HET IMMIGRATIEBELEID VAN DE EUROPESE UNIE EN

advertisement
FACULTEIT ECONOMISCHE EN
TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN
DEPARTEMENT TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN
KATHOLIEKE
UNIVERSITEIT
LEUVEN
HET IMMIGRATIEBELEID VAN DE EUROPESE UNIE EN DE
VERENIGDE STATEN:
EEN VERGELIJKING
Sofie Verheirstraeten
Verhandeling aangeboden tot
het behalen van de graad van
Licentiate in de Toegepaste
Economische Wetenschappen
Promotor : Prof. Dr. P. De Grauwe
- 2004 -
FACULTEIT ECONOMISCHE EN
TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN
DEPARTEMENT TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN
KATHOLIEKE
UNIVERSITEIT
LEUVEN
Sofie Verheirstraeten
HET IMMIGRATIEBELEID VAN DE EUROPESE UNIE EN DE
VERENIGDE STATEN:
EEN VERGELIJKING
Korte Inhoud Verhandeling:
Immigratie en de problematiek die hierrond bestaat, is een agendapunt
zowel in de EU als in de Verenigde Staten. In deze verhandeling hebben
we de oorsprong van de huidige immigratiebeleiden van de EU en de VS
bekeken. Om de huidige situatie beter te begrijpen, hebben we de
belangrijkste
kenmerken
in
verband
met
immigratie
van
beiden
beschreven. Het is op basis van deze kenmerken dat we dan een
vergelijking hebben gemaakt. We zijn in deze vergelijking na gegaan waar
de verschillen en de gelijkenissen tussen beide immigratiebeleiden zich
situeren
Promotor : Prof. Dr. P. De Grauwe
- 2004 -
I
Dankwoord
Eerst en vooral wil ik Prof.Dr.P. De Grauwe bedanken die me de kans gegeven heeft dit
boeiend onderwerp te onderzoeken. Vicky Haubourdin, mijn werkleidster, dient ook
bedankt te worden. Ze las telkens mijn geschreven stukken na, hielp me terug op het
juiste pad en beantwoordde mijn vele vragen. Door steeds feedback te geven over het
werk en te wijzen op fouten en mogelijkheden van uitwerking, vorderde deze
verhandeling sneller dan ik ooit verwacht had.
Een mens is tot veel minder in staat zonder de mensen die hem onvoorwaardelijk
steunen. Bij mij was dit niet anders. Dankzij mijn zus, Els, zijn de spellings- en
grammatica fouten eruit gehaald. Ook had ze een luisterend oor wanneer ik vast zat of
de hoop bijna opgaf. Mijn ouders, bij wie ik terecht kon met vragen over de EU, wil ik
ook bedanken. Mijn vader wil ik in het bijzonder nog eens bedanken om mijn thesis na
te lezen en me te helpen bij het zoeken van informatie omtrent het toekomstige
Europese communautaire immigratiebeleid. Mijn vriend, Vincent, verdient ook een
vermelding daar hij er altijd was om mij te kalmeren en mijn gedachten te verzetten
wanneer het nodig was.
Ik denk dat alle laatste jaars ook veel steun bij elkaar vonden. We begrepen elkaar
omdat we met dezelfde vragen en problemen zaten.
Bedankt allemaal,
Sofie Verheirstraeten
II
Inhoudsopgave
Algemene Inleiding…………………………………………………………………...…1
Deel 1 Immigratie theorie.................................................................................................5
Hoofdstuk 1 Basisprincipes van immigratie................................................................ 5
1.1
Algemeen ...................................................................................................... 5
1.2
Waarom immigreren ze ?............................................................................... 7
1.2.1
Push- en Pullfactoren ............................................................................. 7
1.2.2
Link tussen de Push- en Pullfactoren...................................................... 8
1.2.3
Economische determinanten van migratie .............................................. 9
1.3
Economische gevolgen ................................................................................ 10
1.3.1
De Macro-economische visie ............................................................... 10
1.3.2
Effecten op de economie in het land van bestemming .......................... 12
1.3.3
Economische effecten op het land van oorsprong ................................. 18
Hoofdstuk 2 Het immigratiebeleid........................................................................... 22
2.1
Classificaties van immigratie ....................................................................... 22
2.1.1
Arbeidsmigratie ................................................................................... 22
2.1.2
Familiehereniging ................................................................................ 23
2.1.3
Asielzoekers en vluchtelingen.............................................................. 23
2.2
Beleidsantwoorden ...................................................................................... 24
2.2.1
Het soort beleid.................................................................................... 24
2.2.2
Tijdelijke of definitieve migratie.......................................................... 26
2.3
Principes waarop een beleid moet steunen ................................................... 26
2.4
Besluit ......................................................................................................... 27
Deel 2 Het immigratiebeleid...........................................................................................29
Hoofdstuk 1 Het Europese immigratiebeleid ............................................................ 30
1.1
De wortels van het Europees immigratiebeleid ............................................ 31
1.1.1
De jaren zestig .................................................................................... 33
1.1.2
De jaren zeventig ................................................................................. 34
1.1.3
De jaren tachtig.................................................................................... 35
1.1.4
De jaren 90 .......................................................................................... 36
1.1.5
Cijfergegevens ..................................................................................... 36
1.1.6
Besluit ................................................................................................. 42
III
1.2
Kenmerken van de EU15 wat betreft immigratie......................................... 43
1.2.1
De Grenzen.......................................................................................... 44
1.2.2
De lage mobiliteit tussen de verschillende lidstaten.............................. 45
1.2.3
De verzorgingsstaat.............................................................................. 49
1.2.4
De Nulimmigratie ................................................................................ 50
1.3
Het communautair beleid............................................................................. 51
1.3.1
De noodzakelijkheid van een communautair beleid.............................. 51
1.3.2
De probleempunten.............................................................................. 58
1.3.3
Vorderingen van het communautair immigratiebeleid .......................... 64
1.3.4
Besluit ................................................................................................. 65
1.4
De toetreding en het immigratiebeleid ......................................................... 66
1.4.1
De immigratiestop tot 2011.................................................................. 66
1.4.2
De Schengen-akkoorden ...................................................................... 71
1.4.3
Besluit ................................................................................................. 72
1.5
Besluit ......................................................................................................... 72
Hoofdstuk 2 Het immigratiebeleid van de Verenigde Staten ..................................... 74
2.1
Geschiedenis ............................................................................................... 75
2.1.1
De Eerste Grote Immigratie (1880-1924) ............................................. 76
2.1.2
De tussenperiode (1924-1965) ............................................................. 76
2.1.3
De Tweede Grote Migratie (vanaf 1965) .............................................. 77
2.1.4
Huidige situatie.................................................................................... 79
2.1.5
Cijfergegevens ..................................................................................... 81
2.1.6
Besluit ................................................................................................. 83
2.2
Kenmerken .................................................................................................. 84
2.2.1
Een Immigratieland.............................................................................. 84
2.2.2
De grote mobiliteit ............................................................................... 85
2.2.3
Het sociale stelsel ................................................................................ 86
2.2.4
De concentratie van immigratie............................................................ 87
2.2.5
De nadruk op familiehereniging ........................................................... 88
2.3
De druk op het hedendaags immigratiebeleid............................................... 90
2.3.1
Problemen ........................................................................................... 91
2.3.2
Herdenken van het immigratiebeleid.................................................... 97
2.4
Besluit ....................................................................................................... 101
Hoofdstuk 3 Vergelijking van de beleiden .............................................................. 103
IV
3.1
Het verleden .............................................................................................. 103
3.2
De Kenmerken .......................................................................................... 105
3.2.1
Verzorgingsstaat ................................................................................ 105
3.2.2
Mobiliteit ........................................................................................... 107
3.2.3
Oorsprong van de vreemdelingen....................................................... 108
3.2.4
Klasse van toelating ........................................................................... 112
3.2.5
Probleem van de illegaliteit ................................................................ 114
3.2.6
Samenstelling van de vaardigheden.................................................... 116
3.2.7
Concentratie van de immigranten....................................................... 118
3.2.8
De vergrijzing.................................................................................... 118
3.3
De recente ontwikkelingen ........................................................................ 119
3.4
Besluit ....................................................................................................... 120
Algemeen Besluit...................................................................................................... 123
Bijlage 1 : Besluiten genomen in Tampere, mei 2004............................................ 128
1
Algemene Inleiding
In het begin van de 21e eeuw behoort immigratie en de daarbij horende problematiek tot
de belangrijkste economische en politieke problemen. Zo ook in de Europese Unie en in
de Verenigde Staten. Het is onze bedoeling door middel van een theoretische analyse en
cijfergegevens inzicht te krijgen in deze complexe problematiek.
Waarom emigreren en immigreren mensen ? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de
verschillende betrokken partijen ? Welke maatregelen zijn bij eerdere problemen in
verband met immigratie gebruikt ? Welke effecten hadden deze beleidsveranderingen ?
Op basis van deze vragen gaan we voor zowel de EU als de VS achterhalen waar de
probleempunten zich situeren. Een belangrijke vraag hierbij is in hoeverre deze twee
grootmachten gelijkenissen dan wel verschillen vertonen op dit vlak. Iedereen weet dat
de VS en de EU immigratie op een verschillende manier benaderen. We zullen
onderzoeken in hoeverre deze veronderstelling opgaat en waarom dit zo is.
Voor men aan een vergelijking kan beginnen, dienen de algemene vragen beantwoord te
worden. Daarom gaan we in het eerste deel de theoretische aspecten van immigratie
bekijken. In een eerste hoofdstuk gaan we de immigratie theorie overlopen. Eerst en
vooral is het belangrijk te achterhalen welke elementen een persoon overhalen te
emigreren en te immigreren. Hoewel elke persoon anders is, zullen er factoren zijn die
gelden voor de meeste migranten. De kennis hiervan is van groot belang bij het
uitwerken van een beleid vermits het inspelen op deze factoren de immigratiestromen
kunnen wijzigen.
Vervolgens gaan we de economische effecten van immigratie en emigratie na. Aan de
hand van een theoretisch model gaan we de economische gevolgen proberen
achterhalen. Dit model is een simplificatie van de werklijkheid, daarom gaan we dit
aanvullen met geobserveerde effecten in het verleden. Voor de EU en de VS zijn vooral
de effecten van immigratie van belang, daar ze beiden een positieve netto-migratie
hebben. Toch belichten we ook de effecten op het land van oorsprong omdat er deze
dagen meer en meer samengewerkt wordt met de emigratielanden. Om deze
2
samenwerkingen te verstaan is het daarom nodig om te weten wat emigratie teweeg
brengt of kan brengen.
In het tweede hoofstuk van het eerste deel gaan we dieper in op het ‘immigratiebeleid’
zelf. Eerst en vooral zijn er verschillende classificaties van migranten met elk specifieke
kenmerken. Het is belangrijk hier een beeld van te hebben, daar beleidsmaatregelen een
andere invloed op een andere groep kunnen hebben. Er zijn verschillende modellen die
gevolgd kunnen worden bij het uitbouwen van een immigratiebeleid. We zullen kort
ingaan op elk van deze mogelijkheden. Om dit theoretische deel af te sluiten gaan we
nog kort enkele principes belichten waar een immigratiebeleid dient rekening mee te
houden.
In het tweede deel gaan we eerst de immigratie en het immigratiebeleid van de EU
bespreken. Het lijkt ons nuttig om een beeld te hebben van het verleden om zo de
huidige toestand te begrijpen, daarom gaan we in een eerste deel de geschiedenis van de
EU op vlak van immigratie overlopen. Om nog een beter inzicht te krijgen in hoe de
immigratie de EU beïnvloedt en welke effecten de immigratie en de EU op elkaar
hebben, gaan we op zoek naar de specifieke kenmerken van de EU op gebied van
migratie. Wat is er zo typerend aan de EU ? We werken elk van deze kenmerken uit al
kijkend naar de effecten die ze teweeg brengen in de immigratie.
Eens we een beeld gevormd hebben van hoe de EU in verband staat met immigratie,
gaan we over naar een volgend deel : het communautaire immigratiebeleid waaraan de
EU werkt en dat tegen eind mei 2004 af zou moeten zijn. We gaan beginnen met de
redenen tot het ontwikkelen van dit gemeenschappelijke beleid aan te duiden. Gezien
het ging over 15 landen en nu zelfs over 25 landen die tot één gemeenschappelijk beleid
inzake immigratie moeten komen, zullen er wel probleempunten zijn. Deze gaan we in
een volgend deel aanhalen en bespreken. Als afsluiter van dit onderdeel gaan we de
elementen waarover al beslist is vernoemen.
Zoals we in de vorige paragraaf reeds schreven zijn er onlangs 10 lidstaten toegetreden.
In een vierde deel binnen het hoofdstuk van de EU gaan we dieper in gaan op deze
uitbreiding. Voor de toetreding heerste er een enorme angst voor eventuele
immigratiestromen die door de toetreding van oost naar west zouden ontstaan. We
3
zullen in dit deel onderzoeken of deze angst gegrond is. Een ander element dat we
binnen dit deel zullen bespreken is de relatie tussen de nieuwe lidstaten en de Schengenakkoorden. We gaan na welke effecten het ondertekenen van deze akkoorden kunnen
hebben op de nieuwe lidstaten. In de meeste nieuwe lidstaten is het goederentransport
en arbeidsmobiliteit immers vrijver.
Vervolgens gaan we over naar het tweede grote hoofdstuk binnen het tweede deel,
namelijk het immigratiebeleid van de VS. Net zoals we zullen doen in het hoofdstuk
over de EU, zullen we ook hier beginnen met een overzicht te geven van de
geschiedenis. We veronderstellen dat de geschiedenis van de VS gekenmerkt is door
een liberaler beleid daar het een ‘immigratieland’ is. We zullen dit aan de hand van het
overizcht van de geschiedenis en cijfergegevens trachten aan te tonen. Ook hier zullen
we een overzicht geven van de belangrijkste kenmerken van de VS wat betreft
immigratie. We vermoeden dat hier duidelijke verschillen met deze van de EU
merkbaar zullen zijn.
Het derde deel van dit hoofdstuk zal handelen over de huidige politieke problemen die
rond immigratie bestaan. Het immigratiebeleid staat onder druk, de kans is daarom
groot dat er in de nabije toekomst veranderingen aangebracht gaan worden. In dit deel
onderzoeken we om welke de problemen het juist gaat en wat de kenmerken hiervan
zijn.
De eigenlijke vergelijking komt aan bod in een vierde en laatste hoofdstuk van het
tweede deel. Het lijkt ons nuttig om de vergelijking te beginnen met het naast elkaar
leggen van de geschiedenissen gezien het de verklaring zal zijn van vele verschilpunten
tussen beiden. Het doel van dit hoofstuk is, met de beleiden en kenmerken als
achtergrond, te analyseren aan de hand van cijfergegevens waar de beleiden
gelijkenissen vertonen en waar geheel andere tendenseen gesitueerd kunnen worden.
Ondanks het volgen van een ander beleid, kunnen dezelfde effecten geobserveerd
worden. We zullen daarom de oorzaken van deze verschillen en gelijkenissen proberen
achterhalen.
Deze vergelijking zou moeten leiden tot een globaal beeld over de EU en de VS in
verband met immigratie. Het is onze bedoeling de sterktes en zwaktes van beide
4
beleiden bloot te leggen, net als de redenen waarom deze kenmerken zo positief zijn.
Om een oordeel te kunnen vormen over de discussie die gevoerd wordt, lijkt het ons
positief een gerelativeerd en realistisch beeld te hebben van immigratie en de gevolgen
ervan.
5
Deel 1 : Immigratie theorie
Hoofdstuk 1 Basisprincipes van immigratie
Voor er een vergelijking gemaakt kan worden tussen twee beleiden omtrent immigratie,
moet er eerst aangetoond worden wat dit begrip juist inhoudt.
Een ander belangrijk element dat een grote invloed zal hebben op het beleid, is de reden
van emigratie. Als het zendende land de reden van vertrek uit het thuisland van de
immigranten kent, kunnen de landen van bestemming met hun immigratiebeleid de
redenen proberen wegnemen. Een andere belangrijke factor is de reden van immigratie.
De elementen die hiertoe bijdragen kunnen bepalen, kan bijdragen tot het uitbouwen
van een immigratiebeleid. Daarom is ook aan dit onderwerp een deel gewijd.
Ook gaan de algemene economische gevolgen van immigratie aangetoond worden. De
economische gevolgen kunnen in twee groepen opgedeeld worden: de economische
gevolgen voor het zendende land en deze voor het land van bestemming.
1.1
Algemeen
Immigratie is een heel ruim begrip waarvan verschillende aspecten onderzocht worden.
In de sociologie zal men het aspect ‘integratie’ bestuderen, terwijl economen het
meestal vanuit een macro-economische hoek gaan bekijken. We zullen ons in dit werk
beperken tot de macro-economische aspecten van immigratie .
In 1974 al duidde Willis in ‘Problems in migration analysis’ op het feit dat het woord
‘immigratie’ niet éénduidig bepaald was. Toen was er geen unanimiteit over deze term
en voor men iets begon te schrijven over immigratie, specifieerde men beter eerst wat
men er precies mee bedoelde. Nu, 30 jaar later, is het nog van groter belang om met een
specifiering te beginnen daar het gebruik en de verschillende betekenissen van
‘immigratie’ nog zijn toegenomen.
6
Immigratiecijfers kunnen grote verschillen vertonen van onderzoek tot onderzoek omdat
de onderzoeker een andere maatstaf gebruikt. Als de ene een persoon als immigrant
beschouwd wanneer deze twee jaar in dat land verblijft en werkt en de andere
onderzoeken pas na vijf jaar dan bekomt men logischer wijze cijfers die compleet
verschillend zijn. In sommige onderzoeken worden de illegale immigranten meegeteld,
in anderen niet. Zelfs wanneer twee onderzoeken met dit fenomeen rekening houden,
kunnen de cijfers nog verschillen daar het moeilijk is om een cijfer te plakken op deze
vorm van immigratie.
Immigratie is een ruim begrip dat opgedeeld kan worden in verschillende groepen:
gastarbeiders, illegale immigranten, legale immigranten, asielzoekers en vluchtelingen.
Ook hier zijn in de literatuur veel verschillen terug te vinden. Soms wordt een
immigrant omschreven als een persoon die definitief in een nieuw land gaat wonen waar
hij een economisch verschil maakt. Hier worden asielzoekers, vluchtelingen en
gastarbeiders dus niet bij immigratie geteld omdat ze niet aan beide voorwaarden
voldoen. Toch is het niet altijd zo gemakkelijk om een lijn te trekken. Zeker wat betreft
‘invloed op de economie’ kan er moeilijk een groep uitgesloten worden. Asielzoekers
zijn een kost voor het land van ontvangst, illegalen werken meestal toch zodat ze een
invloed, vaak een heel positieve, hebben op de economie. Gastarbeiders vangen
aanbodschokken op de arbeidsmarkt op, dus ook zij hebben wel degelijk een invloed op
de economie.
In deze verhandeling veronderstellen we dat immigratie alle mensen omvat die om
economische redenen geëmigreerd zijn. De andere vormen van migratie laten we in dit
werk buiten beschouwing. Ook moeten ze een economische bijdrage leveren aan het
land van bestemming.
7
1.2
Waarom immigreren ze ?
1.2.1 Push- en Pullfactoren
De redenen van vertrek uit het thuisland, kunnen in twee groepen opgedeeld worden:
de aantrekkingsfactoren en de afstotingsfactoren (Dorigo & Tobler, 1983). Deze termen
worden vooral door sociologen gebruikt om de immigratie te analyseren, maar het
model leek ons nuttig voor de analyse in dit werk. De aantrekkingsfactoren
(Pullfactoren) bevinden zich in het land van bestemming, een voorbeeld hiervan is het
tekort aan arbeidskrachten. De afstotingsfactoren (Pushfactoren) zijn de redenen die
zich in het thuisland bevinden zoals bijvoorbeeld een oorlog.
1.2.1.1 Economische winst
“Ontevredenheid met de huidige omgeving is de oorsprong van migratie”, schrijft
Willis op de eerste pagina van zijn boek (Problems in Migration Analysis, 1974). Er
moet een essentieel verschil van kansen tot geluk en succes bestaan tussen zendend en
ontvangend land om te vertrekken. Vooral kansen met betrekking tot het inkomen doen
mensen immigreren. Toch zijn het ook factoren met betrekking tot fysische elementen
en de sociale omgeving die mensen kunnen overtuigen. Met emigratie proberen deze
mensen hun individueel nut te maximaliseren. Om het nut te maximaliseren moet de
immigrant dus ook rekening houden met andere factoren dan enkel een hoger inkomen.
Het verschil in loon moet eerst en vooral groot genoeg zijn om de verplaatsingskosten te
dekken. Ook wordt er naar het reëel loon gekeken, een hoger loon kan immers duiden
op een duurder leven. Dit is dus een Pullfactor die in het kort omschreven kan worden
als ‘economische winst’.
1.2.1.2 Netwerk
Een andere aantrekkingsfactor is een netwerk van vrienden en familie in een bepaald
land. Deze aantrekkingsfactor valt niet te verwaarlozen. De stap zal sneller gezet
worden als men weet dat er mensen zijn om op terug te vallen in het land van
bestemming. Ook het feit dat mensen hen voor gegaan zijn en er welvarender van
geworden zijn, zal een positief effect op het aantal immigranten hebben. De netwerken
8
hebben nog een belangrijke andere functie voor een migrant. Ze dienen samen met de
media als informatiebron. De beslissing om te migreren hangt vooral af van de
informatie die de migrant heeft over de eventuele plaats van bestemming.
1.2.1.3 Falende staat
Een voorbeeld van een afstotingsfactor is een falende staat. Als de regering in een land
helemaal in elkaar valt of corrupt is, zal dit een reden zijn die velen ertoe aanzet het land
te verlaten. Hier gaat het dus meer over de omgeving: politiek, sociaal, zelfs ecologisch.
1.2.2 Link tussen de Push- en Pullfactoren
De link tussen deze Push- en Pullfactoren is de factor ‘afstand’. Hoe groter de ‘afstand’
wordt, des te kleiner de kans op migratie. Met andere woorden, een migrant zal niet snel
migreren naar een moeilijk te bereiken gebied, waar de migrant geen bekenden heeft of
waar een heel andere cultuur heerst. Deze ‘afstand’ wordt dus kleiner als er meer of
belangrijkere aantrekkingsfactoren meespelen en groter als de Pullfactoren heel erg
zwak zijn. Factoren die de afstand doen toenemen zijn bijvoorbeeld geen bekenden, een
andere taal, geheel andere cultuur
Ook is het belangrijk het verschil te zien tussen een migratiestroom en individuele
migranten. Als men te maken heeft met een falende staat is de kans reëel dat er velen
het land uit zullen trekken. De oorzaken van grote stromen zijn eenvoudiger na te gaan
en, theoretisch gezien, kan deze immigratie verholpen worden door deze oorzaken aan
te pakken. Al blijft dit enorm moeilijk. De oorzaken van individuele immigratie zijn
veel moeilijker na te gaan en als gevolg is het veel lastiger om deze stromen te
voorkomen. In het opstellen van een immigratiebeleid zal men met deze opdeling
rekening moeten houden.
De meeste landen, zeker wat betreft West-Europa, weren immigratie. Een betere
oplossing om de mensen die willen emigreren buiten te houden, is hen een reden geven
om in hun land te blijven. Als men de ontwikkelingslanden zou helpen zich verder te
ontwikkelen en de economie daar uit te bouwen, zou het aantal migranten merkelijk
9
dalen (Horst, 1993). Zelfs geloofwaardige vooruitzichten op een bloeiende economie
houden mensen in hun land, daar vele mensen toch enige trots voor hun land hebben.
Ook de scheiding met familie en hun verantwoordelijkheidsgevoel voor hun land
kunnen hen tegenhouden om de stap te zetten. Toch moet er opgemerkt worden dat de
emigratie na een opbloei van de economie in het land van oorsprong, eerst zal stijgen.
Door de opbloei van de economie verbetert de financiële toestand van de burgers
waardoor velen de middelen krijgen om te vertrekken. Eens opgemerkt wordt dat de
condities permanent verbeteren, blijven de mensen in hun land en keren velen terug.
Faini en Venturini (1994) hebben een model ontwikkeld op basis van de belangrijkste
Push- en Pullfactoren. Ze gingen op zoek naar het ‘migration turning point’, of met
andere woorden, die bepaalde samenstelling van de gekozen factoren waarbij de
immigratie begint te dalen. Uit hun model blijkt dat het percentage van de bevolking dat
vertrekt op een negatieve wijze afhankelijk is van het loon in het thuisland. Een
positieve relatie bestaat tussen het percentage van de mensen die vertrekken en het loon
en de tewerkstelling in het ontvangende land.
1.2.3 Economische determinanten van migratie
De Push- en Pullfactoren kunnen ook op een andere manier onderverdeeld worden, zo
gebruikt Berlage (2003) een aantal economische determinanten. Het zijn deze factoren
die volgens hem de immigratie bepalen. De determinanten zijn heel gelijkend met de
bovenvermelde factoren.
Eerst en vooral moet er een inkomenskloof zijn die voldoende groot is om de stap te
wagen. Vervolgens mogen de kosten van immigratie zelf niet te hoog zijn. De hoogte
van deze kosten wordt ook bepaald door de afstand. Een derde factor die Berlage
aanhaalt is de informatie over het land van bestemming waarover de potentiële
immigranten beschikken. Dit is te vergelijken met het bovenvermelde netwerk van
familie en kennissen.
Aan deze drie determinanten wordt nog een vierde demografische factor aan
toegevoegd. Het zijn vooral jonge mannen en in mindere mate jonge vrouwen die
10
vertrekken. Eens mensen ouder worden hebben ze te veel belangen in hun land
waardoor de kans op emigratie verkleint. Met andere woorden, internationale migratie
wordt volgens Berlage (2003) ook in de hand gewerkt door de aanwezigheid van grote
groepen jonge mensen.
1.3
Economische gevolgen
Immigratie heeft enorme effecten op de wereldeconomie. Het is onmogelijk om alle
verschillende effecten in detail te gaan bespreken. Toch lijkt het ons van belang om een
kort overzicht te geven van enkele gevolgen van immigratie en emigratie.
Dit grote onderwerp, waar we niet al te diep op zullen ingaan, wordt opgedeeld in drie
delen. Eerst wordt er een korte schets gegeven van de gevolgen op macro-economisch
gebeid. In een tweede deel wordt de invloed van immigratie op het land van
bestemming bekeken en in het laatste deel worden de effecten van immigratie op het
thuisland besproken.
1.3.1 De Macro-economische visie
De economische functie van immigratie is de arbeidskrachten geografisch herverdelen
in overeenstemming met de vraag voor verschillende types van arbeid.
(Willis, 1974, p 11).
In een perfecte wereld zou immigratie niet belemmerd worden, zodat mensen zouden
kunnen gaan naar de plaats waar ze hun talent het beste kunnen benutten. De
belemmeringen van immigratie neerhalen, is één van de snelste manieren om de
economie een enorme boost te geven1. Vaak is het zo dat inwoners zelf een bepaalde job
niet meer willen of kunnen uitvoeren. Doordat de vacatures niet opgevuld geraken, gaan
de lonen de lucht in. Bij vrije mobiliteit zullen wel de nodige mensen gevonden worden
en de lonen zullen veel minder stijgen. Dit komt de hele economie ten goede.
1
The Economist, 2/11/2002
11
Een van de grote stimuli van immigratie is het verschil in vruchtbaarheid2 tussen
verschillende landen (Willis, 1974). Als er een verschil in vruchtbaarheid bestaat tussen
landen en er is geen immigratie, dan krijgen we een verstoring in de verdeling van de
werkkrachten. Zoals hierboven reeds vermeld zal er dan een kloof ontstaan tussen de
lonen voor identieke arbeidsplaatsen in verschillende landen. Aangezien mensen steeds
hun nut trachten te maximaliseren, zullen er immigratiestromen ontstaan. Het is de wet
van Vraag en Aanbod die in werking treedt. Een hoger loon is immers een bewijs van
een aanbod dat kleiner is dan de vraag naar een bepaald goed, in dit geval werknemers.
Zolang deze wet niet in evenwicht is, zal er immigratie bestaan.
Telkens wanneer de technologie evolueert en de economie verbetert, stijgt ook de nood
aan arbeidsmobiliteit (Willis, 1974).
Sommige mensen worden plots overbodig en
andere talenten worden uiterst bruikbaar. Er vindt een herallocatie van de
productiefactoren plaats. Logischerwijze zou ook een arbeidsherallocatie moeten
plaatsvinden, dit tot de waarde van de marginale productie overal gelijk is. Als dit niet
mogelijk is krijgen we een misallocatie omdat de starheid van deze factor ingaat tegen
de wet van Vraag en Aanbod. Hoe groter de onbeweeglijkheid, hoe groter het verschil
in groei, inkomen en werkgelegenheid in verschillende landen (Willis, 1974). Zo duidt
een constant verschil in groei tussen twee landen op de immobiliteit van tenminste één
van de productiefactoren.
Als er vrije immigratie is, zullen er immigratiestromen zijn die geleidelijk een
evenwicht creëren wat betreft vraag en aanbod op de arbeidsmarkt tussen verschillende
landen. Men kan over een evenwicht spreken als de marginale arbeidsproductiviteit in
de verschillende landen gelijk is, met andere woorden als de lonen voor dezelfde
arbeidsplaats gelijk zijn.
Vrije mobiliteit is de snelste manier om de globale economische groei te stimuleren
maar deze gaat gepaard met een enorme politieke kost3. Hier wordt de theoretische
visie genuanceerd. Er zijn immers niet alleen voordelen verbonden aan het openstellen
2
Dit is de natuurlijke stijging zonder de immigratie
3
The Economist, 2/11/2002
12
van de grenzen. De staat probeert de welvaart van de burgers te maximaliseren. De
welvaart die gemaximaliseerd wordt als de grenzen open gezet worden, is de welvaart
van de wereld (Willis, 1974). De welvaart van de ‘rijke’ staten zou dus achteruit gaan
wanneer de grenzen opengezet worden voor immigratie. Elke staat zal door middel van
hun immigratiebeleid trachten de wet van Vraag en Aanbod tegen te werken om de
welvaart van haar burgers te maximaliseren. De burgers zullen zich dus bedreigd voelen
van zodra de grenzen open gaan, zeker wat betreft werkzekerheid. Zo komen we tot het
volgende onderdeel van economische effecten, deze op het land van bestemming.
1.3.2
Effecten op de economie in het land van bestemming
1.3.2.1 Theoretisch model
Zoals we gezegd hebben zal het compleet openstellen van de landsgrenzen niet tot
welvaartsmaximalisatie leiden voor een specifiek land. Toch zal immigratie een positief
effect hebben op de economie van dat land. We zullen aan de hand van een simpel
model de implicaties van immigratie op het gastland proberen weergeven. Achteraf
zullen we meer realisme toevoegen.
Een veronderstelling waarvan we in dit model uitgaan is dat de immigrant zonder
familie of kapitaal het gastland binnenkomt. Ook gaan we ervan uit dat het
arbeidsaanbod inelastisch is. We gebruiken een productiefunctie gebaseerd op twee
factoren namelijk kapitaal (K) en arbeid (L). Onderstaande figuur wordt veelvuldig
gebruikt om aan te tonen hoe bevorderlijk immigratie is voor de autochtone bevolking.
We zien een dalende vraag naar arbeid (A) en een inellastische aanbodscurve (S). De
inellasticiteit van het aanbod geeft de ongevoeligheid tegenover loonsveranderingen
weer. Het evenwichtsloon dat met dit marktevenwicht overeenstemt is w0. Het loon
komt overeen met de marginale productiviteit van arbeid. Doordat de immigratie stijgt,
verschuift de aanbodscurve naar rechts (S’) waardoor het evenwichtsloon daalt tot w1.
We zien dat het natinaal inkomen stijgt. Op tijdstip 0 was het nationaal inkomen (Y1)
ABN0. Op tijdstip 1 is dit gegroeid tot ACL0. Het deel (w1M) gaat naar de
13
immigranten zelf. De immigratiewinst voor de autochtone bevolking dankzij de
immigratie is met andere woorden de driehoek BCD.
Figuur 1: De welvaartswinst verbonden aan immigratie
Bron: Van Dalen, 2001
Een negatief gevolg van immigratie is dat achter deze welvaartswinst een
inkomensherverdeling schuilt. De abreiders verliezen door hun lagere loon en de
kapitaalbezitters winnen door de lagere lonen die ze moeten uitbetalen.
Dit model is niet realistisch: er is immers meer dan één soort arbeid. Ook worden de
uitstralingseffecten die de immigrant op de economie heeft verwaarloosd. Die externe
effecten kunnen betrekking hebben op het beïnvloeden van normen en waarden, maar
ook op de sociale gevolgen van gezinsvorming en –hereniging (Van Dalen, 2001). Een
laatste tekortkoming is dat het model de gevolgen van immigratie beperkt tot de
economische gevolgen terwijl, zeker voor de landen met een uitgewerkt sociale
zekerheirssysteem, ook de fiscale gevolgen van groot belang zijn.
14
1.3.2.2 Heterogeniteit van arbeid
Het ligt voor de hand dat mensen en dus ook arbeidskrachten verschillen al naargelang
scholing en ervaring. Dit onderscheid is van belang omdat niet alle arbeidsvormen even
gemakkelijk te vervangen zijn. Het ligt voor de hand dat een land een positieve invloed
ondervindt van immigratie wanneer het migranten aantrekt waar het ook behoefte aan
heeft (Van Dalen, 2001).
Economische theorie houdt in dat immigratie in het algemeen het natuurlijk inkomen
van de burgers van het gastland zal doen stijgen en deze winsten in natuurlijk inkomen
zijn groter naarmate het verschil in productieve talenten tussen immigranten en burgers
groter is (Borjas, 1995).
Zo kunnen we over complementaire en supplementaire vaardigheden spreken. De
migranten beschikken over supplementaire vaardigheden wanneer hun talenten dezelfde
zijn als deze van de burgers van het gastland. Langs de andere kant beschikken
immigranten over complementaire vaardigheden wanneer deze vaardigheden de
vaardigheden van de burgers van het ontvangende land aanvullen. Op deze manier
raken meer vacatures opgevuld. Hierdoor moet het loon niet zo fel stijgen wat positief is
voor de bedrijven en dus ook voor de economie. Ook sociaal gezien is dit gunstiger dan
supplementaire arbeid, daar de werkkrachten van de thuismarkt de immigranten niet als
concurrenten beschouwen. Strikt genomen zijn het enkel de werknemers waaraan de
immigranten complementair zijn, die een relatieve welvaartverbetering ondergaan
vergeleken met de arbeidskrachten waarvan de immigranten substituten zijn. Het
complementair of supplementair zijn van de arbeidskrachten bepaalt de winsten die
door immigratie gerealiseerd kunnen worden.
Het vervolg van dit onderdeel gaan we opsplitsten in de substitueerbare werkkrachten
en de complementaire werkkrachten.
15
1.3.2.2.1 Substitueerbare werkkrachten
Wanneer de immigranten beschikken over vaardigheden die ook op de eigen
arbeidsmarkt te vinden zijn, spreekt men over substitueerbare arbeidskrachten. Dit heeft
een negatief effect op de onderhandelingspositie en de werkgelegenheid van de
autochtone bevolking die over dezelfde vaardigheden beschikt. Om dit aan te tonen
kunnen we het model van Ichino (1993) gebruiken. Zijn uitgangspunt is een perfecte
substitutie van de immigranten met de autochtone arbeidsbevolking. Hij gaat van
volgende assumpties uit: er is slechts één sector, er wordt slechts één goed geproduceerd
en arbeid en kapitaal liggen vast op korte termijn. Ook gaat Ichino ervanuit dat het
aanbod van eigen arbeidskrachten stijgend is en het aanbod van immigrante
arbeidskrachten perfect ellastisch.
Figuur 2 : De effecten van vreemde arbeidskrachten op de arbeidsmarkt van het
gastland
Wage
Wage
Native workers
Demand of labour
supply
Wh
Wi
Wi
Labour
Labour
Ln
Lh
Li
Bron: Ichino, 1993
De linker grafiek stelt de het immigranten aanbod van arbeid voor met Wi het loon
waarvoor er een oneindig aanbod bestaat. In de rechter helft is de thuismarkt
16
voorgesteld. Met Wh het loon dat in het evenwicht geldt en Lh de arbeid die dan
gebruikt wordt. Wanneer er immigratie toegelaten wordt zal de loon dalen tot Wi daar
er voor dat loon, lager dan het loon dat geldt op de markt zonder immigratie, een
oneindig aanbod bestaat. De autochtone arbeidskrachten zullen terug gedrongen worden
tot Ln en de arbeidskrachten van de immigranten zullen het onevenwicht wegwerken.
Uit de grafiek kunnen we dus afleiden dat, zoals ook in de vorige grafiek getoond werd,
het loon van de autochtone bevolking daalt. We zien echter ook dat verschillende
autochtonen hun job verliezen door de komst van immigranten. Hoeveel mensen hun
job verliezen is afhankelijk van de elasticiteit van het aanbod van de autochtone arbeid.
Hoe hoger deze elasticiteit, hoe feller dit negatieve effect zal zijn. Dit model is de basis
van de negatieve instelling tegenover immigratie.
Hierdoor zal immigratie negatieve gevoelens uitlokken bij de burgers omdat ze het
ervaren als concurrentie. Dit is meer sociologisch van aard toch is de onderliggende
reden economisch. Omdat het loon daalt, kan dit een aanleiding zijn voor de
binnenlandse bevolking om zich verder te scholen en meer te investeren in menselijk
kapitaal (Zimmerman, 1993). Zo kunnen de negatieve effecten in positieve gevolgen
omgezet worden.
In werkelijkeheid zijn er meerdere scholingsgraden, meerdere sectoren en meerdere
producten. Europa trekt voor het overgrote deel ongeschoolde werkkrachten aan. Het is
hier vooral de laagste loonklasse die van de immigranten concurrentie ondervindt als de
vreemde werkkrachten in aanmerking komen voor dezelfde arbeidsplaatsen als de
plaatselijke arbeidskrachten (Simons, 1991).
Ook in de VS zijn het vooral de
ongeschoolde autochtonen die concurrentie van de (illegale en legale) immigranten
ondervinden.
Wanneer men een groot aantal laaggeschoolde arbeidskrachten aantrekt om de plaatsen
die niet door autochtonen opgevuld raken, op te vullen, kan dit op lange termijn de
concurrentiekracht van het land aantasten. Als het land beroep doet op buitenlandse
laaggeschoolde arbeidskrachten, zal het proces om van lage naar hoge kwaliteits
productie te gaan immers vertraagd worden (Zimmerman, 1993).
17
1.3.2.2.2 Complementaire werkkrachten
Wanneer de immigratie een toevoer van arbeidskrachten met zich meebrengt die niet of
moeilijk te vinden zijn op de eigen arbeidsmarkt, is dit positief voor de hele bevolking
en de economie. Op deze manier zal de hele economie van dat land op een hogere
snelheid draaien dan zonder de immigranten het geval zou zijn. In dit geval spreekt men
van complementaire werkkrachten.
In rijkere landen is het vaak zo dat er jobs gecreëerd worden die geen invulling vinden
in eigen land: omdat de arbeid te slecht betaalt, te eentonig, te vuil, enzovoort is. Door
het gebrek aan kandidaten, gaat het loon stijgen wat negatief is voor de bedrijven en de
totale economie. Een oplossing hiervoor is het aantrekken van allochtone werkkrachten.
Dit kan natuurlijk gezien worden als een straatje zonder einde. De burgers worden
steeds kieskeuriger en veeleisender waardoor er steeds meer vreemde arbeidskrachten
gehaald moeten worden. Wat op termijn enorme sociale kosten4 met zich meebrengt.
Wanneer men spreekt van complementaire arbeidskrachten met een positief effect op de
economie, heeft men het meestal over hooggeschoolde immigranten. Vele openstaande
vacatures voor hooggeschoolden raken immers niet opgevuld. Verschillende landen
hebben daarom een beleid dat hooggeschoolde immigranten bevoordeeld en sommige
beleiden recruteren hooggeschoolden actief in de oorsprongslanden. Dit is bijvoorbeeld
het geval in Canada. Een reden hiervoor is ook dat deze mensen meestal een hoger
inkomen zullen hebben dan de niet geschoolde immigranten. Een hoger inkomen
betekent, door de belastingen, ook een hoger inkomen voor de staat en een hogere
consumptie (Simons, 1991). Beide effecten hebben een duidelijke positieve invloed op
de economie. Ook is het zo dat hoe meer vaardigheden deze mensen bezitten, hoe meer
kennis ze kunnen doorgeven aan de burgers van het land zelf. Een laatste belangrijk
pluspunt van immigratie van hooggeschoolden is dat de gehele sociale kost lager ligt
dan deze van de laaggeschoolde immigranten.
In de rijkere landen studeren meer mensen verder, met als gevolg dat zij zich bedreigd
kunnen voelen bij immigratie van hoger geschoolde arbeidskrachten. Toch zij er
verschillende jobs voor hooggeschoolden die niet opgevuld raken (bijvoorbeeld in de
4
Met sociale kosten bedoelen we hier : werkloosheid, sociale zekerheidsgebruik, huisvesting enzovoort.
18
IT-sector) en op deze manier kan men terug over complementaire vaardigheden
spreken.
1.3.3 Economische effecten op het land van oorsprong
Het vertrek van arbeidskrachten uit een land kan zowel positieve als negatieve effecten
op de economie met zich mee brengen. Of de effecten positief of negatief zullen zijn is
afhankelijk van verschillende factoren. We gaan in dit stuk van de verdere opdeling uit:
eerst verduidelijken we in het kort enkele negatieve gevolgen en daarna enkele positieve
gevolgen. We besluiten dit deel met een opsomming van enkele mogelijke
compromissen tussen de landen van oorsprong en bestemming.
1.3.3.1 Negatieve gevolgen
Eerder wordt vermeld dat immigratie, algemeen gezien, voor iedereen voordelig is. Hier
moet, ook langs de kanst van het oorsprongsland, een beperking gemaakt worden. Als
het enkel geschoolde mensen zijn die het vaderland verlaten, heeft dit een negatieve
invloed op het land van oorsprong. Het land van oorsprong financierde immers de
opleiding. Normaal gezien worden deze kosten terugbetaald door de belastingen op de
inkomsten die deze persoon gaat genereren, maar wanneer de persoon elders gaat
werken, heeft het land van oorsprong niet de kans om de gemaakte kosten te
recupereren. De misgelopen opbrengst wordt groter naarmate de persoon hoger
geschoold is.
De hooggeschoolde personen zorgen ook voor het verder verspreiden van die kennis
door samen te werken met minder geleerden. Door deze spill-over effecten kan er
nieuwe kennis of kunnen andere inzichten ontstaan die de economie vooruit kunnen
helpen. Als deze mensen echter besluiten in een ander land te werken, dan zal het land
van bestemming van deze voordelen genieten. Door dit verlies hebben de landen die al
een grote economische achterstand hebben, nog minder middelen om deze achterstand
in te halen (Straubhaar, 2000).
19
Als steeds de beste en slimste mensen uit het land vertrekken, kan er geen enkele
vernieuwing plaatsvinden in de emigratielanden. Zonder vernieuwing raakt de kloof
tussen beide groepen landen groter en groter. Op deze manier kan er van concurrentie
geen sprake zijn (Ducoli et al, 1975).
Om te kunnen emigreren moet de persoon over een minimumkapitaal beschikken om de
reis te kunnen betalen, onder meer om in het land van bestemming onderdak te kunnen
vinden. Daarom zijn netto-emigratielanden, vaak landen waar er toch al enige vorm van
industrie te vinden is5. Dit is de reden waarom het helpen van landen bij hun
ontwikkeling eerst tot grotere emigratiecijfers zal leiden. Omdat het emigreren geld
kost, moeten de migranten eerst gewerkt hebben om het geld bij elkaar te krijgen.
Doordat ze hebben gewerkt, hebben ze ook een job geleerd. Als zij vertrekken, zal er
een nieuwe kracht moeten opgeleid worden, wat weer kosten met zich meebrengt voor
het land van oorsprong.
Het zijn, in het kort gezegd, meestal de mensen die het land het beste vooruit kunnen
helpen die de middelen hebben om te vertrekken. Deze optie bestaat voor de meeste
werklozen in de armere landen niet.
Een andere bemerking is van toepassing op de gehele bevolking: in vele
emigratielanden heerst een vrij hoge werkloosheid. Een redenering zou kunnen zijn dat
het vertrek van mensen een positief effect zou hebben op de werkloosheid. Toch is dit
niet het geval. In Marokko is de werkloosheid tussen 1965 en 1973 gestegen, ondanks
de massale emigratie (Ducoli et al, 1975).
1.3.3.2 Positieve gevolgen van emigratie
Het vertrek van mensen uit een land is echter niet altijd negatief. Wanneer er
familieleden achterblijven zal er geld naar huis opgestuurd worden. Dit is positef voor
de economie van het thuisland aangezien met het geld binnenlandse producten
aangekocht kunnen worden. Deze sommen die naar huis worden opgestuurd, worden
‘remittances’ genoemd. Officieel wordt er op deze manier 60 miljard euro wereldwijd
5
The Economist, 28/09/2002
20
naar het thuisland gestuurd. Er wordt geschat dat nog eens 15 miljard onofficieel wordt
verzonden6.
Deze
bedragen
overtreffen
de
sommen
die
wereldwijd
aan
ontwikkelingshulp worden besteed.
Een bedenking hier is dat de hooggeschoolden vaak met de hele familie emigreren. Ze
hebben de middelen om iedereen te laten overkomen en vaak treden er bij hen veel
minder integratieproblemen op. Wanneer er geen familie achterblijft, wordt er ook niets
meer naar het thuisland opgestuurd. De laaggeschoolden laten wel nog familie achter,
maar hun loon ligt veel lager, waardoor ze minder naar het thuisland kunnen sturen.
Bijgevolg is er minder geld om consumptiegoederen van eigen bodem te kopen. De
economie loopt zo een positieve injectie mis.
Een ander positief effect dat het vertrek van hooggeschoolden kan hebben op de
economie in het land van oorsprong is dat het het scholingsnieveau kan opkrikken.
Wanneer de jongeren zien dat de kans op emigratie vergroot wanneer men verder
studeert, kan dit de jongeren aanzetten om verder te studeren. Vaak is het zo dat slechts
een klein percentage vertrekt, dus hoe meer er studeren, hoe meer er in het thuisland
blijven.
1.3.3.3 Een mogelijk compromis
Het allerbeste zou zijn dat de hooggeschoolden een korte periode elders gaan werken en
dan terug keren. Tijdens de periode dat ze in een ander land werken, verwerven ze
kennis die ze dan kunnen doorgeven. Door de kennis die op deze manier wordt
doorgegeven, kan de economie in het land van oorsprong een stap vooruit.
Het is echter onmogelijk om de stroom van geleerden naar welvarendere landen tegen te
houden. Ze moeten een goede reden hebben om te blijven. Deze reden moet boven het
loonverschil en de betere omgeving (structuur, rechtssysteem,…) staan. Eens een land
zich economisch herpakt, keren velen terug naar hun land van oorsprong, voorbeelden
6
De Derde Kamer, Migratie: de positieve agenda, november 2003
21
hiervan zijn China en Zuid Korea7. Wat dus duidt op het feit dat niet het land zelf de
Pushfactor is, maar eerder de omstandigheden die er heersen.
Tussen Indië en de Verenigde Staten is er sprake van een echte ‘Brain Drain’ waarmee
bedoeld wordt dat veel hooggeschoolden het land verlaten voor een job in een
welvarender land met meer mogelijkheden. Hoe geschoolder de Indiërs, hoe
waarschijnlijker hun vertrek naar de Verenigde Staten. Deze uitstroom wordt nog groter
wanneer de rijkere landen beginnen concurreren om de slimsten binnen te halen. Vooral
Canada, de Verenigde Staten en Groot Brittanië proberen op een systematische wijze
hooggeschoolden aan te trekken. Dit probleem blijft beperkt zolang het land van
bestemming het probleem inziet en de immigranten motiveert om na een periode terug
te keren. Een andere mogelijk oplossing is dat het land dat later de winsten van de
opleiding ontvangt, ook voor die opleiding betaalt. Op deze manier keren de geleerden
echter niet naar hun land van oorsprong terug en wint het land geen ervaring of kennis
door het buitenlandse verblijf. Dit zal op lange termijn het land van oorsprong een stuk
minder vooruit helpen dan wel de immigranten slechts tijdelijk te laten verblijven8.
Tijdelijke tewerkstelling in het buitenland zou, zeker voor het land van oorsprong, het
beste zijn. ‘Brain Circulation’ wordt dit genoemd. Dit is positief voor het zendende land
gezien ze de ervaring en kennis die ze tijdens hun tijdelijk verblijf hebben opgedaan
kunnen doorgeven in het thuisland.
7
The Economist, 28/09/2002
8
The Economist, 28/09/2002
22
Hoofdstuk 2 Het immigratiebeleid
Een immigratiebeleid beoogt de immigratiestromen onder controle te houden. Dit is
geen gemakkelijke taak. Er bestaan namelijk verschillende migrantengroepen,
afhankelijk van de reden van migratie. Eerst moeten we dus bekijken welke soorten
migratie er bestaan en proberen deze te ordenen. Dan trachten we te bepalen hoe een
beleid eventueel gestalte kan krijgen, om dan af te sluiten met de definitie van een paar
richtlijnen waarmee het beleid rekening zou moeten houden.
2.1
Classificaties van immigratie
Immigratie is een heel onduidelijk begrip. Immigranten zijn verre van homogeen en
bijgevolg zijn er binnen de groep van ‘migranten’ verschillende groepen te
onderscheiden. Elke groep heeft een andere reden tot vertrek uit het thuisland. Zo is er
bijvoorbeeld Zimmerman (1993).
Hij maakt gebruikt
van drie classificaties:
arbeidsmigratie, familiehereniging, asielzoekers en vluchtelingen.
2.1.1 Arbeidsmigratie
De arbeidsmigranten kunnen ook economische vluchtelingen genoemd worden. Zij
verplaatsen zich met de hoop het elders beter te hebben. De verplaatsing komt vaak tot
stand
door
onevenwichten
op
de
arbeidsmarkt
of
het
gebrek
aan
een
toekomstperspectief in het thuisland. Het niet in evenwicht zijn van een bepaald stuk
van de arbeidsmarkt, zal een aantrekkingsfactor zijn en zolang het onevenwicht bestaat,
zal de aantrekking er zijn. Het zal bijgevolg niet gemakkelijk zijn om deze mogelijke
migranten te ontmoedigen.
Deze groep kan nog verder opgedeeld worden in twee groepen: de legale en de illegale
immigranten. Beiden hebben hetzelfde motief: een hoger inkomen verwerven. Hoe
strikter het beleid is, hoe moeilijker het ook is voor de illegalen om het land weer te
verlaten. Het gevolg hiervan is dat vele illegalen die initieel gepland hadden in een land
slechts korte tijd te verblijven, besluiten toch te blijven. Of een beleid nu extreem open,
23
extreem restrictief of gematigd is, er zal altijd illegale immigratie blijven bestaan. Illegal
immigratie ontstaat meestal doordat mensen die een tijdelijk visum verkregen hebben,
niet terugkeren. Wie tijdelijke immigratie toelaat, moet met andere woorden, rekening
houden met illegale blijvers (Vervliet, 2001).
2.1.2 Familiehereniging
Familiehereniging behelst het geheel van maatregelen die door de ontvangende landen
getroffen worden om de arbeidsmigrant, die alleen is overgekomen, toe te laten zijn
familie te doen overkomen. Dit gaat over echtgenoten, kinderen, ouders en aanstaande
echtgenoten. De problematiek van familiehereniging is heel specifiek: de overheden
hier worden vaak geconfronteerd met een slecht bijgehouden bevolkingsregister in het
thuisland, zodat de graad van verwantschap moeilijk vast te stellen is. Anderzijds
kennen we eveneens het probleem van de schijnhuwelijken waarbij een partner met
permanente verblijfsvergunning tegen een bepaalde som een huwelijk aangaat met
iemand uit een immigratieland, en kort na het huwelijk weer uit de echt scheidt. Deze
laatste praktijk is door een reeks maatregelen bemoeilijkt. Sinds 4 mei 1999 is er in
België namelijk een geactualiseerde wet inzake schijnhuwelijken en sinds januari 2000
kan in België een afgesloten huwelijk achteraf nietig verklaard worden wanneer het om
een schijnhuwelijk blijkt te gaan9. Dit probleem is echter lang niet opgelost, het blijft
een vorm van verdoken arbeidsimmigratie.
2.1.3
Asielzoekers en vluchtelingen
Van Dale specifiert asiel als volgt: ‘bescherming vanwege de staat verleend aan,
respectievelijk gevraagd door personen die elders door de overheid vervolgd worden of
kunnen worden.’ Het begrip asiel bestaat al heel lang en hiervan ligt een internationaal
verdrag aan de basis10.
9
Antwerpen koploper in aantal schijnhuwelijken, De Standaard, 24/02/2003
10
Declaration on Territorial Asylum, G.A. res. 2312 (XXII), 22 U.N. GAOR Supp. (No. 16) at 81, U.N.
Doc. A/6716 (1967). Bron : http://www1.umn.edu/humanrts/instree/v4dta.htm
24
Het aantal asielzoekers is echter ontspoord. Gezien er in weinig landen sprake is van
een democratie, zijn er veel politieke vluchtelingen (leden van het verzet tegen de
regerende groep). Toch moet men in het achterhoofd houden dat asielzoekers vaak ook
economische vluchtelingen zijn. Door een strikter, beter omschreven en actief beleid
kan men de echte asielzoeker beter onderscheiden van de eigenlijke arbeidsmigranten
en zo aan de echte politieke vluchtelingen asiel geven. De asielstroom in ons land
bijvoorbeeld, is sterk afgenomen sinds de regering strikte normen is gaan aannemen,
een ander OCMW-beleid en een terugstuurbeleid is gaan voeren en bilaterale
overeenkomsten heeft afgesloten met de landen van oorsprong.
Familiehereniging, asielzoekers en vluchtelingen zijn classificaties waar we niet dieper
op zullen ingaan omdat het om niet-economisch geïnspireerde immigratie gaat.
2.2
Beleidsantwoorden
Eerst overlopen we een aantal mogelijke beleiden die in verband met migratie gevoerd
kunnen worden. Een ander element dat ook nagegaan moet worden is of men tijdelijke
dan wel permanente migratie moet verkiezen.
2.2.1 Het soort beleid
Zimmerman (1993) onderscheidt vier beleidsantwoorden om de beslissing van
economische immigratie te beïnvloeden: het “laissez-faire”-principe, de actieve
recrutering, het restrictief beleid en de nulimmigratie. Bij Doomernik, Penninx en Van
Amersfoort (1997) is een soortgelijke verdeling terug te vinden. Zimmerman noch
Doomernik, Penninx en Van Amersfoort geloven in nulimmigratie.
Het idee dat achter het “laissez-faire”-principe schuilgaat is dat vrije immigratie de
economie ten goede zal komen. In dit geval is er geen beleid: voor iedereen is er vrije
toegang en iedereen kan vrij het land verlaten. Er zijn geen restricties nodig omdat men
25
gelooft dat de markt de stromen zelf zal beëindigen van zodra het evenwicht is
weergekeerd.
Een tweede beleidsvorm die gevolgd kan worden is de actieve recrutering. Canada en
Australië hebben een immigratiebeleid dat we hieronder kunnen onderbrengen. Voor
deze landen een visum toekennen, wordt eerst nagegaan welke soort arbeid gewenst is.
Op deze manier hebben de mensen met de vaardigheden waaraan een gebrek is op de
arbeidsmarkt, voorrang.
Een derde beleidsalternatief is het restrictieve beleid. De maatregelen van dit beleid
hebben tot doel de immigratiestroom te filteren of om de immigranten buiten te houden
(Zimmerman, 1993). Deze maatregelen kunnen ook op een andere manier in twee
groepen opgedeeld worden, namelijk de directe en de indirecte maatregelen. Met directe
restrictieve maatregelen worden deze maatregelen bedoeld die een directe impact
hebben op de beslissing om al dan niet te migreren. De indirecte maatregelen gaan de
omstandigheden in het thuisland verbeteren met als doel dat de mensen besluiten hun
vaderland niet te verlaten. De effecten hiervan zijn echter niet direct observeerbaar, het
gaat hier om lange termijn aanpassingen
Het verbeteren van de omstandigheden in het thuisland moeten met de nodige
voorzichtigheid gebeuren. Een te snelle verbetering van de economie destabiliseert de
economische situatie met als gevolg dat er op korte termijn een grote stijging van
emigratie waarneembaar is. Ook is het zo dat door het verbeteren van de economie
mensen eindelijk de middelen zullen hebben om te emigreren. Men bereikt op korte
termijn vaak het tegengestelde effect van wat beoogd is.
Regeringen verkiezen meestal een tussenkomst die directer is om zo de uitkomst beter
te kunnen bepalen. Daarom zal vaak voor bijvoorbeeld quota’s geopteerd worden, een
directe impact, in plaats van een aanpak die, weliswaar op langere termijn en met iets
meer risico, tot een betere en langdurige uitkomst leidt. De beste maatregelen op langere
termijn zijn niet altijd deze die een directe aanpak inhouden.
Een laatste beleidsmogelijkheid om met economische migratie om te gaan is de
nulimmigratie. Dit is een beleidsvorm die geen enkele migrant binnen laat. In de
26
praktijk is dit echter enorm moeilijk te verwezenlijken. Een voorbeeld hiervan is Europa
dat vanaf midden jaren zeventig een nulimmigratiebeleid voert. Deze immigratiestop is
niet van toepassing voor asielzoekers en familiehereniging, met als gevolg dat deze
migrantengroepen
in
aantal
stegen.
Op
deze
manier
raken
verschillende
arbeidsmigranten toch Europa binnen.
We moeten echter blijvend onder ogen houden dat de grootste migratiestromen ontstaan
door een onevenwicht op een arbeidsmarkt of slechte politieke en economische
omstandigheden in het thuisland. Het gaat hier met andere woorden niet over een
individuele of neutrale keuze. Daarom moet er tijdens het opstellen van een beleid gelet
worden dat de focus niet ligt op het ontmoedigen van de individuele migratie, maar
eerder moet getracht worden de toestand in het thuisland te verbeteren of het
onevenwicht op de arbeidsmarkt op te lossen.
2.2.2 Tijdelijke of definitieve migratie
Zowel tijdelijke als definitieve migratie, hebben een aantal aanhangers. Zo heeft Stark
(1991) uit zijn empirische studie geconcludeerd dat economische immigranten beter
werken als ze na een bepaalde tijd het land (moeten) verlaten. Een ander argument om
deze vorm van immigratiebeleid te verkiezen is het feit dat tijdelijke gastarbeid de
aanbodsschokken op de arbeidsmarkt beter kunnen opvangen.
Simon (1989) is er echter van overtuigd dat een permanent verblijf beter is. Zo meent
hij dat de immigranten beter werken als ze op redelijk korte termijn erin kunnen slagen
om het burgerschap te verwerven. Als dit het geval is, zullen gekwalificeerde
immigranten ook sneller komen.
2.3
Principes waarop een beleid moet steunen
Volgens Zimmerman (1993) moet het immigratiebeleid steunen op drie principes. Het
eerste principe duidt op het feit dat de immigratie-overeenkomsten beter multi-, of
tenminste, bilaterale afspraken zijn. Het beleid zal des te beter werken als er met de
27
landen van oorsprong, de armere landen, wordt samengewerkt. Dit element heeft een
belangrijke plaats ingenomen op de agenda van het Europese communautaire beleid
waar we later op zullen terugkomen. Door de samenwerking kan nagegaan worden hoe
en uit welke soort migratie beide landen het meeste voordeel halen.
Het transparanter maken van het beleid en het afschaffen van eventuele quota’s is een
tweede principe. Het laatste principe houdt in dat een zo groot mogelijke
beweeglijkheid van arbeid bereikt zou moeten worden. De nadruk werd echter gelegd
op het feit dat het niet de bedoeling is om de werkkrachten permanent in het land te
laten blijven. De tijdelijke immigratie zou aangemoedigd moeten worden, op die manier
houdt het zendende land ook nog positieve effecten over van de emigratie (Zimmerman,
1993).
Doomernik, Penninx en Van Amersfoort (1997) vullen deze drie principes van
Zimmerman aan met nog drie andere principes. Volgens hen is het ook belangrijk dat er
een onderscheid wordt gemaakt tussen de korte en lange termijn objectieven en
beleidsmaatregelen. Ze zijn ook voorstander van een nauwe samenwerking tussen
integratie en immigratieplannen. Als laatste principe geven ze het belang van rekening
houden de verschillende soorten immigratie. Een arbeidsmigrant heeft namelijk andere
kenmerken dan een asielzoeker.
2.4
Besluit
Immigratie is er altijd geweest en zal er waarschijnlijk ook altijd zijn. Als mensen ervan
overtuigd zijn dat ze het elders beter kunnen hebben en de kosten van deze stap niet te
groot zijn, zullen ze emigreren. De migratiestromen worden dus door de kosten en de
betere levensverwachtingen gedetermineerd. Natuurlijk zijn dit ruime begrippen die niet
voor iedereen gelijk zijn. Immigratie heeft dus geen eenduidige oorzaak.
De gevolgen van migratie werden opgedeeld in de gevolgen van immigratie en de
gevolgen van emigratie. Immigratie van werkkrachten die nodig zijn, is initieel goed
voor de economie. Als deze werkkrachten overbodig zijn in het land van oorsprong, is
dit ook voor dat land een positief punt. Natuurlijk is dit in de meeste gevallen van
28
immigratie niet het geval waardoor de gevolgen voor land van oorsprong en aankomst
niet beiden positief zijn. Het is belangrijk dat er in het opstellen van een
immigratiebeleid rekening gehouden wordt met het land van oorsprong om zo te
proberen tot een oplossing te komen die voor beide partijen optimaal is. Gezien de
globalisatie en het vrije verkeer van kapitaal en goederen, kan het vrije verkeer van
arbeid niet lang meer worden uitgesteld. Toch blijft het vrije verkeer van arbeid de grote
schrik van vele landen.
Nu er een kort overzicht is gegeven van de algemene oorzaken en gevolgen van
immigratie, gaan we in het volgende deel het immigratiebeleid van zowel Europa als de
Verenigde Staten van Amerika bekijken.
29
Deel 2 : Het Immigratiebeleid
In dit deel wordt het immigratiebeleid van Europa met dat van de Verenigde Staten
vergeleken. Beiden hebben een verschillende geschiedenis op het vlak van immigratie
en hebben de problemen die zich in loop van tijd voordeden anders aangepakt.
Met betrekking tot Europa zal er eerst gekeken worden naar de ontwikkelingen in de
lidstaten en daarna naar de vorderingen in verband met het communautair
immigratiebeleid. We gaan nagaan welke punten voor onenigheid zorgen en waarom.
Niet alle landen hebben dezelfde opvattingen omtrent immigratie, daarom zal het ook
niet zo eenvoudig zijn om tot een gemeenschappelijk immigratiebeleid te komen.
De Verenigde Staten hebben in hun immigratiebeleid andere nadrukken dan de
Europese landen. We zullen dus gaan kijken welke elementen in dit beleid essentieel
gevonden worden. Het huidige Amerikaanse immigratiebeleid staat onder druk. We
zullen onderzoeken waar de problemen zich situeren.
We onderscheiden drie delen : het Europese immigratiebeleid, het immigratiebeleid van
de Verenigde Staten en een vergelijking tussen beiden.
30
Hoofdstuk 1 Het Europese immigratiebeleid
De Europese Unie bestaat sinds één mei 2004 uit 25 landen. Vele landen hebben een
verschillend immigratiebeleid gevoerd, maar de Europese Unie zal binnenkort een
gemeenschappelijk immigratiebeleid hebben. De reden hiervoor is gebaseerd op interne
en externe factoren. Een voorbeeld van een interne factor is de totstandkoming van de
interne markt en van een ruimte van vrijheid, veiligheid en gelijkheid. De komst van
grote aantallen asielzoekers en illegale migranten is een voorbeeld van een externe
factor (Van Muus, 2001). Het plan was dat het communautaire beleid in mei 2004 af
zou zijn, maar de verschillen in beleidsvoering, het belang van zulk beleid en het
delicate van de kwestie hebben tot gevolg dat die datum niet gehaald zal worden. Een
gemeenschappelijk beleid inzake migratie raakt namelijk aan de nationale soevereiniteit.
De meeste Europese landen leiden aan een tekort op de arbeidsmarkt voor bepaalde
betrekkingen. Sommige Europese landen willen de tekorten op de arbeidsmarkt
opvullen met immigratie om zo de negatieve economische consequenties van de
vergrijzende bevolking te beperken, anderen weren liefst zoveel mogelijk migratie
omdat de
effecten op langere termijn onbekend zijn. Hierover bestaan veel
uiteenlopende meningen omdat het niet eenvoudig is om de economische implicaties
van een hogere immigratie op korte en op lange termijn in te schatten.
Europa is een magneet wat immigratie betreft. De reden is tweezijdig; ten eerste omdat
Europa het economisch gezien goed doet en ten tweede door de vergrijzing (Straubhaar,
Zimmerman, 1992). Een groot immigratiepotentieel is er ook doordat landen in de
nabijheid van Europa een sterke demografische groei kennen. Een andere reden is de
toenemende kloof op economisch vlak tussen Europa en andere landen.
Voor we het immigratiebeleid van vandaag kunnen analyseren, lijkt het ons nuttig om
eerst een kort historisch overzicht te geven van de evoluties in immigratie Europa.
Immigratie is vooral vanaf de Tweede Wereldoorlog een constant gegeven geworden
voor vele Europese landen en de beslissingen van toen hebben nog steeds een
uitwerking vandaag. Vervolgens gaan we na welke kenmerken Europa typeren op
31
gebied van immigratie. Op verschillende vlakken verschilt Europa sterk van de
Verenigde Staten. In dit deel tonen we de belangrijkste kenmerken aan.
In het derde deel zullen we het communautaire beleid bespreken. Eerst bekijken we de
aanloop naar dit gemeenschappelijk beleid. Vervolgens gaan we de redenen waarom
zulk beleid nodig is na. In het volgende deel gaan we de grote probleemgebieden
situeren en bespreken. Om af te sluiten gaan we kort in op de vorderingen van het
communautaire beleid.
Om het deel over Europa af te sluiten gaan we even na welke inlvoed de toetreding van
de tien nieuwe lidstaten op het immigratiebeleid of de ontwikkeling ervan kan hebben.
1.1
De wortels van het Europees immigratiebeleid
De internationale migratiepatronen in Europa in de tweede helft van de 20e eeuw zijn
sterk gerelateerd aan een aantal historische gebeurtenissen zoals het einde van de
Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, het ontstaan van de Europese unie, de val van
het Europese communisme enzovoort. Omdat dit een korte inleiding is, zullen we de
bespreking beginnen bij de jaren zestig, wat niet wil zeggen dat er voor deze periode
geen migratie was in Europa. Tussen de twee wereldoorlogen door zijn er bijvoorbeeld
veel Italianen naar Wallonië geëmigreerd om er in de steenkoolmijnen te werken. In
Limburg is de immigratie net na de Tweede Wereldoorlog begonnen met Polen die de
steenkoolmijnen kwamen bemannen. Hoewel er dus voor 1960 ook immigratie was,
gaan we ons toch beperken tot de immigratie die na de jaren 60 plaats vond daar dit,
voor heel Europa gezien, het begin is geweest van de grote immigratiestromen.
32
Grafiek 1: De evolutie van vreemde bevolking11 in EU15 van 1950 tot 1998 (in
duizendtallen)
19.869,10
20.000
16.146,20
13.328,60 14.036,40
15.000
11.557,08
10.000
6.524,50
5.000
0
1960
1970
1980
1985
1990
1998
Bron: Brücker, Epstein, Venturini, Mc Cormick, Saint Paul, Zimmerman, 2001
Bovenstaande grafiek geeft de evolutie weer van de immigranten die in de EU15
verblijven tussen 1950 en 1998 in aantallen. We kunnen drie fases onderscheiden, twee
fases met een grote groei met tussenin een fase met een kleine toename van de
immigratie. Gedurende de jaren zestig en zeventig stijgt de immigratie zoals nog nooit
gezien in Europa. Tijdens de jaren tachtig daalt de immigratie en dit mede door
beleidsmaatregelen getroffen in de jaren zeventig. De jaren negentig kennen dan weer
een grote toename van de immigratie.
Onderstaande grafiek stelt de netto-immigratie van de EU15 voor van 1950 tot 2002.
We merken, net zoals bij de immigrantenbevolking, ook bij de netto-migratie een
algemene stijging op. Tijdens de jaren vijftig was er een negatieve netto-immigratie.
Voor sommige landen was deze periode gekenmerkt door een instroom (Duitsland,
Frankrijk en België bijvoorbeeld) voor andere landen was dit een periode van grote
emigratie (Portugal en Spanje bijvoorbeeld). De jaren zestig kenden een enorme piek
door het recruteren van Marokkaanse en Turkse gastarbeiders. Merkwaardig is dat,
ondanks het feit dat de immigratie in het meerendeel van de EU landen blijft stijgen
11
het zijn de aantallen van vreemdelingen (met een andere nationaliteit) die in dat bepaalde land
verblijven.
33
door bijvoorbeelde de familiehereniging, de netto-migratie negatief is. Het is pas vanaf
midden jaren tachtig dat het saldo positief wordt en blijft tot nu. Zoals we in de
geschiedenis ook besproken hebben zien we dat er begin jaren negentig een piek is, dit
door de grote aantallen vluchtelingen. De stijgende lijn is zowel in de immigratie als in
de netto-migratie terug te vinden.
Grafiek 2: De netto-immigratie voor EU15 van 1950 tot 2002
Bron: Leibfritz, O’Brein, Dumont, 2004
Omdat we uit beide grafieken kunnen afleiden dat elk decennia gekenmerkt is door een
veranderde instroom, gaan we elk afzonderlijk bespreken en in het kort de verschillen
onderling trachten te verklaren.
1.1.1 De jaren zestig
Internationale immigratie in de jaren zestig bestond vooral uit arbeidsmigratie. Door de
economische groei na de Tweede Wereldoorlog was de vraag naar ongeschoolde
arbeiders in West-Europa groter dan het aanbod. Niet alleen waren er te weinig
arbeidskrachten om alle vacatures op te vullen, ook waren er veel jobs die de burgers
zelf niet meer wouden opvullen omdat de omstandigheden te slecht waren of het loon te
laag was (bv. de steenkoolmijnen). Om de spanningen op de arbeidsmarkt, de
flessenhals van de economische expansie, te verlichten, recruteerden verschillende
landen arbeiders van elders.
34
Vele werkkrachten trokken daarom van Zuid-Europa, meer bepaald Italië, Spanje,
Griekenland en Portugal, naar het noorden om er de arbeidsmarkt terug in evenwicht te
brengen.
Vooral
Duitsland,
Luxemburg
en
Zwitserland
waren
belangrijke
bestemmingen. Maar ook Oostenrijk, België, Frankrijk en Nederland maakten gebruik
van deze werkkrachten om de tekorten op de arbeidsmarkt weg te werken. De grote
netto-immigratie van Frankrijk was echter vooral te wijten aan de terugkeer van vele
Fransen en de instroom van vele Algerijnen na de onafhankelijkheid van Algerije.
Ierland en Finland hadden in die periode, in tegenstelling tot alle andere landen van
West-Europa een netto-emigratie. Dit was te wijten aan de arbeidsemigratie naar
respectievelijk het Verenigd Koninkrijk en Zweden omdat de economische situatie daar
beter was (Jennissen, Van der Gaag, Van Wissen, 2001).
Toen er na de komst van vele Zuid-Europeanen nog een tekort was op de arbeidsmarkt,
ging men intens recruteren in Noord-Afrika en Turkije. De gastarbeiders worden gezien
als tijdelijke werkkrachten waardoor de economie op een hoger niveau kon draaien.
Men verwachtte dat van zodra de economie het slechter deed, ze allen huiswaarts
zouden keren.
1.1.2 De jaren zeventig
De economische recessie in 1973 en 1974 was een keerpunt voor Europa. De
werkloosheid steeg en de vreemde arbeidskrachten waren hierdoor niet meer nodig.
Vele Zuid-Europeanen keerden als gevolg van de recessie huiswaarts. Hier moet
opgemerkt worden dat de terugkeer van Spanjaarden en Portugezen vooral te maken had
met de dood van Franco en Alazar.
Voor de andere migranten werd deze periode gekenmerkt door familiehereniging. De
arbeidskrachten die niet naar huis gingen, lieten hun familieleden overkomen. De
familiehereniging werkte de tijdelijkheid van deze arbeid duidelijk tegen. Zij die hun
familie lieten overkomen, waren niet meer van plan naar hun land van oorsprong terug
te keren. Daardoor steeg het aantal inactieven bij de migrantenbevolking.
35
Het grootste probleem rond de recrutering van vreemde arbeidskrachten was dat er geen
beleid bestond om dit te ondersteunen (Debbaut, 1976). Van zodra men zag dat ondanks
de stijgende werkloosheid, er nog gastarbeiders binnen wouden, heeft men de grenzen
compleet gesloten. Dit gebeurde voor de meeste landen rond 1973, zo ging in België de
migratiestop in 1974 van kracht (Marx, De Maesschalck, Mussche, 2002). De
zogenaamde ‘nulimmigratie’ is vandaag nog steeds van kracht.
Vele landen die gebruik maakten van gastarbeiders bevonden zich door het ontbreken
van een ondersteunend beleid in een lastige situatie van zodra de economische groei
daalde of zelfs negatief werd. Max Frisch beschreef de situatie in Duitsland tijdens deze
periode als volgt: “We vroegen om arbeidskrachten, maar er zijn mensen gekomen.” De
sociale kost van de immigratie werd zeer hoog.
Ook de Ieren die naar het Verenigd Koninkrijk waren geëmigreerd, keerden in deze
periode terug naar Ierland. De reden van de terugkeer van vele Ieren was de
economische groei en de toenemende arbeidsmogelijkheden in Ierland zelf (Jennissen,
Van der Gaag, Van Wissen, 2001). Ierland werd in 1974 lid van de E.G. en het land
kreeg massale hulp van het Europese Regionaal Fonds12.
1.1.3 De jaren tachtig
Tijdens de jaren tachtig bereikten de immigratiestromen niet de omvang van de
voorgaande perioden. In deze periode nam de familiehereniging enigszins af.
In de tweede helft van de jaren tachtig steeg de immigratie echter weer, dit door
politieke, economische en sociale veranderingen. De grootste oorzaak was het einde van
de Koude Oorlog en het ineenstorten van het communistische systeem. Het ging hier
echter over vluchtelingen en asielzoekers waarvoor de nulimmigratie niet van kracht
was. De nulimmigratie was eveneens niet van kracht voor immigratie van EU-lidstaten
en gezinshereniging (Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding, 2000).
12
Net zoals Spanje en Portugal hulp kregen na hun toetreding in 1986
36
De migratiestop hield met andere woorden enkel de economisch geïnspireerde migratie
tegen of deze tijdelijke dan wel permanent is.
1.1.4 De jaren 90
Ook Zuid-Europa kreeg in deze periode te maken met netto-immigratie. Italië, Spanje,
Griekenland en Portugal waren vroeger gekend als armere landen maar door hun
toetreding tot de EU, waren ze hun economische achterstand snel aan het inhalen. Dat
was de hoofdreden waarom er ook naar deze landen immigratiestromen ontstaan zijn.
De stromen kwamen hoofdzakelijk uit Noord-Afrika, Klein-Azië en ex-Yugoslavië.
De grote instroom in deze periode was vooral te wijten aan een groot aantal
asielzoekers. De omvang van de asielaanvragen deed echter de vraag rijzen of het hier
wel degelijk om asielaanvragen gaat en niet louter over economische migranten. Men
heeft getracht dit probleem op te lossen door de restricties inzake asielbeleid te
verscherpen. Bij gevolg daalde het aantal asielzoekers merkbaar in de tweede helft van
de jaren negentig.
Wanneer we kijken naar alle immigratiepatronen in de Europese landen, valt het op dat
alle West-Europese landen te maken hebben met netto-immigratie. Daaruit kan
geconcludeerd worden dat de verschillen in netto-migratie tussen de verscheidene
landen convergeerden in de jaren negentig (Jennissen, Van der Gaag, Van Wissen,
2001).
Het immigratiebeleid dat vandaag in België geldt is gebaseerd op de immigratiestop van
1974 met steeds restrictievere wetswijzigingen. Deze trend is terug te vinden in de
meeste landen van de Europese Unie (Pharet, Krekels, 1998).
1.1.5 Cijfergegevens
In Grafiek 3 zijn de evoluties van het migrantenaantal in de jaren negentig
weergegeven. De grafiek toont het aantal migranten per 1000 inwoners. Eerst bekijken
37
we de ontwikkelingen van de EU15. We zien dat er in het midden van de jaren negentig
een noemenswaarige daling is geweest. Maar in de tweede helft van de jaren negentig is
het immigrantenaantal terug beginnen stijgen waardoor de daling voor een groot stuk
gecompenseerd wordt. Toch is het aantal gedaald, in 1991 waren er 3,1 migranten op
1000 inwoners in de EU, in 2002 waren het er slechts 2,6.
Grafiek 3: Netto aantal immigranten per jaar per 1000 inwoners13
10
8
6
België
4
Franrkijk
2
Duitsland
EU15
0
2001
1999
1997
1995
1993
1991
-2
Bron: Bovagnet, 200314
Omdat de EU bestaat uit 15 verschillende landen, leek het ons nuttig om de data van
enkele landen in onderstaande grafiek op te nemen. Ook het aantal migranten op 1000
inwoners van België, Frankrijk en Duitsland zijn terug te vinden in onderstaande
grafiek. België volgt algemeen gezien de trend van Europa. Toch zien we dat op het
moment dat Europa het laagste aantal migranten heeft, het aantal in België weer even
piekt. België heeft in 2002 een 3,8 migranten per 1000 inwoners. Frankrijk heeft tot en
met 1998 een negatieve migratie, in 2002 is het aantal licht positief met een waarde van
1,1 migranten per 1000 inwoners. Duitsland had in het begin van de jaren negentig een
veel hoger aantal migranten, maar net zoals in Europa in het algemeen is er een
substantiële daling geweest in de eerste helft van de jaren negentig. Hoewel het aantal
13
Het verschil tussen de immigratie en emigratie dit dat bepaalde jaar
14
www.europa.eu.int/comm/eurostat.htm
38
immigranten in Duitsland terug begon te stijgen rond 1998, blijft er een grote daling
merkbaar. In 1991 had Duitsland 7,5 migranten per 1000 inwoners, het zijn er slechts
2,7 in 2002.
We zien dus dat er tussen de lidstaten onderling grote verschillen bestaan. Daarom lijkt
het ons ook nuttig om na te gaan wat de verdeling is van de migranten over de
verschillende lidstaten heen.
Grafiek 4: Netto Immigratie van de EU opgsplitst naar de lidstaten in 200315
FI: 0,6
AT: 2,6
PT: 6,4
SW: 2,9
UK: 10,5
LU: 0,1
BE: 3,6
DK: 0,7
IT: 21,1
NL: 0,3
DE: 16,3
IE: 2,8
FR: 6,1
EL: 3,1
ES: 22,9
Bron: First demographic estimates for 2003, Eurostat
Hier staat de opdeling van de immigratie van 2003 naar de verschillende lidstaten
grafisch voorgesteld. We zien dat de immigranten die in 2003 Europa zijn binnen
gekomen niet proportioneel gelijk verdeeld zijn over de verschillende lidstaten heen.
Landen zoals Nederland, Luxemburg en Finland krijgen samen slechts 1% van de totale
immigratie uit 2003 in hun land. Aan de andere kant zijn er landen die een groot deel
van de Europese immigratie op hun grondgebied binnen laten. Zo vertegenwoordigt de
migratie in Italië één vijfde van de totale immigratie in de EU, wat ook voor Spanje het
geval is. Duitsland, waarvan we daarnet in de grafiek zagen dat een enorme daling heeft
15
First demographic estimates for 2003, Eurostat. De immigratie van de EU15 is dus 100%.
39
gekend in de jaren negentig, behoort nog steeds tot de top drie van de grootste
immigratielanden van de EU met een 15,5%. Frankrijk heeft een lage immigratie
hebben we in de vorige grafiek gezien, vele jaren was de netto immigratie per 1.000
inwoners zelfs negatief. Ook hier zien we dat Frankrijk, gezien het grote aantal
inwoners, tot de landen met een lage immigratie behoort.
Wanneer we kijken naar de evolutie van de netto-migratie van enkele lidstaten zien we
dat er duidelijke verschillen te vinden zijn.
Grafiek 5: Evolutie van de netto-migratie in België (1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
Grafiek 6: Evolutie van de netto-migratie in Spanje(1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
40
Grafiek 7: Evolutie van de netto-migratie in Italië(1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
Grafiek 8: Evolutie van de netto-migratie in Denemarken(1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
Grafiek 9: Evolutie van de netto-migratie in Finland (1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
41
Grafiek 10: Evolutie van de netto-migratie in Oostenrijk (1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
Grafiek 11: Evolutie van de netto-migratie in Zweden (1990-1999)
Bron: Bowen, Wu, 2003
We merken op dat er duidelijke verschillen terug te vinden zijn tussen de evoluties
van netto-migratie van de lidstaten die zijn voorgesteld. In de periode 1994-1996 is
er in Italië (
Grafiek 7) een enorme stijging in de netto-migratie terug te vinden. Deze stijging is ook
in de evolutie van Denemarken (Grafiek 8) terug te vinden, hoewel de stijging hier is
van 1994 tot 1995 waarna er weer een scherpe daling observeerbaar is. Het nettomigratie cijfer van Zweden (Grafiek 11) daalt enorm fel in deze periode.
Tijdens de periode 1996-1998 zien we zowel voor België (
42
Grafiek 5) als voor Spanje (Grafiek 6) een felle stijgin van de netto-migratie. In
tegenstelling daalt het netto-migratie cijfer voor Italië, Denemarken. Voor Zweden is er
een stijging merkbaar vanaf 1997.
De netto-migratie van Finland (Grafiek 9) wijkt geheel af van de andere landen. Hier is
er een piek te zien in 1991. In de volgende jaren daalt de netto-migratie zonder al te veel
van deze tendens af te wijken. Ook Oostenrijk (Grafiek 10) kent een geheel andere
evolutie. Hier daalt de netto-migratie van 1992 tot 1999 fel met een lichte stijging in
1997.
We kunnen besluiten dat de evolutie tussen de meeste landen enorm verschilde, zelfs
tussen buurlanden (Finland en Zweden) zijn er weinig gelijkenissen terug te vinden.
Zoals eerder vermeld hebben Jennissen, Van den Gaag en Van Wissen (2001) het over
een convergentie wat betreft migratie in de jaren negentig. Wanneer we naar Grafiek 3
kijken zien we inderdaad dat België, Franrkijk en Duitsland in het begin van de jaren
negentig migratiecijfers hebben die verder uit elkaar liggen dan in 2000. Wanneer we
echter naar het taartdiagram kijken, kan deze convergentie in vraag gesteld worden. Er
moet rekening gehouden worden met het feit dat het percentage vreemdelingen van de
EU in een lidstaat ook afhankelijk is van de grootte van deze lidstaat. Zo kunnen we
zien dat Frankrijk, hoewel het grotere oppervlakte heeft dan Italië een kleiner
percentage op zijn grondgebied heeft. Ook de grafieken van de evolutie van de nettomigratie van verschillende lidstaten, laten zien dat de convergentie niet opgaat voor alle
landen.
1.1.6 Besluit
We zien dat tussen 1960 en 2000 de immigratie enorme veranderingen heeft
teweeggebracht in de West-Europese samenleving, zowel economisch als sociaal. Uit de
verschillende ontwikkelingen springen er drie grote veranderingen in het oog (Wanner,
2002). Eerst en vooral is er het invoeren van restrictieve regelingen wat betreft migratie
na de crisis in 1973. Arbeidsmigratie wordt vervangen door een secundaire vorm van
migratie, namelijk familiehereniging en asielbeleid. De redenen van migratie wijzigen
43
hierdoor en worden bijgevolg meer gediversifieerd. Een tweede verandering die zich
vooral in de jaren tachtig voordoet, heeft te maken met de diversificatie van de
oorsprong van de migranten. De laatste ontwikkeling, die geldt voor de hele wereld, is
de hoge graad van internationale mobiliteit. Ondanks de restrictieve immigratiebeleiden
die gevoerd worden, blijft de immigratie aanhouden.
Een belangrijk probleem is dat de recruteringen in de jaren zestig niet met een
bijpassend beleid ondersteund werden. Het gevolg hiervan is dat het een
ongecontroleerde toestroom werd. Daar ook in de economische recessie de komst van
migranten bleef aanhouden, is rond 1973 in de meeste landen een migratiestop
ingeroepen. Ook aan het einde van de twintigste eeuw is de migratiestop, in theorie, in
de meeste Europese lidstaten nog steeds van kracht.
Als afsluiter hebben we met cijfergegevens aangetoond dat er nu nog grote verschillen
bestaan wat betreft immigratie. Er zijn verschillen tussen de lidstaten in verband met
netto-migratie observeerbaar. Dit kan duiden op een geheel ander beleid en/of instelling
wat voor de nodige problemen kan zorgen bij het uitwerken van een gemeenschappelijk
immigratiebeleid.
In het volgende deel gaan we nagaan welke kenmerken Europa typeren wat betreft
immigratie. Europa heeft kenmerken die niet in de Verenigde Staten terug te vinden
zijn. Deze kenmerken hebben ook een grote invloed op hoe het beleid gevoerd wordt en
hoe aantrekkelijk de verschillende landen of de Unie als geheel is.
1.2
Kenmerken van de EU15 wat betreft immigratie
De immigratiebeleiden die vandaag de dag van kracht zijn in de verschillende lidstaten
van de EU15 zijn bepaald en gedetermineerd door de kenmerken van de
immigratiestromen, de bepalende factoren van de immigratiestromen en andere
beleidsbeslissingen die invloed hadden op deze stromen (Jenny, 2001). We gaan enkele
van deze kenmerken in het kort bespreken.
44
1.2.1 De Grenzen
De grenzen van Europa zijn vrij poreus (Eichengreen, 1993). Het is met andere woorden
niet zo gemakkelijk om de illegale immigranten buiten te houden. Ondanks dit gegeven,
zijn de cijfers niet enorm hoog.
Sinds het Verdrag van Rome (1957) kan men zich vrij verplaatsen binnen de Unie.
Wanneer men dus in één land binnen kan, kan men zich achteraf gaan vestigen waar
men wil. Het openstellen van de interne grenzen maakt van een communautair beleid,
wat betreft asiel- en immigratieregulering, een noodzaak.
Het vrij personenverkeer in de Europese Unie kwam tot stand door het Verdrag van
Schengen (1985). Dit verdrag werd door alle lidstaten, behalve het Verenigd Koninkrijk
en Ierland, ondertekend. Het gevolg van dit verdrag is dat de binnengrenzen werden
afgeschaft. Men kan dus van de Noordkaap tot in de Algarve controlevrij reizen. Een
logisch gevolg van het afschaffen van de binnengrenzen, is het verstevigen van de
buitengrenzen, want eens een immigrant binnen kan, kan hij overal vrij circuleren.
Het probleem van de buitengrenzen zal met de komst van de nieuwe lidstaten echter nog
groter
worden:
wanneer
de
nieuwe
lidstaten de Schengen-akkoorden gaan
onderschrijven zullen ook zij hun buitengrenzen strenger moeten bewaken en dat is niet
wat ze totnogtoe gewoon zijn. Integendeel, zo is er een druk verkeer tussen de
toekomstige lidstaten en Wit Rusland, Oekraïne, Rusland, Moldavië en Roemenië. Deze
landen hebben echter een slechte reputatie wat betreft georganiseerde misdaad.
Bovendien zijn er de jongste tien jaar alleen in Polen 500.000 migranten aan het werk.
Ze verdienen er bijzonder weinig, zelfs naar Oost-Europese normen, maar dat is nog
steeds veel meer dan in hun eigen land. De controle aan de buitengrenzen van de nieuwe
lidstaten zal dan ook een zeer groot probleem worden.
45
1.2.2 De lage mobiliteit tussen de verschillende lidstaten
De lage mobiliteit in de EU is al jaar en dag een probleem dat ondanks vele pogingen,
nog steeds niet verdwenen is. We beginnen met een kort overzicht en gaan dan over
naar cijfergegevens die het iets concreter maken.
1.2.2.1 Algemeen
Een grote bereidheid en mogelijkheid om te verhuizen van werknemers vergroot het
rekruteringsveld voor werkgevers en daarmee de kans dat vraag en aanbod op de
arbeidsmarkt elkaar weten te vinden. Mobiliteit bevordert hierdoor een efficiëntere
allocatie van arbeid.
Een ander gevolg van een lage mobiliteit is volgens Angrist en Kugler (2001) dat dit de
negatieve invloed van immigratie nog versterkt omdat de arbeidskrachten die vervangen
worden door vreemdelingen, niet de neiging hebben om zich te verplaatsen naar een
arbeidsmarkt waar hun vaardigheden nog wel nodig zijn.
De mobiliteit in Europa is de mate waarin de mensen uit de verschillende lidstaten zich
verplaatsen over de landsgrenzen heen voor bijvoorbeeld hun job. Arbeidsmobiliteit is
nodig om de aanbodschokken op te vangen, de noodzaak hiervan is nog gestegen door
het invoeren van de Euro (Blanchard, 2002). Door de invoering van de Euro verliezen
de landen de intrestvoet en de geldhoeveelheid als instrument om ook de arbeidsmarkt
in evenwicht te houden. Dit levert niet zulke grote problemen op, wanneer het één
homogene markt betreft. Door een hoge mobiliteit zouden de tekorten op een markt
ongedaan gemaakt kunnen worden zonder gebruik van intrestvoet of geldhoeveelheid.
De homogeniteit van de Europese markt is sinds de toetreding van 1 mei nog gedaald.
De Schengen-akkoorden van 1985 zijn mede tot stand gekomen om de arbeidsmobiliteit
te bevorderen. Deze akkoorden hebben als gevolg dat de interne grenzen compleet
opengesteld worden. Burgers van de lidstaten kunnen vrij bewegen vanaf 1993.
Ondanks de mogelijkheid tot vrije verplaatsing, stijgt de arbeidsmobiliteit binnen de EU
amper. Het waren dus niet enkel en alleen de grenzen die deze mobiliteit belemmerde,
integendeel.
46
1.2.2.2 Cijfergegevens
Wanneer we de interne mobiliteit uitdrukken als het aantal mensen dat in een ander land
woonachtig is tegenover de gehele EU15 bevolking, zien we dat de mobiliteit voor de
EU15 zone lager ligt dan 0.2% (Wijffels, 2001). Niet alleen absoluut gezien is dit klein,
ook wanneer we dit vergelijken met de mobiliteit binnen een land, is dit ook klein.
Grafiek 12: Mobiliteit binnen een bepaalde regio (percentages)
2,3
VK
1,6
NL
0,5
IT
0,2
EU15
0
0,5
1
1,5
2
2,5
Bron: Wijffels, 2001
Bovenstaande grafiek toont de mobiliteitspercentages. We zien inderdaad dat mensen
gemakkelijker binnen een land verhuizen dan naar een ander land. Dit is logisch, gezien
de drempels van taal en cultuur wegvallen. Toch zijn dit niet de enige reden die de
mobiliteit belemmeren. Ook een slecht functionnerende huizenmarkt kan ervoor zorgen
dat mensen niet verhuizen naar een andere lidstaat (Wijffels, 2001).
47
Grafiek 13: Verdeling van de buitenlandse werkbevolking in de EU15 (EU15
burgers)
Bron: Wijffels, 2001
Grafiek 13 geeft een beeld van de verdeling van de totale beroepsbevolking in de EU
woonachtig in een andere lidstaat. Daarbij is zowel gekeken naar de bestemming als
naar de herkomst. Uit de grafiek blijkt bijvoorbeeld dat bijna 40% van de
beroepsbevolking in de EU die in een andere lidstaat woont, in Duitsland woont terwijl
maar 6% van de beroepsbevolking die in een andere lidstaat woont oorspronkelijk uit
Duitsland komt. Hierbij moet worden opgemerkt dat de cijfers in Grafiek 13 betrekking
hebben op voorraadgrootheden en niet op stroomgrootheden. De aankomst en
verstreksaldi zeggen iets over de migratiestromen in het verleden, maar niet
noodzakelijk iets over de verdeling van de huidige migratiestromen (Wijffels, 2001).
In onderstaande grafiek is zijn de gegevens van Grafiek 13 verder opgedeeld. Zo staat
aangeduid welk percentage van de vreemde EU-bevolking in een bepaald land
afkomstig is van de buurlanden. Ook kunnen we zien welk percentage van de mensen
uit dat land die naar een andere lidstaat gaan wonen, een buurland kiezen. Zo zien we
dat de immigratie binnenin de EU voornamelijk naar buurlanden is. Zo is bijna 100%
van de Oostenrijkse emigranten naar de buurlanden geïmmigreerd.
48
Grafiek 14: Buitenlandse beroepsbevolking van en naar buurlanden (EU15burgers)
Bron: Wijffels, 2001
Een uitzondering op deze trend zijn de Zuid-Europese landen. Nog steeds is er een
Noord-Zuid patroon terug te vinden. Zo heeft Duitsland vele Grieken en Italianen en
Frankrijk heef vele Portugese immigranten. In de grafiek kunnen we dit zien doordat
minder dan 10% van de Portugeese emigranten naar buurlanden gaan.
Wanneer we kijken naar specifieke arbeidsmigratie zien we dat 1.7% van de
arbeidsbevolking van de EU15 in een andere lidstaat woont en werkt. Hier tegenover is
3% van de totale EU15 arbeidsbevolking afkomstig van buiten de EU15. Dit is bijna het
dubbele.
1.2.2.3 Besluit
Europa is gekenmerkt door een lage mobiliteit. Deze mobiliteit is kleiner tussen de
lidstaten dan in de lidstaten zelf. De EU-burgers die in een andere lidstaat wonen zijn
niet gelijk verdeeld over de verschillende lidstaten. Zo wonen bijna de helft van de
interne EU15-migranten in Duitsland. De migratie tussen de lidstaten gaat vooral naar
buurlanden. Een uitzondering hierop is het Noord-Zuid patroon. Er zijn meer niet-EU
arbeidsmigranten dan EU arbeidsmigranten.
49
1.2.3 De verzorgingsstaat
De meeste landen van de EU15 kunnen een verzorgingstaat genoemd worden. Deze
verzorgingsstaat werkt als een magneet voor potentiële immigranten. Het geeft
kunstmatige prikkels, waardoor migratie de allocatieve functie moeilijker kan vervullen
(Van Dalen, 2001). Hiermee wordt bedoeld dat de migratie die normaal gaat naar het
land waar er van een bepaalde vaardigheid te kort is, belemmerd wordt door deze
kunstmatige prikkels. Eén van de positieve gevolgen van migratie wordt met andere
woorden tegengewerkt door het socialezekerheidsstelsel. Het gevolg hiervan is een
averechtse selectie. Dit fenomeen is ook aangetoond door een studie van Borjas (1991)
in de Verenigde Staten en Van Dalen (2001) beweert dat het resultaat van het
onderzoek, de averechtse selectie, van Borjas ook van toepassing is voor de Europese
welvaartsstaten.
De verzorgingsstaat heeft een niet te onderschatten aantrekkingskracht op immigranten,
dat is een feit. Het is de reden waarom de uitbreiding landen ertoe aanzet restrictieve
maatregelen te nemen. De bestaande lidstaten kennen zichzelf het recht toe om de
migranten uit de nieuwe lidstaten voor een periode van maximum zeven jaar buiten te
houden. De Europese leiders gaan ervanuit dat na verloop van die periode de economie
van die landen zodanig gegroeid zal zijn dat er op dat moment geen massale
migratiestroom van oost naar west meer op gang zal komen.
Vandaag staat het sociaal zekerheidssysteem in vele landen onder druk. Een reden
hiervan is de heterogeniteit van de samenleving door migratie. Meer immigranten
gebruiken het sociaal zekerheidssysteem doordat de concentratie van sociaal
economische problemen16 bij deze groep hoger is. Dit legt een zware druk op de
verzorgingsstaat (Jacobs, Kalshoven, Tang, 2003).
16
Hiermee wordt schooluitval, werkloosheid, verpaupering enzovoort bedoeld
50
1.2.4 De Nulimmigratie
Zoals eerder beschreven in de geschiedenis van het Europese immigratiebeleid, is er na
de rekrutering van arbeidskrachten een immigratiestop ingeroepen in de meeste
Europese landen. Het is de arbeidsmigratie die in de meeste Europese landen verboden
is (Berlage, 2003). Wanneer er voor een bepaalde job op de thuismarkt geen passende
arbeidskracht te vinden is bestaat er geen mogelijkheid om deze elders te gaan halen.
Hier moet wel bij vermeld worden dat er in de wetgeving wel enkele uitzonderingen
voorzien zijn. Zo krijgt iemand bijvoorbeeld wel de toestemming het land als
arbeidsmigrant binnen te komen wanneer deze al beschikt over een werkcontract
(Berlage, 2003).
Europa laat wel vreemdelingen toe wanneer het gaat over familiehereniging en
asielzoekers. Een logisch gevolg van het verbod op arbeidsmigranten om binnen te
komen is dat ze onder valse voorwendselen zullen trachten binnen te geraken. Dit is een
fenomeen dat we ook in België hebben gezien in de jaren negentig. Het feit dat wanneer
de asielprocedure strikter werd, het aantal aanvragen daalde duidt op het feit dat een
deel van de asielaanvragen onterecht was. Ook de andere weg om legaal binnen te
geraken in Europa, de familiehereniging, wordt misbruikt.
Een bemerking moet hier gemaakt worden over de migratiestop. In de meeste landen
bestaat
er een aanzienlijke discrepantie tussen de geproclameerde algemene
beleidsprincipes (de migratiestop), het reglementair kader inzake arbeidsmigratie dat
werkelijk in voege is, de administratieve uitvoeringspraktijk en de realiteit. Door middel
van uitzonderingen is men steeds verder gaan afwijken van het algemene principe, de
nulimmigratie. Arbeidsmigranten kunnen wel een toelating krijgen om een lidstaat te
betreden, maar dan wel via een uitzonderingsregeling. Op deze manier zijn er in België
aanzienlijke arbeidsmigratie stromen geweest. De nulimmigratie bestaat de facto
nergens meer (Marx, De Maesschalck, Mussche, 2002).
51
1.3
Het communautair beleid
Tot vandaag volgt elke lidstaat een eigen immigratiebeleid maar door de Schengen
akkoorden zijn de mensen vrij zich te bewegen tussen de lidstaten. Dit stelt het
nationale beleid natuurlijk in vraag. Wanneer landen onderling grote verschillen tonen
in migratiebeleiden, kan het ene land het andere land tegewerken.
Het idee dat er nood is aan een gemeenschappelijk beleid wat betreft immigratie- en
asielbeleid is voor het eerst op papier gezet in het Verdrag van Amsterdam in 1999. Dit
idee is dan verder uitgewerkt tijdens de raad van Tampere (1999) en daar is besloten het
communautair immigratie- en asielbeleid voor de Europese Unie tegen mei 2004 vorm
te geven.
In dit deel gaan we eerst de redenen waarom er nood is aan zo een beleid belichten.
Vervolgens gaan we in op de punten die voor problemen zorgen en die het proces
vertragen. Om dit deel af te sluiten overlopen we wat er al beslist is en hoe het
communautair beleid er, volgens de verschillende lidstaten, moet uitzien.
1.3.1 De noodzakelijkheid van een communautair beleid
In dit deel zullen we eerst in het kort de geschiedenis van het communautair beleid
overlopen. Vervolgens gaan we de noodzaak van een gemeenschappelijk beleid
opsplitsen over vier delen. Een eerste reden waarom er nood is aan een communautair
beleid is het niet meer functioneren van de nulimmigratie. Een tweede reden zijn de
grote stromen illegalen waarmee Europa te kampen heeft. De problemen rond de
grenscontroles vormen een derde element. De laatste noodzaak die we zullen belichten
zijn de economische overwegingen.
1.3.1.1 Geschiedenis
Een gemeenschappelijk immigratiebeleid voor alle lidstaten is een element dat over het
hoofd gezien is in het Verdrag van Rome (1957). Men wou een gemeenschappelijke
markt creëren waarin vrij verkeer van kapitaal en goederen binnen de EU (toen nog EG)
52
mogelijk werd. Ook konden de onderdanen van de lidstaten vrijer bewegen dan ervoor.
Nog steeds echter bestonden er grenscontroles tussen de lidstaten onderling en over een
gemeenschappelijk extern immigratiebeleid werd niets gezegd. Zolang echter elk land
zelf de bevoegdheid heeft een eigen migratie- en asielbeleid te voeren, kan de mobiliteit
en zo de economie, door het opvangen van eventuele aanbodschokken, verbeterd
worden (Straubhaar, Zimmerman, 1993).
In 1985, met de Schengen-akkoorden I (Schengen II in 1990) werd de interne mobiliteit
nog meer aangemoedigd door de grenscontroles tussen de lidstaten af te schaffen. De
doelen van deze akkoorden waren: vrij bewegen in de Europese Unie, sterkere externe
controles invoeren, een uniforme visa politiek en een coördinatie van de verschillende
asielbeleiden (Straubhaar, Zimmerman, 1993). Een gevolg van deze akkoorden is echter
dat de buitengrenzen sterker werden, waardoor sommigen het hadden over de
‘versterkte burcht’.
In Dublin (1990) werd voor de eerste keer over een eventueel communautair beleid
gesproken. Het idee werd echter niet uitgewerkt, maar alle lidstaten gaven toe dat er
nood is aan een gemeenschappelijk beleid inzake immigratie en asiel.
De EU kreeg na het Verdrag van Maastricht in 1992 meer rechten in verband met
immigratie. Zo gaven de lidstaten in principe hun bevoegdheid over visa, maatregelen in
verband met illegalen en arbeidsmigratie door aan de EU (Straubhaar, Zimmerman,
1993).
Het was in 1993 dat de Schengen-akkoorden effectief werden toegepast: de
grenscontroles tussen de lidstaten, die het Schengen-akkoord ondertekenden, werden
afgeschaft. Deze gebeurtenis zou het nut en de nood van een communautair beleid
verder doen toenemen.
In Amsterdam werd in 1999 besloten dat men binnen de vijf jaar met een
gemeenschappelijk beleid inzake asiel en immigratie wou werken in plaats van de
verschillende nationale beleiden (Muus, 2001). In Amsterdam zijn er drie belangrijke
veranderingen aangebracht aan het Europa-denken. Ten eerste werd er voor het eerst
beoogd om aspecten van het externe immigratiebeleid te verheffen van nationaal tot
53
communautair niveau. Ten tweede wou men het intergouvernementele beleidsplan
omzetten in een communautair beleidsplan, een stap van een onafhankelijk beleid naar
een supranationaal beleid. In 1958 sprak men over de ‘interne markt’, in Amsterdam
werd
deze
naam
omgezet
in
een
‘ruimte
van
vrijheid,
veiligheid
en
rechtvaardigheid’(Muus, 2001). Dit is de derde verandering die in Amsterdam werd
aangebracht. Deze naamsverandering laat duidelijk merken dat er nood is aan een
gemeenschappelijk systeem van bewaking van de buitengrenzen. Men is ook van plan
om de niet-Europeanen vrij te laten bewegen tussen de lidstaten, wat een grote
verandering is.
In Tampere (1999) werd herbevestigd dat er nood is aan een communautair beleid en dit
idee werd verder uitgewerkt. Hier werden voor het eerst de belangrijkste punten
gebundeld van het migratiebeleid op een alomvattende en evenwichtige wijze
(COM(2003)336).
De Europese Commissie heeft het over drie vitale kwesties:
-
beheren van de migratie naar de Europese Unie in de context van een
vergrijzende beroepsbevolking
-
de verbetering van de integratie (hier wordt enorme aandacht aan besteed)
-
de noodzaak van het samenwerken met de landen van herkomst
1.3.1.2
Nulimmigratie werkt niet meer
Door de nulimmigratie is het niet gemakkelijk om Europa binnen te komen op een
legale manier. Deze nulimmigratie geeft echter geen antwoord op de ingewikkelde en
wisselvallige realiteit van de stromen (COM(2001)757). Het beleid van nulimmigratie
dat nog steeds in vele Europese landen van kracht is, werkt niet meer en dit om twee
uiteenlopende redenen.
Eerst en vooral blijven er ondanks de migratiestop, migranten bijkomen. Illegale
immigratie kan enkel en alleen geweerd worden als het mogelijk is om legaal binnen te
geraken. Toch moet men rekening houden met het feit dat het onmogelijk is om alle
illegale immigranten tegen te houden. De Verenigde Staten werken met een opener
beleid maar ook zij hebben te kampen met illegale migranten. Zolang er tijdelijke
54
vergunningen verleend worden, zal men illegale migranten hebben. Wanneer men werkt
met een migratiebeleid dat de in- en uitstromen opvolgt, heeft men wel meer informatie
over wie er in het land verblijft.
De tweede reden heeft te maken met de vergrijzing en het tekort op de arbeidsmarkt.
Demografische studies in de verschillende lidstaten hebben aangetoond dat de
bevolking in de volgende jaren drastisch zal dalen met enorme negatieve gevolgen voor
de arbeidsmarkt. Zo zal Duitsland in plaats van 82 miljoen mensen, wat de situatie
vandaag is, slechts 59 miljoen mensen tellen in 2050. Wat de arbeidsbevolking betreft
verwacht men een daling van 41 miljoen naar 26 miljoen arbeidsactieven (Marx, De
Maesschalck, Mussche, 2002). Een dalende werkbevolking zal met andere woorden een
negatieve invloed hebben op de economische groei in Europa.
Aangezien de economische groei wordt bepaald door de stijgende werkgelegenheid en
de toenemende productiviteit (COM(2003)336), zal volgens Norberg (2003) Europa
nood hebben aan 1,6 miljoen vreemdelingen per jaar om de economie stabiel te houden.
Volgens berekeningen van de Verenigde Naties (2000) zullen er tussen 2000 en 2025
159 miljoen vreemdelingen de Unie moeten binnenkomen om de daling in de
werkbevolking teniet te doen. Italië zal volgens de VN per miljoen inwoners 6500
migranten per jaar nodig hebben om de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden. In
België zal men in 2050 75 gepensioneerden hebben op 100 mensen17. Het percentage
65-plussers ten opzichte van het aantal mensen tussen 20 en 64 jaar wordt de ‘grijze
druk’ genoemd. Voor Europa bedraagt deze grijze druk in 2002 27%. Men verwacht een
stijging tot 35% in 2020 en de ‘grijze druk’ in 2040 wordt geschat op een 40% (Centraal
Bureau voor statistiek, 2003). Deze cijfergegevens tonen aan dat de vergrijzing wel
degelijk voor problemen zal zorgen in Europa.
Gegeven deze elementen is het niet opmerkelijk dat verschillende landen van de Unie
hun beleid reeds aan het herzien zijn. Zo heeft men in het Verenigd Koninkrijk het
systeem van de ‘work permits’ versoepeld zodat er meer hooggeschoolden een
verblijfsvergunning kunnen krijgen en er aan de slag kunnen (Andries, 2002). Portugal
17
P. Dewael, Migratie is niet het probleem maar de oplossing, De Standaard, 29/11/2003
55
en Spanje openen hun grenzen ook meer en meer. De reden hier is vooral omdat beide
landen te kampen hebben met structurele tekorten op de arbeidsmarkt.
Ook Duitsland wil zijn immigratiebeleid selectiever maken door het invoeren van een
puntensysteem dat zal helpen bij de selectie van de migranten (Vervliet, 2001). Deze
‘green cards’ zijn een uitzonderingsregel voor hooggeschoolden. Het is in februari 2000
dat Kanselier Schröder het initiatief in werking stelde om het tekort aan IT specialisten
op te lossen. De ‘green cards’ worden op een zeer selectieve manier uitgedeeld en zijn
tijdelijk. Een kaart geeft de toestemming tot een verblijf van maximaal vijf jaar. Het
implementeren van een ‘green card’-systeem is een expliciete keuze voor migratie. Er
werd ook een commissie opgesteld, de Commissie Süssmuth, die voorstellen moest
uitwerken voor een migratiebeleid op langere termijn. Op 4 juli 2001 kwam de
commissie tot de conclusie dat Duitsland migranten nodig heeft (Marx, De
Maesschalck, Mussche, 2002). Het nieuw migratiemodel dat sinds kort in Duitsland
geïmplementeerd is, is gebaseerd op een puntensysteem in combinatie met een quota
voor hooggeschoolden en extra tijdelijke vergunningen voor knelpunt vacatures.
Ook in België zijn er versoepelingen aan het beleid aangebracht. De veranderingen zijn
echter
enkel van
toepassing
op
hooggeschoolden en leidinggevenden.
Een
hooggeschoolde kan een verblijfsvergunning voor vier jaar bekomen wanneer hij een
loon aangeboden heeft gekregen van een Belgische onderneming dat 29.400 euro of
meer bedraagt. Deze termijn van vier jaar kan niet verlengd worden. Een
leidinggevende kan voor dezelfde termijn een vergunning krijgen wanneer hij
overgeplaatst wordt naar een bijhuis of een filiaal van de firma waarvoor hij werkte in
zijn thuisland. Zijn loon moet minimaal 49.984 euro bedragen. Verwacht wordt dat hier
nog versoepelingen zullen volgen, bijvoorbeeld een eventuele verlenging (Marx, De
Maesschalck, Mussche, 2002).
Dit beknopt overzicht van de wijzigingen in sommige landen van de Unie om te duiden
op het feit dat de grenzen stilaan geopend worden.
De Europese Unie kiest bijgevolg voor een opener beleid dat transparant en flexibel
moet zijn. Tevens zal dit beleid gebaseerd zijn op een diepgaande analyse van het beleid
en de stromen (COM(2001)757).
56
1.3.1.3 Strijd tegen illegalen
De immmigratiestop heeft bijgedragen tot een stijging van het aantal illegalen in
Europa. Velen die willen migreren naar Europese landen worden niet tegengehouden
door het feit dat ze niet op een legale manier binnen kunnen geraken.
Mensen die op een illegale manier in een land verblijven, leven vaak in erbarmelijke
omstandigheden. Ze hebben amper genoeg om in leven te blijven en worden dikwijls
uitgebuit. Wanneer deze mensen nu op een legale manier in het land zouden verblijven,
hebben ze recht op een degelijk werkcontract met een redelijk loon. Dit is ook een
belangrijke reden waarom de Europese Unie het cijfer van het aantal illegalen in de
Unie wil terugdringen (COM(2003)336).
De Europese Commissie stelde dat het op korte termijn nodig is om alle mensen die op
dit ogenblik op een illegale manier in de Europese Unie verblijven, te legaliseren
(COM(2001)757). Deze omzetting zal in samenwerking met het land van oorsprong
gebeuren. Door deze mensen amnestie te verlenen, kan men achteraf ook weten hoeveel
mensen er in de verschillende landen verblijven en van waar ze komen. Op dit moment
heeft men amper gegevens maar wanneer men over meer gegevens zou beschikken, zou
de immigratie beter opgevolgd kunnen worden.
1.3.1.4 De grenscontroles
Door de Schengen akkoorden vielen in 1993 de grenscontroles in de meest landen van
de EU weg18. Door het wegvallen van deze grenzen, moesten logischerwijze de
buitengrenzen versterkt worden. Dit is één aspect van de noodzaak wat betreft
grenscontroles: sommige landen draaien op voor de bewaking van de grenzen van de
hele Unie. In het communautair beleid zou ook een verdeling van deze kosten over alle
lidstaten opgenomen worden (Muus, 2001).
Een ander aspect is dat eens men binnen is, het niet zo moeilijk is om zich te vestigen in
dat land dat het voordeligste lijkt. Zo gaan vele asielzoekers op zoek naar waar het
18
Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben dit nog steeds niet ondertekend
57
asielbeleid het soepelste is. Eens hen asiel is verleend, kunnen ze zich eigenlijk vestigen
waar ze willen gezien de interne grenscontroles zijn afgeschaft. Een soepel beleid van
een bepaald land heeft dus ook een invloed op alle andere lidstaten. Daarom is een
communautair beleid efficiënter.
1.3.1.5 Economische redenen
Ook vanuit een economisch standpunt is het voordeliger om een communautair beleid te
hebben waardoor ook de vreemdelingen zich legaal en vrij kunnen verplaatsen binnen
de Unie. Op deze manier kan er efficiënter op de aanbodschokken gereageerd worden.
Immigranten zijn vaak minder gehecht aan hun woonplaats in het gastland waardoor ze
vaak meer bereid zijn te verhuizen voor een job. Op deze manier kan het handicap van
de lage mobiliteit voor een deel opheven worden.
Wanneer immigratie niet meer belemmerd wordt, kunnen de mensen zich verplaatsen
naar het land waar hun vaardigheden het meeste nodig zijn en zij er dus het meest voor
beloond worden. De functie van het geografisch herverdelen van de arbeidskrachten in
overeenstemming met de vraag voor verschillende types van arbeid, wordt op die
manier vervuld (Willis, 1974).
1.3.1.6 Besluit
Er is nood aan een communautair beleid en dit om verschillende redenen. Europa heeft
op vlak van migratie met verschillende problemen te kampen die efficiënter aangepakt
kunnen worden eens men beschikt over een gemeenschappelijk beleid, bijvoorbeeld de
strijd tegen de illegale immigranten. De belangrijkste reden waarom een communautair
beleid vandaag een noodzaak is in de EU is het feit dat de nulimmigratie niet meer
werkt. Hierdoor moeten de meeste lidstaten hun beleiden herzien. Zoals hoger vermeld,
zal de strijd tegen de illegaliteit efficiënter zijn eens het gemeenschappelijk gebeurt. De
Schengen-akkoorden en de uitvoering ervan hebben ook bijgedragen tot de
noodzakelijkheid van een gemeenschappelijk beleid.
58
In het verdrag van de Commissie19 staat een opsomming van enkele richtlijnen bij het
uitwerken van een communautair beleid. Het eerste element waarover gewaakt moet
worden wanneer het beleid wordt uitgewerkt, is dat het gebaseerd moet zijn op accurate
informatie en goede gegevens. Ten tweede moet het beleid open en transparant zijn,
twee elementen die vaak zoek zijn in de immigratiebeleiden van de lidstaten. Een derde
element dat dicht aansluit bij het vorige is het feit dat het beleid helder moet zijn en niet
ambigu mag zijn. Een laatste element, dat eveneens ontbreekt in de immigratiebeleiden
die vandaag gelden in de lidstaten, is dat het beleid over duidelijke doelen en
objectieven moet beschikken.
1.3.2 De probleempunten
De vooruitgang van het gemeenschappelijk communautair beleid vordert traag. Dit
heeft verschillende redenen. Zoals reeds eerder gezegd is dit een delicate zaak en was
het te verwachten dat de opbouw van zo een beleid niet zo evident zou zijn. Een eerste
struikelblok is het feit dat het 15 landen betreft die uiteenlopende meningen hebben met
betrekking tot immigratie- en asielbeleid. In een tweede punt gaan we de bepaling
bekijken van wie de toelating verleend zou worden om de EU te betreden. Het is niet zo
evident om te bepalen op grond van welke elementen mensen toegelaten kunnen
worden.
Vervolgens gaan we de nood aan hoogopgeleide arbeidskrachten bekijken. De tekorten
op de arbeidsmarkten in de EU wat betreft hooggeschoolde arbeidskrachten, blijven
immers stijgen. Er moet ook gekeken worden op welke wijze men deze tekorten wenst
weg te werken in het communautair immigratiebeleid. Een element dat hier nauw mee
samenhangt is de vergrijzing. De Europese werkbevolking zal blijven dalen en dit is
ook een knelpunt dat moet weggewerkt worden, al dan niet door een immigratiebeleid
dat hier een oplossing voor biedt. Een laatste probleem is de grens tussen het
communautaire deel en het nationale deel. Wanneer men alles zou centraliseren verliest
het beleid veel van zijn dynamisme om snel op de markt in te kunnen spelen. Toch moet
19
COMG(2001)33
59
men niet te ver decentraliseren daar de inefficiënties die er vandaag zijn zo niet
weggewerkt kunnen worden.
1.3.2.1 De uiteenlopende meningen wat betreft migratie
De verschillen in beleidsvisie tussen de lidstaten zijn nu groter dan ooit. Duitsland en
Nederland bijvoorbeeld, verschillen fundamenteel op dit punt en nemen zelfs diametraal
tegen over elkaar gestelde standpunten in wat betreft arbeidsmigratie. Zoals we reeds in
het deel dat handelde over de kenmerken van Europa schreven, is Duitsland de laatste
jaren geëvolueerd naar een opener beleid. Ze werken met ‘green cards’, een
puntensysteem20
zoals
in
Canada
met
bijhorend
quotasysteem
en
tijdelijke
vergunningen om de knelpuntvacatures te kunnen opvullen.
Nederland daarentegen is expliciet en ondubbelzinnig tegen arbeidsmigratie21 (Marx,
De Maesschalck, Mussche, 2002). Hiervoor hebben ze verschillende redenen. Eerst en
vooral zijn ze van mening dat er nog voldoende arbeidsreserve is en dat migratie om de
vacatures op te vullen bijgevolg niet nodig is. Vervolgens verwachten ze sowieso een
stijging van de migratie vanaf de toetreding van tien nieuwe lidstaten in mei. Migranten
hebben volgens Nederland een zwakkere economische en sociale positie en het finale,
lange termijn resultaat van migratie verschilt van het beoogde resultaat. We kunnen
verwijzen naar het taartdiagram (Grafiek 4: Netto Immigratie van de EU opgsplitst naar
de lidstaten in 2003. p 37) waar we kunnen zien dat het percentage van de totale EU
migratie dat in Nederland verblijft enorm laag is, namelijk 0,3%.
De visie van het Verenigd Koninkrijk leunt dicht aan bij deze van Duitsland. Dit beleid
is opener en explicieter dan ooit (Marx, De Maesschalck, Mussche, 2002), maar beperkt
zich vooral tot het toelaten van hooggeschoolden. Ook Spanje en Portugal voeren een
20
Om toegang te krijgen tot Canada moet men op basis van een aantal criteria zoals opleiding, afkomst,
leeftijd,… een minimum van punten halen. De gewichten die aan de verschillende criteria gegeven
worden en de punten die aan de mogelijke antwoorden vast hangen, variëren afhankelijk van de situatie
op de arbeidsmarkt of de sociale samenleving. Want zij bepalen wie er binnen komt en hoeveel migranten
er binnen komen.
21
Deze stelling is geformuleerd in 2002, tijdens het tweede kabinet Kok. Dit standpunt is niet substantieel
gewijzigd.
60
relatief open immigratiebeleid. De redenen hiervoor zijn, zoals eerder vermeld,
structurele tekorten op de arbeidsmarkt.
Aan de andere kant hebben we de landen die dichter bij de Nederlandse visie aanleunen.
In Italië voert de regering Berlusconi een strikt antimigratie beleid. Zo heeft Bossi,
minister van institutionele hervormingen van Italië, in maart 2004 gezegd dat wanneer
er nog een boot met vluchtelingen naar Italië komt, het leger moet worden ingezet.
Ierland en Oostenrijk hebben onlangs verschillende nieuwe restricities opgelegd met als
doel de immigratie te minderen (Marx, De Maesschalck, Mussche, 2002). We zien dus
grote verschillen wat betreft immigratie.
1.3.2.2 De bepaling van wie toegelaten wordt tot de Unie
In een verslag van de Commissie staat dat de toelating van immigranten moet worden
afgestemd op de markt. Men moet met andere woorden eerst weten waar er
knelpuntvacatures zijn om te bepalen wie er binnen mag.
Deze bepaling brengt twee problemen met zich mee. Eerst en vooral zegt Norberg
(2003) dat het enorm moeilijk is, zoniet onmogelijk, om de arbeidsmarkt te voorspellen
en dit zeker op langere termijn.
Het andere probleem situeert zich op de selectie op basis van vaardigheden. De
Commissie vermeldt dat het openstellen van de grenzen voor migranten niet mag leiden
tot ‘de krenten uit de pap te halen’(COM(2003)336). Wanneer men migranten binnen
laat, zal men ook laaggeschoolden moeten accepteren.
1.3.2.3 De nood aan hooggeschoolden
Zoals eerder vermeld heeft Europa nood aan hooggeschoolde immigranten die de
tekorten op de arbeidsmarkt kunnen opvullen. Deze tekorten zijn ontstaan en zullen
groeien door de dalende beroepsbevolking in Europa. Zo waren er in Duitsland in 2000
75.000 IT specialisten te kort (Marx, De Maesschalck, Mussche, 2002). Eind 2003
61
waren er in Europa al een 300.000 jobs in de IT sector die niet opgevuld raakten en dit
cijfer zal vermoedelijk blijven toenemen22.
De hooggeschoolden trekken naar de Verenigde Staten, zelfs Europeanen vertrekken
vaak naar ‘het beloofde land’. De oorzaak ligt bij verscheidene factoren. Zo zijn het
bijvoorbeeld de openheid van het land voor nieuwe werkkrachten, de hogere lonen voor
hooggeschoolden en de aanmoediging om risico’s te nemen die geschoolde mensen
overhalen om daar te gaan werken. In Frankrijk hebben 2000 wetenschappers op 9
maart 2004 hun administratief ontslag gegeven als protest tegen de onderfinanciering
van het wetenschappelijk onderzoek. Volgens ‘Sauvons la recherche’ is deze
onderfinanciering een grote oorzaak van de ‘Brain Drain’23.
Het zijn vooral ongeschoolden en vluchtelingen die Europa binnen willen. Als men
hooggeschoolden wil aantrekken is er nood aan een opener beleid. Met gesloten grenzen
kan men geen hooggeschoolde mensen aantrekken.
Er kan over een “scramble for skills” (Norberg, 2003), een “battle for the brains”
(Blanpain, 2003) of een “war for brains” (Straubhaar, 2001) gesproken worden. Volgens
alle drie, Norberg, Blanpain en Straubhaar, moet Europa zich dringend in de strijd
werpen, wil ze de tekorten op de arbeidsmarkt wegwerken.
De Europese Unie heeft het hier echter moeilijk mee. Niet alleen door hun immigratiebannend verleden, maar ook omdat het de verarming van de zendende landen wat
betreft menselijk kapitaal, inhoudt (COM(2000)757). Dat is de reden waarom er zo op
een nauwe samenwerking met de zendende landen wordt gedrukt. Volgens datzelfde
verslag is de beste methode om dit probleem te omzeilen en de methode die de
zendende landen verkiezen, deze van tijdelijk verblijf. Vandaag is het zo dat wanneer
een migrant eenmaal wordt toegelaten, hij vaak uitsluitend in de richting van
permanente vestiging wordt gedreven. De optie van een tijdelijk verblijf moet
openblijven, waardoor men een “brain circulation” in plaats van een “Brain Drain”
22
23
R Blanpain, We zijn “the battle of the brains” aan het verliezen, De Standaard, 21/01/2000
Sociale onrust in Frankrijk naar kookpunt, De Standaard, 10/03/2004
62
krijgt (COM(2003)336). De vraag blijft of men op deze manier de tekorten van vandaag
en de toekomstige tekorten kan wegwerken.
De EU moet zich in de ‘battle of the brains’ gooien. Dit zal voor de nodige problemen
zorgen gezien daarvoor de het immigratiebeleid gedeltelijk geliberaliseerd moet
worden.
1.3.2.4 Vergrijzing
Zoals reeds meermaals aangehaald zal de werkbevolking in Europa gedurende de
volgende jaren enorm dalen. Een mogelijke oplossing hiervoor is immigratie. Of
migratie al dan niet het juiste antwoord is, wordt betwist.
De Commissie24 bepleit dat migratie een element moet zijn van het antwoord op de
vergrijzing en de inkrimping van het arbeidspotentieel. Gezien de stijging van de
productiviteit de verdere daling van het geboortecijfer binnen de Unie niet kan
compenseren, lijkt immigratie een logisch antwoord. Om de economie verder te laten
toenemen heeft men meer werkkrachten nodig. In hetzelfde verslag concludeert men dat
beheerde migratie van essentieel belang is indien de economische groei niet wil
afzwakken en de welvaart van de Unie niet worden aangetast. Men moet dus de mensen
aantrekken die over vaardigheden beschikken waar nood aan is op de arbeidsmarkt. De
knelpunten worden vooral manifest in hoog conjunctuur maar verschillende tekorten
zouden ook een structureel karakter kunnen hebben (Marx, De Maesschalck, Mussche,
2002). Toch wordt er vermeld dat migratie eerder als aanvulling moet dienen dan in de
plaats moet komen van een verbetering van de EU-arbeidsmarkt.
Velen zijn echter tegen de komst van migranten om het tekort weg te werken. Een eerste
mogelijke reden is, zoals hierboven vermeld, de verarming van de zendende landen.
Hier dient een bemerking bij gemaakt te worden. Wanneer er in een bepaald land een
goed uitgebouwd onderwijssysteem bestaat en er minder dan vijf procent van die
24
COM(2003)336
63
hooggeschoolden hun land verlaten, heeft zo een land daar baat bij en wordt zijn
ontwikkeling in versneld tempo voortgezet25.
Een andere reden is dat men de effecten op lange termijn niet kan inzien. Zimmerman
(1993) is van mening dat door het recruteren van laaggeschoolde arbeidskrachten de
overstap van lage naar hoge productiviteit vertraagd wordt. Wanneer men mensen met
dit soort vaardigheid blijft recruteren, wordt men ervan afhankelijk en lost men het
probleem zelf niet op.
Binnenkort zullen de kinderen van de baby-boom van de jaren vijftig met pensioen gaan
waardoor de bevolkingspiramide zich zal omdraaien. Wanneer we enkel migratie
gebruiken om dit probleem op te lossen, zal de stroom migranten een continu gegeven
moeten zijn, migranten worden immers ook ouder. Daarom mag migratie enkel een
onderdeel zijn van het antwoord op vergrijzing en mag dit niet in de plaats komen van
de arbeidsmarktveranderingen (bv. langer werken).
De meesten van de geschreven bronnen hierover waren over dit onderwerp gematigd.
Het kan een antwoord zijn, maar men moet eerst de arbeidsmarkt en de mogelijke
evoluties ervan grondig analyseren en onderzoeken zodat men weet waar men aan
begint.
1.3.2.5 De scheiding tussen nationaal en communautair
De beste optie om de tekorten weg te werken is de immigratie afstemmen op de werking
van de markt. Nu is het zo dat elke lidstaat andere behoeften en andere kenmerken heeft
wat betreft de arbeidsmarkt. Dit is de reden waarom het volgens de Commissie beter
lijkt om de verantwoordelijkheid wat betreft de behoefte aan verschillende vaardigheden
waarover de arbeidskrachten moeten beschikken bij de staat onder te brengen. Criteria
en procedures zou men zoveel mogelijk op communautair vlak beslissen. In het verslag
van de Commissie26 zag men het toekomstige immigratiebeleid van de Unie als een
algemeen kader dat op niveau van de EU de gemeenschappelijke procedures en
25
Migratie is de oplossing, de Standaard, 01/12/2003
26
COM(2000)757
64
mechanismen om doelstellingen en indicatieve streefcijfers te bereiken vaststelde.
Binnen dit algemene kader kunnen de lidstaten een nationaal beleid opstellen en
uitvoeren dat afgestemd wordt op hun eigen arbeidsmarkt.
Volgens Muus (2001) heeft men het hier dan niet langer over een communautair beleid,
maar eerder over een semi-communautair beleid gezien enkel de criteria en de
procedures
op
communautair
niveau
bepaald
worden.
Zo
worden
naast
arbeidsmarktbehoeften ook gezinsherenigingen op nationaal niveau bepaald. Asiel,
vluchtelingen en ontheemden zijn dan weer problemen voor het communautair niveau.
Het onderscheid berust hier op het feit dat de arbeidsmarkt en gezinshereniging reeds
gelokaliseerde verschijnselen zijn (Muus, 2001).
1.3.3 Vorderingen van het communautair immigratiebeleid
De vooruitgang van het communautaire beleid wordt opgevolgd om zo, op basis van
deze gegevens, beter gefundeerde beslissingen in de toekomst te kunnen nemen
(COM(2001)387). Elke lidstaat moet elk jaar een actieplan opstellen waarin ze verslag
moeten uitbrengen over wat ze gedaan hebben en welke ervaring ze hiermee hebben
opgedaan. Door deze informatie door te geven kunnen de lidstaten van elkaar leren.
Ook moet het verslag de plannen voor de volgende jaren bevatten.
Zowel de
communautaire doelstellingen als de nationale doelstellingen moeten in dit verslag
vermeld worden. Op basis van deze verslagen maakt de commissie dan elk jaar een
syntheseverslag.
Het communautair beleid zit nog in de kinderschoenen. Slechts weinig beslissingen zijn
al genomen. De kenmerken waarover wel al éénsgezindheid bestaat, zijn algemeen en
voor de hand liggend (bv samenwerking met de derde landen, een eerlijke behandeling
van de immigranten, een oplossing zoeken voor de vergrijzing enzovoort). Nochtans
staat in de Conclusies van het Griekse voorzitterschap in Thessaloniki (19-20/06/2003)
dat de Europese Raad van Sevilla benadrukt heeft dat de uitvoering van het in Tampere
goedgekeurde programma in verband met migratie- en asielbeleid, in alle opzichten
bespoedigd moet worden.
65
Er zijn al verschillende onderzoeksgroepen opgericht. Zo bijvoorbeeld VIS, het
visuminformatiesysteem. In juni 2003 is besloten hiervoor een tijdsschema ter
ontwikkeling van het systeem, een juiste rechtsgrondslag en financiele middelen te
zoeken27. Dit systeem zal een koppeling krijgen met het nieuwe Schengen
Informatiesysteem (SIS II)28. Hoewel er in december 2003 aan de Raad van Europa
gevraagd wordt zo snel mogelijk beslissingen te nemen, hebben we geen recente
onwtikkelingen terug gevonden29.
1.3.4 Besluit
Het is terecht dat de lidstaten besloten hebben om aan een communautair beleid te
werken. Er zijn immers minstens drie redenen om te werken met een communautair
beleid in plaats van een nationaal beleid inzake immigratie en asiel. De eerste reden die
we aanhaalden was dat het huidige beleid, de nulimmigratie, niet meer werkt. Zo is er
nood aan nieuwe werkkrachten, vooral hooggeschoolden. Een andere reden is deze van
de strijd tegen de illegaliteit. Alle lidstaten hebben te kampen met illegale immigranten.
Dit cijfer zou kunnen worden teruggedrongen door een gemeenschappelijk beleid
hierrond te voeren. De Schengen-akkoorden, een laatste reden, hebben de eerste stap in
de richting van een gemeenschappelijk beleid gelegd. Wanneer enkel de buitengrenzen
nog bestaan, is een gemeenschappelijk beleid een volgende stap.
Vervolgens hebben we de probleempunten bij de ontwikkelingen van het beleid
overlopen. Vele fundamentele vragen moeten nog opgelost worden vooraleer er sprake
kan zijn van een communautair beleid. We zijn begonnen met een overzicht te geven
van de standpunten van de verschillende lidstaten tegenover migratie. Wat betreft het
communautair beleid moet er eerst en vooral een selectiewijze gevonden worden om te
bepalen wie er een vergunning krijgt. Een andere belangrijke beslissing die moet
worden genomen is deze over de hooggeschoolde immigranten. Men moet nagaan hoe
men deze mensen kan overtuigen om in de Europese Unie te komen werken in plaats
27
Conclusies van het voorzitterschap-Thessaloniki, 19-20/06/2003
28
http://www.xs4all.nl/~respub/documenten/vrgantacvz.htm.
29
Bulletin EU 12-2003. Conclusies van het voorzitterschap (8/35)
66
van bijvoorbeeld in de Verenigde Staten. Langs de andere kant moet men er ook voor
zorgen dat het land van herkomst hierdoor niet verarmt. Europa heeft te kampen met
een vergrijzing. Dit probleem kan volgens sommigen opgelost worden door immigratie.
Er zal dan ook een beslissing moeten vallen in hoeverre men de immigratie dit probleem
zal laten oplossen. Een laatste, maar heel belangrijke lijn die nog getrokken moet
worden, is deze tussen de nationale en de communautaire bevoegdheden.
Logischerwijze is het beter dat de landen hun bevoegdheid over verschillende punten
behouden; alleen is nog niet duidelijk hoe ver men hierin mag gaan om de voordelen
van het communautair beleid niet teniet te doen.
In het laatse deel hebben we het gehad over de vooruitgang die het communautair beleid
boekt. Gezien de stand van zake vandaag, kan men zeggen dat de datum eind mei 2004
als deadline voor verschillende fundamentele beslissingen voor het beleid niet gehaald
zal worden.
1.4
De toetreding en het immigratiebeleid
Door de toetreding is de discussie over het immigratiebeleid deels naar de achtergrond
verschoven. Op één mei 2004 zijn er tien nieuwe landen toegetreden, de meeste OostEuropese. Om verschillende punten die samenhangen met deze toetreding worden er
discussies gevoerd. Eerst zullen we kort ingaan op de immigratiestop voor de
toetredende landen die is ingeroepen, vervolgens zullen we het kort hebben over de
Schengen-akkoorden.
1.4.1 De immigratiestop tot 2011
Dit deel gaan we opsplitsen in twee delen. Eerst en vooral gaan we nagaan waarom
deze immigratiestop tot 2011 is ingeroepen. Vervolgens gaan we deze maatregel in
verband brengen met de nood aan hoogopgeleide mensen om de tekorten op de
Europese arbeidsmarkten weg te werken.
67
1.4.1.1 Reden van de immigratiestop
Vele lidstaten en vooral burgers vrezen dat eens de toetreding een feit zal zijn, de landen
van de Unie overspoeld zullen worden met immigranten uit de nieuwe lidstaten. Dat is
de reden waarom vele landen een immigratiestop voor deze landen hebben ingeroepen
tot 2011. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland behoren niet tot deze landen, maar ook zij
zullen maatregelen treffen. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland waren niet zinnens
enige beperkingen op te leggen, maar op 23 februari 2004 verklaarde premier Blair30
echter dat migranten “moeten werken of het land verlaten”. De eerste twee jaar hebben
zij geen recht op enige uitkering (werkloosheid, kindergeld, hulp bij huisvesting of
gratis gezondheidszorg). Er werd letterlijk gezegd dat “uitkeringstoeristen niet welkom
zijn”. De Britse regering raamt de immigratie de komende jaren op zo’n 130.000
werknemers. Ook in Duitsland is voorgesteld om de toegang voor migranten tot
bepaalde vormen van overheidssteun uit te stellen tot verscheidene jaren na hun
aankomst, zoals de Britse regering nu voorstelt.
De meningen over een al dan niet massa-immigratie zijn verdeeld. In het volgende deel
zullen we eerst de argumenten die beweren dat de stroom niet tot stand zal komen
aanhalen. Vervolgens komen de argumenten die duiden op een immigratietoestroom aan
bod. Als aflsuiter van dit onderdeel gaan we twee mogelijke alternatieven om met dit
probleem om te gaan bespreken.
1.4.1.1.1 Geen massa-immigratie
Zoals in een eerder hoofdstuk besproken is er in Europa een lage mobiliteit. In het
verleden is reeds bewezen dat het openstellen van grenzen niet noodzakelijk een massaimmigratie teweeg brengt. Na het vallen van de Berlijnse muur had men een
volkstoestroom verwacht. Uiteindelijk is slechts één procent van de bevolking van
Oost-Duitsland geëmigreerd, wat een stuk lager lag dan de verwachtingen.
Zo vreesde men ook een overspoeling van Spanjaarden en Portugezen wanneer de
lidstaten bij de Unie kwamen, maar in plaats van een toestroom van immigranten,
keerden velen terug naar hun land van oorsprong.
30
mededeling van het persagentschap Reuters en Associated Press van 24 februari
68
Ook de natuurlijke barrières van taal en cultuur zullen velen tegenhouden. Dit toont aan
dat de vrees voor een toestroom van vreemdelingen misschien overdreven is en door
verschillenden in vraag gesteld wordt, onder meer door Goedings (Enlargement tot the
East, labour migration to the West, 1999).
1.4.1.1.2 Toch een massa-immigratie
Eerst en vooral mag de vergelijking met de toetreding van Spanje en Portugal niet
zomaar gemaakt worden. Een eerste punt waaraan gedacht moet worden bij de vergelijk
is het element dat de Unie toen veel tijd, geld en moeite stak om de economie in deze
landen er bovenop te helpen.
Een ander aspect dat een invloed zal hebben is het loon. Het verschil tussen Spanje en
de Unie ten tijde van de toetreding bedroeg 50%. Het gemiddelde loonniveau ligt ook
nu ongeveer 50% lager maar er zijn zowel in de toetredende landen als in de EU15
landen die van dat gemiddelde afwijken. Zo is gemiddelde loon in Bulgarije, een land
dat normaal in 2007 zal toetreden, slechts 4% van het gemiddelde loon in Luxemburg31.
Een laatste element is dat de meeste Portugezen en Spanjaarden die naar de EU wouden
komen, er al waren. Het immigratiepotentieel was met andere woorden uitgeput (Sinn,
2000). Dit is echter niet het geval wat de nieuwe lidstaten betreft.
CESIfo heeft berekend (2000) dat wanneer de EU15-landen hun restricties op
immigratie behouden, er 2 à 3% van de bevolking van de nieuwe lidstaten zullen
immigreren. Wanneer de restricties wegvallen zal er ongeveer 11%32 immigreren naar
de EU15. Gebaseerd op deze gegevens verwacht men wel een toestroom.
1.4.1.1.3 Alternatieven
Sinn (2000) stelt voornamelijk twee beleidsalternatieven voor om de verwachtte
toestroom onder controle te houden. Eerst en vooral kan de toelating gebeuren op basis
van rijkdom, inkomen en scholing. Op deze manier is men er quasi zeker van dat de
31
www.ibeurope.com/database/6600/6760.htm
32
Dit is een gemiddelde genomen over de percentages van de nieuwe lidstaten heen.
69
immigranten zullen presteren en niet enkel komen voor de economische voordelen. Dit
is echter een alternatief dat niet geschikt is voor de EU daar het een programma is dat
verkeerdelijk mensen die minder bezittingen hebben kunnen uitsluiten. Niet elke
minderbedeelde migrant komt enkel om te profiteren van de sociale zekerheid.
Een tweede alternatief, dat meer in de lijn van het EU-denken ligt, is het “home-country
principe” (Sinn, 2000). Dit systeem beperkt de toegang tot de sociale zekerheid op basis
van het land van oorsprong. Dit kan gebeuren door variërende bedragen al naar gelang
het oorsprongsland of door enkel dat bedrag toe te kennen wat ze in hun thuisland
zouden krijgen. Dit systeem wordt in Zwitserland reeds enkele jaren toegepast en het
heeft zijn effectiviteit bewezen.
1.4.1.2 De immigratiestop in verbinding gebracht met het tekort aan hoogopgeleiden
Hoewel in de meeste verslagen wordt toegegeven dat eens de Unie open zal staan voor
de immigranten, de economie zal bloeien en dat er nood is aan nieuwe werkkrachten,
liefst hoogopgeleid, houdt men voor de nieuwe lidstaten de deuren dicht. Wanneer er
besloten werd deze tien landen te laten toetreden beweerde elke lidstaat dat de grenzen
open zouden blijven, maar daar zijn de meeste landen op terug gekomen.
Uit een onderzoek van Eurostat (Labour Force Survey, 2000) blijkt dat het
opleidingsniveau bij de groep 25-64 jarigen in 2000 hoger lag bij de toekomstige
lidstaten dan bij de huidige. Deze gegevens zijn voorgesteld in
Grafiek 15.
We zien dat in plaats van 21% in de EU15, 24% in de toekomstige 10 landen
hooggeschoold zijn. In de tien toetredende landen is 56% middelmatig geschoold en in
EU15 is dat 43%. Deze cijfers bevestigen dat er in de nieuwe lidstaten veel geschoolden
zitten die door de toetreding de arbeidsmarkt in EU15 kunnen in evenwicht brengen.
70
Grafiek 15: Scholingsgraad van de EU15, de 10 nieuwe lidstaten en niet EUonderdanen (2000)
100%
90%
80%
70%
60%
50%
Niet EU onderdanen
40%
EU15
10 nieuwe
30%
20%
10%
0%
hoog
gemiddeld
laag
Bron: Eurostat (Labour Force Survey, 2000)
Door de immigratiestop tot 2011 zullen deze hoog- en gemiddeldgeschoolden echter
niet naar de EU15 gaan, maar bijvoorbeeld
naar Amerika waar ze welkom zijn.
Nochtans staat in elk verslag van de opvolging van de vorderingen van het beleid
vermeld dat Europa nood heeft aan geschoolde werkkrachten.
1.4.1.3 Besluit
Of er al dan niet een immigratiestroom zal ontstaan is moeilijk te voorspellen. Toch kan
een mogelijke immigratiegolf ook positieve gevolgen hebben. Zo zijn er de
hooggeschoolden die de flessenhalzen op de Europese arbeidsmarkt kunnen komen
wegwerken. Er is nog een element dat wijst op het feit dat een immigratiestroom niet
noodzakelijk tot negatieve gevolgen leidt. Zo zien we in Grafiek 16 dat de
arbeidsparticipatie ongeveergelijk is met de niet-EU-onderdanen en de werkloosheid
een stuk lager ligt dan bij de immigranten die al in de EU aanwezig zijn. Gebaseerd op
deze cijfers is er dus geen aanleiding tot het vrezen van een instroom van mensen die
enkel profiteren.
71
Grafiek 16: Arbeidsdeelname en werkloosheid33 in de EU, de nieuwe lidstaten en
bij de niet-EU-onderdanen
100%
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
10%
0%
5
7
69
11
63
64
Werkloosheid
Arbeidsdeelname
EU15
10 Nieuwe
Niet EU
onderdanen
Bron: Eurostat, Labour Force Survey, 2000
1.4.2 De Schengen-akkoorden
De 10 nieuwe lidstaten zullen verplicht worden de Schengen-akkoorden te tekenen.
Deze akkoorden zouden echter tot verstrekkende negatieve gevolgen kunnen lijden voor
de Oost-Europese toetredende landen, net zoals voor hun oosterburen (Grabbe, 2003).
De grenzen zijn vandaag vrij open waardoor er gemakkelijk geëxporteerd en
geïmporteerd kan worden. Ook seizoenarbeiders worden zo aangemoedigd. Eens deze
landen het akkoord ondertekenen, zal hier een eind aan moeten komen.
Om te mogen toetreden tot de Europese Unie zullen ze de grenscontroles en de criteria
voor het uitreiken van een visum moeten opdrijven. Dit is nodig om bijvoorbeeld de
illegaliteit en de mensenhandel aan te pakken. De toetredende landen hebben echter veel
voordelen van de immigratie en import/export van goederen met de niet tot de EUbehorende buurlanden die na het tekenen van de Schengen-akkoorden zullen wegvallen.
33
Werkloosheid is hier uitgedrukt als percentage van de totale bevolking
72
1.4.3 Besluit
De toetreding van deze landen zal voor de nodige problemen zorgen bij de ontwikkeling
van een gemeenschappelijk beleid. Voor hun toetreding hebben ze een heel ander beleid
inzake migratie en asiel en ook hun opvattingen hieromtrent verschillen. In tegenstelling
tot de huidige lidstaten gaan zij vrij om met in- en uitstromen van goederen zowel als
mensen.
1.5
Besluit
We hebben het immigratiebeleid van Europa besproken in dit hoofdstuk. Het
immigratiebeleid vroeger, nu en het toekomstige communautair beleid hebben we
aangehaald. De beleiden die vandaag gevoerd worden in de verschillende lidstaten zijn
in sterke mate bepaald door de geschiedenis. Vooral de grote stromen migranten die
door de lidstaten gerecruteerd werden hebben de huidige migratiebeleiden gevormd. Nu
is men tot de conclusie gekomen dat de daarop volgende migratiestop onhoudbaar is
geworden, onder andere door de toenmenende vergrijzing en de hieruit resulterende
tekorten op de arbeidsmarkt.
In een volgend deel hebben we de typerende kenmerken van Europa in verband met
migratie uiteen gezet. Wanneer men migratie bespreekt moet men rekening houden met
het feit dat Europa bijvoorbeeld gekenmerkt wordt door een uiterst lage mobiliteit.
Wanneer men een communautair beleid uitwerkt is het belangrijk dat men met deze
kenmerken rekening houdt, zoniet zal het minder efficiënt zijn.
Het communautair beleid hebben we in een derde deel besproken. Eerst zijn we dieper
in gegaan op de nood aan een gemeenschappelijk beleid. Verschillende stappen die in
het verleden gezet zijn in het teken van de gemeenschappelijke markt hebben toen al
aangetoond dat er vroeg of laat een gemeenschappelijk immigratie- en asiel beleid zal
komen. Niet alleen deze stappen, maar ook bijvoorbeeld de vergrijzing hebben geleid
tot de noodzaak van een communautair beleid. De vooruitgang hiervan gaat traag en dit
om verschillende redenen. Veel belangrijke beslissingen die het beleid zullen bepalen
moeten nog genomen worden.
73
De Europese Unie onderging op 1 mei 2004 een ingrijpende verandering. Er zijn zo tien
landen bij gekomen. Deze toetreding zal zeker een effect hebben op het communautair
immigratiebeleid gezien de lidstaten een volkstoestroom uit de toetredende landen
verwachten.
74
Hoofdstuk 2 Het immigratiebeleid van de Verenigde Staten
Na het beleid van de EU bekeken te hebben, gaan we ons nu toespitsen op dat van de
Verenigde Staten van Amerika. Er is geen grondige analyse nodig om in te zien dat
beiden een heel andere opvatting en aanpak hebben wat betreft immigratie. De
Verenigde Staten is een immigratieland, het is ontstaan door immigratie en nog steeds is
het een stuk opener voor immigranten dan Europa. De Amerikanen lijken erin te slagen
vooral opgeleide immigranten naar zich toe te trekken. Een voorbeeld hiervan zijn de
Indiërs en Aziaten in Sillicon Valley.
De Amerikanen hebben immigratie altijd op een andere manier benaderd dan de
Europeanen. Zo maakte B. Franklin in 1753 al een kosten-baten analyse van de
immigratie van Duitsers (Borjas, 1999). Ondanks de negatieve punten die in deze
analyse naar boven kwamen, was men van mening dat de Duitsers een bijdrage zouden
leveren aan de Amerikaanse samenleving en economie. De baten van de immigratie van
Duitsers zou des te groter zijn wanneer ze over het hele land verspreid werden en
voldoende mengden onder de Amerikanen. Volgens Borjas (1999) is de kosten-baten
analyse de reden van elke beleidsverandering in de Verenigde Staten op gebied van
immigratie. In de Verenigde Staten wordt de situatie geanalyseerd voordat er
veranderingen aan het beleid worden aangebracht. De korte- en langetermijn-effecten,
voor zover deze vooraf in te schatten zijn, worden in rekening gebracht.
Ook op dit ogenblik zal er een kosten-baten analyse gemaakt moeten worden in de
Verenigde Staten daar er zware discussies betreffende migratie aan de gang zijn. Dit
vooral naar aanleiding van de grote aantallen illegale Mexicanen die zich in de
Verenigde Staten komen vestigen. Er moeten nieuwe maatregelen genomen worden om
de immigratiestroom terug onder controle te krijgen. De verschillende standpunten en
redeneringen hierachter zullen aangetoond worden.
Om te beginnen lijkt het ons nuttig om eerst een kort overzicht te geven van de
geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika wat betreft immigratie, dit omdat
deze nogal verschilt van de Europese geschiedenis. Wanneer we deze achtergrond
hebben,
zal
het
eenvoudiger
zijn
de
redeneringen
en
de
Amerikaanse
75
probleemstellingen te bekijken vanuit hun standpunten en achtergrond. In een volgend
deel zullen we, net zoals in het deel van de Europese Unie het geval was, een overzicht
geven van de belangrijkste kenmerken van de Verenigde Staten in verband met
immigratie. Het deel over de Verenigde Staten wordt afgesloten met een hoofdstuk over
de huidige situatie en de eventuele aanpassingen aan het immigratie beleid.
2.1
Geschiedenis
Vooraleer we de geschiedenis in drie delen onderverdelen en afzonderlijk kort
bespreken, zullen we eerst een algemeen overzicht geven van het verloop van de
immigratie van Amerika over de jaren heen.
Grafiek 17: Immigratie naar de Verenigde Staten van Amerika
Bron: http://www.ucalgary.ca/~gauthier/Chapter-7-Migration.pdf
Deze grafiek geeft het aantal immigranten die per tijdsperiode naar de Verenigde Staten
komen. Op de verticale as van de grafiek vinden we het aantal immigranten terug. De
horizontale as geeft de tijd aan. De grafiek toont duidelijk aan dat de
immigratietoestroom niet constant is. Grofweg kunnen we de evolutie in drie grote
delen opdelen34. Hoewel er een lichte daling rond 1890 opgemerkt wordt, komt de
Amerikaanse immigratie tussen 1880 en 1924 aan de eerste piek. Deze piek wordt ‘The
First Great Migration’ genoemd. Dan is er een sterke daling zichtbaar en dit tot
ongeveer 1950. De periode tussen 1924 en 1965 is de tweede periode die we kort zullen
34
We volgend de indeling die Borjas (1999) gebruikt
76
bespreken. De stijging van na 1965, is de derde periode die in het laatste deel besproken
zal worden.
2.1.1 De Eerste Grote Immigratie (1880-192435)
In deze periode, die de ‘Great Migration’ genoemd wordt, zijn er 26 miljoen mensen de
Verenigde Staten binnengekomen (Borjas, 1999). Voor deze periode waren het vooral
West-Europeanen36 die immigreerden. De stroom immigranten van deze periode
bestond echter grotendeels uit Polen, Italianen en Russen. Door de verschuiving van
origine stonden de Amerikanen vijandiger tegenover immigratie. Men vreesde voor een
moeilijkere integratie met als gevolg een lagere economische bijdrage (Ferrie, 1996).
Dat is de onderliggende reden waarom er in 1924 een restrictieve maatregel in verband
met immigratie is ingesteld.
2.1.2 De tussenperiode (1924-1965)
In 1924 werd voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis een quota op migratie
gezet. Er werden per jaar 150.000 visums uitgedeeld op basis van nationaliteit (Borjas,
1999). Het aantal visums dat een bepaald land kreeg, was afhankelijk van het aantal
personen van die origine die al in de Verenigde Staten verbleven. De Amerikanen
gingen er immers vanuit dat wanneer er verschillende mensen van dezelfde nationaliteit
aanwezig waren, ze een hechtere band gingen hebben onderling maar ook met het land,
wat een positieve invloed zou hebben op hun economische prestatie. Het gevolg hiervan
was dat er geen nieuwe nationaliteiten bijkwamen in de Verenigde Staten en dat de helft
van de uitgedeelde visums naar Duitsland en het Verenigd Koninkrijk gingen. Het quota
systeem had tot doel de immigratie meer onder controle te hebben (Borjas, 1991).
35
Borjas (1999) gebruikt 1924 als overgangsjaar naar een restrictiever beleid. Martin en Duignan (2003)
en Ferrie (1996) gebruiken echter 1921. Wij gebruiken het jaartal van Borjas daar de gevolgen van de
wetswijziging in 1924 een grotere impact op de immigratiestromen hebben gehad.
36
Het zijn vooral Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waarvan voor 1880 mensen naar de Verenigde
Staten emigreerden.
77
De ‘Immigration and Nationality Act’ van 1952 was een eerste coördinatie van de
bestaande wetten. Ook werden hiermee alle verschillende immigratiewetten en
restricties verzameld wat voor een beter overzicht zorgde37. De nieuwe wet voorzag
preferenties voor bepaalde migranten en quota’s voor landen. Nog steeds is de INA het
basisonderdeel van het Amerikaanse immigratiebeleid.
2.1.3 De Tweede Grote Migratie (vanaf 1965)
Een grote verandering die in 1965 aan het immigratiebeleid werd aangebracht is de
nadruk op familiehereniging en arbeidsmigratie. Het was vooral de voorkeur voor
familiehereniging die voor grote wijzigingen heeft gezorgd (Borjas, 1991). Andere
wijzigingen waren een origine restrictie op immigranten38 en een
groter aantal
toelatingen. Vanaf 1965 werden er jaarlijks een 270.000 visums uitgedeeld in plaats van
150.000 in 1924. Hiervan was 80% bedoeld voor naar familiehereniging en slechts 20%
was bestemd voor arbeidsmigratie (Borjas, 1991). Hier moet bij worden vermeld dat
directe familieleden39 niet behoorden tot het quota dat aan familiehereniging werd
toegekend.
De veranderingen van 1965 hebben twee gevolgen. Eerst en vooral verschoof de
herkomst van de immigranten van voornamelijk Europees naar Aziatisch en Spaans.
Een ander verschuiving vindt plaats op vlak van scholing. De stromen die
binnenkwamen na 1965, vooral door familiehereniging, zijn voor het meerendeel
minder geschoold dan de vorige immigratiestromen (Borjas, 1999). Hierop komen we
later uitgebreider op terug40.
In 1986 komt er de “Immigration Reform and Control Act”(IRCA) die moet zorgen
voor een strengere controle wat betreft het tewerkstellen van illegalen en er vinden ook
twee amnestie programma’s plaats41. Het doel van deze amnesties was ‘de achterdeur te
37
Uscis.gov/graphics/lawregs/INA.htm
hierdoor konden niet alle immigranten van eenzelfde land komen, de diversiteit werd op deze manier
bevorderd.
39
Hiermee wordt bedoeld: partner en kinderen onder de achtien jaar.
40
Kenmerken, De nadruk op familiehereniging, p 88
41
In het totaal is er aan ongeveer drie miljoen illegalen amnestie verleend (Vernez, 1993)
38
78
sluiten door de voordeur te openen’ (MPI,2002). Nadat de illegalen gelegaliseerd waren,
had men een totaal overzicht over de allochtone bevolking in de Verenigde Staten.
Vanaf dan kon men de grenzen versterken en het aandeel illegalen minimaal houden.
Dit is helaas mislukt. In de jaren tachtig heerste het idee dat de regering de controle over
immigratie verloren was42 onder andere door de grote aantallen illegalen. Het is in deze
periode dat de anti-immigratie gevoelens lichtjes de kop begonnen op te steken (Vernez,
1993).
In 1990 wordt met de “Immigration Act” de tijdelijke zowel als permanente
arbeidsmigratie hervormd met als doel de scholingsgraad op te krikken (MPI, 2002). Er
worden drie types immigratie onderscheiden: familiemigratie, arbeidsmigratie en het
diversiteitsprogramma dat in het voordeel is van de landen die ondervertegenwoordigd
zijn in de Verenigde Staten (Vervliet, 2002). Hoewel de hervormingen tot doel hebben
de concurrentiekracht in de immigrantenmarkt te vergroten, blijft de nadruk liggen op
familiemigratie. Zimmerman schreef dit in 1993, dit duidt op het feit dat toen ook al het
idee van een “battle for the brains” aanwezig was.
In 1995 vindt er nog een hervorming plaats, de “United States Commission on
Immigration Reform”, die de immigratie zal beperken en de integratie wil bevorderen.
Gezinshereniging wordt bemoeilijkt en voor de familieleden die hen laten overkomen
wordt een onderhoudsplicht ingevoerd (Vervliet, 2001). Er wordt ook een grotere
aandacht aan de competitiviteit van de economie en de behoeften van de arbeidsmarkt
gegeven. Dit komt
tot uiting in H-1B43 visums (1992) en de ‘Labor Conditions
Application Act’(1998)44.
42
Het is in deze periode dat de vluchtelingen van Indochina massaal naar de VS komen en ook de
bootvluchtelingen van Haïti en Cuba meren aan in de VS.
43
Dit is een niet-immigrant categorie. Een vreemdeling kan op deze manier tijdelijk tewerk worden
gesteld in een ‘speciality occupation’, dit is een job waarvoor minstens een bachelor graad en praktische
kennis vereist is (uscis.gov/graphics/shared/aboutus/statistics/index.htm)
44
Dit laat tijdelijke vergunningen toe voor arbeidskrachten die in de VSA niet te vinden zijn. Dit wordt
met andere woorden ingevoerd om de knelpuntvacatures op te lossen.
79
2.1.4 Huidige situatie
Nog steeds heeft Amerika te kampen met grote immigratiestromen waarvan een groot
deel illegaal is. In dit stuk gaan we kort overlopen hoe de immigratie vandaag geordend
wordt en welke regels en restricties er in de Verenigde Staten van kracht zijn.
Vervolgens gaan we in het kort de trends en toekomstverwachtingen bespreken.
2.1.4.1
De verschillende vergunningen
Ook nu nog worden er jaarlijks quota vastgelegd voor drie categoriën: familiemigratie,
economische migratie en diversiteitsprogramma. Wat familiemigratie betreft wordt er
nog steeds geen quota gelegd op directe familie. Om te bepalen welke arbeidsmigranten
er een verblijfsvergunning krijgen, wordt er niet gewerkt met een puntensysteem maar
de selectie is gebaseerd op voorkeuren die uitgedrukt worden in een preferentiesysteem.
Er zijn vijf preferenties45:
-
Vreemdelingen met een buitengewone bekwaamheid (EB-1 visum). Het gaat
hier over arbeidskrachten die over een buitengewone bekwaamheid beschikken
in wetenschappen, kunst, onderwijs, het bedrijfsleven of sport dat bewezen is
door nationale of internationale acclamatie en wiens prestaties erkend worden in
het domein door veelomvattende documentatie.
-
Professionals met een hoog diploma en bijzondere capaciteiten (EB-2 visum).
Het betreft hier mensen met een gevorderde opleiding of vreemdelingen
waarvan men uitgaat dat deze door hun bekwaamheid de Verenigde Staten tot
voordeel zullen strekken wat betreft de nationale economie, cultuur en onderwijs
en welvaart in het algemeen.
-
Deze klasse omvat drie types migranten (EB-3 visum). Eerst en vooral zijn er de
migranten die minstens twee jaar werkervaring hebben, vervolgens de mensen
die reeds werken en in het bezit zijn van een humanioradiploma dat toegang
verleent tot de universiteit46 en tenslotte arbeiders met minder dan 2 jaar
werkervaring waaraan nood is op de Amerikaanse arbeidsmarkt.
45
http://uscis.gov/graphics/faqsgen.htm#employment-based
46
‘ a baccalaureate degree’
80
-
Een laatste klasse omvat de religieuse migranten (EB-4 visum). Men moet reeds
twee jaar deel uitmaken van een religieuse organisatie die ook in de Verenigde
Staten een non-profit organisatie heeft47.
We zien dus dat er speciale aandacht uitgaat naar de behoeften van de arbeidsmarkt,
hoogopgeleiden en specialisten krijgen voorrang. Immigranten uit deze vier categoriën
mogen hun partner en kinderen meebrengen.
Er is nog een beperking: slechts 7% van de familiemigratie en arbeidsmigratie mag uit
hetzelfde land komen. Dit komt dus neer op een maximum van 25.000 immigranten met
dezelfde nationaliteit die in één jaar een verblijfsvergunning krijgen toegekend
(Vervliet, 2002). Hiernaast bestaan er verschillende programma’s die deze preferenties
aanvullen. We zullen de twee belangrijkste van deze programma’s bespreken, namelijk
het diversiteitsprogramma en ht H-1B programma.
Het diversiteitsprogramma is in 1995 ontstaan met als doel immigranten uit andere
landen aan te trekken. Jaarlijks stelt het ‘Diversity Lottery’-programma, of kortweg
‘DV’, 55.000 visums ter beschikking aan landen waarvan slechts weinig immigranten
afkomstig zijn48. Een persoon die een ‘lot’ wint, kan permanent in de Verenigde Staten
komen wonen en werken. Kinderen jonger dan 21 jaar en partner mogen mee
verhuizen49. Een immigrant moet in het bezit zijn van een hoge school diploma of hij
moet twee jaar werkervaring hebben in een functie waarvoor minstens twee jaar
opleiding vereist is. De kennis van het Engels is geen noodzaak (Vervliet, 2002).
Het H-1B programma is ook een manier om in de Verenigde Staten tewerkgesteld te
worden, maar dit slechts tijdelijk. Deze beleidsmaatregel is ontworpen om de
flessenhalzen van de arbeidsmarkt te bestrijden (Vervliet, 2002). Het programma is
gestart in 1992. Via dit programma kan men voor een periode van zes jaar tewerk
47
Wanneer men zulk visum krijgt, geeft het enkel de toestemming om binnen de religieuse organisatie te
werken
48
Inwoners van landen die de voorbije vijf jaar meer dan 50.000 immigranten hebben geleverd komen
niet in aanmerking (Vervliet, 2002)
49
http://uscis.gov/graphics/services/residency/divvisum.htm
81
gesteld worden in de Verenigde Staten. Tijdens dit verblijf kan wel een aanvraag tot
permanent verblijf ingediend worden. Een detail is dat meer dan de helft van deze
vergunningen is weggelegd voor IT-specialisten (Vervliet, 2002) waar ook in Europa
een nijpend tekort aan is.
2.1.4.2
Trends en perspectieven
Het idee dat het grootste deel van de immigranten van de Verenigde Staten
arbeidsmigranten zijn, is verkeerd. Het aandeel van dit soort migratie is kleiner dan
gewoonlijk gedacht wordt. De voornaamste reden hiervan is het feit dat een
arbeidsmigrant het recht heeft zijn familie te laten overkomen. Het grootste deel van de
Amerikaanse immigratie is gebaseerd op familiehereniging (Vervliet, 2002).
De immigranten die in 1998 de Verenigde Staten binnen kwamen hadden gemiddeld
gezien twee jaar minder scholing gehad dan de immigranten uit 1960 (Borjas, 1999).
Stilaan wil Amerika de familiehereniging omruilen voor arbeidsmigratie om zo het
scholingspercentage van de migranten op te krikken. Zelfs wanneer men, theoretisch
gezien, op een pure arbeidsmigratie overstapt, zal er volgmigratie blijven bestaan. Een
arbeidsmigrant verhuist niet alleen (Vervliet, 2002).
2.1.5 Cijfergegevens
Aan het begin van dit deel hebben we aan de hand van een grafiek die de immigratie
evolutie in de Verenigde Staten weergaf, het stuk over de immigratiegescheidenis
onderverdeeld. Om dit stuk af te sluiten, tonen we met behulp van twee grafieken de
recente ontwikkelingen aan in verband met immigratie.
82
Grafiek 18: De evolutie van de immigratie aantallen die legaal de Verenigde Staten
binnen komen
2.000.000
1.500.000
1.000.000
500.000
0
1990
1994
1995
1996
1997
1998
Bron: U.S. Census Bureau, Statistical Abstract of the United States : 2000
Bovenstaande grafiek geeft het aantal legale immigranten aan die per tijdsperiode de
Verenigde Staten binnenkwamen. Met op de verticale as de aantallen en de tijdsindeling
op de horizontale as. We zien dat er tussen 1990 en 1994 een serieuse daling is geweest
in de legale immigratie. In 1990 werden er 1.536.483 immigranten binnen gelaten, in
1998 is dit gezakt naar 660.477, wat minder is dan de helft. Toch zijn er in de jaren
negentig 9,1 miljoen immigranten bijgekomen, wat het dubbele is van de jaren zeventig
en twee miljoen meer dan de jaren tachtig. Ondanks de stijging tegenover vroegere
decennia, is er sprake van een restrictiever beleid. De quota zijn ook in het begin van de
21e eeuw lager dan in het begin van het laatste decennia van de 20e eeuw.
Grafiek 19 toont ons de illegale en de quasi-legale50 immigratie in 1990 en 2000 en
splitst deze op naar het land of continent van oorsprong. Ondanks de dalende legale
migratie die aan de hand van de vorige grafiek is aangetoond, zien we hier een stijging
wat illegale immigratie betreft. In 1990 bedroeg de illegale bevolking in de Verenigde
Staten 3.765.897, tien jaar later zijn er 8.705.421 illegale immigranten. In tien jaar tijd
is de illegale immigratie meer dan verdubbeld. Martin en Duignan (2003) schatten de
illegale immigratie in 2000 op een zes miljoen. Wat aantoont dat hierover
uiteenolopende schattingen van zijn.
83
Grafiek 19: Illegale en quasi-legale51 immigranten in de Verenigde Staten, 1990 en
2000, opdeling naar oorsprong
5.000.000
4.000.000
3.000.000
1990
2.000.000
1.000.000
0
Oceanië
Afrika en
Azië
Europa
Mexico
Amerika
2000
Bron: Costanzo, Davis, Irazi, Goodkind, Ramirez, 2001
We zien dus dat het restrictiever beleid in de Verenigde Staten zijn doel mist. De
mensen die niet legaal binnen gelaten worden, komen illegaal. De aanhoudende groei
doet de vraag rijzen of de regering de immigratie nog wel onder controle heeft. Sinds de
lichte opbloei van de Amerikaanse economie in het begin van de 21e eeuw is het
migratievraagstuk terug op de agenda verschenen.
2.1.6 Besluit
Amerika heeft een zeer rijke immigratiegeschiedenis. Ondanks de veranderende
economische en sociale situatie zijn de deuren voor immigranten open gebleven hoewel
er na een periode van grote immigratie een restrictievere periode volgde. De wet die de
Verenigde Staten gevormd heeft qua immigratie is deze uit 1965. De nadruk ligt na
1965 op familiehereniging en de quota worden hoger gelegd. Door de verandering in
nadruk, krijgt de immigratiestroom naar de Verenigde Staten een heel ander uitzicht,
niet alleen wat origine betreft maar ook qua scholingsgraad.
50
Hiermee wordt bedoeld : immigranten die op hun legalisering wachten en de immigranten die
gelegaliseerd zijn in dat lopend jaar en dus nog niet bij de legalen zijn bijgeteld.
84
Ondanks de negatieve economische toestand in de jaren negentig, blijven de
immigranten massaal toekomen in de Verenigde Staten. Het blijkt echter dat het
verlagen van de quota weinig zin heeft, want de Verenigde Staten heeft ook veel
illegalen op zijn grondgebied. Vooraleer we de situatie vandaag kunnen bespreken en de
alternatieven voor een aanpassing aan het immigratiebeleid kunnen overlopen, gaan we
eerst de kenmerken van de Verenigde Staten wat betreft immigratie bespreken.
2.2
Kenmerken
Eerst en vooral heeft de Verenigde Staten een heel andere kijk op immigratie doordat de
geschiedenis van het land rijkelijk gevuld is met immigratie. Door de geschiedenis heeft
de Verenigde Staten ook een immigratiebeleid dat opgebouwd is uit de ervaring vanuit
de vorige eeuwen. Een ander aspect is de hoge mobiliteit. Amerikanen zijn sneller
bereid te verhuizen naar een andere staat dan een Europeaan naar een ander land. Een
volgende kenmerk dat besproken zal worden is het sociale vangnet. Hoewel het minder
uitgebreid is dan dat in Europa, lijkt het toch een aantrekkingskracht uit te oefenen op
de immigranten. De immigranten leven bovendien geconcentreerd. Het grootste aandeel
van de immigranten leeft in zes van de vijftig staten. Om af te sluiten gaan we de nadruk
op familiehereniging bespreken en de gevolgen die dat met zich mee heeft gebracht.
2.2.1 Een Immigratieland
De Verenigde Staten is ontwikkeld en gevormd door de verschillende stromen
migranten die zich er in de loop der jaren zijn gaan vestigen. Het land is opgebouwd
door de miljoenen immigranten uit alle delen van de wereld die de afgelopen 400 jaar
hun land hebben verlaten om in Amerika een nieuw leven te beginnen. Na de
onafhankelijkheid zijn de Verenigde Staten actief mensen van andere landen beginnen
aantrekken om het land te bevolken. Dit is een fenomeen dat nergens anders ooit
geobserveerd is. Er waren geen restricties daar er veel mensen nodig waren om het land
te bevolken en de economie te doen bloeien.
85
De ervaring die ze in de vorige eeuwen hebben opgedaan en de aanpassingen die aan
het immigratiebeleid zijn aangebracht, hebben ervoor gezorgd dat ze vandaag
beschikken over een duidelijk, open en gestructureerd immigratiebeleid.
Ondanks het feit dat Amerika veel aan de immigratie te danken heeft, beginnen de
laatste jaren de anti-immigratie gevoelens de kop op te steken52 mede door de grote
aantallen illegalen. Vele illegalen hopen op een amnestie programma om zo toch in de
Verenigde Staten te kunnen blijven en dit door de amnestie programmas van de jaren
tachtig. Het vooruizicht op een eventuele amnestie verlening zou volgens Karlson en
Katz (2002) mensen die niet van plan waren Amerika illegaal te betreden, kunnen
overtuigen deze stap toch te zetten. Uit het verleden is gebleken dat het verlenen van
amnestie geen goede manier is om de immigratie te trachten onder controle houden53.
Ook de ideeën dat de lonen door de illegale werkers dalen en de werkloosheid stijgt,
zetten het immigratiebeleid onder druk. Vele burgers van de Verenigde Staten willen de
grenzen sluiten, anderen ijveren voor open grenzen.
2.2.2 De grote mobiliteit
De Verenigde Staten worden gekenmerkt door een merkbaar hogere mobiliteit dan
Europa. Verschillende factoren zijn hiervoor verantwoordelijk. Zo spreekt de hele
bevolking dezelfde taal en heerst er een min of meer gelijke cultuur in de vijftig
verschillende staten. Het nationaal denken is heel sterk in Amerika en dit is veel
belangrijker voor hen dan uit welke staat iemand afkomstig is. Doordat de meeste
culturele en taalverschillen wegvallen, is het verhuizen naar een andere staat een minder
grote aanpassing dan het verhuizen naar een ander land in Europa.
De mobiliteit van de Amerikanen is eveneens zichtbaar bij de keuze van de universiteit.
De jongeren gaan vaak naar een universiteit die in een andere staat gelegen is. Ook voor
52
Dit is echter niet de eerste keer, ook in de crisis periode die aan de Tweede Wereldoorlog vooraf ging
wilden de meeste mensen de grenzen compleet afsluiten (www.theunitedstates.nl/emigratie/index.htm)
53
Outside view, do borders matter, 1/3/2004, The Washington Times
86
jobs geldt het dat vele Amerikanen bereid zijn in een andere staat te gaan werken. Zo
vonden we in een onderzoek van Census 2000 (2003)54 dat van de iets meer dan 142
miljoen mensen die tussen 1995 en 2000 verhuisd zijn (dit is een percentage van
ongeveer 45% van de totale bevolking die verhuisde) er 8.9% naar een andere staat
verhuisde en 9.7% naar een ander district binnen de staat. Met andere woorden verhuist
één vijfde van alle mensen die verhuizen, naar een andere staat. Uit een ander
onderzoek (Borjas, Bronars, Trejo, 1992) blijkt dat 3% van de Amerikaanse bevolking
jaarlijks een staatsgrens oversteekt bij het verhuizen. In een tijdspanne van vijf jaar zou
dit 10% zijn dat naar een andere staat verhuist. Door deze mobiliteit kan men
gemakkelijker de onevenwichten op de arbeidsmarkt oplossen. Borjas (1999) is ook van
mening dat hoe groter de mobiliteit in een gebied, hoe kleiner de negatieve gevolgen
van immigratie zijn.
2.2.3 Het sociale stelsel
De welzijnszorg in de Verenigde Staten is minder breed dan in de meeste Europese
landen. Zoals eerder gezegd heeft het Europese sociale stelsel een aantrekkingskracht op
immigranten. Hoewel de sociale zekerheid in de Verenigde Staten minder
aantrekkingskracht heeft, wordt het systeem toch aanzien als een magneet voor
migranten met als gevolg dat een groot deel van de welzijnszorg door migranten wordt
gebruikt (Borjas, 1994). Dit is echter niet altijd het geval geweest. Door onderzoek van
Blau (1984) is aangetoond dat in 1976 de Amerikanen zelf meer welzijnszorg
gebruikten in verhouding tot de immigranten. In de jaren tachtig is dit echter
omgeslagen en zijn het de immigranten die meer afhankelijk zijn van het systeem
(Borjas, Trejo, 1991).
De redenen hiervoor liggen voor de hand. Zoals eerder gezegd zijn de recentere
immigratiestromen minder geschoold en is er daarom meer kans dat ze een beroep doen
op de welzijnszorg. Het welzijnszorg systeem zou volgens Borjas (1994) de mensen
ontmoedigen om te werken en de afhankelijkheid van deze immigranten van het
systeem in de hand werken. Volgens Borjas (1998) zou het sociaal stelsel ook mensen
54
http://www.census.gov/prod/2003pubs/censr-9.pdf
87
aantrekken die anders niet gekomen zouden zijn. Ook is hij van mening dat wanneer de
mensen zouden moeten terugkeren omdat hun verblijfsvergunning verlopen is, ze door
het systeem ontmoedigd worden om huiswaarts te keren. In 1996 zijn er veranderingen
aangebracht aan het systeem om zo de druk die sommige immigranten op het systeem
plaatsten, te verminderen (Borjas, 1998). Immigranten worden door deze wet
uitgesloten van verschillende welzijnszorgprogramma’s.
2.2.4 De concentratie van immigratie
Gegevens van het US Census Bureau 2000 CPS tonen aan dat er een grotere
concentratie is terug te vinden bij de immigranten dan wel bij de autochtonen. In 2000
leeft 70% van alle immigranten in zes van de vijftig staten55. Toch is er in de laatste
jaren een beweging te merken naar een grotere verspreiding van de immigranten. Ook
staten zoals Oregon, Arizona en Kentucky56 krijgen meer immigratie dan enkele jaren
geleden (MPI, 2002). Toch heeft Californië in 2003 nog steeds 25 tot 35% van de totale
immigrantenbevolking op haar grondgebied (Martin, Duignan, 2003).
Een reden hiervan is een uitgebreid kennissen- en familienetwerk. Wanneer er in een
bepaalde staat al een uitgebreide groep van landgenoten is, is de stap naar die staat iets
gemakkelijker gezet. Toch moet hier opgemerkt worden dat dit niet altijd een positief
effect heeft. Het zijn vooral immigranten die een mindere kennis van het Engels hebben,
volgens Bauer, Epstein, en Gang (2002), die de keuze van de staat laten afhangen van
zo een netwerk. Iemand die goed Engels kan, zal zich waarschijnlijk vestigen in een
staat met een lagere concentratie waardoor deze sneller integreert in de Amerikaanse
samenleving en de taalkennis nog verbetert. De gevolgen hiervan zijn, onder andere,
een betere economische prestatie en bijgevolg een hoger loon. Een persoon met een
slechte kennis van het Engels zal zich vestigen in de nabijheid van originegenoten met
als gevolg dat de integratie moeizamer verloopt en de kennis van het Engels er amper
55
Californië, New York, Florida, Texas, New Jersey en Illinois (MPI, 2002)
56
de andere staten die de laatste jaren ook meer immigratie krijgen zijn : North-Carolina, Tennessee,
Virginia, Iowa, Arkansas en Georgia
88
op vooruit gaat. Hierdoor wordt de loonkloof tussen immigranten en burgers niet
gedicht. Dit wordt de ‘language trap’ genoemd (Bauer, Epstein, Gang, 2002).
2.2.5 De nadruk op familiehereniging
Zoals eerder vermeld verschuift in 1965 de nadruk van het immigratiebeleid naar
familiehereniging. De immigranten die een verblijfsvergunning hebben kunnen zo hun
familie laten overkomen. Een direct effect hiervan is het stijgend aandeel van
beroepsinactieven. Door deze wetswijziging is er dus een daling van de scholingsgraad
merkbaar. Een verschuiving van origine is ook een gevolg geweest van deze
verandering in het immigratiebeleid. Eerst zullen we de verandering van origine
bespreken. Vervolgens zullen we het hebben over de daling van de vaardigheden
waarover de immigranten bij migratie beschikken.
2.2.5.1 De verschuiving in origine
De wijziging die aan het beleid is aangebracht in 1965, heeft het landschap van de
Verenigde Staten wat betreft migratie veranderd. De top tien van de landen waar de
meeste immigranten in de jaren vijftig van afkomstig waren, verschilt compleet met
deze van de jaren negentig. Grafiek 20 geeft de verschuiving van afkomst weer. Omdat
er enorm veel verschillende nationaliteiten aanwezig zijn in de Verenigde Staten,
hebben we ons beperkt tot een weergave van de werelddelen.
89
Grafiek 20: De verandering in afkomst van de immigranten
60
percentage
50
40
30
1950's
20
1990's
10
Azië
Amerika
Canada
Europa
0
Bron: U.S. Immigration and Naturalization Service, 1996
We zien dat het aandeel migranten dat afkomstig is van Europa drastisch gedaald is.
Azië, dat in het begin van de 20e eeuw geen migranten mocht sturen en later geen kon
sturen omdat ze geen quota kregen toegkend57, heeft een veel groter aandeel vandaag
dan midden 20e eeuw. Dit is dus logischerwijze niet te wijten aan de familiemigratie
gezien er amper Chinezen waren. De reden van de felle stijging van de aanwezigheid
van Chinezen is het overkomen van hooggeschoolden die vervolgens hun hele familie
lieten overkomen (Hirschman, 2001).
In de jaren vijftig waren de drie grootste zendende landen Duitsland, Canada en
Mexico. Op het einde van de 20e eeuw waren de drie grootste bronnen van migranten
Mexico, de Filipijnen en Vietnam. In de jaren negentig was er een grotere diversiteit
terug te vinden wat betreft de orgine van de immigranten. In de jaren vijftig was er een
grotere concentratie wat betreft landen van oorsprong, wat te wijten is aan het beleid,
zoals eerder vermeld.
57
Zoals boven vermeld werd het quota immers bepaald door het aantal mensen uit dat bepaalde land die
in de Verenigde Staten al aanwezig waren
90
2.2.5.2 De daling van de vaardigheden
Het is niet alleen de compositie van de origine die wijzigt door de ‘1965 Immigration
Act’. Ook de vaardigheden veranderen. Een immigrant die in de jaren negentig de
Verenigde Staten binnenkomt heeft gemiddeld twee jaar minder scholing gehad dan de
immigranten die er in de jaren vijftig bijkwamen. Doordat ze minder geschoold zijn,
presteren ze slechter op de arbeidsmarkt dan hun voorgangers in de jaren vijftig. Door
de verschuiving van arbeidsmigratie naar een nadruk op familiehereniging zijn er ook
niet-actieve migranten de Verenigde Staten binnen gekomen. De beleidsverandering in
1965 is echter niet de enige reden van de vaardighedenverandering onder de migranten
(Borjas, 1999). Ook de omstandigheden in de zendende landen zijn hier van belang. In
de jaren tachtig en negentig zijn er veel minder migranten afkomstig van Canada en
Europa doordat de situatie in die landen verbeterd is en de drang om te migreren
verminderd is.
Het is niet zo dat alle immigranten minder geschoold zijn dan de migranten van enkele
tientallen jaren eerder, er is een enorm verschil wat scholing betreft tussen de
verschillende migranten. Zo is er geen normale verdeling wat de vaardigheden betreft,
maar een concentratie aan de uitersten.
2.3
De druk op het hedendaags immigratiebeleid
‘Immigratie heeft, waarschijnlijk meer dan welk ander sociaal, politiek of economisch
proces, ook de Verenigde Staten vorm gegeven. Ook in het begin van de 21e eeuw zal
de door immigratie gedreven transformatie, die in de jaren zestig begon, zich verder
zetten. Nog nooit heeft het Vrijheidsstandbeeld, dat lang het symbool was van
Amerika’s rijke erfenis van immigratie, haar fakkel over zoveel geïmmigreerde
gezinnen geheven (MPI, 2002)’.
De Verenigde Staten heeft haar economische groei en successen aan de immigratie te
danken. Ondanks de veranderingen die aan het beleid zijn aangebracht in de loop der
tijd, is de Amerikaanse staat winst uit de immigratie blijven halen (Mc Carthy, Vernez,
91
1997). Op dit moment is er verandering nodig. Ondanks de dalende quota, blijft de
immigratie stijgen en het idee dat de immigranten bijdragen tot de economische groei is
bij vele burgers zoek. Als de Verenigde Staten terug winst willen halen uit immigratie,
zal er een verandering in het beleid nodig zijn (Borjas, 1999).
In dit onderdeel zullen we eerst de problemen in verband met immigratie bespreken
waarmee de Verenigde Staten vandaag worstelen. Vervolgens gaan we de voorgestelde
aanpassingen overlopen en de reacties die deze voorstellen uitlokken, bekijken.
2.3.1 Problemen
Vooraleer we de voorstellen kunnen bekijken die gemaakt zijn ter aanpassing van het
immigratiebeleid, lijkt het ons nuttig om eerst een overzicht te geven van de problemen
in verband met immigratie. Eerst zullen we het hebben over de vaardigheden waarover
een immigrant beschikt. Vervolgens bespreken we het probleem van de grote aantallen
illegalen en dan vooral deze afkomstig uit Mexico. Natuurlijk zijn er nog
probleempunten terug te vinden, maar dit zijn de twee elementen die het meeste stof
doen opwaaien en waarover heel uiteenlopende meningen terug te vinden zijn.
2.3.1.1 Vaardigheden
Zoals eerder aangehaald is het vaardighedenniveau na de beleidsaanpassing van 1965
gedaald. Volgens Borjas (1999) is de daling in vaardigheden ook te wijten aan de
verschuiving van de landen van oorsprong.
De immigranten die voor 1965 de Verenigde Staten binnen kwamen verdienden na een
korte aanpassingsperiode evenveel of, zoals in vele gevallen, meer dan de Amerikaanse
bevolking. Dit kwam volgens Borjas (1987) doordat de mensen die verhuisden naar de
Verenigde Staten meer moeite deden om te investeren in hun werk. Vaak is de groep
migranten meer gemotiveerd dan de brugers zelf. Deze stelling gaat echter niet meer op
voor al de immigranten die vandaag in de Verenigde Staten wonen. Zoals we eerder
schreven, komen mensen met een beperkte kennis van het Engels terecht in de
92
‘language trap’58, waardoor ze in de laagste loonklasse vastroesten. Wanneer we het
hebben over immigranten met weinig vaardigheden, zijn het vooral mensen afkomstig
uit Mexico. De hooggeschoolden hebben meestal een Oost-Aziatische origine of komen
van het Midden-Oosten (Sabagh, 1993).
Vooral de immigranten die illegaal binnenkomen, beschikken vaak over weinig
vaardigheden. Wanneer deze gaan werken, is dit tegen een uiterst laag loon gezien de
werkgever hiervoor beboet kan worden (sinds 1986 met de IRCA). De immigratie van
mensen met weinig vaardigheden doet het loon van de armsten dalen, de
werkloosheidsgraad stijgen en strekt enkel tot voordeel voor de hooggeschoolde burgers
(Kemnitz, 2003). Het voordeel dat uit deze arbeid te halen is, is goedkope arbeid die de
productiviteit omhoog duwt en de consumentenprijzen een beetje doen dalen.
Een ander negatief effect van de immigratie van laaggeschoolden, is het feit dat ze vaak
een kost in plaats van een opbrengst zijn. De kans dat ze een beroep zullen moeten doen
op de welzijnszorg ligt veel hoger dan bij hooggeschoolden. De belastingen die ze
betalen liggen, gezien hun lageloonjobs, een stuk lager.
Borjas (1999) is van mening dat wanneer de Verenigde Staten terug voordeel wil halen
uit immigratie, er een duidelijke nadruk gelegd moet worden op hooggeschoolde
immigranten. Gezien zijn standpunt over supplementariteit van vaardigheden59 is het
logischerwijze zo dat er meer nood is aan hooggeschoolden dan wel aan
laaggeschoolden. Het aantal jobs voor laaggeschoolden blijft dalen en van een tekort
aan arbeidskrachten is er niet echt sprake. Camarota (2001) sluit zich hierbij aan,
volgens hem is er geen bewijs dat er een tekort is aan laaggeschoolde arbeidskrachten.
Volgens Farrell (2002), daarentegen, zullen de Verenigde Staten op lange termijn te
maken hebben met tekort aan laaggeschoolden.
58
Bauer, Epstein, Gang, 2002. Immigranten gaan bij mensen met zelfde origine wonen waardoor er geen
incentive is om het Engels te verbeteren waardoor het moeilijk is een betere job vast te krijgen.
59
Kosten en baten van immigratie zijn afhankelijk van de vaardigheden en van hoe deze vaardigheden
zich verhouden tegen over de vaardigheden die op de eigen arbeidsmarkt ook te vinden zijn (Borjas,
1999).
93
2.3.1.2 Mexico en het probleem met de illegalen
De VS heeft een enorm groot aantal illegale immigranten. Ondanks verscheidene
pogingen en verschillende maatregelen, blijft dit aantal stijgen. Eerst zullen we de
problematiek van de illegaliteit bespreken. Vervolgens gaan we dit in verbinding
brengen met de Mexicaanse immigratie.
2.3.1.2.1 De illegale immigratie
In Tabel 1 staat de evolutie van het totaal aantal illegale immigranten die in de VS
verblijven. We zien dat er in 1986 een amnestie is toegekend. In 1986 is de Immigration
Reform and Control Act doorgevoerd waardoor 2.7 miljoen illegalen gelegaliseerd zijn.
Tabel 1: Illegale buitenlanders in de Verenigde Staten:1980-2000 (schatting)
Jaar Totaal Jaarlijkse verandering
1980
3
1986
4
167000
1989
2,5
-500000
1992
3,9
467000
1995
5
367000
2000
8,5
700000
Bron: Martin en Duignan, 2003
Amnestie verlenen houdt in dat de illegalen die in het land verblijven gelegaliseerd
worden60 waardoor de illegale immigrantenbevolking daalt. De bedoeling is erna
strenger op te treden en de illegaliteit onder controle te houden. We zien in Grafiek 21
dat dit niet echt gelukt is na de amnestie verlening van 1986. In 2000 leven er 8.5
miljoen illegalen in de VS vergeleken met 4 miljoen in 1986.
60
Hievoor moeten de immigranten aanvraag doen
94
Grafiek 21: Illegale buitenlanders in de Verenigde Staten:1980-2000
8,5
9
8
7
5
6
5
4
4
3
3,9
2,5
3
2
1
0
1980
1986
1989
1992
1995
2000
Bron: Martin en Duignan, 2003
Bovenstaande grafiek toont ons dat de stijging vooral tussen 1995 en 2000 enorm was.
Op vijf jaar tijd wordt er geschat dat 3.5 miljoen illegale immigranten het land zijn
binnen gekomen.
2.3.1.2.2 Mexicaanse illegale immigratie
Mexico en de Verenigde Staten delen een grens van meer dan 3200 kilometer. De
economische situatie in Mexico is een stuk slechter dan deze in de Verenigde Staten. De
economische groei in Mexico is trager dan de bevolkingsgroei met als gevolg dat de
werkgelegenheid te traag toeneemt (Johnson, Fitzgerald, 2003). Dat is de reden waarom
er elk jaar vele Mexicanen de Verenigde Staten binnen dringen, is het niet legaal, dan
illegaal. In 1970 leefden er 800.000 Mexicanen in de Verenigde Staten, in 2000 waren
het er acht miljoen (Camarota, 2001). Deze stroom wordt verwacht nog even aan te
houden.
De demografische en economische voorwaarden in Mexico fungeren hier als
Pushfactoren, terwijl de noden van verschillende sectoren in de Verenigde Staten aan
arbeiders fungeren als Pullfactoren (Papademetriou, 2002). Papademetriou verwacht dat
95
de stroom nog zeker tien jaar zal duren. In 1990 is Mexico toegetreden tot NAFTA61
waarna een economische groei verwacht werd. Deze groei werd echter tegengehouden
door de traditites en de beleiden die in Mexico heersen (Johnson, Fitzgerald, 2003).
Telkens wanneer de Mexicaanse economie het slechter doet, is er een stijging te zien in
de Amerikaanse immigratiecijfers (Hanson, Robertson, Spilimbergo, 1999).
Het merendeel van de illegalen die de VS binnenkomen zijn van Mexicaanse afkomst.
In Grafiek 22 staan de schattingen van de aantallen illegalen die in de VS verblijven in
2001 uitgetekend. Daarnaast staan ook de aantallen die vermoedelijk van Mexico zijn.
Voor zowel de hoge, middelmatige als de lage schatting, verwacht men dat een kleine
60% Mexicaans is. Wanneer men spreekt van het probleem van de illegale immigratie,
spreekt men dus sowieso ook van het probleem met Mexico.
Grafiek 22: Schattingen van de totale illegale bevolking, 2001 (in miljoenen)
10
9,9
7,8
5,9
8
5,8
6
3,4
4
4,5
Mexicanen
Totaal
2
Totaal
0
Laag
Mexicanen
Gemiddeld
Hoog
Bron: Lowell, Suro, 2002
We hebben net aangetoond aan de hand van een grafiek dat er vele illegale Mexicanen
in de VS verblijven. In een volgende grafiek gaan we de scholing van deze groep na. In
Grafiek 23 is de gehele stroom illegalen eerst opgedeeld naar oorsprong (Mexicaans en
niet-Mexicaans) en vervolgens is de scholing van beide groepen nagegaan. We zien
61
North American Free Trade Agreement
96
duidelijk dat de illegale Mexicanen veel lager geschoold zijn dan de illegale
immigranten die van elders afkomstig zijn.
Grafiek 23: Scholing van de illegale immigranten van de VS
100
86,5
Mexicaanse illegalen
Anderen
80
39,9
60
32
28,1
40
9,1
20
4,4
0
Minder dan
Humaniora
humaniora
diploma
Anderen
Mexicaanse illegalen
Hoger
geschoold
Bron: Riviera-Batiz, 2000
We kunnen dus besluiten dat de overgrote meerderheid (86.5%) van de Mexicaanse
illegale immigranten weinig vaardigheden bezitten62. Het aantal jobs voor mensen met
weinig vaardigheden krimpt echter waardoor vele Mexicanen in de Verenigde Staten in
armoede leven en een beroep doen op sociale voorzieningen (Camarota, 2001).
Het probleem oplossen door de grenzen geheel te sluiten heeft volgens Heyman (1998)
geen enkele zin. Dit kan ook aangetoond worden met het feit dat de wet van 1986, die
zware straffen oplegde voor werkgevers die illegalen in dienst namen, amper effect
heeft gehad op de aantallen illegalen (Vernez, 1993). Zeker wanneer de lonen in de
Verenigde Staten stijgen of de lonen in Mexico dalen, stijgt de immigratiedruk (Hanson,
Spilimbergo, 1996).
Toch mag niet vergeten worden dat de Mexicaanse immigranten, legaal en illegaal, een
belangrijke rol hebben gespeeld in de economische expansie van de laatste tien jaar
62
Een opmerking hierbij is dat de Mexicanen die naar Amerika verhuizen vaak hoger geschoold zijn dan
zij die in het thuisland blijven. Dit heeft negatieve gevolgen voor Mexico (Chiquiar, Hanson, 2002)
97
(Papademetriou, 2002). De illegalen vervullen de jobs die door de Amerikanen zelf niet
gedaan willen worden63.
2.3.2 Herdenken van het immigratiebeleid
De toestand vandaag vraagt om aanpassingen aan het immigratiebeleid. Volgens Farrell
(2002) is de Verenigde Staten grondig het ‘open-deur’-beleid aan het herdenken64. Toch
is het belangrijk, volgens Farrell (2002), dat de deuren niet helemaal gesloten worden.
Het feit dat de Verenigde Staten nieuwkomers kan opnemen in haar gemeenschap, de
‘melting-pot’, is volgens hem een belangrijke bron van het concurrentieel voordeel
waarover de Amerikanen beschikken.
Maar wanneer het beleid aangepast wordt, zal dit een invloed hebben op het aantal
immigranten en de vaardigheden die ze met zich mee brengen (Jasso, Rosenzweig,
Smith, 1998). Vooraleer men aanpassingen aan een beleid aanbrengt moet men een
duidelijk doel voor ogen hebben, de vraag: “Wat moet het beleid bereiken?”, moet
beantwoord worden (Borjas, 1999). Het is belangrijk te weten hoe immigranten op
veranderingen aan het beleid zullen reageren en welke effecten het beleid met zich mee
zal brengen op andere domeinen65. Als men dit weet heeft men een beter inzicht in de
gevolgen van een verandering en kan men dus een gepaster beleid kiezen. De volgende
vragen die zich stellen zijn: “Hoeveel? Van waar? Onder welk status (familiemigratie,
arbeidsmigratie, gastarbeider,…) ?”(Martin, Duignan, 2003).
Voor we de voorstellen zullen bespreken geven we eerst nog een kort overzicht van de
problemen die zich stellen66. Ten eerste komen er teveel mensen illegaal binnen, vooral
Mexicanen. Een tweede probleem betreft het scholingsniveau van de migranten. Ten
derde leven vele migranten van de welzijnszorg. Sommigen vrezen ook voor een
63
The Economist, Our kinda ciudad, 11/01/2003
64
Een belangrijke reden hiervoor is volgens hem de gebeurtenis van 11/09/2001
65
Welzijnszorgsysteem, immobiliën, concentratie, cultuur, sociale cohesie,...
66
Martin en Duignan, 2003
98
congestie door de blijvende stijging van de bevolking. Een laatste zorg is de stijgende
Chinese en Spaanse67 bevolking die weleens voor een ‘dis-uniting’ zou kunnen zorgen.
Eerst zullen we de voorgestelde verandering overlopen en de reacties en mogelijke
gevolgen bespreken. Vervolgens zullen we aantonen dat er een verhitte, heel sterk
gepolariseerde discussie aan de gang is wat immigratie in de Verenigde Staten betreft.
Om af te sluiten zullen we dan enkele mogelijke wijzigingen aantonen.
2.3.2.1 Voorgestelde wijziging en de reacties hierop
De mogelijke aanpassing aan het immigratiebeleid zou het probleem van de stroom
illegalen aanpakken die vanuit Mexico komt. Het voorstel bestaat uit drie compleet
geïntegreerde programma’s (Papademetriou, 2002) :
-
Een registratie voor de illegalen gevolgd door een legalisering voor alle mensen
die registreerden. Er is wel een voorkeursclausule voor de Mexicanen voorzien
-
Een gastarbeidersprogramma voor Mexicanen
-
Betere bewaking van de grens
Er zal ook aandacht uitgaan naar reünie met dichte familie. De reünie met dichte familie
uit buurlanden van de Verenigde Staten zal uitgesloten worden uit de quota.
Papademetriou (2002) noemt dit een bedachtzaam programma van verdiende
legalisering voor de illegale immigranten. Nu, in 2004, is de mogelijke verandering iets
beter uitgewerkt maar de drie elementen blijven behouden (Weintraub, 2004).
Er is op dit voorstel nogal kritiek gekomen. Eerst en vooral is er in het verleden
ondervonden dat het verlenen van amnestie een omgekeerde werking heeft op de
aantallen
illegalen
dan
beoogd.
Een
opmerking
in
verband
met
het
gastarbeidersprogramma is dat de gastarbeiders hoogst waarschijnlijk niet naar hun land
zullen terugkeren eens hun verblijfsvergunning verlopen is (Weintraub, 2004). Meer
dan de helft van de illegalen die zich in de Verenigde Staten bevinden zijn er legaal
toegekomen, maar zijn gewoon nooit teruggekeerd. Ook volgens Camarota (2001) is het
organiseren van een gastarbeidersprogramma geen oplossing. Het sluit hen in het begin
67
‘Hispanic’, de Latijns-Amerikaanse landen
99
wel uit van welzijnszorg, maar ze zullen niet huiswaarts keren na verloop van tijd en de
lonen van de armste Amerikanen zullen nog steeds dalen. Er is bovendien werkloosheid
in de Verenigde Staten. Men vraagt zich af of het bijgevolg dan niet mogelijk is de
lonen en werkomstandigheden van de jobs waarvoor geen arbeidskrachten gevonden
worden te verbeteren zodat deze door Amerikaanse burgers gedaan kunnen worden.
2.3.2.2 Een gepolariseerde discussie
Zoals reeds eerder bleek, bestaan er over verschillende zaken heel uiteenlopende
meningen. Zo bijvoorbeeld ook over het feit of de Verenigde Staten al dan niet een
tekort heeft aan laaggeschoolde arbeidskrachten68. De angst voor een hogere
werkloosheid, lagere lonen in de laagste klasse en een hoger gebruik van het sociaal
systeem vindt men terug bij de ‘anti-immigratie’-kant.
De argumenten die men aan de andere kant terugvindt zijn onder andere het feit dat er in
Amerika telkens er een immigratieverandering was (grootte, origine,…) er vrees was
voor de eventuele negatieve gevolgen van de immigratiestromen. De vrees uit het
verleden bleek ongegrond, gezien Amerika overwegend positieve gevolgen aan de
immigratie overhield (Martin, Duignan, 2003). De loondaling is bij een beperkte
bevolkingsgroep en het hele land wint eraan doordat de productiekosten dalen wat een
daling in de consumentenprijzen met zich mee brengt. Kortom, immigratie zorgt
volgens
de
‘pro-immigranten’-kant
voor
een
grotere
productiviteit,
lagere
consumentenprijzen, een hogere welvaart en een rijkere cultuur.
Ook is het zo dat de vruchtbaarheidsratio’s bij de vreemde bevolking in de VS hoger
liggen dan bij de Amerikanen zelf. Zo krijgt een vrouw van Latijns-Amerika gemiddeld
3.0 kinderen, een Amerikaanse vrouw baart gemiddeld 1.8 kinderen. Hierdoor stijgt de
vreemde bevolking sneller en stijgt het arbeidsaanbod wat bijdraagt tot de bloei van de
economie. Zo ontstaat er een deugdzame cyclus tussen de populatie veranderingen en
economische groei dat de daling van de vruchtbaarheid en de vergrijzing van de
bevolking kan neutraliseren (Tsuyochi, 2000).
68
Farrell (2002) zegt dat dit wel het geval is, Camarota (2001) schrijft dat er geen bewijs is dat er een
tekort is.
100
Grafiek 24: Gecreëerde jobs in 1990-1998 en het aantal dat door immigranten
werd opgevuld
14
12
10
8
6
4
2
0
Totaal aantal jobs
Aantal ingevuld door
immigranten
Bron: http://www.ailf.org/pubed/pe_gcp_latest_newecon.htm
Grafiek 24 laat ook duidelijk zien dat de Amerikaanse economie niet zonder
immigranten kan. Van de 12.7 miljoen gecreëerde jobs tussen 1990 en 1998 is er 38%
ingevuld door immigranten, ofwel 5.1 miljoen jobs. Zonder deze immigranten zouden
vele van deze jobs nooit ingevuld geraakt zijn (Greenspan, 2000).
Nog nooit in de geschiedenis is deze discussie zo gepolariseerd geweest, het zal dan ook
niet eenvoudig zijn om te bepalen welke wijzigingen er aan het beleid moeten worden
aangebracht (Martin, Duignan, 2003). Door de polarisatie blijft de discussie aanslepen
en wordt de knoop niet doorgehakt, toch is het volgens Borjas (1999) dringend. Hij
schrijft dat wanneer er niet snel iets verandert, er een ‘aardbevingsverandering’ zal
volgen.
2.3.2.3 Alternatieven
Het immigratiebeleid van na 1965 is gebaseerd op één criterium, namelijk
familiebanden. Volgens Borjas (1999) zou ook de Verenigde Staten moeten overgaan
op een immigratiebeleid dat bepaalt of iemand toelating krijgt of niet aan de hand van
101
een formule zoals in Canada en Nieuw-Zeeland69. Het opnemen van oorsprong en
vaardigheden zou ook de vaardigheden-mix kunnen opkrikken. De formule bepaalt dan
wie er binnenkomt en de puntenverdeling die aan de verschillende criteria wordt
toegewezen en de score die men moet halen, bepalen hoeveel immigranten er een
verblijfsvergunning krijgen.
2.4
Besluit
Hoewel de Verenigde Staten een immigratieland was en nog steeds is, hebben ook de
Amerikanen te kampen met immigratieproblemen in het begin van de 21e eeuw. Eerst
hebben we een overzicht gegeven van de geschiedenis. In 1965 is er een wijziging
aangebracht aan het immigratiebeleid dat Amerika veranderd heeft op vele vlakken. In
de jaren negentig worden tevergeefs enkele restrictieve maatregelen getroffen. Door de
hoge aantallen illegalen en de aanhoudende immigratiedruk, staat het huidge
immigratiebeleid onder druk.
Vervolgens hebben we de kenmerken van de Verenigde Staten bekeken. Het feit dat dit
een immigratieland is, heeft als voordeel dat ze een grotere ervaring hebben waaruit ze
kennis kunnen putten. Ze beschikken ook over een duidelijker en gestructureerder
immigratiebeleid dan de EU. Een ander kenmerk is hun sociaal vangnet. Hoewel dit
systeem minder uitgewerkt en vrijgevig is dan de meeste Europese systemen, heeft het
een aantrekkingskracht op de migranten. Bovendien zijn de migranten geconcentreerd
in zes van de vijftig staten. Als laatste kenmerk hebben we de nadruk op
familiehereniging en de gevolgen hiervan besproken.
In een laatste deel binnen dit hoofdstuk hebben we eerst de problemen besproken waar
het huidige Amerikaanse immigratiebeleid mee te kampen heeft. Vervolgens hebben we
overlopen wat de regering van plan is te wijzigen aan het beleid en welke reacties deze
69
In Nieuw-Zeeland werkt men met een heel complexe formule. Ook is er een sterke nadruk op de
kennis van het Engels. De familie die meekomt moet geen Engels kennen maar ze moeten wel 11.000$
betalen. Als ze binnen de drie maand een test afleggen waarop ze slagen krijgen ze alles terug. Slagen ze
binnen de vijf jaar op de test, dan krijgen ze 80% terug (Borjas, 1999).
102
verandering uitlokt. De discussie die vandaag in de Verenigde Staten gevoerd wordt is
strek gepolariseerd. Gematigde meningen zijn er amper te vinden.
103
Hoofdstuk 3 Vergelijking van de beleiden
Nu we de immigratiebeleiden van zowel de Europese Unie als de Verenigde Staten
hebben besproken, gaan we ze in dit deel vergelijken. We gaan na waar de grote
verschillen liggen en aan wat deze juist te wijten zijn. Doordat vele verschillen van
vandaag ontstaan zijn door een ander verleden, zullen we beginnen met de
geschiedenissen naast elkaar te leggen. De kenmerken die in de vorige hoofdstukken
aangehaald zijn, zullen in een volgend deel behandeld worden. Om af te sluiten gaan we
de recente situatie bekijken. We kijken of ze dezelfde opvattingen hebben over migratie
en of de evoluties van de huidige immigratiebeleiden dezelfde richting uitgaat.
3.1
Het verleden
De Verenigde Staten heeft altijd immigratie gekend. Zonder deze instroom van mensen
zou het nooit zo welvarend en bloeiend geweest zijn. Europa is daarentegen heel lang
een gebied van netto-emigratie geweest. Vele Europeanen gingen hun geluk elders
zoeken, in andere Europese landen, maar vooral in de Verenigde Staten. Europa heeft
dus een achterstand wat betreft ervaring en kennis van immigratie en de daarbijhorende
elementen.
In Grafiek 25 staan zowel de evolutie van het aantal immigranten die verblijven in de
Europese Unie als in de Verenigde Staten afgebeeld. We zien dat in de jaren zestig en
zeventig de stijging in Europa het grootste is. Tijdens deze periode blijft het
immigranten aantal in de VS praktisch constant. De periode na 1970 zien we in de VS
een enorme, doorgezette, toemame. Ook nu nog kent het migranten aantal in de VS een
stijging. Het aantal immigranten in de EU blijft ook toenemen, maar tijdens de jaren
tachtig is de toename gering. Tijdens de jaren negentig kent ook de EU een fellere
toename.
104
Grafiek 25: Aantallen immigranten in de EU en in de VS (in miljoenen)
30
25
20
15
EU
VS
10
5
0
1960 1970
1980 1990
2000
Bron: Camarota (2000) en Brücker, Epstein, Venturini, Mc Cormick, Saint Paul, Zimmerman,
(2001)
Volgens Brücker Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul en Zimmerman (2001) is het de EU
dat in de jaren negentig het meeste immigranten ontvangt. De Verenigde Staten krijgen
tijdens de periode 1989-1998 jaarlijks één miljoen immigranten op hun grondgebied, in
Europa zijn dat er 1,2 miljoen. Ook de illegale immigratie naar Europa is groter dan
deze naar de Verenigde Staten70. Algemeen gezien lag de immigratie naar de EU in
deze periode 31% hoger dan deze naar de Verenigde Staten71. Een algemene conclusie
is dat de immigratie in beide gebieden blijft toenemen.
70
Europa kreeg jaarlijks 500.000 illegalen binnen, Amerika 300.000 (Brücker, Epstein, Mc Cormick,
Saint-Paul, Zimmerman, 2001)
71
Een bemerking hierbij is echter wel dat ook de bevolking van de EU een stuk hoger ligt, namelijk 34%
(Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul, Zimmerman, 2001)
105
Grafiek 26: Netto immigratie in de VS en de EU15 (in duizentallen)
Bron: Leibfrits, O’Brein, Dumont, 2003
In Grafiek 26 wordt de netto-immigratie per jaar voor de EU15, de VS en Japan
afgebeeld. We zien dat de Verenigde Staten vrij constante toename merkbaar is wat
betreft de netto-migratie. De schommelingen zijn zeer gering, zeker in vergelijking met
de EU15. We zien dat tot 1972 er in de EU15 enorme verschillen van jaar tot jaar
waren. Daarna zijn de schommelingen van jaar tot jaar iets minder uitgesproken, maar
nog steeds is er een grotere volatiliteit merkbaar dan bij de cijfers van de VS.
3.2
De Kenmerken
In dit deel gaan we op basis daarvan en enkele andere kenmerken, onderzoeken waar de
verschillen en de gelijkenissen zich bevinden.
3.2.1 Verzorgingsstaat
Het sociaal zekerheidssysteem van de meeste lidstaten van de EU15 is vrijgeviger dan
dit
van
de
Verenigde
Staten.
Werkloosheidsuitkering,
kindergeld,
ziekteverzekering,…vele van de evidente vangnetten in Europa, zijn niet terug te vinden
in het sociaal zekerheidssysteem in de Verenigde Staten. Toch zijn de effecten van
beide sociale stelsels in grote lijnen gelijk. Zo is het gebruik van dit sociaal vangnet bij
106
de allochtone bevolking vaak hoger dan bij de autochtonen. Een ander gevolg van de
welzijnszorg is dat immigranten, die oorspronkelijk niet van plan waren te immigreren,
toch aangetrokken kunnen worden. Zowel in de Verenigde Staten als in de EU zijn er
studies uitgevoerd die wijzen op een aantrekkingskracht. Er zijn ook studies die
aantonen dat de keuze van vestiging van de immigranten mede bepaald wordt door de
vrijgevigheid van het sociaal systeem in een staat of land.
In de Verenigde Staten is het nog een vrij recent fenomeen dat de immigranten meer
welzijnszorg gebruiken72. Ondanks het feit dat de welzijnszorg in sommige staten klein
is, bestaat er toch een aantrekkingskracht. Zeker de mogelijke immigranten uit landen
waar er lage lonen en slechte werkomstandigheden heersen, kunnen hierdoor overtuigd
worden om te immigreren, al dan niet legaal. Borjas (1998) toonde ook aan dat er een
grotere concentratie van immigranten bestond in de staten waar het sociaal
zekerheidssysteem vrijgeviger was73.
Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul en Zimmerman (2001) hebben hetzelfde
resultaat gevonden voor de EU. De afhankelijkheid van het sociaal zekerheidssysteem
en de samenstelling van de immigratie verschilt tussen de lidstaten. Tot op zekere
hoogte zou dit verklaard kunnen worden door het sociaal zekerheidssysteem. De landen
die
op
dit
gebeid
iets
vrijgeviger
zijn,
die
bijvoorbeeld
een
grotere
werkloosheidsuitkering hebben, zijn aantrekkelijker voor immigranten en hebben
bijgevolg een groter aantal immigranten. Dit element verstoort de immigratiecompositie
en verstoort de allocatieve functie van de immigratie (Van Dalen, 2001).
Toch is het zo dat immigranten in de Verenigde Staten, die afhankelijk zijn van het
sociaal zekerheissysteem, afhankelijk blijven van dit systeem zelfs na verblijf van
enkele jaren in de Verenigde Staten. In verschillende gevallen is het zelfs zo dat het
gebruik van het systeem stijgt naarmate ze langer in het land verblijven (Borjas, 1998).
In tegenstelling hiermee is het in Europa zo dat de vreemdelingen, naar mate ze langer
72
In de jaren zeventig gebruikten de immigranten minder welzijnszorg, dit is omgeslaan in de jaren
tachtig
73
In de Verenigde Staten bepaalt elke staat afzonderlijk zijn sociaal vangnet.
107
in Europa wonen, vaak minder afhankelijk worden van dit systeem (Fertig, Schmidt,
2001)74.
3.2.2 Mobiliteit
Zoals reeds is aangehaald, is de mobiliteit van de mensen tussen Amerikaanse staten een
stuk hoger dan de mobiliteit tussen de verschillende lidstaten van de EU. Zo verhuist
3% (Borjas, Bronars, Trejo, 1992) van de Amerikaanse bevolking jaarlijks naar een
andere staat. Hier tegenover staat dat slechts 0,2% van de Europese bevolking jaarlijks
van land verandert (Randstad, 2001). Dit is logisch gezien taal, cultuur en gewoonten in
de verschillende staten van Amerika voor een groot deel overeenkomen. Het is een veel
grotere aanpassing om in Europa naar een andere lidstaat te verhuizen.
Ook de immigranten die naar Amerika gaan, zullen gemakkelijker naar een andere staat
verhuizen om dezelfde reden. We hadden het feit aangehaald dat immigranten die
Europa binnenkomen geen banden hadden en zich daarom begaven naar daar waar er
een tekort was aan hun vaardigheden op de arbeidsmarkt. Eens deze mensen echter taal
en gewoonten kennen, zal ook voor hen de drempel om te verhuizen naar een andere
lidstaat groter worden. De lage mobiliteit is dus niet enkel terug te vinden bij de
autochtonen.
Een grotere mobiliteit tussen lidstaten zou de economie ten goede komen. In het
verleden heeft de EU reeds verschillende maatregelen ondernomen om de immigratie
tussen de lidstaten te doen stijgen, maar deze hebben altijd hun doel gemist75. Het
percentage van de bevolking van de EU dat woonachtig is in een andere lidstaat, is altijd
lager dan 1,5% gebleven (Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul en Zimmerman,
2001).
74
Zowel Borjas (1998) als Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul en Zimmerman (2001) spreken over
‘assimilate into-’ en ‘assimilate out of the welfare system’
75
Bijvoorbeeld door het recente BaMa-programma dat de diploma’s van de verschillende landen moet
uniformiseren
108
Niet enkel de taal- en de cultuurverschillen zijn de oorzaak hiervan, ook een slecht
functionnerende huizenmarkt. Een ander element dat bepalend is, is de regulering van
de arbeidsmarkt.
Grafiek 27: Arbeidsmarktregulering en arbeidsmarkt mobiliteit
Bron : Wijffels, 2001
In Grafiek 27 zien we op de horizontale as de reguleringen van de arbeidsmarkt. De
horizontale as stelt de door de OECD in 1999 samengestelde index van
ontslagsbescherming
voor
reguliere
werkgelegenheid,
tijdelijke
contracten
en
massaontslagen, waarbij het meetpunt de tweede heflt van de jaren negentig is, voor.
Het is duidelijk dat naarmate de arbeidsmarkt meer rigide is, de mobiliteit afneemt.
In de VS is de regulering laag (kleiner dan 1) wat de hoger mobiliteit kan verklaren. De
EU-lidstaten verschillen onderling, maar algemeen gezien zal de regulering hoger zijn
dan in de VS wat het verschil tussen deze twee op vlak van mobiliteit deels kan
verklaren.
3.2.3 Oorsprong van de vreemdelingen
Zoals we aangetoond hebben in het hoofdstuk over de Verenigde Staten heeft er een
origineverschuiving
plaats
gevonden
toen
men
het
beleid
de
nadruk
op
109
familiehereniging heeft gelegd76. Zoals we zien in onderstaande tabel komt het
merendeel van de immigranten die de Verenigde Staten vandaag binnenkomen van
Centraal en Zuid-Amerika (vooral Mexico) en Azië.
Tabel 2: Uitsplitsing immigranten naar oorsprong
Geboorteland
Europa
Azië
Latijns-Amerika
Afrika
Oceanië
1991-1996
14,5%
31,8%
50,2%
3,4%
0,5%
Bron: U.S. Immigration and Naturalization Service, 1996
Wat de Europese Unie betreft moeten de immigratiecijfers eerst opgedeeld worden naar
immigranten afkomstig uit een andere EU-lidstaat en de niet-EU landen. Zo zien we in
Grafiek 28 de uitsplitsing van de immigratie over EU en niet-EU immigranten voor vier
lidstaten van de EU77. We zien dat de overgrote meerderheid van de immigranten die
zich in Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk komen vestigen
afkomstig zijn uit niet-EU landen. We zien ook dat het Verenigd Koninkrijk, vergeleken
met de andere landen die zijn voorgesteld, veel EU-immigranten heeft namelijk
32,8%78.
76
Zoals reeds meermaals aangehaald gebeurde dit door de wetswijziging in 1965
77
De reden waarom we vier lidstaten gebruiken in plaats van een algemeen EU- beeld is ten eerste omdat
er onderling verschillen bestaan die anders niet zichtbaar zouden zijn. Ook is het zo dat de maatstaven
van het meten van immigratie-elementen kunnen verschillen van land tot land.
78
Dit in tegenstelling tot 24,9% in Duitsland en 9,6% en 6,5% in Frankrijk en Italië.
110
Grafiek 28: Aandelen EU en niet-EU immigranten in 1997
100%
80%
60%
Niet-EU
40%
EU
20%
0%
Duitsland
Frankrijk
Italië
Verenigd
Koninkrijk
Bron: Eurostat demographic statistics 199879
Het aandeel van de immigratie dat afkomstig is van niet-EU landen wordt in Grafiek 29
verder opgesplitst. Met Europa wordt hier de Europese landen bedoeld die geen deel
uitmaken van de Europese Unie. Het eerste wat opvalt is dat er onderling aanzienlijke
verschillen bestaan wat de oorsprong betreft van de immigranten. Zo komt het grootste
deel van de immigranten, die in 1997 Frankrijk en Italië binnenkomen, uit Afrika. Het
aandeel Afrikanen in de immigratie die naar het Verenigd Koninkrijk en Duitsland ligt
merkelijk lager. Immigranten uit Oceanië vertegenwoordigen een percentage van
maximum 0,5 behalve in het Verenigd Koninkrijk waar 11,8% van de immigranten
afkomstig is uit Oceanië. We zien dat de Duitse immigranten grotendeels uit Europa
komen.
79
Uit de verschillende landen van de EU hebben we deze landen gekozen om de volgende kenmerken te
onderzoeken. We zullen deze vier landen consequent in elke volgende grafiek gebruiken om een beeld te
scheppen van de EU in het algemeen.
111
Grafiek 29: Uitsplitsing immigranten naar oorsprong
100%
80%
Oceanië
60%
Azië
Amerika
40%
Afrika
20%
Europa
0%
Duitsland
Frankrijk
Italië
Verenigd
Koninkrijk
Bron : Eurostat demographic statistics 1998
We kunnen concluderen dat zowel de Verenigde Staten als de Europese Unie
voornamelijk immigranten uit de buurlanden ontvangen. Meer dan de helft van de
immigranten die de VS binnenkomen tussen 1991 en 1996 komt uit Latijns-Amerika en
in Europa is het gemiddeld 43%80 dat uit Europese niet-EU lidstaten komt. Noord
Afrika is ook een bron van vele immigranten in Europa, de reden hiervan is ook de
kleine afstand tussen het land van oorsrpong en Europa en door de ex-colonies81. Een
andere gelijkenis is de lage aanwezigheid van immigranten uit Oceanië.
We kunnen dus besluiten, na het zien van deze cijfers, dat de afstand wel degelijk een
belangrijke rol speelt bij de keuze van het migratieland.
80
Het gemiddelde is berekend van de percentages van immigranten uit Europa die naar deze vier landen
gaan.
81
We hebben geen aantallen gevonden hiervan, maar de immigranten van Afrika die deze drie landen
binnen komen is gemiddeld 25.93%.
112
3.2.4 Klasse van toelating
Zoals we in de vorige hoofdstukken hebben aangehaald leggen beide gebieden de
nadruk op familiehereniging. In dit deel gaan we voor zowel de EU als de Verenigde
Staten bekijken op welke wijze welk aandeel van de immigratie toegelaten wordt.
De EU bestaat uit verschillende landen die elk een ander beleid voeren. Daarom lijkt het
ons nuttiger om naar verschillende lidstaten te kijken om zo ook deze verschillen aan te
tonen. In onderstaande grafiek gaan we de klasse van toelating in Franrkijk, Italië en het
Verenigd Koninkrijk bekijken82.
Grafiek 30: Klasse van toelating in Europa, 1998
100%
80%
anderen
60%
asielzoekers
40%
familiehereniging
arbeidsimmigratie
20%
0%
Frankrijk
Italië
Verenigd
Koninkrijk
Bron: OECD (2000) National statistics for Italy (average 1998-1999)
Het staafdiagram laat per land zien op welke grond de immigranten legaal
binnenkomen. De categorie ‘anderen’ staat voor het aandeel studenten en bezoekers83.
De helft van de immigranten die toegelaten werden, is op basis van familiebanden. Een
uitzondering hierop is Italië, die slechts 39% van de immigranten op basis van
82
Duitsland ontbreekt in deze grafiek vergeleken met de andere omdat we hier geen specifieke gegevens
van gevonden hebben.
83
In het Verenigd Koninkrijk wordt dit aandeel niet bij de immigranten geteld, dat is de reden waarom
deze sectie niet terug te vinden is bij dit land in de grafiek.
113
familiehereniging heeft toegelaten in 1998. Ondanks de nulimmigratie, worden nog vele
arbeidsimmigranten toegelaten. Zo waren de helft van de immigranten in Italië in 1998
arbeidsimmigranten. Ook het Verenigd Koninkrijk liet 45% arbeidsmigranten toe,
Frankrijk valt hier uit de toon met slechts een percentage van 21%.
Onderstaande grafiek toont de opdeling van de immigranten, die in 1998 naar de VS
zijn gekomen, naar wijze van toelating. We zien dat de immigratie dat op familiebanden
gebaseerd is84 72% bedraagt. De arbeidsmigratie is slechts 11,7% van de totale
immigratie dat jaar.
Grafiek 31: Klasse van toelating in de VS, 1998
diversiteits
programma: 6,9
andere: 1,2
asielzoekers:
8,3
directe familie:
42,9
familiemigratie:
29
arbeidsmigratie:
11,7
Bron: Ximena, Hatton, Williamson, 2002
We kunnen concluderen dat het idee dat de VS vooral arbeidsmigranten toelaat, geen
steek houdt. Beide gebieden laten het grootste deel van de migratie toe op basis van
familiebanden, toch ligt dit percentage in de VS een stuk hoger dan in de EU. Een
bemerking dat hierbij gemaakt moet worden, is dat de familiemigranten gescreend
worden vooraleer ze toegelaten worden. Op familiemigratie, uitgezonderd directe
familie, is een quota gesteld. De arbeidsmigratie ligt hoger in de drie voorgestelde EU
landen dan wel in de Verenigde Staten.
84
Dit is een combinatie van de familiemigratie en de directe familiebanden
114
3.2.5 Probleem van de illegaliteit
Zowel in de EU als in de Verenigde Staten zorgt het fenomeen van de illegaliteit voor
problemen. De val van de Berlijnse muur heeft in Europa in 1989 voor een stijging in de
illegaliteit gezorgd. Zo wordt er geschat dat hierdoor de illegale immigratie in Duitsland
gestegen is in 1990 met een 150% tot 300% (Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul,
Zimmerman, 2001). Nu zijn het vooral landen die aan water grenzen en die zo over
moeilijk te bewaken grenzen beschikken, die te maken hebben met illegale immigratie.
Het aantal illegale immigranten dat jaarlijks de EU binnendringen wordt geschat op een
500.000 (Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul, Zimmerman, 2001).
Ook in de Verenigde Staten blijft de illegale immigratie stijgen. De extra middelen die
ze hebben ingesteld om de illegaliteit onder controle te houden, hebben niet gebaat. Er
wordt geschat dat jaarlijks 300.000 illegalen de Verenigde Staten binnenkomen
(Brücker, Epstein, Mc Cormick, Saint-Paul, Zimmerman, 2001)85. Hier zijn het vooral
de grenzen met Mexico en de Atlantische Oceaan86 die voor problemen zorgen.
Beide gebieden hebben amnestie-programma’s gebruikt om de illegaliteit onder
controle te krijgen. De omvang van de amnestie programma’s, of ‘Generaal Pardon’
(Van Dalen, 2003), is in Europa kleiner dan in de VS.
Tabel 3 geeft een overzicht van alle amnestie programma’s die in de EU en in de VS
zijn doorgevoerd met het jaartal en aantal illegalen die geregulariseerd zijn. We zien dat
de amnestie programma’s in de Europes Unie van kleinere omvang waren dan deze in
de VS.
85
Dit cijfer wordt ook bevestigd door de Amerikaanse Immigratie en Naturalisatie Dienst (INS)
86
Bootvluchtelingen uit Haïti, Cuba,…
115
Tabel 3: Overzicht van Amnestie programma’s
Land
Jaar
Aantallen
geregulariseerd (in
duizenden)
Nederland
1975
10
Frankrijk
1981/1982
124
118
Italië
1987/1988
Spanje
1985/1986
38
VS
1986
2.689
Italië
1990
217
Spanje
1991
115
Portugal
1992/1993
39
Portugal
1996
35
Spanje
1996
25
Italië
1996
249
Frankrijk
1997/1998
78
Griekenland
1997/1998
374
VS
1997/1998
405
Italië
1998
219
Spanje
2000
127
Bron: Van Dalen, 2003
Om een duidelijk beeld te krijgen over het totaal geregulariseerde illegalen in alle
landen, hebben we in Grafiek 32 de totale aantallen voorgesteld. Op de Y-as staat het
aantal regulariseringen voorgesteld in duizend tallen. We zien duidelijk dat de VS het
meeste Amnesties heeft verleend. Italië is de koploper in de Europese landen, maar dit
aantal is kleiner dan één derde van het Amerikaanse cijfer.
Grafiek 32: Aantal verleende Amnesties (in duizendtallen)
VS
3.094
374
GR
PO
74
SP
305
803
IT
202
FR
NL
10
0
500
Bron: Van Dalen, 2003
1000
1500
2000
2500
3000
3500
116
De reden van een amnestieprogramma is om met een propere lei te kunnen beginnen
met een strenger immigratiebeleid. Door deze regularisering daalt echter de
geloofwaardigheid van het strenger immigratiebeleid (Van Dalen, 2003). De nieuwe
striktheid werkt niet en dat is meermaals in de geschiedenis gebleken. Zo wordt de
illegale bevolking in de Verenigde Staten geschat tussen de zes tot zelfs dertien
miljoen87. Deze schattingen tonen aan dat een amnestieprogramma de problemen met
illegale immigranten alleen verergert. Ook volgens Karlson en Katz (2002) is dergelijk
een programma geen goede manier om de illegaliteit onder controle te krijgen. Ondanks
de vele bewijzen uit het verleden, zijn er recentelijk nog amnesties doorgevoerd88. De
reden hiervan is het feit dat bij amnesties niet enkel humanitaire overwegingen gelden,
maar vaak ook eigen belang komt kijken (Van Dalen, 2003). Sommige sectoren kunnen
immers niet renderen zonder de arbeidskrachten van de illegale immigranten.
3.2.6 Samenstelling van de vaardigheden
De Verenigde Staten hadden voor 1965 een immigratiebevolking met een hoge
scholing. Tegenwoordig ligt de scholingsgraad echter lager. Dit is vooral te wijten aan
de veranderde origines van immigranten en de grond van toelating. Ook de
vaardigheden in Europa zijn in de loop der jaren gedaald (Brücker, Epstein, Mc
Cormick, Saint-Paul, Zimmerman,2001).
Grafiek 33 geeft ons een overzicht van de huidige situatie in de Verenigde Staten en
enkele EU-landen. De volledige groep immigranten is onderverdeeld over de drie
scholingsniveaus. We zien dat, zoals vermeld in het hoofdstuk over Amerika, er zowel
veel laaggeschoolden en veel immigranten met een hoger diploma zijn. Slechts een
klein percentage heeft een hoger humaniora diploma zonder verdere scholing. In de EUlanden, die weergegeven zijn in de grafiek, is het eerder zo dat er een overgrote
meerderheid van de immigranten geen hoger humaniora diploma heeft. Ook het
87
Dit is een schatting van de Demografen van de Notheastern University in Boston (Van Dalen, 2003)
88
De laatste die is doorgevoerd is deze in Spanje in 2000
117
percentage van immigranten die in het bezit zijn van een hoger humaniora diploma, is
groter dan dat van immigranten die een hogere scholing hebben genoten.
Een uitzondering hierop is het Verenigd Koninkrijk die, ondanks een meerderheid
laaggeschoolde, toch een vrij hoog percentage van immigranten heeft die een hogere
scholing hebben genoten. Hoewel vele Amerikanen van mening zijn dat er meer
hooggeschoolde
immigranten
aangetrokken
moeten
worden
in
plaats
van
laaggeschoolden, ligt het percentage hooggeschoolden reeds hoog.
De Verenigde Staten hebben een instroom van immigranten in de periode 1995-1998
waarvan 40% hooggeschoold is. Het Verenigd Koninkrijk, het EU-land dat veruit het
meeste hooggeschoolde immigranten mocht ontvangen, bereikte slechts de helft van dit
percentage. We zien dus duidelijk dat het probleem van scholing zich vooral voordoet in
de EU.
Grafiek 33: Compositie van de vaardigheden van de immigranten in de VS en
enkele EU-landen, gemiddeld over de periode 1995-1998
70
60
50
lager humaniora
40
hoger humaniora
30
verdere scholing
20
10
0
VS
Duitsland Frankrijk
Italië
VK
Bron: Trends in migration and economic consequences, OECD, 2000
Doordat de Europese immigranten voornamelijk laaggeschoolden zijn, stijgt de
werkloosheidskloof
tussen
autochtonen
en
allochtonen.
Zo
is
het
werkloosheidspercentage van de autochtonen in België tussen 1983 en 1995 gedaald
118
van 11% tot 8%. Het werkloosheidspercentage van de allochtone bevolking in België in
diezelfde periode is echter gestegen van 22% tot 23%. Ook in de Verenigde Staten stijgt
de werkloosheidsgraad onder de immigranten (Borjas, 1999).
3.2.7 Concentratie van de immigranten
In het hoofdstuk dat handelde over het immigratiebeleid van de VS, hebben we reeds
vermeld dat 70% van de migranten woonachtig is in zes van de vijftig staten (MPI,
2002).
Het is ook in deze zes staten dat de grootste steden van Amerika zich
bevinden89. De immigranten verkiezen de stad boven het platteland. Dit is ook
observeerbaar in de EU. Zo woont 45% van de immigranten uit het Verenigd
Koninkrijk in Londen terwijl slechts 10% van de Britten er wonen. Hetzelfde geldt voor
andere grote Europese steden Parijs, Rome, Brussel en Madrid (Brücker, Epstein, Mc
Cormick, Saint-Paul, Zimmerman,2001). De voornaamste redenen hiervan zijn de
aanwezigheid van originegenoten, zoals in het eerste hoofdstuk aangehaald is dit een
belangrijke pull-factor, en de grotere kans op het vinden van een job.
3.2.8 De vergrijzing
De vergrijzing stelt de EU vandaag voor dilemma’s. Het is een ernstig probleem waar
niet zo gemakkelijk een antwoord voor gevonden kan worden. Dit is niet besproken in
het hoofdstuk dat handelde over de VS en het Amerikaanse immigratiebeleid daar het
daar (nog) niet voor problemen zorgt.
Grafiek 34 toont ons de verschuiving van de werkbevolking zowel van de EU als van de
VS. Hieruit blijkt duidelijk dat de dit een groter probleem is voor de EU dan wel voor
de VS. Vanaf 2010 verwacht men in de EU een negatieve aangroei van de
werkbevolking en dit zal met de jaren alleen verergeren. Dit laat duidelijk zien dat er
wel degelijk een probleem is. Voor de VS daarentegen wordt er geen negatieve aangroei
89
Los Angeles, New York, Miami, Houston, Dallas, Chicago,….
119
verwacht, tussen 2015 en 2030 wordt wel verwacht dat de aangroei van de
werkbevolking praktisch nihil zal zijn. Vanaf 2030 zou de werkbevolking terug
aangroeien.
Grafiek 34: De verschuiving van de werkbevolking90 in de EU15 en de VS
(voorspellingen)
1,5
1
0,5
0
EU
-0,5
2030-2035
2020-2025
2010-2015
2000-2005
1991-1995
VS
1980-1985
-1
EU
Bron: Eurostat, Labour Force Survey, 2000
We kunnen dus inderdaad besluiten dat het een dringend probleem is voor de EU. Deze
cijfers gelden echter voor de EU15. Door de recente toetreding kan het zijn dat deze
cijfers veranderen. Zo is het geboortecijfer in de tien nieuwe lidstaten hoger dan wel in
de EU15. De toetreding zou dus automatisch tot een verlichting van het probleem
kunnen leiden. Een andere oplossing zal evenwel nodig zijn. De VS ondervindt hiervan
minder last, mede door de grotere vruchtbaarheid bij de immigranten.
3.3
De recente ontwikkelingen
Beide gebieden kampen in grote lijnen met dezelfde problemen. Zo is er het probleem
van de illegaliteit. De aantallen illegale immigranten zijn zowel in Europa als in
Amerika de laatste jaren gestegen. Een ander probleem is dat ondanks de nood aan
90
Dit is de bevolking tussen 15 en 64 jaar
120
hoogopgeleide mensen, de landen er vooral in slagen om laaggeschoolden aan te
trekken. In Europa komt de vergrijzing en de nood aan nieuwe arbeidskrachten er nog
bij.
Europa, dat al jaren een nulimmigratiebeleid probeert recht te houden, zal een opener
immigratiebeleid gaan voeren dan het tot nu toe gekend heeft, eens er een
communautair beleid wat betreft immigratie bestaat. De bedoeling is om zo de
vergrijzing te vertragen en de knelpuntvacatures91 op te vullen. Hoewel er nog grote
onenigheid bestaat over de vormgeving van het beleid, zal het beleid sowieso minder
restrictief worden (COM(2001)757).
De Verenigde Staten zal waarschijnlijk een restrictiever beleid aanmeten gezien de
publieke opinie. In contrast hiermee zijn de mogelijke ontwikkelingen die tegenwoordig
besproken
worden
een
amnestieprogramma
voor
vele
illegalen
en
een
gastarbeidersprogramma. Dit beleidsvoorstel is samen met Mexico uitgewerkt. Vele
Amerikaanse professoren92 ijveren voor een restrictiever beleid met nadruk op toelating
voor hooggeschoolden om zo de vaardighedencompostie van de immigranten weer
omhoog te trekken.
3.4
Besluit
In dit deel zijn we op basis van verschillende kenmerken nagegaan in hoeverre de
Europese Unie lijkt op de Verenigde Staten. Eerst hebben we de geschiedenissen naast
elkaar gelegd. Zo hebben we opgemerkt dat de evolutie die beiden gekend hebben
tussen 1950 en nu, niet geheel gelijk zijn. De VS hebben een aanhoudende stijging
gekend, dit tegenover de EU waar de stijging enorm gezakt is tijdens de jaren tachtig.
Zowel de VS als de EU hebben een aantrekkingskracht op de vreemdelingen, toch heeft
deze aantrekkingskracht, dat uitgaat van het sociaal zekerheidssysteem, een negatiever
gevolg voor de VS. Dit doordat het gebruik van de welzijnszorg van de immigranten
91
Zo bijvoorbeeld de IT-functies, waarvan het aantal openstaande vacatures blijft stijgen
92
O.a. Borjas, Bronars, Trejo, Jasso, Rosenzweig en Smith
121
niet daalt, maar stijgt naarmate de immigranten langer in de VS verblijven. Wat de
mobiliteit betreft, het tweede kenmerk dat is aangehaald, is het duidelijk dat deze hoger
ligt in de VS ondanks verschillende pogingen van de EU om dit te verhogen. Bovendien
verschillen de origines van de immigranten.
De immigranten komen vooral uit buurlanden, zo komen de EU immigranten uit andere
Europese landen en Noord-Afrika. De VS trekt vooral mensen van Zuid-Amerika en in
mindere mate Canada aan. We hebben gezien dat zowel de EU als de VS het grootste
deel van de migranten vergunningen toestaat op grond van familiebanden, al ligt het
percentage een stuk hoger in de VS dan in de EU. Het percentage arbeidsmigratie ligt
hoger in de EU dan in de VS, wat verwonderlijk is daar er een nulimmigratie geldt in de
meeste lidstaten van de EU. Het probleem van de hoge aantallen illegalen is in beide
gebieden sterk aanwezig, al zijn de aantallen die illegaal de EU binnenkomen hoger dan
deze in de VS. Proportioneel gezien, in vergelijking met de bevolking, zal het echter
ongeveer gelijk zijn93.
In het hoofdstuk dat handelde over het immigratiebeleid van de Verenigde Staten is
reeds verscheidene keren aangehaald dat de vaardigheden waarover de immigranten
beschikken, gedaald zijn. Europa kampt met hetzelfde probleem. In beide gebieden
heeft dit een stijgende werkloosheid en een groter gebruik van het sociaal
zekerheidssysteem tot gevolg. Vervolgens hebben we het gehad over de concentratie
van de immigranten. Het is niet zozeer dat bepaalde landen of staten hen aantrekken94,
maar wel grote steden. Zowel in de VS als in de EU zijn de grootste concentraties van
immigranten te vinden in de grote steden. Een laatste punt dat we besproken hebben is
de vergrijzing. We hebben opgemerkt dat dit vooral in de EU voor probelemen zorgt.
Het laatste wat we in dit hoofdstuk besproken hebben, is de huidige situatie. Deze is in
grote lijnen gelijk: meer immigranten willen binnen dan er vergunningen worden
uitgedeeld met als gevolg een hoge illegale migratie. Beide naties moeten binnenkort
knopen doorhakken in verband met migratie. Europa moet dit doen daar er gewerkt
wordt aan een communautair immigratiebeleid. De Verenigde Staten zal ook
93
De bevolking van de EU is 34% groter dan deze van de VS.
94
Een uitzondering is hier de overtuiging door het sociaal zekerheidssysteem
122
aanpassingen aanbrengen aan de immigratiewetgeving door de stijgende ontevredenheid
over het huidige beleid.
123
Algemeen Besluit
We hebben gepoogd in deze verhandeling een overzicht te geven van het begrip
‘immigratie’ en de bijhorende factoren. Twee concrete voorbeelden zijn hierbij
bekeken, namelijk het immigratiebeleid van de EU en dat van de VS. Door middel van
het theoretisch kader en de praktischere gegevens, hebben we getracht inzicht te krijgen
in deze complexe problematiek. We hebben trachten achterhalen, voor zowel de EU als
voor de VS, waar de probleempunten op gebied van immigratie zich situeren.
In een eerste deel hebben we een algemeen en theoretisch overzicht gegeven van
immigratie. We hebben door middel van een literatuurstudie aangetoond dat er
verschillende oorzaken kunnen zijn van migratie. Deze oorzaken kunnen opgedeeld
worden in aantrekkingsfactoren en afstotingsfactoren. Hoewel de redenen van emigratie
en immigratie geanalyseerd kunnen worden, is het praktisch onmogelijk om
voorspellingen te maken met betrekking tot toekomstige immigratiestromen. Er spelen
zoveel verschillende factoren mee dat de uitkomst niet op voorhand vastligt. Dit maakt
het opstellen van een immigratiebeleid een stuk moeilijker daar men niet weet welke
invloed een aanpassing van het beleid met zich kan meebrengen. Een eerste besluit dat
we kunnen nemen is dat immigratie een oncontroleerbare factor is met alle
moeilijkheden van dien.
In een tweede deel hebben we ‘immigratie’ meer praktisch bekeken. Eerst hebben we
het immigratiebeleid van de EU belicht. De geschiedenis van de immigratie in de EU
hebben we kort besproken om de oorsprong van de problemen die zich vandaag stellen,
te begrijpen. Zo hebben we gezien dat de meeste lidstaten op dit moment op een gelijke
lijn liggen, het zijn allen landen met een positieve netto-migratie en allen worstelen ze
met de illegale immigratie problemen. Vervolgens hebben we de belangrijkste
kenmerken gesitueerd. Zo heeft de verzorgingsstaat een aantrekkingskracht op
immigranten. Europa is ook gekenmerkt door een lage interne mobiliteit.
De EU ontwikkelt een gemeenschappelijk immigratiebeleid. In een volgend deel hebben
we de noodzaak hiervan en de problemen die de ontwikkeling hiervan meebrengt,
besproken.We hebben aangetoond dat er tussen de lidstaten onderling nog niet over een
124
convergentie over immigratie gesproken kan worden. De evolutie van de netto-migratie
van de lidstaten toonden vele verschillen. Ook wat betreft de meningen omtrent
immigratie zijn er nog grote verschillen. Landen zoals Nederland en Italië weren liefst
immigratie. Groot-Brittanië en Duitsland daarentegen hebben hun bleid de laatste jaren
geliberaliseerd. Dit zal waarschijnlijk voor problemen zorgen.
Vervolgens hebben we de immigratie van de VS besproken op een gelijkaardige manier.
We hebben aangetoond dat de interne mobiliteit hier veel hoger ligt. De
aantrekkingskracht van de sociale zekerheid is echter ook bij de VS terug te vinden
ondanks het feit dat het hier om een minder uitgewerkt sociaal zekerheidssysteem gaat.
Het immigratiebeleid van de VS staat onder druk. We hebben de belangrijkste
problemen gesitueerd en besproken. Zo is er het probleem in verband met de illegale
immigranten. De VS ontvangen jaarlijks veel illegalen ondanks verschillende
maatregelen. Dit probleem wordt vooral veroorzaakt door de Mexicanen. Een ander
punt dat veel besproken is, is de vaardigheden samenstelling. Deze is door een
beleidsverandering in de jaren zestig gewijzigd en vele zouden de nadruk terug willen
verschuiven naar het aantrekken van hooggeschoolden.
In een laatste hoofdstuk van het tweede deel hebben we de beleiden en de kenmerken
van de EU en de VS naast elkaar gelegd. We zijn nagegaan waar de verschillen en de
gelijkenissen zich situeren en wat hieraan aan de oorzaak kan liggen.
Een eerste punt dat ons is opgevallen is dat, hoewel de geschiedenis en de
ontwikkelingen van de immigratiebeleiden van de Verenigde Staten en de Europese
Unie verschillen, er een convergentie merkbaar is. Beiden hebben in het verleden een
extreme positie ingenomen waarvan ze aan het terugkomen zijn. De Verenigde Staten is
het immigratieland bij uitstek. Hoewel de immigranten niet altijd met open armen
onthaald werden, wist iedereen dat ze nodig waren om de natie te doen bloeien, ook nu
geldt dit nog. Vandaag echter stelt men de controle van het immigratiebeleid in vraag
mede door de grote aantallen illegalen. Hierdoor is er een tendens en een vraag naar een
restrictiever beleid. De Europese Unie langs de andere kant, heeft voor een relatief korte
periode een opendeurenbeleid gevoerd, ook omdat de immigranten nodig waren om de
economie verder te doen bloeien. Hier zijn ze echter op teruggekomen in de jaren
zeventig en sindsdien heerst er een enorm restrictief beleid in de meeste lidstaten. In de
125
Europese Unie zijn ook veranderingen merkbaar. Door de vergrijzing en de
aanwezigheid van verschillende soorten jobs die niet opgevuld raken, begint men de
nood aan immigratie te voelen. Zowel de Europese Unie als de Verenigde Staten
evolueren van een extreme naar een gematigdere visie. Op deze manier convergeren
deze twee immigratiebeleiden.
Een punt waar we een groot verschil tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie
geobserveerd hebben is interne migratie. In de Verenigde Staten is het verhuizen naar
een andere staat vanzelfsprekend, zowel voor autochtonen als allochtonen. In
tegenstelling hiermee zorgt de interne migratie voor problemen in de Europese Unie. De
taal en de culturele verschillen die tussen de lidstaten bestaan, bemoeilijken dit enorm.
Dit gegeven doet de vraag rijzen of er ooit sprake zal kunnen zijn van een echt
gemeenschappelijk immigratiebeleid. De kans is groot dat door deze lage mobiliteit en
de verschillen tussen de lidstaten onderling, er vele bevoegdheden van het
immigratiebeleid bij de lidstaten zelf zullen blijven. Een positief gevolg hiervan is dat
men sneller zal kunnen inspelen op de markt. We besluiten dat het beter is enkele
bevoegdheden van immigratie bij de lidstaten zelf te laten liggen dan een echt
gemeenschappellijk immigratiebeleid doordat er nog te veel verschillen tussen de
lidstaten onderling bestaan.
Een ander verschilpunt dat we in de loop van ons onderzoek hebben opgemerkt, is de
aantrekkingskracht die de Verenigde Staten heeft op hooggeschoolden. De Verenigde
Staten slagen erin om een groot aandeel hooggeschoolden naar zich toe te trekken. De
Europese Unie verliest verschillende van haar hooggeschoolden aan de Verenigde
Staten daar er te weinig geïnvesteerd wordt in onderzoek. De Commissie ziet in dat er
veranderingen moeten aangebracht worden om de knelpuntvacatures op te vullen en om
de achterstand wat betreft uitvindingen eventueel te kunnen inhalen. We kunnen dus
besluiten dat de ‘battle for the brains’ zal toenemen.
Een element waar ze beiden mee kampen is de illegale immigratie. In de theorie hebben
we aangetoond dat dit een onvermijdelijk aspect is van immigratie. De enige manier om
dit te stoppen, is niemand meer binnenlaten voor welke reden dan ook. Een belangrijk
detail is dat vele illegalen werk verrichten dat niemand anders wilt doen. Zo worden
deze illegalen noodzakelijk voor het gastland. In het verleden hebben zowel de
126
Verenigde Staten als verschillende EU-lidstaten amnestie programma’s gebruikt om
erna met een ‘propere lei’ te kunnen beginnen met een strenger beleid. Op deze manier
regulariseerden ze vele illegalen zodat deze legaal in het land konden blijven en de job
verder uitoefenen. Op langere termijn heeft dit echter neveneffecten. Zo stijgt de illegale
immigratie daar de strengheid van het immigratiebeleid aan geloofwaardigheid verliest.
Een ander manier om zowel met de migratiedruk als met de nood aan werkkrachten om
te gaan, is een gastarbeiders programma. Ook dit is echter in het verleden niet zo
efficiënt gebleken. Vele gastarbeiders keerden nooit terug, wat een stijging van de
illegale immigratie met zich mee bracht. Het is dus niet gemakkelijk om een oplossing
te vinden voor de onopvulbare vacatures en voor de illegale immigranten.
De Europese Commissie legt een duidelijke nadruk of het feit dat het immigratiebeleid
opgebouwd moet worden met behulp van bi- en/of multilaterale akkoorden met derde
landen. Dat zou niet enkel in het voordeel zijn van EU die de immigratie beter onder
controle zou kunnen houden. Ook het thuisland zou hier voordeel uit kunnen halen in de
vorm
van
hetzij
economische
hulp,
hetzij
een
programma
waardoor
de
hooggeschoolden na een bepaalde termijn terug zouden keren naar hun thuisland. Dat
zal een ingewikkelde oefening worden, aangezien het duidelijk is dat de EU niet klaar is
om één immigratiebeleid te voeren. De nationale verschillen zijn te groot, en de interne
arbeidsmobiliteit te klein. Toch zullen de verschillende lidstaten moeten trachten deze
akkoorden te sluiten, willen deze staten zich concurrentiëel opstellen tegenover de
mondiale ontwikkeling die gericht is op een grotere mobiliteit. Voor de VS lijkt dit ook
de enige oplossing om de ongecontroleerde toestroom van ‘Latino’s’ in te dijken.
Samenvattend kan gesteld worden dat zowel de VS als de EU er baat bij hebben zich
internationaal open te stellen. Niet enkel om de beweeglijkheid en de creativiteit van het
ondernemen levendig te houden, maar ook om bepaalde aspecten zoals de vergrijzing in
de EU te kunnen opvangen. Dit gebeurt best op een zo goed mogelijk te controleren
wijze, hetgeen onvermijdelijk internationale (bi – of multilaterale) afspraken inhoudt.
Voor de EU is dat, omwille van de historische groei, veel ingewikkelder dan voor de
VS. Toch zijn deze afspraken, die wezenlijk te maken hebben met internationale
arbeids(her)verdeling, noodzakelijk. De reden hiervoor is dat de mensen enkel zullen
stoppen met massale emigratie wanneer ze in hun thuisland een hoopvol
toekomstperspectief zullen hebben.
127
Bijlagen
128
Bijlage 1 : Besluiten genomen in Tampere, mei 2004
In Tampere wordt besloten dat er voor mei 2004 bij unanimiteit al verschillende
beslissingen genomen moeten worden (Muus, 2001, pp 99):
-Binnengrenzen
 Opheffen van de controle voor zowel van EU onderdanen als derde
landers
-Buitengrenzen
 Kort verblijf visum
 Vrij reizen op territorium lidstaten voor kort verblijf visumhouders
-Asiel
 Criteria: welke lidstaat verantwoordelijk is
 Minimumnormen: opvang asielzoekers, aanmerken als vluchtelingen,
erkenningsprocedures
-Vluchtelingen en ontheemden
 Minmimumnormen: tijdelijke bescherming
- Illegale migranten en hun repatriëring
De termijn van mei 2004 geldt niet voor de volgende te nemen maatregelen voor:
- burden-sharing ten aanzien van de opvang van vluchtelingen en ontheemden
- langlopende visums en verblijfstitels
- vrij verkeer voor legaal, in een EU-lidstaat gevestigde, derde landers
129
Lijst van Tabellen
Tabel 1: Illegale buitenlanders in de Verenigde Staten:1980-2000 (schatting) ............. 93
Tabel 2: Uitsplitsing immigranten naar oorsprong..................................................... 109
Tabel 3: Overzicht van Amnestie programma’s......................................................... 115
130
Lijst van Grafieken
Grafiek 1: De evolutie van vreemde bevolking in EU15 van 1950 tot 1998 (in
duizendtallen)...................................................................................................... 32
Grafiek 2: De netto-immigratie voor EU15 van 1950 tot 2002 .................................... 33
Grafiek 3: Netto aantal immigranten per jaar per 1000 inwoners ................................. 37
Grafiek 4: Netto Immigratie van de EU opgsplitst naar de lidstaten in 2003 ................ 38
Grafiek 5: Evolutie van de netto-migratie in België (1990-1999)................................. 39
Grafiek 6: Evolutie van de netto-migratie in Spanje(1990-1999) ................................. 39
Grafiek 7: Evolutie van de netto-migratie in Italië(1990-1999).................................... 40
Grafiek 8: Evolutie van de netto-migratie in Denemarken(1990-1999) ........................ 40
Grafiek 9: Evolutie van de netto-migratie in Finland (1990-1999)............................... 40
Grafiek 10: Evolutie van de netto-migratie in Oostenrijk (1990-1999) ........................ 42
Grafiek 11: Evolutie van de netto-migratie in Zweden (1990-1999) ............................ 42
Grafiek 12: Mobiliteit binnen een bepaalde regio (percentages) .................................. 46
Grafiek 13: Verdeling van de buitenlandse werkbevolking in de EU15 (EU15 burgers)
............................................................................................................................ 47
Grafiek 14: Buitenlandse beroepsbevolking van en naar buurlanden (EU15-burgers) .. 48
Grafiek 15: Scholingsgraad van de EU15, de 10 nieuwe lidstaten en niet EUonderdanen (2000) .............................................................................................. 70
Grafiek 16: Arbeidsdeelname en werkloosheid in de EU, de nieuwe lidstaten en bij de
niet-EU-onderdanen ............................................................................................ 71
Grafiek 17: Immigratie naar de Verenigde Staten van Amerika ................................... 75
Grafiek 18: De evolutie van de immigratie aantallen die legaal de Verenigde Staten
binnen komen...................................................................................................... 82
Grafiek 19: Illegale en quasi-legale immigranten in de Verenigde Staten, 1990 en 2000,
opdeling naar oorsprong...................................................................................... 83
Grafiek 20: De verandering in afkomst van de immigranten........................................ 89
Grafiek 21: Illegale buitenlanders in de Verenigde Staten:1980-2000.......................... 94
Grafiek 22: Schattingen van de totale illegale bevolking, 2001 (in miljoenen)............. 95
Grafiek 23: Scholing van de illegale immigranten van de VS ...................................... 96
Grafiek 24: Gecreëerde jobs in 1990-1998 en het aantal dat door immigranten werd
opgevuld ........................................................................................................... 100
Grafiek 25: Aantallen immigranten in de EU en in de VS (in miljoenen)................... 104
131
Grafiek 26: Netto immigratie in de VS en de EU15 (in duizentallen)......................... 105
Grafiek 27: Arbeidsmarktregulering en arbeidsmarkt mobiliteit ................................ 108
Grafiek 28: Aandelen EU en niet-EU immigranten in 1997 ....................................... 110
Grafiek 29: Uitsplitsing immigranten naar oorsprong ................................................ 111
Grafiek 30: Klasse van toelating in Europa, 1998...................................................... 112
Grafiek 31: Klasse van toelating in de VS, 1998 ....................................................... 113
Grafiek 32: Aantal verleende Amnesties (in duizendtallen) ....................................... 115
Grafiek 33: Compositie van de vaardigheden van de immigranten in de VS en enkele
EU-landen, gemiddeld over de periode 1995-1998 ............................................ 117
Grafiek 34: De verschuiving van de werkbevolking in de EU15 en de VS
(voorspellingen) ................................................................................................ 119
132
Bronnen
Boeken
Aerts M., Martens A. (1978), Gastarbeiders: lotgenoot of landgenoot ?, Kritak Leuven,
pp160
Borjas G. J. (1999), Heaven’s door, Princeton University Press, pp 210
Chiswick B.R. (1982), The gateway, Washington, pp 476
Debbaut H. (1976), Vreemde arbeidskrachten in de Belgische economie, S.E.R.U.G.
Gent, pp 215
OECD (1987), The future of migration, Paris, pp 319
OECD (2000), Globalisation, migration and development, Paris, pp 325
Penninx R., Muus P. (1989), Grenzeloos migreren na 1992? Internationale migratie, ’s
Gravenhage, pp 45
Penninx R., Van Velzen L.(1977), Internationale arbeidsimmigratie, Nijmegen, pp 107
Simons J.L. (1991), The economic consequences of immigration, Oxford, pp364
Willis K.G. (1974), Problems in migration analysis, Saxon House, pp 247
U.S. Immigration and Naturalization Service (1996), Statistical Yearbook of the
Immigration and Naturalization Service, 1996, Washington D.C.
Geraadpleegde tijdschriften
Artikels uit tijdschriften en kranten zonder auteur
A degree of succes,The Economist, 17/11/2001, p36
A survey of migration,The Economist, 02/11/2002
Antwerpen: aantal schijnhuwelijken blijft stijgen, De Standaard, 13/02/2004
Bordering on panic, The Economist, 01/02/2003, p 34-35
Duitsland heeft buitenlanders dringend nodig, Het Parool, 05/07/2001
Fox will meet Bush in Mexico, Washington Times, 14/12/2003
Kluisbergen: Maleisisch-Chinees paar mag toch trouwen, De Standaard, 13/06/2003
Krachtlijnen voor een migrantenbeleid, De Nieuwe Maand, 10/1980, p 572-577
Mexico lobbies for alien amnesty, Washington Times, 04/03/2004
Migratie is de oplossing De Standaard, 01/12/2003
Nooit waren er meer asielaanvragen dan in oktober, De Standaard, 21/11/2000
Outside view : do borders matter ?, Washington Times, 01/03/2004
133
Panel cool to Bush’s visa plan, Washington Times, 25/03/2004
Please don’t (all) go, The Economist, 08/02/2003, p33
Schengen kan van uitgebreide Europese Unie versterkte burcht maken, De Standaard,
03/08/2001
Sociale onrust in Frankrijk naar kookpunt, De Standaard, 10/03/2004
Special report emigration, The Economist, 28/09/2002, p 29-32
They want in, The Economist, 08/09/2001, p 41-42
U.S. open to using cops on immigration law, Washington Times, 10/02/2004
Welcome stranger,The Economist, 08/09/2001, p 11-12
Welcome, then, provided you work,The Economist, 04/08/2001, p38-39
Artikels uit tijdschriften en kranten met auteur
Blanpain R., We zijn ‘de battle for the brains’ aan het verliezen, De Standaard,
21/01/2000
Blanpain R., Het verkeerde signaal, De Standaard, 17/02/2004
Dewael P., Migratie is niet het probleem maar de oplossing, De Standaard, 29/11/2003
Wallace K., Immigration, budget and other political issues, CNN, 07/09/2001
Artikels uit economische tijdschriften en working papers
Angrist J.D., Kugler A.D.(2001), Protective or counter-productive? European labor
market institiutions and the effect of immigrants on EU natives, National Bureau of
Economical Research, 8660
Baganha M.P. (2002), Taxation, social benefits and migration, The political economy of
migration in an integrating economy (PEMINT), 5/2002
Baldwin, Edwards (2000), The emerging European immigration regime: some
reflections on implications for Southern Europe, Journal of common market studies, vol
35, nr 4, pp497-519
Bauer T., Epstein G.S., Gang I. (2002), Enclaves, language and the location choice of
immigrants, Centre for Economic Policy Research, DP 3527
Bauer T., Kunze A. (2004), The demand for high-skilled workers and immigration
policy, Centre for Economic Policy Research, DP 4274
Blau F.D. (1984), The use of transfer payments by immigrants, Industrial and Labor
Relations Review, 37(1/1984), pp 222-239
134
Borjas G. (1991), Immigration policy, national origin and immigration skills: a
comparison of Canada with the US, National Bureau of Economical Research, 3691
Borjas G.J. (1987), Self-Selection and the earnings of immigrants, The American
Economic Review, juni 1987, vol 77/3, pp 531-553
Borjas G.J. (1991), Immigration policy, national origin and immigration skills: a
comparison of Canada and the United States, National Bureau of Economical Research,
WP 3691
Borjas G.J. (1994), Immigration and welfare, 1970-1990, National Bureau of
Economical Research, WP 4872
Borjas G.J. (1994),The economic benefits from immigration, National Bureau of
Economical Research, WP 4955
Borjas G.J. (1995), The economic benefits from immigration, Journal of Economic
Perspectives, pp3-22
Borjas G.J. (1998), Immigration and welfare magnets, National Bureau of Economical
Research, WP 6813
Borjas G.J., Bronars S.G., S.J. Trejo (1992), Self-Selection and internal migration in the
United States, National Bureau of Economical Research, WP 4002
Borjas G.J., Trejo S.J. (1991), Immigrants participation in the welfare system, Industrial
and Labor Relations Review, 44 (1/1991), pp 195-211
Bovagnet (2004), Statisctics in focus 2004, Eurostat
Bowen H.P., Wu J.P. (2003),Trade and labor mobility in a dynamic specific factor
model: theory and empirical evidence
Brücker H., Epstein G.S., Zimmerman K.F. e.a. (2001), Managing migration into the
European welfare state, Fondazione Rodolfo Debenedetti
Camarota S.A. (2001), Immigration from Mexico: Assessing the impact on the U.S.,
Center for Immigration Studies, 7/2001, ISBN 1-881290-49-2
Chau N.H. (2003), Concessional amnesty and the politics of immigration reforms,
Economics and Politics, Volume 15, juli 2003, No.2, pp 193-199
Chiquiar D.,
Hanson G.H. (2002), International migration, self-selection , and the
distribution of wages: evidens from Mexico and the United States, National Bureau of
Economical Research, WP 9242
Costanzo J., Davis C., Irazi C., Goodkind D., Ramirez R. (2001), Evaluating
components of international migration: the residual foreign born, U.S. Census, WP 61
135
Davis R.D., Weinstein D.E. (2002), Technological superiority and the losses from
migration, National Bureau of Economical Research, WP 8971
Doomernik J., Penninx R., Van Amersfoort H.(1997), A migration policy for the future:
possibilities and limitations, MPG-IMES
Dorigo G., Tobler W. (1983), Push and Pull migration laws, Annals Association of
American georgraphers, 73, 1(1983), p1-17
Ducoli B., Marchi L., Panciera S., Pozzo R., Van Molle P. (1975), Marché du travail et
l’immigration, Le comité de Liaison des Centres de Formation Immigrée de
l’Agglomération de Bruxelles
Faini R., Venturini A.(1994), Migration and growth: the experience of South Europe,
Center for Economic Policy Research, 964
Farrell C. (2002), Anti-immigration fervor is un-American, Business Week on-line,
26/04/2002
Ferrie J.P. (1996), Immigrants and natives: comparative economic performance in the
United States 1850-1860 and 1965-1980, National Bureau of Economical Research, HP
93
Hanson G.H., Robertson R., Spilimbergo A. (1999), Does border enforcement protect
U.S. workers from illegal immigration?, National Bureau of Economical Research, WP
7054
Hanson G.H., Spilimbergo A. (1996), Illegal immigration border enforment
and
relative wages: evidence from apprehensions at the US-Mexico border, National Bureau
of Economical Research, WP 5592
Hanson G.H., Spilimbergo A. (1999), Politic economics, sectoral schocks and border
enforcement, National Bureau of Economical Research, WP 7315
Heyman J.C. (1998), Why interdiction? Immigrtion control at the United States-Mexcio
border, Regional Studies, vol 33.7, pp619-630
Hoppe H.H. (1995), Free immigration or forced integration, Chronicles (ISSN 08875731), 19(7)
Ichino A. (1993), The economic impacht of immigration on the host country, FEEM,
pp215-241
Jacobs
B.,
Kalshoven
F.,
Tang
P.
http://www1.fee.uva.nl/scholar/mdw/jacobs/nl.pdf
(2003),
Noodzakelijke
links,
136
Jasso G., Rosenzweig M.R., Smith J.P. (1998), The changing skills of new immigrants
tot the United States: recent trends and their determinants, National Bureau of
Economical Research, WP 6764
Jenissen, Van der Gaag, Van Wissen (2001), Searching for similar international
migration trends in Europa, NIDI workpaper, 2001/1
Jenny R.K. (2001), Global factors and the evolution of migration policy in Europe,
International Migration Policy Programme(IMP)
Johnson S., Fitzgerald S. (2003), The U.S. and Mexico: partners in reform, Heritage,
18/12/2003
Karlson S.H., Katz E. (2002), A positive theory of immigration amnesties, Economic
Letters, 78 (2003), pp 231-239
Karlson S.H., Katz E. (2003), A positive theory of immigration amnesties, Economic
Letters, 78 (2003), pp 231-239
Karlson S.H., Katz E. (2003), A positive theory of immigration amnesty, Economic
Letters, 78(2003), pp 231-239
Leibfritz W., O’Brein P., Dumont J-C (2003), Effects of immigration on labour markets
and government budgets – an overview, CESIfo, no 874
Lowell B.L., Suro R. (2002), How many undocumented: The numbers behind the U.S.Mexico migration talks, Pew Hispanic Report, 21/03/2002
Martin P., Duignan P. (2003), Making and remaking America, immigration into the
U.S., Hoover Press, HE 25
Mc Carthy K.F., Vernez G. (1997), Immigration in a changing economy: California’s
experience, RAND
Mc Carthy K.F., Vernez G.(1997), Immigration in a changing economy: California’s
experience, RAND report
MPI (2002), A new century: Immigration and the US, Migration Information Source,
mei 2002
MPI Staff (2002), A New Century: Immigration and the U.S., Migration Information
Source, 05/2002
Rivera-Batiz F.L. (2000), Underground on American soil: undocumented workers and
US immigration policy, Journal of International Affairs, lente 2000, 53, n° 2
Rosenblum H. (2000), Drivers of economic prosperity, A presentation to the board of
direction of the federeal reserve bank of Dallas
137
Scheve K.F., SLaughter M.J. (1999), Labor market competition and individual
preferences over immigration policy, National Bureau of Economical Research, WP
6946
Schultz P.T. (1998), Immigrant quality ans assimilation; a review of the US literature,
Journal of Population Economics, nr. 11, pp 239-252
Sinn H-W (2000), EU enlargement and the future of the welfarestate, CESIfo, Juni 2000
Straubhaar, Zimmerman (1993), Towards an European migration policy, Center for
Economic Policy Review, 641
Tarwell G. (2003), Impact of diverse preferencens on governmenst expenses, Applied
economic letters, vol 10, nr 11, pp 695-698
The economic benefit of immigration (1995), Journal of economic perspectives, vol. 9,
nr 2
TsuyochiY. (2000), How immigration contributes to economic growth in the US, NLI
Research Institute
Van Dalen H.P. (2003), Generaal Pardon voor illegalen: voor- en nadelen, Nederlands
Interdisciplinair Demografisch Instituut, jaarrang 19, mei 2003
Van Dalen H.P. (2001), Immigratie: vloek of zegen voor de Nederlandse economie?,
Bevolking en gezin, 30(2001), 3, 3-36
Vervliet
E. (2001), Een voorkeur voor hooggeschoolden? Het beleid in Australië,
Canada en de Verenigde Staten, Noord-Zuid cahier, september 2001
Wijffels H.H.F. (2004), Arbeidsmobiliteit in de EU, Sociaal Econimische Raad, 01/04
Weintraub S. (2004), President Bush’s immigration proposal, Issues in International
Political Economy, Februari 2004, n° 50
Weintraub S. (2004), Presidents Bush’s Immigration Proposal, Issues in International
Political Economy, 02/2004, 50
Ximena C., Hatton T.J., Williamson J.G. (2002), Where do U.S. immigrants come from
and why?, National Bureau of Economical Research, WP 8998
Artikel in boek
Appleyard R.T., Trends in international migration in the 1990s and beyond. In :
Migration policies in Europa and the United States, Luciani G. (1993), Dordrecht, pp
33-52
138
Chiswick B.R., The performance of immigrants in the United States labor marktet. In
Economic aspects of international migration, Giersch H. (1994), Heidelberg, pp 95-114
Eichengreen B., Thinking about migration : notes on European migration pressures at
the dawn of the next millenium. In : Migration : a challenge for Europe, Horst Siebert
(1993), Universität Kiel, pp 3-23.
Muus P., De Europese Unie : de overwegingen bij een gemeenschappelijk immigratieen asielbeleid. In : Internationaal migratie colloquia, Universiteit van Utrecht, pp 94106
Reimers D.M., Recent immigration policy : an analysis. In : The gateway, U.S.
immigration issues and policies, Chiswick B.R. (1982), Washington D.C., pp13-53
Sabagh G, Los Angeles, a world of new immigrants : an image of things to come? In :
Migration policies in Europa and the United States, Luciani G. (1993), Dordrecht, pp
97-126
Stürmer M., Mass migration : the context of international security. In : Migration : a
challenge for Europe, Horst Siebert (1993), Universität Kiel, pp 31-38
Vernez G., The United States immigration reform and control act of 1986 :
implementation and effects. In : Migration policies in Europa and the United States,
Luciani G. (1993), Dordrecht, pp 83-96
Interne nota's en wetteksten
Beknopt verslag van de vergadering van 29 en 30 oktober 2002, CONV 386/02 (
6/11/2002)
COM(2000)757-C5-0100/2001-2001/2047(COS)
Conclusies van het voorzitterschap- Thessaloniki, 19 en 20 juni 2003
Current trends in international migration, Council of Europa, COMG(2001)33
De Derde Kamer, Migratie: een positieve agenda, een beleidsvoorstel uit de groep
Internationale samenwerking, november 2003
Eurostat, Demographic Statistics, 1998
High level worling group on asylum and migration – adoption of the report to the
European Council in Nice, 13993/00, 29/11/2000
Europese Commissie, Employment in Europe, 1997, p. 70; Alan B. Krueger, From
Bismarck to Maastricht: The March to European Union and the Labor Compact, Labour
Economics 7 (2000)
139
OECD
(2000),
Trends
in
immigration
and
economic
consequences,
http://www.oecd.org/dataoecd/44/45/2086160.pdf
Ontwerpadvies inzake het communautair immigratiebeleid,
Open coördinatiemethode voor het immigratie- en asielbeleid, SOC/096 (29/5/2002)
Papademetriou D.G., A Grand Bargain: balancing the National Security, economic and
immigration interests of the U.S. and Mexico, Migration Policy Institute, April 2002
U.S. Census Bureau, Statistical Abstract of the United States, 2000
Verslag over de mededeling van de Commissie over immigratie, integratie en
werkgelegenheid, COM(2000)757 definitief
Redevoeringen
Berlage J., Mobiliteit over de grenzen heen. Een economische analyse van
internationale migratie, afscheidscollege, 13/11/2003
Greenspan
A.,
speech
to
the
congress,
February
2000
(http://www.ailf.org/pubed/pe_gcp_latest_newecon.htm)
Norberg J., Open borders – for immigrants as well,
Teldersstichting, Leiden, Nederland, 25/09/2003
Annual
Telders lecture,
Download