Hoofdstuk 9 - Joods Leven

advertisement
SJEMOT – 9 - WAËRA
8
1. Hasjem zei tegen Mosjé: „Kom tot Phar’o en zeg tegen hem: ‘Zo spreekt Hasjem, de G-d van de
Hebreeërs: Zendt Mijn volk heen opdat het Mij zal dienen. 2. Want als u hen weigert te laten gaan en hen
nog langer tegenhoudt, 3. Zie, dan zal de hand van Hasjem rusten op uw vee, dat op het veld is, op de
paarden, op de ezels, op de kamelen, op het rund- en op het kleinvee, een zeer zware pest. 4. En Hasjem zal
een onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte, en van al wat van de Israëlieten is,
zal niets sterven. 5. En Hasjem heeft een tijdstip vastgesteld; Hij heeft gezegd dat morgen Hasjem deze zaak
over het land zal brengen’ ”. 6. En Hasjem deed dit de volgende dag, en al het vee van Egypte stierf en van
het vee van de Israëlieten stierf er niet één. 7. En Phar’o zond uit, en inderdaad, niet één van Israël was
gestorven en toen werd het hart van Phar’o hard en hij liet het volk niet gaan. 8. Toen zei Hasjem tegen
Mosjé en tegen Aharon: „Neemt jullie handen vol ovenroet en dat werpt Mosjé hemel waarts voor de ogen
van Phar’o. 9. Dan zal het tot stof worden in heel het land Egypte en zal het op alle mensen en dieren komen
als een huidontsteking, het zal als ettergezwellen uitbreken in het hele land Egypte”. 10. En zij namen van
het overroet en toen zij voor Phar’o stonden gooide Mosjé het in de lucht en het werd een huidontsteking van
ettergezwellen, die uitbrak bij mens en dier. 11. De beeldschriftkundigen konden niet voor Mosjé blijven
staan vanwege de huidontsteking, want de huidontsteking was zowel bij de beeldschriftkundigen als bij heel
Egypte. 12. Maar Hasjem verharde het hart van Phar’o, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals Hasjem tegen
Mosjé gezegd had. 13. Toen zei Hasjem tegen Mosjé: „Sta vroeg op in de ochtend en ga voor Phar’o staan,
dan zul je tegen hem zeggen: ‘Zo heeft Hasjem, de G-d van de Hebreeërs gesproken: Laat Mijn volk gaan en
Mij dienen. 14. Want deze keer zal Ik al Mijn plagen op uw hart richten en op uw dienaren en op uw volk,
zodat u zult weten dat er niemand is zoals Ik op de gehele aarde. 15. Want ik had Mijn hand naar u kunnen
uitstrekken en u en uw volk kunnen treffen met de pest zodat u van de aarde zou weg gevaagd zijn. 16.
Echter, Ik heb u hierom laten voortbestaan om u Mijn kracht te tonen en om Mijn naam over de hele aarde te
verkondigen. 17. En als u Mijn volk nog langer verdrukt, door hen niet weg te sturen, 18. Dan zal Ik morgen
om deze tijd een zeer zware hagel laten regenen, zoals er nog nooit in Egypte geweest is, sedert de dag van
zijn ontstaan tot nu toe. 19. En nu, verzamel uw vee en alles wat u op het veld heeft; ieder mens en dier dat
zich op het veld bevindt en niet naar binnen is gebracht, daar zal de hagel op vallen en zij zullen sterven’ ”.
20. Wie van de dienaren van Phar’o het woord van Hasjem vreesde liet zijn slaven en zijn vee naar de huizen
vluchten. 21. Maar wie geen aandacht schonk aan de woorden van Hasjem, liet zijn slaven en zijn vee achter
op het veld. 22. Toen zei Hasjem tegen Mosjé: „strek je hand uit naar de hemel, dan zal er hagel zijn in het
heel land Egypte, op mens en dier en op al de gewassen in Egypte”. 23. En Mosjé strekte zijn staf uit naar de
hemel, en Hasjem veroorzaakte donder en hagel en zond bliksem naar de aarde, zo liet Hasjem het hagelen
op Egypte. 24. Er was hagel en vuur, opgenomen temidden van de hagel, heel erg, zoals er nog nooit in heel
Egypte geweest was sedert het een volk was. 25. De hagel sloeg in het gehele land Egypte alles wat op het
veld was, van mens tot vee; en de hagel sloeg al de gewassen op het veld kapot en brak alle bomen. 26. Alleen in het land Gosjen, waar de Israëlieten woonden, was geen hagel. 27. Phar’o liet Mosjé en Aharon roepen en zei tegen hen: „Deze keer heb ik gezondigd, Hasjem is rechtvaardig en ik en mijn volk zijn slecht. 28.
Bidt tot Hasjem, er is al te veel donder van G-d en hagel geweest; ik zal jullie laten gaan en jullie hoeven niet
langer te blijven”. 29. Hierop zei Mosjé tegen hem: „Zodra ik de stad uit ben zal ik mijn handen uitspreiden
naar Hasjem, de donder zal ophouden en er zal geen hagel meer zijn, opdat u zult weten dat de aarde van
Hasjem is. 30. Maar u en uw dienaren, ik weet dat u nog steeds geen vrees koestert voor de Eeuwige G-d”.
31. En het vlas en het gerst waren stuk geslagen, want het gerst stond in de aren en het vlas had stengels. 32.
Maar de tarwe en de spelt waren niet getrroffen, omdat zij later rijp zijn. 33. Mosjé ging weg van Phar’o, de
stad uit, en spreidde zijn handen uit naar Hasjem, en donder en hagel hielden op en er stortte geen regen
meer op de aarde. 34. Toen Phar’o zag dat de regen en de hagel en de donder hadden opgehouden, ging hij
door met zondigen, verhardde zijn hart weer, hij en zijn dienaren. 25. Phar’o sterkte zijn hart en liet de
Israëlieten niet gaan, zoals Hasjem door Mosjé gesproken had.
Download