Welke artrogene pathologieën komt de

advertisement
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Hogeschool
van2012-2013
Amsterdam
Studiejaar
Studiejaar
2012-2013
Welke artrogene pathologieën
komt de fysiotherapeut tegen bij
sporters met liespijn en hoe kan
hij deze diagnosticeren en
differentiëren?
Verantwoording
Studenten: Evelien Stokhof, Sebastiaan Vrijlandt en Mehran Hushyari
Coach: Jeroen van Egmond
Opdrachtgever: Benjamin Bos
Studiejaar 2012-2013
1
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Inhoudsopgave
Voorwoord .............................................................................................................................................. 3
Inleiding ................................................................................................................................................... 4
Methode .................................................................................................................................................. 6
HOAC 2, Fase 1: Verwijzing, aanmelding en initiële hypothese .............................................................. 8
Initiële hypothese ................................................................................................................................ 8
Screeningsproces................................................................................................................................. 8
HOAC 2, Fase 2a: Anamnese en bijgestelde hypothese ........................................................................ 10
Voorlopig bijgestelde hypothese....................................................................................................... 12
HOAC 2, Fase 2b: Onderzoek op ICF-niveau.......................................................................................... 13
Inspectie ............................................................................................................................................ 13
Ganganalyse .................................................................................................................................. 14
Palpatie .............................................................................................................................................. 14
Voorlopig bijgestelde hypothese....................................................................................................... 14
Bewegingsonderzoek ........................................................................................................................ 14
Weerstandonderzoek ........................................................................................................................ 16
Voorlopig bijgestelde hypothese....................................................................................................... 16
Aanvullend onderzoek....................................................................................................................... 16
FAI en labrum leasie ...................................................................................................................... 17
Reumatoïde Artritis ....................................................................................................................... 25
Artrose ........................................................................................................................................... 27
Algehele conclusie ................................................................................................................................. 31
Literatuur ............................................................................................................................................... 33
Bijlage 1 Aandoeningen ......................................................................................................................... 35
Bronnen ............................................................................................................................................. 42
Bijlage 2 Symptomen ............................................................................................................................. 44
Bijlage 3 Uitvoering testen .................................................................................................................... 46
Bijlage 4 Zoektochttabel ........................................................................................................................ 48
Bijlage 5 Algemeen oordeel geïncludeerde artikelen ........................................................................... 58
2
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Voorwoord
Deze verantwoording en het bijbehorende stroomdiagram zijn tot stand gekomen naar aanleiding
van onze Beroepsopdracht aan de Hogeschool van Amsterdam tijdens onze opleiding fysiotherapie.
De opdracht is verkregen van dhr. Bos. Docent aan de Hogeschool van Amsterdam, manueel
therapeut en sport fysiotherapeut werkzaam bij ‘Fysiotherapie van Breestraat’ te Amsterdam.
De titel van deze beroepsopdracht is als volgt:
Welke artrogene pathologieën komt de fysiotherapeut tegen bij sporters met liespijn en hoe kan
hij deze diagnosticeren en differentiëren?
Het resultaat van de opdracht is een door ons ontworpen stroomdiagram, waarin de stappen voor
het diagnostisch proces bij liespijn worden doorlopen. Hierin wordt de nadruk gelegd op liespijn als
gevolg van artrogene pathologieën. Het stroomdiagram wordt ondersteund door een
verantwoording, welke is opgebouwd aan de hand van de HOAC 2.
Graag willen wij onze coach dhr. Van Egmond bedanken voor zijn coaching bij het tot stand komen
van de producten.
Mehran Hushyari
Evelien Stokhof
Sebastiaan Vrijlandt
Amsterdam, 20 juni 2013
3
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Inleiding
Liesklachten in de vorm van pijn, is een klacht die bij ieder mens kan voorkomen en ook veel wordt
gezien bij sporters over de hele wereld. Voornamelijk bij sporters die een sport beoefenen waarbij
snelle accelereerde, abrupt vertragende activiteiten en plotselinge richtingsveranderingen
voorkomen. Internationaal gezien wordt liespijn onder andere gezien bij professionele ijshockey
spelers en voetballers, waarvan 10 – 11% van alle blessures plaats vind in de liesstreek. (T.F. Tyler et
al 2010)
Tijdens het congres Vereniging Fysiotherapeuten Betaald Voetbal kwam naar voren dat liespijn bij
sporters een veel besproken onderwerp is, waarbij ook andere disciplines betrokken zijn. MRI-A scan,
röntgen en arthroscopy, uitgevoerd door artsen, wordt gebruikt voor het vaststellen van de
medische diagnose gerelateerd aan liespijn. Echter, liespijn is ook een klacht die vaak gezien wordt
door de fysiotherapeut in de praktijk. Het stellen van de fysiotherapeutische diagnose bij patiënten
met liespijn is enorm gecompliceerd. Dit omdat het klinische beeld overeenkomt met een groot
aantal pathologieën. Femur Acetabular Impingement (FAI) van de heup is onder andere een
pathologie die door de fysiotherapeut lastig is te diagnosticeren, er is namelijk nog weinig bekend
over wat de fysiotherapeut kan betekenen in zijn onderzoek. Naast FAI zijn er nog meer pathologieën
die liespijn kunnen veroorzaken. De lijst (bijlage 1) van differentiaal diagnoses rondom liespijn is
daarom groot.
Dit ervaart ook dhr. Bos, onze opdrachtgever, die in de praktijk veel patiënten, met name sporters,
behandelt met liespijn. In de dagelijkse praktijk kan hij concluderen dat het belangrijk is om als
fysiotherapeut patiënten met liespijn op een methodische wijze te kunnen diagnosticeren en
differentiëren. Dit heeft tot gevolg dat elke patiënt met deze klacht de meest effectieve behandeling
krijgt, ook als dit een doorverwijzing naar een andere discipline betekent om aan snelle diagnostiek t
kunnen doen.
Echter, er is nog weinig informatie beschikbaar voor de fysiotherapeut omtrent het diagnosticeren en
differentiëren van artrogeen gerelateerde liespijn.
Vandaar dat in overleg met de opdrachtgever het volgende vraagstuk is opgesteld:
Welke artrogene pathologieën komt de fysiotherapeut tegen bij sporters met liespijn en hoe kan
hij deze diagnosticeren en differentiëren?
Zoals hier boven te lezen is, is het vraagstuk op ICD (International Classification of Diseases) niveau
gesteld. De medische diagnose is wel indicatief voor wat de fysiotherapeut gaat doen, maar niet
meer dan dat. Om de meest effectieve behandeling aan de patiënt te kunnen bieden, moet echter
eerst een functionele diagnose (fysiotherapeutische diagnose) worden gesteld. Dit gebeurt binnen de
fysiotherapie op basis van het ICF. Oftewel, om de vraag van de opdrachtgever toepasbaar te kunnen
maken binnen de fysiotherapie is het belangrijk op ICF niveau te handelen. Daarnaast bied handelen
op ICF niveau de fysiotherapeut aangrijpingspunten voor de behandeling, zonder dat er een
medische diagnose is gesteld.
Gedurende dit proces is gekozen om volgens de richtlijnen van de HOAC 2 (Hypotheses Oriented
Algorithm for Clinicians 2) te werk te gaan. Om effectief te redeneren moet de therapeut volgens de
HOAC 2 in staat zijn om op effectieve wijze denkvaardigheden( analyseren, hypothesevorming en
besluitvorming, synthetiseren en evalueren van gegevens) te gebruiken.
4
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Met behulp van de HOAC 2 kunnen gegevens systematisch worden geordend, waarbij huidige en te
verwachten toekomstige problemen stapsgewijs kunnen worden geïnventariseerd. In dit product
wordt echter geen gebruik gemaakt van specifieke patiënten casussen, maar wordt er uitgegaan van
liespijn. De meerwaarde van de HOAC 2 binnen het proces voor het diagnosticeren en differentiëren
van liespijn ligt tevens op het accent van het klinisch redeneren, waarbij ook gebruik wordt gemaakt
van de domeinen binnen het ICF.
Binnen de HOAC 2 wordt gewerkt met een stroomdiagram waarin de verschillende stappen worden
gevisualiseerd. Dit bestaat uit verschillende fases die de stappen van het methodisch werken van
elkaar onderscheiden:
 Fase 1: verwijzing, aanmelding en initiële hypothese
 Fase 2a: anamnese en bijgestelde hypothese
 Fase 2b: onderzoek op ICF-niveau
 Fase 3: definitieve hypothese, advies en behandeldoelstelling
 Fase 4: meetinstrumenten, behandeling en evaluatie. (R. Engelbert et al, 2010)
Voor het beantwoorden van de vraag van de opdrachtgever is het niet nodig alle fases van de HOAC
2 uit te werken, dit aangezien de vraag alleen het diagnostisch proces omvat. Vandaar dat fase 3 en 4
achterwegen zijn gelaten.
In het HOAC 2 proces wordt ook gebruik gemaakt van PIP’s en NPIP’s. PIP’s zijn de door de patiënt
ervaren problemen. Daarentegen verwijzen NPIP’s naar door anderen gesignaleerde problemen.
Deze gegevens kunnen het onderzoek een richting geven. Aangezien er geen patiënt informatie voor
handen is, heeft de werkgroep besloten de PIP’s en NPIP’s te benoemen aan de hand van
symptomen en kenmerken die kunnen wijzen op een artrogenen aandoening, met nadruk op Femur
Acetabular Impingement (FAI).
De werkgroep zal vervolgens de bevindingen uit de HOAC 2 verwerken in een stroomdiagram. Dit kan
gehanteerd worden door de beroepsgroep bij het diagnostisch proces van verschillende artrogene
pathologieën die liespijn tot gevolg hebben. Hieruit ontstaan twee producten: Ten eerste een
stroomdiagram en ten tweede deze bijbehorende gehanteerde verantwoording. Tevens is in dit
product van alle geïncludeerde literatuur een samenvatting vermeld..
Tot slot wordt in de conclusie een antwoord gegeven op het vraagstuk, welke aan het begin van de
beroepsopdracht is opgesteld. Dit product sluit af met de bijlagen waarin alle pathologieën
beschreven staan die behoren tot het vooronderzoek en welke behoren tot het vooronderzoek.
5
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Methode
Voor het schrijven van de verantwoording is gezocht in de internationale, medische databank
Pubmed. De gebruikte zoektermen en het aantal hits staan beschreven in tabel 1. Daarbij zijn de
volgende in- en exclusie criteria gebruikt:
Inclusie:
 Deelnemers zijn volwassen
 Mannen en vrouwen
 Liesklachten in de vorm van pijn
 Bij voorkeur (spel)sporters
 Betrouwbaarheid van de klinimetrie
wordt onderbouwd
 Gericht op het diagnostisch proces, met
als doel het diagnosticeren en
differentiëren van liesklachten
 Full-tekst beschikbaar
 Nederlands-of Engelstalig
 Geplaatst na het jaar 2000
Tabel 1 Zoektermen en
resultaten
Zoektermen
Physical Examination, Labrum
lesion, Hip
Exclusie:
 Artikelen die niet voldoen aan de
exclusiecriteria
 Kinderen als doelgroep
 Deelnemers al bekend zijn met een
pathologie/diagnose
 Deelnemers liespijn hebben ten gevolge
van een operatie
 Fysiotherapeutisch diagnostisch proces
niet wordt beschreven
 Diagnostisch proces niet hanteerbaar is
voor de fysiotherapeut
Hits
5
Geïncludeerd
1
Groin, Pain, Differential,
Diagnosis
33
0
Inguinal, Pain, Differential,
Diagnosis
44
0
Inguinal, Pain,Clinical,
Examination
36
2
Diagnostic, Labrum, Physical
Examination
18
2
Testing, Hip, Femoroacetabular
Impingement
4
2
Labrum, Tear, Clinical test
2
1
Acetabulum, Tear, Clinical
8
1
Diagnosis, Femoroacetabular
Impingement
86
2
Zoektermen
Femoroacetabular
impingement,
Management
Femoroacetabular
impingement,
Presentation,
Femoroacetabular
impingement,
Presentation,
Diagnosis,
Management
Diagnostics,
Femoroacetabular
impingement, Labral
Validity, Physical tests,
Femoroacetabular
impingement
Hip Joint, Humans,
Osteoarthritis,
Classification,
Rheumatology
Hip joint, Athletics,
Osteoarthritis, ROM
Hip Joint,
Osteoarthritis, ROM
Adult, Hip, Range of
Motion, Radiographic,
Hits
25
Geïncludeerd
0
5
0
1
1
3
1
3
2
18
1
7
0
43
0
81
2
6
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Clinical presentation,
Femoroacetabular impingement
18
2
Drehmann Sign
3
1
Trendelenburg test,
Osteoarthritis, Physical
Examination, Clinical
Humans Adolescent,
Rheumatoid, Diagnosis, Arthritis,
Tests
5
1
51
1
Studiejaar 2012-2013
Osteoarthritis
Diagnosis, Hip Joint,
Osteoarthritis, Physical
Examination, Physical
Therapy, Range of
Motion, Articular
Hip joint,
Osteoarthritis,
Classification Tests
Diagnosis, Rheumatoid
arthritis, Clinical guide
34
1
14
2
113
1
In bijlage 4 staat uitgebreid vermeld welke artikelen zijn geïncludeerde en hoe deze zijn gevonden.
De inclusie criteria, ‘bij voorkeur (spel) sporters’, gaf vrijwel geen enkel bruikbaar artikel op, waardoor
besloten is om deze inclusie criteria te laten vervallen. Op basis van bovenstaande in- en exclusie
criteria en de titel is een eerste selectie gemaakt. De tweede selectie is gemaakt op basis van de
samenvatting en inleiding. Artikelen waarin anatomie, diagnose, specifieke testen en/of differentiaal
diagnose werden benoemd zijn geïncludeerd. Daarentegen vielen artikelen welke de behandeling
voor heup aandoeningen beschreven vielen ook af.
De bruikbare artikelen zijn gescoord met behulp van de Pedro schaal en Cochrane formulier Vb, zie
tabel 2 en 3. De algemene oordelen van de artikelen, vraag 12 van het cochrane formulier, is
opgenomen in de bijlage 5.
Tabel 2 Pedro schaal
Artikel
/
Item
A Troelsen et al 2009
S. Nussbaumer 2010
Tabel 3 Cochrane,
formulier Vb
Artikel
/
item
M.R. Leibold et al 2008
M. Tijssen et al 2012
M.J. Philippon 2007
J.C. Clohisy et al 2009
B.R. Kivlan et al 2012
R. Altman et al 1991
Bierma-Zeinstra et al
2002
M. Kameygaya 2011 et
al
Felson 2000
H. Visser er al 2002
Arnett et al 1988
Birrell et al 2001
Youdas et al 2010
Hulsemann et al 1999
1
Ja
Ja
2
0
0
3
0
1
4
1
1
5
0
1
6
1
1
7
1
0
8
1
1
9
1
1
10
1
1
11
0
0
Totaal
6/10
7/10
1
2
3
4
5
6
7
8
10
11
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
ja
Ja
Nee
Ja
ja
Ja
Ja
ja
Ja
Ja
Ja
ja
Ja
Ja
ja
Ja
Ja
nee
ja
Ja
Ja
ja
Ja
Ja
Ja
ja
ob
Ja
ja
Ja
Ja
Nee
ja
Ja
Ja
ja
Ja
nee
Nee
ja
ob
Nee
Voldoende
Voldoende
Twijfelachtig
Nee
ja
Voldoende
Voldoende
ja
V
Nee
Ja
ja
Ja
Ja
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
Twijfelachtig
Ja
1 en 2 lijn
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ob
Ob
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Ja
Nee
Nee
Voldoende
Voldoende
Voldoende
Voldoende
Voldoende
Voldoende
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
e
e
1 en 2 lijn
7
e
e
e
e
e
e
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
HOAC 2, Fase 1: Verwijzing, aanmelding en initiële hypothese
Aan de hand van de eerste fase van de HOAC 2, ‘verwijzing, aanmelding en initiële hypotheses’,
wordt met de informatie die voor handen is vanuit de aanmelding of verwijzing, een initiële
hypotheses opgesteld. Dit zodat zij in latere fases van het HOAC 2 proces uitgesloten of aangetoond
kunnen worden.
Initiële hypothese
De HOAC 2 wordt toegepast op patiënten casussen. Aangezien er geen casus voorhanden is, zijn de
hypotheses opgesteld in alle fases van de HOAC 2. Deze hypotheses zijn toepasbaar op iedere casus.
De volgende hypothese kan in fase 1 worden opgesteld: Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg
van rode vlaggen.
Screeningsproces
Wanneer een patiënt binnenkomt via
Directe Toegankelijkheid
Fysiotherapie(DTF) zal de fysiotherapeut
de patiënt eerst moeten screenen. De
screening vindt plaats met als doel vast te
kunnen stellen of er sprake is van een
pluis of niet pluis situatie. Hierin wordt
onderscheid gemaakt tussen de
aanwezigheid van een bekend, onbekend
dan wel afwijkend patroon, van een
normaal of afwijkend beloop en wordt er
gescreend op aanwezigheid van rode
vlaggen (tabel 4). Met rode vlaggen
worden symptomen en tekens bedoeld
die kunnen duiden op aanwezigheid van
ernstige onderliggende pathologieën en
aandoeningen.
Tabel 4 Uit te vragen rode vlaggen





















Onverklaarbare pijn
Acuut ontstaan van klachten zonder verklaring
Nachtelijke pijn
Constante pijn die niet afneemt in rust of bij
verandering van houding
Algemeen onwel bevinden; misselijkheid, braken,
diarree, bleekheid, duizeligheid, verminderde
eetlust
Duidelijke symptomen of tekenen van ernstige
weerstandsdaling, zoals schimmelinfecties
Koorts
Nachtelijk transpireren
Uitgebreide neurologische tekenen en symptomen
Recent onverklaard gewichtsverlies (> 5kg per
maand)
Langdurig gebruik van corticosteroïden
Zwelling in de lies
Infectie
Kanker in de voorgeschiedenis of familie
Overmatig alcohol gebruik
Ernstige slotklachten in de knie
Onverklaarbare warme en gezwollen knie
Rijbroekanesthesie
Uitvalsverschijnselen
Osteoporose
Evidentie verlamming
De werkgroep heeft rode vlaggen
opgesteld aan de hand van:
 De algemene en specifieke rode
vlaggen genoemd in de KNGF
richtlijn Artrose knie en heup.
(KNGF richtlijn Artrose knie en heup 2010)
 De aandoeningen die liesklachten kunnen veroorzaken. ( bijlage 1)
Na de screening wordt het besluit genomen of de fysiotherapeut competent en bekwaam genoeg is
om het diagnostisch proces te starten zonder tussenkomst van een arts. Indien dit niet het geval is,
zal de patiënt worden geadviseerd om contact op te nemen met de huisarts.
Naast de rode vlaggen zijn er ook blauwe, gele en zwarte vlaggen. Deze vlaggen spelen een geringe
rol bij de screening, aangezien ze zelden een contra indicatie voor fysiotherapie geven. Wel kunnen
deze vlaggen van belang zijn bij bijvoorbeeld het te verwachten herstel van de patiënt. Aangezien
8
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
alleen de rode vlaggen, met betrekking tot de screening, bij DTF van belang zijn, is er besloten de
gele, blauwe en zwarte vlaggen buiten beschouwing te laten. (J.C. Boiten et al 2009)
Door het feit dat liespijn kan ontstaan door gerefereerde pijn, is het van belang om naast de
generieke rode vlaggen ook de tractus anamnese (tabel 5) uit te vragen. Hierdoor zouden eventueel
ook andere symptomen naar voren kunnen komen die relevant zijn voor de diagnosestelling en die
nog niet ter sprake zijn geweest.
Tabel 5 Tractus Anamnese
Tractus circulatorius









Dyspneu
Orthopneu
Pijn op de borst
Hartkloppingen
Enkeloedeem, nycturie
Hypertensie
Hypercholesterolemie
Claudicatio klachten
Veneuze trombose
Tractus digestivus
 Slikproblemen
 Passageproblemen (dysfagie)
 Misselijkheid
 Braken
 Boeren
 Zuurbranden
 Maag- en/of buikpijn
 Icterus
 Defecatie patroon
 Kleur, bloed of
slijmbijmenging
 Voedingspatroon
Tractus urogenitalis
 Urine
 Hematurie
 Prostatismeklachten
 Incontinent
 SOA’s
 Menstruatie zwangerschap en
bevalling (verloop en
eventuele complicaties)
 Eventueel probleem op het
gebied van seksualiteit
Na het afnemen van de screening zal de hypothese: ‘Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van
rode vlaggen’ kunnen worden bevestigd of worden verworpen. De aandoeningen die niet door de
screening heen zullen komen zijn: aandoeningen aan het urinestelsel en geslachtsorganen, fracturen
en necrose. Deze aandoeningen komen niet door de screening omdat de symptomen en kenmerken
van deze pathologieën met het uitvragen van de rode vlaggen er minimaal 1 rode vlag (tabel 4 en
bijlage 1) aanwezig zal zijn, waardoor dit als ‘ niet pluis’ wordt bevonden.
Indien bevestigd zal het door de werkgroep opgestelde stroomdiagram niet verder kunnen worden
gebruikt voor de betreffende patiënt. Wanneer de hypothese wordt verworpen kan verder worden
gegaan met de volgende fase; ‘Anamnese en bijgestelde hypothese’.
9
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
HOAC 2, Fase 2a: Anamnese en bijgestelde hypothese
Wanneer na een screening geen rode vlaggen aanwezig zijn, gaat de therapeut verder met het
afnemen van een anamnese.
Er is gekozen om geen vragenlijsten op te nemen in deze fase. Dit aangezien de werkgroep van
mening is dat vragenlijsten worden gebuikt om het beloop dan wel het effect van therapie te
evalueren. Deze beroepsopdracht is gericht op de diagnostiek en niet op therapie. Tevens hebben
vragenlijsten een laag discriminatief vermogen, waardoor vragenlijsten niet te gebruiken zijn voor
diagnose stelling. Ook hebben vragenlijsten vaak betrekking op een specifieke omschreven vraag of
aandoening, bestaan ze uit verschillende subschalen en hebben ze betrekking op meerdere
domeinen. Gezien de differentiaal lijst van liespijn is het hanteren van vragenlijsten in deze fase niet
gebruikelijk.
Voor het verzamelen van gegevens betreft de klachten van de patiënt is ervoor gekozen om
algemene en gerichte vragen op te stellen.
Aan de hand van de aandoeningen (bijlage 1) heeft de werkgroep de volgende hypotheses opgesteld:
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een myogene factor.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een artrogene factor.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een liesbreuk of sporters hernia.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van perifere of centrale zenuw problematiek.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een ontsteking.
Het doel van de anamnese is de klachten in kaart te brengen zodat er een duidelijk beeld ontstaat
van de klacht. Hiermee zal tevens meer informatie worden vergaard voor de, hierboven,
geformuleerde hypotheses.
Voor de meeste patiënten met liespijn zal de pijn en functiebeperking op de voorgrond staan. De
anamnese zal zich daarom eerst aan de hand van de algemene vragen toespitsen op stoornissen in
functies en activiteiten. Daarna zullen de vragen zich richten op beperkingen op het gebied van
activiteiten en participatie, om vervolgens aandacht te besteden aan de invloed van externe en
persoonlijke factoren, welke van invloed kunnen zijn op het herstel (tabel 6).
Tabel 6 Algemene vragen anamneses (KNGF richtlijn Fysiotherapeutische verslaglegging 2011)





Hulpvraag van de patiënt
In kaart brengen van de functioneringsproblemen, welke door de patiënt worden ervaren:
o Aard van de klachten: termen van stoornissen in functies of anatomische eigenschappen,
beperkingen in activiteiten en/of participatieproblemen
o Ernst van de klachten: in eigen bewoording van de patiënt en/of vastgesteld via een
meetinstrument; PSK en VAS
o Beloop van de klachten
Belemmerende en/of bevorderende medische, persoonlijke en externe factoren, met betrekking tot
de klachten
Beloop van de functioneringsproblemen
o Wijze van omgang met de functioneringsproblemen
Neven pathologieën
10
Hogeschool van Amsterdam









Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Eerdere ziekten/aandoeningen
Familiaire ziekten/aandoeningen
Medische verrichtingen
Medicatie
Soort werk/bezigheden
Woonomgeving
Thuissituatie
Leefstijl
Gebruikte hulpmiddelen
Naast de algemene vragen zal er in de anamnese moeten worden geprobeerd de verschillende
categorieën, welke liespijn kunnen veroorzaken in grote lijnen van elkaar te onderscheiden. Hiervoor
zullen specifieke vragen moeten worden gesteld ( tabel 7).
De werkgroep heeft de specifieke vragen opgesteld aan de hand van de symptomen die voorkomen
bij de aandoeningen die ook liespijn als symptoom hebben(bijlage 2). Daarnaast zijn de vragen
kenmerkend voor de opgestelde hypothese. Dit omdat het voor het verdere onderzoek van belang is
in de anamnese de aandoeningen in grote lijnen van elkaar te kunnen differentiëren. Eventueel kan
na de anamnese namelijk hierdoor de hypothese worden bijgesteld of worden verworpen.
Zoals al eerder in de inleiding genoemd zijn de PIP’s en NPIP’s benoemd. De ingevulde PIP’s en
NPIP’s, in tabel 9 zijn kenmerken en symptomen vanuit de anamnese die mogelijk wijze op een
artrogene klacht, in de richting van FAI. In tabel 8 zijn de bijbehorende verwachtingsproblemen te
vinden. Het is belangrijk om hier als fysiotherapeut bewust van te zijn, aangezien de te verwachten
probleem mogelijk van invloed kunnen zijn op het beloop, en daarmee de problemen en stoornissen
op ICF niveau doen toenemen.
Tabel 7 Specifieke vragen, per opgestelde hypothese
Er is sprake van liespijn als
gevolg van perifere of centrale
zenuw problematiek.
 Gevoelsloosheid
 Uitvalsverschijnselen
 Radiculaire
prikkelingen
 Krachtverlies
 Niezen, hoesten en
persen is provocerend
 Mictie en/of faeces
problemen
 Last van tintelingen
o Uitstraling
van de
tintelingen
o Rugklachten
o Eerder last
gehad van de
klachten
.
Er is sprake van liespijn als gevolg
van een myogene factor.
 Overbelasting/
onderbelasting
 Ontsteking klachten
 Scherpe pijn in de lies of aan
de binnenzijde van het
bovenbeen
 Stijfheid binnenzijde
bovenbeen
 Drukpijn aan de binnenzijde
van het bovenbeen of op
het schaambeen
 Pijnlijke spier contractie
 Zichtbare lichte zwelling en
blauwe verkleuring
 Krachtverlies
Er is sprake van liespijn als gevolg
van een artrogene factor.
 Stijfheid
 Achteruitgang van het
dagelijks functioneren
 Valangst/ verminderde
stabiliteit in de heup
 Krachtsverlies
 Contactsport
 Last van een scherp,
brandend of jeukende pijn.
 Voor over bukken,
hardlopen, lang zittenen
opstaan provoceren
 Stijfheid
 Bekend met artrose
 Last van scherp .aanwezige
pijn in de lies
 Uitstraling naar de bil
 Slotklachten
 Lang lopen of langdurig
zitten provocerend de
klachten
 Crepetaties
11
Hogeschool van Amsterdam
Er is sprake van liespijn als gevolg
van een liesbreuk of sporters
hernia.
 Pijn wordt geprovoceerd
door hoesten, niezen
en/of persen
 Sprake van misselijkheid,
braken en/of hevige
buikpijn
 Sprake van een
zwelling/uitpuiling in de
liesstreek
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Er is sprake van liespijn als gevolg van
een ontsteking.
 Zwelling
 Warmte verschillen
Stijfheid
Voorlopig bijgestelde hypothese
Na het uitvragen van de anamnese
Tabel 8 De te verwachten problemen op langere termijn bij
met behulp van de specifieke vragen
atrogene klachten
uit tabel 7 zal naar voren moeten zijn
De patiënt zal naar verwachting te maken krijgen met een toename
van de pijn en beperkingen in de activiteiten/ participatie. Volgens
gekomen of eventueel sprake kan zijn
M.Tijssen et al 2012 is het bewezen dat FAI een provocator is voor
van perifere of centrale zenuw
artrose, waardoor het zeer belangrijk is dit snel te diagnosticeren.
problematiek. De werkgroep heeft er
Ook zegt dit artikel dat het gemiddeld langer dan 2 jaar duurt voordat
daarom voor gekozen de hypothese:
juiste diagnose wat betreft heup pathologie is gesteld.
‘Er is mogelijk sprake van liespijn als
gevolg van perifere of centrale zenuw problematiek’ na de anamnese af te laten vallen. Wanneer de
hypothese wordt bevestigd kan het opgestelde stroomdiagram niet verder worden gevolgd, wanneer
de hypothese wordt verworpen kan verder worden gegaan met het stroomdiagram.
Daarnaast zal ook het vermoeden op een liesbreuk, sporters hernia en/of ontsteking aanwezig
kunnen zijn. De werkgroep heeft er voor gekozen deze hypothese wel mee te nemen naar het
onderzoek. Hier zal de hypothese alsnog bevestigd of verworpen kunnen worden.
Tabel 9 PIP's en NPIP's, artrogeen gerelateerd
PIP’s
Patiënt is volwassen en presenteert zich in de praktijk met liespijn, daarnaast is het ook mogelijk dat er sprake
is van pijn in de heup regio en in de onderrug. Verder kan de patiënt mechanische klachten ervaren, zoals een
‘pop’ of ‘snap’sensatie, crepetaties en giving away. De symptomen zijn meestal al enige tijd aanwezig. Vaak
betreft het professionele atleten en andere intensief sportende mensen. Sporten waarbij een repeterende
heuprotatie plaatsvindt, zoals bij voetbal, hockey, basketbal of golf, vormen een risicogroep.
De symptomen treden intermitterend op, voornamelijk bij sport activiteiten, maar zullen op de langere duur in
frequentie toenemen.
Ook zullen de klachten op de langere termijn er voor zorgen dat de patiënt problemen ervaart bij het opstaan
vanuit de stoel, lang zitten, in en uit de auto stappen en voorover leunen.
NPIP’s
Mensen uit de omgeving zullen in eerste instantie niets opmerken aan de patiënt, tenzij de patiënt hierover
verteld. Op de langere termijn zal hen opvallen dat de patiënt de sport activiteiten niet of niet volledig meer
kan uitvoeren of een verminderde prestatie levert. Eventueel kunnen zij ook opmerken dat de patiënt mank
loopt.
12
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
HOAC 2, Fase 2b: Onderzoek op ICF-niveau
Na het afnemen van de anamnese en het bijstellen van de hypothese zijn de volgende hypotheses
over gebleven:
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een myogene factor.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een artrogene factor.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een liesbreuk of sporters hernia.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een ontsteking.
In HOAC fase 2b, zullen aan de hand van het onderzoek de bovenstaande hypotheses worden
getoetst.
Het onderzoek vindt plaats op ICF niveau. Hierin worden ook de gegevens vanuit de anamneses
meegenomen. Met behulp van het ICF worden lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen,
activiteiten, participatie en persoon- en omgevingsfactoren in kaart gebracht.
Inspectie
Bij de inspectie bekijkt de therapeut de stand van de gewrichten in rust en hoe de patiënt beweegt.
Indien mogelijk inspecteert de therapeut de patiënt in stand en laat de patiënt daarna dagelijkse
activiteiten, zoals zitten, opstaan en lopen uitvoeren. Ook moet er gekeken worden naar de rug,
bekken, knieën, enkels en voeten.
Tijdens de inspectie van de heup moet er extra gelet worden op de volgende punten:
 De aanwezigheid van bloeduitstortingen. Wanneer er sprake is van een fractuur kan een
bloeduitstorting zichtbaar zijn ter hoogte van de fractuur.
 Of de benen gelijk en symmetrisch zijn ten op zichten van elkaar. De stand van de benen kan
een indicatie geven voor de aandoening:
o Een posteriore dislocatie, van de heup, kan zich uiten in een verkort, geadduceerd en
geendoroteerd been de trochanter major is hierbij prominerend.
o Een anteriore disclocatie, van de heup, kan zich uiten in een geabduceerd,
geexoroteerd been. Verder kan er zwelling zichtbaar zijn als gevolg van druk op de
trigonum femorale.
o Intertrochanter fracturen kunnen zich uiten in een verkort en geexoroteerd been.
 Bekken afwijkingen, zoals beenlengte verschil, spier contracturen en scoliose.
 Bekken stabiliteit. Aandoeningen van de heup kunnen zorgen voor aangespannen
adductoren, iliopsoas, piriformis, tensor fasciae latae, rectus femoris en hamstrings. Terwijl
tegelijkertijd de gluteus maximus, medius en minimus zwak worden.
 Of er sprake is van een Trendelenburg, dit kan wijzen op een zwakte van de abductoren.
 Of er sprake is van een Pelvic wink, intra articulaire aandoeningen of een flexie contractuur
kunnen dit als gevolg hebben.

Of er sprake is van pijn bij palpatie over het ligamentum inguinale. Dit kan wijzen op
artrogene pathologie. (D.J. Magee 2008)
13
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Ganganalyse
Wanneer de heup is aangedaan zal bij het neerzetten van het been de knie lichtelijk buigen. Dit om
de shock te absorberen. De paslengte in de zwaai fase, met het aangedane been als standbeen, is
korter. Dit om zo kort mogelijk het gewicht op het aangedane been te nemen. Wanneer de heup stijf
is zal de gehele romp en het aangedane been samen naar voren bewegen tijdens de zwaai.
Daarnaast moet er ook gelet worden op de bewegingen van de romp tijdens het lopen. Wanneer er
sprake is van een disbalans tussen de flexoren en extensoren in het sagitale vlak, is de romp
beweging veranderd om de balans tijdens het lopen te behouden. (D.J. Magee, 2008)
Palpatie
Tijdens de palpatie kan de therapeut een deel van de stoornissen in functie en anatomische
structuren in kaart brengen. Hierbij wordt er gelet op aanwezigheid van zwellingen, verdikkingen,
temperatuurverhogingen, drukpijn en spiertonus.
Voorlopig bijgestelde hypothese
Indien er aanwijzingen zijn dat er afwijkingen in anatomische eigenschappen zijn, in de zin van
zwelling, bloeduitstorting, ontstekingsverschijnselen en/of een positieve valsalva maneuvre
waarneembaar, dan kan dit er op wijzen dat er mogelijk sprake is van:
 een liesbreuk of sporters hernia
 een ontsteking
De eerder opgestelde hypothese, omtrent deze aandoeningen komen hierdoor te vervallen. De
volgende twee hypotheses blijven over en zullen verder worden getoetst met behulp van het
bewegingsonderzoek:
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een myogene factor.
 Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van een artrogene factor.
Mochten zwellingen en ontstekingsverschijnselen waarneembaar zijn, dan kan er nog altijd sprake
zijn van een bursitis. Indien er sprake is van een bursitis, dan zal zich dit in het bewegingsonderzoek
uiten. Aangezien er bij een bursitis geen sprake is van een bewegingsbeperking in het heupgewricht.
Bewegingsonderzoek
Aan de hand van de anamnese (beloop), de stoornissen in functie, de beperking in activiteiten en het
bewegingsonderzoek kan een uitspraak worden gedaan of de liespijn mogelijk afkomstig is vanuit
een myogeen probleem of een artrogeen probleem.
Bij een normaal beloop van een myogeen letsel, afhankelijk van de ernst/ grote qua ruptuur, zal het
herstel minimaal drie weken duren voordat iemand weer op zijn ‘oude’ niveau is. Myogeen,
bindweefsel, herstel kent drie fases: ontstekingsfase (1-4dagen), proliferatiefase (5-12dagen) en
organisatiefase (12-21dagen). Bij een artrogeen probleem neemt de klacht vaak niet binnen drie
weken af, deze blijft eerder stabiel. (J.J. de Morree, 2008)
Actief bewegingsonderzoek, waarbij gevraagd wordt naar de mogelijkheid van: flexie/ extensie,
abductie/adductie en exorotatie/ endorotatie van de heup.
 Hierbij worden de aangedane en niet-aangedane zijde met elkaar vergeleken. Wanneer er
een myogeen letsel aanwezig is, is er mogelijk een bewegingsbeperking en pijn in de richting
van flexie, adductie en/of endorotie aanwezig. Dit zijn de richtingen waarbij de aangedane
14
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
spieren die liespijn kunnen veroorzaken moeten contraheren. Dit sluit een artrogeen
probleem overigens niet uit.
Passief bewegingsonderzoek met beoordeling van de totale range of motion in de hierboven
genoemde richtingen met daarbij ook de beoordeling van het eindgevoel. De range of motion wordt
gemeten met de goniometrie.
 Wanneer er mogelijk een myogeen probleem aanwezig is, is de passieve range of motion
vaak niet beperkt. De therapeut zorgt voor de beweging en de spieren blijven volledig
passief. Hierdoor wordt er geen contractie gevraagd van de aangedane spieren/pezen
waardoor er geen pijn zal optreden. Wanneer de PROM (Passieve Range of Motion) wel pijn
geeft en beperkt is in mobiliteit, dan is er mogelijk een artrogeen probleem.
 Indien er scherpe liespijn optreedt tijdens flexie/adductie/endorotie, dan kan dit er op wijze
dat er sprake is van een anterior impingement van de femur hals tegen het acetabulum.
Volgens Lohmann (2011) bestaat er een norm voor de PROM voor de richtingen van de heup:
o Flexie/Extensie
120°/0°/20°
o Abductie/Adductie
50°/0°/30°
o Exorotatie/Endorotatie
45°/0°/45°
(met gebogen heup)
o Exorotatie/Endorotatie
50°/0°/35°
(met gestrekte heup)
Aan de hand van het eindgevoel van de PROM, kun je beoordelen of dit ‘normaal’ is of niet en wat
mogelijk de bewegingsbeperking tot stand helpt.
o Hard: Remming door het tegen elkaar stoten van ossale structuren. Of door een
zuivere ligamentaire remming. (dit laatste komt in ons lichaam weinig voor)
o Elastisch: (= stug): Een eindgevoel waar enige vering mogelijk is, dit wordt het meest
ervaren bij het kapsel. Een remming door bindweefsel in de spier noemen we ook
elastisch, alleen deze is minder stug.
o Zacht: Een zacht eindgevoel komt tot stand doordat er een spier gerekt wordt (het
contractiële deel) of bij een samendrukking van weke delen (zoals spieren, vet).
Bij een myogeen letsel zal het, wanneer deze een beperkte PROM heeft, een zacht eindgevoel
waarneembaar zijn. Wanneer de heupmobiliteit door een artrogeen letsel wordt geremd,
bijvoorbeeld een capsulitis, kan dit een elastisch eindgevoel geven.
S. Nussbauwer et al (2010) heeft een onderzoek gedaan naar de ROM (Range of Motion) bij FAI
patiënten vergeleken met een, ‘gezonde’, controle groep. Hieruit resulteerde dat adductie in beide
groepen vrijwel gelijk was, maar dat abductie, exorotatie, endorotatie en flexie bij FAI deelnemers,
ongeveer 8° tot 9° minder is in vergelijking met de controle groep. Wanneer tijdens het
bewegingsonderzoek een mobiliteit beperking van endorotatie, exorotatie, flexie en/of abductie naar
voren komt en/of in combinatie met crepetaties, kan dit wijzen op een artrogene aandoening.
Aan de hand van de anamnese (beloop), de stoornissen in functie, de beperking in activiteiten,
inspectie/palpatie en het bewegingsonderzoek is er een conclusie mogelijk of de liespijn mogelijk
afkomstig is door een myogene of artrogene aandoening.
15
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Weerstandonderzoek
Beoordeling van de spierkracht gebeurt aan de hand van de MRC- schaal. Hierbij gaat het om de
spierkrachttesten van de spieren die liespijn kunnen veroorzaken. (bijlage 1) Wanneer er een
myogeen probleem aanwezig is, is de kans zeer groot dat er krachtsvermindering van de spier
aanwezig is. Wanneer de klacht artrogeen gerelateerd is hoeft dit niet zo te zijn.
 MRC 1: Geen beweging mogelijk
 MRC 2: Beweging mogelijk in horizontaal vlak
 MRC 3: Kan lichaamsdeel worden vastgehouden tegen zwaarte kracht in
 MRC 4: Lichaamsdeel kan worden vastgehouden tegen lichte weerstand
 MRC 5: Lichaamsdeel kan worden vastgehouden tegen zware weerstand (Kendall et al 2008)
Voorlopig bijgestelde hypothese
Indien het bewegingsonderzoek aantoont dat er bij een actieve range of motion pijn, een
bewegingsbeperking en krachtsvermindering aanwezig is in flexie, adductie en/of endorotie, maar de
passieve range of motion niet beperkt of pijnlijk is, dan kan dit er op wijzen dat er mogelijk sprake is
van een myogeen probleem. De eerder geformuleerde hypothese kan hierdoor worden verworpen.
Wanneer dit allemaal niet het geval is, zal de hypothese worden verworpen en blijft alleen een
artrogeen probleem over.
Aanvullend onderzoek
Na het algemeen bewegingsonderzoek is alleen de hypothese ‘Mogelijk is er sprake van liespijn als
gevolg van een artrogene aandoening over’.
Er zijn vier verschillende artrogene aandoeningen die liespijn kunnen veroorzaken. (bijlage
1)Hierdoor ontstaan de volgende hypotheses:
 Mogelijk is er sprake van liespijn als gevolg van artrose.
 Mogelijk is er sprake van liespijn als gevolg van artritis.
 Mogelijk is er sprake van liespijn als gevolg van FAI.
 Mogelijk is er sprake van liespijn als gevolg van een labrum leasie.
Aan de hand van het literatuur onderzoek, beschreven in de methode, zijn geprobeerd deze
hypotheses van elkaar onderscheiden door middel van het specifieke onderzoek. Indien beschikbaar
zullen van de vermelde specifieke testen de sensitiviteit, specificiteit, positief- en negatief
voorspellende waarde worden benoemd.
Tabel 10 Definities (Dutch Cochrane Centre 2013)
Sensitiviteit
Specificiteit
De groep met bepaalde ziekte door de test als ziek geclassificeerd worden. De
sensitiviteit zegt iets over de gevoeligheid van de test voor het herkennen van
gevallen van de ziekte.
Een hoge sensitiviteit (percentage positieve testuitslagen bij de ziekte) van een test
betekent dat je bij een negatieve testuitslag er vrij zeker van kunt zijn dat iemand de
ziekte daadwerkelijk niet heeft. Sensitiviteit = totaal positieven / totaal
positieven+fout negatieven.
De groep personen zonder de ziekte met behulp van de test als niet-ziek
geclassificeerd worden. De specificiteit zegt dus iets over de vermogen van de test om
uitsluitend zieke en geen andere personen als ziek aan te merken.
Een hoge specificiteit (percentage negatieve testuitslagen bij afwezigheid van de
ziekte) van een test betekent dat je bij een positieve testuitslag er vrij zeker van kunt
16
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
zijn dat iemand de ziekte heeft. Specificiteit = totaal negatieven / totaal
negatieven+fout positieven
Positief
voorspellende
waarde
De groep van de onderzochte personen met een positieve uitslag op de indextest die
de ziekte inderdaad heeft (=posterior kans op de ziekte bij een positieve
indextestuitslag). Totaal positieven / totaal positieven+fout positieven.
Negatief
voorspellende
waarde
De groep van de onderzochte personen met een negatieve uitslag op de indextest die
de ziekte inderdaad niet heeft (=posterior kans op het niet hebben van de ziekte bij
een negatieve indexuitslag). Totaal negatieven / totaal negatieven + fout negatieven.
FAI en labrum leasie
In de databases is veel literatuur te vinden over labrum leasies en op Femur Acetabular Impingement
(FAI). Een groot gedeelte blijkt echter te gaan over het stellen van de medische diagnose. Daarnaast
zijn er veel artikelen gepubliceerd over de behandeling van FAI en labrum leasies.
A. Troelsen et al (2009) deed een onderzoek, waarin 18 patiënten werden onderzocht op een labrum
leasie. In het artikel wordt niet vermeld of de patiënten bekend zijn met een andere heup
aandoening. De 18 patiënten werden onderzocht aan de hand van de impingement test, FABER test,
Straigt leg raise met weerstand, ultrasound en MRI-A, om een labrum leasie aan te tonen. De
uitkomst waarde hiervan zijn terug te vinden in tabel 11.
Tabel 11
Uitkomstwaarde
vanuit het
onderzoek van A.
Troelsen et al
Sensitiviteit
Specificiteit
Positief
voorspellende
waarden
Negatief
voorspellende
waarde
Impingement test
59%
100%
100%
13%
FABER test
41%
100%
100%
9%
Straigt leg raise
met weerstand
Ob
Ob
Ob
Ob
Vanuit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de impingement test, van de onderzochte
klinische testen, het meest bruikbaar is bij het aantonen van een labrum leasie.
In 2008 werd een systematic review van M.R. Leibold et al (2008) gepubliceerd. Hierin worden
verschillende onderzoeken naar klinische testen bij labrum leasies besproken. De uitkomsten van de
besproken onderzoeken naar klinische testen zijn terug te vinden in tabel 12.
Vanuit deze gegevens kan worden opgemaakt dat een negatieve uitkomst van: de impingement test,
de flexie-endorotatie test, de impingement provocatie test, de flexie-adductie-axiale compressie test
en de Fitzgerald test, de therapeut het meeste evidence based bewijs leveren dat een heup labrum
leasie niet aanwezig is. Om meer zekerheid te geven, zouden de testen met elkaar kunnen worden
gecombineerd tot een testcluster.
Echter, in de systematic review wordt bij een aantal onderzoeken vermeld dat de deelnemers
bekend waren met artrose, FAI en/of heup dysplasie. Bij andere onderzoeken wordt daarentegen
17
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
niet vermeld of de deelnemers bekend zijn met een andere heup aandoening. Ook komt naar voren
dat de testen gebruikt in de verschillende onderzoeken niet gestandaardiseerd zijn en niet altijd is
informatie over de beoordelaars beschikbaar.
Onderzoek van Burnett et al (2006) beweert dat een labrum leasie vaak samen voorkomt met een
andere heup aandoening zoals:
 Heupdysplasie
 Heup artrose stadium 2
 Afwijkende vorm van de femur kop, zoals bij FAI
 Verschoven groeischijf van het femur
 Kraakbeen letsel
 Legg Calvé Perthes
 Heup trauma
Naar mening van de werkgroep, kan op basis van dit artikel, geen uitspraak worden gedaan of de
klinische testen gebruikt kunnen worden om alleen een labrum leasie uit te sluiten, wanneer er geen
andere aandoening in de heup aanwezig is.
M.J. Philippon et al (2007) deed een onderzoek waaraan 301 patiënten deelnamen. Alle patiënten
zijn van te voren gediagnosticeerd met behulp van arthroscopy, 50 patiënten hadden PINCER
impingement, 100 een CAM impingement en 151 beide. De groep met zowel een PINCER- als CAM
impingement was gemiddeld vijf en een half jaar ouder.
Het onderzoek had als doel vast te stellen welke subjectieve klachten en objectieve bevindingen er
bij FAI patiënten gezien worden. Hiervoor is er gebruik gemaakt van de Impingement- en FABER test.
99% van de gevallen scoorde positief op de impingement test en 97% scoorde positief op de FABER
test. Daarnaast gaf een groot gedeelte van de patiënten aan problemen te ervaren bij het uitvoeren
van zwaar werk, lopen en in en uit de auto stappen. Specificiteit, sensitiviteit, positief- en negatief
voorspellende waarde worden verder niet benoemd. De werkgroep is hierdoor van mening dat het
onderzoek niet genoeg valide is. Een uitspraak doen op basis van dit artikel is niet mogelijk.
J.C. Clohisy et al (2009) heeft een vergelijkbaar onderzoek gedaan waaraan 51 patiënten (52 heupen)
deelnamen. Alle patiënten zijn van te voren gediagnosticeerd met een anterior hip impingement,
door middel van arthroscopy. 36 heupen hadden daarnaast ook een labrum leasie en 35 heupen
hadden artrose. De mate van artrose werd ingedeeld volgens de classificatie beschreven in Beck et
al. Van de 35 heupen zaten 8 heupen in graad een, 5 heupen in graad twee, 5 heupen in graad drie
en 17 heupen in graad vier. Het onderzoek had als doel om het beloop, het huidig activiteiten niveau
en fysieke testen in kaart te brengen die gebruikt kunnen worden bij FAI. Hierin kwam naar voren dat
46 patiënten pijn in de lies aangaven, 37 patiënten pijn aan buitenzijde van de heup en er door een
klein deel van de patiënten ook pijn werd ervaren in de knie, bil, dij en/of onderrug.
Verder kwam er naar voren dat het verschil in ROM van de aangedane, in vergelijking met de niet
aangedane zijde, nauwelijks verminderd was. De waarde van de fysieke testen die gebruikt zijn
binnen dit artikel zijn te vinden in tabel 12. Uit dit onderzoek komt naar voren dat 98%, van de
patiënten met FAI, positief test op de FABER test en 88% test positief op de FADIR test (ook wel
impingement test genoemd). Omdat in dit artikel verder niet wordt ingegaan op statistische waarde,
is de werkgroep van mening dat het onderzoek niet genoeg valide is om er een uitspraak over te
kunnen doen.
18
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
B.R. Kivlan en R.L. Martin deden in 2012 een onderzoek naar de mogelijkheid om liespijn te kunnen
diagnosticeren aan de hand van functionele testen: de deep squat test, de single leg squat test, single
leg stance test en Star Excursion Balance test.
Alleen de deep squat werd uitgevoerd bij patiënten met disfunctioneren van de heup. Gedurende de
deep squat test hadden patiënten met FAI een verminderde squat diepte en een veranderd lumbale
bekken beweging, in vergelijking met ‘gezonde’ mensen.
De maximale squat diepte bij patiënten met FAI, 41% van de been lengte, was significant kleiner
vergeleken met de controle groep, 32% van de beenlengte. De deep squat kan gebruikt worden in de
praktijk bij het helpen stellen van de diagnose FAI. Echter, er is verdere studie nodig om te bepalen
hoe deep squat test kan worden gebruikt tijdens het diagnostisch proces bij het aantonen van heup
disfunctie.
In 2012 werd een systematic review gepubliceerd van M. Tijssen et al (2012). Hierin worden
onderzoeken besproken waarbij gebruik wordt gemaakt van klinische testen waarmee FAI en labrum
leasie, nauwkeurig en valide kunnen worden gediagnosticeerd.
De uitkomst waarde van deze onderzoeken, voor de klinische testen, zijn terug te vinden in tabel 12
Voor de anterior hip impingement test, de impingement sign, the flexion-adduction-axial
compression test, de FABER test, de Fitzgerald test en de hip quadrant position is een hoge (90100%) sensitiviteit gerapporteerd. Voor de anterior hip impingement test, de FABER test, de RSLR
test en de Thomas test is een hoge specificiteit (90-100%) gerapporteerd. Een hoge positieve
voorspellende waarde (90-100%) is gerapporteerd voor alle testen, behalve voor de endorotatieflexie – axiale compressie test, de log-roll test en de posterior impingement test. Alleen Maslowski
et al (2010) beschrijft dat de FABER test en de hip quadrant position een hoge negatief voorspellende
waarde (90% of hoger) hebben. Voor alle andere testen waren deze zeer laag of niet gemeten om
verschillende redenen.
Echter kunnen de testen, in de verschillende onderzoeken, voor zowel FAI als labrum leasie gebruikt.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de testen bruikbaar zijn voor het uitsluiten van een FAI en
labrum leasie, maar niet afzonderlijk van elkaar.
19
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Tabel 12 Specifieke testen bij FAI en Labrum leasie. (FAI: Femor Acetabulum Impingement, LBL: Labrum Leasie, Ob: Onvoldoende bewijs)
Test
Diagnose
Anterior
Impingement
test
LBL
Aantal
patiënten
49
FAI/ LBL
35
FAI/ LBL
FAI/LBL
FAI/LBL
FAI/LBL
LBL
FAI/LBL
FAI/LBL
51 (53
heupen)
66
18
301
101 (102
heupen)
19
25
24
30
28
22
Gouden
standaard
MRI-A
Sensitief
Specifiek
PVW
NVW
auteur
78%
10%
53%
25%
Martin et al. 2008
MRI
MRI-A
radiografie
100%
Ob
100%
Ob
Sink et al. 2008
88%
Ob
100%
0%
Clohisy et al. 2009
Arthroscopy
MRI-A
Arthroscopy
Arthroscopy
95%
59%
99%
100%
Ob
100%
Ob
0%
100%
100%
Ob
91%
0%
13%
Ob
Ob
Burnett et al. 2006
Troelsen et al. 2009
Philippon et al. 2009
Keeny et al. 2004
Arthroscopy
Arthroscopy
MRI-A
MRI-A
MRI-A
Arthroscopy
100%
96%
100%
100%
100%
100%
Ob
Ob
Ob
0%
0%
0%
100%
100%
100%
97%
64%
82%
Ob
0%
Ob
Ob
Ob
Ob
Beck et al. 2004
Ito et al. 2004
Kassarjian et al. 2005
Beaule et al. 2005
Leunig et al. 2004
Leunig et al. 1997
FAI
292
Radiografie
70%
86%
67%
53%
Nogier et al. 2010
LBL
LBL
LBL
58
10
76
Arthroscopy
Arthroscopy
Arthroscopy
100%
70%
100%
Ob
Ob
Ob
100%
100%
100%
Ob
Ob
Ob
Santori and Villar. 2000
Hase and Ueo. 2003
Santori&Villar 2000
LBL
LBL
LBL
30
25
10
MRI-A
Arthroscopy
MRI-A
100%
100%
100%
0%
0%
0%
83%
94%
90%
Ob
Ob
Ob
Chan et al. 2005
Chan et al. 2005
Petersilge et al. 1996
LBL
LBL
FAI
LBL
Impingement
provocatie
test
Impingement
sign C
Flexieendorotatie
test
In combinatie
met:
heupdysplasie
Heupdysplasie
20
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
LBL
LBL
10
18
Arthroscopy
MRI-A
100%
75%
0%
43%
70%
27%
Ob
86%
Hase&Ueo 1999
Narvani et al. 2003
LBL/ FAI
50
89%
15%
19%
86%
Maslowski et al. 2010
Palpatie
posterior van
de Trochanter
major
LBL
10
VAS na intraarticulaire
heup injectie
Arthroscopy
80%
Ob
100%
0%
Hase&Ueo 1999
Flexieadductie-axial
compressie
test
LBL
10
Arthroscopy
100%
Ob
100%
Ob
Hase and Ueo 1999
FABER test
LBL
LBL
LBL/ FAI
25
18
50
88%
41%
88%
Ob
100%
24%
100%
100%
18%
Ob
9%
91%
Mitchell et al. 2003
Troelsen et all. 2009
Maslowski et al. 2010
Fitzgerald test
LBL
56
96%
Ob
100%
0%
Fitzgerald. 1995
Hip quadrant
position
LBL
25
MRI-A
MRI-A
VAS after
intraarticulaire
hip injection
Hip joint
surgery
Arthroscopy
100%
Ob
100%
Ob
Mitchell et al. 2003
LBL/ FAI
50
88%
43%
23%
95%
Maslowski et al. 2010
LBL
Ob
LBL/ FAI
59
Ob
51 (53
VAS after
intraarticulaire
hip injection
Arthroscopy
Ob
Radiography
89%
25%
56%
92%
Ob
Ob
94%
Ob
100%
86%
Ob
0%
McCarthy et al. 1995
Narvani et al. 2003
Clohisy et al. 2009
FlexieEndorotatieaxial
compressie
Thomas test
RSLR test
heupdysplasie
21
Hogeschool van Amsterdam
LBL
LBL/ FAI
Beroepsopdracht
heupen)
18
50
Log-roll test
LBL/ FAI
Posterior
Impingement
test
LBL/ FAI
Maximale
flexieendorotatie
test
LBL
60
LBL
LBL
8
60
Maximale
flexieexorotatie
test
51 (53
heupen)
51 (53
heupen)
Artrose als
gevolg van
heupdysplasie
Artrose als
gevolg van
heupdysplasie
Studiejaar 2012-2013
MRI-A
VAS after
intraarticulaire
hip injection
Radiography
6%
75%
100%
38%
100%
19%
6%
89%
Troelsen et al. 2009
Maslowski et al. 2010
30%
Ob
Ob
Ob
Clohisy et al. 2009
Radiography
21%
Ob
Ob
Ob
Clohisy et al. 2009
Arthroscopy
38%
Ob
100%
0%
Suenage et al. 2002
Arthroscopy
Arthroscopy
100%
38%
Ob
Ob
100%
100%
Ob
0%
Guanche&Sikka 2005
Suenage et al. 2002
22
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Op basis van symptomen en kenmerken van de patiënt, zoals mechanische symptomen, constante of
intermitterende pijn, actieve mensen (zie bijlage 1 en 2) in combinatie met eventueel een
verminderde deep squat en verminderde ROM voor endorotatie, exorotatie, flexie en- of abductie
kan er een vermoeden bestaan voor een FAI al dan niet in combinatie met een labrum leasie.
De klinische testen, besproken in de gehanteerde literatuur en samengevat in tabel 13, laten
verschillende waarde voor specificiteit en sensitiviteit zien. Zo geven de testen uitgevoerd in de
onderzoeken van Troelsen et al (2009) een hoge specificiteit zien, terwijl andere onderzoeken naar
dezelfde testen juist een hoge sensitiviteit laten zien
Aangezien voor de Impingement test de onderzoeken met een hoge sensitiviteit meer deelnemers
bevatten, zoals de onderzoeken van Keeny et al (2004) en Burnett et al (2006), heeft de werkgroep er
voor gekozen dat de Impingement test gebruikt zou kunnen worden voor het uitsluiten van FAI.
Echter wordt niet in elk onderzoek beschreven hoe de test is uitgevoerd en opmerkelijk is ook dat de
test zowel in onderzoeken naar FAI als in onderzoeken naar labrum leasies wordt vermeld. Vandaar
dat er geen uitspraak kan worden gedaan of de test alleen gebruikt kan worden voor het uitsluiten
van FAI.
De Impingement C sign test lijkt op basis van de gegevens uit het onderzoek van Nogier et al (2010)
te kunnen worden gebruikt om FAI aan te tonen. Het onderzoek bevat 292 deelnemers met een
redelijk hoge waarde voor de specificiteit, 86%. Echter, dezelfde test laat in de onderzoeken van
Santorie en Villar (2000) en Hase en Ueo (2003) een hoge sensitiviteit zien. Wel is opmerkelijk dat de
testen hier zijn uitgevoerd voor het uitsluiten van een labrum leasie. Over FAI wordt in deze
onderzoeken niet gesproken. Je kunt je nu afvragen of de test voor zowel FAI als labrum leasie kan
worden gebruikt. Labrum leasies worden tenslotte vaak in combinatie met een andere heup
aandoening, zoals FAI, gezien.
De FABER test wordt in drie onderzoeken vermeld. Geen van de onderzoeken geeft een hele hoge
waarden voor specificiteit en sensitiviteit. Uit het onderzoek van Maslowski et al (2010) komt naast
een sensitiviteit van 88%, een hoog negatief voorspellende waarde van 91%. Dit onderzoek is
vergeleken met de andere twee met veel deelnemers uitgevoerd. Mogelijk zou de FABER test dus
wel gebruikt kunnen worden voor het uitsluiten van FAI in combinatie met een labrum leasie.
Voor Hip quadrant position geldt vrijwel hetzelfde volgens Maslowski et al (2010). De sensitiviteit is
redelijk hoog met 88% met een hoge negatief voorspellende waarde van 95%. Het andere onderzoek
van Mitchell et al (2003) vermeld niets over de negatief voorspellende waarde, maar heeft wel een
hoge sensitiviteit. De werkgroep is daarom van mening dat de Hip quadrant postion eventueel
gebruikt kan worden voor het uitsluiten van FAI in combinatie met een labrum leasie.
Het onderzoek van Clohisy et al (2009), laat voor zowel de Log-roll test als de Posterior Impingement
test weinig uitkomst waarde zien. Alleen de sensitiviteit is vermeld, echter betreft dit voor beide
testen een lage waarde van slechts 30% en 21%. Deze testen zijn hoogst waarschijnlijk niet bruikbaar
in het onderzoek naar FAI en labrum leasies.
De maximale Flexie-endorotatie test wordt in zowel het onderzoek van Suenage et al (2002) als dat
van Guanche en Sikka (2005) benoemd. De uitkomst waarde lopen nogal uiteen betreft de
23
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
sensitiviteit van deze test. Waarschijnlijk komt dit door het feit dat het ene onderzoek met slechts 8
deelnemers is uitgevoerd en van het andere onderzoek de deelnemers al bekend waren met artrose
als gevolg van heupdysplasie. Of de test van nut kan zijn voor het aantonen dan wel uitsluiten van FAI
en/of een labrum leasie is onbekend.
Naast de maximale Flexie-endorotatie test voerde Suenage et al (2002) ook de maximale Flexieexorotatie test uit. Gezien de lage waarde en wederom het feit dat de deelnemers bekend waren
met artrose als gevolg van heupdysplasie, is de werkgroep van mening dat ook deze test niet
bruikbaar is.
De Impingement provocatie test, palpatie posterior van de trochanter major, Fitzgerald test en de
Flexie-adductie axial compressie laten allemaal een hoge sensitiviteit zien voor het uitsluiten van FAI
en/of een labrum leasie. Echter zijn de testen slecht in een onderzoek onderzocht. Waarbij
opmerkelijk is dat dit ook relatief ‘oude’ onderzoeken zijn, alle uitgevoerd voor het jaar 2000. Op
basis van de in- en exclusie criteria is besloten deze onderzoeken niet verder mee te nemen in het
diagnostisch proces.
De Thomas test en de RSLR test laten in de uitgevoerde onderzoeken naar deze testen vrij uitlopende
resultaten zien. De werkgroep is daarom van mening dat het niet mogelijk is om een uitspraak te
doen over deze twee testen.
De twee onderzoeken uitgevoerd naar de Flexie-endorotatie-axial compressie test laten geen hele
hoge maar ook geen lage sensitiviteit zien voor het uitsluiten van FAI en/of labrum leasie. Daarbij
geven beide testen een relatief hoge negatieve waarde van 86%. Mogelijk kan deze test in
combinatie met andere testen gebruikt worden voor het uitsluiten van FAI al dan niet in combinatie
met een labrum leasie.
Van de klinische testen uit tabel 13 valt op dat slechts een test voor alleen labrum leasies wordt
gebruikt in de onderzoeken. De Flexie-endorotatie test wordt in vijf onderzoeken vermeld een geeft
in alle vijf de onderzoeken een zeer hoge sensitiviteit voor het uitsluiten van een labrum leasie. De
negatief voorspellende waarde is echter in geen van de onderzoeken bekend. De positief
voorspellende waarde is daarentegen wel hoog. Omdat deze test als enige is onderzocht op alleen
labrum leasies en de hoge sensitive waarde in alle onderzoeken, is het mogelijk dat deze test
gebruikt kan worden voor het uitsluiten van een labrum leasie. Echter is in het artikel van Leibold et
al (2008) terug te lezen dat de test niet gestandaardiseerd is, waardoor de test niet in elk onderzoek
op dezelfde manier is uitgevoerd. Verder wordt vermeld dat in een aantal van de onderzoeken geen
informatie wordt gegeven over de beoordelaars van de testen. Dit en de daarbij niet vermelde
negatief voorspellende waarde hebben de werkgroep er toe doen besluiten dat de Flexieendorotatie test, mogelijk bruikbaar is om een labrum leasie uit te sluiten, echter zal hier meer
onderzoek naar moeten worden gedaan.
Uit het hierboven genoemde concludeert de werkgroep dat er te weinig evidentie is om een
uitspraak te kunnen doen voor het aantonen van FAI en/of labrum leasies. Hier zal meer onderzoek
naar moeten worden gedaan. Echter is er, naar mening van de werkgroep, genoeg evidentie
aanwezig om FAI eventueel in combinatie met een labrum leasie uit te sluiten. Op basis van de
24
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
hierboven beschreven informatie is besloten dat het het best een test cluster voor kan worden
gebruikt bestaande uit:
 De Impingement test
 Het Impingement C sign
 De FABER test,
 De Hip quadrant position
De uitvoering van de testen staat beschreven in bijlage 3. Eventueel kan ook de deep squat test,
beschreven door B.R. Kivlan en R.L. Martin(2012) worden uitgevoerd, echter is nog niet duidelijk op
welke manier deze test kan worden gebruikt binnen het diagnostisch proces.
Het lijkt erop dat het mogelijk is om aan de hand van de Flexie-endorotatie test alleen een labrum
leasie uit te sluiten. Echter zal de test eerst gestandaardiseerd moeten worden, om hiermee meer
onderzoek te kunnen doen.
Reumatoïde Artritis
In de databases is weinig recente literatuur te vinden welke bruikbaar is voor het stellen van de
diagnose Reumatoïde Artritis (RA) in de fysiotherapeutische praktijk. Om meer informatie te
vergaren is in dit geval ook gebruik gemaakt van literatuur gepubliceerd voor 2000.
In een onderzoek van P. Emery et al (2002), wordt er advies gegeven voor verwijsindicaties gericht op
RA. De opgestelde verwijsindicaties in dit onderzoek zijn gebaseerd op ervaringen met Early Arthritis
Clinics (EAC’s) en de gelijke meningen tussen experts.
Het artikel concludeerde dat de volgende bevindingen dan wel symptomen de klinische verdenking
op RA ondersteunen:
 Aanhoudende gewrichtspijn en zwelling bij tenminste 3 gewrichten.
 Stijfheid, warmte, roodheid, of bewegingsbeperking van de heup.
 Ochtendstijfheid van 30 minuten of meer.
 Betrokkenheid van de metacarpofalangeale of metatarsofalangeale gewrichten.
 Duur van de symptomen langer dan vier weken.
In degelijke gevallen dient de patiënt te worden doorgestuurd naar een reumatoloog.
In een onderzoek van H. Visser et al (2002), zijn er andere criteria ontwikkeld betreffende de
populatie met artritis. In dit onderzoek waren de patiënten door de huisarts door verwezen naar een
reumatoloog indien twee van de volgende drie symptomen aanwezig waren:
 Gewrichtspijn
 Gewrichtszwelling
 Afname van de beweeglijkheid van een gewricht
Indien patiënten door een reumatoloog gediagnosticeerd werden met RA dan werden zij
geïncludeerd voor het onderzoek dat plaats vond in een Early Arthritis Clinics (EAC).
In dit onderzoek had 40% van de ruimt 524 geïncludeerde patiënten na twee jaar follow up nog RA.
Daarbij werden de hieronder opgestelde factoren geassocieerd met artritis, tevens hadden deze een
sensitiviteit van 97% en een specificiteit van 38%.
 Langere ziekteduur
 Ochtendstijfheid (OS) >1 uur
 Artritis in drie of meer gewrichten
25
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
 Bilaterale compressiepijn in MTP’s
 Reumafactor (RF)-positiviteit
 Anti-cyclic citrillunated peptide (anti-CCP)-positiviteit
Echter waren in dit onderzoek de patiënten al door een reumatoloog gediagnosticeerd met kort
bestaande RA.
In het Landelijke Transmurale Afspraak van RA, dat is op gesteld door het Nederlands Huisartsen
Genootschap en de Nederlandse vereniging voor Reumatologie wordt geadviseerd om de volgende
vragen in de anamnese op te nemen:
 Welke gewrichten of gewrichtsgroepen zijn pijnlijk?
 Wanneer zijn de klachten begonnen en zijn er eerdere episoden van gewrichtsklachten
geweest?
 Is er alleen pijn bij bewegen (onbelast en belast) of ook in rust?
 Is er ochtendstijfheid die langer dan een uur aanhoudt? `(Flikweert et al 2002)
Verder wordt vermeld dat tijdens het onderzoeken de gewrichten van beide kanten met elkaar
moeten worden vergeleken.
Ook wordt meegedeeld dat vroeg diagnostiek bij patiënten met RA van essentieel belang is. Dit om
goede resultaten te bereiken met de behandeling en het voorkomen van verdere gewrichtsschade
aan de heup en voorkomen van invaliditeit.
Er wordt geadviseerd om de patiënt door te verwijzen naar een reumatoloog indien er sprake is van
artritis, waarbij de Metacarpophalange, Proximale interphalange en het polsgewricht tot de
aangedane gewichten behoren.
De ACR-classificatiecriteria (tabel 13), daterend uit 1987 wordt sindsdien gebruikt voor het stellen
van de diagnose RA in de klinische praktijk. De ACR-criteria zijn van oorsprong ontwikkeld om RA bij
patiënten te kunnen classificeren en niet ter diagnose stelling van RA.
Echter toonden het onderzoek van Hulseman et al 1999 aan dat deze criteria ook als diagnostische
criteria kunnen worden gebruikt bij het voorspellen van de diagnose artritis bij patiënten. In dat
onderzoek werden de ACR-criteria
vergeleken met de diagnose gesteld in Tabel 13 ACR-criteria voor de classificatie
van RA (Arnett 1988)
Sensitiviteit Specificiteit
het ziekenhuis. Daarin kwamen de
1. Ochtend stijfheid klachten
92%
89%
opgestelde criteria overeen met de
2. Artritis van drie of meer gebieden
diagnosestelling in het ziekenhuis.
3. Artritis van de handgewrichten
Hiermee concludeerde het onderzoek
4. Symmetrische artritis
dat deze criteria ook gehanteerd
5. Reumanoduli
6. Positieve reumafactor
kunnen worden ter voorspelling van
7. Typische röntgenologische afwijkingen
de diagnose van RA.
Samenvattend uit de literatuur kan worden geconcludeerd dat vroeg diagnostiek bij patiënten met
RA van essentieel belang is om verdere gewrichtsschade aan de heup te voorkomen.
De werkgroep is echter wel van mening dat er nog een sterke behoefte is aan diagnostische criteria
en klinische testen voor RA, welke ook gebruikt kunnen worden door de fysiotherapeut.
26
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Echter is de fysiotherapeut wel in staat om met de gevonden wetenschappelijk informatie een
uitspraak te doen op de mogelijke aanwezigheid van RA. Hierbij kan de fysiotherapeut in zijn
anamnese de aanwezigheid van RA voorspellen, middels de volgende kenmerken en symptomen:
 Een of meer gezwollen gewrichten
 Lange ziekteduur
 Tangentiële drukpijn in de MCP’s of
 Ochtendstijfheid (OS) >1 uur
MTP’s
 Artritis in drie of meer gewrichten
 Ochtendstijfheid van 30 minuten of
 Bilaterale compressiepijn in MTP’s
meer
 Artritis van de handgewrichten
 Duur van de symptomen langer dan
vier weken
Artrose
De validiteit van de verschillende
classificatiesystemen voor heupartrose is nog
niet goed onderzocht. Echter is volgens M. Reijman
et al 2004 (tabel 14) het diagnosticeren van
heupartrose vooralsnog het beste te doen met de
radiologische criteria van Kellgren en Lawrence uit
1957. In de fysiotherapeutische praktijk is deze
indeling echter niet bruikbaar, aangezien er
radiologisch onderzoek voor moet plaatsvinden.
Tabel 14 Classificatiecriteria van heupartrose
volgens ACR
Pijn in de heup en ten minste 2 van de volgende
kenmerken:
 Bezinking ≤ 20 mm na 1 uur
 Op röntgenfoto zichtbare osteofyten
femoraal of acetabulair
 Op röntgenfoto zichtbare gewricht spleet
versmalling
Deze indeling is in de loop der jaren enigszins gemodificeerd en betreft heupartrose specifiek
gemaakt door het American College of Rheumatology. Dit gebeurde door middel van een studie van
Altmann et al (1991). Er namen 114 patiënten met een leeftijd van 64 tot 87 jaar aan deel en een
controle groep bestaande uit mensen met een gemiddelde leeftijd van 57 jaar. De patiënten werden
vervolgens geclassificeerd met heupartrose bij ervaren heup pijn en de klinische bevindingen
beschreven in tabel 15.
Tabel 15 Klinische kenmerken kenmerken







Heup pijn aan laterale en anterior zijde
bij belasten van de heup
Heup endorotatie beperking van <15°
Heup flexie beperking van ≤ 115° (i.v.g.
met niet aangedane zijde
Heup endorotatie ≥15°
Pijn bij endorotatie
Ochtendstijfheid van de heup ≤60
minuten
Leeftijd > 50 jaar
Sensitiviteit
Specificiteit
Positief
voorspellen
de waarde
(LR+)
Negatief
voorspellend
e waarde
(LR-)
86%
75%
3.44
0.19
Het nut van deze criteria, voor de fysiotherapeut, is gelegen in de eenvormige beschrijving van
patiëntenpopulaties voor onderzoek, en niet in het stellen van de diagnose bij de individuele patiënt.
Ze zijn echter wel richtinggevend voor de dagelijkse klinische praktijk voor het aannemelijk maken
dat er waarschijnlijk sprake is van heup artrose.
27
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Dit gezien het feit dat patiënten, geclassificeerd middels deze klinische criteria vergeleken met een
radiografische referentiestandaard van gewrichtsspleet versmalling en osteofyten, hoge waarden
gaven betreft de sensitiviteit, specificiteit, positief en negatief voorspelde warden, zoals in tabel 16
terug is te lezen.
In een onderzoek van Bierma-Zeinstra (2002) werd bij 220 patiënten, van 50 jaar en ouder die in
verband met pijn in de heup waren doorverwezen door de huisarts, een anamnese afgenomen en
lichamelijk- radiologisch- en serum onderzoek uitgevoerd.
Vervolgens werd de relatie bepaald tussen de klinische bevindingen en het bestaan van radiologisch
aangetoonde artrose. Hierbij had van alle patiënten 36% een radiologisch aantoonbare artrose aan
het heupgewricht; 11% van de patiënten had een matige tot ernstige artrose. Na analyse bleek dat
een aantal factoren, en vooral een combinatie daarvan, het bestaan van artrose in redelijke mate kon
voorspellen. De uitkomstwaarde hiervan zijn terug te vinden in tabel 16.
Tabel 16 Klinische factoren







> 60 jaar
Pijn bij palpatie lig. Inguinale
Verminderde exorotatie van <21°
Verminderde endorotatie van < 21°
Verminderde adductie van <10°
benig eindgevoel in een richting
tijdens passieve ROM
Spierkrachtverlies van de heup
abductoren
Sensitiviteit
Specificiteit
4 klinische factoren
positief
91%
45%
5 klinische factoren
positief
98%
72%
6 klinische factoren
positief
100%
40%
7 klinische factoren
positief
100%
48%
Bij de aanwezigheid van minder dan vier van deze factoren kan men in de eerste lijn er bijna zeker
van zijn, negatief voorspellende waarde van 99%, dat bij radiologisch onderzoek geen kenmerken van
matige tot ernstige artrose zullen worden gevonden.
In een onderzoek van Felson et al (2000) werden de
lokale mechanische factoren die van invloed zijn op
de gewrichtsbelasting, die tevens de in verband
worden gebracht met heup artrose, ingedeeld in
intrinsieke lokale factoren en extrinsieke lokale
factoren, zie tabel 17.
Tabel 17 Biomedische factorenoren
Intrinsieke
Extrinsieke
Door gemaakt trauma in
het verleden
Zwaar beroep
Gewrichtaandoening, bv
artritis
Sport, topsport als
voetbal en ballet
Heupdysplasie
In het onderzoek van M. Kamegaya et al (2011) werd een bewegingsbeperking van de endorotatie
middels de teken van Drehmann aangetoond bij patiënten met heupartrose. Uitkomst waarde
werden echter niet genoemd. Het vermoeden voor de aanwezigheid van artrose werd ondersteund
wanneer bij het uitvoeren van 0 tot 100° flexie beweging van het heup gewricht (actief en/of
passief), deze gepaard gaat met abductie en exorotatie.
28
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
In een onderzoek van Birrell et al (2001) werd gebruikt gemaakt van de ROM van de heup als
voorspelbaarheid voor heup artrose, bij patiënten waarbij al radiologische onderzoek was verricht.
In het onderzoek vertoonden 195 patiënten van 40 jaar en ouder met recent ontstane pijn in de heup
een beperking in de heup mobiliteit in vergelijking met de groep patiënten zonder aantoonbare
radiologische bewijs betreft artrose. Uitkomsten uit dit onderzoek zijn terug te vinden in tabel 18.
Tabel 18 ROM beperking
Sensitiviteit
Specificiteit
Positief
voorspellende
aarde
Negatief
voorspellende
aarde
Beperking in een
bewegingsrichting
100%
54%
2.17
0.01
Beperking in twee
bewegingsrichtingen
86%
42%
1.48
0.33
Beperking in drie of meer
bewegingsrichtingen
33%
98%
16.5
0.67
Van alle patiënten hadden 59 lichte tot ernstige artrose van de heup en 28 matige tot ernstige
artrose. Een beperkte endorotatie bleek het meest voorspellend voor de aanwezigheid van artrose.
In het onderzoek werd bij het vergelijken van de pijnlijke zijde met de niet pijnlijke zijde een
bewegingsbeperking 15 graden of meer gevonden.
Het onderzoek van J.W. Youdas et al (2010) (tabel 19) toont aan dat de Trendelenburg test kan
worden gebruikt voor de beoordeling van spierkracht van de heup en in het identificeren van
patiënten met beginnende artrose van de heup, waarbij de spierkracht van de heup abductoren is
afgenomen.
Bij het onderzoek werden de patiënten in stand beoordeeld. Hierbij was sprake van het teken van
Trendelenburg. Door de afname van de spierfunctie zakte het bekken weg naar de gezonde kant.
Tabel 19
Sensitiviteit
Specificiteit
Positief
voorspellende
waarde
Negatief
voorspellende
waarde
Trendelenburg
55%
70%
1.83
0.52
Kortom in geen van de onderzoeken is een gouden standaard gevonden voor diagnostische
onderzoek die de sensitiviteit en de specificiteit van de radiologische criteria voor artrose hebben
vastgesteld. In veel studies worden de criteria, die de aanwezigheid van heupartrose bevestigen,
door middel van klinische criteria en expert consensus opgesteld. In de dagelijkse klinische praktijk
zal de implementatie van de indeling volgens Kellgren en Lawrence niet bruikbaar zijn.
Uit onderzoek blijkt echter dat bij patiënten met een leeftijd boven de 50 jaar, die zich
presenteerden met matige laterale of anterior gelokaliseerde pijn in de heup tijdens belasten van het
been, ochtend stijfheid minder dan een uur, beperking in ROM met name de flexie en endorotatie
richting van meer dan 15 graden in vergelijking met de niet pijnlijke zijde, de aanwezigheid van
heupartrose voorspellen.
29
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Tevens zijn heup ontwikkelingsstoornissen, voorgaande heupproblematiek, deelname aan contact
sporten als voetbal en hockey op hoog niveau en het al hebben van heupartrose aan één zijde,
risicofactoren voor het ontwikkelen van heupartrose. (Felson et al 2000).
Ondanks de mate van evidentie met betrekking tot het diagnose stelling van heupartrose, is de
werkgroep van mening dat door het samenvoegen van relevante literatuur een overeenstemmende
criteria kan worden gecreëerd ter gebruik bij het vermoeden op heupartrose. Daarmee kan bij
patiënten met pijn in de heup met uitstraling naar de lies kunnen een aantal klinische factoren een
mogelijke aanwezigheid op heupartrose onderbouwen.
Tijdens het lichamelijke onderzoek zal met name een ROM beperking van de heup voorspellend zijn
voor heupartrose. Met name de endorotatie, gevolgd door exorotatie-, abductie- en
extensiebeperking zijn kenmerkend bij aanwezigheid van artrose.
Verder zijn de volgende bevindingen tijdens het diagnostische proces waar te nemen:
 De leeftijd van 50 jaar
 Matige laterale of anterior gelokaliseerde pijn in de heup tijdens belasten van het been
 Ochtend stijfheid minder dan 1 uur
 Mogelijke verlies van spierkracht in de heup abductoren (teken van Trendelenburg)
 Mogelijke aanwezigheid van teken Drehman
Daartoe behoren ook de biomechanische en systematische factoren als:
Biomechanische factoren:
 Trauma in het verleden
 Gewrichtsaandoening als reumatoïde
artritis (RA)
 Congeniale aandoening als
heupdysplasie
 Zwaar beroep
 Sporten op hoog niveau als voetbal en
ballet
Systematische
 Hoge leeftijd
 Vrouwelijk geslacht
 Artrose in de familie
30
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Algehele conclusie
Gedurende het proces is de werkgroep tot de conclusie gekomen dat het niet mogelijk is om de
HOAC 2 geheel toe te passen op de vraag: Welke artrogene pathologieën komt de fysiotherapeut
tegen bij sporters met liespijn en hoe kan hij deze diagnosticeren en differentiëren?
Dit was niet mogelijk omdat de HOAC 2 toepasbaar is op patiënten casussen en daardoor veel
patiënten informatie nodig is. Deze was bij ons niet voor handen, omdat wij slechts de klacht
‘liespijn’ als gegeven hadden. Echter heeft de werkgroep wel getracht om de eerste twee fases
binnen de HOAC 2 te gebruiken voor zover dit mogelijk was. Denken aan de PIP’s & NPIP’s, de
verwachten problemen en hypotheses.
Het stroomdiagram volgens de HOAC 2, is geheel gebaseerd op gegevens van de patiënt. Daarom
wijkt het door ons opgestelde stroomdiagram af van dat van de HOAC 2.
Ook is het product niet specifiek op sporters gebaseerd, omdat het diagnostisch proces voor iedere
patiënt het zelfde is. De werkgroep kan echter wel concluderen dat sporters, denkend aan
voetballers, basketballers, ijshockeyers etc. een verhoogd risico lopen op Femur Acetabular
Impingement en labrum laesie en- of (vroegtijdige) artrose.
Terugkomend op de vraagstuk, is de werkgroep van mening dat het als fysiotherapeut niet mogelijk
is om een artrogene aandoening te diagnosticeren en differentiëren. Aangezien de fysiotherapeut
geen medische diagnose kan opstellen. Echter is de werkgroep van mening dat naar aanleiding van
de bevindingen uit de literatuur de fysiotherapeut wel van meerwaarde kan zijn binnen het
versnellen van het diagnostische proces, ook bij de DTF patiënt.
Gedurende het diagnostisch proces kan er gebruik worden gemaakt van het opgestelde
stroomdiagram. Deze is, naar mening van de werkgroep, van meerwaarde omdat hierin
systematisch, structureel, snel en stapsgewijs op ICF niveau het diagnostisch proces betreft liespijn
met nadruk op het artrogene component, wordt beschreven. Hierdoor kan sneller het vermoeden op
een specifieke artrogene aandoening ontstaan, waardoor de juiste vervolgstappen kunnen worden
ondernomen door de fysiotherapeut. Daardoor kan de patiënt sneller de meest effectieve
behandeling starten. Tevens zal een behandeling in een vroeg stadium het ziektebeloop positief
beïnvloeden en kan mogelijk remissie worden bereikt.
Aan de hand van screening, anamnese en lichamelijk onderzoek, kunnen de aandoeningen in grote
lijnen van elkaar worden gedifferentieerd. Wanneer er mogelijk sprake is van een artrogene
aandoening, is het mogelijk om op basis van de kenmerken artritis van artrose, FAI of een labrum
leasie te onderscheiden. Artritis zal op basis van kenmerken en symptomen kunnen worden herkend
in de anamnese. Voor artrose, labrum leasie en FAI is differentiaal onderzoek niet mogelijk, echter
kan er wel een vermoeden ontstaan. Er zijn geen testen die een van deze aandoeningen kan
aantonen. Echter zijn wel klinische testen die een van deze aandoeningen kan uitsluiten.
Zo is er, naar mening van de werkgroep, genoeg evidentie aanwezig om FAI eventueel in combinatie
met een labrum leasie uit te sluiten. Hiervoor kan een test cluster worden gebruikt bestaande uit:
 De Impingement test
 Het Impingement C sign
 De FABER test,
 De Hip quadrant position
31
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
De uitvoering van de testen staat beschreven in bijlage 3. Eventueel kan ook de deep squat test,
beschreven door B.R. Kivlan en R.L. Martin(2012) worden uitgevoerd, echter is nog niet duidelijk op
welke manier deze test kan worden gebruikt binnen het diagnostisch proces.
Labrum leasie wordt vrijwel altijd gezien in combinatie met een andere artrogene heupaandoening.
Om uit te sluiten dat ook een labrum leasie aanwezig is, lijkt het erop dat het mogelijk is om aan de
hand van de flexie-endorotatie test een labrum leasie uit te sluiten. Echter zal de test eerst
gestandaardiseerd moeten worden. Om meer onderzoek te kunnen doen naar de validiteit van deze
test, waardoor deze mogelijk toepasbaar wordt in de praktijk.
Het vermoeden op artrose kan er zijnop basis van de klinische factoren beschreven door BiermaZeinstra et al (2002), de ROM beperkingen beschreven door Birell et al (2001) en de ACR-criteria. Wat
artritis betreft, is de aanwezigheid van artritis bij de patiënt al van voorspellende waarde, met
aanvulling van de ACR-criteria voor artritis.
32
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Literatuur
















R. Altman, G. Alarcon, D. Appelrout. The American College of Rheumatology criteria for the
classification and reporting of osteoarthritis of the hip. Arthritis Rheum. 1991 Volume 34,
505-14.
S.M. Bierma-Zeinstra, B.W. Koes. Risk factors and prognostic factors of hip and knee
osteoarthritis. Nat Clin Pract Rheumatol. 2007. Volume 3, 78-85.
S.M. Bierma-Zeinstra, J.D. Oster, R.M. Bernsen, J.A. Verhaar, A.Z. Ginai, A.M. Bohnen. Joint
space narrowing and relationship with symptoms and signs in adults consulting for hip pain
in primary care.J Rheumatol. 2002 Volume 29, 1713.
F. Birrel, P. Croft, C. Cooper, H. Hosie, G. Macfarlane. A. Silman. Predicting radiographic hip
osteoarthritis from range of movement. Rheumatology. 2001, Volume 40, 506-512.
J.C. Boiten et al. Diagnostiek in de fysiotherapie, Proces en Werkwijze. 2009. Elsevier
Gezondheidszorg. Derde druk. 59-60
R.S. Burnett, G.J. Della Rocca, H. Prather, M. Curry, W.J. Maloney, J.C. Clohisy. Clinical
Presentation of Patients with Tears of the Acetabular Labrum. The Journal of Bone and Joint
Surgery. 2006. Volume 88-A
M.T. Cibulka, J.Threlkeld. The Early Clinical Diagnosis of Osteoarthritis of the Hip. J Orthop
Sports Physical Therapy. 2004, Volume 34
J.C. Clohisy, E.R. Knaus, D.M.. Hunt, J.M. Lesher, M. Harris-Hayes, H. Prather. Clinical
Presentation of Patients with Symptomatic Anterior Hip Impingement. Clin Orthop Relat Res.
2009. Volume 467, 638–644
Dutch Cochrane Centre, 2013. Formulier voor cross-sectioneel onderzoek (diagnostisch
accuratesseonderzoek). Geraadpleegd op: 30 mei 2013, URLL:
http://dcc.cochrane.org/sites/dcc.cochrane.org/files/uploads/diagnose.pdf
P. Emery P, F.C. Breedveld, M. Dougados, J.R. Kalden, M.H. Schiff, J.S. Smolen. Early referral
recommendations for newly diagnosed rheumatoid arthritis: evidence based development of
a clinical guide. Ann Rheum Dis. 2002. Volume. 61, 290
R. Engelbert, H. Witting, Klinisch redeneren volgens de HOAC 2. 1e dr. Bohn Stafleu van
Loghum; 2010, H1
D.T. Felson, R.C. Lawrence, P.A. Dieppe, R. Hirsch, C.G. Helmick, J.M. Jordan. Osteoarthritis:
new insights. Part 1: the disease and its risk factors. Ann Intern Med. 2000. Volume 17, 63546.
S. Flikweert, D.M.F.M. Van der Heijde, T.J. Wiersma, A.M. Bohnen, W.J.H.M. Van den Bosch,
W. Hissink Muller. Landelijke Transmurale Afspraak Reumatoïde artritis Huisarts Wet. 2002
Nummer 45, 544
J.L. Hulsemann, H. Zeidler. Diagnostic evaluation of classification criteria for rheumatoid
arthritis and reactive arthritis in an early synovitis outpatient clinic. Ann Rheum Dis. 1999,
Volume 58, 278-80.
M. Kamegaya, T. Saisu, J. Nakamura. Drehmann Sign and Femoro-acetabular Impingement in
SCFE. J Pediatr Orthop. 2011 Volume 31, 853–857
F.P. Kendall at al. Spieren tests en functies. Vierde druk. Houten: Bohn Stafleu van Loghum,
2008:383-390
33
Hogeschool van Amsterdam

















Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
B.R. Kivlan, R.L. Martin. Functional Performance testing of the hip in Athletes: A systematic
review for reliability and validity. The International Journal of Sports Physical Therapy. 2012.
Volume 7, 402
KNGF richtlijn artrose heup-knie 2010
KNGF richtlijn fysiotherapeutische verslaglegging 2011
M.R. Leibold, P.A. Huijbregts, R. Jensen. Concurrent Criterion-Related Validity of Physical
Examination Tests for Hip Labral Lesions: A Systematic Review. The Journal of Manual &
Manipulative Therapy. 2008. Volume 16. E24–E41.
A.H.M. Lohman, A. Zuidgeest. Vorm en beweging, 12e druk 2011
D.J. Magee. Orthopedic Physical Assessment. Saunders Elsevier, 2008 5e druk, 665-700
J.J. de Morree, Dynamiek van het menselijk bindweefsel. 5e dr. Bohn Stafleu van loghum:
Houten 2008:70
S. Nussbaumer, M. Leunig, J.F. Glatthorn, S. Stauffacher, H. Gerber, N.A. Maffiuletti. Validity
and test-retest reliability of manual goniometers for measuring passive hip range of motion
in femoroacetabular impingement patients. BMC Musculoskeletal Disorders 2010. Volume
11. 194
M.J. Philippon, R.B. Maxwell, T.L. Johnston, M. Schenker, K.K. Briggs. Clinical presentation of
femoroacetabular impingement. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc. 2007, Volume 15,
1041–1047
M. Reijman, J.W.W. Hazes, W.W. Koes, A.P. Verhagen, S.M.A. Bierma-Zeinstra. Validity,
reliability, an applicability of seven definitions of hip osteoarthritis used in epidemiological
studies: a sys-tematic appraisal. Ann. Rheum Dis. 2004; Volume 63, 226-232
H.G. Taylor, P.T. Dawes. The utility of the 1987 revised ARA criteria for rheumatoid arthritis in
early synovitis. Br J Rheumatol. 1991, Volume 30, 319.
M.Tijssen, R. van Cingel, L. Willemsen, E. de Visser, Diagnostics of femoroacetabular
impingement and labral pathology of the hip: a systematic review of the accuracy and
validity of physical tests. Arthroscopy. 2012 Nr. 28, 860-71
A. Troelsen, I. Mechlenburg, J. Gelineck, L. Bolvig. S. Jacobsen, K. Soballe. What is the role of
clinical tests and ultrasound in acetabular labral tear diagnostics. Acta Orthop. 2009, Nr. 80,
314–318
T.F. Tyler, H.J. Silvers, M.B. Gerhardt, S.J. Nicholas, Groin Injuries in Sports Medicine. Sports
Physical Therapy, 2010 Vol. 2 nr. 3, 231-236
W.J. van Venrooij, L.B.A. van de Putte. Vroeg diagnostiek van reumatoïde artritis met een
test op basis van een specifiek antigeen: cyclisch gecitrullineerd peptide. Nederlands
Tijdschrift Geneeskunde. 2003. Nummer 147, 191.
H. Visser, S. Le Cessie, K. Vos, F.C. Breedveld, J.M.W. Hazes. How to diagnose rheumatoid
arthritis. A prediction model for persistent (erosive) arthritis. Arthritis Rheum. 2002, Volume
46, 357-65.
J.W. Youdas, T.J. Madson, J.H. Hollman. Usefulness of the Trendelenburg test for
identification of patients with hip joint osteoarthritis. Physiotherapy Theory and Practice.
2010. Volume 26, 184–194.
34
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Bijlage 1 Aandoeningen
De onderstaande aandoeningen hebben liespijn als symptoom.
Bot gerelateerde aandoeningen
Osteitis pubis
Een chronische aandoening die de symphysis, adductoren, abdominale musculatuur en ander
omringd weefsel beïnvloeden.
De abdominale musculatuur en adductoren zijn verbonden met het os pubis en werken als elkaar
antagonisten. De spieren kunnen hierdoor een tractie uitoefenen op het bot, welke kan zorgen voor
microtrauma’s met een ontsteking van de symphysis als gevolg. De tractie ontstaat als gevolg van
tegengesteld werkende krachten van de spieren, welke plaats vinden bij schopbewegingen, zoals bij
american football en voetbal.
Symptomen van osteitis pubis zijn pijn bij schoppen of tijdens de zwaai fase van het lopen,
gelokaliseerde pijn rond de symphisis en pijn in de lage regio van de abdominale musculatuur.
(C. Rodriguez et al 2001)
Avulsie fracturen
Avulsie fracturen van de apofyse rond de heup zijn zeldzaam. Vaak worden ze verkeerd
gediagnosticeerd en aangezien voor spier- of peesletsel. Wanneer ze voorkomen worden ze vaak
gezien bij adolescente atleten. Een avulsie fractuur wordt meestal veroorzaakt door een tractie van
spier en pezen.
Symptomen zijn een plotseling optredende pijn, functiebeperkingen, krachtverlies en problemen in
de gang. De pijn neemt toe tijdens activiteiten en neemt af in rust. (H. Verburg et al 2012)
Tabel 20 Meest voorkomende avulsie fractuur locaties, de corresponderende spieren en meest voorkomende sport
activiteiten verantwoordelijk voor de laesie. (H. Verburg et al 2012)
Locatie
Spier
Meest voorkomende sport
activiteiten
Tuberositas ischiadicum
Hamstrings
Gymnastiek, voetbal, schermen,
tennis en hardlopen
Spina iliaca anterior inferior
Rectus Femoris
Voetbal, atletiek en tennis
Spina iliaca anterior superior
M. Sartorius
Voetbal, atletiek en gymnastiek
Pubis symphysis superior
Rectus abdominus
Voetbal en schermen
Crista iliaca
Abdominale musculatuur
Voetbal, gymnastiek en tennis
Trochanter minor
M. Iliopsoas
Atletiek
Stress fracturen
Stressfracturen van de heup en het bekken zijn lastig te diagnosticeren. Vaak heeft de patiënt een
voorgeschiedenis, voorafgaand aan de klachten, met een significante toename van de training
intensiteit, duur, frequentie en veranderingen in schoeisel en oppervlakte. Andere, meer
ongebruikelijke, risicofactoren moeten worden gezocht in voedings- en endorciene risicofactoren. Bij
vrouwelijke patiënten moet ook de gynaecologische geschiedenis worden bekeken. (W.E. Derman
2000)
35
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Tabel 21 Symptomen bij stress fracturen van heup en bekken. (••• = veel voorkomend, •• = voorkomend, • = weinig
voorkomend) (W.E. Derman 2000)
Aanhouden
de liespijn
Collu
m
Femor
is
Sacru
m
Os
Pubis
Os
Ischii
Aanhoudende
pijn in
lumbale/sacr
ale regio
Pijn
uitstrale
nd naar
de dij en
knie
Nachtelij
ke pijn
Pijn
begint
mij het
rennen
van
lange
afstande
n of
verhoge
n van de
intensite
it
Pijn bij
weerstan
d aan de
aangeda
ne zijde
Pijn bij de
uiterste
bewegingsuitslag
en
Afwijkend
gangpatro
on
Pijn bij
diepe
palpati
e
•
••
•••
••
•
•
•
••
•
•
•
•
••
••
••
•
••
••
••
•••
•
••
••
Symptomen zijn onder andere drukpijn bij palpatie, plaatselijk oedeem, verhoogde tempratuur van
het weefsel, afwijkend gangpatroon en vermindering van de klachten bij rust. Andere symptomen
zijn afhankelijk van de plaats van de fractuur, zie tabel 2. (T.R. Malone, 1997 )
Avasculaire necrose
Kan bij iedereen voorkomen, maar wordt vaak gezien bij patiënten met een voorgeschiedenis van
bloedarmoede, lupus erythematodes, alcoholisme of veelvuldig gebruik van catabolische steroide,
zoals prednison.
Het klinische beeld bestaat uit aanhoudende liespijn en mank lopen. Meestal kan de patiënt geen
recentelijk trauma noemen. (T.R. Malone , 1997)
Femur acetabular impingement
Femur acetabular impingement, FAI, wordt met name gezien bij actieve mensen, voornamelijk
professionele atleten, hardlopers, en atleten die repeterende heuprotaties uitvoeren, zoals bij golf,
voetbal, ijshockey en karate.
De prevalentie van FAI ligt bij mannen hoger dan bij vrouwen. De symptomen treden in allereerst
intermitterend op, vaak gebeurt dit na sportactiviteiten. Als de beschadigingen aan het labrum en de
degeneratie van het gewricht verder toenemen, zullen de symptomen ook in frequentie toenemen.
(Keogh M.J. et al., 2008), (Zebala L. P et al., 2007)
Symptomen bij FAI zijn met name liespijn en pijn in de lumbale en gluteale regio. Daarnaast zijn
mechanische symptomen als ‘giving way’ en ‘slotklachten’ veel voorkomende symptomen bij FAI.
36
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
De pijn die patiënten ervaren wordt als scherp, jeukend en brandend omschreven. Tevens is deze
pijn constant of intermitterend aanwezig. Patiënten ervaren ook een mechanisch symptoom, dat
voorkomt in vorm van een ‘pop’sensatie of een ’snap’.
Provocerende activiteiten zijn voornamelijk hardlopen, opstaan vanuit de stoel, lang zitten, in en uit
de auto stappen, voorover leunen en staan.
(L.P. Zebala et al 2007) (G. Kuhlman et al 2009) (J.C. Clohisy et al 2009).
Spier en pees gerelateerde aandoeningen
Spierruptuur
Een spierruptuur treedt op wanneer de maximale belastbaarheid van de spierpeeseenheid wordt
overschreven. Meestal ontstaat een spierruptuur als gevolg van een extreme excentrische contractie,
omdat daarbij de grootste kracht door de spier kan worden opgebracht. Het letsel bevindt zich bijna
altijd op de spierpeesovergang . Een spierscheur betreft niet alleen een beschadiging van de
contraherende spierweefsels maar ook van het omringende bindweefsel, bloedvaten en
innerverende zenuwuiteinden. (Koos van Nugteren en Dos Winkel 2008)
De klachten zijn:
 Een scherpe pijn in de lies of aan de binnenzijde van het bovenbeen.
 De spieren aan de binnenzijde van het bovenbeen voelen vaak stijf en hard aan.
 Er is drukpijn aan de binnenzijde van het bovenbeen of op het schaambeen.
 Contractie van de lies spieren is pijnlijk.
 Soms is er enkele dagen na het ontstaan van de blessure een lichte zwelling en blauwe
verkleuring zichtbaar.
Bij een ruptuur van de volgende spieren is er mogelijk liespijn aanwezig:
 Adductor longus
 M. Sartorius
 Adductor Brevis
 Rectus Femoris
 M. Iliopsoas
 M. pectineus
 M. Gracilis
(F.P. Kendall et al 2008)


M. adductor
magnus
M. Rectus
Abdominus
Een blessure van de M. Rectus Abdominus worden nog al eens verward met een liesblessure. De pijn
bevind zicht dan boven het schaambeen. Sit ups is provocerend en kan uitstraling geven aan de lies,
omdat de M. Rectus Abdominus is aangehecht aan het os pubicum, en in directe verbinding staat
met de adductor longus kan de pijn uitstralen naar de lies.
Adductor tendinitis
Is een ontsteking van de adductor pezen. Dit treedt vaak op als gevolg van overbelasting. Er treedt
pijn op in de liesstreek die men provoceert bij het aanspannen van deze spier (lopen, schoppen etc.)
De kwaliteit van een pees wordt door verschillende factoren beïnvloed: (Koos van Nugteren en Dos
Winkel 2006)
 Degeneratie van de pees bij het verouderingsproces. Het aantal fibroblasten (weefselcellen)
vermindert tijdens het ouder worden. Hierdoor neemt de productie van collageenvezels af
(waaruit een pees voor 95% uit bestaat).
37
Hogeschool van Amsterdam


Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Langdurig corticosteroïdengebruik (bijv. prednison) kan tot verzwakking van het peesweefsel
leiden.
Onderbelasting en immobilisering: Hierdoor neemt de trekkracht en de belastbaarheid van
de pezen af en vertoont het collageen een slechtere structuur en opbouw van het weefsel.
Er zijn 4 stadia van elkaar te onderscheiden.
 Stadium 1: lichte pijn na inspanning die gewoonlijk na enkele uren weer verdwijnt.
 Stadium 2: matige pijn aan het begin van de inspanning en daarna. Klachten blijven ook
langer aanwezig.
 Stadium 3: Pijn aan het begin van de inspanning die wel minder wordt tijdens inspanning,
maar niet helemaal verdwijnt. Na het sporten kan de pijn dagen aanhouden.
 Stadium 4: Pijn die tijdens inspanning optreedt, is zo ernstig dat de sport -/ werkprestatie
eronder te lijden heeft.
Myositis ossificans van de heupmusculatuur
Myositis ossificans is het ontstaan van botmassa in het spierweefsel.
Voorafgaand aan myositis ossificans heeft een trauma plaats gevonden. Het trauma ontstaat door
een harde stoot op het dijbeen/bovenbeen, waarbij er een bloeding ontstaat welke gepaard kan
gaan met een lokale zwelling. Doordat er door de klap of stoot op het dijbeen/ bovenbeen,
onderhuids een hoeveelheid bloed in het omliggende weefsel van de kneuzing terecht is gekomen,
moet dit worden afgevoerd.
Om een tot nu toe onverklaarbare reden gebeurd dit bij het ontstaan van myositis ossificans
traumatica niet en ontstaat er een lokale botvorming in de spier.
Symptomen van deze aandoening is het ontstaan van een lokale blauwe plek en zwelling, die na
enkele dagen warmer, pijnlijker en harder wordt. Het gevolg is dat op den duur, ondanks dat de pijn
en de zwelling afneemt, de plek echter wel steeds harder wordt en als bot gaat aanvoelen. Hierdoor
is de ROM verminderd en flexie van de heup is pijnlijk.
Zenuw gerelateerde aandoeningen
Entrapment neuropathie en referred pain
Liespijn kan ook veroorzaakt worden door een hernia nuclei
pulposi, HNP. Hierbij stulpt de nucleus tegen een spinale zenuw.
Hierdoor ontstaat er neurologische stoornissen in betreffende
area nervosa, zie figuur 1. Tevens kan dat gepaard gaan met
radiculaire prikkelingsverschijnselen of uitvalverschijnselen van
sensibiliteit en of spierkracht.
Er kunnen ook reflexstoornissen of mictie stoornissen optreden.
De pijn wordt geprovoceerd bij hoesten, niezen en persen.
Daarentegen geeft nachtrust pijnverlichting. (Rab M . et al 2001)
Het meest voorkomende oorzaak van referred pain in de lies
Figuur 1 Area nervosa
ontstaat door een entrapment in de lumbale plexus, waardoor er neurologische
symptomen optreden in de desbetreffende dermatomen. Dergelijke patiënten klagen meestal al over
een voorgeschiedenis van lage rugpijn dat is toegenomen, met het ontstaan van een posterieure
heup en / of buttock pijn. (Lee CH. et al 2000)
38
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Hernia gerelateerd aandoeningen
Liesbreuken
Liesbreuken komen veelvuldig voor en zijn te provoceren na het verhogen van de intra-abdominale
druk , zoals hoesten, niezen en persen. Daarnaast zijn ze soms te voelen als zwelling of uitpuiling in
het liesgebied. De veronderstelling is dat een afknelling van de zenuwen de pijn zou veroorzaken.
De oorzaak is vaak een verzwakte posterior inguinale wand, als gevolg van een disbalans tussen
buikmusculatuur en adductoren. Een aangeboren zwakte kan echter ook de oorzaak zijn.
Er zijn verschillende soorten liesbreuken te onderscheiden, onder andere afhankelijk van de plaats
waar de abdominale structuren uit puilen:
De aangeboren liesbreuk
Ontstaat als gevolg van het niet volledig afsluiten van de processus vaginalis peritonei.
De directe liesbreuk
De directe, via de achterwand van het lieskanaal, liesbreuk, achter de a. epigastrica inferior langs;
De indirecte liesbreuk
De indirecte liesbreuk door de anulus inguinalis in het lieskanaal richting scrotum, vóór de arteria
epigastrica inferior langs
Hernia Femoralis
Hernia femoralis, dijbreuk, zit tussen de dij-ader aan de mediale zijde, het ligament van Poupart aan
de ventrale zijde en het schaambeen aan de dorsale zijde. Samen vormt dit de fossa ovalis waarin
een dijbreuk kan worden ingeklemd. Er zijn vier verschillende hernia femoralis van elkaar te
onderscheiden;
 Reduceerbare hernia femoralis. Ontstaat wanneer een hernia femoralis terug kan worden
geduwd in de buik, spontaan of met manipulatie. Dit is de meest voorkomende vorm van
hernia femoralis en is meestal pijnloos.
 Onherleidbare femorale hernia. Ontstaat wanneer een hernia femoralis vast komt te zitten in
de femorale kanaal. Dit kan pijn en een gevoel van ziekte veroorzaken.
 Belemmerd femorale hernia. Ontstaat wanneer een deel van de darm raakt verweven met
de hernia, waardoor een darmobstructie ontstaat. De obstructie kan groeien en de hernia
kan steeds pijnlijker worden.
 Beknelde femorale hernia. Ontstaat wanneer een femorale hernia de bloedtoevoer naar een
deel van de darm blokkeert. Dit gebeurd bij femorale liesbreuken vanwege de smalle
‘hals’. Misselijkheid, braken en hevige buikpijn kunnen optreden als gevolg van een beknelde
hernia. (D. van der Stappen 2011)
Aandoeningen aan het urinestelsel en geslachtsorganen (W.E. Derman 2000)








Urinebuis infectie
Genitale ontstekingen
Epididymitis, ontsteking van de bijbal
Hydrocele/waterbreuk; ophoping van vocht in het scrotum
Varicocele; spataderbreuk in de balzak
Lymfadenopathie
Prostaatontsteking
Testiculaire torsie
39
Hogeschool van Amsterdam





Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Nierstenen
Bekkenontsteking
Eileiderontsteking
Ovarium cyste
Buiten baarmoederlijke zwangerschap
Bovenstaande aandoeningen kunnen ook liesklachten als gevolg hebben. Echter zal de
fysiotherapeut deze aandoeningen niet kunnen herkennen, gezien het geen aandoeningen van het
steun- en bewegingsapparaat zijn. Middels het uitvragen van de rode vlaggen zullen patiënten met
deze aandoeningen gefilterd moeten worden. (W.E. Derman 2000)
Overige aandoeningen
Acetabulum labrum leasie
Degeneratie van het labrum en de daaruit voortvloeiende labrum leasie kwam voorheen,
voornamelijk voor bij patiënten met heup dysplasie en artrose. Tegenwoordig wordt het ook in
verband gebracht met andere pathologieën zoals de Ziekte van Perthes, eerdere trauma's, een
epifysiolysis capitis femoris en de femoroacetabular impingement.
Repeterende rotatie bewegingen en heupflexie zijn vaak de oorzaak van labrum leasie. Verhoogde
risico is er hierdoor voornamelijk bij atleten die hockey, voetbal of ballet uitvoeren of hardlopen.
Patiënten ervaren in het algemeen een geleidelijk ontstaan van de symptomen, vaak na een
trauma’s. De meeste patiënten beschrijven de ervaren pijn als scherp intermitterende pijn in de lies
en af en toe met uitstraling naar gluteaal regio. Provocerende activiteit zijn voornamelijk wandelen
en langdurig zitten. Ongeveer de helft van de patiënten beschrijft ook slotklachten. (Haene R.A. et al
2007), (Burnett R.S.J. et al 2006)
Bursitis
Iliopectinea
Hierbij leidt trauma, overbelasting of reumatoide artritis tot een bloeding of vochtophoping met als
gevolg een ontsteking van de slijmbeurs, een bursitis iliopectinea. De klachtenduur hiervan varieert
van een paar dagen tot 8 jaar.
Regelmatig blijkt het langdurig ongetraind fietsen, de oorzaak hiervan te zijn. Ook worden voetballers
en dansers getroffen door de bursitis, hierbij speelt dan overbelasting een grote rol.
Patiënten ervaren pijnklachten en/of horen iets verspringen in de lies, ervaren pijn bij actief bewegen
van de heup en eindstandige bewegingen zijn pijnlijk. De pijn kan via de adductoren uitstralen tot de
knie en provoceert bij bewegen. Tevens ervaren patiënten een verkorte paslengte bij het gaan.
Reductie van de pijn ontstaat wanneer de heup in lichte flexie en exorotatie wordt bewogen.
Tevens ontstaan door verkeerd gebruik van het bewegingsapparaat pijn in de lies, waardoor een
afwijkend looppatroon ontstaat.
Een ernstige iliopectineale bursitis kan leiden tot het ‘snapping hip syndrome’ waarbij er een
beperking ontstaan in de heupflexie. (D Winkel et al 1986) (D Stappen 2011)
Trochanterica
Trochanterica is de meest voorkomende bursitis van de heup en wordt veroorzaakt door chronische
druk of door een trauma ter plaatse. Daarnaast kan het ontstaan als gevolg van een chronische
overbelasting bij sport, met name wanneer er ook sprake is van een beenlengte verschil. Verder kan
40
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
een bursitis trochanterica ontstaan door frictie van een te strakke tractus iliotibialis, hierdoor kunnen
de klachten tot de laterale zijde van de knie uitstralen. (Williams et al 2009)
Patiënten ervaren een constante diffuse of lokale pijn aan de buitenkant van de heup. Pijn kan
uitstralen richting bil, bovenbeen en knie. Fietsen, (trap-)lopen, bukken, opstaan uit een stoel en er
op liggen provoceren de pijn. Tevens kunnen patiënten soms een ‘knappend’ geluid ervaren tijdens
heup flexie. (Williams et al 2009)
Reumatoïde artritis(RA) en synovitis
RA wordt gekenmerkt door chronische destructieve synovitis, waarvan de oorzaak onbekend is.
Bij synovitis is er sprake van een ontstekingsproces van het synoviale membraan. Dit veroorzaakt pijn
in en zwelling van de gewrichten en beïnvloedt de hoeveelheid en samenstelling van de synoviale
vloeistof in het gewricht.
Op en duur kan dit ontstekingsproces chronisch worden en degeneratie van het synovium optreden.
Hierdoor zal de synovia niet meer als optimaal smeermiddel zal figureren en dat zal schade brengen
aan het gewrichtskraakbeen en het onderliggende bot. (Nicole et al 2005)
De gewrichtsontsteking bij reumatoïde artritis gaat bijna altijd gepaard met de klassieke symptomen
van ontsteking; alleen de roodheid ontbreekt meestal. Naast de gewrichten zijn vaak structuren rond
de gewrichten aangedaan, zoals peesscheden, peesaanhechtingen en slijmbeurzen. (P. Emery et al
2002)
Bij een patiënt met gewrichtsklachten wordt een klinische verdenking op RA in heup ondersteund
door het feit de patiënt al RA heeft in een ander gewricht. Verder vertoont de heup meer dan 4
weken al ontstekingsverschijnselen in combinatie met pijn, bewegingsbeperking en ochtendstijfheid
van 30 minuten of meer.
Bij reumatoïde artritis is er tevens sprake goed gelokaliseerd acute pijn die gepaard gaat met de
ontstekingsverschijnselen , dat op den duur chronisch wordt.
Verder kunnen symptomen als koorts, malaise, gewichtsverlies en normocytaire anemie (een vorm
van bloedarmoede) voorkomen.
Bij reumatoïde artritis zijn het meestal andere gewrichten (dan het heupgewricht) die zijn
aangedaan. (P. Emery et al 2002)
Adhesive capsulitis
Adhesive capsulitis is een ontsteking van de weke delen van het kapsel. Deze veroorzaakt ochtend en
start stijfheid in de heup en pijn in de lies. De stijfheid en pijn ontstaat na een trauma of een ingreep,
maar vaak ontstaat deze door een onduidelijke oorzaak. Deze pathologie is een veel geziene klacht
bij adolescente.
Symptomen
Patiënten ervaren pijn en (ochtend)stijfheid in de heup. (Eindstandig) bewegen met de heup is
pijnlijk, waardoor een verminderde ROM ontstaat. (Lowe 2012)
Heupartrose
Heupartrose is het langzaam en wisselend progressief verlies van gewrichtskraakbeen. Naast
kraakbeenverlies kunnen ook veranderingen plaatsvinden van zowel het subchondrale bot en
osteofyt vorming optreden. Periodiek kan de synoviale membraan geprikkeld zijn, wat leidt tot
gewrichtsontsteking. Deze ontstekingsreactie kan pijn, zwelling en temperatuurverhoging in het
gewricht teweegbrengen.
41
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Kenmerkend voor heupartrose is het ervaren van pijn in de liesregio. Deze pijn treedt aanvankelijk op
bij het starten van bewegen en bij langdurig belasten; de pijn neemt vaak toe naarmate de dag
vordert. In latere fasen is er ook pijn in rust en nachtelijke pijn.
Startstijfheid, die na enkele minuten verdwenen is en is ook kenmerk en achteruitgang in dagelijks
functioneren, die vermoedelijk veelal ontstaat door gebrek aan beweging, zijn ook kenmerkend.
Daarnaast kan er sprake zijn van een verminderde beweeglijkheid in de gewrichten, verminderde
spierkracht, instabiliteit van de gewrichten en crepitaties, die worden gehoord en gevoeld.
Patiënten hervaren ook problemen bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten zoals lopen,
traplopen, gaan zitten en opstaan en sokken en schoenen aantrekken. De problemen met de
stabiliteit kunnen leiden tot een gevoel van onzekerheid tijdens het uitvoeren van activiteiten.
Patiënten met een geschiedenis van heupdysplasie, fracturen of operaties aan de heup hebben
tevens een groter risico op het (vroegtijdig) krijgen van heupartrose. (Bijlsma J et al 2004)
Bronnen
Onderstaande bronnen zijn gebruikt voor bijlage 1.











R.S. Burnett, G.J. Della Rocca, H. Prather, M. Curry, W.J. Maloney, J.C. Clohisy. Clinical
Presentation of Patients with Tears of the Acetabular Labrum. The Journal of Bone and Joint
Surgery. 2006. Volume 88-A
J. Bijlsma, P.P.M.M. Geusens, C.G.M. Kallenberg, P.P. Tak. Artrose. Leerboek Reumatologie
en Klinische Immunologie. Houten: Bohn, Stafleu van Loghum; 2004
J.C. Clohisy, E.R. Knaus, D.M.. Hunt, J.M. Lesher, M. Harris-Hayes, H. Prather. Clinical
Presentation of Patients with Symptomatic Anterior Hip Impingement. Clin Orthop Relat Res.
2009. Volume 467, 638–644
W.E. Derman. A Clinical Diagnostic Approach to Chronic Groin Pain in the Adult Athlete.
International SportMed Journal, 2000, Volume 1.
P. Emery P, F.C. Breedveld, M. Dougados, J.R. Kalden, M.H. Schiff, J.S. Smolen. Early referral
recommendations for newly diagnosed rheumatoid arthritis: evidence based development of
a clinical guide. Ann Rheum Dis. 2002. Volume. 61, 290
R.A. Haene, M. Bradley, R.N. Villar. Hip dysplasia and the torn acetabular labrum: An inexact
relationship. J Bone Joint Surg Br .2007 Volume 89, 1289-1292.
M.J. Keogh, M.E. Batt, A Review of Femoroacetabular Impingementin Athletes. Sport Med
2008: 38, 863 – 878.
G. Kuhlman, B. Domb. Hip Impingement: Identifying and Treating a Common Cause of Hip
Pain. American family physican. 2009, Volume 80, 1429‐1434.
C.H. Lee, A.L. Dellon. Surgical managment of groin pain of neural origin. J Am Coll Surgeons
2000. Volume 191, 137-42.
R. Lowe. Adhesive capsulitis of the hip: A case report: An entity in question, Manual Therapy.
2012, 1-4.
T.R. Malone, T. McPoil, A.J. Nitz. Orthopedic and Sports Physical Therapy, 1997 3e druk.
Mosby. H5- H16
42
Hogeschool van Amsterdam









Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
C. Nicole, T.N. Walsh, S.R. Crotti, E.M. Goldring Gravallese. Rheumatic
diseases: the effects of inflammation on bone. Immunological Reviews 2005, Volume 208,
228-251.
Koos van Nugteren en Dos Winkel. Onderzoek en behandeling van peesaandoeningen
tendinose. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2006, H4-H9
Koos van Nugteren en Dos Winkel. Onderzoek en behandeling van spieraandoeningen en
kuitpijn. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2008 H9
M. Rab, J. Ember A.L. Dellon. Anatomic variability of the ilioinguinal and genitofemoral nerve:
implication for the treatment of groin pain. 2001 Plastic Reconstruct Surg 2001. Volume
108,1618-23.
C. Rodriguez. Osteitis Pubis Syndrome in the Professional Soccer Athlete: A Case Report. J
Athl Train. 2001. Volume 36 437–440
D. van der Stappen, Liesblessure. Physios, 2011. Nummer 2, jaargang 3.
H. Verburg, H.J. Mencke. Klinische les van een avulsie fractuur van de trochanter minor.
Sport en Geneeskunde. 2012. Nr. 3
B.S. Williams, S.P. Cohen. Greater trochanteric pain syndrome: a review of anatomy,
diagnosis and treatment. Anesth Analg. 2009 Volume 108, 1662-70
L.P. Zebala, P.L. Schoenecker, J.C. Clohisy J. C. Anterior Femoroacetabular Impingement: A
Diverse Disease with Evolving Treatment Options. The Iowa Orthopaedic Journa. 2007,
Volume 27, 71‐81.
43
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Bijlage 2 Symptomen
De onderstaande kenmerken en symptomen zijn voorkomend bij de aandoeningen die liespijn
veroorzaken.
Tabel 22 Symptomen en kenmerken die naar voren komen in de anamnese, met aandoening waarbij dit
symptoom voor kan komen.
(Ochtend) stijfheid:
 Artrose
 Osteonecrose
 Artritis
 Spierruptuur
 Adductor tendinitis
 Osteitis pubis
Krachtverlies:
 Avulsie fractuur
 Stress fractuur
 Zenuw entrapment
 Spierruptuur
 Adductor tendinitis
Pijn bij Pivoteren:
 Labrum leasie
 Artrose
Plotseling optredende, scherpe
pijn:
 Avulsie fractuur
Pijn bij lang zitten:
 Labrum leasie
 Femur acetabular
Impingement
 Artrose
Giving Away:
 Labrum leasie
 Femur acetabular
Impingement
Uitstralende pijn naar dij en/of
knie:
 Stressfractuur
 Bursitis
 Zenuw entrapment
‘Pop’ sensatie of ‘snap’:
 Femur acetabular
Impingement
 Avulsie fractuur
 Bursitis
Uitstraling naar dermatomen:
 Zenuw entrapment
Radiculaire prikkelingen,
uitvalsverschijnselen en
gevoelloosheid:
 Zenuw entrapment
Geen recent trauma:
 Osteonecrose
 Femur acetabular
Impingement
 Stressfractuur
 Artritis
 Osteitis pubis
 Artrose
Pijn geprovoceerd door
activiteiten:
 Avulsie fractuur
 Osteonecrose
 Stressfractuur
 Labrum leasie
 Femur acetabular
Impingement
 Adductor tendinitis
 Spierruptuur
 Artrose
 Osteitis pubis
Constant aanwezige pijn
 Stress fractuur (derde
stadium)
 Osteonecrose
 Zenuw entrapment
Trauma plaatsgevonden
 Myositis Ossificants
 Spierruptuur
 Labrum leasie
 Fractuur
 Avulsie fractuur
 Osteitis pubis
Pijn geprovoceerd door hoesten,
niezen en persen:
 Sporters hernia
 Liesbreuk
 Zenuw entrapment
Crepetaties:
 Artrose
 Femur acetabular
Impingement
44
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Tabel 23 Symptomen en kenmerken die naar voren komen tijdens de inspectie/palpatie, met aandoening
waarbij dit symptoom voor kan komen.
Bloeduitstorting aanwezig:
 Fractuur
 Stressfractuur
 Avulsiefractuur
Verhoogde spiertonus:
 Spierruptuur
 Adductor tendinitis
Belasten is niet mogelijk:
 Fractuur
Been is verkort en ligt in
exorotatie:
 Fractuur
Ontstekingsverschijnselen:
 Artrose
 Bursitis
 Artritis
 Liesbreuk
 Adductor tendinitis
 Spierruptuur
45
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Bijlage 3 Uitvoering testen
De testen in onderstaande tabel zijn de testen beschreven in het aanvullend onderzoek.
Tabel 25 uitvoering van de aanbevolen testen
Tabel 25 uitvoering van de aanbevolen testen
Test
Uitvoering
Diagnose
De anterior hip
impingement test
Patiënt ligt op zijn rug terwijl de
onderzoeker het aangedane been
beweegt in 90 gr flexie, adductie en
endorotatie tot de eindgrens
bereikt wordt. Pijn op elke locatie
maakt de test positief.
FAI/ Labrum
Impingement sign
Patiënt ligt op zijn rug, terwijl de
onderzoeker het aangedane been in
flexie en endorotatie brengt.
Wanneer de beweging of een deel
daarvan de pijn provoceert is de
test positief.
FAI/ Labrum
FABER test
De patiënt ligt in rug lig. Het
aangedane been wordt gelijktijdig
in flexie, abductie en exorotatie
zodat de laterale kant van de enkel
op het contralaterale been kan
rusten net proximaal van de knie.
Terwijl de SIAS wordt gestabiliseerd,
wordt de knie omlaag naar de tafel
gedrukt. De test is positief wanneer
er (herkenbare) pijn optreedt of
wanneer er een duidelijke afnamen
is van de ROM.
FAI/ Labrum
De hip quadrant position
De patiënt ligt in rug lig terwijl de
onderzoeker de aangedane zijde in
flexie en adductie brengt. Het been
is nu geroteerd. De test is positief
wanneer er herkenbare pijn
optreedt of er is een beperking in
de ROM aanwezig. Maslowski et al
beschrijft de zelfde test, alleen geeft
die dan axiale compressie richting
de heup erbij.
FAI/ Labrum
Flexie- endorotatie test
De patiënt ligt in rug lig. De
onderzoeker beweegt de
Labrum
46
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
aangedane zijde in 90o flexie en
endorotatie. Pijn en een normale
ROM maakt de test positief.
Flexie-endorotatie- axial
compressie
Patiënt in rug lig. De onderzoeker
beweegt de aangedane zijde in
flexie, endorotatie en axiaal
compressie. Pijn of een beperkte
uitvoering van de ROM maakt de
test positief.
FAI/ Labrum
47
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Bijlage 4 Zoektochttabel
Dikgedrukt =geïncludeerd
Zoekmachine
Zoektermen
Hits
Relevantie
Uitkomst
Overige opmerkingen
Pubmed
Physical
Examination,
labrum lesion, hip
5
2008 – 2012
Concurrent criterion-related
validity of physical
examination tests for hip
labral lesions: a systematic
review.
Twee artikelen hebben full text beschikbaar.
Slechts een daarvan gaat over het labrum.
33
2004-2012
Geen bruikbare artikelen >
Case reports, medische
diagnose stelling, niet
artrogeen gerelateerd
44
2004-2012
Geen bruikbare artikelen >
Case reports, medische
diagnose stelling, niet
artrogeen gerelateerd
36
2004 – 2012
Femoroacetabular
impingement: a review of
diagnosis
and management, 2011,
Purnajyoti Banerjee &
Christopher R. Mclean. Curr
Rev Musculoskelet Med
(2011) 4:23–32
Full free text, max
10 jaar, engels
Pubmed
Groin, Pain,
Differential,
Diagnosis
Full free text, max
10 jaar, engels
Pubmed
Inguinal, Pain,
Differential,
Diagnosis
Full free text, max
10 jaar, engels
Pubmed
Inguinal, Pain,
Clinical,
Examination
Full free text, max
10 jaar, engels
Bespreekt alleen radiografie en operatieve
mogelijkheden voor diagnose
48
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Clinical presentation of
patients with symptomatic
anterior hip impingement.
2009. J.C. Clohisy et al. Clin
Orthop Relat Res
Beschrijft de klinische presentatie in de
praktijk van patiënten met FAI
Concurrent Criterion-Related
Validity of Physical
Examination Test for Hip
Labral Lesions: A systematic
Review. M.R. Leibold. The
journal of manual en
manipulative therapy volume
16.
2008
Systematic review over verschillende
onderzoeken die zijn gedaan naar de
bruikbaarheid van klinische testen voor het
diagnosticeren van een labrum leasie.
Rest geen bruikbare artikelen > Case reports,
medische diagnose stelling, niet artrogeen
gerelateerd.
Pubmed
Diagnostic,
labrum, physical
examination
Full free text, max
10 jaar, engels
18
2005 - 2012
Diagnostic accuracy of history
and physical examination of
superior labrum anteriorposterior lesions. 2011. L.A.
Micherer et al.
Journal of Athletic Training.
Femoroacetabular
impingement--diagnosis and
treatment. 2010. M.K. Kaplan
Blijkt na inzage over het schouder labrum te
gaan
Beschrijft een klein stukje van het
bewegingsonderzoek bij FAI patiënten. Voor
49
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
et al. Bulletin of the NYU
Hospital for Joint Diseases
Hip Impingement: Identifying
and Treating
a Common Cause of Hip Pain.
G.S. Kuhlman en B.G. Domb.
Am Fam Physician. 2009
Pubmed
Testing, Hip,
4
Femoroacetabular
Impingement
Full free text, max
10 jaar, engels
2010-2012
Concurrent Criterion-Related
Validity of Physical
Examination Test for Hip
Labral Lesions: A systematic
Review. M.R. Leibold. The
journal of manual en
manipulative therapy volume
16. 2008
Functional performance
testing of the hip in athletes:
a systematic review for
reliability and validity. B.R.
Kivlan en R.L. Martin. The
International Journal of
Sports Physical Therapy. 2012
Validity and test-retest
reliability of manual
goniometers for measuring
passive hip range of
motion in femoroacetabular
impingement
de rest wordt medisch onderzoek door een
arts besproken.
Beschrijft mogelijke testen, kenmerken en
symptomen voor het diagnostisch proces bij
patiënen met FAI, welke gebruikt kunnen
worden door de fysiotherapeut.
Al eerder gevonden
Beschrijft functionele testen die eventueel
kunnen worden gebruikt tijdens het heup
onderzoek.
Onderzoek naar de validiteit van
goniometrie bij FAI patiënten.
50
Hogeschool van Amsterdam
Pubmed
Labrum, Tear,
Clinical test
Beroepsopdracht
2
2009-2011
Full free text, max
10 jaar, engels
Pubmed
Acetabulum, Tear,
Clinical
8
Full free text, max
10 jaar, engels
Pubmed
Diagnosis of
femoroacetabular
impingement
Max 5 jaar
Free full text
86
2003-2012
Studiejaar 2012-2013
patients. S. Nussbaumer et
al. BMC Musculoskeletal
Disorders 2010
Rest geen bruikbare artikelen > medische
diagnose stelling en/of behandeling, niet
artrogeen gerelateerd, schouder labrum.
Diagnostic accuracy of history
and physical examination of
superior labrum anteriorposterior lesions. 2011. L.A.
Micherer et al.
Journal of Athletic Training.
Al eerder gevonden, bleek over schouders
labrum te gaan.
What is the role of clinical
tests and ultrasound in
acetabular labral tear
diagnostics?
A. Troelsen et al. Acta
Orthopaedica 2009
What is the role of clinical
tests and ultrasound in
acetabular labral tear
diagnostics?
A. Troelsen et al. Acta
Orthopaedica 2009
Onderzoek naar het gebruik van klinische
testen en ultrasound voor het
diagnosticeren van labrum leasie.
Al eerder gevonden
Rest geen bruikbare artikelen > medische
diagnose stelling en/of behandeling of niet
artrogeen gerelateerd.
1. Validity and test-retest
reliability of manual
goniometers for measuring
passive hip range of motion
in femoroacetabular
impingement patients. S.
Nussbaumer et al. BMC
Musculoskeletal Disorders
2010
1. Al eerder gevonden
2. Gaat uiteindelijk toch over de
medische diagnose.
3. Was uiteindelijk niet bruikbaar
vanwege ontbrekende statistische
gegevens voor uitgevoerde fysieke
testen en was meer gericht op de
medische diagnose.
51
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
2. Femoro-acetabular
impingement: the diagnosis- a
revieuw.
A. D. Grant et al. 2012
3. Hip Impingement:
Identifying and Treating a
Common Cause of Hip Pain.
G.S. Kuhlman et al. 2009
4. Clinical Presentation of
Patients with Symptomatic
Anterior Hip Impingement.
J.C. Clohisy et al. Clin Orthop
Relat Res. 2009
PubMed
Clinical
presentation of
femoroacetabular
impingement
5
Free full text
max 10 jaar
PubMed
Femoroacetabular 5
impingement
presentation,
Full free text
Max 10 jaar
4. Al eerder gevonden
De niet gebruikte artikelen gaan veel al over
de medische diagnose, zijn niet artrogeen
gerelateerd of zijn case reports.
1. Clinical Presentation of
Patients with Symptomatic
Anterior Hip Impingement.
J.C. Clohisy et al. Clin Orthop
Relat Res. 2009
1. al eerder gevonden
1. Clinical Presentation of
Patients with Symptomatic
Anterior Hip Impingement.
J.C. Clohisy et al. Clin Orthop
Relat Res. 2009
1. al eerder gevonden
Rest van de artikelen waren niet
bruikbaar. Waren een case report, ging
over de iliopsoas of de medische
diagnose.
Rest van de artikelen waren niet
bruikbaar. Waren een case report, ging
over de iliopsoas of de medische
diagnose.
52
Hogeschool van Amsterdam
PubMed
Beroepsopdracht
Femoroacetabular 25
impingement
Management
Full free text
Max 10 jaar
Studiejaar 2012-2013
1. Femoroacetabular
impingement: a revieuw of
diagnosis and management.
P. Banerjee et al. 2011.
1. Ging uiteindelijk ook meer over de
medische diagnose van FAI
Rest van de artikelen waren niet bruikbaar.
Waren een case report, ging over de
behandeling of de medische diagnose.
PubMed
Femoroacetabular 1
impingement
presentation,
diagnosis,
management
1. Femoroacetabular
Impingement: Presentation,
Diagnosis, and Management.
A. Kassarjian et al. 2008.
1. Was uiteindelijk niet bruikbaar. Ging over
de operatie aspecten bij pincer en cam FAI
PubMed
Diagnostics of
femoroacetabular
impingement and
labral
1. Diagnostics of
femoroacetabular
impingement and labral
pathology of the hip: A
Systematic Review of the
Accuracy and Validity of
Physical tests. M. Tijssen et
al. 2012.
1. onderzoekt de validiteit van fysieke testen
voor het aantonen/ uitsluiten van FAI en
Labrum letsel.
1. Diagnostics of
femoroacetabular
impingement and labral
pathology of the hip: A
Systematic Review of the
Accuracy and Validity of
Physical tests. M. Tijssen et
al. 2012.
1. Al eerder gevonden
2.Validity and test-retest
reliability of manual
2. Al eerder gevonden
3
Max 10 jaar
PubMed
validity of physical 3
tests
femoroacetabular
impingement
max. 10 jaar
Bij de rest van de artikelen waren de PDF
bestanden niet te openen.
53
Hogeschool van Amsterdam
Pubmed
Hip Joint, Humans,
Osteoarthritis,
Classification,
Rheumatology
Beroepsopdracht
Hip joint, Athletics,
Osteoarthritis, ROM
goniometers for measuring
passive hip range of motion
in femoroacetabular
impingement patients.
Nussbaumer et al. BMC
Musculoskeletal Disorders
2010
Altman et al 1991. The
American College
of Rheumatology criteria for
the classification and
reporting of osteoarthritis of
the hip.
Bij de rest van de artikelen waren de PDF
bestanden niet te openen.
18
Nvt
7
2000-2013
Geen.
Geen van de artikelen werden relevant
bevonden op basis van de titel en de in- en
exclusiecriteria.
47
2000-2013
Geen.
Geen van de artikelen werden relevant
bevonden op basis van de titel en de in- en
exclusiecriteria.
Full text
Pubmed
Studiejaar 2012-2013
De overige artikelen werden op basis van
de titel niet relevant bevonden.
Echter een artikel overeenkomend met
titel zoals de wel geïncludeerde artikel, was
na het toepassen van in- en exclusie
criteria niet meer relevant.
De keuze van dit artikel, ondanks het
jaartal, is gebaseerd op de inhoudelijke
waarde.
Full text
Pubmed
Hip Joint,
Osteoarthritis, ROM
Full text
54
Hogeschool van Amsterdam
Pubmed
Adult, Hip, Range of
Motion,
Radiographic,
Osteoarthritis
Beroepsopdracht
87
2000 – 2013
Full text
Pubmed
Disease,
Osteoarthritis,
Epidemiology,
Prevalence Risk
Factors
Studiejaar 2012-2013
F. Birrell et al 2001.
Predicting radiographic hip os
teoarthritis from range of
movement.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
Cibere et al 2008.
Reliability of
the hip examination
in osteoarthritis: effect of
standardization.
150
1999-2005
Felson et al 2000.
Osteoarthritis: new insights.
Part 1: the disease and its risk
factors.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden
14
Nvt
M. Reijman et al 2004.
Validity, reliability, and
applicability of seven
definitions
of hip osteoarthritis used in
epidemiological studies: a
systematic appraisal.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
Full text
Humans
Pubmed
Hip joint,
Osteoarthritis,
Classification Tests
Altman et al 1991. The
American College of
Rheumatology criteria for
the classification and
reporting ofosteoarthritis of
55
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
the hip.
Pubmed
Diagnosis,
Rheumatoid arthritis,
Clinical guide
113
Nvt.
P. Emery et al 2002.
Early referral
recommendation for newly
diagnosed rheumatoid
arthritis: evidence based
development of
a clinical guide.
Hulsemann et al 1991.
Diagnostic evaluation
of classification criteria for rh
eumatoid arthritis and
reactive arthritis in an early
synovitis outpatient clinic.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
Pubmed
Diagnostic,
Classification criteria,
Rheumatoid arthritis,
Tests, Clinic
22
Nvt.
Pubmed
Drehmann Sign
3
Nvt.
M. Kamegaya et al 2001.
Drehmann sign and femoroacetabular impingement in
SCFE.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
Pubmed
Trendelenburg test,
Osteoarthritis,
Examination
5
Nvt.
J.W. Youdas et al 2010.
Usefulness of
the Trendelenburg test for
identification of patients with
hip joint osteoarthritis.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
56
Hogeschool van Amsterdam
Pubmed
Pubmed
Humans Adolescent,
Rheumatoid,
Diagnosis, Arthritis,
Tests
Beroepsopdracht
46
Clinical trial
Full text
Osteoarthritis, Hip,
52
Tests, Reproducibility,
Sensitivity, Specificity
Studiejaar 2012-2013
Nvt.
H. Visser et al 2002. How to
diagnose rheumatoid arthritis
early: a prediction model for
persistent (erosive) arthritis.
Visser
De overige artikelen werden op basis van
de titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
1
Reijman et all 2004.
Validity, reliability, and
applicability of seven
definitions of hip
osteoarthritis used in
epidemiological studies: a
systematic appraisal.
Artikel al eerder gevonden.
De overige artikelen werden op basis van de
titel en de in- en exclusiecriteria niet
relevant bevonden.
57
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Bijlage 5 Algemeen oordeel geïncludeerde artikelen
Concurrent Criterion-Related Validity of Physical Examination Test for Hip Labral Lesions: A
systematic Review.
M.R. Leibold et al 2008
In de systematic review van M.R. Leibold et al (2008) worden verschillende onderzoeken, naar
klinische testen bij labrum leasies, besproken. De uitkomsten van de besproken onderzoeken naar
klinische testen zijn terug te vinden in tabel 13. Vanuit deze gegevens kan worden opgemaakt dat
een negatieve uitkomst van de volgende testen: de impingement test, de flexie-endorotatie test, de
impingement provocatie test, de flexie-adductie-axiale compressie test en de Fitzgerald test, de
therapeut het meeste evidence based bewijs leveren dat een heup labrum leasie niet aanwezig is.
Om meer zekerheid te geven, zouden de testen met elkaar kunnen worden gecombineerd tot een
test cluster.
De methode en resultaten worden in dit artikel duidelijk beschreven. Echter is niet bij elk beschreven
onderzoek duidelijk of de onderzochte deelnemers al bekend waren met een heup aandoening.
Het artikel is vanwege de grote opsomming aan klinische testen voor het testen van een FAI of
labrum leasie zeker bruikbaar. Wel moet in het achterhoofd worden gehouden dat FAI en labrum
leasies vaak samen worden gezien en in de beschreven onderzoeken hier niet duidelijk iets over
vermeld wordt. Daarnaast wordt van niet elk onderzoek naar dezelfde klinische test de uitvoering
beschreven, waardoor niet bepaald kan worden of een test gestandaardiseerd is.
What is the role of clinical tests and ultrasound in acetabular labral tear diagnostics?
Troelsen et al 2009
Het onderzoek van A. Troelsen et al. (2009) is een interessant onderzoek naar een aantal klinische
testen; Impingement test, FABER test en Straigt Leg Raise tegen weerstand. Waarbij niet alleen naar
de bruikbaarheid van klinische testen in het diagnostisch proces van labrum leasies wordt gekeken,
maar ook naar de bruikbaarheid van Ultrasound.
Het artikel beschrijft slechts kort de klinische testen, waarbij de uitvoering van de testen goed
beschreven is. De uitkomstwaarde zijn ten op zichten van uitkomstwaarde uit andere onderzoeken
erg verschillend. De sensitiviteit is hier namelijk voor alle drie de klinische testen laag en specificiteit
hoog, terwijl andere onderzoeken het tegenovergestelde laten zien. Misschien dat dit komt doordat
er aan het onderzoek slechts 18 deelnemers meededen en deze alle bekend waren met
heupdysplasie. Het artikel is zeker bruikbaar, maar bovenstaande moet in het achterhoofd worden
gehouden.
The American College of Rheumatology criteria for the classification and reporting of
osteoarthritis of the hip.
R. Altman et al 1991
In dit onderzoek warden de klinische criteria voor de indeling van patiënten met heup pijn
geassocieerd met artrose (OA) ontwikkeld. Gegevens van 201 patiënten die heuppijn op de meeste
dagen van de voorafgaande maand werden geanalyseerd. De vergelijkingsgroep patiënten hadden
andere oorzaken van heup pijn, zoals reumatoïde artritis of spondylarthropathy. Variabelen uit de
anamnese, lichamelijk onderzoek, laboratoriumtests en röntgenfoto's werden gebruikt om
verschillende sets van criteria te ontwikkelen voor verschillende onderzoeksdoeleinden dienen.
58
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
Joint space narrowing and relationship with symptoms and signs in adults consulting for hip pain in
primary care.
Bierma-Zeinstra et al 2002
In dit onderzoek waaraan 220 patiënten van 50 jaar een ouder deelnamen werd de relatie van
radiologische heupartrose en de klinische verschijnselen in kaart gebracht.
Een combinatie van klinische symptomen / bevindingen toonde hun voorspellende waarde aan voor
heupartrose.
In dit onderzoek blijkt echter ook dat de negatief voorspellende waarden hoog zijn voor opgestelde
combinaties die gedurende de anamneses en het lichamelijk in kaart zijn gebracht.
Drehmann Sign and Femoro-acetabular Impingement in SCFE.
Kameygaya 2011 et al
In dit onderzoek komt naar voren dat de Drehmann teken, dat in dit onderzoek als test wordt
gebruikt om de hoeksverandering tegenover de andere heup, typisch is bij een patiënt met een
Epifysiolysis Capitis Femoris (SCFE). Echter een femuroacetabulair impigment (FAI) staat bekend als
gevolg van SCFE. Het doel in dit onderzoek was de relatie van Drehmann en het voorspellen van een
radiologische FAI te verduidelijken.
Gemiddels 12 jaar na de follow-up warden de patiënten weer klinisch onderzocht middels het
toepassen van de Dtest van Drehmann. Daarbij bleek dat er hoeksveranderingen waren op getreden.
Tot slot wordt in artikel geconcludeerd dat gezien het feit dat FAI een voorstadia is voor het ontstaan
van beginnend artrose, de test van Drehmann ook van meer waarde in het klinisch onderzoek
daarvan kan zijn.
Predicting radiographic hip osteoarthritis from Range of movement.
F. Birrell et al 2001
In dit onderzoek werden patiënten met de leeftijd van 40 jaar en ouder die zich presenteerden met
een nieuwe episode van heuppijn door 36 huisartsen in de UK onderzoek middels het toepassen van
een ROM onderzoek van de heup. Hierin kwam naar voren dat patiënten gediagnosticeerd met
radiologische artrose op de verschillende bewegingsrichting van de heup een hoge valide score werd
behaald betreft de ROM.
De ROM beperking bleek in dit onderzoek gepaard te gaan met radiologische verschijnselen van
artrose. Hierin bleek de endorotatie meer voorspellend dan de flexie.
Functional Perfomance Testing of the hip in athletes: A systematic review for reliability and validity
B.R. Kivlan en R.L. Martin 2012
Onderzoek waarin wordt gekeken naar de mogelijkheid, voor het gebruiken van functionele testen,
in het diagnostisch proces van liespijn bij sporters.
Functionele, prestatie testen worden verdeeld over vier groepen:
 Behendigheid, mogelijkheid tot rennen, stoppen, pivoteren en van richting veranderen
 Balans, behoudt van balans en houdingscontrole gedurende verschillende omstandigheden
 Hop/spring, kwaliteit en kwantiteit van taak gerelateerde propulsie en/of absorptie impact
 Beweging
Vier functionele testen worden getest:
59
Hogeschool van Amsterdam


Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
twee beweging testen, de deep squat test en de single leg squat test.
Twee balans testen, single leg stance test en Star Excursion Balance test
Alleen de deep squat werd uitgevoerd bij patiënten met disfunctioneren van de heup.
Gedurende de deep squat test hadden patiënten met FAI een verminderde squat diepte en een
veranderde lumbo-bekken beweging, vergeleken met ‘gezonde’ mensen Echter geen van de
functionele, prestatie testen heeft bewijs van betrouwbaarheid in een populatie van jonge, atletische
patiënten met disfunctioneren van de heup. Uitkomst waarden worden verder niet benoemd en de
andere testen worden zijn niet bruikbaar bij artrogene aandoeningen.
Usefulness of the Trendelenburg test for identification of patients with hip joint osteoarthritis.
J.W. Youdas et al 2010
In dit onderzoek warden 20 patiënten met en 20 patiënten zonder heupartrose geincludeerd. In dit
onderzoek werden Trendelenburg en de handheld dynamoter gebruikt om de spierprestatie, van mn
de abductoren, in kaart te brengen.
In dit onderzoek bleek dat het identificeren van patiënten met heupartrose middels de
Trendelenburg, deze een sensitiviteit van 55% en een specificiteit van 70% heeft.
Echter bleek de Trendelenburg niet gebruikelijk voor patiënten met heup artrose in de vroege stadia.
Osteoarthritis: new insights. Part 1: The disease and its risk factors.
Felson et al 2000.
Artrose is de meest voorkomende vorm van artritis, die miljoenen mensen in de Verenigde Staten.
Het is een complexe ziekte waarbij de bewijs groeit voor de rol van systemische factoren (zoals
genetica, inname via de voeding, oestrogeen gebruik, en de botdichtheid) en van lokale
biomechanische factoren (zoals spierzwakte, obesitas, en gewrichtsslapte). Dit artikel is deel 1 van
een tweedelige samenvatting van een National Institutes of Health conferentie. De conferentie
bracht experts op artrose van verschillende achtergronden en voorzien van een multidisciplinaire en
uitgebreide samenvatting van recente ontwikkelingen in de preventie van artrose ontstaan,
progressie, en invaliditeit. Deel 1 richt zich op een nieuw begrip van wat artrose is en op
risicofactoren die optreden bij de ziekte.
How to Diagnose Rheumatoid Arthritis Early.
H. Visser et al 2002
Op 524 patiënten doorverwezen met vroegtijdige artritis werd een gediagnosticeerde meting
uitgevoerd.
Na 2 jaar follow werd een voorspellingmodel opgesteld. Deze werden relevant bevonden voor het
voorspellen van: een voor self-limiting artritis, een voor persistent progressieve artritis en voor
blijvende progressieve artritis.
Geconcludeerd werd dat dit klinische model een uitstekend vermogen had om onderscheid te
maken, op basis van de eerste bezoek, tussen de 3 vormen van artritis uitkomst. Dit gezien het feit
dat het bevestigen van vroegtijdig artritis noodzakelijk is in praktijk.
60
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
The American Rheumatism Assosiation 1987 revised criteria for the classification of Rheumatoid
Arthritis.
Arnett et al 1988
De herziene criteria voor de indeling van reumatoïde artritis (RA) werden aan de hand van deze
studie geformuleerd vanuit een geautomatiseerde analyse van 262 hedendaagse, achtereenvolgens
bestudeerde patiënten met RA en 262 controlepersonen met andere dan RA (non-RA) reumatische
aandoeningen.
De nieuwe criteria blijkt 91-94% sensitiviteit en 89% specificiteit voor RA in vergelijking met niet-RA
reumatische ziekten proefpersonen.
Diagnostic evaluation of classification criteria for rheumatoid arthritis and reactive arthritis in an
early synovitis outpatient clinic.
Hulsemann et al 1991.
Twee jaar onderzoek vond plaats met 320 patiënten met vroege synovitis
van minder dan een jaar tijd, die werden geclassificeerd na een deskundige diagnose.
Na twee jaar onderzoek werd middels de toepassing van ACR-criteria, 39 (19%) gediagnosticeerd met
RA. Vierentwintig (11%)van de patiënten had ReA, 117 (54%) van de patiënten had geen een
ondubbelzinnige diagnose en werden beschouwd als ongedifferentieerde artritis.
De ACR-criteria bleek een gevoeligheid van 90% en een specificiteit van 90% te hebben in het
onderzoek. En de positief voorspellende waarde was 0.67, de negatief voorspellende waarde 0,98.
In dit onderzoek werd geconcludeerd dat de ACR-criteria voor RA een redelijke diagnostische
validiteit hebben in patiënten met vroege synovitis, waaronder een groot deel van
ongedifferentieerde artritis.
Diagnostiscs of Femoroacetabular Impingement and Labral Pathology of the Hip: A Systematic
Review of the Accuracy and Validity of Physical Tests
M. Tijssen et al 2012
Goed opgezette review. Er is een uitgebreide zoektocht uitgevoerd aan de hand van adequeaat
gekozen zoektermen. De opgenomen onderzoeken zijn voor een merendeel van EVIDENCE niveau 2
& 3. De testen zijn daar en tegen weinig valide en er ontbreekt vaak een specificiteit en negatief
voorspellende waarde voor de test. Het geeft je wel een goed overzicht van wat er momenteel
bestaat voor het diagnosticeren van FAI dan wel Labrum leasie. Voor aan te tonen dat er sprake is
van een FAI en- of een labrum pathologie bestaat nog geen fysieke (combinatie) test.
Volgens dit artikel bestaat er nog geen fysieke test die geschikt is om een diagnose van FAI en-of
labrum pathology van de heup vast te stellen.
Nog wat punten die benoemd worden in dit artikel:

Het is belangrijk om de diagnose FAI/Labrum letsel vroegtijdig vast te stellen om zo de beste
behandeling voor te schrijven. Anders maak je sneller kans op osteoarthritis volgens bron
9&10. Maar de studies wijzen uit dat het gemiddeld 2 jaar kan duren voordat de juiste
diagnose is vastgesteld.

Voor de anterior hip impingement test, de impingement sign, the flexion-adduction-axial
compression test, de FABER test, de Fitzgerald test en de hip quadrant position is een hoge
(90-100%) sensitiviteit gerapporteerd.
61
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013

Voor de anterior hip impingement test, de FABER test, de RSLR test en de Thomas test is een
hoge specificiteit (90-100%) gerapporteerd.

Een hoge positieve voorspellende waarde (90-100%) is gerapporteerd voor alle testen,
behalve voor de internal rotation-flexion-acial compression meneuver, de log-roll test en de
posterior impingement test.

Alleen Maslowski et al (bron 34) beschrijft dat de FABER test en de hip quadrant position een
hoge negatief voorspellende waarde (90% of hoger) hebben. Voor alle andere testen waren
deze zeer laag of niet gemeten/ meetbaar door verschillende redenen.

Leibold et al (bron 18) onderzocht fysieke testen voor labrum letsel aan de heup. Die hebben
gevonden dat een negatieve uitslag bij de flexion-adduction-internal rotation test, de
impingement provocation test, de flecion-internal rotattion test, the flexion-adduction-axial
compression test, de Fitzgerald test of een combinatie van deze testen de hoogste validiteit
heeft dat labrum letsel NIET aanwezig is (uitsluit). Al is deze uitspraak gebaseerd op op
sensitivieits data en een discussie uit een verhaal/literatuur.

Dit artikel is een van de weinige systematic revieuw die zich alleen richt op fysieke testen
voor FAI en Labrum letsels en de validiteit hiervan.
Clinical presentation of femoroacetabular impingement
M.J. Philippon et al 2007
De review is niet van alles voorzien. Zo is er geen sensitiviteit/ specificiteit of positief/ negatief
voorspellende waarde benoemd voor de (fysieke) testen. Wel is er duidelijk vermeld hoe oud,
hoeveel en op welke manier de patiënten zijn getest en bij wat voor atrogene hip pathologie de
testen werden uitgevoerd en welke gouden standaard is gebruikt. Tevens ontbreekt de validiteit van
de testen en daardoor is het weinig zinvol om de testen te gebruiken voor in de praktijk. Wel kan
men gebruik maken van de symptomen voor een betere patroonherkenning.
Punten die benoemd worden in dit artikel:

Patiënten waren uitgesloten voor het onderzoek wanneer ze al eens een chirugische ingreep
hadden gehad aan de aangedane heup, een incomplete fysieke testdata of bilaterale
heupaandoeningen wat compressie op de niet aangedane zijde onmogelijk maakt.

Iedere patiënt onderging osteoplasty voor de behandeling van FAI

De FABER test is volgens dit artikel positief wanneer er enig verlies van afstand tussen het
laterale aspect van de knie en de onderzoekstafel, in vergelijking met de niet aangedane
zijde.

Deden 301 patiënten mee met dit onderzoek. Hiervan waren er 50 met pincer impingement,
100 met cam impingement en 151 hadden het allebei/ mix. De mix groep was significant
ouder dan pincer impingement groep (6,2jr) en de cam impingement groep (5,6jr).

99% van alle patiënten associeerde FAI met Labrum letsel
62
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013

De anterior impingement test was in 99% van de gevallen positief en de FABER test in 97%
van de gevallen

Zwaar werk was lastig voor 90% van de patiënten. 15 min lopen was voor 78% moeilijk en in
of uit een auto stappen voor 65%.
Clinical Presentation of Patients with Symptomatic Anterior Hip Impingement
Clohisy et al 2009
Een redelijk opgezette artikel. Maar omdat er een controle groep ontbreekt, moet er nog meer
onderzoek worden gedaan naar de validiteit van de fysieke testen, met name de FABER test. Verder
staan de resultaten wel duidelijk omschreven, maar kun je je afvragen of de patiënten en de
beoordelaars geblindeerd waren voor het onderzoek. De uitkomsten van de fysieke testen zijn wel
interessant, al ontbreekt minimaal de negatief voorspellende waarde van de testen (statistische
gegevens).
Punten die benoemd worden in dit artikel:

Alle patiënten met onduidelijke heup symptomen of onverklaarbare etiologie of vanaf 2e
graads artrose werden niet meegenomen in het onderzoek.

De mate van kraakbeenletsel werd ingedeeld volgens de classificatie volgens het schema dat
beschrijven staat in Beck et al.
Graad 0 = normaal, Graad 1 = malacia, Graad 2 = pitting, Graad 3 = debonding, Graad 4 =
cleavage, Graad 5 = full-thcikness defect

36 heupen (82%) hadden ook een labrum letsel

35 heupen hadden ook artrose waarvan 8 heupen in graad 1, 5heupen in graad 2, 5 heupen
in graad 3 en 17 heupen in graad 4.

17 heupen vertoonden en Trendelenburg.


Anterior impingement test was bij 47/53 positief (88.6%)
FABER test was bij 52/53 positief (98.1%)
o De testen zijn niet gestandaardiseerd, zo is er niet telkens de zelfde techniek gebruikt
en zijn niet allen provocatie testen bij iedere patiënt uitgevoerd.
Validity and test-retest reliability of manual goniometers for measuring passive hip range of
motion in femoroacetabular impingement patients
Nussbaumer et al 2010
Goed beschreven artikel. De database, statistische analyse en de resultaten staan duidelijk
beschreven. Ook is er een controle groep aanwezig, maar kun je ook in dit artikel afvragen of deze
patiënten wel geblindeerd waren voor het onderzoek. Omdat de goniometer met de hand wordt
getest, verschilt de ROM altijd wel iets van elkaar.
De conclusie van dit artikel is dat dan ook dat er meer onderzoek nodig is om nauwkeuriger de ROM
van de heup te onderzoeken met de handmatige goniometer. Als de test-hertest van de handmatige
goniometer een goede betrouwbare schatting zouden geven, zou dit het instrument worden wat
63
Hogeschool van Amsterdam
Beroepsopdracht
Studiejaar 2012-2013
gebruikt moet worden in de praktijk voor beoordeling van de ROM. Helemaal wanneer de
longitudinale as van de heup exact is vastgesteld.
Nog wat punten die benoemd worden in dit artikel:

15 patiënten met FAI en 15 ‘gezonde’ patiënten (Allen patiënten waren gecontroleerd
middels radiologically).

Je werd als patiënt uitgesloten voor het onderzoek wanneer er contra- indicaties aanwezig
waren voor de ROM of letsel aan de onderste extremiteit.

De belangrijkste bevindingen in deze studie is dat goniometrie metingen van passieve heup
mobiliteit hebben een grotere ROM dan het criterium instrument volgens ETC
(electromagnetic tracking system)

Interessant was wel dat de abductie en endorotatie vrijwel het zelfde scoorde, maar dat
flexie, adductie en exorotatie wel ruim van elkaar verschilde.
64
Download