Genderstudies en seksuele stoornissen

advertisement
Academiejaar 2014-2015
SAMENVATTING
GENDERSTUDIES EN
SEKSUELE STOORNISSEN
Lesgever: Paul Verhaeghe | Door: Delfien Vansteelandt
INHOUD
SAMENVATTING
1
INLEIDING
1
HISTORISCHE CONTEXT: EVOLUTIE VAN SEKSUOLOGIE NAAR GENDER STUDIES
1
RESEARCH GEGEVENS
1
SEKSUOLOGIE
1
Sociologisch
1
Medisch
2
Psychologisch
2
GENDERSTUDIES
2
Psychologisch
2
Medisch
2
Feministisch
2
Hedendaagse visie op transseksualiteit
3
PSYCHOANALYTISCHE LEZING
3
HET NIEUWE ONBEHAGEN IN DE CULTUUR: DE VERPLICHTING TOT GENIETEN
3
BIJ WIJZE VAN INLEIDING: UITLEG OVER IDENTITEIT
3
Processen: identificatie en separatie
3
Inhoud
3
Conclusie
4
RELATIE TUSSEN IDENTITEIT, MORAAL EN MENTALE STOORNISSEN?
4
VAN WAAR KOMT DE BOTSING TUSSEN HET VERLANGEN EN HET VERBOD DAAROP?
4
ZIJN ER VERSCHILLENDE VORMGEVINGEN DENKBAAR VOOR DE BOTSING TUSSEN VERLANGEN EN VERBOD?
5
Het victoriaanse model of het belang van het juiste orgasme
5
Het post mei 68 model of de verplichte vrije liefde
5
Het enron model of het genot op afbetaling
6
HOE ZIET ONZE HUIDIGE IDENTITEIT ERUIT?
6
WAT IS DE INVLOED OP ONZE ETHIEK?
7
Effecten op identiteit en stoornissen
7
Effect op genot en relaties
8
HUIDIGE EVOLUTIE: THE ATHENA DOCTRINE?
8
INLEIDING
9
GROTE THEMATA IN DE KLINIEK
9
DISCREPANTIE BELANG SEKSUALITEIT/PARTNERVERHOUDINGEN – OPLEIDING
9
KOPPELING SEKSUALITEIT – DOOD – MACHT
9
BESLUIT INLEIDING: 3 BELANGRIJKE VRAGEN
11
OPZET VAN DIT OPLEIDINGSONDERDEEL
11
BELANGRIJKE VERANDERINGEN IN DE VERHOUDING T.O.V. DE ANDER
12
TOEGANKELIJKHEID CONTRACEPTIVA
12
OPTREDEN SOA’S EN DE BIJHORENDE ANGST
12
VERANDERENDE POSITIE VAN DE VROUW
13
VISIE OP EN BELEVING VAN SEKSUALITEIT EN EROTIEK
13
STUDIE VAN DE NORMALE SEKSUALITEIT
14
ONTKOPPELING TUSSEN SEKSUALITEIT EN LEEFTIJD
14
BESLUIT
15
LAATSTE 100 JAAR
15
EVOLUTIE
15
EVOLUTIE VAN DE SEKSUOLOGIE
17
ALFRED KINSEY
17
MASTERS & JOHNSON
17
HELEN KAPLAN
20
CONCLUSIE
20
GENDER RESEARCH
21
BELANGRIJKE ONDERZOEKERS
21
JOHN MONEY
21
ROBERT STOLLER
23
MEDISCHE RESEARCH
24
HET FEMINISME
24
Judith butler
25
Joan Copjec
BESLUIT
INTERMEZZO: TRANSSEKSUALITEIT EN GENDER DYSFORIE
26
27
27
VERKLARING BEGRIPPEN
27
WETENSCHAPPELIJKE VRAAG ROND GENDER DYSFORIE
28
MAATSCHAPPELIJK/ETHISCH/PSYCHIATRISCH LUIK ROND GENDER DYSFORIE
30
BESLUIT
31
PSYCHOANALYTISCH PERSPECTIEF
33
INLEIDING: SEKSUELE AFWIJKINGEN/PERVERSIES
33
DE DRIFT ALS KERN VAN DE SEKSUALITEIT (FREUD)
33
LIEFDE VS DRIFT (FREUD)
35
KENMERKEN VAN DE OORSPRONKELIJKE LIEFDESVERHOUDING (MOEDER-KIND)
36
Totaal en exclusief
36
Tot mislukken gedoemd
37
Machtsverhouding
38
HET NIEUWE ONBEHAGEN IN DE CULTUUR: DE VERPLICHTING TOT GENIETEN
41
INLEIDING
41
VISIE VAN VERHAEGHE OP IDENTITEIT
41
‘NIEUW ONBEHAGEN’
42
DRIE VORMGEVINGEN VAN DE BOTSING TUSSEN INDIVIDUELE VERLANGENS EN MAATSCHAPPELIJKE EISEN
43
Victoriaanse maatschappij: ‘het belang van het juiste orgasme’
43
Mei ’68 generatie: ‘de verplichte vrije liefde’
43
Hedendaagse maatschappij: ‘genot op afbetaling’
44
LET’S TALK ABOUT SEX - GASTCOLLEGE
47
INLEIDING
47
EEN KORTE WANDELING DOORHEEN DE GESCHIEDENIS VAN DE SEKSUOLOGIE
Richard von Krafft-Ebing (1840-1902)
47
47
Magnus Hirschfeld (1868-1935)
47
Eerste ontwikkelingen seksuologie als wetenschap
47
Alfred Kinsey (1894-1956)
47
John Money (1921-2006)
48
William Masters (1915-2001) & Virginia Johnson (1925-2013)
48
Helen Singer Kaplan (1929-1995)
48
Wederopbouw na WO II (1945-1973)
49
Shere Hite
49
Ernst Grafenberg (1881-1957)
49
Vaginaal of clitoraal orgasme?
49
Constructionisme vs medicalisering (1973-heden)
49
SEKSUELE GEZONDHEID IN DE LAGE LANDEN
50
Seksuele gezondheid in Nederland
50
Seksuele gezondheid in Vlaanderen
50
Prevalentie seksuele disfuncties
50
ENKELE RELEVANTE TOPICS: SEKSUELE EFFECTEN VAN …
HORMONALE CONTRACEPTIE
51
51
Seksualiteit en hormonale contraceptie?
51
Drie onderzoekslijnen
51
Conceptueel kader: seksueel verlangen/seksuele motivatie
52
Informatieverwerkingsmodel van het seksueel systeem
52
Incentive motivatie model
53
Stopzetten van pilgebruik
53
Seksuele effecten pil
53
Afvlakking maandelijkse cyclus
54
Verlangen versus gedrag?
54
Implicaties voor theorievorming
55
Seksualiteit en hormonale contraceptie ?
55
PSYCHOFARMACA
55
Anxiolytica
56
Anti-psychotica/neuroleptica
56
Stemmingsstabilisatoren
56
Anti-depressiva
56
Medicamenteus geïnduceerde seksuele disfunctie
56
SEKSUOLOGIE ALS BIOPSYCHOSOCIALE DISCIPLINE
57
WAT IS SEKSUOLOGIE EN WAT DOET EEN SEKSUOLOOG?
57
Is aandacht voor seksualiteit nodig?
58
Hoe seksualiteit bespreekbaar stellen?
58
Onderwerpen voor seksuoloog
58
EEN KIJKJE IN DE SEKSUOLOGISCHE PRAKTIJK
58
JOYCE HEEFT GEEN ZIN OM TE VRIJEN
58
JAN IS BANG OM ZIJN ERECTIE TE VERLIEZEN
58
MAAIKE HEEFT PIJN BIJ HET VRIJEN
58
GENDERSTUDIES BEKEKEN VANUIT EVOLUTIONAIR PERSPECTIEF
59
GEN-CULTUUR CO-EVOLUTIE
59
WAAROVER GAAT HET?
59
Co-evolutie
59
Evolutie van enkele cruciale gedragskenmerken
60
GENETISCHE EVOLUTIE KAN SNEL, CULTURELE EVOLUTIE KAN TRAAG
61
Koken: snelle genetische adaptatie
61
Co-evolutie melkveehouderij en genen voor melkvertering
61
Co-evolutie landbouw en genen voor zetmeelvertering
62
Culturele co-existentie (geen integratie, laat staan ‘inburgering’)
62
CULTURELE NICHE CONSTRUCTIE
63
Niche constructie
63
Culturele niche constructie
63
KRITISCHE EVALUATIE (VAN DEZE LES)
MAN-VROUW
WAAROVER GAAT HET?
63
65
65
Merkwaardige meningen
65
Discriminatie en vooroordelen
65
Concept man-vrouw vanuit evolutionair perspectief
66
OUDERZORG VAN MONO- TOT POLYGAMIE
67
Mannelijk en vrouwelijk
67
Partners voor het nageslacht
67
ALTRUÏSME BIJ BLOEDVERWANTEN
68
Verwantschapsselectie
68
Wetmatigheden
DYNAMIEK VAN FAMILIALE RELATIES
69
69
Familie
69
Familierelaties
70
Vervangfamilies
70
Gemengde families
71
Samengevat
71
SEKSUELE SELECTIE
72
SOCIAAL LEVEN
72
Waarom sociaal?
72
Niet te vergeten
72
SEKSUELE SELECTIE
73
Wat is seksuele selectie?
73
Communicatie tussen geslachten
73
Selectiemechanismen
74
Competitie tussen geslachten
74
SEKS IN EEN GEMEENSCHAP
74
Spermacompetitie
74
Inteelt voorkomen
74
Copulatiedevaluatie
75
PRIMATENPERSPECTIEF
75
Gemeenschappen
75
‘Fusion-fission’ sociale organisatie
75
VAN BORSTVOEDING TOT GROOTMOEDER
76
Speningsconflict
76
Grootmoederhypothese
76
Zekerheid ouderschap
76
Menopauze
76
GROEPSLEVEN
ALTRUÏSME TUSSEN NIET-VERWANTEN
77
77
Kennismaking
77
Altruïsme tussen 2 individuen (‘prisoners dilemma game’ of ‘tit for tat’)
77
Altruïsme tussen meerderen
78
Groepsleven
79
ONS LEVEN IN DE PREHISTORIE
81
Receptieve periode > vruchtbare periode
81
Sociaal nomadisch matriarchaat
81
Relaties
81
HISTORISCHE TIJDEN (VANAF SCHRIFT)
82
Domesticatie van gewassen
82
Nederzettingen
82
Sedentair patriarchaal potentaat
82
SAMENVATTING
INLEIDING

Gecombineerd drieluik: seksualiteit (erotiek/voortplanting) – dood – macht

Vaststellingen:
o
o

Natuurlijk-biologische bepaalde man-vrouw relatie bestaat niet
Wél een cultureel bepaalde norm-ale verhouding, gebaseerd op conventie: elk
maatschappelijk-cultureel systeem of instelling: regulering van de lustverdeling
Besluit: vraagstellingen:
o
o
o
Vanwaar de koppeling seksualiteit – dood – macht, en de ontkenning daarvan?
Vanwaar de nood aan representatie in verband met dit drieluik?
Vanwaar de koppeling tussen lust en wet?
HISTORISCHE CONTEXT: EVOLUTIE VAN SEKSUOLOGIE NAAR GENDER STUDIES


Evolutie:
o
o
o
o
o
(Angst voor) zwangerschap  ontdekking van effectieve contraceptiva
Angst voor syfilis  angst voor aids
Fallokratisch patriarchaat  feminisme
Angst voor masturbatie  veralgemeende verplichte lust
Studie van afwijkingen (mannelijke perversie)  genderstudies
o
o
Oorspronkelijke objecten van de beginnende seksuologie: de pathologie
Belangrijke verschuiving inzake vertoog en bijbehorende norm:
 Prefreudiaans: ideologisch-religieus (misdadigers, zondaars)
 Freudiaans: medisch-psychiatrisch (patiënten)
 Postfreudiaans: psychologisch-sociologisch (parafilie - normoverschrijdend
gedrag)
Besluit:

Daarbij aansluitend verandering van studieobject: seksuele dysfuncties  genderidentiteit

Vandaag:
o
o
Patriarchale neurotische maatschappij  big brother “pervers” network
= andere autoriteit, andere normen en waarden, andere afwijkingen
RESEARCH GEGEVENS
SOCIOLOGISCH
KINSEY (1948, 1952)

Methodologie + resultaten
Samenvatting
SEKSUOLOGIE
1
MEDISCH
MASTERS EN JOHNSON (1966)

“Human sexual response” + “Human sexual inadequacy”
PSYCHOLOGISCH
H. KAPLAN (1974, 1979)

Uitbreiding responsecyclus: “desire”

Van faalangst naar identiteitsangst  terug naar psychotherapie
GENDERSTUDIES
PSYCHOLOGISCH
JOHN MONEY

Gender (1955): “de beleving te behoren tot één van de beide geslachten en dit los van de
anatomische seksuele ambiguïteit en het chromosomale geslacht”

Love map (1986): “Het is een ontwikkelingsvoorstelling of -schema in de geest/het brein die
afhankelijk is van een invoer via de speciale zintuigen. Ze beeldt de geïdealiseerde partner af,
evenals datgene wat men als koppel samen doet in de geïdealiseerde, romantische, erotische
en geseksualiseerde relatie. Een love map bestaat eerst in de mentale voorstellingswereld, in
dromen en fantasieën, en kan daarna eventueel in actie met een partner of partners vertaald
worden”

Paraphilia (1988): zie onder
PARAFILIE – NORMOFILIE:

Normofilie: “Toestanden van seksuo-erotische overeenstemming met de standaard zoals
voorgeschreven door de gebruikelijke, religieuze of wettelijke autoriteit”
ROBERT STOLLER (1964)

(Nuclear) gender identity: interactie biologie – psychologie; wordt bepaald in de overgang
van pre-oedipale periode naar de oedipale

Transseksualiteit: ontbreken van nuclear gender identity, blijft steken op overgang

Perversie: verstoring grijpt plaats op een reeds gevormde nuclear gender identity,
veroorzaakt door infantiel trauma

Endocrinologisch: hormonen en gender

Genetisch: congenitale genderafwijkingen
FEMINISTISCH

Socio-biologie en ethologie
Samenvatting
MEDISCH
2

Socio-cultureel

Constructivisme versus essentialisme:
o
o
“Gender: a performatively enacted signification (…) one that, released from its
naturalised interiority and surface, can occasion the parodic proliferation and
subversive play of gendered meaning” J.Butler: “Gender trouble. Feminism and
the subversion of identity”, 1990, p.33.
Kritiek op Butler door J.Copjec, “Sex and the euthanasia of reason”, in: J.Copjec,
“Read my Desire”, 1995, MIT Press, Cambridge, pp. 201-236
HEDENDAAGSE VISIE OP TRANSSEKSUALITEIT
PSYCHOANALYTISCHE LEZING

Freudiaanse driftbegrip versus liefde
o
o
Partiële en auto-erotische drift
Eros versus Thanatos

Man – vrouw verhouding, gebaseerd op oedipale structuur verlangen versus jouissance

Lacans “Il n’y a pas de rapport sexuel”
HET NIEUWE ONBEHAGEN IN DE CULTUUR: DE VERPLICHTING TOT GENIETEN
BIJ WIJZE VAN INLEIDING: UITLEG OVER IDENTITEIT

Stelling: identiteit is een constructie  de omgeving bepaalt wie wij zijn
PROCESSEN: IDENTIFICATIE EN SEPARATIE

Identificatie: spiegeling met moeder/ouders/anderen onmiddellijk vanaf en voor geboorte
 Cultuurgebonden gemeenschappelijke identiteit

Separatie: afstandname van die spiegeling, keuze voor iets anders
 DUS: zowel determinisme (identificatie) als een stuk vrije keuze (separatie), waardoor wij
zelf ook kunnen sturen

Identiteit zit NIET ‘diep van binnen’
 Wel: typische verhoudingen (centraal: genot) waarin normen en waarden vorm krijgen

Verhouding ten opzichte van:
o
o
o
o
De ander van het andere geslacht
De ander van de autoriteit, d.w.z. de ander van de andere generatie
De ander gelijke
Onszelf
Samenvatting
INHOUD
3
CONCLUSIE

We gelijken veel meer op elkaar dan we denken

Identiteit is voortdurend in beweging

Indien ander dominant narratief, dan andere identiteit (d.w.z. andere normen en waarden en
andere verhouding t.o.v. genot)
RELATIE TUSSEN IDENTITEIT, MORAAL EN MENTALE STOORNISSEN?

Verrassende vaststelling in deze tijden van genetica en neurobiologie: Freuds visie op de
neurose heeft alles te maken met moraal  verdeeldheid !

Dit is meteen de grond van Freuds vroegste opdelingen van het psychisch functioneren,
gaande van zogenaamde ‘antithetische voorstellingen’ over bewustzijnssplitsing tot zijn
eerste topologie (bewuste, voorbewuste, onbewuste)

Eenvoudige basisstelling: neurose ~ botsing tussen het verlangen en het verbod daarop
VAN WAAR KOMT DE BOTSING TUSSEN HET VERLANGEN EN HET VERBOD DAAROP?

Die botsing heeft alles te maken met de eisen van de maatschappij (Victoriaanse
maatschappij = te verbiedend) die vaak genoeg ingaan tegen de verlangens van het individu,
met als oplossing de ontwikkeling van een billijke verhouding tussen rechten en plichten
 het Ich zit gekneld tussen de aandriften van het Es en de eisen van het Ueber-Ich
 Angst en schuld

Een dergelijke begrijpelijke voorstelling gaat voorbij aan een ander idee dat Freud reeds vrij
vroeg formuleert: er moet, los van schaamte, moraal of walging een onafhankelijke bron van
onlust schuilen in seksualiteit (‘organische verdringing’ en ‘spanning eros - thanatos)

Dus: GEEN naïeve tegenstelling tussen een al te eisende en verbiedende maatschappij versus
een enkel op bevrediging gericht individu

Lacan: analoge opvatting (en ondergraving eigen vorige theorie): “jouissance” als een
overschrijding van de wet  genot treedt op als een eruptie, en is ultiem dodelijk

Blijkbaar is er dus oorspronkelijk een interne tegenstelling aan het werk die pas daarna een
externe vormgeving krijgt (= tijd- en plaatsgebonden)  voordeel: een interne verdeeldheid
en gevecht kunnen nu extern worden verder gezet (tegen de ‘verbiedende positie’)

De implicatie voor ons, clinici, is vrij belangrijk
o
o
o
NB, niet vergeten:
o
De wijze waarop dat intern conflict vorm krijgt bij het individu, bepaalt ten volle
diens identiteit en diens basishouding tegenover de buitenwereld en tegenover
de ander:
 Freud: ego en superego; overdracht
 Lacan: spiegelstadium
 Gehechtheidstheorie
Samenvatting

Nooit een naïeve keuze mogelijk voor het individu en tegen de maatschappij, of
omgekeerd, voor een maatschappelijk bestel, en tegen het individu
We weten namelijk dat de schijnbare tegenstelling daartussen een overdekking
inhoudt van een onderlinge afhankelijkheid
Wèl: duidelijke ethische standpunten innemen over bepaalde verhoudingen
4

Identiteit = vier basisverhoudingen die moreel gekleurd zijn
 Impact van moraal?
o
o
o
ZIJN
De uitbouw van onze identiteit = driftregulering = ‘affect regulation’
Beelden en woorden die we overnemen = geboden en verboden (Ueber-Ich =
interne neerslag)  niet aan plichten voldoen: schuldgevoel (< angst voor autoriteit)
Vandaar: neurotische/psychologische stoornissen zijn daarvan vervormde
uitvergrotingen, waarbij zowel identiteit als lustbeleving in het geding zijn
ER VERSCHILLENDE VORMGEVINGEN DENKBAAR VOOR DE BOTSING TUSSEN
VERLANGEN EN VERBOD?

Ja: die vormgeving is door en door maatschappelijk bepaald (maatschappij ≠ onveranderlijk!)

Belangrijke implicatie: zowel identiteit als driftregulering kunnen eveneens andere
invullingen krijgen, in functie van een veranderde samenleving, en dat ook de bijbehorende
stoornissen veranderen

Drie verschillende maatschappijen die telkens een ernstige impact hebben op de verhouding
tussen lust en verbod, ruimer op identiteit en pathologie
HET VICTORIAANSE MODEL OF HET BELANG VAN HET JUISTE ORGASME

Een patriarchale maatschappij waarbij alle accent ligt op de plichten van de burger in
combinatie met eerder minimale rechten + uitdrukkelijk gekoppeld aan een
klassenmaatschappij en aan een dominant religieus vertoog  ontstaan psychoanalyse

Freud neemt zonder aarzelen een duidelijke ethische stellingname in over deze verhouding
maatschappij-individu: teveel/te strenge moraal  psychopathologie
o
o
o
o

Impliciete norm voor een geslaagde behandeling: op de juiste manier tot orgasme
kunnen komen
Uit therapeutische overwegingen moet de analyticus vaak ingaan tegen een al te
streng Ueber-Ich, en hetzelfde geldt voor het culturele Ueber-Ich (Freud)
Maar: de analyticus mag nooit de positie van zielenredder of goeroe innemen
De bedoeling van de behandeling is dat de analysant voldoende vrijheid verwerft
om zelf ethische keuzes te maken  analytische neutraliteit en abstinentieregel
Neutrale positie  freudiaanse psychoanalyse: duidelijk subversief effect (want:
ondervraging van ‘vaststaande’ normen en waarden)
HET POST MEI 68 MODEL OF DE VERPLICHTE VRIJE LIEFDE
Effect = een omkering van het vorige
o
o
Cf. evolutie op het vlak van rechten: de verklaring van de rechten van de mens uit
1948 was in eerste instantie bedoeld voor bepaalde groepen
Vanaf de jaren ’60: gericht tegen ongeveer elke vorm van autoriteit, waarbij niet
zozeer bepaalde groepen, maar vooral het individu bevrijd moest worden
 Het is het tijdperk van het autonome zelf en de authentieke
persoonlijkheid met liefst zoveel mogelijk rechten; de plichten werden
doorgeschoven naar de gemeenschap
 Merk op: die individuele rechten betekenen: meer toegang tot genot
(erotiek, drugs; algemeen: bevrijding van het lichaam)
Samenvatting

5

Zelfde problemen, als vorig tijdperk, wel andere oplossingen; het waren de hoogdagen van de
hysterie en de goeroe  alles in het licht van de (algehele) bevrijding
o
o


Veel van de toenmalige therapeuten stelden zich uitdrukkelijk niet-neutraal en
niet-abstinerend op en predikten de vrije liefde
In plaats van de Victoriaanse verdringing kregen we de post mei 68 – opdringing:
alles wat vroeger verboden was, werd nu verplicht
Evolutie naar “het grote verwenparadijs”: in West-Europa bestond de verzorgingsmaatschappij uit een verzameling individuen die elk hun eigen rechten vanzelfsprekend
vonden
Vandaag de dag krijgen we een reactie daartegen, waarbij de mei 68 periode met de vinger
gewezen wordt  “de slinger is te ver doorgeslagen”: dringende terugkeer nodig naar
normen en waarden

Gevolg: conservatief pleidooi voor een terugkeer naar de goede oude tijd van toen
 Dit is evenwel een gevaarlijke illusie

Bovendien: we hebben ondertussen ten volle de overgang gemaakt naar een derde
maatschappelijk model, dat in menig opzicht nieuw is
HET ENRON MODEL OF HET GENOT OP AFBETALING

In sociaaleconomische termen spreken we over een neoliberale meritocratie

Dit klinkt heel mooi, maar het resultaat van dit model is nagenoeg het tegenovergestelde:
o
o
o

De ongelijkheid neemt hand over hand toe, samen met de regelgeving
Resultaat: individu dat lijnrecht tegenover de organisatie gaat staan
De identiteit is gewijzigd, cf. aard en frequentie van bepaalde stoornissen
Vandaag: nieuwe identiteit als product van een nieuwe maatschappelijk bestel, met name
neoliberalisme
 Is dit beter of slechter dan vroeger?

Anders gesteld: kunnen we een diagnose van een maatschappij maken, kunnen we bewijzen
dat een bepaalde maatschappij beter of slechter is dan een andere?
o
o
Ja, door ons te baseren op psychosociale gezondheidsindicatoren
Vaststelling vanuit sociologie:
 Laatste tien jaar stijgende cijfers inzake huishoudelijk geweld,
psychofarmaca, tienerzwangerschappen, …
 Stijging van die psychosociale indicatoren correleert met toename
inkomensongelijkheid (= wegvallen van middenklasse) als typisch
symptoom van een neoliberale maatschappij
 NB: verband met hedendaags onderwijs: “watervalsysteem”

Homo economicus: enkel de economie telt, waarbij alle accent op productie/output ligt
 Aanpak: onderlinge concurrentie + angst (cf. ‘rank and yank’)

Achtergrond daarvan: het neoliberale mensbeeld, met daarin twee centrale ideeën:
o
“De mens is maakbaar, als hij zich maar voldoende inspant”
Samenvatting
HOE ZIET ONZE HUIDIGE IDENTITEIT ERUIT?
6
o

“De mens is een hypercompetitief wezen dat alleen maar uit is op zijn eigen belang
en zijn eigen profijt” = de ‘rationele speler’, de ‘homo economicus’; pseudowetenschappelijk bewijs via het sociaaldarwinisme en via een foutieve lezing van
R. Dawkins (“The selfish gene”)
NB: belangrijk om weten: beide opvattingen zijn fout, in de betekenis van: selectief
o
o
Onderzoek van Frans De Waal over primaten:
 Wij zijn een sociale diersoort: een dier alleen is ziek of uitgesloten
 Evolutionair ingebakken gedrag in de mens: twee tegenover elkaar
staande clusters: een egoïstische en een altruïstische, waarbij de
omgeving bepaalt wat er dominant naar buiten komt
 We zijn zeer gevoelig voor ongelijke behandeling
Identiteit is een constructie bovenop een evolutionaire onderbouw met de
omgeving als bepalende factor welke kant er dominant naar buiten treedt
 Het neoliberalisme haalt één kant naar boven, die bovendien ingaat tegen
onze nood aan dragende sociale verbanden (cf. eenzaamheid)
WAT IS DE INVLOED OP ONZE ETHIEK?

Ethiek, normen en waarden, zijn een integraal onderdeel van onze identiteit
 Welke ethiek hoort er bij een neoliberale identiteit?

Vrij simpel: de neoliberale ideologie is dodelijk voor een gemeenschapsgevoel
o Vroeger: spanningsveld tussen maatschappij en burger, met wederzijdse rechten
en plichten, op basis van vertrouwen
o Vandaag: tegenstelling tussen organisatie en individu, op basis van wantrouwen
o Gevolg:
 Daling collegialiteit, groeiend wantrouwen  alles meten en controleren!
 Toename van evaluaties, functioneringsgesprekken, … (= anonieme
macht)
o Bijgevolg: exponentieel stijgende regelgeving
=
De paradox van het neoliberalisme: gericht op deregulering, en er zijn nog nooit zoveel
regelgevingen geweest als vandaag
EFFECTEN OP IDENTITEIT EN STOORNISSEN
Elk maatschappelijk bestel geeft een bepaalde vorm aan de identiteitsontwikkeling en de
driftregulering van haar leden
o
o

Klassieke Ueber-Ich als een interiorisatie van een externe autoriteit (plichten!)
Daartegenover formuleert Lacan het bevel van het postmoderne Ueber-Ich als:
‘Jouis’, geniet  wij moeten ons te pletter genieten, of te pletter consumeren +
de huidige driftregulering is minimaal
De grote pofadder onder het gras is evenwel dat we het moeten verdienen, letterlijk en
figuurlijk, door het te maken – dat is onze plicht
o
Een meritocratisch systeem gaat heel snel bepaalde persoonlijkheidskenmerken
privilegiëren en andere afstraffen, waarmee het bestel zichzelf in stand houdt
 Competitieve instelling  individualisme
 Flexibiliteit  oppervlakkige en instabiele identiteit
 Solidariteit  tijdelijke coalities (baat > verlies!)
Samenvatting

7



Onderhuids: angst, van faalangst tot ruimere sociale angst (cf. DSM)
Daling in autonomie en agency, toename van infantilisering
Nog belangrijker is de centrale aantasting van zelfrespect en identiteit
 Beide hangen in grote mate af van de erkenning die men krijgt van de
Ander; dit is de les die van Hegel tot Lacan doorklinkt

Resultaat: vernedering, schuld en schaamte (niet gemaakt, ‘loser’, …)

Op vlak van diagnostiek is het opvallend dat nogal wat nieuwe stoornissen afwijkingen zijn
van het huidige maatschappelijke ideaal
EFFECT OP GENOT EN RELATIES

Beveiligend verbod valt weg  meer angst, meer agressie, vooral tegen vrouwen
o
o
o

Verplichting om te genieten: genot daalt !
Illusie van het perfect bereikbare genot in combinatie met pseudo-opheffing van
het tekort: teleurstelling en frustratie (“Is het maar dàt?”)
Schuldvraag: ik/ander voldoe(t) niet (maakbare mens)  eenzaamheid
MAAR: economische crisis heeft gefunctioneerd als wake-up call
o
o
o
Vandaag een zeer vergelijkbare situatie met jaren ’60: reacties van onder uit
(grass root) tegen een verkeerd maatschappelijk model
Vermoedelijk bevinden we ons op een maatschappelijk keerpunt
Centraal punt daarbinnen: verdwijning van de klassieke, patriarchale autoriteit
HUIDIGE EVOLUTIE: THE ATHENA DOCTRINE?
Neoliberale meritocratie is een typisch product van een patriarchaal fallocratisch systeem,
waarin competitie en individueel winnen centraal staan: verschuiving autoriteit  macht
o
Gevolgen:
 Een nieuwe vorm van autoriteit is nodig  welke?
 Zal meer horizontaal zijn, via netwerken, en via het digitale
 Verhoudingen tussen gender zullen anders worden
 Meer gelijkwaardige inbreng
 Maatschappelijke verhoudingen meer ‘vrouwelijk’
 “Big picture anxieties” + ontevredenheid met het gedrag van mannen

Onderzoek naar de perceptie van kenmerken die men nodig acht om de wereld beter te
maken  vrouwelijke kenmerken

Besluit: samenvatting van die vrouwelijke kenmerken, zoals die in vrouwelijke leiderschap
centraal staan: verbondenheid, nederigheid, openhartigheid, geduld, empathie,
betrouwbaarheid, openheid, flexibiliteit, kwetsbaarheid, balans
= Benoemd als het Athena model, naar de Griekse godin van de wijsheid

Risico: deze evolutie vooral in het Westen; binnen de fundamentalistische bewegingen
een zeer scherpe terugval naar vrouwenonderdrukking, …
Samenvatting

8
INLEIDING
GROTE THEMATA IN DE KLINIEK

Stage: bepaalde grote themata: man-vrouw verhouding, ouder-kind verhouding en
professionele verhouding

Één van de centrale elementen daarin is zonder twijfel het aspect seksualiteit en het aspect
partnerverhouding + gaat ook over globalere verhoudingen (homoseksualiteit, …)

In onze opleiding hebben we daar heel weinig over geleerd  dat is een beetje vreemd: we
zien wat er in de kliniek vrij centraal staat, vs wat er in de opleiding gegeven wordt
DISCREPANTIE BELANG SEKSUALITEIT/PARTNERVERHOUDINGEN – OPLEIDING

Discrepantie: we weten uit eigen ervaring hoe belangrijk seksualiteit en
partnerverhoudingen zijn en hoe sterk onze drang is te willen begrijpen, terwijl dit in de
opleiding (psychologie, maar ook geneeskunde) grotendeels ontbreekt
o
Cf. kunst: twee (of drie) themata:
 Seks (onder de vorm van erotiek: geslachtsorganen, lieflijke scènes, …)
 Dood (in de zin van antropologie: wanneer is de mens mens geworden?)
 Macht/agressie (in de eigenlijke betekenis van het woord – oorlog, strijd –
maar ook autoriteit)
 Die 3 thema’s staan absoluut niet los van elkaar!
KOPPELING SEKSUALITEIT – DOOD – MACHT

Veel theorievormingen gaan dat weigeren en dat als apart beschouwen/plaatsen

We hebben hier te maken met een drieluik waarvan je de elementen nooit afzonderlijk kan
gaan bekijken  het is die verhouding die maakt dat het zo moeilijk ligt
Cf. Freud: drifttheorie  daaraan zal hij een belangrijk luik toevoegen, dat uitgaat
van het bestaan van twee fundamentele driften die tegenover elkaar staan en
waarmee hij aan dat drieluik raakt, het probeert te begrijpen:
 Levensdrift (eros)
 Doodsdrift (tanatos)

We hebben hier al een eerste vraag: de vraag naar dat drieluik op zich, en daarbij aansluitend
onmiddellijk de vraag waarom die koppeling zo vaak ontkend wordt

We hebben meteen ook al een grond voor een tweede vraag (verrassend): hoe komt het dat
wij als soort het blijkbaar nodig vinden om dat drieluik systematisch uit te beelden, daar
representaties van te maken? (Waarom hebben we musea? Waarom hebben we kunst?)

In de opleiding als dusdanig (psychologie – geneeskunde) ontbreekt dit
o
o
Een van de meest voor de hand liggende verklaringen: katholicisme, christendom
We moeten de reden/oorzaak hiervoor ook een stuk ruimer bekijken: de
godsdiensten van het boek (joods – christelijk – moslim)  gemeenschappelijke
kern: basis voor het afwijzen van de seksualiteit, de vrouw en het genot
Inleiding
o
9
o
We hebben gezegd dat het ontbreken van aandacht voor genderverhoudingen en
seksualiteit binnen de opleiding, te maken heeft met het dominante karakter van de religie
o

Dit moet veranderen: er moet daar een wijziging optreden: als dat repressieve wegvalt en dat
religieuze verdwijnt, lijkt het logisch dat we als gevolg daarvan een aantal veranderingen
zullen zien optreden binnen die opleiding, man-vrouwverhouding, stoornissen, enz.
o
o

Er zijn zonder de minste twijfel al een groot aantal zaken veranderd (studeren,
…), MAAR er zijn een aantal zaken absoluut niet veranderd (wel: verschoven)
Onderliggende redenering die tot zo’n 30 jaar geleden gehanteerd werd: de
schuld/oorzaak van de problemen rond seksualiteit/man-vrouwverhouding/
homoseksualiteit ligt in het maatschappelijk bestel
 Als we dat wegnemen, zal er spontaan/vanzelf een ‘natuurlijke
seksualiteit’ komen  dat was de verwachting
 Mensbeeld: de mens is van nature goed/gezond en er zal vanzelf een
normale man-vrouw/seksuele verhouding tot stand komen
Wat we nu in de consultatiekamer te horen krijgen, gaat niet over seksualiteit an sich, maar
over de genderidentiteit
o
o

Dit kan nog ruimer: we kunnen ook stellen dat alle seksuele moeilijkheden die
mensen hadden, ook het effect waren van die fnuikende religieuze opvoeding
Hoe moet ik die mannelijke/vrouwelijke identiteit invullen en hoe kan ik vanuit die
genderidentity een verhouding aannemen t.o.v. die andere gender identity?
Maar: er is nog een ander, bijkomend (en veel fundamenteler) probleem:
 Vroegere moraal = verbodsmoraal
 Dat is zo goed als verdwenen: Lacan: “het Freudiaanse Über-Ich/geweten
is duidelijk een verbodsinstantie; en het postmoderne Über-Ich is een
gebodsinstantie: het legt ons iets op en verplicht ons tot iets)
Dag van vandaag: gebodsinstantie op het vlak van seksualiteit en gender
o
o
o
Het verplicht ons nu om te genieten, vaak hervertaald in consumeren
Het verbod voegt een dimensie toe, die niet alleen het verlangen aanwakkert,
maar ook het genot doet toenemen
En omgekeerd: het wegnemen van het verbod, neemt een dimensie van het
genot weg en het verlangen zal dalen
Inleiding

MAAR: het bovenstaande is maar een gedeeltelijke verklaring: seksuele revolutie
als onderdeel van de ruimere emancipatiebewegingen
 Die seksuele revolutie mag je niet geïsoleerd bekijken: op dat
ogenblik lijken er, schijnbaar onafhankelijk van elkaar,
verschillende ‘revoluties’ bezig te zijn:
o Opvoeding: anti-autoritaire opvoeding
o Antipsychiatrie: tegen het overgemedicaliseerde, elektroshocks, gedwongen opnames, …
o Religie: bevrijdingstheologie ( Rome, centraal gezag, …)
die zich solidair wilden verklaren met de ‘gewone mens’
 Die beweging is eigenlijk in essentie gericht tegen het
patriarchaat als een machtsbestel waarbij één van de
twee genders (= man) automatisch de macht krijgt
 We zien dat er in die periode een ontzettend belangrijke
verandering plaatsgrijpt
10
o

Even terugkeren naar de idee van die ‘natuurlijke seksualiteit’, dat bij kinderen spontaan zou
ontstaan en probleemloos zou zijn (= romantisch idee): dit idee berust op een compleet
verkeerde visie, van primitieve volkeren
o
o
o

Is dit ook een overgangsfenomeen (te maken met onze geschiedenis en waar we
mee moeten leren omgaan) of is het zo dat deze koppeling (tussen verbod en genot)
intrinsiek/wezenlijk zou zijn?
Primitieve volkeren: beeld van vrijheid, blijheid, paradijselijke toestand, …
Élke cultuur heeft een uitgewerkt systeem van regelgeving rond genot
 Genot is veel ruimer dan alleen maar seksueel genot: heeft te maken met
de verhouding tgo. het eigen lichaam (honger, drinken, seksualiteit, …)
en het ander lichaam
 Er zijn zeer verschillende regelgevingen (vergelijkend gezien, wat
betekent dat het niet genetisch vastligt – behalve het incestverbod) en de
zogenaamde primitieve culturen hebben in het merendeel van de gevallen
een veel strengere regelgeving dan zogenaamde geavanceerde culturen
Dit brengt ons weer bij die koppeling tussen lust en wet, tussen regelgeving en
genieten  essentieel verband
 Er is geen enkele maatschappij waar die regelgeving ontbreekt
 Dit weerlegt de opvatting van de jaren ’70 van een natuurlijke, spontane
man-vrouwverhouging, natuurlijke seksualiteit die ont-wikkeld/ont-plooid
zou worden als de ‘slechte maatschappij’ geen stokken in de wielen zou
steken
CONCLUSIE: seksualiteit is iets dat geleerd wordt: het is iets dat men kan/mag leren en dat er
niet vanzelf komt
o
o
Ook de genderrollen zijn hoogstwaarschijnlijk aangeleerd en komen niet vanzelf
Het is een leerproces, en dat is één van de zaken waar onze huidige maatschappij
mee geconfronteerd wordt: de oude leerprocessen heeft men overboord
gegooid, maar men heeft er weinig voor in de plaats gesteld
BESLUIT INLEIDING: 3 BELANGRIJKE VRAGEN

Koppeling tussen eros (seksualiteit), tanatos (dood) en macht, en hoe komt het dat de vrouw
daar zo’n slechte positie in toegeschreven wordt?

Hoe komt het dat dat drieluik vanaf het begin uitgebeeld wordt? Vanwaar die noodzaak om dit
vanaf het begin der tijd, uit te beelden?

Van waar die koppeling tussen genot en wet? Tussen de mogelijkheid om te genieten (heel
ruim: ook eten, drinken, …) en de wet (verbod)?
 We gaan die drie vragen niet kunnen beantwoorden

Deze colleges: bio-psycho-sociale model

Daar doorheen loopt de geschiedenis: dit is misschien de belangrijkste discipline: laat ons toe
om dingen te begrijpen, niet te begrijpen, dingen te zien, …  onze geschiedenis tekent
ons, kleurt ons in en dat beseffen we veel te weinig
Inleiding
OPZET VAN DIT OPLEIDINGSONDERDEEL
11
o
o
o
Over langere periodes is de geschiedenis iets dat rustig voortkabbelt  gaf een
indruk van onveranderlijkheid (en een aantal opvattingen weerspiegelden dit)
Maar: de laatste 100 jaar kabbelt de geschiedenis niet meer voort en zijn er
ontzettend veel veranderingen gebeurd
 Wat belangrijk is voor ons, is de manier waarop wij ons verhouden t.o.v.
de Ander (partner, werkgever, overheid, familie, vrienden, …)
 De verhouding t.o.v. de Ander is fundamenteel gewijzigd  die
wijzigingen hebben ook een enorme impact gehad op de man-vrouw en
ouder-kind verhoudingen (= twee basisverhoudingen)
Je kunt maar iets begrijpen als je de geschiedenis kent: dan vallen een aantal
zaken plots in hun plooien, en zie je van waar iets komt, alsook kun je beter
ingrijpen als je iets wil veranderen
BELANGRIJKE VERANDERINGEN IN DE VERHOUDING T.O.V. DE ANDER
TOEGANKELIJKHEID CONTRACEPTIVA

Seksualiteit stond vroeger in het teken van de angst  seksualiteit bezwaard!

Dan krijg je een dubbele koppeling: niet alleen staat seksualiteit in het licht van ongewenste
zwangerschappen, maar bovendien staat zwangerschap en bevallen in het licht van de dood
o
o

Seksualiteit is niet alleen moreel verwerpelijk, maar simpelweg ook gevaarlijk
De gevolgen van een verandering op dit vlak (zo’n 60 jaar) kun je nu al zien: de
eerste generaties vrouwen waarvoor seksualiteit uitsluitend in het teken van
genot kan staan  dit is nieuw en heeft te maken met één van die uiterst
belangrijke, antropologische veranderingen (het voorhanden zijn van effectieve
contraceptiva én het feit dat deze ook gebruikt mogen worden)
De impact van de religie daarbij is vrij duidelijk

Een tweede iets dat veranderd is (en helaas 2 keer), is het optreden van geslachtsziekten
(SOA’s) en de angst daarvoor (~ moreel beeld: “als je dat toch doet, zul je gestraft worden”)
 Dit was bovendien niet bespreekbaar

Zeer eigenaardig verloop van syfilis: drie fasen  heel mysterieuze ziekte en dat versterkt
heel het beeld van het verbod, het moreel verwerpelijke, het moeten bestraft worden, …
 Dat droeg bij tot het uiterst repressieve klimaat rond seksualiteit binnen de man-vrouw
verhouding

We hebben een soort ‘paradijselijke periode’ gehad hebben tussen 1970 en 1980: effectieve
bestrijding van SOA’s (antibiotica), effectieve contraceptiva en de dwingende verbodsmoraal
viel dan toch een beetje weg  die periode was er een waarin een verregaande vorm van
vrije seksualiteit zou mogelijk geweest zijn

Maar: vanaf jaren ’80: aids-epidemie (~ syfilis: mysterieuze ziekte, fasen, geen effectieve
behandeling, moreel oordeel, …)

Op korte tijd hebben we dus een dubbele evolutie gezien: een positieve en een negatieve

Men denkt dat het op te lossen is met seremoniële monogamie, want het risico op seksueel
overdraagbare aandoeningen is dan nagenoeg 0 (maar: illusie dat dit beschermend werkt!)
Inleiding
OPTREDEN SOA’S EN DE BIJHORENDE ANGST
12

De noodzaak aan bescherming is nog steeds sterk aanwezig

Door deze evoluties is de kennis rond seksualiteit gedaald: veel jonge meisjes leggen het
verband tussen coïtus en zwangerschap niet meer
VERANDERENDE POSITIE VAN DE VROUW

De derde evolutie is de belangrijkste (en veel ruimer dan de twee vorige, die er voor een stuk
onderdeel van zijn): de emancipatiebeweging van de vrouw en de verandering van de positie
van de vrouw

De vrouw is steeds doelwit geweest van repressie in het algemeen en van seksuele repressie
in het bijzonder

Laatste 100 jaar (als resultaat van een veel langer proces): verdwijnen van het patriarchaat 
ook dat is een historische verandering zonder voorgaande
o
o
We hebben gedurende 12 000 jaar in een patriarchaal bestel geleefd (vanaf sedentair zijn)
Vanaf de verlichting komt de wetenschap naar voor, die een dergelijke vorm van
autoriteit niet wil aanvaarden (men wil bewijzen zien)
o Vanaf de 19e eeuw zullen vrouwen daar ook een rol in gaan spelen
 Het gaat niet alleen om genderemancipatie, maar ook om sociale emancipatie

Het is niet allemaal positief: één van de negatieve effecten was dat op grond van die
emancipatiebeweging, men vrij sterk anti-mannelijk was (één van die bewegingen)
o
o
In dezelfde beweging werd ook vrouwelijkheid van tafel geveegd
Er werd een soort anticultuur op dat vlak geïnstalleerd

Nu: meer toestemming om bepaalde vormen van genot te installeren

Die emancipatiebeweging heeft zich ook heel sterk gericht op abortus

Binnen die emancipatiebeweging heeft men één bepaalde fout gemaakt (en doet men nog
vaak), nl. dat men twee woorden verwart: gelijkheid en gelijkwaardigheid

Die emancipatie is absoluut niet af, ook niet in België
o
o
Bv. vrouwen krijgen nog altijd niet hetzelfde loon voor hetzelfde werk (privésector)
Het patriarchaat is binnen 2 domeinen nog vrij sterk aanwezig: in de politiek en
in bepaalde bedrijven (economie: haantjescultuur)
VISIE OP EN BELEVING VAN SEKSUALITEIT EN EROTIEK

Bv.: Freud (1905): ‘Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie’: over seksuele perversies, infantiele
seksualiteit en de veranderingen doorheen de puberteit  veel schandaal uitgelokt
 De toenmalige sociale/conventionele norm verbood zowat alles dat niet in het licht van de
coïtus en voorplanting stond

We hebben gaandeweg een evolutie doorgemaakt op grond waarvan seksuele
interactiepatronen diverser en diverser mochten worden, en ook als normaal werden
beschouwd
Cf. evolutie in de filmwereld
Toont ook de grootste taboes (bv. mannelijk naakt, seksuele interacties, orale
seksualiteit, masturbatie, homoseksualiteit, …)
Inleiding
o
o
13
STUDIE VAN DE NORMALE SEKSUALITEIT

Vijfde verandering: we zijn 130-150 jaar geleden vertrokken bij de studie van seksuele
afwijkingen (= vertrekpunt) en dan krijg je 3 grote, iconische figuren/studie-objecten,
pakweg 100 jaar geleden bij de voorloper van de seksuologie:
o
o
o
De studie van de perverte man (heel vaak de homoseksueel)
De studie van de hysterische vrouw (bij Freud)
De studie van het masturberende kind

De verschuiving die we meegemaakt hebben: vandaag de studie van de normale seksualiteit,
omdat we niet meer weten wat normaal is

Het onderscheid tussen normaliteit en abnormaliteit dat tot 40 jaar geleden in de
regelgeving vastlag, is verdwenen/opgegeven
= positieve evolutie: gezorgd voor bevrijding en emancipatie (vandaag: norm = juridisch)

Seksuele afwijkingen: pedofilie en sexual harassment (met meest extreem de verkrachting)
o
o
o
o
o

Die vormen zijn juridisch duidelijk afgebakend: daar treedt de wet op
Bij de andere vormen van seksueel afwijkend gedrag, hebben we geen duidelijke
criteria meer om te zeggen wat wel en niet kan/mag
Meer nog: we hebben zelfs een soort verplichte normalisering
We moeten opletten dat we mensen niet verplichten iets op zich te nemen waar
we een aantal vraagstukken over hebben
De normale seksualiteit is vandaag de dag problematisch geworden
Bepaalde verschuivingen binnen een overigens zeer goede context, worden soms
omkeringen (normaal  abnormaal en omgekeerd)
ONTKOPPELING TUSSEN SEKSUALITEIT EN LEEFTIJD
Iets van de laatste 30-40 jaar: loskoppeling/ontkoppeling tussen seksualiteit en leeftijd
o
o
o

Heeft alles te maken met de bovenstaande veranderingen
Tot niet zo lang geleden: seksualiteit gekoppeld aan voortplanting
 Deels te maken met een morele-religieuze norm
 Maar ook te maken met het ontbreken van effectieve contraceptiva
We zien dat er op relatief korte tijd een ontkoppeling gebeurt tussen leeftijd en
seksualiteit (voordien: seksualiteit beperkt tot reproductieve periode)
We krijgen plots twee nieuwe fenomenen:
o
o
Seksualiteit in het bejaardentehuis
Seksualiteit bij kinderen  ook daar plots een soort morele angst of vraagteken
 Maar: kinderen zijn altijd seksueel actief geweest
 Het probleem zit niet bij de kinderen, maar bij ons, bij de ouders  hoe
moeten we daarop reageren? (hoe kunnen we seksualiteit bij kinderen in
een opvoedingspatroon brengen?)
 Kadert dan ook binnen een veel ruimer probleem: schrik bij ouders om
een autoriteitspositie in te nemen: we durven niet meer verbieden
 Leeftijdsgrenzen vallen weg: seksualiteit bij (jonge) kinderen  infantiele
seksualiteit
 Dan krijg je ook heel het discours rond seksueel misbruik
 Voordien bestond dit niet: massaal ontkend
Inleiding

14


We worden wel geconfronteerd met de vraag hoe we daarmee moeten
omgaan (+ juridische aspecten aan gekoppeld)
Er is nog een andere loskoppeling van leeftijd die meer aandacht krijgt en waar ook morele
oordelen over zijn: het leeftijdsverschil tussen de partners
BESLUIT
LAATSTE 100 JAAR

Wij hebben de laatste 100 jaar (vanaf Freud) een toenemende liberalisering doorgemaakt:
bevrijding op vlak van seksualiteit en erotiek

Ruimer betekeniscomplex rond seksualiteit  wegvegen van de ‘oude term’ en seksualiteit
herdenken in termen van de verhouding tgo. het lichaam en genot
o
o
o
o

Cf. kliniek: eetstoornissen: verhouding tgo. het eigen lichaamsbeeld
Het is veel interessanter en klinischer van te gaan denken in termen van de
verhouding t.o.v. het eigen lichaam, het lichaam van de Ander en het eigen genot
 Cf. fitnessrage, verplichting voor ‘perfect lichaam’, …
Dit is precies één van de vertrekpunten geweest van Freud: rond 1900 hadden we
het toppunt van hyperseksualisering (Victoriaanse tijdperk was hypergeseksualiseerd omdat alles verboden was  groot belang)
 Seksualisering in de enge/eigenlijke betekenis van het woord
 Freud begint dat begrip ruimer en ruimer en ruimer te maken, op grond
van wat hij hoort bij zijn patiënten: “eigenlijk is bijna alles geseksualiseerd”
 Lag ook aan de basis van het ontstaan van de seksuologie: ook daar voor
bepaalde problemen en een zekere blindheid gezorgd
Seksualisering is als begrip te eng: zet ons op een vals spoor om niet op te
merken wat er daarbuiten nog aanwezig is
Enerzijds is het duidelijk dat we een liberalisering/uitbreiding krijgen (= vooruitgang!), maar
anderzijds is het zo dat die uitbreiding toch iets ontbreekt, nl. een herdefiniëring in termen
van de verhouding t.o.v. het lichaam en genot
EVOLUTIE
Prefreudiaans (19e eeuw), voor Freud, zagen we hoofdzakelijk een koppeling tussen een
religieus (moreel) vertoog en een pedagogisch vertoog op vlak van seksualiteit
o
o

Belang: de manier waarop we een probleem definiëren, bepaalt de oplossing 
als seksualiteit gedacht wordt vanuit een moreel/pedagogisch discours, zijn
afwijkingen geen afwijkingen, maar is het eerder iets van de orde van de zonde
Dergelijk gedrag of dergelijke mensen moet je niet behandelen, maar bestraffen
Na Freud, of vanaf die periode, zien we een uitdrukkelijke verschuiving van
religieuze/morele afwijkingen, naar medische afwijkingen
o
o
o
Eerste seksuologen zijn (Duitse) artsen: zullen een aantal seksuele afwijkingen
gaan beschrijven vanuit het toenmalige medische perspectief
Dit is een heel belangrijke verschuiving: geen zondaars of misdadigers, maar
patiënten die behandeld moeten worden
Freud zal die beginnende ideeën omvormen tot een traditie
Inleiding

15
o
o
o
Onze hedendaagse tijd (merkwaardig genoeg) is een terugkeer naar de prefreudiaanse tijd
o
o
o
o
Door het loslaten van de normen binnen het psychodiagnostische denkkader en
door het invoeren van steeds meer relatieve normen, hebben wij het punt bereikt
waarop een psycholoog/psychiater nauwelijks nog bereid is van die positie in te
nemen om te zeggen van ‘dit is ziekelijk, dit kan niet’
Wij doen dat niet meer, dus die taak wordt overgenomen door een andere
instantie: door de rechterlijke macht: het is vandaag deze macht die beslist wat
afwijkend is en wat niet afwijkend is
Dan krijgen we een enorme verschraling/beperking van seksueel afwijkend
gedrag: pedofilie en seksueel geweld  invoering ‘parafilie’ en ‘normofilie’
Wat er vandaag de dag ook vrij duidelijk geworden is (en fundamenteel nieuw is),
is dat de verhouding tgo. het lichaam volledig binnen gevoerd is binnen het
neoliberale/vrije markt denken
 We denken dat we vrij zijn in de omgang met ons lichaam illusie: wordt
volledig gedicteerd door de reclamewereld, (sociale) media
 De vermarkting kun je heel ruim bekijken, maar ook heel concreet
 Het instituut van het huwelijk de dag van vandaag, is uitdrukkelijk
een huwelijksmarkt geworden (en = geïnterioriseerd)
 Cf. ons taalgebruik: determineert ons denken en handelen
 Nuancering: je moet een onderscheid maken tussen economie enerzijds,
en vrije markteconomie anderzijds
 Vandaag de dag lijkt het zo te zijn dat de economie synoniem is
van vrije markteconomie en van neoliberalisme
 Een huwelijk heeft te maken met economie  dat is juist: het
huwelijk als instelling = van in het begin een economische instelling
 Dat verklaart ook een ander fenomeen: dat het huwelijk tot
pakweg de 18e eeuw een vrij zeldzaam iets was: klasse met bezit
 Moeilijkheid als je ziet dat de economie gereduceerd wordt tot
een vrije markteconomie: dan te maken met denkwerelden die
niet thuis horen in intermenselijke verhoudingen
Inleiding

Dan krijg je een heel belangrijke vraag (binnen het medisch perspectief): als we
‘seksueel afwijkend gedrag’ beschouwen als een ziekte die behandeld moet
worden, moeten we de vraag stellen naar de gezondheid  wat is dan de
gezondheid?
 Dit vaststellen mislukt grandioos: wij kunnen geen absolute norm leggen
 Vanuit psychodiagnostiek kunnen wij niet gaan zeggen wat dé
normaliteit is in termen van ‘psychisch gezond’
 Die mislukking heeft als gevolg dat men in eerste instantie een
soort impliciete, een soort uitgesproken norm gaat hanteren: de
man-vrouwverhouding binnen een relatief banale seksuele
modaliteit (missionarishouding)
Vanaf de Freudiaanse beweging zullen we zien dat het idee van seksuele
afwijkingen en ruimer psychiatrische stoornissen, meer en meer op de helling
komt te staan, in de zin van ‘dit zijn geen ziektes’ (zoals TBC, influenza, …)  het
is van een andere orde, en daarom moeten we er op een andere manier over
beginnen denken
Gaandeweg zullen de normen (afwijkend – niet afwijkend) relatiever en
relatiever worden: men gaat die meer en meer beginnen loslaten
16
EVOLUTIE VAN DE SEKSUOLOGIE

We gaan enkele grote namen bekijken om te zien op welke manier zij ertoe bijgedragen
hebben aan ons denken rond seksualiteit en genderverhoudingenBelangrijke onderzoekers
ALFRED KINSEY

Alfred Kinsey: bioloog van opleiding, entomoloog (insecten)

Hij besluit voor de eerste keer een grondige studie te doen naar het seksueel gedrag van de
‘normale doorsnee’ Amerikaan  fundamenteel vernieuwend:
o
o
Studie van seksueel gedrag van normale mensen ( voordien: afwijkingen)
Hij gaat zich toespitsen op het gedrag (bij man en vrouw), en niet op de motieven

Wist dat het niet volstaat om simpelweg mensen te bevragen omtrent hun seksueel gedrag
 Interview (half uur kennismaking/peiling sociale wenselijkheid + sterke training)

Maar: klassieke probleem: probleem van de representativiteit
o
o


Hij en zijn collega’s interviewden 18 000 (!) Amerikanen in de periode 1944-1948
De resultaten van zijn onderzoek zijn voor ons banaal, maar toen zijn boek
gepubliceerd werd, waren ze niet banaal (‘Sexual behaviour in the human male’)
Hij werd ontslagen na zijn onderzoek/publicatie
Vaststellingen:
o
o
o
o
o
o
De hoge frequentie van de homoseksuele ervaringen bij de doorsnee man
Homoseksuele ervaring betekent nog niet dat iemand homoseksueel is
Homoseksualiteit (vanuit genderpositie) is véél frequenter dan gedacht
De seksuele activiteiten, of de diversiteit van de seksuele activiteit, komt eigenlijk
heel sterk overeen met de sociale klasse: de missionarishouding (‘normale
seksualiteit’) beperkt zich tot de burgerlijke middenklasse
Vrouwen kunnen ook een orgasme krijgen en dat meestal niet door coïtus
De extra-maritale activiteit (= vreemdgaan) is wijdverspreid
 Kinsey schopt het heilige huisje omver

Kinsey was een ‘halve eeuw te vroeg’, maar heeft een enorme invloed gehad
o
o
o
Vormt de basis voor de seksuele revolutie die 2 generaties later zal volgen
Soort massale correctie op een denken dat van hogerhand opgelegd wordt
Dubbele moraal: je krijgt een officiële moraal en een échte moraal

Masters & Johnson: zijn ‘ouderwetser’ dan Kinsey (die heel progressief was)

Heel belangrijke onderzoekers (zeker wat hun eerste boek betreft): hebben binnen een van
de meest conservatieve wetenschappen (geneeskunde) aandacht besteed aan een tot dan
toe ‘donkere vlek’ (seksuele organen)
o

Gaan samen de studie aanvatten van het lichaam en wat er gebeurt met het
lichaam tijdens de seksuele interactie bij normale mensen
o M&J: vernieuwend: omdat ze het uitgevoerd hebben én omdat het aanvaard
werd
Belangrijkste boek: “Human Sexual Response” (= anatomie/fysiologie)
Evolutie van de seksuologie
MASTERS & JOHNSON
17
o
o
Het seksuele zal gedacht worden vanuit een stimulus-respons model
‘Arousalcurve’ (fysiologische parameters): stijging bloeddruk, stijging
lichaamstemperatuur, zweetproductie, elektrische doorlaatbaarheid van de huid,
…  allemaal letterlijk gemeten tijdens de seksuele interactie



Volgende studie: seksuele afwijkingen bestudeerd én een sekstherapie ontwikkeld
 Geboorte van de seksuologie als dusdanig (medische context  behandelmodel)
o
o
Het Amerikaans denken zal daar (onbewust) heel sterk in aanwezig zijn
Die ideologie is zeer prestatiegericht, op het idee van het competitieve model 
arousalcurve (oorspronkelijk beschrijving), wordt plots een normatief model
 Dit is een gevaar dat binnen ons vakgebied overal aanwezig is: het wordt
een probleem op het ogenblik dat de beschrijving gehanteerd wordt voor
een toepassing
 Risico: iets wat oorspronkelijk een beschrijving was, kantelt naar een
normatief iets
Evolutie van de seksuologie

Arousalcurve ingedeeld in 3 fasen: opwindings-, plateau- en orgastische
fase (nadien: refractaire periode)
Medisch perspectief: op zoek naar absolute normen
 Bij de vrouw mislukt dat grandioos
 ‘Mannen zijn allemaal hetzelfde en vrouwen zitten complex in
elkaar’
Dan hebben ze nog een aantal fysiologische vaststellingen gedaan:
 Vergelijking clitoris – penis: hebben niets met elkaar te maken
 Het zogenaamde vaginaal orgasme bestaat niet, is een mythe
 Het veronderstelde verband tussen de omvang van de penis en
het genot bij de vrouw: blijkt daar niets mee te maken te hebben
 (Vervolg/uitbreiding op Kinsey) Bij de man krijgen we de
refractaire periode na het orgasme, terwijl de vrouw multiorgastisch is (datgene waar de man van droomt, is aanwezig bij de
vrouw)
 De vrouw heeft een heel andere houding tgo. het orgasme dan de
man (orgasme = nodig  preoccupatie met orgasme bij de man)
 Seksualiteit is op oudere leeftijd perfect mogelijk, op voorwaarde
dat men seksueel actief blijft
 De seksuele activiteit is het meest intens (fysiologisch) gekoppeld
aan bepaalde leeftijdsfases:
o Voor mannen: tussen 18 en 25 jaar
o Voor vrouwen: tussen 25 en 30 jaar
 Fysiologisch: beste combinatie tussen oudere vrouw en
jongere man (maatschappelijke visie)
18
o
o
o
In terugblik kunnen we vrij goed zien dat het door hun gehanteerde denkkader, hetzelfde
denkkader is dat aan de grondslag ligt van de seksuele revolutie, nl. een denkkader dat
seksualiteit alleen maar een natuurlijk gegeven is (stimulus-responsmodel)
o
o
10 jaar later zullen zowel Thomas Sass als Michel Foucault die uitspraak
hernemen en daar heel zware kritiek op geven (want: regelgeving én leerproces)
Idee dat menselijke seksualiteit hetzelfde zou zijn als dierlijke seksualiteit 
klopt helemaal niet!!

Het voordeel is dat we dankzij hen een aantal zaken bespreekbaar hebben kunnen maken:
gaandeweg meer mogelijk om op een min of meer normale manier over seksualiteit te praten

Sekstherapieën, seksuele revolutie/bevrijding, die samengaat met de emancipatie van de
vrouw en het voorhanden zijn van effectieve contraceptiva  komt zo allemaal samen in het
de jaren ‘70
o
o
Zoals wel vaker gebeurt op het ogenblik dat er een revolutie plaatsgrijpt, krijgen
we een omklapping in het tegendeel: wat voordien verboden was, wordt nu
plots verplicht (en omgekeerd)
 Lacan: “Het vroegere Über-Ich was verbiedend, het huidige Über-Ich is een
verplichting” (verplichting om te genieten en schuldgevoel als je niet
genoeg geniet)
 Moeten genieten  effect: er schiet van dat genot niet veel meer over
Als we alles in dat tijdskader samennemen, kunnen we dat samenvatten in één
woord op het vlak van seksueel gedrag: er ontstaat een ‘orgasmeverplichting’
 Dit is de periode waarin de faalangst  zal zich bij beide partijen op een
verschillende manier uitdrukken
Evolutie van de seksuologie

De arousalcurve wordt gebruikt als een soort verplicht model waar men niet van
mag afwijken en die het liefst zo vaak mogelijk herhaald moet worden
Dat denkkader blijkt uit de titel van hun tweede boek: “Human Sexual
Inadequacy”: seksuele stoornissen bij man en vrouw (absolute norm = orgasme
voor beide partijen binnen heteroseksuele coïtus)
 Dan krijg je de zogenaamde opwindingsstoornissen en orgasmestoornissen
 Seksualiteit wordt vanuit een stimulus-respons model bekeken
Hun sekstherapiemodel wordt in de praktijk gebracht (nogmaals: medisch
denkkader met patiënten): de patiënten met die problematiek (opwinding,
orgasme, …) worden opgenomen in een ziekenhuis, waar ze vrij effectief
behandeld worden door sekstherapeuten
 Één van de voorwaarden voor de therapie: alleen (heteroseksuele)
getrouwde koppels
 Behandeling lukt vrij goed: in die periode in Amerika: schuldgevoel en
prestatiegerichtheid + seksualiteit nog grotendeels een onbekende factor
 Behandelmodel:
 Voorlichtingssituatie
 Situatie waarbij het schuldgevoel voor een groot deel
weggenomen wordt (‘het mag van de dokter’)
 Situatie waarbij het prestatie-aspect weggenomen wordt door
paradoxale communicatie  uitstel en opwinding
 Hun therapie zal 10-15 jaar werken en daarna verdwijnt het, omdat er een
andere bevolking komt: reeds voorlichting, minder schuldgevoel, andere
problemen  verschuiving van seksualiteit in de enge betekenis van het
woord, naar relationele problemen, genderproblemen, …
19



Man: schrik om te vroeg klaar te komen
Vrouw: schrik om niet klaar te komen
Dat kun je koppelen aan het normatieve dat voortgevloeid is uit
fysiologische beschrijvingen: het model dat men daarop toegepast heeft
(‘kniepeesreflexmodel’, ‘stimulus-responsmodel’, …)  moraal die een
aantal nieuwe problemen in het leven geroepen heeft
HELEN KAPLAN

Helen Kaplan: staat aan het startpunt van het ‘einde’ van de sekstherapie en het begin van
een andere manier van kijken (of terugkeer naar een vroegere manier van kijken)

Twee boeken gepubliceerd (1974 en 1979), waarmee ze het Masters & Johnson model
uitbreidt, waardoor het terug in het veld van de klinische psychologie terecht komt
o
o
o
Zegt dat M&J één ‘fase’ vergeten zijn: de eerste fase, de fase van het verlangen
Eerste boek: “The new sex therapy”
Tweede boek: “Disorders of sexual desire”

De introductie van het verlangen (als psychologische dimensie) verandert alles: betekent dat
het kniepeesmodel onderuitgehaald wordt (verlangen is nodig!)

Het is duidelijk dat Kaplan een goede clinica is, want zij zal het behandelingsmodel van
Masters & Johnson op een heel andere (elementaire, maar klinisch gezien heel juiste)
manier gaan kaderen: het seksueel disfunctioneren bij normale mensen: te maken met angst
 Zij voert meteen een van de belangrijkste klinische categorieën in: de angst
o Zij zal zeggen dat er met die angst iets merkwaardigs aan de hand is: hoe
duidelijker, hoe meer geprononceerd, hoe luidruchtiger die angst is, hoe
makkelijker die op te lossen is (bv. faalangst)
o En omgekeerd: een vage, bijna onbewuste angst, is moeilijker aan te pakken (bv.
identiteitsangst)

Nieuwe sekstherapie van Kaplan: psychotherapie
o
o

Want: we zien een andere groep met een complexere problematiek (mentaal)
verschijnen, waarvoor de klassieke sekstherapie niet meer volstaat
Men moet overgaan naar psychotherapie (bv. Nederland: opheffing seksuologie)
De stoornissen van het seksuele verlangen, openen meteen een veel complexer verhaal (dan
S-R) en waarbij we meteen heel het veld van de psychotherapie zouden moeten betrekken
CONCLUSIE
We maken op relatief korte tijd (30 jaar) een heel belangrijke verschuiving door: we zijn
vertrokken bij seksuele problemen en geëindigd bij genderproblemen
o
o

Seksuologie  gender studies (naam van dit vak)
Ontdubbeling op het vlak van seksualiteit: studies in twee richtingen:
 Studies op het niveau van gender (grootste groep): twee subgroepen:
 Vrouwenstudies
 Studie van de homoseksualiteit (‘Queer’)
 Wat ontbreekt: mannenstudies en heteroseksualiteit
 Studies naar afwijkingen, de ‘parafilie’ (aanvankelijk eigenlijk vrij beperkt)
Deze lessen zal er voornamelijk aandacht besteed worden aan gender research
Evolutie van de seksuologie

20
GENDER RESEARCH
BELANGRIJKE ONDERZOEKERS
JOHN MONEY

John Money: vooral belangrijk omwille van bepaalde termen (ondertussen: gemeengoed)
o

Term ‘gender’ eind jaren ’50 naar voor geschoven: “de beleving (= psychologisch)
te behoren tot één van de beide geslachten (het gaat dus over 2 geslachten), en dit
los van de anatomische seksuele ambiguïteit en los van het chromosomale geslacht”
Zijn opdeling tussen het biologische geslacht (‘sexe’) en psychologische geslacht (‘gender’) is
baanbrekend: betekent dat men letterlijk en figuurlijk afstand doet van het lichaam/medische
o
De uitbreiding daarvan kun je voorspellen: na verloop van tijd zal het niet meer
gaan over twee gender identities (binair), maar over drie
o Bij de gender identity (ondanks het binaire definiëren), zal men dat heel snel
loslaten en dat loslaten zal alleen maar toenemen: uitbreiding naar
homoseksualiteit, transseksualiteit, …
o We krijgen in toenemende mate een denken, waar dat dat binaire aan het
verdwijnen is, alsook waar het drieledige aan het verdwijnen is: ook binnen het
homoseksuele heb je veel verschillende gender identities
 Heel ander denken over afwijkingen (complexer)

Één van zijn behandelingen heeft voor de nodige controverse gezorgd en een impact gehad
die hij niet voor ogen had
o
o
o
Medisch register: absolute normen
Meteen ook een redeneergrond om die genderverhoudingen anders te denken
 In eerste instantie vanuit een man-vrouw perspectief (jaren ’50-60)
 Dat zal heel snel verdwijnen: vanaf de jaren ’70 zullen
genderverhoudingen in alle mogelijke richtingen gedacht kunnen worden
(man-man, vrouw-vrouw, man-vrouw, transseksueel, biseksueel, …)
Gender research

Context: 1970-1980: overtuiging dat gender simpelweg een psychosociale
constructie is: een soort ‘imprint’ vanuit de cultuur op een organisme
o John Money: serieuze gevalstudie: joodse familie met een eeneiige mannelijke
tweeling
 Wat blijkt: vanaf de pubertijd begint het als meisje opgevoed jongetje (die
zichzelf ook als meisje beschouwt) meer en meer moeilijkheden te
hebben: ‘genderdysfoor’
 John Money heeft jarenlang het probleem ontkend en heeft dit jarenlang
in zijn publicaties naar voor geschoven als een succesverhaal, dat bewijst
dat gender inderdaad een psychosociale constructie is (= onethisch)
o Deze gevalsstudie heeft een enorme impact gehad op transseksualiteit en op
ideeën daarover (ook over homoseksualiteit)
o Wat we hier naar voor zien komen, is het chromosomaal geslacht
Op het ogenblik dat er een concept als genderidentiteit ( sekse) naar voor geschoven
wordt, moet men noodzakelijkerwijze de genderverhouding gaan herdenken
21
o
o
Een derde begrip die John Money naar voor bracht, is het onderscheid parafilie-normofilie
o
o
o
o
o
o
o
Tijdskader: liberalisering, loslaten van dwingende en normatieve opvattingen over
seksualiteit, en het openstaan voor een aantal varianten
Met de opdeling normofilie en parafilie, gaat Money meteen duidelijk maken over
wat het gaat: een categorisatie is veroordelend
 Normofiel: volgt de norm
 Parafiel: zit naast de norm
Money probeert te vermijden om er iets pathologisch aan te koppelen: het is
gewoon iets anders, het zit ernaast
Je krijgt daar duidelijk de stelling dat de mate dat seksueel gedrag en seksuele
verhoudingen normaal of niet normaal zijn, afhangt van de omgeving/cultuur
Normofilie: “Toestanden van seksuo-erotische overeenstemming met de standaard
zoals voorgeschreven door de gebruikelijke, religieuze of wettelijke autoriteit”
Er zit bij die concepten zonder de minste twijfel een idee van vooruitgang in, maar
we mogen niet naïef zijn, want er schuilt ook een serieuze adder onder het gras
 Bv. vrouwenbesnijdenis
 Bv. homoseksualiteit is de dag van vandaag duidelijk normofiel, maar dat
hangt af van de gebruikelijke norm (als die verandert, zal homofilie
opnieuw bestraft worden)
Een bijkomend effect van die opdeling in normofilie en parafilie, is dat de studie
naar perversie heel snel zal evolueren naar een heel beperkte groep, nl. die die
een juridische norm overschrijdt (= negatief effect van een positieve vooruitgang)
 Positief: we zijn veel toleranter en liberaler geworden
Gender research

Er moet nagedacht worden over die genderverhoudingen: hoe die zich installeren
en tot stand komen, los van het biologische
John Money: nieuwe term: concept/idee van een ‘love map’/liefdeskaart
 Heeft niet echt ingang gevonden, maar de invulling ervan is wel bruikbaar!
 “Het is een ontwikkelingsvoorstelling of –schema in het brein die
afhankelijk is van een invoer via speciale zintuigen. Ze beeldt de
geïdealiseerde partner af, evenals datgene wat men als koppel samen doet
in de geïdealiseerde, romantische, erotische en geseksualiseerde relatie.
Een love map bestaat eerst in de mentale voorstellingswereld, in dromen en
fantasieën, en kan daarna eventueel in actie met een partner of partners
vertaald worden”
 Vanuit psychoanalytisch perspectief kan dit in één term samengevat
worden: ‘basisfantasma’
 Als de imaginaire verhouding die wij onszelf dromen en waarin we
onszelf en de ander een bepaalde identiteit toekennen
 Dat is hetgene waarmee wij naar de buitenwereld stappen en
waarmee wij een relatie of meerdere relaties zullen beginnen
 De vraag is in welke mate het basisfantasma van de ander aansluit
bij dat van ons (is er een match?)
 Love map/liefdeskaart: idee: een genderverhouding is geen natuurlijk
bepaalde verhouding of een onveranderlijk iets: het is gebaseerd op de
ontwikkeling van een individu en is aan verandering onderhevig
 Er zitten intern ook een aantal contradicties in: verschillende aandriften
aan het werk die niet altijd goed te combineren vallen
22

o
Negatief: afwijking wordt dan vooral geformuleerd in termen van het
ontbreken van een ‘informed consent’  op korte tijd wordt parafilie (=
afwijkingen) beperkt tot pedofilie en verkrachting/sexual harrassment
 Al de rest lijkt plots aanvaardbaar en normaal
 Normaal  DUS: kan men daar ook geen problemen mee hebben
Love map, genderverhoudingen, …  zal zich de vraag stellen hoe iemand een
normofiele of parafiele verhouding zal ontwikkelen
 Kinderen zullen van nature uit een normale seksuele verhouding
ontwikkelen ( aantal eigen ideeën)
 Hij vergeet dat seksualiteit iets is dat aangeleerd wordt en dat sommige
culturen daar zeer arm in zijn en andere culturen zeer rijk: het is niet iets
dat van nature aanwezig is
ROBERT STOLLER
Term ‘gender identity’ naar voor geschoven: meer genuanceerde theorie dan Money
o
o
o
Ze verschillen overigens op het vlak van evolutie:
 Money: is uitdrukkelijk begonnen als psycholoog, met het idee dat gender
identiteit enkel maar een effect is van de cultuur, en is zijn carrière
geëindigd als bioloog (overtuiging dat er veel meer in de biologie zit op
vlak van gender en identiteit)
 Stoller: vertrekt als bioloog (arts) en zal gaandeweg meer en meer het
accent leggen op de psychologie
 Elk heeft de limieten van zijn discipline ontmoet
Stoller ontwikkelt het concept ‘gender’, maar zal een onderscheid maken tussen
twee aspecten:
 ‘Kern gender identiteit’: koppelt hij aan twee zaken:
 Aan het biologische, het lichamelijke
 Aan de moeder-kind ervaring
 Daar wordt de kern gelegd en er verandert daar niet veel aan
 ‘Gender identiteit’ op zich (daarna): ontwikkelt zich binnen de oedipale
driehoek (kind – vader – moeder) en daarin leert men die gender
verhoudingen  deze identiteit komt rond de ‘kern gender identiteit’
Dit zal hij gebruiken om een onderscheid te maken tussen transseksualiteit en
perversie
 Transseksualiteit: heeft te maken met die ‘kern gender identiteit’
 Populaire lezing: een transseksueel is iemand die een veel te
dichte verhouding met de moeder had en die daardoor geen
duidelijke/gedifferentieerde seksuele identiteit kon ontwikkelen
 Kern gender identiteit: lichamelijke component!
 Perversie: heeft te maken met ‘gender identiteit’ als dusdanig
 Is voor Stoller uitdrukkelijk iets dat verworven is en te maken heeft
met de ontwikkeling  koppeling aan trauma
 Hij herschrijft Freud (had al uitdrukkelijk het verband gelegd
tussen de volwassen en de kinder seksuele activiteit): hij gaat dit
nu specifiek toepassen op het traumatische en het perverte
 Dit is iets wat we weten vandaag de dag als clinici, en tezelfdertijd
ontkennen we het  het veld van gender en seksuele
verhoudingen blijft sterk gemoraliseerd!
Gender research

23
MEDISCHE RESEARCH

Ondertussen zitten we wat verder in de tijd en krijgen we op vlak van onderzoek een
hernieuwde belangstelling vanuit de medische wereld
o
o
o

Men gaat ontdekken dat er bepaalde stoffen zijn in het lichaam die een heel sterk
effect hebben op onze seksualiteit: hormonen (heel nauw oorzaak-gevolg effect)
Men gaat dan (want: binaire redenering) een opdeling maken tussen mannelijke
(testosteron) en vrouwelijke hormonen (oxytocine, progestine, …)
 Mooie illustratie van hoezeer dat wij moeten opletten met categorisatie
en definiëringen, want op grond daarvan wordt ons denken bepaald!
 Dat binaire denkkader zorgt voor een voor de hand liggende verklaring:
een homoseksueel is iemand die te veel vrouwelijke hormonen heeft en te
weinig mannelijke hormonen (en omgekeerd voor een lesbisch persoon)
 Behandeling gedacht in termen van hormoonsuppletie: mislukt!
 Want: die opdeling/reductie (hetzij mannelijk, hetzij vrouwelijk) is
verkeerd: die hormonen komen bij beide geslachten voor
 En: die hormonen (‘sekshormonen’) hebben ook nog andere
functies naast seksualiteit ( reductie tot seksuele hormonen)
Wat men wel uitdrukkelijk gezien heeft – en daar heeft de psychologie een kans
gemist – is een verband tussen hormonen en affecten/emoties
 Dit is ook een mooie illustratie van hoe wetenschap niet neutraal is:
psychologie vandaag vertrekt van een bepaald mensbeeld waarbinnen het
rationele/denken centraal staat (alles bekeken vanuit de leerpsychologie)
en men gaat dit ook toepassen binnen behandelingsmodellen
 Maar: in de consultatiekamer heb je te maken met affecten  de
lichamelijke component daarvan is het hormonale, maar dit wordt
nauwelijks bestudeerd en krijgt weinig aandacht
De medische lijn – de endocrinologie en de fysiologie – zal dit naar voor schuiven, wat een
sterke bloei zal kennen en veel aandacht zal krijgen, en uiteindelijk als een plumpudding in
elkaar zal zakken omdat men de verwachtingen niet kan invullen
HET FEMINISME

Een derde onderzoekslijn, en eigenlijk de belangrijkste vandaag, is het feminisme in de ruime
betekenis van het woord: de tweede feministische golf (begin jaren ’70 - begin deze eeuw)

Die veranderingen op het vlak van genderverhoudingen via het feminisme zijn volop bezig
en zijn immens

Sociobiologie en ethologie: een beetje waar Johan Mertens mee bezig is
o
Samen te vatten in een mannelijk en een vrouwelijk luik
Gender research
o Heeft op vlak van genderverhoudingen enorm veel veranderd !! (bv. studeren)
 Er is een opleidingskloof aan het komen: we krijgen meer en meer hoogopgeleide
vrouwen en meer en meer mannen die op vlak van opleiding de boot missen
 Dan krijg je ook een enorme impact op de genderverhoudingen,
koppelverhoudingen en gezinsstructuur
 Dat betekent (met economie als criterium) dat de vrouw het sterke
geslacht wordt (maar prof vindt dit een naïeve redenering)
24

o
o
Mannelijk luik (oudste): wetenschappelijke visie die stelt dat een dergelijke
groep gedomineerd wordt door een dominante, alpha man  biologisch
verhaal dat wonderwel het partriarchaat gaat bevestigen
 Vrouwelijk luik (jaren ’70-’80): zien veel complexere sociale interacties,
waarbij de alpha male niet zomaar alles voor het zeggen heeft, maar dat
het gaat om coalities en verschuivingen in die machtsverhoudingen,
waarbij vrouwen het ook voor het zeggen hebben en niet zomaar passiefreceptief zijn (want: zij gaan zeer actief die mannetjes uitkiezen)
Geen van beide heeft gelijk: elk van die twee groepen heeft vanuit een bepaalde
bril gekeken heeft  we moeten het volledige verhaal bekijken
 Indruk dat dergelijke ethologische studies vaak terloops gebruikt worden
om iets te rechtvaardigen of goed te praten (bv. ‘het is toch natuurlijk’):
dat hoeft niet per definitie bij ons als mens te zijn
 Men gebruikt biologische studies om een aantal morele zaken te
gaan gronden  risico!
 Maar: dan moeten we ons de vraag stellen hoe we de moraal dan wel
kunnen gronden?  eigenlijk maar 2 mogelijkheden in onze geschiedenis
 Een moraal die van bovenaf gedicteerd wordt (religieuze moraal)
 Een biologische denkwijze: een aantal genetische codes waarop
onze systemen gebaseerd zijn  risico
Het is niet zo eenvoudig! We geraken daar niet zo ver mee, behalve dan dat we
ondertussen voor de zoveelste keer op grond van die studies een bevestiging
vinden dat er een duidelijk verschil bestaat tussen gender en sekse (bij de mens)
JUDITH BUTLER
Belangrijke auteur wat genderstudies betreft
o
o

Heeft het idee van gender tot de limiet doorgevoerd (bijna ‘opgeblazen’)
Zij zal die klassiek-moderne invulling, die binair is, volledig verlaten (we hebben
een biologisch + psychologisch vrouwelijk en mannelijk geslacht)  Butler gaat
dat opblazen en zal gender veel vager gaan definiëren
Keuze van de gender identiteit (cf. rolpatronen): zij gaat dat beargumenteren vanuit de idee
dat gender een sociale categorie is, die zij naast twee andere gaat plaatsen: klasse en ras
o
o
o
Hebben allen te maken hebben met sociale onderdrukking (cf. John Lennon: “the
woman is the nigger of the world”)
Maar: we kunnen de vraag stellen of we gender alleen daartoe kunnen reduceren,
of we gender zomaar naast sociale klasse en ras kunnen gaan plaatsen?
Wat zij begrijpt onder gender is: “A performatively enacted signification (…) one
that, released from its naturalised interiority and surface, can occasion the parodic
proliferation and subversive play of gendered meaning”
 Gender zijn voor haar in handeling gebrachte betekenissen
 Die betekenissen worden los gemaakt van de natuurlijke binnenkant en
oppervlakte
 Het heeft niet meer te maken met de binnenkant (laat het
genetische los) en de buitenkant (het uiterlijke, het oppervlak)
 De boodschap is eigenlijk: vergeet het lichaam
Gender research

25

o
o
Die in handeling gebrachte betekenissen kunnen de parodische
vermenigvuldiging en het subversief spel van betekenis die binnen dat
genderveld komt, veroorzaken
Wat kunnen we ons daar nu bij voorstellen?
 Zij gaat ervan uit dat die klassieke gendercategorieën (mannelijk –
vrouwelijk – homoseksueel – lesbisch) te beperkt zijn: zij stelt dat er
daarbinnen afzonderlijke genderidentiteiten kunnen ontstaan
 Dan krijgen we een verschuiving naar bepaalde rolpatronen of
invullingen die in handelingen gebracht worden en die bepaalde
subidentiteiten gaan meebrengen
 Het is niet haar bedoeling om een soort lijstje te maken: zij gaat ervan uit
dat mensen binnen hun leefwereld als het ware hun eigen
genderidentiteit kunnen uitbouwen en in handeling kunnen brengen
 Er schuilt daar een stuk Amerikaanse cultuur, alsook Amerikaansmaatschappelijk ideaal in op vlak van voluntarisme (= de overtuiging dat
mensen zelf kunnen beslissen/kiezen): het volstaat om ervoor te kiezen en
dan kun je dat uitbouwen ( Europa: determinisme)
Het is duidelijk dat haar theorie veeleer een sociologische theorie is
JOAN COPJEC
Kritiek op het model van Butler: twee kritieken op het model van Butler:
o
Butler, ondanks haar progressieve benadering, gaat heel deze problematiek heel
binair definiëren: of sekse, of gender (waarbij zij sekse van tafel veegt)
 Als we dat ruimer gaan bekijken, kunnen we zien dat Butler kiest voor een
volledig constructivistische visie: ze laat het biologisch substraat
(ondergrond) vallen en gaat ervan uit dat gender alleen maar een
constructie is ( essentialisme)
 De kritiek die Copjec daarop formuleert is dat dit
 Te gemakkelijk is
 Klinisch fout is (je zal altijd wel vroeg of laat botsen op een limiet
die gesteld wordt door iets dat voorbij het constructivisme ligt)
 De visie die Copjec naar voor schuift, zal niet OF-OF zijn, maar ze stelt het
als volgt voor: gender ligt ROND die biologische of essentialistische
ondergrond, en dus niet apart (het zijn geen aparte categorieën)
 Uitgedacht vanuit een Lacaniaans-psychoanalytisch perspectief
 Verschil met een klassieke visie op gender en sekse:
o Klassiek verwacht men in het centrum het chromosomaal
geslacht
o Copjec plaatst daar de drift
 Het typische – vanuit Lacaniaans perspectief
bekeken – van dat driftbegrip is dat de cultuur er
nooit volledig in slaagt om dat driftmatige volledig
te grijpen
 Zij plaatst daar de drift, omdat van zodra je dat
klinisch gaat bestuderen, je heel snel tot de
vaststelling komt dat het geslachtsonderscheid
daar relatief onbelangrijk is: drift heeft niet direct
Gender research

26
o
te maken met het mannelijke of vrouwelijk, maar
met het lichaam
 Het object waarop de drift zich richt, is veel minder
belangrijk
Butler zal klasse, ras en gender op hetzelfde niveau plaatsen, maar Copjec zegt
dat dit niet klopt
 Het onderscheid tussen de verschillende vormen van gender en/of sekse,
zijn veel fundamenteler dan die van klasse of ras
 ze als hetzelfde behandelen is een stap te ver voor Copjec
BESLUIT

Besluit: een beetje paradoxaal: we hebben een bepaalde evolutie doorgemaakt en die is nu
ongemerkt aan het terugkeren naar het beginpunt
o
o
Beginpunt: sterk onderscheid tussen man en vrouw
Evolutie:
 Vanaf de jaren ’50-’60 verandert dat (idee van rolpatronen,
onderdrukking, …) en krijgen we een terechte definiëring van wat gender
is
 Dan wordt gender verder opgesplitst waardoor het vager en vager wordt
 Die vaagheid heeft als gevolg dat we vandaag de dag weer meer
terugvallen op het biologisch onderscheid (en niet op een gender
onderscheid), zonder dat we dat echt beseffen
INTERMEZZO: TRANSSEKSUALITEIT EN GENDER DYSFORIE

Intermezzo in het overzicht van die verschillende onderzoeksvelden  om te blijven stilstaan
bij de idee van transseksualiteit en de idee van gender dysforie, maar dan vanuit het
hedendaags standpunt: wat weten we daar vandaag over, wat zijn de dominante ideeën
daarover?
o
o
Transseksualiteit wordt gekoppeld aan gender dysforie
Transseksualiteit is vandaag de dag een ‘serieus probleem’ op verschillende
vlakken: wetenschappelijk, ethisch, maatschappelijk/politiek
 Het is de vermenging van die 3 velden die ervoor zorgt dat het zo moeilijk is

Sekse: het biologisch geslacht (meestal binair)  anatomisch of chromosomaal

Gender: de psychische beleving van te behoren tot een bepaalde seksuele categorie
(aanvankelijk ook binair gedacht, maar werd vrij snel losgelaten)

Psychoseksuele oriëntatie: datgene waarop de seksualiteit gericht is (geen vanzelfsprekende
koppeling man – vrouw)  het object van die oriëntatie kan zeer divers zijn !
o
o

Bijkomende opdeling nodig: wij zijn zeer snel geneigd te denken in termen van
een ‘partner’
Freud zal dat heel snel uitbreiden: de psychoseksuele oriëntatie is niet zozeer de
partner of het object waarop men zich richt, maar wel wat men daarmee wil doen
Men verwacht een overeenstemming tussen sekse – gender – psychoseksuele oriëntatie
Gender research
VERKLARING BEGRIPPEN
27
o

Nieuwe term: gender dysforie: het feit dat die term nu vandaag gemaakt is, en het als ervaring
zo frequent optreedt, heeft alles te maken met de culturele ervaringen
o
o
o

In de praktijk: ‘ruis’: kruiscombinaties mogelijk (3 x 3 = 9 mogelijke combinaties)
Zolang je een homogene cultuur hebt die zeer dwingend/dominant is, krijg je een
uniform beeld van wat een man en vrouw is, en hoe de verhouding tussen die
twee eruit ziet  monolithisch: weinig variatie mogelijk (en ook weinig twijfel)
Vanaf dat die maatschappij minder monolithisch wordt en er andere invullingen
mogelijk zijn van vrouwelijkheid, mannelijkheid en er andere verhoudingen
denkbaar worden, ontstaat de mogelijkheid om te ‘kiezen’ en ontstaat ook de
verplichting van na te gaan in welke mate dat iemand zich als subject al dan niet
kan identificeren met die mogelijkheden  zorgt ook voor twijfels
Gender dysforie heeft ook of zeker te maken met die culturele veranderingen 
er kan zich daar een soort ‘onbehagen’ installeren, in de rol die men zelf opneemt
binnen de gendercategorieën, of die men zou moeten opnemen
 Het genderdysfore zit in mensen ingebakken en kun je bijna beschouwen
als een normaal onbehagen vandaag de dag
 Opent meteen de klassieke diagnostische moeilijkheid: wanneer wordt het
dan abnormaal?
Onderscheid transgenderisme en transseksualiteit:
o
Transgenderisme: iemand die ernaar streeft om kenmerken van beide geslachten
tezelfdertijd te vertonen (bv. ‘trannie’)  stelt het binaire in vraag
o Transseksualiteit: iemand die daadwerkelijk wil overgaan naar de andere
gender/sekse dan deze waar hij/zij op het eerste zicht toe lijkt te behoren  gaat
het binaire bevestigen
o Dan heb je ook nog travestie: iemand die occasioneel door het leven gaat als
iemand van het andere geslacht, op basis van kledij
 Waar plaatsen we dan het idee van seksuele oriëntatie (= het object waarop we
gericht zijn voor onze seksuele activiteit)?
 De partner: voor de man klassiek een vrouw en omgekeerd
 Nu wordt het ingewikkeld: de seksuele oriëntatie kan na de operatie
veranderen, of kan dezelfde blijven (dan: verandering van statuut)
WETENSCHAPPELIJKE VRAAG ROND GENDER DYSFORIE
Noodzakelijk meteen het meest saillante voorbeeld: de transseksualiteit als dusdanig
o
o
Dramatisch: voor het subject, de ingreep, sociaal, …
Klassieke hamvraag: biologisch of psychosociaal bepaald?
 Heeft transseksualiteit te maken met iets dat biologisch vastligt, of vloeit het
voort uit een bepaalde opvoeding, cultuur, omstandigheden?
 Die vraag wordt nog altijd gesteld en dat is idioot: we weten ondertussen
zeer goed dat de OF-OF vraag altijd, en in deze context zeker, verkeerd is
 De vraag is welke interactie heeft plaatsgegrepen waardoor het naar voor
treedt
 Het feit dat die vraag blijft, heeft te maken met de morele ondergrond
van dergelijke zaken  dan krijg je een vreemde redenering:
 Als het biologisch bepaald is, is het normaal en kunnen mensen er
niets aan doen
Gender research

28

o
o
o
Ruimer, weggaand van transseksualiteit in de enge/klinische betekenis van het woord: als we
het ruimer gaan bekijken, kunnen we stellen dat onze cultuur op dit ogenblik een vorm van
transseksualiteit vertoont
o
o
Onze cultuur schuift niet meer een duidelijke mannelijkheid of vrouwelijkheid naar
voor: het is veel vager geworden en we zitten in een ‘transseksueel continuüm’
Tot op het punt dat men een belangrijke ontdekking gedaan heeft over de
prenatale periode (foetus: elke foetus begint als een vrouwelijke foetus maar
heeft wel al een verschillend chromosomaal geslacht): bij sommige foetussen
loopt dat proces verkeerd en zal de masculinisering (o.i.v. testosteron) van een
chromosomaal mannelijke foetus niet (voldoende) gebeuren
 Belang hiervan voor transseksualiteit: bij 1 op de 5 transseksuelen heeft
men ontdekt dat dit proces verkeerd gelopen is (het lichaam is niet
voldoende gemasculiniseerd  gevoel: ‘ik zit in het verkeerde lichaam’)
 Het gaat om een vroegtijdig verkeerd lopen van een aantal hormonale
processen
 Maar: er blijft een grote groep over die daar niet aan beantwoordt
 Maar: dit geldt enkel voor transseksuelen van vrouw naar man
Gender research

Als het psychosociaal bepaald is, is het een afwijking en is er iets in
het milieu of de opvoeding verkeerd gelopen
 Dit getuigt van een ontzettende naïviteit
Die vraag (psychosociaal of biologisch?) is een foute vraag: we kunnen enkel
kijken naar de relatieve aandelen daarvan  vaststellingen: argumenten in beide
richtingen:
 Transseksualiteit is even oud als de mens zelf: een dergelijke vaststelling
(iets dat in alle culturen optreedt) is een heel krachtig argument voor een
biologische ondergrond
 Tegenargument: de invullingen van gender zijn zo verschillend, zelfs op
korte tijd, waardoor het niet anders kan dat transseksualiteit daar ook
mee zal variëren (maar we zien het nauwelijks omdat we die
veranderingen te weinig beseffen)
 De evolutie in normen en waarden, aanvaard zijn of niet, …: opvallend dat
transseksualiteit bij ons in het Westen pas sinds de jaren ’90 een issue/
agendapunt geworden is  twee mogelijke verklaringen:
 Is er altijd geweest, maar die mensen durfden pas uit de kast
komen naarmate er een meer tolerant klimaat voor was
 Er zijn nu plots meer transseksuelen
 Dat is identiek dezelfde vraag die men stelt bij homoseksualiteit: veel
wetenschappers denken dat er meer homoseksualiteit is dan vroeger 
installeert een bepaalde twijfel
Nieuw argument naast het psychosociale en het genetische: de veranderingen in
het milieu
 Dan spreken we over milieuvervuiling
 In welke mate heeft het milieu (dat wij in het leven geroepen hebben)
effect op onze gender identiteit, ons lichaam, onze voortplanting, …?
 Er ontstaat plots een derde verklaringsmodel dat even hypothetisch is als
de andere en het nog moeilijker maakt om een antwoord te vinden
(Mislukte) gevalsstudie van John Money: heel krachtig element van het
biologisch bepaald zijn  vreemde redenering: men gebruikt het omgekeerde
29


We hebben hier dus een partiële verklaring die een duidelijke richting
uitgaat (hormonaal – biologisch) maar die niet voldoende is om de hele
groep te verklaren
Enorme impact: men is beginnen denken dat het bij de andere groep ook
wel zo zou zijn, maar dat men het nog niet gevonden had  toename
chirurgische ingrepen en geslachtsoperaties (want ander beeld en
benadering)
MAATSCHAPPELIJK/ETHISCH/PSYCHIATRISCH LUIK ROND GENDER DYSFORIE

Betekent niet dat het wetenschappelijke beantwoord is (beperkte groep)

Er is uitdrukkelijk een koppeling tussen gender dysforie en psychiatrische categorisatie
o
o
De koppeling tussen gender dysforie en psychiatrische categorisatie gebeurt uitdrukkelijk
vanuit dat normatieve, morele en die verwachting
o
o
Dit is zo anders, dat men wel gestoord moet zijn
Men ziet te weinig dat dat ‘gestoord’ (angstig, depressief, …) zijn een effect is
vanuit hun sociale omgeving
Gender research

De vaststelling dat er uitdrukkelijk een correlatie is met angst- en stemmingsstoornissen, wordt vaak als argument naar voor geschoven om te zeggen dat we
te maken hebben met een klinische categorie/groep mensen met een stoornis
 Als één geheel beschouwd: depressie, angst en genderidentiteitsstoornis
 Ook dat is een naïeve redenering: zit hem in het feit dat men de oorzaakgevolg vraag niet stelt
 In veel gevallen is het veel meer voor de hand liggend om te
denken dat die angst en depressie een gevolg is van die
problematiek  doet men te weinig: men gaat het als een soort
dubbeldiagnose gaan hanteren
 Argument: eigenlijk hebben we te maken met een psychiatrische
problematiek (zie je wel dat er iets mankeert met die mensen?) 
maar: er is veel meer argumentatie om in de omgekeerde richting
te gaan kijken!
Wat de link met psychose betreft: moeten we even historisch bekijken
 Transseksualiteit was tot midden jaren ’70 een zeer uitzonderlijk gegeven
omdat men er weinig mee in contact kwam
 Als men er al contact mee had, was dat nagenoeg altijd binnen de context
van psychose, en dan bijna uitsluitend binnen de context van psychose bij
mannen (mannelijke schizofrenen)
 Dan krijgen we 10 jaar later (eind jaren ’80 – begin jaren ’90)
transseksualiteit zoals wij die de dag van vandaag kennen: mensen die
naar buiten komen en zeggen in het verkeerde lichaam te zitten
 Tot de dag van vandaag zal elke transseksueel doorheen een
psychiatrische expertise moeten gaan, met dit als een van de
belangrijkste aandachtspunten
 Nu zijn we 30 jaar later en in het UZ Gent heeft men daar heel veel
expertise mee: het aantal psychotische mensen dat zij er nog uithalen is
heel beperkt en bijna verwaarloosbaar
30

Klinisch gezien, op vlak van behandeling, gaat men ook om met transseksualiteit
o
o
o
o

Eerst: diagnostische fase, waarbij men vooral (naast de vraag naar psychose) gaat
nakijken in welke mate de man/vrouw gemotiveerd is en het ook aankan om die
veranderingen door te maken
Bij ‘zo snel mogelijk veranderen’ gaat men op de rem staan: het is niet omdat
men zo overtuigd is, dat men dat kan
Die periodes gaat men denken in een soort gelede structuur
 In eerste instantie proberen nagaan in welke mate bij die man/of vrouw
nog teveel angst of depressie aanwezig is, en men gaat zich in eerste
instantie daarop richten (men wil iemand daar los van maken)
 Eens dat voldoende ver gevorderd is (ondertussen heeft men ook meer
contact gehad met die man/vrouw om meer zicht te krijgen op diens
motivatie en de mogelijkheid om dat te kunnen dragen) en men daar
voorbij is, gaat men hormonaal werken: men zal massaal
mannelijke/vrouwelijke hormonen in een vrouwelijk/mannelijk lichaam
pompen  doel: uitzicht van een persoon van een ander gender
 Na deze (test)periode volgen de chirurgische ingrepen en veranderingen
Die transseksualiteit wordt vandaag op die manier behandeld en doorgevoerd, en
er wordt ook vaak aan follow-up onderzoek gedaan om na te gaan of er effectief
een daling van het lijden plaatsvond, een verdwijnen van die gender dysforie, enz.
 Dat blijkt uitdrukkelijk het geval te zijn
 Betalen vaak wel een prijs: het verlies van hun vorige sociale context
Punt van discussie dat vandaag naar voor geschoven wordt: de leeftijd waarop men die
transformatie kan beginnen doorvoeren
 Die vraag is dubbel belangrijk:
o Hoe vroeger je op een lichaam kan ingrijpen, hoe beter dat je de transformatie
kan doen (met een beter eindresultaat)
o Maar: is het ethisch verantwoord bij een minderjarige een dergelijke transformatie
door te voeren? (beter niet!)
BESLUIT
Daarmee sluiten we dat hoofdstuk af, met heel veel vraagtekens
o
o
o
o
o
Het is duidelijk dat we meer geconfronteerd worden met transseksualiteit, maar
waarom weten we niet
Het is ook duidelijk dat er bij minstens een subgroep daarvan een biologische
oorzaak kan aangewezen worden, maar van de andere groep weten we dat niet
Over de groep transseksuelen van vrouw naar man, weten we helemaal niets
(niets van biologische ondergrond gevonden), maar ook daar gaat men vandaag
de dag pleiten voor een operatieve ingreep
Het kadert binnen de ruimere vervaging van genderrollen en
identificatiemodellen (cf. kunstwereld, muziekwereld: velen ‘androgyn’ 
rolmodellen)
Ethisch gezien is dat een vooruitgang op een binaire indeling (man – vrouw), wat
de indeling was tot zo’n 40 jaar geleden
 Man – vrouw, natuur – cultuur, ouder – kind, lichaam – geest
 Typisch aan binaire opdelingen: altijd meer en minder, altijd één van de
twee die superieur geacht wordt aan de ander
Gender research

31
Het voordeel van het loslaten van een binair systeem, is dat dat minstens
een stuk vager wordt: de multiplicatie/vermenigvuldiging van het aantal
mogelijke genderrollen of gender identificaties, is wat dat betreft wel een
vooruitgang
Gender research

32
PSYCHOANALYTISCH PERSPECTIEF
INLEIDING: SEKSUELE AFWIJKINGEN/PERVERSIES

Ook daar zien we diezelfde merkwaardige beweging: een enorme vooruitgang/verandering
de laatste 150 jaar, met als resultaat dat we min of meer, op vlak van discours, teruggekeerd
zijn naar het vertrekpunt

Tot 1850-1880: seksuele afwijkingen waren morele ( boete) of juridische afwijkingen ( straf)

Vanaf 1880: seksuele afwijkingen gedefinieerd als ziektes, wat Freud zal hervertalen naar
psychiatrische/psychologische stoornissen met een ander statuut ( behandeling)

Midden vorige eeuw/tweede helft vorige eeuw: enorme liberalisering met als gevolg dat niet
alleen het aspect stoornis ervan afgetrokken wordt, maar ook dat het aspect normaliteit
verdwijnt
o
o
o
o
Vanaf jaren ’80: normale en abnormale seksualiteit gaan hand in hand
Één van de belangrijkste effecten: seksuele afwijkingen komen opnieuw in het
veld van het juridische terecht, en grotendeels buiten het veld van de psychiatrie
en psychologie
 Op vlak van seksualiteit is alles normaal, mits ‘informed consent’
 Er zijn ook nog een aantal regels in de marge (bv. openbare
zedenschennis)
 Seksuele afwijking wordt het overtreden van een juridische regel, waarbij
men iemand anders lastig valt  vraag: vanaf wanneer kan men een
dergelijk consent geven?
We zijn een stuk de kliniek kwijt door die liberalisering
Belangrijkste categorie: sexual harrassment
 Vroeger: structureel geweld  nu: accidenteel geweld (veel aandacht!)
 Dit geweld is bovendien een zeer ‘gevaarlijke’ categorie (misbruik +
schaamte/angst)

De kern/ondergrond van seksualiteit in de ruime zin van het woord = a: de drift, het
driftmatige

Drift: iets wat ons drijft en waar we in een aantal gevallen nauwelijks controle over hebben,
en het heeft te maken met het lichaam en genot, met angst, …

Freud zal een van de eersten zijn die daar een theorie over zal maken, omdat de drift bij
mensen heel centraal staat
o
o
o
Paradoxaal: staat heel centraal, maar is tezelfdertijd het nauwelijks bespreekbaar
Vandaag leven wij in een ‘overgeërotiseerde’ cultuur en ondanks die
overdimensionalisering op dat vlak, is het nog altijd niet bespreekbaar: er is
blijkbaar een fundamentele onmogelijkheid om dat volledig/helemaal te vatten
Freud zal er een dubbele theorie over uitwerken:
 Een drifttheorie die zich heel sterk zal richten op ‘component driften’, op
partiële driften en daar werkt hij heel sterk mee in zijn kliniek
Psychoanalytisch perspectief
DE DRIFT ALS KERN VAN DE SEKSUALITEIT (FREUD)
33

Een theorie die de eerste theorie zal omvatten en veel ruimer zal gaan
(ruimer dan zelfs het puur menselijke): hij maakt het onderscheid tussen
een levensdrift (eros) en doodsdrift (thanatos)
 De eros drift is gericht op versmelting, op het samen brengen van
verschillende entiteiten tot één groter geheel, en die fusie zorgt
bovendien voor een spanningsstijging
 De thanatos drift is gericht op splitsing, gaat een groter geheel in
zoveel mogelijk elementen uit elkaar trekken en zorgt daardoor
voor de spanningsontlading

De eerste drifttheorie van Freud leunt het nauwst aan bij seksuologie en die
genderverhoudingen

De moeilijkheid van het driftbegrip – tot vandaag – toont zich in de vertaling
o
Drift is een typisch Freudiaans begrip
o
o
 Instinct: goed bestudeerd door ethologen
 Bv. Tinbergen: bestudeerde het paargedrag van het stekelbaarsje
 Mochten wij dergelijke instincten hebben, zou dit vak niet bestaan  wij
bouwen een andere verhouding uit, en moeten die leren uitbouwen in
vergelijking met de dieren (dieren: weinig leergedrag aan gekoppeld)
Freud: partiële pulsies/driften
 Een drift is een grensbegrip op de grens tussen het somatische/
biologische en het psychologische, met 4 componenten:
 Somatisch: de bron en de drang
o Bron: geslachtsorganen waar een aantal hormonen
geproduceerd worden, …  drang
o Drang: te maken met het hormonale en kent een cyclus
 Psychologisch: het doel en het object
o Object: in normale omstandigheden is dat iemand van het
andere geslacht
o Doel: iets van de orde van de coïtus
 DIT KLOPT NIET! Dit is niet de invulling die Freud maakt! (want: op
die manier wordt het driftbegrip vertaald in een instinct)
 Freud zal, uit een dubbel veld (wat men zelf vertelt over het eigen
volwassen seksueel gedrag + observatie van kleine kinderen in de omgang
met hun eigen lichaam), twee zaken ontdekken over de partialiteit van
pulsies:
 Die drift is partieel met betrekking tot het idee van coïtus op zich
 Die drift is partieel met betrekking tot het lichaam: die drift heeft
nooit een volledig lichaam nodig, maar zal zich richten op
bepaalde lichaamszones of -delen
o Het heeft altijd te maken met de interactie tussen binnenen buitenwereld  formele definiëring
o Het gaat veel verder dan de genitalia: ook de ogen, oren,
neus en huid zijn interactiepoorten met de buitenwereld
Psychoanalytisch perspectief

Engels: twee systematische fouten
 Freud werd gemedicaliseerd ( normale taal van Freud)
 Zij hebben drift vertaald door instinct, wat een heel andere invulling heeft
 Freud: drift = ‘pervertering van het oorspronkelijke instinct’
34


Freud zal die theorie naar buiten brengen, wat zeer veel schandaal met zich zal meebrengen
o
o
o
o

Een tweede belangrijk kenmerk van de partiële pulsie is dat deze in
essentie auto-erotisch is: gericht op het eigen lichaam en de eigen
lichaamszones, en niet op die van de ander
Want het kind van het Victoriaanse tijdperk = compleet ongerept en onschuldig
Terwijl kinderen op dat vlak (seksueel, drift) al heel vroeg heel actief worden
De reactie daartegen wordt nog feller omdat we op dat ogenblik ook de periode
hebben van de late romantiek, waarbij de liefdesverhouding op alle mogelijke
manieren verheerlijkt wordt ( beschrijving van de partiële pulsies: afbreuk)
Maar: die kritiek miste één bepaald punt/inzicht
 Freud had het op dat moment niet over de liefde
 Freud wordt zelf voor een aantal verrassingen geplaatst
 Wij zijn als mens eigenlijk polymorf pervers: wij dragen in ons de
kiemen/gedragingen van al die verschillende perversiteiten, omdat een
latere perversie altijd teruggaat op één bepaalde partiële pulsie die
dominant aanwezig is (maar: in de kindertijd zijn die allemaal aanwezig)
 Daarom moeten wij een andere vraag stellen: waarom zijn wij niet allemaal
pervers gebleven, waarom zijn wij allemaal min of meer normaal geworden?
 Oedipuscomplex als soort socialisatie in de normen en waarden van
een cultuur
Partiële pulsies/drift: als we die indeling in die 4 componenten (bron, drang, doel en object)
daarop toepassen, kunnen we daar al iets anders bij voorstellen dan puur instinct en kunnen
we zien dat de partiële pulsie niet perse hetzelfde is bij elk individu
Het doel heeft te maken met wat we genot kunnen noemen  maar: vreemde
vraag: wat is dat genot eigenlijk?  (verdeelde) spanning en spanningsopbouw
o Het gaat ook om een partieel object
 Het wordt moeilijk om partiële pulsie op een categoriale manier te definiëren
o Dat is het belangrijkste verschil met het instinct: het instinct is altijd hetzelfde en
kun je heel categoriaal gaan bekijken
o Partiële pulsie: lokte heel veel (morele) acties uit (zie boven: kind en liefde)
o
LIEFDE VS DRIFT (FREUD)
Liefde: blijkt dat dat, ook voor Freud, 2 aparte dingen zijn:
o Het driftmatige (partiële pulsies, …)
o Het vlak van de liefde
 Twee aparte velden



Ze zijn zo apart dat Freud een typisch probleem zal beschrijven: hoe
kunnen wij die twee velden samenbrengen? Hoe kunnen wij met iemand
voor wie wij liefde voelen, allerlei dingen uitsteken? En omgekeerd: hoe is
het mogelijk dat wij een perfect bevredigende interactie kunnen hebben
met iemand die we absoluut niet graag zien?
Er is daar blijkbaar een spanningsveld tussen: die zaken vallen absoluut
niet samen
Opdeling:
 Liefde = seksloos (want: bevuiling, vernedering, … van die liefde
en figuur)
Psychoanalytisch perspectief

35

Freud gaat die liefde (als een van de weinigen binnen het veld van de kliniek of
wetenschappen) ook als iets apart beschouwen en bestuderen
o
o
o

Freud zal zich de vraag stellen naar wat liefde is, hoe wij dat kunnen begrijpen,
wat de grond ervan is, en waarom er geen vanzelfsprekend in elkaar overvloeien
is van het veld van het erotische, de drift en het veld van de liefde
Binnen de literatuur vinden we natuurlijk wel vrij veel aandacht voor de liefde, en
daar krijgen we (binnen de mainstream literatuur) het beeld van het perfect
gelukte koppel, het ideale huwelijk, enz.
MAAR: dat klopt niet, dat is een foute lezing
 Maar: tezelfdertijd zit er wel iets juist in
 Wat niet klopt: het romantische beeld en het eeuwige beeld
 Wat wel klopt: dat het aspect kinderen daarin vrij centraal staat en het
aspect economie (huwelijk als een economische aangelegenheid)
Het huwelijk is een economisch verband/contract, waarbij eigendom van twee families
samengebracht wordt met de bedoeling om dat door te geven aan de volgende generatie
(en heeft in eerste instantie niets met liefde te maken)
o
o
Dat betekent dat die man-vrouwverhouding (of beperkter: het huwelijk) niet het
model is van de (eeuwige, echte, ware) liefde
Als we Freud erop nalezen, is er inderdaad een ‘oermodel’/basismodel voor de
liefde, waar elk van ons mee aan de slag gaat: de moeder-kind verhouding
 Dat zal de basismolure (gietvorm) klaarleggen voor ALLE latere
liefdesverhoudingen, zonder uitzondering
 Maar: nuancering:
 Je ziet een determinerend effect, met een keuzemogelijkheid
 De psychoanalyse noemt dit de overdracht: de oorspronkelijke
basisverhoudingen (eerst t.o.v. de moeder, later t.o.v. de vader)
zullen een zeer sterk inkleurend en zelfs determinerend effect
hebben voor alle latere verhoudingen
 DUS: als we dit aspect, de liefde, willen begrijpen, moeten we
gaan kijken naar de moeder-kindverhouding, welke kenmerken
daar aanwezig zijn en op welke manier deze later zullen
terugkeren in de volwassen liefdesverhoudingen
 Ook nog andere vraag: hoe zal die latere liefdesverhouding op een
of andere manier in interactie treden met de erotiek: hoe gaan die
twee dan samenkomen?
KENMERKEN VAN DE OORSPRONKELIJKE LIEFDESVERHOUDING (MOEDER-KIND)
TOTAAL EN EXCLUSIEF

Het gaat om een volledige verhouding
o
o
o
Eenheid/totaliteit van moeder en kind (zijn alles voor elkaar)  symbiose
Kun je het best vaststellen via de figuur van de vader
Dus: totaal en exclusief kun je vooral afwegen aan de ‘derde uitgeslotene’
Psychoanalytisch perspectief

Seksualiteit en erotiek = laag bij de grond, moet bestreden
worden, …
36

Heeft te maken met een ervaring die zeer moeilijk te beschrijven is (lichamelijk en
psychologisch, geluksgevoel, gevoel van volledigheid, …): het is zo existentieel dat woorden
ervoor tekort schieten
o
o

Brokkelt geleidelijk af door de eisen van het leven op zich
o
o
o

De fysieke scheiding wordt geleidelijk aan een mentale scheiding: afstand
Die afstand zal voor een flink stuk toenemen door de impact van de
taalverwerving (be-midde-ling) en de impact van de anderen
De symbiose wordt doorbroken door de introductie van de derde
Het doorbreken van die symbiose heeft op beide partijen (moeder en kind) een negatief
effect
o
o

Lacan: ‘jouissance’: combinatie van genot en angst  het is nooit onverdeeld
Angst: maakt deel uit van die verhouding (verantwoordelijkheidsgevoel, …)
Beide partijen vinden het niet kunnen dat de ander aandacht besteedt aan iemand
anders: je krijgt een soort rivaliteit + eis tot exclusiviteit (van beide partijen)
Dit is zeer eenvoudig door te trekken naar de volwassen verhoudingen: dit is de
verklaring/grond voor de eis tot exclusiviteit in de liefdesverhouding
 Biologisch is de mens niet monogaam
 Maar: psychologisch is die eis heel sterk aanwezig (terugkerend op die
vroege verhoudingen)
Als we terugkeren naar de vraag naar de uitbeelding/verbeelding (prehistorische kunst, …):
hoe komt het dat wij vanaf het begin om één of andere reden die aspecten willen uitbeelden?
o
o
o
Dat heeft te maken met dat verlangen om terug te keren naar die eenheid
Via de kunst/verbeelding, bereiken wij even terug die symbiose/eenheid
Dat kun je heel snel bij jezelf ontdekken: wanneer bereik je de perfecte staat van
volledigheid en eenheid met je partner? Wanneer je aan het fantaseren bent
 Fantasie is letterlijk ver-beelding, voorbij de taal en voorafgaand aan de
taal (het is geen bemiddeling meer: je zit erin, valt samen met het beeld en
verdwijnt even terug in die eenheid)
 Er is één groot voordeel aan: je kan terugkeren uit die verbeelding
TOT MISLUKKEN GEDOEMD
De symbiose brokkelt beetje bij beetje af door de eisen van de omgeving en de introductie
van de taal  op dat ogenblik ontstaat er een verlangen, naar datgene wat men kwijt is (die
totaliteit en exclusiviteit)
o
o
Cf. bekende mythe van Plato: tweeruggenbeest
Toepassing op de freudiaanse lezing: aantal mooie overeenkomsten
 De oorspronkelijke liefdesverhouding heeft te maken met een totaliteit en
volledigheid (zonder seks) en dan is er geen verlangen, alleen een soort
almachtig gevoel
 Dat wordt verbroken, en op dat ogenblik ontstaat het verlangen, met als
object het opnieuw bereiken van de eenheid
 Maar: dat lukt niet, want als men dat probeert, sterft men
 Dus: er moet een soort sublimatie of surrogaat komen voor die
oorspronkelijke symbiose of volledigheid, en dat wordt dan seksuele
interactie (als soort tweede keuze, een soort oplossing om terug een
oorspronkelijke toestand van volledigheid te bereiken)
Psychoanalytisch perspectief

37
o

Met de visie van Plato: moderne, eigentijdse visie (bv. ook verklaring voor
homoseksualiteit)
Het belangrijkste dat we daaruit kunnen afleiden: de bedoeling van het verlangen (we keren
terug naar de moeder-kind verhouding en het effect daarvan op de latere verhoudingen) is
het herstellen van die oorspronkelijke eenheid
o
o
o
o
Naïeve redenering: de bedoeling van het verlangen is dat oorspronkelijke object
(we verlangen eigenlijk allemaal terug naar die moederfiguur)  klopt niet
De moeder ontstaat bij de splitsing (net zoals het kind daar ontstaat): voordien is
er geen moeder of kind, enkel een geheel  de bedoeling van het verlangen is
terug die eenheid, die volledigheid, te installeren  lukt nooit helemaal!!!
Dat verklaart waarom het verlangen telkens opnieuw begint en telkens opnieuw
blijft verschuiven
Dit verklaart ook waarom het object (zowel binnen de drift als binnen de liefde)
eigenlijk van minder belang is
MACHTSVERHOUDING
Die splitsing, opdeling, die in eerste instantie gebeurt binnen de schoot van het gezin, zal
bovendien geformaliseerd worden: het zal binnen een bepaalde structuur gegoten worden
o
o
o

Hier krijgen we dan iets wat hoogstwaarschijnlijk universeel is, en dat dus uit
hoofde van die universaliteit, hoogstwaarschijnlijk ook biologisch vastligt
Dan krijgen we een combinatie van het biologische en de cultuur: het
incestverbod en als tegenhanger het exogamieverbod
 Het incestverbod is eigenlijk het verbod om terug te keren naar de moeder
 Exogamieverbod: je moet buiten de schoot van die oorspronkelijke
verhouding, iemand anders gaan zoeken
 Dan krijg je de cultuur, die daar heel veel verschillende
vormgevingen aan zal geven
 Maar: elke cultuur geeft daar vorm aan, er is geen enkele cultuur
die tolereert dat er een structurele vorm van incest zou bestaan
 De structuur blijft dezelfde: men moet van binnen (interne verhouding)
naar buiten gaan (hetgeen zich in die oorspronkelijke verhouding
voordeed, proberen te installeren in een verhouding daarbuiten)
We hebben oorspronkelijk die symbiose (totaliteit, exclusiviteit) die uit elkaar
valt, en dan krijg je een dialectiek
 Op dat ogenblik krijgen we een interactie waarbij alle partijen van de
ander iets proberen te krijgen, met als doel dan toch een stuk van die
eenheid te herstellen
 Er gaat een soort wisselwerking/uitwisseling ontstaan tussen moeder en
kind en moeder, vader en kind, met als doel om tot op zekere hoogte dat
verlangen naar die eenheid in te vullen
Dat betekent dat we een verschuiving krijgen van die oorspronkelijke eenheid, naar een
verhouding van geven – nemen – weigeren  er gaat daar een dialectiek ontstaan
o
o
Het kind vraagt iets van de moeder en de moeder vraagt iets van het kind (in
eerste instantie heeft dit te maken met het willen herstellen van die eenheid)
Eerste punt van uitwisseling: het lichaam (voeding en zindelijkheidstraining) 
afwisseling van geven, nemen en krijgen
Psychoanalytisch perspectief

38
o
o
Voorbeelden van de machtsverhouding en uitwisseling: zal zich lange tijd gaan toespitsen op
het lichaam: voeding, zindelijkheidstraining en verzorging
o
o

Daar treedt de link op met de partiële pulsies: die zijn oorspronkelijk autonoom
aan het werk (bij het kind zelf), en worden daar binnen die interactie gebracht
tussen moeder en kind
Die interactie tussen moeder en kind zal vanaf een bepaald ogenblik
geseksualiseerd worden, in die zin dat het over het lichaam in de interactie met
de Ander gaat
 Het zijn dergelijke interactiepatronen die ook later op volwassen leeftijd
zullen terugkeren
 Op volwassen leeftijd komt daar het genitale bij
 Dus: het geseksualiseerde van de partiële pulsie is niet genitaal, en heeft
te maken met het lichaam en die verzorgingssituatie, en zal zich massaal
gaan enten op het genitale vanaf de puberteit (en niet vroeger dan dat)
Tot nu toe hebben we het gehad over baby’s en kleuters, moeders en vaders, maar die
baby’s en kleuters zijn nog geen jongens of meisjes (‘infant’)
o
o
o
Het genderaspect begint pas vanaf de leeftijd van 2 jaar – 2,5 jaar
Dit is ook zo in de gevoelsbeleving van het kind én van de ouders
Hoe wordt een baby dan een jongen of een meisje?
 Dan spreken we over de socialisatie: het overnemen van die gender
rolpatronen  gebeurt letterlijk en figuurlijk via de spiegel (vandaar het
belang van het spiegelstadium)  drie termen nodig!
 Dat verklaart waarom een klassieke gezinsstructuur altijd triangulair is
 Eenvoudige versie: het socialisatieproces via de spiegeling voor een
jongen gaat als volgt: het kind zal zich identificeren met de vader via de
blik van de moeder (hij identificeert zich met de vader omdat deze is wat
de moeder verlangt: ‘het is dat wat ik moet worden’)  de spiegel wordt
aangeduid door de derde
 Vandaar ook de complexiteit, want die blik van de moeder gaat
vaak de vader afwijzen (maar dan wordt wel door de moeder
aangegeven wat de ‘ideale’ vader zou kunnen zijn)
 Omgekeerd voor de meisjes zullen zij zich identificeren met de
moeder via de blik van de vader  dat zijn processen waarlangs
die rolpatronen overgebracht/geleerd worden
 Meer complexe versie: de eerste liefdesverhouding is sowieso deze met
de moeder (zowel voor het jongetje als voor het meisje)
 Wanneer het jongetje jongetje wordt, en zich identificeert met de
vader (of met het ideaalbeeld dat door de moeder aangegeven
wordt): in dat identificatieproces zal die jongen/man zich kunnen
wenden tot een andere vrouw als een soort vervanger van de
moeder
 Het meisje heeft in eerste instantie ook de moeder als eerste
liefdesobject, maar via die socialisatieprocessen moet zij dat
Psychoanalytisch perspectief

Als je naïef bent, zou je kunnen denken dat de macht om te geven of te weigeren,
langs de kant van de moeder ligt
Binnen de machtsverhouding ontstaat er een verdeling van iemand die moet
vragen en iemand die al dan niet wil geven
39
eerste liefdesobject vervangen door een object van een andere
orde: ze moet de moeder vervangen door de vader
o
Vergelijking:
 Een man ruilt zijn moeder in voor een andere vrouw, dus als vrouw ben je
sowieso 2e keuze
 Een vrouw ruilt haar moeder in voor de vader (2e keuze) en ruilt haar vader
in voor haar man (3e keuze)  er is al een duidelijke afstand daartussen
Dit vertaalt zich in een aantal persoonlijkheidskenmerken
 Bij het jongetje zal er uit hoofde van het behouden van hetzelfde object,
een sterke rivaliteit ontstaan met de vader die gericht is naar de moeder
toe (en die door de vader zelf ook heel sterk in de hand gewerkt wordt)
 Die rivaliteit zal ook een bepaalde hiërarchie gaan installeren, en
ook een bepaalde verhouding tegenover autoriteit
 Rivaliteit  hiërarchie  autoriteit
 Maatschappelijke vertaling: mannen zijn hypercompetitief, zeer
hiërarchisch (leger en kerk), met daarbinnen een bepaalde
verhouding t.o.v. de autoriteit
 Bij de ontwikkeling van dat jongetje krijg je dus dat
hypercompetitieve en dat prestatiegerichte, dat zich heel sterk en
heel snel op het fallische gaat richten
 Bij vrouwen krijg je een horizontale organisatie: de verhouding tegenover
de autoriteit is compleet anders
 Want: de zetel van de autoriteit is de vader, en voor de zoon is dat
dé belangrijke figuur – voor de dochter is dat al een substituut
 Dus: de verhouding tegenover de autoriteit is veel losser
 Klinisch voorbeeld: autoriteit hangt samen met een soort
schuldgevoel  enorm verschil tussen mannen en vrouwen:
o Het schuldgevoel van de man situeert zich tegenover de
moeder (op het vlak van een overtreding van de wet, via
de vader)
o Het schuldgevoel van de vrouw situeert zich tegenover de
kinderen
 Uit hoofde van de verschuiving van moeder naar vader en van
vader naar potentiële partner, ligt het accent veel meer op het
relationele, en veel minder op dat fallische
o Waar de man fallocentrisch is, is de vrouw relatiecentrisch
o Het is dat dat voor haar centraal staat, omdat ze dat
moeten inleveren heeft
Psychoanalytisch perspectief
o
40
HET NIEUWE ONBEHAGEN IN DE CULTUUR: DE
VERPLICHTING TOT GENIETEN
INLEIDING

~ Freuds oeuvre: ‘Das Unbehagen in die Kultur’  centraal idee: de cultuur, en ruimer de
maatschappij, zorgt er automatisch/structureel voor dat er bij het individu, als lid van die
cultuur/maatschappij, een soort onbehagen ontstaat
o
o
Door het spanningsveld tussen het maatschappelijke veld en het individu
Hij gaat er bovendien van uit dat dat normaal/vanzelfsprekend is, hetzij dan wel
dat dat spanningsveld verschillende vormen kan aannemen, en dat dat
spanningsveld ziekmakend kan zijn
VISIE VAN VERHAEGHE OP IDENTITEIT

Onze identiteit wordt voor een flink stuk beïnvloed door het maatschappelijk-culturele

Identiteit = constructie ≠ aangeboren/essentie ≠ iets diep van binnen
o
o

Laatste 2 = misvattingen
Het is het tegenovergestelde: (psychologische) identiteit komt van buiten en
identiteit is voortdurend in verandering/evolutie
(Gender)Identiteit is een constructie die volledig in functie is van de omgeving
Identificatie/mirroring en separatie als onderliggende mechanismen:
Beschrijving identiteit: altijd met een aantal ‘psychologische kenmerken’ (en dan liefst deze
die sociaal aanvaardbaar zijn)  maar: dit soort invullingen van identiteit is zeer naïef
o
Het is veel interessanter als je je identiteit probeert te begrijpen in termen van
verhoudingen  dat is geen toeval (cf. basisfantasma: subject gaat zich spiegelen
aan én afstand nemen van de Ander)
 Welke verhoudingen?
 De verhouding tegenover de Ander van het ander geslacht De verhouding
tegenover de Ander van de autoriteit
 De verhouding tegenover de Andere gelijke (= spiegelbeeld)
 De verhouding tegenover onszelf: verhouding t.o.v. de eigen verdeeldheid
 evaluerend + invloed op identiteit/persoonlijkheid

De identiteit in een notendop: identiteit wordt gevormd in dialoog met de omgeving (door
de spiegels die hierdoor aangeboden worden), met als resultaat dat men 4 verhoudingen
uitbouwt die de identiteit gaan bepalen
o
o
Die 4 verhoudingen zijn absoluut niet neutraal: sterk moreel beladen!!
Implicatie van dit model: onze identiteiten veranderen i.f.v. de spiegels
 Onze identiteit is een constructie die nooit af is!
 Dit betekent heel concreet dat als we zeggen dat onze identiteit
verandert, we zeggen dat ook onze verhouding tegenover de Ander
verandert, en dat de normen en waarden veranderen en verschuiven
Het nieuwe onbehagen in de cultuur: de verplichting tot genieten
o
o
41
‘NIEUW ONBEHAGEN’

Wanneer men een onbehagen voelt, kan dit grosso modo twee redenen hebben: een reden
die naar binnen gaat en een reden die naar buiten gaat
o Reden die naar buiten gaat = belangrijkste: in verhouding tot de Ander
o Reden die naar binnen gaat: betreft de verhouding tegenover onszelf
 DUS: dat onbehagen is ook functie van die veranderende spiegel, die andere
verhoudingen gaat installeren
Freud: genderstudies en mentale stoornissen
o
Één van de merkwaardige dingen die je bij Freud kan vinden: de mentale
stoornissen die hij beschrijft (spectrum neurose en persoonlijkheidsstoornissen),
zijn eigenlijk morele stoornissen
 Allemaal te maken met de verbodsinstantie in ons psychisme: Über-Ich
 Ze hebben allemaal te maken met een botsing tussen het individu/
verlangen en de eisen van de Victoriaanse maatschappij (m.b.t.
lichamelijkheid, seksualiteit en man-vrouwverhoudingen)  spanning!!
o Het gaat om een morele problematiek mét een psychopathologische bewerking
(defensiemechanismen, verdringing, …)
 Dat is de verklaring die Freud naar voor schuift voor het ontstaan van die
neurotische problematieken
 Twee vragen daarbij:
 Van waar komt die botsing (tussen eisen maatschappelijke –
verlangens individu)?
o Freud schrijft dat er noodzakelijkerwijze een
spanningsveld moet zijn tussen de eisen van de groep (=
het maatschappelijke) en de verlangens van het individu,
en het maatschappelijke zal altijd een rem zetten op de
verlangens van het individu, en zal dus altijd een vorm van
frustratie zijn en een vraag naar bepaalde sublimaties
o Dat spanningsveld is de facto gegeven
o Complex antwoord van Freud: die zogenaamd externe
botsing is eigenlijk een vervolg, een naar buiten brengen
(exteriorisatie) van een interne botsing: er is vanbinnen bij
ons als individu al iets aan het werk dat conflicterend is 
datgene vindt zijn weerspiegeling in de buitenwereld
o Freud zal die interne tegenstelling, dat intern gevecht,
uitwerken o.a. via zijn theorie van de 2 ‘tegengestelde’
basisdriften (eros en thanatos) die in ons aan het werk zijn
o Dus: elke maatschappij zal haar eigen vormgeving bepalen
van dat spanningsveld, en zal dus haar eigen afwijkingen
creëren
 Kan die botsing verschillende vormen aannemen? JA
o ~ onze identiteit is een constructie gebaseerd op de
spiegelingen die ons voorgehouden worden
o We nemen die verhoudingen over, maar tezelfdertijd
houden we daar een bepaalde verdeeldheid aan over die
dan zal zorgen voor dat onbehagen
Het nieuwe onbehagen in de cultuur: de verplichting tot genieten

42
o
DRIE
We kunnen op 100 jaar tijd vrij makkelijk drie
vormgevingen (én dus: drie verschillende identiteiten,
combinaties van verhoudingen tegenover iemand anders,
en verschuivingen van normen en waarden) beschrijven:
 De Victioriaanse vormgeving/maatschappij (grosso
modo tot 1950, afhankelijk van het milieu)
 De mei ‘68 generatie
 De hedendaagse maatschappij, de ‘Enronmaatschappij’
VORMGEVINGEN VAN DE BOTSING TUSSEN INDIVIDUELE VERLANGENS EN
MAATSCHAPPELIJKE EISEN
 Toegepast op genderstudies (maar: je kan het natuurlijk ook veel ruimer gaan bekijken in
termen van die vier verhoudingen)

Victoriaanse maatschappij: gemakkelijkst om te beschrijven: kennen het vrij goed + is voorbij

Uitdrukkelijk: patriarchale maatschappij (laatste ‘stuiptrekkingen’ hiervan), gekoppeld aan
religie, bepaalde politieke opvattingen (koningen, keizers, patriarchen, paus, …)
o
o
o

Binnen dat patriarchale model is seksualiteit in het algemeen en vrouwelijke
seksualiteit in het bijzonder, het ‘kwade’ en oorzaak van zonden, verderf, …
De moraal zal zeer dwingend en zeer verbiedend zijn
Het is geen toeval dat Freud in het hart van de identiteit (Ego) het Über-Ich (super
Ego) als verbodsinstantie zal gaan plaatsen  massaal verbod op seksualiteit, op
genieten en op lichamelijkheid in het algemeen
 Gevolg: stoornissen kunnen begrepen worden als ‘seksuele stoornissen’
 Die moeilijkheden vertalen zich dan ook uitdrukkelijk in (het ontbreken
van of de pathologische uiting van) hun seksuele activiteit: in alle gevallen
ontbreekt het orgasme en is seksualiteit alleen maar iets waar men van
droomt (nachtmerries)
 Dit zal de voedingsbodem worden voor de seksuologie + basis voor de
eerste vormen van psychoanalytische therapie (accent op verdrongen
seksualiteit en verdrongen verlangens, genderposities)
 Psychoanalyse en ruimer een aantal politieke bewegingen uit dat
tijdskader, stonden in het licht van de (ruime) emancipatiebeweging
De spiegels beginnen te schuiven, voornamelijk door de wereldoorlogen
o Op grond van WOI is de klassieke/patriarchale moraal, aan flarden geschoten
Fundamenteel andere visie op 80 jaar tijd! En dat heeft alles te maken met het feit dat
hetgeen waarin men geloofde, een serieuze deuk gekregen heeft
MEI ’68 GENERATIE: ‘DE VERPLICHTE VRIJE LIEFDE’

Vanaf de jaren ’50-’60 krijg je een nieuwe generatie die op een heel andere manier begint na
te denken over man-vrouwverhoudingen, ook al omdat, als effect van WOII, er een hogere
sociale mobiliteit ontstaan is (hoger onderwijs  relativiteit begrijpen  afstand nemen 
… + contraceptiva, emancipatie van de vrouw, …)
Het nieuwe onbehagen in de cultuur: de verplichting tot genieten
VICTORIAANSE MAATSCHAPPIJ: ‘HET BELANG VAN HET JUISTE ORGASME’
43

Victoriaanse tijdperk = tijdperk waarbij men op zoek moest gaan naar het ‘juiste orgasme’
 Post mei ’68 generatie = het tijdperk waarbij men op zoek moest gaan naar de verplichte
vrije liefde
o
o
o

Verplichte vrije liefde als een soort omkering van hetgeen er voordien geweest
was: hetgeen niet mocht, moet nu
Autoriteit wordt in die periode ook uitermate verdacht (want “=” patriarchaat)
Lacan: zal daar ironisch over doen: het postmoderne Über-Ich (in vergelijking met
dat van Freud: het Über-Ich van het verbod: “Gij zult niet…”) geeft exact de
omgekeerde boodschap: “Gij moet …”: je moet en zult genieten/consumeren
Zelfde periode: men ziet een mogelijkheid om individuele autonomie te verwerven, om voor
een stuk het ‘individuele of eigen verlangen’ te gaan volgen
o
o
Belangrijk in het licht van het huidige tijdperk
Victoriaanse tijdperk tot 1968 periode: maatschappij waarbij alle accent op de
groep/identificatie ligt  er is een uniformiteit aan het werk
o Dat zal zo goed lukken dat we vandaag aan de andere kant zitten: zeer vergaande
vorm van individualisering met accent op autonomie, separatie, het eigen
verlangen, …  en: we snakken allemaal naar de groep terug
o Twee extremen: zekerheid en voorspelbaarheid  onveiligheid, …
 De beste oplossing is ergens tussenin (hebben we even gehad tussen ’70-’90)

Op vlak van genderverhoudingen: grote experimenteerperiode, waarin men vooral wist wat
men NIET meer wilde (= klassieke huwelijk)
HEDENDAAGSE MAATSCHAPPIJ: ‘GENOT OP AFBETALING’
Vanaf de jaren ’90 krijgen we ondertussen een nieuw model, waar wij ten volle inzitten, dat
zich gepresenteerd heeft op een quasi onzichtbare manier, omdat het als ideologie zich
gepresenteerd heeft via het bedrijfsleven als een soort weerspiegeling van de realiteit
o

Identiteit: gebaseerd op die constructie, spiegeling met wat ons aangereikt/
voorgehouden wordt, nl. die 4 belangrijke verhoudingen met als kern de normen
en waarden)
 Onze identiteit is als constructie/resultaat van die spiegels, gebaseerd op een
dominante ideologie (als een theoretisch geheel van normen en waarden
over de ideale sociale verhoudingen binnen een ideale maatschappij)
 Tot pakweg 1960: patriarchaal-religieuze ideologie  “Vlaamsche
identiteit”
 Na 1960 wordt het een andere ideologie: ‘postmoderne ideologie’
met accent op individu, vrijheid, …
 De nieuwe ideologie (sinds 1990) doet dat via een economisch
model (doet zich in eerste instantie zo voor, maar zal van daaruit
heel snel andere velden innemen)
Enron-model:
o
o
In eerste instantie begonnen als een correctie op de vorige ideologie (cf.
‘organische levensduur’ van een ideologie: opkomend – dominant – karikatuur
van zichzelf – klaar om afgelost te worden)  in eerste instantie dus positief
Gaat van start met de idee van meritocratie (= diegene die het hardst werkt,
wordt het best beloond)  vriendjespolitiek, familiale politiek, …
 Installeert zich in het onderwijs en in bedrijven/economie
Het nieuwe onbehagen in de cultuur: de verplichting tot genieten

44
 Deze twee zullen samenkomen en zullen op een bepaald ogenblik de
spiegels gaan bepalen
o De international Enron is de eerste geweest die deze ideologie vertaald heeft
naar een human resource management: productiviteit verhogen door onderlinge
competitie en daaraan gekoppelde angst
 “Rank and yank”
 ~ ons onderwijssysteem: watervalsysteem
 ~ bedrijfswereld: up or out
 Op 15 jaar tijd is dat heel snel doorgedrongen in alle sectoren
Karikatuur van zichzelf geworden:
o
o

Elke identiteit berust op een ideologie, en aldus op een aantal opvattingen over
mensen en over de verhoudingen tegenover andere mensen
Het neoliberale model kunnen we met twee centrale opvattingen typeren, die
allebei juist zijn  MAAR: ze zijn helaas onvolledig
 De mens is maakbaar (~ identiteit als constructie)
 ‘Ieder mens moet hét maken’
 2 tekorten in deze opvatting:
o Wat dat competitieve betreft: we zijn competitief, maar
ook een sociale diersoort die ook solidair is en gericht is
op samenwerking  wij hebben die 2 tendensen in ons, en
dewelke overweegt, is i.f.v. de omgeving
 De mens is een competitief wezen
 Mensen zijn sociale zoogdieren  een sociale diersoort is per
definitie competitief
Enkele kritische vragen:
o
o
o
Hebben we een wetenschappelijke methode, een mogelijkheid, om de
maatschappij te evalueren? Om te kijken of mensen gelukkiger zijn (dan in een
andere maatschappij)?
 Geluksonderzoek is een hype en stelt niet veel voor: zelfbeoordeling,
representatieve steekproeven, …  oefening in sociale wenselijkheid +
veel kritiek op kwantificering
 We hebben dit eigenlijk niet nodig om een maatschappij te evalueren 
we hebben vandaag de dag veel betere meetinstrumenten en criteria
 Veld van de sociologie: ‘psychosociale gezondheidsindicatoren’
 Als je die cijfers hebt, en die gaan de slechte richting uit, is dat niet
direct een ‘goede maatschappij’ waarin je wil leven, werken, je
kinderen wil groot brengen, …
Zijn er maatschappijen waarin mensen gelukkiger kunnen zijn of niet?
 We zien dat de cijfers voor de meerderheid van de EU-landen systematisch
de slechte kant uitgaan: er treden meer van die factoren op dan voordien
 De maatschappij is er slechter aan toe
Wat is de oorzaak/verklaring van die ‘slechtere maatschappij’?
 Factor met de hoogste verklarende variantie = toename van de inkomensongelijkheid (of: het wegvallen van de middenklasse)  een dergelijke
maatschappij gaat heel snel de slechte richting uit
Het nieuwe onbehagen in de cultuur: de verplichting tot genieten

45
Wat is het effect van deze maatschappij op de genderverhoudingen, op de seksualiteit en op de
verhouding die wij aannemen ten opzichte van ons lichaam?
o
o
o
o
o

Onze hedendaagse identiteit en genderverhoudingen, zitten vandaag uitdrukkelijk in dat
model, en dat zorgt voor het ‘nieuwe onbehagen’
o
o

Onze identiteit berust altijd op een ideologie  de huidige ideologie houdt ons
voor dat wij het moeten én kunnen maken, en m.a.w. dat perfectie binnen onze
mogelijkheden ligt, als we maar hard genoeg ons best doen, en de juiste keuzes
maken
Dat discours/vertoog vertaalt zich heel snel!
Het effect daarvan, is dat het eigenlijk ook nooit goed genoeg is
 Cf. Richard Sennet (kritiek op de individualisering): “het gevolg daarvan is
dat iedereen vandaag op zoek is naar zichzelf, en dit op de koop toe via de
seksualiteit” (“the endless search for oneself via the genitals”)
 We vinden geen een van de twee: de seksualiteit is niet bevredigend, noch
de zoektocht naar onszelf  dit omdat er een soort mythische perfectie
achter schuilt die zou moeten bereikt worden
Dit vertaalt zich dan meteen ook in de genderverhoudingen: bv. moderne manier
om een partner te vinden via internet en datingsites
 Er valt iets af te dingen op de manier waarop dit gebeurt: die
neoliberalisering is dus een verregaande vorm van economisering, een
vermarkting waarbij alles tot een product wordt  rationele keuze
 Maar: dit heeft één groot nadeel: dit betekent dat er altijd nog een betere
mogelijkheid/keuze (‘grasmachine’) is, alleen kan men die niet ‘betalen’
(en alleen al daardoor is het ‘beter’)
 Als je de partnerkeuze ook op die manier gaat structureren, kom je bij het
grasmachinemodel dat niet werkt
 Als we het effectief hebben over een partnerkeuze, is die keuze
nooit rationeel
 Je kiest je lief emotioneel, en nadien gebruik je je verstand
 Als men in deze sfeer komt, is de mislukking eigenlijk ingebakken
Die verplichte perfectie, in combinatie met het moeten nastreven en het
schuldbesef dat eraan gekoppeld is (als je die perfectie niet bereikt) leidt ertoe
dat men ervan uitgaat dat men nog meer zijn best moet doen
Het moet perfect zijn, dus is het per definitie nooit perfect genoeg
Het moet de juiste keuze zijn, dus is het per definitie nooit de juiste keuze, er is
altijd nog een betere keuze
MAAR: goede nieuws: deze ideologie kent op dit ogenblik haar eindpunt  verandering
o
o
We zien van onderuit (want uit de politiek zal die verandering niet komen)
verschillende initiatieven ontstaan met één gemeenschappelijk kenmerk:
initiatieven die weer een groep/groepen bij elkaar brengen rond een
gemeenschappelijk thema
 individualisering, autonomisering, ‘rank and yank’, …
Het nieuwe onbehagen in de cultuur: de verplichting tot genieten

46
LET’S TALK ABOUT SEX - GASTCOLLEGE
EEN WANDELING DOORHEEN ENKELE TOPICS IN SEKSUOLOGISCH
ONDERZOEK EN PRAKTIJK
INLEIDING
EEN KORTE WANDELING DOORHEEN DE GESCHIEDENIS VAN DE SEKSUOLOGIE
RICHARD VON KRAFFT-EBING (1840-1902)

Casuïstiek: database om een classificatie over seksuele stoornissen te gaan produceren

1886: Psychopathia sexualis
MAGNUS HIRSCHFELD (1868-1935)
 Begin 20e eeuw: hoogdagen van de seksuologie

1908: Zeitschrift für Sexuologie  allereerste maandblad voor seksuologie

1919-1933: Institut für Sexualwissenschaft

Sterk maatschappelijk engagement

Differentiatie
o
o
o
o
Homoseksualiteit
Transvestisme
Transseksualiteit
Interseksualiteit (wordt vandaag niet meer gebruikt): « aandoeningen in de
seksuele ontwikkeling »
EERSTE ONTWIKKELINGEN SEKSUOLOGIE ALS WETENSCHAP
Seks als gezond (normaal) of ongezond (abnormaal), beoordeeld vanuit medische,
psychiatrische, psychologische
ALFRED KINSEY (1894-1956)

1947: Institute for Sex Research (Indiana)

1948: ‘Sexual behavior in the human male’

1953: ‘Sexual behavior in the human female’

Interviews met 8603 mannen en 7789 vrouwen

Moest cursus over seksualiteit geven (enkel voor verloofden)  maar: geen informatie
beschikbaar over seksualiteit  met collega’s: heel veel interviews
Let’s talk about sex - gastcollege
Seks als goed of slecht, beoordeeld vanuit juridische, morele
47
o
o

Zijn publicaties hebben een gigantische schokgolf als gevolg
Veel mensen seks voor het huwelijk, niet zeldzaam holebi-contact, …
Kinsey schaal
JOHN MONEY (1921-2006)

‘40 en ‘50: begrip ‘gender identiteit’ (intersekseproblematiek of ASO/DSD)

1972: ‘Man and woman, boy and girl’ (Money & Ehrhardt)

Model voor ontwikkeling van …
o
o
o
Sekse (= biologisch geslacht)
Genderidentiteit (= innerlijke beleving: man/vrouw voelen)
Genderrol (= sociale rol, gebaseerd op waarden en normen)
WILLIAM MASTERS (1915-2001) & VIRGINIA JOHNSON (1925-2013)

Seksuele responscyclus  fysiologische, biologische respons bij seks
o
o

Sekstherapie:
o
o
o
o

1966: ‘Human sexual response’
1970: ‘Human sexual inadequacy’
Residentieel
Cliëntenkoppel én therapeutenkoppel (twee therapeuten gaven therapie)
Gedragstherapeutisch (patroon afbreken en terug opbouwen)
Sensate Focus-oefeningen
Seksuele responscyclus:

Toevoeging fase seksueel verlangen

1979: ‘Disorders of sexual desire’

Verre vs nabije oorzaken seksuele disfuncties
o
o
Verre oorzaken (combinatie):
 Psychopathologische ontwikkeling
 Relationele problematiek
Nabije oorzaken:
 Gebrek aan kennis
 Ontbrekende vaardigheden
 Faalangst
 Onrealistische verwachtingen
Let’s talk about sex - gastcollege
HELEN SINGER KAPLAN (1929-1995)
48
WEDEROPBOUW NA WO II (1945-1973)

Seks als biologische functie, heteroseksuele coïtus als doel en seksuele normaliteit

Seks tussen instemmende partners

(1974: homoseksualiteit verdwijnt uit DSM  reflectie van wat er maatschappelijk aan het
werk was)
SHERE HITE

Seks als sociaal-maatschappelijk product (= tegenhanger van het biologische)  invloed op
hoe mensen hun seksualiteit vormgeven, hoe ze hun seksualiteit gaan zien

1976, 2004: ‘Hite report on female sexuality’

1981: ‘Hite report on men and male sexuality’

1/3 vrouwen orgasme via coïtus (en anderen dus niet)
ERNST GRAFENBERG (1881-1957)

1950

G-spot (mythe!)
VAGINAAL OF CLITORAAL ORGASME?

Slechts 30% van de vrouwen komt regelmatig klaar via coitus

Vaginaal (of coïtaal) orgasme = volwassen orgasme?

Is 70% van de vrouwen onvolwassen?

Vaginaal orgasme is terug…

Onderscheid tussen vaginale en clitorale sensaties suggereert dat vrouwen in staat zouden
moeten zijn om de anatomische bron van hun seksuele plezier waar te nemen

Elk orgasme is clitoraal (clitoris = topje ijsberg)
CONSTRUCTIONISME VS MEDICALISERING (1973-HEDEN)
Terugkeer van de biologische benadering
Let’s talk about sex - gastcollege
Seks als sociaal-maatschappelijk product, roep om gelijke rechten en aandacht voor preventie
seksueel geweld
49
SEKSUELE GEZONDHEID IN DE LAGE LANDEN
SEKSUELE GEZONDHEID IN NEDERLAND
SEKSUELE GEZONDHEID IN VLAANDEREN

Representatieve studie bij N=1832 Vlamingen  SEXPERT

Doel: betrouwbare gegevens rond
o
o
o
Socio-demografische kenmerken
Biologische kenmerken
Psychologische kenmerken

Mythes versus feiten
o
« Legalisering abortus leidde tot meer abortussen »
De periode 1990-2011 vertoont geen toename tegenover de periode 1970-1990.
Tussen 1970-1990 nam het aantal abortussen wél toe tegenover 1950-1970,
ondanks gebrek aan een wettelijke context.
o « Seksueel grensoverschrijdend gedrag bepaalt later seksueel functioneren »
Let’s talk about sex - gastcollege
PREVALENTIE SEKSUELE DISFUNCTIES
50
o
o

Wie in de kindertijd slachtoffer werd, loopt een risico op een lager mentaal en
fysiek welzijn later in het leven. Maar gemiddeld genomen zijn slachtoffers even
tevreden met hun huidig seksleven en hechten ze er evenveel belang aan als nietslachtoffers.
« Jongeren starten steeds vroeger met seks »
Jongeren starten vandaag vroeger (op 17 jaar tegenover op 20 jaar bij de huidige
65-plussers), maar zijn er daarom niet minder klaar voor. Het ‘seksuele traject’
(van tongzoen tot geslachtsgemeenschap) bedraagt bijna 3 jaar en blijft
ongewijzigd doorheen generaties.
« Vlaming heeft 2 à 3 keer per week seks »
De Vlaming heeft gemiddeld 5 keer per maand of 1.2 keer per week seks. Die
frequentie ligt lager bij tieners, hoger bij twintigers, dertigers en veertigers en
opnieuw lager bij 50-plussers.
Meer informatie: www.sexpert-vlaanderen.be
ENKELE RELEVANTE TOPICS: SEKSUELE EFFECTEN VAN …
HORMONALE CONTRACEPTIE

Uitvinder contraceptieve pil: Pincus et al (1959), Science
o
o
1960 goedkeuring FDA voor gehuwde vrouwen  initieel was dit zo!
1972 goedkeuring voor ongehuwde paren: ‘right to non-procreative sex’

Veel literatuur rond nevenwerkingen, maar kennis omtrent seksuele effecten?

West-Europa: orale contraceptie meest populair: 50-85% van de vrouwen

Vlaanderen:
o
o

Gezondheidsenquête (2004): 57% vrouwen reproductieve leeftijd)
Sexpert: 84% van seksueel actieve, pre-menopauzale vrouwen in Vlaanderen
gebruikt contraceptie (Elaut et al, 2015)
Meest gebruikte methoden:
o
o
o
Combinatiepil (38%)
Hormonale spiraaltje (Mirena®) (14%)
Vrouwelijke sterilisatie (10%)
SEKSUALITEIT EN HORMONALE CONTRACEPTIE?
Vroegste studies (jaren ‘60 en ‘70):
o
o

Meerderheid vrouwen geen negatieve seksuele effecten
Wél in kleine minderheid
’80: ‘Safety and Efficacy Task Force’ (Human Reproduction Program, WHO)  John Bancroft
en collega’s
DRIE ONDERZOEKSLIJNEN

Seksuele en emotionele effecten zijn belangrijkste reden voor stopzetten pilgebruik

Seksuele effecten bij pilgebruiksters bestaan (het zit niet tussen onze oren)
Let’s talk about sex - gastcollege

51

Pilgebruik zorgt voor ‘afvlakking’ seksueel verlangen doorheen maandelijkse cyclus
CONCEPTUEEL KADER: SEKSUEEL VERLANGEN/SEKSUELE MOTIVATIE

Incentive Motivation Model (Gijs, Laan & Both, 2009)

Seksueel verlangen ≠ iets dat spontaan opborrelt  voorwaarden (o.a. adequaat seksueel
systeem + omgeving)

Seksuele ervaring = resultaat van een complex matching-proces
o
o
o
Aanwezigheid seksuele stimulus activeert seksueel systeem
Vanuit dit seksueel systeem wordt de aandacht (vanuit werkgeheugen) gericht op
seksuele stimulus, zodat
 In expliciet geheugen, d.m.v. bewuste toegankelijke herinneringen,
betekenis stimulus geactiveerd wordt
 In impliciet geheugen emotionele opwinding geactiveerd wordt
Activatie van het seksueel responssysteem passeert langs evaluatieve processen
die gedrag(svoorbereiding) al dan niet laten doorgaan (inhibitie/facilitatie)
Let’s talk about sex - gastcollege
INFORMATIEVERWERKINGSMODEL VAN HET SEKSUEEL SYSTEEM
52
(wanneer we seksuele prikkels ervaren, gaan we daar niet altijd naar handelen 
die actietendens wordt gereguleerd)
INCENTIVE MOTIVATIE MODEL

« Seksueel responssysteem »
o
o
Centrale seksuele opwindbaarheid [‘arousability’ (Bancroft, 1989) of ‘centrale
motivationele staat’ (Bindra, 1974)]
Energetisch aspect vanuit het individu (push): kracht en intensiteit waarmee doel
nagestreefd wordt

Adequate stimuli in de omgeving die passen bij de voorwaarden van het seksueel
responssysteem  situationeel aspect (pull)

Leidt tot voorbereiding van actietendens

Binnen regels die toegang tot seksuele partners of het uitvoeren van actietendensen sturen
(regulatie)

Seksuele motivatie:
STOPZETTEN VAN PILGEBRUIK
Redenen voor stopzetten gebruik op 2 niveaus (Sanders et al, 2001)
o
o

Spontaan gemelde redenen:
 Fysieke (37%)
 Emotionele (33%)
 Seksuele (8%) effecten  klein percentage/aandeel hiervan
Logistische regressie naar beste voorspellers (87% verklaarde variantie):
 Frequentie seksuele gedachten
 Verminderde seksuele opwindbaarheid
 Emotionele nevenwerkingen
Stoppen/switchen = frequent !
SEKSUELE EFFECTEN PIL

Zeer beperkt degelijk onderzoek naar prevalentie van seksuele effecten bij pilstarters (crosssectioneel: men recruteerde 2 groepen van vrouwen en gaven hen een verschillend
preparaat)
 BIAS !
Let’s talk about sex - gastcollege

53

Wél hypothesen rond mogelijk effect op seksuele motivatie/verlangen
o Sinds ‘70: iatrogeen ‘hypo-androgenisme’: vanuit afname vrij beschikbaar
testosteron
o Recenter: desensitisatiehypothese (mooi alternatief voor de relatief eenvoudige
eerdere hypothese)
AFVLAKKING MAANDELIJKSE CYCLUS
Prospectieve dagboekstudie bij 89 hetero paren
o
o
Resultaten:
 Solitair en dyadisch seksueel verlangen vrouw
≠ contraceptieve cyclus: stabiel
  dyadisch seksueel verlangen man
  bloedingsdagen
 Zowel  solitair als dyadisch seksueel verlangen vrouw
  positief affect
≠ negatief affect
 Noch solitair noch dyadisch seksueel verlangen (man én vrouw)
≠ weekend effect
o Frequentie seksuele activiteit
 contraceptieve cyclus:  herstart pil
Conclusie: seksueel verlangen en seksueel gedrag uit elkaar halen (verlangen
betekent niet per se dat dat je seks hebt, en omgekeerd)
VERLANGEN VERSUS GEDRAG?
Let’s talk about sex - gastcollege

54
IMPLICATIES VOOR THEORIEVORMING

Incentive Motivation Model

Er zijn biologische argumenten, maar er zijn absoluut ook argumenten om dit plaatje veel
ruimer te gaan bekijken !
SEKSUALITEIT EN HORMONALE CONTRACEPTIE ?

Klinische implicaties:
o
Contraceptieve counseling
 Groot aandeel intra- en interindividuele factoren
 Betekenis seksuele stimuli
 Onderscheid tussen verlangen en gedrag

Belang van neurotransmissie

Dopaminerg systeem: dopamine activeert

Serotonerg systeem: serotonine reguleert

Noradrenerg systeem: effect op sympatisch deel ZS
Let’s talk about sex - gastcollege
PSYCHOFARMACA
55
ANXIOLYTICA

Benzodiazepines als grootste groep, bv. diazepam (Valium®) en oxazepam

Seksuele bijwerking: vertraging orgasme
ANTI-PSYCHOTICA/NEUROLEPTICA

Anti-dopaminerge werking, sommigen ook serotonerg


Conventionele anti-psychotica (bv. haloperidol): extrapiramidale symptomen (spieren)
Seksuele bijwerking: remming erectie/orgasme/ejaculatie
STEMMINGSSTABILISATOREN

Bv. litium en enkele anti-epileptica

Beïnvloeding serotonerg en adrenerg systeem (?)

Seksuele bijwerking: vermindering zin, erectie en orgasme
ANTI-DEPRESSIVA

Tricyclische anti-deprresiva (TCA):
o
Seksuele bijwerkingen: remming zin, opwinding en orgasme

Monoamine oxidase inhibitoren (MAOI’s)

Serotonine en noradrenaline heropname inhibitoren (SNRI’s):
o
Seksuele bijwerkingen: remming zin, opwinding en orgasme

Noradrenaline en dopamine heroponame inhibitoren (NDRI’s)

SSRI’s (bv. paroxetine, fluoxetine, sertraline, citalopram)
o
o
Seksuele bijwerkingen: remming orgasme
(paroxetine off label voor PE – nu: dapoxetine of Priligy®)
 ?
 67%
 ?
 34-73%

! Respondenten ZONDER voorafgaande seksuele disfunctie (= heel, methodologisch, net
uitgevoerde studie)

Spontane remissie?
o
Verder behandelen en wachten tot het vanzelf overgaat?
 9.7% volledig herstel of spontane remissie na 6 maanden behandeling
 11.2% gedeeltelijke verbetering na 6 maanden
 79% geen enkele verbetering
MEDICAMENTEUS GEÏNDUCEERDE SEKSUELE DISFUNCTIE
WAT MET COMPLIANCE?

1/2 spreekt zelden tot nooit met behandelaar over seksueel functioneren: ♀ (20%) < ♂ (75%)

4/10 overwoog wel eens medicatiestop omwille van seksuele nevenwerkingen

1/3 was al minstens éénmaal hierom met medicatie gestopt
Let’s talk about sex - gastcollege
 Voor 38% is probleem zo groot dat ze neigden medicatie te stoppen (= groot cijfer!)
56
AANPAK?

Algemeen (maar niet altijd realistisch voor ons om dit te doen):
o
o
Stap 1: ken seksueel functioneren vóór opstart van medicatie
Stap 2: vraag er opnieuw naar na opstart
 Taak van de arts! + Bevraag partner!

Bij klachten:
o
o
o
o
o
o
o
Stap 1: erkennen en bespreken van disfunctie (= bijwerking)
Stap 2: wachten op spontane remissie (10% gaat vanzelf weg, 10% gedeeltelijke
verbetering)
Stap 3: verlagen dosis (50-70% van de bijwerkingen kan hierdoor verbeteren)
Stap 4: weekend drug holiday (= bv. 76 uur medicatievrije periode inlassen, bv. in
residentiële setting)
Stap 5: overstappen naar ander anti-depressivum (zie grafieken boven: antidepressivum dat meer aan de linkerkant staat)
Stap 6: ‘antidotum’ toevoegen (bv. buspiron, sildenafil)
Stap 7: seksuologische begeleiding (kan ook eerder voorkomen als stap)  best
een aantal mogelijkheden om daar therapeutisch mee aan de slag te gaan
SEKSUOLOGIE ALS BIOPSYCHOSOCIALE DISCIPLINE
WAT IS SEKSUOLOGIE EN WAT DOET EEN SEKSUOLOOG?

Seksuoloog als evidence-based practioner

Seksuologie = vakgebied, met specifieke opleiding

Titel is niet beschermd

Therapeutisch dominantie van systeemdenken en CBT

Seks = samenspel van heel wat verschillende factoren (~ bio-psycho-sociaal)
Lichaam
Context van relatie
Gedachten/cognities
Normen, waarden, … in een bepaalde tijd/cultuur

Klinisch seksuoloog werkt bij voorkeur in INTERDISCIPLINAIR/MULTIDISCIPLINAIR team

PLISSIT als stepped-care model van hulpverlening (voor getrapte zorg):
o
Toestemming verwerven
Kunnen we het daarover hebben?
o
Psycho-educatie en informatie
Aantal zaken recht zetten, informatie bieden
o
Sekstherapie/psychotherapie
Let’s talk about sex - gastcollege
o
o
o
o
57
IS AANDACHT VOOR SEKSUALITEIT NODIG?

Hulpverleners in geestelijke gezondheidszorg
o
o
Vinden van wel: goede intenties (belangrijk om over seksualiteit te kunnen en
durven praten)
Maar komen er om verschillende redenen vaak niet toe
 ‘Seksuele anamnese disforie’
HOE SEKSUALITEIT BESPREEKBAAR STELLEN?

( Eerst: toestemming vragen! )

Hebben je huidige klachten een impact op je seksuele leven?

Zo ja, heb je daar last van?

Wens je daar hulp mee?
 Het onderwerp zelf als hulpverlener bespreekbaar stellen, verzesvoudigt de rapportage van
seksuele klachten!
ONDERWERPEN VOOR SEKSUOLOOG

DSM-IV-TR:
o
o
o
o
Seksuele disfuncties, stoornissen m.b.t. seksueel verlangen, erectiestoornis, …
Seksuele stoornissen door medische aandoening/middel
Parafilieën
Genderidentiteitsstoornissen
o
o
o
o
Seksuele disfuncties, stoornissen m.b.t. seksueel verlangen, orgasme, …
Seksuele stoornissen door medische aandoening/middel
Parafilieën
Genderdysforie
 Kinderen
 Adolescenten/volwassenen
DSM-5:
EEN KIJKJE IN DE SEKSUOLOGISCHE PRAKTIJK
JOYCE HEEFT GEEN ZIN OM TE VRIJEN
JAN IS BANG OM ZIJN ERECTIE TE VERLIEZEN
MAAIKE HEEFT PIJN BIJ HET VRIJEN
Let’s talk about sex - gastcollege

58
GENDERSTUDIES
BEKEKEN
VANUIT
EVOLUTIONAIR PERSPECTIEF

Belangrijk om ons psychologisch model aan te vullen: met de sociologie en de biologie

We hebben die andere perspectieven nodig, en zeker op vlak van seksualiteit, gender, liefde,
…

Gastlessen Johan Mertens: beeld van seksualiteit en gender vanuit evolutionair perspectief
GEN-CULTUUR CO-EVOLUTIE
WAAROVER GAAT HET?

Als we het over de mens hebben en onze nauwe verwanten, hebben we meer dan een louter
darwinistisch perspectief

Eerste vraag die we ons kunnen stellen: ‘Wat bedoel je met ‘de mens’?’  homo sapiens

De impact van cultuur op onze levenswijze is enorm groot
CO-EVOLUTIE
Cultuur
o
o

Genotype
o
o
o
o
o
o

Verzameling van waarden, overtuigingen en kennis die aangeleerd is en sociaal
overgedragen in een groep/populatie
= Verzameling van al datgene wat we aangeleerd hebben in de populatie
= De verzameling van onze genetische constitutie (dat wordt overgeërfd)
Heel merkwaardige kijk op dit concept de dag van vandaag, omdat we zo
egocentrisch geworden zijn (“natuurlijk was het ei eerst, en was de kip een
uitvinding van het ei om meer eieren te produceren”)
Het is niet iets abstract: elk van ons heeft zijn eigen genotype
Dagelijkse toets van elk individu aan het milieu
Populatie = voortplantingsgemeenschap = de verzameling van alle individuen die
nakomelingen kunnen krijgen onder elkaar
 = gene pool (Bv. stekelbaarsjes uit één vijver)
 Wij mensen zijn de dag van vandaag mondiaal één populatie geworden
Dood: wanneer iemands genetisch materiaal niet aangepast is
Gen-cultuur co-evolutie
o
o
o
o
(Cumulatieve culturele evolutie)
= Cultuur + genotype
2,5 miljoen jaar interactief doorgeven van genen en cultuur
Pels van rendier (genetische evolutie) tegenover rendierpels van mens (gencultuur co-evolutie)  wij kunnen ons adapteren aan situaties die voor veel
andere organismen extreem geworden zijn
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

59
EVOLUTIE VAN ENKELE CRUCIALE GEDRAGSKENMERKEN
Taal
o
o
o
o
o

Gaat over de akoestische communicatie bij de mens
Complexe akoestische communicatie bij primaten  selectie voor
Aangeleerde communicatie bij mensapen (kunnen veel begrijpen, maar niet
praten)
Reorganisatie brein (voor opslag, gebruik en verwerven van cultuur)
FOXP2 * is one of the few human genes that differ from its chimpanzee version. A
series of mutations in FOXP2 has occurred in the last 500 000 years; the most
recent one took place about 200 000 years ago, when modern humans appeared
in Africa.
Reproductiegedrag en catastrofale overbevolking
o
o
De aarde had al 4 miljard jaar achter de rug voor het leven verscheen
We gaan het niet over de mens hebben, maar over de homo sapiens (wij bestaan
als soort al 200 000 jaar)
 Clou van het verhaal: dit is niet ons referentiepunt, de mens die we
vandaag bestuderen als normaal fenomeen  we kunnen de psyche van
de mens niet begrijpen als we ons tot dit puntje van de ijsberg beperken
o
Wanverhouding tussen psychologische adaptatie aan het prehistorisch milieu van
onze voorouders jager-verzamelaars en onze moderne wereld
Kanttekening bij evolutionaire psychologie
 Recente Angelsaksische (USA) visie geprojecteerd op ancestraal leven
 We lopen met een psyche rond die eigenlijk gemaakt is vanuit dat
prehistorisch verleden, en dat historische en zeker dat recente is maar een
laagje vernis dat er op ligt  de meeste van die stromingen zijn
Amerikanen (= vrij puriteins m.b.t. genderstudies, seksualiteit, …)
 Voorbeeld: jaloersheid als ‘eigen aan DE mens’
WEIRD people (Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic)
 De meeste studieobjecten waren mensen die hiertoe behoren
 Men gaat uit dat die mensen zullen staan voor de psychologie van
iedereen  MAAR: is niet zo: die WEIRD people zijn marginaal in hun
gedrag (12%), i.p.v. de norm
o
o
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

60
GENETISCHE EVOLUTIE KAN SNEL, CULTURELE EVOLUTIE KAN TRAAG

Dus niet altijd: genetische evolutie gaat traag en culturele evolutie gaat snel

Selectie voor grijze muizen ( witte muizen: ‘zaklampje’)
o
Experimenten: witte muizen (= verliesmutatie) gehouden: een witte muis is ideaal
om met een stift op te schrijven
o DUS: we zien dat een verliesmutatie in het nieuwe milieu van een muis (=
laboratorium) een winstmutatie wordt
 Evolutie kan dus snel gaan

MAAR: evolutie kan ook traag gaan
KOKEN: SNELLE GENETISCHE ADAPTATIE

Wij zijn als mens aan koken aangepast  reductie kauwspieren

Taakverdeling tussen geslachten: vrouwen
o
o
o
Culturele smaakvariaties
o
o

Taakverdeling tussen geslachten: mannen
o
o
o

Via de melk worden heel veel smaakstoffen overgedragen
Wij als mens krijgen via de borstvoeding – cultureel al – de smaak mee via de
moedermelk  zo krijgt men de culinaire culturele gewoontes mee
Rondtrekkende jagers, vissers
Verdediging waar nodig (geen oorlog!)
 Getalsterkte is belangrijk: als men in groep was, was élke soort bang
 Cf. brandweerMANNEN (het zit niet in onze genen…)
 Omgekeerd: vogelvrij = doodstraf
 ‘time out’, ‘in de hoek staan’ = zware straf (bij sociale dieren)
Verre excursies mogelijk:
 Jacht groot wild
 Verbeelding en heimwee (naar huis)(later: empathie)  terugkeren
 Samenhorigheidsgevoel: camaraderie veel meer bij mannen dan bij
vrouwen (cf. sportclubs, hooliganisme, mannenclubs, ‘teambuilding’, …)
Resultaat (van alles samen): nomadische jager-verzamelaars culturen
CO-EVOLUTIE MELKVEEHOUDERIJ EN GENEN VOOR MELKVERTERING

Sahara met herdersvolkeren

Lactase voor lactosevertering
o
o
± 7500 jaar of 350 generaties (Hongarije) populaties die melk of melkproducten
consumeren
Alle zoogdieren kunnen zolang ze zogen, melksuiker verteren: het gen dat dat
enzym aanmaakt voor de afbraak van melksuiker: lactase
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

Zorg voor kroost (zogen) en dagelijks proviand (bv. brandhout om te koken)
Verzamelaars (bv. nu: solden als ‘modern fourageren’)
Zorgen voor de dagelijkse gekookte maaltijden die gezamenlijk en meestal ’s
avonds opgegeten worden
61



Nu blijkt dat naarmate we in dat donkere gebied gaan, er meer en meer
volwassenen zijn die gans hun leven lactase blijven aanmaken en dus melk
kunnen verteren (herdersvolkeren die melkproducten gebruikten: kaas,
yoghurt, boter, …)
Het gebruik van die producten heeft evolutionair en cultureel enorme
voordelen
In het noorden heeft zuivel voordelen op landbouw:
o
o
o
o
Onafhankelijk van seizoenen
Veel graasterrein
Calorierijk en bewaarbaar (kaas)
Rijk aan vitamine D
 Remedie tegen hongersnood

‘Milk revolution’ in twee stappen
o
o

Bereiding kaas en yoghurt tegen ‘lactasevergiftiging’
Melkconsumptie na genetische adaptatie (winstmutaties)
Resultaat: herders
CO-EVOLUTIE LANDBOUW EN GENEN VOOR ZETMEELVERTERING
Maltase en amylase
o
o
o
o

Graan, rijst en coöperatie
o
o

Vanaf ontwikkeling landbouw (vooral graanteelt) en sedentarisatie
Wij leefden als jagers-verzamelaars en herders niet ter plaatse
 Wij zijn graan en planten pas beginnen kweken vanaf dat het mogelijk was
 Vanaf dan pas landbouwvolken
 Planten hebben één belangrijk nadeel voor ons in ons evolutionair
perspectief: als je er wil van leven, moet je er bij blijven
Amylase: breekt de zetmeelmolecules af tot meervoudige suikers (maltose) en
een aantal diersoorten kan dat niet
Co-evolutie van mens en hond (vanaf wolf)
Graan: naar individualisme en analytisch denken
Rijst: naar collectivisme (rijsttelers zijn meer coöperatief dan graantelers)
Resultaat: landbouwers
CULTURELE CO-EXISTENTIE (GEEN INTEGRATIE, LAAT STAAN ‘INBURGERING’)

Blätterhöhle, Mainz, Duitsland

Gedeelde (dus vredelievende) begraafplaats voor de 3 verschillende culturen en niches:
jagers-verzamelaars, herders en landbouwers  betekent dat men cultureel overeen kwam

Neolithische culturen:
o
o
o
Visser-jager-verzamelaars (dus meer dan jager-verzamelaars)
Herders afkomstig van Anatolië (‘milk revolution’)
Landbouwers: hier mutatie voor verteren van zetmeel (amylase, enz.) (agrarische
revolutie)
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

62

Uitwisselingsmodel voor koolhydraten-proteïnen (vis en jachtwild): van jagers-verzamelaars
(gaven graanproducten) naar landbouwers (gaven proteïnen) (herders gaven calorierijk eten)
o
Resultaat van co-existentie en handel:
 Verving geleidelijk jager-verzamelaars
 Dus zeer intens cultureel contact
 Minstens 2000 jaar ‘parallelle gemeenschappen’ met weinig genetische
uitwisseling: dus een zware culturele interactie (handel) met eigenheid
van de culturen en relatief weinig genetische uitwisseling (geen
“inburgering”!)
 We zijn met onze inburgering fout bezig: dat komt van mensen die
niet kunnen verdragen dat er verschillende culturen vredelievend
samenleven
 Geweldloze samenlevingen, geen prehistorische oorlogsvoering
 Oorlog (collectief groepsgeweld) …: “het zal wel altijd zo geweest
zijn, dat is cultureel eigen aan de mens”  klopt niet!!
 Tot nader order is dat nog niet teruggevonden in archeologische
contexten
 Wij zijn een soort die helemaal niet geëvolueerd is om boel te
maken
CULTURELE NICHE CONSTRUCTIE
NICHE CONSTRUCTIE

= De constructie van onze niche (= de omgeving waarin we wonen)

Elementen wijzigen in het plaatselijk milieu
CULTURELE NICHE CONSTRUCTIE
Stimulerende impact op genetische adaptatie:
o
o

Verteren melk, zetmeel, alcohol enz.
 Culturele contexten geënt op genetische constitutie  moeilijk van elkaar
los te trekken
Pigment: van zwart tot wit (met vitamine D)
Remmende impact op genetische adaptatie
o
o
Vuur en kleding: weinig genetische adaptatie aan koude culturele genderdifferentiatiemogelijkheden (cfr. volgende les)
Slecht zien en brillen: genetische selectie onderdrukt
 In het verleden zou dat een serieuze verliesmutatie zijn
KRITISCHE EVALUATIE (VAN DEZE LES)

Prof probeert ons een denktrand bij te brengen vanuit onze evolutionaire context:
psychologie hier en vandaag proberen begrijpen vanuit ons evolutionair verleden

Cultuur bestaat niet uit zuivere, afzonderlijke pakketjes die mooi van elkaar te
onderscheiden zijn
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

63
o
o
Gen-cultuur co-evolutie analyseert cultuur en biologie (bij meerdere soorten)
o
o
o
o
o
o
Gaat over de impact van beide samen en op elkaar!!
‘Nature-nurture’ voorbijgestreefd: slaat op niks en is een terminologie uit het
verleden waar je beter over zwijgt
Gen-cultuur coëvolutie
Zit het in onze genen of is het nu het milieu?
Het is een oud probleem: zijn wij gedetermineerd door onze erfelijkheid (onze
genen), of zijn we het product van ons milieu (opvoeding, samenleving,
tradities…) Hierover werd de voorbije decennia slag geleverd, met goede
argumenten aan beide kanten. Hoe langer hoe meer groeit echter het inzicht dat
die twee (genen en cultuur) elkaar ook kunnen beïnvloeden. Recente pogingen
om die relatie te verhelderen maken gebruik van zowel de evolutionaire biologie
als ook de moderne sociobiologie. Wanneer toegepast op de mens, spreekt men
van ‘gen-cultuur coëvolutie’, of ‘cumulatieve culturele evolutie’.
Bij gen-cultuur coëvolutie is cultuur een essentieel element van ons evolutionair
gebeuren, dus ingebakken in de gebruikelijke genetische evolutie. Deze
combinatie van genetische en culturele invloeden, over de generaties heen, is een
heel andere zienswijze dan het voorbijgestreefde ‘nature-nurture’ debat.
Bovendien is cumulatieve culturele evolutie ingebed in de moderne visie op
groepsselectie. En groepsselectie is ook al een begrip dat sterk verschilt met
vroeger. Dit maakt gen-cultuur coëvolutie een realistische hypothese, zeker voor
de evolutie van de mens. Evolutionaire theorieën die enkel rekening houden met
genen, kunnen niet het belang verklaren van de dynamiek van menselijk altruïsme,
zoals cumulatieve culturele evolutie dat wel kan.
“Het leven”, het onze inbegrepen, is het resultaat van de evolutie van “zich
gedragende wezens”. In deze lessencyclus zal het menselijke gedrag toegelicht en
vergeleken worden met andere diersoorten, vanuit een ecologisch en evolutionair
perspectief. Vergeet niet dat wij in hoge mate ons huidig milieu zelf inrichten. De
culturele impact valt niet te onderschatten. Een recente stroming in het
onderzoek is ‘gen-cultuur coëvolutie’. Dit is de rode draad doorheen de lezingen.
Omdat we het niet altijd bij het juiste eind hebben wanneer we voortgaan op ons
‘gezond verstand’ en ‘natuurlijk aanvoelen’, is het onontbeerlijk enig inzicht te
hebben in de biologische onderbouw van onze gedragingen. Dit geldt zeker voor
diegenen onder ons die professioneel actief zijn in één of ander segment van de
sociale dienstverleningssector, van psycholoog over verpleger tot arts en
gynaecoloog, van politieagent tot jurist, zowel mannelijk als vrouwelijk. Door de
lessencyclus heen zullen controversiële vragen zonder schroom als kapstok
gebruikt worden, zoals: zijn we nu mono- of polygaam? Waarom beweren we
monogaam te zijn als we zoveel ‘vreemd gaan’, en ben je zeker dat die vreemden
wel ‘vreemd’ zijn en geen goede buren of bekenden? Waarom denken vrouwen
dat ze geëmancipeerd zijn, terwijl ze wereldwijd achteruitgesteld worden en waar
halen mannen het recht vandaan om zich als macho te gedragen? Is dat altijd zo
geweest bij onze soort, of is het ontstaan in historische tijden? Vanwaar die
verschillen tussen man en vrouw, ook al behoren we tot dezelfde soort en wat
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

Evenmin zijn genen eenvoudige evoluerende blokjes, los van de omgeving (te
simplistisch gedachtegoed)
Het één kan niet zonder het andere! Integratie!
64
met ‘typisch mannelijke agressiviteit’ (hooliganisme, verkrachting, e.d.) en met
‘typisch vrouwelijke asociale trekjes’ (zoals ‘eigen kind, schoon kind’ en ‘iemand
stiefmoederlijk behandelen’)? Wat verstaat men nu onder liefde (en waar komt
empathie vandaan) en vanwaar dan al die jaloezie of ruzie onder geliefden? Is uw
echtgenoot uw geliefde? Wat is een familie en waarom al die familietwisten? Hoe
ontstaat een slagzin als ‘eigen volk eerst’? Wat is altruïsme of onbaatzuchtigheid
en waarom kan het altruïsme van een ouder voor een kind ‘genetisch egoïsme’
genoemd worden? Waarom maken we zoveel ruzie (individueel en in
groepsverband, van politiek tot oorlog) als we beweren sociale wezens te zijn? We
zullen het zelfs hebben over misdaad en straf, zonde en godsdienst(en) en het
verschil met religie, inderdaad, met gen-cultuur en coëvolutie als perspectief.

Culturele differentiatie van ons gedrag
o
o
Wat bedoel je met “de psychologie” van de mens?  dat bestaat niet!!
 Je zit met culturele differentiatie wereldwijd: deze is zo groot dat je dat
niet kunt herleiden tot een eenheidsworst
 Verschillende stromingen en allemaal samen op hetzelfde moment
Cfr. WEIRD people: let op met de extrapolatie van deze mensen!
 Deze komen slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden voor
 Extrapoleer deze mensen niet tot ‘de mens’
MAN-VROUW
WAAROVER GAAT HET?
MERKWAARDIGE MENINGEN
Hormonenbalans
o
o
o
o

Niet enkel sekseverschillen, maar ook een heel aantal merkwaardige zaken
Relatie vindt weerspiegeling in digit ratio 2D-4D
Er schijnen daar een aantal typische vrouwelijke gedragspatronen aan
gecorreleerd te zijn (moederzorg, muzikaliteit, …)
Ruimtelijk oriëntatievermogen van jongens/mannen is een constante, terwijl dat
bij vrouwen gestuurd wordt door de menstruatiecyclus
IQ ↔ visueel-spatiale vaardigheden
o
Bij de mens zwak in vergelijking met een aantal andere soorten  DUS: ≠ IQ
DISCRIMINATIE EN VOOROORDELEN

Nobelprijs voor de Vrede, 2011: waarom 3 vrouwen? En dan nog bruin tot zwart?

Vrouwen die opkomen tegen discriminatie door mannen

Juridische en maatschappelijke betekenis van discriminatie:
 "Onrechtmatig onderscheid maken tussen mensen of groepen"


Rechtmatig onderscheid is voorwaardelijke coöperatie
Je kunt heel merkwaardige situaties meemaken naargelang de
levensomstandigheden, waarbij het ene geslacht t.o.v. het andere
geslacht bevoor- of benadeeld kan worden
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

65

Manipulatie waar nodig
o

Waar nodig, bewust of onbewust, manipuleren we de zaken zo dat ze nooit meer
lijken op de originele, oorspronkelijke en juiste manier van voorstellen
Subjectief denken
o
o
o
We zijn permanent subjectief aan het denken waar we pretenderen dat we
objectief zijn
We zijn courant vooringenomen, met een subjectieve benadering van de feiten
Dat is niet erg, zolang we ons daar bewust van zijn wanneer nodig (cf. WEIRD)

A 2008 survey of the top psychology journals found that 96% of subjects were from Western
industrialized countries - which house just 12% of the world's population. Strange, then, that
research articles routinely assume that their results are broadly representative, rarely adding
even a cautionary footnote on how far their findings can be generalized.

Nobelprijs voor de Vrede, 2014: recht op onderwijs voor meisjes

We zitten dus met serieuze discriminatie en vooroordelen die rechtstreeks de kern raken van
die genderverschillen tussen man en vrouw  hoe komt dat?
CONCEPT MAN-VROUW VANUIT EVOLUTIONAIR PERSPECTIEF
Basisprincipes:
o
Relatie tussen:




Nu weten we dat die ‘black box’ enerzijds door onze erfelijke constitutie
(DNA) en anderzijds door het milieu gestuurd wordt
Onbegonnen werk om op 4 lessen iets zinnigs te zeggen over naturenurture
Een verhaal over de zee-olifant als voorbeeld: er is recent onderzoek
gedaan bij vinpotigen dat interessant is (groep: zeehonden, walrussen, …)
 Zoals elk zoogdier is er een brein in een lichaam, en het volume
hersenen kun je uitdrukken in % van het totale lichaamsgewicht
 We constateren dat bij intraseksuele competitie van mannen, je in
‘bodybuildingsituaties’ terecht komt, en waarbij je kan zeggen dat
als er toch van geslachtsverschillen gesproken moet worden
(empathie, intelligentie) dit zeker niet ten voordele spreekt van
het mannelijke geslacht bij zoogdieren
Basisprincipes bij de mens:
o
Man-vrouw verschillen hebben meer te maken met cultuur en
vooringenomenheid, dan met biologie (herinner je 1: gen-cultuur coëvolutie)
 Ook hier, in deze context, kunnen we zeggen dat als we het hebben over
man-vrouw verschillen, dat we eerder te maken hebben met culturele
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

66
o
o
o
o
eigenaardigheden (vooringenomenheid i.p.v. objectiveren) dan over
biologie
 Wij zijn als mens een ‘cultureel beest’
Let op voor gemeenplaatsen/veralgemeningen zoals:
 Vrouwen verbannen naar een suboptimaal professioneel leven
 Mannen verbannen naar suboptimaal ouderschap
 Dat heeft allemaal niets van doen met biologie
Zorg voor het nageslacht in een sociale context (in de breedste zin)
Lust  romantische liefde  hechting aan de partner
Vrouw =
 Man met verschillende geaardheid en brein
 Vrouwen verbaal sterker dan mannen
 ‘Ploeg catastrofaal voor de vrouw’
OUDERZORG VAN MONO- TOT POLYGAMIE
MANNELIJK EN VROUWELIJK

Er bestaan maar twee geslachten!

Evolutie naar ongelijke geslachtscellen (wanneer die verschillen: zygote, beginnend leven 
reservestoffen aan toegevoegd  groei): macrogameet/eicel en microgameet/zaadcel
 Gevolg:
o
o
Overmaat aan zaadcellen voor beschikbare eicellen (nijpend tekort aan eicellen)
Competitie tussen mannen voor (de gunst en de bevruchting van) vrouwen
PARTNERS VOOR HET NAGESLACHT
Geen ouderzorg
o
o
o

Beide partners geven 50% van hun genen aan hun nakomeling
Bij de meerderheid van de soorten is er alleen een productie van geslachtscellen,
en is het verhaal af (bv. mosselen)
 Sommige soorten: minder produceren en zorgen voor minder verlies door
zorg te dragen voor die cellen
Het alternatief is dat je wel ouderzorg ontwikkelt: zorg dragen voor je
‘geslachtsproducten’
Ouderzorg:
o
o
Genetische monogamie
 Bepaald door de limiterende factoren van het milieu: ieder individu van
om het even welke soort, is aangepast aan de omgeving waarin hij leeft
 Die limiterende factoren zorgen ervoor dat men genoodzaakt is
om in een monogame situatie samen te leven (want dit niet doen,
vraagt energie en die heeft men niet)
 Monogame soorten zijn meestal monogaam voor het leven
 Geen uiterlijke geslachtsverschillen
Sociale monogamie: monogaam voor de omgeving
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

67

o
Als het milieu meer luxueus wordt, zodanig dat we ons kunnen
permitteren meer dan één nakomeling te hebben, schuiven we weg van
die monogame situatie  selectie voor polygamie mogelijk
 Eerste fase: sociale monogamie: men is voor de omgeving (in de
sociale context) monogaam, maar in principe polygaam
 !!! Spermashopping en extrapaarcopulaties: risicospreiding ♀
 Vrouwtjes doen aan risicospreiding door spermashopping
(verschillende soorten DNA) tijdens de voortplantingsperiode =
vrouwtje ligt aan de oorsprong van de extrapaarcopulaties
 = dit is de klassieke visie, die gaat nu niet meer op!
 Prikkels voor coöperatie bij ♂ ♂ (recente opinie)
 Als vrouwtjes aan spermashopping doen en mannetjes niet nee
zeggen, en je daardoor de uitkomst hebt dat tot 50% en meer van
de jongen afkomstig zijn van andere mannen, wordt de situatie
volledig anders  onzekerheid vaderschap
 (Mensen gaan niet ‘vreemd’: men gaat bij bekenden)
 Het is in het belang van het nakomelingenschap van ieder individu
om tijdens die voortplantingsperiode (en zeker vanaf dat die
jongen er zijn) wat minder territoriaal te zijn en wat meer
coöperatief: door dit gedrag van vrouwen gaan we de weg op van
coöperatief en sociaal gedrag
 Territorium: verdedigd woongebied (= bezit)
Polygamie als 1 partner volstaat: mannetje of vrouwtje kan alleen voor het ‘kind’
zorgen (bv. anemoonvisjes, juffervisjes)  broedzorg voor wie laatst bij het
legsel/de worp is (inwendige vs uitwendige bevruchting)
ALTRUÏSME BIJ BLOEDVERWANTEN
VERWANTSCHAPSSELECTIE
Selectie van verwanten (bloedband)
o
o
o
o
rB – K > 0 (Hamilton): altruïsme (= voor elkaar iets doen in het kader van een winwin operatie): “ik wil veel doen voor mijn nageslacht als zij het maar goed hebben en
blijven leven, want zij zetten mijn erfelijk materiaal door”  je krijgt een
altruïstische interactie als de baten van de interactie groter zijn dan de kosten
 r = verwantschapscoëfficiënt (van 0, helemaal niet verwant, tot 1, helemaal
verwant)
 B = baten
 K = kosten
Verwantschapsselectie of ‘kin selection’: altruïsme voor bloedverwanten
(zus/broer > neef/nicht) omdat jouw erfelijk materiaal ook bij hen aanwezig is
Promoot voortbestaan eigen genen
Fitness: % eigen genen in de volgende generatie van de populatie
 = het aandeel van je erfelijk materiaal dat je gaat meegeven in de gene
pool of erfelijke constitutie van de volgende generatie
 Directe fitness: component v.d. fitness door zelf te reproduceren
 Indirecte fitness: component v.d. fitness door verwanten te helpen
 Samen: inclusieve fitness
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

68

Evolutionair perspectief vanuit het gen (genen), en niet vanuit het individu: we zijn niets
anders dan een genetische expressie van dat continuüm

Inclusieve fitness telt!
o
o
o
= directe + indirecte fitness
Direct of indirect doet niet ter zake
Homofobie ongegrond (“je kan toch geen kinderen krijgen”  zever: kan ook
helpen met de opvoeding van kinderen uit de bloedband, waarbij hij/zij kan
bijdragen aan de verderzetting van zijn/haar erfelijk materiaal)
WETMATIGHEDEN

Kentekens om verwanten te herkennen
o

Vuistregels:
 Wie je eerst ziet na je geboorte zijn je ouders (cfr. ganzen Lorenz)
 Een ‘nabestaande’ in de natuur, is een verwant
 Kenmerken: zicht, geur, geluiden, … (zie verder)
Juridische en maatschappelijke betekenis van discriminatie
o
"Onrechtmatig onderscheid maken tussen mensen of groepen"
 Herinner je
rB – K > 0
 Geen verwantschap (r = 0)
 Geeft enkel kosten zonder baten
 Risico op discriminatie van ‘vreemdelingen’
 Zicht
 Geluiden: taalbarrières
 “Eigen volk eerst”
DYNAMIEK VAN FAMILIALE RELATIES

Familie: samenleven van volwassen nakomelingen met ouder(s)

Voordelen:
o
o
o

Indirecte fitness verhoogt
 Door coöperatieve broedzorg
 Inclusieve fitnesstheorie
 Alloparentale hulp
Leerschool (opvoeding, cultuuroverdracht, …)
Territorium overerven
Ecologische beperkingstheorie verklaart ontstaan families
o
o
Beter thuis dan tekorten elders (omgeving = beperkend) voor:
 Overleven
 Voortplanten
In gunstig milieu degraderen families (bv. elk zijn kamer in huis)
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
FAMILIE
69
FAMILIERELATIES
Familiedynastie
o
o
o
o

Matriarchaat
o
o
o

Afstammingslijn van het sedentair geslacht (meestal patriarchaal)
Vrouwelijk of mannelijk filopatrisch systeem
Het zou veel logischer en duidelijker zijn moesten kinderen de naam van hun
moeder krijgen
Soorten families
o
o
o

Gaat over een vrouw en haar nakomelingen, ongeacht het geslacht
Typisch: zuiver, duidelijk te omschrijven
Clan: aantal matriarchaten
Filopatrische (afstammings)lijn langs matriarchale of patriarchale kant
o
o
o

Meerdere generaties samen in familieverband
Niet enkel accumulatie van ervaringen, maar ook van macht  conflict
Sociale dominantie met dominantiehiërarchie (van oud naar jong)
Sociale dominantie: veranderingen in voortplantingsrechten (hoeft niet altijd
over kinderen te gaan: delen/geven en nemen) van de leden (generaties) in de tijd
Eenvoudige, conjugale, biparentale of kernfamilie (nucleaire familie)
 Één reproducerend paar (slechts één of twee voortplanters, samen met
hun jongen/kinderen)
Uitgebreide familie: meerdere voortplanters (bv. leeuwen)
Belangenconflicten zijn gewoon/normaal in families en voor de buitenwereld
verborgen: eigendomsrechten en voortplantingsrechten
Reproductieve asymmetrie
o
o
o
o
o
Gelijkwaardige verwanten (evenveel erfelijk materiaal) delen vlotter: sociaal
gedrag tussen verwanten zit bij ons ingebakken: symmetrie vs asymmetrie
Hoe minder verwant, hoe meer compensatie nodig voor hulp (beloning)
Pestgedrag van ouder (♂) om jong (zoon) de voortplanting te beletten
Hogere asymmetrie: hogere monopolisatie voortplanting (terroriseren)
Twisten tussen matriarchale bloedband en patriarchaal bezit
 Vrouwen kijken in eerst instantie naar het welzijn/welvaren van hun
bloedband, tegen het belang van mannen in vaak
 Mannen zijn meer om de clanconstellaties begaan
 “Bloed stroomt matrilineair, bezit erft patrilineair”
 Verschil tussen bezit en eigendom (territoriaal versus groep)
VERVANGFAMILIES

Incestverbod = exogamiegebod in families
o
o
o

Inteelt geeft accumulatie verliesmutaties (negatieve erfelijke eigenschappen) 
dus zeer zware genetische selectie tegen: er is geen selectie in de loop van de
evolutie voor inteelt (want doet het veel minder goed)
Geen seks gerelateerde agressie binnen (eenvoudige) families
Inteelt (incest) wordt vermeden: één geslacht blijft: sedentair geslacht
Vervang- of stief familie (‘nieuw samengesteld gezin’)
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

70
o
o
o
Voortplanter wordt vervangen na verdwijning (meestal dood) partner
Gevolg: gedeelde voortplanting mogelijk
 Incestverbod opgeheven
 Gewijzigde sociale dynamiek: zonen (wanneer volwassen) uitzicht op
ouderschap, waar dat voordien niet mogelijk was
 Onzekerheid over ouderschap leidt tot coöperatie
 Maar ook seksuele agressie
Zelfde situatie bij overgang van eenvoudige naar uitgebreide familie!
 Één geslacht blijft en ander geslacht komt binnen
GEMENGDE FAMILIES

Gemengde families hebben situaties waarbij niet iedereen iedereen als gelijke ziet

Kinderen afkomstig van verschillende voortplantingsrelaties
o broertjes 50%
o halfbroertjes 25%
o stiefbroertjes 0%
verwant


In eenvoudige families stimuleren ouders broederlijk delen (alle kinderen = gelijkaardig)
In stieffamilies stimuleren ouders favoritisme onder verwanten (cf. genetisch egoïsme)

Minder coherent dan zuivere families

Kan zelfs leiden tot infanticide (meer hierover in les 3), in noodsituaties of situaties van
tekort (dan zou een ouder/moeder het kind kunnen voortrekken, of erger nog)

Geïntegreerde theorie voor sociale dynamiek van een familie: het is een dynamisch en geen
statisch proces, dat heel sterk afhankelijk is van milieuomstandigheden (het milieu/de
omgeving bepaalt in welke mate een familie uitgebreid of eng zal zijn, stevig of minder stevig)

Rolverdelers in de dynamiek:
o
o
o
o

Ecologische beperkingstheorie: als er tekorten zijn ergens anders, ga je families
hebben die des te sterker zijn als het binnenshuis ‘rijker’ is dan in de omgeving
Verwantschapsselectie (Hamilton): hoe sterker de bloedband, hoe meer men
voor elkaar over heeft
Sociale dominantie: hoe sterker het geslacht van bovenuit, hoe minder van
onderuit er kan
Reproductieve asymmetrie: hoe minder iemand verwant is, hoe minder je er gaat
voor over hebben
Dynamiek van de familie (structuur en gedrag) is een functie van de veranderingen in de
omgeving
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
SAMENGEVAT
71
SEKSUELE SELECTIE
SOCIAAL LEVEN
WAAROM SOCIAAL?
Gevaar vermijden
o
o
o
o
o

Waarover gaat het?
 Taakverdeling tussen voedsel zoeken en uitkijken
 Meer ervaring met leeftijd
Verdunningseffect: risicospreiding
Waakzaamheid: communiceren voor heel de groep
 Democratische besluitvorming
Emotionele aanstekelijkheid
 Synchroon handelen: kuddedieren
 Overname gemoedstoestand van anderen: angst overnemen
 Cognitieve empathie
 Emotionele aanstekelijkheid gecombineerd met beoordeling van
situatie van de ‘andere’ (oplossing bieden)
Functie en motivatie van gedrag:
 Functie: evolutionaire verklaring (eerder voor biologen)
 Motivatie: aanzet tot activiteit (eerder voor psychologen)
 Gemotiveerde autonomie:
 Motivatie ontkoppeld van functie (bv. restaurant  eten)
 Meestal buiten het bewustzijn om
Proviand bemachtigen
o
o
o
Groepen zijn informatiecentra (‘kuddementaliteit’)  zwermen, recepties, …
Bemachtigen grote prooien: co-evolutie (ook de prooi evolueert o.b.v.
socialisatie)
Circulerende beweiding/vruchtgebruik: veiliger + tijd voor omgeving om te
recupereren

Nomadische mens in een woongebied

Niet enkel voordelen, ook nadelen
o
o
Competitiedruk bij tekorten: optimale groepsgrootte in functie van limiterende
omgeving
Verhoogde kans op infecties: parasieten
NIET TE VERGETEN

Sociaal gedrag wordt enkel bij sociaal levende soorten aangetroffen

Sociaal leven is essentieel voor de evolutie van coöperatie en altruïsme
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

72
SEKSUELE SELECTIE
WAT IS SEKSUELE SELECTIE?

Seksuele selectie: selectie van een individu voor de beste genen onder beschikbare
soortgenoten

Natuurlijke selectie: selectie van de omgeving voor de beste individuen onder beschikbare
soortgenoten  survival of the fittest

Leven = overleven + voortplanten  vaak tegengestelde belangen

Intraseksuele selectie
o
o
o
Interseksuele selectie
o
o
Voorkeur individu van ene geslacht voor individu van andere geslacht
Wanneer een individu meer indruk maakt op het andere geslacht dan zijn rivalen

Reproductiestrategie: intra- en interseksuele selectie samen

Vrouwen bepalen de selectie
o
o

Mannetjes bevruchten eieren sneller dan wijfjes ze kunnen maken
 Dus:
 Reproductief succes man gelimiteerd door vrouw
 Reproductief succes vrouw gelimiteerd door hulpbronnen
Belangenconflict tussen geslachten
 Hoge reproductie investering bij vrouwen: zij bepalen selectie
 Mannen winnen bij copuleren (weinig investering)
 Vrouwen winnen bij afwijzen (kieskeurig: grote investering)
o Recente invloed van voorbehoedsmiddelen op seksuele
selectie!
Reproductieve inspanning
o
o
o
o
Reproductieve inspanning = partnerkeuze + ouderzorg
Mannetjes investeren vaak meer in paringsinspanning + seksuele competitie
Vrouwtjes investeren vaak meer in parentale inspanning
= sterk cultureel afhankelijk!
COMMUNICATIE TUSSEN GESLACHTEN

Geen communicatie:
o

Ongeslachtelijke vermenigvuldiging
Communicatie:
o
o
Geslachtelijke vermenigvuldiging
Informatieoverdracht tussen zender en ontvanger via signalen
 Visuele signalen  beeld
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

Competitie tussen geslachtsgenoten voor de gunst van het andere geslacht
(Culturele) evolutie kan twee richtingen uit (bij ♂♂):
 Ofwel toenemende competitie en isolatie
 Ofwel toenemende coöperatie en socialisatie (bv. bij spermashopping)
Het gevolg van competitie tussen mannetjes, waarbij ze zelfs met elkaar vechten
voor de verovering van vrouwtjes
73




Akoestische signalen  taal
Tactische signalen
Nadeel: gelijktijdigheid
Chemische signalen (bv. feromonen)

Materiële voordelen voor ♀ en nageslacht

Herkennen “goede genen”
o
o
Ostentatieve ornamenten
 Zelfversterkend effect door wegloopselectie vanuit de oorspronkelijke
vorm: weglopen van oorspronkelijke toestand naar een ostentatief
kenmerk
 Evolutie van overdreven structuren en gedragingen
 Keuze ♀ (erfelijk) voor ostentatief ♂ (erfelijk) geeft zonen met ostentatief
kenmerk, die haar genen beter doorgeven
Handicap principe
 Idem, doch ostentatief ornament wordt handicap
 Nulmodel: seksuele en natuurlijke selectie houden elkaar in evenwicht
 Compromis tussen:
o Optimale overleving en
o Optimaal succes bij ♀♀
o Geen verschillen tussen geslachten zonder seksuele competitie
o Geslachtsdimorfisme in niet monogame situaties
 Pak of das
tegenover
 Rok, hoofddoek of kleed
o Monogamie = geen seksueel dimorfisme/geslachtsdimorfisme
Schoonheid
o
 Schoonheid en symmetrie
 Herkennen “goede genen”: eerlijke signalen
(Partner-)kopiëring: succesvolle individuele kenmerken nabootsen (bv. reclame)
o
COMPETITIE TUSSEN GESLACHTEN

Operationele geslachtsverhouding
o
o
Verhouding tussen beschikbare ♀♀ voor ♂♂
Sterke competitie: bij asymmetrische verhoudingen (geen 1/1)
SEKS IN EEN GEMEENSCHAP
SPERMACOMPETITIE

Competitie tussen verschillende ejaculaten voor de bevruchting
INTEELT VOORKOMEN

Inteelt: accumulatie van verliesmutaties
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
SELECTIEMECHANISMEN
74

Inteelt verhinderen: één resident geslacht (filopatrische lijn)
o
o
Dus: meer verwantschapsselectie onder het resident geslacht
Regel (uitzonderingen !): bij zoogdieren blijven de ♀♀ (kinderkribbe + zogen)
COPULATIEDEVALUATIE

Sociale vrede

Infanticide: zekerheid geen vaderschap → mannen: vermoorden alle zuigelingen (bv. leeuwen)

Infanticide preventie
o
o
Vrouwelijke coalities
 Receptieve periode = vruchtbare periode
 Niet-verwante mannen in vrouwelijke coalities
 Copulatiedevaluatie met sociaal acceptabele mannetjes (moeten zich
sociaal gedragen zoals het hoort  enkel dan selectie door vrouwtje)
Mannelijke coalities
 Receptieve periode > vruchtbare periode  onzekerheid over vaderschap
neemt toe
 Niet-verwante vrouwen in mannelijke coalities
o ♂ ♂ verwant met iedereen in de groep (onderdrukt
agressie) (kinderen en volwassenen), behalve adulte
vrouwen
 Seks krijgt socialiserende functie (seks voor gunsten)
PRIMATENPERSPECTIEF

Vrouwen aggregeren voor proviand en veiligheid, mannen voor vrouwen (in de periferie)

Mannen verhogen de veiligheid van de groep:
o Verdunningseffect
o Verdediging
 Sterk seksueel dimorfisme (risico op infanticide)
‘FUSION-FISSION’ SOCIALE ORGANISATIE

Van polygyn (veelvrouw) naar veelman-veelvrouw (‘multimale-multifemale’)
o
o
o
Reductie dimorfisme (lichaamsgrootte, hoektanden, enz.  meer gelijkend)
Spermacompetitie neemt toe (want: vrouw kiest welke man ze wilt)
Evolutie richting vriendschap
 Socioseksuele activiteiten
 ♀ copuleert met meerdere ♂♂
 Orgasme♀
 Holebigedrag in gradaties bij veel sociale primaten
 Akoestische communicatie voor contact
 Informatie overdracht (cultuur) via taal
 Vrouwen meer verbaal (ook schrijven)
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
GEMEENSCHAPPEN
75

Herinner u: inteelt
(filopatrische lijn)
verhinderen,
één
resident
geslacht
VAN BORSTVOEDING TOT GROOTMOEDER
SPENINGSCONFLICT

Einde zoogperiode
o
o
o
Mama (= mamma) wordt moeder als de kost te groot wordt bij kosten/baten = 1
Fitnessbelangen van ouder en kind asymmetrisch
Speningsconflict: agressie van kind, afwijzen van de moeder
 Verschil met oedipuscomplex: geslacht van het kind doet er niet toe en
heeft niets te maken met jaloezie tegenover vader
GROOTMOEDERHYPOTHESE
Grootmoeder is nauwe verwante (inruilbare moeder, maar geen inruilbare mama)
 Van directe naar indirecte fitness
o
o
o

Grootmoeder voedt
o
o
o

Grootmoeder gaat indirect fitness verwerven en genen en cultuur (opvoeding)
doorgeven via kleinkinderen
Aanpassing aan opvoeding kleinkinderen (grootmoederhypothese)
Seks in ruil voor voedsel blijft gelden
Na spening blijft kind afhankelijk van geprepareerde voeding
Zij blijft actief: betrokken in opvoeding (derde generatie)
Zij heeft rijke ervaring: leert kind door voordoen (scholing, cultuuroverdracht)
Grootmoeder is de moeder van de vader van het kind
o
o
Gevolg van onze sociale adaptatie om inteelt te voorkomen
Politieke interesse, niet politiek actief
ZEKERHEID OUDERSCHAP

♀♀ Kennen hun kinderen; enkel directe fitness
o

In nood intermatriarchale competitie
♂♂ onzeker, doch
o
o
o
Onderling verwant: indirecte fitness belangrijk naast directe
Selectie voor sociale bewogenheid binnen de groep:
 Indirecte fitness + seksuele selectie
 Functie ♂♂ minder centraal dan ♀♀
Taal: o.a. voor seksuele selectie
♀♀ kiezen partners op basis van reputatie (bv. meer taalvaardig)
MENOPAUZE

Win-win operatie (altruïsme) tussen niet-verwante vrouwen voor
o
Zogen (gesynchroniseerde reproductie)
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

76
o

Babysitten
Bij dood van de moeder
o
o
Geen win-win operatie meer
Menopauze als sterftekans = 100%
GROEPSLEVEN
ALTRUÏSME TUSSEN NIET-VERWANTEN
KENNISMAKING

Kunnen altruïsme en vriendschap vanuit een evolutionair perspectief?
o
o
Evolutie: ‘survival of the fittest’  egotrippers ( altruïsme)
Natuurlijke selectie bevordert egotripperij (d) ten koste van coöperatie (c):


Behalve wanneer specifieke mechanismen coöperatie promoten
Altruïstische interacties tussen donor en begunstigde met kost c en baat b
o
o
o
Resultaat is dat de baat groter moet zijn dan de kost, anders heb je iets absurd 
je krijgt dus win-win operaties
 Als je samen iets doet, bereik je iets dat je alleen niet kan bereiken
Kosten-baten te meten in fitness win-win operaties; gedeelde winst > b – c
Selectie als coöperant wint van egotripper

Samenwerken (win-win operatie)

Direct tussen 2 individuen

o
Eenmalige coöperatie
o
Herhaalde coöperatie
Herhaald samenwerken (win-win operatie)
o
Voorwaarde om tot coöperatie te kunnen komen tussen twee individuen die niet
verwant zijn (Trivers):
 Elkaar herkennen als individu
 Elkaar regelmatig terugzien
 Dat is een heel stevige vorm van coöperatie die heel lang kan duren onder
die twee essentiële voorwaarden
 In die zin is onze sociale context vandaag compleet anders dan
wat deze altijd geweest is in prehistorische tijden  de
evolutionaire reden waarom het nu gebeurt, is omdat we geen
mechanismen ontwikkeld hebben om te leven in deze situaties
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
ALTRUÏSME TUSSEN 2 INDIVIDUEN (‘PRISONERS DILEMMA GAME’ OF ‘TIT FOR TAT’)
77
o

‘Win-blijf, verlies-wissel’ strategie uitbouwen voor partnerschap
o
o

In projecten (bedrijfsleven), voor voortplanting
Je kan de theorie van Trivers (die met zijn twee voorwaarden onverbiddelijk is)
uitbouwen
 Dat zie je op allerlei terreinen, ook op vlak van de voortplanting: dat is
helemaal niet romantisch (ook een ‘optelsom’)
Belangenaltruïsme
 Secundair gevolg van altruïsme: altruïst heeft onrechtstreeks belang bij altruïstisch
gedrag
o
o
o

Altruïsme: coöperatie (win-win operatie) met een tijdsinterval tussen prestatie
en tegenprestatie
Het is in iemands eigenbelang om altruïstisch te zijn
Reproductief partnerschap (alles voor elkaar doen met het oog op het welzijn van
het nakomelingenschap)
‘Win-blijf, verlies-wissel’ strategie uitbouwen tot vriendschap
 Als je aanvoelt dat die voordelen (empathisch en bewust of onbewust) zo
positief uitvallen, dan evolueert dat mogelijks tot een intense
vriendschapsrelatie die niets met geslacht te maken heeft
 Maar: je kan dit niet onbeperkt uitbreiden
Mogelijke interacties tussen 2 individuen: Ik / andere
o
o
o
o
+ / + coöperatie (mutualisme: coöperatie tussen verschillende soorten)
- / + altruïsme op langere termijn: wederkerig altruïsme (wederkerigheid, reciprociteit); wordt dus + / +
- / - competitie (haat)
+ / - uitbuiting (manipulatie, schijnvriendschap, parasitisme)
ALTRUÏSME TUSSEN MEERDEREN

“Ik krab uw rug en iemand anders krabt de mijne”

Steunt op:
o
o
o
Uitbouwen van reputatie (!)
Cognitieve vermogens
Informatieoverdracht (inclusief taal en roddels): al dan niet objectief

Interacties zijn openbaar met nabestaanden als toeschouwers (waarneming) in een
dynamisch sociaal netwerk

Gevolg: hoe meer behulpzaam, hoe meer geholpen
o
o
Politiek dienstbetoon
‘Privacy’  bestaat niet

Beloning voor de altruïstische daad is belangrijk, niet wie ze geeft

Egotrippers krijgen vergelding door uitsluiting van verdere coöperatie

Evolutie naar:
o
o
Sociale en morele normen (goed en kwaad) binnen de groep, cultuurgebonden
Empathie  sterke selectie hiervoor binnen groepen
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
 Indirecte wederkerigheid
REPUTATIE
78
o
Strategisch denken
GEMENGDE COALITIES

Onvoorwaardelijke strategie

Voorwaardelijke strategie van een ‘discriminerende speler’
o
Op basis van ervaring uit het verleden met medespeler in een populatie
discriminatoren kunnen onvoorwaardelijke coöperatoren toenemen en invasies
van egotrippers veroorzaken
 Als je onvoorwaardelijk goed bent, moet je niet investeren in straffen,
enz., en profiteer je van het discriminerend gedrag van anderen die dat
wel doen  als onvoorwaardelijk coöperant ben je een egotripper van
tweede orde
 Buren samen voor
 Gebruik ladder
 Aankoop stookolie
 …

Basissystemen voor morele beoordeling van medespelers (‘goed’ vs ‘slecht’ individu)

Netwerkwederkerigheid
o
o
Clusters van coöperatoren
Sociale netwerken
GROEPSLEVEN
GROEPSSELECTIE
Meerlagige selectie
o
o
o

Groepsselectie werkt gelijktijdig in op meerdere niveaus
Dynamiek op rekening van individuele fitness
 Het kan als individu goed zijn en je fitness verbeteren om altruïstisch te
zijn, zodanig dat een clan het beter gaat doen dan de andere
Individuen geclusterd in groepen
 Individu > verzameling individuen > groep > populatie > metapopulatie > ...
 Dan krijg je groepen die in het kader van competitie en survival, de weg
van coöperatie ingeslagen zijn
 De ene groep kan het dan beter doen dan de andere groep, en dit soms op
een merkwaardige manier
Collectieve beslissingen in groep
o
o
o
Vermijden individuele fouten
Beslissing sneller en juister in groep dan individueel
Decentralisatie van de communicatie (zelforganiserend systeem)
NORMATIEVE VERPLICHTINGEN

Sociaal gedrag gesteund op culturele groepsselectie
o
Hoog ontwikkelde normen en waarden voor coöperatief gedrag tussen nietverwante individuen (dus geen verwantschapsselectie)
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

79
o
Genetische selectie voor sociaal gedrag binnen groepen (niet noodzakelijk tussen
groepen)  groepsselectie in gen-cultuur co-evolutie  daarin past ons sociaal
gedrag

Fair-play en wederkerigheid, zelfs onbaatzuchtigheid

Normen gelden binnen groep (intergroep normering anders)

Normen dicteren groepsbelang (groepsbelang > individueel belang)

Samenwerking op grote schaal mogelijk tussen niet-verwanten (bv. oorlogvoering)
GEMEENSCHAPSGOED (‘COMMONS’)

Democratische besluitvorming met beteugeling van profiteurs

Voorwaarde: keuze niet individueel maar door de groep (met een meerderheid aan prosociale individuen)
o

Gezondheidszorg, ziekteverzekering en onderwijs  wordt betaald m.b.v.
belastingen en zijn voor iedereen beschikbaar (= sociaal)
Dus, voor beleidsverantwoordelijken:
o
o
Idee ‘universeel eigenbelang’ (‘tragedy of the the commons’) is fout  enkel als je
exploiteert zonder te overexploiteren, heb je een continuüm
Wel: ‘algemeen welzijn’ (‘public good’) (geen BNP, wel ‘bruto nationaal welzijn’)
STRAF
Bestraffen:
o
o

Sterk rechtvaardigheidsgevoel (verschilt van persoon tot persoon)
o
o

Duur: men betaalt een prijs voor de straf
Contraproductief (bv. ook in speltheorie): geen winst voor bestraffer en de groep
Beloont fair gedrag en straft onrecht ten koste van zichzelf
Gerelateerd aan reputatie in natuurlijke groep (prehistorisch)
Sociaal en antisociaal straffen
o
o
o
Sociaal straffen: sanctioneert wie minder bijdraagt (maar: kan wraak of antisociaal
straffen uitlokken, i.p.v. zich sociaal aan te passen)
Antisociaal straffen: sanctioneert wie evenveel of meer bijdraagt
 Aantasting weldoener
 Omgekeerd evenredig met coöperatieniveau
Wraak: onredelijke vergelding van (terechte) sancties
OPENBAAR LEVEN

Conformisme

Openbare instelling
o
o

Overdracht van individueel straffen naar groep wordt ‘tweede-orde publieke
eigendom’
Juridische regelgeving en uitvoerende macht in wetstaat onderdrukt antisociaal
straffen en wraak
Gelegitimeerde gezagsdragers (wet- en machthouders)
o
Ontlasten individu van straf en wraak
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

80
o

Tijdelijk en voor de eeuwigheid
Van religie naar godsdienst
o
o
Religie
 Individueel gevoel van verbondenheid met ‘het zijnde’
 Is bespreekbaar en kan gedeeld worden met anderen
Godsdienst
 Gedeelde religieuze gevoelens, onderworpen aan regels
 Gelegitimeerde gezagsdragers (priesterklasse) daarbinnen
 Sancties geëxtrapoleerd naar tijdloze dimensie
ONS LEVEN IN DE PREHISTORIE
RECEPTIEVE PERIODE > VRUCHTBARE PERIODE

Receptieve periode > vruchtbare periode (permanent receptief)
o
o
o
Verdoken receptieve periode bij vrouwen + mannen wijsmaken dat je niet
seksueel toegankelijk bent
Niet-verwante vrouwen in mannelijke coalities (en andere varianten)
Voortplantingssynchronisatie door feromonen (hierdoor kan er gezamenlijk
gezoogd worden, cf. ‘sociale controle in clan’)
SOCIAAL NOMADISCH MATRIARCHAAT
Circulerend rondtrekken in woongebied
o
o
o

Sociale controle in de clan (reputatie)
Snelle en accurate besluitvorming in de groep
Groepsleven maakt sterk
Taakverdeling tussen geslachten
o
o
o
Jagers-verzamelaars
Vrouwen
 Zorg voor kroost (zogen) en dagelijks proviand  het eten werd sociaal
gekookt en sociaal gebruikt
 Verzamelaars
 Gevolgen bereiding gekookte maaltijden (gen-cultuur coëvolutie)
o Snelle genetische adaptatie
o Culturele smaakvariaties
 Kortom: sociaal nomadisch matriarchaat (de vrouwen bepaalden veel)
Mannen
 Rondtrekkende jagers, vissers
 Verdediging waar nodig
 Verre excursies mogelijk (want: niet gebonden aan zogen):
RELATIES

Seks in ruil voor voedsel tot op hoge leeftijd:
o
o
Essentieel voor nageslacht
“Vet = levensverzekering”
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

81

Kunst van mannen voor vrouwen (om in de gunst van de vrouw te komen)

Specialisatie: “vakmanschap” en kunstambacht
HISTORISCHE TIJDEN (VANAF SCHRIFT)
DOMESTICATIE VAN GEWASSEN

Sedentarisatie voor bescherming tegen begrazing (want: planten bewegen niet)

Overschotten in goede jaren (ga je niet weggooien, want je hebt ervoor gewerkt  bezit)
o

Ontstaan van bezit met
 Rijkdom en armoede
 Macht (meer rijkdom > minder rijkdom)
Nieuwe vijanden
o
o
Graaneters, muizen, graankevers
Eigen soort (plunderen: men ging jagen op bezit van anderen)
NEDERZETTINGEN

Territoriale verdediging (staand leger voor defensie)

Plunderende benden voor winstbejag
o
o

Geen marginalisatie meer van psychopaten: machoculturen  opgehemeld
 (asociaal ‘scoren’ bij mannen i.p.v. oorspronkelijke dienstverlening)
Niet enkel met wapens strijden: kan bv. ook in de financiële wereld
Van vredelievend moederland naar strijdvaardig vaderland
o
o
Verschuiving naar versnippering en eigen gelijk
Getalsterkte van mannen wordt belangrijk

Door bezit
o
o

Zekerheid vaderschap
o
o
o
o
o
o

Mannen zijn eigenaar van land, vee en vrouwen
Individualisatie van bezit en verwantschapsselectie (families)
Voor overerving: mannelijk filopatrische afstammingslijn
Kuisheid bij de vrouw wordt belangrijk
Van natuurlijke vrouwelijk gestuurde polygamie (seksuele selectie)
Naar mannelijk gedicteerde polygamie
 Vrouwelijke domesticatie (vrouw als bezit)  autonomie
 Mannelijke arrogantie
Nieuwe vorm: monogame schijnheiligheid
Sedentair patriarchaal potentaat
 Vanuit nomadisch sociaal matriarchaat
Uitgestelde dispersie/verspreiding van vrouwen (tegen inteelt)
o
Uithuwelijken met bruidsschat (bezit vader  bezit man)
 Vrouw = investering
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
SEDENTAIR PATRIARCHAAL POTENTAAT
82
o
Kans op suboptimale condities (als risico van de afhankelijkheid van de landbouw)
o
o

Samengevat:
o
o
o
o

Misoogsten en gebrekziekten (bv. hongersnood) in slechte tijden
Populaties boven draagkracht van milieu
 Jonge vrouwen in marginaliteit
 Beproeven hun geluk elders (handel)
 Strooptochten (voorwaarden altruïsme niet voldaan)
 Agressief egocentrisch gedrag
 Verkrachting  selectie voor mannelijke agressie
Territoriale verdediging
 Staand leger voor defensie
Plunderende benden voor winstbejag
 Geen marginalisatie meer van mannen: machoculturen
 (Asociaal ‘scoren’ bij mannen i.p.v. dienstverlening)
Van vredelievend moederland naar strijdvaardig vaderland
 Van sociaal nomadisch matriarchaat naar sedentair patriarchaal potentaat
Van ecocentrisch naar egocentrisch wereldbeeld
 (moeder-)godinnen 
(vader-)goden
 Eros

Thanatos (voor freudianen)
Als we dat nu allemaal samenvatten: hoe zijn historische tijden kunnen komen tot wat we zijn
vandaag en hoe past de psycholoog hierin?
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
We leven met onze psyche, gevoelens, empathie, gedragspatronen, in grote lijnen
op een noemer die je menselijk kan noemen en die minimum 200 000 jaar oud is
Maar: de laatste paar 1000 jaar hebben we eigenaardige fenomenen meegemaakt
die door de gen-cultuur co-evolutie hun stempel beginnen drukken zijn op ons
hele bestel
Aan de basis hiervan lag de domesticatie van gewassen: je kreeg dan
nederzettingen en de laatste 200 jaar een ongecontroleerde bevolkingsexplosie
Dat is naar analoog met BNP en BNwelzijn: iedere vrouw heeft het recht op het
geluk van moederschap
Maar: het gaat over kwaliteit, niet kwantiteit
We zitten met een patriarchaal potentaat: staand leger, iedereen voor defensie,
waarbij niemand toegeeft dat hij de andere aanvalt, maar meestal is het toch een
plunderende bende voor winstbejag
Je krijgt geen marginalisatie meer van mannen in centraal bestaan met vrouwen,
maar een machocultuur waarbij scoren iets heel belangrijk geworden is i.p.v.
bescheidenheid
 We leren onze kinderen dat ze goed hu best moeten doen om veel punten
te halen, terwijl je ze beter zou moeten aanleren dat ze goed hun best
zouden moeten doen opdat anderen het ver zouden mogen brengen
We zijn geëvolueerd van vredelievend moederland naar strijdvaardig vaderland
We gingen van een ecocentrisch, moederaarde wereldbeeld, naar een
egocentrisch wereldbeeld, en van moedergodinnen naar vadergoden
Van erosconcept, namelijk het gevoel van verbonden zijn met het gelukmakende
en gelukzalige, zijn we geëvolueerd naar thanatos, de doodsgedachte
Dit allemaal omdat planten wortels hebben
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief

Risico op incest (situaties die vroeger niet bestonden)
83
84
Genderstudies bekeken vanuit evolutionair perspectief
Download