Uitkomsten onderzoek ‘Jongeren en omgaan met geld’ Mencia de Mendoza/Sandrode Inleiding Op de jaarvergadering van de Ouderraad in 2006 is het thema ‘Jongeren en Geld’ aan de orde geweest. Voorafgaand aan de jaarvergadering is aan alle ouders van leerlingen van het Mencia gevraagd een vragenlijst in te vullen over het zak- en kleedgeld, en de andere inkomsten van hun kinderen. De gegevens van het onderzoek zijn gebruikt als input voor de presentatie van de door de ouderraad uitgenodigde deskundige. De uitkomsten uit het onderzoek van de ouderraad mogen echter vanwege het relatief kleine aantal leerlingen niet zonder meer als representatief voor de hele leerlingenpopulatie van het Mencia worden gezien. De vragenlijst is in gevuld door ouders van in totaal 234 leerlingen op het Mencia. Van de leerlingen behoort 58% (58,1) tot het vrouwelijk geslacht, en 42 % (41,9) tot het mannelijke geslacht. Krap de helft zit op het VWO gevolgd door leerlingen van de havo (20%), de brugklas havo/vwo (16%) en de mavo (14%). De gegevens van kinderen die niet op het Mencia zitten, zijn niet verwerkt In het onderhavige verslag worden de uitkomsten van het onderzoek onder ouders van leerlingen van het Menicia beschreven. Er is verder gebruikt gemaakt van publicaties van het Nibud (Nationaal Instituut voor budgetvoorlichting). Voorbeelden van vragen van ouders van leerlingen op het Mencia Hoeveel zakgeld is voldoende? Wat is een redelijk bedrag aan zakgeld per maand? Wat kunnen we ons kind zelf laten betalen (bijvoorbeeld mobiel, uitgaan) ? Welk bedrag is normaal verantwoord op welke leeftijd? Wat zijn gemiddelde bedragen voor zak en kleedgeld? Is het verstandig om kleedgeld te geven, en wat moeten ze hier dan van kopen Advies welke leeftijd beginnen met kleedgeld? Richting bedrag? Wat moet een kind betalen van zijn zakgeld? Is het verstandig om kleedgeld te geven, en wat moeten ze hier dan van kopen? Wanneer beginnen met kleedgeld? Bedragen van zakgeld vind ik moeilijk te bepalen. Inkomsten zakgeld Uit de enquête op het Mencia komt naar voren dat vrijwel iedereen zakgeld krijgt (95%). Slechts 5% van de leerlingen uit het onderzoek van de ouderraad ontvangt dus geen zakgeld. Van deze leerlingen heeft vrijwel iedereen wel inkomsten via (een combinatie van) kleedreisgeld of inkomsten uit een baan. Volgens het Nibud krijgt landelijk gezien 90% van de leerlingen in het voorgezet onderwijs zakgeld. Het zakgeld van de leerlingen uit ons onderzoek loopt uiteen van 5 euro tot 100 euro per maand. Het gemiddelde zakgeld (n=222) is ruim 20 euro per maand. Dit bedrag ligt onder het landelijk gemiddelde; dat zou volgens het Nibud namelijk rond de 25 euro per maand liggen. Volgens het Nibud is de hoogte van het zakgeld afhankelijk van een aantal factoren. Zo heeft het ene gezin meer geld te besteden dan het andere. Ook ligt het eraan wat de jongere zelf moet betalen. Daarom is het van belang alle uitgaven op een rij te zetten om te bepalen hoeveel zakgeld voldoende is. Belangrijk is onderscheid te maken tussen wat écht nodig is en wat volgens de jongere gewenst is. 1 Inkomsten kleedgeld Bijna een kwart van de leerlingen uit ons onderzoek (24,4%) ontvangt kleedgeld. Het kleedgeld loopt uiteen van 10 tot 150 euro per maand. Het gemiddelde kleedgeld van de leerlingen die dat ontvangen (n=57) bedraagt 54 euro. Dit ligt iets hoger dan het landelijk gemiddelde onder scholieren in het voortgezet onderwijs. Hierbij moet worden opgetekend dat in het onderzoek op het Mencia relatief gezien minder scholieren kleedgeld ontvangen. Hoeveel kleedgeld gegeven wordt, hangt volgens het NIBUD ook af van het bedrag dat in het gezin aan kleding kan worden besteed. Daarnaast is ook van belang wat de normen over kleding in het gezin zijn; wordt er in het gezin weinig of juist veel belang aan kleding gehecht? Landelijk lopen de bedragen die gemiddeld aan kleding worden uitgegeven uiteen van € 20 tot € 60 per persoon per maand. Uit een onderzoek dat is gehouden onder 5.500 scholieren van het voortgezet onderwijs blijkt dat een scholier gemiddeld ongeveer € 51 per maand aan kleding uitgeeft. Minimaal is een bedrag van ongeveer € 42 per maand volgens het Nibud echt noodzakelijk. Het is van belang dat er goede afspraken worden gemaakt over wat wel en niet voor dit bedrag aangeschaft dient te worden. Inkomsten uit een baan In onze vragenlijst konden meerdere baanmogelijkheden worden aangekruist. Sommige leerlingen blijken meerdere banen met elkaar te combineren. Het gemiddelde inkomen uit een of meerdere banen bedraagt 59 euro. Jongens verdienen gemiddeld 12 euro meer dan meisjes. Het inkomen uit een of meerdere banen varieert van 1,25 euro tot 350 euro per maand. Het meest frequent hebben de leerlingen uit dit onderzoek een baan als babysit/oppas, gevolgd door een baan in een tuinderij, op afstand gevolgd door een baan in een winkel of supermarkt en in de horeca. Vooral meisjes verdienen hun inkomen (ook) met babysitten. Jongens verdienen iets vaker hun inkomen met een krantenwijk, werk in de horeca en in winkels/supermarkt. Vooral werken in de horeca en in een winkel of supermarkt lijkt goed te lonen. Ook volgens het Nibud heeft ongeveer de helft van de jongeren een baantje en hebben jongens meer te besteden dan meisjes. Dit zou komen omdat ze meer verdienen. Meisjes zouden banen hebben die minder opleveren zoals een baantje als oppas/babysit. De bevinding van het Nibud dat landelijk gezien bij meisjes (het relatief slecht betalende) babysitten het meest populaire baantje is en bij jongens de krantenwijk lijkt ook op te gaan voor de leerlingen uit ons onderzoek. Inkomsten reisgeld Van de in totaal 234 leerlingen uit de onderzoeksgroep ontvangt een enkeling reisgeld, variërend van 5 euro tot 80 euro. Vermoedelijk gaat het hierbij uit scholieren die van buiten Breda komen (bijvoorbeeld uit Zundert/Rijswijk). Het gemiddelde reisgeld (n=10) bedraagt 37 euro. Totaal inkomen Vrijwel alle leerlingen uit het onderzoek hebben een inkomen. De inkomsten variëren van 5 tot 460 euro per maand. Het totale bedrag qua inkomsten (dus zakgeld + kleedgeld + reisgeld + inkomsten uit een baan) bedraagt gemiddeld bijna 65 euro (n=232). Meisjes hebben iets meer zakgeld dan jongens, maar jongens hebben overall gemiddeld 9 euro meer te besteden dan meisjes. Volgens het Nibud hebben scholieren in het voortgezet onderwijs gemiddeld € 115 per maand te besteden. Dit bedrag ligt aanzienlijk hoger dan het totaal bedrag dat de leerlingen van het Mencia per maand uit zakgeld, kleedgeld, reisgeld krijgen. 2 Wie betaalt wat? Tabel: Uitgaven (meerdere antwoorden mogelijk), % Kleding Schoenen Contributies Materiaal n=233 n=233 n=228 school n=231 Alles kind 16 8 2 1 Alles ouders 73 83 94 96 Beiden deel 11 9 4 3 Vakantie Mobiel n=227 n= 213 Uitgaan n= 201 2 82 49 29 57 21 16 22 22 Vooral de kosten van een mobiel en het uitgaan (voor zover van toepassing) worden door de leerlingen in zijn geheel of voor een gedeelte betaald. Bijna driekwart van de ouders voorziet in alle kleding en ook het schoeisel wordt meestal geheel door de ouders bekostigd. Ouders voorzien verder meestal geheel in het materiaal voor school en de contributies (voorzover van toepassing). Extra geld Ongeveer een derde van de leerlingen vraagt wel eens extra geld van de ouders. Bijna driekwart van hen krijgt soms extra geld van de ouders, 11% krijgt het vaak, 5% nooit en 5% altijd. De vragen over de hoogte van de extraatjes per onderscheiden uitgaven (kleding, schoenen, contributies, materiaal school, vakantie en mobiel) zijn beperkt ingevuld. Ouders zeggen het meest vaak dat zij hun kind extra geld toestoppen voor uitgaan, gevolgd door geld voor kosten van een mobiel en geld voor vakanties. Gemiddeld krijgen de leerlingen die dit betreffen ongeveer 8 euro per maand extra voor uitgaan, 9 euro voor de kosten van een mobiel en 20 euro voor vakanties. Samenvatting De meerderheid van de leerlingen uit het onderzoek van de ouderraad ontvangt zakgeld (95%), bijna een kwart ontvangt (ook) kleedgeld en de helft heeft (ook) inkomsten uit een baan. 4% van leerlingen uit dit onderzoek ontvangt reisgeld. Uit onderzoek van het Nibud blijkt dat van de middelbare scholieren (landelijk) ongeveer 90 procent zakgeld ontvangt en ongeveer tweederde geen kleedgeld ontvangt (dus eenderde wel). De leerlingen uit onderzoek ontvangen dus iets vaker zakgeld en minder vaak kleedgeld. Het percentage leerlingen uit het Mencia onderzoek dat een baan heeft is conform de landelijke trend. In de open vragen van ons onderzoek kwam naar voren dat ouders lang niet altijd weten welk bedrag zij hun kind eigenlijk zouden moeten geven. De hoogte van het zakgeld ligt met gemiddeld 20 euro voor de leerlingen uit ons onderzoek lager dan het landelijk gemiddelde (25 euro). Slechts een kwart van de leerlingen uit het onderzoek van de ouderraad krijgt kleedgeld, echter zij ontvangen wel een bedrag dat (iets) hoger ligt dan het landelijk gemiddelde (54 euro in ons onderzoek vs. 51 euro landelijk). Het totale inkomen van de leerlingen uit het Mencia onderzoek ligt een stuk lager dan uit landelijke cijfers naar voren komt (gemiddeld 65 euro vs. 115 euro landelijk). Bijna een derde van de leerlingen uit het onderzoek zou het inkomen vooral gebruiken voor de uitgaven van mobieltjes en uitgaan. De andere uitgaven komen niet zelden (geheel) voor rekening van de ouders. Ongeveer een derde van de leerlingen uit ons onderzoek vraagt wel eens extra geld aan de ouders. Bijna driekwart van hen krijgt dat soms ook. De vragen over de hoogte van de extraatjes zijn beperkt ingevuld. Ouders zeggen het meest vaak dat zij hun kind extra geld toestoppen voor uitgaan, gevolgd door geld voor kosten van een mobiel en geld voor vakanties. Uit landelijk scholieren onderzoek uit 2004/2005 komt naar voren dat bijna 3 tweederde van de leerlingen wel eens extra geld vraagt aan de ouders, 46% krijgt het soms ook. Het Nibud ziet zak en kleedgeld niet als loon, maar als leergeld. Door zak- en kleed geld leren kinderen keuzes maken. Relatief weinig ouders geven hun kinderen kleedgeld. Door het geven van kleedgeld leert een kind echter onderscheid te maken van wat noodzakelijk is en wat niet. Het Nibud geeft het advies om kinderen in financieel opzicht meer verantwoordelijkheid te geven zodat zij leren dat er grenzen zijn aan het budget. Verder is het verstandig om afspraken over financiën te maken. Bronnen Geldwijzer Scholieren. Kosten van pubers én hun eigen geld. Nibud, 2005.Utrecht Financiële opvoeding. Nibud, 2005. Utrecht. Nationaal scholierenonderzoek 2004/2005. Nibud, 2005. Utrecht Financiële opvoeding 2005. Nibud, 2005. Utrecht www.nibud.nl 4