(Standaard) Commissie voorbladen griffi - Provincie Noord

advertisement
Griffie
Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur
Datum commissievergadering
:
18 maart 2005
DIS-stuknummer
:
Behandelend ambtenaar
:
Directie/afdeling
:
Nummer commissiestuk
:
Datum
:
Bijlagen
:
1080167
drs. I. Bremer-van Aerssen
Sociale & Culturele Ontwikkeling
ZWC-0201
15 februari 2005
2
Onderwerp:
Beleidskader integraal ouderenbeleid 2005
Voorstel van GS aan PS:
X Ter bespreking in het kader van uw
X kaderstellende rol
Opmerkingen van het Presidium/Griffie:
Griffier der Staten,
namens deze,
mw.dr.D.G.F.M. Gorgels
Bijlage:
1. aanvullende informatie dossier beleidskader integraal ouderenbeleid
2. beleidsadvies Brabants Kenniscentrum Ouderen: “Geen doemdenken maar lonkend perspectief”
Notitie “Ouderen aan zet” ten behoeve van de commissie voor Zorg, Welzijn en Cultuur
1. Oudfit.NB, voor een passend ouderenbeleid
Uw Staten hebben op 6 december 2002 besloten tot de oprichting van een Brabants Kenniscentrum Ouderen
(BKO). Met het vaststellen van de nota “Integraal Ouderenbeleid”, hebben uw Staten op 23 januari 2004 een
verdere uitwerking gegeven aan het genoemde statenbesluit.
Op basis van een drietal uitgangspunten, (overleg met betrokken partijen, vereenvoudiging van overleg- en
adviesstructuur, meer accent op uitvoering) is het bestaande Provinciaal Welzijnsberaad Ouderen (PWO)
omgebouwd tot een Brabants Kenniscentrum Ouderen (BKO). In dit Kenniscentrum is een aantal bestaande
overleg- en adviesvormen geïntegreerd. In de lijn van het bestuursaccoord komt er meer accent op
vraagsturing en uitvoering van beleid. Het Brabants Ondersteuningsinstutuut Zorg (BOZ) heeft in de
uitvoering- binnen haar reguliere taakstelling- een coördinerende en ondersteunende rol. Binnen een
netwerkstructuur wordt daardoor ondermeer aan gemeenten, welzijnsinstellingen en ouderenorganisaties
steun geboden om in te spelen op de ontwikkeling en uitvoering van het ouderenbeleid. Het project Vitaal
Grijs is geïntegreerd binnen het provinciale ouderenbeleid, Oudfit.NB.
Het Brabants Kenniscentrum Ouderen (BKO) is op 1 mei 2004 van start gegaan. Het bestuur telt 9 leden.
Deze zijn afkomstig uit de kring van de ouderenorganisaties en gemeenten en/of zijn deskundig op het
gebied van wonen-zorg-welzijn. Ook de allochtone bevolkingsgroepen zijn vertegenwoordigd. Uw Staten
hebben hier nadrukkelijk om verzocht bij de behandeling van het Statenvoorstel integraal ouderenbeleid. Het
bestuur kent een onafhankelijk voorzitter. Voorzitter en bestuursleden zijn door Gedeputeerde Staten
benoemd. Het ambtelijk secretariaat wordt vervuld door het PON.
De kerntaken van het Kenniscentrum, zoals door uw Staten vastgesteld, zijn het monitoren van de vragen
van de –georganiseerde en niet georganiseerde- ouderen (gericht op versterking van de vraagsturing) en het
tenminste een maal per jaar uitbrengen van een strategisch beleidsadvies aan het provinciaal bestuur. Dit
advies vormt de basis voor de besluitvorming over het provinciale beleidskader waaraan projectaanvragen
worden getoetst. Het gaat dan met name over projecten die daadwerkelijke oplossingen bieden voor
concrete knelpunten op het gebied van het integrale ouderenbeleid op het lokale niveau. Daarbij is
vraagsturing uitgangspunt.
2. Het advies: “Geen doemdenken maar lonkend perspectief”
Op 13 december 2004 heeft het Brabants Kenniscentrum Ouderen (BKO) zijn eerste beleidsadvies
aangeboden aan onze verantwoordelijke portefeuillehouder. In deze, naar onze mening, goed leesbare en
heldere rapportage getiteld “Geen doemscenario, maar lonkend perspectief” geeft het Kenniscentrum aan dat
“het feit dat de samenleving in zijn geheel een hogere leeftijd weet te bereiken, niet alleen punten van zorg
oplevert, maar vooral ook lonkende uitdagingen en perspectieven”. In een aansprekende inleiding van het
advies stelt de voorzitter van het Kenniscentrum, dat het onbetwistbaar zo zal zijn dat de overheid een
belangrijke rol zal moeten blijven spelen voor kwetsbare en afhankelijke (oudere) burgers. Dat neemt niet
weg dat de 55 plusser van vandaag gewend is zelf initiatieven te nemen en problemen creatief te lijf te gaan.
Als “lichtend” voorbeeld in dit kader wordt genoemd de manier waarop het project Ouderenproof weerklank
heeft gevonden in Brabant. “Mensen van 55 plus blijken heel goed in staat om aan te geven wat in hun directe
woon- en leefomgeving veranderd dient te worden”, aldus de voorzitter van het Kenniscentrum.
Ook wordt nadrukkelijk gesteld dat dé oudere niet bestaat en daarom is het niet zo zinvol om te zoeken naar
de onversneden vraag van de oudere. Er zijn immers grote verschillen in leefstijl ontstaan en daarmee ook
grote verschillen in wensen en behoeften van ouderen. Differentiatie is dus noodzakelijk en daarmee wordt
ouderenbeleid ook doelgroepenbeleid. “Niet het leeftijdscriterium maar thema’s als inkomen en vermogen,
gezondheid en sociaal netwerk, geslacht en familiaire en maatschappelijke opvattingen zijn van belang om in
beleidstermen rekening mee te houden”. Er is bijvoorbeeld geen enkele reden voor de overheid om een
kapitaalkrachtige, actieve 60 plusser onder de arm te nemen, zoals er ook geen reden is om een demente
oudere met weinig inkomen op zijn/haar verantwoordelijkheid te wijzen.
Kortom: oud zijn (55 plusser) is geen beleidsthema. Dat wordt het pas als het inkomen laag is, de
-2-
zorgbehoefte groot wordt en burgers afhankelijk worden van anderen en professionals. Tegelijkertijd kan van
de vitale ouderen veel worden verwacht, vooral waar het gaat om kennis inbrengen, participeren en actief
zich inzetten. Hierbij speelt senioreneducatie een belangrijke rol.
2.1 Beleidsthema’s/-speerpunten nader uitgewerkt
In de rapportage worden 6 thema’s, door het Kenniscentrum beschouwd als dé speerpunten voor de
komende jaren, nader toegelicht en per thema voorzien van adviezen aan provincie (soms aan gemeenten) en
acties van het Brabants Kenniscentrum. Het gaat om de volgende thema’s:
Bewustwording en nieuwe beelden;
De vraag van ouderen;
Integraal ouderenbeleid, wonen-zorg-welzijn
Ouderen en de WMO;
Verbinding tussen generaties;
Ouderen en arbeid/inkomen.
In het navolgende worden deze 6 thema’s kort beschreven. Per thema worden de adviezen aan de provincie
weergegeven en voorzien van een reactie van ons college.
a. Bewustwording en nieuwe beelden
Het kenniscentrum wil een bijdrage leveren aan het voor het voetlicht halen van nieuwe, positieve beelden
over oud worden. Immers, op het gebied van beeldvorming is nog een wereld te winnen. Het begrip
vergrijzing is nog te vaak omringd door negatieve beelden waarin vergrijzing louter gekoppeld wordt aan
begrippen als zorg, afhankelijkheid en vooral hoge kosten. Het is dus belangrijk om te zoeken naar andere
manieren om de beeldvorming te veranderen. Echter de groei van het aantal ouderen betekent wel een groter
beroep op de gezondheidszorgvoorzieningen en het sociale verzekeringsstelsel.
Ouderen zijn niet per definitie kwetsbaar, aldus het Kenniscentrum en willen ook niet zo aangesproken
worden. Dat neemt niet weg, zo blijkt uit de rapportages van Ouderenproofprojecten, dat er zorgen zijn over
de solidariteit van de nieuwe generatie: “wie zorgt er straks voor mij?”
De onderwerpen ouderenparticipatie, de verandering van leefstijlen in de loop van de tijd, de bevindingen uit
de projecten Is uw gemeente Ouderenproof en een pleidooi om te investeren in het veranderingsproces van
Ouderenproof passeren de revue. Ook wordt aangegeven dat de generatie ouderen die er nu aankomt een
geheel andere is dan de huidige. Bij hen heeft het idee postgevat dat zij alles zelf kunnen regelen en hun leven
lang zelfstandig kunnen blijven. Zij zijn gewend om de wereld als het ware naar hun hand te zetten. Omgaan
met beperkingen is niet makkelijk te accepteren.
Wat betreft de ouderenorganisaties tenslotte, ook zij moeten zich aan de veranderende omgeving aanpassen.
Immers, (jonge, niet georganiseerde) ouderen gaan zich steeds duidelijker organiseren rond verschillende
items, wensen en mogelijkheden die verschillende groepen en individuele ouderen hebben. “Thema’s als
lifestyle, gezond blijven, sport en culturele en vrijetijdsactiviteiten nemen een hoge vlucht”, zo meent het
Brabants Kenniscentrum. Ook uit de projecten ouderenproof blijkt dat de huidige (jonge) ouderen anders
reageren. Veel van hen willen een (tijdelijke ) bijdrage leveren aan bijvoorbeeld beleidsvraagstukken. Ten
dele herkennen ze zich in de huidige ouderenorganisaties en hun focus op formele inspraakprocedures en –
platforms. De uitdaging is het vinden van een eigentijdse aanpak.
Adviezen aan provincie:
1. de groei van het aantal hoogbejaarden betekent meer vraag naar voorzieningen. Stimuleer en faciliteer regionale
netwerken om die consequenties in kaart te brengen en bijtijds maatregelen te nemen om die toename van de
vraag op te vangen.
2. Ga door met investeren in actieve ouderen en gemeenten of groepen ouderen die daar hun schouders onder willen
zetten.
3. Faciliteer vanuit het projectenbudget integraal ouderenbeleid vernieuwende ontwikkelingen op gemeentelijk
niveau die ouderen aanzetten tot nieuwe maatschappelijk relevante initiatieven.
-3-
4. Geef de steunfuncties en de BVWO opdracht om lokale welzijnsorganisaties te helpen bij het ontwikkelen van een
aanbod om senioren te leren omgaan met (toekomstige) beperkingen.
5. Overleg met ouderenorganisaties op welke wijze een traject van verandering met visieontwikkeling en nadere
bezinning op hun achtergronden, achterban en activiteiten kan worden gerealiseerd.
Reactie GS: In de reeds vastgestelde uitvoeringsprogramma’s (zie hoofdstuk 3: combifonds en
projectenprogramma integraal ouderenbeleid) geven wij projectinvulling aan deze adviezen.
Eveneens worden over de jaarplannen van de steunfuncties afspraken gemaakt over hun inzet op dit
terrein. Met de ouderenorganisaties vindt periodiek bestuurlijk overleg plaats over de toekomst van
dit beleidsterrein.
b. De vraag van ouderen
Binnen het Brabants Kenniscentrum Ouderen is het boven tafel halen van de onversneden vraag” van ouderen
opgedragen aan het Verenigd Bondenoverleg Brabant (VBOB). Het VBOB heeft in dit verband de
Ouderenproofprojecten onder de loep genomen. Daarbij heeft het VBOB zich vooral gericht op de processen
rond en effecten van ouderenproofprojecten. In opdracht van het Kenniscentrum heeft het PON zich
eveneens gebogen over de projecten ouderenproof, maar dan vooral op de wensen en behoeften van
Brabantse ouderen. Uit de rapportage blijkt dat veel vragen van ouderen al bekend zijn, maar er worden ook
heel specifieke, voor de lokale situatie relevante thema’s aangesneden zoals bewustwording, diversiteit in
leefstijlen, participatie seniorenwoningen, zorg, vrijwilligerswerk en mantelzorg.
‘De oudere’ bestaat niet, is de mening van het Brabants Kenniscentrum. Daarom is het ook niet zinvol om te
zoeken naar de onversneden vraag van de oudere! De wensen –en daarmee de vragen- zijn heel divers en
sterk afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden. Hetzelfde geldt trouwens ook voor
de aangedragen oplossingen in de ouderenproof projecten. Kortom: wat voor de één een probleem is, is dat
voor de andere niet en waar de een zelf oplossingsmogelijkheden ziet, verwacht de ander hulp van overheid of
instelling. Waar het om gaat, is het leveren van maatwerk in de eigen omgeving.
Adviezen aan provincie
6. Blijf niet zoeken naar de “onversneden vraag” van “de oudere” maar richt je juist op de diverse vragen van te
onderscheiden groepen, afhankelijk van lifestyle, persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden
7. organiseer voor specifieke groepen, bijvoorbeeld zorgbehoevende ouderen en allochtone ouderen, aparte
activiteiten om hun specifieke behoeften goed in beeld te krijgen
8. Monitor of er signalen zijn die wijzen op vraagverandering bij ouderen in de provincie
Reactie GS: Wij zien het integraal ouderenbeleid als algemeen vertrekpunt voor de ouderwordende
mens, maar richten ons met name op de ouderen met een specifieke vraag. In het bijzonder denken we
dan aan de veranderingen op het terrein van wonen, zorg en welzijn zoals de kleinschaligheid,
vraaggerichtheid, persoonsgebonden budget etcetera, alsmede de sociale cohesie door middel van een
actief participatiebeleid (zie: Is uw gemeente Ouderenproof)
c. Integraal ouderenbeleid
“Integraal ouderenbeleid is een samenhangend, gedifferentieerd aanbod van niet alleen woon, zorg en
welzijnsvoorzieningen, maar ook van goede vervoersmogelijkheden, voldoende inkomen, mogelijkheden
voor arbeid, ontspanning, cultuur et cetera”. Integraal ouderenbeleid omvat dus de hele leefsfeer van
ouderen.
Het Brabants Kenniscentrum Ouderen geeft in haar rapportage aan niet de volle breedte van dit thema te
kunnen behandelen, wel enkele aspecten. Ingegaan wordt op meer (kwantitatief) seniorenwoningen en meer
diversiteit in die woningen. Aangegeven wordt dat de verbinding tussen wonen en zorg op het provinciaal
niveau gelegd wordt door de Task Force Wonen-Zorg. Deze heeft via het Combifonds een aantal
stimulerende maatregelen uitstaan. Daarvan moet worden bekeken, aldus het Kenniscentrum, of die
voldoende versnelling in het bouwprogramma opleveren. Er moet niet alleen meer, maar ook veel
pluriformer gebouwd worden (zowel koop als huur), wil daadwerkelijk tegemoet worden gekomen aan de
-4-
wensen van de ouderen. Gepleit wordt ook om ouderen zo min mogelijk te dwingen te verhuizen wanneer zij
behoefte krijgen aan hulp en ondersteuning. Blijven wonen in de eigen vertrouwde omgeving zorgt voor het
overeind blijven van het sociale netwerk.
Als het gaat over de behoefte aan wonen met zorg, vraagt het Kenniscentrum aandacht voor het verschijnsel
van aan de ene kant een laag inkomen – met gevaar voor tekorten in termen van welzijn en zorg- en aan de
andere kant wel een vermogen in de vorm van een eigen huis.
Ook aandacht voor de woonomgeving van ouderen zoals de behoefte aan ontmoetingsplaatsen. Aangegeven
wordt dat de natuurlijke ontmoetingsplaatsen zoals de buurtwinkel verdwijnen. Het Kenniscentrum ziet hier
een nadrukkelijke opdracht voor de welzijnsinstellingen. Wanneer er immers meer aandacht is voor de
welzijnscomponent, zal dat een gunstig effect hebben op de consumptie van zorgvoorzieningen.
Adviezen aan provincie
9. Breng een discussie over diversiteit van wonen op gang.
10. Daag relevante partners in het veld uit –bijvoorbeeld in de vorm van een gerichte prijsvraag- om nieuwe
oplossingen te bedenken voor de specifieke problemen van minder draagkrachtige groepen ouderen.
11. Draag de gevonden oplossingen breed uit binnen de provincie.
12. Stimuleer woningbouwcorporaties tot het realiseren van “maatschappelijk vastgoed”
Reactie GS: Door accent te leggen op de versterking van kleinschaligheid in de zorg waarbij met
name aandacht voor de sterk groeiende groep dementerenden, wordt ook gelijktijdig een grotere
diversiteit van wonen bereikt. Met de Brabantse woningbouwcorporaties hebben wij regelmatig
bestuurlijk overleg over hun maatschappelijke inzet op het terrein van wonen-zorg en welzijn,
alsmede de concrete bouwproductie.
Met name het ouderenproof project kent als een van de kerndoelstellingen mensen uit te dagen op
verschillende terreinen knelpunten aan te geven en (vernieuwende) oplossingen aan te dragen zowel
in de opzet als de uitvoering.Daar waar de implementatie van ouderenproof projecten stagneert,
wordt in een overgangsfase voor beperkte tijd ondersteuning geboden. De gemeenten dienen te
voorzien in de uiteindelijke structurele financiering voor de verdere ondersteuning en uitvoering.
d. Ouderen en de WMO
“De voorbereidingen die moeten leiden tot een Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) werpen hun
schaduw wat betreft het sociaal beleid voor ouderen ook in Brabant vooruit.” In haar rapportage schetst het
Brabants Kenniscentrum de kansen en bedreigingen, kijkend naar de gevolgen die invoering van zo’n wet
voor ouderen kan hebben.
Wat betreft de kansen, wijst het Kenniscentrum op het vergroten van de mogelijkheden voor een sterke
integrale afstemming op het lokale niveau, omdat door de komst van de WMO de bestuurlijke
verantwoordelijkheden voor wonen, welzijn en zorg straks in één hand wordt gebracht. Ook worden
mogelijkheden gezien de WMO te laten functioneren als een soort vliegwiel voor de sociale infrastructuur.
Dat kan wellicht leiden tot meer vitale wijken met een groter probleemoplossend vermogen.
Bedreigingen zijn er ook. Zo zal de druk op de intramurale voorzieningen toenemen omdat de AWBZ nog
rechten geeft, waar de WMO dat niet doet. Vooral kwetsbare ouderen zullen daar de dupe van worden. Ook
het volledig verdwijnen van de huishoudelijke hulp uit de AWBZ , zal naar verwachting leiden tot een sterke
stijging van het gebruik van duurzame hulpvormen. Tenslotte wijst het Kenniscentrum op de effecten van de
marktwerking in de zorg. Doordat aanbieders elkaars concurrenten worden, komt de samenwerking en dus
ook de noodzakelijk geachte ketenaansluiting sterk onder druk te staan.
De betrokken burgers zijn bang dat er geen voorzieningen zijn op het moment dat zij die nodig hebben. Het
Brabants Kenniscentrum pleit dan ook nadrukkelijk voor het vaststellen van een basispakket van
voorzieningen die minimaal in elke gemeente voorhanden moet zijn. Ook wordt aangegeven hoe de beoogde
betrokkenheid van de burgers bij de invoering van de WMO gestalte kan krijgen: ga na provincie, in nauwe
samenwerking met de Vereniging van Brabantse Gemeenten, welke lessen uit de Ouderenproofprojecten
kunnen worden getrokken met het oog op het WMO-traject.Tenslotte worden er richting de provincie een
-5-
veelheid van voorstellen gedaan om invulling te geven aan de haar toebedeelde ondersteunende rol.
Adviezen aan provincie
13. Organiseer een tafel om WMO-ervaringen uit te wisselen,
14. monitor lokale projecten Is uw gemeente Ouderenproof? en stimuleer dat de resultaten daadwerkelijk worden
verankerd.
15. Stimuleer vernieuwende initiatieven door een financiële bijdrage.
16. pleeg overleg met de ouderenorganisaties en RPCP’s over informatie aan de zorgvragers over de gevolgen van
invoering WMO.
17. Neem samen met VBG initiatieven om gemeenten voor te bereiden op de introductie van de nieuwe wet.
18. Besteed bijzondere aandacht aan de ondersteuning van kleinere gemeenten.
19. Coördineer waar een gezamenlijke aanpak voor de Brabantse gemeenten gewenst is.
20. Ga een debat aan met alle betrokkenen, van ouderenorganisaties en gemeenten tot en met de aanbieders in de
zorg.
21. Stuur Task-forces en provinciale kwartiermakers het veld in, bevorder samenwerking, start pilots op, zet
steunpuntfuncties op, maak ‘best practices’ bespreekbaar en stel succesvolle gemeenten, ondernemingen,
organisaties en instellingen als voorbeeld.
Reactie GS: In het wetsontwerp WMO wordt gesteld dat de primaire verantwoordelijkheid voor de
WMO bij de gemeenten ligt. Daar waar gemeenten verzoeken om ondersteuning, zullen wij reageren
vanuit onze provinciale taak en rol op dit terrein (pilot in Midden-Brabant) Ons standpunt over de
adviezen op dit terrein, worden meegenomen in een geactualiseerd WMO dossier. Wij bespreken dit
separate en integrale WMO dossier eveneens op 1 maart 2005.
e. Verbindingen tussen generaties
Het kenniscentrum vindt de relaties tussen generaties belangrijk, ondermeer om een systeem van solidariteit
in stand te houden. Om het contact jong-oud te bevorderen, worden niet alleen inspanningen van jongeren
verwacht, maar ook van ouderen.
Dit thema wordt door het Kenniscentrum in 2005 opgenomen in een nader uitgewerkt advies.
Reactie GS: In het provinciale project “Ontgroening en Vergrijzing” werd voor het eerst
nadrukkelijk het belang van de solidariteit tussen de generaties geschetst. Wij hechten zeer aan de
verdere verdieping van dit thema en verwachten in 2005 concrete voorstellen in een nader uitgewerkt
advies.
f. Ouderen en arbeid/inkomen
“Aangezien de vergrijzing in Brabant op korte termijn in een stroomversnelling komt, dienen alle
betrokkenen, de sociale partners voorop, na te gaan op welke wijze we met langer werken van ouderen in de
provincie om willen gaan”. Er zijn door de provincie met het project Ervaring Werkt, al stappen in die
richting gezet, aldus het Brabants Kenniscentrum.
Langer werken van oudere werknemers vraagt aandacht voor alle facetten van het werk en de invloed die
leeftijd uitoefent. Hoogleraar Ouderenbeleid aan de UvT, prof. R. Schalk, constateert in zijn inaugurale rede
in maart 2004, dat met het ouder worden inderdaad veranderingen op kunnen treden in prestaties op het
werk. De fysieke krachten nemen af met het toenemen van de leeftijd. Of dit invloed heeft, hangt af van de
vorm en inhoud van het werk.
Aanpassing van verwachtingen over de te leveren prestaties en de beloningen is noodzakelijk met het
klimmen der jaren. Hoogleraar Schalk spreekt dan ook over het ‘regelmatig bijstellen van het psychologisch
-6-
contract’. In dat kader spreekt het Kenniscentrum over het “verleiden van ouderen om langer te blijven
werken waarbij de volgende aandachtspunten van groot belang zijn: leeftijdsbewust personeelsbeleid
(belangrijkste doelgroep 45 plussers), gericht onderzoek naar de wensen van oudere werknemers, creëren
van meer ruimte voor heel bewuste keuzes inzake de ‘tweede werkfase’, hogere arbeidsparticipatie van
werkneemsters (arbeidsparticipatie van vrouwen is stuk lager dan die van mannen).
Rond dit thema vraagt ook de stille armoede onder ouderen aandacht. Ouderen zijn niet alleen vaak slechter
op de hoogte van het bestaan van gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zij doen ook veel
minder snel een beroep op die voorzieningen. Het Brabants Kenniscentrum ondersteunt dan ook van harte
het initiatief van de provincie, die in september 2004 betrokken partijen ( o.a. gemeentebestuurders en
ouderenorganisaties) bijeen heeft gebracht om van gedachten te wisselen over mogelijke oplossingen voor
deze problematiek.
Adviezen aan provincie
22. Roep de sociale partners in Noord-Brabant om de tafel en onderzoek hoe de vooruitzichten op de arbeidsmarkt
voor de eerstkomende 20 jaar zijn en hoe daarop kan worden gereageerd.
23. Stimuleer pilots gericht op leeftijdsbewust personeelsbeleid
24. Stimuleer kennisverwerving over de meningen van 45 +ers over hun wensen en behoeften.
25. Neem initiatief om gezamenlijke acties met gemeenten op te zetten zoals het streven naar koppeling van sommige
fiscale gegevens.
26. Wissel ervaringen uit, best practices en slimme oplossingen
27. Geef opdracht voor ondezoek naar de relatie tussen inkomenspositie en de participatie van Brabantse ouderen.
Reactie GS: Vanuit het arbeidsmartkbeleid wordt het thema vergrijzing besproken met de sociale
partners via het Pact Brabant.In dit overlegplatform worden ondermeer ervaringen uitgewisseld en
gezamenlijk naar oplossingen gezocht. Ons actieplan ‘ervaring werkt, richt zich op bewustwording en
mentaliteitsverandering bij werkgevers en werknemers.
Daarnaast worden er vier pilots uitgevoerd op het gebied van leeftijdsbewust personeelsbeleid.
Bovendien worden er 2 nieuwe Werkwijzers geïnitieerd die, naast het verstrekken van informatie en
advies, tot taak hebben om leeftijdsbewust personeelsbeleid te initiëren.
3. Van advies naar actie
In lijn met het bestaande bestuursaccoord, willen wij de adviezen die ons bereiken zoveel mogelijk omzetten
in concrete projecten. Binnen ons huidige beleid en de daaraan gekoppelde uitvoeringsinstrumenten zien wij
mogelijkheden om extra accenten te leggen teneinde de door ons gewenste “vertaalslag” naar concrete
invulling van de adviezen van het Brabants Kenniscentrum Ouderen te realiseren.
Wij denken dan specifiek aan:
- Provinciaal Sociaal Beleid
* Gebiedsgerichte spoor: Regionale Sociale Agenda’s
* Themagerichte spoor: prioritaire thema’s en stimuleringsregeling
- Wonen-zorg-welzijn
* Combifonds
* Advies Brabantse Taskforce Wonen-Zorg-Plus
- Arbeidsmarktbeleid
* actieplan “ervaring werkt’
* innovatieprogramma Kennis = Meedoen
- Versterking informele zorg
- Integraal ouderenbeleid
* projectenprogramma integraal ouderenbeleid
-7-
Sociaal beleid
Het provinciaal Sociaal beleid is gericht op de verbetering van de leefbaarheid met als doelstellingen het
vergroten van sociale cohesie, bevorderen van de participatie en het voorkomen van sociale uitsluiting.
Het provinciaal Sociaal beleid kent een themagericht en een gebiedsgericht spoor.
Rond het themagerichte spoor worden vier thema’s (sport, vrijwilligerswerk, multiculturele samenleving en
opvoedingsondersteuning) door de provincie extra ondersteund met middelen via een stimuleringsregeling en
gerichte inzet van steunfuncties. Met het gebiedsgerichte spoor wordt meer aangesloten bij de regionale
prioriteiten van de gemeenten. Op basis van intentieverklaringen tussen gemeenten en provincie zijn en
worden prioriteiten per (sub) regio bepaald, de zogenaamde Regionale Sociale Agenda’s. Aan de concrete
uitwerking van deze Agenda’s heeft de provincie regionale budgetten gekoppeld. In 2005 gaat het om €
150.000 per regio.
Vooral leefbaarheid staat in elke regio boven aan de agenda. Projecten op dit terrein worden veelal op het
lokale niveau uitgevoerd. Dit geeft mogelijkheden om ouderen (organisaties) te stimuleren accenten te leggen
op de doelgroep ouderen en hun wensen en behoeften op dit terrein. Ook de actualisatie van de Regionale
Sociale Agenda’s biedt volop kansen om de adviezen van het Kenniscentrum, vooral op het terrein van het
integraal ouderenbeleid om te zetten in concrete projecten.
Wonen, welzijn en zorg
In 2005 zal het Combifonds zich vooral richten op de realisatie van woonzorgaccomodaties, leefbaarheid in
dorpen/stadsbuurten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van kleinschalige woonvoorzieningen voor
gehandicapten of dementerende ouderen of om een multifunctionele accommodatie met verschillende
voorzieningen. Denk dan bijvoorbeeld aan ontmoetingsfuncties en kinderopvang. Met een subsidieregeling
wordt getracht om projecten die hierop zij gericht van de grond te krijgen.
Daarnaast blijft de vermaatschappelijking van de zorg door middel van het combineren van welzijn met
wonen en zorg een belangrijk thema. Zeker omdat “welzijn” een kwetsbare schakel is in de trits wonen- zorg
en welzijn. Om ervaring op te doen met de versterking van de welzijnsfunctie in relatie tot wonen en zorg, is
besloten om voor de jaren 2004/2005 per regio tenminste een ontwikkelingsproject te starten. Daarbij gaat
het over het ontwikkelen van nieuwe concepten op dit gebied.
Een belangrijk onderwerp in de rapportage van het Kenniscentrum is het bevorderen en vergroten van
participatie van ouderen (vraagsturing) op alle terreinen die voor burgers en dus ook voor ouderen van belang
zijn. Het combifonds financiert ook projecten op die terreinen. Hetzelfde geldt zoals al aangegeven voor de
ontwikkeling welzijnsarrangementen in relatie met wonen en zorg.
Met ingang van 1 januari 2005 zijn wij ook gestart met de implementatie van het advies Brabantse Taskforce
Wonen-Zorg-Plus. Inzet is om versnelling aan te brengen daar waar het realiseren van projecten wonen-zorg
en welzijn vertraging oploopt. Het gaat immers niet alleen over meer vraag naar voorzieningen maar ook
over de snelheid waarmee nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd.
Arbeidsmarktbeleid
Het actieplan ‘ervaring werkt’ wil een nieuwe impuls geven aan de positieverbetering van ouderen op de
arbeidsmarkt. Daarbij gaat het om bewustwording, mentaliteitsverandering en het stimuleren van concrete
acties die bijdragen aan een grotere arbeidsdeelname van 45 plussers. Concreet wordt er gewerkt aan de
uitbreiding van de Werkwijzers ( expertise centra op het gebied van 45 plussers en werk) naar 4 centra,
stimuleren van projecten op platteland en bij lagere overheden gericht op het bevorderen van
arbeidsparticipatie van ouderen en het instellen van een taskforce ‘Ervaring werkt’.
Er is ook een stimuleringsregeling ‘Tijdelijke subsidieverlening stimuleren leeftijdsbewust personeelsbeleid’.
Deze regeling is bedoeld om belemmeringen weg te nemen die tot gevolg hebben dat werknemers
(vroegtijdig) moeten stoppen met werken. Het streven is om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers
(55-64) te bevorderen.
In het kader van het implementatieprogramma Vitaal Grijs is in deze bestuursperiode gekozen voor een
provinciebrede implementatie van twee beproefde projecten. Een van deze projecten betreft participatie in
arbeid en vrijwilligerswerk. Dit project bestaat uit deelprojecten die onder meer gericht zijn op het maken
van een ‘persoonlijk ontwikkelingsplan’ met de vrijwilliger (competentiepaspoort) en het ontwikkelen van
een bestuurswijzer voor het digitaal matchen van vraag (vrijwillige bestuurders) en aanbod ( voormalig
-8-
leidinggevenden).
Het innovatieprogramma Kennis = Meedoen telt vier pijlers. In dit kader is de pijler “Bijblijven in Brabant,
een leven lang leren “ van belang. In tegenstelling tot de drie andere pijlers, moet deze pijler nog helemaal
ontwikkeld worden. Dit biedt mogelijkheden om te bezien op welke manier het onderwerp oudereneducatie
hierin een plek kan verwerven.
Al aangegeven is dat er sprake is van de implementatie van twee beproefde Vitaal Grijs projecten. Het
tweede project is getiteld ‘Ouderen en ICT’. Het is de bedoeling om aan het einde van deze bestuursperiode
40 PC doe mee centra in Brabant te hebben gerealiseerd, een leven lang leren dus!
Versterking Informele zorg
Hieronder wordt gerekend mantelzorg, zelfhulp en vrijwilligerszorg. Deze informele zorg staat onder grote
druk door ondermeer de introductie van de WMO waar de nadruk ligt op de eigen verantwoordelijkheid van
de burger. Er is een provinciaal actieplan Informele zorg opgesteld ter versterking.
Integraal ouderenbeleid
Het projectenprogramma Integraal Ouderenbeleid wordt eveneens ingezet voor de concrete vertaling van het
beleidskader Integraal Ouderenbeleid 2005 “Geen doemdenken maar lonkend perspectief”. De
projectvoorstellen worden getoetst aan dit beleidskader. De thema’s uit het beleidskader sluiten niet alleen
goed aan bij ons huidige provinciale beleid, maar ook bij de onderwerpen die de ouderen belangrijk vinden.
Dit blijkt uit de eindrapportages van de projecten Ouderenproof waarin ouderen zelf hun wensen, behoeften
en de door hen gesignaleerde knelpunten in hun gemeente of wijk benoemen ( zie thema: de vraag van
ouderen). Wij verwachten dan ook dat deze thema’s ‘van onderaf’ via de ouderen zelf hun concrete invulling
krijgen in het projectenprogramma 2005. Daarbij stellen wij de voorwaarde dat de projecten uitgevoerd
worden op het lokale niveau, waarbij de ouderen zelf een sturende rol hebben. Ook leggen wij, waar
mogelijk, relaties met het huidige hierboven geschetste provinciaal beleid.
Voor de uitvoering van het Integraal Ouderenbeleid is in deze bestuursperiode € 1.190.098 per jaar
beschikbaar gesteld bij de uitwerking van het bestuursaccoord 2003-2007.
In 2005 zetten wij deze middelen als volgt in:
- € 250.000 voor het (verder) ouderenproof maken van gemeenten;
- € 450.000 voor het projectenprogramma integraal ouderenbeleid. Het betreft zowel
projectaanvragen voor het oplossen van lokale knelpunten die de ouderen aangedragen hebben in de
trajecten ouderenproof, alsmede projecten die een concrete invulling geven aan beleidsadviezen van
het Brabants Kenniscentrum;
- € 300.000 is in deze bestuursperiode belegd voor de Brabantbrede implementatie van 2 beproefde
Vitaal Grijsprojecten: het project ‘Ouderen en ICT’ en het project ‘Participatie werk en
vrijwilligerswerk’;
- € 139.428 is beschikbaar voor ondersteuning door het PON (€ 89.428 voor ambtelijk secretariaat
Kenniscentrum) en BOZ ( € 50.000 voor ondersteuning bij projectformulering en – aanvragen en
monitoring)
- € 50.670 voor communicatie
4.
Het voorstel




Kennis nemen van het strategisch advies van het Brabants Kenniscentrum Ouderen
“Geen doemscenario maar lonkend perspectief”.
Instemmen met het voorstel om het beleidskader Integraal Ouderenbeleid 2005 vast
te stellen conform de notitie aan de Statencommissie ZWC “Ouderen aan zet”.
Instemmen met het voorstel om dit beleidskader te gebruiken voor concrete
uitvoeringsprojecten, passend binnen de vastgestelde beschikbare
beleidsinstrumenten op dit terrein.
Rapportage en uitvoering bespreken in de commissie ZWC
-9-
's-Hertogenbosch, 15 februari 2005
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
-10-
-11-
Download