44 Bevordering van de mobiliteit

advertisement
44 Bevordering van de mobiliteit
44 Bevordering van de mobiliteit
M.M. Jansen
Inleiding
Er bestaan verschillende behandelmethodes die een rol kunnen spelen bij het voorkomen of
opheffen van klachten als gevolg van een verkeerde lichaamshouding of een onjuiste manier
van bewegen. De oorzaak daarvan kan een lichamelijke afwijking zijn of een ziekte, inbegrepen
multipel myeloom en de ziekte van Waldenström. Deze behandelmethodes nemen de oorzaak
van de ziekte niet weg. Wel kunnen ze de patiënt helpen om te gaan met de beperkingen die er
zijn, respectievelijk resterende mogelijkheden zo goed mogelijk te benutten: eruit halen wat er
nog in zit. Op die manier kan de patiënt zo lang mogelijk zelfstandig de dagelijkse verrichtingen
uitvoeren. Dit is ook bevorderlijk voor de deelname aan het sociaal-maatschappelijke verkeer.
In dit hoofdstuk worden vier behandelmethodes besproken:
-ergotherapie;
-fysiotherapie;
- oefentherapie Cesar;
- oefentherapie Mensendieck.
Er is sprake van een duidelijke tweedeling. Ergotherapie is erop gericht dagelijkse handelingen zo te
veranderen, dat die gemakkelijker uitgevoerd kunnen worden. De andere behandelmethodes zijn vooral
bedoeld om het bewegen te verbeteren en eventuele lichamelijke klachten op te heffen of te verminderen.
130
Ergotherapie
Doelstelling van de ergotherapie is iemand helpen zelfstandig te functioneren. Hierbij gaat het niet
alleen om de zogenaamde algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) – zich wassen en aankleden, eten en dergelijke – maar ook om activiteiten die verband houden met werk of hobby. Bij het
uitvoeren van al die handelingen kan de ergotherapeut advies geven en eventueel hulpmiddelen
aanreiken om een bepaalde verrichting te vergemakkelijken.
Een eenvoudig voorbeeld van zo’n hulpmiddel is de ‘helping hand’: een stok met een grijper waarmee iemand iets van de grond kan oprapen zonder zich te hoeven bukken. Ander voorbeeld: stel dat
iemand vanwege vermoeidheid of pijn niet langdurig kan staan. Dan kan de trippelstoel uitkomst
bieden. Dit is een soort instelbare bureaustoel op wieltjes met een rem. Zittend op de stoel kan men
zich met de benen door de kamer of de keuken verplaatsen. Moet er aan tafel worden gewerkt, dan
gaat de stoel op de rem zodat die niet kan wegrollen.
Er bestaat een veelheid aan dit soort middelen om krachten te sparen, zich zonder hulp van anderen
te verplaatsen, dingen op te pakken, potten en flessen open te maken, enz.
Maar naast het adviseren en aanmeten van hulpmiddelen blijft het een belangrijke taak van de ergotherapeut om aan te geven hoe een handeling zo goed mogelijk kan worden uitgevoerd, in weerwil
van lichamelijke beperkingen. Gezegd wordt wel: niet de mens wordt aan het werk aangepast, maar
het werk aan de mens.
Cesar en Mensendieck
De oefentherapieën Cesar en Mensendieck werken met zogenaamde actieve behandelmethoden.
Vanuit de bewegingsanalyse en de visie op een optimale houding en beweging is oefenstof ontwikkeld die aansluit bij het dagelijks bewegen: lopen, reiken, bukken, tillen, enz. Nadrukkelijker dan de
fysiotherapeut streeft de oefentherapeut naar zelfredzaamheid van de patiënt door middel van een
leerproces en zelfwerkzaamheid: de patiënt krijgt inzicht in de aard van de klacht en wordt bewust
gemaakt van eigen houding en bewegingen.
Het verschil tussen Cesar en Mensendieck schuilt in de didactische werkwijze en de manier waarop
de oefeningen worden uitgevoerd.
Bij de behandeling van de patiënt wordt eerst het hele bewegingspatroon geanalyseerd: hoe beweegt de patiënt, welke gewrichten worden gebruikt, welke spieren worden wel of niet aangespannen, hoe verloopt de ademhaling? Enzovoorts.
44 Bevordering van de mobiliteit
Fysiotherapie
De fysiotherapeut analyseert de bewegingsmogelijkheden én -onmogelijkheden van de patiënt. Hij
kan niets doen aan de oorzaak van een bepaalde ziekte, maar wel aan de symptomen zoals pijn,
stijfheid van spieren of gewrichten en verminderde bloedcirculatie.
Vaak gaat een patiënt door pijn minder bewegen. Activiteiten die nog mogelijk zouden zijn, blijven
achterwege. Door het minder bewegen nemen de lichamelijke mobiliteit en conditie af. Daardoor
kan de pijn toenemen, waardoor men nog minder beweegt en op den duur bedlegerig wordt. De
fysiotherapeut kan een belangrijke rol spelen bij het doorbreken van deze vicieuze cirkel.
Fysiotherapie omvat een aantal behandelmethodes zoals oefentherapie, massage en lichamelijke
therapie al dan niet gebruikmakend van apparatuur.
Net als de ergotherapeut zal de fysiotherapeut proberen de zelfredzaamheid van de patiënt te bevorderen.
Door middel van oefentherapie kan een patiënt bijvoorbeeld zo goed mogelijk leren lopen, eventueel
gebruikmakend van een stok of rollator. Om een voorbeeld te geven: een Waldenström-patiënt is
vanwege vermoeidheid steeds meer gebogen gaan lopen en is daardoor stijf in de rug en heupen
geworden. De fysiotherapeut leert hem met kleinere stappen te lopen, het lichaamsgewicht goed
te verdelen en de rug te strekken. Het resultaat is een beter looppatroon en minder klachten over
stijfheid.
Zo zijn er ook oefeningen gericht op mobilisatie van het hele lichaam, versterking van de spieren,
een betere ademhaling en bevordering van de bloedcirculatie. De oefeningen worden altijd aangepast aan de patiënt en gedoseerd, op geleide van pijn, gegeven.
Van belang is ook preventie van klachten, bijvoorbeeld wanneer een patiënt langdurig bedrust heeft.
In zo’n situatie bestaat er het gevaar van decubitus (doorliggen). De fysiotherapeut kan adviezen
geven omtrent wisselligging en de best mogelijke houding in bed.
Eveneens kan de fysiotherapeut een bijdrage leveren aan pijnbestrijding door middel van warmtetherapie, watertherapie en ontspanningsoefeningen.
Soms wordt een TENS-apparaat gebruikt, meestal op indicatie van de pijnarts, specialist of huisarts. De afkorting TENS betekent Transcutaneous Electrical Nerve Stimulator, oftewel door de
huid werkende zenuwstimulator. De patiënt kan het apparaat, ter grootte van een walkman, in
de zak dragen. Op de huid worden twee of vier elektroden geplakt, afhankelijk van de plaats en
omvang van het pijnlijke gebied. Die zijn met een draad aan het TENS-apparaat verbonden. De
elektroden geven elektrische prikkels door aan de huidzenuwen, waardoor de pijnwaarneming
wordt beïnvloed.
131
44 Bevordering van de mobiliteit
Een voorbeeld: een patiënt is als gevolg van ingezakte wervels en vermoeidheid anders én minder
gaan bewegen. Daardoor is hij erg stijf geworden in heupen, knieën en schouders. Het bewegen
gaat lastiger, het lopen moeilijker en de patiënt durft niet meer op de fiets, omdat hij zich onzeker
voelt. Op verwijzing van de arts is de patiënt doorgestuurd naar een oefentherapeut Cesar. Die leert
de patiënt om bepaalde gewrichten te mobiliseren, spieren beter te gebruiken en zo goed mogelijk
te ademen bij het bewegen. Dit geeft een duidelijke verlichting van de stijfheid en de pijn te zien.
Bij het traplopen is de patiënt geneigd om de adem in te houden, om vervolgens – bovenaan gekomen – vermoeid uit te hijgen. Na het aanleren van doorademen tijdens het traplopen, is hij minder
vermoeid. Van uithijgen is geen sprake meer.
Vaak gaat het om kleine maar erg effectieve correcties. Door de bewustwording van de eigen houding is de patiënt in staat om te gaan met de belasting en de belastbaarheid van het eigen lichaam.
Hiernaast geven oefentherapeuten onder andere oefeningen ter bevordering van de bloedcirculatie,
ontspanningsoefeningen en aanwijzingen om de lichamelijke conditie te verbeteren.
Voor zowel Cesar als Mensendieck geldt dat de patiënt actief aan de therapie deelneemt en leert te
begrijpen waarom bewegingen het best op een bepaalde manier uitgevoerd kunnen worden. Voor
een blijvend resultaat is het belangrijk dat de patiënt het geleerde zo veel mogelijk toepast in het
dagelijks leven. Zo ontstaat er een zeker automatisme.
Verwijzing
Vaak wordt een patiënt in het ziekenhuis naar een bepaalde therapie verwezen. Ook de huisarts kan
een verwijsbriefje uitschrijven. Al een tijdje bestaat ook de mogelijkheid om zonder verwijzing naar
een fysiotherapeut te gaan. Dat geldt inmiddels eveneens voor behandelingen oefentherapie Cesar/
Mensendieck.
De behandelend therapeut zal een screening doen om te bekijken of een eigen therapeutisch onderzoek geïndiceerd is. Is dit niet het geval, dan verwijst de fysiotherapeut of oefentherapeut de patiënt
alsnog door naar de huisarts.
Is de therapie zinvol, dan doet de behandelend therapeut een therapeutisch onderzoek en stelt een
behandelplan op. Hij zal dit met de patiënt bespreken en samen formuleren zij een doelstelling
voor de therapie. Na het onderzoek schrijft de therapeut een rapportage over de bevindingen van
het onderzoek en omschrijft het behandelplan en behandeldoel. Hij stuurt deze rapportage naar de
huisarts en/of specialist.
Tussentijds kan zonodig, met toestemming van de patiënt, overleg plaatsvinden tussen arts en therapeut. Aan het eind van de therapie rapporteert de therapeut het beloop en het resultaat daarvan
aan de verwijzend arts.
Ter afsluiting: het is raadzaam om van tevoren goed bij de zorgverzekeraar na te gaan hoeveel
behandelingen er worden vergoed en dit te bespreken met de behandelend therapeut. Per zorgverzekeraar en verzekeringspakket wisselt nog wel eens het aantal vergoede behandelingen.
Samenvattend
Ergotherapie, fysiotherapie en oefentherapie Cesar respectievelijk Mensendieck kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van leven van een patiënt met multipel myeloom of de
ziekte van Waldenström.
132
44 Bevordering van de mobiliteit
Doelstellingen van de therapieën zijn:
- advisering ten aanzien van het handelen van de patiënt in het dagelijks leven, eventueel met
gebruik van hulpmiddelen;
- het verbeteren en behouden van de mobiliteit van het lichaam;
- advisering omtrent de belasting en belastbaarheid van het lichaam;
- verbetering van de zelfredzaamheid van de patiënt;
-symptoombestrijding.
133
Download