File - Engels proefwerkweek 3!

advertisement
§2.1 – Onderontwikkeld, ontwikkeld en in ontwikkeling
Je kunt welvaartsverschillen op aarde aanduiden met verschillende begrippen:
Arm – rijk (gaat alleen over economische welvaart en kan verward worden met bodemschatten,
zoals bijvoorbeeld ‘rijk aan zout’)
Derde Wereld (is een politieke term, maar met de val van de Berlijnse muur verdween de Tweede
Wereld, namelijk socialistisch Oost-Europa)
Noord – Zuid (is een geografische term, vooral gebruikt in de jaren ’70 om politieke ladingen te
vermijden. Alleen liggen er ook ontwikkelingslanden in het noorden en ontwikkelde landen in het
zuiden)
Ontwikkeld – onderontwikkeld (omstreden termen, want kan ook duiden op hoge beschaving,
terwijl een land toch arm is, zoals India)
We spreken vaak van ontwikkelingslanden, maar niet alle landen zijn even ver (onder)ontwikkeld. Er
zijn verschillende dimensies van ontwikkeling:
1. economische dimensie (mate waarin een land door productie van goederen en diensten in
behoefte van de bevolking kan voorzien)
2. sociale dimensie (waarborging van sociale mensenrechten, zoals toegang tot onderwijs en
gezondheidszorg)
3. politieke dimensie (hoeveel invloed heeft de bevolking op belangrijke beslissingen in het
land)
4. culturele dimensie (mate waarin mensen in het land hun culturele identiteit vorm geven)
5. ecologische dimensie (manier waarop rekening wordt gehouden met het milieu)
Voorbeelden van verschillen in de dimensies:
- economische verscheidenheid: Aziatische Tijgers zoals Taiwan en Zuid-Korea hebben de
afgelopen jaren een grote sprong voorwaarts gemaakt vanuit armoede en zijn nu belangrijke
industriële producenten.
- sociale ongelijkheid: verschilt per land, communistische en socialistische landen hebben
medische zorg en onderwijs goed geregeld. In ontwikkelingslanden als Congo is dat slechts
voor de elite weggelegd.
- politieke verschillen: manier van besturen. Cuba en Noord-Korea gedijen onder een dictator,
maar India is een democratie. In Afrika zijn veel dictaturen en de bevolking heeft niks te
zeggen.
- culturele verscheidenheid: bijvoorbeeld Mexico, dat was al vroeg een land met culturele
tradities, maar de kolonisten hebben alles vernietigd. Ook de plaats die godsdienst inneemt
in de samenleving beïnvloedt het dagelijks leven. In Nigeria en Sudan overheerst de islam en
daar is de positie van mannen en vrouwen en de vrouwenbesnijdenis op terug te voeren.
- ecologische verschillen: de natuurlijke omgeving verschilt per land. Zo is er in de Sahellanden
verwoestijning en in Brazilië ontbossing.
§2.2 – Overeenkomsten tussen ontwikkelingslanden
Zachte staat: land met scherpe regelgeving maar zwakke handhaving.
Cultureel imperialisme: westerse normen en waarden worden overgedragen op de plaatselijke
bevolking in koloniën (zoals democratie en mensenrechten).
Gini-coëfficiënt: verdeling van het inkomen over de bevolking.
Ontwikkelingslanden hebben ook gemeenschappelijke kenmerken:
1. veel armoede (de landen klimmen op naar hogere welvaart en welzijn, maar nog steeds
leven veel mensen in armoede. Men kijkt naar het inkomen dat nodig is om aan de minimale
2.
3.
4.
5.
6.
7.
behoeftes te voldoen en stelt dan twee armoedegrenzen vast: 1 dollar per dag en 2 dollar
per dag. Op de hele wereld leeft 19% van de mensen van 1 doller per dag of minder)
eenzijdige economische structuur (het nationaal product wordt vooral bepaald door
eenzijdige export van een bepaald product. In ontwikkelingslanden zijn dat vaak
landbouwproducten. Ontwikkelingslanden als Zuid-Korea, India, China en Brazilië exporteren
ook vooral industrieproducten)
ongelijke inkomensverdeling (inkomen is slecht verdeeld over de bevolking. Te berekenen
met de Gini-coëfficiënt: 0 is volledige gelijkheid, bij 1 verdient één persoon alles)
veel sociale problemen (weinig scholing en slechte gezondheid omdat er weinig artsen zijn,
hoog geboortecijfer omdat kinderen kunnen werken en een oudedagvoorziening zijn, en
hoog sterftecijfer door weinig voeding of schoon drinkwater)
bestuurlijke problemen (corrupte ambtenaren, vaak niet gekwalificeerd en verdienen te
weinig volgens henzelf. Daarbij vaak verdeeld door kolonialisme, wat leidt tot etnische
tegenstellingen)
bedreiging lokale cultuur (door westerse invloed kwamen culturen onder druk te staan, en
ook nu is er cultureel imperialisme om westerse normen en waarden als het principe van
democratie en mensenrechten te verspreiden. Bedreiging kan ook door kappen hardhout)
aantasting milieu (geen wetgeving of geld in arme landen om milieu te beschermen en
daarom gaan ook westerse bedrijven er vuil storten tegen een kleine betaling aan
ontwikkelingslanden)
§2.3 – Hoe meet je ontwikkeling?
BNP: Bruto Nationaal Product, totale inkomen van een land.
Indicator: verschillende aanwijzingen of kenmerken waaraan je kunt meten hoe ontwikkeld een land
bijvoorbeeld is.
 BNP per hoofd van de bevolking
Men deelt het bruto nationaal product door het aantal inwoners en dan heb je het bnp per
capita. Er zijn echter bezwaren:
- zegt niets over verdeling van rijkdom
- deze meetmethode heeft te maken met de koopkracht, maar er zijn enorme prijsverschillen
tussen landen. Daarvoor meet men eerst de prijsverschillen en zet die in statistieken. Dat
heet Purchasing Power Parity (PPP), de gelijkwaardigheid van koopkracht.
 Levensverwachting en onderwijs
Men kijkt hoe oud mensen gemiddeld worden, omdat de levensverwachting de gezondheid en
kwaliteit en kwantiteit van de voeding weerspiegelt. Ook kijkt men naar onderwijs: welk deel van
de bevolking heeft hoger onderwijs genoten en hoeveel mensen kunnen lezen en schrijven?
 Human Development Index (HDI)
Een preciezer meetinstrument waarin bnp per capita, levensverwachting en onderwijs
gecombineerd worden. Elke indicator wordt eerst afzonderlijk berekend en van die drie samen
wordt het gemiddelde genomen (tussen 0 en 1). Hoe hoger, des te beter ontwikkeld. Resultaten
worden gepresenteerd in het Human Development Report. Men onderscheidt:
- hoge menselijke ontwikkeling (+ 0,800
- gemiddelde menselijke ontwikkeling (0,500 - < 0,799
- lage menselijke ontwikkeling (0 - < 0,499)
Kritiek: respect voor mensenrechten en mate van democratie en ongelijkheid zijn niet
opgenomen.
§2.4 – Theorieën ter verklaring van onderontwikkeling
Alle theorieën die (onder-)ontwikkeling probeerden te verklaren, zijn gebaseerd op
verlichtingsdenken uit de 18e eeuw, toen (mogelijkheid tot) vooruitgang benadrukt werd.
 Moderniseringstheorie: alle landen bevinden zich in een evolutionair proces, ze
moderniseren. Walt Rostow (1916-2003) schreef de Five Stages of Economic Growth. Dat
wil zeggen dat samenlevingen groeien naar een maatschappij waarin massaproductie is en
waar duurzame consumptiegoederen voor grote delen van de bevolking beschikbaar zijn.
1. traditionele samenleving (economie nauwelijks ontwikkeld)
2. voorwaarden voor take-off (hoger investeringsniveau, opleidingsniveau en opkomst van
private sector)
3. take-off vindt plaats (economische bloei, ook profijt voor armen)
4. verbreding modernisering (volwassen economie is ontstaan)
5. massaproductie en –consumptie (eindstadium)
Hoe beter de voorwaarden voor take-off, des te sneller en beter de ontwikkeling. Nu zijn hierbij
interne factoren een verklaring voor onderontwikkeling (= kapitaal, scholing, politieke en sociale
structuur). Voor de ontwikkeling zijn investeringen, menselijk kapitaal en internationale handel
belangrijk. Engeland deed dit in 150 jaar, de VS in 70 jaar, Taiwan en Korea in 30 jaar en China in 20
jaar.
 Kritische theorieën: zijn minder optimistisch. Ontwikkeling gaat gepaard met ongelijkheid,
politieke spanningen, overheersing en geweld (Karl Marx, Friedrich List, John Maynard
Keynes, Gunnar Myrdal) Je hebt de:
o Afhankelijkheidstheorie: probleem = afhankelijkheid.
- Ontwikkeling en onderontwikkeling zijn verbonden met/ afhankelijk van elkaar,
want onderontwikkeling is (mede) een gevolg van ontwikkeling van rijke landen. - - Vroeger waren landen koloniën van bijvoorbeeld Engeland of Frankrijk, huidige
ontwikkelingslanden zijn nog steeds afhankelijk van westerse afzetmarkten en
investeringen.
- Deze landen zitten in een wurggreep en kunnen er nauwelijks uit ontsnappen
(André Gunder Frank, Raúl Prebisch)
o Wereldsysteemtheorie: probleem = ongelijke ontwikkeling.
- Ontwikkeling van het ene land kwam en ging sneller dan in een ander land,
waardoor het eerste land het tweede kon overheersen (imperialisme). –
- Monopoliekapitalisme: imperialisme gedijt goed onder het moderne kapitalisme,
omdat het wordt gedomineerd door grote ondernemingen (Vladimir Lenin).
- Immanuel Wallerstein kwam met de wereldsysteemtheorie. Ook hier is
alleenheerschappij van het westen uniek, omdat het leidde tot economisch
imperialisme.
- Landen kunnen wel aan imperialisme ontsnappen en kapitalisme is daarbij de
progressieve kracht.
Via deze theorieën komen we tot mogelijke oplossingen:
- kritische theorieën willen veranderingen brengen in bestaande machtsverhoudingen en ook
veranderingen in geïndustrialiseerde landen
- moderniseringstheorieën willen verandering in arme landen zelf, door bijvoorbeeld betere
scholing en betere gezondheidszorg.
§3.1 – Helpen of samenwerken?
Donorland: land dat ontwikkelingshulp geeft.
Ontwikkelingssamenwerking: geheel van activiteiten waarbij welvarende landen, particuliere
organisaties, individuen, bedrijven en ontwikkelingslanden proberen ontwikkelingslanden tot grotere
welvaart te brengen (= hulp geven, maatregelen nemen, duurzaam).
Ontwikkelingshulp: het geven van geld, goederen en diensten aan ontwikkelingslanden om de
welvaart en het welzijn in die landen te bevorderen (=gift/lening met zachte voorwaarden,
producten als maïsmeel, sturen van experts). Komt meestal van regeringen.
Probleem: je mag alleen van ontwikkelingshulp spreken als het hulp is aan een ontwikkelingsland,
maar er is geen algemeen aanvaarde definitie van wat ontwikkelingslanden zijn!
Oplossing: Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie van Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelt, in overleg met donoren, elke 3 jaar een lijst op met
landen die gelden als ontwikkelingsland.
Particuliere ontwikkelingshulp: individuen geven geld om activiteiten in een ontwikkelingsland uit te
voeren.
§3.2 – Motieven achter ontwikkelingssamenwerking
Marshallhulp: economische hulp die de VS na 1949 aan de allerarmste landen gaven voor de
wederopbouw. Indirect probeerde men ook het communisme in te dammen.
Gebonden hulp: hulp die voortkomt uit commerciële motieven. Een ontwikkelingsland moet geld dat
het krijgt van een donorland gericht besteden, bijvoorbeeld aan medische apparatuur.
Als individu kun je ontwikkelingshulp geven om bijvoorbeeld religieuze motieven of medelijden.
Regeringen geven ontwikkelingshulp om:
1. Politieke en strategische motieven:
Dit is wat Truman na 1949 deed toen de democratie in gevaar was: Marschallhulp voor het
wederopbouwen van Europa en zo het behouden van de democratie. Zo gaf Amerika ook
veel hulp aan landen als Pakistan, Afghanistan en Irak met als strategisch doel om terrorisme
te bestrijden. Voor Nederland zijn deze motieven niet zo belangrijk. Wel maakte Nederland
vanaf 1975 jaarlijks een vast bedrag over aan Suriname, maar bij onrust of een andere
staatsvorm van democratie werd die ontwikkelingshulp tijdelijk ingetrokken.
2. Economische en commerciële motieven:
Hulp in de vorm van goederen of diensten waarbij westerse landen hun eigen bedrijfsleven
voorrang geven om dit te ondersteunen. Zo gaf Nederland veel DAF vrachtwagens toen DAF
dat steuntje in de rug nodig had. Er is ook gebonden hulp: het geven van geld, zodat het
ontwikkelingsland dat vervolgens aan door jou gekozen producten uitgeeft. Dit mag vaak niet
meer, omdat die goederen duurder zijn van op de wereldmarkt. Tegenwoordig is het belang
van het Nederlandse bedrijfsleven ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de
ontwikkelingslanden, maar nog een klein beetje is gebonden hulp.
3. Etisch-humanitaire motieven:
Komt vaak voort uit een godsdienst (naastenliefde) of politieke overtuiging (solidariteit). Op
korte termijn wordt er iets gedaan aan de noodsituatie en het langetermijnperspectief is
vrede. Dit motief wordt de laatste jaren steeds meer onderbouwd vanuit de mensenrechten.
De URVM stelt dat de mens een aantal sociale rechten heeft en de Nederlandse regering
erkent zijn morele plicht om sociale en politieke mensenrechten na te leven en armoede te
bestrijden.
De bovengenoemde motieven zijn overlappend (land geeft geld uit strategische overwegingen – aan
kerkelijke organisatie – geld wordt besteed aan voedselhulp voor armsten – door transport met
nieuwe vrachtwagens = 3 in 1). Als een regering besluit een heel arm land te helpen, dan weegt het
humanitaire motief het zwaarst. Als de hulp naar een land met ‘opkomende markt’ gaat, dan zal het
commerciële motief doorslaggevend zijn.
Motievendriehoek:
Er zijn nog 3 wat minder belangrijke motieven:
1. Milieu: ontwikkelingslanden hebben geen geld of kennis om iets aan milieuproblemen te
doen, en aangezien die grensoverschrijdend zijn, is hulp in het belang van zowel westerse als
ontwikkelingslanden.
2. Illegale migratie: arme mensen willen hun geluk in het westen zoeken, en het feit dat ze in
Europa proberen binnen te dringen, geeft problemen. Daarom werkt de EU samen om
economisch perspectief te bieden in landen van herkomst.
3. Culturele motieven: landen als Frankrijk willen hun taal, cultuur, literatuur en film
verbreiden. Daarom geven ze universiteiten, filmmakers en uitgevers geld om bijvoorbeeld
de Franse taal te bewaren.
§3.3 – Ontwikkelingsstrategieën
Groene revolutie: kapitalistische ontwikkelingsstrategie die het accent legt op het verhogen van de
landbouwproductie.
Importsubstitutie: het accent ligt nu op industrialisatie. De eigen markt wordt beschermd door hoge
importtarieven en men gaat zelf producten produceren die voorheen geïmporteerd werden.
Exportgeleide groei: de regering stimuleert bedrijven te produceren voor de wereldmarkt.
Ontwikkelingslanden hebben ook strategieën om uit de armoede te komen:
ontwikkelingsstrategieën. Er zijn twee hoofdstromen:
1. Kapitalistische strategieën (vrijemarktmechanisme, kleine rol overheid):
- groene revolutie: strategie die het accent op het verhogen van de landbouwproductie legt,
bijvoorbeeld meer rijst exporteren, zoals India in de jaren ’60.
- importsubstitutie: strategie die het accent op industrialisatie legt, door bijvoorbeeld zelf
goederen te gaan produceren die voorheen werden geïmporteerd. Hierbij moet de eigen
markt beschermd worden met hoge importtarieven. Populair in Brazilië in ’50 en ’60.
- exportgeleide groei: strategie die ook accent legt op industrialisatie. Regering stimuleert
bedrijven te produceren voor de wereldmarkt. Met het verlenen van vergunningen en
leningen kan men de industrialisatie reguleren. Populair in Oost-Azië.
2. Socialistische strategieën (overheid stuurt en plant, staatsbedrijven, collectieve landbouw):
De belangrijkste industrieproducten worden in staatsbedrijven geprocudeerd, de landbouw
is coöperatief en collectief. In bijvoorbeeld de Sovjet-Unie lag het accent op industrialisatie,
in China meer op landbouw, en in Joegoslavië lag het op arbeiderszelfbestuur. Dit waren
(voormalig) communistische landen. Zij zijn nu socialistisch, kapitalistisch, of kennen een
mengvorm die staatskapitalisme wordt genoemd.
Overige strategieën:
- Herverdeling: kwam op in de jaren ’70, door de Wereldbank. Donorlanden en
ontwikkelingslanden moeten zich richten op de allerarmste landen en armoede bestrijden. Is
tegenwoordig ook populaire strategie, maar het komt er nu op neer dat arme landen die een
kwijtschelding van de schulden willen, een Poverty Reduction Strategy Paper moeten
opstellen. Daarin moeten ze aangeven hoe ze armoede willen bestrijden. Ook kijken
donorlanden naar het bestuur en naar de corruptie van zo’n land.
- Basisbehoeften: strategie die vindt dat een land moet investeren in bijvoorbeeld voedsel,
kleding, onderdak, onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid. Zo wordt werkgelegenheid
gecreëerd en klimt men uit de armoede.
Het gaat dus eigenlijk om de keuze of een land zich richt op het vergroten van de totale welvaart, of
op een eerlijke verdeling van de welvaart. Het volgen van zo’n strategie is in het belang van het
ontwikkelingsland (krijgt eerder hulp als strategie gewaardeerd wordt) en van het donorland (weet
aan wie ze hulp moeten geven en waarom). Als landen economisch een puinhoop zijn en strijd
leveren met hun schuldeisers, kunnen de Wereldbank en het IMF hen een strategie opleggen. Het
komt er op neer dat die landen kapitalistischer moesten worden, maar dat bleek later weinig succes
te hebben.
§4.1 – Kenmerken van het Nederlands ontwikkelingsbeleid
Nederland staat op de 6e plaats qua hulpvolume: 0,8% van het bnp, boven internationale streefcijfer
van 0,7% van het bnp. Verantwoordelijk hiervoor is de minister van Ontwikkelingssamenwerking.
Deze werkt in het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarbij het DGIS (Directoraat Generaal
Internationale Samenwerking) het budget voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking bepaalt.
Hoofddoel: duurzame armoedebestrijding  allerarmsten zodanig helpen dat er op langere termijn
perspectief op een betere toekomst is (= humanitair).
Andere doelen: politieke stabiliteit, economische verzelfstandiging, exportbevordering, verbeteren
van mensenrechtensituatie.
Nederland staat ook achter de Milleniumdoelen en steunt vooral:
Doel 2: onderwijs voor elk kind
Doel 6: bestrijding van hiv/aids, malaria en andere dodelijke ziektes
Doel 7: bescherming van milieu, iedereen schoon drinkwater
Akkoord van Schokland: initiatief om Nederlandse burgers meer te betrekken bij
ontwikkelingssamenwerkin. Op het eilandje Schokland in de Noordoostpolder ondertekenden in
2007 veel maatschappelijke partners en bedrijven een aantal akkoorden om hun inzet voor de
Milleniumdoelen te tonen.
Er zijn twee soorten ontwikkelingshulp:
1. Structurele hulp: gericht op het in gang zetten van langdurige positieve ontwikkelingen.
Ownership is belangrijk: niet donoren maar ontvangende landen bepalen beleidskaders,
prioriteiten en plannen. Op die manier werkt een plan beter. Hierbinnen vallen:
- projecthulp: afgebakende interventie zoals aanleggen van wegen of bouwen van
ziekenhuizen. Laatste tijd veel kritiek omdat het hulp fragmenteert.
- programmahulp: hulp voor economisch herstelprogramma:
 Importsteun / betalingsbalanssteun: betalen voor essentiële importen
 Sectorhulp: land stelt programma op voor hulp in bepaalde sector zoals onderwijs, en
donorland besluit om dat of onderdelen ervan te steunen.
2. Humanitaire hulp: noodhulp, bij rampen en andere situaties. Zowel rampen veroorzaakt
door de natuur (tsunami) als rampen door mensen veroorzaakt (oorlog). Mensen in
levensbedreigende nood moeten zo goed mogelijk geholpen worden om te overleven.
Nederland werkt dan vaak in internationaal verband.
Kanalen voor ontwikkelingshulp (= waar komt de hulp vandaan):
- Multilaterale kanaal: hulp door internationale organisaties verstrekt. Zij krijgen het geld van
20 a 30 donorlanden en besteden het in zo’n 130 ontwikkelingslanden. (EU, FAO,
Wereldbank). Donorlanden betalen verplichte contributies.
-
Bilaterale kanaal: 40% van totale budget. Is hulp van overheid tot overheid, en een
donorland kiest zelf aan welk land het hulp geeft. Het ministerie hanteert momenteel een
lijst met 36 partnerlanden voor langdurige samenwerking. Om voor bilaterale hulp in
aanmerking te komen, zijn een aantal criteria opgesteld:
1. Partnerland moet een van de armste ontwikkelingslanden zijn, bepaald door bnp/hoofd
2. Enige mate van goed bestuur hebben en werken aan verbetering
3. Goed sociaaleconomisch beleid zodat hulp ten goede komt van zoveel mogelijk mensen
Sinds 2007 is er ook een lijst van fragiele staten: landen die net uit de oorlog komen of waar
nog veel gewerld is. Hulp hieraan is gericht op wederopbouw en vredeshandhaving.
-
Particuliere kanaal: particuliere organisaties, vakbonden en politieke partijen worden
gesubsidieerd vanuit de ontwikkelingsbegroting om projecten en organisaties in
ontwikkelingslanden te steunen. Er zijn ook programma’s voor bedrijven die willen
investeren in ontwikkelingslanden, en er is een organisatie die ontwikkelingslanden helpt
toegang te krijgen tot de Nederlandse markt. Ook kunnen gemeentes samenwerken met
ontwikkelingslanden en krijgen daar een subsidie voor. Tenslotte is er geld voor voorlichting
en bewustwording. Een kwart van onze begroting is voor deze particuliere organisaties.
§4.2 – Geschiedenis van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking
Economische zelfverstandiging: Nederlandse hulp moet bijdragen aan de economische ontwikkeling
van ontvangende landen.
1949: Begin Nederlandse ontwikkelingssamenwerking (= gestructureerd, georganiseerd)
Begin van de hulp (1945 – 1972): Truman bood in 1949 Marshallhulp en Nederland hielp mee met
ontwikkelingshulp. Was eerst vooral technische samenwerking en ging vooral om multilaterale hulp
(VN). Halverwege jaren ’50 werd de ontwikkelingshulp groter en in 1955 hield koningin Juliana een
rede waarin ze pleitte voor ontwikkelingshulp en waarschuwde voor ‘het slaaf zijn van de materie’. In
1956 werd Novib opgericht, later Oxfam Novib. In de jaren ’60 kwam er voor het eerst een
staatssecretaris en daarna een minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Tussen 1965 en 1972
nam vooral de bilaterale hulp toe en deze werd groter dan de multilaterale. Ministerie van
Economische Zaken coördineerde de financiële hulp en hij hield rekening met de belangen van de
Nederlandse exporteurs. Dus: economische en commerciële motieven.
Eerste periode Pronk (1973 – 1977): Jan Pronk was zeer bepalend voor ons ontwikkelingsbeleid.
Werd in 1973 minister van Ontwikkelingssamenwerking in kabinet-Den Uyl. Hij richtte zich op
armoedebestrijding: hulp moest zo veel en zo direct mogelijk aan de armsten der armen toekomen.
Er was nog gebonden hulp: ontwikkelingslanden moesten het geld besteden aan goederen en
diensten van het Nederlands bedrijfsleven. Dus: humanitair en economisch/commercieel.
1977 – 1989: Kabinet-Van Agt I, met Jan Koning (ARP) als minister voor Ontwikkelingssamenwerking.
Tweesporenbeleid: armoedebestrijding enerzijds (10-15%) en economische zelfverstandiging
anderzijds (85-90%). Voortaan kunnen ontvangende landen ook producten in ontwikkelingslanden
kopen, dus ook in eigen land besteden. In 1982 komt kabinet-Lubbers I, met VVD’er Eegje Schoo. Zij
wilde structurele armoedebestrijding en legde de nadruk op het bedrijfsleven in die arme landen.
Mensenrechten waren minder belangrijk. In Lubbers II, met CDA’er Piet Bukman, veranderde er
weinig. Dus: economisch/commercieel.
Tweede periode Pronk (1989 – 1998): Pronk in Lubbers III. Eerst stelde hij een optimistische
beleidsnota op (Een wereld van verschil), maar zijn volgende nota (Een wereld in geschil) was
pessimistisch, omdat er nu veel conflicten waren. Pronk bleef ook in kabinet – Kok I. In 1995 werd
het plafond voor ontwikkelingshulp gesteld op 0,8% van het bnp. Vanaf toen: decentralisatie, Pronk
geeft Nederlandse ambassades verantwoordelijkheid voor bilaterale hulp. Hierdoor hebben sommige
afdelingen van het ministerie in Den Haag minder invloed.
Periode Herfkens (1998 – 2002): Kok II met PvdA’er Eveline Herfkens. Van 100 landen waarmee
Nederland intensief samenwerkte, maakte zij er 22, en daarnaast nog 30 andere landen met minder
intensieve vormen van bilaterale samenwerking (= minder versnipperd beleid, efficiënter werken).
Landen werden geselecteerd op basis van armoede, goed bestuur en goed beleid. Herfkens was
voorstander van sectorhulp. Veel projecten werden ineens stopgezet en ambassades moesten kiezen
tussen projecten. Ook stuurde zij niet langer deskundigen, er was genoeg menskracht daar.
Dus: strategisch en economisch/commercieel.
Periode Van Ardenne (2002 – 2007): Balkenende I+II met Agnes van Ardenne uit CDA. Bracht landen
met bilaterale samenwerking verder terug naar 36, en nog enkele andere die steun kregen via
bedrijfslevenprogramma’s. Nu stonden Millennium Ontwikkelingsdoelen centraler en nadruk kwam
te liggen op onderwijs en gezondheidszorg. Ook is er meer aandacht voor conflicten en worden
veiligheidsbeleid en landbouwbeleid belangrijker. Dus: humanitair.
Periode Koenders (2007 – heden): PvdA’er Bert Koenders in Balkenende IV. Meer aandacht voor
fragiele staten, positie van vrouwen en ook voor de sterfte van vrouwen in het kraambed, en ten
slotte meer aandacht voor de negatieve gevolgen van economische groei.
§4.3 – Heeft hulp zin?
Voorstanders: het helpt, kijk maar naar Zuid-Korea, Taiwan, Indonesië en Thailand. Waarom:
- Ontwikkelingshulp is noodzaak (streven naar menswaardig bestaan, moet nog veel gebeuren)
- Ontwikkelingshulp is katalysator (belangrijk steuntje in de rug)
Tegenstanders: helpt niet, overheidsingrijpen is slecht, liever marktwerking. Waarom:
- Hulp maakt onzelfstandig (ontneemt de prikkel om inventief te zijn, nooit zelfstandig)
- Geld aan strijkstok (corrupte ambtenaren, ‘ontwikkelingsmaffia’ steken in eigen zak)
Marges van het ontwikkelingsbeleid (= in hoeverre werkt het of niet?):
- afhankelijk van omgevingsfactoren (niet zelfstandig werken, rekening houden met VN + EU)
- beleid is resultaat van besluitvormingsproces, waarbij veel actoren en belangen een rol
speelden (landbouwsubsidie is goed voor onze boeren, niet voor ontwikkelingslanden)
- beleid afhankelijk van internationale omstandigheden (slechte wereldhandel, conflicten)
§5.1 – Particuliere organisaties
Niet-gouvernementele organisatie: organisatie die door particulieren is opgericht om te werken aan
ontwikkelingssamenwerking.
Mfo: medefinancieringsorganisatie, particuliere ontwikkelingsorganisaties die geld van de overheid
krijgen.
Thematische medefinanciering: particuliere organisaties die projecten met bepaald thema steunen,
zoals Liliane Fonds, voor kinderen in ontwikkelingslanden met een handicap.
MFS: medefinancieringsstelsel, stelsel waarbinnen elke organisatie subsidie aan kan vragen bij de
Nederlandse overheid.
Sinds halverwege ‘60s geeft Nederland geld aan mfo’s. De belangrijkste zijn:
- Cordaid (katholiek, ontstaan uit Memisa, Mensen in Nood en Vastenaktie/Bilance)
- ICCO (protestants, Interkerkelijke OCmmissie Ontwikkelingssamenwerking)
- Novib (Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand, nu voortaan Oxfam Novib)
- Hivos (Humanistische instituut voor ontwikkelingssamenwerking)
- Plan Nederland (voorheen Foster Parents Plan
- Terres des Hommes
Ook kleine organisaties met een thema krijgen geld, dat is thematische medefinanciering.
Voordelen particuliere organisaties:
- zijn deskundiger op bepaald gebied of thema
- staan dichter bij de mensen, goed op de hoogte, dus projecten kansrijker + duurzamer
- niet gebonden aan overheidsbeleid, dus ook opereren in landen met slecht bestuur
Vanaf 2005 is er voortaan één medefinancieringsstelsel (MFS). Hierbij kan elke organisatie één keer
in de 4 jaar een financiële bijdrage vragen. Proces:
- beoordeling aanvragen: onafhankelijke Adviescommissie Medefinancieringsstelsel (voldoet
de organisatie aan voorwaarden*?)
- advies aan minister door Adviescommissie
- Minister van Ontwikkelingssamenwerking neemt besluiten over wie wel en wie niet.
*Voorwaarden voor particuliere organisaties om een vergoeding te krijgen:
- kwaliteit bieden
- goede resultaten afgelopen jaren
- past het beleid binnen de Millenniumdoelen?
- organisatie moet kwart van begroting zelf financieren met ‘eigen inkomsten’ om aan te tonen of de
organisatie draagvlak en achterban heeft in de samenleving.
Als organisaties voorheen geld kregen en nu niet meer, dan krijgen ze nog wel geld om hun project af
te bouwen. Ze moeten dan elders financiering zoeken, verhuizen naar kleiner kantoor of werknemers
ontslaan.
Kritiek op particuliere organisaties: ‘institutionele belangen’ wegen te zwaar mee, de eigen
organisatie dus. Invloed, werknemers en omvang lijken belangrijker dan het helpen van mensen in
ontwikkelingslanden.
§5.2 – Het bedrijfsleven
Bedrijfslevenprogramma: samenwerking tussen Nederlandse overheid en arm land om
werkgelegenheid in ontwikkelingslanden te stimuleren. Bedrijven kunnen financiële steun krijgen als
ze investeren in ontwikkelingslanden en dat moet het arme land ten goede komen.
Er zijn twee bedrijfslevenprogramma’s:
1. Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM)
Geeft Nederlandse bedrijven die een investering doen in een bedrijf in een ontwikkelingsland
een vergoeding voor de investeringskosten. Zo kan men bloembollen kweken in Ecuador.
2. Ontwikkelingsrelevante Export Transacties (ORET)
Geeft geld aan ontwikkelingslanden die willen investeren en daarvoor Nederlandse goederen
en diensten nodig hebben. Zo huurt Ghana een Nederlands bedrijf om een
waterzuiveringsinstallatie aan te leggen.
Budget voor het ORET-programma is verlaagd omdat dit niet genoeg bijdroeg aan de economie van
het ontwikkelingsland zelf.
Nu vooral populair: maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Komt erop neer dat een
bedrijf streeft naar verantwoord evenwicht tussen financiële aspecten (winst) en sociale en
ecologische aspecten (mens en milieu). Ook wel de 3 p’s: people, planet en profit = zorg voor mens
en omgeving met behoud van de winst.
Kritiek: mvo is vaak een verkooppraatje. Men kan er reclame mee maken, terwijl maar een piepklein
deel van de verkoopprijs naar een goed doel gaat. Om dit te voorkomen is er de Consumentenbond,
Milieudefensie en Stichting Max Havelaar. Dit mvo-platform houdt bedrijven goed in de gaten en
stimuleert initiatieven.
§5.3 – Individuele burgers
Milieugebruiksruimte: ecologische voetafdruk, oppervlakte aarde dat nodig is om te voorzien in de
levensstijl van een persoon, stad of land.
Consuminderen: je milieugebruiksruimte verkleinen, door bijvoorbeeld niet te kopen wat je niet
nodig hebt en stroom te besparen.
Hoe kunnen wij bijdragen aan ontwikkelingssamenwerking:
- losse gift
- vrijwilligerswerk dat zich richt op ontwikkelingssamenwerking (Travel Active, Activity
International)
- eigen ontwikkelingsproject opzetten (vaak nadat mensen armoede in een land hebben
gezien. Linkis is een organisatie je burgers adviseert bij het opzetten hiervan.)
- andere levensstijl (producten uit ontwikkelingslanden kopen, fair trade producten kopen,
kijken naar keurmerken, consuminderen).
Download