Grote en kleine planeten Reis door het zonnestelsel Voorbereiding

advertisement
C
groep 5-6
Grote en kleine planeten
Reis door het zonnestelsel
tijdsduur
lesdoelen
benodigdheden
50 minuten
De leerling:
kerndoelen
•weet dat de acht planeten verschillend in grootte zijn
• 8 passers
• 4 A6-papier
1, 23 en 32
•leert de namen van
de planeten
•leert de volgorde van
de planeten vanaf de zon
41
• 2 A2-papier
• 2 zwarte vellen A2-papier
• A4-papier
• scharen
• linialen
• lijm
eindproduct
•een wandmodel van planeten op schaal naar grootte
Tip.
Les 44 sluit goed bij deze les
aan. Bewaar de gemaakte schaalmodellen van deze les, zodat ze in les 44 nog
een keer gebruikt kunnen worden.
Voorbereiding
Zet voor de activiteit Planeten de planeten onder elkaar op het bord, zoals in
de tabel.
Planeten
15 min.
Vertel de leerlingen dat het zonnestelsel een heleboel planeten heeft.
Hoeveel zijn dit er eigenlijk? En zijn deze planeten groter of kleiner dan
de aarde? Laat de leerlingen de planeten die ze al kennen noemen. Hierna
vullen ze opdracht 1 van het doeblad in. Hiermee leren ze de namen van
de planeten. Bespreek klassikaal wat de antwoorden zijn. Houd een stemming onder de leerlingen. Vraag de leerlingen welke planeet zij denken
dat de grootste planeet is. Zet de aantallen van de stemming achter de desbetreffende planeet op het bord. Vraag de leerlingen ook wat zij denken dat
de kleinste planeet zal zijn. Zet deze uitkomsten op het bord.
Ter info.
Pluto is sinds 24 augustus 2006 geen planeet meer, maar een
dwergplaneet. Een planeet moet aan drie eisen voldoen. Het hemellichaam moet
in een baan om de zon draaien en het moet zo groot zijn dat het door zijn eigen
zwaartekracht rond wordt. Tenslotte mag een planeet ook geen deel uitmaken van
een grote verzameling van dezelfde soort hemellichamen in hetzelfde deel van het
zonnestelsel. Pluto voldoet niet aan deze laatste eis. In de buurt van Pluto draaien
nog veel andere ijsklompen om de zon heen. Pluto lijkt heel erg op deze ijsklompen.
Daarom is Pluto geen planeet meer.
pagina
231 • Reis door het zonnestelsel • les 41 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
De leerlingen onderzoeken wat de grootste en wat de kleinste planeet is.
Planeten maken
25 min.
De leerlingen maken de planeten op schaal. De begrippen ‘diameter’ en ‘straal’
moeten voor deze activiteit bekend zijn. Leg deze begrippen zo nodig uit. De diameter is gelijk aan de middellijn. De straal is de halve diameter. Leg ook uit hoe
een passer werkt.
Schrijf van onderstaande tabel de tweede kolom (diameter) achter de planeten
op het bord. Maak de leerlingen duidelijk dat de zon heel groot is. Vertel daarbij
dat de zon geen planeet is, maar een ster. Het is interessant om te zien hoe
groot de zon is in vergelijking met de planeten.
Maak gebruik van de gegevens uit de derde kolom van de tabel om de leerlingen
een idee te geven hoe groot de planeten in het echt zijn.
In het voorbeeld is uitgegaan van een fietssnelheid van 15 kilometer per uur.
Vertel dat als je van de ene kant van de aarde, dwars door de aarde heen, naar de
andere kant zou fietsen, dat je dan 36 dagen non-stop aan het fietsen bent. Als
je hetzelfde bij de zon zou doen, zou je elf jaar bezig zijn! Maak de leerlingen
wel duidelijk dat dit alleen een voorbeeld is en dat het niet mogelijk is om door
een planeet of de zon te fietsen.
diameter
object
(in 100 km)
fietsen door het
hemellichaam
(15 km/uur, straal op schaal
24 uur per dag)
(in cm)
papierformaat
nodig
zon
13.900
11 jaar
218
-
Mercurius
49
14 dagen 1
A6
Venus
121
34 dagen
2
A6
aarde
128
36 dagen
2
A6
Mars
68
19 dagen
1
A6
Jupiter
1430
1 jaar
22
A2 + A4
Saturnus
1205
335 dagen
18
A2
Uranus
511
142 dagen
8
A4
Neptunus
495
138 dagen
8
A4
De getallen uit de tweede kolom zijn te groot om te gebruiken bij het tekenen.
Om de planeten op schaal te kunnen tekenen is daarom de vierde kolom toegevoegd. De verhoudingen zijn niet veranderd. Neem kolom vier over op het
bord. Vertel de leerlingen dat ze de planeten gaan tekenen met de getallen uit
deze kolom. De zon staat er alleen bij om aan te geven hoe groot die is.
pagina
232 • Reis door het zonnestelsel • les 41 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
Verdeel de leerlingen in groepjes van drie. Geef elk groepje een gekleurd vel
papier en een passer. Het formaat van het papier dat nodig is om de planeet
te tekenen staat in de vijfde kolom. Elk groepje maak een andere planeet. Laat
de leerlingen nu opdracht 2 van het doeblad maken en de passer afstellen
op de lengte van de straal van hun planeet. Help ze hier eventueel mee. De
planeten kunnen nu getekend, uitgeknipt en ingekleurd worden.
Plak samen de uitgeknipte planeten in de juiste volgorde op de zwarte vellen
A2-papier. Begin met de planeet die het dichtst bij de zon staat. Hang het
zonnestelsel op in het lokaal.
Welke planeet is het grootst?
10 min.
Aan het begin van de les hebben de leerlingen over de grootste en de kleinste planeet een stemming gehouden. De leerlingen hebben nu de planeten gemaakt en weten de grootte. De leerlingen vullen opdracht 3 van het
Tip.
Laat
van de groepjes
met kleine
planeten iedere
leerling een
planeet maken.
Elk groepje kiest
daarna de mooiste planeet om
op het zwarte
vel te plakken.
doeblad in.
Bespreek het doeblad. Wat is de grootste planeet? En de kleinste?
Komen de resultaten overeen met de stemming van het begin van de les?
pagina
233 • Reis door het zonnestelsel • les 41 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
pagina
234 • Reis door het zonnestelsel • les 41 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
C
groep 5-6
Grote en kleine planeten
Wat zijn namen van planeten? Zet er een cirkel om.
Jupiter / Amsterdam / Mercurius / aarde / Triton
Venus / Uranus / zon / Saturnus / Mars / kwik / Neptunus
ring / maan / Orion / Andromeda
2 Planeten maken
Wat heb je nodig?
• passer
• gekleurd vel A2, A4 of A6-papier
• liniaal
• schaar
• lijm
Wat ga je doen?
1 Doe deze opdracht met nog twee maatjes.
De leerkracht vertelt welke planeet jullie gaan maken.
2 Zoek de lengte van de straal van jullie planeet op in de tabel op het bord.
3 De afstand tussen de passerpunt en het potlood is het aantal centimeter
van de straal van de planeet.
4 Teken de cirkel met de passer.
5 Knip hem uit en kleur hem in.
6 Plak met je leerkracht de planeet op de goede plek op het zwarte vel.
pagina
235 • Reis door het zonnestelsel • les 41 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
doeblad
1 Planeten
41
zet een
cirkel om
de namen
van de
planeten
3 Welke planeet is het grootst?
a
Schrijf hieronder de namen van de planeten. Schrijf eerst de naam van
de grootste planeet. Dan de naam van de planeet die iets kleiner is.
Ga zo door. De laatste planeet is dus de kleinste planeet.
Top 8 planeten:
1
2
3
4
5
6
7
8
b
De grootste planeet is .....
schrijf HIER
de naam van
de grootste
planeet op
De kleinste planeet is .....
schrijf HIER
de naam van
de kleinste
planeet op
c
schrijf HIER
de namen van
planeten op
pagina
236 • Reis door het zonnestelsel • les 41 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
C
groep 5-6
De grootte van de maan
Reis naar de maan
tijdsduur
lesdoelen
benodigdheden
50 minuten
De leerling:
kerndoelen
• weet dat de aarde groter is
dan de maan
•13 ballonnen
•6 touwtjes
1, 23, 32,
54 en 55
(lengte van het touwtje is
• ontdekt dat iets kleiner lijkt als het verder weg staat
de omtrek van de aarde)
eindproduct
een skippybal met een
•een schaalmodel van de diameter van 75 centimeter)
aarde en de maan
• een ballon als schaalmodel van de maan
• schaalmodel van de aarde (tenminste de grootte van •scharen
Voorbereiding
Zet de vragen voor de activiteit De grootte van de maan op het bord.
Meet voor de activiteit Meet de maan de omtrek van het schaalmodel van
de aarde door met een stuk touw om de evenaar te draaien. Gebruik voor de
aarde een bal met een diameter van 75 centimeter, zoals een skippybal. Knip
het touwtje af als deze één keer rond de evenaar is geweest. Maak zo twaalf
stukken touw. Blaas ook een ballon op tot de juiste grootte van de maan: de
omtrek van de maan is ¼ deel van de omtrek van de aarde. Gebruik deze ballonmaan om snel te zien of de leerlingen op de goede weg zijn.
Zorg ervoor dat het schaalmodel van de aarde, de maan en een niet opgeblazen
ballon als maan klaarliggen.
De grootte van de maan
10 min.
Praat met de leerlingen over de maan. Soms lijkt de maan klein, soms een
stuk groter. Maar hoe groot is hij nu echt? En hoe ver zou de maan van de aarde
staan? Vraag de leerlingen wat ze nog meer over de grootte van de maan weten.
Schrijf de antwoorden op het bord.
De leerlingen onderzoeken of de maan groter of kleiner is dan de aarde.
pagina
237 • Reis naar de maan • les 42 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
42
Wat zie je?
10 min.
De leerlingen onderzoeken of iets groter of kleiner lijkt te worden als het verder
van hen af staat. Laat de leerlingen tweetallen vormen. Leerling 1 gaat tegen
een muur van het lokaal staan. Leerling 2 gaat tegenover leerling 1 staan.
Leerling 2 maakt van zijn duimen en wijsvingers een ‘lijst’ zoals het voorbeeld
op het doeblad. Deze lijst houdt leerling 2 voor zijn ogen. Hij ziet het hoofd van
leerling 1 precies in zijn lijst passen.
Leerling 2 loopt vier meter achteruit, leerling 1 blijft staan. Leerling 2 maakt
nu weer een lijst van zijn vingers en kijkt naar het hoofd van leerling 1.
Het hoofd van leerling 1 lijkt nu kleiner. Dit komt doordat hij verder weg staat.
De leerlingen wisselen van taak en vullen opdracht 1 van het doeblad in.
Meet de maan
25 min.
Is de maan echt zo klein? Of lijkt de maan zo klein omdat hij heel ver weg staat?
De leerlingen gaan de grootte van de maan ten opzichte van de aarde bekijken.
Voor deze opdracht moeten de leerlingen bekend zijn met het begrip ‘omtrek’.
Als dit niet het geval is, leg dat dan uit.
Laat de leerlingen de aarde op schaal zien. Elk tweetal krijgt een ballon.
De ballon stelt de maan voor. Geef de leerlingen de opdracht om de ballon op te
blazen, net zo groot als dat zij denken dat de maan is ten opzichte van de aarde
op schaal. Als de leerlingen denken dat de grootte van de ballon klopt, legt u er
een knoop in.
Nu de leerlingen een schatting hebben gemaakt van de grootte van de maan
gaan ze meten of hun schatting klopt. Vertel de leerlingen dat de omtrek van
de aarde ongeveer 40.075 kilometer is. De omtrek van de maan is ongeveer 4
keer zo klein: 10.920 kilometer. Pak de touwtjes met de lengte van de omtrek
van de aarde. Laat de leerlingen zien dat dit touwtje precies één keer de omtrek
van de voorbeeldaarde is. Vraag de leerlingen hoe lang het touwtje moet zijn als
deze één keer om het midden van de maan kan. De leerlingen bedenken dat zij
het gekregen touwtje in vier gelijke delen moeten knippen.
Verdeel de leerlingen in groepjes van vier en laat ze opdracht 2 van het doeblad
doen. Bespreek de opdracht na. Zijn er leerlingen die hun ballon goed hadden
opgeblazen? Waarom dachten ze dat dit de goede grootte was? Waren er kinderen
die dachten dat de maan groter was?
Hoe groot is de maan?
5 min.
De leerlingen vullen opdracht 3 van het doeblad in. Vraag de leerlingen wat ze
hebben ingevuld. Waarom denken ze dat? De maan ziet er kleiner uit dan hij
eigenlijk is, omdat deze zo ver van de aarde afstaat. Net zoals de leerlingen
hun maatje door de ‘lijst’ ineens kleiner zagen.
pagina
238 • Reis naar de maan • les 42 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
C
groep 5-6
De grootte van de maan
a
doeblad
1 Wat zie je?
42
Teken hieronder hoe je jouw maatje door je handen ziet:
maatje
dichtbij
pagina
239 • Reis naar de maan • les 42 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
maatje
ver weg
b
Omcirkel het juiste antwoord: als iets verder weg is, lijkt het:
groter / kleiner
c
Wat denk jij? Is de maan groter of kleiner dan de aarde?
pagina
240 • Reis naar de maan • les 42 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
2 Meet de maan
Wat heb je nodig?
• touw
• schaar
• ballon
Wat ga je doen?
Je hebt een inschatting gemaakt van de grootte van de maan.
Je gaat nu meten of je ballon de goede grootte heeft.
Knip met je groepje het touwtje in vier gelijke stukken.
1 Vouw het touwtje twee keer dubbel.
2 Knip de touwtjes aan de zijkanten open. Je hebt nu vier gelijke stukken.
Als het afgeknipte touwtje precies één keer om het midden
van jouw maan past dan is de maan precies goed opgeblazen!
a
Het touwtje was
te lang / te kort / precies goed
b
Mijn maan is dus
te groot / te klein / precies goed
c
Het lange touwtje dat de leerkracht om het midden van de aarde
deed paste vier keer om het midden van de maan.
Omcirkel nu het juiste antwoord.
De omtrek van de aarde is dus vier keer zo
pagina
groot / klein
als de maan.
241 • Reis naar de maan • les 42 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
3 Hoe groot is de maan?
De omtrek van de maan is vier keer zo klein als de omtrek van de aarde.
Maar in het echt ziet de maan er nóg kleiner uit dan hij eigenlijk is.
Hoe komt dat?
pagina
242 • Reis naar de maan • les 42 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
C
groep 5-6
Hoe ontstaan Marskanalen?
Reis naar Mars
tijdsduur
lesdoelen
benodigdheden
45 & 30
De leerling:
minuten,
• weet dat water een kanaal kan vormen
• foto landschap op Mars (bijlage)
• foto Mars (bijlage)
verdeeld over
2 dagen
• ziet dat kanalen gevormd door water, ronder zijn dan 43
• foto Marskanalen (bijlage)
• 24 kartonnen schoteltjes
• 24 bakjes
• 12 bakken
kerndoelen
kanalen die gegraven zijn 1 en 54
door apparaten of mensen
• 12 eetlepels
•12 houten ijsstokjes
eindproduct
• 12 bakjes (om het water in op te vangen)
• 12 plastic bekers
•een stuk Mars
met Marskanalen
•A4-papier
• gips
• prikpennen
• rode verf
• kwasten
Voorbereiding
Pak voor de activiteit Wat zie je op Mars? de foto van het landschap op Mars,
Mars en de Marskanalen uit de bijlage.
Zet voor de activiteit Maak een Marskanaal twaalf materiaalbakken klaar.
Zet een portie gips, een bakje water, een leeg bakje om het gips in te mengen,
een plastic beker, een houten ijsstokje, een prikpen, zand, een kartonnen
schoteltje en een bakje (om het water in op te vangen) in de materiaalbak.
Voor de activiteit Hoe zit het nu precies? hebben de leerlingen de foto van
Mars nodig uit de bijlage. Kopieer deze voor de leerlingen in kleur.
Wat zie je op Mars?
15 min.
Geef de leerlingen een vel A4-papier en een pen. Laat de leerlingen snel achter
elkaar de foto’s van het landschap op Mars, Mars en de Marskanalen zien.
Vraag de leerlingen hierna op te schrijven wat hen is bijgebleven. De leerlingen
mogen tekenen en schrijven. Vraag de leerlingen of ze kanalen hebben gezien.
Laat nogmaals de foto van de Marskanalen zien. Vertel de leerlingen dat experts
denken dat de kanalen op Mars zijn ontstaan doordat er vroeger vloeibaar water
is geweest. De Italiaanse astronoom Giovanni Schiaparelli meende donkere,
rechte lijntjes op Mars te zien. Hij noemde deze ‘canali’, wat vertaald werd
naar ‘canals’. Dit suggereert dat de kanalen kunstmatig aangelegd waren en
dit dus het werk van intelligente Marsbewoners zou zijn. Met name de Amerikaanse sterrenkundige Percival Lowell was ervan overtuigd dat de Marskanalen
door Marsmannetjes gemaakt zijn. We weten nu dat dat niet zo is. De kanalen
zijn waarschijnlijk ontstaan door stromend water.
pagina
243 • Reis naar Mars • les 43 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
De leerlingen onderzoeken hoe de kanalen op Mars zijn ontstaan.
Maak een Marskanaal
30 min.
De leerlingen werken in tweetallen. Geef elk tweetal een materiaalbak.
Leg uit dat het gips vrij snel hard wordt. Je krijgt het dan moeilijk ergens van af.
Ter info. Het
werkelijke Marslandschap bestaat niet
uit gips, maar met
gips kun je goed het
verschil laten zien
tussen natuurlijk
en niet-natuurlijk
gevormde kanalen.
De leerlingen moeten daarom voorzichtig zijn. De leerlingen volgen het stappenplan bij opdracht 1 op het doeblad. Let erop dat ze ongeveer 20 minuten
moeten wachten voor ze de kanalen in het gips (het Marsoppervlak) kunnen
maken met water en een lepel. Op deze manier wordt duidelijk
of natuurlijk gevormde kanalen er anders uitzien dan kanalen die door de mens
gemaakt zijn. Help de leerlingen waar nodig met het maken van het gips en
de kanalen. Zet alle schoteltjes weg als de leerlingen klaar zijn en leg de namen
erbij van degenen die het Marslandschap gemaakt hebben. Laat het gips een
dag drogen.
Hoe zit het nu precies?
15 min.
De leerlingen vergelijken de volgende dag de twee Marslandschappen.
Ze bekijken het verschil tussen kanalen die met een lepel zijn gemaakt en
die door water zijn gemaakt. De leerlingen maken opdracht 2 van het doeblad.
Geef de leerlingen de gekopieerde foto van Mars. Laat ze aan de hand hiervan
hun planeet rood verven.
Wetenschappers aan het woord
15 min.
Bespreek het doeblad en vertel de leerlingen dat wetenschappers goed hebben
gekeken of de kanalen met de hand gemaakt kunnen zijn. Net als de leerlingen
hebben de wetenschappers ook experimenten gedaan om dit te onderzoeken.
De experts zijn tot de conclusie gekomen dat de kanalen die met water gemaakt
zijn, anders gevormd zijn dan kanalen die met apparatuur zijn gemaakt.
Daarom denken de experts nu dat er ooit door de kanalen water heeft gestroomd.
Laat de leerlingen nogmaals de foto van het landschap op Mars zien.
Vertel de leerlingen dat kanalen kunnen ontstaan doordat de grond door het
water wordt meegenomen. Het water slijt als het ware een gat in de grond.
pagina
244 • Reis naar Mars • les 43 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
C
groep 5-6
Hoe ontstaan Marskanalen?
Van je leerkracht krijg je een materiaalbak voor dit experiment.
Lees het experiment goed door voordat je begint. Het gips wordt snel hard.
Wat ga je doen?
1 Pak de plastic beker. Prik met de prikpen in de onderkant van deze
beker een gaatje. Pas op: houd je hand niet aan de onderkant van de beker.
2 Doe twee eetlepels gips in het lege bakje.
3 Giet nu voorzichtig een scheutje water bij het gips.
Roer met de lepel totdat je een stevige pap hebt.
4 Verdeel de pap over twee kartonnen schoteltjes. Strijk het gips
glad met de onderkant van de lepel. Wacht 20 minuten.
5 Het gips voelt nu als klei. Zorg dat je de beide schoteltjes
tegelijkertijd maakt. Kies bij de volgende stappen allebei
een schoteltje. Zo kun je sneller werken.
6 Schoteltje 1: Maak met een houten ijsstokje
in het gips van schoteltje 1 een aantal lijnen.
7 Schoteltje 2: Houd schoteltje 2 schuin boven het opvangbakje.
Zorg dat het gips er niet af druipt.
8 Pak de plastic beker met het gaatje. Houd je vinger op het gaatje.
Dit zijn je niet-natuurlijke kanalen.
Vraag of je maatje er een beetje water in wil gieten.
9 Druppel vanaf de bovenkant water op het gips. Houd het water steeds even-
tjes op dezelfde plek. Zo ontstaan er kanalen. Zet het bekertje weg als je
kanalen hebt gemaakt.
pagina
245 • Reis naar Mars • les 43 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
doeblad
1 Maak een Marskanaal 43
Laat het restwater van het gips lopen in een opvangbakje.
Zet het schoteltje weer recht neer.
10 Laat de schoteltjes met gips drogen.
2 Hoe zit het nu precies?
Je hebt twee gipsen landschappen gemaakt. Kijk als ze droog zijn goed
naar beide landschappen.
a
Welke verschillen zie je?
b
Waar komt dit verschil door, denk je?
c
Onderzoekers hebben het oppervlak van Mars bestudeerd.
Ook hebben zij experimenten gedaan zoals jij nu met het gips hebt gedaan.
Denk je dat de kanalen op Mars door mensen zijn gemaakt,
zoals ook astronoom Percival Lowell dacht?
omcirkel
ja / nee, want
d
Ben je klaar met de opdrachten? Verf jouw landschap net zo rood als
het oppervlak van Mars in het echt. Lijkt het goed?
pagina
246 • Reis naar Mars • les 43 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
het juiste
antwoord
en schrijf
de uitleg
erbij
C
groep 5-6
De acht planeten
Reis naar andere hemellichamen
tijdsduur
lesdoelen
eindproduct
80 minuten
De leerling:
•ieder groepje heeft
• weet welke planeten
manen hebben
een pagina gemaakt
kerndoelen
• weet welke planeten
ringen hebben
Het geheel vormt een
• weet welke kleur
de verschillende
verschillende planeten.
planeten hebben
benodigdheden
• weet wat een maan is
• weet wat een ring van
• boeken en tijdschriften
over planeten
een planeet is
• A3-papier
• tijdschriften om mee
1, 5, 6, 8, 23,
54 en 55
• leert samenwerken
over één planeet.
encyclopedie over de
te knutselen
• lijm
•kleurpotloden
Tip. Gebruik eventueel de gemaakte
• iets om encyclopedie pagina’s mee te bundelen
schaalmodellen van het zonnestelsel uit
les 41 bij deze les.
Voorbereiding
Haal voor de activiteit Informatie verzamelen allerlei boeken en tijdschriften
over planeten uit de bibliotheek. Leg deze voorin de klas.
De acht planeten
15 min.
Teken de zon links op het bord. Teken rechts van de zon 8 cirkels in een rij
achter elkaar. Deze cirkels stellen de acht planeten voor. Vraag de leerlingen
wie er (nog) weet welke planeten er in ons zonnestelsel zijn. Hoe heet de planeet die het dichtst bij de zon staat? Ga alle planeten af en schrijf de namen van
de planeten onder de cirkels op het bord. Dit zijn vanaf de zon:
Mercurius • Venus • aarde • Mars • Jupiter • Saturnus • Uranus • Neptunus
pagina
247 • Reis naar andere hemellichamen • les 44 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
44
Vertel de leerlingen dat niet al deze planeten hetzelfde zijn. Er zijn een aantal planeten die ringen hebben. Ook zijn er planeten die één of meerdere manen hebben.
Bespreek met de leerlingen of de aarde één van de planeten is die een ring heeft.
Kom tot de conclusie dat dit niet zo is. Heeft de aarde een maan? Is er maar één
maan of zijn het er meer? Kom tot de conclusie dat de aarde één maan heeft.
Vraag de leerlingen welke kleur de aarde heeft als je die van een afstand zou
bekijken. De aarde heeft allerlei verschillende kleuren, onder andere blauw,
groen en geel. Kom tot de conclusie dat de aarde er vanaf een afstand blauw uitziet omdat er zo veel water op aarde is. Schrijf de resultaten bij de cirkel ‘aarde’
op het bord door een maan te tekenen en er een ‘1’ bij te zetten. Schrijf in de
cirkel de woorden blauw, groen, geel en rood om aan te geven dat dit de kleur van
de planeet is.
De leerlingen onderzoeken de verschillen en overeenkomsten tussen
de acht planeten.
Informatie verzamelen
50 min.
Verdeel de leerlingen in groepjes van vier. Deel ieder groepje in bij één bepaalde
planeet. Kies vooral de planeten uit waarvan de leerlingen nog niet zoveel weten. Vertel de leerlingen dat ze met de hele klas een encyclopedie gaan maken
over de planeten. Ieder groepje maakt een pagina over de planeet waarbij ze
zijn ingedeeld. Als die allemaal klaar zijn, worden de pagina’s gebundeld en is
er een mooi overzicht van de planeten. Voor de pagina’s van de encyclopedie
kunnen de leerlingen de boeken gebruiken die voor in de klas liggen. Ze kunnen
ook gebruik maken van internet. De pagina moet informatie geven aan anderen
die hier nog niets van af weten. Er moet worden gelet op kopjes en alinea’s.
De leerlingen illustreren de tekst aan de hand van foto’s of plaatjes. Ze kunnen
deze uit de boeken kopiëren of printen vanaf een website.
Naast een stuk tekst met illustraties, maken de leerlingen op een creatieve
manier hun planeet. Dit kan bijvoorbeeld door stukjes papier van een pagina te
scheuren die in de kleur is van de planeet. Deze stukjes papier plakken ze dan
op een vel papier waardoor een gekleurde cirkel ontstaat. Eventuele ringen
worden ook op die manier toegevoegd. Ook wordt op een creatieve manier aangegeven hoeveel manen de planeet heeft.
De leerlingen verzamelen zoveel mogelijk informatie over hun planeet. De groepjes
bespreken van tevoren wat ze gaan maken en hoe ze het gaan maken. De volgende
informatie moet in ieder geval op de pagina terug te vinden zijn. Schrijf deze vragen
op het bord:
• Welke kleur(en) heeft de planeet?
• Hoeveel manen heeft de planeet?
• Heeft de planeet ringen?
Op de pagina kunnen de leerlingen ook beschrijven hoe lang een dag op die planeet
duurt, wat de gemiddelde temperatuur op de planeet is, of de planeet groter of
kleiner dan de aarde is et cetera.
pagina
248 • Reis naar andere hemellichamen • les 44 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
In onderstaande tabel is te zien welke planeten ringen hebben en hoeveel manen
de planeten hebben.
planeet
ringen?
aantal manen
kleur
Mercurius
nee
0
Donker grijs
Venus
nee
0
Wit (wolken), geel/oranje
aarde
nee
1
Blauw, groen, geel, rood
Mars
nee
2
Rood, oker
Jupiter
ja
63
Bruin, rood en wit
Saturnus
ja
60
Geel, richting polen groener
Uranus
ja
27
Cyaan (turkoois)
Neptunus
ja
13
Blauwgroen
De verschillen en overeenkomsten 10 min.
Vraag ieder groepje kort een presentatie te geven over wat er op hun pagina
staat. Hierbij laten ze hun zelfgemaakte planeet zien. Vraag één van de leerlingen naar voren te komen om de eventuele ringen bij de juiste planeet op het
bord te tekenen. Als de planeten één of meerdere manen heeft, tekent de leerling een maan en schrijft erbij hoeveel manen de planeet heeft (zie voorbeeld
op het doeblad). Ook schrijft de leerling de kleur van de planeet op het bord.
Tijdens de presentaties vullen de andere leerlingen met kleurpotloden opdracht 1
van het doeblad in. Na de presentatie vullen ze de laatste vragen bij stap 4 in.
Wat zijn ringen en manen?
5 min.
In deze les zijn de leerlingen te weten gekomen of verschillende planeten
manen of ringen hebben. Maar weten de leerlingen wel wanneer een hemellichaam een maan is? En waar bestaan de ringen eigenlijk uit? Weten de leerlingen hier de antwoorden op? Leg uit dat een maan een hemellichaam is dat
om een planeet draait. De ringen van planeten zijn stukjes gruis en rots.
pagina
249 • Reis naar andere hemellichamen • les 44 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
pagina
250 • Reis naar andere hemellichamen • les 44 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
C
groep 5-6
1 De verschillen en overeenkomsten
Wat heb je nodig?
• kleurpotloden
Wat ga je doen?
1 Kleur de cirkels in de kleur van de planeet.
2 Teken de ringen bij de juiste planeten.
3 Schrijf bij elke planeet hoeveel manen die heeft.
doeblad
44
De acht planeten
De aarde is al voorgedaan.
schrijf
HIER op
hoeveel
manen
de planeet
heeft
kleur
alle
rondjes
in met de
juiste kleur
Mercurius
blauw
groen
geel
rood
aarde
pagina
Venus
1
Mars
251 • Reis naar andere hemellichamen • les 44 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
kleur
alle rondjes
in met
de juiste
kleur
schrijf
HIER op
hoeveel
manen
de planeet
heeft
Jupiter
Saturnus
Uranus
Neptunus
a
Welke planeet heeft de meeste manen?
b
Welke planeet heeft de minste manen?
c
De planeten met ringen zijn:
d
De planeten zonder ringen zijn:
pagina
252 • Reis naar andere hemellichamen • les 44 • Bronnenboek Reis door de ruimte in 80 lessen
Download
Random flashcards
Create flashcards