280 E. Niet bedoelde gevallen Wanneer een vennootschap, die

advertisement
Chevalier-2013.book Page 280 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
E. Niet bedoelde gevallen
Wanneer een vennootschap, die noch eigenaar noch huurder is van het gebouw, de huurgelden
betaalt die de bedrijfsleider zelf verschuldigd is aan de eigenaar overeenkomstig het huurcontract
dat hij gesloten heeft met de eigenaar, is de bedrijfsleider belastbaar op een voordeel alle aard ten
belope van de huurgelden die de vennootschap rechtstreeks aan de eigenaar heeft betaald. De
forfaitaire waarderingsregels zijn niet toepasselijk omdat er geen sprake is van terbeschikkingstelling door de vennootschap.
Wanneer een vennootschap eigenaar is van een gebouw en het gebouw gratis ter beschikking stelt
van een persoon die geen beroepswerkzaamheid uitoefent binnen de vennootschap gelden de
forfaitaire waarderingsregels niet want er kan geen sprake zijn van een voordeel alle aard in
hoofde van de genieter. Wel kan de fiscus de kosten die betrekking hebben op dit gebouw verwerpen omdat niet voldaan is aan artikel 49 WIB.
§ 4. Terbeschikkingstelling van ongebouwd onroerend goed door werkgever-rechtspersoon
Het belastbaar voordeel is forfaitair vastgesteld op 100/90 van het geïndexeerde kadastraal inkomen.
§ 5. Verwarming en elektriciteit
Het bedrag van voordeel het voordeel alle aard voor verwarming en elektriciteit is hoger voor
leidinggevend personeel en bedrijfsleiders dan voor andere genieters646.
Verwarming
– leidinggevend personeel en bedrijfsleiders
– anderen
Elektriciteit andere dan voor verwarming
– leidinggevend personeel en bedrijfsleiders
– anderen
aj. 2012
1.640 EUR
820 EUR
aj. 2013
1.820 EUR
820 EUR
aj. 2014
1.870 EUR
840 EUR
820 EUR
410 EUR
910 EUR
410 EUR
930 EUR
420 EUR
Het leidinggevend personeel omvat de personeelsleden die niet verkiesbaar zijn als afgevaardigde
van het personeel in de ondernemingsraad en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen.
Wanneer beide echtgenoten bedrijfsleider zijn van de vennootschap die het voordeel verstrekt
lijkt het aannemelijk dat elke echtgenoot slechts belastbaar is op de helft van het forfaitair geraamde voordeel647.
Voorbeeld
Een zaakvoerder van een BTW-belastingplichtige vennootschap geniet in 2013 kosteloos van
elektriciteit en telefoon. De voordelen alle aard die de zaakvoerder in zijn aangifte in de personenbelasting dient op te nemen worden als volgt berekend:
– voordeel elektriciteit (art. 18 K.B./WIB):
1.870 EUR
– voordeel telefoon (individueel akkoord):
+ 120 EUR
Totaal van de aan te geven voordelen:
1.990 EUR
646
647
Art. 18, § 3, 4, K.B./WIB, zoals gewijzigd door K.B. van 23 februari 2012, B.S. 28 februari 2012.
Voorafgaande beslissing nr. 800.091 van 14 oktober 2008, www.fisconet.be.
280
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 281 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
De BTW-herziening op de voordelen alle aard bedraagt dan ook:
– voor elektriciteit
1.870 × 21/121 =
– voor de telefoon
120 × 21/121 =
Niet-aftrekbare BTW
64
451
– 62
324,55 EUR
+ 20,83 EUR
345,38 EUR
Niet-aftrekbare BTW
aan BTW te herzien
345,38
345,38
De personenbelasting op het voordeel alle aard kan vermeden worden indien de vennootschap
het genoten voordeel aanrekent aan de genieter. Hierdoor gaat het voordeel in hoofde van de
genieter teniet. De boekhoudkundige verwerking van deze aanrekening zal verschillen naargelang de vennootschap al dan niet BTW-plichtig is.
Voorbeeld
Een BVBA A, een patrimoniumvennootschap die niet BTW-plichtig is, verstrekt in 2013 aan haar
enige zaakvoerder kosteloos verwarming en elektriciteit (1.870 EUR + 930 EUR = 2.800 EUR).
Journaal per 31 december 2013 (BVBA A)
416
744
R/C Bestuurder
aan Andere bedrijfsopbrengsten
2.800
2.800
De forfaitaire waarderingsregels inzake verwarming en elektriciteit zijn ook toepasselijk wanneer de werkgever de rechtstreekse contractant is van de energieleverancier. Als rechtstreekse
contractant zal de werkgever de facturen rechtstreeks voldoen aan de energieleverancier en vervolgens (eventueel) een eigen bijdrage recupereren van de werknemers648.
Indien de werknemer de rechtstreekse contractant is en betaalt de werkgever de energiefacturen
van zijn werknemer dan is er geen sprake van een “anders dan in geld” verkregen voordeel en
derhalve zijn de forfaitaire waarderingsregels niet toepasselijk. De werknemer is dan belastbaar
op een “in geld” verkregen voordeel.
§ 6. Kosteloos gebruik van een bedrijfswagen vanaf 1 januari 2012
A. Principe
Voor de berekening van het voordeel alle aard wordt sedert 1 januari 2012 geen rekening meer
gehouden met het aantal privékilometers649. Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk
gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig wordt berekend door een CO2-percentage toe te passen op zes zevenden650 van de cataloguswaarde van het voertuig. Het voordeel
is gelijk aan de cataloguswaarde × CO2-percentage × 6/7651. Het minimumvoordeel alle aard
bedraagt in alle gevallen 820 EUR (ongeïndexeerd) per jaar. Voor aanslagjaar 2013 bedraagt het
minimumvoordeel na indexatie 1.200 EUR per wagen en per jaar652.
648
649
650
651
652
Voorafgaande beslissing van 4 mei 2010, nr. 2010.139.
Op de inkomstenfiches wordt daarom ook geen melding meer gemaakt van het kilometeraantal.
De breuk zes/zevenden is gekozen omdat wordt geoordeeld dat de last moet worden gespreid over zowel de gebruiker,
de werknemer, als degene die het voertuig ter beschikking stelt, de vennootschap (Parl. St., Kamer, 2011-12,
nr. 1952/004, p. 26).
Art. 36, § 2, eerste lid, WIB, zoals ingevoegd door art. 39 Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen,
B.S., 30 december 2011.
Art. 36, § 2, achtste lid, WIB.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
281
Chevalier-2013.book Page 282 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
Het bedrag van het belastbare voordeel van alle aard heeft betrekking op een volledig jaar zodat
in geval van terbeschikkingstelling gedurende een gedeelte van het belastbare tijdperk het bedrag
van het voordeel pro rata temporis moet worden verminderd653.
De forfaitaire raming van het voordeel geldt voor de personenauto’s, de auto’s voor dubbel gebruik, de minibussen en de onechte lichte vrachtauto’s zoals bedoeld in artikel 65 WIB654.
Wanneer het voordeel niet kosteloos wordt toegestaan, wordt het berekende voordeel verminderd met de bijdrage van de genieter van het voordeel655. De Administratie meent wel dat een
aantal tussenkomsten van de genieter niet vallen onder de noemer ‘bijdrage’:
– wanneer een werknemer of een bedrijfsleider een bijdrage moet betalen aan de werkgever/vennootschap voor het herstel van schade n.a.v. een ongeval (bv. het bedrag van de franchise), kan deze bijdrage niet in mindering worden gebracht van het belastbaar voordeel656;
– wanneer een werknemer of bedrijfsleider een trekhaak en/of fietsendrager zelf financiert kan
hij zijn bijdrage niet in mindering brengen van het belastbaar voordeel657;
– wanneer een werknemer of bedrijfsleider de brandstofkosten voor de bedrijfswagen die hij
voor privédoeleinden (woon-werkverkeer en andere privéverplaatsingen) ter beschikking
heeft gekregen, zelf betaalt, kan hij die volgens de Administratie niet in aftrek brengen van
het belastbaar voordeel dat hem wordt aangerekend658. Gaat het echter om een leasingwagen
dan zou de bijdrage van de werknemer toch in mindering mogen gebracht worden van het
voordeel659.
Wanneer een werknemer een leasingwagen van een bepaald standaardmodel ter beschikking
krijgt van zijn werkgever en de werknemer wenst er zelf een aantal opties aan toe te voegen dan
kan hij de eigen bijdrage die hij hiervoor moet betalen aan zijn werkgever (bv. maandelijkse
inhouding op nettoloon) in mindering brengen van het belastbaar voordeel. Dezelfde redenering
geldt voor het geval de werknemer een eigen bijdrage betaalt om te genieten van een duurdere
bedrijfswagen660.
B. De cataloguswaarde
Onder cataloguswaarde wordt verstaan de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij
verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde BTW, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno661.
Om discriminatie te vermijden wordt bij tweedehandswagens rekening gehouden met de periode
die is verstreken vanaf de datum van eerste inschrijving662 van het voertuig. De cataloguswaarde
wordt met 6% verminderd per jaar anciënniteit, maar die verminderde cataloguswaarde mag
niet minder bedragen dan 70% van de oorspronkelijke cataloguswaarde663. Praktisch betekent
dit dat bij de berekening van het voordeel alle aard de cataloguswaarde wordt vermenigvuldigd:
653
654
655
656
657
658
659
660
661
662
663
FAQ d.d. 1 oktober 2012 nr. 4.
Het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een voertuig dat wel voldoet aan de fiscale definitie van
lichte vrachtwagen valt niet onder het stelsel van de forfaitaire raming. Dat voordeel moet dus voor de werkelijke
waarde worden aangerekend bij de verkrijger (FAQ d.d. 1 oktober 2012 nr. 9).
Art. 36, § 2, negende lid, WIB.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 45.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 52.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 47 en 49.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 50.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 53, 54 en 55.
Art. 36, § 2, tweede lid, WIB, zoals ingevoegd de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, B.S.,
30 december 2011 en gewijzigd door de Programmawet van 22 juni 2012, B.S., 28 juni 2012.
Wanneer de eerste inschrijving in het buitenland plaatsgevonden heeft, mag men rekening houden met die eerste
inschrijving (FAQ nr. 20).
Directie- en demonstratiewagens met een handelaarsplaat (Z-platen) zijn niet ingeschreven bij de DIV maar niettemin
mag men ook rekening houden met hun anciënniteit: men rekent dan vanaf de eerste inschrijving in het bijzonder
B.T.W.-register voor directiewagens (FAQ nr. 21).
Art. 36, § 2, derde lid, WIB zoals ingevoegd door art. 135 Programmawet van 22 juni 2012, B.S. 28 juni 2012.
282
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 283 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
– 62
– met 100% wanneer er 0 tot 12 maanden verstreken zijn sinds de eerste inschrijving;
– met 94% wanneer er 13 tot 24 maanden verstreken zijn sinds de eerste inschrijving;
– met 88% wanneer er 25 tot 36 maanden verstreken zijn sinds de eerste inschrijving;
– met 82% wanneer er 37 tot 48 maanden verstreken zijn sinds de eerste inschrijving;
– met 76% wanneer 49 tot 60 maanden verstreken zijn sinds de eerste inschrijving;
– met 70% wanneer minstens 61 maanden verstreken zijn sinds de eerste inschrijving.
Bij het berekenen van de verstreken periode wordt een begonnen maand voor een volledige
maand geteld.
Voorbeeld
Een wagen werd voor het eerst ingeschreven op 21 juni 2011. Voor aanslagjaar 2013 (inkomsten
2012) moet dan een onderscheid gemaakt worden tussen de eerste periode van 1 januari 2012
tot en met 31 mei 2012 en de tweede periode van 1 juni 2012 tot en met 31 december 2012.
Voor de eerste periode moet de cataloguswaarde tegen de volle 100% in aanmerking worden
genomen. Voor de tweede periode (1 juni 2012 t.e.m. 31 december 2012) is dat tegen 94% van
de cataloguswaarde.
Dat elke begonnen maand voor een volledige maand telt geldt enkel voor de bepaling van de
cataloguswaarde. Het eigenlijke voordeel alle aard zal immers berekend worden op basis van het
aantal kalenderdagen. Om het juiste voordeel te bepalen moet de kalenderdagen worden geteld.
Omdat 2012 een schrikkeljaar is en dus 366 dagen telt bedraagt de eerste periode 152 dagen en
de tweede periode 214 dagen.
Voor aanslagjaar 2014 zal bij de berekening van het voordeel alle aard de cataloguswaarde
verminderd worden met 94% voor de periode van 1 januari 2013 t.e.m. 31 mei 2013 en met
88% voor de periode van 1 juni 2013 t.e.m. 31 december 2013.
Het CO2-basispercentage bedraagt voor de kalenderjaren 2012 en 2013:
– 5,5% voor dieselvoertuigen met een referentie-CO2-uitstoot664 van 95 g/km;
– 5,5% voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor met een referentie-CO2-uitstoot van 115 g/km665 (kalenderjaar 2012) of van 116 g/km (kalenderjaar 2013).
Wanneer de uitstoot hoger ligt dan respectievelijk 95 g/km of 115 g/km (of 116 g/km) wordt het
basispercentage verhoogd met 0,1% per CO2-gram tot maximum 18%.
Wanneer de uitstoot lager ligt wordt het basispercentage verlaagd met 0,1% per CO2-gram, met
dien verstande dat het verminderde basispercentage niet minder mag bedragen dan 4%666.
Er wordt enkel rekening gehouden met de CO2-uitstoot zoals die bekend is bij de DIV m.a.w.
met de uitstoot vermeld op het inschrijvingsbewijs en niet met deze vermeld op het gelijkvormigheidsattest667.
De voertuigen waarvoor geen gegevens m.b.t. de CO2-uitstoot beschikbaar zijn bij de DIV worden, indien ze worden aangedreven door een benzine-, LPG- of aardgasmotor, gelijkgesteld met
de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 205 g/km, en, indien ze worden aangedreven
door een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 195 g/km668.
Als een bedrijfswagen zowel op LPG als op benzine rijdt mag het voordeel berekend worden
rekening houdende met de laagste CO2 uitstoot, namelijk die van LPG669.
664
665
666
667
668
669
De Koning bepaalt jaarlijks de referentie-CO2-uitstoot in functie van de gemiddelde CO2-uitstoot van het jaar voorafgaand aan het belastbaar tijdperk ten opzichte van de gemiddelde CO2-uitstoot van het referentiejaar 2011 volgens de
modaliteiten die hij vastlegt. De gemiddelde CO2-uitstoot wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot van de voertuigen bedoeld in artikel 65 WIB die als nieuw zijn ingeschreven (art. 36, § 2, vijfde lid, WIB).
Art. 36, § 2, vierde lid, WIB.
Art. 36, § 2, zesde en zevende lid, WIB.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 41.
Art. 36, § 2, achtste lid, WIB.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 42.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
283
Chevalier-2013.book Page 284 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
Wanneer een bedrijfswagen uitsluitend wordt aangedreven door een elektrische motor en dus
met een uitstoot gelijk aan 0 gram per kilometer, moet rekening worden gehouden met het wettelijk vastgestelde minimum CO2 percentage van 4%670.
Voorbeeld
Een benzinewagen met een cataloguswaarde van 30.000 EUR werd voor het eerst ingeschreven
op 21 juni 2011. De CO2-uitstoot bedraagt 5 gram meer dan de referentie-CO2-uitstoot van
115 g/km, zodat het basispercentage van 5,5% met 0,5% moet worden vermeerderd tot 6%.
Voor aanslagjaar 2013 (inkomsten 2012) moet dan een onderscheid gemaakt worden tussen de
eerste periode van 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2012 en de tweede periode van 1 juni 2012
tot en met 31 december 2012. Voor de eerste periode moet de cataloguswaarde tegen de volle
100% in aanmerking worden genomen. Voor de tweede periode (1 juni 2012 t.e.m. 31 december
2012) is dat tegen 94% van de cataloguswaarde.
Dat elke begonnen maand voor een volledige maand telt geldt enkel voor de bepaling van de
cataloguswaarde. Het eigenlijke voordeel alle aard zal immers berekend worden op basis van het
aantal kalenderdagen. Om het juiste voordeel te bepalen moet de kalenderdagen worden geteld.
Omdat 2012 een schrikkeljaar is en dus 366 dagen telt bedraagt de eerste periode 152 dagen en
de tweede periode 214 dagen.
Het voordeel van alle aard voor aanslagjaar 2013 wordt als volgt berekend:
Periode 1.1.2012 t.e.m. 31.5.2012
30.000 EUR × 100% × 152/366 × 6/7 × 6% =
640,75 EUR
Periode 1.6.2012 tem 31.12.2012
30.000EUR × 94% × 214/366 × 6/7 × 6% =
847,98 EUR
Totaal voordeel voor aanslagjaar 2013
1.488,73 EUR
Het aldus berekende voordeel wordt weerhouden omdat het meer bedraagt dan het minimumvoordeel van 1.200 EUR.
C. Catalogusprijs inclusief opties en zonder korting
a. CATALOGUSPRIJS
Voor de berekening van het voordeel van alle aard dient men rekening te houden met de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier. Als er bij de bestelling
van een nieuwe bedrijfswagen door de verkoper een prijsgarantie wordt gegeven, moet men
rekening houden met de catalogusprijs van het betreffende voertuig in nieuwe staat bij verkoop
aan een particulier zoals die van toepassing is op het ogenblik van de bestelling van dat voertuig
in nieuwe staat. Indien er geen prijsgarantie is moet men rekening houden met de catalogusprijs
in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier zoals die van toepassing is op het ogenblik van
de facturatie van dat voertuig in nieuwe staat671.
In principe wordt rekening gehouden met de Belgische catalogusprijs maar als het voertuig niet
op de Belgische markt wordt verkocht, en er dus geen Belgische catalogusprijs bestaat, moet men
rekening houden met de buitenlandse catalogusprijs672.
Er bestaat geen verplichting om de catalogusprijs op de factuur te vermelden. De meeste constructeurs en invoerders hebben wel die gewoonte. De minister van Financiën hoopt dat de meeste constructeurs en invoerders de gewoonte om de catalogusprijs te vermelden op de factuur
verder zullen zetten673.
670
671
672
673
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 43.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 19.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 22.
Parl. St., Kamer, 2011-12, nr. 53-2081/016, p. 56.
284
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 285 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
– 62
Voor de tweedehandswagens en voor de gevallen waar de cataloguswaarde niet onmiddellijk
afleesbaar is op een factuur of contract, zal volgens de minister een betrouwbare en voldoende
uitgeruste database noodzakelijk zijn. Momenteel overlegt de FOD Financiën met de beroepsfederaties om uit te maken welke database en onder welke voorwaarden die kan worden gebruikt
en/of opgebouwd674.
b. OPTIES EN OPTIEPAKKETTEN
Met opties worden bijkomende voorzieningen aan de wagen bedoeld die door gelijk welke bestuurder kunnen worden gekozen uit een bepaald aanbod. De speciale verbouwingskosten om
gehandicapten toe te laten om de wagen te gebruiken vallen daar niet onder675, met dien verstande dat de kosten om een automatische versnellingsbak te installeren wel opgenomen wordt in de
berekeningsgrondslag want ook personen zonder lichamelijke beperkingen kunnen een dergelijke optie verkrijgen676.
Hoe moet het voordeel worden berekend wanneer er bijvoorbeeld n.a.v. een speciale actie gratis
of tegen verminderde prijs optiepakketten worden toegekend? Er mag geen rekening worden
gehouden met enige korting, vermindering, rabat of ristorno.
Concreet betekent dit dat wanneer de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop
aan een particulier 30.000 EUR (excl. BTW) bedraagt en n.a.v. een speciale actie een gratis optiepakket ter waarde van 3.000 EUR (excl. BTW) wordt toegekend, de werkelijk betaalde BTW
6.300 EUR bedraagt, namelijk 21% × 30.000 EUR.
Voor de berekening van het voordeel moet bijgevolg rekening worden gehouden met een cataloguswaarde van 39.300 EUR, namelijk 30.000 EUR verhoogd met de werkelijk betaalde BTW
van 6.300 EUR en verhoogd met het gratis toegekend optiepakket van 3.000 EUR.
Wanneer daarentegen ditzelfde optiepakket niet gratis maar tegen een verminderde prijs van
2.000 EUR (excl. BTW) wordt toegekend bedraagt de werkelijk betaalde BTW 6.720 EUR, namelijk 21% × (30.000 EUR + 2.000 EUR). Voor de berekening van het voordeel moet bijgevolg
rekening worden gehouden met een cataloguswaarde van 39.720 EUR, namelijk een catalogusprijs van 30.000 EUR verhoogd met de werkelijk betaalde BTW van 6.720 EUR en verhoogd
met het optiepakket ter waarde van 3.000 EUR677.
De prijs van een optiepakket is meestal goedkoper dan de som van de prijzen van de individuele
opties vervat in dat pakket. Moet er voor de vaststelling van de cataloguswaarde rekening worden gehouden met de prijs van het optiepakket of met de som van de prijzen van de individuele
opties vervat in het pakket? Indien een optiepakket678 wordt aangeboden dat niet beschikbaar is
voor de particuliere markt dan moet men om de berekeningsbasis te bepalen rekening houden
met de som van de prijzen van de individuele opties vervat in dat pakket. Indien het optiepakket
beschikbaar is voor de particuliere markt dan wordt rekening gehouden met de prijs van het
optiepakket en niet met de som van de individuele opties vervat in dat pakket679.
Wanneer er na de aankoop van het voertuig nog door de werkgever betaalde accessoires worden
aangebracht aan het voertuig, dan moet men rekening houden met deze accessoires bij de berekening van het voordeel alle aard. De vermindering van de cataloguswaarde in functie van het
aantal maanden die zijn verstreken sinds de eerste inschrijving van het betrokken voertuig mag
674
675
676
677
678
679
Parl. St., Kamer, 2011-12, nr. 53-2081/016, p. 56.
Parl. St., Kamer, 2011-12, nr. 53-2081/016, p. 55 en 56.
FAQ d.d. 1 oktober 2012 nr. 32.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 26.
Een optiepakket dat beschikbaar is voor de particuliere markt is een optiepakket samengesteld door de constructeurs
of invoerders en dat alszodanig aangeboden wordt op de particuliere markt tegen een door hen vastgestelde officiële
prijs. Niet bedoeld zijn de door een plaatselijke dealer zelf samengestelde optiepakketten ter gelegenheid van promotionele acties tegen een lagere prijs dan de som van de prijzen van de individuele opties vervat in dat pakket. In dat geval
gaat het om een commerciële korting die de plaatselijke dealer aanbiedt en waarmee geen rekening mag worden gehouden bij de vaststelling van de cataloguswaarde (FAQ nr. 27).
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 27.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
285
Chevalier-2013.book Page 286 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
worden toegepast op de cataloguswaarde van het voertuig met inbegrip van de achteraf nog
aangebrachte accessoires680.
c. ZONDER KORTING
Bij het berekenen van de cataloguswaarde mag geen rekening gehouden worden met enige korting, vermindering, rabat of restorno.
Voorbeeld (aankoop nieuwe wagen met 4% korting op cataloguswaarde)
Een benzinevoertuig werd nieuw aangekocht voor 29.040 EUR, nl. (25.000 – 1.000 korting) +
5.040 EUR BTW, nl. 24.000 × 21%. De CO2-uitstoot bedraagt 160 gr/km. Het voordeel voor
aanslagjaar 2013 wordt als volgt berekend:
(25.000 EUR + 5.040 EUR) × (5,5% + (160 – 115) × 0,1%) × 6/7
30.040 EUR × (5,5% + 4,5%) × 6/7
30.040 EUR × 10% × 6/7 = 2.489,14 EUR.
Wanneer een korting werd toegestaan zal de werkelijk betaalde BTW zoals die vermeld staat op
de factuur lager zijn dan wanneer geen korting zou zijn toegekend. Hierdoor heeft een toegestane
korting toch onrechtstreeks een impact op de cataloguswaarde die in aanmerking komt voor het
berekenen van het voordeel alle aard.
Wat met een (tijdelijke) prijsverlaging die in een reclamecampagne aangeduid wordt als een klantenvoordeel? In dat geval geldt de verlaagde catalogusprijs als berekeningsgrondslag voor het
voordeel van alle aard voor zover die (tijdelijke) prijs door de constructeur/invoerder ook daadwerkelijk wordt opgenomen als een nieuwe catalogusprijs in zijn prijslijsten en hij algemeen van
toepassing is bij verkoop aan een particulier681.
Hetzelfde principe geldt onder dezelfde voorwaarden:
– wanneer ter gelegenheid van promotionele acties optiepakketten worden aangeboden aan
een lagere prijs dan die van de individuele opties;
– wanneer ingevolge een promotionele actie “een voertuig wordt voorzien van een optiepakket, en dat voertuig samen met dat optiepakket aan dezelfde catalogusprijs als voorheen
wordt aangeboden.
Wanneer niet voldaan is aan de voormelde voorwaarden moet het klantenvoordeel wel als een
korting worden aangemerkt, waarmee dus geen rekening mag worden gehouden bij de berekening van het voordeel alle aard.
d. WERKELIJK BETAALDE BTW
De werkelijk betaalde BTW is de BTW die werd vermeld op de aankoopfactuur van het voertuig.
Wanneer een korting werd toegestaan zal de werkelijk betaalde BTW zoals die vermeld staat op
de factuur lager zijn dan wanneer geen korting zou zijn toegekend. Hierdoor heeft een toegestane
korting toch onrechtstreeks een impact op de cataloguswaarde die in aanmerking komt voor het
berekenen van het voordeel alle aard.
Voorbeeld: aankoop nieuwe wagen met 4% korting op cataloguswaarde
Een benzinevoertuig werd nieuw aangekocht voor 29.040 EUR, nl. (25.000 – 1.000 korting) +
5.040 EUR BTW, nl. 24.000 × 21%. De CO2-uitstoot bedraagt 160 gr/km. Het voordeel voor
aanslagjaar 2013 wordt als volgt berekend:
(25.000 EUR + 5.040 EUR) × (5,5% + (160 – 115) × 0,1%) × 6/7
30.040 EUR × (5,5% + 4,5%) × 6/7
30.040 EUR × 10% × 6/7 = 2.489,14 EUR.
680
681
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 30.
FAQ d.d. 1 oktober 2012 nr. 28.
286
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 287 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
– 62
Indien het ter beschikking gestelde voertuig een tweedehandswagen is, moet men voor de berekening van het voordeel alle aard steeds rekening houden met de BTW die werkelijk is betaald
op het ogenblik van de tweedehandsverkoop.
Bij tweedehandse aankoop onder margeregeling vermeldt de factuur geen werkelijke BTW en
komt er dus bij het berekenen van het voordeel geen BTW in de berekeningsgrondslag682.
D. Minimumvoordeel van alle aard
Voor aanslagjaar 2013 bedraagt het minimumvoordeel 1.200 EUR per wagen en per jaar en
voor aanslagjaar 2014 bedraagt het minimumvoordeel 1.230 EUR683.
Voorbeeld (gelijktijdige beschikking over twee bedrijfswagens)
Het forfaitair geraamde voordeel van alle aard voor firmawagen A bedraagt 900 EUR per jaar
en voor firmawagen B 1.400 EUR per jaar. Wanneer een werknemer of een bedrijfsleider tezelfdertijd de beschikking heeft over beide firmawagens wordt het voordeel voor aanslagjaar 2013
als volgt berekend:
– voor firmawagen A: in principe 900 EUR maar minimum
1.200 EUR
– voor firmawagen B:
1.400 EUR
Totaal voordeel voor aanslagjaar 2013
2.600 EUR
Voorbeeld (opeenvolgende beschikking over twee bedrijfswagens)
Het forfaitair geraamde voordeel van alle aard voor firmawagen A bedraagt 900 EUR per jaar
en voor firmawagen B 1.400 EUR per jaar. De werknemer of bedrijfsleider ruilt op 1 juni 2012
de firmawagen A in voor firmawagen B.
Het voordeel voor aanslagjaar 2013 wordt als volgt berekend:
– firmawagen A: 1.1.2012 t.e.m. 31.5.2012
1.200 EUR × 152/366 =
498,36 EUR
– firmawagen B: 1.6.2012 t.e.m. 31.12.2012 1.400 EUR × 214/366 =
818,58 EUR
Totaal voordeel voor aanslagjaar 2013
1.316,94 EUR
E. Bedrijfswagen met of zonder tankkaart
Als een werknemer of bedrijfsleider naast een bedrijfswagen ook een tankkaart ter beschikking
krijgt, hoeft voor de tankkaart geen bijkomend voordeel te worden aangerekend684.
Als een werknemer of bedrijfsleider slechts een tankkaart ter beschikking krijgt en geen bedrijfswagen geeft de tankkaart wat het privégebruik betreft (dus woon-werkverplaatsingen en andere
privéverplaatsingen) aanleiding tot het weerhouden van een voordeel alle aard gelijk aan de
werkelijke waarde in hoofde van de verkrijger (art. 36, eerste lid, WIB). Dit betekent dat de
kostprijs van de brandstof getankt met de ter beschikking gestelde kaart moet worden verminderd met het aandeel dat werd gebruikt voor de dienstverplaatsingen in opdracht van de werkgever of vennootschap. Het saldo moet bij de werknemer/bedrijfsleider worden aangemerkt als
een belastbaar voordeel van alle aard685.
F. Vaste plaats van tewerkstelling
De regel van 40-dagen geldt nog steeds voor de vaststelling van de vaste plaats van tewerkstelling686.
682
683
684
685
686
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 23.
Art. 36, § 2, achtste lid, WIB.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 11.
Vr. & Antw., Kamer, 2011-12, nr. 53-059, 138.
FAQ 1 oktober 2012, nr. 58.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
287
Chevalier-2013.book Page 288 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
G. Verworpen uitgaven te weerhouden op voordeel alle aard
De huidige beperking op de met de voertuigen verbonden kosten (art. 66 en 198bis WIB) staat
in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig. Bovenop deze beperking moet de vennootschap
17% van het bedrag van het voordeel alle aard dat weerhouden is voor het persoonlijk gebruik
van de bedrijfswagen toevoegen aan de verworpen uitgaven687. Die 17% moet dus worden berekend op het voordeel in voorkomend geval verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer688.
Voorbeeld
Het voordeel voor aanslagjaar 2013 bedraagt per hypothese 2.500 EUR.
Indien de genieter van het voordeel alle aard niet tussenkomt in het voordeel moet de vennootschap die het voordeel verstrekte een bedrag aan de verworpen uitgaven toevoegen gelijk aan
(2.500 EUR – 0 EUR) × 17% = 425 EUR.
Indien de genieter van het voordeel alle aard tussenkomt in het voordeel t.b.v. 1.000 EUR moet
de vennootschap een bedrag aan de verworpen uitgaven toevoegen gelijk aan (2.500 EUR –
1.000 EUR) × 17% = 255 EUR.
Indien de genieter tussenkomt voor een bedrag gelijk aan het forfaitair berekende voordeel moet
de vennootschap die het voordeel heeft verstrekt niets opnemen in de verworpen uitgaven want
(2.500 EUR – 2.500 EUR) × 17% = 0 EUR.
Op het zoals hierboven berekende bedrag aan verworpen uitgaven mogen geen aftrekken als
bedoeld in de artikelen 199 tot 206 WIB worden toegepast689. Bijgevolg kan de vennootschap op
die verworpen uitgaven geen giften, DBI, VRI, notionele interestaftrek, octrooiaftrek, vorige
verliezen noch investeringsaftrek in mindering brengen.
H. Beperking van werkelijke beroepskosten in functie van voordeel alle aard
Bij het berekenen van het voordeel alle aard wordt geen rekening meer gehouden met het aantal
privékilometers. Met het aantal privékilometers wordt wel rekening gehouden bij het berekenen
van de bewezen beroepskosten, meer bepaald in het kader van het woon-werkverkeer. Als bewezen beroepskost mag 0,15 EUR/km worden afgetrokken, zowel in het geval men zijn eigen wagen hiervoor gebruikt als in het geval men beroep doet op een bedrijfswagen. Om te vermijden
dat de bewezen beroepskosten groter zouden zijn dan het aangerekende voordeel voor de bedrijfswagen is voortaan bepaald dat de beroepskosten vastgesteld op basis van het forfait
(0,15 EUR/km) nooit meer mogen bedragen dan het voordeel alle aard voortspruitend uit het
gebruik van de bedrijfswagen, desgevallend verhoogd met de bijdrage van de genieter van het
voordeel690.
Voorbeeld
Het voordeel voor aanslagjaar 2013 bedraagt 2.800 EUR. Er is een persoonlijke bijdrage van de
bedrijfsleider van 1.000 EUR zodat het effectief belastbaar voordeel vermindert tot 1.800 EUR.
De bedrijfsleider gebruikt de bedrijfswagen in 2012 voor het woon-werkverkeer ten belope van
20.000 km, wat in principe een aftrekbare beroepskost met zich zou meebrengen van 20.000 km
× 0,15 EUR/km = 3.000 EUR. De aftrek van de werkelijke autokosten mag echter volgens artikel 66, § 5, laatste lid, WIB niet meer bedragen dan het effectief belastbaar voordeel
687
688
689
690
Art. 198, § 1, 9° WIB, zoals ingevoegd door art. 43 Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, B.S.,
30 december 2011, toepasselijk op de voordelen alle aard toegekend vanaf 1 januari 2012.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 59.
Art. 207, tweede lid, WIB aangevuld door art. 46 Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, B.S.,
30 december 2011.
Art. 66, § 5, laatste lid, WIB zoals ingevoegd door art. 40 Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen,
B.S., 30 december 2011, toepasselijk op de voordelen van alle aard toegekend vanaf 1 januari 2012.
288
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 289 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
– 62
(1.800 EUR) verhoogd met de persoonlijke bijdrage van de genieter van het voordeel
(1.000 EUR) wat een maximumgrens oplevert van 2.800 EUR.
I. Georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
Wanneer een werknemer van zijn werkgever een bedrijfswagen ter beschikking heeft gekregen en
hiermee in opdracht van die werkgever op weg naar zijn vaste plaats van tewerkstelling één of
meer collega’s moet oppikken die meerijden tot aan het werk, is er sedert 1 januari 2012 slechts
sprake van door de werkgever “georganiseerd gemeenschappelijk vervoer” voor zover de volgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan:
– de werkgever moet de regels en de modaliteiten voor het gebruik van het gemeenschappelijk
vervoer vastleggen en anderzijds toezien op het gebruik ervan door de werknemers. Bovendien moeten de regels voor het gebruik van het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer,
evenals de voorwaarden van de vergoedingen, opgenomen zijn in een collectieve overeenkomst of in individuele schriftelijke overeenkomsten die zijn gesloten tussen de werkgever of
de groep van werkgevers en elke werknemer;
– het aandeel carpooling (waarbij enkele personen tezamen in één en dezelfde personenauto
het traject tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling afleggen) in het totale traject
woonplaats – vaste plaats van tewerkstelling moet essentieel zijn. Concreet betekent dit dat
het aandeel carpooling voor de werknemer-chauffeur minstens 80% moet bedragen in het
totale traject woonplaats – vaste plaats van tewerkstelling;
– het betreffende voertuig mag verder niet voor eigenlijke privéverplaatsingen worden gebruikt.
In voorkomend geval wordt het volledige woon-werktraject (dus met inbegrip van het deel van
het traject m.b.t. de individuele woon-werkverplaatsingen dat minder dan 20% van het totale
woon-werktraject bedraagt) geacht te zijn afgelegd in het kader van het “georganiseerd gemeenschappelijk vervoer” en wordt het voordeel dat hieruit voortvloeit voor de werknemer-chauffeur
(net zoals dat steeds het geval is geweest voor de werknemers-passagiers) vrijgesteld als sociaal
voordeel. Er moet dus niets worden vermeld op de fiche 281.10691. In alle andere gevallen (geen
regels en modaliteiten vastgelegd voor het gebruik van het gemeenschappelijk vervoer, aandeel
carpooling voor de werknemer-chauffeur minder dan 80% van het totale traject woonplaats –
vaste plaats van tewerkstelling en/of toegestaan privégebruik) wordt er aangenomen dat er voor
de werknemer-chauffeur in geval van carpooling met een door de werkgever ter beschikking
gesteld voertuig geen georganiseerd gemeenschappelijk vervoer is, zodat de vrijstelling als sociaal
voordeel niet kan worden toegepast. In dat geval zal er een voordeel van alle aard moeten worden belast692.
J. Solidariteitsbijdrage op het gebruik van bedrijfswagens
Een solidariteitsbijdrage is verschuldigd door de werkgever die een voertuig, dat ook voor andere
dan beroepsdoeleinden is bestemd, ter beschikking stelt van zijn werknemer, ongeacht elke financiële bijdrage van de werknemer in de financiering en/of het gebruik van dit voertuig.
Het bedrag van de werkgeversbijdrage is afhankelijk van het CO2-uitstootgehalte van het voertuig693 en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd. De maandelijkse bijdrage, die niet minder
dan 24,25 EUR per maand mag bedragen, werd als volgt vastgesteld voor 2012:
– voor benzinevoertuigen:
(Y × 9 euro) – 768) × 1/12 × 1,1641;
– voor dieselvoertuigen:
(Y × 9 euro) – 600) × 1/12 × 1,1641;
– voor LPG:
(Y × 9 euro) – 990) × 1/12 × 1,1641.
691
692
693
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 39.
FAQ d.d. 1 oktober 2012, nr. 40, www.minfin.fgov.be.
Zoals vastgesteld krachtens het K.B. van 26 februari 1981 houdende uitvoering van de richtlijnen van EG betreffende
de goedkeuring van motorvoertuigen.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
289
Chevalier-2013.book Page 290 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
De variabele Y staat voor het CO2-uitstootgehalte in gram per kilometer, zoals vermeld in het
gelijkvormigheidsattest of in het PV van gelijkvormigheid van het voertuig, of in de gegevensbank van de dienst voor de inschrijving van de voertuigen.
Voertuigen met elektrische aandrijving zijn steeds onderworpen aan de maandelijkse minimumbijdrage.
De benzinevoertuigen waarvoor geen gegevens m.b.t. de CO2-uitstoot beschikbaar zijn, worden
gelijkgesteld met voertuigen met een CO2-uitstoot van 182 g/km. De dieselvoertuigen waarvoor
geen gegevens m.b.t. de CO2-uitstoot beschikbaar zijn, worden gelijkgesteld met voertuigen met
een CO2-uitstootgehalte van 165 g/km.
De maandelijkse bijdrage is volgens de RSZ-onderrichtingen ook verschuldigd wanneer de werknemer het voertuig gedurende slechts een deel van de maand ter beschikking had, en indien een
werknemer tijdens een bepaalde maand van voertuig verandert moet rekening worden gehouden
met het voertuig dat het meest werd gebruikt in de loop van die maand (http://www.rsz.be).
De RSZ mag, in het kader van de solidariteitsbijdrage, ervan uitgaan dat de bedrijfswagens ter
beschikking is gesteld van de werknemer voor andere dan beroepsdoeleinden. Dit wettelijk vermoeden geldt voor ieder voertuig ingeschreven op naam van de werkgever of die het voorwerp
uitmaakt van een huur- of leasingcontract of van gelijk welk ander contract voor het gebruik van
het voertuig. De werkgever mag uiteraard het tegendeel bewijzen door aan te tonen dat het
voertuig ofwel wordt gebruikt voor andere dan loutere beroepsdoeleinden door een persoon die
echter niet valt onder het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor werknemers ofwel
louter voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt694.
Onder voertuig ter beschikking gesteld aan de werknemer voor andere dan loutere beroepsdoeleinden wordt o.a. verstaan: het voertuig dat de werkgever ter beschikking stelt aan de werknemer om de woon-werkverplaatsing individueel af te leggen en/of voor privé-gebruik alsook het
voertuig gebruikt voor het collectief vervoer van werknemers695.
In het kader van het collectief vervoer van werknemers is onder bepaalde voorwaarden geen
solidariteitsbijdrage verschuldigd. In geval van terbeschikkingstelling van een voertuig voor het
collectief vervoer van werknemers is de solidariteitsbijdrage niet verschuldigd indien het gaat om
een systeem van vervoer van werknemers overeengekomen door de sociale partners waarin gebruik wordt gemaakt van een voertuig, behorend tot de categorie N1, waarin, naast de
chauffeur, minstens twee andere werknemers van de onderneming aanwezig zijn gedurende minstens 80% van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur en voor zover
de werkgever bovendien bewijst dat er geen ander privé-gebruik wordt gemaakt van dit voertuig696. Wanneer het gebruikte voertuig minder dan drie plaatsen bevat of wanneer de ruimte
voorbehouden voor het vervoer van personen uit één enkele zitbank of slechts één rij zitplaatsen
bestaat, volstaat het dat, naast de chauffeur, minstens een andere werknemer van de onderneming aanwezig is gedurende minstens 80% van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur.
In het kader van het collectief vervoer van werknemers is evenmin een solidariteitsbijdrage verschuldigd voor het vervoer met een voertuig behorende tot de categorie M1 met ten minste vijf
plaatsen, de zetel van de chauffeur niet inbegrepen, en maximum acht plaatsen, de zetel van de
chauffeur niet inbegrepen697.
694
695
696
697
Art. 38 § 3quater 1° , tweede lid, Wet van 29 juni 1981.
Art. 85 Programmawet van 27 december 2005, B.S., 30 december 2005.
Art. 38 § 3quater, derde lid, Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid.
In dit geval moet naast de chauffeur gewoonlijk minstens drie werknemers van de onderneming aanwezig zijn gedurende minstens 80% van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur en moet het voertuig geïdentificeerd zijn als dienend voor het collectief vervoer van werknemers van de onderneming en de werkgever moet
bewijzen dat er geen ander privé-gebruik van dit voertuig is (Art. 38 § 3quater, 2° b Wet van 29 juni 1981 houdende
de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
290
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 291 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
– 62
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de RSZ binnen dezelfde termijnen en onder
dezelfde voorwaarden als de sociale zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De Administratie der directe belastingen, alsook de dienst voor inschrijving van de voertuigen
dienen de personen belast met de toepassing van de sociale wetgeving de nodige informatie te
verstrekken voor de correcte inning van de werkgeversbijdrage698. Indien blijkt dat de werkgever
één of meerdere voertuigen onderworpen aan de solidariteitsbijdrage niet heeft aangegeven of
dat hij één of meerdere valse aangiften heeft gedaan om de betaling van de bijdrage geheel of
gedeeltelijk te ontduiken, is de werkgever een forfaitaire vergoeding verschuldigd waarvan het
bedrag gelijk is aan het dubbel van de ontdoken bijdragen699.
§ 7. Huispersoneel
A. Kosteloze beschikking over dienstboden en huispersoneel
Het jaarlijks voordeel wordt geraamd op 5.950 EUR per werkman, hovenier, chauffeur, dienstmeisje en werkster, die voltijds tewerkgesteld is700.
B. Voordelen verkregen door huispersoneel
Per dag
Per jaar
Eerste maaltijd (ontbijt)
Aard van de voordelen
0,55
198,00
Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd)
1,09
329,40
Derde maaltijd (avondmaal)
0,84
302,40
Huisvesting, verwarming, verlichting
0,74
266,40
Totaal
3,22
1.159,20
De forfaitaire raming van de huisvesting, verwarming, verlichting geldt evenwel slechts voor het
huispersoneel dat over één enkele kamer beschikt701. Wanneer de belanghebbenden het genot
hebben van verscheidene woonvertrekken, wordt het voordeel vastgesteld overeenkomstig de
normale forfaitaire regels die gelden voor werknemers, m.a.w. het voordeel voor de kosteloze
beschikking van onroerende goederen en kosteloze verstrekking van verwarming en elektriciteit.
§ 8. Overdracht aandelen tegen verminderde prijs
A. Principe
Wanneer een vennootschap een aantal van haar eigen aandelen of een aantal aandelen van de
vennootschap waarvan zij geacht wordt een dochter- of een kleindochteronderneming te zijn,
tegen verminderde prijs aan haar werknemers of bestuurders overdraagt, ontstaat bij de verkrijger in het jaar van de verkrijging van die aandelen een belastbaar voordeel dat als een bezoldiging
wordt aangemerkt. Om de waarde van het voordeel te ramen, moet o.a. een onderscheid worden
gemaakt tussen niet-beursgenoteerde en beursgenoteerde aandelen702.
Wanneer de aandelen noch op een Belgisch noch op een buitenlandse beurs genoteerd zijn is de
waarde van het voordeel gelijk aan het verschil tussen de intrinsieke waarde (berekend op basis
van het nettoactief) van de verkregen aandelen en de werkelijk door de verkrijger betaalde prijs.
698
699
700
701
702
Art. 38 § 3quater Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Art. 38 § 3quater 10° Wet van 29 juni 1981.
Art. 18 § 3, 5. K.B./WIB.
Art. 18 § 3, 6. K.B./WIB.
Ci. RH. 241/467.450 van 21 juni 1995, Bull. Bel., 1995, nr. 752, p. 2155.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
291
Chevalier-2013.book Page 292 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
Wanneer de aandelen wel op een Belgische of buitenlandse beurs genoteerd zijn is de waarde van
het voordeel gelijk aan het verschil tussen de beurswaarde van de verkregen aandelen en de door
de verkrijger betaalde prijs.
Voorbeeld
Een vennootschap verkoopt aan haar werknemers aandelen die zij bezit van een beursgenoteerde
onderneming. De boekwaarde van de aandelen bedroeg 100.000 EUR. De verkoopprijs bedraagt
70.000 EUR terwijl de beurswaarde van die aandelen op de datum van verkoop 90.000 EUR
bedraagt. De verkoop heeft tot gevolg dat in hoofde van de werknemers een voordeel van alle
aard wordt weerhouden van 20.000 EUR, nl. 90.000 EUR – 70.000 EUR (art. 31, 2° WIB). De
door de vennootschap verwezenlijkte minderwaarde van 30.000 EUR is bovendien op grond van
artikel 198, eerste lid, 7° WIB niet aftrekbaar als beroepskost703.
In de volgende gevallen is de waarde van het voordeel evenwel gelijk aan het verschil tussen 100/
120 van de beurswaarde van de verkregen aandelen en de door de verkrijger betaalde prijs:
– wanneer de vennootschap haar eigen aandelen inkoopt en ze zodanig massaal overdraagt,
dat op die aandelen een koersval op de beurs kan worden verwacht;
– wanneer de effecten – andere dan de hierna (infra, B.) bedoelde aandelen – met de toestemming van de betrokken partijen bij de verkrijgers gedurende ten minste twee jaar “onbeschikbaar” zijn gemaakt704.
B. Uitzondering
Er dient geen enkel belastbaar voordeel ten name van de werknemers in aanmerking te worden
genomen wanneer het aandelen betreft die in het kader van artikel 609 van het Wetboek van
vennootschappen ter gelegenheid van een kapitaalverhoging zijn uitgegeven en geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het geheel van de personeelsleden van de vennootschap of voor het
geheel van de personeelsleden van haar dochtervennootschappen en alle ter zake gestelde voorwaarden zijn vervuld.
De belangrijkste voorwaarden zijn:
– de vermindering die aan de personeelsleden wordt toegekend, mag maximaal 20% van de
normale uitgifteprijs bedragen705;
– de vennootschap moet in de loop van de laatste drie boekjaren ten minste twee dividenden
hebben uitgekeerd;
– het mag niet gaan om aandelen zonder stemrecht;
– het maximumbedrag van een dergelijke kapitaalverhoging die tijdens het lopend boekjaar en
de vier voorgaande boekjaren heeft plaatsgehad, mag niet meer bedragen dan 20% van het
maatschappelijk kapitaal, de voorgenomen kapitaalverhoging inbegrepen;
– de aandelen moeten op naam zijn gesteld en kunnen niet worden overgedragen gedurende
een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de inschrijving, behalve in geval van afdanking of
pensionering van het personeelslid, overlijden of invaliditeit van de begunstigde of zijn echtgenoot (Art. 49 Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch Actieplan voor de Werkgelegenheid). Indien alle voorwaarden vervuld zijn, geldt tevens een vrijstelling inzake RSZbijdragen (Art. 48 Wet van 26 maart 1999).
Artikel 49 van de Wet van 26 maart 1999 is van toepassing ongeacht het feit dat de emittent een
niet-Belgische vennootschap is die als dusdanig niet aan de regels in het Belgisch Wetboek van
703
704
705
Vr. nr. 153 van 7 december 1999, Pieters.
De circulaire Ci. RH. 231/476.630 van 23 januari 2002 raakt niet aan de administratieve 100/120-regel die gehanteerd
wordt bij het bepalen van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de toekenning van eigen aandelen aan werknemers en bedrijfsleiders tegen een verminderde prijs.
De uitgifteprijs van de aandelen mag immers niet lager zijn dan 80% van de prijs die gerechtvaardigd werd in het verslag van
de raad van bestuur en in het verslag van de commissaris, bedrijfsrevisor of externe accountant (art. 609 § 2, 4° W. Venn.).
292
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Chevalier-2013.book Page 293 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E P S K O S TE N
– 62
Vennootschappen onderworpen is. Voor de buitenlandse vennootschappen die niet onder de
bepalingen van artikel 609 W. Venn. vallen, wordt aanvaard dat het voordeel niet belastbaar is,
mits wordt aangetoond dat de bedoelde kapitaalverhoging wordt doorgevoerd en het voordeel
wordt verleend onder de essentiële voorwaarden van artikel 609 Wetboek van Vennootschappen706.
§ 9. Aandelenoptieovereenkomsten vanaf 1 januari 1999
A. Definitie
De wet voorziet thans in een specifieke regeling om het voordeel van alle aard te bepalen dat
voortkomt uit het gratis toekennen van aandelenopties. De krachtlijnen worden hierna bondig
weergegeven.
Aandelenopties omvatten de mogelijkheid aan een bepaalde prijs en binnen een bepaalde termijn
een bepaald aantal aandelen of winstbewijzen van een vennootschap te verwerven, of onder
dezelfde voorwaarden in te schrijven op een kapitaalverhoging. Deze definitie van aandelenopties omvat ook de warrants of inschrijvingsrechten707.
Warrants zijn effecten die aan de houder ervan de mogelijkheid bieden om, tegen de voorwaarden bepaald op het ogenblik van de uitgifte, in te schrijven op nieuwe aandelen die worden
uitgegeven in het kader van een kapitaalverhoging. Op het ogenblik van de uitgifte van warrants
wordt reeds de beslissing tot kapitaalverhoging genomen, maar de realisatie en vaststelling ervan
worden uitgesteld tot op het ogenblik van de uitoefening van de warrants. De uitgifte van warrants geschiedt middels de naleving van de geëigende vennootschapsrechtelijke procedure zoals
neergelegd in de artikelen 496 en volgende van het Wetboek van vennootschappen708.
Winstbewijzen zijn niet-kapitaalvertegenwoordigende effecten en kunnen worden uitgegeven,
zowel bij de oprichting van de vennootschap als tijdens het bestaan van de vennootschap.
In de rechtsleer wordt soms verdedigd dat ook een optie welke het keuzerecht geeft aan de werknemer om het onderliggend aandeel te kopen of om een vergoedende vergoeding (cash settlement) te ontvangen, onder toepassing van de Optiewet van 26 maart 1999 valt. Evenwel mag
het aandelenoptieplan geen clausule bevatten krachtens dewelke een regeling in speciën verplicht
zou zijn709.
B. De toekenning van de optie als belastbaar feit
De voordelen van alle aard die voortvloeien uit het gratis toekennen van aandelenopties door een
vennootschap waarmee men zich in een professioneel verband bevindt, of door een hiermee
verbonden onderneming, maken in hoofde van de begunstigde belastbare beroepsinkomsten uit
706
707
708
709
Voorafgaande beslissing nr. 900.129 van 2 juni 2009.
Art. 41 Wet 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse
bepalingen, B.S., 1 april 1999.
Naamloze vennootschappen kunnen naakte warrants of aan een ander effect verbonden warrants uitgeven. De periode
tijdens welke de warrants kunnen worden uitgeoefend, mag niet langer zijn dan 10 jaar te rekenen vanaf hun uitgifte.
In de voorwaarden van uitgifte wordt bepaald op welke data de inschrijving op aandelen, in geval van uitoefening van
de optie, zal plaatshebben en binnen welke termijnen de warranthouders hun besluit moeten doen kennen. Indien de
uitgifte van warrants in hoofdzaak is bestemd voor één of meerdere bepaalde personen andere dan de leden van het
personeel van hun vennootschap of één of meer dochtervennootschappen, dan mag de warrant de duur van 5 jaar vanaf
zijn uitgifte niet te boven gaan. Daarenboven zijn de bepalingen die zijn opgenomen in de uitgiftevoorwaarden en die
beogen de houders van warrants ertoe te dwingen ze uit te oefenen, nietig.
J.-F. HUBIN en W. VANDENBERGHE, “Boekhoudkundig-fiscale aspecten van de ESOP-kost en de hedging-technieken
(tweede deel)”, A.F.T., 2001, p. 221, voetnoot nr. 1.
LARCIER
–
V A D E M E C U M V E N N O O TS C H AP S B E L A S TI N G
2 013
293
Chevalier-2013.book Page 294 Monday, May 6, 2013 11:50 AM
B E R O E PS K O S T E N
– 62
op het ogenblik van de toekenning van de optie710. (Gebeurt de optie niet kosteloos, dan is het
verschil tussen de waarde van de optie en de betaalde prijs als beroepsinkomen belastbaar).
Het is de optie zelf die (meestal forfaitair) belast wordt, en niet de voordelen die de optienemer
verkrijgt door de verkoop van de optie, door de uitoefening van de optie of door vervreemding
van de onderliggende effecten.
Het belastbaar feit situeert zich op het ogenblik van de toekenning van de optie en niet op het
ogenblik van het lichten van de optie711. De belastbaarheid van het voordeel bij de toekenning
van de optie houdt wel het risico in dat de aandelen waarop de optie betrekking heeft, in waarde
zijn gedaald op het tijdstip van de uitoefening van de optie.
De optie wordt geacht toegekend te zijn op de 60e dag volgend op het aanbod712, zelfs als het
recht om de optie uit te oefenen gepaard gaat met ontbindende of opschortende voorwaarden.
Het aanbod van de optie moet schriftelijk en gedateerd ter kennis worden gebracht van de begunstigde. De optie wordt geacht op de zestigste dag na het aanbod te zijn toegekend, althans
indien de begunstigde de optie ten laatste op die zestigste dag schriftelijk heeft aanvaard. Zoniet,
wordt hij geacht het aanbod geweigerd te hebben713.
In afwijking op de regel zijn de verkregen voordelen bij de toekenning van aandelenopties uitgegeven ter gelegenheid van een kapitaalverhoging in het kader van artikel 609 van het Wetboek
van vennootschappen niet belastbaar in hoofde van de begunstigden714.
C. Waardering van het voordeel
a. BEURSGENOTEERDE OPTIES
Het voordeel alle aard dat voortvloeit uit het gratis toekennen van beursgenoteerde opties is
gelijk aan de beurskoers van de optie. Dit is de gemiddelde koers van de optie op de laatste
werkdag die aan het aanbod van de optie voorafgaat715.
Indien de opties toegekend worden tegen betaling dan moet de bijdrage van de begunstigde
uiteraard in mindering worden gebracht716.
b. NIET-BEURSGENOTEERDE OPTIES: PRINCIPE 15% (OF 18%)
Het voordeel alle aard dat voortvloeit uit het gratis toekennen van niet-beursgenoteerde opties
wordt in principe forfaitair geraamd op 15% van de waarde van de onderliggende aandelen of
winstbewijzen. De forfaitaire raming tegen 15% van de waarde van de onderliggende aandelen
710
711
712
713
714
715
716
Het feit dat het tijdstip van de belastbaarheid volgens de wet ontstaat op het ogenblik van de toekenning is niet discriminerend (Arbitragehof, 28 juli 2006, nr. 125/2006, www.arbitrage.be).
PEETERS merkt op dat veel andere landen, in tegenstelling tot België, de belastbaarheid van aandelenopties situeren op
het moment van de lichting van de aandelenoptie (o.a. Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Denemarken,
Finland, Zweden, Verenigde Staten). Voor kaderleden van multinationale ondernemingen kan dit leiden tot een dubbele
belasting. Dit is het geval wanneer een kaderlid na in België werkzaam geweest te zijn verhuist en tewerkgesteld wordt
in de nieuwe woonstaat. Aanvankelijk is er belastbaarheid in België n.a.v. de toekenning van de optie en vervolgens
ontstaat er belastbaarheid in de nieuwe woonstaat ingevolge de lichting van de optie (B. PEETERS, “Aandelenopties:
internationaal de juiste keuze?”, Fiskoloog Internationaal, nr. 184, p. 1-3).
Volgens de Administratie kan worden aangenomen dat aan de begunstigde kennis is gegeven op de dag dat hij met
kennis van zaken in staat is uit te maken of hij het vaststaande en definitieve aanbod dat hem is gedaan, zal weigeren
of zal aanvaarden. Dit betekent dat de begunstigde wordt ingelicht omtrent al de modaliteiten verbonden aan de aangeboden optie (Ci. AFZ/99-1287 van 17 december 1999, Bull. Bel., nr. 800, p. 93).
Art. 41, 4° en 42 § 1, tweede lid, Wet van 26 maart 1999, zoals vervangen door art. 404 van de Programmawet (I) van
24 december 2002, B.S., 31 december 2002, tweede editie. Als de begunstigde de opties nadien – buiten de termijn van
60 dagen, toch nog aanvaardt, dan leidt dit tot een fiscale herkwalificatie van de opties in een “voordelig aandelenplan”
en bijgevolg vindt belastingheffing plaats bij de uitoefening ervan op het verschil tussen de werkelijke waarde van de
aandelen en de lagere uitoefenprijs. Op het vlak van de sociale zekerheid geldt een gelijkaardige redenering: de aandelenopties die laattijdig werden aanvaard worden aangemerkt als loon onderhevig aan socialezekerheidsbijdragen (Vr.
en Antw., Kamer, 2007-08, nr. 22, p. 4931).
Art. 49 Wet 26 maart 1999.
Art. 43 § 2 Wet 26 maart 1999.
Art. 43 § 1 Wet 26 maart 1999.
294
LARCIER
–
V A DE M E C U M V E N N O O T S C H A P SB E L A S T I N G
20 13
Download