hoofdstuk 1: over onderwijskundig ontwerp onderzoek

advertisement
ONDERWIJSKUNDIG ONTWERPEN
DEEL 1: GRONDSLAGEN
LES 1: ABOUT EDUCATIONAL DESIGN RESEARCH
Onderwijskundig ontwerpen verschilt van onderwijskundig ontwerp onderzoek. Wij ontwerpen iets, maar je kan pas spreken
van onderzoek als je theoretisch output aan je ontwerp koppelt.
Verschil tussen hypothese toetsend versus ontwerpgericht onderzoek (mogelijke examenvraag!)
Hypothese toetsend onderzoek vertrekt van een theorie en ontwerpgericht onderzoek van de praktijk  Verschil in wie de
vraag articuleert.
Ook een verschil op het einde. Hypothese toetsend onderzoek kan leiden tot verbetering in de praktijk, maar is niet
noodzakelijk! In ontwerpgericht onderzoek wel.
Algemeen ontwerpmodel:addie





Analyse
Design (ontwerp)
Develop (ontwikkel)
Implement (invoering)
Evaluate
Ontwerpprobleem/behoefte
Algemene omschrijving: “Wanneer de bestaande situatie naar mening van de betrokkenen te veel afwijkt van de gewenste
situatie” .
Soorten “problemen”:
 ‘Weet’problemen: de oplossing wordt verkregen door onderzoek.
 ‘Kies’problemen: de oplossing ervan wordt verkregen door evaluatie.
 ‘Maak’problemen: de oplossing wordt verkregen door te ontwerpen.
HOOFDSTUK 1: OVER ONDERWIJSKUNDIG ONTWERP ONDERZOEK
Verschilt met andere wetenschapsbenaderingen: zowel het ontwikkeling van theoretische inzichten als praktische oplossingen
zoeken.
LINKEN VAN BASIS EN TOEGEPAST ONDERZOEK
Basis onderzoek: de zoektocht naar fundamenteel begrip. Vaak door
gebruik te maken van wetenschappelijke methodes om een fenomeen
te exploreren, te beschrijven en te verklaren. Maakt in het algemeen
gebruik van een empirische cyclus.
Toegepast onderzoek: het gebruik van wetenschappelijke methoden
om fenomenen te voorspellen en te controleren met het ultieme doel
om een reëel probleem op te lossen. Maakt in het algemeen gebruik
van een regulatieve cyclus .
Geïnspireerd basis onderzoek (use-inspired basic research)
 Pasteurs’s Quadrant: matrix om
wetenschappelijk
onderzoek te
illustreren.
ROBUUST (KRACHTIG) EN RELEVANT
ONDERWIJSKUNDIG ONTWERPEN
-
Theorie beïnvloedt het ontwerp en omgekeerd.
Robuuste ontwerp praktijken:
1. Onderzoek is nodig om te voorzien in “grounding” die informatie kan bieden in de eerste of latere ontwerp beslissingen.
KARAKTERISTIEKEN VAN ONDERWIJSKUNDIG ONTWERP ONDERZOEK
Voornaamste kenmerken:
- Theoretisch georiënteerd: de wetenschappelijke fundering is niet enkel gebruikt als frame voor het onderzoek, maar ook om
het ontwerp van een oplossing vorm te geven voor een reëel probleem.
- Interventionistisch: ernaar streven om een positieve impact te hebben op de praktijk. Komen tot een product.
- Collaboratief: samenwerking tussen een variëteit aan actoren, verbonden door een probleem.
- Responsief geaard: aanpassing in ontwerp gebaseerd op empirische data, verzameld in een reële wereld setting. Wat je
maakt, gaan uitproberen in de praktijk.
- Iteratief: meerdere iteraties van onderzoeken, ontwikkelen, testen en verfijnen. Binnen 1 studie, nemen er vaak meerdere
sub-studies plaats.
VOORNAAMSTE RESULTATEN VAN ONDERWIJSKUNDIG ONTWERP ONDERZOEK
-
-
Het theoretisch inzicht in ontwerpend onderzoek: liggen ten grondslag aan het ontwerp van een interventie, omlijst het
wetenschappelijk onderzoek en wordt voortbewogen door de bevindingen gegenereerd door empirische toetsing van de
interventie.
Theoretische bijdrage: zowel tot het fenomeen dat in vraag gesteld wordt, als een bijdrage aan de algemene kennis die
bruikbare is voor andere zaken die buiten het onderzoek vallen.
Praktijk bijdrage.
Generalisatie: de resultaten van een studie kunnen we veralgemenen/generaliseren.
RIJKE VARIËTEIT ONDER DE 2 ORIËNTATIES
2 basis oriëntaties van onderzoek: het verschil heeft te maken met het ontwerp van de interventie zelf gedurende het empirisch
onderzoek. Maar in de praktijk worden ze vaak gecombineerd.
Ontwerpend onderzoek uitgevoerd door middel van interventies.
Ontwerpend onderzoek kan direct worden uitgevoerd op interventies.
HOE IS ONDERWIJSKUNDIG ONTWERP ONDERZOEK VERSCHILLEND?
-
Vijf types van onderzoeksdoelen:
 Beschrijvend.
 Interpreterend: niet enkel beschrijven, maar tracht ook te zoeken naar een verklaring.
 Voorspellend: gefocust op het testen van hypotheses gerelateerd aan theorieën.
 Ontwikkelend: voeren hun studies door middel van het ontwerp, de ontwikkeling en het testen van interventies.
 Actie.
ARTIKEL: THEORIËN VAN LEREN: BEHAVIORISME, COGNITIVISME EN CONSTRUCTIVISME (P. ERTMER)
Leertheorieën voorzien instructional designers van geverifieerde educatieve strategieën en technieken voor het faciliteren van
leren alsmede een basis voor intelligente strategieselectie. De integratie van de geselecteerde strategieën binnen de instructie
context is van kritiek belang.
Nood aan een brug tussen basis leeronderzoek en de onderwijskundige praktijk. De waarde hiervan is de mogelijkheid om
relevante aspecten van leer theorieën te vertalen naar optimale instructie acties.  Het veld van Instructional Design (ID) vervult
deze rol.
Instructional design = systematisch proces van het vertalen van principes van leren en instructie in een instructie praktijk 
Toegepaste wetenschap.
HISTORISCHE GRONDSLAGEN
-
Empirisme: ervaring is de hoofdbron van kennis.
Rationalisme: kennis komt uit de reden zonder de hulp van de zintuigen.
BEHAVIORISME
Leren is een verandering in het gedrag. Het is gefocust op de efficiënte overdracht van kennis.
De belangrijkst factor is de opstelling van de stimuli en gevolgen binnen de omgeving.
WELKE BASIS ASSUMPTIE/ PRINCIPES VAN DE THEORIE ZIJN RELEVANT VOOR HET INSTRUCTIE ONTWERP
(INSTRUCTIONAL DESIGN)?





Nadruk op het produceren van observeerbare en meetbare resultaten.
Voor evaluatie om te bepalen waar instructie moet beginnen.
Nadruk op het beheersen van vroege stappen vooraleer te beginnen aan meer complexe stappen.
Gebruik van bekrachtiging.
Gebruik van hints, shaping en oefening om een sterke stimulus-respons associatie te verzekeren.
COGNITIVISME
Meer nadruk op complexe cognitieve processen zoals denken, probleem oplossen, taal,… Nadruk op het bevorderen van mentale
processen (staan dichter bij het rationalisme). Focus op verandering van de lerende door hem of haar aan te moedigen gebruik te
maken van gepaste leerstrategieën. Focus op hoe de inhoud betekenisvol te maken.
Leren gelijkgesteld met discrete veranderingen tussen verschillende staten van kennis in plaats van met veranderingen in de kans
op een respons. Focus op de conceptualisatie van studenten hun leerproces en de kwestie van hoe informatie is ontvangen,
georganiseerd, opgeslagen en opgehaald door het geheugen. Kennis verwerving is een mentale activiteit die interne codering en
structurering door de lerende met zich mee brengt.
WELKE BASIS ASSUMPTIE/ PRINCIPES VAN DE THEORIE ZIJN RELEVANT VOOR HET INSTRUCTIE ONTWERP
(INSTRUCTIONAL DESIGN)?





Maken gebruik van feedback om mentale connecties accuraat te sturen en te ondersteunen.
Kijken naar de lerende om te bepalen hoe de instructie te ontwerpen.
Active rol van de lerende in het leerproces.
Nadruk op structurering, organiseren en sequencering van informatie voor het faciliteren van optimale processing.
Creëren van leeromgevingen waar studenten worden aangemoedigd en hun toelaat om connecties te maken met eerder
geleerd materiaal.
CONSTRUCTIVISME
Kennis is een functie van hoe het individu betekenis creëert vanuit haar of zijn eigen ervaring. Leren vind altijd plaats in een
context!
Betekenis creëren vanuit ervaringen. De geest filtert input van de wereld om zijn eigen unieke realiteit te maken. De geest is de
bron van alle betekenis. De interne representatie van kennis is constant open voor verandering, er is geen objectieve realiteit naar
waar de lerende streven. Mensen creëren betekenis in tegenstelling tot het verwerven.
WELKE BASIS ASSUMPTIE/ PRINCIPES VAN DE THEORIE ZIJN RELEVANT VOOR HET INSTRUCTIE ONTWERP
(INSTRUCTIONAL DESIGN)?





Lerende worden aangemoedigd om hun eigen begrip te construeren en deze dan te laten valideren door sociale
onderhandeling.
Nadruk op de identificatie van de context waarin de vaardigheid zal geleerd en toegepast worden.
Nood aan informatie die gepresenteerd wordt in een variëteit van verschillende manieren.
Ondersteunen van het gebruik van problem solving skills.
Coachen, scaffolding (verschillende stappen waarin je in het begin heel veel ondersteuning biedt maar naarmate de tijd
vordert de leerlingen steeds meer, stap voor stap alleen verder laat werken).
ALGEMENE DISCUSSIE
Welke benadering is het best? Het hangt ervan af! Leren wordt beïnvloed door vele factoren van vele bronnen. Het hangt af van
de:
 Taak: feiten vergaren of oplossen van een probleem.
 De lerende: een expert of een beginneling.
De vraag stellen welke theorie het meest effectief is in het bevorderen van meesterschap bij specifieke taken door specifieke
lerenden.
HOOFDSTUK 2: BIJDRAGE TOT DE THEORIE EN PRAKTIJK – CONCEPTEN EN VOORBEELDEN
THEORETISCHE BIJDRAGE VAN ONDERWIJSKUNDIG ONTWERP ONDERZOEK
= Verklaringen voor fenomenen in de werkelijkheid op basis van wetenschappelijk onderzoek+ zijn behulpzaam om de wereld te
begrijpen (en betekenis te geven).
Theoretische kennis wordt ontwikkeld door middel van reflectie en vooral door redeneren. Drie soorten van redenering:
 Deductie: conclusie volgt logischerwijs uit de premissen.
 Inductie: verschillende observaties leiden tot conclusie.
 Abductie: door observaties verbanden leggen tussen bepaalde factoren of fenomenen (gebaseerd op wat er in de praktijk
opvalt). hypothesevorming door verschillende fenomenen met elkaar in verband te brengen .
Theorieën ontwikkeld door middel van onderzoek kan verschillende doelen dienen:
1. Beschrijvend - Theorieën kunnen reële wereldfenomenen beschrijven.
2. Verklarend - Bieden van verklaringen zoals waarom of hoe bepaalde fenomenen bestaan.
3. Voorspellend - Beschrijvende en verklarende theorieën gebruiken om effecten te gaan voorspellen.
4. Prescriptieve / normatieve - Begrip van bepaalde verschijnselen, hoe ze werken, worden gebruikt om bepaalde activiteiten
die een bepaalde invloed zullen opleveren aan te bevelen.
THEORIEËN GECATEGORISEERD OP NIVEAU
1.
2.
3.
Lokale theorie: betrekkelijk bescheiden inzake waarheidsaanspraken.
Middle-range theory (midden bereik theorie): bouwt voort op de lokale theorieën, is van toepassing op meerdere scholen
met gevarieerde, maar vergelijkbare curricula.
High-level theory (hoge niveau theorie): bouwt voort op middle-range theorieën. Gebaseerd op paradigmatische kennis,
toepasbaar in verschillende contexten.
PRAKTISCHE BIJDRAGEN VAN ONDERWIJSKUNDIG ONTWERPONDERZOEK
De praktische bijdrage van onderwijskundig ontwerp onderzoek is de interventie die word ontwikkeld om reële problemen op te
lossen in de praktijk.
1. Biedt een oplossing voor het gestelde probleem.
2. Werkt inspirerend voor anderen.
3. Bevordert de deskundigheid van de betrokkenen.
LES 3: MODELLEN
WAT IS EDUCATIONAL DESIGN?




Onderwijskunde omvat zowel onderzoek als praktijk, ED (educational design) en EDR (educational design research) zijn
verschillende, maar verwante activiteiten.
ED: educational design, maar ook (frequenter) aangeduid als ID: “instructional development” of “instructional design”.
ID: systematisch proces voor het ontwikkelen van instructies voor betrouwbare en gewenste opbrengsten van leren en
prestatieresultaten te behalen.
Uitgangspunt van ED/ID: effectief en efficiënt leren moet gepland worden.
ED UITGANGSPUNT: VERSTERKING VAN HET LEREN
Bijvoorbeeld Merrill (2007) onderscheidt zeven leerprincipes, dit waren de eerste principes voor insttuctional design. Leren wordt
versterkt indien:
1. Lerenden worden betrokken in het oplossen van realistische problemen.
2. Bestaande kennis wordt geactiveerd als voorwaarde voor nieuwe kennisverwerving.
3. Nieuwe kennis wordt gedemonstreerd
4. De lerende heeft de mogelijkheid heeft de nieuwe kennis toe te passen.
5. Een verbinding wordt gemaakt tussen de nieuwe kennis en de leefwereld van de lerende. De kennis generaliseren
Hint: vertrekken vanuit leerprincipes, afgeleid uit onderwijsvisie.
MODELLEN
ED-Modellen geven een overzicht van welke stappen gezet moeten worden om effectief leren/onderwijs te ontwerpen. Er bestaan
modellen gebaseerd op theorieën (bv. Gagné) en modellen gebaseerd op processen, vanuit praktijk van ontwerper zelf (bv. ADDIE)
Gustafson & Branch bespreken enkele historische, invloedrijke modellen.
ID output
ID proces
(fundamenteel) begrip
Gagné’s theorie van instructie
Gustafson an Branch’s ADDIE
Toegepast gebruik
Van Merriënboer’s 4C/ID
Posner and Rudnitsky model
MODEL VAN GAGNÉ
I.




II.









III.


Taxonomie van leeruitkomsten (elke vorm vereist zijn eigen vorm van instructie).
Motorische vaardigheden
Attituden Verbale informatie
Intellectuele vaardigheden
Cognitieve strategieën
Nine events of instruction (invloed van behaviorisme)
Aandacht trekken van lerende
Informeer de lerende over de doelen
Activeer voorkennis
Presenteer stimuli
Voorzie begeleiding bij het leerproces
Lok gedrag uit
Geeft feedback, bekrachtiging .
Evalueer het gedrag
Zorg voor retentie en transfer
Leercondities
Interne condities: bv. voorkennis, leervermogen en MOTIVATIE.
Externe condities: bv. kwaliteit van het instructiemateriaal, gelegenheid tot leren.
MODEL VAN MERRIËNBOER
GUSTAFSON AND BRANCH
Historische elementen van ontwerpproces: analyse, design, development, implement, evaluation, revision => Komen aan bod in
de meeste ID-modellen.
ADDIE – model: Analysis - Design (ontwerp van de oplossing) - Develop (ontwikkeling van de oplossing) - (Implementation)
(sommigen) – Evaluate - Revision
DRIE TYPEN VAN MODEL LEN (Gustafson & Branch, 2002)
 Modellen voor klassikale instructie: ontwerpen van onderwijsleersituaties, bv. Gerlach & Ely (1980), Dick & Carey’s Model
(1996)
 Productgeoriënteerde modellen: ontwerpen van leermaterialen, bv. Bergman & More (1990)
 Systeemmodellen: ontwikkelen van cursussen, opleidingsprogramma’s, … (bv. IDI)
Het ASSURE-model (Heinich, Molenda, Russell, Smaldino, 1999)
Analyze learners, State objectives, Select instructional methods, media, and materials, Utilize media and materials, Require
learner participation, Evaluate and revise
-
Assumpties:
o Leerlinggerichte benadering van het leren (A: bv. leerstijlen; R: betrokkenheid)
o Multimediale aanpak (niet zozeer voor ex cathedra-onderwijs).
Dick & Carey’s Model is een heel oud model, maar veel gedetailleerder. Het vertrekt sterk van een visie van een behavioristisch
onderwijs.
HET IDI-MODEL
Zeven overwegingen bij ID modellen
 ID-modellen zijn ontstaan door theorievorming, ervaring en gezond verstand.
 ID-modellen zijn tools voor het analyseren, ontwikkelen, creëren en evalueren van begeleid leren in de brede educatieve
sector.
 Leren is geen deterministisch of absoluut proces, maar planning en probabiliteit zijn belangrijke kenmerken.
 ID= niet noodzakelijk lineair, kan dynamisch, recursief zijn.
 Evaluatie van ontwerpmodellen is beperkt: weinig of geen onderzoeksliteratuur die evidentie geeft welk model betere
resultaten oplevert dan andere.
 Modellen kunnen geclassificeerd worden op basis van contextuele (micro, meso, macro?, theoretische (vertrek van
psychologische inzichten?) & filosofische basisprincipes (vertrek je van leerlinggericht of van leerkrachtgericht?)  Mogelijkse
examenvraag!!!
 ID modellen zullen steeds blijven bestaan, maar ook veranderen.
Stap 1. Probleem
 Behoeftenanalyse
 Prioriteiten
Stap 2. Context
 Betrokkenen
 Bronnen
Stap 3. Organisatie
 Overkoepelende stap
 Korte opsomming van taakverdeling
Stap 4. Doelen
 Geen onderscheid naar uiteindelijke/tussendoelen, wel algemene / specifieke doelen
o Algemene doelen (kunnen worden bereikt door het ontwikkelen van verschillende producten).
o (Product)specifieke doelen: operationele doelen, zijn evalueerbaar (bieden referentiekader voor opstellen van
evaluatietechnieken).
Stap 5/6. Methoden/prototype
 BELANGRIJK: verschillende oplossingsmodellen, waarvan één wordt uitgewerkt.

Onderwijskundig model: leren en instructie.
Stap 7: Evaluatie
Aandachtspunt: op verschillende niveaus
1. Reactieniveau: zijn de lerenden tevreden…, zijn de leerlingen sterker gemotiveerd om…, wordt de activiteit als zinvol
ervaren…?
2. Leerniveau: zijn de vooropgestelde leerdoelen bereikt (cognities, attituden,…)
3. Gedragsniveau: is het gewenst gedrag bereikt?
4. Resultaatniveau: is het probleem opgelost in termen van een meetbaar resultaat?
Stap 8. Analyse van de resultaten
 Zijn de doelen bereikt? Waren de doelen haalbaar…?
 Was de methode adequaat? Werd de juiste evaluatietechniek gebruikt? (evaluatie van de evaluatie)
 Vragen die proces/productzijde onder de loep nemen.
HOOFDSTUK 3: IN DE RICHTING VAN EEN GENERIEK MODEL VOOR EDUCATIEVE ONTWERPEND
ONDERZOEK + LES 5
LESSEN VANUIT CURRICULUM ONTWIKKELING
Drie categorieën voor het classificeren van curriculum theorieën:
 Prescriptieve theorieën (Tyler): creëren modellen of raamwerken die schoolpraktijken helpen te verbeteren.
 Beschrijvende theorieën (Walker): identificeren hoe curriculum ontwikkeling plaatsvind in educatieve settings.
 Kritisch verklarende theorieën (Eisner): beschrijven voornamelijk tekortkomingen en leveren soms commentaar op de beste
praktijken in de ontwikkeling van curricula.
GENERIEK MODEL VOOR DESIGN ONDERZOEK - MCKENNEY & REEVES, 2012
Vanuit verschillende literatuur heeft men een eigen generiek model opgesteld. De volgende elementen dienden zeker aan bod te
komen:
 Drie hoofdfasen in een flexibele, iteratieve structuur.
 Een duale focus op theorie en praktijk; integrale benadering van onderzoek-ontwikkeling.
 Gebruikers-gecentreerd: implementatie vanaf de start (neemt toe, cfr. trapezium)
Een generiek model: je probeert net iets verder te gaan, je wil kennis generen en deze transporteren naar andere settingen.
DRIE HOOFD FASEN IN EEN FLEXIBEL, ITERATIEF PROCES
Het is een iteratief proces omdat de resultaten van sommige elementen lopen over in anderen/ worden meegenomen. Het is
flexibel omdat hoewel er een algemene richting is aangegeven er toch verschillende wegen zijn die genomen kunnen worden (de
elementen kunnen niet los gezien worden van elkaar – dubbele pijlen).
Regulatieve cyclus: drie micro-cyclussen kunnen worden geïdentificeerd. Elke keer dat een van de drie belangrijkste fasen wordt
uitgevoerd, vindt een micro-cyclus plaats. Dit komt omdat elke hoofdfase zijn eigen cyclus van actie vormt, met een eigen logische
keten van redeneren. Terwijl een macro-cyclus kan bestaan uit drie micro-cycli, zullen de meeste educatieve design research
macro-cycli tal van meso-cycli over lange periodes van tijd omvatten.
1.
Analyse en exploratie
 De analyse en verkenning fase vormt één (empirisch) micro-cyclus, in
termen van de regulatieve cyclus beschreven door van Strien.
 Overleg met de doelgroep over de specifieke aard van het probleem
 Identificatie van het probleem
 Exploratie van oplossingsstrategieën die door anderen zijn gehanteerd.
2. Ontwerp en ontwikkeling
 Ontwerpen: voorstellen van mogelijke (voorlopige) oplossing voor het
probleem.
 Rationele, doelgerichte inschatting van de aanwezige kennis, rekening
houdend met de interne en externe consistentie.
o Interne consistentie: het ontwerp is geschikt om het doel te bereiken.
o Externe consistentie: de doelgroep vindt het een goed ontwerp.
 Ontwikkelen: materialiseren van het ontwerp.
3. Evaluatie en reflectie
 Nagaan wat de opbrengsten zijn van de interventie
 Reflectie op het ontwerpproces
4. Implementatie en verspreiding
 Vanaf de start
 Betrokkenheid van alle mogelijke actoren.
 Ontwerp bekijken vanuit 4 ontwerp-rationaliteiten (instrumentele, artistieke, communicatieve en pragmatische
rationaliteit).
DEEL 2: KERNPROCESSE N
LES 5: ANALYSE EN EXPLORATIE
Deze fase richt zich op het begrijpen van het volgende:
Probleem
context
randvoorwaarde
n
kennisgebaseerd
• Bestaande versus wenselijke situatie
• Oorzaken
• Onmiddellijke setting en het omliggende systeem
• Noden en wensen van de stakholder
• Binnen de probleemstelling
• Buiten de probleemstelling
• Bestaande literatuur
• Praktische kennis
Fase van het onderzoek:
De analyse vanaf het allereerste moment naar de praktijk brengen. Het generiek model verschilt met het ander model: bij het
tweede model is de evaluatie gedurende het hele proces. Ook de uitkomsten komen minder aan bod, het is een puur procesmodel.
Probleem analyse
 Probleem verkenning
 Beschrijf het probleem
 Leg het probleem uit.
Probleem: discrepantie tussen de bestaande en de gewenste situatie
Behoeften: Welke problemen vereisen de meest urgente aandacht met het oog op ingegaan op de overkoepelende
probleem?
Contextanalyse
Knowledge base
 Wat is bekend over het probleem?
 Bronnen:
o Literatuur
o Experts
Randvoorwaarden
 Geld
 Tijdpad
 Mensen beschikbaar
 Expertise
 Energie, attitudes
Een bruikbare lens: SWOT-analyse:
 Sterke punten
 Zwakke punten
 Kansen
 Bedreigingen
WELKE PERSPECTIEVEN EN VAARDIGHEDEN ZIJN NUTTIG?


Onderzoek vaardigheden:
Gebaseerd op onderzoek repertoire en inzichten, bijvoorbeeld




Flexibel denken: evenwicht tussen de creatieve en de analytische benaderingen
Teamwork
Communicatie - alle vormen:
Organisatie
o Het werk in beeld gebracht: kunnen we realistisch dit doen?
o Het bijhouden van dit alles: werken de dingen volgens plan?
o Evolutionaire planning: Hoe kunnen we ‘rollen met de stoten'?
HOOFDSTUK 4: ANALYSE EN EXPLORATIE
DE BASIS LEGGEN VOOR ANALYSE EN VERKENNING
Het begint met een basis assumptie dat de bestaande praktijken inadequaat zijn of ze kunnen op zijn minst verbeterd worden,
zodat nieuwe praktijken noodzakelijk zijn.
ANALYSE
VERMENGEN VAN EEN REDUCTIONISTISCH PERSPECTIEF EN EEN SYSTEEM PERSPECTIEF
Reductionistische perspectief: zoekt begrip over een probleem, zijn directe en indirecte oorzaken en analyseert elk component.
Begrip wordt gezocht door de probleemsituatie te ontbinden in zijn verschillende onderdelen en onderzoekt gebreken in de
componenten en/ of in hun interactie. Het helpt ons te verzekeren dat we oplossingen zullen ontwikkelen en niet enkel
symptomen te behandelen.
Holistische benadering of systeem perspectief: systemen zijn opgesteld uit dynamische en complexe gehelen van elementen die,
door middel van interactie, functioneren als een geheel. Systemen helpen ons veranderde elementen en diegene die
onveranderbaar lijken te herkennen (helpt ons bij het verkennen van het rechtsgebied van verandering: mag je iets veranderen
of is het bij wet vastgelegd?).
Nood aan een combinatie van de twee!
DRIE HOOFDACTIVITEITEN



De initiële oriëntatie: beginnen met het verduidelijken van het project in termen van wederzijds voordeel voor de betrokken
partijen.
Literatuuronderzoek: om theoretische input te verzamelen dat zal helpen bij het begrijpen van het probleem, de context en
relevante onderwerpen.
Veld gebaseerd onderzoek: data wordt verzameld om de setting, zijn actoren, mechanismen en andere relevante factoren te
schetsen.

Verfijnen van vragen en het selecteren van strategieën om deze te beantwoorden.
Nadat de analysevragen verfijnd zijn, dient men aandacht te besteden aan het bepalen van de settingen en actoren die in staat
zullen zijn om de noodzakelijke informatie te voorzien om het probleem, de context en de noden van de stakeholders te begrijpen.
Het bepalen van de methode
In deze fase gaat men op zoek naar de gepaste methode voor het bekomen van de nodige informatie. De banden tussen de
affordanties van bepaalde methoden en de vragen die worden gesteld moeten determinant zijn bij methode selectie. Men dient
ook te zorgen dat verschillende participatie groepen gehoord worden.
Mogelijke methoden zijn: interviews, focus groepen, observaties, vragenlijsten, testen, logboeken en documenten analyse.
Planning
Het onderzoeksplan dient te tonen hoe strategieën en methoden actueel zullen worden gebruikt. Het moet tonen dat het
voorzichtig, kritisch maar toch realistisch aandacht heeft bestaat aan de volgende overwegingen: tijd, geld, en beleid.
Creëren van instrumenten
Boeiende deelnemers
Populaties representeren vaak mensen van de doelgroep, stakeholders en/ of experten.
Verzamelen van data
Data analyse
Twee belangrijke zorgen zijn representativiteit en betrouwbaarheid van de gegevens.
Rapporteren
Project rapporten: voornamelijk vanuit het praktische perspectief beschreven. Ze zijn bedoeld voor een intern publiek en
focussen voornamelijk op het veld gebaseerd onderzoek en in mindere mate op de literatuur.
-
Journal artikels: worden geschreven voor een breder wetenschappelijke gemeenschap vanuit een meer theoretisch
perspectief.
EXPLORATIE/ VERKENNING
DOELSTELLINGEN VAN EXPLORATIE
De term “exploratie wordt gebruikt om de aard van dit werk te duiden, hetgeen inhoud nieuwe manieren vinden om te kijken
naar problemen en hun oplossingen, evenals het zoeken naar “de uitgevonden wielen" die anderen hebben ontwikkeld om het
probleem aan te pakken, en het ontdekken van hoe ze dit deden.
STRATEGIEËN VOOR HET UITVOEREN VAN EXPLORATIE
Veel van de exploratie in design onderzoek is informeel en over het algemeen een voortdurend proces die op de achtergrond
plaatst vind. Het is echter niet omdat het informeel is, dat er niets gepland is! Er bestaan drie veel voorkomende activiteiten van
exploratie: (1) site visits (vb. op scholen, programma’s, trainingen, centra), (2) professionele meetings (professionele en praktijk
conferenties) en (3) netwerken.
LES 8: DESIGN EN CONSTRUCTIE
SCHOOLGEBOUWEN: SPIEGELS VAN MAATSCHAPPELIJKE TENDENSEN?
GESCHIEDENIS VAN HET SCHOOLGEBOUW
-
De vraag naar schoolgebouwen.
Onderzoek naar het bouwen van scholen (midden 19e eeuw) > “type”-scholen > systematische scholenbouw.
19e eeuw: school als hygiënische omgeving (strijd tegen epidemieën): verwarming, verluchting en verlichting.
Institutionele en kerkelijke vormen: sombere en degelijke uitstraling.
Gelijkschakeling en gepastheid
ARCHITECTURALE ONTWIKKELINGEN (1)
-
-
-
Na WO2:
 Ontwikkeling van het kind.
 Initiatie met de buitenwereld / natuur (schooltuin).
Vier trends (Dudek, 2007):
 Nieuwe technologieën
 Geïntegreerde “break-out” ruimtes: je kan flexibel omgaan met ruimtes, beschikken over meerder ruimtes.
 Multifunctionele ruimtes
Invulling van een schoolbouwproject (Lathouwers &Van Heddegem, 2008)
 Ruimtelijke context: Inpassing school in de omgeving
 Onderwijskundige context: Pedagogisch project
 Organisatorische context
NIEUWE EISEN IN DE HUIDIGE MAATSCHAPPELIJKE/
ONDERWIJSKUNDIGE CONTEXT [WALDEN, 2009]
-
Scholen moeten plaatsen zijn voor leren en leven.
Scholen leiden tot een zintuiglijke ervaring.
Scholen zijn ruimtes voor actiegerichte activiteiten.
Scholen bieden individuele variatie en teamprocessen.
Scholen faciliteren sociaal leren.
Scholen zijn plaatsen voor ontmoeting.
Scholen bevatten zowel de persoonlijke levenssfeer als het
openbare leven.
Idee van brede school: de school maakt deel uit van de gemeenschap.
De school werkt nauw samen met de bakker enzovoort.
HOOFDSTUK 5: DESIGN EN CONSTRUCTIE
BELANGRIJKE ACTIVITEITEN EN RESULTATEN
De processen van ontwerpen en constructie zijn
systematisch en doelbewust, maar ook een inventieve
creativiteit, toepassing van nieuwe inzichten en openheid
naar serendipiteit staan centraal.
ANALYTISCHE EN CREAT IEVE PERSPECTIEVEN
We vinden de combinatie van de woorden imagination
(verbeelding) en engineering (techniek) nuttig om de
behoefte aan zowel creatieve en analytische
gezichtspunten te benadrukken.
ALGEMENE COMPETENTIES VOOR DESIGN EN
CONSTRUCTIE
We dienen open te staan voor verandering! We moeten
open staan voor nieuwe oplossingen te onderzoeken die
misschien de status quo zal aantasten. Vele factoren beïnvloeden hoe verandering ontvangen wordt. Drie factoren die
vernoemingswaardig zijn:
 Teamwerk. Effectieve teams bezitten een aantal karakteristieken:
 Communicatie: extreem belangrijk om te weten hoe je moet luisteren en productief te interageren.
 Creativiteit.
DESIGN
Generen van ideeën.
De meest voorkomende benadering voor het generen van ideeën is brainstorming.
Overwegen van ideeën.
Kritisch denken is essentieel! Er bestaan verschillende manieren om poteniele oplossingen te vergelijken. Vier technieken die vaak
handig zijn om kritisch denken te stimuleren zijn.
 De Bono’s Hats
 Courtroom challenge: 2 teams die elk de rechter van hun idee proberen te overtuigen.
 Sterkte/ zwakte matrix.
 Gewogen ranking
Skelet ontwerp
Het is belangrijk omdat het ontwerpers helpt bij het identificeren van kenmerken van het kernontwerp en onderscheid deze van
de ondersteunende kenmerken.
CONSTRUCTIE
Prototypes in onderwijskundig ontwerp onderzoek
Prototype = om verschillende ontwerpversies van
de geconstrueerde oplossing te beschrijving. Het is
virtueel onmogelijk om elke klein detail te
voorspellen, daarom dienen een aantal dingen
gedurende het proces van constructie beslist te
worden.
Prototypes kunnen direct worden gemaakt voor
sommige componenten en indirect voor anderen:
 Product component (direct)
 Beleid component (direct)
 Proces component (indirect)
 Programma component (indirect)
Verschillende soorten van evaluatie en reflectie bevindingen
Evaluatie op basis van een vragenlijst, observatie enzovoort. Dit kan context factoren, voorkeur van deelnemers, genuanceerd
inzicht, enzovoort in kaar brengen.
LES 6: EVALUATIE EN REFLECTIE
De eerste stap in dit model “values” kom je niet vaak tegen. Het houdt namelijk in dat je je eigen waarden weergeeft. Dit komt
zeer lineair over, maar is niet zo. Waarden moeten namelijk herzien worden doorheen het proces.
Evaluatie is verschillend van reflectie.
Evalueren kan je summatief doen (op
het eindproduct) of formatief
(gedurende het gehele proces). Bij
evaluatie is er een interventie;
doelgericht en met een intentie.
Reflectie daarentegen slaat terug op
jezelf, op je eigen handelen.
Verschil tussen analytisch en creatief.
Een analytisch model is sterk
gebaseerd op empirisch onderzoek,
vanuit de literatuur wordt er
afgetoetst. Bij het creatief model
staat men veel meer open voor
vernieuwing.
De vier pijlers van een ontwerp
(Hoobroeckx & Haak, 2002)
1. Interne consistentie: alle ontwerpstappen zijn op elkaar afgestemd.
2. Externe consistentie: het plan wordt door de betrokkenen als relevant ervaren.
3. Creativiteit: het plan vormt het beste alternatief.
4. Realisme: het plan is realiseerbaar binnen de geldende randvoorwaarden.
Evaluatie binnen systematisch en doelgericht ontwerpen
 Systematiek: volgens een bepaald patroon, volgens een vooropgestelde ontwerp-methodologie.
 Systeembenadering: een verzameling van samenhangende elementen (Banathy, 1978)
FASE EN FOCUS
ALFA TESTING (INTERNAL STRUCTURE)
-
“White box”
1ste fase van prototype testen; los van de context. Bijvoorbeeld kijken of alle techniche dingen juist zijn.
Systeem vereisten, specificaties, uitvoerbaarheid, …
Voorbeeldvraag: Hoe goed zijn de kernontwerp voorstellen vervat in het ontwerp?
BETA TESTING (USE IN CONTEXT)
-
“Black box”
Functionaliteiten, interactie in context, institutionalisatie, …
Voorbeeldvraag: Hoe relevant en bruikbaar zijn de perspectieven van de beoefenaars en de ervaren de interventie?
GAMMA TESTING (EFFECTS)
-
Laatste versie prototype, voor implementatie
Effectiviteit nagaan, impact meten, …
Voorbeeldvraag: Hoe effectief is de ingreep om het probleem op te lossen? Onder welke voorwaarden?
VERSCHILLENDE EVALUATIETYPES


Intended (beoogd)/ implemented (uitgevoerd) / Attained (bereikt) intervention (cf. Goodlad et al., 1979; van den Akker,
2003).
Reactie-, leer-, gedrag-, en resultaatniveau (Hoobroeckx & Haak, 2002).
STRATEGIEËN VOOR EVALUATIE
4 strategieën volgens Nieveen (1997, 1999)
 Developer screening
 Expert appraisal (experts bevragen)
 Pilot (interventie kleinschalig uitvoeren)
 Tryout (effectief in de context gaan evalueren)
Verschillende methodes: interviews, focus groups, vragenlijsten, pre-posttest, logboek, documentenanalyse, …
HOOFDSTUK 6: EVALUATIE EN REFLECTIE
DE BASIS LEGGEN VOOR EVALUATIE EN REFLECTIE
Een basisassumptie bij het begin van het ontwerp onderzoek is dat gedisciplineerd en systematisch onderzoek, in combinatie met
creatieve innovatie, manieren zal ontdekken om de beoogde doelen te bereiken. Design onderzoekers weten naar waar ze willen
gaan en geloven dat het onderzoeksproces hun naar daar zal brengen, ook al weten ze niet altijd hoe hun tocht er uit zal zien.
EVALUATIE
De rol van de interventie
Vastleggen van een focus is als het instellen van een agenda, en profiteert dus van het worden uitgevoerd door middel van een
dialoog met collega-onderzoekers en beoefenaars, terwijl ook de geïnformeerd worden door de relevante literatuur.
Fase en focus op evaluatie
Formatieve evaluatie, summatieve evaluatie en ‘semi-summatieve’ evaluatie (om een onderzoeksfase te beschrijven die tracht
een basis te voorzien voor het maken van beslissingen, maar die nog steeds over veel eigenschappen van formatieve evaluatie
beschikt.
SELECTEREN VAN BASIS STRATEGIEËN
Verschillende manieren om aan formatieve evaluatie te doen. Deze strategieën worden vaak in combinatie met elkaar gebruikt.
Developer screening
De developer screening is een geformaliseerd proces van het kritisch beoordelen van het ontwerp werk. In developer screening,
worden initiële ontwerpideeën geëvalueerd en deze overwegingen worden gedocumenteerd en geanalyseerd.
Expert appraisal
Externe expertise omvat het onderwerpen van het ontwerp van begin af aan tot kritische externe beoordeling.
Pilot
Pilot testen verwijst naar het uittesten van de interventie in een setting die zeer dicht bij de reële context ligt, maar die het niet
volledig representeren.
Tryout
Tryouts worden gebruikt op na te gaan hoe de interventies werken, wat de deelnemers denken of voelen over de interventie en
de verkregen resultaten na te gaan.
REFLECTIE
DE WAARDE EN FUNCTIES VAN REFLECTIE
Reflectie in onderwijskundig ontwerp onderzoek verschilt van gewone reflectie. De reflectie in onderwijskundig ontwerp wordt
ondernomen om de geïntegreerde onderzoeks- en ontwikkelingsagenda te ontwikkelen. Reflectie heeft hier betrekking op actieve
en doordachte overwegingen over wat samenkomt in onderzoek en ontwikkeling met het oog op de productie van een nieuw
(theoretische) begrip.
Procee’s benadering op reflectie focust op oordeel en hij maakt gebruik van Kant’s “vier momenten” in oordeel om reflectie vorm
te geven, namelijk
 Kwantiteit/ hoeveelheid: een willekeurig concept (of beeld, of verhaal) geplaatst buiten de ervaring. Het creëert een
reflectieve ruimte die het leren van ontdekkingen stimuleert. Het genereert nieuwe en onverwachte uitzichten op ervaring.
 Punt reflectie
 Kwaliteit: het moment van de kwaliteit gaat over standpunten die nuttig kunnen zijn om (elementen van) ervaringen en
keuzes te schatten.  Lijn reflectie
 Relatie: het moment van de relatie brengt dynamische elementen, door de invoering van standpunten die gerelateerd zijn
aan verschillende visies van een professionele en een sociale context.  Driehoeks reflectie
 Modaliteit: reflectie reflecteert op het reflectieproces zelf en over aspecten van de (professionele) identiteit.  Cirkel
reflectie
LES 7: IMPLEMENTATIE EN VERSPREIDING
Uiteindelijk doel van onderwijskundig ontwerpen = Planning for actual use. Implementatie: manier waarop het ontwerp in realiteit
wordt gebracht (vgl. met medicijn).
McKenney & Reeves: drie implementatiefasen: “adoption”, “enactment”, “sustained maintenance”
 adoptie: beslissing het ontwerp in gebruik te nemen.
 ingebruikname: getrouw gebruik of wederzijdse aanpassing (let op voor “lethal mutations” (vbdn); exogeen (interventie) vs
endogeen versus ontwerp (situatie zoals voorheen en na interventie).
 blijvend gebruik, zonder externe ondersteuning (institutionalisatie).
Vier elementen om het verloop van een innovatie te begrijpen (Rogers):
1. De aard van de innovatie: De vernieuwing kan organisatorisch, technologisch ... van aard zijn. Het idee van ‘nieuwigheid’
bepaalt de reactie van het individu.
2. De communicatie: menselijke interactie, de communicatie tussen personen over dit nieuwe idee. Het gebruik van specifieke
kanalen ((in)formeel overleg, …)
3. Het sociale systeem: individuen betrokken in een collectief probleemoplossend gedrag. De normen van het sociaal systeem
en de status van individuen binnen de sociale structuur van het systeem, beïnvloeden de diffusie van ideeën. Sociale relaties
beïnvloeden dus de wijze waarop diffusie van de vernieuwing plaatsgrijpt en de resultaten ervan
4. De tijd: proces dat verloopt van kennisname tot de uiteindelijke adoptie.
HOOFDSTUK 7: IMPLEMENTATIE EN VERSPREIDING
IMPLEMENTATIE
Implementatie: manier waarop het ontwerp in realiteit wordt gebracht (vgl. met medicijn: inslikken, kauwen, na de maaltijd,…).
Drie belangrijke fasen van de uitvoering kunnen worden onderscheiden: adoptie, inwerkstelling (implementatiebenadering), en
aanhoudende onderhoud (organisatiebenadering).
Het implementatieproces van een innovatie (hier volgens Rogers) (toepasbaar op implementatie van een interventie/product):
Kennis (inzicht in basiskenmerken)
Overtuiging (beoordelen van de kenmerken)
Besluitvorming (acceptatie of verwerping)
Implementatie
(gebruik of niet-gebruik)
Confirmatie (oordeel over impact, met mogelijk stopzetting)
ACTOREN
Interventies moeten betrekking hebben op diepe en consequente verandering die verder gaan dan oppervlakkige structuren of
procedures.
Wie is er betrokken?
Er zijn drie belangrijke actoren in het ontwerpen en implementeren van educatieve interventies namelijk beleidmakers (tekstboek
schrijvers, senior leerkrachten, wetgevers,…), stakeholders en invloeden (individuen of groepen die zich inspannen om de
autoriteiten in verband met een soort van ideologie of belang te overtuigen, zoals milieu-lobbyisten)
VOORBEELDEN VAN ONDERWIJSKUNDIG ONTWERPEN
WAT IS VOORLICHTING?
Actuele term: studie-oriëntering.
Kenmerken:
 Een specifieke vorm van communicatie/beïnvloeding.
 Heeft verschillende domeinen (seksuele, milieu-, verkeers-, landbouw-, gezondheids-, studievoorlichting...)
 Verschilt van reclame in die zin dat…
 Uiteenlopende verschijningsvormen (training, beleid, materialen,…)


Meer accurate term bij opsplitsing naar domeinen: promotie/educatie i.p.v. voorlichting.
Voorlichting is een opzettelijke en weloverwogen poging om op het gebied van kennis en inzicht een ander zodanig van
dienst te zijn dat deze in staat is zo zelfstandig en bewust mogelijk en tevens zoveel mogelijk overeenkomstig zijn eigen
belang, ten aanzien van een specifiek geval een redelijke beslissing te nemen.
CASUS GEZONDHEIDSBEVORDERING
Gezondheidsbevordering heeft tot doel de gezondheid te bevorderen, te beschermen of te behouden door die processen te
ondersteunen die individuen en groepen in staat stellen om de determinanten van hun gezondheid te beïnvloeden’ (World healthe
organisation).
A. Maatschappelijke aandacht
B. Wetenschappelijke aandacht
C. Onderwijskundige aandacht
Waarom leveren ze soms niet het gewenste resultaat op? Er spelen namelijk nog andere factoren mee zoals attitudes van mensen,
sociale en fysische zaken,…
DRIE VORMEN VAN GEZONDHEIDSEDUCATIE



Informatief: klemtoon op feitelijke inlichtingen (oorzaken en gevolgen +
aansluiten bij de kenmerken van de doelgroep).
Educatief:
o Vergroten van inzicht in achtergrond en samenhang van feiten
(informatie inzichtelijk verwerken),
o rekening houdend met kenmerken doelgroep.
Persuasief: het overgangsgebied tussen voorlichting en propaganda.
informatief
persuatief
educatief
Download
Random flashcards
Create flashcards