben de dochtercellen hetzelfde genotype
als de moedercel.
- Bij ongeslachtelijke voortplanting is het genotype van de nakomeling(en) gelijk aan dat van de
ouder(s).
Veredeling: door kruisingen en kunstmatige selectie tracht men een combinatie van gunstige
eigenschappen in één nakomeling te verkrijgen.
- Kunstmatige selectie : uit een nakomelingschap worden alleen de individuen met de meest
gunstige erfelijke eigenschappen gebruikt voor verdere kruisingen.
- Bij landbouwgewassen wordt na de veredeling meestal alleen nog ongeslachtelijke voortplanting
toegepast.
Doelstelling 9
Je moet kunnen omschrijven wat een mutatie is. Ook moet je kunnen beschrijven hoe kanker
ontstaat.
Mutatie: een plotselinge verandering van het genotype.
- Mutant: een individu waarbij een gemuteerd gen tot uiting komt in het fenotype.
Als een mutatie optreedt In een lichaamscel, heeft dit meestal geen gevolgen.
- Het genotype van de andere lichaamscellen blijft ongewijzigd.
- Gemuteerde recessieve genen komen niet tot uit ing in het fenotype.
Als een mutatie optreedt in een geslachtscel, kan dit wel een grote uitwerking hebben,
-Deze geslachtscel moet dan betrokken zijn bij bevruchting.
Elke lichaamscel van de nakomeling bevat dan het gemuteerde gen.
Mutaties, kunnen vaker voorkomen door mutagene invloeden:
- kortgolvige straling (bijv. radioactieve straling, röntgenstraling, of ultraviolette straling in zonlicht);
- bepaalde chemische stoffen (bijv. stoffen in sigarettenrook, asbest).
Ontstaan van kanker: ergens in het lichaam gaat een cel zich ongeremd delen.
- Oorzaak: waarschijnlijk door opgetreden mutaties in deze cel.
- Er ontstaat een gezwel en de bouw van het weefsel wordt verstoord.
- In dit stadium is genezing nog mogelijk.
Uitzaaiing: cellen van het eerste gezwel komen in het bloed of in de lymfe terecht.
- Deze cellen veroorzaken in andere organen nieuwe gezwellen.
- Door uitzaaiing wordt genezing heel moeilijk.
Doelstelling 10 Je moet methoden van erfelijkheidsonderzoek bij ongeboren kinderen kunnen beschrijven .
Al voor de geboorte kan worden onderzocht of een kind een ziekte of afwijking heeft.
- Echoscopie: door middel van geluidsgolven wordt het embryo zichtbaar gemaakt op een scherm.
- Vlokkentest: er wordt wat weefsel uit de placenta weggehaald. Van cellen van het embryo worden de
chromosomen onderzocht.
- Vruchtwaterpunctie: er wordt wat vruchtwater met cellen van de foetus uit de baarmoeder weggehaald.
Hiervan worden de chromosomen onderzocht.
Bij een ernstige ziekte of afwijking kunnen de ouders abortus overwegen.
Doelstelling 11 Je moet voorbeelden van toepassingen van biotechnologie kunnen noemen.
Biotechnologie: organismen worden gebruikt om op grote schaal producten te vervaardigen voor de mens.
- Biotechnologie wordt toegepast bij de productie van voedingsmiddelen, geneesmiddelen en hormonen.
Voorbeelden van biotechnologie waarbij de erfelijke eigenschappen van organismen niet worden veranderd:
- gisten worden gebruikt bij de productie van brood, bier, wijn en kaas;
- bacteriën worden gebruikt bij de productie van yoghurt en zuurkool.
Genetische manipulatie: de mens verandert de erfelijke eigenschappen van andere soorten organismen.
- Recombinant-DNA-technieken: in het DNA van een organisme wordt nieuwe erfelijke informatie
aangebracht (bijvoorbeeld DNA afkomstig van een ander soort organisme).
- De veranderde organismen kunnen voor de mens nieuwe of goedkopere voedingsmiddelen,
geneesmiddelen of hormonen produceren.
- Voorbeeld: bacteriën produceren het hormoon insuline, doordat het gen van de mens voor de productie
van insuline is ingebracht in de bacteriën.
11
REGELING
Doelstelling 1 Je moet de bouw en functies van het zenuwstelsel kunnen beschrijven.
Bouw van het zenuwstelsel:
- het centrale zenuwstelsel: grote hersenen, kleine -hersenen, hersenstam en ruggenmerg;
- zenuwen.
Functies van het zenuwstelsel.
- Verwerken van impulsen afkomstig van zintuigen. In zintuigen ontstaan impulsen (een soort elektrische
signalen) onder invloed van prikkels.
-Een prikkel is een invloed uit het milieu op een organisme.
- Regelen van de werking van spieren en klieren.
Doelstelling 2 Je moet in een afbeelding van een zenuwcel de delen kunnen benoemen .
Cellichaam met celkern.
- Uitlopers:
- uitlopers die impulsen naar het cellichaam toe geleiden;
- uitlopers die impulsen van het cellichaam af geleiden.
Doelstelling 3 Je moet drie typen zenuwcellen kunnen noemen met hun functies en kenmerken .
Gevoelszenuwcellen.
- Functie: impulsen geleiden van zintuigen naar het centrale zenuwstelsel
- De cellichamen liggen vlak bij het centrale zenuwstelsel.
- Ze hebben één lange uitloper die impulsen naar het cellichaam toe geleidt.
Bewegingszenuwcellen.
- Functie: impulsen geleiden van het centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren.
- De cellichamen liggen in het centrale zenuwst elsel.
- Ze hebben één lange uitloper die impulsen van het cellichaam af geleidt.
Schakelcellen.
- Functie: impulsen voorgeleiden binnen het centrale zenuwstelsel.
- Ze liggen in hun geheel in het centrale zenuwstelsel (in ruggenmerg, hersenstam, grote hersenen
en kleine hersenen).
Doelstelling 4
Je moet kunnen omschrijven wat een zenuw is en drie typen zenuwen kunnen noemen met
hun kenmerken.
Zenuw: een bundel uitlopers van zenuwcellen, omgeven door een laag bindweefsel (een stevige laag die
zorgt voor bescherming).
- Elke uitloper is omgeven door een isolerend laagje.
Zenuwen verbinden het centrale zenuwstelsel met alle lichaamsdelen.
- Weefsels en organen in het hoofd zijn door zenuwen verbonden met de hersenstam.
- Weefsels en organen in de romp en ledematen zijn door ruggenmergszenuwen verbonden
met het ruggenmerg.
Typen zenuwen:
- gevoelszenuwen bevatten alleen uitlopers van gevoelszenuwcellen;
- bewegingszenuwen bevatten alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen;
- gemengde zenuwen bevatten uitlopers van gevoelszenuwcellen en uitlopers van
bewegingszenuwcellen.
Doelstelling 5 Je moet de bouw en functies van het ruggenmerg kunnen beschrijven .
Aan de rugzijde komen gevoelszenuwen het ruggenmerg binnen.
- De cellichamen van gevoelszenuwcellen liggen in verdikkingen (zenuwknopen) vlak bij de rugzijde
van het ruggenmerg.
- Aan de buikzijde verlaten bewegingszenuwen het ruggenmerg.
In de schors (het buitenste gedeelte) ligt de witte stof.
- De witte stof bevat uitlopers van schakelcellen, die van en naar de hersenen lopen.
12
In het merg (het binnenste, vlindervormige gedeelte) ligt de grijze stof.
- De grijze stof bevat cellichamen van schakelcellen (in het midden en aan de rugzijde) en
cellichamen van bewegingszenuwcellen (aan de buikzijde).
•
Functies van het ruggenmerg:
- geleiden van impulsen van zenuwen in romp en ledematen naar de hersenen en omgekeerd;
- geleiden van impulsen in reflexbogen van romp en ledematen.
Doelstelling 6 Je moet de delen van de hersenen kunnen noemen met hun functies en kenmerken.
Grote hersenen.
- Functies: het verwerken van impulsen afkomstig van zintuigen (bewuste gewaarwordingen)
en het regelen van gewilde bewegingen (bewuste reacties).
- In de schors ligt de grijze stof: cellichamen van schakelcellen.
- In het merg ligt de witte stof: uitlopers van schakelcellen.
- Hersencentra: groepen cellichamen van schakelcellen in de hersenschors.
- In gevoelscentra (bijv. gehoorcentra, gezichtscentra) worden binnenkomende impulsen verwerkt.
- De plaats waar impulsen aankomen en worden verwerkt, bepaalt van welke prikkel je je bewust
wordt.
- In bewegingscentra (bijv. schrijfcentra, spreekcentra) ontstaan impulsen voor gewilde
bewegingen (bewuste reacties).
Kleine hersenen.
- Functie: het coördineren van bewegingen (o.a. het handhaven van het evenwicht).
- In de schors ligt de grijze stof: cellichamen van schakelcellen.
- In het merg ligt de witte stof: uitlopers van schakelcellen.
Functies van de hersenstam:
- geleiden van impulsen van het ruggenmerg naar 'de grote en kleine hersenen en omgekeerd;
- geleiden van impulsen van zenuwen in het hoofd naar de grote en kleine hersenen en
omgekeerd;
- geleiden van impulsen in reflexbogen van het hoofd.
-Medicijnen, alcohol en drugs beïnvloeden de werking van de hersenen.
- Onder invloed van deze stoffen kunnen het waarnemingsvermogen en het reactievermogen
afnemen.
Doelstelling 7
Je moet kunnen omschrijven wat een reflex is en je moet een reflexboog kunnen beschrijven .
Reflex: een vaste, snelle, onbewuste reactie op een bepaalde prikkel.
- De snelheid is vaak nodig om het lichaam te beschermen tegen beschadigingen.
- Reflexen hebben een functie bij het handhaven van bepaalde houdingen en bij bewegingen van het
lichaam.
- Voorbeelden: terugtrek(-strek)reflex, kniepeesreflex, ooglidreflex, pupilreflex.
Reflexboog: de weg die impulsen afleggen bij een reflex.
- Onder invloed van prikkels ontstaan in zintuigcellen impulsen.
- Via gevoelszenuwcellen worden de impulsen naar schakelcellen in het ruggenmerg of in de
hersenstam geleid.
- Schakelcellen geleiden impulsen direct door naar bewegingszenuwcellen.
- Bewegingszenuwcellen geleiden impulsen naar spiercellen waardoor spieren zich samentrekken.
13
Doelstelling 8
Je moet de bouw en functie van het
hormoonsteisel kunnen beschrijven en in een
afbeelding de belangrijkste hormoonklieren
kunnen benoemen.
Het hormoonsteisel bestaat uit hormoonklieren die
hormonen produceren.
- Hormoonklieren hebben geen afvoerbuis: hormonen
worden afgegeven aan het bloed.
- Hormonen regelen de werking van weefsels en
organen die er gevoelig voor zijn.
- Hormonen zijn o.a. van invloed op de groei en
ontwikkeling, de stofwisseling en de voortplanting.
Ligging van de belangrijkste hormoonklieren.
- Hypofyse: onder tegen de hersenen aan, tussen de
beide hersenhelften in.
- Schildklier: in de hals, voor het strottenhoofd, tegen de
luchtpijp aan.
- Eilandjes van Langerhans: in de alvleesklier.
- Bijnieren: als kapjes op de nieren.
- Eierstokken: in de buikholte.
- Teelballen: in de balzak.
Doelstelling 9
Je moet de werking kunnen beschrijven van hormonen uit de hypofyse, uit de schildklier,
uit de eilandjes van Langerhans en uit de bijnieren.
De hypofyse produceert groeihormoon en hormonen die de werking van andere hormoonklieren beïnvloeden.
- Groeihormoon stimuleert de groei.
- Een hormoon uit de hypofyse stimuleert de productie van schildklierhormoon door de
schildklier.
- Hormonen uit de hypofyse beïnvloeden de eierstokken en teelballen.
De schildklier produceert schildklierhormoon.
- Schildklierhormoon beïnvloedt de stofwisseling en groei en ontwikkeling.
-Het stimuleert de verbranding in cellen.
- Voor de vorming van schildklierhormoon is jood (JODIUM) nodig; bij gebrek aan jodium kan
struma ontstaan
De eilandjes van Langerhans produceren insuline en glucagon.
- Insuline en glucagon regelen het glucosegehalte van het bloed (de bloedsuikerspiegel).
Het glucosegehalte wordt min of meer constant gehouden.
- Bij een hoog glucosegehalte van het bloed produceren de eilandjes van Langerhans veel insuline.
Onder invloed van insuline wordt in de lever en in spieren glucose omgezet in glycogeen.
Glycogeen wordt opgeslagen.
- Bij een laag glucosegehalte van het bloed produceren de eilandjes van Langerhans veel glucagon.
Onder invloed van glucagon wordt in de lever en in spieren glycogeen omgezet in glucose.
De glucose wordt opgenomen in het bloed.
- Suikerziekte (diabetes): er wordt te weinig insuline gevormd, waardoor het glucosegehalte van het
bloed te hoog wordt. Er wordt dan glucose uitgescheiden met de urine.
De bijnieren produceren adrenaline.
- Adrenaline komt vrij bij woede, angst en schrik. Het heeft een snelle, kortdurende werking.
- Onder invloed van adrenaline wordt in de lever en in spieren glycogeen omgezet in glucose. De
glucose wordt opgenomen in het bloed. Hierdoor stijgt het glucosegehalte van het bloed.
- Onder invloed van adrenaline worden de hartslag en ademhaling versneld.
ZINTUIGEN
Doelstelling 1
Je moet de werking van zintuigen kunnen beschrijven. Ook moet je de zintuigen kunnen
noemen met de plaats van ligging en de adequate prikkels.
Een zintuig is een orgaan dat reageert op prikkels.
- Prikkel: een invloed uit het milieu op een organisme.
In zintuigen ontstaan onder invloed van prikkels impulsen.
- Drempelwaarde: de kleinste prikkelsterkte die een impuls veroorzaakt.
- Adequate prikkel: de soort prikkel waarvoor de drempelwaarde van een zintuigcel het laagst is.
De zintuigcel is speciaal gevoelig voor deze prikkel.
- Gewenning: wanneer een prikkel enige tijd aanhoudt, ontstaan in sommige zintuigcellen minder
impulsen.
Pijn neem je waar met de uiteinden van bepaalde zenuwen (pijnpunten).
- Pijnpunten komen overal in het lichaam voor.
14
Zintuigen
- gezichtszintuigen
- gehoorzintuigen
- evenwichtszintuigen
- reukzintuig
- smaakzintuigen
- warmtezintuigen
- koudezintuigen
- drukzintuigen
- tastzintuigen
Ligging
- in de ogen
- in de oren
- in de oren
- in de neus
- in de tong
- in de huid
- in de huid
- in de huid
- in de huid
Adequate prikkel
- licht
- geluid
- zwaartekracht
- geur
- smaak
- warmte
- koude
-druk
- lichte aanraking
Doelstelling 2
Je moet in een afbeelding van een oog en een gedeelte van een gezicht de delen kunnen
benoemen en de functies ervan kunnen noemen.
Wenkbrauwen: zorgen ervoor dat zweet (vocht) langs de ogen loopt en niet erin.
Wimpers: beschermen de ogen tegen vuil en te fel licht.
Traanklieren: produceren traanvocht.
Traanvocht: beschermt de ogen tegen uitdroging en spoelt kleine stofjes en prikkelende stoffen weg.
Oogleden: verspreiden traanvocht over de ogen en beschermen de ogen.
Traanbuizen: hierdoor wordt traanvocht afgevoerd naar de neusholte.
Doelstelling 3
Je moet in een afbeelding van een
doorsnede van een oog de delen
kunnen benoen
Doelstelling 4
Je moet de kenmerken en functies van de
delen van een oog kunnen noemen.
Oogspieren: draaien het oog in de gewenste richting.
Harde oogvlies: stevig, wit; geeft bescherming.
Hoornvlies: doorzichtig, de voortzetting van het harde
oogvlies aan de voorkant.
Vaatvlies: bevat veel bloedvaten; zorgt voor de voeding van het oog.
Iris; gekleurd, de voortzetting van het vaatvlies aan de voorkant.
Pupil: opening in de iris.
Lens: bevindt zich achter de iris en de pupil; zorgt ervoor dat er een s cherp beeld op het netvlies
ontstaat.
Straalvormig lichaam: bevindt zich rondom de lens.
Lensbandjes: bevestigen de lens in het Straalvormig lichaam.
Netvlies: bevat de zintuigcellen.
Oogzenuw: geleidt impulsen naar de hersenen.
Glasachtig lichaam: geleiachtig; houdt het netvlies op zijn plaats
.
Doelstelling 5
Je moet de functie van de pupilreflex kunnen noemen en kunnen beschrijven hoe de
pupilreflex de grootte van de pupil regelt.
Functie van de pupilreflex: regelen van de hoeveelheid licht die op het netvlies valt.
- De pupilreflex beschermt de zintuigcellen in het netvlies tegen te fel licht.
Reflexboog van de pupilreflex: zintuigcellen in het netvlies - gevoelszenuw- cellen - hersenstam bewegingszenuwcellen - kringspieren en straalsgewijs lopende spieren in de iris.
- Als er fel licht op het netvlies valt, trekken de kringspieren zich samen en ontspannen de straalsgewijs
Lopende spieren zich. Hierdoor wordt de pupil kleiner.
- Als er zwak licht op het netvlies valt, ontspannen de kringspieren zich en trekken de straalsgewijs lopende
spieren zich samen. Hierdoor wordt de pupil groter.
Doelstelling 6 Je moet de werking van de ogen kunnen beschrijven.
Beeldvorming: op het netvlies van de ogen wordt een omgekeerd, verkleind beeld gevormd.
- In de gezichtscentra in de grote hersenen wordt dit beeld 'vertaald' in een normale waarneming.
Lichtbreking: binnenvallende lichtstralen worden in een andere richting gebogen door vooral de hoornvliezen en
de lenzen.
- De ooglenzen zijn bolle lenzen; door bolle lenzen worden lichtstralen gebundeld.
Accommoderen: de vorm van de lenzen wordt aangepast, wanneer de afstand waarop een voorwerp zich
bevindt, minder is dan ongeveer 5 meter.
- Kringspieren in de straalvormige lichamen trekken zich samen.
- De ooglenzen worden boller door hun elasticiteit.
- Als de kringspieren zich minder samentrekken, worden de ooglenzen platter door de druk van de
glasachtige lichamen.
15
- De kringspieren in de straalvormige lichamen zijn
- De openingen in de straalvormige lichamen zijn
- De lensbandjes zijn
- De lenzen zijn
- De ogen zijn
Bij het zien in de verte
- ontspannen
- groot
- strak gespannen
- zo plat mogelijk
- in rusttoestand
Bij het zien van dichtbij
- samengetrokken
- klein
- minder strak gespannen
- boller
- geaccomm odeerd
Doelstelling 7 Je moet de bouw en de werking van het netvlies kunnen beschrijven.
Het netvlies bestaat uit twee lagen:
- een laag van zintuigcellen (staafjes en kegeltjes): lichtprikkels omzetten in impulsen;
- een laag van zenuwcellen (tegen hei glasachtig lichaam aan): impulsen geleiden naar het centrale
zenuwstelsel.
Gele vlek: het centrum van het netvlies.
- Bij het kijken naar een voorwerp worden de ogen zo gericht dat het beeld van dat voorwerp op de
gele vlek valt.
- In de gele vlek wordt het scherpste beeld waargenomen.
Blinde vlek: de plaats waar de oogzenuw het oog verlaat. - De uitlopers van zenuwcellen gaan door het
netvlies, het vaatvlies en het harde oogvlies heen.
- De blinde vlek bevat geen zintuigcellen.
- De functie is
- De drempelwaarde is
- Ze worden gebruikt
- Ze komen voor
Doelstelling 8
Staafjes
-het zien van contrasten
in zwart-grijs-wit
- laag
- in het licht en in de schemering
- verspreid over het hele netvlies,
maar niet in de gele vlek
Kegeltjes
- het zien van kleuren
- hoog
- in het licht
-vooral in de gele vlek
en de directe omgeving daarvan
Je moet in een afbeelding van een doorsnede van een oor de delen kunnen benoemen.
Doelstelling 9
Je moet de kenmerken en functies van de delen van een oor kunnen noemen.
Oorschelp: vangt geluiden op.
- Geluiden zijn trillingen van de lucht.
- Geluiden kunnen hard of zacht zijn. De geluidsst erkte bepaalt de grootte van de rillingen.
Gehoorgang: geleidt geluiden naar het trommelvlies.
- Oorsmeerkliertjes: produceren oorsmeer, dat het trommelvlies soepel houdt.
Trommelvlies: wordt door geluiden in trilling gebracht.
- Trommelholte: holte achter het trommelvlies, gevuld met lucht.
- Gehoorbeentjes: geven trillingen van het trommelvlies door aan een vlies (venster) in het Slakkenhuis.
Buis van Eustachius: verbindt de trommelholte met de keelholte.
- Bij slikken of gapen opent de buis van Eustachius zich. Hierdoor kan de luchtdruk aan beide zijden
van het trommelvlies gelijk blijven.
Slakkenhuis: bevat een vloeistof en zintuigcellen.
- Het vlies in het slakkenhuis brengt de vloeistof in trilling.
- In de zintuigcellen ontstaan onder invloed van de trillingen van de vloeistof impulsen.
Gehoorzenuw: geleidt impulsen naar de hersenen.
•
16
ST EVIGHEID EN BEWEGING
Doelstelling 1
Je moet de functies van het skelet kunnen noemen.
Stevigheid geven aan het lichaam.
Vorm geven aan het lichaam.
Tere organen in het lichaam beschermen.
Het aanhechten van spieren mogelijk maken.
Doelstelling 2
Je moet in een afbeelding van het skelet de
beenderen kunnen benoemen.
De schedel.
- Schedelbeenderen, bovenkaak, onderkaak.
De romp.
- Wervelkolom: halswervels, borstwervels,
lendewervels, heiligbeen, staartbeen.
- Borstkas: borstwervels, ribben, borstbeen.
- Schoudergordel: schouderbladen,
sleutelbeenderen.
- Bekkengordel: heupbeenderen.
De armen en benen (ledematen).
- Arm: opperarmbeen, spaakbeen, ellepijp, handwortelbeentjes,
middenhandsbeentjes, vingerkootjes.
- Been: dijbeen, knieschijf, scheenbeen, kuitbeen,
voetwortelbeentjes, middenvoets- beentjes, teenkootjes.
Doelstelling 3
Je moet pijpbeenderen en platte beenderen kunnen
onderscheiden en kenmerken ervan kunnen noemen.
Pijpbeenderen: langwerpige beenderen.
- Komen vooral voor in de ledematen, bijv. dijbeen en scheenbeen.
- In de koppen bevinden zich vele kleine holten met rood beenmerg.
In het rode beenmerg worden bloedcellen gevormd.
- In het deel tussen de koppen bevindt zich een
mergholte met geel beenmerg. In het gele
beenmerg is vet opgeslagen.
Platte beenderen.
- Komen vooral voor in de schedel en in de romp, bijv. schedelbeenderen, schouderbladen,
ribben, borstbeen, heupbeenderen.
- In platte beenderen bevindt zich rood beenmerg.
Doelstelling 4
Je moet zoolgangers, teengangers en topgangers kunnen onderscheiden
en hun kenmerken kunnen noemen.
Zoolgangers: lopen op de hele voetzool, bijv. beer en mens.
- Door het lopen op de hele voetzool is het steunoppervlak groot.
Teengangers: lopen op de tenen, bijv. kat.
Topgangers: lopen op de toppen van de tenen, bijv. paard.
- Door het lopen op de toppen van de tenen zijn de poten lang.
Doelstelling 5
Je moet de kenmerken van kraakbeen en been kunnen noemen en kunnen beschrijven
hoe de samenstelling van beenderen verandert tijdens het leven.
Kraakbeen.
- De cellen liggen in groepjes in de tussencelstof.
- Stevig en goed buigzaam.
- Bij volwassenen alleen op speciale plaatsen (bijv. in de oorschelpen, in de neus, in gewrichten,
tussen de wervels).
Been.
- De cellen liggen in de tussencelstof in kringen rondom fijne kanalen met bl oedvaten.
- Heel stevig en een beetje buigzaam.
- Kalkzouten in de tussencelstof geven stevigheid (hardheid).
- Lijmstof in de tussencelstof zorgt voor de buigzaamheid.
Samenstelling van de beenderen tijdens het leven.
- Baby's: de beenderen bestaan voor een groot deel uit kraakbeenweefsel.
- Kinderen: de beenderen bestaan uit beenweefsel met veel lijmstof en weinig kalkzouten.
- Bejaarden: de beenderen bestaan uit beenweefsel met weinig lijmstof en veel kalkzouten.
17
Doelstelling 6
Je moet vier manieren kunnen onderscheiden waarop beenderen
met elkaar kunnen zijn verbonden.
Vergroeid: twee of meer beenderen zijn tot één geheel geworden.
- Geen beweging mogelijk.
- Bijv. de wervels van het heiligbeen.
Naadverbinding: twee of meer beenderen zijn verbonden door een naad.
- Geen beweging mogelijk.
- Bijv. de schedelbeenderen.
Kraakbeenverbinding: twee of meer beenderen zijn verbonden door kraakbeen.
- Beweging mogelijk.
- Bijv. de wervels.
Door een gewricht: tussen twee of meer beenderen zit een gewricht.
- Veel beweging mogelijk.
- Bijv. de vingerkootjes.
Doelstelling 7
Je moet de delen van een gewricht kunnen noemen met hun functies .
Gewrichtskogel en gewrichtskom.
Kraakbeenlaagjes (op de gewrichtskogel en de gewrichtskom):
- gaan slijtage tegen;
- hierdoor kan een gewricht soepel ewegen.
Gewrichtskapsel:
- geeft gewrichtssmeer af;
- houdt de botten op hun plaats.
Gewrichtsbanden: kunnen meehelpen de botten op hun plaats te houden.
Gewrichtssmeer: hierdoor kan een gewricht soepel bewegen.
Doelstelling 8
Je moet drie typen gewrichten kunnen onderscheiden.
Scharniergewricht:
- beweging mogelijk in slechts één richting;
- bijv. opperarmbeen en ellepijp
Kogelgewricht:
- beweging mogelijk in verschillende richtingen, o.a. een draaiende beweging;
- bijv. schouderblad en opperarmbeen (schoudergewricht).
Rolgewricht:
- het ene bot draait in de lengteas om het andere bot;
- bijv. spaakbeen en ellepijp.
Doelstelling 9
Je moet de bouw en werking van spieren kunnen beschrijven.
Bouw van een spier.
- Spierschede: bindweefsel om een spier.
- Pezen: bevestigen een spier aan beenderen. Pezen zijn niet samentrekbaar.
- Spierbundels: bundels spiervezels, omgeven door bindweefsel.
- Spiervezels: ontstaan door samensmeltingen van vele spiercellen.
Werking van een spier.
- Spiervezels trekken zich samen onder invloed van impulsen die via bewegingszenuwcellen naar
de spier worden geleid.
- Een spier die zich samentrekt wordt korter en dikker.
- Bij een spier die zich samentrekt wordt de afstand tussen de aanhechingsplaatsen van
de pezen kleiner.
- Bij het samentrekken vindt in de spier veel verbranding plaats.
Antagonisten: spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect
heeft, bijv. armbuigspier en armstrekspier.
18
Doelstelling 10 Je moet het belang van een goede lichaamshouding kunnen noemen .
De wervelkolom heeft een dubbele-S-vorm.
- Deze vorm wordt in stand gehouden door rugspieren die aan de wervels zijn bevestigd.
- Tussenwervelschijven werken als schokbrekers.
Een goede lichaamshouding voorkomt afwijkingen in de vorm van de wervelkolom en daardoor (rug)pijn.
- Bij een gebogen rug worden tussenwervelschijven aan één kant ingedrukt.
- Als dit vaak en langdurig gebeurt, kunnen de tussenwervelschijven een deel van hun veerkracht
verliezen.
- De tussenwervelschijven kunnen dan uitpuilen en daardoor zenuwen afklemmen.
Dit veroorzaakt pijn.
- Door goed rechtop te staan en goed rechtop te zitten houdt de wervelkolom de dubbele -S-vorm.
De tussenwervelschijven worden dan niet aan één kant ingedrukt.
- Door te tillen vanuit de knieën houdt de wervelkolom de dubbele-S-vorm. De armspieren en
beenspieren helpen dan mee bij het tillen.
Doelstelling 11 Je moet het belang van gezonde sportbeoefening kunnen noemen.
- Regelmatige lichaamsbeweging geeft een goede conditie.
Sporten kan ontspanning geven.
- Als je lichamelijk fit bent, kun je ook geestelijk heel wat aan en omgekeerd.
Bij topsport wordt vaak doping gebruikt om de prestaties te verhogen.
- Door spierversterkende middelen wordt de spierkracht verhoogd.
- Door stimulerende middelen wordt minder gauw vermoeidheid gevoeld.
- Het gebruik van doping wordt tegengegaan door de urine van topsporters te controleren.
Doelstelling 12 Je moet kunnen beschrijven wat er aan de hand bij enkele veel voorkomende
sportblessures en gedragsregels kunnen noemen om sportblessures te voorkomen.
Gescheurde spier (spierscheuring): spiervezels zijn gescheurd.
- Oorzaak: een te sterke inspanning of een plotselinge beweging.
Kneuzing: een beschadiging van weefsel zonder dat er scheuren of breuken ontstaan.
- Er ontstaat een zwelling doordat er een inwendige bloeding plaatsvindt en er vocht in het weefsel
ophoopt.
- Oorzaak: meestal een stoot, een stomp of een trap.
Een verzwikking is een kneuzing van een gewricht.
Ontwrichting: de gewrichtskogel schiet uit de gewrichtskom.
- Het gewrichtskapsel en de gewrichtsbanden kunnen daarbij scheuren.
- Oorzaak: bijv. een harde val op een schouder.
Voetbalknie: in het kniegewricht is een meniscus (een stukje kraakbeen) gescheurd.
- Meestal zijn ook het gewrichtskapsel en gewrichtsbanden (bijv. kniebanden of kruisbanden)
beschadigd.
- Er ontstaat een zwelling door vochtophoping ('water in de knie').
- Soms belet een afgescheurd stukje van de meniscus het bewegen van de knie
('de knie zit op slot').
- Oorzaak: meestal een draaibeweging van het lichaam, terwijl het onderbeen blijft staan.
Tennisarm: ontsteking van de aanhechtingsplaats van de elleboogspieren.
- Oorzaak: meestal te krachtige en te vaak uitgevoerde draaibewegingen van d e onderarm.
Achillespeesontsteking: ontsteking van de aanhechtingsplaats van een kuitspier.
- Oorzaak: meestal overbelasting van de kuitspier.
Veel blessures worden behandeld met ijswater:
- ijswater vermindert een inwendige bloeding;
- ijswater vermindert een zwelling;
- 'ijswater vermindert de pijn, doordat er minder impulsen naar de hersenen worden geleid.
Gedragsregels om sportblessures te voorkomen:
- speel niet ruw en houd je aan de spelregels (speel sportief);
- oefen goed en zorg voor een goede techniek;
- zorg voor een goede conditie;
- pas op voor overbelasting en oververmoeidheid;
- zorg voor goede warming-up en een goede cooling-down en doe voldoende rekoefeningen;
- sport met slechte weersomstandigheden niet buiten; - begin niet te snel na een blessure
met sporten;
- zorg voor een goede sportuitrusting.
19
GEDRAG
Doelstelling 1 Je moet kunnen omschrijven wat gedrag is en wat een gedragsketen is.
Gedrag: alles wat een dier of mens doet.
- Gedragingen komen tot stand door de werking van spieren of klieren.
- Gedrag is meestal een reactie (respons) van een dier of een mens op prikkels.
Gedrag bestaat uit een reeks samenhangende handelingen.
- De handelingen hebben meestal een gemeenschappelij k doel.
- De handelingen volgen elkaar vaak in een vaste volgorde op.
Gedragsketen: opeenvolging van handelingen, waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende
handeling. ' Bijv: de balts van de stekelbaars.
Doelstelling 2
Je moet kunnen beschrijven waardoor gedrag wordt veroorzaakt en hierbij sleutelprikkels
en supranormale prikkels kunnen onderscheiden.
Gedrag wordt veroorzaakt door prikkels en motiverende factoren.
otiverende factoren bepalen de bereidheid tot het verrichten van be paald gedrag.
- Honger en dorst kunnen voedingsgedrag veroorzaken.
- Hormonen kunnen voortplantingsgedrag veroorzaken.
Sleutelprikkel: prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag.
- Bijv.: de rode snavelvlek bij zilvermeeuwen is de Sleutelprikkel voor het pikgedrag van de jongen.
Supranormale prikkel: kunstmatige prikkel die sterker een bepaald gedrag veroorzaakt dan de
natuurlijke seutelprikkel.
- Bijv.: een model met een rode snavel veroorzaakt een sterker pikgedrag bij zilvermeeuwjongen
dan de rode snavelvlek van een ouder.
Doelstelling 3 Je moet de factoren kunnen noemen waardoor gedrag wordt bepaald.
Gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen.
- Gedrag dat al bij pasgeboren jongen waarneembaar is, wordt grotendeels bepaald
door erfelijke factoren.
- Door leerprocessen ontwikkelt gedrag zich tijdens het leven. Hierdoor ontstaat aangepast
gedrag dat de overlevingskans van een individu vergro ot.
Doelstelling 4 Je moeten typen sociaal gedrag kunnen onderscheiden.
Sociaal gedrag: gedrag van soortgenoten ten opzichte van elkaar.
Signaal: een handeling bij sociaal gedrag, die als prikkel werkt voor de volgende handeling van
een soortgenoot.
- Bijv.: bij de balts van stekelbaarsjes is de zigzagdans van het mannetje voor het vrouwtje
het signaal om de basishouding aan te nemen.
Territoriumgedrag: gedrag met als functie het afbakenen van een territorium (een gebied rond de nestplaats)
en het verdedigen ervan tegen binnendringende soortgenoten.
- Door het vormen van een territorium wordt voldoende voedsel of ruimte veilig gesteld om
nakomelingen groot te kunnen brengen.
- Territoriumgedrag bestaat uit aanvallen, vluchten en dreigen.
Overspronggedrag: gedrag dat ontstaat als de motiverende factoren voor tegenstrijdige gedragingen
(bijv. aanvallen en vluchten) even sterk zijn.
- Bijv.: zandhappen door een stekelbaarsmannetje.
Balts: paarvorm end gedrag dat aan de paring vooraf gaat.
- Baltsgedrag vergroot de bereidheid tot paring, doordat tijdens de balts de motiverende
factoren voor paring sterker worden.
- De signalen zijn kenmerkend voor de soort.
Broedzorg: zorg voor de nakomelingen.
Gedrag dat een functie heeft bij het vaststell en van een rangorde binnen een groep.
- Bijv.: bij kippen ontstaat door pikgedrag een rangorde van de meest dominante hen naar de
minst dominante hen (pikorde).
- Imponeergedrag: gedrag waarbij een dier zich zo groot en indruk wekkend mogelijk maakt.
Bijv.: bij een baviaan gaan de haren overeind staan.
- Onderdanigheidsgedrag: gedrag van een ondergeschikt dier ten opzichte van een dominante
soortgenoot. Bijv.: het 'presenteren' van het achterste bij bavianen.
Gedrag waaraan een taakverdeling ten grondslag ligt.
- Taakverdeling in een bijenstaat: één koningin legt eieren; enkele van de honderden darren
bevruchten de koningin en duizenden werkbijen verrichten alle andere taken.
Doelstelling 5
Je moet de overeenkomsten en de verschillen kunnen noemen tussen gedrag van mensen
en gedrag van dieren.
Overeenkomsten tussen het gedrag van mensen en het gedrag van dieren:
- bij beide wordt het gedrag bepaald door erfelijke factoren (bijv. gelaatsuitdrukkingen bij
mensen) en leerprocessen;
- bij beide komen rolpatronen voor (beide vertonen gedrag dat overeenstemt met het
verwachte rolgedrag);
20
- beide zijn gevoelig voor sleutelprikkels en supranormale prikkels;
- beide vertonen o.a. territoriumgedrag, dreiggedrag, imponeergedrag en overspronggedrag.
Verschillen tussen het gedrag van mensen en het gedrag van dieren:
- het gedrag bij mensen wordt sterker bepaald door leerprocessen;
- mensen kunnen hun gedrag beoordelen aan de hand van normen en waarden.
STOFWISSELING
Doelstelling 1 Je moet stoffen kunnen indelen in organische stoffen en anorganische stoffen.
Organische stoffen: afkomstig van organismen of van producten van organismen.
- Organische stoffen zijn energierijk.
- Bijv. koolhydraten (glucose, suiker, zetmeel), vetten, eiwitten.
Anorganische stoffen: komen zowel in organismen voor als in de levenloze natuur.
- Anorganische stoffen bevatten weinig energie.
- Bijv. zuurstof, koolstofdioxide, water, mineralen (zouten).
Doelstelling 2 Je moet de werking van enzymen kunnen beschrijven.
Enzymen versnellen de reacties van stofwisselingsprocessen, zonder daarbij zelf te worden verbruikt.
- Enzymen zijn eiwitten.
- Enzymen werken specifiek: één enzym kan slechts één reactie versnellen.
Enzymactiviteit: de snelheid waarmee een enz ym een reactie versnelt.
- De enzymactiviteit is o.a. afhankelijk van de temperatuur en de zuurgraad (pH).
De temperatuur beïnvloedt de enzymactiviteit volgens een optimumkromme.
- Minimumtemperatuur: de laagste temperatuur waarbij een enzym nog actief is. Beneden de
minimumtemperatuur is een enzym tijdelijk onwerkzaam.
- Optimumtemperatuur: de temperatuur waarbij de enzymactiviteit het grootst is.
- Maximumtemperatuur: de hoogste temperatuur waarbij een enzym actief is.
Boven de maximumtemperatuur wordt een enzym voorgoed onwerkzaam.
Ook de zuurgraad beïnvloedt de enzymactiviteit volgens een optimumkromme.
- Een oplossing kan zuur, neutraal of basisch zijn.
- Zuiver water heeft een neutrale zuurgraad.
Doelstelling 3
Je moet het proces van fotosynthese kunnen beschrijven.
Fotosynthese: koolstofdioxide en water worden omgezet in glucose en zuurstof.
- Hierbij is (zon)licht nodig.
- Bij fotosynthese wordt lichtenergie vastgelegd in glucose.
- Bij fotosynthese wordt uit anorganische stoffen een energierijke, organische stof gemaakt.
- Schematisch:
koolstofdioxide + water + lichtenergie —> glucose + zuurstof
Doelstelling 4
Je moet de voorwaarden kunnen noemen die aanwezig moeten zijn om foto synthese te
laten plaatsvinden.
Licht.
- Fotosynthese kan alleen in het licht (overdag) plaatsvinden.
Bladgroen.
- Fotosynthese kan alleen plaatsvinden in organismen met bladgroen (planten).
- Alleen in groene plantendelen (bladeren, groene stengels) kan fotosynthese plaatsvinden.
- Het grootste deel van de bladeren van planten bestaat uit vulweefsel met bladgroenkorrels.
De opperhuidcellen en de nerven hebben geen bladgroenkorrels. De sluitcellen van de
huidmondjes hebben wel bladgroenkorrels.
Geschikte temperatuur.
- Als het te koud is (bijv. 's winters bij strenge vorst) kan geen fotosynthese plaatsvinden.
Koolstofdioxide.
- Planten nemen koolstofdioxide op uit de lucht, vooral via de huidmondjes.
W at e r .
- Planten nemen water op uit de bodem, vooral via de wortelharen.
Doelstelling 5
Je moet de assimilatie bij planten kunnen beschrijven.
Doel van de assimilatie: de vorming van organische stoffen waaruit een organisme bestaat.
Glucose wordt gevormd bij de fotosynthese.
- De glucose die bij de fotosynthese ontstaat, wordt voor een deel verbruikt bij de verbranding
in de plant.
- De glucose die niet direct bij de verbranding wordt verbruikt, wordt omgezet in andere
organische stoffen.
Uit glucose worden andere koolhydraten (bijv. zetmeel, suiker, cellulose) gevormd.
- Zetmeel wordt overdag tijdelijk in de bladeren opgeslagen.
Zetmeel is aan te tonen met joodoplossing: joodoplossing kleurt zetmeel blauwzwart.
- Suiker wordt opgelost in water vervoerd naar alle delen van de plant.
21
- Cellulose komt voor in celwanden.
Uit glucose samen met nitraat worden eiwitten gevormd.
Nitraat is een voedingszout, dat door planten uit de bodem wordt opgenomen.
- Eiwitten komen voor in het cytoplasma van cellen en in zaden.
Uit glucose worden vetten gevormd.
- Vetten komen voor in zaden.
Doelstelling 6 Je moet het proces van verbranding bij organismen kunnen beschrijven .
Verbranding: brandstof en zuurstof worden omgezet in koolstofdioxide en water.
- In cellen van organismen is glucose meestal de brandstof.
- Ook andere organische stoffen kunnen als brandstof dienst, doen.
- Bij verbranding worden energierijke, organische stoffen omgezet in anorganische stoffen.
- Bij verbranding komt energie vrij, meestal als warmte of beweging.
- Verbranding vindt voortdurend in alle cellen plaats.
- Schematisch:
glucose + zuurstof —> koolstofdioxide + water + energie
(brandstof)
(verbrandingsproducten) (warmte, beweging)
Doelstelling 7
Je moet factoren kunnen noemen die van invloed zijn op de grondstofwisseling
en op de verbranding in organismen.
Grondstofwisseling: de stofwisseling van een organisme in rust.
- De grondstofwisseling bij mensen is o.a. afhankelijk van het geslacht, van de leeftijd en van
de milieutemperatuur.
Bij warmbloedige dieren is de grondstofwisseling meestal hoger dan bij koudbloedige dieren.
- Bij lage milieutemperaturen hebben warmbloedige dieren veel energie nodig om hun
lichaamstemperatuur te handhaven.
- Bij lage milieutemperaturen is bij koudbloedige dieren de grondstofwisseling zo laag,
dat deze dieren niet actief kunnen zijn.
In een organisme vindt meer verbranding plaats, naarmate het organisme meer beweegt.
- Bij lichamelijke inspanning vindt in de spieren veel verbranding plaats.
- Hierbij komt energie niet alleen vrij in de vorm van beweging, maar ook in de vorm van warmte.
Doelstelling 8
Je moet uit proefopstellingen met organismen in afgesloten ruimten kunnen afleiden,
hoe het gehalte aan zuurstof en koolstofdioxide in die ruimten verandert.
Bij een plant in het licht vinden fotosynthese en verbranding beide plaats.
- Bij de fotosynthese ontstaat meestal meer glucose en komt meestal meer zuurstof vrij dan
bij de verbranding wordt verbruikt.
- Een plant in het licht neemt meestal koolstofdioxide op uit de lucht en geeft meestal zuurstof
af aan de lucht.
Bij een plant in het donker vindt verbranding plaats.
- Een plant in het donker neemt zuurstof op uit de lucht en geeft koolstofdioxide af aan de lucht.
Bij bacteriën, schimmels en dieren vindt verbranding plaats.
- Bacteriën, schimmels en dieren nemen zuurstof op uit de lucht en geven koolstofdioxide af.
Koolstofdioxide is aan te tonen met helder kalkwater.
- Koolstofdioxide maakt helder kalkwater troebel.
PLANTEN
Doelstelling 1
Je moet kunnen beschrijven hoe ongeslachtelijke voortplanting plaatsvindt en hiervan
voorbeelden bij planten kunnen geven.
Ongeslachtelijke voortplanting: een deel van een individu groeit uit tot een nieuw individu.
- Vindt plaats door gewone celdeling (mitose).
- De nakomelingen hebben hetzelfde genotype als de ouder.
- Bij landbouwgewassen wordt ongeslachtelijke voortplanting toegepast om een gunstig genotype
te behouden.
Bij eencellige wieren: deling (bijv. boom alg).
Bij zaadplanten:
- stekken: een stuk van een stengel of blad wordt afgesneden (bijv. kamerplanten);
- knollen: verdikte stengels met knoppen (bijv. aardappel);
- bollen: verdikte bladeren (rokken) met knoppen (bijv. tulp);
- uitlopers: bovengrondse, horizontaal groeiende stengels (bijv. aardbei);
- wortelstokken: ondergrondse, horizontaal groeiende stengels (bijv. lelietje van dalen).
Doelstelling 2
Je moet de delen van een bloem kunnen noemen met hun kenmerken en functies.
Bloem kelk (kelkbladeren).
- Meestal groen.
- Functie: beschermen van de bloem in de knop tegen uitdroging en kou.
Bloemkroon (kroonbladeren).
- Vaak opvallend gekleurd, soms groen.
- Functie: aanlokken van insecten (als ze opvallend gekleurd zijn).
22
Meeldraad (mannelijk voortplantingsorgaan).
- Helmdraad en helmknop met helmhokjes.
- Functie: vormen van stuifmeelkorrels
Stamper (vrouwelijk voortplantingsorgaan).
- Stempel(s), stijl(en) en vruchtbeginsel met een
of meer zaadbeginsels.
- Functie: vormen van eicellen.
In elk zaadbeginsel ontstaat één eicel met kern.
Doelstelling 3
Je moet kunnen omschrijven wat bestuiving is
en je moet kenmerken van insectenbloemen
en windbloemen kunnen noemen.
Bestuiving: het overbrengen van stuifmeel van een
meeldraad op een stempel van een bloem van
dezelfde plantensoort.
- Zelfbestuiving: op een stempel van dezelfde plant.
- Kruisbestuiving: op een stempel van een andere
plant. Insectenbloemen (bestuiving door insecten):
- meestal grote bloemen met opvallend gekleurde
kroonbladeren;
- de bloemen geuren en hebben vaak nectar;
- de stuifmeelkorrels zijn ruw en kleverig.
Windbloemen (bestuiving door de wind):
- kleine, onopvallende bloemen met meestal groene kroonbladeren;
- de stuifmeelkorrels zijn licht en glad;
- de helmknoppen en (veervormige) stempels steken buiten de bloemen uit.
Doelstelling 4
Je moet kunnen beschrijven hoe bevruchting bij zaadplanten verloopt en hoe
het vruchtbeginsel zich daarna ontwikkelt.
Uit een stuifmeelkorrel groeit een stuifmeelbuis naar een zaadbeginsel
(alleen als de stuifmeelkorrel afkomstig is van een plant van dezelfde soort).
De kern van de stuifmeelkorrel versmelt met de kern van de eicel: er ontstaat een bevruchte eicel.
Door bevruchting (geslachtelijke voortplanting) ontstaan nakomelingen met nieuwe genotypen.
Ontwikkelingen na de bevruchting.
- De bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een kiempje.
- Het zaadbeginsel ontwikkelt zich tot een zaad.
- Het vruchtbeginse! ontwikkelt zich tot een vrucht.
Doelstelling 5
Je moet uit afbeeldingen van delen van planten kunnen afleiden
hoe de vruchten en zaden worden verspreid.
Verspreiding door de wind.
- Vruchten en zaden met vleugels of pluis (bijv. esdoorn, linde, paardebloem).
Verspreiding door dieren.
- Vruchten worden gegeten waarbij de zaden niet worden verteerd (bijv. hulst, lijsïerbes).
- Vruchten met weerhaakjes waardoor deze aan de vacht van dieren blijven hangen (bijv. klis)
Verspreiding door de plant zelf.
- Vruchten springen open en slingeren of schieten de zaden weg (bijv. ooievaarsbek, springzaad).
Doelstelling 6 Je moet de delen van een zaad kunnen noemen met hun kenmerken en functies.
Ook moet je de ontkieming van een zaad kunnen beschrijven.
Delen van een zaad.
- Zaadhuid: beschermt het zaad.
- Navel: de plaats waar het zaad heeft vastgezeten aan de moederplant.
- Poortje: kleine opening in de zaadhuid. Hierdoor kan een zaad water opnemen.
- Zaadlobben: bevatten reservevoedsel, vooral eiwitten, vetten en koolhydraten (o.a. zetmeel).
- Kiempje: worteltje, stengeltje, blaadjes.
Factoren die van invloed zijn op de ontkieming van zaden: temperatuur, water en zuurstof.
Ontkieming van een bruine boon.
- Het zaad neemt water op. Daardoor zwellen de zaadlobben op en scheurt de zaadhuid open.
- Een deel van het reservevoedsel (vooral zetmeel) uit de zaadlobben wordt omgezet in glucose
en verbruikt bij de verbranding in het kiemplantje.
- Een ander deel van de reservestoffen (vooral eiwitten) wordt gebruikt als bouwstoffen voor
het kiemplantje.
- Het worteltje groeit uit, vormt wortelharen en neemt water en mineralen op uit de bodem.
- Het stengeltje groeit uit en komt met de zaadlobben boven de grond uit.
Er wordt dan bladgroen gevormd, waardoor bij fotosynthese glucose kan worden gevormd.
- De zaadlobben vallen af als het reservevoedsel op is. Ondertussen hebben de bladeren zich
ontwikkeld.
23
Groei vindt plaats door gewone celdelingen.
- Celstrekking: plantencellen groeien langwerpig uit, doordat er veel water wordt opgenomen in
de vacuolen.
Doelstelling 7
Je moet van eenjarige, tweejarige en overblijvende planten de kenmerken
kunnen noemen en voorbeelden kunnen geven.
Eenjarige planten hebben een levenscyclus van één jaar.
- Ontkieming, groei, bloei en zaadvorming spelen zich af binnen één jaar.
Alleen de zaden overwinteren.
- Voorbeelden: klaproos, maïs en zonnebloem.
Tweejarige planten hebben een levenscyclus van twee jaar.
- In het eerste jaar vinden de ontkieming en de vorming van wortels, stengels en bladeren plaats.
In het tweede jaar vindt de vorming van bloemen, vruchten en zaden plaats.
- Voorbeelden: peen, suikerbiet, vingerhoedskruid.
Overblijvende planten hebben een levenscyclus van meerdere jaren.
- Bij veel overblijvende kruidachtige planten sterven elk najaar de bovengrondse delen geheel
of gedeeltelijk af.
- Voorbeelden: aardappel, tulp, lelietje van dalen, paardebloem, witte dovenetel en bomen en
struiken
Doelstelling 8 Je moet de functies van wortels, stengels en bladeren kunnen noemen.
W ortels:
- bevestigen van een plant in de bodem;
- opname van water en mineralen (voedingszouten);
- opslag van vooral zetmeel als reservevoedsel (vooral in verdikte delen).
Stengels:
- zorgen voor stevigheid;
- zorgen voor transport van water en opgeloste stoffen;
- opslag van reservevoedsel (o.a. in knollen en wortelstokken).
Bladeren:
- zorgen voor fotosynthese;
- zorgen voor verdamping.
Doelstelling 9
Je moet kunnen beschrijven hoe houtvaten en bastvaten
ontstaan en in afbeeldingen houtvaten en bastvaten kunnen benoemen.
Houtvaten ontstaan uit boven elkaar liggende houtcellen:
- tegen (verticale) celwanden worden verdikkingen van cellulose en houtstof afgezet;
- (horizontale) dwarswanden en cellen verdwijnen.
Bastvaten ontstaan uit boven elkaar liggen bastcellen:
- in de dwarswanden komen openingen;
- de cellen verdwijnen niet.
Ligging van houtvaten en bastvaten.
- In stengels in vaatbundels: houtvaten aan de binnenkant; bastvaten aan de buitenkant.
- In bladeren in nerven: houtvaten aan de bovenzijde; bastvaten aan de onderzijde.
- In een stam van een boom liggen de houtvaten in jaarringen. De bastvaten liggen eromheen.
Doelstelling 10 Je moet kunnen beschrijven hoe opname en transport
van water en mineralen voedingszouten) bij planten plaatsvinden.
Opname van water en mineralen door de wortels, vooral via de celwanden van d e wortelharen.
Transport van water en mineralen via houtvaten.
- Vooral door zuiging van de bladeren: door verdamping van water uit de bladeren wordt water
aangezogen uit de houtvaten (via de nerven).
- Worteldruk: de wortels 'persen' het water omhoog.
Het grootste deel van het opgenomen water verdampt; een klein deel wordt verbruikt bij de fotosynthese.
De mineralen worden gebruikt bij de vorming van organische stoffen.
Doelstelling 11
Je moet kunnen beschrijven hoe transport en opslag van assimilatieproducten
in planten plaatsvinden.
Bij fotosynthese wordt meestal meer glucose gevormd dan bij verbranding wordt verbruikt.
- Overdag: glucose wordt grotendeels omgezet in zetmeel en tijdelijk opgeslagen in de
bladeren.
Vooral 's nachts: zetmeel wordt omgezet in suiker en door bastvaten afgevoerd naar andere delen.
Opslag van koolhydraten, eiwitten en vetten vooral in verdikte delen (o.a. wortels, knollen, bollen,
wortelstokken)
en in zaden.
Doelstelling 12 Je moet kunnen beschrijven hoe planten stevigheid verkrijgen.
24
Door houtvaten: dikke wanden met cellulose en houtstof.
- In wortels, stengels (in vaatbundels of in jaarringen) en bladeren (in nerven).
Door turgor: de druk van de cel tegen de celwand.
- In opperhuid en vulweefsel van wortels, stengels en bladeren.
Door vezels: dikke celwanden met cellulose en houtstof.
- In stengels: 'kapjes' van vezels op vaatbundels.
- !n bladeren: de buitenste laag van nerven.
Doelstelling 13
Je moet aanpassingen bij planten kunnen noemen die bescherming bieden tegen
uitdroging.
Bescherming tegen uitdroging door:
-dik waslaagje op de opperhuid bij stengels en bladeren;
- sluiten van de huidmondjes in stengels en bladeren ('s nachts en overdag bij droge omstandigheden);
- ligging van de huidmondjes (aan de onderzijde van de bladeren); - weinig huidmondjes;
- verzonken huidmondjes;
- beharing van stengels en bladeren;
- klein bladoppervlak.
Openen en sluiten van de huidmondjes:
- door vormverandering van de sluitcellen;
- huidmondjes gaan dicht als de turgor van de sluitcellen afneemt en open als de turgor toeneemt.
ECOLOGIE
Doelstelling 1 Je moet de invloeden op organismen kunnen indelen in biotische en abiotische factoren.
Biotische factoren: invloeden afkomstig van de levende natuur.
- Bijv. soortgenoten, roofdieren, ziekteverwekkers.
Abiotische factoren: invloeden afkomstig van de levenloze natuur.
- Bijv. temperatuur, licht, wind, zuurstofgehalte van de lucht, regenval, bodemgesteldheid.
Doelstelling 2
•
Je moet de niveaus van de ecologie kunnen beschrijven.
-Individu: één enkel organisme.
-Populatie: een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied,die zich
onderling voortplanten.
-Levensgemeenschap: alle populaties die in een ecosysteem leven.
-Ecosysteem: een bepaald gebied waarbinnen de biotische en de abiotische factoren een
eenheid vormen.
- Biotoop: de gezamenlijke abiotische factoren van een ecosysteem.
Doelstelling 3 Je moet de verschillen kunnen noemen tussen autotrofe en heterotrofe organismen.
Autotrofe organismen:
- hebben bladgroen;
- vertonen in het licht fotosynthese;
- kunnen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen;
- hebben geen andere organismen nodig voor hun voedsel;
- nemen anorganische stoffen op uit hun milieu.
Heterotrofe organismen:
- hebben geen bladgroen;
- vertonen geen fotosynthese;
- kunnen geen organische stoffen maken uit
anorganische stoffen;
- hebben andere organismen nodig voor hun
voedsel;
- nemen organische en anorganische stoffen op uit
hun milieu.
Doelstelling 4 Je moet van organismen uit een
ecosysteem de voedselrelaties kunnen aangeven.
Voedselketen: een reeks soorten, waarbij elke soort
voedselbron is voor de volgende soort. (zie figuur
nks)
- Elke voedselketen heeft een plantensoort als eerste
schakel.
Voedselnet (voedselweb): het geheel van
voedselrelaties in een ecosysteem (zie figuur rechts)
Figuur 1
25
Doelstelling 5
Je moet de kringloop van stoffen in een ecosysteem
kunnen beschrijven en verschillende
groepen organismen erin kunnen aangeven.
Producenten: produceren energierijke, organische stoffen uit anorganische stoffen.
- Producenten zijn autotroof.
- Planten zijn producenten. In de bladeren van planten vindt fotosynthese plaats.
Consumenten: consumeren energierijke, organische stoffen.
- Consumenten van de eerste orde worden gegeten door consumenten van de tweede orde,
die weer door consumenten van de derde orde, enz.
- Tot de consumenten behoren planteneters, vleeseters en alleseters.
- Consumenten zijn heterotroof.
- Dieren zijn consumenten.
Reducenten: zetten de organische stoffen in dode resten van organismen om in anorganische stoffen.
- Hierdoor komen er weer mineralen vrij voor de producenten.
- Reducenten maken de kringloop van stoffen in een ecosysteem compleet.
- Reducenten zijn heterotroof.
- Schimmels en bacteriën zijn reducenten.
Doelstelling 6
Je moet de koolstofkringloop kunnen beschrijven.
de kooslstofkringloop
de stikstofkringloop
Doelstelling 7
Je moet bij een afbeelding van destikstofkringloop kunnen
uitleggen wat er gebeurt.
- Planten nemen nitraat op uit de bodem. Planten zetten glucose en nitraat om In plantaardige
eiwitten.
- Dieren zetten plantaardige eiwitten om in dierlijke eiwitten.
- Rottingsbacteriën zetten de eiwitten in dode resten van planten en dieren en in uitwerpselen
van dieren om.
Hierbij ontstaan ammoniakgas (in de lucht) en ammonium (in de bodem).
- Speciale bacteriën in de bodem zetten ammonium om in nitraat.
- Stikstofbindende bacteriën zetten stikstofgas uit de lucht om. Hierbij ontstaat o.a. nitraat.
Stikstofbindende bacteriën komen o.a. voor in de wortelknolletjes van vlinderbloemige planten
(bijv. klaver).
- Groenbemesting: het verbouwen van vlinderbloemige planten op grond die arm is aan nitraat.
Hierdoor wordt deze grond 'stikstofrijker'.
Doelstelling 8
Je moet kunnen omschrijven wat piramides van aantallen en van biomassa weergeven.
Ook moet je kunnen beschrijven op welke manieren energie uit een
voedselketen verdwijnt.
Piramide van aantallen: geeft van elke schakel van een voedselketen het aantal individuen weer.
- In een voedselketen wordt het aantal individuen in elke volgende schakel meestal kleiner.
- Soms is dit niet het geval. Dan heeft de piramide van aantallen geen piramidevorm.
Piramide van biomassa: geeft van elke schakel van een voedselketen de biomassa weer.
- Biomassa: het totale gewicht van alle energierijke, organisc he stoffen.
26
- In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
- De piramide van biomassa heeft altijd een piramidevorm.
De energiestroom in een ecosysteem: in elke schakel van een voedselketen verdwijnt er energie uit de
voedselketen.
- Sommige individuen sterven zonder dat ze worden gegeten door individuen van de volgende
schakel.
- Van de individuen die wel worden gegeten, wordt een deel niet verteerd. Dit deel komt in de
uitwerpselen terecht.
- Van de stoffen die wel worden verteerd, wordt een deel gebruikt als brandstoffen. Bij de
verbranding hiervan komt energie vrij, meestal in vorm van warmte of beweging.
- Het overgebleven deel kan worden gebruikt als bouwstoffen. Dit deel kan als voeds el dienen voor
de volgende schakel van de voedselketen.
Doelstelling 9
Je moet kunnen aangeven hoe de grootte van een populatie wordt beïnvloed door biotische
en abiotische factoren.
Optimale omstandigheden: alle biotische en abiotische factoren hebben de gunstigste waarden.
- De groei- en voortplantingskansen van een populatie zijn dan het grootst.
Biologisch evenwicht: een toestand waarin de grootte van elke populatie in een ecosysteem schommelt
om een bepaalde waarde. De populatiegrootte is afhankelijk van biotische en abiotische factoren.
- De abiotische factoren temperatuur, licht, lucht (wind) en wa ter (neerslag) vormen samen het
klimaat.
- Voor elke abiotische factor kunnen de groei- en voortplantingskansen van de populatie in een
optimumkromme worden weergegeven.
Doelstelling 10 Je moet kunnen omschrijven wat successie is en hierbij een pionierecosysteem en een
climaxecosysteem kunnen onderscheiden,
Successie: de opeenvolging van planten- en diersoorten in een bepaald gebied, waardoor een ecosysteem
geleidelijk in een ander ecosysteem overgaat.
Pionierecosysteem: het eerste ecosysteem dat op een onbegroeid terrein ontstaat.
- De abiotische factoren wisselen sterk.
- De bodem is humusarm. (Humus is een mengsel van organische en anorganische stoffen
en reducenten.)
- Het ecosysteem bevat weinig verschillende soorten.
- Van elke soort zijn er veel individuen.
- Het voedselweb is eenvoudig.
Climaxecosysteem: het eindstadium van de successie (bijv. een tropisch regenwoud,
in Nederland een loofbos).
- De abiotische factoren zijn min of meer constant.
- De bodem is humusrijk.
- Het ecosysteem is soortenrijk.
- Van elke soort zijn er weinig individuen.
Het voedselweb is ingewikkeld.
Doelstelling 11 Je moet bij dieren aanpassingen aan de biotoop kunnen beschrijven.
Aanpassingen bij waterdieren om de weerstand van het water zo klein mogelijk te maken.
- Het lichaam is gestroomlijnd.
- Bij vissen zijn de schubben van de huid bedekt met een laag slijm.
Aanpassingen bij landdieren om hun eigen gewicht te dragen.
- Stevige poten: hoe zwaarder het dier, des te steviger zijn in verhouding de poten.
- Een zwaar skelet.
Aanpassingen bij landzoogdieren aan de ondergrond.
- Zoolgangers: lopen op de hele voetzool (bijv. apen, beren). Zoolgangers zakken op een
drassige ondergrond niet zo snel weg.
- Teengangers: lopen op de hele tenen (bijv. honden, katten).
- Hoefgangers: lopen op de toppen van de tenen (bijv. paarden, herten).
Hoefgangers ondervinden weinig weerstand van de bodem. Hoefgangers kunnen
alleen goed lopen op een harde bodem.
Aanpassingen bij de poten van vogels.
- Veel vogels hebben drie tenen naar voren en één teen naar achteren (bijv. zangvogels).
Hierdoor kunnen ze zich vastklemmen aan takken.
- Roofvogels en uilen hebben scherpe klauwen.
- Loopvogels hebben geen teen naar achteren.
- Watervogels hebben zwemvliezen tussen de tenen (bijv. eenden).
- Steltlopers hebben lange poten.
Aanpassingen bij de snavels van vogels.
- Kegelsnavel: bij zangvogels die zaden eten.
- Pincetsnavel: bij zangvogels die insecten eten.
- Haaksnavel: bij roofvogels en uilen.
27
- Priem snavel: bij vogels die bodemdiertjes eten (bijv. steltlopers).
- Zeefsnavel: bij vogels die kleine plantjes en diertjes uit het water zeven (bijv. eenden).
Doelstelling 12 Je moet bij planten aanpassingen aan de biotoop kunnen beschrijven
Aanpassingen bij planten aan de hoeveelheid licht.
- Zonplanten: groeien het best bij veel licht (bijv. in het open veld).
- Schaduwplanten: groeien het best bij weinig licht (bijv. op de bodem van een loofbos).
- Voorjaarsbloeiers: op de bodem van een loofbos bloeien veel schaduwplanten vroeg in het
voorjaar, doordat de hoeveelheid licht dan het grootst is
Aanpassingen bij landplanten die in een vochtig milieu leven.
- Veel huidmondjes.
- Oppervlakkig gelegen huidmondjes.
- Grote, platte bladeren.
- Kale bladeren.
- Een dun waslaagje om de bladeren.
- Een zwak ontwikkeld wortelstelsel.
Aanpassingen bij landplanten die in een droog milieu leven.
- Weinig huidmondjes, alleen aan de onderkant van de bladeren.
- Diep verzonken huidmondjes.
- Kleine, dikke bladeren (bij cactussen doornvormige bladeren zonder huidmondjes).
- Behaarde bladeren.
- Een dikke waslaag om de bladeren.
- Soms opslag van water in de stengels (bijv. bij cactussen).
- Een sterk ontwikkeld wortelstelsel.
Aanpassingen bij waterplanten.
- Bij drijvende bladeren zitten de huidmondjes alleen aan de bovenkant (bijv. bij waterlelies).
- Ondergedoken bladeren hebben geen huidmondjes (bijv. bij waterpest).
- De stengels zijn slap.
- De stengels kunnen luchtkanalen bevatten (bijv. bij waterlelies).
Aanpassingen bij klimplanten.
- Hechtwortels (bijv. klimop).
- Ranken (bijv. wijnstok).
MENS EN MILIEU
Doelstelling 1 Je moet zes manieren kunnen noemen waarop de mens afhankelijk is van het milieu .
Het milieu levert voedsel.
- Door fotosynthese in planten komt er steeds nieuw voedsel.
-Het milieu levert zuurstof.
- Bij fotosynthese ontstaat zuurstof.
-Het milieu levert water.
-Het milieu levert energie.
-Hei milieu levert grondstoffen.
-Het milieu geeft plaats voor recreatie.
Doelstelling 2 Je moet de voornaamste oorzaken en gevolgen van de milieuproblemen kunnen noemen .
Oorzaken:
- de enorme bevolkingstoename (bevolkingsdruk);
- de veranderde wijze van leven, o.a. veel (chemische) industrie, veel machines en apparaten,
grote landbouwbedrijven.
Gevolgen:
- uitputting van de voorraden energie en grondstoffen;
- vervuiling van lucht, water en bodem door afvalstoffen;
- aantasting van het landschap o.a. door de omzetting van natuurlijke ecosystemen in
landbouwgrond;
- sterke vermindering van het aantal soorten planten en dieren (veel soorten worden met
uitsterven bedreigd);
- horizonvervuiling: in natuurgebieden zie je aan de horizon grote gebouwen e.d. staan.
Doelstelling 3
Je moet manieren kunnen noemen waarop een optimale productie van voedsel
kan worden verkregen
Door bemesting van de bodem met stalmest of kunstmest.
- Door het oogsten van voedingsgewassen en uitspoeling worden mineralen aan de kringloop
van stoffen op landbouwgrond onttrokken.
- Door te bemesten worden mineralen (vooral stikstofhoudende mineralen) toegevoegd.
Door bewerking (ploegen, eggen) van de bodem.
- Plantenwortels kunnen beter in de bodem doordringen.
28
- Er is meer zuurstof beschikbaar voor plant enwortels en voor reducenten.
Door bescherming van voedingsgewassen tegen ziekten en plagen.
Door verandering van erfelijke eigenschappen van voedingsgewassen en landbouwhuisdieren.
Door voeding van landbouwhuisdieren met mengvoer.
- Mengvoer bevat energierijke stoffen, mineralen (o.a. stikstofhoudende mineralen en fosfaat) en
eventueel geneesmiddelen en hormonen.
Doelstelling 4 Je moet de kenmerken van chemische en biologische bestrijding kunnen noemen.
Chemische bestrijding.
- Door biociden: bestrijdingsmiddelen die organismen doden.
Voordelen:
- snel effect (ziekten en plagen kunnen goed worden bestreden).
Nadelen:
- de meeste middelen zijn niet-selectief (ze doden veel soorten organismen);
- er ontstaan resistente populaties (de individuen zijn ongevoelig voor een bepaald bestrijdingsmiddel
of voor de gebruikte hoeveelheid);
- er treedt accumulatie op (de middelen hopen zich op in voedselketens doordat ze niet of
nauwelijks worden afgebroken).
Biologische bestrijding.
- Door gebruik van natuurlijke vijanden: bijv. de bestrijding van witte vliegen met sluipwespen.
- Door vruchtwisseling: plantenziekten worden voorkomen door nooit twee jaar achtereen hetzelfde
gewas op een bepaald stuk grond te verbouwen.
Doelstelling 5
Doelstelling 6
Je moet methoden kunnen noemen waardoor de erfelijke eigenschappen van
voedingsgewassen en landbouwhuisdieren kunnen worden beïnvloed.
Veredeling: door kunstmatige selectie en kruisingen tracht men een combinatie van gunstige
eigenschappen in één nakomeling te verkrijgen.
Recombinant-DNA-techniek: in het DNA van een organisme wordt nieuwe erfelijke informatie
aangebracht.
- Bijv.: ontstaan van ziekteresistente gewassen (gewassen die ongevoelig zijn voor
bepaalde ziekteverwekkers).
Kunstmatige inseminatie (KI): sperma van een stier met gunstige eigenschappen wordt ingebracht
in de baarmoeder van koeien.
Reageerbuisbevruchting: eicellen van een koe met gunstige eigenschappen worden bevrucht door
spermacellen van een stier met gunstige eigenschappen.
- De klompjes cellen die zich uit de bevruchte eicellen ontwikkelen worde ingebracht in de
baarmoeder van draagkoeien.
Je moet de kenmerken kunnen noemen van de verschillende landbouwmethoden
in Nederland met de voor- en nadelen.
Kenmerken van de akkerbouw:
- grote bedrijven met erg veel grond;
- per bedrijf worden meestal slechts enkele landbouwproducten verbouwd;
- monocultuur: op een groot stuk grond wordt één soort gewas verbouwd;
- er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt omdat monocultures de kans op
insectenplagen en op uitbreiding van ziekten vergroten;
- er wordt veel kunstmest gebruikt.
Voordeel: het land brengt veel op.
Nadelen:
- er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt;
- chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest vervuilen het water in rivieren en het grondwater;
- de kwaliteit van het drinkwater wordt bedreigd.
Kenmerken van de intensieve veehouderij (bio-industrie):
- bedrijven met veel dieren op weinig grond;
- veevoer wordt niet zelf gekweekt maar gekocht (70% van de grondstof fen voor het veevoer
komt uit het buitenland).
Voordeel: een bedrijf levert veel op (vlees, melk of eieren).
Nadelen:
- de dieren hebben vaak geen prettig leven (bijv. kippen in een legbatterij);
- mestoverschot;
- uitstoot van ammoniakgas en een broeikasgas.
Kenmerken van de tuinbouw:
- veel tuinbouw vindt plaats in kassen (glastuinbouw) in plaats van in de open grond.
Voordelen glastuinbouw:
- grote productie door optimale omstandigheden in kassen voor de planten (juiste hoeveelheden
water, mineralen, warmte en licht);
- producten zijn heel het jaar te oogsten.
Nadelen glastuinbouw:
29
- het verbouwen van de producten kost erg veel energie;
- het koolstofdioxide dat ontstaat bij de verbranding van aardgas zorgt voor versterking van
het broeikaseffect;
- er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt.
Kenmerken van de biologische landbouw:
- er zijn geen monocultures;
- er wordt geen kunstmest gebruikt;
- er worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt;
- plagen worden bestreden met natuurlijke vijanden;
- ziekten worden tegengegaan door vruchtwisseling en door ziekteresistente rassen te kiezen;
- dieren kunnen rondlopen (scharrelkippen en scharrelvarkens).
Voordelen:
- het milieu wordt zoveel mogelijk ontzien;
- de producten zijn gezond (o. a. onbespoten groenten en fruit);
- er wordt rekening gehouden met het welzijn van de dieren.
Nadeel:
- de producten zijn meestal iets duurder.
Doelstelling 7
Je moet de oorzaken en gevolgen van zure regen en andere vormen van luchtvervuiling
kunnen noemen.
Luchtvervuiling door industrie, elektriciteitscentrales en wegverkeer.
- Uitstoot van zwaveldioxide en stikstofoxiden door verbranding van fossiele brandstoffen
(steenkool, aardolie en benzine). Samen met waterdamp en zuurstof ontstaan zwavelzuur
en salpeterzuur: deze stoffen veroorzaken zure regen (zure neerslag).
Uitstoot van koolwaterstoffen en koolstofmono-oxide: ozonvorming.
Uitstoot van giftige gassen.
Luchtvervuiling door de bio-industrie (intensieve veehouderijen).
Uitstoot van ammoniakgas (o.a. als gevolg van mestoverschot); verzuring van de bodem.
Gevolgen van zure regen (zure neerslag).
- Door verzuring van de bodem komen mineralen vrij en spoelen ze uit.
- Door verzuring lossen bepaalde giftige metalen (o.a. aluminium en cadmium) in de bodem op
en komen dan in het grondwater terecht.
- Wortelharen worden beschadigd, waardoor planten minder goed water en mineralen kunnen
opnemen.
- Huidmondjes worden beschadigd, waardoor de verdamping uit de bladeren toeneemt.
- De fotosynthese wordt geremd: planten groeien minder goed.
- Planten verzwakken, zodat ze minder weerstand hebben tegen ziekteverwekkers .
- (Naald)bomen worden ziek en kunnen sterven.
- In veel meren en vennen komt (bijna) geen leven meer voor.
- Gebouwen en beeldhouwwerken worden aangetast.
Gevolgen van ozon en zwaveldioxide.
- Aantasting van longweefsel bij dieren en mensen, o.a. door vorming van smog (vett ige mist
die ozon, zwaveldioxide en roet bevat).
- Ozon beschadigt bladeren en remt de groei van planten.
Doelstelling 8
Je moet kunnen beschrijven wat het broeikaseffect is en oorzaken en gevolgen van
versterking van het broeikaseffect kunnen noemen.
Broeikaseffect: een deel van de warmte-uitstraling van de aarde wordt tegengehouden door gassen
in de dampkring (broeikasgassen).
- Zonder dit broeikaseffect zou de temperatuur op aarde ruim 30 °C lager zijn.
- De belangrijkste broeikasgassen zijn kools tofdioxide en waterdamp.
Oorzaken van versterking van het broeikaseffect.
- Door toenemend energiegebruik worden steeds meer steenkool, aardolie, benzine en aardgas
verbrand. Daardoor komt er steeds meer koolstofdioxide in de lucht.
- Ontbossing: door het platbranden van tropisch regenwoud komt veel koolstofdioxide in de lucht.
- Bio-industrie: uit de mest komt een gas vrij, dat in de dampkring werkt als broeikasgas.
Gevolgen van versterking van het broeikaseffect.
- Klimaatsverandering: stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde.
- Stijging van de zeespiegel doordat een deel van het poolijs en het ijs op gletsjers zal smelten:
laaggelegen gebieden lopen het gevaar onder water te verdwijnen.
- Droogte in bepaalde gebieden (woestijnvorming) en grote kans op hittegolven, orkanen
en overstromingen.
Doelstelling 9
Je moet kunnen omschrijven wat vermesting is en oorzaken en gevolgen van
vermesting kunnen noemen.
Vermesting: sterke toename van de hoeveelheid mineralen (vooral fosfaat en nitraat) in
oppervlaktewater, waardoor voedselrijk water ontstaat.
Vermesting door vervuiling van het water met organische stoffen:
30
- resten van dode planten en dieren;
- lozing van afvalwater met veel organisch afval (bijv. van voedingsmiddelenindustrieën);
- bemesting met stalmest (door te veel te bemesten spoelt een deel van de mest van het
land af en komt terecht in oppervlaktewater).
Zelfreinigend vermogen van het water: reducenten (bacteriën en schimmels) breken met behulp van
zuurstof de organische afvalstoffen af. Bij deze afbraak ontstaat koolstofdioxide en komen
mineralen vrij.
Vermesting door gebruik van kunstmest:
- een deel van de mineralen komt terecht in het oppervlaktewater.
- Gevolgen van vermesting.
- Door de omzetting van voedselarm water in voedselrijk water verandert de
soortensamenstelling in ecosystemen.
- Waterbloei: sterke toename van de hoeveelheid algen in het water.
- Gevolgen van waterbloei.
- Door de algengroei wordt het water troebel.
- Ondergedoken waterplanten sterven, doordat ze minder licht ontvangen.
- Roofvissen (o.a. snoeken) verdwijnen, doordat ze hun prooi niet meer kunnen vinden.
- Witvissoorten (o.a. brasems) breiden zich daardoor sterk uit. Deze soorten vissen
eten grote hoeveelheden watervlooien.
- Watervlooien voeden zich met algen. Doordat veel watervlooien verdwijnen,
vindt nog meer algengroei plaats.
- De algen sterven na enige tijd. Dit leidt tot grote hoeveelheden organische
afvalstoffen in het water, waardoor reducenten zich snel vermeerderen.
- Doordat de reducenten veel zuurstof gebruiken, ontstaat zuurstofgebrek.
Daardoor sterven veel dieren, wat leidt tot nog meer organische afvalstoffen.
- Uiteindelijk kan stinkend, dood water ontstaan.
Doelstelling 10
Je moet oorzaken en gevolgen van vervuiling van water met chemische
afvalstoffen en met koelwater kunnen noemen.
- Oorzaken van watervervuiling met chemische afvalstoffen.
- Lozing van zuurstof arm industrieel afvalwater met chemische afvalstoffen (o.a. giftige zware
metalen zoals cadmium, kwik, lood, zink).
- Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen (een deel komt terecht in het oppervlaktewater
en grondwater).
- Doorspoelen van huishoudelijk afvalwater met chemische afvalstoffen (bijv. terpentine)
via het riool.
Gevolgen van watervervuiling met chemische afvalstoffen.
- Vermindering van het zelfreinigend vermogen van het water.
- Accumulatie van giftige stoffen in voedselketens.
- Bedreiging van de kwaliteit van het drinkwater.
- Bedreiging van de recreatie.
- Versterking van algengroei doordat watervlooien sterven.
Rioolwaterzuivering.
- Filtering van het grote vuil.
- Biologische zuivering door reducenten.
Thermische waterverontreiniging: lozing van warm koelwater van machines en elektriciteitscentrales.
- Doordat warm water minder zuurstof kan bevatten dan koud water kan in het
oppervlaktewater zuurstofgebrek ontstaan.
Doelstelling 11
Je moet oorzaken en gevolgen van aantasting van de bodem door ontbossing,
verdroging en bodemvervuiling kunnen noemen.
Oorzaken van ontbossing:
- de behoefte aan brandhout, hardhout en landbouwgrond.
Gevolgen van ontbossing:
- door erosie verlies van vruchtbare grond en woestijnvorming.
Oorzaken van verdroging:
- daling van de grondwaterstand door kanalisering en toenemend waterverbruik (waarvoor
grondwater wordt opgepompt).
Gevolgen van verdroging:
- afname van het aantal soorten planten en dieren;
- vermindering van de gezondheidstoestand van bomen.
Oorzaken van bodemvervuiling:
- storten van industrieel chemisch afval of klein chemisch afval;
- uitstoot van lood door het wegverkeer.
Gevolgen van bodemvervuiling:
- een bodem waarop niet meer kan worden geleefd door mensen zodat bodemafgraving
(bodemsanering) noodzakelijk is;
- vervuiling van het grondwater;
31
- accumulatie van o.a. lood in voedselketens.
Doelstelling 12 Je moet vier methoden van afverwerking met de voor - en nadelen kunnen noemen.
Recycling: afvalproducten gebruiken als grondstoffen voor nieuwe producten (glas, papier, blik,
plastic en andere kunststoffen).
- Voordeel: besparing van grondstoffen.
- Nadeel: gescheiden inzameling van afval is noodzakelijk.
Composteren: reducenten breken GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) af tot compost. Compost wordt
gebruikt om de bodem te verbeteren.
- Voordeel: mineralen uit GFT-afval komen weer ter beschikking van planten.
- Nadeel: slechts een deel van het GFT-afval wordt gecomposteerd, omdat niet meer compost kan
worden verkocht.
Storten op een vuilnisbelt.
- Voordelen: gemakkelijk en goedkoop.
- Nadelen: bodem- en grondwatervervuiling, verstoring van het landschap en verspilling van
grondstoffen.
Verbranden in verbrandingsovens.
- Voordelen: kost weinig ruimte en er komt energie vrij.
- Nadelen: luchtvervuiling, verspilling van grondstoffen en er blijven giftige verbrandingsresten over.
Doelstelling 13 Je moet maatregelen kunnen noemen om het milieu te beschermen.
Maatregelen om de uitstoot van koolstof dioxide, zwaveldioxide, stikstofoxiden en andere afvalgassen
te beperken:
- industrie, elektriciteitscentrales en huishoudens moeten zuiniger omgaan met energie;
- stimulering van de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen (zonne energie en windenergie);
- reiniging van de rookgassen van industrie (olieraffinaderijen) en elektriciteitscentrales
- vermindering van het autogebruik en bevorderen van het openbaar vervoer;
- reiniging van uitlaatgassen van auto's door gebruik van een katalysator.
Maatregelen om het mestoverschot en de uitstoot van ammoniak te verminderen:
- er mogen geen nieuwe bedrijven voor intensieve veehouderij bijkomen en bestaande bedrijven
mogen alleen uitbreiden door overname van andere bedrijven
- beperking van de verspreiding van mest (Meststoffenwet);
- oprichting van mestbanken
- stimulering van de verwerking van mest (bijv. tot biogas of mestkorrels);
- modernisering van stallen waardoor er vrijwel geen-ammoniak ontsnapt;
- mestinjectie, waardoor er minder ammoniak in de lucht komt;
- bijhouden van een mineralenboekhouding.
Maatregelen om de hoeveelheid afval te verminderen en afval milieuvriendelijk te verwerken:
- beperking van verpakkingsafval;
- stimulering van hergebruik van afgedankte producten (bijv. kleding, meubilair, auto -onderdelen);
- stimulering van gescheiden inzameling van o.a. GFT-afval, glas, papier,
- stimulering van recycling en composteren. .
Maatregelen ter bescherming van natuur en landschap:
- beheren van natuurgebieden door de overheid en organisaties
- vergroting van de hoeveelheid natuurgebied door herinrichting van het landschap als natuurgebied
VOEDING EN VERTERING
Doelstelling 1 Je moet kunnen beschrijven welke rol bacteriën en schimmels spelen bij de
voedselproductie en bij voedselbederf.
Bacteriën worden gebruikt bij de productie van yoghurt en zuurkool.
- Yoghurt: aan warme melk worden speciale soorten bacteriën toegevoegd. Deze bacteriën
zetten energierijke stoffen in melk om in melkzuur.
- Zuurkool: bacteriën op fijngesneden witte kool produceren melkzuur.
Schimmels worden gebruikt bij dé productie v an bier en wijn.
- Bier: aan graankorrels wordt gist toegevoegd. De gistcellen zetten de koolhydraten in graankorrels
om in o.a. alcohol.
- Wijn: gist zet de koolhydraten in druivensap om in o.a. alcohol.
Micro-organismen (bacteriën en schimmels) kunnen voedselbederf veroorzaken.
- Bij dierlijke voedingsmiddelen wordt bederf meestal veroorzaakt door salmonellabacteriën.
- Voedselvergiftiging: ontstaat vaak door het nuttigen van voedsel dat is besmet met
salmonellabacteriën.
Doelstelling 2
Je moet manieren kunnen noemen waarop voedsel kan worden geconserveerd.
32
Invriezen (bijv. patates frites): de temperatuur verlagen tot -20 °C.
- Hierbij zijn de micro-organismen niet actief, doordat hun enzymen niet werken.
Pasteuriseren (bijv. melk): verhitten tot een temperatuur waarbij de meeste micro-organismen doodgaan.
- Bij pasteuriseren blijft de smaak van het voedsel goed bewaard.
Steriliseren (bijv. melk): verhitten tot een temperatuur waarbij alle micro -organismen doodgaan.
- Bij steriliseren verandert de smaak van het voedsel.
Inblikken (bijv. groenten): na verhitting wordt het voedsel luchtdicht verpakt.
Vacuüm verpakken (bijv. koffie): hierbij wordt alle lucht uit de verpakking weggezogen.
Drogen (bijv. krenten): onttrekken van water aan het voedsel.
- In een milieu zonder water kunnen micro-organismen niet leven.
Bestralen: hierbij wordt een straling gebruikt die dodelijk is voor micro -organismen.
Natuurlijke conserveermiddelen toevoegen: in een zuur milieu of in een milieu met veel suiker of veel zout
kunnen micro-organismen niet leven.
- Bij uitjes en augurken wordt veel zuur toegevoegd.
- Bij het confijten van jam wordt veel suiker toegevoegd.
- Bij het zouten van vis of vlees wordt veel zout toegevoegd.
Kunstmatige conserveermiddelen toevoegen (bijv. sulfiet in dranken).
Doelstelling 3
Je moet de functies van voedingsstoffen en voedingsvezel in voedingsmiddelen
kunnen noemen.
Voedingsmiddelen: alle producten die je eet of drinkt.
Voedingsstoffen: de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen.
- Bouwstoffen: worden gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels (vooral bij groei,
Ontwikkeling en herstel van het lichaam).
- Brandstoffen: worden verbruikt bij de verbranding. Ze leveren energie, o.a. voor beweging en
voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur.
- Reservestoffen: worden opgeslagen in bepaalde delen van het lichaam.
- Beschermende stoffen: zorgen ervoor datje gezond blijft.
-Voedingsvezel: alle onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel.
- Functie: bevorderen van de darmperistaltiek.
Doelstelling 4
Je moet zes groepen voedingsstoffen met hun functies en kenmerken kunnen noemen.
Eiwitten.
- Functies: vooral bouwstoffen, ook brandstoffen.
- Bij de vorming van cytoplasma worden veel eiwitten gebruikt.
- Dierlijke voedingsmiddelen en peulvruchten bevatten veel eiwitten.
- Een teveel aan opgenomen eiwitten wordt verbruikt als brandstoffen, niet als reservestoffen.
Koolhydraten.
- Functies: vooral brandstoffen, ook bouwstoffen en reservestoffen.
- Voorbeelden: glucose, suiker, zetmeel.
- Zetmeel komt alleen voor in plantaardige voedingsmiddelen.
- Een teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen of vet en opgeslagen.
Vetten.
- Functies: vooral brandstoffen, ook bouwstoffen en reservestoffen.
- Een teveel aan opgenomen vetten wordt opgeslagen, vooral onder de huid.
W at e r .
- Functie: bouwstof.
- Water vervult een belangrijke functie bij het vervoer van stoffen in het lichaam.
- Organismen bestaan voor het grootste deel uit water.
Mineralen (zouten).
- Functies: bouwstoffen en beschermende stoffen.
- Voorbeelden: kalkzouten (in beenderen), ijzerzouten (in hemoglobine).
Vitamines.
- Functies: bouwstoffen en beschermende stoffen.
- Vitamines worden aangegeven met een letter (bijv. A, B, C en D).
Doelstelling 5 Je moet adviezen voor een gezonde voeding kunnen geven.
De voedingswijzer geeft tien adviezen voor een gezonde voeding.
In de voedingsmiddelentabel is van veel voedingsmiddelen de samenstelling en de verbrandingswarmte
weergegeven.
Eet niet meer dan je lichaam nodig heeft.
- Om aan je energiebehoefte te voldoen moetje voeding voldoende brandstoffen bevatten.
- De energiebehoefte is o.a. afhankelijk van het geslacht, de leeftijd, de lichaamsgrootte en de
lichamelijke inspanning.
- Bij zuigelingen en bij pubers moet de voeding veel bouwstoffen, maar ook veel brandstoffen bevatten
(vanwege een groeispurt).
33
- Oudere personen hebben niet veel bouwstoffen nodig.
Ondervoeding: je krijgt minder voedingsstoffen binnen dan je lichaam no dig heeft.
Overvoeding: je eet te veel of te vet.
- Overvoeding kan leiden tot vetzucht.
- Als je wilt vermageren moet je een vermageringsdieet volgen (opgesteld door een diëtist).
Een vermageringsdieet bevat voedingsmiddelen met een lage verbrandingswar mte (weinig kJ).
Zorg ervoor datje schadelijke stoffen en kunstmatige additieven niet in grote hoeveelheden binnenkrijgt.
- Additieven: stoffen die aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om ze langer houdbaar of
aantrekkelijker te maken (bijv. conservee rmiddelen, geur-, kleur- en smaakstoffen).
Doelstelling 6 Je moet kunnen omschrijven wat vertering is.
Vertering: het omzetten van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen in het bloed kunnen worden
opgenomen, in verteringsproducten die wel kunnen worden opgenomen in het bloed.
- Eiwitten, de meeste koolhydraten (o. a. suiker en zetmeel) en vetten worden verteerd.
- Glucose, mineralen, vitamines en water hoeven niet te worden verteerd.
Vertering vindt plaats met behulp van verteringssappen.
- Verteringssappen worden gemaakt door verteringsklieren.
- Veel verteringssappen bevatten enzymen.
Doelstelling 7
Je moet kunnen beschrijven hoe de darmperistaltiek tot stand komt en de
functies ervan kunnen noemen.
Darmperistaltiek (peristaltische bewegingen): het afwisselend samentrekken en ontspannen van kringspieren
en lengtespieren in de wand van het gehele darmkanaal.
- Functie: het verplaatsen en kneden van de voedselbrij en het mengen van de voedselbrij met
verteringssappen.
- Voedingsvezel bevordert de darmperistaltiek.
Doelstelling 8 Je moet de delen van een tand of kies kunnen noemen met hun kenmerken en functies.
Uitwendige bouw van een tand of kies.
- Kroon: deel dat buiten de kaak uitsteekt.
- Wortel(s): deel in de kaak.
Inwendige bouw van een tand of kies.
- Tand been.
- Tand holte: holte in het tand been waarin bloedvaten en zenuwen liggen.
- Glazuur: zeer harde laag om het tand been van de kroon.
- Cement: laagje om het tandbeen van de wortel(s).
- Wortelvlies: bevestigt de tand of kies in de kaak. (De kaak is bedekt met tandvlees).
Doelstelling 9 Je moet de delen van een gebit kunnen noemen met hun kenmerken en functies .
Snijtanden (beitelvormig).
- Functie: het afbijten van voedsel.
- Elke kaakhelft heeft twee snijtanden.
Hoektanden (met puntige bovenkant).
- Functie: het afbijten van voedsel.
- Elke kaakhelft heeft één hoektand.
Kiezen (met knobbelige bovenkant).
- Functie: het fijnmalen van voedsel.
- Elke kaakhelft heeft vijf kiezen (waarvan één verstandskies, die bij sommige mensen niet
verschijnt).
Doelstelling 10
Je moet kunnen omschrijven wat tandplak is, de gevolgen ervan kunnen noemen
en kunnen aangeven hoe je tandplak kunt tegengaan.
Tandplak: een dun laagje aanslag dat zich dagelijks op de tanden en kiezen afzet.
- Tandplak bestaat uit bacteriën, etensresten en speeksel.
Gevolgen van tandplak.
- Bacteriën in tandplak zetten suiker uit het voedsel om in zuur. In het zuur lost het glaz uur van
tanden en kiezen op.
- Bacteriën in tandplak kunnen tandvleesontsteking veroorzaken. Daardoor kunnen de
wortelvliezen ontstoken raken, zodat de tanden en kiezen losraken.
- Tandplak kan verkalken tot tandsteen. Tandsteen kun je niet zelf ver wijderen.
Je kunt tandplak en tandbederf tegengaan door:
- dagelijks minstens één keer op de juiste manier te poetsen;
34
- niet vaker dan viermaal per dag een tussendoortje te gebruiken.
Doelstelling 11
Je moet de delen van het verteringsstelsel van de mens kunnen noemen
met hun functies en kenmerken.
Mondholte met gebit en speekselklieren.
- Functie gebit: het voedsel in kleine stukjes verdelen (kauwen), zodat het beter in te slikken is.
Ook wordt het oppervlak van het voedsel vergroot, zodat voedingsstoffen beter bereikbaar zijn
voor de enzymen.
- Functie speekselklieren: produceren van speeksel.
- Functie: het voedsel verplaatsen van de keelholte naar de maag.
Ma a g .
- Functie: het voedsel tijdelijk opslaan.
- Maagportier: kringspier die de maag afsluit.
- Maagsapklieren produceren maagsap.
Lever.
- Functie: produceren van gal.
- Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas en afgevoerd via de galbuis.
Alvleesklier.
- Functie: alvleessap produceren.
Twaalfvingerige darm.
- Functie: gal en alvleessap vermengen met de voedselbrij.
Dunne darm.
- Functie: voedingsstoffen, verteringsproducten en water opnemen in het bloed.
- Door darmplooien en darmvlokken heeft de wand een groot oppervlak.
De darmvlokken bevatten veel bloedvaten.
- Darm sapklieren produceren darmsap.
Blindedarm met wormvormig aanhangsel (appendix).
- Bij blindedarmontsteking is het wormvormig aanhangsel ontstoken.
Dikke darm.
- Functie: water onttrekken aan de brij van onverteerde voedselresten, die daardoor wordt
ingedikt. Het water wordt opgenomen in het bloed.
- Bij diarree wordt in de dunne darm en in de dikke darm onvoldoende water in het bloed
opgenomen.
- Bacteriën verteren cellulose in de celwanden van plantaardige voedselresten. Hierbij ontstaat
glucose.
Endeldarm.
- Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting).
Anus: kringspier die de endeldarm afsluit.
Doelstelling 12 Je moet de verteringssappen kunnen noemen met hun functies.
Speeksel: bevat o.a. slijm en een enzym.
- Functie slijm: de glijbaarheid van het voedsel verhogen.
35
- Functie enzym: zetmeel voor een deel verteren.
- Functie speeksel: een deel van de bacteriën in het voedsel doden.
Maagsap: bevat o.a. zoutzuur en een enzym.
- Functie zoutzuur: bacteriën in het voedsel doden.
- Functie enzym: eiwitten voor een deel verteren.
Gal: bevat geen enzym.
- Functie: vetten emulgeren (grote vetdruppels verdelen in kleine vetdruppeltjes), zodat de
Vetten beter bereikbaar zijn voor de enzymen.
Alvleessap: bevat verschillende enzymen.
- Functie: eiwitten, koolhydraten en vetten verteren.
Darmsap: bevat verschillende enzymen.
- Functie: de vertering van eiwitten en koolhydraten afmaken.
Doelstelling 13 Je moet bij zoogdieren het verband kunnen aangeven tussen de voedselkeuze,
de lengte van het darmkanaal en de kenmerken van het gebit.
Plantaardig voedsel is moeilijker verteerbaar dan dierlijk voedsel, doordat plantaardig voedsel celwanden
van cellulose bevat.
Planteneters (herbivoren).
- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte lang.
- De kiezen zijn piooikiezen, waarmee plantaardig voedsel kan worden fijngemalen.
- De hoektanden ontbreken vaak.
Vleeseters (carnivoren).
- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte kort.
- De kiezen zijn knipkiezen, waarmee dierlijk voedsel in stukken kan worden geknipt.
- De hoektanden zijn meestal groot, spits en scherp.
Alleseters (omnivoren).
- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte middellang.
- De kiezen zijn knobbelkiezen, waarmee het voedsel kan worden geknipt en gemalen.
- De hoektanden zijn altijd aanwezig.
GASWISSELING
Doelstelling 1
Je moet het verband tussen de lichaamsgrootte van een dier en de
wijze van gaswisseling kunnen beschrijven.
Hoe groter een organisme is, des te kleiner is in verhouding het oppervlak van het lichaam.
Veel kleine dieren hebben geen speciale gaswisselingsorganen.
- Bij deze dieren vindt gaswisseling plaats via het lichaamsoppervlak.
- Bij eencellige dieren vindt gaswisseling plaats via het celmembraan.
Grote dieren hebben speciale gaswisselingsorganen.
- Bij veel grote dieren is het lichaamsoppervlak (de -huid) ondoorlaatbaar voor gassen.
- Gaswisseling vindt plaats in tracheeën, kieuwen of longen.
Doelstelling 2
Je moet kunnen beschrijven hoe de gaswisseling plaatsvindt bij insecten
en gewervelde dieren.
Insecten: gaswisseling in tracheeën.
- Tracheeën: sterk vertakte tuchthuizen door het hele lichaam.
- De vertakkingen van de tracheeën eindigen overal in het lichaam. Het bloed vervult geen
functie bij het transport van gassen.
- Stigma's: de openingen van de tracheeën.
- Insecten verversen de lucht in de tracheeën door pompende bewegingen met het achterlijf.
Vissen: gaswisseling in kieuwen.
- Kieuwdeksels: bedekken de kieuwholten met daarin de kieuwen.
- Kieuwbogen met kieuwplaatjes.
- In de kieuwplaatjes liggen veel fijne bloedvaatjes.
- Vissen verversen het water in de kieuwholten door via de bek en de kieuwdeksels
voortdurend water langs de kieuwen te laten stromen.
Amfibieën.
- Jonge amfibieën: gaswisseling in kieuwen en via de huid.
- Volwassen amfibieën: gaswisseling in longen en via de huid.
Reptielen, vogels en zoogdieren: gaswisseling in longen.
- De longen van zoogdieren zijn ingewikkelder gebouwd dan die van reptielen.
Doelstelling 3
Je moet de verschillen tussen ingeademde en uitgeademde lucht kunnen noemen.
» Ingeademde lucht
Uitgeademde lucht
- 79% stikstof
- 79% stikstof
- 20% zuurstof
- 16% zuurstof
- 1% edelgassen
- 1% edelgassen
- 0,04% koolstofdioxide
- 4% koolstof dioxide
- maakt kalkwater niet troebel
- maakt kalkwater wel troebel
•
36
- bevat weinig waterdamp
- temperatuur meestal lager dan 32 °C
Doelstelling 4
- bevat vee! waterdamp
- temperatuur ca. 32 °C
Je moet de delen van het ademhalingsstelsel van de mens kunnen
noemen met hun kenmerken en functies.
Neusholte
- Neusharen houden grove stofdeeltjes tegen.
- De neusholte is bekleed met neusslijmvlies (met slijmproducerende cellen en trilhaarcellen).
- Functie slijm: hieraan blijven fijne stofdeeltjes en ziekteverwekkers kleven.
- Functie trilharen: verplaatsen van het slijm naar de keelholte.
- Het bloed in de bloedvaten in het neusslijmvlies verwarmt de binnenstromende lucht.
- Het neusslijmvlies en het traanvocht maken de binnenstromende luch vochtig.
- Het reukzintuig keurt de binnenstromende lucht.
Mondholte.
- De binnenstromende lucht wordt minder verwarmd, minder vochtig gemaakt en minder
gezuiverd dan in de neusholte. Ook wordt de lucht niet gekeurd.
Keelholte met huig en strotklepje.
- Als je ademhaalt, staan de huig en het strotklepje open. Lucht kan dan van de neusholte
naar de luchtpijp en omgekeerd.
- Als je slikt, sluit de huig de neusholte af. Het strotklepje sluit dan de luchtpijp af. Voedsel kan
dan van de mondholte in de slokdarm terechtkomen.
- Als je je verslikt, staan de huig en het strotklepje open. Voedsel kan dan van de mondholte
in de neusholte en in de luchtpijp terechtkomen (je gaat dan hoesten).
Strottenhoofd.
- Hierin bevinden zich de stembanden.
Luchtpijp.
- Aan de binnenkant bekleed met slijmvlies (met slijmprodu cerende cellen en trilhaarcellen).
- De wand is verstevigd door hoefijzervormige kraakbeenringen.
Functie: openhouden van de luchtpijp.
Bronchiën met vertakkingen.
- Aan de binnenkant bekleed met slijmvlies (met slijmproducerende cellen en trilhaarcellen).
- De wand van de bronchiën bevat kraakbeenringen. De wand van
de fijnste vertakkingen bevat spierweefsel.
Longblaasjes met longhaarvaten.
- Zuurstof wordt vanuit de lucht in de longblaasjes opgenomen in
het bloed in de longhaarvaten.
- Koolstofdioxide wordt vanuit het bloed in de longhaarvaten
afgegeven aan de lucht in de
longblaasjes.
37
- De gaswisseling in de longen kan snel plaatsvinden, doordat de
longblaasjes en de longhaarvaten een dunne wand hebben en
doordat alle longblaasjes samen een groot oppervlak
hebben.
Doelstelling 5
Je moet kunnen beschrijven hoe ribademhaling en hoe
Middenrifademhaling plaatsvinden. Ook moetje kunnen
omschrijven wat hoesten en hikken is.
Ventilatiebewegingen bij ribademhaling (borstademhaling).
- Inademing: bepaalde tussenribspieren trekken de ribben en het
Borstbeen omhoog en naar voren.
- Rustige uitademing: de tussenribspieren ontspannen zich. De ribben en
het borstbeen zakken door hun gewicht weer omlaag en terug.
- Diepe uitademing: andere tussen ribspieren trekken de ribben en het
borstbeen verder omlaag.
Ventilatiebewegingen bij middenrifademhaling (buikademhaling).
- Inademing: de middenrifspieren trekken het middenrif omlaag. Door de
verhoogde druk in de buikholte gaat de buikwand naar voren.
- Rustige uitademing: de middenrifspieren ontspannen zich. Door de druk in
de buikholte wordt het middenrif weer omhooggedrukt.
- Diepe uitademing: buikspieren trekken zich samen en drukken de organen
in de buik naar binnen. Hierdoor wordt het middenrif verder
Bij gewone ademhaling vinden ribademhaling en middenrifademhaling beide plaats.
- Volgorde bij inademen.
1 De ribben en het borstbeen bewegen omhoog en naar voren;
het middenrif beweegt omlaag
(en de buikwand naar voren).
2 De borstholte wordt groter.
3 Het longvolume wordt groter.
4 Lucht stroomt naar binnen.
- Volgorde bij uitademen.
1 De ribben en het borstbeen bewegen omlaag en terug;
het middenrif beweegt omhoog
(en de buikwand terug).
2 De borstholte wordt kleiner.
3 Het longvolume wordt kleiner.
4 Lucht stroomt naar buiten.
Hoesten: door een plotselinge, krachtige uitademing wordt slijm of voedsel uit
de luchtwegen verwijderd.
Hikken: krampachtige samentrekkingen van de m iddenrifspieren.
- Bij hikken stroomt lucht de longen in.
Doelstelling 6
Borstademhaling
omhooggedrukt.
Buikademhaling
Je moet kunnen omschrijven wat er aan de hand is bij CARA en bij hooikoorts.
Ook moet je de schadelijke effecten van roken kunnen beschrijven.
CARA is een verzamelnaam voor astma, bronchitis en longemfyseem.
- De verschijnselen van deze ziekten lijken sterk op elkaar: benauwdheid en veel hoesten.
- Bij astma trekt het spierweefsel in de wand van de fijnste vertakkingen van de bronchiën zich onbewust
samen. Vaak is ook het slijmvlies in deze vertakkingen verdikt.
- Bij bronchitis zijn de luchtpijp, de bronchiën of de vertakkingen van de bronchiën ontstoken.
- Bij longemfyseem zijn de fijnste vertakkingen van de bronchiën en de longblaasjes minder elastisch
geworden.
- CARA-patiënten zijn erg gevoelig voor stofdeeltjes in de lucht (bijv. bij smog). Ze moeten rokerige
en stoffige ruimtes en contact met dieren vermijden.
Hooikoorts: een allergie voor stuifmeelkorrels of schimmelsporen.
- Allergie: een overgevoeligheid voor een of meer stoffen. Als het lichaam in aanraking komt met deze
stoffen, ontstaan allergische reacties.
Sigarettenrook is een mengsel van gassen en fijne teerdruppeltjes.
- Een van deze gassen is koolstofmono-oxide. Door koolstofmono-oxide kan het bloed
minder zuurstof vervoeren.
- De fijne teerdruppeltjes bevatten verschillende kankerverwekkende stoffen (o.a. nicotine).
- De fijne teerdruppeltjes vormen een laagje aan de binnenwand van de longblaasjes, waardoor
de gaswisseling in de longen minder goed kan plaatsvinden.
38
TRANSPORT
Doelstelling 1
Je moet de bestanddelen van het bloed kunnen noemen met hun kenmerken en functies.
Ook moet je kunnen beschrijven hoe bloedstolling plaatsvindt.
Bloedplasma:
- water (90%);
- bloedeiwitten, o.a. fibrinogeen en antistoffen;
- hormonen;
- voedingsstoffen, o.a. glucose, mineralen (zouten), vitamines en de verteringsproducten van
koolhydraten, eiwitten en vetten;
- zuurstof (een klein beetje);
- koolstofdioxide en andere afvalstoffen.
Rode bloedcellen:
- ronde schijfjes, in het midden iets dunner dan aan de rand;
- cellen zonder celkern (leven daardoor betrekkelijk kort);
- worden gevormd in het rode beenmerg;
- worden afgebroken in het rode beenmerg, in de milt en in de lever;
- bevatten hemoglobine met ijzerzouten;
- functie: vervoeren van zuurstof.
Witte bloedcellen:
- kunnen van vorm veranderen (ze kunnen daardoor door de wand van haarvaten heen);
- cellen met celkern;
- worden gevormd in het rode beenmerg (bepaalde witte bloedcellen ontwikkelen zich verder in de
lymfeknopen);
- functie: opruimen van dode celresten en afweer tegen ziekteverwekkers.
Bloed plaatjes:
- delen (zonder celkern) van uiteengevallen cellen;
- worden gevormd in het rode beenmerg;
- functie: bloedstolling.
Bloedstolling:
- bij beschadiging van een bloedvat komen stoffen vrij uit bloedplaatjes;
- onder invloed van deze stoffen wordt fibrinogeen omgezet in fibrine;
- fibrine vormt een netwerk van draden, waartussen bloedcellen blijven hangen;
- er ontstaat een stolsel waardoor de wond wordt afgesloten;
- door indroging ontstaat een korstje.
Doelstelling 2
Je moet kunnen omschrijven wat bloedarmoede, leukemie en bloederziekte is .
Bloedarmoede: het bloed bevat te weinig hemoglobine.
- Iemand met bloedarmoede heeft vaak hoofdpijnen voelt zich voortdurend moe of duizelig.
- Mogelijke oorzaak: het voedsel bevat te weinig ijzerzouten.
Leukemie: in het lichaam worden abnormaal veel witte bloedcellen geproduceerd (en te weinig rode
bloedcellen en bloedplaatjes).
- Leukemie is een vorm van kanker.
Bloederziekte: erfelijke afwijking waardoor het bloed niet goed stolt.
- Komt vrijwel uitsluitend voor bij mannen.
Doelstelling 3
Je moet de delen van het hart kunnen noemen met hun kenmerken en functies.
Rechterboezem:
- ontvangt zuurstofarm bloed uit de holle aders en voert dit door
naar de rechterkamer;
- weinig gespierde wand.
Rechterkamer:
- pompt zuurstofarm bloed in de longslagader;
- gespierde wand.
Linkerboezem:
- ontvangt zuurstof rijk bloed uit de longaders en voert dit door naar
de linkerkamer;
- weinig gespierde wand.
Linkerkamer:
- pompt zuurstofrijk bloed in de aorta;
- zeer gespierde wand.
Harttussenwand:
- scheidt de linker- en rechterharthelft.
Hartkleppen:
- kleppen tussen boezems en kamers;
- verhinderen het terugstromen van bloed van kamers naar
boezems.
Halvemaanvormige kleppen:
39
- kleppen aan het begin van de longslagader en de aorta;
- verhinderen het terugstromen van bloed uit de longslagader
en aorta naar de kamers.
Kransslagaders:
- aftakkingen van de aorta;
- hierdoor stroomt bloed dat rijk is aan zuurstof en voedingsstoffen
(o. a. glucose) naar de hartspier.
Kransaders:
- hierdoor stroomt bloed dat rijk is aan koolstofdioxide en andere afvalstoffen weg uit de hartspier.
Doelstelling 4
Je moet de werking van het hart kunnen beschrijven.
Samentrekken van de boezems.
- De boezems trekken zich samen. Hierdoor stroomt het b loed naar de kamers.
Samentrekken van de kamers.
- De kamers trekken zich samen.
- De hartkleppen gaan dicht.
- De druk in de kamers stijgt.
- De halvemaanvormige kleppen gaan open.
- Het bloed wordt in de longslagader en de aorta gepompt.
H art pa u ze.
- Bloed stroomt vanuit de holle aders en de longaders in de boezems en kamers.
- De hartkleppen zijn open; de halvemaanvormige kleppen zijn dicht.
Hartritme: het aantal hartslagen per minuut.
- De impulsen die het samentrekken van het hartspierweefsel veroorzaken ontstaan in het hart zelf.
Het zenuwstelsel kan dit.beïnvloeden.
- Bij lichamelijke inspanning en onder invloed van het hormoon adrenaline (dat vrijkomt bij angst,
schrik en woede) wordt het hartritme verhoogd.
Doelstelling 5 Je moet drie typen bloedvaten kunnen noemen met hun kenmerken en functies.
Slagaders:
- hierdoor stroomt bloed van het hart weg;
- hoge bloeddruk;
- dikke, stevige en elastische wand;
- 'slag' merkbaar, o.a. in de polsen;
- meestal diep in het lichaam gelegen;
- alleen halvemaanvormige kleppen (aan het begin van longslagader en aorta).
Haarvaten:
- wand van één cellaag dik;
- witte bloedcellen en vocht met o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen
kunnen door de wand.
Aders:
- hierdoor stroomt bloed naar het hart toe;
- lage bloeddruk;
- dunne wand;
- geen 'slag' merkbaar;
- meestal ondiep in het lichaam gelegen;
- op veel plaatsen liggen kleppen, die verhinderen dat het bloed teru gstroomt.
Doelstelling 6 Je moet de
delen van het
bloedvatenstelsel kunnen
noemen en de
stroomrichting
van het
bloed erin kunnen
aangeven.
- Dubbele
bloedsomloop: per omloop
stroomt het bloed twee keer
door het hart.
- Kleine bloedsomloop:
rechterkamer - longslagaders
- longaders - linker- boezem.
- Grote bloedsomloop:
linkerkamer - aorta armslagaders - armaders halsslagaders - halsaders –
40
leverslagader- leverader - darmslagader - poortader - nierslagaders - nieraders - beenslagaders - beenaders – onderste
holle ader - bovenste holle ader - rechterboezem.
Doelstelling 7
Je moet het zuurstofgehalte en het glucosegehalte van het bloed
in slagaders en aders kunnen aangeven.
Zuurstofgehalte van het bloed.
- Door slagaders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofarm bloed.
- Door aders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed.
- Door slagaders van de grote bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed.
- Door aders van de grote bloedsomloop (waaronder de poortader stroomt zuurst ofarm bloed.
Glucosegehalte van het bloed.
- In de poortader treden de grootste schommelingen in het glucosegehalte op.
- In de leverader is het glucosegehalte van het bloed gemiddeld het hoogst.
- Van de overige bloedvaten is het glucosegehalte van het bloed in een slagader hoger dan in de
bijbehorende ader.
Doelstelling 8 Je moet oorzaken en gevolgen van hart- en vaatziekten kunnen noemen.
Afwijkingen in de bloeddruk.
- Mensen met te lage bloeddruk hebben vaker last van hoofdpijn en duizelingen.
- Te hoge bloeddruk kan leiden tot beschadiging van bloedvaten: hierdoor kunnen stoffen
uit het bloed zich hechten aan de bloedvatwand.
Aderverkalking (atherosclerose): vernauwing van bloedvaten door afzetting van cholesterol en kalk tegen
de binnenwand.
- Dit kan leiden tot overbelasting van het hart.
Hartinfarct: verstopping van een kransslagader of een aftakking ervan, waardoor een deel van de hartspier
geen zuurstof en voedingsstoffen meer krijgt.
- Hierdoor sterft dit deel van de hartspier af.
Hartritmestoornissen: langdurige verstoring van het normale hartritme o.a. als gevolg van aanhoudende stress.
- Storingen bij het ontstaan van impulsen in het hart kunnen leiden tot verminderde hartwerking
en tot hartstilstand.
Hartvergroting (sporthart): toename van de dikte van het hartspierweefsel als gevolg van voortdurende belasting.
- Komt vooral voor bij 'duursporters' (o.a. roeiers en wielrenners).
- Het hart kan per hartslag meer bloed wegpompen, waardoor de sporter betere prestaties kan
leveren.
- Iemand met een hartvergroting heeft in rust een lager hartritme dan normaal.
Doelstelling 9 Je moet de kenmerken en functies van weefselvloeistof en lymfe kunnen noemen.
Weefselvloeistof ontstaat doordat in de haarvaten vocht uittreedt.
- Weefselvloeistof bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen,
antistoffen en hormonen. Weefselvloeistof kan witte bloedcellen bevatten.
- Functie weefselvloeistof: zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide
en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.
Lymfe ontstaat doordat weefselvloeistof wordt opgenomen in lymfevaten.
- Lymfe bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, antistoffen en
hormonen. Lymfe kan witte bloedcellen bevatten.
- Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen klep pen voor.
- Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel.
- Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.a. ziekteverwekkers.
OPSLAG, UITSCHEIDING EN BESCHERMING
Doelstelling 1 Je moet kunnen beschrijven hoe bij de mens een vrij constant inwendig milieu
wordt gehandhaafd.
Inwendig milieu: weefselvloeistof en bloedplasma.
- Het constant houden van de samenstelling van het inwendige milieu vindt plaats door opname,
opslag en uitscheiding van stoffen.
- Hierbij spelen hormonen (bijv. insuline en glucagon), zintuigen en zenuwcellen een belangrijke rol.
Opname: een tekort aan bepaalde stoffen wordt voorkomen doordat regelmatig stoffen worden opgenomen uit het
uitwendige milieu.
- Darmkanaal: opname van voedingsstoffen.
- Longen: opname van zuurstof.
41
Opslag: stoffen waarvan een teveel aanwezig is in het inwendige milieu worden (eventueel in gewijzigde vorm) in
bepaalde organen opgeslagen.
- In de lever: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen), bepaalde mineralen (o. a. ijzer) en
bepaalde vitamines.
- In spieren: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen).
- in het onderhuidse bindweefsel: vet.
- In het gele beenmerg van pijpbeenderen: vet.
Opgeslagen stoffen worden (eventueel in gewijzigde vorm) weer in het inwendige milieu gebracht.
- Uit lever en spieren: glycogeen (dat wordt omgezet in glucose).
Uitscheiding: overtollige en/of schadelijke (afval)stoffen worden aan het inwendige milieu onttrokken en
uit het lichaam verwijderd.
- Nieren: urine met vooral water, ureum en zouten.
- Lever: gal met galkleurstoffen (afbraakproducten van dode rode bloedcellen).
- Longen: koolstof dioxide.
Doelstelling 2 Je moet de functies van de lever kunnen noemen.
Constant houden van het glucosegehalte van het bloed.
- Bij een hoog glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glucose omgezet in glycogeen,
dat wordt opgeslagen.
- Bij een laag glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glycogeen omgezet in glucose.
De glucose wordt opgenomen in het bloed.
Produceren van het bloedeiwit fibrinogeen.
Afbreken van overtollige eiwitten.
- Hierbij ontstaat de giftige afvalstof ureum.
Produceren van gal.
Afbreken van dode rode bloedcellen.
- Galkleurstoffen worden met de gal uitgescheiden.
- Ijzer wordt opgeslagen.
Opslag van mineralen (o.a. ijzer) en vitamines.
Ontgiftiging van het bloed.
- Alcohol, drugs, medicijnen e.d. worden onwerkzaam gemaakt.
Doelstelling 3 Je moet kunnen omschrijven wat hepatitis is.
Hepatitis: ontsteking van de lever veroorzaakt door virussen of giftige stoffen (bijv. medicijnen).
Hepatitis A: wordt veroorzaakt door een virus dat via uitwerpselen en besmet voedsel of water
wordt overgebracht.
- Verschiinselen: vermoeidheid, verminderde eetlust, hoofdpijn en ov ergeven.
Hepatitis B: wordt veroorzaakt door een virus dat via bloed, sperma of vocht uit de vagina wordt
overgebracht.
- Verschijnselen: aanvankelijk dezelfde als bij hepatitis A; in een later stadium mogelijk
Leverkanker of levercirrose (afsterven van levercellen).
Doelstelling 4
Je moet de delen van de nieren en van de urinewegen kunnen noemen
met hun functies en kenmerken.
Functies van de nieren en de urinewegen.
- Uitscheiding van overtollig water, overtollige zouten, afvalstoffen (o.a. ureum) en schadelijke stoffen.
De stoffen worden samen urine genoemd.
- De samenstelling van urine is wisselend: deze is afhankelijk van de hoeveelheden van de stoffen
in het inwendige milieu.
Delen van een nier.
- Nierschors en niermerg: vorming van urine.
- Nierbekken: verzamelen van urine.
42
•
Delen van de urinewegen.
- Urineleiders: afvoer van urine naar de urineblaas. - Urineblaas: tijdelijke opslag van urine.
- Urinebuis: afvoer van urine naar buiten.
Doelstelling 5
Je moet de delen van de huid en van het onderhuidse bindweefsel
kunnen noemen met hun functies en kenmerken.
De huid bestaat uit opperhuid en lederhuid.
Opperhuid: hoornlaag en kiemlaag. In de opperhuid liggen geen bloedvaten.
- Hoornlaag (dode, verhoornde celresten): bescherming tegen beschadigingen, uitdroging
en infecties.
- Kiemlaag (levende cellen): pigment beschermt tegen ultraviolette straling.
De onderste laag cellen deelt zich voortdurend. Hierdoor wordt de steeds afslijtende
hoornlaag aangevuld.
- Haar met haarzakje (uitstulping van de kiemlaag) en talgklieren.
Talg houdt het haar en de hoornlaag soepel.
Lederhuid: bevat bloedvaten, haarspiertjes, zweetklieren met zweetkanaaltjes, zenuwen en zintuigen
(warmte- koude-, druk- en tastzintuigen).
- Onderhuidse bindweefsel.
- Opslag van vet in vetcellen: het vet heeft een warmte-isolerende werking.
Doelstelling 6
Je moet kunnen beschrijven hoe de lichaamstemperatuur min of meer constant
wordt gehouden.
- Constante lichaamstemperatuur door evenwicht tussen warmteproductie en warmteafgifte.
- Het temperatuurregelcentrum in de hersenen regelt de warmteproductie en de warmteafgifte van het
lichaam.
- Warmteproductie door verbranding.
- Warmteafgifte via bloed dat door de huid stroomt en via zweet dat verdampt (door verdamping wordt
warmte aan het lichaam onttrokken).
Bescherming tegen stijging van de lichaamstemperatuur.
- Bloedvaten in de huid worden wijder (de huid wordt roder).
- Zweetklieren produceren meer zweet.
Bescherming tegen daling van de lichaamstemperatuur.
- Bloedvaten in de huid worden nauwer (de huid wordt bleker).
- Zweetklieren produceren minder zweet.
- Warmteproductie door verbranding neemt toe (o.a. rillen en klappertanden).
Doelstelling 7
Je moet kunnen beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden
tegen infecties en op welke manieren immuniteit kan ontstaan.
Lichaamsvreemde stoffen: stoffen die niet in het lichaam thuishoren.
- Op het oppervlak van ziekteverwekkers komen lichaamsvreemde stoffen voor.
Infectie: ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen.
- Witte bloedcellen van een bepaald type produceren antistof tegen de lichaamsvreemde stof
van de ziekteverwekker.
- De antistof hecht zich aan de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker, waardoor deze
onschadelijk wordt gemaakt.
- Eén type antistof kan zich maar aan één type lichaamsvreemde stof hechten.
43
Immuniteit: na een infectie blijft de antistof in het bloed aanwezig of kan bij een nieuwe infectie snel
worden gemaakt.
- Natuurlijke immuniteit: ontstaat doordat een persoon de ziekte doormaakt, bijv. waterpokken.
- Kunstmatige immuniteit: ontstaat door inenting (vaccinatie) van een vaccin, bijv. tegen mazelen.
Een vaccin bevat een dode of verzwakte ziekteverwekker.
Doelstelling 8
Je moet de bloedfactoren en antistoffen kunnen noemen die
voorkomen bij de verschillende bloedgroepen.
Bloedfactor: stof op het celmembraan van rode bloedcellen die als lichaamsvreemde stof werkt voor
iemand die deze stof niet heeft.
-De zijn bloed factor A, bloed factor B en de resusfactor.
Bloedgroepen A, B, AB en 0.
- Het bloedplasma bevat antistof tegen de bloedfactor die niet aan de rode bloedcellen zit.
Bloedgroep
Bloedfactor aan rode bloedcellen Antistof in bloedplasma
A
A
anti-B
B
B
anti-A
AB
A en B
geen
O
geen
anti-A en anti-B
Re susf acto r.
- Bij resuspositief bloed (Rh+) bevatten de rode bloedcellen de resusfactor; bij resusnegatief
bloed (Rh-) niet.
- Antiresus wordt gevormd als Rh- bloed in contact komt met Rh+ bloed.
De vorming van antiresus verloopt langzaam.
Doelstelling 9
Je moet kunnen beschrijven welke rol bloedgroepen
en de resusfactor spelen bij bloedtransfusies en zwangerschap.
Bloedtransfusies en bloedgroepen A, B, AB en 0.
- Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde bloedgroep als de ontvanger.
- Bloedfactor A en anti-A reageren met elkaar, evenals bloedfactor B en anti -B. Hierdoor
klonteren de rode bloedcellen samen en gaan ze te gronde, waardoor hemoglobine
vrijkomt in het bloedplasma. Dit kan o.a. hersen- en nierbeschadiging tot gevolg hebben.
- Bloedtransfusie is mogelijk als de ontvanger geen antistof heeft tegen een bloedfactor in het donorbloed.
- Mogelijke bloedtransfusies:
O
A
B
AB
- Bloedgroep O is de algemene donor.
- Bloedgroep AB is de algemene ontvanger.
Bloedtransfusies en de resusfactor.
- Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde resusfactor (en dezelfde bloedgroep)
als de ontvanger.
- Resusfactor en antiresus reageren met elkaar, waardoor de rode bloedcellen samenklonteren.
- Bij een eerste trans fusie van resuspositief bloed naar een resusnegatieve ontvanger treden geen
problemen op, doordat de vorming van antiresus langzaam verloopt.
- Bij een tweede transfusie wordt sneller antiresus gevormd, zodat samenklontering van het
donorbloed optreedt.
- Transfusie van resusnegatief bloed naar een resuspositieve ontvanger is mogelijk.
Zwangerschap en de resusfactor.
- Problemen kunnen optreden bij een resusnegatieve moeder die zwanger is van een
resuspositief kind.
- Vooral tijdens de bevalling kunnen rode bloedcellen van het kind via de placenta terechtkomen
in het bloed van de moeder. De moeder gaat langzaam antiresus vormen.
- Tijdens de volgende zwangerschap(pen) kan antiresus van de moeder via de placenta
44
in het bloed van het kind terechtkomen. Als het kind resuspositief is, kunnen rode
bloedcellen van het bloed van het kind terechtkomen. Als het kind resuspositief is,
kunnen rode bloedcellen van het kind samenklonteren en te gronde gaan (resuskind).
- Door toediening van antiresus aan de moeder onmiddellijk na de geboorte wordt de
vorming van antiresus door de moeder zelf tegengegaan. Hierdoor wordt een
resuskindje voorkomen.
Nou, dat is ‘t
dan.... Veel hè?
45
Download