Wetenschappelijk onderzoek

advertisement
Astma en COPD: springplank voor wetenschappelijk onderzoek in 2005.
W.I. de Boer
Nederlands Astma Fonds, Leusden.
Samenvatting.
De missie van het Astma Fonds is om astma, COPD en aanverwante aandoeningen
te voorkomen en in Nederland de gevolgen hiervan voor de patiënten en directe
omgeving en samenleving te minimaliseren. Dit gebeurt door een zodanige invloed
uit te oefenen op wetenschappelijke ontwikkelingen dat deze een effectieve bijdrage
leveren aan het verwerven en toepassen van kennis over het ontstaan, behandelen
een voorkomen van de ziekte. Daarnaast dient beschikbare kennis en vaardigheden
over te worden gedragen aan specifieke doelgroepen zodat de kwaliteit van hun
bijdrage aan mensen met astma of COPD hoger wordt.
Voor wat betreft de wetenschappelijke stand van zaken worden in dit overzicht de
volgende punten belicht die overeenkomen met de onderzoeksagenda van het
programma EBO:
- onderzoek naar factoren die van invloed zijn op de progressie van COPD
m.b.t. pulmonale en systemische stoornissen;
- onderzoek naar genetische, (psycho)fysiologische en
gedragswetenschappelijke aspecten van rookverslaving en „‟stoppen met
roken‟‟ interventies;
- onderzoek naar oorzaken en epidemiologie van astma waaronder ook
vroegdiagnostiek van astma bij kinderen;
- innovatief onderzoek naar immuunmodulerende en endogeen inhiberende
interventies gericht op het genezen van astma. Hieronder valt ook
fenotypering van astma.
Lacunes en kansen in onderzoek.
Astma en COPD zijn twee verschillende inflammatoire longaandoeningen. COPD is
met name geassocieerd met roken en leidt pas op latere leeftijd tot symptomen en
grotendeels irreversibele luchtwegobstructie. Hierdoor wordt COPD pas bij oudere
mensen gediagnosticeerd. Astma heeft diverse risicofactoren waaronder genetische
aanleg, expositie aan allergenen of microbiële stoffen, en bacteriële en virale
infecties. In tegenstelling tot COPD leidt dit al bij jonge kinderen tot grotendeels
reversibele luchtwegklachten en kan vanaf 8 jarigen goed worden gediagnosticeerd.
Behandeling van astmatici is gericht op het bestrijden van luchtwegklachten en
eventueel allergische symptomen bijvoorbeeld door corticosteroïden of andere
ontstekingsremmers, en luchtwegverwijders. Medische behandeling van COPD is
van oudsher gebaseerd op die geneesmiddelen die ook voor astma worden gebruikt.
Anno 2003 ontbreekt nog steeds grotendeels een effectieve behandeling van COPD.
Daarnaast is er nog geen “geneesmiddel” voor beide aandoeningen beschikbaar dat
leidt tot definitieve regressie of genezing van de aandoeningen. Ook is voor beide
aandoeningen nog geen sprake van een succesvolle preventie. In die zin heeft het
huidige programma EBO nog geen doorbraak gebracht. Dit onderstreept de behoefte
aan goed gericht wetenschappelijk onderzoek op deze terreinen.
1
Om een goed inzicht te krijgen in welke moleculaire of cellulaire routes kunnen
worden aangepakt voor een specifiek werkend geneesmiddel, is het nodig te weten
waar precies de afwijkingen in die routes zitten ten opzichte van normale routes.
Daarvoor is moleculair pathologisch en celbiologisch onderzoek nodig, terwijl
genetisch en epidemiologisch onderzoek inzicht geven in welke endogene en
exogene risicofactoren en moleculen bijdragen aan het krijgen van de aandoening.
Ten aanzien van rookverslaving is aanvullend gedragsonderzoek nodig om inzicht te
krijgen welke psychosociale en biochemische factoren betrokken zijn bij het beginnen
en het stoppen met roken zowel bij jongeren als bij ouderen.
Doel van dit overzicht.
Doel van dit overzicht is om achtergrond informatie te geven voor de discussie over
nieuwe prioriteringen in wetenschappelijk onderzoek. Deze informatie omvat een
breed onderzoeksterrein, maar is daardoor ook onvolledig.
2
1
COPD.
1.1
Achtergrond
In de Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD) is een werkbare
definitie van COPD beschreven: COPD is een aandoening die gekarakteriseerd is
door luchtweg limitatie die niet geheel reversibel is. Deze limitatie is meestal
progressief en geassocieerd met een abnormale ontstekingsreactie van de longen op
schadelijke deeltjes of gassen [1]. De prevalentie van COPD in Nederland is
gemiddeld 2% bij mannen en 1% bij vrouwen, terwijl beneden de leeftijd van 45 jaar
bij mannen de prevalentie <1% bedraagt en daarboven oploopt tot 16% en bij
vrouwen tot 4% [2]. Volgens de meest recente GOLD criteria zijn er 5 categorieën
voor de mate van ernst van COPD:
0 : risicolopend, normale spirometrie en chronische symptomen;
I : mild COPD, FEV1/FVC <70%, FEV1 80% voorspeld, al dan niet met chronische
symptomen;
II : matig COPD, FEV1/FVC <70%, 50% FEV1 <80% voorspeld, al dan niet met
chronische symptomen;
III : ernstig COPD, FEV1/FVC <70%, 30% FEV1 <50% voorspeld, al dan niet met
chronische symptomen;
IV : zeer ernstig COPD, FEV1/FVC <70%, FEV1 30% voorspeld of FEV1 <50%
voorspeld met chronisch longfalen.
De symptomen omvatten hoesten en sputum productie.
COPD bestaat uit 3 verschillende aandoeningen (chronische bronchitis, chronische
obstructieve bronchiolitis, en emfyseem). Elk van deze aandoening heeft een eigen
definitie. Chronische bronchitis is klinisch gedefinieerd als de aanwezigheid van
hoesten met slijm productie gedurende minimaal 3 maanden in 2 achtereenvolgende
maanden. Pathologisch is een hypertrofie van submucosale klieren te zien met
goblet cel metaplasie en overmatige slijmproductie in de centrale luchtwegen. Bij
chronische bronchiolitis is er obstructie van de kleine luchtwegen met ontsteking en
fibrose. Emfyseem is pathologisch gedefinieerd als een staat van de long
gekarakteriseerd door abnormale, permanente vergroting van de alveoli distaal van
de terminale bronchioli. Dit gaat gepaard met vernietiging van de alveolaire schotten.
Veel COPD patiënten lijden aan een combinatie van deze aandoeningen.
1.2
Risicofactoren.
Onder de oorzaken en risicofactoren voor COPD zijn omgevingsfactoren (1) en
endogene factoren (2) te onderscheiden.
Exogene factoren:
1.2.1 Tabaksrook.
Epidemiologische studies hebben aangetoond dat tabaksrook verantwoordelijk is
voor meer dan 80% van de COPD gevallen in geïndustrialiseerde landen. In veel
gevallen is er een rookhistorie van meer dan 20 pakjaren. Meer dan 15% tot 20%
van de rokers zal een abnormale longfunctie ontwikkelen als ze doorgaan met roken.
Dit is terug te vinden in studies naar de prevalentie van COPD onder rokers in
Nederland: de prevalentie loopt op van minimaal 13% bij 20-29 jarigen tot maximaal
28% bij 60-69 jarigen [2]. Een studie van Lundbeck et al [3] liet ook een toename van
de prevalentie met stijgende leeftijd zien tot maximaal 50%.
3
Ook passieve blootstelling aan tabaksrook kan leiden tot luchtwegproblemen en
astma of COPD [4]. Het roken van moeders gedurende de zwangerschap kan
negatieve effecten hebben op de ontwikkeling van de foetale longen, en later een
risicofactor zijn voor het krijgen van astma of COPD [6].
1.2.2 Beroepsexpositie.
Langdurige blootstelling aan gassen, dampen en stof (kool, silica) kan leiden tot
longfunctie vermindering [8;9]. Case reports geven aan dat cadmium emfyseem kan
veroorzaken door weefselherstel te remmen terwijl intraveneus Ritalin gebruik kan
leiden tot panlobulair emfyseem.
1.2.3 Luchtverontreiniging.
Fijn stof (deeltjes kleiner dan 10µm), uitlaatgassen van diesel of SO2 zijn schadelijk
en kunnen tot luchtwegklachten leiden en mogelijk tot COPD. Hierbij spelen de duur
van de expositie en de concentratie van de stoffen tijdens de expositie een rol.
Epidemiologische studies geven echter geen eenduidige resultaten. Ook binnenhuis
expositie aan biomassa brandstoffen (voor het koken of verwarmen in slecht
geventileerde ruimten) is een risicofactor voor COPD. Dit wordt met name in
ontwikkelingslanden bij vrouwen waargenomen [7].
1.2.4 Infecties.
Infecties gedurende het eerste levensjaar en ernstige virale infecties in de
kinderjaren vormen een risicofactor voor een verminderde longfunctie en toename
van luchtwegklachten [10]. Virale infecties kunnen ook direct bijdragen aan de
ontwikkeling van COPD door integratie van viraal DNA in genomisch DNA van
luchtwegcellen [10; 11]. Ook ernstige infecties bij kinderen met bronchiale
hyperresponsiviteit (BHR) kunnen een grotere kans op het krijgen van COPD
hebben. Diverse studies wijzen op virale en bacteriële infecties als risicofactor voor
exacerbaties van COPD [11-13].
Daarnaast versnelt een infectie met het human immunodeficiency virus (HIV) de
ontwikkeling van emfyseem in rokers. Dit kan veroorzaakt worden door HIVgeïnduceerde longontsteking en/of gewichtsverlies veroorzaakt door HIV infectie.
1.2.5 Voeding.
Ondervoeding kan leiden tot longemfyseem. Een kleinere inname van de vitamines
A, C en E is eveneens gerelateerd aan een hogere kans op COPD. Ook een laag
lichaamsgewicht uitgedrukt in body mass index, is een slecht prognostisch teken
voor mensen met COPD [14]. Daarentegen zou voeding met een hoog gehalte aan
n-3 meervoudig onverzadigde vetzuren (b.v. in visolie) of voeding met een hoog
gehalte aan antioxidantia zoals in fruit en groente, een positief effect hebben op
longfunctie, maar de relatie met luchtwegsymptomen en de symptomen van COPD
zijn nog niet duidelijk [15-17].
Endogene factoren:
1.2.6 Genetica.
Voor COPD zijn er aanwijzingen voor afwijkingen op chromosomen 1, 2, 5 en 17.
Hoewel er voor diverse genen een mogelijke associatie is gevonden met het hebben
van COPD, is dit niet eenduidig aangetoond.
In Tabel 1 is een overzicht gegeven van mogelijke genen die betrokken zijn bij het
krijgen van COPD of bij de progressie van COPD. De best gedocumenteerde
genetische risicofactor voor COPD is de zz-allel deficiëntie van -1 antitrypsine. Dit
eiwit inhibeert endogene serine proteases waaronder neutrofiel elastase. Door een
mutatie is het eiwit niet meer functioneel en kan overmatige afbraak van
4
Tabel 1 : polymorfismen en associatie met het voorkomen of ernst van COPD.
klasse
gen polymorfisme
associatie/populatie
ref.
Anti-protease
-1 antitrypsine
ja$
ja
ja
nee
ja
ja
ja
nee
ja
ja
kaukasisch
kaukasisch
japans
kaukasisch
japans
japans
kaukasisch
kaukasisch
japans
kaukasisch
18
19
20
21
22
22
23
23
24
23
Anti-/oxidant
glutathion S-transferase P1A/G nee
glutathion S-transferase P1I/V nee
ja
glutathion S-transferase M1null ja
heme oxygenase 1 (GT)repeat ja
NADPH/NADH oxidase 242 C/T nee
epoxide hydrolase T113H
ja
nee
epoxide hydrolase H139A
nee
epoxide hydrolase H113/H139 ja$
epoxide hydrolase 113/139
nee
ja$$
epoxide hydrolase
ja
chinees
koreaans
japans
kaukasisch
japans
japans
kaukasisch
chinees
chinees
kaukasisch
koreaans
japans
kaukasisch
25;26
27
28
29
30
31
32
33
33
18
34
35
36;37
Metabolisme
cytochrome P450 CYP2A6del
ja*
japans
38
Cytokine
TNF promoter –376G/A
TNF promoter -308
nee
nee
ja
ja
nee
nee
ja
nee
ja
nee
ja
kaukasisch
kaukasisch
japans
japans
japans
kaukasisch
kaukasisch
kaukasisch
kaukasisch
japans
kaukasisch
39
39;40
41
42
43
44
45
39
39
43
46
ja
ja*
ja
japans
kaukasisch
kaukasisch
47
48
49
Antimicrobieel hBD-1 Ile38
SP-B (A,C,D)
Chemotaxis
Gc-globulin 1F
Spiercontractie 2-adrenoceptor Gly16
2-adrenoceptor Gln27
ja
ja?
ja
ja
ja
japans
Mexicaans
japans
chinees
chinees
50
51
52
53
53
Divers
ja
kaukasisch
54
anti-chymotrypsine Ala-15
Protease
TIMP-2 +853G/A
TIMP-2 –418G/C
MMP1 G-1607GG
MMP9
MMP9 –1562C/T
MMP12 A357S
TNF promoter –308AA
TNF promoter –238G/A
TNF promoter +489G/A
IL-1 -511
IL-13 –1055C/T
Pulmonaire
Hypertensie
Angiotensine converting
enzyme (ACE) DD16
serotonine transporter LL
microsatelliet DNA instabiliteit
$: associatie met snelle daling FEV1 in rokers; $$ associatie met ernst COPD; *: negatieve associatie.
5
elastinevezels plaatsvinden wat tot panlobulair emfyseem leidt en afname van de
longfunctie. Roken versnelt dit proces.
Voor andere kandidaat genen waaronder ABO secretor status, microsomale epoxide
hydrolase, -1 antichymotrypsine, glutathion S-transferase, complement component
GcG, en TNF, en microsatelliet instabiliteit zijn de gegevens niet consistent (zie
Tabel 1).
1.2.7 Bronchiale hyperreactiviteit (BHR).
Astma en BHR zijn mogelijke risicofactoren voor de ontwikkeling van COPD. Deze
relatie staat bekend als de “Dutch Hypothesis” die echter niet algemeen aanvaard is.
Bij deze theorie wordt er van uitgegaan dat astma en COPD twee fenotypen van een
enkele ziekte zijn, in tegenstelling tot de “Two Type Hypothesis”die er van uitgaat dat
astma en COPD 2 aparte aandoeningen zijn [55;56]. Astma patiënten hebben een
sneller verlies van longfunctie dan gezonde mensen [57]. Ditzelfde ervaren rokers
met BHR vergeleken met normale rokers [58;59]. Het is nog onduidelijk in hoeverre
BHR direct bijdraagt aan de ontwikkeling van COPD of een gevolg is van
ontstekingsprocessen ten gevolge van omgevingsfactoren als rookexpositie.
1.2.8 Groei van de longen.
Op dit moment is het nog niet duidelijk in hoeverre kleine longen een risicofactor zijn
voor het ontwikkelen van COPD. Weinig studies laten zien dat een laag
geboortegewicht bijdraagt aan de ontwikkeling van COPD. Wel wordt een associatie
gevonden tussen een laag geboortegewicht en een kleinere longfunctie [60;61]. De
kleinere longfunctie kan een gevolg zijn van roken tijdens de zwangerschap. Een
verminderde maximaal bereikte longfunctie lijkt wel gerelateerd te zijn aan een
hogere kans op astma en de ontwikkeling van COPD [62-64].
Conclusie: epidemiologische studies hebben laten zien dat tabaksrook een grote
risicofactor is voor de ontwikkeling van COPD. Meeroken is een risicofactor voor
luchtwegklachten en astma, maar de bijdrage aan COPD is nog niet bewezen. Naast
tabaksrook zijn er een aantal andere exogene risicofactoren voor COPD waaronder
blootstelling aan gassen of dampen, en kleine stofdeeltjes. De relatieve bijdrage van
deze risicofactoren aan de prevalentie van COPD kan per land en per streek of
locatie verschillen. De bijdrage van infecties, de mechanismen en type infecties
alsmede de effecten van voeding aan de ontwikkeling van COPD zijn nog onduidelijk
en verdienen meer epidemiologisch en pathogenetisch onderzoek. Mutaties van het
1-antitrypsine gen vormen een endogene risicofactor voor panlobulair emfyseem.
De bijdrage van andere genetische mutaties, de BHR en de longgrootte bij geboorte
aan de ontwikkeling van COPD is echter nog onduidelijk. De betrekkelijk geringe
omvang van studies en de keuze voor het ras kan een oorzaak zijn en wellicht
ondervangen worden door gericht onderzoek van grotere omvang.
1.3
Pathologie en Pathofysiologie.
1.3.1 Pathologie:
Diverse studies hebben laten zien dat de luchtwegontsteking in COPD geassocieerd
is met een toename van het aantal macrofagen [65-67] en T cellen (met name CD8+)
[68-71] in de luchtwegwand of vasculaire gladde spieren [70;72], en neutrofielen in
bronchiale klieren [66] of het lumen van de luchtwegen [73]. Sommige studies
rapporteren ook een toegenomen aantal mest cellen [65] en eosinofielen in COPD
[74;75] wat mogelijk gerelateerd kan zijn aan een verhoogde BHR. Maar al deze
studies verschillen van elkaar met betrekking tot patiënten selectie, definitie van de
6
aandoening en het studie protocol wat kan leiden tot verschillen in de gevonden
gegevens.
Deze ontstekingscellen kunnen migreren naar en door het longweefsel onder invloed
van een chemotactische gradiënt van cytokinen zoals interleukinen (ILs), interferonen
(IFNs), tumor necrosis factor (TNF) , chemokinen en groeifactoren. Chemokinen
kunnen worden onderverdeeld in -C-, -CC-, -CXC-, en -CXXXC- chemokinen [76].
Cytokinen worden uitgescheiden door diverse celtypen inclusief structurele cellen
(fibroblasten, epitheel, endotheel en gladde spier cellen) alsmede ontstekingscellen
zelf. Via specifieke (transmembraan) receptoren op specifieke doelcellen hebben
cytokinen effecten op cellen.
De gedachte is dat tabaksrook ontsteking in de luchtwegen veroorzaakt, en afbraak
en herstructuring van longweefsel [76-78]. Tabaksrook kan cellen direct beschadigen
door middel van cytotoxische stoffen of vrije radicalen. Dit kan ook indirect gebeuren
doordat tabaksrook ontsteking veroorzaakt die gepaard gaat met activatie van
ontstekingscellen, oxidatieve stress (door het vrijkomen van vrije radicalen) en
synthese en secretie van proteasen zoals matrix metalloproteinasen (MMPs) en
elastase, en cytokinen. De balans tussen oxidanten en reducerende stoffen maar
ook de balans tussen proteasen en anti-proteasen lijkt in COPD verstoord [76;77;79].
Dit kan leiden tot een chronische staat van weefsel herstructurering of afbraak.
Andere studies wijzen op verstoorde cytokine patronen in COPD waarbij verhoogde
expressie van TNF, CXCL8 (of IL-8), CXCL1 (of GRO), CXCL10 (of IP-10), MCP-1
(of CCL2), CCL3 (of MIP-1) en CCL4 (of MIP-1) of chemokine receptoren CCR2,
CXCR2, en T-cel specifieke CXCR3 expressie wordt gevonden [80]. Deze cytokinen
zijn betrokken bij chemoattractie van macrofages, monocyten, neutrofielen,
mestcellen en T cellen. Van deze cellen wordt gedacht dat ze betrokken zijn bij de
ontwikkeling en progressie van COPD. De rol van dendritische cellen en CD8+ T
cellen in COPD is nog onduidelijk. Robbins et al [81] geeft in een recente studie met
aan rook blootgestelde muizen aan dat tabaksrook het aantal long DC‟s en het aantal
geactiveerde CD8+ T cellen vermindert. Ook Di Stefano et al [82] toonde dat het
aantal CD8+ T cellen in ernstig COPD patiënten lager is dan in minder ernstige
COPD patiënten. Door de lagere aantallen CD8+ T cellen is een grotere kans op
virale infectie mogelijk, wat bij COPD patiënten regelmatig wordt gezien.
Naast ontsteking zijn ook veranderingen in de extracellulaire matrix waargenomen
die een gevolg kunnen zijn van verhoogde MMP activiteit of reactie met peroxiden of
carbonylgroepen [83;84]. De veranderingen kunnen bestaan uit een verhoogde
danwel veranderde depositie van collagenen, fibronectine of proteoglycanen, maar
ook afbraak van elastine, collageen of heparaansulfaat proteoglycanen [85-89]. De
gemodificeerde matrixmoleculen of hun afbraakproducten kunnen op hun beurt
bijdragen aan de luchtwegontsteking door activatie en/of chemotaxie van
ontstekingscellen [84].
Maar ook veranderingen in de expressie van groeifactoren lijkt een rol te spelen.
Tabaksrook leidt tot beschadiging van het longepitheel wat gevolgd wordt door een
herstelproces. Hierbij wordt de aanmaak van mitogene groeifactoren waaronder
epidermale en fibroblast groeifactoren (EGF, FGF) gestimuleerd die intact epitheel
aanzetten tot proliferatie en migratie, en epitheel en fibroblasten stimuleren tot
secretie van extracellulaire matrix eiwitten. Doordat tabaksrook ontsteking induceert
en ontstekingscellen activeert tot secretie van proteasen, cytokinen, leukotriënen,
prostaglandinen, en vrije radicalen kan het epitheel nog meer beschadigd raken.
Hoewel dit proces van herstel en afbraak bij alle rokers is te verwachten, is bij
rokende COPD patiënten een hogere expressie gevonden van groeifactoren
7
waaronder FGFs, EGF, en TGF. Dit wijst op een specifieke rol van deze
groeifactoren in COPD. Een chronisch verstoord herstelproces kan ook leiden tot
epitheliale afwijkingen: plaveiselcel metaplasie of gobletcel metaplasie. Daarnaast is
aangetoond dat cytokinen, proteasen en leukotriënen direct de gobletcel metaplasie
kunnen stimuleren. Hoewel er een toename is van het aantal gobletcellen in
bronchiale klieren van COPD patiënten, is het nog niet duidelijk of er meer epitheliale
afwijkingen in de luchtwegen zijn van COPD patiënten.
De longvasculatuur kan ook door tabaksrook direct of indirect via ontstekingscellen
en mediatoren van ontsteking [90]. Het idee is dat tabaksrook zorgt voor hypoxie en
verstoorde endotheelcelfunctie [91], wat leidt tot verdikking van de vaatwand [92;93],
toename van vasculaire gladde spieren en toename van ontstekingscellen zoals
CD8+ T cellen in de bloedvatwand [70;72] en een verhoogde vasculaire druk in de
longen. Vergeleken met rokers zonder COPD is de vasculaire gladde spiermassa in
de longen van COPD patiënten groter [89;94;95]. Hypoxie kan leiden tot een
verhoogde expressie van vasoconstriciteve eiwitten als endotheline-1 in de longen
van COPD patiënten [96;97]. Deze veranderingen dragen bij aan het ontstaan van
pulmonaire hypertensie [98].
Conclusie: COPD patiënten vertonen luchtwegontsteking. Diverse studies naar welke
ontstekingscellen hier bij betrokken zijn laten verschillende mogelijkheden zien. Dit
kan komen doordat met relatief kleine aantallen patiënten is gewerkt, of omdat de
patiënten fenotypisch (en mogelijk genotypisch) verschillend zijn maar hier geen
rekening mee is gehouden (bijvoorbeeld emfyseem versus chronische bronchitis of
bronchiolitis). Daarnaast is het nog niet duidelijk wat de rol is van de herstructurering
van het longweefsel: is dit een primair proces direct voorafgaand aan de ontwikkeling
van COPD en bepalend voor de “susceptibility”, of is het een gevolg van de
chronische luchtwegontsteking ? Een betere en vroegtijdige karakterisatie
(fenotypisch en genotypisch) van rokers en COPD patiënten kan hierin duidelijkheid
brengen. Dit kan ook leiden tot (vroeg)diagnostische parameters en
aangrijpingspunten voor nieuwe interventiemethoden.
1.3.2 Pathofysiologie:
Symptomen van COPD zijn onder andere een deels irreversibele afnemende
longfunctie, chronische hoest en dyspneu. Als gevolg van het roken neemt de
longfunctie af. Na het stoppen met roken herstelt de verminderde longfunctie echter
niet meer [99]. Zoals hierboven aangegeven dragen verschillende pathologische
veranderingen hieraan bij. Fibrose en ontsteking vernauwen de kleinere luchtwegen
(bronchi en bronchioli <2 mm diameter). Algemeen wordt gedacht dat hierdoor de
longfunctie irreversibel verminderd wordt en de luchtweg weerstand toeneemt [94;
95]. Daarnaast resulteert gobletcel meta- of hyperplasie bij COPD patiënten met
chronische bronchitis in een overmatige mucussecretie. Omdat plaveiselcel
metaplasie van trilhaarepitheel regelmatig voorkomt bij rokers en COPD patiënten,
leidt dit tot een chronisch verminderde trilhaarfunctie en mucusklaring. Dit geeft op
zijn beurt aanleiding tot een chronische hoest en dyspneu.
Sommige COPD patiënten vertonen regelmatig exacerbaties wat veelal gevolgd
wordt door ziekenhuisopname. Deze patiënten hebben verhoogde cytokine niveaus
in de luchtwegen wat mogelijk duidt op meer luchtwegontsteking. In deze patiënten
zijn ook verhoogde aantallen eosinofielen en neutrofielen gevonden in sputum en
longweefsel van patiënten met mild COPD, of alleen in sputum in patiënten met
8
ernstig COPD [100;101]. Exacerbaties worden vaak veroorzaakt door bacteriële
infecties van de luchtwegen. In tegenstelling tot astma is de rol van virale infecties in
exacerbaties in COPD echter nog niet eenduidig [102;103]. De reden voor de
toegenomen kans op exacerbaties kan gelegen zijn in het vaak beschadigde of
metaplastische luchtwegepitheel in COPD patiënten waardoor microorganismen
eenvoudiger aan het epitheel of de matrix blijven hechten en een ontstekingsreactie
kunnen induceren [104;105].
Op fysiologisch niveau is de uitademing nauwelijks verminderd gedurende een
exacerbatie [100;106;107]. De eerste pathofysiologische verandering is een
verslechterde gasuitwisseling (door een toegenomen VA/Q verhouding) waardoor de
ademhalingspieren harder moeten werken en meer zuurstof gebruiken, en de
gemengde veneuze zuurstofdruk afneemt. Dit leidt weer tot verdere afwijkingen in de
gasuitwisseling en respiratoire acidose [107-109].
COPD is ook geassocieerd met systemische effecten waaronder ontsteking,
gewichtsverlies en slecht functionerende skeletspieren. Systemische ontsteking is te
zien door een verhoogde oxidatieve stress, grotere hoeveelheden cytokines in het
bloed en activatie van ontstekingscellen [110-112].
Gewichtsverlies is een regelmatig voorkomende complicatie bij COPD patiënten. Het
is een gevolg van een onbalans tussen de toegenomen energie behoefte en een
onevenwichtig dieet [14]. De metabole en mechanische inzet zijn ontoereikend en
dragen hierdoor bij aan het hoge energieverbruik gedurende inspanning.
Daarentegen is de systemische ontsteking belangijk voor een verhoogde metabole
activiteit ten tijde van rust [112;113]. Een onbalans tussen eiwit synthese en eiwit
afbraak kan leiden tot een niet-proportionele afname van de vetvrije massa zoals
skeletspieren in sommige patiënten [114]. Naast deze afname wordt bij COPD
patiënten ook regelmatig waargenomen dat de skeletspieren niet goed werken [115].
Dit kan een gevolg zijn van de onbalans tussen oxidanten en reducerende stoffen in
de skeletspieren. Potentiële stimuli van oxidatieve stress in de spieren zijn onder
andere ontsteking en hypoxie.
Conclusie: bij COPD patiënten speelt de verstoorde gasuitwisseling een belangrijke
rol in de mate waarin patiënten activiteiten kunnen ondernemen. De aanwezigheid
van infecties beïnvloeden dit in negatieve zin door o.a. de luchtwegontsteking en de
mucusproductie te verergeren, hoewel de rol van bacteriële infecties bij exacerbaties
nog niet geheel duidelijk is. Daarnaast wordt COPD in toenemende mate als
systemische aandoening gezien waarbij ontregelde zuurstofbalans (acidose),
ontsteking, verkeerde voeding en skeletspier afbraak een grote rol spelen. Wat
precies de onderliggende mechanismen zijn voor exacerbaties en systemische
effecten is nog te weinig bekend. Om deze verschijnselen van COPD effectief te
kunnen bestrijden, is hier meer biomedisch onderzoek voor nodig.
1.4
Diagnose.
De diagnose van COPD kan op basis van longfunctie metingen, klinische symptomen
en de anamnese in de vorm van verschillende vragenlijsten worden vastgesteld. De
ernst van COPD wordt volgens de GOLD richtlijnen aan de hand van de FEV1/FVC
en de afname van de voorspelde FEV1 bepaald. Bij een aantal patiënten kan door
aanvullend onderzoek met CT-scan of HRCT scan emfyseem worden vastgesteld
door hiermee alternatieve diagnoses uit te sluiten. Bij patiënten jonger dan 45 jaar
9
kan een genetische test op 1-antitrypsine deficiëntie worden overwogen. Een
andere aanvullend test is meting van de diffusiecapaciteit (DL,CO of CO-diffusie).
Discussie is nog gaande of NO-diffusie een betere maat is dan CO-diffusie.
Op weefselniveau is qua pathologie geen eenduidige conclusie te trekken omdat
afwijkingen in de luchtwegen niet homogeen verdeeld hoeven te zijn. Daarnaast zijn
er nog geen specifieke biochemische metingen aan plasma of sputum die uniek voor
COPD zijn: de meeste biochemische markers zijn toepasbaar op meerdere
chronische ontstekingsziekten. Verder is COPD een verzamelnaam voor meerdere
aandoeningen: emfyseem gekenmerkt door alveolaire afbraak zonder
sputumproductie, chronische bronchitis wat is gekenmerkt door intacte alveoli maar
wel sputum overproductie, en diverse gradaties van combinaties van deze
aandoeningen.
Conclusie: het doel is om een individuele behandeling te kunnen opstellen op basis
van een set unieke klinische en pathologische parameters. Die parameters kunen
ook genetische afwijkingen omvatten, maar er is er nog geen gevonden die uniek
correleert met het voorkomen van COPD (zie tabel 1). Hierdoor is onderzoek naar
betere fenotypering en genotypering blijvend nodig waarvoor het opzetten van een
nationale longweefselbank mogelijkheden biedt om veel weefselmonsters te
screenen [116].
1.5
Geneesmiddel therapie.
In overeenstemming met de huidige GOLD richtlijnen voor COPD [website versie
2003] worden voor klinische behandelingen van COPD geneesmiddelen als
bronchodilatoren (2 agonisten, anticholinergica, en methylxanthines zoals
theophylline), mucus-regulerende middelen (o.a. N-acetylcysteïne), en orale of
geïnhaleerde glucocorticosteroiden gebruikt. Alternatieve therapieën worden op dit
moment uitgeprobeerd en omvatten behandeling met anti-inflammatoire middelen als
specifieke phosphodiesterase 4 (PDE4) remmers, leukotrieen receptor antagonisten,
remmers van leukotrieen synthese via inhibitie van 5-lipoxygenase, en remmers van
de prostaglandine synthese via inhibitie van cyclooxygenase [117;118]. Met name
bronchodilatoren en mucus-regulerende middelen zijn symptoom bestrijdend. In
tegenstelling tot de positieve effecten op astmatici en een subpopulatie van COPD
patiënten (namelijk die met BHR en eosinofilie), is een reguliere behandeling van
COPD patiënten met corticosteroiden teleurstellend. Sommige studies laten zien dat
langdurige behandeling met geïnhaleerde glucocorticosteroiden de FEV 1 alleen
gedurende de eerste 3 tot 6 maanden van de behandeling verbetert, maar dat
daarna de FEV1 net zo snel afneemt als in patiënten die een placebo hebben
gekregen [119-121]. Een andere studie heeft zelfs helemaal geen verbetering in de
FEV1 laten zien [122]. Een recente meta-analyse van 8 langdurende studies geeft
aan dat langdurige behandeling met iCS de afname van longfunctie wel afremt [123].
De studie van Gyzicki et al [124] gaf aan dat na een behandeling van 3 maanden met
iCS het aantal bronchiale mestcellen was verminderd, maar het aantal neutrofielen
was toegenomen. Kortdurende behandeling (2 tot 4 weken) met corticosteroiden lijkt
de luchtwegontsteking (aantal neutrofielen, macrofagen, lymfocyten, eosinofielen),
de expressie van cytokinen (TNF, IL-8) en antiproteasen (SLPI, TIMPs) in COPD
patiënten niet te beïnvloeden [125;126]. De werking van corticosteroiden is
gebaseerd op de remming van transcriptiefactoren NF-kB en AP-1 die transcriptie
van genen induceren. Deze transcriptiefactoren induceren transcriptie via histon
10
acetylering en ontwinding van chromosomaal DNA. Corticosteroiden remmen dit
proces door stimulatie van histon deacetylase activiteit. In COPD kan de door
tabaksrook-geïnduceerde oxidatieve stress de histon deacetylering remmen
waardoor transcriptie van (cytokine) genen wel kan plaatsvinden, en wat een
verklaring kan zijn waarom corticosteroiden bij COPD minder effectief zijn dan bij
astma [127-129].
Net als bij andere geneesmiddelen zoals salbutamol en theophylline, heeft
behandeling met corticosteroiden ook specifieke bijwerkingen. Hieronder vallen
toename van de kans op heup en botfracturen door verlies van been of remming van
beenmineralisatie, een geremde wondheling, verlies van extracellulaire matrix en het
ontstaan van een dunne huid en een toename van de kans op blauwe plekken [120;
130-133]. Recente klinische studies geven aan dat tweede en derde generatie
leukotrieen, prostaglandine en phosphodiesterase remmers meer belovend zijn met
betrekking tot een verbeterde FEV1 en een gereduceerde luchtwegontsteking
[118;134].
Toch kan een specifieke geneesmiddeltherapie effectiever zijn om de kwaliteit van
leven te verbeteren via (subjectieve) verbetering van longfunctie, dyspneu en
vermindering van de luchtwegontsteking. Als voorbeeld dienen andere chronische
ontstekingsziekten zoals reumatoïde arthritis (RA), inflammatoire darmziekten (IBD,
ziekte van Crohn) en psoriasis, waar macrofagen, T cellen en neutrofielen bij
betrokken zijn [135;136]. Recente studies hebben laten zien dat behandeling met
antagonisten van specifieke cytokinen of hun receptoren de ziekteproces remt en
zelfs weefselherstel stimuleren. Voorbeelden hiervan zijn TNF antagonisten en TNF
receptor antagonisten [80]. Buiten dit voorbeeld zijn de meeste van dergelijke
cytokine remmers echter nog in een experimenteel stadium of in klinische fase II en
fase III studies [80;134]. Met betrekking tot het gebruik van TNF en TNF receptor
antagonisten ter behandeling van COPD of astma is echter nog maar weinig
gepubliceerd zodat over de effectiviteit nog niets kan worden gezegd.
Over onderzoek naar middelen die bij COPD patiënten daadwerkelijk herstel van
longweefsel kunnen stimuleren, is weinig gepubliceerd. Inmiddels zijn er wel klinische
trial studies naar de effecten van ATRA (all-trans retinoic acid) bij patiënten met
emfyseem begonnen. Recente studies laten zien dat door ATRA behandeling van
emfyseem patiënten en van BAL cellen in vitro leidt tot verlaagde MMP9 plasma
concentraties en genexpressie, terwijl concentraties van TIMP-1 in vivo gelijk bleven
en in vitro zelfs toenemen [137;138]. Dit suggereert dat ATRA de verstoorde
protease-antiprotease balans wellicht kan herstellen. Andere klinische studies met
all-trans retinoic acid zijn bezig en laten wellicht herstel zien van de alveoli.
Conclusie: de oudere generatie geneesmiddelen zijn vooral gericht op
symptoombestrijding en ontstekingsremmend, maar zijn te weinig effectief hierin. De
nieuwste generatie ontstekingsremmers zijn mogelijk effectiever maar niet specifiek.
Resultaten van klinische studies met specifieke antagonisten van
ontstekingsmediatoren zijn nog niet bekend, terwijl er veel potentieel nieuwe
antagonisten in preklinische studies zijn al dan niet t.b.v. gebruik als COPD therapie.
Effectiviteitstudies naar deze middelen en naar stoffen die weefselherstel
bevorderen, alsmede eenvoudige en niet-invasieve manieren voor frequente
toediening moeten aangemoedigd worden.
11
1.6
Rookverslaving en interventie.
Rookverslaving is onderwerp van onderzoek in de afgelopen 10 jaren. De
biochemische basis hiervoor lijkt gelegen in nicotine receptoren op of verminderde
neurotransmissie van dopaminerge zenuwen in het mesocorticolimbisch systeem van
de hersenen [139; 140]. Ook andere genen zijn hierbij betrokken zoals dopamine
receptor genen, transporter genen (voor serotonine en dopamine), en genen die
betrokken zijn bij het metabolisme van nicotine [141].
Uit gedragsonderzoek is gebleken dat de meeste rokers al op jonge leeftijd zijn gaan
roken, veelal om bij een groep te horen. Daarnaast is onderzoek gericht op het
stoppen met roken waar vele programma‟s voor zijn opgezet in binnen- en buitenland
in combinatie met gebruik van nicotine vervangende middelen als nicotine kauwgom,
neusspray of pleisters, en anti-depressiva als bupropion en nortryptyline [142;143].
Hoewel het stoppen met roken niet direct effect heeft op de luchtwegontsteking [111;
144], is de daling in FEV1 minder groot dan bij rokers [145;146]. Resultaten uit de
Lung Health Study laten zien dat verschillen in longfunctie tussen ex-rokers en rokers
progressief zijn toegenomen in 11 jaar tijd na het stoppen met roken [147].
Tabaksrook heeft niet alleen effect op luchtwegontsteking en weefselherstructurering,
maar bevat ook genotoxische stoffen als benzo[a]pyreen en acroleïne die mogelijke
mutaties in p53 en EGFR genen kunnen veroorzaken. Mutaties in het p53 gen kan
leiden tot een constitutief verstoorde apoptose waardoor cellen minder snel
doodgaan. EGFR mutaties kunnen leiden tot constitutief geactiveerde receptoren
waardoor cellen constitutief een mitogene stimulatie en/of een plaveiselcel
differentiatie ondergaan. Dit kan tenslotte tot een hyperplastisch en structureel en
functioneel veranderd epitheel leiden. Dergelijke mutaties kunnen dus
preneoplastische lesies zijn waardoor stoppen met roken minder effect heeft dan
gewenst [148].
Conclusie: stoppen met roken leidt tot een minder snelle afname van longfunctie,
maar de luchtwegontsteking lijkt op korte termijn na het stoppen niet te verminderen.
Effecten van het stoppen op de systemische en luchtwegontsteking op de lange
termijn dienen nog bestudeerd te worden in longitudinale studies. Gedrags- en
biochemische studies naar tabaksverslaving dragen bij aan de verdere ontwikkeling
van een effectieve behandelingsmethode om rokende patiënten blijvend te laten
stoppen met roken.
12
2
2.1
Astma.
Achtergrond
In de richtlijnen beschrven door de Global Strategy for Asthma Management and
Prevention is een werkdefinitie voor astma gegeven: astma is een chronisch
inflammatoire aandoening van de luchtwegen. De chronische ontsteking is
geassocieerd met bronchiale hyperreactiviteit (BHR) die leidt tot terugkerende
perioden van luchtwegklachten als piepen, benauwdheid, kortademigheid en
hoesten die met name ‟s nachts optreden. Deze perioden zijn normaliter
geassocieerd met een variabele en meestal reversibele luchtwegobstructie [149].
Genetisch onderzoek geeft aan dat er associaties zijn tussen astma, atopie en
mutaties in diverse genen [150]. Ook wordt steeds duidelijker dat structurele
afwijkingen op jonge leeftijd al aanwezig zijn, waarbij prenatale ontwikkeling en
maternale expositie een rol spelen. Uit epidemiologisch onderzoek lijkt postnatale
expositie aan microbiële en allergene stoffen gedurende het eerste levensjaar de
ontwikkeling van astma te remmen. Een belangrijke factor voor de ontwikkeling en
progressie van astma is de balans tussen Th1 en Th2 cytokinen, waarbij de
dendritische cellen een belangrijke initiërende rol kunnen spelen, en de T lymfocyten,
eosinofielen, en mestcellen een uitvoerende rol leidend tot luchtwegklachten.
De classificatie van astma is als volgt volgens de GINA guidelines weergegeven:
1: intermittent:
FEV1 of PEF 80% voorspeld; variabiliteit hierin <20%;
symptomen < 1x/week; kortdurende aanvallen; nachtelijke
symptomen niet meer dan 2x/maand;
2: mild persistent: FEV1 of PEF 80% voorspeld; variabiliteit hierin tussen 20-30%;
symptomen > 1x/week, maar < 1x/dag; aanvallen kunnen
activiteit en slaap verstoren; nachtelijke symptomen > 2x/maand;
3: moderate persistent: FEV1 of PEF op 60-80% voorspeld; variabiliteit hierin >30%;
dagelijks symptomen; aanvallen kunnen activiteit en slaap
verstoren; nachtelijke symptomen > 1x/week; dagelijks gebruik
van kort-werkende 2-agonist;
4: ernstig astma:
FEV1 of PEF  60% voorspeld; variabiliteit hierin >30%;
dagelijks symptomen; regelmatig aanvallen en nachtelijke astma
symptomen; beperking van fysieke activiteiten.
Astma bij kinderen is in te delen 4 fenotypen:
1) kinderen zonder luchtwegpiepen (“wheeze”),
2) kinderen met ontstaan van luchtwegpiepen op jonge leeftijd (0-5 jaar),
3) kinderen met ontstaan van luchtwegpiepen op late leeftijd (ouder dan 3-5
jaar),
4) kinderen met persistent luchtwegpiepen (alle leeftijden).
Luchtwegpiepen op 11-jarige leeftijd is waarschijnlijk persistent en gaat gepaard met
een lagere longfunctie, terwijl sporadisch luchtwegpiepen op 5-jarige leeftijd
normaliter in remissie gaat [151;152]. Bij oudere kinderen en volwassenen is er
sprake van astma al dan niet gepaard gaande met allergie. Rhodes et al [152]
rapporteerde dat ongeveer 60% van de volwassenen met astma ook allergie
ontwikkelde op 2-jarige leeftijd met een verhoogde BHR rond de 7 jaar.
Resultaten uit diverse studies suggereren dat kinderen bij wie de astma klachten
ernstiger en persistent zijn, een meer Th2 gerichte immuunreactie hebben op het
moment van perioden van luchtwegobstructie [153]. Bij kinderen en adolescenten
13
kan astma ook in remissie gaan voor kortere of langere periode [151;153;154]. Astma
remissie is waarschijnlijk gerelateerd aan luchtwegpiepen bij kinderen ten gevolge
van infecties of blootstelling aan tabaksrook [153;155]. Luchtwegveranderingen
kunnen ondanks remissie wel zichtbaar blijven wat suggereert dat astma blijft
bestaan bij deze patiënten [156;157].
2.2
Risicofactoren.
Blootstelling aan diverse omgevingsfactoren is gerelateerd aan en een risicofactor
voor de ontwikkeling van allergie en astma exacerbaties of astma symptomen [158].
De vraag blijft of deze blootstelling of de mate ervan de hoofdoorzaak is van het
ontwikkelen van astma of alleen voor allergie [149;159-161]. De “European
Community Respiratory Health Survey II” kan hierin mogelijk meer duidelijkheid
scheppen [162]. Hieronder staan de voornaamste risicofactoren die gerelateerd zijn
aan astma of allergie.
2.2.1 Allergenen.
Allergenen zijn in een tweetal compartimenten onder te verdelen. De binnenhuis
allergenen zijn o.a. huisstofmijt (met name proteasen als Der p1), huidschilfers van
huisdieren, kakkerlak allergenen, schimmels en gisten. De buitenhuis allergenen
omvatten pollen, schimmels en gisten.
Kinderen die in de topmaanden van het pollenseizoen voor berken zijn geboren,
hebben een verhoogde kans op allergie voor berkenpollen voor de rest van hun
leven [163]. Blootstelling aan raaigras is geassocieerd met seizoensgebonden
exacerbaties van astma, toename van BHR en luchtwegontsteking [164]. Diverse
studies hebben de meteorologische invloed op astma bestudeerd, en laten zien dat
hooikoorts en allergie voor graspollen sterke voorspellers zijn voor een astma
exacerbatie gedurende onweer of heftige regenbuien in het pollenseizoen voor
grassen [165-167]. De oorzaak van deze buien ligt waarschijnlijk aan het opwaaien
van pollenkorrels en stofdeeltjes op grondniveau.
De hoogte van het huisstofmijt allergeen Der p1 in beddegoed van kinderen
gedurende het eerste levensjaar is geassocieerd met de kans op astma in de
kindertijd [168]. Een andere studie vond wel een relatie tussen aanwezigheid van Der
p1 en astma maar niet tussen de hoogte van Der p1 en aanwezigheid van astma of
BHR [169].
Het leven op de boerderij of blootstelling aan huisdieren gedurende de eerste
levensmaanden leidt tot een afname van de kans op astma [170-173]. De reden
waarom deze bescherming optreedt, is nog niet exact bekend, maar omvat de
verhoogde blootstelling aan endotoxinen en het hebben van meer receptoren
hiervoor op macrofagen [174].
Alp et al [175] en Litonjua et al [176] toonden aan dat kakkerlak allergie vaak vroeg
optreedt bij kinderen. Dit kan zelfs eerder dan huisstofmijt allergie optreden [175]. In
de westerse wereld komt kakkerlak allergie veel in binnensteden voor, maar met
name bij kinderen en niet bij volwassenen [177].
Blootstelling aan schimmels en sporen is ook in diverse studies geassocieerd
gevonden met atopie en astma, hoewel een directe oorzaak en gevolg relatie weinig
is gevonden [178-180]. Schimmels als Alternaria, Aspergillus, Candida, en
Cladosporium bevinden zich met name in vochtige, donkere en weinig geventileerde
ruimten. Bij de sensitisatie lijken schimmelproteasen een rol te spelen waardor het
bronchusepitheel beschadigd, er een Th2-reactie optreedt en een epitheliaal
14
herstelproces, maar dat virussen en bacteriën intussen ook eenvoudiger infecties
kunnen veroorzaken [180].
Ook dierlijke allergenen afkomstig van o.a. kat, hond of knaagdieren lijken
geassocieerd met astmaklachten. Deze allergenen zitten met name in de haren of
urine. Door de kleine diameter van kattenallergenen is verspreiding via de lucht
eenvoudig en veroorzaakt snel luchtwegklachten of exacerbaties bij iemand die
gesensitiseerd is voor katten [181]. Bij kinderen kan door blootstelling aan katten de
kans op ontwikkeling van astma afnemen [182]. Hoewel hondenallergenen dezelfde
karakteristieken hebben als kattenallergenen, en deels homoloog zijn, komt
allergische gevoeligheid voor honden minder voor dan voor katten [183].
Daarentegen kunnen hondenallergenen leiden tot niet-allergisch astma [183].
Allergie voor ratten en muizen is met name bekend bij proefdierwerkers.
2.2.2 Luchtverontreiniging.
Luchtverontreiniging ontstaat door industrieën of verkeer (SO2; fijn stof;
dieseldeeltjes) of door een fotochemische reactie in de lucht (O3, NOx). De
concentraties hiervan hangen af van weersomstandigheden en lokale geografie.
Studies met expositie aan 1 component onder experimentele omstandigheden laten
relaties zien met exacerbaties [184]. Echter, epidemiologische studies naar de
effecten van luchtverontreiniging op astma ontwikkeling en klachten zijn niet
eenduidig door de veelheid aan variabelen [185]. Hoge concentraties SO 2, NOx ,O3
of fijn stof komen met name in sterk vervuilde, drukke steden voor die in dalen liggen.
Associaties zijn gevonden met bronchoconstrictie, tijdelijk verhoogde BHR, en
allergische reacties [186-188]. Studies van von Mutius et al [189;190] laten zien dat
in Leipzig, een stad met sterk vervuilende industrieën en hoge SO 2 concentraties,
voorheen een hoge prevalentie van bronchitis was, terwijl in de schonere
industriestad München meer astma en allergie voorkwam gerelateerd aan het vele
verkeer (NOx, fijn stof). Maar na vervanging door schonere industrieën en
tegelijkertijd toename van verkeer in Leipzig nam de prevalentie van IgEgemedieerde allergische klachten (o.a. hooikoorts) toe. De toename van astma
prevalentie wordt mogelijk veroorzaakt door een hogere blootstelling aan
dieseluitlaatgassen, maar het is niet duidelijk of dit direct door de deeltjes zelf komt
[185;191]. Dierexperimentele en in vitro studies laten zien dat dieseldeeltjes het
immuunsysteem en cytokine productie wel kan activeren [192]. Maar, polycyclische
koolwaterstoffen die in uitlaatgassen aanwezig zijn, kunnen ook de IgE-gemedieerde
klachten veroorzaken [185]. Tenslotte kunnen dieseldeeltjes als drager fungeren voor
graspollen waardoor de pollen de eigenlijke allergene factor zijn die het effect van
dieseldeeltjes op luchtwegklachten verergert [193;194].
Andere luchtverontreiniging binnenshuis gerelateerd aan luchtwegklachten en
luchtweginfecties zijn CO, CO2, SO2, NOx, stofdeeltjes, polycyclische
koolwaterstoffen, formaldehyde of isothiocyanaten. In hoeverre deze stoffen
bijdragen aan de ontwikkeling van astma is echter niet duidelijk [195-197].
2.2.3 Roken.
Diverse studies hebben laten zien dat blootstelling aan tabaksrook in de omgeving
maar ook in utero een risicofactor is voor astma en luchtwegklachten bij kinderen
[5;6;196;198]. De kans dat kinderen gaan roken neemt toe naarmate er meer
familieleden roken [198]. De effecten van meeroken door volwassenen zijn minder
goed onderzocht maar een epidemiologische studie van Arif et al [196] geeft ook hier
een duidelijke relatie aan tussen roken en astma of luchtwegpiepen. Actief roken
door astmatici resulteert in een snellere daling van de FEV1 en ernstiger astma, en
15
de ziekte is moeilijker te behandelen [198;199]. Actief roken lijkt hiermee bij te dragen
aan het verloop van de ziekte maar niet per sé aan de ontwikkeling ervan.
2.2.4 Beroepsexpositie.
Diverse studies hebben een relatie laten zien tussen beroepsmatige expositie aan
stoffen als bijen, proefdieren, platina zouten, diisothiocyanaten en biologische
enzymen en de ontwikkeling van astma [200-203]. Ook latexallergie wordt bij circa
25% van de werknemers in ziekenhuizen gezien en kan na expositie leiden tot
anaphylaxis [204]. Minder vaak komt allergie voor spinmijten voor bij fruitplukkers wat
een risico is voor het krijgen van rhinitis en astma [205]. Vaak worden de astma
symptomen minder zodra de blootstelling aan deze allergenen verdwijnt.
2.2.5 Infecties.
Virale en bacteriële luchtweginfecties op jonge leeftijd zijn geassocieerd met astma
en astma aanvallen [206]. De meest algemene luchtweginfectie op jonge leeftijd is
met respiratoir syncitieel virus (RSV) dat verantwoordelijk is voor 50% van de
gevallen met luchtwegpiepen en voor 80% van de bronchiolitis gevallen [207;208].
Daarnaast is parainfluenza veel voorkomend en leidend tot luchtwegpiepen en croup.
Op latere leeftijd is rhinovirus belangrijk voor luchtwegklachten en astma [209]. Voor
RSV infectie op jonge leeftijd is een associatie gevonden met het ontwikkelen van
astma of BHR, en het lijkt de meest belangrijke risicofactor voor ontwikkeling van
luchtwegpiepen, astma en mogelijk atopie in kinderen [210;211].
Bacteriële infecties lijken met name geassocieerd met langdurige astmaklachten in
kinderen of volwassenen [212-214]. Hierbij zijn met name Mycoplasma en Chlamydia
van belang. De rol van Chlamydia pneumoniae in de ontwikkeling van astma is niet
duidelijk. Een associatie tussen Chlamydia pneumoniae infectie en astma is in
diverse studies gevonden [215;216], en met name door een immuunreactie tegen
Chlamydia heat shock protein 60 (Hsp60). Daarentegen is in andere studies geen
significante relatie tussen Chlamydia infectie of Chlamydia Hsp60 en astma
gevonden [217;218]. Luchtweginfecties met Streptococcus pneumoniae,
Haemophilus influenzae en Moraxella catarrhalis zijn gerelateerd aan astma
aanvallen [219].
De relatie tussen parasieten en astma is niet eenduidig. Een beperkt aantal studies
geeft aan dat infectie met darmparasieten gerelateerd is aan een gereduceerde kans
op astma [220]. De aanwezigheid van malaria parasieten in navelstrengbloed is
mogelijk gerelateerd aan het aanwezig zijn van luchtwegpiepen bij 4-jarige kinderen
[221]. Daarentegen lijkt een infectie met de Ascaris worm Toxocara niet gerelateerd
aan astma [222] maar mogelijk wel aan allergie [223]. Anderzijds heeft Dagoye et al
[224] recent laten zien dat bij kinderen met een darminfectie met een Ascaris worm
luchtwegpiepen minder vaak voorkomt dan bij kinderen zonder infectie.
De hygiene hypothese zegt dat het immuunsysteem is ontwikkeld in de aanwezigheid
van herhaalde bacteriële en parasitaire infecties [225]. In geïndustrialiseerde landen
wordt het immuunsysteem van kinderen niet goed geprogrammeerd en treedt steeds
vaker een Th2-gemedieerde immuunreactie op waar een Th1 reactie gewenst is
[225-228]. Uit epidemiologisch onderzoek lijkt postnatale expositie aan microbiële en
allergene stoffen inderdaad gedurende het eerste levensjaar de ontwikkeling van
astma te remmen [227]. De toegenomen prevalentie van astma wordt dan mogelijk
veroorzaakt door het gebrek aan blootstelling aan infecties of endotoxinen wat leidt
tot een Th2 immuunreactie en cytokine en leukotrieen productie [6;191]. Vaccinatie
speelt hierbij geen rol blijkens een grote Noord-Amerikaanse studie waarbij van de
ruim 18.000 onderzochte kinderen met astma en 149.000 kinderen zonder astma
geen relatie is gevonden tussen vaccinatie en het ontwikkelen van astma [229].
16
2.2.6 Voeding en geneesmiddelen.
Epidemiologische studies suggereren dat een gebruik van bepaalde nutriënten de
frequentie of ernst van astma kan veranderen [191]. Het gebruik van oliesoorten die
veel -linoleenzuur en eicosapenteenzuur bevatten, kunnen gerelateerd zijn aan een
afname van ontstekingsmediatoren in astma. Literatuuronderzoek naar studies die
de positieve effecten van visolie op astma hebben bestudeerd, laat echter zien dat
inname van n-3 vetzuren (in visolie) weinig effect hebben op astma symptomen,
BHR, exacerbaties of ziekenhuisopnamen [230]. Dit is bevestigd door Wijga et al
[231] in een epidemiologische studie met jonge kinderen. Deze studie liet bovendien
zien dat dagelijkse inname van volle melkproducten door 2-jarigen gerelateerd is aan
een lagere prevalentie van luchtwegpiepen op 3-jarige leeftijd. Een toename in de
BMI en inname van verzadigde vetten in de voeding kunnen wel de symptomen van
astma verergeren (zie onderdeel 2.3.9).
Armentia et al [232] liet in een studie met meer dan 16.000 mensen zien dat het op
jonge leeftijd geven van graansoorten aan kinderen een risicofactor is voor het
krijgen van astma met graspollen allergie. Dit zou verklaard worden door
kruisreactiviteit van graspollen met bepaalde allergenen in granen die IgE
gevoeligheid opwekken [233]. Anderzijds liet de studie van Wijga et al [231] zien dat
een dagelijkse inname van bruinbrood op 2-jarige leeftijd geassocieerd is met minder
astmasymptomen op 3-jarige leeftijd. Een langere, longitudinale vervolgstudie kan
meer inzicht geven in het verloop van astmaklachten op latere leeftijd.
De inname van antioxidantia als vitamine E en flavenoïden lijken gerelateerd aan een
lagere incidentie van astma of luchtwegklachten [234;235]. De inname van vitamine
E door zwangeren lijkt geassocieerd met een lagere T-cel gerelateerde proliferatieve
reactie van mononucleaire cellen uit navelstrengbloed op allergenen [234]. Dit zou er
mogelijk op duiden dat vitamine E de ontwikkeling van allergie in neonaten afremt.
Ook geneesmiddelen zoals “nonsteroidal anti-inflammatory drugs (NSAIDs)” kunnen
een risicofactor zijn voor astma of astma exacerbaties [236;237]. Paracetamolgebruik
lijkt geassocieerd aan astma en de ernst van astma [237]. Het werkingsmechanisme
hierbij zou een depletie van glutathion zijn wat resulteert in celdood en verstoring van
de oxidant-antioxidant balans [238]. Ook aspirine intolerantie kan een risicofactor
voor astma en rhinitis zijn [239], hoewel deze hypothese niet altijd wordt gesteund
[240]. Het is ook onduidelijk of asperin een primair risicofactor is voor astma, of dat
dit via de ontwikkeling van rhinitis verloopt wat wel een risicofactor voor astma is
[239].
2.2.7 Genetica
Uit beschrijvend en epidemiologisch onderzoek zijn aanwijzingen voor genetische
afwijkingen bij astma patiënten. Associaties zijn gevonden voor diverse
chromosomen (2, 4-7 11-14, 16, 20) inclusief ADAM33 [150;241;242]. Sterke relaties
zijn gevonden met het major histocompatibility complex op chromosoom 6p24: HLADR allelen beperken de IgE respons tot specifieke allergenen [243;244]. Ook de
TCR-/ locus op chromosoom 14q11 is geassocieerd met een reactie op specifieke
allergenen [245]. HLA-DR polymorfismen zijn echter niet voldoende om de sterke
associatie van MHC met de specifieke IgE respons te kunnen verklaren. Andere
studies hebben gerapporteerd dat polymorfismen in de hoge affiniteitsreceptor voor
IgE, FcRI-, geassocieerd zijn met astma, allergie en BHR [246-248]. Coderende
polymorfismen lijken de functie van het gen niet te beïnvloeden [249]. Op
chromosoom 5q23-33 liggen de genen van het cytokine cluster IL-4, IL-5, IL-9, en IL13. Hiervan is de sterkste associatie gevonden tussen IL-13 polymorfismen en
17
verhoogde IgE serum niveaus, astma en atopie [250-253]. In dit gebied ligt ook het
gen voor CD14 (LPS-receptor). Voor CD14 polymorfismen is ook een associatie met
astma is gevonden [254]. Voor de metalloproteinase en disintegrine ADAM33 (op
chromosoom 20p) is een associatie gevonden met astma plus BHR, maar minder
met verhoogde totale serum IgE niveaus [242;255]. ADAM33 wordt door fibroblasten
en gladde spiercellen in de luchtwegen gemaakt, en is net als andere ADAM eiwitten
mogelijk betrokken bij herstructurering van de luchtwegen en verandering van
bronchiale spiercontractie [256-258]. CCR532, een mutatie in het gen voor de
chemokine receptor CCR5, lijkt bescherming te geven tegen astma maar niet tegen
atopie in de kindertijd. In de adolescente periode verdwijnt deze bescherming echter
[259].
Er zijn ook polymorfismen gevonden van genen die ook betrokken zijn bij andere
immuunziekten met een genetische basis. Hiertoe horen polymorfismen in het IL-1
cluster (chromosoom 2p14) die ook in inflammatoire darmziekten en reumatische
arthritis zijn gevonden [260;261], en polymorfismen in het FcRI- op chromosoom
11q13 [262].
Diverse studies waarin de voorspellende waarde van een positieve familie historie
van astma bestudeerd zijn, laten zien dat familie historie van astma in een of meer
eerstegraads familieleden een risicofactor voor astma is [263]. Maar een positieve
familie historie identificeert slechts een minderheid van de risicokinderen [263].
2.2.8 Bronchiale hyperreactiviteit (BHR).
Uit een longitudinale cohortstudie van Sears et al [151] blijkt dat BHR een risicofactor
is voor blijvend luchtwegpiepen (persistent wheezing). Hierbij is geen onderscheid
gemaakt tussen de verschillende astmafenotypen. Todokoro et al [264] vond dat de
mate van BHR geen risicofactor is voor het ontstaan van astma vanuit de hoest
variant van astma, maar dat de leeftijd van het ontstaan van deze variant een rol
speelt. De precieze relatie tussen BHR en astma moet verder worden onderzocht.
2.3.9 Obesitas
De prevalentie van astma en overgewicht neemt de laatste jaren toe [191].
Volwassenen met overgewicht hebben een grotere kans op astma, maar niet op
obstructieve longziekten [265]. Epidemiologische studies laten zien dat er een
duidelijke relatie is tussen overgewicht en astma of astmaklachten maar niet met
atopie, en dat astma geen oorzaak is voor overgewicht [196;266;267]. Als mogelijke
oorzaken zijn genoemd dat gastro-oesofageale reflux als resultaat van overgewicht
astma veroorzaakt, of dat fysieke inactiviteit zowel overgewicht als astma stimuleert,
of dat dieten van mensen met overgewicht de ontwikkeling van astma stimuleren
[191;267]. Anderzijds is in een recente grote studie bij Australische kinderen geen
relatie gevonden tussen een hoge body mass index en astma of BHR, maar wel
tussen een hoge VeranderingBMI en atopie of luchtwegklachten bij meisjes [268].
Hierdoor blijft het onduidelijk of astma prevalentie en obesitas aan elkaar gerelateerd
zijn. Echter, veranderingen in het voedingspatroon kan dezekunnen astma patiënten
met overgewicht helpen om hun astma onder controle te houden.
2.2.10
Groei van de longen.
De groei van de longen in kinderen met astma is normaal. Weinig studies suggereren
een relatie tussen astma en kleine longen [269]. Een studie vond bij kinderen een
relatie tussen kleinere longen, gemeten met behulp van longfunctietesten, en
aanwezigheid van BHR en/of huismijt of kattenallergie [270]. Een andere studie vond
ook een relatie tussen BHR en gereduceerde longfunctie in adolescenten [271]. Of
kleinere longen een gevolg zijn van astma of een erfelijke eigenschap, is niet
duidelijk.
18
2.2.11
Comorbiditeit
Astma vertoont vaak comorbiditeit met atopie. Een andere vorm is comorbiditeit met
gastro-oesofageale reflux. Gastro-oesofageale reflux is een gevolg van het niet goed
functioneren van de sfincter tussen de slokdarm en de maag (de cardia of pars
cardiaca ventriculi) waardoor maagzuur vanuit de maag in de slokdarm terecht komt.
Deze reflux komt vaak voor bij kinderen met astma, en de prevalentie stijgt naarmate
de ernst van astma groter is [272-274]. Daarnaast hebben astmatici met reflux een
grotere kans op ziekenhuisopname wegens luchtwegproblemen [275]. De studie van
Mathew et al [274] liet zien dat reflux voorkomt bij 57% van de kinderen met ernstig
astma, en slechts 11% van de kinderen met matig astma. Daarentegen waren
symptomen van reflux bij 53% van kinderen met reflux te zien en bij 17% van de
kinderen zonder reflux. Ongeveer 22% van de kinderen met reflux hadden dezelfde
astma symptomen en peakflow meting als kinderen zonder reflux. Jain et al [273] liet
zien dat 86% van de kinderen met reflux longklachten (nachtelijk hoesten,
luchtwegpiepen) ontwikkelden op een leeftijd jonger dan 1 jaar. Als mogelijke
oorzaak dient de microinspiratie van zuur uit de distale oesofagus gevolgd door
bronchoconstrictie en BHR [275;276]. Anti-reflux therapie met maagzuurbinders
(antacida), H2-receptor antagonisten, protonpompinhibitoren of een operatieve
ingreep vermindert de klachten [273].
Conclusie: uit bovenstaand overzicht komt naar voren dat de diverse allergenen al
dan niet uit de beroepssfeer een risicofactor zijn voor het ontwikkelen van allergie of
allergisch astma. Op welk moment een allergie bij kinderen wordt ontwikkeld is nog
niet opgehelderd, terwijl het ontstaansmechanisme deels bekend is. Daarnaast is
nog niet duidelijk wat de relatie is tussen allergie en het ontwikkelen van astma,
aangezien beide aandoeningen los van elkaar kunnen bestaan. Infecties op jonge
leeftijd lijken daarentegen nodig om de ontwikkeling van allergie of astma op latere
leeftijd tegen te gaan. Welke infecties en het mechanisme hiervan, maar ook welke
periode van de kindertijd hierbij een rol spelen, moet nog verder worden onderzocht.
De effecten van luchtverontreiniging dragen bij aan luchtwegklachten, maar hun
precieze rol en mechanisme in de ontwikkeling van astma of allergie is nog niet
duidelijk. Ondanks het nodige onderzoek op het gebied van genetische afwijkingen is
nog niet bekend welke genen daadwerkelijk betrokken zijn bij het ontstaan van
astma, allergie en/of BHR. Voor andere endogene factoren (BHR, longgrootte,
voeding, comorbiditeit) geven diverse studies tegenstrijdige resultaten zodat nog niet
duidelijk is of deze factoren een risico zijn voor het krijgen van astma.
2.3
Pathologie en Pathofysiologie.
2.3.1 Pathologie:
In autopsie materiaal van longen van astmatici zijn de luchtwegen gevuld met
proppen mucus vermengd met serum eiwitten, ontstekingscellen en cellulair debris.
De luchtwegwand vertoont een uitgebreide ontsteking met eosinofielen en
lymfocyten, vasodilatatie, tekenen van lekkage van kleine bloedvaten, en kapot
epitheel. Daarnaast is een toename van gladde spiermassa te zien, de novo
vascularisatie, goblet cel meta- of hyperplasie, en een toenamen van extracellualire
matrix componenten als collageen in de lamina reticularis van de basale membraan
onder het epitheel [277]. De oorzaken van deze afwijkingen lijken een gevolg van
weefselschade en kunnen leiden tot herstructurering van longweefsel. In bronchiale
biopten van levende astmatici zijn deze afwijkingen ook te zien [278]. Maar in
19
patiënten met acuut of ernstig astma zijn ook neutrofielen aanwezig waarvan wordt
gedacht dat deze in deze fase een belangrijke rol spelen [279;280].
Diverse studies ondersteunen het idee dat eosinofielen en mest cellen belangrijke
effector cellen zijn in de ontstekingsreacties en bronchiale spiercelcontractie in
astmatici [281]. Dendritische cellen en T cellen hebben een belangrijke rol in de
aansturing van de ontstekingsreacties via synthese en secretie van specifieke
cytokinen [282-284]. Specifiek de Th2 T cellen die in tegenstelling tot Th1 cellen wel
IL-4 en IL-5 maken, lijken van belang voor astma.
Ook de rol van structurele cellen als fibroblasten, endotheel en epitheel cellen lijkt in
toenemende mate van belang voor de luchtwegontsteking, herstructurering en
spiercelcontractie [257; 278; 285].
Ontstekingscellen als eosinofielen, lymfocyten en macrofagen kunnen door cytokinen
gestimuleerd worden om proteïnasen (zoals MMP‟s, proteïnase 3, HNP‟s) te maken
en uit te scheiden. Deze proteasen breken enerzijds de extracellulaire matrix af,
maar anderzijds kan dit ook leiden tot epitheelschade. Daarnaast kan in neutrofielen
een oxidatieve stress optreden waardoor vrije radicalen vrijkomen. Hierdoor kan met
name het trilhaarepitheel beschadigd worden. Op zijn beurt lokt dit weer een
herstelreactie uit van het longweefsel met proliferatie van fibroblasten en
epitheelcellen onder invloed van groeifactoren als EGF en FGF-en. Groeifactoren
kunnen door diverse celtypen worden gemaakt inclusief eosinofielen, mest cellen,
macrofagen, lymfocyten, dendritische cellen, fibroblasten, epitheel en gladde
spiercellen. De verdikking in de basement membrane lijkt verklaard te kunnen
worden doordat het luchtwegepitheel een continu proces van schade en herstel
doormaakt waarbij overmatige productie van o.a. collagenen door epitheel en
onderliggende fibroblasten en afzetting in de basement membrane plaatsvindt.
De algemene gedachte tot nu toe is geweest dat de chronische luchtwegontsteking
aanleiding is voor luchtwegveranderingen. De luchtwegherstructurering kan echter
ook vroeg in de ontwikkeling zijn ontstaan voorafgaand aan de ontwikkeling van
astma [286].
Allergenen van mijten omvatten cysteine en serine proteasen, en amylase. Deze
proteasen bevinden zich in de feces, terwijl een ander weinig in huisstof
voorkomende allergeen juist van de huid afkomstig is. Proteasen van schimmels en
huisstofmijt kunnen het bronchiaal epitheel beschadigen door de tight junctions kapot
te maken, waardoor ontstekingscellen sneller door het epitheel heen kunnen
migreren [180;287]. Ook kunnen allergenen sneller bemonsterd worden door DC‟s
wat sneller tot een allergische reactie kan leiden [287]. Bij een gelijke blootstelling
kan echter de ene persoon wel atopisch astma ontwikkelen, en de ander niet.
Mogelijk is dit een gevolg van moleculaire afwijkingen in het luchtwegepitheel van
astmatici [de Boer et al, manuscript in preparatie].
Conclusie: in de pathologie van astma zijn diverse afwijkingen in de luchtwegen waar
te nemen. Diverse ontstekingscellen lijken in het immunologische proces hun eigen
rol te hebben, maar de precieze rol en hun samenhang is nog niet geheel duidelijk.
Het verder ontwikkelen van geschikte proefdiermodellen kan bijdragen aan een beter
inzicht hierin. Daarnaast is ook niet duidelijk of de weefselveranderingen een gevolg
zijn van de chronische ontsteking, of dat de luchtwegontsteking een gevolg is van
epitheliale afwijkingen. Verder onderzoek hieraan kan ook mogelijkheden bieden
voor vroegdiagnostiek van astma.
20
2.3.2. Pathofysiologie:
BHR is de staat waarin luchtwegen te snel en te veel vernauwen als reactie op een
specifieke (b.v. pollen, huisstofmijt, huidschilfers) of niet-specifieke (b.v. kou, gassen,
irritantia, inspanning) stimuli. Luchtweg obstructie kan worden veroorzaakt door
stoffen die direct de bronchiale spieren stimuleren (metacholine, histamine), of
indirect via farmacologisch actieve moleculen (substance P, bradykinine) door mest
cellen of niet-gemyelineerde zenuwen [276; 288; 289]. Dit wordt bij volwassenen
gemeten door de dosis van metacholine of histamine te bepalen die een reductie van
20% van de FEV1 teweeg brengt (PC20). Bij kinderen wordt hiervoor adenosine 5‟monofosfaat (AMP) of mannitol gebruikt [290;291]. Allergeen-geïnduceerde
bronchoconstrictie is een gevolg van IgE afhankelijke secretie van mediatoren als
histamine, prostaglandines en leukotriënen door mestcellen in de luchtwegen wat
contractie van bronchiale gladde spieren veroorzaakt [292]. De door niet-specifieke
anti-inflammatoire geneesmiddelen veroorzaakte astma wordt ook gedacht te zijn
gerelateerd aan effecten van met name leukotriënen. Niet-specifieke stimuli kunnen
een combinatie van de directe en indirecte activatieroutes van bronchiale spieren
gebruiken.
2.4
Diagnose.
Ondanks al eerder aanwezige luchtwegklachten, kan de diagnose astma bij jonge
kinderen vanaf circa 8 jaar worden vastgesteld op basis van luchtwegklachten,
longfunctie metingen en vragenlijsten. Het goed uit kunnen voeren van longfunctie
metingen, de ontwikkeling van de longen en het immuunsysteem zijn belangrijke
redenen waarom dit pas dan kan. Bij ouderen is er sprake van onderdiagnose van
astma doordat dezelfde symptomen voorkomen bij hartfalen, COPD, en
leeftijdsgebonden veranderingen in longfunctie [293;294]. Ook perceptie van
kortademigheid of benauwdheid wordt door ouderen anders ervaren dan bij jongeren
[295]. Bij ouderen kan een metacholine test aangevuld met een CO diffusie test
COPD uitsluiten.
Bij atopie is de hoeveelheid IgE ongewoon hoog als reactie op een allergeen
blootstelling. De bepaling van atopie door de meting van totaal serum IgE is geen
goede methode om de aanwezigheid van atopie aan te tonen omdat IgE ook
verhoogd kan zijn als reactie op b.v. een parasitaire infectie. Specifiek IgE meten is
wel zinvol, maar duur. Huidtesten met allergenen zijn gebruikelijk. De omgeving en
de erfelijke belasting van de patiënt kan een aanwijzing zijn voor het type allergie.
Conclusie: onderzoek om op zeer jonge leeftijd op een weinig invasieve wijze een
betrouwbare diagnose van astma te kunnen stellen moet worden gestimuleerd.
Anderzijds is een goede diagnosestelling van astma bij ouderen ook nodig voor een
juiste behandeling.
2.5
Geneesmiddeltherapie.
De gebruikte groepen geneesmiddelen zijn ook degene die bij COPD worden
ingezet. Hiertoe horen luchtwegverwijders als 2-agonisten, en ontstekingsremmers
als inhalatie corticosteroiden.
In tegenstelling tot COPD, zijn corticosteroiden bij astma patiënten wel effectief in het
onderdrukken van luchtwegontsteking en luchtwegklachten. Bijwerkingen van iCS
zijn zoals aangegeven bij COPD. Daarnaast worden ook kinderen behandeld met
21
iCS. Een van de bijwerkingen die is geconstateerd, is een groei achterstand van
kinderen met 1,34 cm gedurende 3 jaar behandeling [296]. Een nieuwe klasse van
ontstekingsremmers vormen de leukotrieenreceptor en prostaglandine synthese
remmers. Hiervan hebben diverse studies laten zien dat leukotrieen receptor
antagonisten effectief zijn, of als vervanging van langwerkende 2-agonisten kunnen
dienen bij kinderen [118;297]. Het is nog onduidelijk of deze stoffen even effectief zijn
als iCS.
Afhankelijk van de duur van hun werking zijn 2-agonisten in te delen in
kortwerkende en langwerkende luchtwegverwijders. Recente studies laten zien dat
sommige 2-agonisten ook een ontstekingsremmende capaciteit hebben [298;299].
Hoewel veel gebruikt, hebben kortwerkende 2-agonisten bijwerkingen als
tachycardia en tremor en kunnen het serum kalium en glucosegehalte beïnvloeden.
In tegenstelling tot langwerkende 2-agonisten, hebben kortwerkende 2-agonisten
mogelijk wel effect op de mortaliteit [300]. Maar, langdurig gebuik van langwerkende
2-agonisten kan daarentegen wel tolerantie opwekken wat kan leiden tot een
afnemende bescherming tegen uitlokkingsfactoren van astma symptomen [297; 301].
Ook kan regelmatig gebruik van sommige 2-agonisten mogelijk leiden tot een
verslechterde controle van astma door effecten op BHR en het maskeren van
verergerende astma symptomen [301].
Een andere ontwikkeling vormen de effectiviteitsstudies met combinatietherapie van
een 2-agonist met een iCS. Recente voorbeelden laten een grotere effectiviteit zien
t.o.v. behandeling met iCS of 2-agonist alleen of iCS met antileukotrienen [302;303].
IgE speelt een belangrijke rol in allergische reacties en bronchoconstrictie door
activatie van mestcellen. Behandeling van astma patiënten met gehumaniseerd antiIgE (omalizumab) resulteerde in een verlaging van het iCS gebruik, vrij IgE, en van
het aantal exacerbaties en ziekenhuisopnamen t.g.v. exacerbaties, en verbeterde de
kwaliteit van leven [304-306].
Een andere groep van potentiële ontstekingsremmers zijn de cytokine antagonisten.
Diverse studies zijn inmiddels met anti-IL-4 of -IL-5 antilichamen uitgevoerd.
Behandeling van astmatici met een anti-IL-4 is reeds in een klinische fase, maar er
zijn nog geen publicaties. Hart et al [307] rapporteerde dat een 9 maanden durende
behandeling met anti humaan IL-4 i.h.a. geen bijwerkingen heeft in apen.
Verschillende klinische studies met gehumaniseerde anti-IL-5 antilichamen als
therapie voor astma laten wel een vermindering van eosinofielen in beenmerg, bloed,
bronchi en sputum zien en mogelijk een verbeterde baseline FEV 1, maar geen effect
op BHR of de late fase reactie [308-310]. Daarnaast is het aantal TGF1 positieve
eosinofielen en de hoeveelheid van bepaalde extracellulaire matrix moleculen lager
in anti-IL-5 behandelde astmatici [311].
De effecten van alternatieve therapie zijn onduidelijk. Een placebo-gecontroleerde
studie van Hsieh et al [312] liet zien dat behandeling van astmatische kinderen met
chinese kruiden tot een significante afname in histamine productie leidt en een
verhoogde prostaglandine synthese. Deze behandeling leidde echter niet tot
veranderingen in klinische symptomen of productie van IL-4, IFN of leukotriënen. De
placebo-gecontroleerde studie van White et al [313] liet ook geen verbetering van de
kwaliteit van leven zien door gebruik van homeopathische middelen naast reguliere
therapie. Daarnaast kan behandeling met alternatieve therapieën inclusief
homeopatische of herbale middelen en acupunctuur wel nadelige effecten hebben
[314]. Er zijn echter te weinig placebo-gecontroleerde wetenschappelijke studies
22
gedaan naar effecten van deze behandelingen op astma en de mogelijke
bijwerkingen. Met eventuele bijwerkingen zijn de gebruikers weinig bekend [315].
Een voorbeeld van een niet-medicamenteuze behandeling is het gebruik van antiallergene matrashoezen. Een studie met anti-allergische matrashoezen liet zien dat
deze hoezen bij astmatici de toename in de vroege reactie op huisstofmijt en het
aantal eosinofielen in het bloed voorkwam. Maar het had geen effect op de late
reactie, de BHR of huidtesten [316].
Conclusie: ondanks de meer of minder effectieve bestrijding van ontsteking of
symptomen van astma, zijn er nog geen geneesmiddelen die astma of allergisch
astma volledig onderdrukken, stop zetten, of zelfs genezen. Daarnaast is het
herhaald gebruik van subcutane injecties van anti-cytokine middelen op de lange
termijn niet aan te bevelen wegens het invasieve karakter. Onderzoek naar efficiënte
en weinig invasieve manieren van toedienen, en geneesmiddelen met een
verbeterde biologische beschikbaarheid en efficiëntere of specifieke werking
(waaronder immunotherapie) moet worden gestimuleerd, terwijl het gebruik van
adjuvante homeopathische behandeling geen voordeel oplevert.
23
3
Onderzoeksprioriteiten voor astma en COPD.
De prioriteiten voor fundamenteel biomedisch, klinisch en toegepast onderzoek naar
astma en COPD zijn in bovenstaande paragrafen aangegeven onder de conclusies.
Recente internationale publicaties t.a.v. dit onderzoek ondersteunen dit [116; 317;
318]. De opstelling van onderzoeksprioriteiten op het gebied van astma door de
National Asthma Campaign (UK) is mede door de representant van het Astma Fonds
(prof.dr. P.J. Sterk) tot stand gekomen [318]. Hieronder volgen richtingen voor de
onderzoeksprioriteiten waarin tevens rekening wordt gehouden met de wensen van
patiënten.
Richtingen voor onderzoeksprioriteiten:
1) Onderzoek naar de mechanismen leidend tot initiatie en progressie van astma
en COPD. Epidemiologisch onderzoek naar het ontstaan van COPD heeft
aangegeven dat roken in de Nederlandse bevolking een belangrijke factor is
voor het krijgen van COPD. Maar de bepalende factor die uitmaakt waarom
een roker al dan niet COPD krijgt, en welk fenotype, is nog niet bekend. Voor
de overige gevallen van COPD bij niet-rokers is nog niet duidelijk wat de
veroorzakende factor is. Voor astma is ook nog niet duidelijk wat de initiërende
factor is, en hoe de ontwikkeling van astma tot welke fenotypen gedurende de
kinderjaren precies plaats vindt. In beide gevallen zijn grote longitudinale
humane studies nodig vanaf de prenatale periode met gegevensverzameling
over o.a. familie anamnese, (rook)gedrag, allergie ontwikkeling, genetische
afwijkingen, longfunctie en weefselverandering waar mogelijk. Hierdoor wordt
inzicht verkregen in risicofactoren, ontwikkeling in de aandoeningen, en genoen fenotyperingen.
Toekomstig onderzoek zou gebruik moeten maken van de grotere
longitudinale cohortstudies die op dit moment worden of zijn uitgevoerd
(PIAMA, PREVASK, Generation R, KOALA, Vlaardingen-Vlagtwedde, e.a.).
Deze studies vertonen deels een overlap maar geen van allen meten alle
parameters. Om retrospectief onderzoek naar de ontbrekende kennis mogelijk
en effectief te maken, is een gemeenschappelijke coördinatie van
gegevensverzameling, gegevensbeheer en weefselcollectie van alle studies
nodig [zie ook: 116; 318]. Diermodellen kunnen een hulpmiddel zijn bij
mechanistisch en toepassingsgericht onderzoek. Maar, de bestaande
modellen hebben op dit moment beperkingen t.a.v. het representeren van
chroniciteit en heterogeniteit (fenotype) van astma of COPD, of de
pathogenese van COPD. Het stimuleren van de verdere ontwikkeling van
gehumaniseerde diermodellen alsmede complexe celculture modellen zal
bijdragen aan hun toepasbaarheid voor astma en COPD onderzoek en de
vertaling van deze gegevens naar de aandoening toe.
2) Onderzoek naar leefstijlfactoren die bijdragen aan de progressie van astma en
COPD. In bovenstaande paragrafen is aangegeven dat een aantal factoren
als voeding, roken, arbeidsexpositie en medicijngebruik kunnen bijdragen aan
de initiatie of progressie van de aandoeningen. Verandering hierin kan de
progressie afremmen, maar dan moet wel duidelijk zijn in hoeverre zij hieraan
bijdragen. Verder onderzoek (zowel sociaal als biomedisch) hiernaar zal hier
inzicht in geven. De resultaten kunnen ook worden gebruikt t.b.v. de preventie
van de aandoeningen.
24
3) Onderzoek naar de behandeling of behandelingsmethoden van patiënten.
Voor rokers is stoppen met roken vaak niet eenvoudig. Inzicht in effectieve
behandelingsmethoden om blijvend te stoppen met roken zijn daarom nodig
op progressie van COPD af te remmen. Daarnaast is de ontwikkeling van
efficiënte medicijnen ter bestrijding en genezing van de aandoeningen nodig.
Als voorbeeld hiervan dient onderzoek naar de mogelijkheden voor vitamine A
behandeling van COPD patiënten, of onderzoek naar stoffen die weefselafbraak tegengaan. Bij astma patiënten is een blijvende onderdrukking van de
symptomen nodig, en indien nodig, ook verschijnselen van allergische
reacties. De stimulering van samenwerking met farmaceutische bedrijven op
deze onderzoeksterreinen kan effectief zijn.
De samenwerking met andere organisaties op nationaal of internationaal niveau
kan bijdragen aan de uitvoering van onderzoeksprioriteiten en resultaatvorming.
Bijvoorbeeld door onderzoek naar comorbiditeiten t.g.v. (mee)roken kan een beter
inzicht worden verkregen in onderliggende mechanismen die leiden tot astma of
COPD. Anderzijds kan door stimulering van een multidisciplinaire netwerkvorming
tussen onderzoekers en onderzoeksorganisaties sneller en/of betere resultaten
worden bereikt.
25
4
Referenties
1
Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease. A pocket guide to
COPD diagnosis, management and prevention. National Institutes of
Health, NHLBI, 2003. GOLD website: http://www.goldcopd.com
Tabak C, and Smit HA. The morbidity of asthma and chronic obstructive
pulmonary disease in the Netherlands: additional analysis and update of
available data. RIVM report 260855005/2002. RIVM, Bilthoven, 2002.
Lundback B, Lindberg A, Lindstrom M, Ronmark E, Jonsson AC, Jonsson
E, Larsson LG, Andersson S, Sandstrom T, Larsson K. Not 15 but 50% of
smokers develop COPD?--Report from the Obstructive Lung Disease in
Northern Sweden Studies. Respir Med 97, 2003: 115-122.
Bartal M. Health effects of tobacco use and exposure. Monaldi Arch Chest
Dis 56, 2001: 545-554.
Health Council of the Netherlands. The impact of passive smoking on
public health. Publication no. 2003/21. The Hague, 2003
Von Mutius E. Environmental factors influencing the development and
progression of pediatric asthma. J Allergy Clin Immunol 6 Suppl, 2002:
S525-S532.
Smith KR. Inaugural article: national burden of disease in India from indoor
air pollution. Proc Natl Acad Sci USA 97, 2000: 13286-13293.
Hnizdo E, Vallyathan V. Chronic obstructive pulmonary disease due to
occupational exposure to silica dust: a review of epidemiological and
pathological evidence. Occup Environ Med 60, 2003: 237-243.
Mastrangelo G, Tartari M, Fedeli U, Fadda E, Saia B. Ascertaining the risk
of chronic obstructive pulmonary disease in relation to occupation using a
case-control design. Occup Med 53, 2003: 165-172.
Hogg JC. Childhood viral infection and the pathogenesis of asthma and
chronic obstructive lung disease. Am J Respir Crit Care Med 160,1999:
S26-28.
Seemungal TA, Wedzicha JA. Viral infections in obstructive airway
diseases. Curr Opin Pulm Med 9, 2003: 111-116.
Sethi S, Murphy TF. Bacterial infection in chronic obstructive pulmonary
disease in 2000: a state-of-the-art review. Clin Microbiol Rev 14, 2001:
336-363.
Wedzicha JA. Exacerbations: etiology and pathophysiologic mechanisms.
Chest 121 Suppl, 2002: 136S-141S.
Schols AM. Pulmonary cachexia. Int J Cardiol 85, 2002:101-110.
Smit HA, Grievink L, Tabak C. Dietary influences on chronic obstructive
lung disease and asthma: a review of the epidemiological evidence. Proc
Nutr Soc 58, 1999: 309-319.
Romieu I, Trenga C. Diet and obstructive lung diseases. Epidemiol Rev 23,
2001: 268-287.
Jaber R. Respiratory and allergic diseases: from upper respiratory tract
infections to asthma. Prim Care 29, 2002: 231-261.
Sandford AJ, Chagani T, Weir TD, Connett JE, Anthonisen NR, Pare PD.
Susceptibility genes for rapid decline of lung function in the lung health
study. Am J Respir Crit Care Med 163, 2001: 469-473.
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
26
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
Poller W, Meisen C, Olek K. DNA polymorphisms of the alpha 1-antitrypsin
gene region in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Eur J
Clin Invest 20, 1990: 1-7.
Ishii T, Matsuse T, Teramoto S, Matsui H, Hosoi T, Fukuchi Y, Ouchi, Y.
Association between alpha-1-antichymotrypsin polymorphism and
susceptibility to chronic obstructive pulmonary disease. Eur J Clin Invest
30, 2000: 543-548.
Benetazzo MG, Gile LS, Bombieri C, Malerba G, Massobrio M, Pignatti PF,
Luisetti M. alpha 1-antitrypsin TAQ I polymorphism and alpha 1antichymotrypsin mutations in patients with obstructive pulmonary disease.
Respir Med 93, 1999: 648-654.
Hirano K, Sakamoto T, Uchida Y, Morishima Y, Masuyama K, Ishii Y,
Nomura A, Ohtsuka M, Sekizawa K. Tissue inhibitor of metalloproteinases2 gene polymorphisms in chronic obstructive pulmonary disease. Eur
Respir J 18, 2001: 748-752.
Joos L, He JQ, Shepherdson MB, Connett JE, Anthonisen NR, Pare PD,
Sandford AJ. The role of matrix metalloproteinase polymorphisms in the
rate of decline in lung function. Hum Mol Genet 11, 2002: 569-576.
Minematsu N, Nakamura H, Tateno H, Nakajima T, Yamaguchi K. Genetic
polymorphism in matrix metalloproteinase-9 and pulmonary emphysema.
Biochem Biophys Res Commun 289, 2001: 116-119.
Xiao D, Wang C, Du MJ, Pang BS, Zhang HY, Xiao B, Liu JZ, Weng XZ,
Su L, Christiani DC. Association between polymorphisms in the gene
coding for glutathione S-transferase P1 and chronic obstructive pulmonary
disease. Zhonghua Jie He He Hu Xi Za Zhi 26, 2003: 555-558 [Chinese].
Lu B, He Q. Correlation between exon5 polymorphism of glutathione Stransferase P1 gene and susceptibility to chronic obstructive pulmonary
disease in northern Chinese population of Han nationality living in Beijing,
China. Zhonghua Nei Ke Za Zhi 41, 2002: 678-681 [Chinese].
Yim JJ, Yoo CG, Lee CT, Kim YW, Han SK, Shim YS. Lack of association
between glutathione S-transferase P1 polymorphism and COPD in
Koreans. Lung 180, 2002: 119-125.
Ishii T, Matsuse T, Teramoto S, Matsui H, Miyao M, Hosoi T, Takahashi H,
Fukuchi Y, Ouchi Y. Glutathione S-transferase P1 (GSTP1) polymorphism
in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Thorax 54, 1999:
693-696.
Harrison DJ, Cantlay AM, Rae F, Lamb D, Smith CA. Frequency of
glutathione S-transferase M1 deletion in smokers with emphysema and
lung cancer. Hum Exp Toxicol 16, 1997: 356-360.
Yamada N, Yamaya M, Okinaga S, Nakayama K, Sekizawa K, Shibahara
S, Sasaki H. Microsatellite polymorphism in the heme oxygenase-1 gene
promoter is associated with susceptibility to emphysema. Am J Hum Genet
66, 2000: 187-195.
Ishii T, Keicho N, Teramoto S, Azuma A, Kudoh S, Fukuchi Y, Ouchi Y,
Matsuse T. Genetic variation of NADPH/NADH oxidase and susceptibility
to diffuse panbronchiolitis (DPB) and chronic obstructive pulmonary
disease (COPD). Nihon Kokyuki Gakkai Zasshi 39, 2001: 328-332
[Japanese].
Rodriguez F, Jardi R, Costa X, Juan D, Galimany R, Vidal R, Miravitlles M.
Detection of polymorphisms at exons 3 (Tyr113-->His) and 4 (His139--
27
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
>Arg) of the microsomal epoxide hydrolase gene using fluorescence PCR
method combined with melting curves analysis. Anal Biochem 308, 2002:
120-126.
Zhang R, Zhang A, He Q, Lu B. Microsomal epoxide hydrolase gene
polymorphism and susceptibility to chronic obstructive pulmonary disease
in Han nationality of North China. Zhonghua Nei Ke Za Zhi 41, 2002: 11-14
[Chinese].
Yim JJ, Park GY, Lee CT, Kim YW, Han SK, Shim YS, Yoo CG. Genetic
susceptibility to chronic obstructive pulmonary disease in Koreans:
combined analysis of polymorphic genotypes for microsomal epoxide
hydrolase and glutathione S-transferase M1 and T1. Thorax 55, 2000: 121125.
Yoshikawa M, Hiyama H, Ishioka S, Maeda H, Maeda A, Budhi A,
Yamakido M. Genetic susceptibility to COPD. Thorax 55, 2000: 723-724.
Smith CA, Harrison DJ. Association between polymorphism in gene for
microsomal epoxide hydrolase and susceptibility to emphysema. Lancet
350, 1997: 630-633.
Koyama H, Geddes DM. Genes, oxidative stress, and the risk of chronic
obstructive pulmonary disease. Thorax 53 Suppl 2, 1998: S10-14.
Minematsu N, Nakamura H, Iwata M, Tateno H, Nakajima T, Takahashi S,
Fujishima S, Yamaguchi K. Association of CYP2A6 deletion polymorphism
with smoking habit and development of pulmonary emphysema. Thorax 58,
2003: 623-628.
Kucukaycan M, Van Krugten M, Pennings HJ, Huizinga TW, Buurman WA,
Dentener MA, Wouters EF. Tumor Necrosis Factor-alpha +489G/A gene
polymorphism is associated with chronic obstructive pulmonary disease.
Respir Res 3, 2002: 29.
Ferrarotti I, Zorzetto M, Beccaria M, Gile LS, Porta R, Ambrosino N,
Pignatti PF, Cerveri I, Pozzi E, Luisetti M. Tumour necrosis factor family
genes in a phenotype of COPD associated with emphysema. Eur Respir J
21, 2003: 444-449.
Sakao S, Tatsumi K, Igari H, Watanabe R, Shino Y, Shirasawa H,
Kuriyama T. Association of tumor necrosis factor- gene promoter
polymorphism with low attenuation areas on high-resolution CT in patients
with COPD. Chest 122, 2002:416-420.
Sakao S, Tatsumi K, Igari H, Shino Y, Shirasawa H, Kuriyama T.
Association of tumor necrosis factor  gene promoter polymorphism with
the presence of chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit
Care Med 163, 2001: 420-422.
Ishii T, Matsuse T, Teramoto S, Matsui H, Miyao M, Hosoi T, Takahashi H,
Fukuchi Y, Ouchi Y. Neither IL-1beta, IL-1 receptor antagonist, nor TNFalpha polymorphisms are associated with susceptibility to COPD. Respir
Med 94, 2000: 847-851.
Higham MA, Pride NB, Alikhan A, Morrell NW. Tumour necrosis factor-
gene promoter polymorphism in chronic obstructive pulmonary disease.
Eur Respir J 15, 2000: 281-284.
Keatings VM, Cave SJ, Henry MJ, Morgan K, O'Connor CM, FitzGerald
MX, Kalsheker N. A polymorphism in the tumor necrosis factor- gene
promoter region may predispose to a poor prognosis in COPD. Chest 118,
2000: 971-975.
28
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
Van der Pouw Kraan TC, Kucukaycan M, Bakker AM, Baggen JM, van der
Zee JS, Dentener MA, Wouters EF, Verweij CL. Chronic obstructive
pulmonary disease is associated with the -1055 IL-13 promoter
polymorphism. Genes Immun 3, 2002: 436-439.
Kanazawa H, Otsuka T, Hirata K, Yoshikawa J. Association between the
angiotensin-converting enzyme gene polymorphisms and tissue
oxygenation during exercise in patients with COPD. Chest 121, 2002: 697701.
Van Suylen RJ, Wouters EF, Pennings HJ, Cheriex EC, van Pol PE,
Ambergen AW, Vermelis AM, Daemen MJ. The DD genotype of the
angiotensin converting enzyme gene is negatively associated with right
ventricular hypertrophy in male patients with chronic obstructive pulmonary
disease. Am J Respir Crit Care Med 159, 1999: 1791-1795.
Eddahibi S, Chaouat A, Morrell N, Fadel E, Fuhrman C, Bugnet AS,
Dartevelle P, Housset B, Hamon M, Weitzenblum E, Adnot S.
Polymorphism of the serotonin transporter gene and pulmonary
hypertension in chronic obstructive pulmonary disease. Circulation 108,
2003: 1839-1844.
Matsushita I, Hasegawa K, Nakata K, Yasuda K, Tokunaga K, Keicho N.
Genetic variants of human beta-defensin-1 and chronic obstructive
pulmonary disease. Biochem Biophys Res Commun 291, 2002: 17-22.
Guo X, Lin HM, Lin Z, Montano M, Sansores R, Wang G, DiAngelo S,
Pardo A, Selman M, Floros J. Surfactant protein gene A, B, and D marker
alleles in chronic obstructive pulmonary disease of a Mexican population.
Eur Respir J 18, 2001: 482-490.
Ishii T, Keicho N, Teramoto S, Azuma A, Kudoh S, Fukuchi Y, Ouchi Y,
Matsuse T. Association of Gc-globulin variation with susceptibility to COPD
and diffuse panbronchiolitis. Eur Respir J 18, 2001: 753-757.
Ho LI, Harn HJ, Chen CJ, Tsai NM. Polymorphism of the beta(2)adrenoceptor in COPD in Chinese subjects. Chest 120, 2001: 1493-1499.
Siafakas NM, Tzortzaki EG, Sourvinos G, Bouros D, Tzanakis N, Kafatos
A, Spandidos D. Microsatellite DNA instability in COPD. Chest 116, 1999:
47-51.
Orie NGM, Sluiter HJ, de Vries K, Tammerling K, Wilkop J. The host factor
in bronchitis. In: Orie NGM, Sluiter HJ. Bronchitis: an international
symposium. Royal van Gorcum, Assen, 1961. P 43-59.
Sluiter HJ, Koeter G, de Monchy JG, et al. The Dutch hypothesis (chronic
non-specific lung disease) revisited. Eur Respir J 4, 1991: 479-489.
Peat JK, Woolcock AJ, Cullen K. Rate of decline of lung function in
subjects with asthma. Eur J Respir Dis 70, 1987: 171-179.
Campbell AH, Barter CE, O‟Connell JM, Huggins R. Factors affecting the
decline of ventilatory function in chronic bronchitis. Thorax 40, 1985: 741748.
Rijcken B, Schouten JP, Xu X, et al. Airway hyperresponsiveness to
histamine is associated with accelaerated decline of FEV1. Am J Respir
Crit Care Med 151, 1995: 1377-1382.
Todisco T, de Benedicits FM, Iannacci L, Baglioni S, Eslami A, Todisco E,
et al. Mild prematurity and respiratory functions. Eur J Pediatr 152, 1993:
55- 58.
29
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
Stein CE, Kumaran K, Fall CH, Shaheen SO, Osmond C, Barker DJ.
Relation of fetal growth to adult lung function in South India. Thorax 52,
1997: 895-899.
Hagstrom B, Nyberg P, Nilsson PM. Asthma in adult life – is there an
association with birth weight ? Scand J Prim Health Care 16, 1998: 117120.
Svanes C, Omenaas E, Heuch JM, Irgens LM, Gulsvik A. Birth
characteristics and asthma symptoms in young adults: results from a
population-based cohort study in Norway. Eur Respir J 12, 1998: 13661370.
Tager IB, Segal MR, Speizer FE, Weiss ST. The natural history of forced
expiratory volumes. Effect of cigarette smoking and respiratory symptoms.
Am Rev Respir Dis 138, 1988: 837-849.
Grashoff WF, Sont JK, Sterk PJ, Hiemstra PS, de Boer WI, Stolk J, van
Krieken JHJM. Chronic obstructive pulmonary disease: role of bronchiolar
mast cells and macrophages. Am J Pathol 151, 1997: 1785-1790.
Saetta M, Turato G, Facchini FM, et al. Inflammatory cells in the bronchial
glands of smokers with chronic bronchitis. Am J Respir Crit Care Med 156,
1997: 1633-1639.
Di Stefano A, Capelli A, Lusuardi M, et al. Severity of airflow limitation is
associated with severity of airway inflammation in smokers. Am J Respir
Crit Care Med 158, 1998: 1277-1285.
Fournier M, Lebargy F, Le Roy Ladurie F, Lenormand E, Pariente R. Intraepithelial T-lymphocyte subsets in the airways of normal subjects and of
patients with chronic bronchitis. Am Rev Respir Dis 140, 1989: 737-742.
O'Shaughnessy TC, Ansari TW, Barnes NC, Jeffery PK. Inflammation in
bronchial biopsies of subjects with chronic bronchitis: inverse relationship
of CD8+ T lymphocytes with FEV1. Am J Respir Crit Care Med 155, 1997:
852-857.
Saetta M, Baraldo S, Corbino L, Turato G, Braccioni F, Rea F, Cavallesco
G, Tropeano G, Mapp CE, Maestrelli P, Ciaccia A, Fabbri LM. CD8+ve
cells in the lungs of smokers with chronic obstructive pulmonary disease.
Am J Respir Crit Care Med. 160, 1999:711-717.
Saetta M, Mariani M, Panina-Bordignon P, Turato G, Buonsanti C, Baraldo
S, Bellettato CM, Papi A, Corbetta L, Zuin R, Sinigaglia F, Fabbri LM.
Increased expression of the chemokine receptor CXCR3 and its ligand
CXCL10 in peripheral airways of smokers with chronic obstructive
pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 165, 2002: 1404-1409.
Peinado VI, Barbera JA, Abate P, et al. Inflammatory reaction in pulmonary
muscular arteries of patients with mild chronic obstructive pulmonary
disease. Am J Respir Crit Care Med 159, 1999: 1605-1611.
Lacoste JY, Bousquet J, Chanez P, Van Vyve T, Simony-Lafontaine J,
Lequeu N, Vic P, Enander I, Godard P, Michel FB. Eosinophilic and
neutrophilic inflammation in asthma, chronic bronchitis, and chronic
obstructive pulmonary disease. J Allergy Clin Immunol 92, 1993: 537-548.
Pizzichini E, Pizzichini MM, Gibson P, et al. Sputum eosinophilia predicts
benefit from prednisone in smokers with chronic obstructive bronchitis. Am
J Respir Crit Care Med 158, 1998: 1511-1517.
Brightling CE, Monteiro W, Ward R, Parker D, Morgan MD, Wardlaw AJ,
Pavord ID. Sputum eosinophilia and short-term response to prednisolone
30
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
in chronic obstructive pulmonary disease: a randomised controlled trial.
Lancet 356, 2000: 1480-1485.
De Boer WI. Cytokines and therapy in COPD: a promising combination?
Chest 121 Suppl, 2002: 209S-218S.
Jeffery PK. Remodeling in asthma and chronic obstructive lung disease.
Am J Respir Crit Care Med 164, 2001: S28-38.
Barnes PJ. New concepts in chronic obstructive pulmonary disease. Annu
Rev Med 54, 2003: 113-129.
Lim S, Roche N, Oliver BG, Mattos W, Barnes PJ, Chung KF. Balance of
matrix metalloprotease-9 and tissue inhibitor of metalloprotease-1 from
alveolar macrophages in cigarette smokers. Regulation by interleukin-10.
Am J Respir Crit Care Med 162, 2000: 1355-1360.
De Boer WI. Potential new drugs for therapy of chronic obstructive
pulmonary disease. Expert Opin Invest Drugs 12, 2003: 1067-1086.
Robbins CS, Dawe DE, Goncharova SI, Pouladi MA, Drannik AG, Swirski
FK, Cox G, Stampfli MR. Cigarette Smoke Decreases Pulmonary Dendritic
Cells and Impacts Anti-Viral Immune Responsiveness. Am J Respir Cell
Mol Biol 2003, in press.
Di Stefano A, Capelli A, Lusuardi M, Caramori G, Balbo P, Ioli F, Sacco S,
Gnemmi I, Brun P, Adcock IM, Balbi B, Barnes PJ, Chung KF, Donner CF.
Decreased T lymphocyte infiltration in bronchial biopsies of subjects with
severe chronic obstructive pulmonary disease. Clin Exp Allergy 31, 2001:
893-902.
Atkinson JJ, Senior RM. Matrix metalloproteinase-9 in lung remodeling. Am
J Respir Cell Mol Biol 28, 2003: 12-24.
Kirkham PA, Spooner G, Ffoulkes-Jones C, Calvez R. Cigarette smoke
triggers macrophage adhesion and activation: role of lipid peroxidation
products and scavenger receptor. Free Radic Biol Med 35, 2003: 697-710.
Gottlieb DJ, Stone PJ, Sparrow D, Gale ME, Weiss ST, Snider GL,
O'Connor GT. Urinary desmosine excretion in smokers with and without
rapid decline of lung function: the Normative Aging Study. Am J Respir Crit
Care Med 154, 1996: 1290-1295.
Van de Lest CH, Versteeg EM, Veerkamp JH, Berden JH, van den Born J,
Heunks L, Lammers JW, van Herwaarden CL, Dekhuijzen PN, van
Kuppevelt TH. Altered composition of urinary heparan sulfate in patients
with COPD. Am J Respir Crit Care Med 154, 1996: 952-958.
Finlay GA, Russell KJ, McMahon KJ, D'Arcy EM, Masterson JB, FitzGerald
MX, O'Connor CM. Elevated levels of matrix metalloproteinases in
bronchoalveolar lavage fluid of emphysematous patients. Thorax 52, 1997:
502-506.
Van Straaten JF, Coers W, Noordhoek JA, Huitema S, Flipsen JT,
Kauffman HF, Timens W, Postma DS. Proteoglycan changes in the
extracellular matrix of lung tissue from patients with pulmonary
emphysema. Mod Pathol 12, 1999: 697-705.
Kranenburg AR, de Boer WI, van Krieken JH, Mooi WJ, Walters JE,
Saxena PR, Sterk PJ, Sharma HS. Enhanced expression of fibroblast
growth factors and receptor FGFR-1 during vascular remodeling in chronic
obstructive pulmonary disease. Am J Respir Cell Mol Biol 27, 2002: 517525.
31
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
Sekhon HS, Wright JL, Churg A. Cigarette smoke causes rapid cell
proliferation in small airways and associated pulmonary arteries. Am J
Physiol 267, 1994: L557-563.
Barbera JA, Peinado VI, Santos S. Pulmonary hypertension in COPD: old
and new concepts. Monaldi Arch Chest Dis 55, 2000: 445-449.
Wright JL, Lawson LM, Pare PD, Wiggs BJ, Kennedy S, Hogg JC.
Morphology of peripheral airways in current smokers and ex-smokers. Am
Rev Respir Dis 127, 1983: 474-477.
Kubo K, Ge RL, Koizumi T, Fujimoto K, Yamanda T, Haniuda M, Honda T.
Pulmonary artery remodeling modifies pulmonary hypertension during
exercise in severe emphysema. Respir Physiol 120, 2000: 71-79.
Cosio M, Ghezzo H, Hogg JC, Corbin R, Loveland M, Dosman J, et al. The
relations between structural changes in small airways and pulmonaryfunction tests. N Engl J Med 298, 1978: 1277-1281.
Kuwano K, Bosken CH, Pare PD, Bai TR, Wiggs BR, Hogg JC. Small
airways dimensions in asthma and in chronic obstructive pulmonary
disease. Am Rev Respir Dis 148, 1993: 1229-1225.
Chalmers GW, Macleod KJ, Sriram S, Thomson LJ, McSharry C, Stack
BH, Thomson NC. Sputum endothelin-1 is increased in cystic fibrosis and
chronic obstructive pulmonary disease. Eur Respir J 13, 1999: 1288-1292.
Roland M, Bhowmik A, Sapsford RJ, Seemungal TA, Jeffries DJ, Warner
TD, Wedzicha JA. Sputum and plasma endothelin-1 levels in
exacerbations of chronic obstructive pulmonary disease. Thorax 56, 2001:
30-35.
Presberg KW, Dincer HE. Pathophysiology of pulmonary hypertension due
to lung disease. Curr Opin Pulm Med 9, 2003: 131-138.
Fletcher C, Peto R. The natural history of chronic airflow obstruction. BMJ
1, 1977: 1645-1648.
Saetta M, Di Stefano A, Maestrelli P, Turato G, Ruggieri MP, Roggeri A,
Calcagni P, Mapp CE, Ciaccia A, Fabbri LM. Airway eosinophilia in chronic
bronchitis during exacerbations. Am J Respir Crit Care Med 150, 1994:
1646-1652.
Saetta M, Di Stefano A, Meastrelli P, Turato G, Mapp CE, Pieno M,
Zanguochi G, Del Prete G, Fabbri LM. Airway eosinophilia and expression
of interleukin-5 protein in asthma and in exacerbations of chronic
bronchitis. Clin Exp Allergy 26, 1996: 766-774.
Seemungal TA, Wedzicha JA. Viral infections in obstructive airway
diseases. Curr Opin Pulm Med 9, 2003: 111-116.
Miravitlles M. Exacerbations of chronic obstructive pulmonary disease:
when are bacteria important? Eur Respir J 36 Suppl, 2002: 9s-19s.
Roger P, Puchelle E, Bajolet-Laudinat O, Tournier JM, Debordeaux C,
Plotkowski MC, Cohen JH, Sheppard D, de Bentzmann S. Fibronectin and
51 integrin mediate binding of Pseudomonas aeruginosa to repairing
airway epithelium. Eur Respir J 13, 1999: 1301-1309.
Plotkowski MC, Costa AO, Morandi V, Barbosa HS, Nader HB, de
Bentzmann S, Puchelle E. Role of heparan sulphate proteoglycans as
potential receptors for non-piliated Pseudomonas aeruginosa adherence to
non-polarised airway epithelial cells. J Med Microbiol 50, 2002: 183-190.
32
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
Barbera JA, Roca J, Ferrer A, Felez MA, Diaz O, Roger N, et al.
Mechanisms of worsening gas exchange during acute exacerbations of
chronic obstructive pulmonary disease. Eur Respir J 10, 1997: 1285-1291.
Seemungal TA, Donaldson GC, Bhowmik A, Jeffries DJ, Wedzicha JA.
Time course and recovery of exacerbations in patients with chronic
obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 161, 2000:
1608-1613.
Schmidt GA, Hall JB. Acute or chronic respiratory failure. Assessment and
management of patients with COPD in the emergency setting. JAMA 261,
1989: 3444-3453.
Rodriguez-Roisin R. Pulmonary gas exchange in acute respiratory failure.
Eur J Anaesthesiol 11, 1994: 5-13.
Rahman I, MacNee W. Role of oxidants/antioxidants in smoking-induced
lung diseases. Free Radic Biol Med 21, 1996: 669-681.
Vernooy JH, Kucukaycan M, Jacobs JA, Chavannes NH, Buurman WA,
Dentener MA, Wouters EF. Local and systemic inflammation in patients
with chronic obstructive pulmonary disease: soluble tumor necrosis factor
receptors are increased in sputum. Am J Respir Crit Care Med 166, 2002:
1218-1224.
Reid PT, Sallenave JM. Cytokines in the pathogenesis of chronic
obstructive pulmonary disease. Curr Pharm Des 9, 2003: 25-38.
Nguyen LT, Bedu M, Caillaud D, Beaufrere B, Beaujon G, Vasson M,
Coudert J, Ritz P. Increased resting energy expenditure is related to
plasma TNF-alpha concentration in stable COPD patients. Clin Nutr 18,
1999: 269-274.
American Thoracic Society and European Respiratory Society. Skeletal
muscle dysfunction in chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir
Crit Care Med 159, 1999: S1-S40.
Langen RC, Korn SH, Wouters EF. ROS in the local and systemic
pathogenesis of COPD. Free Radic Biol Med 35, 2003: 226-235.
Croxton TL, Weinmann GG, Senior RM, Wise RA, Crapo JD, Buist AS.
Clinical research in chronic obstructive pulmonary disease. Needs and
opportunities. Am J Respir Crit Care Med 167, 2003: 1142–1149.
Barnes PJ. Therapy of chronic obstructive pulmonary disease. Pharmacol
Ther 97, 2003: 87-94.
Grootendorst DC, Rabe KF. Selective phosphodiesterase inhibitors for the
treatment of asthma and chronic obstructive pulmonary disease. Curr Opin
Allergy Clin Immunol 2, 2002: 61-67.
Paggiaro PL, Dahle R, Bakran I, Frith L, Hollingworth K, Efthimiou J.
Multicentre randomised placebo-controlled trial of inhaled fluticasone
propionate in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Lancet
351, 1998: 773-780.
Pauwels RA, Lofdahl CG, Laitinen LA, Schouten JP, Postma DS, Pride NB,
Ohlsson SV. Long-term treatment with inhaled budesonide in persons with
mild chronic obstructive pulmonary disease who continue smoking.
European Respiratory Society Study on Chronic Obstructive Pulmonary
Disease. N Engl J Med 340, 1999: 1948-1953.
Burge PS, Calverley PM, Jones PW, et al. Randomised, double-blind,
placebo-controlled study of fluticasone propionate in patients with
33
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
moderate to severe chronic obstructive pulmonary disease: the ISOLDE
trial. BMJ 320, 2000: 1297-1303.
Vestbo J, Sorensen T, Lange P, Brix A, Torre P, Viskum K. Long-term
effect of inhaled budesonide in mild and moderate chronic obstructive
pulmonary disease: a randomised controlled trial. Lancet 353, 1999: 18191823.
Sutherland ER, Allmers H, Ayas NT, Venn AJ, Martin RJ. Inhaled
corticosteroids reduce the progression of airflow limitation in chronic
obstructive pulmonary disease: a meta-analysis. Thorax 58, 2003: 937941.
Gizycki MJ, Hattotuwa KL, Barnes N, Jeffery PK. Effects of fluticasone
propionate on inflammatory cells in COPD: an ultrastructural examination
of endobronchial biopsy tissue. Thorax 57, 2002: 799-803.
Keatings VM, Collins PD, Scott DM, Barnes PJ. Differences in interleukin-8
and tumor necrosis factor-alpha in induced sputum from patients with
chronic obstructive pulmonary disease or asthma. Am J Respir Crit Care
Med 153,1996: 530-534.
Culpitt SV, Maziak W, Loukidis S, Nightingale JA, Matthews JL, Barnes PJ.
Effect of high dose inhaled steroid on cells, cytokines, and proteases in
induced sputum in chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit
Care Med 160, 1999: 1635-1639.
Payne DN, Adcock IM. Molecular mechanisms of corticosteroid actions.
Paediatr Respir Rev2, 2001: 145-150.
Ito K, Lim S, Caramori G, Cosio B, Chung KF, Adcock IM, Barnes PJ. A
molecular mechanism of action of theophylline: Induction of histone
deacetylase activity to decrease inflammatory gene expression. Proc Natl
Acad Sci USA 99, 2002: 8921-8926.
Rahman I. Oxidative stress, chromatin remodeling and gene transcription
in inflammation and chronic lung diseases. J Biochem Mol Biol 36, 2003:
95-109.
Carpani de Kaski M, Rentsch R, Levi S, et al. Corticosteroids reduce
regenerative repair of epithelium in experimental gastric ulcers. Gut 37,
1995: 613-616.
McEvoy CE, Niewoehner DE. Adverse effects of corticoid therapy for
COPD: a critical review. Chest 111, 1997: 732-743.
Beer HD, Fassler R, Werner S. Glucocorticoid-regulated gene expression
during cutaneous wound repair. Vitam Horm 59, 2000: 217-239.
Alsaeedi A, Sin DD, McAlister FA. The effects of inhaled corticosteroids in
chronic obstructive pulmonary disease: a systematic review of randomized
placebo-controlled trials. Am J Med 113, 2002: 59-65.
Donnelly LE, Rogers DF. Therapy for chronic obstructive pulmonary
disease in the 21st century. Drugs 63, 2003: 1973-1998.
Misischia RJ, Moreland LW. Rheumatoid arthritis: developing
pharmacological therapies. Expert Opin Investig Drugs 11, 2002: 927-935.
Sandborn WJ, Targan SR. Biologic therapy of inflammatory bowel disease.
Gastroenterology 122, 2002: 1592-1608.
Frankenberger M, Hauck RW, Frankenberger B, Haussinger K, Maier KL,
Heyder J, Ziegler-Heitbrock HW. All trans-retinoic acid selectively downregulates matrix metalloproteinase-9 (MMP-9) and up-regulates tissue
34
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
inhibitor of metalloproteinase-1 (TIMP-1) in human bronchoalveolar lavage
cells. Mol Med 7, 2001: 263-270.
Mao JT, Tashkin DP, Belloni PN, Baileyhealy I, Baratelli F, Roth MD. Alltrans Retinoic Acid Modulates the Balance of Matrix Metalloproteinase-9
and Tissue Inhibitor of Metalloproteinase-1 in Patients With Emphysema.
Chest 124, 2003: 1724-1732.
Rossing MA. Genetic influences on smoking: candidate genes. Environ
Health Perspect 106, 1998: 231-238.
Dagher A, Bleicher C, Aston JA, Gunn RN, Clarke PB, Cumming P.
Reduced dopamine D1 receptor binding in the ventral striatum of cigarette
smokers. Synapse 42, 2001: 48-53.
Yoshimasu K, Kiyohara C. Genetic influences on smoking behavior and
nicotine dependence: a review. J Epidemiol 13, 2003: 183-192.
Jorenby DE, Leischow SJ, Nides MA, Rennard SI, Johnston JA, Hughes
AR, et al. A controlled trial of sustained-release bupropion, a nicotine
patch, or both for smoking cessation. N Engl J Med 340, 1999: 685-691.
Lancaster T, Stead L, Silagy C, Sowden A. Effectiveness of interventions
to help people stop smoking: findings from the Cochrane Library. BMJ 321,
2000: 355-358.
Rutgers SR, Postma DS, ten Hacken NH, Kauffman HF, van der Mark TW,
Koeter GH, Timens W. Ongoing airway inflammation in patients with COPD
who do not currently smoke. Thorax 55, 2000: 12-18.
Wise RA, Kanner RE, Lindgren P, Connett JE, Altose MD, Enright PL,
Tashkin DP. The effect of smoking intervention and an inhaled
bronchodilator on airways reactivity in COPD: the Lung Health Study.
Chest 124, 2003: 449-458.
Connett JE, Murray RP, Buist AS, Wise RA, Bailey WC, Lindgren PG,
Owens GR. Changes in smoking status affect women more than men:
results of the Lung Health Study. Am J Epidemiol 157, 2003: 973-979.
Anthonisen NR, Connett JE, Murray RP. Smoking and lung function of
Lung Health Study participants after 11 years. Am J Respir Crit Care Med
166, 2002: 675-679.
Anderson GP, Bozinovski S. Acquired somatic mutations in the molecular
pathogenesis of COPD. Trends Pharmacol Sci 24, 2003: 71-76.
Global strategy for asthma management and prevention. National Institute
of Health, 2002. GINA website: http://www.ginasthma.com
Barnes KC. Evidence for common genetic elements in allergic disease. J
Allergy Clin Immunol 106 Suppl, 2000: S192-200.
Sears MR, Greene JM, Willan AR, Wiecek EM, Taylor DR, Flannery EM,
Cowan JO, Herbison GP, Silva PA, Poulton RA. longitudinal, populationbased, cohort study of childhood asthma followed to adulthood. N Engl J
Med 349, 2003: 1414-1422.
Rhodes HL, Thomas P, Sporik R, Holgate ST, Cogswell JJ. A birth cohort
study of subjects at risk of atopy: twenty-two-year follow-up of wheeze and
atopic status. Am J Respir Crit Care Med 165, 2002: 176-180.
Martinez FD. Links between pediatric and adult asthma. J Allergy Clin
Immunol 107 Suppl, 2001: S449-455.
Van den Toorn LM, Overbeek SE, Prins JB, Hoogsteden HC, de Jongste
JC. Asthma remission: does it exist? Curr Opin Pulm Med 9, 2003: 15-20.
35
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
Sears MR. Evolution of asthma through childhood. Clin Exp Allergy 28
Suppl 5, 1998: 82-89; discussion 90-91.
Van den Toorn LM, Overbeek SE, de Jongste JC, Leman K, Hoogsteden
HC, Prins JB. Airway inflammation is present during clinical remission of
atopic asthma. Am J Respir Crit Care Med 164, 2001: 2107-2113.
Gerritsen J. Follow-up studies of asthma from childhood to adulthood.
Paediatr Respir Rev 3, 2002: 184-192.
Gold DR. Environmental tobacco smoke, indoor allergens, and childhood
asthma. Environ Health Perspect 108 Suppl 4, 2000: 643-651.
Lau S, Illi S, Sommerfeld C, Niggemann B, Bergmann R, von Mutius E,
Wahn U. Early exposure to house-dust mite and cat allergens and
development of childhood asthma: a cohort study. Multicentre Allergy
Study Group. Lancet 356, 2000: 1392-1397.
Pearce N, Douwes J, Beasley R. Is allergen exposure the major primary
cause of asthma ? Thorax 55, 2000: 424-431.
Sunyer J, Torregrosa J, Anto JM, Menendez C, Acosta C, Schellenberg D,
et al. The association between atopy and asthma in a semirural area of
Tanzania (East Africa). Allergy 55, 2000: 762-766.
The European Community Respiratory Health Survey II. Eur Respir J 20,
2002: 1071-1079.
Kihlstrom A, Lilja G, Pershagen G, Hedlin G. Exposure to birch pollen in
infancy and development of atopic disease in childhood. J Allergy Clin
Immunol 110, 2002: 78-84.
Abramson M, Kutin JJ, Raven J, Lanigan A, Czarny D, Walters EH. Risk
factors for asthma among young adults in Melbourne, Australia.
Respirology 1, 1996:291-297.
Girgis ST, Marks GB, Downs SH, Kolbe A, Car GN, Paton R.
Thunderstorm-associated asthma in an inland town in south-eastern
Australia. Who is at risk? Eur Respir J 16, 2000: 3-8.
Taylor PE, Flagan RC, Valenta R, Glovsky MM. Release of allergens as
respirable aerosols: A link between grass pollen and asthma. J Allergy Clin
Immunol 109, 2002: 51-56.
Wark PA, Simpson J, Hensley MJ, Gibson PG. Airway inflammation in
thunderstorm asthma. Clin Exp Allergy 32, 2002: 1750-1756.
Sporik R, Holgate ST, Platts-Mills TA, Cogswell JJ. Exposure to housedust mite allergen (Der p I) and the development of asthma in childhood. A
prospective study. N Engl J Med 323, 1990: 502-507.
Carter PM, Peterson EL, Ownby DR, Zoratti EM, Johnson CC. Relationship
of house-dust mite allergen exposure in children's bedrooms in infancy to
bronchial hyperresponsiveness and asthma diagnosis by age 6 to 7. Ann
Allergy Asthma Immunol 90, 2003: 41-44.
Hesselmar B, Aberg N, Aberg B, Eriksson B, Bjorksten B. Does early
exposure to cat or dog protect against later allergy development? Clin Exp
Allergy 29, 1999: 611-617.
Riedler J, Eder W, Oberfeld G, Schreuer M. Austrian children living on a
farm have less hay fever, asthma and alleric sensitization. Clin Exp Allergy
30, 2000: 194-200.
Von Mutius E. Environmental factors influencing the development and
progression of pediatric asthma. J Allergy Clin Immunol 109 Suppl, 2002:
S525-532.
36
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
Johnson CC, Alford SH. Do animals on the farm and in the home reduce
the risk of pediatric atopy? Curr Opin Allergy Clin Immunol 2, 2002: 133139.
Braun-Fahrlander C. Environmental exposure to endotoxin and other
microbial products and the decreased risk of childhood atopy: evaluating
developments since April 2002. Curr Opin Allergy Clin Immunol 3, 2003:
325-329.
Alp H, Yu BH, Grant EN, Rao V, Moy JN. Cockroach allergy appears early
in life in inner-city children with recurrent wheezing. Ann Allergy Asthma
Immunol 86, 2001: 51-54.
Litonjua AA, Carey VJ, Burge HA, Weiss ST, Gold DR. Exposure to
cockroach allergen in the home is associated with incident doctordiagnosed asthma and recurrent wheezing. J Allergy Clin Immunol 107,
2001: 41-47.
Akerman M, Valentine-Maher S, Rao M, Taningco G, Khan R, Tuysugoglu
G, Joks R. Allergen sensitivity and asthma severity at an inner city asthma
center. J Asthma 40, 2003: 55-62.
Burge HA, Rogers CA. Outdoor allergens. Environ Health Perspect 108
Suppl 4, 2000: 653-659.
Bush RK, Portnoy JM. The role and abatement of fungal allergens in
allergic diseases. J Allergy Clin Immunol 107 Suppl, 2001: S430-440.
Kauffman HF. Interaction of environmental allergens with airway epithelium
as a key component of asthma. Curr Allergy Asthma Rep 3, 2003: 101108.
Custovic A, Simpson A, Pahdi H, Green RM, Chapman MD, Woodcock A.
Distribution, aerodynamic characteristics, and removal of the major cat
allergen Fel d 1 in British homes. Thorax 53, 1998: 33-38.
Platts-Mills T, Vaughan J, Squillace S, Woodfolk J, Sporik R. Sensitisation,
asthma, and a modified Th2 response in children exposed to cat allergen:
a population-based cross-sectional study. Lancet 357, 2001: 752-756.
Svanes C, Heinrich J, Jarvis D, Chinn S, Omenaas E, Gulsvik A, Kunzli N,
Burney P. Pet-keeping in childhood and adult asthma and hay fever:
European community respiratory health survey. J Allergy Clin Immunol
112, 2003: 289-300.
Koenig JQ. Air pollution and asthma. J Allergy Clin Immunol 104, 1999:
717-722.
Polosa R, Salvi S, Di Maria GU. Allergic susceptibility associated with
diesel exhaust particle exposure: clear as mud. Arch Environ Health 57,
2002: 188-193.
Shima M, Nitta Y, Ando M, Adachi M. Effects of air pollution on the
prevalence and incidence of asthma in children. Arch Environ Health 57,
2002: 529-535.
Belanger K, Beckett W, Triche E, Bracken MB, Holford T, Ren P, McSharry
J, E, Gold DR, Platts-Mills TA, Leaderer BP. Symptoms of wheeze and
persistent cough in the first year of life: associations with indoor allergens,
air contaminants, and maternal history of asthma. Am J Epidemiol 158,
2003: 195-202.
Gent JF, Triche EW, Holford TR, Belanger K, Bracken MB, Beckett WS,
Leaderer BP. Association of low-level ozone and fine particles with
37
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
respiratory symptoms in children with asthma. JAMA 290, 2003: 18591867.
Von Mutius E, Fritzsch C, Weiland SK, Roll G, Magnussen H. Prevalence
of asthma and allergic disorders among children in united Germany: a
descriptive comparison. BMJ 305, 1992: 1395-1399.
Von Mutius E. The rising trends in asthma and allergic disease. Clin Exp
Allergy 28 Suppl 5, 1998: 45-49; discussion 50-51.
Spector SL, Surette ME. Diet and asthma: has the role of dietary lipids
been overlooked in the management of asthma? Ann Allergy Asthma
Immunol 90, 2003: 371-377.
Pandya RJ, Solomon G, Kinner A, Balmes JR. Diesel exhaust and asthma:
hypotheses and molecular mechanisms of action. Environ Health Perspect
110 Suppl 1, 2002: 103-112.
Knox RB, Suphioglu C, Taylor P, Desai R, Watson HC, Peng JL, Bursill LA.
Major grass pollen allergen Lol p 1 binds to diesel exhaust particles:
implications for asthma and air pollution. Clin Exp Allergy 27, 1997: 246251.
Nel AE, Diaz-Sanchez D, Ng D, Hiura T, Saxon A. Enhancement of allergic
inflammation by the interaction between diesel exhaust particles and the
immune system. J Allergy Clin Immunol 102, 1998: 539-554.
Rumchev KB, Spickett JT, Bulsara MK, Phillips MR, Stick SM. Domestic
exposure to formaldehyde significantly increases the risk of asthma in
young children. Eur Respir J 20, 2002: 403-408.
Arif AA, Delclos GL, Lee ES, Tortolero SR, Whitehead LW. Prevalence and
risk factors of asthma and wheezing among US adults: an analysis of the
NHANES III data. Eur Respir J 21, 2003: 827-833.
Mishra V. Effect of indoor air pollution from biomass combustion on
prevalence of asthma in the elderly. Environ Health Perspect 111, 2003:
71- 78.
Apostol GG, Jacobs DR Jr, Tsai AW, Crow RS, Williams OD, Townsend
MC, Beckett WS. Early life factors contribute to the decrease in lung
function between ages 18 and 40: the Coronary Artery Risk Development
in Young Adults study. Am J Respir Crit Care Med 166, 2002: 166-172.
Siroux V, Pin I, Oryszczyn MP, Le Moual N, Kauffman F. Relationships of
active smoking to asthma and asthma severity in the EGEA study.
Epidemoilogical study on the genetics and environment of asthma. Eur
Respir J 15, 2000: 470-477.
Lombardo LJ, Balmes JR. Occupational asthma: a review. Environ Health
Perspect 108 Suppl 4, 2000: 697-704.
Bush RK, Stave GM. Laboratory animal allergy: an update. ILAR J 44,
2003: 28-51.
Ott MG, Diller WF, Jolly AT. Respiratory effects of toluene diisocyanate in
the workplace: a discussion of exposure-response relationships. Crit Rev
Toxicol 33, 2003: 1-59.
Walker B Jr, Stokes LD, Warren R. Environmental factors associated with
asthma. J Natl Med Assoc 95, 2003: 152-166.
Zucker-Pinchoff B, Stadtmauer GJ. Latex allergy. Mt Sinai J Med 69, 2002:
88- 95.
Kim YK, Kim YY. Spider-mite allergy and asthma in fruit growers. Curr
Opin Allergy Clin Immunol 2, 2002: 103-107.
38
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
Gern JE. Viral and bacterial infections in the development and progression
of asthma. J Allergy Clin Immunol 105, 2000: S497-502.
Johnston SL. Viruses and asthma. Allergy 53, 1998: 922-932.
Lemanske RF Jr. Issues in understanding pediatric asthma: epidemiology
and genetics. J Allergy Clin Immunol 109 Suppl, 2002: S521-524.
Gern JE. Rhinovirus respiratory infections and asthma. Am J Med 112
Suppl 6A, 2002: 19S-27S.
Illi S, von Mutius E, Lau S, Bergmann R, Niggemann B, Sommerfeld C,
Wahn U. Early childhood infectious diseases and the development of
asthma up to school age: a birth cohort study. BMJ 322, 2001: 390-395.
Martinez FD. Respiratory syncytial virus bronchiolitis and the pathogenesis
of childhood asthma. Pediatr Infect Dis J 22 Suppl, 2003: S76-82.
Esposito S, Blasi F, Arosio C, Fioravanti L, Fagetti L, Droghetti R, Tarsia P,
Allegra L, Principi N. Importance of acute Mycoplasma pneumoniae and
Chlamydia pneumoniae infections in children with wheezing. Eur Respir J
16, 2000: 1142-1146.
Ten Brinke A, van Dissel JT, Sterk PJ, Zwinderman AH, Rabe KF, Bel EH.
Persistent airflow limitation in adult-onset nonatopic asthma is associated
with serologic evidence of Chlamydia pneumoniae infection. J Allergy Clin
Immunol 107, 2001: 449-454.
Thumurelle C, Deschildre A, Bouquillon C, Santos C, Sardet A, Scalbert M,
Delbecque L, Debray P, Dewilde A, Turck D, Leclerc F. Role of viruses and
atypical bacteria in exacerbations of asthma in hospitalized children: a
prospective study in the Nord-Pas de Calais region (France). Pediatr
Pulmonol 35, 2003: 75-82.
Huittinen T, Hahn D, Anttila T, Wahlstrom E, Saikku P, Leinonen M. Host
immune response to Chlamydia pneumoniae heat shock protein 60 is
associated with asthma. Eur Respir J 17, 2001: 1078-1082.
Martin RJ, Kraft M, Chu HW, Berns EA, Cassell GH. A link between
chronic asthma and chronic infection. J Allergy Clin Immunol 107, 2001:
595-601.
Mills GD, Lindeman JA, Fawcett JP, Herbison GP, Sears MR. Chlamydia
pneumoniae serological status is not associated with asthma in children or
young adults. Int J Epidemiol 29, 2000: 280-284.
Von HL, Vasankari T, Liippo K, Wahlstrom E, Puolakkainen M. Chlamydia
pneumoniae and severity of asthma. Scand J Infect Dis 34, 2002: 22-27.
Kraft M. The role of bacterial infections in asthma. Clin Chest Med 21,
2000: 301-313.
Scrivener S, Yemaneberhan H, Zebenigus M, Tilahun D, Girma S, Ali S,
McElroy P, Custovic A, Woodcock A, Pritchard D, Venn A, Britton J.
Independent effects of intestinal parasite infection and domestic allergen
exposure on risk of wheeze in Ethiopia: a nested case-control study.
Lancet 358, 2001: 1493-1499.
Sunyer J, Mendendez C, Ventura PJ, Aponte JJ, Schellenberg D, Kahigwa
E, Acosta C, Anto JM, Alonso PL. Prenatal risk factors of wheezing at the
age of four years in Tanzania. Thorax 56, 2001: 290-295.
Sharghi N, Schantz PM, Caramico L, Ballas K, Teague BA, Hotez PJ.
Environmental exposure to Toxocara as a possible risk factor for asthma: a
clinic-based case-control study. Clin Infect Dis 32, 2001: E111-116.
39
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
236
237
238
Buijs J, Borsboom G, Renting M, Hilgersom WJ, van Wieringen JC, Jansen
G, Neijens J. Relationship between allergic manifestations and Toxocara
seropositivity: a cross-sectional study among elementary school children.
Eur Respir J 10, 1997: 1467-1475.
Dagoye D, Bekele Z, Woldemichael K, Nida H, Yimam M, Hall A, Venn AJ,
Britton JR, Hubbard R, Lewis SA. Wheezing, allergy, and parasite infection
in children in urban and rural Ethiopia. Am J Respir Crit Care Med 167,
2003: 1369-1673.
Strachan DP. Hay fever, hygiene, and household size. BMJ 1989;299:
1259-1260.
Holt PG, Yabuhara A, Prescott S, Venaille T, Macaubas C, Holt BJ,
Bjorksten B, Sly PD. Allergen recognition in the origin of asthma. Ciba
Found Symp 206, 1997: 35-49; discussion 49-55, 106-110.
Braun-Fahrlander C, Riedler J, Herz U, Eder W, Waser M, Grize L, Maisch
S, Carr D, Gerlach F, Bufe A, Lauener RP, Schierl R, Renz H, Nowak D,
von Mutius E. Environmental exposure to endotoxin and its relation to
asthma in school-age children. N Engl J Med 347, 2002: 869-877.
Weiss, S. T. Eat dirt - the hygiene hypothesis and allergic diseases. N Engl
J Med 347, 2002: 930-931.
DeStefano F, Gu D, Kramarz P, Truman BI, Iademarco MF, Mullooly JP,
Jackson LA, Davis RL, Black SB, Shinefield HR, Marcy SM, Ward JI, Chen
RT. Childhood vaccinations and risk of asthma. Pediatr Infect Dis J 21,
2002: 498-504.
Woods RK, Thien FC, Abramson MJ. Dietary marine fatty acids (fish oil) for
asthma in adults and children. Cochrane Database Syst Rev 3, 2002:
CD001283.
Wijga AH, Smit HA, Kerkhof M, de Jongste JC, Gerritsen J, Neijens HJ,
Boshuizen HC, Brunekreef B. Association of consumption of products
containing milk fat with reduced asthma risk in pre-school children: the
PIAMA birth cohort study. Thorax 58, 2003: 567-572.
Armentia A, Lombardero M, Blanco C, Barber D, Callejo A, Martinez C,
Vega JM, Toribio I. Occupational asthma to grain pests. Allergy 58, 2003:
85-86.
Armentia A, Rodriguez R, Callejo A, Martin-Esteban M, Martin-Santos JM,
Salcedo G, Pascual C, Sanchez-Monge R, Pardo M. Allergy after ingestion
or inhalation of cereals involves similar allergens in different ages. Clin Exp
Allergy 32, 2002: 1216-1222.
Devereux G, Barker RN, Seaton A. Antenatal determinants of neonatal
immune responses to allergens. Clin Exp Allergy 32, 2002: 43-50.
Knekt P, Kumpulainen J, Jarvinen R, Rissanen H, Heliovaara M,
Reunanen A, Hakulinen T, Aromaa A. Flavonoid intake and risk of chronic
diseases. Am J Clin Nutr 76, 2002: 560-568.
Gaynes BI, Fiscella R. Topical nonsteroidal anti-inflammatory drugs for
ophthalmic use: a safety review. Drug Saf 25, 2002: 233-250.
Shaheen SO, Newson RB, Sherriff A, Henderson AJ, Heron JE, Burney
PG, Golding J. Paracetamol use in pregnancy and wheezing in early
childhood. Thorax 57, 2002: 958-963.
Lauterburg BH. Analgesics and glutathione. Am J Ther 9, 2002: 225-233.
40
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
Leynaert B, Neukirch F, Demoly P, Bousquet J. Epidemiologic evidence for
asthma and rhinitis comorbidity. J Allergy Clin Immunol 106 Suppl, 2000:
S201-205.
Voegels RL, Santoro P, Butugan O, Formigoni LG. Nasal polyposis and
allergy: is there a correlation? Am J Rhinol 15, 2001: 9-14.
Cookson W. Genetics and genomics of asthma and allergic diseases.
Immunol Rev 190, 2002: 195-206.
Howard TD, Postma DS, Jongepier H, Moore WC, Koppelman GH, Zheng
SL, Xu J, Bleecker ER, Meyers DA. Association of a disintegrin and
metalloprotease 33 (ADAM33) gene with asthma in ethnically diverse
populations. J Allergy Clin Immunol 112, 2003: 717-722.
Marsh DG, Meyers DA, Bias WB. The epidemiology and genetics of atopic
allergy. N Engl J Med 305, 1981: 1551-1559.
Young RP, Dekker JW, Wordsworth BP, Cookson WOCM, HLA-DR, HLADP genotypes and immunoglobulin E responses to common major
allergens. Clin Exp Allergy 24, 1994: 431-439.
Moffatt MF, et al. Genetic linkage of T cell receptor / complex to specific
IgE responses. Lancet 343, 1994: 1597-1600.
Hill MR, et al. Fc- RI- polymorfism and risk of atopy in a general
population sample. Br Med J 311, 1995: 776-779.
Van Herwerden L, et al. Linkage of high affinity IgE receptor gene with
bronchial hyperreactivity, even in absence of atopy. Lancet 346, 1995:
1262-1265.
Shirakawa T, et al. Association between atopic asthma and a coding
variant of Fc- RI- in a Japanese population. Hum Mol Genet 5, 1996:
1129-1130.
Donnadieu E, Cookson WO, Jouvin MH, Kinet JP. Allergy-associated
polymorphisms of the FcRI subunit do not impact its two amplification
functions. J Immunol 165, 2000: 3917-3922.
Van der Pouw-Kraan TC, et al. An IL-13 promoter polymorfism associated
with increased risk of allergic asthma. Genes Immun 1, 1999: 61-65.
Graves PE, et al, A cluster of seven tightly linked polymorphisms in the IL13 gene is associated with total serum IgE levels in three populations of
white children. J Allergy Clin Immunol 105, 2000: 506-513.
Howard T, et al. Identification and association of polymorphisms in the
interleukin-13 gene with asthma and atopy in a Dutch population. Am J
Respir Cell Mol Biol 25, 2001: 377-384.
Noguchi E, et al. Haplotypes of the 5‟ region of the IL-4 gene and SNPs in
the intergene sequence between the IL-4 and IL-13 genes are associated
with atopic asthma. Hum Immunol 62, 2001: 1251-1257.
Koppelman GH, Reijmerink NE, Colin Stine O, Howard TD, Whittaker PA,
Meyers DA, Postma DS, Bleecker ER. Association of a promoter
polymorphism of the CD14 gene and atopy. Am J Respir Crit Care Med
163, 2001: 965-969.
Van Eerdewegh P, et al. Association of the ADAM33 gene with asthma and
bronchial hyperresponsiveness. Nature 418, 2002: 426-430.
Millichip MI, Dallas DJ, Wu E, Dale S, McKie N. The metallo-disintegrin
ADAM10 (MADM) from bovine kidney has type IV collagenase activity in
vitro. Biochem Biophys Res Commun 245, 1998: 594-598.
41
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
Davies DE, Wicks J, Powell RM, Puddicombe SM, Holgate ST. Airway
remodeling in asthma: new insights. J Allergy Clin Immunol 111, 2003:
215-225.
Powell RM, Hamilton LM, Holgate ST, Davies DE, Holloway JW. ADAM33:
a novel therapeutic target for asthma. Expert Opin Ther Targets 7, 2003:
485-494.
Srivastava P, Helms PJ, Stewart D, Main M, Russell G. Association of
CCR532 with reduced risk of childhood but not adult asthma. Thorax 58,
2003: 222-226.
Mansfield J, et al. Novel genetic association between ulcerative colitis and
the anti-intflammatory cytokine interleukin-1 receptor antagonist.
Gastroenterology 106, 1994: 637-642.
Hardwick L, et al. Genetic mapping of susceptibility loci in the genes
involved in rheumatoid arthritis. J Rheumatol 24, 1997: 197-198.
Nakagawa Y, et al. Fine mapping of the diabetes-susceptibility locus,
IDDM4, on chromosome 11q13. Am J Hum Genet 63, 1998:547–556.
Burke W, Fesinmeyer M, Reed K, Hampson L, Carlsten C. Family history
as a predictor of asthma risk. Am J Prev Med 24, 2003: 160-169.
Todokoro M, Mochizuki H, Tokuyama K, Morikawa A. Childhood cough
variant asthma and its relationship to classic asthma. Ann Allergy Asthma
Immunol 90, 2003: 652-659.
Sin DD, Jones RL, Man SF. Obesity is a risk factor for dyspnea but not for
airflow obstruction. Arch Intern Med 162, 2002: 1477-1481.
Schachter LM, Salome CM, Peat JK, Woolcock AJ. Obesity is a risk for
asthma and wheeze but not airway hyperresponsiveness. Thorax 56, 2001:
4-8.
Chinn S. Obesity and asthma: evidence for and against a causal relation. J
Asthma 40, 2003: 1-16.
Schachter LM, Peat JK, Salome CM. Asthma and atopy in overweight
children. Thorax 58, 2003: 1031-1035.
Shaheen SO, Sterne JA, Montgomery SM, Azima H. Birth weight, body
mass index and asthma in young adults. Thorax 54, 1999: 396-402.
Sherrill D, Sears MR, Lebowitz MD, Holdaway MD, Hewitt CJ, Flannery
EM, et al. The effects of airway hyperresponsiveness, wheezing, and atopy
on longitudinal pulmonary function in children: a 6-year follow-up study.
Pediatr Pulmonol 13, 1992:78-85.
Xuan W, Peat JK, Toelle BG, Marks GB, Berry G, Woolcock AJ. Lung
function growth and its relation to airway hyperresponsiveness and recent
wheeze. Results from a longitudinal population study. Am J Respir Crit
Care Med 161, 2000: 1820-1824.
Sontag SJ. Gastroesophageal reflux and asthma. Am J Med 103, 1997:
84S-90S.
Jain A, Patwari AK, Bajaj P, Kashyap R, Anand VK. Association of
gastroesophageal reflux disease in young children with persistent
respiratory symptoms. J Trop Pediatr 48, 2002: 39-42.
Mathew JL, et al. Gastroesophageal reflux prevalent in children with
bronchial asthma. Annual congress ACAAI, New Orleans, 2003.
Harding SM. Gastroesophageal reflux, asthma, and mechanisms of
interaction. Am J Med 111 Suppl 8A, 2001: 8S-12S.
42
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
Ricciardiolo FL. Mechanisms of citric acid-induced bronchoconstriction. Am
J Med 111 Suppl 8A, 2001: 18S-24S.
Jeffery P. Inflammation and remodeling in the adult and child with asthma.
Pediatr Pulmonol Suppl 21, 2001: 3-16.
Vignola AM, Mirabella F, Costanzo G, Di Giorgi R, Gjomarkaj M, Bellia V,
Bonsignore G. Airway remodeling in asthma. Chest 123 Suppl, 2003:
417S-422S.
Sur S, Crotty TB, Kephart GM, Hyma BA, Colby TV, Reed CE, et al.
Sudden-onset fatal asthma. A distinct entity with few eosinophilis and
relatively more neutrophils in the airway submucosa? Am Rev Respir Dis
148, 1993:713-719.
Wenzel SE, Szefler SJ, Leung DY, Sloan SI, Rex MD, Martin RJ.
Bronchoscopic evaluation of severe asthma. Persistent inflammation
associated with high dose glucocorticoids. Am J Respir Crit Care Med 156,
1997: 737-743.
Djukanovic R. Asthma: A disease of inflammation and repair. J Allergy Clin
Immunol 105, 2000: S522-526.
Lambrecht BN, Hammad H. Taking our breath away: dendritic cells in the
pathogenesis of asthma. Nat Rev Immunol 3, 2003: 994-1003.
Herrick CA, Bottomly K. To respond or not to respond: T cells in allergic
asthma. Nat Rev Immunol 3, 2003: 405-412.
Panina-Bordignon P, D'Ambrosio D. Chemokines and their receptors in
asthma and chronic obstructive pulmonary disease. Curr Opin Pulm Med 9,
2003: 104-110.
Wilson JW, Bamford TL. Assessing the evidence for remodelling of the
airway in asthma. Pulm Pharmacol Ther 14, 2001: 229-247.
Baldwin L, Roche WR. Does remodelling of the airway wall precede
asthma? Paediatr Respir Rev 3, 2002: 315-320.
Wan H, Winton HL, Soeller C, Tovey ER, Gruenert DC, Thompson PJ,
Stewart GA, Taylor GW, Garrod DR, Cannell MB, Robinson C. Der p 1
facilitates transepithelial allergen delivery by disruption of tight junctions. J
Clin Invest 104, 1999: 123-133.
Page S, Ammit AJ, Black JL, Armour CL. Human mast cell and airway
smooth muscle cell interactions: implications for asthma. Am J Physiol 281,
2001: L1313-1323.
Sterk PJ. Airway hyperresponsiveness: using bronchial challenge tests in
research and management of asthma. J Aerosol Med 15, 2002: 123-129.
Avital A, Springer C, Bar-Yishay E, Godfrey S. Adenosine, methacholine,
and exercise challenges in children with asthma or paediatric chronic
obstructive pulmonary disease. Thorax 50, 1995: 511-516.
Subbarao P, Brannan JD, Ho B, Anderson SD, Chan HK, Coates AL.
Inhaled mannitol identifies methacholine-responsive children with active
asthma. Pediatr Pulmonol 29, 2000: 291-298.
Holgate S. Mediator and cytokine mechanisms in asthma. Thorax 48,
1993: 103-109.
Janssens JP, Pache JC, Nicod LP. Physiological changes in respiratory
function associated with ageing. Eur Respir J 13, 1999: 197-205.
Enright PL. The diagnosis and management of asthma is much tougher in
older patients. Curr Opin Allergy Clin Immunol 2, 2002: 175-181.
43
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
Weiner P, Magadle R, Waizman J, Weiner M, Rabner M, Zamir D.
Characteristics of asthma in the elderly. Eur Respir J 12, 1998: 564-568.
Pauwels RA, Pedersen S, Busse WW, Tan WC, Chen YZ, Ohlsson SV,
Ullman A, Lamm CJ, O'Byrne PM. Early intervention with budesonide in
mild persistent asthma: a randomised, double-blind trial. Lancet 361, 2003:
1071-1076.
Bisgaard H. Leukotriene modifiers in pediatric asthma management.
Pediatrics 107, 2001: 381-390.
Stelmach I, Gorski P, Jerzynska J, Stelmach W, Majak P, Kuna PA.
Randomized, double-blind trial of the effect of treatment with formoterol on
clinical and inflammatory parameters of asthma in children. Ann Allergy
Asthma Immunol 89, 2002: 67-73.
Wallin A, Sandstrom T, Cioppa GD, Holgate S, Wilson S. The effects of
regular inhaled formoterol and budesonide on preformed Th-2 cytokines in
mild asthmatics. Respir Med 96, 2002: 1021-1025.
Sears MR. Adverse effects of beta-agonists. J Allergy Clin Immunol 110
Suppl, 2002: S322-S328.
Beasley R, Pearce N, Crane J, Burgess C. Beta-agonists: what is the
evidence that their use increases the risk of asthma morbidity and
mortality? J Allergy Clin Immunol 104, 1999: S18-30.
Orsida BE, Ward C, Li X, Bish R, Wilson JW, Thien F, Walters EH. Effect
of a long-acting beta2-agonist over three months on airway wall vascular
remodeling in asthma. Am J Respir Crit Care Med 164, 2001: 117-121.
Ram F. Comparison between montelukast and corticosteroid with and
without ß-agonist. Cochrane Database Syst Rev, in press
Corren J, Casale T, Deniz Y, Ashby M. Omalizumab, a recombinant
humanized anti-IgE antibody, reduces asthma-related emergency room
visits and hospitalizations in patients with allergic asthma. J Allergy Clin
Immunol 111, 2003: 87-90.
Finn A, Gross G, van Bavel J, Lee T, Windom H, Everhard F, FowlerTaylor A, Liu J, Gupta N. Omalizumab improves asthma-related quality of
life in patients with severe allergic asthma. J Allergy Clin Immunol 111,
2003: 278-284.
Walker S, Monteil M, Phelan K, Lasserson TJ, Walters EH. Anti-IgE for
chronic asthma. Cochrane Database Syst Rev 3, 2003: CD003559.
Hart TK, Blackburn MN, Brigham-Burke M, Dede K, Al-Mahdi N, ZiaAmirhosseini P, Cook RM. Preclinical efficacy and safety of pascolizumab
(SB 240683): a humanized anti-interleukin-4 antibody with therapeutic
potential in asthma. Clin Exp Immunol 130, 2002: 93-100.
Leckie MJ, ten Brinke A, Khan J, Diamant Z, O'Connor BJ, Walls CM,
Mathur AK, Cowley HC, Chung KF, Djukanovic R, Hansel TT, Holgate ST,
Sterk PJ, Barnes PJ. Effects of an interleukin-5 blocking monoclonal
antibody on eosinophils, airway hyper-responsiveness, and the late
asthmatic response. Lancet 356, 2000: 2144-2148.
Menzies-Gow A, Flood-Page P, Sehmi R, Burman J, Hamid Q, Robinson
DS, Kay AB, Denburg J. Anti-IL-5 (mepolizumab) therapy induces bone
marrow eosinophil maturational arrest and decreases eosinophil
progenitors in the bronchial mucosa of atopic asthmatics. J Allergy Clin
Immunol 111, 2003: 714-719.
44
310
311
312
313
314
315
316
317
318
Kips JC, O'Connor BJ, Langley SJ, Woodcock A, Kerstjens HA, Postma
DS, Danzig M, Cuss F, Pauwels RA. Effect of SCH55700, a humanized
anti-human interleukin-5 antibody, in severe persistent asthma: a pilot
study. Am J Respir Crit Care Med 167, 2003: 1655-1659.
Flood-Page P, Menzies-Gow A, Phipps S, Ying S, Wangoo A, Ludwig MS,
Barnes N, Robinson D, Kay AB. Anti-IL-5 treatment reduces deposition of
ECM proteins in the bronchial subepithelial basement membrane of mild
atopic asthmatics. J Clin Invest112, 2003: 1029-1036.
Hsieh KH. Evaluation of efficacy of traditional Chinese medicines in the
treatment of childhood bronchial asthma: clinical trial, immunological tests
and animal study. Taiwan Asthma Study Group. Pediatr Allergy Immunol 7,
1996: 130-140.
White A, Slade P, Hunt C, Hart A, Ernst E. Individualised homeopathy as
an adjunct in the treatment of childhood asthma: a randomised placebo
controlled trial. Thorax 58, 2003: 317-321.
Szelenyi I, Brune K. Unconventional therapies in asthma. Drugs Today 37,
2001: 651-664.
Lanski SL, Greenwald M, Perkins A, Simon HK. Herbal therapy use in a
pediatric emergency department population: expect the unexpected.
Pediatrics 111, 2003:981-985.
Rijssenbeek-Nouwens LH, Oosting AJ, De Monchy JG, Bregman I, Postma
DS, De Bruin-Weller MS. The effect of anti-allergic mattress encasings on
house dust mite-induced early- and late-airway reactions in asthmatic
patients. A double-blind, placebo-controlled study. Clin Exp Allergy 32,
2002: 117-125.
Croxton TL, Weinmann GG, Senior RM, Hoidal JR. Future research
directions in chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care
Med 165, 2002: 838-844.
Hallsworth MP, Major PJ, Barnes J, Lee TH. What are the priorities in basic
asthma research? A United Kingdom perspective. J Allergy Clin Immunol
111, 2003: 251-255.
45
Download