Jozef Simons en de Eerste Wereldoorlog

advertisement
Onderzoeksrapport
Jozef Simons en de Eerste
Wereldoorlog
HK De Brakken
Augustus 2016
Inhoud
Inleiding
3
Deel 1 Het leven van Jozef Simons
5
1. Jozef Simons voor de oorlog
6
Kinder- en jeugdjaren
Leraar bij de adellijke familie de Brouchoven de Bergeyck
6
7
2. Jozef Simons tijdens de Eerste Wereldoorlog
8
Jozef Simons’ militaire loopbaan
Een lange aanloop
Naar het front
Simons wordt dan toch tolk
Opnieuw in de artillerie
... en opnieuw als tolk
Context: het tolkenkorps van het Belgische leger
8
8
10
11
12
13
14
3. Naoorlogse periode
18
Van huisleraar tot klerk
Een nieuwe uitdaging
Een slepende ziekte
Deel 2. Jozef Simons als auteur
18
18
19
20
1. Een bibliografie in vogelvlucht
21
Het vroegste werk van Jozef Simons
Simons tijdens en over de Eerste Wereldoorlog
Brieven en gedichten tijdens WOI
Bonifacius Suikerbuik (1919)*
Kanonnier (1921)*
Zoo ging een jaar (1922)*
Eer Vlaanderen vergaat (1923, gepubliceerd in 1927)*
Ander werk
21
22
22
23
23
23
23
26
2. Zijn plaats in de literaire wereld
28
Hoe zijn tijdgenoten hem zagen
Hoe keek Jozef Simons naar zichzelf als schrijver?
Deel 3. De Eerste Wereldoorlog in het werk van Simons
28
30
32
De Eerste Wereldoorlog in het werk van Simons: een discoursanalyse
Selectie en methode
Analyse
33
33
34
Besluit
Bibliografie
48
50
1
Literatuur
51
Elektronische bronnen
52
Onuitgegeven bronnen
53
2
Inleiding
In opdracht van de Werkgroep WOI Ranst voerde het historisch projectbureau Geheugen
Collectief onderzoek naar het leven en werk van schrijver Jozef Simons (1888-1948) in relatie
tot de Eerste Wereldoorlog. De focus van het onderzoek ligt op Simons' beleving van de
Eerste Wereldoorlog en de wijze waarop de oorlog zijn denken en zijn werk beïnvloedde.
In een eerste deel van dit rapport reconstrueren we in een beknopte biografie het leven van
Jozef Simons. We besteden daarbij weinig aandacht aan Simons’ opvattingen en drijfveren,
aangezien die in het tweede deel van dit rapport uitgebreid aan bod zullen komen. We
focussen vooral op de jaren van de Eerste Wereldoorlog en behandelen zijn voor- en
naoorlogse leven bewust summier. De geïnteresseerde lezer kan voor bijkomende
informatie terecht in de uitgebreide biografie van Verheecke1 en in verschillende andere
biografische schetsen.2 Simons’ levensloop in de periode 1914-1918 reconstrueerden we aan
de hand van uiteenlopende historische bronnen (o.a. militaire archieven en het dagboek van
Jozef Simons, waar we dankzij zoon Ludo Simons – die momenteel de laatste hand legt aan
een uitgave over het dagboek – van gebruik konden maken).
In het tweede deel van dit onderzoeksrapport verschuift de focus naar het werk van Jozef
Simons. We geven een bibliografisch overzicht en situeren het oeuvre van Simons in het
literaire veld. In het derde deel komen we toe aan de uitwerking van de centrale
onderzoeksvraag: ‘Wat was de impact van de Eerste Wereldoorlog op het leven, de
opvattingen en het werk van Jozef Simons?’ Op basis van een discoursanalyse van Simons’
voornaamste oorlogsliteratuur gaan we na hoe zijn mens- en maatschappijbeeld door de
oorlog werd beïnvloed en hoe hij dat in zijn oeuvre verwerkte.
Simons’ oorlogsliteratuur werd tot nu toe zelden gebruikt als bron voor historisch
onderzoek. Nochtans vormt die literatuur een unieke informatiebron voor wie
geïnteresseerd is in de culturele en politieke geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.
Simons’ oorlogsboeken steunen immers in grote mate op zijn eigen oorlogservaringen, die
hij gedeeltelijk opdeed als soldaat aan het front. Vanuit documentair oogpunt is dat een
grote troef, want lang niet alle oorlogsliteratuur die in het interbellum verscheen, kwam uit
de pen van schrijvers die de oorlog zelf van zo nabij hadden meegemaakt. Zeker Eer
Vlaanderen vergaat bekleedt een unieke positie in de Vlaamse oorlogsletterkunde: het is het
enige boek over de thematiek van de Frontbeweging dat afkomstig is uit de pen van een
frontstrijder.3 Tegelijkertijd zijn Simons’ oorlogsboeken onmiskenbaar het werk van een
belezen schrijver. Simons was een intellectueel die zich informeerde over de wereld en de
VERHEECKE, Jozef Simons,1963.
Zie bibliografie achteraan voor een overzicht.
3 DEFLO, De literaire oorlog, 68.
1
2
3
concrete oorlogsgebeurtenissen in een breder perspectief plaatste. In die zin is zijn werk van
een heel andere orde dan dat van de gemiddelde dagboekschrijver of chroniqueur.
4
Deel 1
Het leven van Jozef Simons
5
1. Jozef Simons voor de oorlog
Kinder- en jeugdjaren
Jozef Simons werd op 21 mei 1888 in Oelegem geboren. Zijn vader, Louis Simons, was
gemeentesecretaris in Oelegem en koster-organist van de parochiekerk. Zowel zijn vader als
zijn moeder, Pauline Verheyen, kwamen uit een familie die al generatieslang in de Kempen
woonde.4 Jozef Simons bracht zijn kinderjaren door in Oelegem en ging er naar de
basisschool. Toen hij twaalf werd, schreven zijn ouders hem in aan het Klein Seminarie van
Hoogstraten, een internaat met een zeker aanzien in katholieke kringen.
Simons, die tot dan toe was opgegroeid in een Nederlandstalig milieu, kwam zo in een school
terecht waar de voertaal Frans was. Voor hij echt aan de Grieks-Latijnse humaniora kon
beginnen, moest hij daarom een ‘introductiejaar’ volgen, waarin hij samen met andere
jongens uit Vlaanderen die het Frans nog niet machtig waren een stoomcursus Frans kreeg.
Hoewel hij overduidelijk een talenknobbel had, vond Simons het toen al absurd dat
Nederlandstalige leerkrachten in Vlaanderen aan Vlaamse kinderen lesgaven in het Frans.
Dat ongenoegen zou hij later ook laten blijken in zijn romans (zie verder).5 Hij gaf zelf aan dat
zijn flamingantisme in die periode – aan het Franstalige Klein Seminarie – ontkiemde. Simons
wees in dat verband op de invloed van zijn leraar Thaddeus Spaeninckx, ‘die hem flamingant
maakte‘.6 Hij maakte er niet alleen kennis met Vlaamsgezinde leerkrachten maar ook met het
Vlaamsgezinde Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS).7 Tijdens zijn
humanioratijd begon hij zijn eerste verhalen te schrijven en publiceren.
Hoewel zijn interesse aan het einde van zijn middelbare schooltijd al overduidelijk naar
cultuur en literatuur uitging, koos hij uit rationele overwegingen – het vinden van een goed
betaalde functie – voor een opleiding Handelswetenschappen aan de Sint-Ignatius
Handelshogeschool in Antwerpen (het latere UFSIA, nu Universiteit Antwerpen). In de roman
Bonifacius Suikerbuik (1919), waarin het hoofdpersonage dezelfde keuze maakt, geeft Simons
er de volgende argumentatie bij: 'Zo komt ge 't dichtst bij 't vuur […] Met 't geld koopt ge de boter,
ziet ge. En wilt ge dan later nog een paar versjes rijmen op de eerste tand van uw jongstgeboren
zoontje of op de uitvallende haren van uw grijze schoonmoeder, het staat u vrij.'8
Tijdens deze hogeschoolopleiding van twee jaar ging Simons 'op kot’ bij een bevriende
familie, in Klapdorp.9 Ondanks zijn Kempense ziel, leek Simons het in Antwerpen naar zijn
zin te hebben. Hij voelde zich aangetrokken tot het letterkundige leven in de stad.
DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 11; SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 5.
De ontevredenheid hierover komt heel expliciet aan bod in Bonifacius Suikerbuik.
6
Letterenhuis, S 6225 / B, brief van Jozef Simons aan Louis Sourie, 29.03.1947.
7 VERHEECKE, Jozef Simons, 62 e.v.
8
SIMONS, J., Bonifacius Suikerbuik, 104.
9 VERHEECKE, Jozef Simons, 104 e.v. en SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 8.
4
5
6
Simons behaalde zijn diploma Handelswetenschappen in 1909. In die tijd probeerden
werkgevers uit diverse sectoren nieuwe kaderleden te rekruteren onder de pas
afgestudeerden van de Sint-Ignatius Handelshogeschool. Simons sprak een aardig mondje
Spaans en dus zag de faculteit in hem de geknipte persoon voor een baan op een
koffieplantage in Brazilië. Omdat hij zelf dacht dat de harde bedrijfswereld niets voor hem
zou zijn, ruilde hij zijn aanstelling met die van een vriend en werd hij huisleraar bij de adellijke
familie de Brouchoven de Bergeyck in Beveren-Waas.10
Leraar bij de adellijke familie de Brouchoven de Bergeyck
Het gezin van Joseph graaf de Brouchoven de Bergeyck en Maria Josephe Cornet d'Elzius de
Peissant telde tien kinderen. Ze woonden in het kasteel Ter Gaver in Beveren-Waas. De vader
van Joseph had dit laten bouwen voor zijn gehuwde zoon. Het was in adellijke, Franstalige
kringen in het begin van de twintigste eeuw niet gebruikelijk om kinderen naar een gewone
school in de omgeving te sturen en dus zocht de familie de Brouchoven de Bergeyck in 1909
een goede huisleraar voor hun oudste zonen. Via de Sint-Ignatius Handelshogeschool
kwamen ze bij Jozef Simons terecht.11
Op 1 oktober 1909 ging hij aan de slag. Simons was een toegewijd leerkracht en – hoewel hij
aanvankelijk niet bij de grafelijke familie inwoonde – bouwde hij een nauwe band op met het
gezin, in de eerste plaats met de gravin. Zo leerde de Vlaamsgezinde Simons het adellijke,
Franstalige milieu van dichtbij kennen. Simons voelde zich overigens niet gehinderd om in
die omgeving voor zijn Vlaamsgezindheid uit te komen. Omdat hij een zachtaardige en graag
geziene leraar was, kon hij zich dat permitteren. Meer zelfs, misschien vonden zijn
overtuigingen enige weerklank in het adellijke gezin. In enkele brieffragmenten uit 1914
schrijft de gravin dat ze weliswaar Franstalig is, maar een uitgesproken Vlaams hart heeft.12
De vaststelling dat de (Franstalige) adel sympathie kon opbrengen voor de Vlaamse
ontvoogdingsstrijd, heeft Simons latere werk ongetwijfeld beïnvloed. In de roman Eer
Vlaanderen Vergaat (1927) werkte hij dit idee verder uit, net als eerder in sommige
kortverhalen.13
In 1913 verhuisde het gezin de Brouchoven de Bergeyck naar Proven bij Poperinge, waar de
graaf een jaar eerder een nieuw kasteel had gekocht. Jozef Simons volgde zijn werkgever
naar de Westhoek en ook Simons’ zus Laura verhuisde mee. Zij was intussen aangeworven
als gouvernante voor de grafelijke dochters. Zo werd kasteel De Lovie in Proven het nieuwe
thuis van de adellijke familie én van broer en zus Simons.14
VERHEECKE, Jozef Simons, 99 e.v.
VERHEECKE, Jozef Simons, 128 e.v.
12 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 10,11.
13 VERHEECKE, 126 e.v.
14 VERHEECKE, Jozef Simons, 131-132.
10
11
7
2. Jozef Simons tijdens de Eerste Wereldoorlog
Kort na de verhuis van de familie de Brouchoven de Bergeyck naar kasteel De Lovie viel het
Duitse leger België binnen. Hoewel de Duitsers eigenlijk Parijs als einddoel hadden, rukten
ze steeds meer op naar het westen, om in oktober 1914 aan de IJzer tot stilstand te komen.
De frontlijn die op dat moment West-Vlaanderen doorsneed, verschoof de komende vier jaar
amper. Kasteel De Lovie lag net buiten de frontzone, in het kleine stukje onbezet België. Jozef
Simons en de grafelijke familie ontsnapten dus aan de Duitse bezetting. Simons bracht de
eerste twee jaar van de oorlog door in het kasteel en ging er verder met zijn werk als
huisleraar. In de brieven die hij van daaruit schreef naar het in Den Haag verschijnende Vrij
België, noemde hij de plek zijn ‘oasis’.15 Toch ontsnapte het kasteel, in tegenstelling tot wat
Simons met die omschrijving lijkt te suggereren, niet aan de oorlogsgebeurtenissen. De
Britten installeerden er hun hoofdkwartier, wat ervoor zorgde dat het op De Lovie een
komen en gaan was van generaals, kolonels en andere hoge (militaire en andere) gasten. De
adellijke familie bleef er ondertussen gewoon wonen.
Jozef Simons’ militaire loopbaan
Simons toonde zich in zijn brieven aan Vrij België een scherp observator van de
gebeurtenissen op het kasteel. Toch wilde hij niet de hele oorlog als commentator aan de
zijlijn blijven staan. Hij zette zijn zinnen op een taak als vertaler bij het leger. Het zou echter
heel wat voeten in de aarde hebben voor hij daarin slaagde.
Een lange aanloop
De Britse officieren die in het kasteel De Lovie verbleven, hadden – net als andere
buitenlandse eenheden in onbezet België – voor hun communicatie met de plaatselijke
bevolking of met andere legers nood aan vertalers. Die werden door het Belgische leger aan
de buitenlandse troepen ter beschikking gesteld via een speciaal daartoe opgericht
'tolkenkorps'. Dit stond onder leiding van François graaf de Hemricourt de Grunne, die in
Sainte-Adresse zijn hoofdkwartier had. De graaf was de neef van gravin de Bergeyck.
Nadat de Britten bij de Grunne al om een vertaler gevraagd hadden, stuurde de Britse
luitenant-generaal Keir op 28 juli 1915 vanuit De Lovie een aanbevelingsbrief naar het
tolkenkorps om Simons aan te bevelen als vertaler. Hij schreef die brief op vraag van Simons
en met de goedkeuring van graaf en gravin de Bergeyck.16 Een tweetal weken later kreeg de
Britse divisie in De Lovie een vertaler toegewezen, maar het was niet Simons. Eind augustus
richtte graaf de Bergeyck een brief aan graaf de Grunne, waaruit bleek dat hij de Grunne al
eerder over Simons gesproken of geschreven had. In zijn brief schreef de Bergeyck dat hij
op vraag van de Britten opnieuw Simons voorstelde als vertaler op het kasteel. De Bergeyck
voegde er nog aan toe dat het ook voor zijn gezin goed zou zijn mocht Simons op die manier
15
16
VERHEECKE, Jozef Simons, 178.
KLM, Militair dossier Jozef Simons, brief van gravin de Bergeyck aan graaf de Grunne, 15.01.1918.
8
op het kasteel kunnen blijven. Simons had ondertussen ook al het advies gekregen om zelf
naar Le Havre te gaan om daar te weten te komen of hij vertaler zou kunnen worden of niet.
Indien niet was hij van plan om zich als vrijwilliger aan te melden bij een van de Belgische
opleidingscentra in Frankrijk.17
Nadat de Bergeyck Simons' komst aan de Grunne had aangekondigd 18, vertrok Simons op
31 augustus 1915 met de auto – wellicht had graaf de Bergeyck het vervoer geregeld – naar
Calais en van daaruit per trein naar Parijs. Op 1 september reisde hij per trein door naar Le
Havre. Simons, die zijn ervaringen tijdens de eerste oorlogsjaren neerschreef in brieven die
in de krant Vrij België onder de titel 'Brieven uit de Oasis' gepubliceerd werden19, schreef
hierover dat zijn ‘kundigheden werden gewogen en zwaar genoeg bevonden, doch voor’t
oogenblik is het aanwerven van nieuwe Vlaamsch-Engelsche tolken geschorst; de detachementen
op het front zijn alle reeds overtallig, zoohaast er plaatsen open komen zal ik worden
opgeroepen’.20 Simons had dus het examen voor vertaler mogen afleggen, maar er was geen
plaats voor hem. Volgens Simons' dagboek maakte de Grunne hem bovendien duidelijk dat
hij niet geschikt was om als vrijwilliger dienst te nemen in het leger: ‘Paardenvolk? ge moet
minder dan 66 kgr. wegen. Artillerie? Ge zult geweigerd worden om uwe oogen. Genie? Geen
bijzondere bekwaamheden. Infanterie? Ge moet niet denken ooit [in het opleidingskamp voor
de infanterie] te Gaillon te geraken.’21
Simons keerde enkele dagen later dus onverrichter zake terug naar huis. Volgens een
interview dat biograaf Verheecke afnam met een van de zonen van graaf de Bergeyck, was
de afwijzing het gevolg van een tussenkomst van de gravin bij haar neef. Zij wilde Simons
immers liever als leraar op het kasteel houden en ze zou zich daarvoor rechtstreeks tot de
Belgische kabinetsleider (eerste minister) Charles de Broqueville hebben gewend.22 Ook de
zoon van Jozef Simons, Ludo Simons, hecht geloof aan die versie. Volgens hem was er niks
mis met de ogen van zijn vader maar ging het louter om een verzinsel waarmee Simons uit
het leger kon gehouden worden.23 Ook het verdere militaire parcours van Simons bevestigt
dit, later werd hij immers wel door een legerarts geschikt verklaard voor alle wapens en
diensten.24
In navolging van zijn bezoek aan Le Havre schreef Simons op 26 september 1915 een brief
aan de Grunne. Daarin zei hij te begrijpen dat hij niet onmiddellijk kon benoemd worden als
vertaler. Hij wilde zich in afwachting wel aanmelden als vrijwilliger voor de infanterie, maar
hoopte daarmee zijn kansen om vertaler te worden niet te verspelen. Daarom vroeg hij de
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van graaf de Bergeyck aan graaf de Grunne, 27.08.1915.
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van graaf de Bergeyck aan graaf de Grunne, [september
1915].
19 In 1921 werden de brieven gebundeld uitgegeven onder de titel Oorlogs-Vlaanderen.
20 SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 51-52.
21
SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 44.
22 VERHEECKE, Jozef Simons, 181.
23 Gesprek Geheugen Collectief met Ludo Simons, 27.04.2016.
24 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Certificat, 17.01.1918.
17
18
9
kolonel of die hem – ook als hij in een kamp of in de loopgraven zou zitten – nog steeds kon
aanstellen, mocht er een vacature zijn.25 Ondertussen bleven ook de Britten bij de Grunne
aandringen om Simons als vertaler aan te stellen.26
Uit al deze correspondentie blijkt dat Simons heel gemotiveerd was om als vertaler aan de
slag te gaan – liefst in het kasteel waar hij sowieso al verbleef – én dat de Britten op het
kasteel hem wel zagen zitten als tolk. Alleen als dit zijn kansen op een positie als vertaler niet
zou verminderen, wilde Simons zich bij het leger aanmelden. Simons hield er, zo blijkt uit zijn
Brieven uit de Oasis, ook rekening mee dat hij verplicht zou worden soldaat te worden. Er
waren in september 1915 immers al geruchten over een verplichte mobilisatie van alle
weerbare mannen in onbezet België. ‘Ook goed’, schreef hij hierover, ‘piotjes moeten er
wezen!’.27 Simons werd echter niet opgeroepen. In de daaropvolgende maanden kreeg hij
nogmaals te horen dat het leger niet van zijn diensten gebruik wenste te maken, al wist hij
niet waarom.28
Naar het front
Jozef Simons bleef nog meer dan een jaar op kasteel De Lovie, waar hij zijn werk als
huisleraar verderzette. In oktober 1916 werd hij dan toch opgeroepen, samen met alle
andere jongemannen tussen 25 en 35 jaar uit onbezet België.29 Op 10 oktober 1916 meldde
Simons zich bij de Commission de recrutement van Watou, waar hij medisch onderzocht werd.
Nadien bracht hij nog enkele dagen op het kasteel door, om op 19 oktober naar
Opleidingscentrum nummer 5 in Carteret in Frankrijk te vertrekken.30 In februari 1917 werd
hij doorgestuurd naar het opleidingscentrum voor de artillerie in Eu.31 Een maand later, op
18 april, vertrok hij als kanonnier naar het front met het 4de artillerieregiment.32
Over Simons activiteiten en belevenissen in deze periode geven de officiële militaire bronnen
weinig prijs. Ook Simons dagboekaantekeningen over zijn tijd in de opleidingskampen en
aan het front zijn veeleer beknopt. In korte berichten vermeldt hij hoe ze beschoten werden
en zelf beschietingen uitvoerden. Een enkele keer werd het echt spannend, zoals op 11 juni
1917: ‘Een shrapnel valt vast bij me terwijl ik mijn brieven schrijf, ontploft niet!’33 Op vrije
momenten bracht hij soms een bezoek aan De Lovie. Zijn regiment bleef niet lang aan het
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van Jozef Simons aan colonel [?], 26.09.1915.
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van de British Military Mission with the Belgian Army aan
colonel [?], 10.09.1915.
27 SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 52.
28 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 58.
29 VERHEECKE, Jozef Simons, 191.
30 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Feuillet matricule et de punitions; SIMONS, L., Van het kasteel naar
het front, 79.
31 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van Jozef Simons aan de heer kapitein kwartiermeester van
het 1ste regiment zwaar geschut, 15.06.1922; KLM, Militair dossier Jozef Simons, Bulletin
d'incorporation.
32 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Feuillet matricule et de punitions; KLM, Militair dossier Jozef
Simons, notitie 10.06.1922; SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 100.
33 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 105.
25
26
10
front. Op 20 juni vertrokken ze naar Frankrijk, waar ze in de omgeving van Calais
gestationeerd werden.34
Simons wordt dan toch tolk
In juni 1917 moest Simons’ chef hem ter beschikking stellen om het examen van vertaler
opnieuw af te leggen. Er vond op dat moment een grote rekruteringsactie plaats, want er
was een grote nood aan nieuwe vertalers.35 Gravin de Bergeyck was – zo blijkt uit een brief
die haar neef de Grunne haar schreef – een bemiddelingspoging gestart om Simons als
vertaler in het kasteel aan de slag te laten gaan. Op 6 juli 1917 schreef de Grunne aan de
gravin dat Simons zijn aanvraag langs de hiërarchische weg moest doen, of dat ze ervoor
moest zorgen dat het Belgische Hoofdkwartier zelf Simons naar hem zou sturen. De Grunne
mocht als hoofd van de vertalers zijn vertalers niet op eigen initiatief uit het leger
rekruteren.36 De volgende dag al kreeg de Grunne een brief, opgesteld in opdracht van
luitenant-generaal Ruquoy, de stafchef van het Belgische leger, waarin stond dat Ruquoy
aanbeval om Simons toe te voegen aan het hoofdkwartier van het 18de Britse korps in het
kasteel De Lovie. ‘Simons is daar heel gekend en heel gewaardeerd door de officieren van dit
hoofdkwartier’.37 Hoe het kwam dat de stafchef van het leger zich met Simons' zaak inliet
weten we niet met zekerheid, misschien was dit het werk van de gravin? Opnieuw reageerde
de Grunne echter dat hij niet mocht beslissen bij welke eenheid Simons ingedeeld zou
worden, het was luitenant-generaal Orth van de Belgische missie bij het Britse hoofdkwartier
die daarover besliste.38 In de loop van de zomer werd Simons daadwerkelijk opgeroepen als
vertaler.
Op 2 september 1917 werden de legerdivisies door de staf opgedragen om elk een bepaald
aantal kandidaat-tolken naar Le Havre te sturen, 80 in totaal. De 35 kandidaten voor wie
eerder al een aanvraag werd ingediend maar die nog niet in Le Havre waren aangekomen,
mochten van dit opgelegde aantal worden afgetrokken. Jozef Simons werd voor zijn divisie
in deze categorie vermeld: hij was al opgeroepen, maar had het tolkenkorps nog niet
vervoegd.39
Op 13 september 1917 werd Simons naar de Belgische missie bij het Britse hoofdkwartier
gezonden om als tolk te beginnen bij de 9de divisie van het Britse leger.40 Uit zijn
SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 106.
KLM, EX-CDH, dossier 5597, brief van graaf de Grunne aan majoor Hénon, 26.07.1917.
36 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van graaf de Grunne aan gravin de Bergeyck, 06.07.[1917].
37 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van majoor Hénon aan graaf de Grunne, 07.07.[1917].
38 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van graaf de Grunne aan major Hénon, 12.07.1917.
39 KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van het Commandement de l'armée aan de Commandants des
Divisions et des unités non endivisionnées, 02.09.1917.
40 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van de commandant van de Batterij [?] aan de kapitein
kwartiermeester van de 1e RAL, ongedateerd; KLM, Militair dossier Jozef Simons, Groupement
Administratif des Troupes Belges du Havre, 05.05.1922.
34
35
11
dagboeknotities kunnen we opmaken dat De Lovie zijn uitvalsbasis was, maar dat hij ook
geregeld voor korte of langere tijd met zijn Britse opdrachtgevers op verplaatsing moest.
De opdrachten van de Belgische tolken waren tijdelijk van aard. Ze bleven deel uitmaken van
hun oorspronkelijke afdeling en werden slechts tijdelijk ‘uitgeleend’ aan een afdeling van een
buitenlands leger.41 Hun titel ‘1ste sergeant-vertaler’ kregen ze slechts voor de duur van hun
detachering.42 Simons’ detachering bij de 9de divisie eindigde in januari 1918: hij werd
teruggeroepen naar Le Havre, met de bedoeling om hem opnieuw naar het front te sturen.43
Gravin de Bergeyck schreef daarop onmiddellijk een brief naar luitenant-generaal Orth, die
verantwoordelijk was voor de indeling van Belgische tolken bij buitenlandse eenheden 44, en
vervolgens naar haar neef graaf de Grunne om ervoor te pleiten dat Simons niet opnieuw
aan het front zou ingezet worden, maar een functie dicht bij haar familie of elders zou
krijgen. Volgens haar verkeerde Simons immers niet in goede gezondheid en bovendien had
zijn familie al zwaar te lijden gehad onder meerdere sterfgevallen. Jozefs enige overblijvende
broer verkeerde evenmin in goede gezondheid. Ze haalde opnieuw Simons’ kwaliteiten aan
(zijn diploma, zijn intelligentie en zijn perfecte kennis van het Frans, Nederlands, Engels en
Duits) en benadrukte dat haar protegé niets wist van haar schrijven.45 Luitenant-generaal
Orth antwoordde haar dat de instructies over het terugsturen van Simons formeel waren 46
en ook de neef van de gravin kon geen soelaas brengen: graaf de Grunne schreef haar op
19 januari dat alle vertalers geschikt voor gewapende dienst hun oorspronkelijke eenheden
moesten vervoegen op bevel van het ministerie van oorlog. 47 Twee dagen eerder was Simons
door de legerarts geschikt verklaard voor alle wapens en alle diensten.48
Opnieuw in de artillerie
Simons kwam in februari 1918 terecht bij het 1ste regiment zware artillerie49, als kanonnier
in Nieuwkapelle.50 Uit zijn dagboeknotities blijkt dat hij in die periode in nauw contact kwam
met de Frontbeweging. Hij had onder andere verschillende keren contact met Hendrik
Borginon en leerde ook Filip de Pillecyn kennen, beiden actief in het bestuur van de
KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Feuillet matricule et de punitions.
43 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Relevé des mutations subies; KLM, Militair dossier Jozef Simons,
Brief van de commandant van de Batterij [?] aan de kapitein kwartiermeester van de 1 e RAL,
ongedateerd.
44 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van graaf de Grunne aan major Hénon, 12.07.1917.
45 KLM, Militair dossier Jozef Simons, brief van gravin de Bergeyck aan graaf de Grunne, 15.01.1918.
46 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van luitenant-generaal Orth aan gravin de Bergeyck,
13.01.1918.
47
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van graaf de Grunne aan gravin de Bergeyck, 19.01.1918.
48 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Certificat, 17.01.1918.
49 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Feuillet matricule et de punitions.
50 VERHEECKE, Jozef Simons, 203.
41
12
Frontbeweging.51 De Frontbeweging werkte op dat moment al grotendeels 'ondergronds',
nadat in februari 1917 de studiekringen door Ruquoy verboden waren.
Het is niet duidelijk welke rol Jozef Simons precies heeft gespeeld in de Frontbeweging. De
Pillecyn verklaarde later dat Simons geen voorman was, maar wel een harde werker achter
de schermen.52 Bovendien schreef hij de tekst en componeerde de melodie voor een lijflied,
dat binnen de Frontbeweging zo enthousiast werd onthaald dat het meteen tot hét Frontlied
uitgroeide. In juni 1918 werd het gedrukt en in het geheim aan het front verspreid. 53 Met
verwijzingen naar zelfbestuur en Vlaamse regimenten vatte het lied de eisen van de
Frontbeweging samen.54
Simons' engagement in de Frontbeweging ging gepaard met een toegenomen ontgoocheling
en kwaadheid tegenover de (Franstalige) legeroversten. Wellicht werd in die periode de basis
gelegd voor zijn scherpe uitvallen naar officieren in zijn naoorlogse publicaties. In maart 1918
liet hij zich in zijn dagboek voor het eerst kritisch uit met betrekking tot de taalproblematiek
in het Belgisch leger: ‘... twee Waalsche officieren die hebben aangevraagd om over te gaan naar
't Fransch leger, liever dan te moeten Vlaamsch leeren.’55
... en opnieuw als tolk
Op 14 oktober 1918 riep het ministerie van Oorlog op om alle militairen die de opleiding tot
vertaler hadden gevolgd naar het Dépôt du Corps des Interprêtes in Bayeux te sturen.56 Zo
kwam ook Simons daar rond de wapenstilstand terecht.57 Op 18 november was hij in Rijsel,
op 21 februari 1919 in het G.T.E.M. (Groupement Temporaire d’ Etudiants Militaires) in
Antwerpen.58 Met zijn regiment ging hij nog (kortstondig) naar Seraing en vervolgens, in het
kader van de bezetting van de Rijnvallei, naar Duitsland.59 Ook verbleef hij in Fort 4 in Mortsel
VERHEECKE Jozef Simons, 195; VANDEWEYER, 'Frontbeweging'.
Interview van Verheecke met De Pillecyn; VERHEECKE, Jozef Simons, 197.
53 VERHEECKE, Jozef Simons, 197-198.
54 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 13.
55 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 136.
56 KLM, EX-CDH, dossier 5597, brief van de Minister van Oorlog aan alle militaire autoriteiten,
14.10.1914.
57 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van de commandant van de Batterij [?] aan de kapitein
kwartiermeester van de 1e RAL, ongedateerd.
58 KLM, Militair dossier Jozef Simons, nota 262; KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van Jozef Simons
aan de heer kapitein kwartiermeester van het 1ste regiment zwaar geschut, 15.06.1922.
59 VERHEECKE, Jozef Simons, 196.
51
52
13
en in het G.T.E. 16 in Brussel.60 Op 15 augustus 1919 liep Simons’ militaire loopbaan ten
einde.61
Context: het tolkenkorps van het Belgische leger
Het tolkenkorps van het Belgische leger waar Jozef Simons tijdens de Eerste Wereldoorlog
deel van uitmaakte, was een nieuwe eenheid binnen het leger. De Belgische tolken waren
burgers of militairen die voor tijdelijke opdrachten gedetacheerd werden naar een
buitenlandse eenheid (meestal een Britse of een Franse, maar later ook bijvoorbeeld naar
Amerikaanse en Canadese divisies) die om een tolk gevraagd had. De werking van het
tolkenkorps is slecht gedocumenteerd. Op basis van de bestaande bronnen en literatuur62
en informatie uit het militaire dossier van Simons 63, kunnen we het ontstaan en de werking
van het korps tijdens de Eerste Wereldoorlog reconstrueren.
Waarschijnlijk werd in november of december 1914, nadat de Britse troepen om vertalers
hadden gevraagd, de beslissing genomen het korps op te richten.64 Kolonel graaf François
de Grunne werd belast met de organisatie ervan. Voor de rekrutering van vertalers moest
hij bij voorkeur beroep doen op militairen actief bij hulptroepen van het leger en op
burgers.65 De opdracht van de vertalers werd op dat moment omschreven als het faciliteren
van de contacten tussen de Britse autoriteiten en de bevolking. 66 In praktijk namen ze soms
het dagelijks bestuur op van gemeenten die de Britten in de frontzone hadden veroverd op
de Duitsers en waarvan het gemeentebestuur gevlucht was. Ze regelden de toelevering van
voedsel voor de bewoners en zorgden ervoor dat de communicatie tussen het Britse en het
KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van Jozef Simons aan de heer kapitein kwartiermeester van
het 1ste regiment zwaar geschut, 15.06.1922; KLM, Militair dossier Jozef Simons, nota 262; KLM, Militair
dossier Jozef Simons, Brief van de commandant van de Batterij [?] aan de kapitein kwartiermeester van
de 1e RAL, ongedateerd.
61 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van Jozef Simons aan de heer kapitein kwartiermeester van
het 1ste regiment zwaar geschut, 15.06.1922; KLM, Militair dossier Jozef Simons, Corps des interprêtes
armée Belge; KLM, Militair dossier Jozef Simons, nota 339.
62 Het documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis bevat
een aantal archiefbronnen met betrekking tot het tolkenkorps, waaronder de neerslag van de poging
die Defensie in 1932 zelf ondernam om de werking te reconstrueren op basis van de fragmentarische
documenten die ze hadden gevonden en op basis van de getuigenis van een voormalig vertaler,
Maurice de Hasque (KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Maurice, Les grandes lignes de l'historique du
corps des interprêtes militaires Belges, 1914-1918). In 1939 schreef een andere oud-vertaler, Tobiansky
d’Altoff, een artikel over het korps in La Belgique militaire, een propagandatijdschrift van het Belgische
leger (TOBIANSKY D’ALTOFF, ‘Les interprêtes militaires belges pendant la guerre 1914-1918’, La Belgique
militaire, 1939, 204-212).
63 KLM, Militair dossier Jozef Simons.
64 KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
65
KLM, EX-CDH, doos 22, Brief van de Chef de la section C aan de Président de la Commission spéciale
de la carte du feu, 09.10.1935.
66 KLM, EX-CDH, doos 22, Brief van de Chef de la section C aan de Président de la Commission spéciale
de la carte du feu, 09.10.1935.
60
14
Belgische front vlot verliep.67 Tijdens het verdere verloop van de oorlog werkten de vertalers
niet alleen voor het Britse leger maar ook voor andere geallieerde legers, voor wie ze zowel
naar het Nederlands als naar het Frans vertaalden.
De vertalers moesten het uniform dragen van het leger waaraan ze geattacheerd werden.
Zo vielen ze minder op: Franse vertalers die aan het begin van de oorlog in hun eigen uniform
Britse troepen hadden ondersteund, waren door hun opvallende outfit immers vaak het
mikpunt geweest van vijandelijke schoten. Wel kregen ze een specifiek hoofddeksel van het
Belgische leger en droegen ze het insigne van het tolkenkorps, de Belgische leeuw. Hun
bewapening werd eveneens door het Belgische leger verzorgd. Dat zorgde voor praktische
problemen: de wapengordel van het Britse uniform was bijvoorbeeld te groot voor het
wapen dat de vertalers droegen. De nodige aanpassingen aan de wapengordel en hun
uniform moesten ze zelf bekostigen.68 Dat was niet hun enige kostenpost. Wanneer ze in Le
Havre verbleven in afwachting van een missie, moesten ze in hun eigen logement voorzien.
Bovendien volstond hun soldij vaak niet om aan de hoge levensstandaard van de kringen
waarin ze zich bewogen, vaak welgestelde Britse officieren, te voldoen.69
Het eerste detachement vertalers vertrok in januari 1915 vanuit Le Havre naar het front. Ze
waren nauwelijks opgeleid. Dat zorgde voor ongemakken: ze spraken de Britse officieren op
een verkeerde manier aan en wisten niets van de hiërarchie en organisatie van het Britse
leger. Voor de latere lichtingen werden in Le Havre opleidingen georganiseerd, zodat de
vertalers beter voorbereid waren.70
Het aantal (actieve) vertalers was afhankelijk van de behoeften 71 en schommelde daardoor
voortdurend. Wellicht waren ze in 1916 met ongeveer een 250-tal. Met het oog op de
geplande Derde Slag om Ieper in de zomer van 1917, kreeg het korps de opdracht om de
rekrutering van vertalers sterk op te drijven.72 Pas op 2 januari 1917 maakte een Koninklijk
Besluit het bestaan van het tolkenkorps officieel. Het korps werd opgericht voor de duur van
de oorlog. In het KB werd vastgelegd wie vertaler kon worden, hoe omgesprongen werd met
de verschillende graden, etc.
Dat de rekrutering van nieuwe vertalers in 1917 urgent was, blijkt uit de briefwisseling over
het tolkenkorps uit die periode. Een telegram van 9 juni 1917 spreekt van een ‘besoin
pressant’ voor het Britse front. Op 20 juli vroeg de Grunne de minister toestemming om maar
TOBIANSKY, 'Les interprêtes militaires belges', 206-207.
KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
69 TOBIANSKY, 'Les interprêtes militaires belges', 209-210.
70 KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
71 KLM, EX-CDH, dossier 5597, Ordre journalier de l'Armée, 17.11.1917.
72 KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
67
68
15
liefst 650 nieuwe vertalers te mogen rekruteren uit het veldleger. 73 De minister gaf zijn
goedkeuring, de Grunne moest de praktische uitvoering regelen met de algemene stafchef.74
Die was niet opgezet met de vraag en pleitte er bij de minister voor om de vertalers in andere,
ondersteunende diensten te zoeken. Het veldleger kon zoveel manschappen immers niet
missen.75 Wellicht haalde hij zijn slag thuis, de Grunne schreef eind augustus immers dat hij
zich voorlopig zou behelpen met slechts 180 bijkomende vertalers.76
Uit een schrijven van de dienst van de Grunne aan de commandanten van de legereenheden
van 2 september 1917 blijkt dat hij enkele dagen later al tachtig nieuwe kandidaat-vertalers
wou ontvangen in Le Havre. Voor 35 daarvan had hij eerder al een aanvraag gedaan, zij
werden op 6 september in Le Havre verwacht. Jozef Simons was een van deze 35 kandidaatvertalers. In dezelfde brief staat dat later die maand mogelijk nog eens honderd kandidaten
opgeroepen zouden worden, de eenheden moesten zich hierop voorbereiden.77 Deze
tweede oproep is echter nooit gelanceerd.78
De snelle uitbreiding van het tolkenkorps zorgde opnieuw voor een aantal problemen.
Voordien werden kandidaten vooral gerekruteerd uit vrijwilligers die zich specifiek voor de
functie hadden aangemeld. Ze hadden een voldoende talenkennis en kwamen hoofdzakelijk
uit gegoede milieus. De nieuwe kandidaat-vertalers kwamen vooral uit het (veld)leger. Ze
hadden vaak een minder goede opleiding genoten en hadden eerder 'per toeval' Engels
geleerd tijdens de oorlog. Doordat ze snel ingezet moesten worden, kregen ze bovendien
weinig opleiding. Dit zorgde soms voor problemen met de Britse officieren, die het niet
gewend waren om te gaan met 'gewone' soldaten die recht uit de loopgraven kwamen. Ook
de nieuwe vertalers zelf waren soms ontgoocheld: ze hadden een comfortabele bureau-job
verwacht, maar moesten nog steeds in gevarenzones werken.79 Net als bij andere eenheden
vielen er doden en gewonden onder de vertalers.80
Vanaf november 1917, na de derde slag bij Ieper, vertrokken vele Britse troepen en daalde
het aantal vertalers opnieuw naar ongeveer 250. Wie fysiek geschikt was voor velddienst,
werd teruggestuurd naar zijn eenheid. Daardoor bestond het korps niet per definitie uit de
KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van de Grunne aan majoor Hénon, 26.07.1917.
KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van Hublet aan graaf de Grunne, 0.08.1917.
75 KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van de Chef d'E.M.G. aan de minister, 17.08.1917.
76 KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van de Grunne aan majoor Hénon, 15.08.1917.
77 KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van het Commandement de l'armée aan de Commandants des
Divisions et des unités non endivisionnées, 02.09.1917.
78 KLM, EX-CDH, dossier 5597, Brief van [?] aan de minister, 01.02.1918.
79
KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
80 KLM, EX-CDH, doos 22, Brief van de Chef de la section C aan de Président de la Commission spéciale
de la carte du feu, 09.10.1935.
73
74
16
beste vertalers.81 Volgens een nota uit mei 1918 mochten er maximum 110 vertalers ter
beschikking gesteld worden van het Britse leger en nog eens 43 van het Franse leger. 82
Vanaf het eindoffensief in september 1918 nam de vraag naar vertalers weer toe: de
geallieerde troepen wonnen steeds meer terrein en moesten kunnen communiceren met de
bevrijde bevolking van het tot dan bezette België. 83 Daarom werden in oktober 1918 alle
militaire overheden opgeroepen om alle militairen die de opleiding tot vertaler gevolgd
hadden, maar nadien teruggestuurd waren naar hun eenheden, naar het Dépôt du Corps des
Interprêtes in Bayeux te zenden. Welke opdrachten de vertalers vanaf dan nog kregen, is niet
duidelijk. Als we naar het parcours van Jozef Simons kijken, verliepen die laatste maanden
actieve dienst vrij chaotisch: Simons ging van Bayeux naar Lille, Antwerpen, Seraing,
Duitsland, Mortsel en Brussel.84
Heel wat vertalers hadden de indruk dat hun werk niet naar waarde geschat werd. Dat ze
aan het einde van de oorlog een uniform in de kleuren van het administratieve korps kregen,
was hen een doorn in het oog. Zelf hadden ze hun taak aan het front immers niet als louter
administratief ervaren. Bovendien werd het tolkenkorps in september 1919 opgeheven.85
Toen de geschiedenis van het korps in 1932 door het leger zelf onderzocht werd,
concludeerden ook de onderzoekers dat vele vertalers dezelfde risico’s hadden gelopen als
de troepen die ze hadden bijgestaan.86
KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
82 KLM, EX-CDH, dossier 3996, Brief van de minister van oorlog, 08.05.1918.
83 KLM, EX-CDH, doos 22, Brief van de Chef de la section C aan de Président de la Commission spéciale
de la carte du feu, 09.10.1935.
84 KLM, Militair dossier Jozef Simons, Brief van Jozef Simons aan de heer kapitein kwartiermeester van
het 1ste regiment zwaar geschut, 15.06.1922; KLM, Militair dossier Jozef Simons, nota 262; KLM, Militair
dossier Jozef Simons, Brief van de commandant van de Batterij [?] aan de kapitein kwartiermeester van
de 1e RAL, ongedateerd.
85
KLM, EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Les grandes lignes de l'historique du corps des interprêtes militaires
Belges.
86 KLM, EX-CDH, doos 22, Brief van de Chef de la section C aan de Président de la Commission spéciale
de la carte du feu, 09.10.1935.
81
17
3. Naoorlogse periode
Van huisleraar tot klerk
Na de oorlog ging Simons opnieuw aan het werk bij de familie de Brouchoven de Bergeyck,
die op dat moment verbleef op de Frankrijklei (toen nog Kunstlei) in Antwerpen. Even
waagde Simons een carrièreswitch en ging hij aan de slag als secretaris bij industrieel Lieven
Gevaert. Hij kon echter niet aarden in het bedrijfsleven en keerde al snel terug naar de
grafelijke familie.87 Maar niet voor lang. In 1922 overleed de graaf en een jaar later de gravin.
Hun kinderen werden onder voogdij geplaatst en dat betekende het einde van Simons’
carrière als huisleraar.88
In die periode had Simons al wat gepubliceerd en zijn faam als volksverteller begon toe te
nemen. (We gaan hier in deel 2 uitgebreid op in.) Dat betekende niet dat hij van zijn pen kon
leven. Hij moest dus op zoek naar ander werk en kwam zo bij de Boerenbond in Leuven
terecht.89 Hij werd er redacteur van het weekblad ‘De Boer’.90
Ook op privévlak vormde de naoorlogse periode een ommezwaai voor Jozef Simons. Hij
zocht opnieuw contact met Maria Engels, een jeugdvriendin uit Nijlen. Het klikte nog steeds
tussen hen en ze trouwden op 8 mei 1920. Toen Simons aan de slag ging bij de Boerenbond,
verhuisden ze samen naar Leuven. Zijn nieuwe job kon hem maar matig boeien: ‘7 ½ uur per
dag bureelwerk – slechts 14 dagen congé – onnoozel werk’, schreef hij over zijn functie aan JanAlbert Goris (Marnix Gijsen).91 De intellectuele uitdaging die hij miste in zijn vaste betrekking,
zocht hij op in zijn vrije tijd: hij schreef zich in aan de universiteit van Leuven om archeologie
en kunstgeschiedenis te studeren.92 Hij behaalde zijn diploma in 1927.
Een nieuwe uitdaging
Jozef Simons was voor de oorlog bevriend geraakt met leeftijdsgenoot Jan Van Mierlo, maar
tijdens en kort na de oorlog was hun contact verwaterd. Van Mierlo was ondertussen actief
geworden in de drukkerswereld. Hij had tijdens de oorlogsjaren in Baarle-Nassau een
drukkerijtje opgezet en bracht in 1919 zijn activiteiten over naar Turnhout. 93
Toen Jozef Simons en Jan Van Mierlo elkaar halverwege de jaren 1920 bij toeval opnieuw
tegen het lijf liepen, vertelde Simons hem over Eer Vlaanderen Vergaat (zie verder).94 Van
VERHEECKE, Jozef Simons, 208.
VERHEEECKE, Jozef Simons, 221.
89 VERHEECKE, Jozef Simons, 222.
90 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 14.
91
Letterenhuis, S6225/ B, brief van Jozef Simons aan Marnix Gijsen, 20.07.1925.
92 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 14.
93 Odis, ‘Jan Van Mierlo’, http://www.odis.be/lnk/PS_11187.
94 VERHEECKE, Jozef Simons, 243.
87
88
18
Mierlo toonde zich enthousiast om het manuscript te drukken. Daarmee was de basis gelegd
voor het hernieuwen van hun vriendschap. Van Mierlo koesterde in die jaren ambities om
zijn bedrijf Lityca te laten uitgroeien tot een echte uitgeverij en Simons haalde zoals gezegd
weinig voldoening uit zijn werk bij de Boerenbond. Een professionele samenwerking lag voor
de hand: Jan Van Mierlo bood Simons een contract aan als uitgever.95 Op 1 juli 1932 ging
Simons bij zijn oude jeugdvriend aan de slag en verhuisde samen met zijn echtgenote naar
Turnhout. Simons werkte, naast zijn literaire carrière, tot aan zijn dood voor Van Mierlo.
Jozef Simons integreerde zich in Turnhout volop in het Kempense culturele leven. In 1936
werd hij voorzitter van de Vereniging van Kempische Schrijvers. 96 Hij bleef dat tot zijn dood.
Hij werd ook lid van heemkundige kring Taxandria en van de Davidsfondsafdeling.97 Op
privévlak was 1939 een bijzonder jaar voor het gezin Simons. Na jaren van kinderloos
huwelijk werd op 20 juli zoon Ludo Simons geboren.
Een slepende ziekte
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg Jozef Simons gezondheidsproblemen. Tuberculose,
luidde het verdict. Hij probeerde te herstellen in een sanatorium in de Kempen en vervolgens
in Zwitserland, waar hij zeven maanden in Leysin doorbracht.98 Simons verbleef ook enkele
weken bij zijn broer, de pastoor van Beigem, en in de kliniek van Brasschaat, waar zijn
schoonbroer (kanunnik) rector was.99 Zijn ziekte woog op hem en zijn gezin: hij mocht zijn
zoon alleen nog maar vanop afstand zien.
Simons overleed op 20 januari 1948. Hij werd in Turnhout begraven, waar kort na zijn dood
ook een monument voor hem werd opgericht.100 In 1963 publiceerde Van Mierlo-Proost zijn
verzamelde werken. In 1988 werden, naar aanleiding van Simons’ honderdste verjaardag, in
Oelegem het Jozef Simonsgenootschap en de toneelvereniging Jozef Simonskring
opgericht.101
VERHEECKE, Jozef Simons, 256.
VERHEECKE, Jozef Simons, 271.
97 VERHEECKE, Jozef Simons, 290.
98
DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 15.
99 DE VOGHT, Jozef Simons, 22.
100 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 15.
101 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 29.
95
96
19
Deel 2. Jozef Simons als auteur
20
Jozef Simons publiceerde een grote variëteit aan genres. Behalve zijn romans en vele
kortverhalen, schreef hij gedichten – vaak Vlaamsgezinde teksten die vooral bekend werden
nadat ze op muziek werden gezet102 – reisverhalen, kindervertellingen103, Maria-verhalen104,
minneliederen105. Hij vertaalde eveneens een aantal romans, kortverhalen en sprookjes106
uit het Spaans, Engels, Duits en Zweeds.107
In wat volgt bieden we eerst een niet-exhaustieve bespreking van zijn werk. Vervolgens gaan
we in op Simons’ plaats binnen de literaire wereld van zijn tijd. In het derde deel analyseren
we de impact van de Eerste Wereldoorlog op zijn werk aan de hand van een discoursanalyse
van zijn belangrijkste oorlogsliteratuur.
1. Een bibliografie in vogelvlucht
Jozef Simons heeft bijzonder veel gepubliceerd. Onderstaand overzicht is slechts een
bloemlezing uit zijn werk, waarin we vooral aandacht besteden aan de publicaties die
(minstens gedeeltelijk) over de Eerste Wereldoorlog gaan. Om de bibliografie overzichtelijk
te houden, bespreken we de meeste werken slechts summier, maar van de titels met een (*)
volgt in deel 3 een meer uitgebreide discoursanalyse. Een uitzondering maken we voor Eer
Vlaanderen vergaat. Aangezien dat boek Simons’ belangrijkste publicatie over de Eerste
Wereldoorlog is, wordt het in deze bibliografie al uitgebreid behandeld.
Het vroegste werk van Jozef Simons
In zijn humanioratijd begon Jozef Simons zijn eerste verhalen te schrijven, waarvan er een
aantal werden opgenomen in tijdschriften en weekbladen.108 In 1908 werden een aantal van
die verhalen gepubliceerd in Simons’ eerste bundel, Uit een eenvoudige wereld. Het waren
kortverhalen geïnspireerd op wat er rondom Simons gebeurde.109 In zijn studententijd (19071909) produceerde hij verschillende schrijfsels in Vlaamsgezinde tijdschriften als De Student
en De Vlaamsche Keikop en hij werd medewerker van het tijdschrift Jonge Krachten, eerder
verschenen als Jong Antwerpen. Verder leverde Simons onder meer bijdragen aan Ons Leven,
het tijdschrift van het Vlaamsgezinde Katholiek Vlaamse Studentenverbond.110
SOURIE, Jozef Simons, 62.
SOURIE, Jozef Simons, 62.
104 SOURIE, Jozef Simons, 62.
105 SOURIE, Jozef Simons, 62.
106 SOURIE, Jozef Simons, 69-70.
107
DE VOGHT, Jozef Simons, 18.
108 SOURIE, Jozef Simons.
109 SOURIE, Jozef Simons, 31.
110 VERHEECKE, Jozef Simons, 99 e.v.
102
103
21
Ook als huisleraar bij de familie de Brouchoven de Bergeyck ontplooide Simons zich verder
op literair gebied. Hij bleef in die vooroorlogse periode schrijven en werken voor
verschillende tijdschriften.111 In 1912 verscheen opnieuw een verhalenbundel, Een sant in zijn
land.112 In 1913 publiceerde Simons zijn eerste roman, De danstent. Critici zagen hierin ten
opzichte van zijn eerste publicaties al een hele vooruitgang qua schrijfstijl.113 In 1914 waagde
Simons zich aan een nieuw genre met de dichtbundels Blonde garve en Vlinders in de regen.
Simons tijdens en over de Eerste Wereldoorlog
De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een pauze in Simons’ publicaties, maar fnuikte
allerminst zijn literaire ambities. In 1915, toen hij nog huisleraar was in kasteel De Lovie in
onbezet België, schreef hij aan dichter André De Ridder, die in het neutrale Nederland
verbleef: ‘Ik benijd u dat gij daar in Holland zoo rustigjes aan letterkunde kunt doen.’114 De oorlog
bemoeilijkte dus het schrijven, maar Simons zag ook opportuniteiten: ‘Deze oorlog [...] zal
meer doen om onze letterkunde op de cosmopolitische baan te brengen dan een halve eeuw
geschrijf.’115
Brieven en gedichten tijdens WOI
Vanuit kasteel De Lovie schreef Simons tijdens de eerste oorlogsjaren brieven over zijn
oorlogservaringen naar Vrij België, een verzetsblad dat door Frans Van Cauwelaert en Julius
Hoste jr. uitgegeven werd vanuit Den Haag.116 Het blad publiceerde ze als Brieven uit de Oasis.
Na de oorlog, in 1921 werden ze gebundeld uitgegeven onder de titel Oorlogs-Vlaanderen*.
Tijdens zijn legerdienst bleef hij schrijven. Zo leverde hij bijdragen voor de radicaal
Vlaamsgezinde krant Ons Vaderland, vanaf 1916 het orgaan van de Frontbeweging. Hij was
ook de auteur van het Frontlied, het lied van de Frontbeweging. Daarnaast schreef hij
gedichten en bereidde hij de publicatie voor van de (autobiografisch geïnspireerde) roman
Bonifacius Suikerbuik*. Op 21 mei 1918, tijdens zijn legerdienst, schreef hij in dat verband aan
auteur Jozef Muls: ‘’t is een volksuitgave dus de schrijver moet er niet te veel op verdienen. Van
den anderen kant ware mij een kleine soldij-toeslag niet onwelkom.’117 Zelfs in oktober 1918 –
tijdens het eindoffensief – vond soldaat Simons de tijd om met literatuur bezig te zijn. Hij
schreef aan André De Ridder, die in Nederland meewerkte aan de publicatie van
verschillende tijdschriften: ‘Ik maak gebruik van onze eerste rustpoos in ’t offensief [...]. Ik sluit
hierbij drie versjes in en dank u voor de plaatsing op voorhand.’118 De gedichten geven een
VERHEECKE, Jozef Simons, 126 e.v.
SOURIE, Jozef Simons, 33.
113 SOURIE, Jozef Simons, 32.
114 Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan André de Ridder, 08.04.1915.
115
Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan André de Ridder, 08.04.1915.
116 Wikipedia, ‘Vrij België’, https://nl.wikipedia.org/wiki/Vrij_Belgi%C3%AB. 03.06.2016.
117 Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan Jozef Muls, 21.05.1918.
118 Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan André De Ridder, 18.10.1918.
111
112
22
inzicht in hoe Simons de oorlog aanschouwde: ze schetsen het oorlogsleed rauw en
onverbloemd en tonen aan dat Simons zich vragen stelde bij het nut van al die ellende.
Een aantal gedichten die Simons tijdens de oorlog schreef, publiceerde hij in 1920 in een
gezamenlijke bundel met Filip De Pillecyn; Onder den hiel.119
Bonifacius Suikerbuik (1919)*
De vroolijke en stichtende historie van Bonifacius Suyckerbuyck was een herwerking van de, vaak
humoristische, verhalen van Simons die al in 1913 als feuilleton in het katholieke,
Vlaamsgezinde weekblad Ons Volk Ontwaakt verschenen. Het hoofdpersonage Bonifacius is
grotendeels op Simons zelf geïnspireerd. Het boek vertelt de belevenissen van een
intelligente, ondeugende dorpsjongen, op school, aan het seminarie en op de
handelsschool. In de uitgave van 1919 meldt Bonifacius zich bij het uitbreken van de oorlog
als vrijwilliger voor het leger en sneuvelt hij aan het front. 120
Kanonnier (1921)*
In Kanonnier vertelt Simons in een aantal kortverhalen over zijn wedervaren aan het front,
zijn afkeer van de oorlog en de ‘diep vernederende wijze’ waarop de Vlaamse soldaat werd
behandeld.121 De verhalen zijn duidelijk gebaseerd op Simons’ eigen oorlogservaringen maar
het is moeilijk om vast te stellen waar de feiten overgaan in fictie.
Zoo ging een jaar (1922)*
Ook Zoo ging een jaar, dat in 1922 verscheen, gaat over de Eerste Wereldoorlog. Het Vlaamse
hoofdpersonage Dolf Vervaet verblijft aan het einde van de oorlog in Wallonië, waar hij
getuigt van een ‘standvastige Vlaamsgezindheid’.122
Eer Vlaanderen vergaat (1923, gepubliceerd in 1927)*
In maart 1923 legde Simons de laatste hand aan zijn bekendst geworden roman, Eer
Vlaanderen vergaat. Hierin wil Florimond, zoon van baron van Laar uit Laardonk, met de
soldaten mee naar het front. Ondanks het protest van zijn vader vertrekt hij. Aan het front
komt hij in aanraking met het hoofd van de Frontbeweging. Florimond raakt overtuigd van
de Vlaamse zaak, maar sneuvelt aan het einde van de oorlog. Zijn beste vriend Jan Broeckx,
een gewone Vlaamse jongen uit hetzelfde dorp, betreurt dat hij de Vlaamse idealen van zijn
adellijke vriend niet enthousiaster gesteund heeft.
Eer Vlaanderen vergaat zou aanvankelijk als vervolgverhaal verschijnen in het Vlaamsnationalistische weekblad Vlaanderen. Tot een publicatie kwam het echter niet. Volgens
Gaston Durnez is het goed mogelijk dat Vlaanderen het manuscript niet als feuilleton
publiceerde omdat het boek in hun ogen te genuanceerd was: Simons laat immers ook
VERHEECKE, Jozef Simons, 200.
DE VOGHT, Jozef Simons, 10-11.
121 DE VOGHT, Jozef Simons,10-11; SOURIE, Jozef Simons, 41.
122 DE VOGHT, Jozef Simons, 10-11.
119
120
23
ruimte voor de argumenten van de gematigde Vlaamsgezinde vleugel. 123 Na twee jaar vroeg
Simons het manuscript terug en ging hij op zoek naar een andere uitgever.124 Dat werd zijn
oude vriend Jan van Mierlo, die drukkerij Lityca in Turnhout had opgericht.125 Het manuscript
werd in 1927 voor het eerst gepubliceerd onder het pseudoniem Ivo Draulans. 126 Latere
edities verschenen wel onder Simons' eigen naam. 127 Het boek werd een bestseller. De
komende decennia werden er tienduizenden exemplaren van verkocht. Het boek haalde
tijdens Simons’ leven zes drukken met respectabele oplagen en na zijn dood werd het nog
verschillende keren herdrukt.128 Volgens Felix Timmermans gaf het, net als de Leeuw van
Vlaanderen, 'richting aan een volk, [het kon] zelfs een volk doen opstaan’.129 Op de inhoud van
het boek en de impact ervan gaan we in hoofdstuk 3 nader in.
In 1937 verscheen de Duitstalige uitgave, Flandern stirbt nicht, vergezeld van een voorwoord
van Felix Timmermans en een getuigenis van August Borms. 130 De Duitstalige en
Nederlandstalige uitgaves van 1942 werden door Duitsland gecensureerd: de Tsjechische en
Poolse opstandige houding mocht niet meer als voorbeeld dienen voor de Vlamingen en
verwijzingen hiernaar werden dus geschrapt.131
Simons’ intenties
Volgens Louis Sourie, die in 1947 Jozef Simons. Een studie publiceerde, had Simons geen
politieke ambities met het boek. Die visie wordt tegengesproken door Simons zelf. In een
brief uit december 1922 aan auteur en uitgever Eugeen De Bock maakte hij duidelijk dat hij
met Eer Vlaanderen vergaat meer dan louter literaire bedoelingen had: ‘Ik heb namelijk een
nieuw boek op touw. Doel: de vlaamsch-nationalistische gedachte doen doordringen in het volk.
In romanvorm zullen ze het beter slikken. Nagenoeg de verteltrant van ‘Zoo ging een jaar’, waar
ook al heel wat gezond-vlaamsche gedachten in worden meegegeven.’132
Simons kwam er in zijn privé-correspondentie dus openlijk voor uit dat hij met Eer Vlaanderen
vergaat een bijdrage wilde leveren aan de verspreiding van het Vlaams-nationalistische
gedachtegoed. (In wat volgt zullen we analyseren hoe hij dat juist deed.)
Later, in 1931, leek Simons wat afstand te nemen van de politieke dimensie van zijn boek:
naar aanleiding van een vacature voor een stadsbibliothecaris in Mechelen riep Simons de
hulp in van Antwerps bibliothecaris Lode Baekelmans. Simons had zich kandidaat gesteld
voor de functie in Mechelen en vroeg in een brief aan Baekelmans of die een goed woordje
DURNEZ, Zeg mij waar de bloemen zijn, 166.
DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 22.
125 Odis, ‘Jan Van Mierlo’, http://www.odis.be/lnk/PS_11187.
126 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 6.
127 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 22.
128 DURNEZ, ‘Boek deed België daveren’, Het Handelsblad, 12.07.1973.
129
DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 7.
130 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 22.
131 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 22.
132 Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan Eugeen De Boeck, 07.12.1922.
123
124
24
kon doen voor hem. Zelf vreesde hij dat Eer Vlaanderen Vergaat in zijn nadeel kon werken,
waarbij hij over dat boek opmerkte: ‘Dat is 10 jaar geleden geschreven en moet toch eerder
worden beschouwd vanuit een literair en documentair oogpunt.’133
Ondanks Simons’ relativerende taal in zijn brief aan Lode Baekelmans, is het overduidelijk
dat Simons met Eer Vlaanderen vergaat de ambitie had om een boodschap uit te dragen. Het
boek maakt op een heel laagdrempelige manier zijn overtuigingen aan een groot publiek
kenbaar. De lezer wordt geïnformeerd over de ondergeschikte positie van de 'gewone'
Vlaming ten opzichte van zijn Nederlands-onkundige heersers en de nood aan een sterkere
emancipatie dan alleen wat taalwetten, de nood aan 'iets groots', een zelfstandig Vlaanderen.
Ook de rol die Simons in die emancipatiestrijd weggelegd zag voor de adel krijgt een
duidelijke plaats in het boek. Het verhaal laat eveneens ruimte aan de spanning tussen
activisten en passivisten binnen de Vlaamse Beweging. Hoofdpersonage Florimond vaart
een activistische koers, zijn vriend Jan Broeckx vertegenwoordigt de passivistische strekking.
Na de oorlog heeft die laatste daar spijt van, maar voor de auteur lijkt de strijd nog niet
verloren. De slotwoorden van de roman, van de activistische kapelaan van Laardonk aan Jan
Broeckx, zijn veelzeggend: ‘Niemand kan ’t verleden ongedaan maken. Een kans is gemist, omdat
Vlaanderen niet bereid was. Daar zijn er die zeggen: het uur der volkeren slaat maar ééns. Niet
waar! Eer Vlaanderen vergaat, komen er nog levenskansen…’134
De impact van Eer Vlaanderen vergaat
Hoe werd het werk door Simons’ tijdsgenoten en door latere lezers ingeschat? We bekijken
daarvoor niet zozeer de literaire waarde – die beoordelen is in het kader van dit onderzoek
niet aan de orde – maar vooral de propagandistische impact van het boek.
Uitgever Jan Van Mierlo geloofde in de ‘propagandawaarde’ van het boek. Daarom stelde hij
aan Simons voor om, naast een standaarduitgave, een ‘allergoedkoopste uitgave’ uit te
brengen ‘in de vorm van propaganda, op gewoon drukpapier, zoodat het boek aan een paar
Frank zou kunnen verkocht worden, in alle nationalistische middens.’135 Zo zou het boek veel
meer mensen kunnen bereiken. En dat gebeurde ook. Volgens het Vlaamsgezinde tijdschrift
De Toerist droeg Eer Vlaanderen vergaat het meest bij tot de bewustmaking van het Vlaamse
volk sinds De Leeuw van Vlaanderen.136 Het boek speelde op die manier een belangrijk rol in
de Vlaamse bewustwording tijdens het interbellum.
Verschillende tijdgenoten beoordeelden het boek op zijn merites wat betrof het schetsen
van het leven van de Vlaamse frontsoldaat. Boekengids schreef in 1928 ‘[het] teekent de
mentaliteit der Vlaamsche frontsoldaten en bovenal doet [het] oplaaien den bitteren strijd die in
veler hart bij ’n harden tweekamp werd uitgevochten.’137 Emiel Van Hemeldonck beoordeelde
Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan Lode Baekelmans, 11.09.1931.
DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 21.
135 Letterenhuis, M6343, Brief van Jan Van Mierlo aan Jozef Simons, 03.12.1926.
136 VERHEECKE, Jozef Simons, 243.
137 VAN HOECK, ‘Jozef Simons’, 125.
133
134
25
het boek enkele jaren later iets lauwer: ‘Toch is het Simons niet geweest die het definitieve werk,
het epos van den Vlaamschen ijzersoldaat geschreven heeft. ‘Eer Vlaanderen vergaat’ mag een
belangwekkende poging heten, maar het is een poging gebleven, hoewel we in dit boek de scherpe
kontrasten, de flinke typeering, het milde meevoelen en den knappen verteltoon naar waarde
schatten.’138
In 1940 schreef diezelfde Van Hemeldonck echter over Eer Vlaanderen vergaat: ‘in heel de
productie aan Vlaamsche oorlogsliteratuur [is er geen ander werk] dat zoo breed werd opgevat,
zoo warm werd geschreven, zoo flink typeerde, de scherpe contrasten belichtte’.139
Volgens Gaston Durnez, die in 1998 een boek aan Simons wijdde, bleven de slotwoorden van
het boek ‘bij velen onder ons’ lang nazinderen.140 Het boek droeg er volgens Durnez zo toe bij
dat Vlaanderen bij een volgende gelegenheid voorbereid zou zijn op zelfstandigheid en de
kans niet meer voorbij zou laten gaan. Eer Vlaanderen vergaat hoorde voor hem daarom thuis
in een rijtje boeken dat invloed heeft gehad op de emancipatie van Vlaanderen en zijn
bewoners, boeken 'die onze identiteit hebben bestempeld en gekleurd'.141
De hedendaagse beoordelingen van de literaire kwaliteiten van het boek lopen uiteen. Marc
Reynebeau sprak in 1999, naar aanleiding van de toen verschenen heruitgave, van ‘een vrij
zwakke, want pathetische en ongeloofwaardige roman. [...] Deze roman voorstellen als de
belangrijkste Vlaamse bijdrage aan de Europese oorlogsliteratuur [zoals Pelckmans, de nieuwe
uitgever deed] is dan ook schromelijk overdreven'. Volgens hem is het boek een als roman
vermomd politiek pamflet, dat alleen nog als een tijdsdocument te lezen valt.142
Ludo Abicht stelde in zijn nawoord bij de uitgave van 1999 vast dat de literaire verwerking
van het oorlogstrauma in Vlaanderen in het geheel genomen mager was. Daarvoor verwees
hij naar Frederik Deflo, die in zijn studie van de Vlaamse prozaliteratuur over de Eerste
Wereldoorlog (1998) stelde dat vele toenmalige schrijvers eigenlijk niet wisten hoe het leven
aan het front was en dat de Vlaamse oorlogsliteratuur daarom soms komisch, zelfs
bedroevend is. Maar Deflo maakt een uitzondering voor Eer Vlaanderen vergaat. Het realisme,
dat de soldaten noch als superhelden noch als lafaards beschrijft, steekt volgens Deflo
gunstig af tegenover andere Vlaamse oorlogsliteratuur.
Ander werk
Ook in zijn andere naoorlogse publicaties – die niet allemaal de oorlog als thema hadden –
klonken de eigen ervaringen van Simons door, onder andere met betrekking tot de Vlaamse
ontvoogdingsstrijd. Zo verscheen in 1919 In hooger sferen, een verhalenbundel met vier
VAN HEMELDONCK, ‘Een zoon van het levende Vlaanderen. Bij Jef Simons’.
VAN HEMELDONCK, ‘Jozef Simons en zijn werk’.
140 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 21.
141 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 5.
142 REYNEBEAU, ‘De schoonheid van het gebaar’, 47.
138
139
26
kortverhalen waarin de Vlaamse ontvoogding en de verhouding tussen Vlamingen en
Franstaligen aan bod komen.143
Na het afwerken van Eer Vlaanderen vergaat in 1923 schreef Simons geen oorlogsverhalen
meer. Hij stelde wel nog alles in het werk om het boek gepubliceerd te krijgen, maar schreef
vanaf dan opnieuw over meer alledaagse, lichtere thema’s. In 1924 en 1925 kwamen het
kortverhaal Valentijn en de verhalenbundel Ons vroom en vroolijk Kempenland uit, verhalen
waarin de oorlog ver weg was. In 1926 verscheen zijn eerste reisverhaal, In Spanje. De
theatertekst Zeep!, die in 1924 verscheen, speelde zich na de Eerste Wereldoorlog af maar
ging wel in op het activisme.
In 1929 publiceerde Simons een nieuw reisverhaal, In Scandinavië. Later volgden in dit genre
ook nog In Italië (1930) en Naar Oberammergau (1933). Zijn eerstvolgende novellebundel, De
laatste flesch (1930), was volgens sommigen zijn ‘meest zonnige, spontane, frisse werk’. 144 Het
was een bundel kortverhalen over het alledaagse leven in de Kempen.
Naast kinderverhalen (Vóór ’t verken komt, 1931), een bundeling van volksverhalen (Elf
nobbelwitjes, 1932), de roman Willy Branders (of Van twee koningskinderen, 1935) en een
bundel Mariaverhalen (Twaalf sterretjes, 1937) schreef Simons in de laatste jaren van zijn
carrière nog enkele van zijn belangrijkste werken. De novellebundel Harslucht (1933) liet een
andere, donkerder kant van de Kempen zien; en daarmee ook een ander aspect van Simons’
talent. In plaats van de lezer te vermaken met jolige verhalen uit de immer gezellige Kempen,
belichtte Simons hier intriges en zedenzaken. Het werk werd in literaire kringen
geapprecieerd, maar zorgde ook voor een controverse die Simons zich erg aantrok (zie
verder).
Ook Dientje Goris (1935) werd overwegend goed onthaald in literaire kringen. Net als in
sommige andere van zijn naoorlogse werken, schemerden Simons' politieke idealen in dit
boek duidelijk door. Dientje is een flamingantische notariszoon die zijn idealen overboord
gooit in functie van zijn carrière als gedeputeerde.145
Het laatste boek van Simons werd in 1937 uitgegeven. Victor Ceuleman was een soort
autobiografie, waarin niets spectaculair gebeurde maar die – zoals vele van zijn werken – vlot
en aangenaam las. Na 1937 schreef Simons geen eigen werk meer, maar publiceerde hij wel
nog enkele vertalingen uit het Duits en het Zweeds. Eerder had hij ook al verhalen uit het
Spaans en Engels vertaald.146
SIMONS, 'In de dood van den geschelpten duiver', In hooger sferen.
SOURIE, Jozef Simons, 46.
145 DE VOGHT, Jozef Simons, 13.
146 DE VOGHT, Jozef Simons, 18.
143
144
27
2. Zijn plaats in de literaire wereld
Jozef Simons groeide na de Eerste Wereldoorlog uit tot een bekend en populair auteur. Hij
was niet alleen een veelschrijver; hij verkocht ook veel boeken. Zijn werk werd, zoals een
tijdgenoot het omschreef, ‘kapot gelezen door jonge en oude menschen.’147
Hoe zijn tijdgenoten hem zagen
In contemporaine beschouwingen en recensies werd Jozef Simons steevast geportretteerd
als een door en door Kempense schrijver, een uitstekend verteller en rake observator.
'Simons stond garant voor leesplezier', was de algemene teneur. Die eigenschappen zetten
meteen de deur open voor een vaak terugkerende kritiek op zijn werk: met name dat het
complexiteit en diepgang zou missen. Simons produceerde aangenaam leesvoer, maar geen
Kunst met grote K, was het oordeel in literaire kringen. Een omschrijving uit 1929 vat goed
samen hoe velen over hem oordeelden:
‘Wie Simons nu rangschikken wil onder de sterkste romanbouwers of grootste novellisten,
zou de waarheid te kort doen. Daarvoor is het geraamte van zijn werk te zwak; de inhoud
van zijn verhalen niet rijk genoeg; de uitdieping te ondiep. Zijn al te gemakkelijk
schrijfvaardig talent [...] is er oorzaak van. Doch hij is een volksverteller wiens werk gelezen
wordt: dat is zijn schoonste, want verdienstelijkste eeretitel.’ 148
Een gelijkaardige typering vinden we bij Lambert Swerts:
‘Het werk van Jozef Simons is niet de koninklijke vlucht van een arend, maar stemmig is
het als de bij zijn volk inwonende ooievaar. Dat is zijn juiste gestalte. Zijn werk brengt,
zooals de ooievaar, zon op de heide. [...] Zeker, het werk van Jozef Simons is niet feilloos.
Hij schrijft geen diep, aangrijpend proza [...] zeer dikwijls is zijn werk een bouw zonder
gebinte, waarin een massa bruikbare detail-steentjes met nutteloos zand dooreen liggen
verspreid. [...] Hij werkt al te zeer in de breedte, vaart soms onvergeeflijk over de diepte
heen. [...] Maar waarom in Simons zoeken wat hij had kunnen zijn?’149
Toch werd hij niet zonder meer weggezet als een veelschrijver, een ambachtsman zonder
artistieke aspiraties. Daarvoor werd (een deel van) zijn oeuvre te hoog ingeschat. Het lijkt
alsof zijn tijd- en vakgenoten niet goed wisten om te gaan met de afwisseling tussen de
luchtige verhalen over het gezellige Kempense volksleven en het meer 'serieuze' werk van
Simons. Het Vlaams-nationalistische (nationaalsocialistische) dagblad Volk en Staat gaf uiting
aan die twijfel en kopte in 1941: ‘Is Jozef Simons een groot schrijver?’150 In het artikel vraagt de
journalist zich af: ‘Mag Simons naam vermeld worden naast dien van onze bekende grooten, een
VAN HEMELDONCK, ‘Een zoon van het levende Vlaanderen. Bij Jef Simons’.
VAN HOECK, ‘De volksschrijver Jozef Simons’.
149 SWERTS, ‘Jozef Simons en zijn werk’.
150 VERACHTERT, ‘Is Jozef Simons een groot schrijver?’.
147
148
28
Streuvels, Timmermans, Claes, De Pillecijn? […] Nimmer heeft iemand het aangedurfd Simons af
te breken. [...] Hem kortweg een groot schrijver noemen gebeurde evenmin.’ De schrijver van het
stuk, Frans Verachtert, gaf geen antwoord op de vraag of Simons zich kon meten aan de
’groten’ van de toenmalige literaire wereld, maar concludeerde wel dat Simons een
kunstenaar was die ‘meer mag en moet geprezen worden!’151 In het algemeen plaatsten
tijdgenoten Simons ergens tussen de wereld van de kunstenaars en de volksschrijvers.
Gerard Walschap sprak naar aanleiding van Simons' publicatie Harslucht over ‘de werkelijke
kunstenaar in hem’ en merkte op dat een aantal novellen in die bundel van een merkbaar
andere strekking waren dan waar men Simons van kende: het luimige goede Kempenleven:
‘De werkelijke kunstenaar in hem heeft zijn achterdocht nopens den al te gereeden lof
nooit geheel kunnen wegzetten. [...] Jozef Simons zelf is zich daarvan bewust geworden en
in zijn laatst geschreven novellen, vooral ‘Het Kogeltje’ en ‘Niet op zijn nummer’ reageert
hij tegen dien geest die het altijd heeft voorgesteld alsof ‘hier in de Kempen enkel
Heibloempjes en idyllen bloeiden’ en hij vertelt ‘een zedenzaak van het donkerste allooi’
en een intrige van echtbreuk en schande. [...] Zijn verteltrant is veel krachtiger geworden,
vooral in de eerste novelle ‘Caiphas’, een kracht die in ‘Het Kogeltje’ verslapt.’152
De nieuwe wegen die Simons met Harslucht leek te verkennen, werden niet door iedereen
gesmaakt. Het katholieke tijdschrift Boekengids beoordeelde de bundel in 1933 positief:
‘Simons, de sappige, kleurrijke verteller, is in deze Harslucht weer op zijn best.’153 De bundel werd
wel ingedeeld in categorie IV: ‘lectuur voor volwassenen alleen (veronderstelt zedelijke
voorlichting en vorming).’ Twee jaar later, in 1935, verscheen er echter een nieuwe recensie
over Harslucht in Boekengids, die veel negatiever was. ‘In dezen bundel bracht hij enkele
novellen saam die over het algemeen wat wranger zijn dan wat hij ons vroeger gaf. [...] De milde
toon van den gemoedelijken verteller slaat, op meer dan een plaats, tot scherpte om. Of al deze
novellen wel het bundelen waard waren, zou ik niet zoo grif durven toegeven. De zelfkant van een
stukje Kempen wordt uitgetekend. Daarom indexeeren we (met vetjes) IV.’154 Boekengids baseerde
zich veeleer op religieuze en zedelijke criteria dan op de literaire kwaliteiten van het werk.
Schrijven over de zelfkant van de maatschappij kon niet door de beugel.
Gerard Walschap schreef al in 1933 dat Simons' literaire ambities 'misdadig' neergeduwd
werden door het etiket van 'volksschrijver'.155 ‘Men heeft zijn talent behandeld zooals Chineesche
vrouwenvoetjes: het belet te groeien.’156
Naar aanleiding van zijn tienjarig overlijden in 1958 blikte het literaire tijdschrift Dietsche
Warande en Belfort in twee nummers terug op het werk van Jozef Simons. De typering
VERACHTERT, ‘Is Jozef Simons een groot schrijver?’.
WALSCHAP, ‘Harslucht’.
153
S.n., recensie Harslucht, 192.
154 VAN HOECK, recensie Harslucht, 79.
155 DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 26.
156 WALSCHAP, ‘Harslucht’.
151
152
29
verschilt daarin niet zo veel van wat we eerder over hem lazen: ‘...wel bewust van de grenzen
van zijn kunnen, bleef hij steeds veilig binnen de wijs afgebakende perken van de gezapige verteller
die aan geen zware problemen laboreert en nog minder in een groots opgezette konstrukte wil
verloren lopen. Slechts eenmaal waagde hij zich aan een roman van formaat: ‘Eer Vlaanderen
vergaat.’ 157
Toch benadrukt het tijdschrift ook dat Simons veel meer was dan een gezapig verteller: ‘De
oppervlakkigheid die voor een onafgebroken luimig optimisme nodig is, kende Jozef Simons niet,
maar voor het poserend pessimisme [...] was hij te vitaal, te echt, te ongekunsteld en te wezenlijk
eenvoudig.’158 Het artikel concludeerde: ‘Wanneer men bij Jozef Simons het minder geslaagde,
het misschien te haastig geschrevene buiten beschouwing laat, dan blijft er ruimschoots genoeg
over om hem te stempelen tot één van onze echte dichters, tot één van onze goede schrijvers. Er
zijn onder zijn verhalen en novellen juweeltjes die heel veel meer zijn dan verdienstelijke
volksverhalen.’159
Hoe keek Jozef Simons naar zichzelf als schrijver?
Jozef Simons wordt steeds omschreven als ‘bescheiden’ en ‘beminnelijk’. Volgens zijn critici
waren het net die karaktereigenschappen die hem ervan weerhielden om door te stoten
naar de literaire top. Maar hoe keek Jozef Simons zelf naar zijn literair oeuvre? En hoe ging
hij om met de lof en de kritiek die hij toebedeeld kreeg? Om te beginnen was Simons zich
ondanks zijn bescheidenheid terdege bewust van zijn kwaliteiten en zijn populariteit als
schrijver. Zo liet hij zich in een brief aan Lode Baekelmans ontvallen dat hij verbaasd was dat
iemand zijn werken niet kende.160
Hij was zich ook goed bewust van de beperkingen die de critici zijn oeuvre toeschreven. Het
frustreerde hem niet dat hij het etiket ‘volksschrijver’ droeg; het was voor hem een eretitel,
het was de ambitie die hij nastreefde.
In een interview uit 1936 alludeerde Simons op de kritiek dat hij een veel- en vlugschrijver
was: ‘Het zou er veel bij winnen, indien een roman een tijdje kon blijven liggen, dan daarna hervat,
herwerkt, herschreven worden. Maar waar de tijd gehaald? Alles moet afgeperst worden van de
late avonduurtjes, van een dagje vrijaf of van het verlof. Ik ben maar een zondagsvisscher,
noodgedwongen, zooals ten andere de meeste letterkundigen in Vlaanderen.’
161
Met andere woorden: Simons vond het belangrijker om zijn lezerspubliek regelmatig met
nieuw werk te verblijden (en op te voeden) dan om te blijven broeden en schaven met het
oog op het verwerven van literaire roem. Hij aanvaardde de kritiek die hij kreeg, maar het
S.n., ‘Jef Simons na 10 jaar’, 248-249.
BOSSELAERS, ‘Jozef Simons (1988-1948). 10 jaar na zijn overlijden’, 492.
159 BOSSELAERS, ‘Jozef Simons (1988-1948). 10 jaar na zijn overlijden’, 493.
160 Letterenhuis, S6225/ B, brief van Jozef Simons aan Lode Baekelmans, 30.08.1931.
161 CORENBLOEM, ‘Op bezoek bij Jozef Simons’, Ons Land, 18.07.1936.
157
158
30
deerde hem niet. In bovenstaand interview probeerde hij de kritiek te verklaren, niet te
weerleggen.
Slechts eenmaal zou hij zich werkelijk gekrenkt hebben gevoeld, aldus zijn zoon Ludo
Simons, vanwege de eerder vermelde beoordeling van Harslucht in Boekengids.162 Jozef
Simons schreef immers net voor die eenvoudige, katholieke lieden, die zich lieten leiden
door de richtlijnen van zuilgebonden opiniemakers zoals Boekengids.163 Die recensie hield
een miskenning in van zijn kwaliteiten als volksschrijver en raakte daarmee bij Simons een
erg gevoelige snaar.
162
163
Ludo Simons, geciteerd in: VERSTRAETE, E., ‘Jozef Simons was meer dan een heimatschrijver’.
DURNEZ, Denkend aan Jozef Simons, 28.
31
Deel 3. De Eerste Wereldoorlog in het
werk van Simons
32
Op welke wijze heeft de Eerste Wereldoorlog het leven en werk van Jozef Simons beïnvloed?
Op die vraag proberen we in dit hoofdstuk een antwoord te formuleren. We gaan na in welke
mate de oorlogsomstandigheden een impact hebben gehad op Simons’ denken en op welke
manier hij dat in zijn boeken en novellen verwerkt heeft. We doen dat op basis van een
discoursanalyse van zijn oorlogsliteratuur.
De Eerste Wereldoorlog in het werk van Simons: een
discoursanalyse
Selectie en methode
Met Eer Vlaanderen vergaat was Simons niet aan zijn proefstuk toe in het genre ‘proza met
een duidelijke maatschappijvisie’. Hij had voordien al een aantal werken uitgebracht waarin
de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol speelde én waarin hij zijn kijk op die oorlog en
andere maatschappelijke ontwikkelingen impliciet of expliciet aan de lezer meegaf. Op basis
van die oorlogsliteratuur onderzoeken we Simons’ maatschappij- en mensbeeld en de
invloed van de Eerste Wereldoorlog hierop. We hebben onze analyse beperkt tot die werken
waarin de Eerste Wereldoorlog minstens gedeeltelijk het decor vormt van het verhaal:
ï‚·
Oorlogs-Vlaanderen (geschreven in 1914-1916, gepubliceerd in 1921)
ï‚·
Bonifacius Suikerbuik (gedeeltelijk geschreven in 1913, herwerkt een aangevuld in
1919, gepubliceerd in 1919)
ï‚·
Kanonnier (gepubliceerd in 1921)
ï‚·
Zoo ging een jaar (gepubliceerd in 1922)
ï‚·
Eer Vlaanderen vergaat (afgewerkt in 1923, gepubliceerd in 1927)
Bovenstaande werken hebben we aan een specifieke lezing onderworpen, gebaseerd op de
methode van de discoursanalyse. Op die manier hebben we een aantal terugkerende
thema’s (topoi) in het werk van Simons geanalyseerd. Een dergelijke analyse maakt het
mogelijk om evoluties en constanten in Simons' denken op een systematische manier onder
de loep te nemen. De impact van de Eerste Wereldoorlog op Simons’ werk kan afgemeten
worden aan zijn inhoudelijke keuzes en aan zijn taal- en woordgebruik.
In elk van de geselecteerde werken gingen we na hoe Simons de volgende thema’s aan bod
liet komen.
ï‚·
De natie: Vlaanderen versus België
Hoe definieert Simons de natie? Spreekt hij consequent over België of over Vlaanderen? Of
door elkaar? Koppelt hij een waardering aan die begrippen? Is Vlaanderen of België zijn land?
Is hij een Vlaming of een Belg? Tot welk ‘volk’ behoort hij?
ï‚·
De oorlog en het leger
33
Hoe kijkt Simons naar de oorlog? Focust hij op leed, strijd, heldendom of zinloosheid? Hoe
spreekt Simons over het leger (soldaten, officieren, organisatie, ...)? Hoe benadert hij de
hiërarchie?
ï‚·
De vijand
Hoe spreekt Simons over de Duitsers? Gebruikt hij bijnamen? Beschrijft hij hen als onmensen
of als gewone mensen? Is ‘de vijand’ altijd de Duitser?
ï‚·
Elite versus volk
Hoe spreekt Simons over de gewone soldaten en over de gewone burgers? Spreekt hij op
een andere manier over de elite? Valt dit samen met de tegenstelling Franstalig versus
Nederlandstalig?
Uiteraard wordt het resultaat van deze thematische analyse mee bepaald door de gekozen
werken. Daarbij stelde zich een probleem qua vergelijkbaarheid tussen fictie en non-fictie.
Oorlogs-Vlaanderen bestaat uit een bundeling van ooggetuigenverslagen die Simons in
briefvorm tijdens de oorlog in eigen naam publiceerde. Daarin had hij minder vrijheid om
persoonlijke en politieke opinies te formuleren dan in zijn fictieve verhalen. Bovendien zijn
niet alle gedachten en opinies van zijn fictieve personages noodzakelijk een afspiegeling van
zijn overtuigingen. Door in de discoursanalyse zowel aandacht te hebben voor de expliciete
meningen maar ook voor het taalgebruik (metaforen, woordkeuze) en de keuzes die Simons
maakte in welke thema's hij wel en niet aan bod liet komen, vangen we dit probleem echter
in grote mate op.
Het leek ons zinvol om onze analyse waar mogelijk af te toetsen aan andere bronnen, i.c. zijn
briefcorrespondentie tijdens de oorlog en zijn dagboek. Zijn briefcorrespondentie164 bleek
echter bijna niets te onthullen over hoe Simons de oorlog ervaarde. Een van de weinige
uitlatingen in die brieven gaat over zijn werk als kanonnier: ‘Ik trek aan ’t koordeken dat de
obussen stuiven, en toch krijg ik Fritz niet aan ’t deinzen. Wanneer krijgen we vrede?’165 Veel meer
krijgen we niet te lezen over zijn oorlogservaringen. We konden onze bevindingen dus enkel
aftoetsen aan het dagboek van Jozef Simons.
Analyse
Vlaanderen en België
Simons had al lang voor de oorlog een sterke Vlaamsgezinde overtuiging. Heeft de oorlog
die overtuiging in de ene of andere richting beïnvloed? Hebben de oorlogsontwikkelingen
zijn perceptie van Vlaanderen en België gewijzigd? Hoe schreef hij in zijn oorlogsliteratuur
over die entiteiten?
164 We hebben het hier
uitsluitend over de briefcorrespondentie die in het Letterenhuis bewaard wordt,
dossier S6225.
165 Letterenhuis, S6225/ B, Brief van Jozef Simons aan André De Ridder, 29.07.1918.
34
In Oorlogs-Vlaanderen houdt Simons zich aanvankelijk op de vlakte over dit thema. De brieven
zijn opgesteld als ooggetuigenverslagen met een journalistieke inslag. Simons registreert en
laat weinig ruimte voor persoonlijke bespiegelingen. Hij formuleert aanvankelijk geen
opinies, al zeker niet van politieke aard.
Pas halverwege in het boek doet hij een eerste (en welhaast enige) politiek getinte uitspraak
met betrekking tot de verhouding tussen Vlamingen en Walen: ‘Flamands, Wallons, sous le
même drapeau, met, laat ons hopen, na den oorlog gelijke rechten.’166 Die gelijke rechten waren
er op dat ogenblik volgens hem dus niet. Hij geloofde echter wel dat de oorlog zou kunnen
uitmonden in politieke veranderingen ten voordele van de Vlamingen.
Niets in Oorlogs-Vlaanderen wijst erop dat hij op dat moment de legitimiteit van België in
twijfel trok. Zijn gehechtheid aan het Vlaamse volk hield geen afwijzing van België in. Zo
spreekt hij, wanneer hij het over de strijd aan de IJzer heeft, zowel over ‘Belgischen grond’ als
over ‘een laatste hoekje van Vlaanderen’.167 Hij gebruikt beide begrippen door elkaar, en niet
op antagonistische wijze. In een liedfragment dat Simons ter illustratie opnam in zijn bundel,
blijkt er geen tegenstelling te zijn tussen het zingen van ‘den Vlaamschen leeuw met
opgeruimde geesten’ en het roepen van ‘Leve Vorst en Held Albert’.168 Ook schrijft hij: ‘Vlaamsche
piotjes en Waalsche munitiewerkers zingen Belgische liedereren en... komen goed overeen.’169 Het
feit dat hij dit vermeldt, doet enige verwondering bij Simons vermoeden. Als hij dit compleet
vanzelfsprekend vond, zou hij het immers niet vermeldenswaardig vinden. Maar van
afkeuring of een cynische ondertoon is geen sprake.
De Vlaamsgezinde overtuiging van Simons spreekt vaker en explicieter uit Bonifacius
Suikerbuik dan uit zijn oorlogsbrieven. Hij verwerkte in zijn verhalen over Suikerbuik zijn
frustraties over het feit dat het Frans nog steeds de voertaal was in het Vlaamse secundair
onderwijs, iets dat hij zelf aan de lijve ondervonden had. Bij het uitbreken van de oorlog
meldt Suikerbuik zich ‘in een roes van verontwaardiging en vaderlandsliefde’ als vrijwilliger.170
Maar hij sneuvelt al op 15 oktober 1914. In zijn grafrede prijst Simons hem als ‘overtuigd
Vlaming’.171 Wellicht zag hij ook zichzelf als een dergelijke ‘bewuste’ Vlaming.
In tegenstelling tot Oorlogs-Vlaanderen en Bonifacius Suikerbuik, werden Kanonnier, Zoo ging
een jaar en Eer Vlaanderen vergaat volledig geschreven ná Simons legerdienst. Een
vergelijking tussen eerstgenoemde en laatstgenoemde werken maakt het bijgevolg mogelijk
om na te gaan in welke mate zijn militaire dienst zijn opvattingen heeft beïnvloed. In
Kanonnier schrijft Simons dat zich in de afgelopen jaren een evolutie in de geesten voltrok:
‘Gedurende den winter van 1917 op 1918 hadden er […] Vlaamsche optochten […] plaats, met dit
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 51.
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 66.
168
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 68.
169 SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 51.
170 SIMONS, Bonifacius Suikerbuik, 112.
171 SIMONS, Bonifacius Suikerbuik, 116 e.v.
166
167
35
gevolg dat er van hoogerhand een ijverige flamingantenjacht werd op touw gezet.’172 En wat
verder: ‘[…] te dien tijde was het nog ketterij van zelfbestuur voor Vlaanderen en van Vlaamse
regimenten te durven gewagen.’173
In verschillende van zijn werken nemen de protagonisten in het begin van de oorlog als
Belgische patriotten dienst in het leger. Maar dat Belgisch patriottisme krijgt algauw een
deuk. In Kanonnier komt het hoofdpersonage, ‘toen men hem om zijn gewaand flamingantisme
begon te vervolgen’, tot de ‘bevinding dat hij zwaar gezondigd had door bij het leger gemakshalve
[…] zijn Vlaamsche overtuiging te laten insluimeren. De Blauwvoet werd in Jan terug wakker.’174
Meermaals beschrijft Simons, vanuit het standpunt van zijn personages, zijn gehechtheid
aan de Vlaamse taal en cultuur. Maar gaandeweg sluipt er een zekere verslagenheid in zijn
teksten. Blijkbaar heeft de oorlog niet voor Vlaanderen gebracht wat hij gehoopt had. In Zoo
ging een jaar lezen we: ‘Vlaming, spot niet met hen die geloofden in mooie woorden en schoone
leuzen - "elk volk, hoe klein ook, heeft recht op zelfbestaan", zei Wilson - die vertrouwden dat
het uur der ontvoogding geslagen had voor alle volkeren; die niet wilden zien dat die
vrijheidsspreuken slechts in vervulling zouden gaan ten gunste van kleine volkeren in de
overwonnen Staten, waar ook de overwinnaar er baat bij zag...’175 Simons stelt met andere
woorden dat de meer ‘passieve’ keuze begrijpelijk was, maar onvoldoende soelaas bracht.
Nergens komt het thema van de Vlaamse ontvoogding zo manifest aan bod als in Eer
Vlaanderen vergaat. Zoals gezegd had Simons met dat boek de expliciete bedoeling om de
Vlamingen warm te maken voor het Vlaams-Nationalistische gedachtegoed. Dat doet hij
hoofdzakelijk door zijn personages in hun gedachtegangen of dialogen flamingantische
redeneringen te laten ontvouwen. In Eer Vlaanderen vergaat dialogeren de protagonisten
over de wenselijkheid van Vlaamse onafhankelijkheid, zelfbestuur of een unie met
Nederland. We illustreren dit met enkele citaten:
Florimond: ‘Maar houd het volk iets groots, iets eenvoudigs voor: Vlaanderen aan de
Vlamingen! Zelfstandig Vlaanderen! Dan wordt het een volksbeweging. Kijk naar Polen,
Ieren en Tsjechen. En in een zelfstandig Vlaanderen zoudt ge de franskiljons aldra klein
krijgen.’176
Kapelaan: ‘Wel weet ik, dat in 1815-1830, juist in de tijd van zijn vereniging met Holland,
in Vlaanderen een economische hoogbloei werd bereikt.’177
SIMONS, Kanonnier, 163.
SIMONS, Kanonnier, 164.
174
SIMONS, Kanonnier, 164.
175 SIMONS, Zoo ging een jaar, 53.
176 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 34.
177 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 35.
172
173
36
Kapelaan: ‘Een ding staat echter vast: als regel, natuurlijkerwijze, tracht elke nationaliteit,
en moét zij trachten, een eigen, zelfstandige staat te zijn. Dat klinkt misschien nog wat
vreemd en radicaal, en toch is 't eenvoudig. 't Spreekt eigenlijk vanzelf...’178
Kapelaan: ‘Het uur der volkeren slaat niet alle eeuwen [...] Hadden we één staat kunnen
uitmaken, dan hadden we één taal gehad van Duinkerken tot Kiel. Mocht weer het uur
voor Vlaanderen slaan, hoe velen hebben de ogen open? Geen honderd, geen vijftig, en
wat zouden we overigens met ons onbewust volk kunnen aanvangen! Ellendig...’179
Uit dit laatste citaat blijkt een zekere frustratie met betrekking tot de gemoedstoestand van
de Vlamingen, een frustratie die in Eer Vlaanderen vergaat wel vaker opduikt. Simons houdt
ontegensprekelijk van ‘zijn’ Vlamingen, en hij heeft zelfs begrip voor hun gebrek aan
opstandigheid, maar tegelijk frustreert die futloze houding hem.
Ook werpt hij – uiteraard wederom via zijn personages – de vraag op of een geallieerde/
Franse overwinning wel zo wenselijk is: ‘Want, zo Duitsland verslagen wordt, zo Frankrijk wint,
zullen mede de franskiljons over Vlaanderen victorie roepen,’ redeneert de kapelaan al in het
begin van de oorlog.180 Niet dat Simons zijn personages voor een Duitse overwinning laat
pleiten maar ze vragen zich wel af of een ‘vrede door vergelijk’ niet de beste
toekomstgaranties voor Vlaanderen zou bieden.
Interessant is de gedachtenevolutie die Simons zijn hoofdpersonage Florimond laat
doormaken. Florimond, die in tegenstelling tot zijn vriend Jan Broeckx niet onmiddellijk naar
het front kan, ziet aanvankelijk in deelname aan de strijd een gecombineerd engagement
voor de Vlaamse én de Belgische zaak: ‘Niet alleen werd daar Belgiës goed recht verdedigd
tegenover de buitenlandse aanvaller, wellicht zou daarginder een crisis uitbreken die een einde
zou maken aan 't Belgisch onrecht tegenover Vlaanderen.’181
Jan Broeckx, al een tijdje onder de wapens aan het front, koestert op dat moment die illusie
niet meer: ‘Want als wij, Vlamingen, ten prijze van hoevele opofferingen, Belgiës bestaan zullen
gered hebben, wat zal België voor Vlaanderen doen? Rechtsherstel schenken? Laten wij daarover
geen illusies maken. Onze jongens worden hier het vuur ingejaagd door oversten die weigeren hun
taal te leren.’182
Nadat Florimond zelf een tijdje in de loopgraven heeft gezeten en getuige is geweest van de
denigrerende bevelen van Franstalige officieren, komt hij tot het besef dat strijden voor
België niet combineerbaar is met het dienen van de Vlaamse zaak. ‘Ofwel wint de Entente, en
vieren op het vasteland Frankrijk, in België Walen en franskiljons hoogtij - de Vlamingen worden
voorgoed verdrukt, Vlaanderen eens en voor altijd misschien onder de knie gelegd - ofwel wordt
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 35.
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 36.
180 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 45.
181 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 55.
182 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 54.
178
179
37
het een vrede door vergelijk. En hier begrijp ik Borms en de activisten, die een zelfstandig
Vlaanderen willen, binnen of buiten het staatsverband België - die Vlaanderen als Vlaanderen, als
volk, als natie, willen vertegenwoordigd zien op de conferentie waarop een nieuwe kaart van
Europa zal worden opgemaakt.’183
In het laatste deel van Eer Vlaanderen vergaat weerklinkt een zekere bitterheid. De teneur is
dat Vlaanderen zijn kans om meer zelfstandigheid te verkrijgen niet gegrepen heeft. In het
naoorlogse Kempenland liggen de Vlamingen nog steeds onder de knoet – en ze lijken zich
daar niet eens druk om maken. Simons schetst die situatie heel duidelijk in een naoorlogs
tafereel dat zich afspeelt in het geboortedorp van Jan Broeckx. Nadat Broeckx op een
herdenkingsplechtigheid heeft gespeecht voor ‘een publiek van lome onverschilligen’, gaan de
mensen uiteen ‘met de opmerking, dat Jan van Toke Broeckx zijn weg als advocaat wel maken
zou, maar dat hij toch wat luider moest leren spreken’.184 De goede dorpelingen zijn oprecht
begaan met Jans carrière, maar van de Vlaamse zaak liggen ze duidelijk niet wakker.
Tegelijkertijd maakt een Frans-Waalse maatschappij plannen om een trust van
steenbakkerijen te vormen, waarmee ‘het Frans-Waalse kapitaal de hand ging leggen op wat de
Kempenaars op eigen grond zo moeizaam hadden tot stand gebracht.’185 De zachtaardige
volksschrijver Simons klinkt hier verrassend bitter, zelfs cynisch. Misschien besefte Simons
zelf dat hij – zijn doelpubliek en imago indachtig – moeilijk op die manier kon eindigen. Hij
laat daarom nog één keer de kapelaan aan het woord, die het boek mag afsluiten met een
voor Vlaams-nationalisten hoopvolle boodschap: ‘Eer Vlaanderen vergaat, komen er nog
levenskansen… De activisten hebben in Vlaanderen neergelegd: het ferment van de
zelfstandigheidgedachte. Die krijgen de vijanden nooit meer kapot.’186
Het terugkerende thema van de Vlaamsgezinde Belgische patriot die aan het front desillusies
oploopt en vervolgens radicaliseert, is zeer prominent aanwezig. Wellicht betreft het hier
Simons’ eigen gedachtenevolutie. Zijn dagboek lijkt dat te bevestigen. In de eerste
oorlogsjaren, die Simons als burger meemaakte, noteerde hij in zijn dagboek amper politieke
uitspraken. Veeleer dan zijn maatschappijvisie te ontplooien, beperkte hij zich tot feitelijke
beschrijvingen en anekdotes over het leven in en rond kasteel De Lovie. Een zeldzame
politieke uitspraak noteerde hij op 17 februari 1915, waarin hij een ‘stamverwantschap’
tussen de Vlamingen en de Duitsers uitdrukt: ‘Als ik nu mocht kiezen, dan zou ik willen in 't veld
zijn met de Boeren van Fourie en De Wet tegen de Engelschen. Zij strijden tegen de ouden vijand.
− 't Is toch noodlottig dat wij [...] nu moeten aangevallen worden door onze naaste
stamverwanten: de Duitschers, met wie wij het meest sympathiseerden. Onze stam zal altijd
verdrukt worden.’187 Een jaar later, op 28 juli 1916, herhaalde hij dit, nu met de term ‘ras’, uit
de mond van een brancardier: ‘t Is zeker erg voor 't Vlaamsche volk zoo te moeten vechten tegen
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 107.
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 157.
185 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 158.
186 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 168.
187 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 18.
183
184
38
zijn eigen ras − doch aan de rechtvaardigheid van onze zaak hebben wij toch genoeg om onzen
plicht te doen.’188 Simons combineert in deze uitspraken een gehechtheid aan de Vlaamse
zaak met de overtuiging dat men als Belg zijn patriottische plicht moest vervullen, ondanks
de ‘stamverwantschap’ met de Duitsers.
De toon verandert eind 1917 en zeker vanaf februari 1918, niet toevallig de periode die
samenvalt met Simons’ tweede periode aan het front, in het 1ste artillerieregiment. Vanaf dan
maakt hij verschillende keren melding van contacten met de Frontbeweging en wijdt hij meer
ruimte aan het neerschrijven van Vlaamsgezinde gedachten. Hoewel zijn dagboek niet bulkt
van de politieke uitspraken, lijkt het toch te bevestigen dat Simons' denken gedurende de
oorlog – en vooral tijdens zijn eigen frontervaring – een gelijkaardige evolutie kende als dat
van de protagonisten in zijn oorlogsliteratuur. Zijn Belgisch-patriottische gevoelens, die in
1914 nog aanwezig waren, werden door de oorlog verdrongen door een militanter Vlaams
standpunt.
De oorlog en het leger
Hoe verwerkte Simons de concrete oorlogsgebeurtenissen in zijn literatuur? Hoe keek hij
naar de wereldbrand, eerst vanaf de zijlijn in kasteel De Lovie en later als kanonnier en tolk
in het leger? En hoe ging hij om met de legerhiërarchie en met de moeizame
taalverhoudingen in het Belgische leger? Dit laatste aspect is uiteraard nauw verbonden met
het net behandelde thema ‘Vlaanderen en België’.
In Oorlogs-Vlaanderen, brengt Simons nog ‘onbevangen’ als buitenstaander verslag uit over
de oorlogsontwikkelingen. Wat meteen opvalt is dat Simons de oorlog niet aangrijpt om
heldhaftige verhalen over moed en zelfopoffering voor het vaderland af te steken.
Integendeel, zijn aandacht gaat voornamelijk uit naar het leed dat de oorlog veroorzaakt.
Simons zoomt blijkbaar liever in op het oorlogsleed dan op de heldhaftigheid van de oorlog.
Soldaten waren geen helden, maar gewone mensen die er in moeilijke omstandigheden het
beste van probeerden te maken: ‘Zoo is de soldaat: op de vuurlijn ... verlangt hij naar een postje
van achter. En van achter bekruipen hem verveling en heimwee naar de strijdlinie en hij vraagt
om terug te gaan.’189
Simons deed niet mee aan oorlogstriomfalisme. De oorlog bracht ellende en het was niet
nodig om dat te verdoezelen: ‘Wat ellende! A peste, fame et bello, libera nos Domine!’190 en
(opgetekend uit de mond van iemand anders): ‘Zie je nu, waar we uitkomen met onze verlichte
twintig-eeuwsche beschaving? In het tegenover mekaar zetten van honderdduizende
menschenkinderen, die water moeten scheppen uit moddergroeven!’191 In een brief uit januari
1916 becommentarieert hij een tafereel waarbij Franse rekruten afscheid nemen van hun
SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 69.
SIMONS, J., Oorlogs-Vlaanderen, 57.
190 SIMONS, J., Oorlogs-Vlaanderen, 34.
191 SIMONS, J., Oorlogs-Vlaanderen, 67.
188
189
39
wenende ouders, met de woorden: ‘...en ik dacht aan het lied van grootmoeder zaliger: maudite
soit la guerre.’192
Toch betekende dit niet dat Simons in die fase de oorlog geheel zinloos vond: ‘Er bekroop mij
heimwee naar mijn eigen volk. Waarom had ik mij laten overreden als tolk bij de Engelsche troepen
dienst te nemen, liever dan met de eigen jongens naar ’t Belgisch front te trekken?’193
Simons voelde, als toeschouwer aan de zijlijn, soms een zeker schuldgevoel opkomen: ‘Maar
‘t was toch te lekker in bed om onder de warme dekens uit te komen. En dan voel ik me dikwijls
mijn geweten knagen als ik denk op de arme jongens die koude lijden in de loopgraven.’194
In Kanonnier en Zoo ging een jaar zijn de beschrijvingen anders. Ze komen niet meer uit de
pen van een toeschouwer, maar van iemand die de oorlog als soldaat heeft meegemaakt.
Vóór zijn legerdienst gaf Simons al blijk van een gezonde achterdocht tegenover macht en
gezag, maar na zijn passage in het leger kwam daar kwaadheid en bitterheid tegenover de
legeroversten bij. De hogeren in rang, wiens bevelen door Simons in zijn boeken doorgaans
in het Frans worden weergegeven, worden systematisch als ijdel, machtswellustig en/of dom
voorgesteld. Zo vertelt Simons een verhaal over een sergeant en enkele soldaten die (illegaal)
een vuurtje aan het stoken waren om zich aan te warmen tijdens een koude winteravond.
Toen een officier dat in de gaten kreeg, beval hij hardhandig het vuur te doven. De officier
schuimbekte: 'Dat zal u leren dat ik de kapitein ben.' Waarop de sergeant hem een vuistslag
gaf en repliceerde: ‘Dit zal u leren dat wij ook menschen zijn.’195 De ‘ik’ van de kapitein die hier
contrasteert met de ‘wij’ van de sergeant is goed gekozen door Simons; de kapitein focust zo
op zijn rang, terwijl de sergeant benadrukt dat ze allen mensen zijn.
Ook op andere manieren creëert Simons in zijn verhalen een onderscheid tussen de
legeroversten en de gewone soldaten. De officieren ‘tieren’ en ‘schuimbekken’, terwijl de
gewone soldaten met gezond verstand en met respect voor elkaar de dag zo goed mogelijk
proberen door te komen. Zij ‘deden [...] wat ze moesten doen maar raasden er niet over, braken
geen holklinkende woorden over heldendaden en vaderlandsliefde - ze waren dat boeltje lang
moe, konden ze maar opkramen en naar huis gaan! - geen jaloersheid stak de horens op, ze
gunden het mekaar als iemand onder hen op de eene of de andere wijze 'gered' werd.’196
De officieren zijn niet alleen arrogant, maar soms zelfs echt gewetenloos. In het rauwe Zijn
derde ster, het laatste verhaal in de bundel Kanonnier, voert Simons een ambitieuze luitenant
op die, omwille van het vooruitzicht kapitein te worden, bereid is zijn manschappen mee te
sleuren in een zinloze aanval: ‘Heel de aanvallende beweging van dezen morgen was één
moorderij. Honderden vijanden stonden nu aan de machinegeweren […] te wachten op de arme
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 83.
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 49.
194 SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 90.
195 SIMONS, Kanonnier, 117.
196 SIMONS, Zoo ging een jaar, 15.
192
193
40
ter dood veroordeelde aanvallers. Voetvolk, zonder vooraf het te veroveren terrein langdurig te
hebben beschoten door een macht van kanonnen, opjagen tegen zulk een mitrailleuzennest is
nuttelooze massamoord: dat staat ook in de reglementen gedrukt. [...] En nu wou bovendien, in
strijd met het bevel van den majoor, uit drieste verwaandheid, om een mogelijk persoonlijk
voordeel, [luitenant] Deswarte ook zijn compagnie de dood in jagen.’197 Zijn woorden maken
duidelijk hoe Simons dacht: de morele verantwoordelijkheid voor de dood van die soldaten
lag bij de eigen bevelvoerders; niet bij de Duitse militairen, die per slot van rekening gewoon
hun plicht deden.
Simons toont niet alleen zijn misprijzen tegenover de legerofficieren, ook voor
buitenstaanders die zich in triomfalistische zin over de oorlog uitlaten heeft hij weinig
respect: 'Wat blijft er van ons over. Een verhakkeld lijk en een wrak. En de gazetschrijvers roepen
'jusqu'au bout!'198 In Zoo ging een jaar heeft hij het over ‘het heldhaftig geschrijf der patriotten
uit de papieren loopgraven van honderd uren achter het front’.199 Dat ‘heldhaftig geschrijf’ raakte
volgens Simons kant noch wal en hij probeerde zulke verhalen dan ook te doorprikken: ‘Deze
oorlog is geen oorlog zooals al de vorige, waarvan in de boeken spraak is, dit ondervond hij: geen
heldendaden in het open veld, maar een wroeten als van mollen voor die in de schansgraven
liggen, een zwoegen hard en telken dag voor wie achter het front een taak is aangewezen.[ ...]
volhouden tegen eentonigheid en verveling, dat evenveel moed vergt misschien als even in de hitte
van den strijd den dood in 't aangezicht kijken.’200
Jozef Simons was bijzonder gevoelig voor de taalverhoudingen in het Belgische leger. In
Kanonnier schrijft hij sarcastisch: ‘… begon de kolonel - natuurlijk in 't Fransch: daar waren amper
80% Vlamingen in 't Belgisch leger!’201 In Zoo ging een jaar borduurt Simons uitvoerig verder op
dat thema. ‘Uit is het morgen met het te moeten aanzien hoe de Vlaamsche volksjongen slechts
in aanmerking komt voor den gevaarlijksten post en het grofste werk [...] Geminacht om zijn eigen
taal, in zijn eigen leger, door zijn eigen oversten, waar hij voor dat land sinds vier jaar zijn bloed
veil had, dat land dat voor hem een echt vader-land zou kunnen en zou moeten zijn.’202 Hij
vergelijkt via het hoofdpersonage Dolf de situatie in België met die in Groot-Brittannië: ‘In het
Engelsch leger, waar geen taalkloof gaapt, had Dolf gevoeld hoe heerlijk het moet zijn te leven in
een staat die uw eigen volk niet verdrukt, een echt vaderland te bezitten dat men liefhebben kan
met geheel zijn hart.’203 Simons verbindt hier de taalproblematiek in het leger met zijn visie
op Vlaanderen en België. Hij stelt namelijk – deels impliciet - dat België in de praktijk niet
beantwoordde aan de criteria van een vaderland, aangezien de Belgische staat in zijn ogen
SIMONS, Kanonnier, 190.
SIMONS, Kanonnier, 112.
199 SIMONS, Zoo ging een jaar, 26.
200
SIMONS, Kanonnier, 138.
201 SIMONS, Kanonnier, 169.
202 SIMONS, Zoo ging een jaar, 13.
203 SIMONS, Zoo ging een jaar, 13.
197
198
41
de taalongelijkheid in het leger in stand hield en op die manier een deel van het eigen volk
onderdrukte.
Wanneer Dolf verderop in Zoo ging een jaar vertelt over zijn wedervaren in Duitsland na de
Wapenstilstand, geeft hij de Belgische officieren nog een veeg uit de pan: ‘Een feit is 't dat
onze officieren, die onmogelijk Vlaamsch kunnen leeren, op enkele maanden genoeg Duitsch
kennen om er jonge Gretchen mee te veroveren.’204 Daarmee suggereert hij dat het geen kwestie
is van onkunde maar van onwil.
In Eer Vlaanderen vergaat komen diezelfde thema’s – verveling, verwaande officieren en de
taalproblematiek – opnieuw aan bod: ‘Toen kwamen winter en koude, de loopgravenoorlog met
zijn verveling en zijn eindeloos-lange nachten op de voorposten’, schrijft Jan Broeckx aan
Florimond205, en ook: ‘Onze jongens worden hier het vuur ingejaagd door oversten die weigeren
hun taal te leren.’206
Als Florimond zelf dienst neemt, valt het hem op ‘hoe, zoals in elke Belgische administratieve
hiërarchie, ook in de rangen van het leger àl de Walen zich kunnen omhoog werken, maar van de
Vlamingen enkel de Franskennenden.’207
Simons had zich eerder al bitter uitgelaten over het leed dat veroorzaakt werd door de eigen
legeroversten. In Eer Vlaanderen Vergaat varieert Simons op dat thema door een zijsprongetje
te maken naar de strafkampen in Frankrijk, waar Belgische (Vlaamse) soldaten tuchtstraffen
uitzaten: ‘Velen werden daar doodgemarteld, meer dan een sloeg zijn hoofd tegen de celwand te
pletter. Zij die eruit kwamen waren allen gedemoraliseerd -ont-menst.’208
Met het gebruikelijke dedain beschrijft hij het gedrag van officieren: ‘[een majoor] was door
een zwaar bombardement verrast geworden. In plaats van benen te maken in achterwaartse
richting, was hij de kluts kwijt geraakt, was heel de tijd in de beschieting gebleven en gelukkig
ongedeerd eruit gekomen. Gevolg: een decoratie, die nu moest begoten worden.’209
Het triomfalisme van de pers komt in Eer Vlaanderen Vergaat terloops aan bod: ‘Ik [Florimond]
zou haast gaan lijken op de grote mondhelden van de pers die, vanuit hun redactiezetel, de
frontmannen toeschreeuwen: Jusqu'au bout!’210 Die jusqu’ au bout-retoriek plaatst Simons in
schril contrast met enkele quotes van gedemoraliseerde soldaten aan het front: ‘Dat de
Duitser nu maar gauw doorbreekt... als hij heel 't Belgisch leger kan snappen, gaan wij niet naar
Duitsland naar de kampen, maar naar huis.’211
SIMONS, Zoo ging een jaar, 138.
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 54.
206 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 54.
207 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 60.
208
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 72, 73.
209 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 90.
210 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 69.
211 SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 85.
204
205
42
Ook wat het leger en de oorlog betreft zijn er duidelijke parallellen tussen de opvattingen
die Simons ontwikkelt in zijn literatuur en de gedachten die hij in zijn dagboek noteert. In de
eerste oorlogsjaren toont Simons zich in zijn dagboek immers een goede Belg die, ondanks
een zeer kritische houding tegenover de geallieerden, er toch op gebrand is om zich ten
dienste te kunnen stellen van het vaderland: ‘Vandaag gaat de mare dat al de mannen van 18
tot 30 zullen moeten optrekken [= dienst nemen] binnen kort. 'k Wou dat het waar was. Er zijn er
zoovelen in mijn geval die niet weten of ze niet beter deden op te trekken dan wel thuis te blijven
− en die van den anderen kant weerhouden worden door hunne ouders en hunne
ambtsbezigheden!’, schreef hij op 19 januari 1915.212 In de eerste oorlogsjaren was hij
weliswaar al kritisch tegenover het Belgische establishment en de geallieerden, maar in de
laatste oorlogsjaren werd hij soms ronduit cynisch. Zo noteerde hij op 20 december 1917
een bittere commentaar over de verderzetting van de oorlog: ‘Maximalistische droom: de
legers rukken op de hoofdstad. De ministers moeten stemmen. Wie voor het voortzetten van den
oorlog is, wordt benoemd tot bestuurder van openbaar slachthuis. Zoo hebben ze én ’t genoegen
van 't bloed te zien vloeien, als nu binst den oorlog, én het profijt als nu van hunne acties [=
aandelen] in de munitiefabrieken.’213
Op 16 augustus 1918 nam hij in zijn dagboek de volgende notitie op: ‘Een kapitein komt
binnen: "Hebt ge geen bed?" − "Neen, we hadden er één op overschot dat ik beloofd heb aan twee
soldaten." − "Dat is voor mij." − "Maar ik kan toch die jongens niet afzeggen?" − "Dan moet ik een
van uw bedden hebben." − "En wij op den grond slapen?" − "’t Is mij gelijk, ik moet te avond hier
een bed hebben of ik steek uw huis in brand." 214 Het onbeschofte gedrag van officieren
tegenover de gewone soldaten stootte hem kennelijk tegen de borst, maar het scheen hem
in die fase al niet meer te verbazen. Hij noteerde het voorval immers zonder toevoeging van
enige commentaar.
De vijand
De woordkeuze, zinssneden en metaforen waarmee een schrijver de vijand portretteert,
zeggen veel over de wijze waarop hij of zij naar de oorlog kijkt: als een strijd tussen ‘goed’ en
‘kwaad’ of als een ontwikkeling waarbij de verschillende strijdende partijen slechts de
speelbal zijn van hogere machten.
Jozef Simons portretteert in zijn oorlogsliteratuur de Duitsers op een redelijk consequente
en weloverwogen manier. De manier waarop hij dat doet, hangt nauw samen met zijn mensen wereldbeeld. Om te beginnen valt het op dat Simons zich ver houdt van scheldwoorden
of denigrerende omschrijvingen, wanneer hij Duitsers portretteert. Wel gebruikt hij de
populaire bijnaam ‘Fritz’ om de Duitsers aan te duiden; en een enkele keer ‘Pietje Pruis’. Er
zijn grovere beledigingen denkbaar.
SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 17.
SIMONS, L, Van het kasteel naar het front (manuscript), 129.
214 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript), 163.
212
213
43
Simons omschrijft de Duitse soldaten als individuen, mensen met een eigen identiteit, van
wie het de moeite waard loont om hun achtergrond nader te omschrijven. Hij doet dus het
omgekeerde van wat men gewoonlijk tijdens de creatie van een vijandbeeld doet – de vijand
dehumaniseren. Zo schrijft hij in Oorlogs-Vlaanderen een stukje over twee Duitse
krijgsgevangenen, die hij nader definieert als ‘een Beiersch schoenmaker en een
Würtembergsch huisschilder.’215 Ook empathie met Duitse soldaten is hem niet vreemd. Een
ander stukje over een Duits soldaat die net voor zijn verlof krijgsgevangen was genomen,
sluit hij af met: ‘arme kerel! Da gibt ’s kein wiedersehn!’216 Simons heeft er geen problemen mee
om de menselijkheid van de Duitsers in de verf te zetten. In Kanonnier laat hij een gewonde
aan het woord die verzorgd wordt in een Duits hospitaal: ‘Ze maakten geen verschil tusschen
ons en hun eigen gekwetsten, dat moet ik eerlijk bekennen.’217
In Zoo ging een jaar trekt het hoofdpersonage Dolf na de Wapenstilstand met Canadese
soldaten Duitsland binnen: ‘De Canadeezen stonden verbaasd over zooveel hun aangeboden
comfort; over de correctheid, de voornaamheid en tevens de innemende gemoedelijkheid dier
hoogerstaande menschen...’218 Simons schilderde de Duitsers dus af als een gedistingueerd
en cultureel hoogstaand volk, waarmee hij zich – ongetwijfeld bewust – afzette tegen
patriottische propaganda die de Duitsers systematisch als barbaren voorstelde.
Hoe moeten we die gunstige portrettering interpreteren? Zoals we hoger reeds aanhaalden
beschouwt Simons de Duitsers als stamverwanten van de Vlamingen. Daarnaast hangt het
gebrek aan antagonisme ongetwijfeld samen met Simons’ visie op de schuldvraag met
betrekking tot de oorlog. Volgens Simons waren de groten der aarde verantwoordelijk voor
de oorlog: ‘De Duitsche grooten mogen op verovering zijn belust, De Engelsche groothandel moge
in den een oorlog een kans zien om de Duitsche concurrentie te vernietigen...’219 Individuele
Duitse burgers of soldaten konden niet verantwoordelijk worden gehouden voor een oorlog
die ze zelf niet gewild hadden. Dit betekent niet dat Simons blind was voor het oorlogsleed
dat de Duitse troepen veroorzaakten. In Zoo ging een jaar verwijst hij immers ook naar de
eerste oorlogsdagen in Andenne, waar de Duitse soldaten heel wat burgers vermoordden. 220
Maar de ongemakken van de Duitse bezetting bleven hem bespaard, aangezien hij zich
tijdens de oorlog niet in bezet België bevond. Dat aspect van de oorlog komt dan ook bijna
niet aan bod in zijn werk.
‘Wie is nu de werkelijke vijand?’ is een vraag waar verschillende protagonisten in Eer
Vlaanderen vergaat mee worstelen. In dat verband formuleert Jan Broeckx een bedenking die
de hedendaagse lezer wellicht de wenkbrauwen doet fronsen: ‘Waren de Duitse pinhelmen,
die Pommerse boerenjongens of Westfaalse Landstormmannen werkelijk de vijanden? En die
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 58.
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 101.
217
SIMONS, Kanonnier, 112.
218 SIMONS, Zoo ging een jaar, 58.
219 SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 87.
220 SIMONS, Zoo ging een jaar, 70-71.
215
216
44
bruine Marokkanen en halfwilde Senegalezen van 't Franse leger werkelijk de stut en de steun van
de westerse beschaving?’221
De personages verliezen naarmate de oorlog vordert het geloof dat de Vlaamse belangen
gediend kunnen worden door het Belgisch staatsbestel. Dat maakt België steeds minder de
moeite waard om voor te strijden, wat niet zomaar betekent dat ze voor collaboratie met de
Duitsers kiezen: ‘Is het wel logisch dat we, door toe te geven aan vermoeienis of aan onze
verbittering tegenover de Belgische regering, de overwinning van de Duitsers zouden
vergemakkelijken? Waarom van twee kwaden het ergste kiezen?’222
Niet alleen zijn personages, ook Simons zelf, werd bezig gehouden door die vraag. Hij vond
het zonde om te moeten strijden tegen een volk dat zo nauw ‘verwant’ was met de
Vlamingen. Hij leek zelfs behoorlijk te worstelen met die schuldvraag, want op 23 mei 1916
schreef hij in zijn dagboek een uitvoerig stuk waarin hij voor zichzelf probeerde om een
heldere opinie te vormen over de geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren: ‘Ik kan
er niet aan doen, doch dag aan dag groeit in mij de overtuiging dat Duitschland strijdt voor zijn
goed recht’, vangt hij zijn denkoefening aan.223 De Duitsers waren voor hem dus geen
intrinsiek vijandig volk. Ze waren, door allerlei jammerlijke ontwikkelingen, plotseling de
vijand van België geworden. Maar het zou de waarheid geweld aandoen om hen af te
schilderen als monsters en onmensen. Dat was Simons’ overtuiging en hij koos er dan ook
voor om de Duitsers niet op die manier voor te stellen.
Het volk versus de elite
Hoe ziet Simons in zijn oorlogsliteratuur de verschillende ‘sociale standen’ en de verschillen
tussen de Vlamingen onderling?
De verhouding tussen de elite en het volk is een thema dat vaak terugkeert in Simons’ werk.
Daarin loopt de breuklijn tussen de elite en de gewone man parallel met die tussen
Vlamingen en Franstaligen. In zijn oorlogsliteratuur komt daar de breuklijn tussen
Franssprekende officieren en Vlaamse soldaten bij. Dit thema is dus nauw verbonden met
de reeds behandelde thema’s ‘Vlaanderen en België’ en ‘Oorlog en het leger’.
Jozef Simons voelde zich als volksverteller verbonden met de kleine man, maar
vereenzelvigde zich er niet mee. Zijn verhouding met het volk was eerder die van een leraar,
die het als zijn taak beschouwde om zijn leerlingen – de Kempense dorpelingen – nieuwe
inzichten bij te brengen met zijn verhalen, zonder met het vingertje te zwaaien. Naar de elite
keek hij op een genuanceerde manier: enerzijds met argwaan en milde spot, anderzijds met
het nodige respect, omdat hij gezien had dat een verlichte elite in staat kon zijn om het
welzijn van het volk te dienen.
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 54.
SIMONS, Eer Vlaanderen vergaat, 106.
223 SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript) 62.
221
222
45
In Oorlogs-Vlaanderen beschrijft hij zijn empathie met het volk als volgt: ‘Een ontzaglijk
medelijden prangt me de borst. Medelijden met, en bewondering voor die duizenden, die
millioenen manschappen die als vrijwilligers of door de wet opgeroepen naar het slagveld zijn
gekomen uit eer- en plichtsgevoel. De Duitsche grooten mogen op verovering zijn belust, De
Engelsche groothandel moge in den een oorlog een kans zien om de Duitsche concurrentie te
vernietigen, het simpele volk vecht uit plichtsgevoel voor God en vaderland. Want de
bondgenooten van beide beroepen zich op eer en recht. Hoe wilt ge dat het argelooze volk
onderscheide?’224
Het is een thema waar Simons in zijn latere werk vaak op terugkomt: de motieven van
mensen met macht moeten kritisch bekeken worden; het ‘argelooze volk’ is zuiver op de
graat. Wat niet betekent dat het volk het altijd bij het rechte eind heeft. Simons geeft in
Oorlogs-Vlaanderen immers ook voorbeelden van verzinsels en halve waarheden die de
ronde doen: ‘...zoo wordt er hier onder het klein volk beweerd dat de rijken den oorlog hebben
gewild opdat de arme jongens elkander zouden kapot schieten [...] Er zijn zooveel stevige geesten
in dezen wereldbrand op hol gegaan; hoe zouden de simpele menschen het stuur niet kwijt
geraken?’225
In Kanonnier introduceert Simons Luitenant Van Maas. Van Maas behoort tot de elite (want
hij heeft een adellijke achtergrond) maar heeft ook sympathie voor het gewone volk en –
daarmee samenhangend – voor de Vlaamse zaak: ‘Wilde hij dan bij zijn kaste, buiten en boven,
vervreemd van zijn volk blijven staan? Waren die schone jongens hem te min, met wie hij sedert
jaren den vijand bevocht, die hij in zijn dagelijkschen omgang had leeren waardeeren, bewonderen
en liefhebben? [...] Er is maar één Vlaamsch volk, waartoe dit kunstmatig aankweeken van eenandere-taal-sprekende familiën?’226 De oorlogsomstandigheden brengen Luitenant Van Maas
ertoe om heel anders te gaan denken over zijn relatie met het gewone volk. Daarmee stond
Van Maas duidelijk model voor het meer uitgewerkte personage Florimond van Laar in Eer
Vlaanderen vergaat.
In Zoo ging een jaar aanhoort Dolf een herbergier die vertelt ‘dat de oorlog een geesel was voor
de arme lui: "[...] is't niet boer en werkman en kleine burger die het al moeten uitzweeten?" Dolf
sprak hem niet tegen.’227
In Eer Vlaanderen Vergaat is het thema volk versus elite zeer prominent aanwezig. Simons
portretteert in dit werk twee totaal verschillende types uit de hogere klasse. Enerzijds is er
de elite die neerkijkt op het gewone volk, zoals René, de rijke bankierszoon die Florimond
jent vanwege zijn engagement: ‘Wat een idee je warm te maken voor ’t gepeupel – het volk! Goed
kanonnenvlees, jawel! [...] Werk voor jezelf, en zo je ’t niet laten kunt, gooi nu en dan voor ’t volk
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 87.
SIMONS, Oorlogs-Vlaanderen, 94-95.
226 SIMONS, Kanonnier, 123.
227 SIMONS, Zoo ging een jaar, 26.
224
225
46
wat te grabbel...’228 Anderzijds is er Florimond, de incarnatie van de verlichte adel, die René
van antwoord dient: ‘Heb jij dan niets geleerd, René? De volksjongens, die met ons één leven
leiden, die met ons en voor ons een gezamenlijk plekje onder de zon vrijmaken, hebben die geen
recht op je eerbied, verdienen die geen eerbied voor hun recht?’229
In zijn dagboek zijn voorbeelden van Simons gehechtheid aan het volk schering en inslag. Zo
is er Juul Cami, een volks figuur waar Simons in zijn dagboek regelmatig naar verwijst en
wiens uitspraken hij nadien gedeeltelijk in zijn boeken verwerkte. Op 20 april 1918 noteert
Simons: ‘Juul Cami over de Duitsche doorbraak, vertolker van 't algemeen gevoelen: ‘Dat den
Duitsch maar gauw doorbreekt, want wijlie gaan naar huis, niet naar Duitschland, hoor!’230 In Eer
Vlaanderen vergaat werd dat: ‘Ja, ja, mannen,’ opperde een oude boerenzoon met hoge vierkante
schouders, ‘dat de Duitser nu maar gauw doorbreekt... als hij heel 't Belgisch leger kan snappen,
gaan wij niet naar Duitsland naar de kampen, maar naar huis!'231
SIMONS, Eer Vlaanderen Vergaat, 92-93.
SIMONS, Eer Vlaanderen Vergaat, 93.
230 SIMONS, L, Van het kasteel naar het front (manuscript), 145.
231 SIMONS, Eer Vlaanderen Vergaat, 85.
228
229
47
Besluit
Jozef Simons liet zich van in het begin van zijn literaire carrière inspireren door zijn eigen
omgeving en ervaringen. De Antwerpse Kempen, zijn geboortestreek, vormen het decor van
het gros van zijn verhalen en een boek als Bonifacius Suikerbuik is grotendeels gebaseerd op
zijn eigen jeugd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook Simons' eigen oorlogservaringen
een bron van inspiratie vormden voor een aantal van zijn werken.
De Eerste Wereldoorlog heeft een onuitwisbare indruk nagelaten op Jozef Simons. Zijn al bij
al beperkte periode aan het front bezorgde hem voldoende inspiratie om nadien uitgebreid
uit te putten. Wie zijn dagboek naast Kanonnier of Eer Vlaanderen vergaat legt, merkt al snel
dat beide werken heel wat non-fictieve elementen bevatten en soms heel autobiografisch
zijn.
Simons beleefde de eerste helft van de oorlog op een andere manier dan de meeste Belgen:
vanuit het kleine stukje onbezet België. Dat beïnvloedde ongetwijfeld de manier waarop hij
naar de oorlog keek. In kasteel De Lovie – zijn 'oasis' – werd hij immers niet geconfronteerd
met de ongemakken van de Duitse bezetting of met eventueel onbetamelijk gedrag van
Duitse soldaten. Wat hij wel zag, waren geallieerde troepen die zich soms misdroegen
tegenover Belgische vrouwen of op andere manieren overlast in de omgeving
veroorzaakten. Ongetwijfeld heeft dat perspectief zijn visie op de oorlog beïnvloed. Simons
was niet blind voor het leed dat de Duitse oorlogsmachine veroorzaakte, maar hij schreef
met meer verontwaardiging over de misstappen van de geallieerden. Tijdens zijn legerdienst
kwam daar de verontwaardiging tegenover de eigen legeroversten bij. Zijn vooroorlogs
flamingantisme werd aan het front versterkt door de taal- en machtsverhoudingen in het
Belgische leger, die hij als zeer onrechtvaardig beschouwde.
Die meningen en visies laten zich voelen in heel wat van Simons' werken. Hoewel hij ook
talloze verhalen schreef waarin zijn Vlaamsgezindheid niet aan bod kwam, heeft Jozef
Simons meermaals doelbewust het genre van de roman en het kortverhaal gebruikt om zijn
politieke visies mee uit te dragen. Hij schreef geen pamfletten en gebruikte geen opruiende
taal, maar in werken als Zoo ging een jaar, Kanonnier en Eer Vlaanderen vergaat komen Simons'
ideeën onverbloemd, maar daarom niet ongenuanceerd, naar boven. Door zijn toegankelijke
schrijfstijl bereikte de populaire auteur bovendien een groot publiek, waardoor we kunnen
veronderstellen dat Simons een impact heeft gehad op het politieke beeld van heel wat
lezers.
Vandaag is Simons bij het brede publiek onbekend. Zijn romans lezen echter nog altijd vlot
en voor het Vlaams-nationalistische gedachtegoed is nog steeds interesse. Het kader
waarbinnen Simons’ verhalen zich afspelen is daarentegen verouderd en achterhaald. De
positie van de adel en de mogelijke rol van die elite in de Vlaamse emancipatie lijkt vandaag
niet meer zo cruciaal. Simons' oorlogsromans en wat we weten over zijn eigen
oorlogservaringen geven ons vandaag wel, vanuit een opvallend standpunt, een interessante
inkijk in bepaalde aspecten van de Eerste Wereldoorlog die misschien minder gekend zijn en
48
minder vaak aan bod zijn gekomen tijdens de herdenkingsactiviteiten sinds 2014: het leven
aan een kasteel in onbezet België, de overwegingen die mannen in onbezet België maakten
over het al dan niet toetreden tot het leger, Belgische soldaten die delen van de oorlog
doormaken aan de zijde van buitenlandse troepen, concrete verhalen van hoe de ervaringen
van Vlaamse frontsoldaten hun politieke visies konden beïnvloeden, …
49
Bibliografie
50
De in onderstaande bibliografie vermelde werken van Jozef Simons zijn de uitgaven die wij
geraadpleegd hebben. Het zijn niet noodzakelijk de originele drukken. De schrijfwijze van de
titels kan bijgevolg afwijken van de originele uitgave.
Literatuur
BOSSELAERS, R., ‘Jozef Simons (1988-1948). 10 jaar na zijn overlijden’, Dietsche Warande en
Belfort, 8, 1958, 488-493.
CORENBLOEM, A., ‘Op bezoek bij Jozef Simons’, Ons Land, 18.07.1936.
DEFLO, F., De literaire oorlog. de Vlaamse prozaliteratuur over de Eerste Wereldoorlog, Kreatief literair- en kunstkritisch tijdschrift, Wevelgem, Kreatief, 1998.
DE VOGHT, J., Jozef Simons, Averbodes brochurenreeks, Averbode, Altiora, 1951.
Durnez, G., Denkend aan Jozef Simons: "Een goede kracht in het hart van het volk", OelegemRanst, Jozef Simonsgenootschap, 1998
DURNEZ, G., Zeg mij waar de bloemen zijn. Beelden uit de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen,
Leuven, Davidsfonds, 1988.
REYNEBEAU, M., ‘De schoonheid van het gebaar’, Knack, 21 april 1999, 47-50.
SIMONS, J., Bonifacius Suikerbuik, Turnhout, Van Mierlo-Proost, 1963.
SIMONS, ‘De Fransche Weduwe’, Vrij België, 15.03.1918.
SIMONS, J., Eer Vlaanderen vergaat, Kapellen, Pelckmans, 1999.
SIMONS, J., Harslucht, Deurne, Tijl, 1933.
SIMONS, J., In hooger sferen, Antwerpen, De Sikkel, 1919.
SIMONS, J., Kanonnier, Excelsior, Brugge, 1921.
SIMONS, ‘Lente op ’t front’, Vrij België, 05.07.1918.
SIMONS, J., Oorlogs-Vlaanderen, Kortrijk, J. Vermaut, 1921.
SIMONS, J., Zoo ging een jaar, Brugge, J. Houdmont-Carbonez, 1922.
SIMONS, J. en DE PILLECYN, F., Onder den hiel, Tielt, Lannoo-Maes, 1920.
SIMONS, L., Een graf in Westende. Literair-historische randschriften, Kapellen, Pelckmans, 1993.
SIMONS, L., Van het kasteel naar het front (manuscript)
51
S.n., ‘Jef Simons na 10 jaar’, Dietsche Warande en Belfort, 4, 1958, 248-249.
S.n., Recensie Harslucht, Boekengids, 11/5, 1933, 192.
SOURIE, L., Jozef Simons, Turnhout, Van Mierlo-Proost, 1947.
SWERTS, L., ‘Jozef Simons en zijn werk’, Zondagsvriend, 30.07.1936.
TOBIANSKY D’ALTOFF, ‘Les interprêtes militaires belges pendant la guerre 1914-1918’, La
Belgique militaire, 1939.
VANDEWEYER, L., 'Frontbeweging', Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt,
Lannoo, 1988.
VAN HEMELDONCK, E., ‘Een zoon van het levende Vlaanderen. Bij Jef Simons’, Lenteweelde,
23.08.1931.
VAN HEMELDONCK, E., ‘Jozef Simons en zijn werk’, Volk en Staat, 27.03.1940.
VAN HOECK, M., ‘Jozef Simons’, Boekengids, 7/4, 1929, 121-126.
VAN HOECK, M., ‘De volksschrijver Jozef Simons’, Ons Volk Ontwaakt, december 1929.
VAN HOECK, M., Recensie Harslucht, Boekengids, 1935, 79.
VERACHTERT, F., ‘Is Jozef Simons een groot schrijver?’, Volk en Staat, 27 juni 1941.
VERHEECKE, M., Jozef Simons. Verteller, zanger, Kempenaar, Leuven, Davidsfonds, 1963.
VERSTRAETE, E., ‘Jozef Simons was meer dan een heimatschrijver’, Gazet van Antwerpen,
21.05.1988.
WALSCHAP, G., ‘Harslucht’, Hooger Leven, 27.08.1933.
Elektronische bronnen
Odis, ‘Jan Van Mierlo’, http://www.odis.be/lnk/PS_11187, geraadpleegd op 11.07.2016.
Stad Turnhout, Stadsverslagen 1946-1947; 1948; 1949,
http://www.stadsarchiefturnhout.be/nl/content/2618/digitale-stadsverslagen.html,
geraadpleegd op 21.04.2016.
Wikipedia, ‘Filip De Pillecyn’, https://nl.wikipedia.org/wiki/Filip_De_Pillecyn, geraadpleegd op
25.06.2016.
Wikipedia, ‘Vrij België’, https://nl.wikipedia.org/wiki/Vrij_Belgi%C3%AB, geraadpleegd op
03.06.2016.
52
Onuitgegeven bronnen
Letterenhuis, S 6225/ B, brieven van Jozef Simons.
Letterenhuis, aan Jozef Simons.
Documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsdienst (KLM),
Militair dossier Jozef Simons.
Documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsdienst (KLM),
EX-CDH, doos 22, Brief van de Chef de la section C aan de Président de la Commission
spéciale de la carte du feu, 9 oktober 1935..
Documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsdienst (KLM),
EX-CDH, doos 44, DE HASQUE, Maurice, Les grandes lignes de l'historique du corps des
interprêtes militaires Belges, 1914-1918.
Documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsdienst (KLM),
EX-CDH, dossier 3996.
Documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsdienst (KLM),
EX-CDH, dossier 5597.
53
Colofon
Geheugen Collectief vzw
Cuperusstraat 5, 2018 Antwerpen
Ondernemingsnummer: 0816.853.628
www.geheugencollectief.be
Dit rapport werd opgemaakt door
Veronique Van Humskerke, Jonas Raats,
Hannelore Vandebroek en Aline Sax
onderzoekers van Geheugen Collectief
in opdracht van HK De Brakken.
54
Download