Basisboek Pathologie Antwoorden studieactiviteiten

advertisement
Basisboek Pathologie
Antwoorden studieactiviteiten
Hoofdstuk 1
1 Is persoonlijke invulling
2 Is persoonlijke invulling
3 Is persoonlijke invulling
4a en b
pasgeboren: hielprik - secundaire preventie
kinderen van 1 tot 4 jaar: vaccinaties uit het vaccinatieprogramma, bijvoorbeeld tegen, bof, mazelen en odehond (BMR) en meningokokken
C - primaire preventie
adolescenten: voorlichtingscampagnes tegen het roken - primaire preventie
volwassenen: bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker - secundaire preventie
ouderen: vaccinatie tegen influenza - primaire preventie
Hoofdstuk 2
1Het verschil tussen het acuut en chronisch verloop van een ziekte moet duidelijk zijn.
2 aBijvoorbeeld CVA, dwarslaesie, spierdystrofie
bAfhankelijk van gekozen aandoening
3
figuur 1.1 Exacerbaties en remissies bij een progressief verloop van een ziekte (in dit geval ms).
4Bijvoorbeeld: longemfyseem, de ziekte van Alzheimer en progressieve spierdystrofie (ziekte van Duchenne.
De prognose hangt vaak af van een aantal samenhangende factoren. De prognose van longemfyseem hangt bijvoorbeeld af van de rookgewoonte en de ernst van het longemfyseem, maar ook van de mate waarin het longemfyseem zich voortzet. Denk aan het verlies van
elastisch weefsel en daarmee het verminderen van de longfunctie, de zuurstofverzadiging in het bloed, het optreden van complicaties (bijvoorbeeld longontsteking ) en de mate van overgevoeligheid van de luchtwegen.
5Recidief of recidiverende blaasontsteking.
1
Pathologie Hoofdstuk 3
1
aRecessieve eigenschap.
bHet is een recessieve eigenschap, dus moeten beide ouders drager zijn van het gen voor PKU.
cAls beide ouders drager zijn (en zelf de ziekte niet hebben) dan is de kans 25% dat het kind PKU krijgt.
2Hemofilie komt vrijwel alleen bij mannen voor.
3a infecties bij de moeder, zoals rode hond, mazelen, bof en toxoplasmose
 röntgenstraling
 medicijnen (bijvoorbeeld fenytoïne) en giftige stoffen zoals alcohol en heroïne
 zwangerschapsdiabetes
 zwangerschapsvergiftiging
bterugkerende hypoglykemie
kernicterus
infectie
4Bij auto-intoxicatie (zelfvergiftiging) is het lichaam zelf niet (meer) in staat giftige afvalstoffen te verwerken; het lichaam vergiftigt zichzelf.
Voorbeelden zijn: hepatisch coma bij ernstige levercirrose, uremie bij ernstige nierinsufficiëntie, overdosering van medicijnen.
5a endogeen: de psychische stoornis ontstaat van binnenuit, er is aanleg voor de stoornis
 exogeen: de oorzaak komt van buiten
b
 een bipolaire stoornis is een endogene oorzaak van psychische ziekte
 een infectieziekte die gepaard gaat met hoge koorts (ijlen) of een depressie door psychotraumata zoals seksueel misbruik en
mishandeling
Hoofdstuk 4
1Bij een allergie (bijvoorbeeld hooikoorts) en een auto-immuunziekte (bijvoorbeeld multipele sclerose) is sprake van een ontsteking door een
afwijkende reactie van het immunologisch systeem.
2 aHet vrijkomen van stoffen als histamine, serotonine, bradykinine en prostoglandinen uit de beschadigde weefselcellen en bloedcellen.
Zenuwuiteinden van de pijnvezels worden daardoor geprikkeld.
bDe pijnprikkel verloopt vanuit de pijnreceptoren via zenuwbanen in de achterhoorn van het ruggenmerg naar de thalamus en de hersenschors, waar de pijn bewust waargenomen wordt.
3  rust
 gezonde voeding
 in overleg met arts: medicijnen die de ontstekingsverschijnselen verlichten
4Door de druk van het knijpen kan de inhoud van het abces door de wand van het infiltraat naar binnen gedrukt worden en zich verder
verspreiden in het weefsel.
5schade door mechanische, chemische of thermische oorzaak, bijvoorbeeld snijwond of brandwond
infectie door virus of bacterie
auto-immuunziekte, bijvoorbeeld chronisch reuma, ziekte van Hashimoto
allergie, bijvoorbeeld pollen (hooikoorts) of antibiotica
Hoofdstuk 5
1 agranulocyten en lymfocyten
b
 Granulocyten zijn verantwoordelijk voor de directe afweer via fagocytose.
 Lymfocyten zijn verantwoordelijk voor de indirecte afweer en dragen zorg voor de immuniteit.
2Na het doormaken van de ziekte maken de lymfocyten memory cells of geheugencellen aan. Dringt het antigeen jaren later nogmaals binnen, dan wordt dat antigeen herkend. Er worden dan zeer snel gesensibiliseerde T-lymfocyten (cellulaire afweer) en antilichamen (humorale
afweer) aangemaakt. Door de snelheid waarmee dit gebeurt, word je niet opnieuw ziek.
3Tuberculose komt hier in Nederland vrijwel niet meer voor. In Marokko en Turkije echter nog wel, waardoor de ziekte naar Nederland
gebracht kan worden.
2
Antwoorden studieactiviteiten
4Mensen van 60 jaar en ouder, mensen met hartziekten (hartinfarct, hartritmestoornissen, doorgemaakte hartoperatie), mensen met longziekten
(astma, chronische bronchitis of longemfyseem), mensen met diabetes mellitus, nierpatiënten, mensen met weinig weerstand door ziekte of
medische behandeling: beenmergtransplantatie, hiv-infectie, leukemie, mensen met kanker die chemotherapie of bestraling ondergaan, kinderen vanaf 6 maanden tot 18 jaar die langdurig salicylaten gebruiken, mensen met een verstandelijke beperking die in een instelling wonen.
5Hiv beschadigt de T-lymfocyten, waadoor het aantal T-lymfocyten sterk afneemt. Hierdoor neemt de afweer van het lichaam sterk af (vermindering van de draagkracht) waardoor er een verhoogde vatbaarheid ontstaat voor infecties.
6Aan de hand van een titerbepaling zie je of er antistoffen in het serum aanwezig zijn. Bij een verse infectie neemt de titer toe in de loop van
de tijd; bij een lang geleden doorgemaakte infectie blijft de titel gelijk. Door meerdere titerbepalingen te doen, kun je dus zien of iemand
een verse ontsteking heeft, of dat iemand die lang geleden doormaakte.
7 aHepatitis B, eventueel herpes zoster (gordelroos), mazelen en rubella (rode hond), en tbc (bcg-vaccinatie)
bkunstmatige actieve immuniteit
c prikaccident
 contact met bloed- en uitscheidingsproducten van de patiënt
 hoesten, niezen (druppelinfecties)
Hoofdstuk 6
1
a53 mensen
b3 dagen
c32 mensen
dDe besmetting is ontstaan door direct contact, aangezien het hier om een primaire infectie (voedselinfectie) gaat. De Salmonella-bacte-
eDeze mensen zijn bacteriedrager.
rie komt door het eten van besmet voedsel terecht in het maag-darmkanaal.
2 aHoge koorts, buikkrampen en diarree. De dunne ontlasting bevat bloed, pus en slijm, en vijftien keer per dag naar de wc gaan.
bDat de klachten na de kuur blijven aanhouden, wijst erop dat de ontsteking zich uitbreidt.
cNa twee weken heeft mevrouw Visser hoge koorts en buikpijn. Er zijn opgezette lymfeklieren en een abces.
cBacterie (colibacil).
dAls de bacterie in de bloedbaan terechtkomt en zich daar gaat vermenigvuldigen, is sprake van een sepsis. Verschijnselen: de patiënt voelt
zich erg ziek, hoge koorts, koude rillingen, warme, klamme huid met rode kleur, hevige dorst, droge slijmvliezen, sufheid, verschijnselen van
shock (septische shock).
e3Betrouwbare sites om op te zoeken zijn:
www.nationaalkompas.nl
http://www.nivel.nl/en/node/2406
www.ggdflevoland.nl
Zoek hier met de zoektermen epidemie, endemie en pandemie.
aEndemie, bijvoorbeeld tuberculose in Europa. Het aantal nieuwe besmettingen is dan ongeveer gelijk aan het aantal mensen dat aan de
ziekte sterft of ervan geneest.
Epidemie, bijvoorbeeld een griepepidemie in Nederland. De ziekte komt op grote schaal voor, maar is vooral gebonden aan een bepaalde plek en tijd.
Pandemie, bijvoorbeeld het H1N1 virus (Mexicaanse griep ofwel nieuwe influenza A), kwam voor in meerdere landen en zelfs meerdere
werelddelen.
bCutaan: steenpuist, zweetklierontsteking, erysipelas.
Aerogeen: verkoudheid, griep, tuberculose.
Enteraal: salmonella-infectie, bacillaire dysenterie, hepatitis A.
Genitaal: gonorroe, Chlamydia-infecties, herpes genitalis.
Hematogeen: hepatitis B, hiv-infectie, toxoplasmose.
4 aIncidentie: het aantal nieuwe gevallen van een ziekte per tijdseenheid, per aantal van de bevolking.
bPrevalentie: het aantal gevallen per duizend of per honderdduizend op een specifiek moment of periode in de bevolking (het totaal
aantal mensen met de ziekte op dat meetmoment of in die periode).
3
Pathologie 5Puntprevalentie: het totaal aantal mensen met de ziekte op dat meetmoment (meetpunt).
6Griep is een virus. Het virus muteert. Dat betekent dat het virus andere eigenschappen heeft (over een andere code beschikt) dan het oorspronkelijke virus en daardoor niet meer herkend wordt als een bekend antigeen door de geheugencellen van het immuunsysteem. Jaarlijks
ontstaan nieuwe virussen. Sommige virussen zijn zeer virulent waardoor een griepepidemie kan ontstaan.
Hoofdstuk 7
1 aAanhoudend hoesten en streepje bloed in het sputum zijn vroege verschijnselen van een longtumor. Om dit uit te sluiten of te bevestigen maakt de arts een longfoto.
b
 onregelmatige vorm van het gezwel
 metastasen
 een spoortje bloed kan duiden op infiltratieve groei
cPijn in de borst bij eten en drinken, misselijkheid, minder eetlust, moe.
dSneldelende (gezonde) cellen (maag-darmslijmvlies hebben een hoge delingssnelheid) zijn gevoelig voor straling.
eUitzaaiingen via de bloedbaan = hematogene metastasering.
fSneldelende cellen zijn gevoelig voor cytostatica. Straling is doelgerichter. Chemotherapie is algemeen en belast daarmee alle sneldelende
cellen van het lichaam, waardoor onder andere haaruitval optreedt.
2
abenigne (goedaardig)
bEr is geen kinderwens meer.
Terugkerende vleesbomen in combinatie met het bloedverlies en de daarmee gepaard gaande bloedarmoede.
3 aHet aantal mensen dat vijf jaar na het vaststellen van de diagnose alvleesklierkanker nog in leven is, is minder dan 5%.
bDe meeste mensen met een pancreascarcinoom hebben geen symptomen tot het moment dat de tumor zich uitzaait, onder andere naar
de lever, en niet meer te genezen is. De tumor wordt dus pas laat ontdekt.
4 aColoncarcinoom: Het risico op coloncarcinoom neemt toe door leef- en eetgewoonten, zoals het eten van rood vlees en alcoholgebruik
(drie of meer glazen per dag). Ook overgewicht en roken verhogen het risico op coloncarcinoom.
Bronchuscarcinoom: roken.
Melanoom: langdurige en veelvuldige blootstelling aan intensieve ultraviolette (uv-)straling (zon).
bDekweefsel, epitheel
5 aMannen: prostaatkanker, longkanker en dikke darmkanker.
Vrouwen: borstkanker, dikkedarmkanker en longkanker.
Inmiddels komt ook huidkanker veel voor.
bVroege verschijnselen:
Algemeen: elke gewichtsverlies zonder directe aanleiding.
Prostaatkanker: moeite met plassen, vaker moeten plassen (overdag en ’s nachts), pijn en een branderig gevoel bij het plassen, bloed in
de urine, nadruppelen, een zwakke urinestraal, troebele urine.
Longkanker: langdurige hoest, soms met ophoesten van spoortjes bloed, aanhoudende heesheid.
Dikkedarmkanker: elke onverklaarbare verandering in een voorheen normaal ontlastingpatroon, bloedverlies en/of slijm bij de ontlasting.
Borstkanker: pijnloze zwelling of knobbeltje in de borst.
Huidkanker: nieuwe of duidelijk veranderende huid, moedervlekken of wrat in vorm, omvang en/of kleur. Moedervlekken die gaan
jeuken en of snel gaan bloeden.
Hoofdstuk 8
1 aDiclofenac is een non-steroidal anti-inflammatory drug. Het remt de prostaglandinesynthese. In bloedplaatjes spelen deze prostaglandines een belangrijke rol in de vorming van stolsels. Bij het gebruik van diclofenac hebben bloedplaatjes verminderde neiging om een
stolsel te vormen. Hierbij ontstaat dus een verhoogde bloedingsneiging.
Ascal (carbasalaatcalcium) geeft ook remming van de prostaglandinevorming. Het geeft dus een verhoogde bloedingsneiging. Het middel wordt om deze reden ook gebuikt bij veel patiënten met hart- en vaatziekten.
Indien beide middelen tegelijk gebruikt worden, versterken ze elkaars werking. De bloedingsneiging wordt dus extra groot. Een veel
voorkomende complicatie is een maagbloeding, omdat diclofenac ook kan leiden tot maag- en darmzweren.
4
Antwoorden studieactiviteiten
bDiclofenac kan in verschillende vormen gegeven worden. De werking is in het hele lichaam en geeft bij iedere toedieningsvorm dezelfde
effecten. Het maakt dus niet uit op welke manier diclofenac gegeven wordt; de bijwerkingen en interacties zullen hetzelfde zijn.
2Bijwerkingen moeten vermeld worden als ze voorkomen bij meer dan 1 op de 100 patiënten (> 1%).
De bijwerkingen van morfine zijn:
obstipatie, misselijkheid en braken (vooral in het begin van de behandeling):
zeer vaak (> 10% van de patiënten);
anorexie, droge mond, verwardheid, duizeligheid, visusstoornissen (miosis, dubbelzien), sufheid, zweten, allergische huidreacties: vaak
(1-10% van de patiënten).
3Farmacokinetiek omschrijft wat het lichaam met een medicijn doet. Bij de dosering is de biologische beschikbaarheid van belang, evenals de
absorptie (opname) en de verdeling van het medicijn in het lichaam. Ook de halfwaardetijd speelt een rol. Een middel dat snel wordt afgebroken, moet je vaker doseren. Het is ook belangrijk hoe een middel wordt afgebroken. Bij lever- en nierfunctiestoornissen moet de dosering
vaak worden verlaagd omdat bij deze patiënten medicijnen slechter worden afgebroken.
Farmacodynamiek omschrijft de werking van het medicijn in het lichaam. Is het werkingsmechanisme bijvoorbeeld omkeerbaar (reversibel)?
Farmacodynamiek zegt ook iets over de intensiteit van de werking. Voor de dosering is de farmacodynamiek minder belangrijk dan de
farmacokinetiek.
4Bij orale medicatie wordt het medicijn opgenomen in de bloedbaan via de darm. Als het middel in de bloedbaan komt, passeert het eerst
de lever voordat het via het hart verder wordt verspreid. In de lever wordt soms al een deel van het medicament weggevangen en inactief
gemaakt. Dit noem je het first-pass effect.
5De biologische beschikbaarheid is de fractie van een geneesmiddel dat de bloedbaan bereikt. Hoeveel dit uiteindelijk is, is met name afhankelijk van de toedieningsvorm en van de opname van het medicijn. Bijvoorbeeld: bij inname per os zal maar een gedeelte van het medicijn
worden opgenomen via het slijmvlies. In tegenstelling tot bij intraveneuze toediening is de beschikbaarheid niet 100%.
6Grapefruitsap remt bepaalde enzymen in de lever die betrokken zijn bij de afbraak van meerdere medicamenten. Het kan dan zijn dat de
vertraagde afbraak leidt tot hogere bloedspiegels van medicijnen, en dat geeft weer meer kans op bijwerkingen. In het geval van mevrouw
De Groot zijn er met name bijwerkingen te verwachten van de paracetamol en van de statine, wat kan leiden tot verhoogde spierafbraak en
nierinsufficiëntie.
Hoofdstuk 9
1Drie belangrijke functies van water in het lichaam zijn:
 transportmiddel;
 in stand houden van lichaamstemperatuur;
 absorberen van schokken.
2Eiwitten zuigen vocht aan en zijn een transportmedium voor stoffen in de lichaamsvloeistoffen. De elektrolyten zijn zouten die ervoor zorgen dat stoffen door de dunne cel- en weefselwanden van de ene ruimte naar de andere ruimte kunnen gaan via osmose.
3Bij een positieve vochtbalans wordt minder aldosteron geproduceerd door de bijnier, waardoor minder Na+ door de nier wordt teruggeresorbeerd en meer water het lichaam verlaat. Er is dus meer urineproductie. Dit wordt ondersteund door minder aanmaak van ADH, waardoor
de nier meer water uitscheidt.
4Bij mevrouw Graafland wordt door een hoog glucosegehalte in het bloed vocht uit de weefsels aangetrokken. De weefsels krijgen daardoor vochttekort. De nieren proberen het teveel aan glucose opgelost in water uit te scheiden. Hierdoor ontstaat een tekort aan water in
het lichaam. Dit is een negatieve vochtbalans met verschijnselen van dorst en lage bloeddruk. Door extra te drinken probeert de patiënt dit
tekort aan te vullen. Dit wordt ondersteund door de bijnier en de hypofyse die respectievelijk extra aldosteron en ADH aanmaken om het
vocht in het lichaam te houden.
5Lichamelijke verschijnselen zijn: vermoeidheid, bleke droge huid (verminderde turgor), droge slijmvliezen, lage bloeddruk, snelle oppervlakkige polsslag, verminderde urineproductie, gewichtsverlies en kans op verwardheid.
6Door de vochtbalans te controleren aan de hand van: vochtinname, urineproductie, lichaamsgewicht, onderzoek bloed (Hb, hematocriet) en
urine (soortelijk gewicht).
5
Pathologie Hoofdstuk 10
1Hij kan zijn warmte niet kwijt door de hogere omgevingstemperatuur en de hoge luchtvochtigheid.
2Koorts is een gewenst verschijnsel. Bij een hogere lichaamstemperatuur verlopen de afweerprocessen sneller.
3Ouderen hebben een lagere kerntemperatuur omdat hun hypothalamus minder goed werkt. Zij kunnen hun temperatuur minder goed op
peil houden ten opzichte van de omgevingstemperatuur.
4Kritische temperatuursverandering.
5Je moet het lichaam beschermen tegen verdere afkoeling door het in te pakken in aluminiumfolie. Je moet het lichaam langzaam opwarmen
met natuurlijke warmte of op een warme matras. Geen alcohol laten drinken, maar je mag wel warme dranken geven.
Hoofdstuk 11
1Begeleidende verschijnselen bij het braken zijn: rood gestuwd gelaat, transpireren, snelle pols en verhoogde speekselvloed, aangespannen
buikspieren.
2Braken is met kracht maaginhoud opgeven, reflux is een deel van de zure maaginhoud die omhoog komt in de slokdarm.
3Het braakcentrum is via zenuwbanen verbonden met hogere hersencentra (emoties als angst en stress), met het evenwichtsorgaan en via de
tiende hersenzenuw (N. Vagus) met inwendige organen in borst- en buikholte. Te sterke prikkeling van deze organen kan het braakcentrum
activeren en leiden tot braken.
4Met een grote boog braken bij een zuigeling is meestal een gevolg van een te nauwe maaguitgang (pylorusstenose). Er is een kleine operatie nodig.
5Langdurig braken heeft gevolgen voor de vocht- en elektrolytenbalans in het lichaam (dehydratie, hartritmestoornissen). Het kan de slokdarm beschadigen en door aspiratie in de luchtwegen kan een pneumonie ontstaan.
6Typen braken en aspect van braaksel daarbij zijn:
retentiebraken, braken van onverteerd eten;
projectielbraken, met kracht en een grote boog braken van de hele maaginhoud;
haematemesis (rood of koffiekleurig braaksel), bloed hoog uit maagdarmkanaal;
gallig braaksel, geelgroen schuimig braaksel;
fecaal braken, bruin braaksel met de geur van ontlasting door afsluiting van de darmen.
7Neurologische aandoeningen die slikstoornissen geven zijn: CVA, ziekte van Parkinson, amyotrofe lateraal sclerose (ALS), multipele sclerose,
ziekte van Alzheimer.
8Plaatselijke oorzaken van slikstoornissen zijn: gezwellen in de mond, van de tong of speekselklieren, bestraling van de hals en een gezwel in
slokdarm.
9
aPer infuus.
bEr moet een vochtbalans bijgehouden worden om tijdig uitdroging te kunnen constateren.
cPer infuus.
dDomperidon of metoclopramide.
eLichtverteerbare voeding: Dit zijn kleine maaltijden met crackers, beschuit of brood, met daarbij voldoende drinken.
Hoofdstuk 12
1 aDe samenstelling van normale ontlasting is onverteerde voedselresten, water, zouten, galkleurstof, bacteriën, slijm en afgeschilferde
darmcellen.
Het aspect van normale ontlasting is een stevige licht- of donkerbruin gekleurde massa.
bMinder dan de helft van de feces bestaat uit onverteerde voedselresten. Ook als je niet eet, wordt er door de darm ontlasting gemaakt.
2 aBijzondere kenmerken van ontlasting zijn:
lichte ontkleurde ontlasting (stopverfontlasting) door verstopping van galwegen;
zwarte ontlasting (melena) door bloed in de ontlasting vanwege een bloeding hoog in het maag-darmkanaal;
rode ontlasting door bloed in de ontlasting vanwege een bloeding laag in het maag-darmkanaal;
steatorroe (brijige grijsgekleurde ontlasting) door een vetverteringsstoornis;
waterig dunne ontlasting door infecties of ontstekingen in de darmen.
6
Antwoorden studieactiviteiten
3 aMevrouw Klaver heeft een chronische diarree.
bOorzaken van een dergelijke diarree zijn: verteringsstoornissen, infecties in darmen, chronische ontstekingen van de darmwand,
gezwellen in de darmen, bestraling van de darmen, overmatig medicijngebruik, verkeerde voeding, endocriene ziekten, allergie voor
voedingsmiddelen.
4 aBij het malabsorbtiesyndroom worden er te weinig essentiële voedingsstoffen opgenomen door een ziekte in de darm.
bEr ontstaan deficiënties van ijzer, foliumzuur, vitamine B12, en de vetoplosbare vitamines A, D, E en K.
5Door antibiotica worden vele micro-organismen in de darm vernietigd. Dit verstoort het evenwicht in de darm, met als gevolg diarree.
6Uitdroging.
7Een tekort aan essentiële voedingsstoffen, zoals aminozuren, vetten, vitaminen en ijzer.
8 aBloeding uit de spatader onder in slokdarm, bloeding uit een maagzweer of maagtumor, bloeding uit een zweer (ulcus) in de twaalfvingerige darm.
bJe kunt geen afwachtend beleid voeren, maar je moet zo snel mogelijk de oorzaak van de bloeding opsporen!
9Voldoende regelmatig eten, vezelrijke voeding eten, ruim 1,5 liter vocht per dag drinken en veel lichaamsbeweging nemen.
10Coeliakie is een overgevoeligheid voor gluten (meel). De patiënt moet naar een diëtist om het juiste voedingsadvies te krijgen.
Hoofdstuk 13
1 aDoor de kringspier aan te spannen.
b5 tot 6 keer per dag.
cDoor de vulling van de blaas rekt de wand van de blaas uit. De zenuwuiteinden die deze rek registreren, geven de prikkels door aan het
ruggenmerg. Via een reflexboog en de motorische vezels worden de spiercellen in de blaaswand geprikkeld om samen te trekken.
2 aEen deel van de ochtendurine: de midstream urine
bEerst wassen van gebied rond opening van de plasbuis, dan beginnen met plassen en midden in de straal (midstream) een deel van de
urine opvangen in een schoon potje.
3De eerste plas van de dag wordt niet opgevangen. Daarna wordt iedere plas opgevangen tot en met de eerste plas van de volgende ochtend. Alle urine wordt in een containertje bij elkaar bewaard.
4Verhoogde bloedglucose bij diabetes, verhoogd calciumgehalte in het bloed (bij botmetastasen), sterk verhoogd ureumgehalte bij verhoogde eiwitafbraak, een tekort aan antidiuretisch hormoon (diabetes insipidus) en overvloedig drinken (meer dan 2 liter per dag).
5Bloedverlies uit de urinewegen (infectie, steen, tumor) of uit de vagina (menstruatie), het eten van groenten met een rode kleurstof (bijvoorbeeld bietjes), gebruik van bepaalde medicijnen (laxeermiddelen).
6 aBruine kleur van urine betekent teveel galkleurstof (urobiline) in de urine of er bevindt zich ontlasting in de urine.
bTwee oorzaken: hoge concentratie urobiline door een leverziekte, ontlasting in urine door een fistel tussen darm en blaas.
7 aDiabetes mellitus, een lage nierdrempel voor glucose of erg veel glucose eten.
bBij diabetes mellitus en bij extreme vermagering.
8 aNitriettest, microscopisch onderzoek (sediment), dipslide en urinekweek.
bDe nitriettest is wel een snelle test, maar nadelen zijn dat het versgeloosde urine moet zijn, want oude urine kan door groei van bacteriën een vals-positieve uitslag geven. Sommige bacteriën maken geen nitriet en geven dan een vals-negatieve test. Veel vitamine C
gebruik kan de nitriettest verkeerd beïnvloeden.
Sediment is een betrouwbare methode, maar bewerkelijk.
Dipslide en kweek leveren de beste resultaten, maar duren veel langer, respectievelijk 1 dag en 4 dagen.
cDe meest betrouwbare methode is de urinekweek.
Hoofdstuk 14
1
aPersoonlijke keuze
bafhankelijk van antwoord bij 1a
2Verkoudheid (virale luchtweginfectie), bacteriële luchtweginfectie (longontsteking, acute bronchitis), chronische longziekte (chronische bronchitis, COPD), allergie in de luchtwegen, te veel roken of luchtverontreiniging.
7
Pathologie 3Een streepje bloed in het sputum kan het gevolg zijn van te hard hoesten (beschadiging of wondje in de keel) of een infectie in de lagere
luchtwegen. Een streepje bloed kan ook een ernstige oorzaak hebben, zoals een gezwel in de longen. Bij herhaling bloed ophoesten, is zeker
een reden voor nader onderzoek!
4 aAls een luchtweginfectie niet overgaat of abnormaal verloopt, is een sputumkweek nodig om te weten welke bacterie veroorzaker van
de infectie is, om te bepalen welk antibioticum bij deze infectie gegeven moet worden.
bJe vraagt aan de patiënt wat sputum in een potje te doen. Met een gevoeligheidsbepaling in die kweek kan bepaald worden voor welke
antibiotica de gevonden bacterie gevoelig is.
5De benauwdheid van meneer Aarts kan verminderd worden door te vernevelen met een luchtwegverwijder (salbutamol, fenoterol of terbutaline) of door te vernevelen met een combinatie van een luchtwegverwijder en ontstekingsremmer. Het taaie slijm makkelijker ophoesten
kan door toediening van broomhexine of acetylcysteine. Bij koorts en groen sputum kan een antibioticum worden toegediend.
6Infecties van de luchtwegen door virussen, inademen van prikkelende stoffen in rook of dampvorm, allergie in de luchtwegen, gebruik van
bepaalde medicijnen, roken of inhaleren van sigarettenrook.
Hoofdstuk 15
1 aVijf slaapstadia zijn:
 stadium 1: schommelen tussen waken en slapen, makkelijk wekbaar;
 stadium 2: slaapfase waarin spieren verslappen en langzame oogbewegingen stoppen;
 stadium 3 en stadium 4: diepe slaap, spieren zijn volledig verslapt, moeilijk wekbaar;
 stadium 5, de REM-slaap (Rapid Eye Movements), duurt kort (20 minuten), is de fase waarin gedroomd wordt.
Het slaapritme van een bejaarde verandert naar een minder diepe en kortere slaap. De diepe slaapfase kan zelfs helemaal verdwenen zijn.
b
Overdag zijn er ook momenten met een vergrote slaapbehoefte. Over 24 uur bezien kan een bejaarde meer uren slapen dan een volwassene.
2Ga op een vaste tijd naar bed, vermijdt kort voor het slapen gaan te veel eten, te veel koffie en te veel geestelijke inspanning. Zorg voor
gunstige omgevingsfactoren, zoals een goed geventileerde niet te warme slaapkamer en een comfortabel bed.
3 aLichamelijke oorzaken: snurken, het slaapapnoesyndroom, restless leg syndroom, nachtelijke spiertrekkingen en slaapverstorende symptomen bij ziekte (pijn, jeuk, benauwdheid, hoesten, vaak plassen).
Veel voorkomende psychische oorzaken: stress, posttraumatische stressstoornis en depressie.
bDe beste manier is wegnemen van de oorzaak van de slaapstoornis. Als dit niet mogelijk is de stoornis met een behandeling aanpakken,
waardoor de rust voor de patiënt terugkeert.
4 aBenzodiazepinen (temazepam, nitrazepam, midazolam, lormetazepam) en cyclopyrrolonen (zopiclon).
bHangover, reboundeffect, gewenning, verstoring van de slaaparchitectuur.
5Vragen die je aan meneer Goossens (leverafwijking) stelt, hebben betrekking op het gebruik van andere medicatie, misselijkheid of braken
door de leverafwijking, pijn of jeuk door de leverafwijking, omgevingsfactoren die het in slaap vallen tegenwerken (lawaai, licht), angstig
voelen of last hebben van stress.
6Benzodiazepinen worden gebruikt bij sedatie, slaapbevordering, angstvermindering en spierverslapping; deze middelen een anti-epileptische
werking.
7Bij stress speelt vaak de hoge spierspanning een rol bij het slecht kunnen slapen. Temazepam heeft de voorkeur als slaapmiddel, en bij lichte
spierspanning vanwege de kortere halfwaardetijd, maar bij extreem hoge spierspanning zou diazepam een goede keuze kunnen zijn.
8Een placebo is een middel zonder werking. Het werkt bij de patiënt de suggestie in de hand dat hij een werkzaam middel krijgt, maar in
werkelijkheid wordt hij voor de gek gehouden. Eigenlijk is dat niet een juiste manier van omgaan met patiënten, dus is het geven van placebo’s niet juist. Een uitzondering is het doen van wetenschappelijk onderzoek, waarbij de patiënt niet mag weten of hij een werkzaam middel
of een pil zonder werking krijgt.
9Het ideale profiel van een slaapmiddel is:
het is werkzaam binnen een half uur;
het tast de kwaliteit van de slaap niet aan;
het beschadigt het natuurlijke slaapmechanisme (slaaparchitectuur) niet;
het vertoont geen bijwerkingen, zoals hoofdpijn, kater, concentratievermindering;
het is veilig bij eventuele overdosering;
er is geen reboundeffect na stoppen;
het werkt niet verslavend.
8
Antwoorden studieactiviteiten
Hoofdstuk 16
1 ahevige pijn op de borst die uitstraalt naar de linkerarm en tussen de schouderbladen
de pijnaanval verdwijnt niet, ook niet na gebruik van de nitroglycerinespray
bleek zien
transpireren
braken
angstig
door de pijn kan Meneer Patrijs niet stil blijven liggen op de brancard
lage bloeddruk, zwakke pols en ecg vertoont afwijkingen
bHiermee wordt de doorgang van de slagader weer vrijgemaakt. Dit beperkt de omvang van het hartinfarct (hoeveelheid verloren
cAcenocoumarol is een antistollingsmiddel en voorkomt het ontstaan van nieuwe stolseltjes en daarmee het gevaar op embolie en clopi-
dHartritmestoornissen zoals ventrikelfibrilleren en een hartblok.
gegaan hartweefsel).
dogrel lost een stolseltje op (trombolyticum).
2Bij een volledige afsluiting zal weefsel achter de afsluiting afsterven. Er bestaat dan infectiegevaar met een kans op nat gangreen.
3Bij nat gangreen is sprake van een bacteriële infectie met kans op een levensbedreigende sepsis. Amputatie is dan noodzakelijk om overlijden te voorkomen.
4 aHet gaat hier om veneuze trombose. Het been ziet rood en voelt warm aan.
bspataderen en te weinig bewegen
te weinig drinken waadoor het bloed stroperiger wordt.
cgladde en glanzende huid
verhoogde lichaamstemperatuur en een versnelde pols
teken van Homan
adertekening op het been.
dDit bevordert de doorstroming van het bloed (spierpomp) en voorkomt daarmee het ontstaan nieuwe stolseltjes.
eJe moet rekening houden met een (long)embolie.
fKortademigheid, snel en oppervlakkig ademhalen. Diepe ademhaling is pijnlijk, verhoogde hartslag, lichte koorts, hoesten en ophoesten
van kleine beetjes bloed.
5 aBoezemfibrilleren. Boezemfibrilleren is mogelijk als gevolg van een oud hartinfarct of hartfalen. De patiënt heeft een bonzend hart met
een snelle, onregelmatige en ongelijkmatige pols.
bHet hartinfarct. Het littekenweefsel in de boezems kan verantwoordelijk zijn voor de hartritmestoornis, waardoor er elektrische prikkels
op diverse plekken in de boezems ontstaan. Tevens kan door een hartinfarct geleidelijk hartfalen ontstaan, waardoor de boezems zich
vergroten en er eveneens boezemfibrilleren kan ontstaan.
cIn de boezems kunnen stolsteltjes optreden, doordat de boezems minder effectief bloed uitpompen. Een bloedverdunnend middel werkt
tegen embolieën.
Hoofdstuk 17
1 aUitvoering van een rollenspel
bSpirometrie (longfunctieonderzoek) om de mate van luchtwegvernauwing vast te stellen. Tevens een meting doen met een
cLuchtwegverwijders en ontstekingremmers. Hierdoor wordt Tom minder benauwd en wordt de ontsteking bestreden.
dInhalator met voorzetkamer (of ademgestuurde inhalator). Het gebruik van een inhalator zonder voorzetkamer vereist een specifieke
luchtwegverwijder.
inhalatietechniek. Door de voorzetkamer komt de medicatie in de voorzetkamer. Door rustig te blijven ademen komt er voldoende
medicatie in de luchtwegen.
2Longemfyseem. Zwaar roken en chronische bronchitis in de voorgeschiedenis. Hoesten en benauwdheid. Achteruitgang (progressieve ziekte). Toediening van zuurstof.
9
Pathologie 3 aDoor deze houding en de vorm van de borstkas ontstaat een inademingsstand van de borstkas die nodig is om voldoende lucht met
zuurstof binnen te krijgen.
Als de borstkas door de kortademigheid noodgedwongen permanent in de inademingsstand blijft staan, ontwikkelt zich een tonvormige
borstkas.
bEen grote maaltijd kost veel inspanning (dus energie en zuurstof). Door kleine beetjes te eten wordt de inspanning afgewisseld met
rust. Bovendien krijgt meneer dan toch voldoende voeding binnen. Bij te grote maaltijden bestaat het gevaar dat de patiënt er zodanig
tegenop ziet dat hij de maaltijd overslaat omdat het te veel energie kost.
4 aEen longontsteking. Koorts, koude rillingen, benauwdheid en crepitaties in combinatie met risicofactor diabetes mellitus duiden op een
mogelijke longontsteking.
bAnamnese, lichamelijk onderzoek, bloed- en sputumonderzoek (kweek), longfoto.
cAntibiotica. Eventueel aangevuld met pijnstilling en koortsdemping.
dBeschadiging van longweefsel waardoor zuurstofopname in die delen niet meer mogelijk is.
Hoofdstuk 18
1 aOnderzoek naar de Helicobacter pylori kan:
in de ontlasting
via de antistoffen in het bloed
via een ademtest (C-13 ademtest)
door een biopsie te nemen (gastroscopie) uit het maagslijmvlies en met een specifieke kleuring de bacterie aan te tonen (CLO-test)
bDe behandeling bestaat uit het geven van twee antibiotica (amoxicilline en claritromycine) in combinatie met een maagzuurremmer
cZeer waarschijnlijk is er sprake van bloedverlies hoog in het maag-darmkanaal. Door inwerking van het maagzuur kleurt het bloed
(PPI, zoals pantoprazol). Deze behandeling wordt de tripletherapie genoemd en de kuur duurt een week.
zwart.
2Vooral ontstekingsremmers van de groep NSAID’s (ibuprofen, naproxen en diclofenac en acetylsalicylzuur) zijn berucht om aantasting van
het maagslijmvlies. Deze medicijnen veroorzaken vaker dan gemiddeld maagklachten en bloedingen van het slijmvlies.
3 aBij de ziekte van Crohn is de darmwand in de gehele dikte aangedaan door een ontsteking tot in de buitenste laag toe, terwijl bij colitis
ulcerosa de oppervlakkige slijmvlieslaag door een ontsteking is aangetast.
bBij de ziekte van Crohn kunnen de darmen door de ontsteking aan elkaar verkleven. Daardoor kunnen afsluitingen in de darm ontstaan
(ileus) of fistels (verbindingen tussen de verschillende darmlissen). Verschijnselen zijn vooral buikpijn, een opgezette buik en met moeite
brijige ontlasting lozen.
De verschijnselen van colitis ulcerosa bestaan vooral uit frequente aandrang, diarree met bloed en slijm.
4Divertikels in de dikke darm ontstaan door een hoge druk op de darmwand tijdens de peristaltiek, waardoor slijmvlies tussen de darmspieren
door naar buiten geperst wordt.
5Signalen die kunnen wijzen op het bestaan van een coloncarcinoom zijn:
veranderd defecatiepatroon (afwisselend diarree en obstipatie);
vermoeidheid en bloedarmoede;
langdurige buikpijn;
plotseling minder eetlust en vermagering;
ontlasting met bloed en slijm.
Hoofdstuk 19
1 aVeel drinken en de blaas goed leegplassen. Dit bevordert snellere doorstroming van de urinewegen.
bBij bedlegerigheid is het moeilijker om de blaas volledig leeg te plassen. Er blijft dan wat urine in de blaas achter. Hierdoor is er een
cOpstijgende infectie met een mogelijke pyelonefritis. Nierweefsel kan hierdoor beschadigd raken, waardoor nierinsufficiëntie kan ont-
grotere kans dat bacteriën in de urine zich vermenigvuldigen.
staan. Een complicatie van pyelonefritis kan weer een sepsis zijn.
2De blaas kan door de obstructie niet volledig leeg geplast worden, waardoor er urine in de blaas achterblijft. Oorzaken kunnen onder andere
prostaatvergroting of een prolaps zijn.
10
Antwoorden studieactiviteiten
3Gegevens uit het jaar 2010 (bron: www. nierstichting.nl):
hemodialyse: 5249 patiënten;
peritoneale dialyse: 1126 patiënten;
niertransplantatie: 865 patiënten.
4 aBij peritoneale dialyse wordt veel vaker (ongeveer 4 tot 5 keer per dag) gespoeld dan bij hemodialyse (2 tot 3 keer per week), waardoor
de dieeteisen minder strak hoeven te zijn.
bperitonitis (buikvliesontsteking)
cVia de katheter is er een open verbinding met de buikholte.
5Bij een cross-overtransplantatie is sprake van een donatie door een levende donor aan de ontvanger. Er is dan sprake van twee donor/ontvangerduo’s. De donor van duo I staat een nier af aan de ontvanger van duo 2. De ontvanger van duo 1 ontvangt dan een bijpassende nier
van de donor van duo 2. Dit kan worden gedaan omdat alleen dan bijvoorbeeld bloedgroepen van donor en ontvanger overeenkomen.
6Het voorkomt dat er bij een te hoge concentratie aan stoffen, bijvoorbeeld oxalaat, kristallen gaan vormen en neerslaan.
7Voordelen van embolisatie bij uterus myomatosus:
klachtenvrij of minder klachten na de embolisatie;
snel herstel na de embolisatie;
behoud van de baarmoeder;
alle vleesbomen kunnen in één sessie behandeld worden;
mocht embolisatie onvoldoende succesvol zijn, dan zijn nog steeds andere behandelmogelijkheden beschikbaar.
8Prostaatkanker geeft in een vroeg stadium geen klachten en wordt daardoor pas laat ontdekt. De tumor kan dan al uitgezaaid zijn waardoor
genezing niet meer mogelijk is.
9 aDe vier stadia van baarmoederhalskanker zijn (bron: www.nationaalkompas.nl):
Stadium I = de tumor beperkt zich tot de baarmoederhals.
Stadium II = de tumor is doorgegroeid tot buiten de baarmoeder, maar reikt niet tot de bekkenwand of het onderste derde deel van de
vagina.
Stadium III = de tumor is doorgegroeid tot aan de bekkenwand of in het onderste deel van de vagina.
Stadium IV = de tumor is buiten het bekken gegroeid of doorgegroeid in de blaas of in de endeldarm. Ook bij uitzaaiingen in bijvoorbeeld longen of botten gaat het om stadium IV.
bDe vier stadia van baarmoederkanker zijn (bron: www.kwfkankerbestrijding.nl):
Stadium I = de tumor is beperkt tot het baarmoederlichaam.
Stadium II = de tumor is doorgegroeid tot in de baarmoederhals, maar niet buiten de baarmoeder.
Stadium III = de tumor is doorgegroeid buiten de baarmoeder, maar binnen het kleine bekken; dat wil zeggen: in de directe omgeving
van de baarmoeder, bijvoorbeeld naar de eierstokken, de vagina of de lymfeklieren in de buik.
Stadium IV = de tumor is doorgegroeid buiten het kleine bekken of naar de blaas of de endeldarm en/of er zijn uitzaaiingen ergens
anders in de buik of andere organen.
cEr wordt een uitstrijkje gemaakt. Na 3 tot 5 weken volgt de uitslag per brief. Indien vervolgonderzoek nodig is, wordt contact opgenomen door de huisarts.
Hoofdstuk 20
1Van buiten naar binnen passeer je na de schedel eerst de dura mater: een bloeding tussen de dura mater en de schedel noem je een epidurale bloeding.
Onder de dura mater bevindt zich het spinnenwebvlies, de subarachnoïdale ruimte. Een bloeding juist onder de dura mater noem je een
subdurale bloeding.
Onder de arachnoïdale ruimte ligt de pia mater; dit vlies grenst direct aan de hersenen.
2  stijfheid
 maskergelaat
 veranderd looppatroon
 houdingsproblemen
 valneiging
 ontregeling van autonome functies zoals de bloeddruk
11
Pathologie 3 aDe poorttheorie stelt dat het ruggenmerg niet alleen schadelijke prikkels doorgeeft aan het centrale zenuwstelsel, waar zich de pijngewaarwording bevindt, maar dat datzelfde centrale zenuwstelsel in staat is de pijnprikkel te moduleren. Dat wil zeggen dat het centrale zenuwstelsel als het ware een poort kan open- en dichtzetten om pijn in meer of mindere mate door te laten naar het centrale
zenuwstelsel.
bTENS en neuromodulatie berusten op deze theorie. Door het creëren van een tintelende sensatie ter hoogte van de pijn, zorgen deze
pijnbestrijdingsmethoden ervoor dat het pijnsignaal niet naar de hersenen wordt doorgestuurd. De poort wordt gesloten.
4Bekijk de foto’s en filmpjes over blokkade van de plexus brachialis op de Engelse site www.nysora.com (ga naar het tabblad ‘nerve blocks’).
Van belang zijn:
verdoving van de plexus in de hals achter de musculus scalenus anterior, ook interscaleen blok geheten (de klassieke variant heet de blokkade volgens Winnie)
verdoving via de achterzijde (dit heet pippa)
blokkade boven het sleutelbeen (supraclaviculaire blokkade)
blokkade onder het sleutelbeen (verticaal infraclaviculair blok)
blokkade in de oksel (axillaire blokkade)
Hoofdstuk 21
1 aZe is niet meer in staat om op te staan (is niet belastbaar), heeft pijn aan haar linkerheup en het linkerbeen ligt naar buiten gedraaid.
bDoordat de botdichtheid veranderd is (= het bot is poreuzer) zal het onder invloed van krachten makkelijker kunnen breken. De kracht
cOperatieve behandeling met (1) fixatie van de kop aan het dijbeen met schroeven, of (2) een kop-halsprothese (total hip). Dit laatste
dOp de spoedeisende eerste hulpafdelingen van ziekenhuizen komen elk jaar 130.000 55-plussers terecht die zijn gevallen; bij 43.000
op de heup ontstaat in dit geval door het vallen.
gebeurt meestal bij ouderen. Daarna is revalidatie nodig.
55-plussers is het letsel zo ernstig dat ze moeten worden opgenomen. (Bron: Consument en Veiligheid, 2009.)
Je kunt informatie vinden op de volgende sites:
http://www.erasmusmc.nl/perskamer/archief/2011/3411946/
www.nationaalkompas.nl
www.zorgvoorbeter.nl/onderwerpen/over/valpreventie/nieuwsberichten/onderzoek-deel-valincidenten-kan-worden-voorkomen/
En in Richtlijn Preventie van valincidenten bij ouderen van het Centraal BegeleidingsOrgaan / Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (download: http://www.cbo.nl/Downloads/389/val-richtlijn2004.pdf).
eOngeveer een kwart van de ouderen met een heupfractuur overlijdt binnen een jaar door complicaties als gevolg van onder andere de
operatie, immobiliteit of het letsel door de fractuur. Minder dan de helft van de patiënten is na een jaar volledige hersteld. Door onvolledig herstel verliezen patiënten een stuk zelfstandigheid. Veel patiënten moeten opgenomen worden in een verpleeghuis omdat ze niet
meer thuis kunnen blijven wonen.
2Botbelasting zorgt ervoor dat het bot zijn stevigheid behoudt. Door de opwaartse kracht van het water is de belasting van het bot bij zwemmen minder dan bijvoorbeeld bij lopen. Let op: zwemmen is beweging en dus een prima alternatief voor niet-bewegen.
3Bewegen bij artrose en artritis is belangrijk om geen bewegingsfuncties te verliezen. Met bewegen binnen grenzen wordt verdere gewrichtsschade beperkt.
4 aEen reumaconsulent is een reumaverpleegkundige die zich heeft gespecialiseerd in de zorg aan mensen met een reumatische aandoening. De reumaconsulent is veelal ook onderdeel van het multidisciplinaire team bij de behandeling van patiënten met reuma.
bDe reumaconsulent is de ‘spin in het web’ rond de hulp aan de patiënt met reuma en is vooral een bron van informatie en een vraag-
cZij geeft informatie en advies over de reumatische aandoening, medicatie (instructie), wet- en regelgeving, arbeidsongeschiktheid, de
baak voor deze patiënt.
verschillende hulpverleners, de mogelijkheden voor het krijgen van hulp, hulpmiddelen en aanpassingen. Zij luistert naar de patiënt bij
verwerkingsproblemen rond reuma. Tevens kan de reumaconsulent gewrichtsonderzoek uitvoeren, om in overleg met de reumatoloog
de medicatie vast te stellen.
5In het gewricht is schade opgetreden. Schade is een prikkel die weer aanleiding is voor een afweerreactie in de vorm van een ontsteking.
12
Antwoorden studieactiviteiten
6 aEr zijn drie vormen van jeugdreuma:
Bij oligoarticulair jeugdreuma zijn maximaal vier gewrichten tegelijk ontstoken. Meestal zijn dit de grote gewrichten zoals knie, enkel en
elleboog.
Bij polyarticulair jeugdreuma zijn vijf of meer gewrichten tegelijkertijd ontstoken en veel van de kleine gewrichten aan handen en voeten.
Bij systemisch jeugdreuma zijn gewrichten en organen ontstoken, zoals hart (hartzakje), longvlies, lever en milt.
bJeugdreuma komt bij ongeveer 1 op de 1000 kinderen voor.
cEen multidisciplinair team kan bestaan uit een kinderarts, reumatoloog, fysiotherapeut (of oefentherapeut) en maatschappelijk werkende. Samenwerking is mogelijk met een ergotherapeut, reumaverpleegkundige, revalidatiearts, psycholoog, podotherapeut en
speltherapeut.
dOver het algemeen herstellen kinderen met oligoarticulair jeugdreuma geheel. Bij polyarticulair jeugdreuma is er een kans op blijvende
gewrichtsbeschadigingen en bij systemisch jeugdreuma is er ook nog kans op blijvende klachten aan de organen als de medicatie onvoldoende helpt.
Je kunt meer informatie vinden op de volgende sites:
www.reumafonds.nl
www.umcutrecht.nl/zorg/specials/Jeugdreuma/
www.maartenskliniek.nl/behandelingen/reumatische-aandoeningen/jeugdreuma/
Hoofdstuk 22
1 aDecubitus categorie 1. Dit is een niet-wegdrukbare roodheid van de intacte huid ter hoogte van botuitsteeksels, hier de stuit en de
billen.
bHuidinspectie: vochtige huidgebieden controleren, waarbij billen en stuit risicoplaatsen zijn vanwege urine-incontinentie.
Drukverminderende maatregelen: een drukreducerend zitkussen en zo mogelijk de drukplekken geheel ontlasten. In bed: wisselhoudingen toepassen.
Goede conditie van patiënt behouden door deze voldoende te laten eten en drinken.
2 aUitspoelen van de wond met fysiologische zoutoplossing of water. Dit uitspoelen betreft de huid rondom de wond, de wondranden en
de wond zelf. Losse weefsel- en huidflarden, bloedstolsels en lichaamsvreemde stoffen worden hiermee verwijderd. Afgestorven weefsel
wordt chirurgisch verwijderd.
bMet een wondtoilet creëer je optimale voorwaarden voor een wond om te kunnen genezen. Je voorkomt een wondinfectie.
3 aDe wond is rood van kleur. De rode kleur laat zien dat er sprake is van een goede doorbloeding, die noodzakelijk is voor een goede
genezing.
bNa een ontstekingsreactie van 1 tot 3 dagen vindt proliferatie plaats. De wond vult zich met granulatieweefsel. Dit weefsel trekt de
wondranden naar elkaar toe. Vanuit de wondranden groeien nieuwe (opper)huidcellen. Tot slot vindt remodellering plaats: granulatieweefsel wordt omgezet in bindweefsel. Er ontstaat een litteken.
cSecundaire wondgenezing. De wond is diep en lang
Hoofdstuk 23
1 aHemofilie is een geslachtsgebonden (X-chromosomaal gebonden) erfelijke aandoening. Door een genetisch defect ontbreekt de aanmaak van stollingsfactor VIII. De belangrijkste verschijnselen van hemofilie zijn: wondjes blijven lang bloeden, vorming van blauwe
plekken bij lichte traumata en kans op inwendige bloedingen bij stoten en vallen (hoofd, buik, gewrichten).
2Zwangerschappen (grotere kans op spontane trombose en daardoor kans op miskramen en doodgeboortes).
3Bij thalassemie is het mogelijk erfelijkheidsonderzoek te doen om de kans op overerving van deze aandoening te bepalen. Voor de patiënt is
het belangrijk om te weten of de nakomelingen ziek kunnen worden.
4Bij leukemie wordt als eerste behandeling chemotherapie toegepast. Als de ziekte onder controle is, kan een onderhoudsbehandeling gegeven worden. Later kan de behandeling voortgezet worden met een stamceltransplantatie. Bij acute leukemie wordt daarna nog een vervolgbehandeling met medicijnen gegeven.
5Bijwerkingen van chemotherapie zijn: vermoeidheid, verminderde eetlust, misselijkheid, braken en haaruitval. Daarnaast kunnen zenuwen
beschadigen, wat leidt tot gevoelsstoornissen. Door de onderdrukking van de witte bloedcellen is het risico op infecties verhoogd.
13
Pathologie 6De stadia zijn:
Stadium I. De ziekte beperkt zich tot 1 lymfekliergebied, bijvoorbeeld alleen de lymfeklier in de hals, of tot 1 orgaan, bijvoorbeeld de milt.
Stadium II. De ziekte is uitgebreid naar 2 of meer lymfeklieren of naar 1 lymfeklier en 1 orgaan. De ziekte bevindt zich aan één kant van het
middenrif.
Stadium III. Aan beide zijden van het middenrif bevinden zich aangetaste lymfeklieren.
Stadium IV. De ziekte heeft zich buiten het lymfesysteem verspreid, bijvoorbeeld in de longen en de lever.
7Een trombus vanuit de kuit gaat via de beenader en de onderste holle ader naar de rechterboezem, de rechterkamer en vervolgens via de
longslagader de long in. De trombus sluit een vertakking van een longslagader af (longembolie).
Hoofdstuk 24
1Het voelen (palperen) van de schildklier gaat het best wanneer je achter de patiënt staat en beide handen gebruikt. De schildklier ligt voor
het strottenhoofd en hoort glad aan de voelen, zonder onregelmatigheden of verhardingen. Je kunt ook vragen of de patiënt wil slikken, je
voelt de structuur van de schildklier dan onder je handen doorgaan.
2Het lichaam maakt zich op deze manier klaar om onmiddellijk te kunnen reageren op een bedreiging van buitenaf. Dit wordt ook wel de
‘fight or flight’ respons genoemd, oftewel ‘vecht of vlucht’.
3Het onderscheid tussen een ziekte en syndroom is niet eenvoudig. Een syndroom is een verzameling van verschijnselen die vaker in eenzelfde combinatie voorkomen; de verschijnselen kunnen als eenheid worden gezien. De ziekte van Cushing en het syndroom van Cushing
hebben dezelfde symptomen doordat er in beide gevallen een teveel aan cortisol is.
Bij de ziekte van Cushing komt dat door een afwijking van de hypofyse, waardoor er teveel ACTH wordt geproduceerd en uiteindelijk ook
teveel cortisol. Bij het syndroom van Cushing kan de overproductie van cortisol meerdere oorzaken hebben (zoals een bijniertumor, of
hormoongebruik).
4 aWanneer er sprake is van een te hoge concentratie schildklierhormoon in het bloed, wordt er een signaal afgegeven. Dit signaal zorgt
ervoor dat de aanmaak van het hormoon wordt geremd.
bBij een te lage concentratie schildklierhormoon in het bloed wordt er ook een signaal afgegeven. Dit signaal zorgt ervoor dat de aanmaak van het hormoon wordt gestimuleerd.
5 aBij overgewicht is afvallen het beste. Daarnaast is een gezonde levensstijl belangrijk. Dat wil zeggen; voldoende lichaamsbeweging,
voorkom overgewicht, eet regelmatig en gezond.
bBij diabetes mellitus type 1 is er sprake van een absoluut insulinetekort. Patiënten moeten zichzelf dagelijks insuline toedienen. Ze
gebruiken verschillende insulinepreparaten, namelijk kortwerkende, middellang werkende en langwerkende insuline. Bij diabetes mellitus
type 2 is er sprake van een relatief insulinetekort. Er kan vaak worden volstaan met orale medicijnen. Voorbeelden hiervan zijn metformine, glimepiride, gliclazide en tolbutamide.
Hoofdstuk 25
1 aMogelijk is sprake van netvliesloslating (ablatio retinae). Vertekende beelden in combinatie met het zien van het spinnetje. Qua leeftijd
valt meneer Wanatabi ook binnen de leeftijdsgroep waarbij netvliesloslating het meeste voor komt.
den c Met een oogspiegel worden eventuele afwijkingen aan het netvlies van het oog onderzocht. Daarnaast zijn ook de bloedvaten in
het netvlies, het glasvocht en de oogzenuw zichtbaar.
Meer informatie over dit onderzoek kun je vinden op de volgende sites:
www.kiesbeter.nl/medische-informatie/medische-encyclopedie/test-oogspiegelen/
www.oogartsen.nl/
www.nationaalkompas.nl
2Een middenoorontsteking kan zich uitbreiden naar het binnenoor waardoor de drie halfronde buisjes van het evenwichtorgaan beïnvloed
kunnen worden. De hersenen ontvangen hierdoor onjuiste informatie, waardoor het evenwicht verstoord raakt. Dit maakt duizelig en
misselijk.
3De ontsteking van het bindvlies van het oog kan het gevolg zijn van een bacteriële of virale infectie. Zo’n infectie is besmettelijk en kan via
een handdoek of zakdoek overgedragen worden.
4 aPerceptiestoornissen: geluidsprikkel plant zich in het binnenoor niet voort naar de hersenen
Geleidingsstoornissen: geluidsprikkel bereikt het binnenoor niet (volledig)
14
Antwoorden studieactiviteiten
bPerceptiestoornissen: lawaaidoofheid of slechthorendheid door ouderdom
Geleidingsstoornissen: slechthorendheid door te veel oorsmeer (cerumenprop) of door een chronische middenoorontsteking
5De kans op blokkering van de afvoerweg van kamervocht is bij ouderen groter door oogafwijkingen. Ouderen zijn vaker bijziend. Bij bijziendheid verandert de bolling van het oog, waardoor de afvoerweg belemmerd kan raken.
6Het glasvocht ligt tegen het netvlies. Als het glasvocht krimpt bijvoorbeeld door ouderdom trekt het aan het netvlies waardoor een scheurtje
kan ontstaan.
7 aDe druktoename in de oogbol doet geen pijn en wordt dus niet gevoeld. Bovendien worden de stoornissen in het gezichtsveld in eerste
instantie gecompenseerd door het andere oog waardoor de stoornissen pas na vele jaren worden waargenomen.
bVerstoringen in het gezichtsveld zoals boogscotomen of kokerzien. Bij acuut glaucoom neemt de druk in de oogbol plotseling toe. Dan
is er plotseling gezichtsverlies (wazig zien), pijn in het oog, hoofdpijn, lichtgevoeligheid, rood oog, misselijkheid en braken, verwijdde
pupil (aan één oog).
cAls het oogzenuwweefsel beschadigd raakt, blijven de stoornissen in het gezichtsveld bestaan en kan zelfs blindheid ontstaan.
Hoofdstuk 26
1
aDecorumverlies.
bEen waan is een denkstoornis bij de patiënt die niet van buitenaf te corrigeren is.
2Stemming wordt bepaald door de grondstemming, door de lichamelijke conditie, de actuele omstandigheden en de toekomstverwachtingen.
3 aNee, de patiënt heeft geen depressie.
bVerdriet en je somber voelen is na een groot verlies een normale reactie op een ingrijpende gebeurtenis. Je spreekt pas van een depressie als de stoornis langdurig aanwezig is en bepaalde specifieke kenmerken heeft.
4Een postnatale depressie.
5 aClaustrofobie is angst voor kleine ruimten.
bAgorafobie is ruimtevrees (straat- of pleinvrees).
cEen sociale fobie is angst om zich in grotere groepen mensen te begeven of angst om in het openbaar op te treden.
6PTSS = posttraumatische stressstoornis
7 aonevenwichtig en impulsief gedrag
snel wisselende relaties
gevoel van leegte, alleen zijn, snel gekwetst zijn en boosheid
onstabiel of negatief zelfbeeld
gevoel van verwardheid door plotselinge veranderingen
neiging tot zelfbeschadiging (automutilatie) soms zelfs pogingen tot zelfdoding
bonevenwichtig en impulsief gedrag, boosheid en conflicten, kans op automutilatie
8Zij hebben onvrede over hun uiterlijk en hun lichaamsgewicht
9Gevaren van cocaïnegebruik zijn:
afhankelijkheid en neiging om steeds meer te gebruiken om de ‘kick’ te krijgen die ze willen ervaren door veelvuldig snuiven van cocaïne
kan het neustussenschot blijven beschadigd raken en een gat in het tussenschot ontstaan bij hoge dosering ontstaan psychotische verschijnselen (angsten, achterdocht) en agressieve impulsen bij overdosering kan een hartstilstand optreden
10Gebruik van cannabis bij jongeren kan leiden tot verslaving bij gebruik van grote hoeveelheden. Het vermogen om te leren wordt minder.
11De twee belangrijkste kenmerken van ADHD zijn overmatige activiteit in gedrag en concentratieverlies.
12 aDwanghandelingen bij autisme zijn: stereotype bewegingen (wiegen met hoofd of lichaam), wapperen met de handen, herhalen van
sorteren of opstellen van voorwerpen, herhalen van eigen rituelen.
bJoost kan niet genezen van zijn autisme, wel leren omgaan met de beperkingen in de communicatie of de dwanghandelingen door
gedragstherapie.
13 aOorzaken van depressie bij ouderen zijn:
het optreden van verliessituaties met name verlies van gezondheid (vitaliteit);
verlies van dierbaren;
verlies van maatschappelijke betekenis (gevoel niet meer mee te tellen);
een te starre persoonlijkheid hebben, te weinig flexibiliteit.
15
Pathologie bDat komt omdat bij een depressie cognitieve stoornissen kunnen optreden, zoals geheugenstoornissen, concentratiestoornissen en
moeite met aankleden. Een depressie kan, net als bij dementie, traagheid van gedachten en verlies van interesse veroorzaken.
14Bij een patiënt met een paranoïde psychose moet je extra duidelijk zijn omdat handelingen en uitspraken die niet duidelijk uitgelegd zijn
meer verwarring kunnen geven en de achterdocht kunnen aanwakkeren. Duidelijk zijn over zaken waar je over wilt praten, een gesprek
goed afsluiten en bij handelingen altijd uitleggen wat je wilt gaan doen.
Hoofdstuk 27
1De drie B’s staan voor borsten (borstontsteking, stuwing), buik (endometritis, cystitis), benen (trombose). Bij een borstontsteking (mastitis)
kan er hoge koorts optreden en kan de vrouw zich erg ziek voelen. Een borstontsteking komt meestal eenzijdig voor, terwijl pijnklachten
door stuwing aan beide borsten voorkomen. De oorzaak van koorts in het kraambed kan ook in de buik gelegen zijn. Er kan een infectie
van urinewegen optreden. Dit gaat gepaard met buikpijnklachten, pijn bij het plassen en koorts. Daarnaast moet je bij koorts, onderbuikpijn,
vaginale bloeding of afscheiding denken aan een infectie van de inwendige geslachtsorganen. Voorbeelden hiervan zijn: endometritis of
eileiderontsteking. Na een keizersnede kan er een infectie van de operatiewond ontstaan. Een trombose kan ontstaan in de diepe of oppervlakkige beenvaten. Je kunt dit herkennen aan een pijnlijk, rood en gezwollen been. Bij een trombose van de diepe beenvaten (DVT) bestaat
het risico op een longembolie.
2Het aantal geregistreerde gevallen van spontane abortus is al jaren vrijwel constant en ligt op ongeveer 4 per 1000 per jaar. Ongeveer 14%
van alle geregistreerde zwangerschappen eindigt in een spontane abortus.
Tip: www.vrouwenarts.nl ... in een spontane abortus. Ongeveer... abortus.
3Bij overmatig braken bestaat het risico dat de zwangere teveel vocht en belangrijke zouten verliest, waardoor er ernstige symptomen kunnen ontstaan. Soms kan worden volstaan met het regelmatig drinken van kleine hoeveelheden, echter regelmatig is een opname noodzakelijk. In het ziekenhuis kan dan vocht via een infuus worden toegediend, om de tekorten weer aan te vullen.
4In de eerste week na de bevalling kunnen lichte stemmingsstoornissen ontstaan, zoals huilbuien, vergeetachtigheid of irritatie. Deze verschijnselen verdwijnen meestal vanzelf binnen 2 weken en wordt ‘postpartum-blues’ genoemd. De postpartum depressie ontwikkelt zich
geleidelijker en is ernstiger.
Verschijnselen die kunnen worden gezien zijn slapeloosheid, gebrek aan eetlust, somberheid, geïrri-
teerdheid en verwaarlozing.
5Een wee is een samentrekking van de spieren in de baarmoederwand. Hierdoor kunnen de bloedvaten die de zuurstoftoevoer en zuurstofafvoer van de foetus verzorgen, samengedrukt raken. In ernstige gevallen kan er dan zuurstoftekort in het bloed en de weefels van de foetus
ontstaan.
6Een voordeel is dat het bloedverlies tijdens een bevalling wordt beperkt. Bij een normale vaginale bevalling verliest een vrouw gemiddeld
500 milliliter bloed. Nadelen van de verhoogde stollingsneiging is dat de kans op trombose (diep veneuze trombose, longembolie) verhoogd
is. Als de vrouw na de bevalling nog enkele dagen weinig beweegt en veel in bed ligt, wordt dit risico groter.
7Bij een goede bloedsuikerregulatie zijn de risico’s voor de zwangere diabetespatiënt beperkt. Er bestaat een verhoogde kans op aangeboren
afwijkingen bij het kind, wanneer deze regulatie niet goed wordt begeleid. Wanneer de zwangere continu een (te) hoge glucosespiegel
heeft, maakt de foetus ook continu (te)veel insuline aan. Onder invloed van die insuline zal de foetus sneller groeien dan onder normale
omstandigheden. De foetus is dus groter dan normaal (macrosoom), wat tot problemen bij de bevalling kan leiden (schouderdystokie).
Na de bevalling is bij het kind de toevoer van glucose via de placenta plotseling niet meer aanwezig. Dit kan leiden tot een hypoglykemie,
omdat de foetus nog wel verhoogde hoeveelheden insuline aanmaakt. Daarom moeten moeder en kind na de bevalling nog enkele dagen
in het ziekenhuis blijven.
Hoofdstuk 28
1Je doet onderzoek naar het syndroom van Down:
met een echo de nekplooi meten in de 11e tot 14e week van de zwangerschap;
vaststellen dat neusbeentje ontbreekt;
bloedonderzoek doen bij de moeder naar specifieke hormonen (vrij beta HCG en PAPP-A);
een vlokkentest of vruchtwaterpunctie doen (trisomie 21).
2Door verzwakking van de ademhalingsspieren en hartfalen.
16
Antwoorden studieactiviteiten
3Het is een geslachtsgebonden (X-chromosoom gebonden) aandoening.
4Gezondheidsproblemen bij taaislijmziekte zijn:
taai slijm in de luchtwegen met als gevolg frequent recidiverende luchtweginfecties;
verminderde activiteit van de verteringssappen in de darm en daardoor een minder goede opname van voedingsstoffen in de darm, wat
leidt tot groeistoornissen;
verminderde vruchtbaarheid bij mannen door het ontbreken van zaadleiders of door afwijkend sperma;
verminderde vruchtbaarheid bij vrouwen door afwijkende cyclus en door verdikt slijm in de baarmoeder.
5Bij spina bifida kunnen voorkomen:
bij de verborgen vorm: overmatige beharing op het onderste deel rug en soms een putje in de huid;
bij de open vorm: een zwelling of vochtblaas in het onderste deel van de rug; soms wordt het kind geboren met een hydrocefalus.
6Zwangere vrouwen kunnen door het schoonmaken van de kattenbak of door het werken in tuinaarde (die mogelijk verontreinigd is met
uitwerpselen van katten) besmet raken met toxoplasmose.
7Extra foliumzuur beschermt tegen aanlegstoornissen van het zenuwstelsel en doet de kans op het ontstaan van spina bifida met 50% tot
60% afnemen. Foliumzuur moet dagelijks gebruikt worden vanaf de conceptie tot en met de 12e week in de zwangerschap.
Hoofdstuk 29
1De begrafenisondernemer mag in dit geval het stoffelijk overschot niet meenemen. Voordat de begrafenisondernemer iets kan doen,
moet de overlevende dood verklaard worden door middel van het invullen van het A- en B-formulier. Dit mag alleen door een arts gedaan
worden.
2Indien er sprake is van een verwacht overlijden binnen enkele uren of dagen kan palliatieve sedatie een optie zijn. Indien de patiënt echter
niet in deze situatie verkeert en wil sterven moet het komen tot een euthanasievraag. Dit moet door de patiënt met zijn behandelend arts
besproken worden.
3Er kan in deze situatie worden gekozen voor palliatieve sedatie. Hiermee maak je het lijden draaglijk en is euthanasie niet nodig. Ook hier
geldt dat de patiënt echt in de laatste levensfase moet verkeren. Vaak zal een moslimfamilie hier niet voor kiezen, op grond van hun geloof.
Belangrijk is om uit te leggen dat de medicijnen die gegeven worden niet zorgen voor het overlijden van de patiënt.
Een andere optie is om pijnstilling te verkrijgen door middel van medicatie. Indien de pijn eenzijdig is zoals bij ingroei van de longtumor in de
plexus brachialis kan een chordotomie overwogen worden.
Hoofdstuk 30
1Bij palliatieve zorg is er niet altijd sprake van een ziekte die de dood tot gevolg heeft. Terminale zorg speelt zich altijd af in de laatste
levensfase
2 aZeer waarschijnlijk heeft de patiënt een ileus. Dit kan komen door de ziekte zelf, bijvoorbeeld een darmtumor, door opiaten of door
bedlegerigheid.
bSchakel in zo’n geval altijd de behandelende dokter in. Met behulp van röntgenfoto’s of CT-scan kan er gekeken worden of er een
obstructie van de darm is. Deze kan eventueel verholpen worden.
cMedicatie tegen misselijkheid, chirurgie, mobilisatie, neus-maagsonde, toedienen van laxantia en klysma’s.
3 aDe patiënt is in de war. Er is sprake van een wisselend bewustzijn en desoriëntatie in tijd, plaats en persoon. Een eerste uiting is vaak dat
de patiënt onrustig en plukkerig is. Dat wil zeggen dat de patiënt overal aanzit met de armen zonder dat dit nodig is. Denk daarbij aan
maagsondes en infusen.
bPlotselinge ziekenhuisopname, een operatie, slaaptekort.
cZorg voor een routine over de dag, een goed dag-nachtritme is essentieel. Zorg voor duidelijke instructies. Hang een klok op die duidelijk af te lezen is, het liefst ook met de dag en datum erop.
17
Pathologie Hoofdstuk 31
1De wereld gezondheidsorganisatie (WHO) heeft een stappenplan voor pijnbestrijding ontwikkeld, de WHO-pijnladder (figuur 31.1). Iedere
arts kan en moet eigenlijk gebruik maken van deze pijnladder. Bij iedere stap komt er een medicijn bij.
De eerste stap bestaat uit een simpele pijnstiller: paracetamol. Paracetamol is vrij verkrijgbaar en kan de patiënt 3 of 4 maal per dag in een
hoeveelheid van 1000 mg toegediend krijgen. Voor milde pijn is dit een goed begin. Vaak hebben patiënten later in het ziekteproces meer
medicijnen nodig; dat kan dan een NSAID zijn, naast paracetamol. Dit zijn bijvoorbeeld diclofenac of naproxen.
De tweede stap bestaat uit een mild opiaat, naast paracetamol en NSAID’s. Tramadol en codeïne zijn de belangrijkste voorbeelden van opiaten. De tweede stap is een logisch vervolg als de medicijnen van de eerste stap de pijn niet meer voldoende bestrijden.
De derde en laatste stap bestaat uit een sterk opiaat. Je moet hierbij denken aan morfine, fentanyl en methadon. Gezien de mogelijke
bijwerkingen moet na het geven van deze medicijnen de patiënt goed gecontroleerd worden. Het effect moet geëvalueerd worden en de
doseringen zo nodig bijgesteld.
Als de patiënt na stap 3 nog steeds pijn heeft, is het nodig om een pijnarts te consulteren. In bijna alle ziekenhuizen is een palliatief team
actief. Alle vragen over pijnmedicatie horen terecht te komen bij de anesthesioloog-pijnbestrijder.
Meneer van der Voort zit dus in de laatste trede van de ladder
2 aDit kan rectaal, intraveneus of transdermaal. Andere opties zijn: via maagsonde, epiduraal of intrathecaal, maar deze liggen minder voor
de hand.
bFentanyl kan intraveneus gegeven worden, per os als lolly, intranasaal via spray en transdermaal, dit is via een pleister.
3 aDe belangrijkste complicaties zijn:
bloeding: deze kan worden veroorzaakt door de transaortale benadering.
bloeddruk daling: deze kan worden veroorzaakt door enerzijds een grote bloeding en anderzijds door het verdoven van de sympathicusvezels. De sympathicusvezels lopen naast de plexus coeliacus en worden gemakkelijk meeverdoofd, wat leidt tot vasodilatatie en daarmee tot bloeddrukdaling.
in een later stadium: infectie en lokale pijn op de punctieplaats.
bMonitoren van het bewustzijn, de bloeddruk en de pols is het belangrijkst. Bij verdenking op een bloeding is aanvullend onderzoek
nodig door middel van echografie. Ook laboratorium onderzoek kan een indicatie geven voor bloedverlies.
Hoofdstuk 32
1 aAlle getallen en bijbehorende beoordelingen zijn terug te vinden in het jaarverslag van de euthanasiecommissie via de link: http://www.
euthanasiecommissie.nl/Images/RTE%20jaarverslag%202010_tcm52-29870.pdf
bZie het jaarverslag van de euthanasiecommissie: in negen gevallen was er sprake van niet zorgvuldig handelen.
2De SCEN-arts is een onafhankelijk arts die niet betrokken is bij de behandeling van de patiënt en geen relatie heeft met de behandelend arts.
De SCEN-arts moet een oordeel geven over de juistheid van de euthanasievraag. De SCEN-arts moet door middel van een gesprek met de
patiënt beoordelen of de euthanasievraag reëel is. Tevens moet de SCEN-arts kijken of er aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan wordt.
3Indien er sprake is van behandelopties om het leven draaglijker dan wel comfortabeler te maken, kun je eigenlijk nog niet spreken van uitzichtloos lijden. Het is natuurlijk wel zo dat de patiënt gaat overlijden. Te allen tijde dient het euthanasieverzoek serieus behandeld te worden. Het kan dan ook zeker geen kwaad om een SCEN-arts te raadplegen.
Hoofdstuk 33
1Door het ongeval is er sprake van een niet natuurlijke dood. In dit geval mag de behandelend arts geen verklaring van overlijden invullen.
De gemeentelijk lijkschouwer moet gebeld worden om de dood te komen vaststellen en de papieren in te vullen. Deze overlegt vervolgens
met de officier van justitie of het lichaam vrijgegeven mag worden. Ondertussen moeten alle infusen en apparatuur in de kamer achtergelaten worden zoals dit was ten tijde van het overlijden. De patiënt mag ook niet verplaatst worden.
18
Antwoorden studieactiviteiten
2Noem twee contra-indicaties voor orgaandonatie:
onbekende doodsoorzaak;
onbekende identiteit;
sepsis;
maligniteiten met uitzondering van enkele primaire niet gemetastaseerde hersentumoren (overleg is nodig indien de voorgeschiedenis een
behandelde maligniteit vermeldt);
actieve virale infectie met rabiës, herpes zoster, rubella of hiv;
actieve tuberculose;
anencefalie.
3 aHet A-formulier (wit formulier) en het B-formulier van het CBS.
bOp het A-formulier komen de personalia van de overledene te staan. Verder is dit de officiële verklaring van het vaststellen van de
dood.
Het B-formulier is een formulier waarin informatie over de doodsoorzaak moet worden ingevuld voor statistische doeleinden.
cHet A-formulier moet naar de ambtenaar voor de burgerlijke stand in de plaats van overlijden. Het B-formulier wordt opgestuurd naar
het Centraal Bureau voor de Statistiek.
4Absolute kenmerken van de dood zijn:
oogboldruk;
lijkvlekken (livores);
lijkstijfheid (rigor mortis).
19
Download