Inleiding tot de Italiaanse cultuur

advertisement
Geschiedenis I. Voorgeschiedenis, de Italiaanse eenwording en de
liberale staat
A. Premisse
Het verhaal dat volgt klinkt somber. Het valt ook moeilijk te ontkennen dat de
Italiaanse staat slecht functioneert. Maar die vaststelling geldt natuurlijk niet alleen
voor Italië. Bovendien leveren regionale en lokale bestuurders vaak puik werk en
kennen zeker Midden- en Noord-Italië een sterke civil society, is het middenveld een
er goed ontwikkeld.1 Bovendien is momenteel overal in Europa een tendens tot
sterkere regionalisering gaande. Italië is dan ook in menig opzicht goed vergelijkbaar
met België.
B. Voorgeschiedenis
Het begrip Italië is heel erg oud. Maar in de moderne zin van dat woord is Italië
een zeer jonge natie. Tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw meende de
Oostenrijkse kanselier Klemens von Metternich zelfs dat Italië niets meer was dan
een geografisch begrip. Von Metternich had er ook belang bij de zaken zo te zien.
Zijn regering hield immers grote delen van Noord-Italië in haar bezit.
- De grenzen van de tegenwoordige Italiaanse republiek zijn slechts veertig jaar oud.
Ze werden vastgelegd in 1970 bij het Verdrag van Londen. Dat verdrag gaf Triëste
terug aan Italië (de stad stond sinds 1945 deels onder het bestuur van de
geallieerden), maar wees Istrië definitief toe aan het toenmalige Joegoslavië (nu
goeddeels Kroatië en een stukje Slovenië). Daarmee kon Italië eindelijk een streep
trekken onder de Tweede Wereldoorlog.
- Veel van de problemen waar Italië mee kampt, komen voort uit dat onzekere
natiebesef. Zo stelt regeringspartij Lega Nord het bestaan van het land in vraag en
streeft ze naar de stichting van een onafhankelijk Padania, een imaginair land tussen
Alpen en Appenijnen. Italië kent ook een zwak ontwikkeld burgerschap: talloze
burgers percipiëren de staat als vijandig en velen menen dat het belangenconflict van
politicus Silvio Berlusconi (die landelijke televisiezenders en kranten controleert en
tegelijkertijd premier is) niet weegt op zijn functioneren. Wel ondermijnen
onthullingen die de afgelopen jaren naar buiten zijn gekomen over Berlusconi’s
seksuele uitspattingen zijn geloofwaardigheid.
Cfr. Robert Putnams beroemde boek Making Democracy Work. Civic Traditions in Modern Italy
(Princeton, 1993).
1
1
In dit college gaan we na hoe Italië de afgelopen eeuwen een natie werd.
Een eerste vaststelling: Italië is een heel erg verscheiden land. Sociologen en historici
onderscheiden de facto drie verschillende Italië's die goeddeels eigen identiteiten
hebben. Dat zijn:
a. Het zuiden dat grosso modo bestaat uit het eiland Sicilië en de regio's op het vaste
land Calabrië, Basilicata, Apulië, Campanië, Molise en de Abruzzen. Hier bestond
sinds de middeleeuwen een sterk gecentraliseerde staat die diep ingreep in alle
aspecten van het dagelijks leven van haar inwoners. Napels was er de onbetwiste
hoofdstad van. Het eiland Sardinië wordt ook tot het zuiden gerekend. In de
middeleeuwen en de vroeg-moderne periode werd het als een soort van kolonie
bestuurd door de republiek Genua.
b. Het centrum dat bestaat uit Latium, Umbrië, de Marken en Emilia-Romagna. Die
gebieden vormden samen de Pauselijke Staten en werden bestuurd vanuit Rome.
Ook Toscane behoort tot Midden-Italië. Tijdens de mideleeuwen vormden Florence,
Siena, Pisa, Lucca en andere steden allemaal onafhankelijke stadsrepublieken.
Tijdens de vroeg-moderne periode hadden de groot-hertogen van Toscane het in dat
gebied (met uitzondering van Lucca) voor het zeggen.
c. De tegenwoordige regio's Valle d'Aosta,2 Ligurië, Piemonte, Lombardije, TrentoAlto Adige, Veneto en Friuli-Venezia Giulia3 vormen samen het noorden. Dit gebied
is van oudsher het rijkste van Italië. In de vruchtbare Po-vlakte ontstonden al vroeg
grote landbouwbedrijven. In dit dichtbevolkte gebied waren handel en industrie
reeds tijdens de middeleeuwen sterk ontwikkeld en zijn ze dat altijd gebleven.
Onafhankelijke stadstaten beheersten deze streken tijdens de middeleeuwen. Later
kwamen ze, met uitzondering van de aristocratische republieken Genua en Venetië,
goeddeels in handen van de Spaans-Habsburgse monarchie. Vanaf de achttiende
eeuw waren de Oostenrijkse Habsburgers dominant in Noord-Italië. Maar in de
negentiende eeuw kregen zij concurrentie van de Piëmontese Savoie dynastie (zie
ook verderop).
Tijdens de middeleeuwen gold het Italiaanse schiereiland als het rijkste gebied van
Europa. Het land was bezaaid met grote en rijke steden. Die bekampten elkaar
voortdurend. Maar in 1454 sloten de vijf belangrijkste Italiaanse staten: Venetië,
Milaan, Florence, het koninkrijk Napels en de Pauselijke Staten, de Vrede van Lodi.
d.w.z. de Vallei rondom de stad Aosta.
De drie regio’s Trento-Alto Adige, Veneto en Friuli-Venezia Giulia worden vaak ook samen
aangeduid als de Triveneto.
2
3
2
De contractanten bakenden elkaars invloedssferen en garandeerden het
machtsevenwicht. Veertig jaren van vrede volgden.
Deze vrede bracht een periode van economische en culturele bloei. De groeiende
welvaart riep de jaloezie op van de steeds sterkere Europese vorsten. Zij geloofden
dat macht over Italië de sleutel tot Europese heerschappij was. In 1494 viel de
Franse koning Karel VIII dan ook het schiereiland binnen. De Spaanse Habsburgers,
in het bijzonder keizer Karel V, lieten dit niet over hun kant gaan. Een lange periode
van oorlogen, bekend als de Habsburg-Valois oorlogen, volgde. Die werd afgelsoten
met de vrede van Cateau-Cambrésis in 1559. De Spaanse-Habsburgers hadden
gewonnen. Voortaan domineerden zij het politieke leven op het Italiaanse
schiereiland. De periode die volgde staat dan ook, naar analogie met de Pax Romana
uit de klassieke oudheid, bekend als de Pax Hispanica. De Habsburgers heersten op
Sicilië, in Napels en in Milaan. De Toscaanse groothertogen waren Spaanse cliënten
net als de zeventiende-eeuwse pausen. Deze periode heeft in de Italiaanse cultuur
lange tijd een zeer negatieve bijklank gehad.4 Tegenwoordig denken historici hier
veel genuanceerder over. De Habsburgse dominantie bracht ook rust na decennia
van twisten en dus kansen op economisch en demografisch herstel.
Na het uitsterven van de Spaans-Habsburgse dynastie in 1700 werd hun rol in Italië
overgenomen door hun Oostenrijkse verwanten. Die kregen bij de Vrede van
Utrecht (1713) grote delen van het schiereiland in handen. De achttiende eeuw was er
een van relatieve rust en voortuitgang. Tegelijkertijd groeide echter de achterstand
ten opzichte van het sneller groeiende Noord-West Europa.
B. De Franse Revolutie
De Franse Revolutie van 1789 en haar nasleep (tot de val van Napoleon in 1815)
veranderden alles. Allereerst bleek de Oostenrijkse macht niet onaantastbaar. In
verschillende delen van Italië ontstonden zusterrepublieken die zich spiegelden aan
het Franse voorbeeld. Overal weerklonk de leuze VRIJHEID - GELIJKHEID BROEDERLIJKHEID. In het publieke discours en de daarmee samenhangende
romantiek werd de idee Italië voor het eerst mogelijk. Het belang van de Franse
Revolutie voor de latere Italiaanse eenwording kan dus nauwelijks worden
overschat.
Die negatieve bijklank spreekt bijvoorbeeld uit de beroemde negentiende-eeuwse historische roman I
promessi sposi (De verloofden) van Alessandro Manzoni.
4
3
De meeste zusterrepublieken in Noord en Centraal-Italië gingen achtereenvolgens op
in de Cisalpijnse Republiek (1797-1802), de Italiaanse Republiek (1802-1805) en het
Koninkrijk Italië (1805-1814). Hoewel dit vazalstaten van Frankrijk waren, ontstond
daar voor het eerst iets van een door de elite gedeelde gezamenlijke Italiaanse
politieke cultuur. De impuls voor de latere Italiaanse eenwording zal dus vooral
uit Noord en Midden-Italië komen.
C. De Restauratie
Na de definitieve nederlaag van Napoleon (Waterloo, 1815) poogden de Europese
grootmachten tijdens het Congres van Wenen de situatie van voor de Franse
Revolutie te herstellen. Maar een kwart eeuw van omwentelingen konden niet
meer ongedaan worden gemaakt.
In Noord-Italië domineerden voortaan twee staten: het koninkrijk Sardinië-Piëmont
in het westen en het Lombardisch-Venetiaanse koninkrijk in het oosten. De dynastie
van de Savoia's regeerde Sardinië-Piëmont. Het Lombardisch-Venetiaanse koninkrijk
werd bestuurd vanuit Wenen. Aan het hoofd ervan stond de Oostenrijkse keizer.
Beide staten werden, geheel in de geest van het Congres van Wenen, op een
autoritaire en reactionaire leest geschoeid. De idee van een eengemaakt en liberaal
Italië groeide dan ook aanvankelijk van onderuit bij romantische kunstenaars en
intellectuelen.
D. Het Risorgimento
Drie figuren zijn cruciaal geweest voor de realisatie van de Italiaanse eenheid:
1. De Genuees GIUSEPPE MAZZINI (1805-1872) was een visionair die droomde
van een Italiaanse onafhankelijke en democratische republiek. Zijn boodschap
werd door de reactionaire machthebbers als zeer bedreigend ervaren. Mazzini bracht
zijn leven dus goeddeels in ballingschap door. In 1832 stichtte hij de Giovine Italia,5
een geheim genootschap met tal van lokale afdelingen. Giovine Italia had drie
doelstellingen:
a) politieke bewustmaking van de massa's
b) de verwezenlijking van een nieuw en een eengemaakt Italië
5
= Jong Italië
4
c) het bevorderen van de samenwerking tussen alle volkeren (en dat onder Italiaans
leiderschap)
Zoals uit dit lijstje blijkt, had Mazzini niet meteen een realistisch programma. Hij
was een charismaticus (volgens getuigenissen groot, stijf en stijl, sober levend en met
een doordringende blik). Maar van zijn persoonlijkheid en zijn idealen ging een grote
aantrekkingskracht uit.
2. GIUSEPPE GARIBALDI (1807-1882) kwam uit Nice (toen tijdelijk behorend tot
het Franse keizerrijk, maar in 1814-'15 weer bij het koninkrijk Sardinië-Piëmont
gevoegd). Als jonge officier van de Piemontese marine kwam Garibaldi onder de
invloed van Mazzini, trad hij toe tot de Giovine Italia en was hij in 1834 betrokken bij
een opstand in Genua tegen het Piëmontese gezag.
Garibaldi ontkwam aan arrestatie door naar Zuid-Amerika te vluchten, waar hij met
name in Uruguay en Brazilië bij tal van revolutionaire woelingen was betrokken.
Daar leerde hij ook Anita, de liefde van zijn leven, kennen.
In 1848 keerde Garibaldi terug naar Italië. Eerst vocht hij met de Piemontezen tegen
de Oostenrijkers (zie hieronder), maar toen deze partijen een wapenstilstand sloten,
zette hij met zijn troepen wederrechtelijk de strijd voort. Garibaldi moest opnieuw
vluchten en dook op in Rome. Daar gaf hij in 1848-‘49 o.a. samen met zijn leermeester
Mazzini leiding aan de Romeinse Republiek: een revolutie in democratische zin die
paus Pius IX tijdelijk van de macht verdreef. Franse troepen herstelden echter in
opdracht van Lodewijk Napoleon (de latere keizer Napoleon III) het pauselijk gezag
en Garibaldi moest weerom vluchten. Tijdens die vlucht overleed de zwangere
Anita.
In 1860 landde Garibaldi met 'duizend roodhemden' bij Marsala in het westen van
Sicilië. Hij nam het eiland in.6 Een jaar later staken Garibaldi en zijn troepen de Straat
van Messina over en brachten zij Frans II, de laatste vorst der Beide Siciliëen ten val.
Garibaldi en zijn roodhemden droegen het veroverde gebied over aan de Piemontese
koning Victor Emmanuel II en diens regering. Het eengemaakte Italië (maar dan nog
zonder de Veneto en Latium) was een feit. Die dienstbaarheid aan de Piemontezen
was merkwaardig omdat Garibaldi, geschoold in de leer van Mazzini, aanvankelijk
een democratisch en republikeins Italië had voorgestaan. Garibaldi was dan ook
veeleer een avonturier en een vechter dan een ideoloog.
Die geschiedenis is prachtig beschreven in de roman Il gattopardo (De tijgerkat) van Giuseppe Tomasi
di Lampedusa uit 1957. Het boek werd in 1963 verfilmd door Luchino Visconti.
6
5
Dat bleek weerom tijdens de volgende jaren toen Garibaldi, zelfs tegen de zin van de
Italiaans-Piemontese regering in, het restant van de pauselijke staten binnenviel. Pas
in 1870 zouden de Italiaanse troepen Rome veroveren en dat gebeurde toen zonder
directe bemoeienis van Garibaldi.
In zijn nadagen zetelde Garibaldi nog in het Italiaanse parlement, maar veel politieke
invloed had hij niet meer. Wel bleef hij ijveren voor algemeen stemrecht en
vrouwenemancipatie. Hij overleed op het kleine eiland Caprera (ten noorden van
Sardinië).
3. CAMILLO BENSO graaf van CAVOUR (1810-1861) was een Piemontees edelman
en politicus, met veel belangstelling voor economie. Cavour had grote bewondering
voor de liberale Britse parlementaire traditie. Na de revolutie van 1848 kreeg
Sardinië-Piëmonte een liberale grondwet (het Statuto) en een nieuw parlement .
Cavour werd toen voor het eerst als volksvertegenwoordiger verkozen. In 1851 werd
hij minister en in 1852 premier. Aanvankelijk streefde Cavour voor SardiniëPiëmont slechts een Noord-Italiaans koninkrijk na. Met dat doel liet hij het
Piemontese leger in 1855 aan Britse en Franse zijde deelnemen aan de Krimoorlog.
De overwinning op de Russen bracht Cavour steun van deze grootmachten bij zijn
pogingen de positie van de Oostenrijkers in Italië verder te verzwakken.
Vervolgens beloofde Cavour Napoleon III Savoie en Nice aan Frankrijk af te staan in
ruil voor Franse deelname aan de nakende oorlog tegen de Oostenrijkers. In het
najaar van 1859 was het zover. Enkele Piemontees-Franse overwinningen ontketenden overal in Midden-Italië volksopstanden. Vrijwel gelijktijdig begon
Garibaldi aan zijn verovering van Sicilië en Zuid-Italië (zie hierboven). Hoewel
Napoleon III zich al snel uit de oorlog terugtrok, kon Cavour toch maximale winst
behalen. Garibaldi en de Midden-Italiaanse voorlopige revolutionaire regimes
erkenden het Piemontese leiderschap en sloten zich aan bij het koninkrijk SardiniëPiëmont. Dat werd op 17 maart 1861 formeel het nieuwe koninkrijk Italië. Eerste
minister Cavour, de architect van de eenmaking, overleed reeds enkele maanden
later, in juni 1861.
E. De liberale staat
De Italiaanse eenmaking was dus niet voortgekomen uit een weldoordacht plan.
Ze was veeleer het resultaat van toeval. Eigenlijk annexeerde Sardinië-Piëmont een
hele reeks andere gebieden. Dat blijkt ook uit allerlei details. Zo begint de reeks van
Italiaanse koningen te lopen bij Victor-Emmanuel II (1820-'78). Die was al in 1849
6
koning van Sardinië-Piëmonte geworden en dat bleef hij ook na 1861 en dus nam hij
geen nieuw nummer aan. Ook kreeg het Italiaanse koninkrijk geen eigen grondwet.
Het Statuto, de grondwet voor Sardinië-Piëmonte uit 1848 gold voortaan voor heel
Italië.
Aan Massimo d'Azeglio (1798-1866), een vooraanstaand Piemontees politicus wordt
de uitspraak toegeschreven: L'Italia è fatta. Restano da fare gli Italiani.7 Dat bleken
profestische woorden. De uitdagingen waar de nieuwe staat voor stond, waren
immers immens:
- Zoals hierboven reeds aangestipt hoorden de Veneto en Latium (inclusief Rome)
aanvankelijk nog niet bij het koninkrijk Italië. Dat zou pas in 1866 respectievelijk 1870
gebeuren.
- De verschillende samenstellende delen van het koninkrijk brachten ieder hun eigen
geschiedenissen en culturen mee.
- Er bestond geen gezamenlijke infrastructuur (spoorwegen, wegen, kanalen) en ook
van een gezamenlijke economische markt was voor 1861 geen sprake. Tot die tijd
dreef vrijwel iedere Italiaanse staat meer handel met andere Europese landen dan
met de directe buren.
- Hierboven hebben we reeds gezien dat noorderlingen de nieuwe staat domineerden. Het zuiden voelde zich dan ook gekoloniseerd. De roep om de Bourbons bleef er
sterk. Die ontevredenheid leidde tot een toestand die alleen maar als burgeroorlog
kan worden gekarakteriseerd. Slechts middels de massale inzet van troepen kon de
regering het zogenaamde brigantaggio neerslaan. Dat lukte pas omstreeks 1870 en
tegen een ontzagwekkende menselijke en economische kost. Vele tienduizenden
opstandelingen werden geëxecuteerd of gearresteerd. Honderden dorpen werden
geplunderd en verwoest. Na 1870 zou de endemische armoede in Zuid-Italië nog
groter worden. Het land werd voortaan immers overspoeld door goedkoop
Amerikaans graan.8
- Ook de kerk bleef nog lange tijd fel gekant tegen de Italiaanse staat. De
opeenvolgende pausen verboden de gelovigen op straffe van excommunicatie
deelname aan het Italiaans politiek leven. In die houding zou slechts na de Eerste
Wereldoorlog en dan nog langzaam verandering komen.
- Tenslotte was de internationale positie van Italië zwak. De Europese grootmachten,
Groot-Brittannië, Frankrijk, het nieuwe Duitse keizerrijk, Oostenrijk-Hongarije en
Rusland) weigerden Italië als gelijke te erkennen. De Italiaanse pogingen tot
kolonisatie in Noord- en Oost-Afrika (Libië, Eritrea, Italiaans Somaliland) verliepen
Eigenlijk zijn het de bewerkers vand’Azeglio dagboeken die deze uitspraak beroemd hebben
gemaakt.
8 De toestand in het zuiden tijdens de eerste decennia na eenwording en tot het fascisme werd
indringend beschreven door Carlo Levi in diens beroemde roman Cristo si è fermato a Eboli (1945).
7
7
ongecoördineerd en alles bij elkaar weinig succesvol. In 1896 slaagde de Ethiopische
keizer Menelik II er zelfs in een Italiaanse invasie tot staan te brengen. Daarmee was
hij de eerste Afrikaanse vorst die kolonisatie door Europeanen afhield. Veertig jaar
later, in 1936 zou Benito Mussolini Ethiopië alsnog veroveren.
8
Geschiedenis II. Fascime en de na-oorlogse politiek
A. De Eerste Wereldoorlog
De Eerste Wereldoorlog luidde het einde van het liberale Italië in.
Hoewel Italië in 1882 samen met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije de Driebond of
Drievoudige Alliantie had ondertekend, bleef het land in 1914 bij het uitbreken van
de Eerste Wereldoorlog aanvankelijk neutraal. De publieke opinie ondersteunde die
keuze. De Italiaanse regering was echter uit op terreinwinst in het noordoosten. Van
oudsher koesterden de Italianen immers territoriale aanspraken op Trentino, Alto
Adige en delen van de Dalmatische kust. In ruil voor een Italiaanse deelname aan de
oorlog bleken de geallieerden bereid deze aanspraken te ondersteunen. Daar was
echter niet meteen een meerderheid voor te vinden in het Italiaanse parlement. Toch
besloot de regering onder aanvoering van premier Antonio Salandra (1853-1931) en
minister van Buitenlandse Zaken Sidney Sonnino (1847-1922) in het voorjaar 1915
Oostenrijk-Hongarije de oorlog te verklaren. De politici en hun generaals
verwachtten een snelle overwinning. Ondanks massale inzet van soldaten lukte het
het Italiaanse leger echter niet door de Oostenrijks-Hongaarse linies te breken De
Italianen onderschatten hun tegenstanders schromelijk en hun opeenvolgende
offensieven liepen uit op een loopgravenoorlog in de Alpen.
Zeker nadat de Oostenrijkers in het najaar van 1917 de Italiaanse linies oprolden en
heel Friuli en deel van de Veneto hadden ingenomen, ja zelfs Venetië bedreigden
daalde de populariteit van de oorlog naar een absoluut dieptepunt. Bij deze disfatta di
Caporetto9 werden niet minder dan 300.000 Italiaanse soldaten krijgsgevangen
genomen.
Uiteindelijk konden de Italianen in oktober 1918 alsnog door de OostenrijksHongaarse linies breken. Op 3 november 1918, goed een week dus voor het einde
van de oorlog in West-Europa werd een wapenstilstand getekend.
De Eerste Wereldoorlog liet een diep trauma achter in de Italiaanse samenleving.
Van bij aanvang was het enthousiasme bij de bevolking, zoals hierboven reeds
vermeld, gering. De Italiaanse troepen waren slecht uitgerust en ondervoed. De
legerleiding handhaafde de discipline met bijzonder harde hand en zette de troepen
(waaronder verhoudingsgewijze veel laag opgeleide zuiderlingen) (al te) vaak in als
kanonnenvlees.
Nu nog steeds een staande uitdrukking in het Italiaans om een algehele mislukking mee aan te
geven.
9
9
B. Het fascisme
Na afloop van de oorlog keerde de rust nauwelijks weer in Italië. Bij de vredesconferentie van Versailles kregen de Italiaanse onderhandelaars slechts gedeeltelijke
genoegdoening van de geallieerden. De oorlogsinspanning had de (beperkte)
financiële reserves van land uitgeput. De talloze gedemobiliseerde soldaten raakten
maar moeilijk aan het werk.
Alras wierp BENITO MUSSOLINI (1883-1945) zich op als hun pleitbezorger.
Mussolini was opgeleid als onderwijzer. Kort na de eeuwwisseling ontplooide hij
zich echter als journalist en werd hij hoofredacteur van het socialistische dagblad
Avanti. In contrast met de officiële partijlijn koos Mussolini in 1914 de zijde van de
interventionisten. Nadat Italië daadwerkelijk in de oorlog was gestapt, meldde hij
zich aan als vrijwilliger.
Na de oorlog liepen de economische en sociale spanningen snel op. Opeenvolgende
coalities slaagden er niet in stabiele regeringen te vormen en de vele stakingen
dreigden het land lam te leggen. In dat klimaat stichtte Mussolini in maart 1919 de
fasci di combattimento. Deze 'zwarthemden' (naar de kleur van hun uniformen) waren
meestal gedemobiliseerde soldaten. In opdracht van en betaald door industriëlen en
groot-grondbezitters traden ze op als stakingsbrekers en zaaiden ze met name in de
steden en op het platteland van de Po-vlakte terreur.10
Na de door hem georkestreerde Mars op Rome van oktober 1922 werd Mussolini
regeringsleider. Aanvankelijk stond Mussolini nog aan het hoofd van een
coalitieregering, maar na zijn verkiezingsoverwinning van 1924 greep hij blijvend de
macht. Daartoe liet hij onder andere op 30 mei van dat jaar de socialistische
regeringsleider Giacomo Matteotti (1885-1924) vermoorden. Enige tijd leek het erop
dat die aanslag het regime fataal zou worden. Maar tijdens de daaropvolgende jaren
bouwde hij zijn alleenheerschappij uit.
Binnen de ruim twintig jaar van het fascistisch regime kunnen 3 fases worden
onderscheiden:
1922-1929: De verwerving van de macht
1929-1936: De jaren van consolidatie en consensus. De totalitaire aspiraties van het
regime kennen hun hoogtepunt na de verovering van Ethiopië en de uitroeping van
Victor-Emmanuel III tot keizer in mei 1936
Zoals prachtig in beeld gebracht door Bernardo Bertolucci in het filmepos Novecento (De twintigste
eeuw) uit 1976.
10
10
1936-1943: De langzame aftakeling van het regime, het verlies van consensus en de
uiteindelijke ineenstorting ervan
Wij zijn geneigd het fascisme als het absolute kwaad te zien. Het was onmiskenbaar
een dictatuur met gemene trekken. Maar de beweging wortelde ook diep in de
Italiaanse samenleving. Aanvankelijk straalde ze moderniteit uit (kijk bv. maar naar
fascistische architectuur). Tot 1936 behaalde ze ook onmiskenbaar economische
successen en oogstte Mussolini ook bij democratisch verkozen regeringsleiders
bewondering. Daarna ging het snel bergafwaarts.
Ook heeft het fascisme zijn aanspraken op totalitaire (d.w.z. volkomen) macht nooit
gerealiseerd. Zo ondertekende Mussolini op 11 februari 1929 het Verdrag van
Lateranen. Deze overeenkomst maakte een einde aan het slepende geschil tussen het
Vaticaan en de Italiaanse staat. De Italiaanse erkende daarbij de soevereiniteit van de
Heilige Stoel en kende de rooms-katholieke kerk een bevoorrechte positie toe. In ruil
deed de paus definitief afstand van zijn aanspraken op wereldlijke macht en erkende
hij Rome als de Italiaanse hoofdstad. In de praktijk gaf het Verdrag van Lateranen
vooral speelruimte aan de kerk en betekende het dat de fascisten nog een autoriteit
naast zich moesten dulden.
Mussolini's bondgenootschap met Hitler zou hem noodlottig worden. Italië stapte
pas eind juni 1940 in de oorlog, en dat op een ogenblik dat Duitse troepen WestEuropa reeds vrijwel geheel hadden bezet. Mussolini kon dan ook nauwelijks
aanspraak maken op oorlogsbuit. Vervolgens mislukten zowat alle Italiaanse
militaire operaties. Net zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog was dat vooral te wijten
aan een overspannen activisme. Het Italiaans leger was eenvoudigweg niet toegerust
voor grootscheepse militaire operaties. De Italiaanse pretentie om de Middellandse
Zee te beheersen werd nooit waargemaakt.
Uiteindelijk zal het regime zeer snel in elkaar stuiken. In mei 1943 werden de
Italiaanse en Duitse troepen verjaagd uit Noord-Afrika. Twee maanden later, op 9
juli 1943 landden de geallieerde troepen op Sicilië. Tien dagen later bombardeerden
ze Rome. Nog eens vijf dagen later, op 24 juli, werd Mussolini in een paleiscoup
afgezet door zijn eerdere medestanders.
Op 7 september 1943 sloot Mussolini's opvolger, maarschalk Pietro Badoglio (18711956), een wapenstilstand met de geallieerden. Het laatste anderhalve jaar van de
Tweede Wereldoorlog was voor Italië bijzonder bitter. In het noorden leidde de
teruggekeerde Mussolini in opdracht van de Duitsers een marionettenregering, met
11
als hoofdstad het badplaatsje Salò aan het Gardameer.11 Daar heerste een
onversneden burgeroorlog. De troepen van Mussolini en Duitse antiterreureenheden
trachtten de bevolking angst in te boezemen middels slachtpartijen (Sant’Anna di
Stazzema, Monte Sole bij Marzabotto).12 Meest communistische partizanen speelden
er een grote rol bij de bevrijding. Intussen rukten de geallieerden tergend langzaam
op vanuit het zuiden. De winter van 1944-'45 was erg hard: het was buitengewoon
koud en de burgeroorlog bracht, zeker in de grote steden, ook hongersnood met zich
mee.
C. De na-oorlogse periode
De volkomen verschillende oorlogservaringen van Zuid-Italië enerzijds en van het
centrum en het noorden van land anderzijds lieten diepe sporen na.
Vele Italianen vonden dat de monarchie zich tijdens de fascistische dictatuur had
gecompromiteerd. In een referendum van 2 juni 1946 koos de Italiaanse bevolking
met een relatief kleine meerderheid voor de republiek. Maar de uitslag legde ook
verdeeldheid bloot. In het zuiden hadden de monarchisten het gehaald, in het
centrum en het noorden hadden de republikeinen de bovenhand.
Tijdens de daaropvolgende decennia transformeerde Italië razendsnel van een
achtergebleven, agrarisch land in een rijke post-industriële samenleving. Het
economisch mirakel voltrok zich. Aanvankelijk emigreerden Italianen nog vooral
naar het buitenland. Vanaf de tweede helft van de jaren '50 explodeerden de grote
steden in de industriële driehoek van het noorden (Milaan, Genua, Turijn; cfr. de film
Rocco e i suoi fratelli van Luchino Visconti).
Bij de na-oorlogse verdeling van invloedssferen kwam Italië in het Westerse kamp
terecht. Premier Alcide de Gasperi maakte van het land een respectabele partner in in
het Westers bondgenootschap en hij bevorderde Italië’s deelname aan de de eerste
stappen van de Europese eenwording. De christendemocraten haalden aanvankelijk
absolute meerderheden. Maar vanaf 1963 moesten de christendemocraten coalities
sluiten.
Naar het voorbeeld van de Franse maarschalk Philippe Pétain, die het kuuroord Vichy tot hoofdstad
van zijn collaborerende regering had gemaakt.
12 De broers Paolo en VittorioTaviani brachten in La notte di San Lorenzo uit 1982 het relaas van de
massamoord in het Toscaanse stadje San Miniato. Ook Hollywood heeft het thema intussen opgepikt;
cfr. Spike Lee’s Miracle at St. Anna uit 2008, een over het bloedbad bij Sant’Anna di Stazzema.
11
12
Toch zat het politiek systeem op slot. De grootste oppositiepartij, de communisten
(PCI), mocht immers niet meeregeren. Haar restte niets anders dan op lokaal vlak in
Midden-Italië, waar ze sterk stond, te bewijzen dat ze besturen kon.
De jaren '70 staan in Italië bekend als de anni di piombo.13 Terroristische groeperingen
van uiterst rechts probeerden de spanning zo sterk op te drijven opdat het leger
vervolgens middels een staatsgreep de rust zou kunnen herstellen (= strategia della
tensione). Het kolonelsregime in Griekenland kon daarbij als voorbeeld dienen. De
bomaanslag op het station van Bologna (2 augustus 1980) waarbij vele tientallen
doden vielen, vormde het triest orgelpunt van die campagne. De uiterst linkse
terroristen van de Rode Brigades c.s. hoopten dan weer middels gerichte aanslagen
op prominenten de revolutie te ontketenen. Hun bekendste slachtoffer was Aldo
Moro (1916-1978). Deze christendemocratische voorman was zes jaar lang premier
geweest en hoopte middels een samenwerkingsovereenkomst (het zogenaamde
compromesso storico) met de communistische leider Enrico Berlinguer (1922-1984)
verandering te brengen in de statische Italiaanse politiek.
Na de moord op Moro bleef verandering uit tot 1992. Toen bezweek de zogenaamde
eerste republiek onder de last van de talloze corruptieschandalen. Mediamagnaat
Silvio Berlusconi (1936-) en de separatistische Lega Nord doken in het gat dat de
traditionele partijen achterlieten. Berlusconi oefent grote aantrekkingskracht uit,
maar roept ook weerstand op. Niet in het minst omdat zijn politiek handelen niet
zelden allereerst zijn privébelangen lijkt te dienen. Sinds 1992 maakt Italië dan ook
een schijnbaar eindeloze transformatie door.
Bovendien is de snelle na-oorlogse groei omstreeks de milleniumwisseling tot
stilstand gekomen. Sindsdien blijft de Italiaanse economie achter bij het Europese
gemiddelde. Bovendien torst Italië in absolute getallen de hoogste overheidsschuld
in Europa. Het land is dan ook zwaar getroffen door de recente kredietcrisis.
Het Italiaans geboortecijfer behoort dan weer tot de laagste in Europa. De bevolking
veroudert dus snel. Jongeren vinden moeilijk een baan. Emigratie is dan ook
opnieuw wijd verbreid. Maar anders dan enkele decennia geleden, zijn het nu vooral
hoger opgeleiden die het land ontvluchten. Dat fenomeen staat bekend als cervelli in
fuga. Tegelijkertijd is Italië ook een immigratieland geworden, waarbij vooral
Roemenen, Albanezen en Marokkanen, maar ook Chinezen de toon zetten.
De uitkomst van al deze processen valt moeilijk te voorspellen. Maar erg hoopvol
oogt de toestand van het land niet. In 2011 vierde Italië vierde zijn honderdvijftig
13
= de loden jaren
13
jarig bestaan als natie dan ook in crisissfeer. Toch behouden tal van Italianen het
geloof in hun eigen kunnen en vooral ook in hun haast legendarisch improvisatietalent. De komende jaren zullen zij het land opnieuw moeten uitvinden. Dat is hen in
het verleden meermaals gelukt en dat besef biedt perspectief.
Bibliografie
De literatuur over Italiaanse geschiedenis is schier eindeloos. De Short Oxford History
of Italy, Oxford etc., 2000-2004, 7 vols biedt thematische overzichtsartikelen met
pertinente literatuurverwijzingen. Beknopte, maar uitstekende overzichten zijn
verder o.a:
Catherine Brice, Histoire de l’Italie (Paris, 2002), 483 pp.
George Holmes ed., The Oxford History of Italy (Oxford etc., 1997), 386 pp.
Wie meer wil weten over de geschiedenis van hedendaags Italië kan zijn profijt doen
met volgende boeken:
R.J.B. Bosworth, Mussolini’s Italy. Life Under the Dictatorship. 1915-1945 (London,
2005), 692 pp.
Guido Crainz, Storia del miracolo Italiano. Culture, identità, trasformazioni fra anni 50 e 60
(Roma, 1996), 262 pp.
Idem, Il paese mancato. Dal miracolo economico agli anni ottanta (Roma, 2003), 627 pp.
Idem, Autobiografia di una repubblica. Le radici dell’Italia attuale (Roma, 2009), 241 pp.
Christopher Duggan, The Force of Destiny. A History of Italy since 1796 (London, 2007),
653 pp.
Paul Ginsborg, A history of contemporary Italy. Society and Politics. 1943-1988 (London,
1990), 585 pp.
Idem, L’Italia del tempo presente. Famiglia, società civile, Stato. 1980-1996 (Torino, 1998),
627 pp.
Idem, Silvio Berlusconi. Television, Power and Patrimony (London, 2006), 195 pp.
Idem, Salviamo l’Italia (Torino, 2010), 135 pp.
Mario Isnenghi ed., I luoghi della memoria. Simboli e miti dell’Italia unita (Bari en Roma,
1996), 706 pp.
Salvatore Lupo, Il fascismo. La politica in un regime totalitario (Roma, 2000), 473 pp.
Dennis Mack Smith, Modern Italy. A Political History (London en New Haven, 19973),
534 pp.
Silvana Patriarca, Italianità. La costruzione del carattere nazionale (Bari en Roma, 2010),
320 pp.
Jaap van Osta, Een geschiedenis van het moderne Italië (Amsterdam, 20082), 360 pp.
Tom Welschen, Het Italiaanse complex. Partijen en bewegingen van 1970 tot 1990
(Amsterdam, 1996), 512 pp.
14
Download