Sociale psychologie2016/2017

advertisement
Sociale psychologie2016/2017
Hoofdstuk 1: Methodes van sociaalpsychologisch onderzoek
! Bij experimenten en nood aan extra uitleg kijken in handboek + ppt’s. Dit is enkel een
overzicht van de belangrijkste zaken, maar biedt geen volledige uitleg. Vooral bij
experimenten!
Inleiding
Overt gedrag (overtus = open): gedragingen waarbij de persoon zelf weet dat hij het doet,
maar iedereen die in de buurt is, het gedrag ook rechtstreeks kan waarnemen
Voorbeeld: iemand gaat aula binnen. Persoon weet zelf dat hij aula binnen gaat,
maar anderen in de buurt zien dit ook.
Covert gedrag (covertus = bedekt): persoon zelf weet dat hij dit gedrag vertoont, maar
anderen kunnen dit niet waarnemen.
Voorbeeld: Persoon heeft een bepaald gevoel/gedachte/wens/… . Anderen kunnen dit
niet rechtsreeks waarnemen.
 Onderzoeker moet andere manieren verzinnen om toch iets te weten te komen over
hoe mensen denken
Observatie
Observatieonderzoek = onderzoek waarbij de onderzoeker van een afstand toekijkt en niet
ingrijpt.
Voordelen van observatieonderzoek
Ecologische validiteit = de mate waarin het onderzoek conclusies toelaat over het
‘natuurlijk’ voorkomende gedrag van mensen in situaties die ze ‘in het echte leven’ ook
tegenkomen => er wordt niet ingegrepen dus is ethisch verantwoord
Voorbeeld: Wanneer zijn mensen meest geneigd te doneren bij goede doel actie?
Mogelijkheid = aan goede doelen jaarrekeningen vragen en algemeen overzicht
maken.
Nadelen van observatieonderzoek
1) De gedragingen waarin de onderzoeker geïnteresseerd is, zijn soms vrij zeldzaam =>
meestal zeer lang observeren om bruikbare gegevens te krijgen.
Voorbeeld: Wat drijft mensen die bij een ongeval mensen in nood gaan helpen en
daarbij hun eigen leven in gevaar brengen? Gebeurt maar heel zeldzaam
2) Vaak zeer moeilijk om conclusies te trekken over de oorzaken van het waargenomen
gedraag of zelfs maar de precieze omstandigheden die ermee samenhangen. => elk
concreet gedrag verschilt op zeer veel dimensies van elk ander gedrag en persoon
Zelfbeschrijvingen
Zelfbeschrijving = mensen vragen wat ze doen en waarom ze dat doen.
Voordelen van zelfbeschrijvingen
1) Eenvoudige manier om toegang te krijgen tot coverte gedragingen. Ook kan men
zeldzame overte gedragingen of zeldzame omstandigheden bestuderen.
2) Kans is vrij groot dat de onderzoeker informatie krijgt over talrijke instanties van het
bestudeerde gedrag of de bestudeerde omstandigheden.
Voorwaarden opdat een zelfbeschrijving valide is
1) De ondervraagde moet het gedrag of de reden waarom hij/zij het vertoont, kunnen
beschrijven.
2) Hij/zij moet de gelegenheid krijgen om dat gedrag te beschrijven.
3) Hij/zij moet het gedrag willen beschrijven.
De beperkingen van zelfbeschrijvingen
1) De eerste voorwaarde is niet vervuld als: een onderzoeker retrospectieve vragen stelt en
als de ondervraagde zicht het gedrag, de context van het gedrag, of de factoren die van
invloed waren op het gedrag niet goed kan herinneren.
2) De tweede voorwaarde is niet vervuld als: de vraagstelling de ondervraagde
onvoldoende ruimte geeft om het eigen gedrag of factoren die daar een rol in hebben
gespeeld te beschrijven.
 Hoe kan dit opgelost worden? => bij vragenlijsten een extra optie aanbieden
‘Anders, namelijk …’ zodat de dns hun antwoord kunnen toevoegen, moest
die niet tussen de antwoordmogelijkheden staan
 Sociale normen schrijven immers voor dat als iemand een vraag stelt, de
ander zo goed mogelijk probeert te antwoorden => onder invloed van die
norm gokken dns soms liever
3) De derde voorwaarde is niet vervuld als: mensen ervaren dat anderen gunstig of
ongunstig reageren op bepaalde zelfbeschrijvingen, zullen ze nadien ook meer of minder
geneigd zijn om zich weer zo te beschrijven.
4) Wie zich sociaal wenselijk uitlaat, krijgt goedkeuring en waardering; wie zich sociaal
onwenselijk uitlaat, stoot op allerlei vormen van afkeuring.
5) Juist omdat zelfbeschrijvingen zo sterk onder de bewuste controle staan van de
handelende (in dit geval de sprekende) persoon, is het gemakkelijk ze aan te passen in
functie van wat vermoedelijk in goede of slechte aard zal vallen. => Zelfbeschrijvingen
zijn daarom nog sterker dan andere gedragingen onderhevig aan sociale wenselijkheid.
 Onderzoek van Feldman-Hall et al. (2012, studie 1b): zie overzicht experimenten
Het nut van zelfbeschrijvingen
Zelfbeschrijvingen zijn vrijwel altijd interessant als bron van inspiratie. In sommige gevallen
is de zelfbeschrijving het gedrag dat een onderzoeker bestudeert. => Het is daarom
gedragswetenschappelijk waardevol te bestuderen wat mensen over zichzelf en anderen
beweren - los van het feit of die beweringen overeenkomen met andere gedragingen die ze
kunnen vertonen.
Mensen zijn bovendien meer geneigd om over gedrag waarover geen uitgesproken sociale
norm bestaat, of waarbij de norm juist voorschrijft dat ze eerlijk moeten antwoorden,
waarheidsgetrouw te rapporteren.
 Day reconstruction method door Kahneman et al. (2004): zie overzicht experimenten
Event sampling = dns krijgen bieper of smartphone mee die hen op toevallige of vooraf
bepaalde tijdstippen oproept om op vooraf bepaalde vragen te antwoorden. => duurder
Day reconstruction method = dns moeten steeds de vorige dag beschrijven aan de hand van
vooraf bepaalde vragen.
 Beiden leveren vergelijkbare resultaten op die afwijken van globale zelfbeoordelingen.
Correlationeel onderzoek
Correlationeel onderzoek = géén methode om gegevens te verzamelen, maar om verbanden
tussen gegevens te bestuderen. Ze bestaat erin om van twee of meer variabelen te
berekenen in hoeverre ze positief of negatief samenhangen.
Correlatiecoëfficiënt = een getal dat kan variëren van -1 tot +1.
 Als een correlatie significant hoger is dan 0 dan is de samenhang positief.
 Als een correlatie significant lager is dan 0 dan is de samenhang negatief.
 Als een correlatie ongeveer 0 dan is er geen verband.
! Een enkele correlatie zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband en de richting
daarvan.
 Onderzoek van Kogut (2011, studie 1): zie overzicht experimenten
Het experiment
Een experiment = een manier om gegevens te verzamelen waarvan de analyse (door middel
van voor experimenten geëigende statistische technieken) uiteindelijk causale conclusies
toelaat.
Basisredenering en -terminologie bij experimenteel onderzoek
Als een variabele A van invloed is op variabele B dan moeten die variaties (die een
onderzoeker creëert) in A ook variaties veroorzaken in B.
Onafhankelijke variabele (OV) = variabele waarvan de onderzoeker de invloed nagaat (hier:
A)
Afhankelijke variabele (AV) = variabele waarop hij/zij de invloed nagaat (hier: B)
Manipulatie = het aanbrengen van variaties in A
Conditie = specifieke variaties => elk experiment heeft er minstens 2
Voordelen van een experiment
1) Laat causale conclusies toe
2) Kleine steekproeven volstaan om tot zinvolle conclusies te komen. Dit is mogelijk dankzij:
 Een experiment houdt alle andere invloeden op de afhankelijke variabele gelijk.
 De statistische technieken waarmee getoetst wordt of verschillen tussen de
condities significant zijn, rekening houden met de steekproefgrootte.
 Onderzoeksvragen van experimenten zijn altijd: heeft A invloed op B?
3) Experimenten meten de invloed van OV op gedrag en niet zelfbeschrijvingen over hoe
die OV het gedrag beïnvloeden.
Nadelen van een experiment
Dns zijn in kunstmatige omstandigheden waarbij ze taken doen die in het dagelijkse leven
zelden of nooit voorkomen.
 De ecologische validiteit zou daarom onvermijdelijk beperkt zijn
 Mundane realism is inderdaad vaak laag zijn, MAAR kan ook voordeel zijn. Een
laag alledaags realisme garandeert dat alle dns in precies dezelfde
omstandigheden deelnemen en het biedt de onderzoeker relatief veel
speelruimtes voor manipulaties.
 Experimental realism = de mate waarin een experimentele situatie zo
meeslepend is dat mensen erin opgaan, zodat ze zich spontaan gedragen.
Voorbeeld: Onderzoek van Stanley Milgram: dns krijgen opdracht medemens
elektrische schokken te geven (cf. Les geschiedenis middelbaar)
Manipulatiechecks en pretests
Manipulatiechecks = metingen waarmee ze controleren of de dns in de diverse condities in
de beoogde situatie terecht zijn gekomen of het beoogde gedraag hebben vertoond. => deze
dienen niet alleen om na te gaan of de beoogde variabele goed gemanipuleer is, maar ook
om vast te stellen of per ongeluk andere variabelen mee gemanipuleerd zijn.
Pretests (pilootstudies of vooronderzoeken) = vooronderzoek waarbij de onderzoekers bij
een steekproef van dns (die vergelijkbaar zijn met de eigenlijke dns) nagaan of de
manipulatie ‘werkt’.
Tussen- en binnen-proefpersoons-manipulaties
Tussen-proefpersoons-manipulatie = Op toevallige wijze dns toewijzen aan condities
Binnen-proefpersoons-manipulatie = alle dns blootstellen aan elk van de verschillende
condities
Voordelen tussen-proefpersoons-manipulatie
De onderzoeker mag aannemen dat er gemiddeld genomen geen verschil bestaat tussen de
groep in de ene conditie en de groep in de andere conditie.
Nadelen tussen-proefpersoons-manipulatie
Ondanks de grote individualiteit nog altijd een probleem: ze vermindert immers de ‘power’
van het experiment.
Voordelen binnen-proefpersoons-manipulatie
1) Omdat dezelfde mensen in de verschillende condities terechtkomen, kunnen
vastgestelde verschillen tussen de condities niet te wijten zijn aan individuele kenmerken
van dns.
2) Houdt individuele verschillen constant en kan daarmee subtielere effecten van de OV
aan het licht brengen.
Nadelen binnen-proefpersoons-manipulatie
1) Soms kunnen de dns te weten komen wat de OV is door de verschillende condities mee
te doen. Hierdoor is er een risico op sociaal wenselijk antwoorden.
2) Minder geschikt bij taken waarbij sterke volgorde-effecten optreden.
Voorbeeld: gevoelig voor vermoeidheid, verveling of leereffecten, of als het om een
type gedrag gaat waarvan de eerste uitbrenging een sterke invloed heeft op een
latere uitbrenging.
 Er kan anchoring optreden = steeds gelijkaardige numerieke waarden opnoemen
 Men kan dit tegen gaan dankzij contrabalanceren = systematisch variëren van
een variabele die niet de OV is, maar waarvan de onderzoeker vermoedt dat ze
eveneens een invloed kan zijn op de AV, zodat hij/zij de invloed ervan wenst te
neutraliseren.
Opmerkingen bij manipulaties
Cruciaal is dat er manipulatie is van de OV + dat de dns op louter toevallige wijze verdeeld
worden over de condities dan wel blootgesteld aan diverse condities van de OV, terwijl
andere omstandigheden constant gehouden worden.
Metingen kunnen op zich reactief zijn (dit wil zeggen dat een meting op zich al van invloed is
op hoe mensen op latere metingen of manipulaties reageren), waardoor voormetingen in
bepaalde soorten onderzoek juist meer problemen kunnen veroorzaken dan ze voorkomen.
Toch kunnen voormetingen zinvol zijn, met name wanneer grote individuele verschillen
vermoed worden terwijl een binnen-proefpersoons-manipulatie onwenselijk lijkt.
Sommige beroemde ‘experimenten’ uit de sociale psychologie zijn in werkelijkheid geen
echte experimenten.
Voorbeeld: befaamde studies van Milgram en Asch
De macrosituatie onder controle houden
Situationele factoren onder controle houden betekent ook dat de levenservaring waarmee
de dns een onderzoekssessie binnenkomen onder controle moet worden gehouden.
Voorbeeld: onderzoekers onderzoeken de bereidheid van mensen om geld te doneren
voor noodsituaties => kan gebeuren dat tijdens de looptijd van het experiment een
actualiteitenprogramma op televisie komt waarin praatgasten de problematiek
bespreken => kan het gedrag van dns anders maken dan van de dns die dit niet wisten
Mogelijkheden om met dit type storende variabelen om te gaan
1) Experiment op zo kort mogelijke tijd voltooien, bij voorkeur op 1 dag.
2) Alle verschillende condities gelijk ‘op te vullen’. Het is dus beter om afwisselen een of
enkele dns van elke conditie te laten meedoen.
De beperkingen van experimenten
Soms is het moeilijk om te bedenken hoe een OV gemanipuleerd kan worden
Zelfs als een onderzoeker een experiment kan bedenken om een causale vraag te
beantwoorden, en als hij/zij alle nodige pretests en/of manipulatiechecks kan bedenken, is
het om ethische redenen echter soms onmogelijk of onwenselijk om een experiment te
doen. Ook bij vragenlijst- en interviewstudies kunnen ethische problemen opduiken, omdat
vragen over persoonlijke of gevoelige zaken mensen kunnen confronteren met situaties en
gedragingen waar ze liever niet aan denken.
Een probleem waar experimenteel onderzoek (maar ook interview- of vragenlijststudies)
mee te maken krijgt, zijn vraag- en proefleidereffecten. Onderzoekers proberen deze te
vermijden door een strategische keuze voor tussen-proefpersoons-manipulaties en door dns
zeker niet vooraf te vertellen wat ze hopen te observeren.
Proefleidereffect = betreft de invloed die onderzoekers opzettelijk of onopzettelijk hebben
op het gedrag van hun dns.
Experimenten met meerdere OV en AV
Hoofdeffect = als uit statistische analyse blijkt dat een OV een significant effect heeft over
de condities van de andere OV heen.
Interactie-effect = Als het effect van de ene OV qua optreden, sterkte en/of richting afhangt
van de conditie van de andere OV.
 Onderzoek van Zagefka et al. (2011, Experiment 4): zie overzicht experimenten
Opmerkingen bij het onderzoek van Zagefka et al. (2011, Experiment 4)
Als er geen belangrijke reden is om bepaalde volgorde te hanteren, is het een goed idee om
de volgorde te variëren. Zo kan een confounding van de aard van de meting en de volgorde
ervan worden vermeden.
Bij dit onderzoek wel een reden om vaste volgorde te gebruiken: dns moesten indruk krijgen
dat hun donatie deel uitmaakte van een echte liefdadigheidsactie en niet van een
onderzoek. Een vaste volgorde is ook wenselijk als het gebruik van meerdere AV bedoeld is
om een mediatie-analyse te kunnen doen.
Mediatie-analyse = een statistische analyse van de mate waarin een bepaalde AV een rol
speelt bij het tot stand komen van het effect van de OV op een andere AV.
De empirische cirkel
Inductiefase van de theorieontwikkeling = het formuleren van een algemeen inzicht, een
theorie, op grond van een specifieke bevinding of verzameling van bevindingen.
Drie soorten discrepanties tussen de geobserveerde gegevens en de theorie
1) De theorie is abstracter en daardoor algemener dan louter in termen van het
geobserveerde gedrag.
2) De gebruikte concepten zijn vaak analytischer dan wat louter de grond van de
bevindingen te verantwoorden valt.
3) De theorie poneert een mechanisme dat beschrijft op welke manier het gedrag tot stand
komt.
 Problematisch? Neen! Ze typeren juist hoe een wetenschappelijk waardevolle theorie
zich in een specifieke fase van de empirische cirkel verhoudt tot de gegevens. Een goede
theorie doet immers meer dan samenvatten. Een goede theorie verklaart waarom
bevindingen optreden en voorspelt welke bevindingen (nog) kunnen worden gedaan.
Volgende stappen in de empirische cirkel
Eenmaal de theorie is ontwikkeld, komt de volgende stap: de theorie toetsen. Een theorie
toetsen houdt in dat onderzoekers er nieuwe hypothesen uit afleiden (deduceren). Ze
formuleren voorspellingen over gedragingen die volgens de theorie geobserveerd zouden
moeten worden. De theorie laat ook toe dat er falsifieerbare hypothesen uit afgeleid
kunnen worden.
De afronding van een onderzoek en de terugkoppeling van de conclusies ervan naar de
predictie, hypothese, en uiteindelijk theorie, betekenen niet dat de onderzoeker ‘klaar’ is.
Als een theorie vervangen wordt door een andere theorie, of als de theorie aangepast
wordt, zal de (deels) nieuwe theorie moeten worden getoetst.
Daardoor lijkt het onderzoeksproces meer op een cirkel dan op een lijn met begin- en
eindpunt, en spreken we van de empirische cirkel.
Zie handboek en ppt voor een afbeelding van de empirische cirkel
Hoofdstuk 2: De psychologische betekenis van macht en onmacht
Inleiding
Sociale macht = gevolgen van macht over of machteloosheid tegenover anderen
Autosociale macht = de betekenis van macht over het eigen gedrag of de eigen situatie
In de omgang met anderen zijn sociale en autosociale macht en onmacht vaak verweven - in
die mate dat een onderzoeker soms onmogelijk kan achterhalen of een verschijnsel het
gevolg is van de ervaring van autosociale of sociale (on)macht of zelfs van het gevoel in
meerdere of mindere mate voorwerp te zijn van de sociale macht van anderen.
Beheersen en beheerst worden: instrumentaal leren
Instrumentaal gedrag (operant gedrag of operant) = gedrag waarmee mensen en dieren
invloed uitoefenen op hun interne of externe omgeving, en dat ze niet louter vertonen als
reactie op een antecedente (voorafgaande) uitlokkende prikkel (een prikkel is een
identificeerbaar element in de interne of externe omgeving).
Instrumentele of operante conditionering = vorm van leren, waarbij kenmerken van
operant gedrag veranderen onder invloed van gedragsuitkomsten.
 Kern van instrumentaal leren = Als een individu zich op een bepaalde manier
gedraagt, kunnen de gedragsuitkomsten daarvan appetitief (aangenaam) of aversief
(onaangenaam) zijn.
 Is het gevolg appetitief dan neemt het gedrag toe.
 Is het gevolg aversief dan neemt het gedrag af.
(Soorten) versterkers en straffen
Versterker (bekrachtiger) = appetitief gevolg van een gedrag
Straf = aversief gevolg van een gedrag
! Als mensen buiten een gedragswetenschappelijk context het woord ‘straf’ gebruiken,
bedoelen ze vaak iets meer specifieks, namelijk wat gedragswetenschappers een sociale
straf noemen.
Positieve versterking = een appetitieve prikkel treedt op of neemt af, ‘iets komt erbij’.
Negatieve versterking = een aversieve prikkel verdwijnt of vermindert, ‘iets gaat eraf’.
Primaire en secundaire versterkers en straffen
Primaire versterker/straf = bevrediging of het gebrek van een natuurlijke behoeftetoestand
 Voorbeeld: voedsel krijgen is bijvoorbeeld een primaire versterker en voedsel
onthouden is een primaire straf.
Secundaire versterker/straf = heeft niets te maken met een natuurlijke behoeftetoestand
en impliceert dus geen biologische meerwaarde of bedreiging, maar heeft betekenis
gekregen door een eerder leerproces.
 Voorbeeld: Een compliment is een secundaire versterker, een nare geluidstoon is een
secundaire straf.
Deprivatiespecifiek = Bij primaire versterkers en straffen. Bij secundaire is dit niet waardoor
het leerproces eender wanneer en lang kan doorgaan.
 Onderzoek van Insko (1965): zie overzicht experimenten
Opmerkingen bij onderzoek van Insko (1965)
Uit dit onderzoek blijkt dat alles wat mensen zeggen over aspecten van hun leefwereld en
over henzelf net zoals vele andere gedragingen opgevat kan worden als operant gedrag. Dit
lijkt vanzelfsprekend, maar de implicaties ervan worden vaak over het hoofd gezien door
gedragswetenschappers:
1) Er is geen reden om aan te nemen dat zelfbeschrijvingen uitsluitend of zelfs maar tot op
grote hoogte afhangen van innerlijke factoren, zoals attitudes, affectieve toestanden,
kennis of motivationele toestanden (wensen, angsten). Als mensen ervaren dat bepaalde
beweringen gevolgd worden door sociale versterkers, zullen ze meer geneigd zijn om
deze gedachten, gevoelens en wensen uit te drukken. Als ze ervaren dat bepaalde
beweringen gevolgd worden door sociale straffen, zullen ze die achterwege laten.
2) Versterkers en straffen die ten aanzien van zelfbeschrijvingen optreden soms anders
kunnen zijn dan de versterkers en straffen die ten aanzien van andere gedragingen
optreden, zelfs als het voorwerp van het gedrag identiek is. In die gevallen kan een
discrepantie ontstaan tussen wat mensen zeggen en wat ze werkelijk doen.
De rol van contingentie en contiguïteit
Contingentie = logische samenhang
Contingentie
Een versterker of straf is contingent met een gedrag als de kans dat deze versterker of straf
optreedt groter is als de handelende persoon het gedrag vertoont dan als die het gedrag niet
vertoont.
 Bij perfecte contingentie: wordt een operant altijd gevolgd door de bekrachtiger
of een straf (dit noemen we in technische termen een continu belonings- of
bestraffingsschema) en treedt de versterker of straf nooit op zonder het gedrag.
 Geen contingentie (de straffen en versterkers treden wel of niet op ongeacht het
gedrag): het individu leert niets en verandert zijn/haar gedrag dus niet.
1) Als de handelende persoon überhaupt een onbestaande contingentie
waarneemt.
2) Als het ontbreken van contingentie tussen het gedrag en veranderingen in
de omstandigheden de handelende persoon opvalt, bijvoorbeeld omdat
het omstandigheden betreft waarover hij/zij graag macht zou willen
hebben.
Extra opmerkingen bij contingentie
1) Strikt genomen weerspiegelen gedragsveranderingen onder invloed daarvan geen
instrumentele conditionering, maar een vorm van leren die propositioneel leren
genoemd wordt.
Propositioneel leren = iets leren door het meegedeeld te krijgen.
2) We weten dus dat mensen contingenties kunnen waarnemen, en ook dat waargenomen
of meegedeelde contingenties van invloed zijn op gedrag. Daarmee weten we echter nog
niet of de perceptie van contingentie altijd nodig is opdat deze contingenties hun
operante gedrag zouden beïnvloeden.
Contiguïteit
Operante conditionering werkt ‘beter’ als het gedrag snel gevolgd wordt door veranderingen
in de situatie dan als deze pas na enige tijd optreden.
Het effect van temporele contiguïteit is zeer sterk, zodat mensen vaak gedragingen blijven
vertonen die zeer snel banale versterkers opleveren en op termijn zware straffen met zich
meebrengen, maar moeilijk te bewegen zijn tot gedragingen die onmiddellijk banale straffen
opleveren en waarvan de beloningen op termijn aanzienlijk zijn.
Contiguïteit kan een rol spelen bij de perceptie van contingentie. Het is gemakkelijker om
het logische verband tussen een gedrag en een verandering in de situatie waar te nemen
als die verandering snel op het gedrag volgt dan als ze na enige tijd optreedt.
Versterkers versus straffen?
In veel omstandigheden is het effect van straffen minder sterk dan dat van versterkers. Dit
heeft verschillende oorzaken:
1) Versterkers bevatten vaak meer informatie dan straffen. Bij versterkers weten mensen
hoe ze wel welk gedrag ze moeten vertonen, bij straffen is dit niet altijd zo. Het is zelfs
mogelijk dat iemand na een straf een ander gedrag probeert, dat ook bestraft wordt, nog
een ander gedrag probeer, dat weer bestraft wordt… Tot hij/zij denkt dat het niet
uitmaakt wat hij/zij doet en eventueel het verschijnsel ‘aangeleerde machteloosheid’
vertoont.
2) Zowel versterkers als straffen brengen emotionele reacties met zich mee, maar
negatieve emoties zijn vaak intenser dan positieve.
3) Sociale versterkers volgen vaak sneller op het gedrag dan sociale straffen.
4) Bij sociale straffen is het niet altijd zo dat wat voor de toediener een straf is, dat ook is
voor de gestrafte.
 Alle besproken factoren maken dat dat straffen vaak minder effectief zijn dan
versterkers. Er is immers 1 domein waarin straffen soms beter werken dan versterkers
en dat is bij het volgen van wetten en normen.
 Sociale straffen suggereren daarmee een meer dwingende context dan sociale
versterkers.
 Onderzoek van Mulder (2008, Experiment 1): zie overzicht experimenten
Strategisch leren en afleren?
Uitdoving = versterkings- en bestraffingscontingentie veranderen door straffen voor
gewenst gedrag of versterkers voor ongewenst gedrag te verwijderen. Zodra het lerende
individu waarneemt dat de contingentie tussen het gedrag en de straf of versterker niet
meer geldt, gaat hij/zij het gedrag weer respectievelijk meer/minder vertonen.
 Was er geen perfecte contingentie: dan zal het wegvallen ervan minder opvallen
en blijft het gedrag langere tijd op het tot stand gebrachte niveau optreden.
 Straffen en beloningen die intrinsiek verbonden zijn met een gedrag zijn allicht
niet te veranderen. Toch zijn er ook dan ingrepen mogelijk in de versterkings- en
bestraffingscontingenties.
Beperkingen en valkuilen: discriminatieve prikkels, S-delta’s en de beloon- en bestrafbaarheid
van gedrag
Discriminatieve prikkel (SD) = een prikkel die signaleert dat in een bepaalde situatie een
bepaalde versterkings- of bestraffingscontingentie geldt.
S-delta = een prikkel die aangeeft dat de contingentie tussen het gedrag en de
veranderingen niet geldt.
 Soms treden er onbedoelde discriminatieve prikkels en S-delta’s op, wat een valkuil kan
zijn bij toepassingen van instrumentele leerprincipes in organisaties en samenlevingen.
 Een beperking van sociale straffen en versterkers is dat ze alleen rechtstreeks kunnen
aangrijpen op overt gedrag. Zolang het de bedoeling is dat gedrag te doen toe- of
afnemen is dat geen probleem. Het probleem is dat de effectiviteit van het leerproces
dan staat of valt met de geldigheid van de aanname dat het overte gedrag het coverte
gedrag weerspiegelt. Dit probleem is inherent aan elke evaluatiemethode.
Macht als middel en doel-op-zich: een lastig te onderzoeken kwestie
‘Ik doe het niet voor de macht’
In onze cultuur bestaat er een sociale norm tegen streven naar of genieten van sociale
macht-om-macht.
 Onderzoek van Okimoto en Brescoli (2010): zie overzicht experimenten
Keuzes, gedragsveranderingen en expressief gedrag
Het is met elektromyografie ter hoogte van de aangezichtsspieren bijvoorbeeld mogelijk om
te meten of iemand de neiging heeft om te lachen, fronsen, of boos te kijken, zelfs als de
persoon erin slaagt om zijn/haar gezicht voor de menselijke waarnemer neutraal te houden.
De relevantie van onderzoek bij (zeer) jonge kinderen
De vraag of macht een primaire versterker en onmacht een primaire straf is, kan alleen
worden beantwoord door na te gaan of macht en onmacht ook betekenis hebben bij
individuen bij wie ze onmogelijk op grond van eerdere leerprocessen een waarde hebben
gekregen. Daarom doen onderzoekers in het domein van macht en onmacht graag
onderzoek bij jonge kinderen, vaak zelfs nog baby’s.
Het fijne van macht
Een aangeboren voorkeur voor macht?
 Onderzoek van Singh (1970, Studie 4): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Singh (1970, Studie 3): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Voss en Homzie (1970): zie overzicht experimenten
Machtsgenoegen
Er zijn drie mogelijke verklaringen waarom keuzevrijheid aantrekkelijk is:
1) Kiezen op zichzelf is prettig
2) Het genot van het kiezen wordt geassocieerd met gebeurtenissen of objecten die
samenhangen met die keuze.
 Onderzoek van Leotti en Delgado (2011): zie overzicht experimenten
3) Het maken van een keuze verandert de aantrekkelijkheid van items omdat mensen
geneigd zijn om eenmaal gemaakte en onomkeerbare keuzes in overeenstemming te
brengen met wat ze over de diverse opties weten door de aantrekkelijke kantjes van het
gekozen item en de onaantrekkelijke kantjes van de niet-gekozen items in de verf te
zetten.
 Onderzoek van Watson en Ramey (1972): zie overzicht experimenten
Macht als bescherming tegen gevolgen van aversieve prikkels
Subjectieve macht = het gevoel macht te hebben
Is het mogelijk dat we minder last hebben van aversieve prikkels als we de indruk hebben
dat we er invloed op kunnen uitoefenen?
 Onderzoek van Glass et al. (1969, Experiment 2): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Sherrod et al. (1977)
Niet alleen macht over een aversieve prikkel zelf, maar zelfs over de concrete remedie
ertegen van invloed kan zijn op de mate waarin mensen onder de prikkel lijden.
 Onderzoek van Rose, Geers et al. (2012 en 2013): zie overzicht experimenten
De gevolgen van onmacht
Reactantie
Reactantie = de motivatie om de bedreigde of aangetaste macht (keuzevrijheid) te
beschermen of te herstellen, en het daaruit voortvloeiende gedrag.
 Mensen ervaren waarschijnlijk het grootste acute machtsverlies als ze de indruk hebben
dat anderen een sociale macht over hen uitoefenen (of dat proberen).
 Reactantie treedt vooral op als een ervaring van (dreigend) machtsverlies in de context
van sociale interacties.
 Het vermogen van ervaringen van macht om in hun rol van primaire versterker operant
gedrag te beïnvloeden, geldt vooral als een individu zich in een toestand van reactantie
bevindt. Voorbeeld: Net zoals voedsel vooral effect heeft als het individu honger heeft.
 Soms kan reactantie mensen ertoe brengen om het tegenovergestelde te doen van wat
er gevraagd wordt. Dit wordt ook wel het boemerangeffect genoemd.
Autosociale en sociale macht als communicerende vaten
 Onderzoek van Inesi et al. (2011, Experiment 1a): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Inesi et al. (2011, Experiment 2a): zie overzicht experimenten
Macht en onmacht in het ‘ware leven’
‘Lekker’ niet doen wat wetgevers en hulpverleners zeggen
Reactantie vormt onder meer een probleem als in het algemene belang of het belang van
het individu zelf (of beide) regelgeving ingesteld en gehandhaafd wordt. Mensen hebben het
gevoel dat wetten en regels hun vrijheid beperken. Zelfs als de regels de vorm aannemen
van adviezen, kan bij sommige mensen of in sommige omstandigheden reactantie optreden.
 Reactantie is een bekend probleem in de gezondheidszorg. Gezondheidsproblemen
bedreigen of beperken iemands autosociale en sociale macht. Door reactantie
veroorzaakte ‘non-compliance’ komt zelfs frequent voor bij patiënten bij wie het
negeren van medische adviezen ernstige risico’s inhoudt.
Kiest u maar… en niet tevreden, geld terug!
Bedrijven en aanbieders van diensten spelen in op het verlangen naar (behoud van) macht
door consumenten keuzevrijheid te bieden, ook als er niet echt iets te kiezen valt.
 Voorbeeld: ‘niet tevreden, geld terug’-garantie
Slotbeschouwing
Vast staat dat de mate waarin mensen macht ervaren lang niet altijd te koppelen is aan een
objectief aantoonbare mate van macht.
Hoofdstuk 3: Sociale invloed
Inleiding
Impliciete sociale invloed = een individu kan waarnemen dat anderen iets doen of laten,
zonder dat deze expliciet vragen om mee te doen of hen na te doen.
Conformisme = als de anderen een meerderheid vormen.
Innovatie = als de anderen een minderheid vormen.
Expliciete sociale invloed = Een individu kan ook te maken krijgen met een verzoek vanwege
anderen om iets te doen of te laten, al dan niet gepaard met de belofte van een beloning
en/of de dreiging met straf.
Impliciete of expliciete sociale invloed
Mensen kunnen op 2 manieren uit het gedrag van anderen afleiden wat die anderen juist of
goed vinden, of wat die anderen van hen willen:
1) Impliciete sociale invloed
 Conformisme
 Innovatie
2) Expliciete sociale invloed
Twee uitkomsten van conflict
Onderzoekers bestuderen sociale invloed meestal in situaties waarin een conflict bestaat
tussen wat het individu denkt en wil, en de impliciete of expliciete sociale druk.
Er zijn 2 uitkomsten van dit conflict:
1) Autonoom handelen = mensen laten zich leiden door wat ze zelf denken, willen of goed
vinden.
2) Niet-autonoom handelen = mensen laten zich leiden door wat anderen lijken te denken
of te willen of goed te vinden.
 Elliott Aronson betoogde in zijn boek *The social animal dat er een derde uitkomst
mogelijk is.
3) Anti-conformistisch gedrag = Reactantie = mensen kunnen opzettelijk iets anders doen
dan wat anderen lijken te willen of goed te vinden.
De invloed van de aanwezigheid van anderen
Tegenstrijdige bevindingen
 Onderzoek van Ader en Tatum (1963): zie overzicht experimenten
Opmerking bij onderzoek van Ader en Tatum (1963)
Sociale inhibitie (sociale belemmering) = de aanwezigheid van iemand anders hinderde het
in de gegeven situatie adaptieve gedrag.
 Onderzoek van Pessin (1933): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Allport (1920): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Allport (1920, Experiment 3): zie overzicht experimenten
Opmerkingen bij onderzoeken van Allport
Sociale facilitatie = de aanwezigheid van iemand anders bevorderde het in de gegeven
situatie.
Op dit moment mogen we concluderen dat de aanwezigheid van anderen soms inhibeert en
soms faciliteert. Gedragswetenschappers willen weten onder welke voorwaarden de
aanwezigheid van anderen bevorderlijk is en onder welke voorwaarden hinderlijk. Ze willen
dit niet alleen weten, maar ook kunnen verklaren.
Wanneer sociale inhibitie en sociale facilitatie
 Onderzoek van Allee en Masure (1936): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Chen (1937): zie overzicht experimenten
Wat maakt dan wel dat soms sociale inhibitie optreedt en soms sociale facilitatie? Hier zijn 3
denksporen van:
1) Ligt het verschil in wat de anderen doen - meer bepaald of zij coactieve anderen zijn of
passief publiek?
 Nee: want bij Pessin en Allee&Masure trad er steeds sociale inhibitie op terwijl
Pessin werkte met passief publiek en Allee&Masure met coactieve anderen.
2) Intellectuele prestaties laten sociale inhibitie zien en motorische prestaties laten sociale
facilitatie zien.
 Ook niet: bij beide experimenten van Allport trad er sociale facilitatie op.
Experiment 1 bevat enkel motorische prestaties, maar experiment 2 bevat ook
intellectuele componenten.
3) Instinctieve gedragingen worden sociaal gefaciliteerd en ‘hogere’ gedragingen sociaal
geïnhibeerd.
 Ook niet: Soms trad er ook sociale facilitatie op bij ‘hogere’ gedragingen.
Wat is dan wel het cruciale verschil?
*Zajonc sorteerde experimenten in functie van of ze sociale inhibitie of facilitatie
opleverden. Hij vroeg zich af welk kenmerk de studies over sociale inhibitie
gemeenschappelijk hadden en welk kenmerk de studies over sociale facilitatie. Geleidelijk
aan kreeg hij de indruk dat in studies die sociale facilitatie opleverden, altijd gedrag gemeten
werd dat gemakkelijk was voor de deelnemende mensen of dieren.
Performantie = gemakkelijk gedrag.
Leergedrag = gedrag dat het individu nog moet leren of aan het leren is.
Hypothese Zajonc = aanwezigheid van anderen veroorzaakt sociale facilitatie bij
performantie en sociale inhibitie bij leren.
Hypothese moet getoetst worden => In dit geval is onderzoek nodig waarin een specifiek
gedrag (a priori en op onbetwistbare gronden) als performantie dan wel als leren
bestempeld kan worden, zodat vooraf te voorspellen is of er volgens de getoetste hypothese
inhibitie of facilitatie moet optreden.
 Onderzoek van Zajonc et al. (1969): zie overzicht experimenten
 Zajonc en zijn medewerkers slaagden erin om 2 keer binnen 1 proefopzet zowel
sociale facilitatie en inhibitie aan te tonen, en dat telkens in de omstandigheden
waarin ze elk verschijnsel voorspeld hadden.
 Onderzoek van Schmitt et al. (1986): zie overzicht experimenten
Waarom sociale inhibitie en facilitatie?
Zajonc wilde ook weten waarom deze verschijnselen optreden. Hiervoor had hij 2 opties van
verklaringen:
1) Aparte verklaringen bedenken voor elk verschijnsel
2) Een gemeenschappelijke verklaring zoeken
Hij koos voor de tweede optie.
Stap 1: Sociale activering van de dominante respons
Sociale
aanwezigheid
Arousal
Uitbrengingskans
dominante respons
Arousal = verhoogde fysiologische activiteit.
De theorie zegt dat:
1) Het niveau van arousal verhoogt zodra het individu zich niet meer alleen in de ruimte
bevindt, maar in het gezelschap van een soortgenoot (‘socius’ of ‘sociale aanwezigheid’).
2) Verhoogde fysiologische activiteit de kans verhoogt dat een individu een dominante
respons uitbrengt.
Dominante respons = een prikkel kan ten gevolge van eerdere leerprocessen en van nature
meerdere reacties uitlokken.
 Kan compatibel (verenigbaar) zijn = ze worden tegelijk uitgebracht.
 Kan incompatibel (onverenigbaar) zijn = ze kunnen niet tegelijk optreden.
 Responscompetitie = als een individu geconfronteerd wordt met een prikkel die
incompatibele reacties uitlokt.
Stap 2: Identificatie van de dominante respons in leren en performantie
De tweede stap in de theorie is de analyse van leergedrag en performantie in termen van de
rol van dominante en ondergeschikte responsen erin.
Als iemand een gedrag goed beheerst => responsen verworven die nodig zijn om het gedrag
te vertonen => kans groter dat hij/zij die responsen gaat vertonen dan andere responsen
=>juiste responsen zijn dominant
Als iemand een gedrag (nog) niet goed beheerst => responsen die nodig zijn om dat gedrag
te vertonen nog niet dominant => de kans dat de juiste responsen vertoond worden is
kleiner dan dat de verkeerde responsen vertoond worden =>verkeerde responsen zijn
dominant
Leren
Verkeerde respons is dominant
Gedrag
Performantie
Juiste respons is dominant
Combinatie van sociale activering met identificatie van dominante respons
De combinatie van deze twee stappen zorgt ervoor dat sociale inhibitie en facilitatie samen
te verklaren zijn.
Dominante respons bij performantie is de juiste respons => activering = toename van juiste
responsen => performantie verbetert => sociale facilitatie
Juiste respons Activering
dominant
dominante
respons
Sociale facilitatie
Dominante respons bij leergedrag is de verkeerde respons => activering = toename van
verkeerde responsen => leren verslechtert => sociale inhibitie
Verkeerde respons
Activering
dominant
dominante
respons
Sociale inhibitie
Hypothetisch-deductieve toetsing van theorie van de sociale activering
Net zoals de theorie van aangeleerde machteloosheid is de theorie tegelijk abstracter en
analytischer dan de gedragsverschijnselen die de theorie beoogde te verklaren.
De aanwezigheid van anderen verhoogt de uitbrengingskans van dominante responsen
Volgens Zajonc: dominante respons wordt vaker vertoond in aanwezigheid van anderen, wat
het leren oplossen van een probleem bemoeilijkt en het uitvoeren van de associatietaak
faciliteert.
Het toetsen van de stelling gaat alleen als de onderzoeker:
1) Identificeert wat in een situatie de dominante respons is
2) Een valide meting bedenkt van de uitbrenging van deze dominante respons
Identificeren van de dominante respons
Onderzoeker kan dit op 3 manieren nagaan:
1) Per deelnemer meten wat zijn/haar responshiërarchie in een gegeven situatie is
 Tijdrovende bezigheid
 Per deelnemer verschillende responsen meten
2) Leerfase laten voorafgaan aan het onderzoek
 Leerfase moet bepaalde responsen dominant en andere ondergeschikt maken
3) Een stimulus aanbieden waarvan bekend is hoe de meeste deelnemers erop gaan
reageren
Zajonc gebruikt de tweede benadering in Zajonc en Sales (1966)
 Onderzoek van Zajonc en Sales (1966): zie overzicht experimenten
 Er is blijkbaar sociale activering van een dominante respons
 Er kan dus niet worden bepaald ‘hoe goed’ of ‘hoe slecht’ de dns presteren
 Onderzoek van Thomas et al. (2002): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Chapman (1973): zie overzicht experimenten
 Dit onderzoek wordt vaak beschreven als een studie over sociale facilitatie, terwijl
het correcter is om het te beschrijven als een studie over sociale activering van
dominante responsen.
De aanwezigheid van anderen verhoogt de fysiologische activiteit
Bij verhoogde fysiologische activiteit transpireren mensen meer, klopt hun hart sneller en
stijgt hun bloeddruk. Voor de toetsing van de theorie is het dan bijvoorbeeld mogelijk om na
te gaan of de transpiratie- of de hartslagmeting hogere waarden bereikt in sociale dan in
alleensituaties.
 Onderzoek van Martens (1969): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Bell et al. (1982): zie overzicht experimenten
Is ‘mere presence’ voldoende voor sociale activering, facilitatie en inhibitie?
Al vrij snel nadat Zajonc zijn theorie en eerste toetsingsexperimenten publiceerde, kwam er
kritiek omdat de uitgevoerde experimenten geen conclusie toelieten of het louter de
aanwezigheid van anderen maakte dat er arousal werd veroorzaakt.
 Onderzoek van Cottrell et al. (1968): zie overzicht experimenten
Opmerkingen bij het onderzoek van Cottrell et al. (1968)
 Conclusie: aanwezigheid van anderen niet voldoende is voor sociale activering, maar wel
de aanwezigheid van toekijkende anderen. Dit concept noemt hij evaluation
apprehension (evaluatievrees).
 Volgens hem is het de spanning die mensen voelen als ze menen dat anderen hen op
grond van hun gedrag beoordelen, die een verhoogde fysiologische activiteit veroorzaakt
en niet louter het feit dat anderen aanwezig zijn
 Het onderzoek van Cottrell lijkt een falsificatie van de gedachte dat ‘mere presence’
voldoende is voor verhoging van de uitbrengingskans van dominante responsen. Het is
een verklaring voor de onderzoeken van Zajonc.
 Het concept ‘evaluatievrees’ plaatsen tussen ‘sociale aanwezigheid’ en ‘arousal’ zorgt
voor een aantal implicaties:
 Het zou impliceren dat sociale facilitatie en inhibitie vooral bij niet-coactieve
anderen optreedt => hiervoor is echter geen evidentie
 Sociale facilitatie en inhibitie bij mensen op een andere manier verklaard moet
worden dan bij dieren => kritische analyse nodig
 Een nauwkeurige lezing van Cottrell et al. (1968) brengt aan het licht dat de
alleenconditie geen goede alleenconditie is. De afstand tussen dn en proefleider was niet
groter dan de afstand tussen dn en het publiek inde sociale condities. De alleenconditie
was dus eigenlijk ook een sociale conditie.
 ‘Mere presence’ moet ook gerealiseerd kunnen worden zonder dat het gepaard gaat met
‘evaluatievrees’ Dit kan op 2 manieren:
 Dierenonderzoek met dieren waarover onderzoekers het over eens zijn dat
evaluatievrees onwaarschijnlijk is en bij wie een alleenconditie goed realiseerbaar
is.
 Onderzoek doen bij mensen, maar ervoor zorgen dat de alleensituatie
onmiskenbaar een echte alleensituatie is en dat er een ‘mere presence’-conditie
is waarbij de dn zich niet geobserveerd kan voelen.
Is de sociale-activeringstheorie nu bewezen?
Een theorie is nooit ‘bewezen’; hoogstens kan een theorie falsificatiepogingen overleven. De
sociale-activeringstheorie is op dit ogenblik de theorie die de meeste falsificatiepogingen
overleefd heeft.
Impliciete sociale invloed: meerderheidsinvloed
*Solomon Asch had kritiek op onderzoek dat leek aan te tonen dat mensen zich vaak
gedragen als kuddedieren. Als je ergens niets vanaf weet, is de kans immers reëel dat er
onder de andere mensen zijn die er meer vanaf weten dan jijzelf. Als je hen dan gaat
napraten is dat geen conflict met wat je zelf denkt of wilt.
Asch veronderstelde dat als mensen geconfronteerd worden met een taak waarbij ze
zichzelf in staat achtten om een concreet oordeel te vellen of een juiste beslissing te nemen,
ze zich autonomer zouden gedragen dan in tot dan toe uitgevoerd onderzoek.
Het basisparadigma van Asch
 Onderzoek van Asch: zie overzicht experimenten
Informatieve invloed = gedrag van anderen als informatie gebruiken
Normatieve invloed = anderen volgen om aan de groepsnorm te voldoen en zo bij de groep
te blijven behoren.
Determinanten van sociale invloed
Als een onderzoeker iets vreemd vaststelt kan die meerdere dingen doen om tot een
verklaring te komen:
1) Achteroverleunen en door logisch redeneren een verklaring trachten te bedenken
 Begrensd door de intellectuele creativiteit en de literatuurkennis van de
onderzoeker
2) Dns vragen waarom ze gedaan hebben wat ze gedaan hebben of wat er had moeten
gebeuren opdat ze zich anders zouden gedragen.
 Zelfbeschrijvingen worden niet als valide beschouwd
 Kunnen toch onderzoekers inspireren over verklaringen
Asch volgde beide wegen.
Gelijk hebben of gelijk krijgen?
Asch verwachtte dat het voor mensen gemakkelijker zou zijn om bij hun standpunt te blijven
als ze verwachtten dat hun gelijk achteraf zou blijken.
 Variant 1 bij onderzoek van Asch: zie overzicht experimenten
 1 verandering: hij voegde toe dat op het einde alle dns feedback zouden krijgen
over de juiste of foute antwoorden
 Ook hier zeer veel fouten (36,7%) => ongeveer evenveel als zonder feedback
De steun van een geestesverwant?
Sommige dns zeiden dat de steun van 1 geestesverwant al genoeg zou zijn om bij hun eigen
oordeel te blijven.
 Is een vreemde redenering, want als het van iemand anders afhangt of je
‘autonoom’ oordeelt, is je oordeel niet meer autonoom maar afhankelijk van
het gedrag van die andere persoon
 Variant 2 bij onderzoek van Asch: zie overzicht experimenten
 1 pseudodn voor echte dn die altijd juiste antwoord geeft
 ‘Maar’ 5% foute antwoorden (nog steeds veel voor simpele taak)
 Het effect van geestesverwant bleef maar net zolang duren als die zich als
geestesverwant bleef gedragen
 Verklaringen:
1) Doorbreken van unanimiteit van de meerderheid
2) Het effect van een geestesverwant hangt dus niet cruciaal samen met
de sociale steun die een individu aan hem/haar ontleent, maar met het
doorbreken van de unanimiteit van de meerderheid.
3) Zodra het individu tegenover een duidelijk meerderheid stond, maakte
de groepsgrootte niet meer uit.
De doorslaggevende rol van de trivialiteit van een beoordelingstaak
Volgens de dns was het onderzoek hen ‘ter harte’ gegaan. Maar de spanning en de
eenzaamheid die de dns ervoeren, laten zien dat het hen wel degelijk iets kon schelen hoe ze
antwoordden en dat het conflict tussen wat ze konden waarnemen en wat de andere
groepsleden zeiden een pijnlijk innerlijk gevecht opleverde.
 Onderzoek van Nissani en Hoefler-Nisani (1992): zie overzicht experimenten
Impliciete sociale invloed: minderheidsinvloed
 Variant 3 bij onderzoek van Asch: zie overzicht experimenten
 15 echte deelnemers met 1 pseudodeelnemer (plaats 7)
 Niemand maakte fouten onder invloed psdn en niemand ging aan eigen oordeel
twijfelen
 Wel invloed op sociale gedrag: echte dns kijken verrast, maken opmerkingen,
uitlachen, …
 Interessant want:
1) Laat zien hoe mensen reageren op iemand die als enige een
minderheidsstandpunt inneemt
2) Toont aan hoe zelfverzekerd mensen kunnen beweren niet door anderen
beïnvloed te zijn, zelfs als ze dat wel zijn
Hoe kan een minderheid invloed uitoefenen?
Hoe is het mogelijk dat vernieuwende opvattingen zich in een samenleving verspreiden? Hoe
kan het dat er af en toe iets verandert in een samenleving?
*Serge Moscovici zei: er moeten omstandigheden zijn waarin minderheden op een of andere
manier vat kregen op het oordeel van de meerderheid. Zijn project was gericht op het
identificeren van die omstandigheden.
Theoretische analyse => normatieve en informatieve weg => privaat of publiek oordeel
 Wat een meerderheid zegt, kan bruikbare informatie opleveren die een individu kan
gebruiken om tot een oordeel te komen, en langs die weg een openlijk oordeel van dat
individu te beïnvloeden (informatieve invloed).
 Een meerderheid kan daarom invloed hebben op het overte oordeel van een individu
door het private oordeel van de minderheid te veranderen.
 Een minderheid kan zich ook overt door de meerderheid laten beïnvloeden zonder op
covert niveau het oordeel van de meerderheid over te nemen.
 Minderheidsinvloed kan enkel lans informatieve weg.
 Minderheidsstandpunt bevat informatie die de meerderheid niet (meer) kan negeren
 Minderheid kan invloed hebben op meerderheid dankzij een consequente gedragsstijl
Het basisparadigma van Moscovici
 Onderzoek van Moscovici et al. (1969): zie overzicht experimenten
 Het gaat om een verandering van het private oordeel en niet louter om een
verandering van het publieke oordeel
Meerderheid vs. Minderheid: fundamenteel verschillend?
Volgens Moscovici is een consequente gedragsstijl een specifieke determinant van
minderheidsinvloed. Dit impliceert dat die gedragsstijl bij een meerderheid van minder
belang is. Dit komt niet overeen met de resultaten van Asch.
 Dat een meerderheid wel en een minderheid niet de macht heeft om iemand uit
te sluiten lijkt vrij waarschijnlijk
 Over het algemeen is meerderheidsinvloed in private omstandigheden inderdaad
geringer dan in publieke omstandigheden
 Meta-analyse van Wood et al. (1994): ook in private omstandigheden heeft een
meerderheid meer invloed dan een minderheid
 Onderzoek van Weaver et al. (2007): zie overzicht experimenten
 Het lijkt er dus op dat het horen herhalen van (argumenten voor) een standpunt
de indruk wekt dat meer groepsleden het standpunt delen.
 Een minderheid die een consequent standpunt inneemt kan met andere
woorden klinken als een grotere groep.
Expliciete sociale invloed: het inwilligen van verzoeken
*Stanley Milgram had kritiek op onderzoek van Asch: zijn taak was te triviaal waardoor het
de dns onverschillig liet of ze juist oordeelden.
 Milgram neemt de studies van Asch over: taak waarin mensen het echt belangrijk vinden
om juist te oordelen
 Milgram vroeg zich af of Europeanen evenveel conformisme vertonen als Amerikanen
 Besluit impliciete sociale invloed te bestuderen in een situatie waarin mensen een
moreel gewichtige beslissing moeten nemen, waarvan mag aangenomen worden dat
die beslissing hen persoonlijk raakt.
 Mensen confronteren met iemands verzoek om een medemens te martelen
 Zoals velen worstelde Milgram met de vraag hoe het mogelijk was dat mensen
onschuldige medeburgers zozeer ontmenselijkten, dat ze hen als een ‘op te lossen
probleem’ gaan beschouwen. (tijdens WOII)
 Tijdens de processen in Neurenberg tegen oorlogsmisdadigers beweerden meerdere
nazi’s dat ze ‘alleen maar bevelen uitvoerden’.
 Milgram wilde aan tonen dat mensen in de ‘juiste’ omstandigheden verbijsterend ver
gaan in het martelen van een medemens.
 Voorproeven: te goed gelukt.
 Al zijn dns gingen door met folteren tot de proefleider hen stopte
 Selecte groep van zeer ambitieuze en competitieve studenten
 Geen variabiliteit in foltergedrag
 Vervolgonderzoek:
 Meer representatieve steekproef
 Folteren geloofwaardiger
 Sommige ingrepen moesten de kans verminderen dat de dns zouden
blijven folteren, terwijl andere die kans juist moesten verhogen.
 Karig met informatie
 *Obedience to authority (Milgram, 1974): beschreef zijn methode niet altijd precies
 Omdat de analyse van die documenten zo’n ander beeld van de milgramstudies heeft
opgeleverd dan het beeld dat de meeste onderzoekers tot dan toe hadden, is er de
laatste jaren een nieuwe stroom publicatie op gang gekomen over Milgram en diens
onderzoek. => special issue in tijdschrift Theory and Psychology
Het basisparadigma van Milgram en het ‘finale vooronderzoek’
 Onderzoek 1 van Milgram: zie overzicht experimenten
De ‘officiële’ Milgramstudies
 Onderzoek 2 van Milgram: zie overzicht experimenten
De psychologische nabijheid van de leerling
Psychologische nabijheid = de mate waarin de leraar via diverse zintuigen de door de
leerling gegenereerde prikkels kan waarnemen.
 Variant 1


In publicaties: meesten vertonen tekenen van grote spanning; zweten,
beven, stotteren, kreunen, op lippen bijten, nagels in vlees drukken
Toont aan dat de situatie realistisch was
De kwetsbaarheid van de leerling
 Variant 2
Het geslacht van de deelnemers
Meeste dns waren mannen. Ook studies met vrouwen. Resultaten waren vrijwel identiek.
De uitstraling van leerling en opdrachtgever
Lees p188-189
De psychologische nabijheid van de proefleider
 Variant 3
 Studie 1: Sommigen gaven minder ernstige schokken dan ze volgens de
instructies moesten doen en verzwegen dat voor de proefleider
De veiligheidsgarantie van Yale?
 Variant 4
 Het foltergedrag van de dns in de oorspronkelijke proeven was niet
uitsluitend toe te schrijven aan hun vertrouwen in Yale University
Een impliciet sociaal contract?
Veel dns die tot het maximum gingen, verklaarden hun gedrag door achteraf te zeggen dat
alle betrokkenen volwassen waren, die hadden afgesproken mee te doen aan het
onderzoek.
 Variant 5
De inhoud van instructies
 Variant 6
Welk verzoek of wiens verzoek?
Waar komt het machtsoverwicht vandaan?
 Variant 7
 Variant 8
 Variant 9
 Variant 10

Proefleider die door speling van het lot gedegradeerd wordt tot
slachtoffer, wordt behandeld alsof hij van begin af aan niets te zeggen had

Immorele verzoek heeft een grotere invloed dan een beroep op
menselijkheid
 Variant 11
Ik ben maar een radertje…
 Variant 12
 Variant 13
 Variant 14
De ‘verdwenen’ Milgramstudies
Er moeten meer studies zijn waarover Milgram nooit publicaties heeft uitgevoerd.
 Variant 15
Hij gebruikte ook dezelfde gegevens in meerdere artikelen zonder expliciet mee te delen dat
hij bestaand materiaal hergebruikte. Er is een zekere ambiguïteit in de interpretatie van de
resultaten.
Andere ethische vragen over de Milgramstudies
 Sommige dns vertoonden extreme tekenen van spanning (werd echter gedenigreerd in
publicaties).
 Weleens geopperd dat Milgram daar niet verantwoordelijk voor is, maar
geldt alleen voor zijn eerste studies
 Om juridische problemen voor te zijn: liet dns een verklaring tekenen
waarin ze de universiteit ontsloegen van elke rechtsvervolging vanwege de
mogelijke nadelige gevolgen van hun deelname.
 Tijdens de studies kon een dn niet zomaar stoppen. Zodra een dn vertelde dat hij/zij
wilde stoppen, kreeg die eerst de 4 aansporingen. Dit werd herhaald per stap.
 Sommige dns kregen helemaal geen debriefing
Milgrams documentaire
 Beweerde tegenover NSF dat hij de documentaire wilde maken om toekomstige
onderzoekers te helpen die zelf vervolgonderzoek wilden doen.
 Tijdens of na het draaien van de beelden kreeg Milgram een ander doel: de
medewerkers van NSF overtuigen van de waarde van zijn onderzoek.
 Geen evenwichtige en authentieke registratie van onderzoeksprocedure.
 Selecteerde de dns zorgvuldig zodat ze voor hem het gewenste gedrag vertoonden.
 Gina Perry: Film is louter propaganda. De documentaire is een nieuwe vorm van
misleiding.
Conceptuele replicaties van het Milgramonderzoek
 Meeus en Raaijmakers (1986,1995): zie overzicht experimenten
 Meeus en Raaijmakers (Experiment 1): zie overzicht experimenten
 Meeus en Raaijmakers (Experiment 2): zie overzicht experimenten
 Brief et al. (2000): zie overzicht experimenten
 Toont dat het nog steeds mogelijk is om onderzoek te doen over het
inwilligen van verzoeken van partijen met tegenstrijdige belangen, zelfs als
een van de partijen een verzoek formuleert dat immoreel genoemd kan
worden.
 Beauvois et al. (2012): zie overzicht experimenten
Naar een verklaring?
 Tegenwoordig wordt van onderzoekers verwacht dat ze een theoretische verklaring (of
een aanzet daartoe) voorstellen van hun bevindingen. Het onderzoek levert pas een
zinvolle bijdrage als het aantoonbaar deel uitmaakt van de empirische cirkel.
 Volgens Milgram kan een mens op 2 manieren functioneren:
1) Als autonoom individu
2) Als uitvoerder (agent)
De gewone manier van handelen is als autonoom individu, maar dat kan onder de invloed
van prikkels in de omstandigheden omslaan naar de toestand waarin iemand zich beschouwt
als uitvoerder = agentic shift
De agentic shift kan ontstaan wanneer mensen in volgende situatie terechtkomen:
1) Verwachten dat iemand de leiding neemt
2) Deze persoon waargenomen wordt als iemand die in de gegeven omstandigheden in de
positie is om leiding te nemen
3) Ze zichzelf definiëren als behorend
4) De doelstellingen van de leiding-nemende in een zinvol breder kader passen
5) De richtlijnen van de leiding-nemende inhoudelijk passen in zijn rol
Als gevolg van de agentic shift gaan mensen:
1) Aannemen dat ze alleen verantwoording schuldig zijn aan diegene wiens wensen ze
uitvoeren
2) Hun aandacht alleen focussen op aspecten van de situatie die relevant zijn voor het
uitvoeren van de richtlijnen
3) Zich niet verantwoordelijk achten voor de gevolgen van hun daden
4) Ervan uitgaan wat ze doen irrelevant is voor hoe ze zichzelf zien
 Eenmaal in de uitvoerdersmodus is het moeilijk om eruit te stappen omdat dit een
desavouering van de leider impliceert.
 Agentic shift wordt makkelijker ongedaan gemaakt als de leerling psychologisch nabij
is
 Onderzoek van Reicher et al. (2011 en 2012): zie overzicht experimenten
Milgram en de Holocaust
Het onderzoek van Milgram is weleens voorgesteld als onderzoek dat licht wierp op de
Holocaust en meer bepaald op de vraag waarom ‘gewone’ mensen anderen gruwelijke
dingen konden aandoen.
Impliciete en expliciete invloed: fundamenteel verschillend?
Volgens Milgram is er een fundamenteel verschil tussen conformisme (impliciete
meerderheidsinvloed) en gehoorzaamheid (expliciete meerderheidsinvloed):
1) Rol van hiërarchie: impliciete beïnvloeding gebeurt tussen gelijken, expliciete in een
hiërarchie
2) Rol van imitatie: impliciete houdt imitatie in, expliciete niet
3) Zelf gerapporteerde sociale druk: als mensen zich impliciet laten beïnvloeden,
onderschatten ze die invloed; bij expliciet is het voor henzelf duidelijk dat ze onder
externe druk stonden.
Volgens Milgram was die laatste reden de belangrijkste. Ze deden immers wat de proefleider
vroeg.
 Onderzoek van Pronin, Berger en Molouki (2007, Experiment 2): zie overzicht exp.
Slotbeschouwing
 Relativering
 Sociale invloed in heel veel omstandigheden ook ten goede werkt: een artiest of atleet
kan met publiek nog beter presteren dan tijdens uren van eenzame studie en training.
 Het verschijnsel dat mensen elkaar nadoen heeft ook zijn nut: alleen zo kunnen ze
immers leren door observatie en zo hun eigen en elkaars leven aangenaam maken.
Hoofdstuk 4: Attitudes
Inleiding
Attitude = een evaluatieve houding, bestaand uit een cognitief en een affectief aspect,
tegenover iets
 Cognitief aspect = wat iemand over het attitudeobject weet of meent te weten
 Affectief aspect = de positieve of negatieve gevoelens die het attitudeobject bij een
individu oproept.
 Eender welk identificeerbaar element in iemands leefomgeving kan het voorwerp
vormen van een attitude (en dus een attitudeobject zijn).
 Voorbeelden: tastbare voorwerpen, levenswijzen, religieuze of
levensbeschouwelijke overtuigingen, kunstvormen, maatschappelijke
instituties, …
 De belangstelling van attitudes ontstond toen onderzoekers getroffen werden door de
soms opmerkelijke constantie van het evaluatieve gedrag van mensen tegenover
objecten over situaties en tijdstippen heen, gecombineerd met grote individuele
verschillen tussen mensen.
 Terwijl vaardigheden en karaktertrekken geacht worden te beschrijven hoe een individu
‘op zichzelf’ is, worden attitudes geacht de houding weer te geven die het individu heeft
tegenover een bepaald object.
 De veronderstelling dat attitudes, eenmaal gevormd, langdurig blijven bestaan en niet
gemakkelijk veranderen, leidt bovendien tot de veronderstelling dat het zo mogelijk is
gedrag op vrij lange termijn te voorspellen. Meer nog, een verandering in een attitude
zou ook het gedrag veranderen (de ‘mentaliteitswijziging’ die tot gedragsverandering
leidt)
 Psychologen zijn vooral geboeid door de vraag hoe attitudes ontstaan, door welke
mechanismen ze veranderen, en hoe ze zich verhouden tot waarneembaar gedrag
De (voorspellende waarde van) metingen van attitudes
Het probleem met attitudes is dat ze covert zijn en dus niet rechtstreeks te observeren voor
anderen dan de persoon die de attitude heeft.
Dat betekent dat het gedraging moet betreffen die bepaald worden door de attitude en niet
door andere gedragsdeterminanten.
De mening van attitudes door zelfbeschrijvingen
Zelfbeschrijvingen kunnen op verschillende manieren gevraagd worden, maar
gemeenschappelijk aan alle metingen is dat ze een beroep doen op wat respondenten
verbaal meedelen.
Maar: zijn zelfbeschrijvingen van attitudes wel beïnvloed door attitudes en alleen daardoor?
Volgende (betwistbare) veronderstellingen zijn waarom zelfbeschrijvingen attitudes zouden
weerspiegelen:
1) Mensen weten wat hun attitude is
 Over sommige attitudeobjecten weten we niet goed wat we ervan vinden of
hebben we er nog nooit over nagedacht
2) Ze zijn bereid hun attitude mee te delen
 Zelfs als mensen weten wat hun attitude is, staat het niet vast dat ze die aan
de onderzoekers willen meedelen (omdat er vb. een sociale norm rond
bestaat = sociaal wenselijkheidseffect).
3) Naast de attitude zijn er geen andere gedragsdeterminanten van de zelfbeschrijvingen
 Kans op vraageffect: respondenten vermoeden soms wat de onderzoekers
willen onderzoeken en gaan daardoor op een andere manier antwoorden
 Zelfbeschrijvingen als metingen berusten op veronderstellingen die niet altijd geldig
zijn.Waarom kunnen zelfbeschrijvingen wel handig zijn? Om menselijk gedrag te
begrijpen en weten waarom mensen bepaalde dingen tegen en over zichzelf en anderen
zeggen
 Zelfbeschrijvingen kunnen evaluatief niet-verbaal gedrag tegenover attitudeobjecten
vaak niet of nauwelijks voorspellen.
Attitudes en gedrag
Enkele bezwaren rond attitudes:
1) Er is geopperd dat niet algemene attitudes tegenover attitudeobjecten iemands
gedragingen voorspellen, maar wel attitudes tegenover die concrete gedragingen zelf.
 Zodra een onderzoeker per te voorspellen gedrag een attitude moet gaan
meten, verliest het concept die kracht.
2) Attitudes voorspellen het gedrag enkel in samenhang met andere
gedragsdeterminanten, voornamelijk:
 Subjectieve norm over het gedrag = welk gedrag anderen wenselijk lijken te
achten, gewogen in functie van hoe belangrijk het individu hun mening acht
 Subjectieve macht over het gedrag = de mate waarin het individu meent het
gedrag naar eigen wens te kunnen uitbrengen en hindernissen te kunnen
overwinnen.
 Hoe meer determinanten er in de gedragsvoorspelling moeten worden
betrokken, hoe minder er overblijft van de veronderstelde eenvoud van een
attitudebenadering van gedrag.
Er zijn 2 mogelijkheden:
1) Ofwel zijn metingen van attitudes ondanks alle kritische overwegingen valide, maar
vormen ze geen belangrijke determinant van niet-verbaal gedrag
2) Ofwel zijn attitudes misschien wel belangrijke determinanten van niet-verbaal gedrag,
maar vormen zelfbeschrijvingen geen goede meting ervan.
Indirecte meting van attitudes
Andere vormen van zelfbeschrijvingen:
1) Sommige onderzoekers nemen in hun vragenlijst een leugenschaal of een sociale
wenselijkheidsschaal op.
2) Bogus pipeline = mensen worden in de wan gebracht dat de onderzoekers middelen
hebben om na te gaan dat hun antwoorden oprecht zijn
Uiteindelijk is men op zoek gegaan naar andere metingen die niet berust zijn op
zelfbeschrijvingen: indirecte metingen.
Indirecte meting = meten impliciete attitudes
Verschil impliciete en expliciete attitudes:
 Impliciete attitudes = attitudes waarvan mensen zich niet realiseren dat ze
die hebben
 Expliciete attitudes = attitudes waarvan mensen zich bewust zijn en die ze
kunnen rapporteren.
 Als indirecte metingen andere attitudes aan het licht brengen dan zelfbeschrijvingen,
dan kan dat er inderdaad op wijzen dat er attitudes of aspecten van attitudes zijn waar
mensen geen rekenschap van geven en dus niet kunnen rapporteren.
 De uitkomsten van indirecte metingen zijn te ambigu om ze zonder meer ‘impliciete
attitudes’ te noemen
 Sommige indirecte metingen maken gebruik van kennis over fysiologische processen,
andere van kennis over hoe mensen informatie verwerken.
Affective priming test
Een van die laatste categorie noemt de: affective priming test (APT)
De APT steunt op het verschijnsel dat als mensen nieuwe informatie verwerken ze dat
gemakkelijker en sneller doen als ze net tevoren met gerelateerde informatie bezig waren.
 Onderzoek van Fazio et al. (1995): zie overzicht experimenten
 Wat te onderzoeken valt is of scores op de ATP gedragingen voorspellen die theoretisch
afhangen van attitudes en of ze dat beter doen dan zelfbeschrijvingen.
 Sinds het eerste onderzoek over ATP zijn er allerlei varianten van de test ontwikkeld
 De onderzoekers vergelijken dan de responstijden bij de combinaties van te
beoordelen/lezen/bekijken prikkels en voorafgaande items in plaats van
veranderingen in responstijden
Attitudes en gedrag ‘revisited’
Scores op ATP voorspellen soms niet-verbale overte gedragingen die scores op vragenlijsten
niet kunnen voorspellen.
Bij de eerste studies met de ATP:
 Dns kwamen bij het verlaten van het laboratorium zwarte onderzoeker tegen (die
niet wist hoe ze gescoord hadden) en die met elke dn een kort gesprek aanknoopte
 De ATP-score voorspelde deze vriendelijkheid significant, terwijl de score op een
eveneens ingevulde racismevragenlijst dat niet deed
 Ook gezichten beoordelen: zwarte personen minder aantrekkelijk. Scores op de ATP
voorspelden de beoordeling niet
 Het lijkt er dus op dat gedragingen die zelf een zelfbeschrijvingscomponent
bevatten beter te voorspellen zijn door zelfbeschrijvingen, en dat andere
gedragingen te voorspellen zijn door indirecte metingen
 Ten slotte is het zo dat sociale wenselijkheid en vraageffecten antwoorden op
vragenlijsten soms mee beïnvloeden, maar niet volledig bepalen.
 Veel onderzoekers suggereren daarom dat een goede gedragsvoorspelling vooral
mogelijk is met een combinatie van directe en indirecte metingen.
De vorming van attitudes
De overgrote meerderheid van onderzoekers neemt aan dat attitudes ontstaan door een
leerproces. Dit leerproces kan allerlei vormen aannemen: propositioneel leren, expliciete of
impliciete sociale beïnvloeding, eigen ervaringen met het attitudeobject of zelfs eigen
gedragingen tegenover het attitudeobject.
Evaluatief leren
Signaal leren = vorm van klassieke conditionering waarbij een individu, door het verschijnsel
dat een neutrale prikkel een aantal keren samen optreedt met een belangrijke want
betekenisvolle gebeurtenis, leert dat de neutrale prikkel de gebeurtenis voorspelt.
Evaluatief leren = vorm van klassieke conditionering waarbij een neutrale prikkel een
evaluatieve betekenis verwerft doordat hij een aantal keren samengaat met een
betekenisvolle gebeurtenis.
 Betekenisvolle gebeurtenis = een onvoorwaardelijke prikkel
 Op het moment dat iemand het verband geleerd heeft tussen de neutrale prikkel en
de onvoorwaardelijke prikkel => neutrale prikkel lokt een gedrag uit die hij eerder
niet uitlokte => neutrale prikkel is nu een ‘voorwaardelijke prikkel’ geworden =>
voorwaardelijke prikkel krijgt betekenis doordat hij is samengegaan met de
onvoorwaardelijke prikkel.
Onderscheid tussen signaalleren en evaluatief leren:
1) Verschillende functies in het gedrag:
 Signaalleren: een individu leert belangrijke gebeurtenissen te voorspellen en
zich erop voor te bereiden. Vanuit biologisch oogpunt is hoe mensen met de
onvoorwaardelijke prikkel omgaan.
 Evaluatief leren: Een individu leert gebeurtenissen te vermijden of op te
zoeken. Levert ook biologische voordelen op.
2) Beiden verlopen gemakkelijker naarmate de contiguïteit tussen de aanvankelijk neutrale
prikkel en de belangrijke gebeurtenis sterker is.
3) Contingentie:
 Signaalleren: logische samenhang is nodig.
 Evaluatief leren: logische samenhang is niet of in mindere mate nodig.
4) Als een prikkel een belangrijke gebeurtenis goed voorspelt, leert het individu niet meer
gemakkelijk dat er andere prikkels die gebeurtenis ook kunnen voorspellen.
 Signaalleren: blokkering treedt op.
 Evaluatief leren: blokkering treedt niet op.
 Evaluatief leren lijkt een zeer algemene determinant van attitudes tegenover
uiteenlopende attitudeobjecten.
 Evaluatief leren is onder meer van invloed op hoe mensen andere mensen en groepen
mensen zien, maar ook hoe ze producten en kenmerken evalueren.
 Ten slotte is een via evaluatief leren ontwikkelde of veranderde attitude vrij robuust,
in de zin dat ze niet zo gemakkelijk weer verandert onder invloed van latere
ervaringen.
 Onderzoek van Baeyens et al. (1990): zie overzicht experimenten
 Ontwikkeling van attitudes tegenover mensen
 Onderzoek van Olson en Fazio (2006, studie 2): zie overzicht experimenten
 Evaluatief leren kan ook bijdragen aan de verandering van bestaande
attitudes
 Prikkelveralgemening: het leerproces beïnvloedt de evaluatieve betekenis
van prikkels die lijken op de prikkels die in het leerproces betrokken waren,
maar die tijdens het leerproces zelf niet optraden.
 Evaluatief leren kan plaatsvinden zonder dat het lerende individu zich bewust is van
het samen optreden van de neutrale en de onvoorwaardelijke prikkel.
 Consensus over de gedachte dat contingentie niet nodig is voor evaluatief leren, en a
fortiori de perceptie van contingentie niet.
Contactconditionering
Contactconditionering = ‘mere exposure’ = wanneer een potentieel attitudeobject vrij
nieuw is voor het individu, en niet van meet af aan sterke reacties uitlokt bij het individu,
kan herhaalde blootstelling eraan voldoende zijn om een gunstige attitude tegenover het
object te laten ontstaan.
Baanbrekende demonstraties van ‘mere exposure’
 Onderzoek van Zajonc (Experiment 1, 2 en 3): zie overzicht experimenten
 Experiment 1: Het ‘mere exposure’-effect trad met andere woorden sterker
op bij nieuwe prikkels; nadien waren er steeds meer bijkomende
aanbiedingen nodig om even grote veranderingen in de beoordeling uit te
lokken.
‘Mere exposure’ is geen artefact
De artefactverklaring impliceert dat ‘mere exposure’ alleen optreedt:
1) Bij mensen
 Ook allerlei zoogdieren vertonen ‘mere exposure’-effecten
2) Als de aanbiedingsfrequentie binnen ppn wordt gemanipuleerd en alleen als de dns zich
bewust zijn van de verschillende frequenties
 Onderzoek van Moreland en Bach (1992): zie overzicht experimenten
 Meta-analyse: effecten in deze gevallen doorgaans sterker zijn dan als de
mensen zich bewust zijn van de verschillende frequentie waarmee ze de
attitudeobjecten waren tegengekomen
 Onderzoek van Zajonc et al. (2000): zie overzicht experimenten
3) Als attitudes gemeten worden via zelfbeschrijvingen of andere gedragingen die dns
willekeurig kunnen aanpassen
 Onderzoek van Harmon-Jones en Allen (2001): zie overzicht experimenten
 Suggereert: herhaalde aanbieding tot een verhoging van positieve affectieve
reacties leidt, maar niet tot een afname van negatieve affectieve reacties.
‘Mere exposure’ buiten het laboratorium: van het genieten van kunst tot in het stemhokje
 Onderzoek van Cutting (2003): zie overzicht experimenten
 Schilderijen die door de meeste mensen uitgesproken lelijk worden gevonden
na herhaaldelijke projecties in de pauzes van colleges worden door de
aanwezige studenten als nog lelijker beoordeeld dan zonder herhaaldelijke
projectie.
Verschillende auteurs hebben hoge positieve relaties gerapporteerd tussen de frequentie
waarmee politieke kandidaten in de media komen en hun succes bij verkiezingen.
 Onderzoek van Schaffner et al. (1981, studie 2): zie overzicht experimenten
Kenmerken van ‘mere exposure’
‘Mere exposure’ is niet beperkt tot enkel visuele waarneming. Het is ook aangetoond bij
smaken, tactiele informatie en auditieve informatie.
 Onderzoek van Mita et al. (1977): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van de Zilva et al. (2013, experiment 1): zie overzicht experimenten
 Het weglaten van een contextprikkel verstoorde het ontstaan van ‘mere
exposure’ dus niet, maar het veranderen van de contextprikkel deed dat
wel.
Naar een verklaring
Een toetsbare predictie is dat ‘mere exposure’ alleen optreedt als de herhaalde aanbieding
in aangename omstandigheden plaatsvindt. Vindt ze in onaangename omstandigheden
plaats, dan zou een omgekeerd effect moeten optreden.
 Onderzoek van Saegert et al. (1973): zie overzicht experimenten
 Experimenten waarin evaluatief leren van ongunstige attitudes succesvol
verloopt, scheppen blijkbaar omstandigheden waarin het evaluatieve
leerproces sterker is dan contactconditionering.
Volgens Harrison: neemt responscompetitie bij herhaald contact af omdat een
respons(categorie) dominant wordt. De onaangename spanning neemt af, wat ertoe leidt
dat aan het attitudeobject meer aantrekkelijkheid wordt toegeschreven.
Uit deze hypothese vallen allerlei toetsbare hypothesen uit af te leiden:
 Responscompetitie leidt tot een negatieve evaluatie van prikkels.
 Herhaaldelijk getoetst en falsificatiepogingen doorstaan
 Nieuwe prikkels lokken responscompetitie uit, die met herhaald contact daalt.
 Herhaaldelijk getoetst en falsificatiepogingen doorstaan
 Nieuwe prikkels lokken negatieve evaluaties uit.
 Als ‘mere exposure’ vooral optreedt ten aanzien van aanvankelijk neutrale
objecten, hoezo kan dan worden beweerd dat de initiële attitude negatief
was en dat dit essentieel is bij het ontstaan van ‘mere exposure’-effecten?
 En hoe zou ‘mere exposure’ ontstaan bij zeer jonge kinderen en dieren, voor
wie er toch ooit een echte ‘eerste keer’ is voor objecten en kenmerken van
objecten?
 Een afname van responscompetitie leidt tot minder negatieve evaluatie.
 Herhaaldelijk getoetst en falsificatiepogingen doorstaan
 De positievere evaluatie van herhaald aangeboden prikkels is het gevolg van een daling
van die negatieve evaluatie.
 Herhaald contact doet een indicator van positief affect toenemen, maar doet
een indicator van negatief affect niet toenemen.
Processing fluency =
1) Herhaal contact met prikkels vergemakkelijkt de verwerking van informatie over die
prikkels
2) Vlotte informatieverwerking, vooral als die nog vlotter is dan het individu verwacht
had, is hedonistisch niet neutraal, maar lokt een positief affect uit.
‘Processing fluency’ verklaart waarom ‘mere exposure’ sterker is bij subliminale dan bij
supraliminale aanbiedingen.
 Als mensen beseffen dat ze een attitudeobject herhaaldelijk zijn
tegengekomen, verrast het hen niet dat ze informatie over dat object vlot
kunnen verwerken. Deze vlotte informatieverwerking lokt daardoor niet
zoveel positief affect uit als wanneer ze als een verrassing komt.
 Voor zover een positief affect optreedt, gaan mensen het niet zo gemakkelijk
toeschrijven aan de aantrekkelijkheid van het attitudeobject zelf, want ze
beseffen dat het aangename gemak veroorzaakt is door gewenning.
Verklaart ook effecten van andere determinanten, waarvan aan te nemen is dat ze de
informatieverwerking vergemakkelijken.
Het is dus een spaarzame interpretatie, want ze verklaart aan de hand van een beperkt
aantal concepten een breed scala aan verschijnselen.
Een speciaal geval van contactconditionering: het waarheidseffect
Is het zo dat mensen een bewering waaraan ze vaker blootgesteld zijn, daardoor meer waar
vinden?
In studies over het waarheidseffect:
Dns lezen/horen een aantal beweringen => weer beweringen => beoordelen of beweringen
waar of vals zijn =>Van beweringen die al aangeboden zijn, denken dns vaker dat ze waar
zijn dan van nieuwe beweringen.
 Onderzoek van Begg en Armour (1991, studie 1): zie overzicht experimenten
 Toont aan dat iemand een reputatie kan krijgen door beweringen over de
verachtelijke of grootse daden die hij/zij niet heeft vertoond.
Het is een open vraag of iemand ook een reputatie kan krijgen op grond van voorspellingen
over de verachtelijke of grootse daden die hij/zij in de toekomst vermoedelijk niet zal
vertonen.
Hoe kan het waarheidseffect worden verklaard?
1) Zoals bij affectieve mere exposure-effecten speelt ‘cognitive fluency’ een rol.
2) Speelt ook mee dat mensen zich doorgaans beter herinneren wat ze gehoord/gelezen
hebben dan van wie of waar ze het gehoord/gelezen hebben.
Herhaling kan de indruk wekken dat meerdere mensen die bewering onderschrijven, wat
de bewering geloofwaardiger doet lijken.
Attitudeverandering via gedragsverandering
Onderzoekers hebben zich al vroeg gebogen over de mogelijkheid dat gedragingen op hun
beurt attitudes beïnvloeden.
Cognitieve-consistentietheorie = gaat ervan uit dat mensen het onprettig vinden
tegenstrijdigheden te ervaren tussen de elementen in wat ze over zichzelf en/of de wereld
om hen heen menen te weten.
Een mogelijkheid om de tegenstrijdigheid op te heffen, is de attitude veranderen. Als dat
gebeurt is de attitudeverandering een gevolg van overt gedrag.
De bekendste cognitieve-consistentietheorie is de cognitieve-dissonantie-theorie van
Festinger.
De cognitieve-dissonantietheorie
Uitgangspunt = dat iemands kennis een systeem is van cognitieve elementen (cognities).
Cognities zijn de kleinste eenheden van kennis die op zinvolle wijze te identificeren zijn.
Sommige cognities gaan over het zelf, andere over de sociale of niet-sociale buitenwereld.
De relatie tussen 2 cognities kan op 3 manieren:
 Irrelevant = als uit de ene cognitie niets volgt ten aanzien van het andere
 Consonant = als uit de ene cognitie logischerwijze de andere volgt
 Dissonant = als uit de ene logischerwijze het tegengestelde van het andere
volgt
 In iemands cognitieve systeem onderhouden de meeste cognities uiteraard relaties met
meer dan 1 andere cognitie. Rond elk van die twee cognities hangt een cluster van
cognities.
 Een belangrijke veronderstelling van de theorie is dat de cognitieve dissonantie aversief
is.
 Een voor de hand liggende hypothese = dat mensen zich ongemakkelijk voelen bij een
voldoende sterke dissonantie tussen twee clusters van cognities, en dat dit ongemak
verdwijnt door attitudeverandering.
 Er zijn ook andere hypothesen uit af te leiden:
1) Als mensen ertoe verleid worden om gedrag te vertonen dat tegen hun attitude ingaat,
zullen ze hun attitude bijstellen zodat deze attitude meer conform wordt met het
gedrag.
2) Dit treedt des te meer op naarmate het gedrag minder beloond werd.
3) Als mensen een onherroepelijke keuze maken tussen objecten die allebei aantrekkelijke
kanten hebben, zullen ze het niet-gekozen object devalueren en het gekozen object
opwaarderen.
4) Dit verschijnsel is sterker naarmate de keuze moeilijker was
5) Als mensen een gedrag nalaten omdat ze weten dat het bestraft wordt, zijn ze na het
wegvallen van de strafdreiging meer geneigd het gedrag te blijven nalaten naarmate de
strafdreiging kleiner was.
Onderzoek geïnspireerd door de cognitieve-dissonantietheorie
Leidt tegenattitudinaal gedrag tot attitudeverandering?
 Onderzoek van Festinger en Carlsmith (1959): zie overzicht experimenten
Leidt het maken van een keuze tot de re-evaluatie van de opties?
 Onderzoek van Brehm (1956): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Gawronski et al. (2007, experiment 1): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Coppin et al. (2010): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Egan et al. (2007): zie overzicht experimenten
In het begin van de 21ste eeuw is een methodologische kritiek geopperd op postdecisiereevaluatie-experimenten:
 Houdt in dat mensen na een moeilijke keuze de keuzeopties helemaal niet reevalueren
 Wat bij de tweede attitudemeting tot uiting komt, zou een vooraf bestaande
voorkeur zijn die bij de eerste attitudemeting nog niet helemaal tot uiting was
kunnen komen (vb. omdat de mensen moesten wennen aan de meetschaal).
 Bovendien speelde mee dat dns het maken van een keuze eigenlijk een
bijkomende attitudemeting doorliepen. De tweede meting was dus eigenlijk
de derde meting.
 Attitudeonderzoekers publiceren weerwoord in sociaalpsychologisch
tijdschrift
 Allerlei onderzoeksopzetten om de geldigheid van de kritiek te toetsen





Onderzoek van Shultz et al. (1999): zie overzicht experimenten
Onderzoek van Sharot et al. (2010, experiment 1): zie overzicht experimenten
Onderzoek van Sharot et al. (2010, experiment 2): zie overzicht experimenten
Onderzoek van Sharot et al. (2010, experiment 3): zie overzicht experimenten
Onderzoek van Egan et al. (2010): zie overzicht experimenten
Zelfperceptie, zelfaffirmatie en evaluatieve gedragsaansteking
Betekent dit dat de theorie bewezen is? Neen, theorie is nooit bewezen. Er zijn meerdere
alternatieven voorgesteld.
Zelfperceptietheorie
Zelfperceptietheorie = mensen leiden hun attitudes af uit hun gedrag, net zoals ze attitudes
van andere mensen afleiden uit het waarneembare gedrag van anderen.
 Als het om een gedrag gaat waarvan ze niet denken dat het door dwingende situationele
factoren uitgelokt is, kunnen ze afleiden dat ze ‘blijkbaar’ een bepaalde attitude hebben.
 Volgens de theorie is een onaangename tegenspraak tussen wat iemand over de eigen
attitude meent te weten en wat hij/zij over het eigen gedrag weet dus irrelevant voor de
mate waarin gedrag attitudeverandering veroorzaakt.
 Probleem: de zelfperceptietheorie maakt voor vele situatie exact dezelfde predicties als
de cognitieve-dissonantietheorie en dat maakt het moeilijk om de theorieën tegenover
elkaar af te zetten.
Zelfaffirmatietheorie
Zelfaffirmatietheorie = uitleggen waarom mensen ongemakkelijk worden van inconsistentie
tussen wat ze weten dat ze hebben gedaan en wat ze weten dat ze aan overtuiging
koesteren of verkondigen.
 Ook hier enkele predicties hetzelfde
 Interessant = de theorie doet een aantal voorspellingen over de omstandigheden waarin
consistenties tussen gedrags- en attitudecognities tot meer attitudeverandering leiden.
 Wie een hoge zelfwaardering heeft, of net aan de eigen kwaliteiten heeft gedacht,
vertoont vaak vleiende cognities over het eigen zelf.
Evaluatieve gedragsaansteking
 Bleek dat het door de theorie voorspelde effect van de grootte van de beloning op
attitudeverandering na tegenattitudinaal gedrag niet optrad als de beloning
verbijsterend groot was
 Tegenattitudinaal gedrag bleek ook tot indrukwekkende attitudeverandering te leiden
als mensen op eender welke manier van streek gemaakt werden.
 Het leidt weinig twijfel dat de ‘evaluatieve gedragsaanstekingshypothese’ een
mechanisme betreft dat in menselijk gedrag soms optreedt.
Slotbeschouwing
/
Hoofdstuk 5: Stereotypes
Wat zijn stereotypes?
Stereotype = een in het geheugen opgeslagen, georganiseerde en vereenvoudigde
verzameling kennis over een groep personen; soort theorie over een groep.
 Leden van een (sub)cultuur delen vaak stereotypes.
 In de praktijk: mensen hebben vooral stereotypes over opvallende groepen.
Asymmetrische stereotypering = over de groep die als ‘basislijn’ geldt ontstaan vaak minder
uitgesproken stereotypes dan over andere groepen.
Zelfstereotypering = zichzelf eigenschappen toewijzen op grond van hun stereotype van hun
eigen groep.
Stereotypes bevatten vele soorten informatie:
1) Declaratieve kennis: zowel informatie over de centrale tendens als over de variabiliteit
2) Affectieve reacties
3) Normatieve verwachtingen
 Stereotypes zijn niet foutief, maar stereotypes wekken meestal een foutieve indruk over
groepen omdat die tamelijk veel afwijken van de centrale tendens.
 Veel onderzoek gaat over hoe stereotypes het gedrag van mensen ten onrechte
beïnvloeden, wat de indruk kan wekken dat stereotypes altijd problematisch zijn.
 Stereotypes zijn vaak moeilijk te veranderen. => hoe komt dat?
Vooroordeel = als een oordeel over groepsleden louter of mede tot stand komt op grond
van een stereotype en niet of te weinig gebaseerd is op individuele gedragingen of
kenmerken.
Discriminatie = soms worden mensen op grond van hun groepslidmaatschap anders
bejegend dan mensen die tot andere groepen behoren.
Hoe zijn stereotypes te meten?
Stereotypes zijn covert en dus niet rechtstreeks waar te nemen.
2 soorten metingen mogelijk:
1) Affectieve priming test: (uit het hoofdstuk attitudes) Het attitudeobject is de groep en
de attitude is het affectieve aspect van het stereotype van die groep.
2) Impliciete associatietest
 Onderzoek van Greenwals et al. (1998): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Hein et al. (2011): zie overzicht experimenten
 Dns zagen mensen met mentale handicap negatiever
Waar komen stereotypes vandaan?
Het in stand houden van de maatschappelijke status quo
Soms komen stereotypes over sociale groepen andere groepen goed uit, omdat ze
rechtvaardiging bieden van maatschappelijke verhoudingen die deze andere groepen graag
in stand willen houden of die psychologisch ongemakkelijk onder ogen te zien zijn.
Stereotypes en de verwerking van informatie over personen
Wie het gedrag van mensen bestudeert, kan de indruk krijgen dat het doorgaans
overduidelijk is wat ze aan het doen zijn. In werkelijkheid komt er bij de identificatie van
gedrag heel wat interpretatie aan te pas.
Interpretatie is spontaan en vrijwel automatisch. Hierdoor hebben mensen te maken met
negatief realisme.
Negatief realisme = de neiging om te denken dat de waargenomen werkelijkheid de
objectieve werkelijkheid is.
Al deze interpretaties kunnen beïnvloed worden door stereotypes.
Stereotypes en de identificatie van gedrag
 Onderzoek van Plant et al. (2004, Experiment 1): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Duncan (1976): zie overzicht experimenten
Stereotypes bepalen mee hoe mensen gedrag verklaren
Mensen stellen zich vaak de vraag waarom andere (en zijzelf) doen wat ze doen.
 Onderzoek van Barrett en Bliss-Moreau (2009): zie overzicht experimenten
 Voor de hand liggende conclusie: als een vrouw en een man dezelfde emotie
(lijken te) vertonen, mensen de emotie van de vrouw meer verklaren op grond
van haar persoonlijkheid dan de emotie van de man.
Stereotypes bepalen mee hoe we mensen beoordelen
Assimilatie = als stereotypes mee bepalen wat mensen lijken te doen, hoe hun gedrag te
verklaren lijkt, en hoe waarnemers informatie aanvullen, ligt het voor de hand dat
stereotypes mee het oordeel bepalen dat waarnemers over mensen vellen.
 Onderzoek van Arbuckle en Williams (2003): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Biernat et al. (1991, Experiment 2): zie overzicht experimenten
 Verklaring waarom compliment soms denigrerend aanvoelt
Dat stereotypes als norm functioneren kan ervoor zorgen dat contrast optreedt in plaats van
assimilatie.
Contrast = als een groepslid in overdreven mate als afwijkend van de groep wordt gezien.
Stereotypes bepalen mee overt gedrag
Stereotypes bepalen op grond van hun invloed op hoe mensen informatie verwerken en op
grond van hun invloed op hoe mensen oordelen, ook hun gedrag tegenover anderen.
Mensen proberen ofwel niet te discrimineren ofwel te verbergen dat ze dat doen. => Wie de
‘werkelijke’ invloed van stereotypes op gedrag wil bestuderen, zal daarom vaak moeten
verbergen dat het onderzoek over stereotypes gaat.
 Onderzoek van Gabriel en Banse (2006): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Hebl et al. (2002): zie overzicht experimenten
Wanneer beïnvloeden stereotypes informatieverwerking, oordelen en gedrag?
Stereotypes niet (meer) kunnen of proberen te onderdrukken
Veel mensen denken dat het niet goed is stereotypes toe te passen op medemensen en
proberen veel stereotypes te onderdrukken in de omgang met anderen.
 Onderzoek van Darley en Gross (1983): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Macrae et al. (1994): zie overzicht experimenten
 Moreel krediet
 Onderzoek van Mullen en Monin (2001, Experiment 2): zie overzicht experimenten
 Het inzetten van moreel krediet treedt niet allen op stereotypering: “ik mag het
onnodig licht laten branden want ik heb geen droogkast”
 Gebruik van moreel krediet niet beperkt tot situaties van concrete gedragingen
meteen op elkaar volgen
 Dat mensen zich op grond van moreel krediet soms immoreel gedragen is iets
wat velen misschien herkennen.
Hoofdstuk 6: agressief gedrag
Inleiding
Onderscheid tussen ‘vijandige agressie’ en ‘instrumentele agressie’.
Wetenschappelijk gezien is het echter problematisch om een gedrag te definiëren in termen
van de achterliggende intentie.
Wie agressie definieert als ‘gedrag met de intentie om te schaden’ loopt het risico om:
1) Gedrag waarvan sterk invoelbaar is dat het onder agressie hoort te vallen daar niet bij te
rekenen
2) Het gedrag van de ene persoon agressiever te noemen dan dat van iemand anders,
louter omdat de ene persoon minder geleerd heeft of minder moeite doet om
aangerichte schade als onbedoeld te beschrijven
3) Het gedrag van de ene agressiever te noemen dan dat van iemand anders omdat ze tot
verschillende groepen behoren, in verschillende mate sympathiek lijken of als
geestesverwanten aanvoelen, of aan verschillende mensen schade hebben berokkend
Alternatief: agressie definiëren als gedrag waarvan het voornaamste kenmerk is dat het de
situatie van een of meer anderen aversiever maakt.
 Of een situatie aversief is, valt op het eerste gezicht af te leiden uit de observatie
van ontwijkings- of ontvluchtingsgedrag.
 Mogelijke specificatie: het gedrag mag niet louter reactief zijn
 Velen verstaan onder ‘agressie’ agressie met direct fysiek contact, maar er bestaat ook
verbale agressie, niet-verbale agressie zonder fysiek contact en indirecte agressie.
 Waarom? => fysieke agressie heeft een gemakkelijker aantoonbaar karakter. Ook vatten
mensen verbaal gedrag vaak op als uiting van hun gedachten waarbij ze de vrijheid van
denken en de vrijheid om gedachten te uiten als een belangrijk goed zien.
Hoe valt agressief gedrag te bestuderen?
Onderzoekers moeten agressie ofwel in natuurlijke omstandigheden observeren ofwel
experimenteel onderzoek doen.
Experimenteel onderzoek: stellen mensen in verschillende mate bloot aan factoren waarvan
ze vermoeden dat die van invloed zijn op agressie => via agressiemetingen nagaan of de
manipulaties het verwachte effect hebben
In experimenten over hoe mensen reageren op agressie door anderen, creëren ze
bijvoorbeeld een geloofwaardige situatie waarin iemand (doorgaans een psdn) zich agressief
gedraagt tegenover hen en observeren ze hoe de ‘slachtoffers’ reageren.
Juridische overwegingen beletten onderzoekers vaak om dat in de vorm van fysieke agressie
te doen daarom proberen ze verbale of indirecte agressie uit te lokken. Het is ook moreel
gezien niet verantwoord om mensen fysieke agressie te laten ondergaan.
De meting van agressie
 Onderzoek van Lieberman et al. (1999): zie overzicht experimenten
Eender welke score bestaat uit minstens 3 componenten:
1) Prestatie
2) Foutenvariabiliteit
3) Systematische ‘fouten’
In experimenten is het wel mogelijk om agressie te onderscheiden van prestatie en
foutenvariabiliteit. De prestatie is constant (alle dns moeten in alle condities zelfde werkstuk
of antwoorden beoordelen). Omdat foutenvariabiliteit per definitie niet-systematisch is en
wel bijdraagt tot de variabiliteit tussen de scores maar de scores niet in een bepaalde
richting vertekent, is bovendien te verwachten dat ze niet zal leiden tot verschillen tussen de
condities. Als er verschillen optreden tussen de condities zijn deze dus alleen op te vatten
als indicaties van meer of minder agressief gedrag.
In plaats van aversieve prikkels kunnen ze de dns ook appetitieve prikkels laten uitdelen. Het
meer of minder uitdelen van die prikkels wijst dan op meer of minder agressief gedrag.
De manipulatie van ervaren agressie
2 technieken:
1) Dns eerst een taak laten doen die iemand anders evalueert
 Het succes valt of staat met de geloofwaardigheid van de beoordeling en de mate
waarin een negatieve beoordeling echt als agressief wordt ervaren.
2) ‘Per ongeluk’ opgevangen gesprek
 Deze aanpak is geloofwaardig omdat veel mensen weleens onaardige dingen
zeggen over afwezigen, zodat het onaangenaam maar niet kunstmatig overkomt
als ze merken dat een ander dat over hen doet.
Agressie uitlokken
Sommige onderzoekers stellen dns bloot aan een factor waarvan uit eerder onderzoek is
gebleken dat het een effectieve manier is om agressie uit te lokken.
Een complicatie van dergelijke experimenten is dat de onderzoekers op hun hoede moeten
zijn voor veralgemening van hun resultaten.
Sommige onderzoekers doen hun experiment onder een dekmantel vb. stress.
Een voorbeeld van onderzoek
 Onderzoek van Berkowitz en Frodi (1977)
 ‘Eyeopener’: spreekt 2 kenmerken tegen die vaak aan agressie worden
toegeschreven, namelijk: dat agressie uitgelokt wordt door antecedente
ervaringen en dat het om een gedrag gaat dat voortvloeit uit negatieve gevoelens
 Agressie staat ook onder controle van consequente prikkels, namelijk van
straffen en beloningen die in het verleden op het gedrag zijn gevolgd.
De freudiaanse visie op agressie
*Sigmund Freud beweert dat iedere mens geboren wordt met 2 driften: levensdrift (eros) en
doodsdrift (thanatos). Een individu moet op elk moment een manier vinden om met deze
tegenstrijdige krachten om te gaan.
 Volgens de theorie van Freud kunnen mensen het conflict tussen eros en thanatos
oplossen door hun doodsdrift te verschuiven van het zelf naar de anderen = de bron van
agressie
 Agressie = iets dat van binnenuit opborrelt en dat gepaard gaat met negatieve
gevoelens.
 Vernietigingsdrang verschuift van mensen uit de onmiddellijke omgeving naar mensen of
andere wezens van wie het welbevinden minder gevolgen heeft voor de persoon zelf.
Deze levende of levenloze objecten = secundaire objecten
 Sublimatie = mensen kunnen hun doodsdrift verder actief uitleven in een vorm waar
anderen geen direct nadeel van ondervinden en die zelfs gewaardeerd worden in de
samenleving. Voorbeeld: agressieve muziek, literatuur, films of beeldende kunst.
 Catharsis = ‘zuivering’ = de tijdelijke afname van de doodsdrift dankzij het feit dat hij
uitgeleefd is.
De freudiaanse visie op agressie is om 2 redenen problematisch:
1) Grotendeels niet toetsbaar.
2) Voor zover er toetsbare predictie uit afgeleid kunnen worden, de resultaten van
onderzoek er vaak tegen ingaan.
 Onderzoek van Bushman (2002): zie overzicht experimenten
 Dit onderzoek spreekt tegen dat ‘boosheid afreageren’ maakt dat iemand zich
nadien minder agressief gedraagt en minder boos voelt. Het biedt ook geen steun
voor de gedachte dat mensen hun boosheid en de ermee samenhangende
agressie kunnen afreageren door te sporten
De frustratie-agressie hypothese
Frustratie-agressie hypothese = dat mensen agressief reageren als ze er niet in slagen een
begerenswaardig doel te bereiken.
Hoewel de hypothese een andere oorsprong van agressie vooropstelt dan de freudiaanse
visie, omvat ze ook het idee van catharsis.
Maar is het wel zo dat frustratie tot agressie leidt?
 Onderzoek van Dill en Anderson (1995): zie overzicht experimenten
 Louter gedwarsboomd worden bij het bereiken van een doel blijkt voldoende
om agressie uit te lokken
 Onderzoek van Muller et al. (2012, studie 2): zie overzicht experimenten
Provocatie en agressie
Een reactie op een niet door henzelf uitgelokte maar wel in hun nadeel vertoonde agressie
door anderen, waarbij ze agressie opvatten als opzettelijk toegebrachte schade.
Het lijkt erop dat mensen denken dat ze zich beter voelen door represailles en dat ze het
leed beter achter zich kunnen laten als ze de dader gestraft hebben dan als ze dat niet
hebben gedaan.
De perceptie van provocatie
Mensen blijken allerlei indicatoren te gebruiken om te bepalen of gedrag door anderen ‘met
opzet’ vertoond is of niet.
 Onderzoek van Zechmeister et al. (2004): zie overzicht experimenten
Provocatie en de waargenomen ernst van de schade
 Onderzoek van Ames en Fiske (2013, experiment 1): zie overzicht experimenten
 Intentioneel aangerichte schade werd louter omdat ze intentioneel was als
groter beoordeeld
 Onderzoek van Ames en Fiske (2013, experiment 5): zie overzicht experimenten
Alleen agressie tegen de provocateur?
De gedachte dat agressie een straf of vergelding is voor agressie door anderen impliceert
ook dat de agressie enkel gericht is tegen degene die zich eerst agressief heeft gedragen.
Deze visie is tegengesteld aan die van Freud.
Triggered displaced aggression = verplaatste agressie lijkt vooral op te treden als het
slachtoffer de agressor ook ietwat geprovoceerd heeft, maar zo licht dat deze provocatie op
zich geen meetbare agressie zou uitlokken.
 Onderzoek van Pedersen et al. (2000, experiment 1): zie overzicht experimenten
Er zijn zaken die de meeste mensen geen reden tot agressie vinden, maar wel de lichte
ergernis kunnen wekken die hen agressief kan laten reageren als iemand anders hen
beledigt.
Er zijn zelfs studies die een vermindering van verplaatste agressie na provocatie aantonen.
 Onderzoek van Marcus-Newhall et al. (2000): zie overzicht experimenten
 Als de oorspronkelijke provocatie zeer ernstig was, lijkt een onschuldige derde
alleen al door het contrast moreel zo hoogstaand dat mensen hem/haar minder
agressief bejegenen dan als ze niet geprovoceerd waren.
 Was de provocatie niet zo ernstig, dan is het contrast met de provocateur niet zo
groot en krijgt de onschuldige derde niet de aureool van iemand met een hoge
morele waarde.
Is agressie propositioneel aan de provocatie?
In werkelijkheid hangt de mate waarin provocatie agressie uitlokt af van allerlei factoren.
 Onderzoek van Doob en Gross (1968): zie overzicht experimenten
Voelen we ons beter na een agressieve reactie op provocatie?
 Carlsmith et al. (2008, experiment 3): zie overzicht experimenten
 Straf uitdelen maakt dus dat iemand zich slechter voelt in plaats van beter zoals
veel mensen verwachten
 Vicieuze cirkel: gedachten over de dader die voortvloeien uit het geven van straf
voeden negatieve gevoelens en die negatieve gevoelens voeden op hun beurt
gedachten over de dader.
Agressie, macht en onmacht
Nuttin: agressie heeft mogelijk te maken met de problematiek van macht en onmacht.
De opvatting dat agressie te maken heeft met macht en onmacht is consistent met de
observatie dat provocatie een robuuste determinant is van agressie.
Oncontroleerbare aversieve prikkels doen agressie toenemen
 Onderzoek van Donnerstein en Wilson (1976, studie 2): zie overzicht experimenten
Reduceert subjectieve macht over aversieve prikkels de door uitsluiting veroorzaakte
agressie?
Als uitsluiting tot agressie leidt dan kan dat met elk van deze kenmerken te maken hebben.
 Onderzoek van Warburton et al. (2005): zie overzicht experimenten
 Meta-analyse
Onmacht maakt vijandige humor leuk
Het feit dat sommige grappen kwetsend zijn voor individuen of groepen maakt echter dat ze
wel degelijk als een vorm van agressie kunnen worden opgevat.
Als agressie de behoefte aan macht bevredigt, impliceert dit dat mensen vooral na
confrontatie met onmacht genieten van vijandige grappen.
 Onderzoek van Weinstein et al. (2011): zie overzicht experimenten
 Conclusie = mensen vinden niet-vijandige grappen doorgaans leuker dan
vijandige grappen, tenzij ze net hebben moeten denken aan hoezeer hun
gedrag extern gecontroleerd wordt.
Het ‘General Aggression Model’ en computerspellen
General Aggression Model (G.A.M.) = doel van de ontwikkelaars was inzichten over agressie
integreren in een model dat geobserveerde effecten spaarzaam verklaarde en toeliet nieuwe
hypothesen te formuleren.
Kernmechanismen in het G.A.M.
Volgens het G.A.M. kunnen persoonsgebonden en situationele factoren via 3 processen of
routes agressie uitlokken of intensifiëren:
1) Agressieve gedachten toegankelijk maken
2) Agressie-gerelateerde affectieve toestanden opwekken of intensifiëren
3) Arousal verhogen
Primary appraisal = arousal, gevoelens en gedachten bepalen iemands interpretatie van
zijn/haar situatie en daarmee zijn/haar spontane reactie
Secundary appraisal = de actor beraadt zich over de juistheid van de initiële interpretatie en
zijn/haar spontane reactie, weegt hij/zij de voor- en nadelen van alternatieve manieren om
met de situatie om te gaan, en/of overweegt hij/zij de gevolgen van een (niet-)agressieve
reactie.
 In deze fase kan voorafgaande instrumentele conditionering een rol spelen: als
het individu geleerd heeft dat agressie beloond of bestraft wordt zal de persoon
deze kennis allicht toepassen bij de afweging van mogelijke reacties.
Op het eerste gezicht voorziet het GAM alleen maar categorieën waarin onderzoekers
determinanten van agressie, zoals die uit onderzoek naar voren zijn gekomen, kunnen
klasseren. Bij nader inzien gaat het model verder om 4 redenen:
1) Het kan schijnbaar tegenstrijdige invloeden op agressie incorporeren.
 Zo kan het verklaren waarom zowel verlies als winst in een wedstrijd soms
agressie-verhogend werken
2) Het kan effecten van situationele factoren verklaren die anders lastig te verklaren zijn.
 Wapeneffect: de waarneming van een wapen kan agressie doen toenemen zelfs
als het wapen op een afbeelding te zien is
3) Het kan verklaren waarom agressie de neiging heeft om toe te nemen nadat het eenmaal
in gang gezet is, iets wat andere benaderingen niet goed kunnen verklaren.
 Openlijke agressie kan immers arousal en agressieve gedachten en gevoelend
doen toenemen.
4) Aan iedere route van determinant naar agressie zijn specifieke predicties verbonden
over de richting van de te verwachten invloed en over de omstandigheden waarin de
invloed zou moeten optreden.
 Lezen p370-371
Gewelddadige computerspellen: inleidende opmerkingen
Redenen waarom onderzoek over agressieve computerspellen zo controversieel blijft:
1) Als uit onderzoek onbetwistbaar blijkt dat agressieve computerspellen tot ongewenste
gedragingen leiden, kan daaruit volgen dat de maatschappelijke bezorgdheid tot
regelgeving leiden die de markt van computerspellen inperkt en daarmee de te maken
winst bedreigt.
2) Veel mensen (ook onderzoekers en ppn) ze spelen
Uit een meta-analyse blijkt dat computerspellen nauwelijks invloed hebben op agressie
Effecten van gewelddadige computerspellen op agressie had als uitkomst dat die effecten er
nauwelijks waren.
‘Er zijn talloze dingen die meer agressie uitlokken dan gewelddadige spellen’
Dat gewelddadige spellen tot agressie leiden betekenisloos zijn omdat andere activiteiten
ook of nog meer agressie met zich meebrengen.
‘Vroeger, toen er geen computerspellen waren, gedroegen mensen zich ook agressief’
/
‘Er zijn veel mensen die gewelddadige spellen spelen en geen misdadigers worden’
/
De gebruikte agressiemetingen maken het onderzoek irrelevant voor het ‘echte leven’
/
‘Volwassenen kennen echt wel het verschil tussen de virtuele en echte wereld’
/
‘Psychologen moeten niet voorschrijven hoe mensen hun vrije tijd besteden’
Toetsing van het GAM: gewelddadige spellen lokken agressie uit
 Onderzoek van Anderson en Dill (2000, studie 2): zie overzicht experimenten
 Agressieve gedachten mediëren het effect van een gewelddadig spel op agressief
gedrag
 Gewelddadige spellen lokken ook arousal en agressie-gerelateerde gevoelens
uitlokken
Maar ik voel me helemaal niet agressief!
 Onderzoek van Greitemeyer (2014): zie overzicht experimenten
 Een gewelddadig spel spelen maakte dus dat dns allerlei gedragingen minder
agressief vonden, waardoor ze zich agressiever gedroegen.
Slotbeschouwing
/
Hoofdstuk 7: Altruïstisch gedrag
Inleiding
Altruïstisch gedrag = gedrag dat veel mensen ervaren als tegenovergestelde van agressie,
namelijk niet-louter-reactief gedrag waarvan het belangrijkste kenmerk is dat het de situatie
van anderen appetitiever maakt.
 Voorbeeld: hulpverlening in noodsituaties, wegschenken van tastbare en niettastbare goederen (zoals tijd of gels, maar ook bloed of organen)
De definitie van altruïstisch gedrag
Gedrag dat vertoond wordt met de bedoeling om de situatie appetitiever te maken.
Methodologie van onderzoek over altruïsme
Sociale norm promoot altruïsme
Dns worden in de context van een onderzoek (dat schijnbaar over iets heel anders gaat)
toevallig geconfronteerd met iemand in een ernstige of minder ernstige acute noodsituatie
of met een keuzesituatie waarbij ze hun eigen belangen kunnen behartigen of (ook) die van
anderen.
De ‘altruïstische intentie’ en de beoordeling van gedrag
 Onderzoek van Newman en Cain (2014, studie 1): zie overzicht experimenten
Waarom helpen mensen?
Versterkers en straffen voor helpend gedrag
Een invloedrijke visie over altruïstisch gedrag is dat mensen meer geneigd zijn iemand te
helpen als ze verwachten dat dit overwegend gunstige gevolgen zal hebben voor hen en niet
als ze verwachten dat het overwegend ongunstige gevolgen zal hebben.
Anderen helpen kan de kans vergroten om in geval van nood zelf geholpen te worden,
waardoor mensen elkaar volgens deze visie helpen omdat ze in een ruilverhouding staan
met anderen.
Iemand helpen kan een prettig gevoel opleveren (positieve versterker) of een schuldgevoel
opheffen (negatieve versterker).
De ‘interne beloning’ van het gedrag kan echter ook positief opgevat worden: als mensen
psychologisch zo in elkaar zitten dat ze genieten van het helpen van anderen.
 Onderzoek van Dunn et al. (2008): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Aknin et al. (2012): zie overzicht experimenten
Van onderzoek over het aantal getuigen in noodsituaties naar een beslissingsmodel van
hulpverlening
John Darley en Bibb Latané: zou het kunnen dat weten dat er meerdere getuigen zijn een
proces in werking zet waardoor mensen minder (snel) hulp verlenen aan iemand in nood?
De mythe van Kitty Genovese
/
Kort overzicht van onderzoek over het ‘bystander effect’
 Onderzoek van Darley en Latané (1968): zie overzicht experimenten
 Naarmate er meer getuigen waren, duurde het ook langer voordat degenen die
hulp boden in actie kwamen.
 Diffusie van verantwoordelijkheid = dns dachten dat anderen
verantwoordelijkheid zouden nemen
 Zie schema p402
 Onderzoek van Darley en Latané (1968): zie overzicht experimenten
 Aanwezigheid van andere getuigen in het rookonderzoek zorgde vooral voor
een nadelig effect bij de tweede stap.
 Zie schema p405
 Onderzoek van Latané en Rodin (1969): zie overzicht experimenten
 Iemand moest weten hoe te helpen voor hij/zij kon beslissen om te helpen, en
dat het beslissingsproces tot stilstand kon komen als iemand tot de slotsom
kwam dat niet te weten of bang te zijn voor hoe anderen op zijn hulppogingen
zouden reageren.
 Het ‘bystander effect’ is ook aangetoond in noodsituaties waarbij iemand het
slachtoffer werd van een misdrijf
 Zie schema p408!!!
 Onderzoek van Blair et al. (2005): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Plötner et al. (2015): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Chekroun en Brauer (2002, studie 2): zie overzicht experimenten
 ‘Bystander effect’ houdt mensen minder tegen in hun reactie op een
normovertreding als ze zich persoonlijk benadeeld voelen
Kritische bedenkingen bij het model van Darley en Latané
 Niet experimenteel getoetst
 Sommige zelfbeschrijvingen ronduit ongeloofwaardig
 Wat mensen achteraf zeggen over de determinanten van hun gedrag in een noodsituatie
kan dus wel hypothesen over dat gedrag inspireren, maar nooit een overtuigende
toetsing van de validiteit van die hypothesen bieden.
 Onderzoek van Ross (1971): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Garcia et al. (2002): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Garcia et al. (2002, experiment 3): zie overzicht experimenten
Besproken onderzoeken impliceren daarom vraagtekens bij het nut van het concept ‘diffusie
van verantwoordelijkheid’ om het ‘bystander effect’ te verklaren.
Van het GAM model naar het General Learning Model
Mensen vertonen na het spelen van gewelddadige computerspelletjes minder altruïsme dan
na het spelen van niet-gewelddadige spelletjes.
GLM = hoe iemand onder invloed van allerlei factoren kan leren om een gedrag (agressief of
altruïstisch) te vertonen.
Altruïsme als het uitoefenen van macht
Net als agressief gedrag kan altruïstisch gedrag een gevoel geven van sociale macht omdat
iemand ingrijpt in het welbevinden van iemand anders of anderen.
Hoe belangrijk de rol van ervaren macht is bij altruïstisch gedrag, blijkt onder meer uit het
verschijnsel dat mensen liever hulp bieden aan een identificeerbare enkeling of voor de
aanschaf van identificeerbare hulpmiddelen dan aan een abstract beschreven ‘goed doel’.
Het is dus niet het geven op zich dat een prettig gevoel geeft, maar wel de vrijwillige keuze
daarvan.
Slotbeschouwing
/
Hoofdstuk 8: Sociale vergelijking
Inleiding
*Festinger ontwikkelde in de jaren ’50 de sociale vergelijkingstheorie.
De sociale vergelijkingstheorie, geformuleerd door Festinger
Het uitgangspunt = mensen hebben de behoefte om hun meningen en vaardigheden te
toetsen.
In eerste instantie proberen ze tot deze evaluatie te komen door hun meningen en
vaardigheden te toetsen aan de fysieke wereld (‘de objectieve werkelijkheid’). Als er geen
objectieve, niet-sociale middelen beschikbaar zijn om tot een evaluatie te komen, dan
vergelijken mensen hun meningen en vaardigheden met die van anderen.
 Als er meerdere potentiële vergelijkingspatronen beschikbaar zijn, zal iemand
degene kiezen wiens meningen of vaardigheden het meest lijken op die van
hem/haarzelf (gelijkaardige anderen).
Als een beoordeling in termen van ‘objectieve’ gegevens mogelijk is, zullen mensen
zichzelf niet vergelijken via sociale vergelijking.
Sociale vergelijking gebeurt in 2 stappen:
1) Mensen stellen ruwweg vast of een mogelijke vergelijkingsander voldoende op hen lijkt
2) Als het antwoord daarop bevestigend is, volg de ‘definitieve’ vergelijking
Hoe bepalen mensen op grond van sociale vergelijking de kwaliteit van hun vaardigheden en
meningen?
1) Bij meningen wensen mensen het liefst uniformiteit.
 In het geval van meningen is er geen conflict tussen het zich willen omringen met
mensen met een vergelijkbare mening en de wens dat uit deze vergelijking
uiteindelijk de ‘juistheid’ van de mening blijkt.
 Als hun menig afwijkt van de vergelijkingsgroep, stellen ze hun mening bij
 Stellen ze vast dat er verschillen van mening in de groep zijn, maar zelf een
modale positie denken te hebben, dan proberen ze de meningen van anderen te
beïnvloeden in hun eigen richting.
2) Mensen willen dat anderen tegelijk dezelfde vaardigheden hebben als niet dezelfde
vaardigheden.
 Mensen zijn het meest tevreden als ze licht superieur zijn aan de doorsneegroep
3) Groepsleden van de vergelijking uitsluiten die te sterk verschillen van eigen mening of
vaardigheid.
 De strategie om mensen uit de vergelijkingsgroep te weren wordt vaker gekozen
als iemand zichzelf ziet als extreem ten opzichte van modaal dan als hij/zij meent
modaal te zijn.
 De neiging om de ‘range’ van vergelijkingsanderen in te perken is nog sterker als
de mensen van wie de mening of vaardigheid sterk verschilt van eigen mening of
vaardigheid, daarnaast op nog andere attributen die consistent zijn met de
divergentie van de eigen attributen lijken te verschillen.
4) Wat als mensen noch een fysieke referentie hebben om hun mening of vaardigheid te
evalueren, noch aan sociale vergelijking kunnen doen?
 Hun evaluatie wordt instabiel
De druk tot uniformiteit is niet altijd even sterk volgens Festinger; groter naarmate:
 De neiging om een mening of vaardigheid te evalueren sterker is (wat onder meer
afhangt van het belang ervan of van zijn onmiddellijke relevantie voor gedrag)
 Het belang van de groep als vergelijkingsgroep voor een bepaalde mening of
vaardigheid groter is (wat onder meer afhangt van de mate waarin het individu zich
aangetrokken voelt tot de groep en de mate waarin de mening of vaardigheid relevant is
voor die groep)
Kritische evaluatie van de theorie van de sociale vergelijking
Enkele conceptueel-theoretische bedenkingen
Heel de theorie is op zich conceptueel onduidelijk, want vaardigheden en meningen zijn niet
observeerbaar. Strikt genomen gaan de gegevens dus over verbale beschrijvingen van
meningen en vaardigheden. Die weerspiegelen niet noodzakelijk welke meningen en
vaardigheden iemand echt denkt te hebben.
1) Geen ruimte voor sociale vernieuwing
 Als mensen de juistheid van niet-objectief toetsbare meningen laten afhangen
van hoeveel anderen ze delen, wordt elke ‘nieuwe’ mening in de kiem gesmoord
 De geschiedenis leert dat er altijd weer nieuwe meningen opduiken die soms een
stille dood sterven, maar soms ook wereldverspreid geraken.
2) Neiging om verschillen tussen meningen en vaardigheden van groepsleden te
verminderen
 Waarom zouden ze dat echter doen, als ze via sociale vergelijking alleen maar
willen weten of hun meningen en vaardigheden waardevol zijn?
3) Hun eigen menig evalueren
 Als ze hun mening vergelijken om vast te stellen of ze juist is, dan zouden ze bij de
vaststelling dat ze zelf een extreme positie aanhangen, hun mening moeten
bijstellen. Waarom zouden ze dan anderen willen ‘bekeren’ als zij een modale
positie innemen en anderen een extreme?
4) Theorie gaat enkel over mensen
 Ook bij dieren zichtbaar
Empirische basis
In principe hoeft een theorie niet op onderzoek te zijn gebaseerd. Het is denkbaar dat een
onderzoeker zich verwondert over verschijnselen die hij/zij in menselijk gedrag meent te
observeren en dat hij/zij er een theorie over ontwikkelt zonder dat de verschijnselen al het
voorwerp zijn geweest van eerder onderzoek.
Het onderscheid tussen de inductie- en deductiefase van een theorie is voor iemand die
wetenschappelijke literatuur bestudeert soms minder helder dan wenselijk is of dan op
grond van methodologische uiteenzettingen lijkt.
Ook Festinger deed in zijn beroemdste artikel over sociale vergelijking zijn best om aan te
tonen dat zijn theorie talrijke reeds bekende maar vooralsnog onbegrepen verschijnselen
kon verklaren, en dat de studies die in zijn laboratorium waren uitgevoerd om de theorie
te toetsen die theorie in elk geval niet tegenspraken.
5) De stelling dat er geen sociale vergelijking optreedt als meningen of vaardigheden aan
een objectieve standaard getoetst kunnen worden, onderbouwde Festinger niet voor
vaardigheden en slechts met 1 niet-gepubliceerd onderzoek voor meningen.
 Beoordeelde vaardigheid is via zelf gerapporteerde aspiratieniveau (hij vroeg
welke prestatie ze de volgende keer nastreefden)
 Festinger verwees ook naar studies over aspiratieniveaus om te onderbouwen
dat de evaluatie van een vaardigheid instabiel wordt als ‘objectieve’ toetsing én
sociale vergelijking onmogelijk zijn.
Hypothetisch-deductieve toetsing
Een behoefte om meningen en vaardigheden te evalueren?
Er zijn 2 bedenkingen bij de aanname dat mensen een ‘drive’ hebben om hun meningen en
vaardigheden te evalueren:
1) Mensen ervaren veel meningen niet als meningen = naïef realisme
 Mensen zien anders gezegd vaak geen verschil tussen de ‘realiteit’ en de ‘realiteit
zoals zij het zien’.
2) Meningen zijn niet makkelijk te vergelijken
 Mensen kunnen een mening meer of minder overtuigd toegedaan zijn, maar het
is niet duidelijk hoe mensen kwalitatief verschillende meningen zouden kunnen
vergelijken.
Beoordelen mensen vaardigheden op vergelijkende wijze?
‘grote vis in een kleine vijver’-effect
 Onderzoek van Alicke et al. (2010): zie overzicht experimenten
Alleen vergelijking met vergelijkbare anderen?
Volgens de theorie maken mensen een initiële classificatie van anderen als vergelijkbaar of
niet vergelijkbaar en gaan ze over tot sociale vergelijking als ze vergelijkbare anderen
identificeren.
 Onderzoek van Gilbert et al. (1995): zie overzicht experimenten
 Hypothese: sociale vergelijking treedt altijd en overal op als mensen een indruk
willen vormen van hun vaardigheden en dat ze achteraf prestatievergelijkingen
onderdrukken die ze niet informatief achten omdat de ander bij nader inzien niet
vergelijkbaar was.
 Blijkbaar vergelijken mensen zich met zowel vergelijkbare als onvergelijkbare
anderen en onderdrukken ze de vergelijking als ze zich realiseren dat die geen
bruikbare informatie oplevert.
Een rekbare theorie?
Sociale vergelijking van emoties?
*Schachter wilde emoties begrijpen door een patroon van fysiologische activiteit te
verbinden met specifieke emoties. Dit bleek niet goed mogelijk, maar Schachter meende dat
de sociale vergelijkingstheorie hierbij kon helpen.
Schachters toepassing van de theorie op emoties hield in: emoties ontstaan als mensen een
verhoogde fysiologische activiteit gewaarworden (arousal).
 Onderzoek van Schachter en Singer (1962): zie overzicht experimenten
 Onderzoek van Marshall en Zimbardo (1979): zie overzicht experimenten
Beiden bovenstaande onderzoeken mogen als achterhaald worden aanschouwd: opwinding
was niet nodig opdat mensen emoties zouden ervaren en een reductie van opwinding leidt
evenmin tot een vermindering van emoties, hoewel opwinding de ervaring van een door iets
anders uitgelokte emotie kan intensifiëren.
Sociale vergelijking van rijkdom, schoonheid en opleiding…
Maakt geld gelukkig?
Easterlinparadox = ondanks de afwezigheid van een correlatie tussen de welvaart en het
geluk van de inwoners van een land over de tijd heen, is er wel een correlatie tussen het
inkomen van mensen en hun gerapporteerde geluk.
Het is niet de absolute koopkracht die van belang is, maar wel de relatieve koopkracht. Het
is belangrijk hoeveel mensen bezitten in vergelijking met anderen.
 Onderzoek van Boyce, Brown en Moore (2010): zie overzicht experimenten
 Geld en geluk gaan wel degelijk samen
Hoe verklaart dit alles de Easterlinparadox? =>als de welvaart in een samenleving omhoog
gaat, evalueren mensen hun nieuwe welvaart eerst nog met het oorspronkelijke
vergelijkingsmateriaal. Zodra mensen zich realiseren dat de stijging ook voor anderen
geldt, verschuift hun vergelijkingsbasis.
Recent ook andere verklaring: stijgende welvaart gaat ook vaak gepaard met toenemende
ongelijkheid in een samenleving.
Sociale vergelijking van gedragsuitkomsten: bij de honden af of in de aap gelogeerd?
 Onderzoek van Range et al. (2008): zie overzicht experimenten
Sociale vergelijking altijd omwille van zelfevaluatie?
3 motieven om sociale vergelijking te doen:
1) Zelfverheffing = mensen vergelijken zich met anderen in de hoop zichzelf te kunnen
vleien met de vaststelling beter (af) te zijn dan anderen.
2) Zelfbevestiging = mensen vergelijken zich met anderen in de hoop het beeld dat ze al
van zichzelf hadden te kunnen bevestigen zodat ze dit zeker niet moeten bijstellen.
3) Zelfverbetering = mensen vergelijken zich met anderen in de hoop hier aanwijzingen in
te vinden over wat ze moeten doen om beter (af) te worden in de toekomst.
Draait alles om het zelf?
Lezen
Slotbeschouwing
Lezen
Download