AUTEURTOOL BENODIGD

advertisement
Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
Inleiding
Opdracht 1
a Een standensamenleving is onderverdeeld in drie standen: geestelijken, adel en burgers.
b Een kleine bovenlaag van rijke burgers maakten de dienst uit.
c afkomst
d De standensamenleving brokkelde op lange termijn af toen burgers op economisch gebied steeds belangrijker werden en
ook politieke macht opeisten.
Opdracht 2
a Een statenbond is een land met grote zelfstandigheid voor de afzonderlijke delen. In een bondsstaat is de zelfstandigheid
verkleind. In een eenheidsstaat is het gezag centraal geregeld.
b Van oudsher hadden de Nederlandse gewesten een grote zelfstandigheid. Ze bezaten privileges op allerlei rechtsgebieden.
Karel V en Filips II wilden met hun centralisatiepolitiek de macht van de gewesten verkleinen. Daarom kwamen de gewesten
in opstand. Het resultaat was in 1648 een statenbond, een staat waarbinnen elk gewest grote zelfstandigheid behield.
c Een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Ons land wordt bestuurd vanuit Den Haag, maar provincies en gemeenten mogen
typische provinciale of gemeentelijke zaken zelf regelen.
d De EU is vergelijkbaar met een statenbond. Soevereine staten hebben zich verenigd in een los samenwerkingsverband.
Opdracht 3
Ons land was als republiek een buitenbeentje. Hoe klein ook, de Republiek was militair en economisch een machtig land.
Bovendien was de Republiek rijk.
Opdracht 4
A - In de Republiek hadden handelaren veel invloed
C – De gewesten waren voor een groot deel zelfstandig en bepaalden hun eigen regels.
Opdracht 5
Het is een groot schilderij van 103 bij 159 centimeter. Alle aandacht gaat uit naar Lodewijk op zijn paard. Het doek laat de
winnende legers van Lodewijk XIV zien. Een schilder die aan de kant van de Nederlanders stond, zou een ander onderwerp
kiezen. Van der Meulen was als hofschilder in dienst van de Franse koning. Het doek had een propagandistische functie.
Paragraaf 1
Opdracht 1
Een staat met een eigen regering kan vrij snel worden gesticht. Of de mensen op het grondgebied zich ook één volk gaan
voelen dat bij dat grondgebied hoort, is een zaak van lange adem.
Opdracht 2
a De gevelsteen komt uit de Gouden Eeuw. Volgens de eigenaar van het pand, moet een handelaar eerst investeren om later
winst te kunnen maken. In de middeleeuwen werd het winststreven als zondig gezien. Niemand zou er zo mee te koop lopen.
b Niet veranderd: winststreven, onderlinge concurrentie, lage lonen. Wel veranderd: lage investeringen in duurzame
productiemiddelen.
c Het monopolie schakelde de vrije concurrentie uit.
Opdracht 3
De VOC had grote belangstelling voor de specerijen van de Banda-eilanden en sloot zoals gewoonlijk contracten af om de
gemaakte afspraken vast te leggen. Tot verbazing van de Hollanders waren de Bandanezen niet erg trouw en braken zij de
gemaakte afspraken bij herhaling. De Bandanezen pleegden contractbreuk en waren daarom vals, trouweloos en bedrieglijk.
Voor de Bandanezen had een contract slechts een tijdelijk karakter. De Bandanezen wilden zich niet blijvend binden aan één
handelspartner. Als de prijzen die zij ontvingen voor specerijen daalden, kwam hun import van primaire levensbenodigdheden
in gevaar. Zo gauw een contract niet meer in hun voordeel werkte, gingen zij een verbintenis aan met een ander.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
1
Opdracht 4
Een onbedoeld gevolg.
Opdracht 5
a De VOC mocht verdragen sluiten met vorsten en mocht zelfstandig een oorlog beginnen.
b Wij zouden een privé-onderneming nooit staatsrechtelijke bevoegdheden geven, die behoren uitsluitend toe aan de staat.
In de zeventiende eeuw zag men dat anders. Vanuit praktisch oogpunt moest de VOC die bevoegdheden wel hebben. Dit
bedrijf moest op grote afstand een kolonie besturen. Iedere opdracht uit Nederland kwam pas na vele maanden in Azië aan.
Opdracht 6
a Deshima (Japan) = 10; Nederlands-Indië = 8; Ceylon (Sri Lanka) = 7; Antillen = 2; Malakka (Maleisië) = 9; Nieuw
Amsterdam (New York) = 1; Brazilië = 4; Kaapkolonie = 5; Suriname = 3; Coromandel en Malabar (India) = 6.
Opdracht 7
a Om meer te verkopen dan een ander, worden de verkoopprijzen verlaagd. Uiteindelijk worden de winstmarges te klein.
b Deze bedrijven proberen de concurrentie te verminderen en de winsten hoger te houden.
c Het is oneerlijke concurrentie voor bedrijven die niet bij de afspraken betrokken zijn. Bovendien zijn deze afspraken
nadelig voor de consument, want de prijzen worden kunstmatig hoog gehouden.
Opdracht 8
Ter beoordeling van de docent.
Opdracht 9
Ter beoordeling van de docent.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
2
Paragraaf 2
Opdracht 1
a Er was sprake van standenonderwijs, er bestond nog geen leerplicht, de schooltypen hadden andere namen, er werden
andere vakken gegeven en lijfstraffen waren toegestaan.
b De Republiek bestond uit vrijwel zelfstandige gewesten. Pas als Nederland een eenheidsstaat wordt, wordt een nationale
leerplicht mogelijk.
Opdracht 2
a De Gouden Eeuw was een periode van economische, politieke, culturele en wetenschappelijke bloei in de (Noordelijke)
Nederlanden.
b Hij zou denken aan de oudheid.
c De schrijver kijkt alleen naar aspect economische en vereenzelvigt Gouden Eeuw met welvaart. Hij gaat voorbij aan de
politieke, culturele en wetenschappelijke factoren die van de zeventiende eeuw een Gouden Eeuw hebben gemaakt.
Opdracht 3
a Citaat A: ‘Een rups neemt de gedaante aan van een gevleugeld diertje.’Citaat B: ‘Het is mijn gewoonte om ’s morgens
mijn tanden te poetsen met zout en dan mijn mond te spoelen met water. Na het eten reinig ik mijn kiezen met een tandstoker.
In het materiaal wat ik verwijder vind ik kleine diertjes die bewegen. De grootste soort bewoog zeer sterk.’ Citaat C: ‘Ik laat U
de almachtige vinger van God zien in de anatomie van een luis. U zult hierin wonderen zien en de wijsheid van God.’ Citaat
D: ‘Het menselijk sperma zit vol met kleine diertjes met lange staarten. Van deze diertjes heb ik tekeningen gemaakt.’
b A = Swammerdam, B = Van Leeuwenhoek, C = Swammerdam, D = Van Leeuwenhoek, E = De Groot.
Opdracht 4
a In de oude ideeën speelde God en het feit dat Hij aarde en mens geschapen heeft een hoofdrol.
b Het citaat van Swammerdam (citaat C).
Opdracht 5
Dit principe zou kunnen worden uitgelegd op een manier dat andere staten het recht hebben zich te bemoeien met de
binnenlandse aangelegenheden van een bepaalde staat.
Opdracht 6
a De wetenschappers kregen op hun beurt ontzettend veel informatie van reizigers. Van Linschoten was nooit in Indonesië,
China of Japan geweest, maar verzamelde informatie die hij kreeg van anderen.
b Van Linschoten was meer wetenschapper dan ontdekkingsreiziger. Hij hield niet van lange reizen. Het ging hem vooral
om het verzamelen en publiceren van kennis van anderen.
Opdracht 7
a De mensen in negentiende eeuw hadden waarschijnlijk een behoefte om de ‘goede oude tijd’ te verheerlijken. Misschien
omdat het in hun eigen tijd minder goed ging.
b Vondel 1867, Rembrandt 1852, Michiel de Ruyter 1841, Willem van Oranje 1848, slag bij Heiligerlee 1868, Boerhaave
1872, Hugo de Groot 1886.
Opdracht 8
a Jan Swammerdam onderzocht met behulp van een nieuw instrument, de microscoop, talloze insecten, waaronder de luis.
Hij was de eerste die de mogelijkheden van de microscoop volledig benutte en bewees dat insecten van gedaante kunnen
verwisselen. Hij legde zijn bevindingen vast in de Bybel der Natuure.
Antonie van Leeuwenhoek wordt wel beschouwd als de opvolger van Swammerdam. Hij maakte zijn eigen microscopen en
was in zijn onderzoek naast een goede waarnemer óók iemand die scherpe conclusies kon trekken. Van Leeuwenhoek
onderzocht alles: schimmels uit zijn kleren, teennagels, zweet, snot, ontlasting en sperma. Hij ontdekte als eerste de bacteriën
en de rode bloedlichaampjes.
b -c De benaming ‘wetenschappelijke revolutie’ is terecht. In de middeleeuwen bepaalden geloof en kerk het
wetenschappelijke denken in hoge mate. In de Gouden Eeuw lieten wetenschappers zich niet langer leiden door deze
denkwijze. Zij wilden door middel van waarneming en experiment verschijnselen verklaren. Swammerdam was nog wel
religieus geïnspireerd. Dat is merkbaar aan zijn woorden: ‘Ik breng u hier het bewijs van voorzienigheid van God in de
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
3
anatomie van een luis.’
Opdracht 9
Ter beoordeling van de docent.
Paragraaf 3
Opdracht 1
Opdracht 2
De Opstand tegen Spanje was gericht geweest tegen Filips II en zijn centralisatieplannen. De burgers van de Republiek
voelden er weinig voor om nu wel een Nederlandse koning te accepteren die de gewestelijke vrijheden misschien zou
aantasten.
Opdracht 3
a De koning is alleenheerser. Hij ontleent het recht te heersen aan God zelf.
b De zin dat de koning aan niemand rekenschap hoeft af te leggen. De burgers wilden dat de vorst rekenschap ging afleggen
aan het parlement.
Opdracht 4
In dit jaar werd de Republiek aangevallen door een Europees monsterverbond. Het scheelde weinig of de Republiek was
geheel overmeesterd en van de kaart verdwenen.
Opdracht 5
a Links is stadhouder Willem III, rechts lodewijk XIV.
b De tekenaar stond aan de kant van de Republiek. Hij heeft Willem III afgebeeld als de oorlogsgod Mars en Lodewijk XIV
als een beest.
Opdracht 6
a De generaal bedoelde dat een oorlog problemen kan oplossen wanneer de andere middelen (diplomatie e.d.) uitgeput zijn.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
4
b De Eerste- en Tweede Wereldoorlog waren grootschaliger dan ooit en kostten aan enorme aantallen burgers het leven.
Gebruik van de atoombom zou kunnen leiden tot totale wederzijdse vernietiging. Daarna is van geen enkele politiek meer
sprake.
c Na de Eerste Wereldoorlog werd de Volkenbond opgericht, na de Tweede Wereldoorlog de Verenigde Naties.
Opdracht 7
a De overheid (de koning) stuurde de economie van het land.
b In Frankrijk ging het vooral om tariefmuren die de eigen producten beschermden en buitenlandse producten duurder
maakten. Engeland vaardigde een wet uit die het buitenlanders verbood producten naar Engelse havens te brengen.
c Andere landen voelden zich gedwongen soortgelijke maatregelen te nemen. De internationale handel moest steeds meer
barrières overwinnen. Uiteindelijk ondervond ook een land als Frankrijk de nadelen daarvan.
Opdracht 8
a Argument 1: tot 1648 waren de Nederlanden nog in oorlog met Spanje. Argument 2: in het Rampjaar 1672 werd de
Republiek bijna onder de voet gelopen door een coalitie van vier staten. Argument 3: het mercantilisme zorgde voor een
koude-oorlogssfeer.
b Argument 1: de Republiek was een rijk land, met een belangrijke plaats op de wereldmarkt. Argument 2: op een klein
gebied werkten talloze schilders van wereldfaam (Rembrandt, Jan Steen enz.). Argument 3: wetenschappers zoals
Swammerdam, Van Leeuwenhoek en De Groot hebben baanbrekend werk verricht.
c In een goede conclusie moet in ieder geval blijken dat beide visies niet geheel juist of onjuist zijn. De waarheid ligt in het
midden.
Opdracht 9
a Een allegorie is een beeldspraak, waarbij het meestal gaat om een handeling, een actie.
b Te zien zijn een leeuw (de Republiek), een omheinde tuin (het grondgebied van de Republiek), een vernielde poort (de
Franse aanval), een haan op een wapenschild met leliën (Frankrijk).
c De tegenstelling tussen prinsgezinden en staatsgezinden. De prinsgezinde kijkt wakker naar de schilder, de staatsgezinde
(een regent) zit sullig naar het papier te kijken. Volgens de schilder is het de schuld van de regenten dat de Republiek in 1672
in moeilijkheden raakte.
d Ter beoordeling van de docent.
Paragraaf 4
Opdracht 1
a Dat is de scheidingslijn tussen het zuiden en de rest van het land. In de zuidelijke provincies overheerst de katholieke
godsdienst.
b Deze provincies werden pas in de laatste periode van de Opstand veroverd. Zij hadden dus nog heel lang bij het katholieke
Spanje gehoord.
Opdracht 2
De generaliteitslanden hadden niet de status van een gewest met al zijn privileges. Deze gebieden werden rechtstreeks door
Den Haag bestuurd.
Opdracht 3
Een staatskerk is het officiële kerkgenootschap van een staat en wordt als een tak van staatsdienst bestuurd en onderhouden.
Een bevoorrechte kerk heeft een andere status en duldt bijvoorbeeld de katholieken als minderheidskerk naast zich.
Opdracht 4
a De praktische motieven overheersten. Er waren te veel katholieken, de gewestelijke vrijheden maakten vervolging lastig
en de kooplieden zagen vervolging als een belemmering van de handel.
b Je ziet beide motieven terug. Enerzijds beroept hij zich op ideële motieven, want hij is voorstander van godsdienstvrijheid.
Anderzijds stelt hij dat vervolging van andersdenkenden slecht is voor handel en welvaart.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
5
Opdracht 5
a In de Republiek was de toestand vrij rustig, er was geen burgeroorlog. Bovendien heerste er een redelijke tolerantie t.a.v.
verschillende religies. Tenslotte ging het economisch goed met de Republiek en waren de lonen er relatief hoog.
b De Vlaamse vluchtelingen waren in overgrote mate rijke handelaren die een bijdrage konden leveren aan de economische
groei van de Republiek.
Opdracht 6
a Persvrijheid bestond nog niet in Europa. In de Republiek hadden uitgevers veel vrijheid en konden hun boeken uitgeven.
In de omringende landen konden lezers zo toch kennis nemen van meningen van schrijvers die in hun eigen land vervolgd
werden.
b Dit is vooral veroorzaakt door de komst van internet.
Opdracht 7
Het onderwerp van het schilderij is te gewoon, te alledaags. In je eigen land ben je gewend aan schilderijen van koningen en
helden. Het schilderij van Rembrandt gaat nergens over.
Opdracht 8
a Een voorbeeld van een hypothese: In de Gouden Eeuw waren buitenlanders meer welkom dan in onze tijd.
b Een voorlopig antwoord op de hypothese: De Republiek stond bekend als de ‘grote vluchtelingenark’. Politieke,
economische en godsdienstige vluchtelingen konden zich hier zonder problemen vestigen.
c In absolute aantallen had de Republiek minder vreemdelingen dan het tegenwoordige Nederland. Procentueel lag het
andersom.
d Het woord ‘welkom’ zou beter weggelaten kunnen worden uit de hypothese. Het woord heeft ook een subjectieve
betekenis.
e De huidige discussie over allochtonen wordt betrekkelijker als men beseft dat ons land in de Gouden Eeuw procentueel
meer vreemdelingen herbergde dan thans. Hier is niet mee gezegd dat buitenlanders inderdaad altijd een warm welkom
kregen. Informatie daarover geven de cijfers niet.
Opdracht 9
Ter beoordeling van de docent.
Opdracht 10
Ter beoordeling van de docent.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
6
Afsluiting
Opdracht 1
a In elk geval dienen aan de orde te komen: VOC, stapelmarkt, wereldeconomie, kapitalisme, economie en
handelskapitalisme. Ook kunnen: haringvangst, graanhandel, wolhandel Engeland, Middellandse Zee, specerijen, slaven,
WIC, rum, tabak, suiker.
b
Opdracht 2
Aan de orde dienen te komen:
Goed en in verhouding voor veel kinderen volgden onderwijs.
Universiteiten
Rijke burgers die interesse tonen voor experimenten en wetenschappelijk onderzoek
Kaartentekenen en boeken over verre reizen moedigen ontdekkingen en veroveringen en daarmee handel in Azië aan. Dat
levert kostbare handelsgoederen die veel winst afwerpen en de welvaart vergroten.
Rechten, Hugo de Groot, natuurwetenschappen, Huygens, Stevin, Swannerdam, Van Leeuwenhoek, filosofie, Spinoza.
Opdracht 3
a Frankrijk, Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
b Frankrijk absoluut. De Republiek kende geen staatshoofd, maar had de Staten Generaal als hoogste gezag. In Engeland
heerste een koning die fel tegenspel kreeg van het Lagerhuis en het Hogerhuis.
c Er was wel diplomatie en er waren na oorlogen ook vredesbesprekingen en verdragen, maar veel conflicten werden toch
door middel van oorlog uitgevochten.
Opdracht 4
Eigen antwoord van de leerling ter beoordeling aan de docent.
Voorbeelden zouden kunnen zijn: tolerantie ten opzichte van het geloof en van vreemdelingen. Verbazing over de stand van
de wetenschap of de rol van vrouwen in De Republiek. Het bestuur in De Republiek met een Stadhouder, een Staten-Generaal
en Gewestelijke Staten.
Opdracht 5
a Jupiter was een Romeinse god, de oppergod.
b Bijvoorbeeld: bliksemschichten in de hand, adelaar is symbool van macht en daar torent Lodewijk XIV bovenuit, mensen
aan het werk onder zijn leiding, voet op een helm, hij staat overal boven.
c Het is rijk van kleur in vol met symboliek. Het grijpt terug op de tijd van de klassieke oudheid en is dus renaissance.
Opdracht 6
a Dan heeft het volk de hoogste macht.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
7
b In de meeste landen, ook in Engeland, ging de koning ervan uit dat hij de hoogste macht had (gekregen van God). Het
volk moest gehoorzamen.
c Inmiddels was door de Glorious Revolution Willem III koning van Engeland geworden. Door de Bill of Rights was het
absolutisme in Engeland ingetoomd en Locke kon weer terugkeren naar zijn vaderland.
Opdracht 7
a Bijvoorbeeld versterking van het Protestantisme in Nederland. Het waren veelal intellectuelen die de ontwikkeling van
met name het boekenvak een impuls gaven.
b Het was een intellectuele aderlating, maar het versterkte het Rooms-Katholieke karakter van Frankrijk.
Opdracht 8
Eigen invulling.
Opdracht 9
Eigen invulling
Opdracht 10
a De twintigste eeuw omdat toen twee Wereldoorlogen plaatsvonden of de negentiende eeuw vanwege de Industriële
Revolutie.
b Hitler, Stalin, Mussolini, Franco.
c Een dictator komt door een staatsgreep aan de macht of via een politieke partij of verkiezingen en grijpt dan alle macht.
Een absoluut vorst komt via erfopvolging aan de macht. Ook de absolute vorsten grijpen alle macht. De absolute vorsten
kunnen dan nog volhouden dat zij de macht van God hebben gekregen dat doen de dictators niet meer.
Opdracht 11
a De zeventiende eeuw wordt de Gouden Eeuw genoemd om de grote welvaart in de Republiek die handel en nijverheid
brachten. In die eeuw was de Republiek machtig en op veel gebieden toonaangevend. Uit de tabel blijkt echter dat in de jaren
1680-1700 niet zoveel verdiend werd en juist in de periode 1700-1750 wel. Zo gezien zou de Gouden Eeuw dus doorlopen tot
ongeveer 1750.
b 1 Hier staan alleen gegevens van twee beroepsgroepen. Hoe de welvaart bij andere mensen was is nog onduidelijk.
2 Je weet niet hoe de situatie voor 1600 was.
3 Je weet niet hoe de situatie in andere landen was of juist in andere steden in de Republiek.
4 Hier gaat het alleen om koopkracht. Andere elementen van welvaart, welzijn, macht en cultuur worden niet van
gegevens voorzien.
Opdracht 12
Eigen antwoord van de leerling ter beoordeling aan de docent.
Mogelijk voor: er wonen veel allochtonen van zeer verschillende afkomst. Zij krijgen woonruimte en geld.
Mogelijk tegen: er klinken steeds meer geluiden dat Nederland vol is en dat allochtonen voor veel problemen zorgen.
Opdracht 13
Eigen invulling. Bijvoorbeeld de computer, die niet meer weggedacht kan worden uit heel veel bedrijven en zelfs
huishoudens.
Feniks, tweede fase havo Docentenhandleiding - Hoofdstuk 6: De Republiek in Europa
8
Download