C:\MyFiles\CSG Calvijn\2008-2009 6G Grieks\Grieks-TSE4

advertisement
T.S.E. 4 GRIEKS
KLAS 6g
13 januari 2009
L
Controleer of je alle papieren, die nodig zijn, hebt:
K 7 blaadjes met in totaal 3 teksten en 1 afbeelding.
K 4 blaadjes met in totaal 27 vragen.
L
Schrijf netjes en duidelijk leesbaar; schrijf je naam op je antwoordblad.
L
Lees alle vragen eerst door; begin daarna pas met beantwoorden: zakelijk en
“to the point.”
L
Met “toelichting” of “motivatie” wordt toepasselijke, logisch opgebouwde
toelichting resp. motivatie bedoeld.
L
Met “citeren” wordt het letterlijk aanhalen van een of meer woorden uit de
Griekse tekst bedoeld; vergeet vooral niet het versnummer te vermelden!
L
In de marge staat bij iedere vraag tussen vierkante haken het maximaal te
behalen aantal punten in het geval van een, volgens het correctiemodel van de
correctoren, juist antwoord. Het maximaal aantal te behalen punten is in totaal
100 (= 10 + 70 + 20 (=gem. S.O.’s)).
L
Lever verzorgd werk in: schrijf netjes en gebruik niet al te veel pijlen en ander
oriëntatieritmateriaal.
L
Heel veel succes!
1
Vragen bij tekst 1 (Ilias, A.1-7) :
1a
1b
[1]
[1]
Wie wordt door de dichter aangeroepen?
Waarover de Ilias gaat, wordt in één woord samengevat. Welk (Grieks)
woord is dat en waar staat dat woord?
Bij dat woord staan een bijvoeglijk naamwoord én een betrekkelijke bijzin,
die het thema van de Ilias aangeven. Noteer ze.
1c
[2]
2
[2]
yucav~ (vs. 3): welk woord vormt hiermee de tegenstelling?
3a
[2]
3b
[1]
De twee protagonisten (hoofdrolspelers) van de mh`ni~ worden in vers 7
genoemd. Wat valt op aan de woordvolgorde (let op de plaats van de
eigennamen en de bijvoeglijke bepalingen) en wat is het effect daarvan?
Er is in deze aanhef sprake van een ringcompositie. Geef dat aan.
Vragen bij tekst 2 (Ilias, A.8-100) :
4
[2]
Op de koning verbolgen (vs. 9): waarom was Apollo boos op de Grieken?
5
[2]
Hij ging gelijk aan de nacht (vs. 47): wat wil de dichter onderstrepen door
het naderen van Apollo met de nacht te vergelijken?
6
[1]
De felle toorn van Phoibos Apollo (vss. 62-63): wat wist Achilles kennelijk?
7
[2]
Hoe wordt Kalchas (vss. 66 e.v.) gekarakteriseerd? Noem drie dingen.
8
[1]
Niet eerder ... Chryse (vss. 93-97) : welk verschil zie je, als je deze
voorwaarden van Apollo vergelijkt met het aanbod van Chryses in vss. 1822?
Vragen bij tekst 3 (Ilias, Z.390-502) :
9
[2]
ajlivgkion ajstevri kalw/` (vs. 401): wat zeggen deze woorden over het
kind?
10
[2]
11a [2]
Wat verklaart de zin die “begint” met ga;r (vs. 403)?
11b [2]
Vergelijk vs. 404 met 405. Er is een duidelijk contrast tussen de stemming
van Andromache en die van Hektor. Citeer de desbetreffende
tekstelementen.
Verklaar het contrast.
12
fqivsei ... a[mmoron (vss. 407-308): verderop in haar rede (vss. 429-
[2]
439) zet Andromache deze opmerking om in reen concreet advies. Welk
advies?
2
13
[2]
De manier waarop Andromache verslag doet van de dood van haar vader
(vss. 416-420), suggereert dat hij als een groot man werd beschouwd.
Noem twee zaken waaruit dit blijkt.
14a [1]
Andromache vertelt hier dat zij zeven broers had, die allen op één dag
door Achilles werden gedood. In boek R echter vertelt Homerus ons vrolijk
dat een zekere Podes, zoon van Eëtion, door Menelaos wordt gedood;
een dergelijke inconsistentie was koren op de molen voor de zogeheten
Analytici in hun strijd tegen de Unitariërs.
Wat zijn Analytici?
Wat zijn Unitariërs?
Hoe heet de strijd tussen die twee partijen?
14b [1]
14c [1]
15
[2]
Uit welke woorden blijkt (in het stukje over de gevangenneming van
Andromache’s moeder) dat gevangengenomen vrouwen als een
onderdeel van het bezit golden? Geef het Griekse tekstelement.
16
[2]
Wat heeft Andromache allemaal ondervonden van de kant van Achilles?
17
[2]
De vss. 433-439 werden door een geleerde uit de Oudheid geschrapt,
omdat hij ze in de mond van Andromache misplaatst vond. Welk argument
zou hij daarvoor aangevoerd hebben?
18a [1]
In welke modus staat het hoofdwerkwoord in vss. 441-442 (ajlla; ...
eJlkesipevplou~)?
18b [2]
Welke reden heeft Hektor hier om deze modus te gebruiken?
19
Welke twee zaken houden ta;de pavnta (vs. 441) in?
[2]
20a [2]
20b [2]
Op welke woorden van Andromache reageert Hektor in vss. 441-449?
Geef als antwoord het Griekse tekstelement.
Ook vss. 450-455 zijn een reactie van Hektor op twee opmerkingen van
Andromache uit vss. 407-439. Citeer een van deze twee opmerkingen.
21
[2]
Verklaar het effect van de overgang van de optativus potentialis
(uJfaivnoi~, vs. 456 en forevoi~, vs. 457) naar het futurum ejpikeivsetai
(vs. 458).
22
[2]
o{~ ajristeuveske ... ajmfimavconto (vss. 460-461): Hektor heeft eerder
in zijn redevoering al min of meer hetzelfde gezegd. Citeer de woorden
waarmee hij dat deed.
23
[2]
douvlion h\mar (vs. 463): citeer uit het voorafgaande een tekstelement
waarmee deze woorden een tegenstelling vormen.
24
Frans van Oldenburg Ermke vertaalde de vss. 476-481 als volgt:
3
“Zeus en ook gij andere goden, geeft dat deze zoon
van mij, zoals ikzelf, één der eersten in Ilium zijn
moge en een machtig vorst van Troje, zodat het volk
moge zeggen: «Hier komt een dapperder nog dan
zijn vader!» Dat hij thuis brenge de met bloed
besmeurde rusting van de vijand, die hij doodde, en
vreugde schenken aan zijn moeder.”
24a
24b
24c
24d
24e
24f
[1]
[1]
[2]
[1]
[1]
[2]
Welk woord in vs. 476 is níet vertaald?
Hoe is ajriprepeva (vs. 477) vertaald?
Welke woorden zijn onvertaald gebleven in vs. 478?
Waarvan is het woord machtig de vertaling?
Zodat: geeft het Grieks aanleiding tot dit woord?
Hier komt een dapperder nog dan zijn vader: welk woord is níet vertaald
en hoe komt de vertaler aan het woord hier?
25
[2]
Met welke gedachte probeert Hektor Andromache in vss. 486-489 te
troosten?
26
26a [1]
26b [2]
26c [1]
H.J. de Roy van Zuydewijn vertaalde vss. 501-502 als volgt:
Want zij verwachtte hem niet van het slagveld te zien
keren, en aan het woedend geweld van de Grieken
te zullen ontkomen.
Welk woord in vs. 501 is níet vertaald?
Het woedend geweld: van welke woorden is dit de vertaling?
Welke grammaticale verandering hefet de vertaler aangebracht in
profugovnta t/m jAcaiw`n?
Vragen bij afbeelding 1:
27a [2]
27b [1]
Citeer uit de vss. 466-475 de Griekse tekstelementen die het beste bij
deze afbeelding passen.
Nog afgezien van het feit dat de afbeelding zich binnen afspeelt
(Andromache zit op een stoel en achter haar hoofd lijkt een helm in de
lucht te zweven: dit laatste is de traditionele manier van vaasschilders om
aan te geven dat de helm aan de muur hangt en dat de scène zich dus
binnen, in een tent of een huis, afspeelt), is er nog een essentieel verschil
tussen de Griekse tekst en de afbeelding. Welk verschil?
Einde van deze toets
4
Download